Tag: democratie

  • 7. Wij zijn de beschaving

    7. Wij zijn de beschaving

    De Italiaanse romancier Alessandro Baricco waande zich een tamelijk onwetende archeoloog die onderzoek ging doen naar alle grote digitale bolwerken alsof het ruïnes zijn van een geheimzinnige verdwenen beschaving. Op het Forum spreekt hij over zijn nieuwe creatie. In La Repubblica schreef hij er alvast over.

    De vraag of ons met de digitale revolutie nou eigenlijk een 
oor wordt aangenaaid bleef me bezighouden. Bovendien was er intussen heel veel nieuws te melden 
en was alles een stuk duidelijker geworden. In 2006, toen ik De Barbaren schreef, tastten we nog in het duister, zogezegd. De iPhone bestond nog niet eens. En ook Youporn niet, en van twitteren had nog nooit iemand gehoord. Kortom, hoog tijd voor een update.

    Dus heb ik me in de materie verdiept en her en der mijn licht opgestoken. 
En nu ben ik bezig met de laatste 
bladzijden. Enigszins uitgeput, maar op de manier van iemand die in zijn eentje rond de wereld is gereisd en 
zich helemaal top voelt, afgezien van een vreemde trilling in zijn oog en terugkerende nachtmerries. Voor het schrijven van de laatste bladzijden van De Barbaren ben ik indertijd afgereisd naar de Chinese Muur: toen wilde ik trachten duidelijk te maken dat het optrekken van muren tegen de digitale vloedgolf net zo’n schitterend en stompzinnig idee was als dat van die muur, die er in de geschiedenis nooit in was geslaagd een invasie van volkeren uit het noorden tegen te houden. En dus zat ik eerst urenlang in een vliegtuig en liep vervolgens zeven uur lang over de Chinese Muur. Op een gegeven moment kruiste ik twee 
Amerikanen die hem helemaal rennend aflegden. Wat voor idiote dingen je ook doet, er is altijd iemand die nog idioter is dan jij.

    Dit keer ben ik naar Silicon Valley gegaan. Een mythische plek, maar 
van een heel ander kaliber, dat moge duidelijk zijn. Ik heb het gedaan omdat een van de dingen die ik me de afgelopen twee jaar tijdens mijn onderzoek heb gerealiseerd is dat het echt allemaal dáár is begonnen, binnen een straal van luttele kilometers, en dat 
het nog steeds allemaal daar gebeurt, binnen diezelfde straal van luttele 
kilometers. De navel van de wereld. Een soort Florence in de renaissance,
 of Parijs in de jaren twintig.

    Ik bestudeerde ze al twee jaar op afstand, die vaders van de digitale revolutie. Allemaal Amerikanen, allemaal wit, allemaal man, bijna allemaal ingenieur. Ik had inmiddels het idee dat ik hen begreep: ik kende hun tics, hun mythen, wat ze deden toen ze jong waren en hoe hun geest werkte. Het enige wat ik niet wist was wat ze zagen als ze uit het raam keken en hoe de plekken eruitzagen waar ze ontbeten. En daarom ging ik erheen. Het stelt niet veel voor. Wat ze zien als ze uit het raam kijken, bedoel ik. Het stelt niet veel voor. Silicon Valley is zo’n plek in Amerika die overal in Amerika zou kunnen zijn. Het is het soort plek 
waar je de snelweg neemt om naar 
de kapper te gaan. Anders raak je verdwaald in gigantische, als kruiswoordraadsels ontworpen woonwijken.

    Tekenen van een mensheid

    De namen van de steden zijn inmiddels legendarisch: Palo Alto, Mountain View, Cupertino, Menlo Park. Je stelt je daar megahippe plekken bij voor, maar uiteindelijk vind je er, naast bungalows en villa’s, niet veel meer dan een 
aardige hoofdstraat, downtown, waar de restaurants er aantrekkelijk uitzien maar de meubelwinkels bijvoorbeeld een aanfluiting zijn, met interieurs die zelfs in de provincie diep in de vorige eeuw al volstrekt gedateerd waren. 
Het valt moeilijk te begrijpen: je zoekt naar tekenen van een mensheid die jaren op de rest voor zou moeten 
lopen en vindt jezelf uiteindelijk terug tussen de divans in gothic country style. Tja… Ook kwam ik door een geestig misverstand terecht in een motel in indianenstijl, in die zin dat ze er 
lederen schemerlampen hadden, nachtkastjes met houten vossen erop en portretten van Pawnee-indianen aan de muur: maar geen etnisch of politiek correct spul, nee, echt van die goedkope namaakrommel die je in 
de jaren vijftig wel bij vrouwen met krulspelden in de zitkamer aantrof. In de hal hing een foto van de opening, uit 1959 inderdaad, iedereen in zwart-wit lachend naar de fotograaf. Ook nu hangt er nog steeds een zweem van trots in de lucht, net als er koeienhuiden aan de muren hangen en nep-Comanchetapijten op de vloer liggen. Het zette me aan het denken, want tien minuten verderop bevindt zich het hoofdkwartier van Apple, om maar iets te noemen, en dus kwam ik tot de volgende overweging: als deze mensen, die op steenworp afstand wonen 
van Google, Apple, Facebook, en van duizenden digitale startups, als deze mensen nog steeds in huizen wonen met een lederen schemerlamp, pijl 
en boog aan de muur en houten minibizons als snuisterij, waarom maken we er ons op duizenden kilometers afstand dan zorgen over dat ze er met onze Vlaamse primitieven en de muziek van Schubert vandoor zullen gaan? Nee, ik meen het, die paranoia van ons zal toch niet onterecht zijn?

    Want paranoïde zijn we, dat lijkt me duidelijk, en daarom heb ik dit boek 
ook geschreven: in zekere zin is het een vervolg op De Barbaren, maar toch ook weer niet. Dit keer ben ik namelijk verder gegaan, of dichterbij gebleven, dat hangt ervan af hoe je het bekijkt – het resultaat had een betrouwbare en voor zover mogelijk mooie atlas moeten worden van de aarde die we zijn gaan bewonen nadat we de rampzalige twintigste eeuw achter ons hadden gelaten. En inderdaad zag ik na een tijdje dat er onder mijn ogen een kaart ontstond, onnauwkeurig, zeker, maar tamelijk geloofwaardig, vol met dingen die ik niet wist, met continenten waarvan ik het bestaan vermoedde maar waar ik nooit een goed beeld van had gehad, of met oceanen waarvan ik niet wist dat ze bestonden maar die er opeens waren. En naarmate die kaart groeide – en me af en toe verbaasd deed staan, door bepaalde combinaties van gebeurtenissen, of wonderen van mental design – naarmate die groeide zag ik ergens, 
ik weet niet waarvandaan, een naam opduiken die volstrekt niet van zins 
was weer te verdwijnen, zodat ik uit-eindelijk tot de slotsom kwam dat het waarschijnlijk de naam is van de maatschappij waarin we leven.

    Hoe het ook zij, toeval bestaat niet: 
als The Game daar is ontstaan, in Silicon Valley, dan was daar een reden voor. In een straal van enkele kilometers had je er militairen, de ruimtevaartindustrie, een stortvloed aan producenten van microchips, een universiteit als 
Stanford, Hollywood (zonder dromen kom je nergens), de pioniers van de 
science computer (Hewlett-Packard), en bovenal een groot aantal gestoorde hippies: de Californische tegencultuur. Stop dat allemaal bij elkaar, even goed schudden en je krijgt Steve Jobs. Het heeft even geduurd voordat ik het doorhad: ik dacht dat het een revolutie was die geheel werd geleid door ingenieurs en technocraten, maar ik had geen rekening gehouden met de afwijkende Californische manier van leven. Bij ons was het in de jaren zeventig zo dat als je een zwager had die informatica had gestudeerd, je niet avond aan avond joints met hem zat te roken, en je ook niet dacht dat hij misschien wel van plan was het systeem omver te werpen. Het was al heel wat als hij 
niet naar de kerk ging. Maar daar, in Californië, had een informatica-zwager vaak lang haar, waste zich zelden, had nerdachtige neigingen, noemde zichzelf hacker, bracht al zijn tijd door in duistere computerlabs en had een elementaire opvatting over de wereld: die moest vernieuwd. Echt, in die tijd had je op dat soort plekken tien twintigers die walgden van de way of life van hun ouders, vijf die demonstreerden tegen de Vietnamoorlog, drie die de vrije liefde praktiseerden in een 
Volkswagenbusje en twee die in een lab videogames aan het programmeren waren. Het is goed te beseffen dat we in een beschaving leven die door die laatste twee is verbeeld.

    nerd

    1. Steve Jobs poseert met een Apple II computer. 
 – © Ted / ThaiGetty; 
Stewart Brand bij New Games in Marin County. – 
© Ted Streshinsky / Getty

Stewart; 3. Brand en andere leden van Merry Pranksters controleren de instrumenten op het dak van The Bus ter voorbereiding van Acid Test Graduation in San Francisco, 1966. 
– © Ted Streshinsky / Getty

    Ze wilden de wereld veranderen, zo werd me duidelijk, en dat deden ze 
met behulp van een door ingenieurs bedacht systeem, waarvan ik uit-
eindelijk veel heb geleerd. Het werd 
het duidelijkst samengevat in een interview met Stewart Brand, een man van wie ik tot een paar maanden geleden niets wist. Hij was (is) een soort profeet, heel bekend in Silicon Valley, een beatnik die rondliep in een leren jack met franje, de effecten van lsd bestudeerde en ondertussen rondhing in de beste computerlabs. Welnu, op een keer zei hij dit in een interview: 
‘Je kunt proberen het hoofd van de mensen te veranderen, maar daar verdoe je alleen maar je tijd mee. Wat 
je wél kunt doen is de instrumenten veranderen die ze gebruiken. Doe het en je zult de beschaving veranderen.’ Laat dat tot je doordringen en opeens begrijp je veel beter wat er de laatste dertig jaar is gebeurd.

    Stewart Brand is ook de eerste mens die het idee zwart op wit heeft gezet dat ieder mens een eigen computer op zijn bureau moest hebben staan. Hij 
zei het toen dat nog klonk als ‘over twintig jaar kan iedereen thuis voor de televisie met zijn blote handen zijn eigen amandelen knippen’.

    Een paar jaar later, op een congres voor designers, werd Steve Jobs gevraagd een speech te houden. Hij was toen nog niet Steve Jobs, hij ging gewoon omdat ze hem betaalden. Toen hij de zaal betrad, realiseerde hij zich dat niemand, maar dan ook niemand wist wat software was. Oké, ik zal het proberen uit te leggen, zei hij. En welk voorbeeld gebruikte hij om het uit te leggen? Pong, een videogame, je weet wel, dat gekmakende spel met die twee rackets die omhoog en omlaag gingen en dat ellendige balletje. O ja, wie herinnert zich nog ‘Stay hungry, stay foolish’, de beroemde zin die bij alle afbeeldingen van Steve Jobs staat? Nou, die kwam niet van hem. Hij gaf het zelf toe. Van wie die wel was? Stewart Brand.

    The Game is het verhaal van een tamelijk onwetende archeoloog geworden 
die onderzoek gaat doen naar alle grote digitale bolwerken – van Google tot Apple, van Facebook tot YouTube – alsof het ruïnes zijn van een geheimzinnige verdwenen beschaving. Hij graaft, onderzoekt, bestudeert, brengt aan de oppervlakte, tart eeuwenoude vloeken, stoft fossielen af, zet zijn leven op het spel, en dat alles om te proberen erachter te komen wie die mensen waren, op wat voor manier ze dachten, waar ze bang voor waren, wat ze wilden en hoe het met ze af is gelopen. Het interessante is dat wíj die mensen zijn, die beschaving is de onze, en die geschiedenis is onze geschiedenis.

    Auteur:Alessandro Baricco
    Vertaler: Yond Boeke

    In 2006 publiceerde Baricco De Barbaren, voor wie vreest dat de digitale vloedgolf het verval van de beschaving betekende.

    Alessandro Baricco: ‘A Manifesto for the Arts’
    De Balie, 3 juni, 19.30

    La Repubblica
    Italië | dagblad | oplage 384.000

    Sinds 1976 de krant voor de intellectuele en zakelijke elite van Italië, staat politiek dicht bij de Democratische Partij (PD). Uitte gedurende Berlusconi’s laatste termijn steeds meer kritiek op de regering. Qua oplage concurrent van Corriere della Sera.

  • 6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    Als je verandering wilt, moet je een officiële organisatie op de been brengen die daar dagelijks aan werkt, aldus de Hongaarse activist Márton Gulyás.

    Márton Gulyás bracht in april jongstleden een bezoek aan Bratislava om een Face 
to Face-conferentie bij te wonen en te praten over de mogelijkheid om het publieke protest in fatsoenlijke banen te leiden. In een interview met The Slovak Spectator vertelt hij waarin de Hongaarse protestbeweging momenteel tekortschiet en waarom ze niet heeft kunnen voorkomen dat 
Viktor Orbán de recente Hongaarse verkiezingen met een tweederdemeerderheid won.

    Hoe zou een ‘fatsoenlijk publiek protest’ eruitzien?

    Voor een ontwikkelde, beschaafde samenleving zijn alleen niet-gewelddadige betogingen acceptabel. Maar als een protestbeweging het zonder officiële vertegenwoordigers, een duidelijke agenda en een vastomlijnde achterban moet stellen, kunnen mensen die aan betogingen deelnemen verder 
nergens heen. Ook al gaan er in Boedapest op dit moment honderdduizenden mensen de straat op, 
er zit geen officiële organisatie achter de betogingen die dag in dag uit aan een agenda werkt. Dat is iets wat we moeten leren van andere protestbewegingen: als je voor verandering strijdt, moet je je focussen op een officiële organisatie, of desnoods op niet-officiële groeperingen, en zorgen dat die hun voordeel kunnen doen met de massale betogingen. Verandering bereik je alleen als je je daar elke dag voor inzet.

    Hoe komt het dat er in Hongarije geen officiële protestbeweging is?

    Om te beginnen krijgen alle oppositiepartijen de schuld van het verkiezingsresultaat. Ze hebben natuurlijk enorm gefaald en worden daarom 
gewantrouwd. Uit hun kringen zou nooit een goede vertegenwoordiger van het verzet kunnen komen. Aan de andere kant zijn er geen massabewegingen 
of grote vakbonden die door de mensen in mijn land worden gerespecteerd. De vraag is op dit moment wie de eerste beweging zal vormen die zal proberen de mensen te verenigen en hun een agenda te 
bezorgen waaraan ze dagelijks kunnen werken. Er zijn kleine bewegingen die dat doen, maar daar zijn slechts enkele tientallen mensen bij betrokken. Voor echte verandering hebben we een massabeweging van tienduizenden mensen nodig. Daar moeten we over nadenken, en we moeten leren van onze eerdere fouten: zonder politieke vertegenwoordiging kunnen we de problemen waarmee we op dit moment worden geconfronteerd niet oplossen.

    En een burgerlijke, niet-politieke beweging?

    Het zou ook een politieke beweging kunnen zijn. 
We zullen moeten vertrouwen op partijen. Het probleem is dat deze partijen met een enorm gebrek aan vertrouwen en authenticiteit kampen. Vakbonden, die ook politieke organisaties kunnen zijn, zijn niet toegerust voor dit soort werk. Het belangrijkste is dat mensen die nu furieus zijn, niet alleen in Hongarije maar ook in Slowakije, zich inzetten voor de vorming van een beweging of organisatie die de problemen aan de orde blijft stellen. Met alleen maar boze mensen op straat schiet je niks op.

    Massaal protest tegen de regering in Boedapest. – © Zoltan Balogh / HH
    Massaal protest tegen de regering in Boedapest. – © Zoltan Balogh / HH

    In Slowakije zijn recentelijk enkele kleinere organisaties opgestaan die niet bij de ‘Beweging voor een fatsoenlijk Slowakije’ horen. Bestaat 
met zoveel bewegingen niet het risico dat de kern van het probleem ondergesneeuwd raakt en het hele verzet instort?

    Ik ben niet zo goed bekend met de situatie in 
Slowakije, maar één ding is zeker: deze bewegingen of organisaties die voor verandering strijden moeten een duidelijke agenda en ideologie hebben. Mensen moeten niet bang zijn voor ideologische verschillen. Daar gaat politiek tenslotte over: op een vreedzame manier tegen andere ideologieën strijden. Maar 
als er te veel organisaties zijn, kan dat schadelijk 
zijn voor het grotere doel waarvoor ze strijden. Mijn advies zou zijn: heb een duidelijke agenda voor de specifieke politieke kwesties en zoek ruimte voor gemeenschappelijke doelen.

    Sommige Slowaakse politici, onder wie de ex-premier, impliceerden dat deze protesten vanuit het buitenland georganiseerd konden zijn, met name door George Soros. Beschouwt u zulke retoriek als een veeg teken?

    Allereerst moeten alle protestbewegingen volstrekt transparant zijn wat al hun inkomsten en uitgaven betreft. Ze mogen geen kosten verzwijgen die ze hebben gemaakt en ook niet waar hun geld vandaan komt, of het nou om kleine of grote donateurs gaat. Maar waar ik de Slowaakse samenleving voor wil waarschuwen is het volgende: sta niet toe dat politici de mensen die zich tegen hen verzetten en hen bekritiseren, afdoen als ‘soldaten van Soros’. Dat is in Hongarije gebeurd. Eerst waren het alleen maar een paar politici die burger-ngo’s, activisten, advocaten en anderen die voor verandering strijden ervan 
probeerden te beschuldigen dat ze naar de pijpen 
van Soros dansten.

    En op dit moment doet de hele Hongaarse staat niets anders dan mensen zoals ik, op reclameborden, op televisie, radio en in kranten, ervan beschuldigen dat ze door Soros worden betaald of dat we op een oneerlijke manier tegen de regering vechten en dat we de werkelijke reden waarom we dat doen verzwijgen. Niets daarvan is waar. Ik heb verscheidene processen gewonnen waarin werd bepaald dat deze beweringen moesten worden herroepen. Je moet je focussen op politici die met deze beschuldigingen begonnen zijn en alles uit de kast halen om te voorkomen dat het uit de hand loopt.

    Voorafgaand aan de parlementsverkiezingen 
in Hongarije heeft u alles in het werk 
gesteld om te voorkomen dat Fidesz met een tweederdemeerderheid zou winnen. Wat was 
de belangrijkste reden voor het mislukken 
van deze pogingen?

    Het gebrek aan samenwerking tussen de oppositiepartijen. Die waren niet alleen arrogant, maar ook uitermate dom om de realiteit zo te negeren. We hadden minstens vier kandidaat-premiers om het tegen Orbán op te nemen. De verkiezingsuitslag was volstrekt in strijd met de realiteit van de Hongaarse samenleving. We hebben geprobeerd met de oppositie in gesprek te raken en haar duidelijk te maken 
dat ze in de afzonderlijke kiesdistricten moest samenwerken om de tweederdemeerderheid te voorkomen. Maar zelfs daar waren ze niet toe in staat.

    Het is duidelijk dat Fidesz de partij met de grootste aanhang is, maar toch verbaasde het ons hoeveel stemmen ze op nationaal niveau behaalden: 49 
procent, wat ongeëvenaard is. Maar ze kregen de tweederdemeerderheid door bedrog en geknoei met het kiesstelsel. De oppositiepartijen hadden dat kunnen voorkomen als ze rationeler en coöperatiever waren geweest. Dit is hun fout geweest. Nu zitten 
we in een volstrekt andere situatie. We hoeven niet meer na te denken over hoe ze over vier jaar moeten samenwerken, want dat is een gepasseerd station. We moeten van voren af aan beginnen om een nieuwe kijk op het land en de samenleving te ontwikkelen, die de kijk van Fidesz zal kunnen verslaan. We moeten een nieuwe meerderheid tegenover die van Orbán vormen.

    Is er een reële kans op verandering?

    Jazeker. Het beleid dat Orbán voorstaat is onhoudbaar. De welvaart van de EU-economie heeft hem flink geholpen. Maar als je onze welvaart vergelijkt met die van andere landen in de regio, zoals Slowakije, de Tsjechische Republiek of Roemenië, dan hebben we nog heel wat in te halen. Dit zal op een dag ophouden, er zullen nieuwe wereldcrises komen, want we leven nog steeds in een kapitalistisch systeem waarin dit soort dips zijn ingebakken. Als dat gebeurt zal Orbán zijn onaantastbare positie van dit moment verliezen. Maar dat zal niet genoeg zijn. Daarom moeten we er van nu af aan voor zorgen dat we tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken.

    Met welke concrete stappen denkt u dat te bereiken?

    Daar denk ik op dit moment over na. Ik moet een paar maanden uit de publiciteit blijven. Als we alleen maar op ons instinct afgaan zullen we onze fouten voortdurend herhalen. We moeten ons focussen op de intellectuele arbeid die we de afgelopen acht jaar hebben verwaarloosd. Het is tijd voor analyses en het ontwikkelen van een nieuwe strategie. Alleen dan kunnen we met ons land aan een nieuw hoofdstuk beginnen.

    Gulyás debateert over het belang van artistieke en democratische vrijheid op 31 mei
    20:30 in De Balie

    Marton Gulyas, foto van B1 Blog
    Marton Gulyas, foto van B1 Blog

    Wie is Márton Gulyás?

    Een Hongaarse activist die door de regering aldaar als veiligheidsrisico wordt bestempeld. Na een betoging tegen een wetswijziging om de Central European University van George Soros aan te pakken werd hij drie dagen gevangengezet en tot een taakstraf van driehonderd dagen veroordeeld. Na zijn vrijlating richtte Gulyás de beweging ‘Land voor iedereen’ 
op, die het huidige Hongaarse kiesstelsel probeert te veranderen door de invoering van een 
nieuwe wet.

    Vertaler: Martinette Susijn

    The Slovak Spectator
    Slowakije | maandblad | oplage nb

    De enige Engelstalige krant in Slowakije. Wordt eens in de maand als bijlage 
gepubliceerd bij het dagblad Sme en biedt behalve cultuur lokaal en financieel nieuws.

  • Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.

    Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het 
liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. 
De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van 
de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.

    Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een 
bijeenkomst aan Rutgers University, 
in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.

    Gevaren

    Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel 
die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.

    In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en 
kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het 
Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, 
verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat 
al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses 
bij de kop, maar ook verschillende 
politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante 
Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse 
theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.

    Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd 
op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij 
me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.

    Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement

    Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is 
privacy een groot goed. Precies om 
deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk 
opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.

    Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren 
we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.

    Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, 
en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld 
in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat 
is wat veel van de hardwerkende 
Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk 
op Trump gestemd.

    Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als 
je naar hun website kijkt, zegt Lilla. 
Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.

    Mark Lila
    Mark Lila

    Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.

    De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. 
De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet 
is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een 
destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.

    De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis 
en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en 
activistische bewegingen, en terug-
keren naar de politiek van partijen en instellingen.

    Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die 
de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later 
de obsessie, met identiteit, bracht de 
uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits-
politiek een verruiming, en geen 
vernauwing, van de sterk individualistische tendens.

    Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig

    Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets 
misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden 
dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het 
feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan 
Hispanics of dikke vrouwen. Of dat 
de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun 
volstrekt unieke zelfdefinitie.

    Daaruit volgt dat er binnen deze 
kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.

    Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in 
een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. 
Hij voerde verhitte discussies met 
zijn klasgenoten en wilde hun het 
religieuze licht laten zien.

    Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.

    Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de 
Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en 
kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig.

    Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit 
dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.

    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP
    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP

    Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen 
uit, maar bepleitten realistische, 
concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat 
er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de 
vijanden van de vijanden van de 
arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk 
veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’

    Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School 
of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.

    Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’

    En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de 
Democraten echt iets mee kunnen.

    Ontmanteling van coalities

    Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van 
Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet 
het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.

    Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van 
de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een 
paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.

    De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt 
van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was 
overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
    Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote 
deel van de hoogopgeleide Amerikanen 
verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.

    Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, 
‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’

    Auteur: Gadi Taub
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    ‘Sign of the Times: The struggle for Identity’.
    Stadsschouwburg, 2 juni, 20.30

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 
1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • 2. Santiago Sierra Middelpunt 
van controverse

    2. Santiago Sierra Middelpunt 
van controverse

    Begin dit jaar werd het werk van de Spaanse kunstenaars Santiago Sierra tot grote ontsteltenis verwijderd van de kunstbeurs ARCO omdat leiders van de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging als politieke gevangenen werden afgebeeld.

    De productie van de kunstenaar Santiago Sierra (Madrid, 1966), die gisteren voor de zoveelste keer het middelpunt van een 
controverse werd, valt in drie categorieën uiteen: werken in privécollecties, werken in openbare 
collecties en polemische werken. Wat er op de 
Internationale Beurs voor Hedendaagse Kunst in Madrid met zijn werk ‘Politieke gevangenen in het hedendaagse Spanje’ gebeurde is een nieuwe episode in zijn creatieve carrière, die gekenmerkt wordt 
door steeds terugkerende provocaties.

    Misschien het eerste werk dat negatieve reacties binnen en buiten de kunstwereld opriep was ‘Lijn van 30 cm getatoeëerd op iemand die ervoor betaald werd’ (Mexico, 1998). Het was het begin van een reeks performances waarvoor de kunstenaar betaalde: mensen die zich lieten tatoeëren, die een korte tekst van buiten leerden of die voor 20 dollar (16 euro) voor de camera masturbeerden. Wat de kunstenaar wilde was kanttekeningen plaatsen bij onze omgang met arbeid en onderzoeken hoe ver mensen bereid zijn 
te gaan voor geld, maar de manier waarop hij dat deed zette kwaad bloed in de kunstwereld, die meer geporteerd is voor subtiele metaforen in werken 
met een politieke lading.

    Sierra overschreed de grens van het betamelijke nog verder toen hij in 2000, in San Juan, Puerto Rico, twee heroïneverslaafden een lijntje heroïne betaalde om een 10 centimeter lange strook op hun hoofd 
kaal te mogen scheren. Daarna waren nog maar 
weinigen verbaasd over zijn installatie op de Biënnale van Venetië in 2003, ‘Afgedekt woord’ genaamd, waarmee hij de toegang tot het Spaans paviljoen afsloot voor iedereen die geen Spaanse legitimatie kon tonen. Daarmee wilde hij de Europese immi-
gratiepolitiek aan de kaak stellen, tot grote verontwaardiging van veel bezoekers, inclusief Spanjaarden.

    De woedende reacties op zijn werk hebben Santiago Sierra er niet van weerhouden op dezelfde voet verder te gaan. In 2006 verbood de Duitse stad 
Pulheim zijn installatie ‘245 kubieke meters’, een nagebouwde gaskamer in een synagoge die dienstdeed als cultureel centrum. Het werk verwees 
volgens de kunstenaar naar ‘de geïndustrialiseerde en geïnstitutionaliseerde moord op Europeanen, in het verleden en in het heden’.

    ‘Het is allemaal je reinste waanzin, maar het schijnt volkomen normaal te zijn. Niemand kijkt er nog van op. Vervolging op grond van overtuiging is genormaliseerd’

    Die polemieken waren geen beletsel om hem in 
2010 de Nationale Prijs voor Plastische Kunst toe te kennen, een onderscheiding die hij, samen met het eraan verbonden geldbedrag, weigerde door middel van een brief die hij op de ARCO, de Internationale Beurs voor Hedendaagse kunst, verkocht voor 
30.000 euro, hetzelfde bedrag als de geweigerde geldprijs, die anders uit de algemene middelen betaald zou moeten worden.

    De opschudding na het verwijderen van Sierra’s 
werk bereikte ook de politieke arena. De woordvoerder van de PSOE in het parlement, 
Margarita Robles, sprak haar steun uit voor de maatregel: ‘We dienen waardering te hebben voor elke maatregel die de spanning vermindert.’ De gemeente Madrid, gedomineerd door de Christelijke Volkspartij (PP), staat ook achter de beslissing. Juan Carlos Girauta van Ciudadanos oefende kritiek uit op de beslissing van IFEMA (de jaarbeurs van Madrid) met zijn stelling dat kunst ‘fictie’ is en ‘volkomen vrij’ 
en dat binnen de kunst ‘alles is toegestaan’. Pablo Iglesias van Podemos zei dat het ‘onverenigbaar is met de democratie dat bepaalde thema’s niet aangeroerd mogen worden’. Joan Tardà van Esquerra Republicana de Catalunya (‘Catalaans Links’) nam het woord ‘censuur’ in de mond.

    De staatssecretaris van Cultuur, Fernando Benzo, distantieerde zich van de kwestie: ‘Het valt niet binnen onze competentie in dezen oordelend of 
handelend op te treden.’

    Santiago Sierra staat de pers te woord tijdens een presentatie van zijn serie ‘Politieke gevangenen in hedendaags Spanje’. – © Pablo Blazquez Dominguez / Getty
    Santiago Sierra staat de pers te woord tijdens een presentatie van zijn serie ‘Politieke gevangenen in hedendaags Spanje’. – © Pablo Blazquez Dominguez / Getty

    El País: Wat is uw kijk op wat er gebeurd is met uw werk ‘Politieke gevangenen in het hedendaagse Spanje’?

    Sierra: IFEMA heeft mijn laatste werk laten 
verwijderen omdat de bezoekers van de ARCO het niet mochten zien. Dat is te gek voor woorden, dat is een daad van censuur die niet van deze tijd is, op z’n minst internationaal gezien. Voor de cultuurwerkers in Spanje is het dagelijkse kost.

    El País: Wilt u met uw werk zeggen dat u 
gelooft dat Oriol Junqueras en ‘Los Jordis’ 
(Jordi Cuixart en Jordi Sànchez, twee voorstanders van Catalaanse onafhankelijkheid die door de 
Spaanse centrale overheid wegens hoogverraad zijn gearresteerd) politieke gevangenen zijn?

    Sierra: Dat beweer ik precies, ja. En ik zou niet weten waarom ik dat niet mag zeggen en ik zou ook niet weten waar IFEMA het lef vandaan haalt me de mond te snoeren. Of om Helga de Alvear [zijn galeriehoudster] voor te schrijven wat ze wel en niet in haar 
galerie tentoon mag stellen. Het is allemaal je reinste waanzin, maar het schijnt volkomen normaal te zijn. Niemand kijkt er nog van op. Vervolging op grond van overtuiging is genormaliseerd.

    El País: Wat gaat u er nu aan doen?

    Sierra: Het is nog maar pas gebeurd en ik weet nog niet wat ik ga doen. Ik stel me voor dat ik ga proberen het koste wat kost tentoongesteld te krijgen. Ik kan haast niet geloven dat er niets aan te doen is.

    Een van de gecensureerde werken van Sierra.
    Een van de gecensureerde werken van Sierra.

    El País: Op de ARCO van 2010 was u ook het voorwerp van een polemiek omdat u de brief waarmee u de Nationale Prijs voor Plastische Kunst weigerde, te koop aanbood. Is de kunstbeurs een podium voor u om de polemiek 
te zoeken, in de wetenschap dat uw boodschap in deze context de meeste weerklank vindt?

    Sierra: Alles wat het systeem niet naar de mond praat is volgens de media polemiek. Maar het 
kunstpubliek is heus niet achterlijk, hoor, dat vindt iets niet snel een schandaal. Schandalen worden 
in de pers bekokstoofd.

    El País: Vindt u een kunstbeurs een geschikt podium voor politieke stellingnames?
    Sierra: Jazeker, maar die lui van IFEMA willen alleen maar l’art pour l’art, dat hebben ze al zo vaak laten zien. De ARCO zou zich eens goed moeten bezinnen 
of ze in de toekomst de beurs nog bij IFEMA wil houden. Over de vraag wat kunst is gaat alleen de kunstenaar.

    ‘Political Prisoners in Contemporary Spain’ werd 
verkocht voor 96 duizend euro aan een Catalaanse ondernemer die het per direct beschikbaar stelt aan musea. De posters hangen tijdens het forum op verschillende lokaties in Amsterdam.

    Auteur: Juan José Santos Mateo
    Vertaler: Jos den Bekker

    Santiago Sierra
    31 mei, De Balie, 21.00

    Openingsbeeld: Demonstranten eisen de vrijlating van rapper Valtonyc (hij kreeg een celstraf van drieënhalf jaar voor aanstootgevende teksten in zijn songs) en vrijheid van meningsuiting nadat het werk van Santiago Sierra 
werd verwijderd van de kunstbeurs ARCO. – 
© Marcos del Mazo / Getty Images

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 180 770

    Opgericht in 1976, is van doorslaggevende betekenis geweest voor de overgang van dictatuur naar democratie. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • 1. De claim op het ‘echte volk’

    1. De claim op het ‘echte volk’

    De Duitse professor Jan Werner-Müller wil het populisme precies omschrijven, zonder ‘vage anti-establishment sentimenten’. Sleutel in zijn analyse is de pretentie van populisten dat zij het ‘echte’ volk vertegenwoordigen. Ze geloven in regeren bij meerderheid, maar niet in verscheidenheid.

    Tegenwoordig lijkt de diepere betekenis van alle verkiezingen in Europa (en misschien zelfs in de wereld) zich tot één enkele 
vraag te beperken: heeft het populisme gewonnen of verloren? Tot de Nederlandse verkiezingen van maart 2017 werd het publieke debat gedomineerd door het beeld van een onstuitbare golf – of tsunami, zoals Nigel Farage het noemde – van populisme. En vooral na de grote zeges van Macron hoor je nu vaak dat we misschien al in het ‘post-populistische tijdperk’ zijn beland. 
Die diagnoses zijn allebei fout en verdienen het etiket dat het populisme zelf vaak krijgt opgeplakt: simplistisch.

    Bij het beeld van een onhoudbare golf gaat men er klakkeloos van uit dat zowel de Brexit als het presidentschap van Trump een triomf voor het populisme betekende. En natuurlijk, Farage en Trump zijn populisten, al zijn ze 
dat niet omdat ze, zoals het cliché wil, ‘afgeven op de elite’. Niet iedereen met kritiek op de elite is automatisch een populist. Een kritische houding tegenover de elite kun je net zo goed opvatten als teken van democratische betrokkenheid van de burger. Populisten in de oppositie hebben allicht kritiek op de regering. Maar belangrijker is dat ze ook beweren dat zij en zij alleen opkomen voor wat populisten vaak ‘echte mensen’ of ‘de zwijgende meerderheid’ noemen.

    Daarmee zeggen ze eigenlijk dat alle andere partijen in wezen geen recht van spreken hebben. Het gaat 
de populisten nooit om een verschil 
van mening over het beleid of zelfs over normen en waarden, het soort meningsverschil dat in een democratie natuurlijk heel normaal is (en in het beste geval ook productief). Nee, populisten spelen in ieder politiek conflict meteen op de man en maken er een morele kwestie van: de anderen zijn volgens hen simpelweg ‘slecht’ en 
‘corrupt’. Die spannen zich niet in voor ‘het volk’ maar alleen voor zichzelf (voor de gevestigde orde) of voor multinationals of voor de EU of noem maar op. 
In dat opzicht was de campagneretoriek van Trump een extreem geval, maar 
niet echt een uitzondering.

    ‘Echte mensen’

    Minder in het oog springend is de 
suggestie van populisten dat mensen die het niet eens zijn met hun opvatting van wat ‘het volk’ is, en die hen dus niet steunen, eigenlijk niet tot dat volk behoren. Denk aan Farage, die op de avond van het beslissende referendum riep dat de Brexit een ‘victory for real people’ was. Daarmee impliceerde hij dat de 48 procent die tegen een Brexit hadden gestemd geen ‘echte mensen’ zijn, ofwel: niet echt tot het Britse volk behoren. Of denk aan Trump, die op een verkiezingsbijeenkomst vorig jaar zei: ‘Het gaat erom dat we de mensen verenigen – want die andere mensen doen er niet toe.’ De populist bepaalt dus 
wie de echte mensen zijn.

    Vage ‘anti-establishment sentimenten’ vormen dus geen lakmoesproef voor 
wat populisme is: kritiek op de elite kan terecht of onterecht zijn, maar is niet per se antidemocratisch. Waar het om gaat, is het antipluralisme van de populisten. Ze doen altijd aan uitsluiting op twee niveaus. Op het niveau van de partijpolitiek presenteren ze zichzelf als de enige legitieme spreekbuis van het volk, om zo alle politieke rivalen op zijn minst moreel uit te sluiten. En iets subtieler wordt op het niveau van de mensen zelf, zo je wilt, iedereen buitengesloten die hun symbolische fictie van ‘de echte mensen’ niet onderschrijft (en dus niet achter de populisten staat). Anders gezegd: populisme maakt per definitie aanspraak op het morele alleenrecht om de wil te vertolken van de zogenaamde echte mensen – en vervalt daardoor per definitie tot een radicaal wij-zij-denken.

    Merk daarbij op dat populisten ook zonder te regeren grote schade kunnen toebrengen aan de politieke cultuur. Populistische partijen die slecht presteren bij de stembus worden immers met een evidente paradox geconfronteerd: hoe kan hun partij aanspraak maken op een rol als enige echte spreekbuis van het volk, als ze geen overweldigende meerderheid bij de stembus halen? Niet alle populisten kiezen voor de makkelijkste uitweg 
uit dit dilemma, maar velen wel: zij suggereren dat ze niet zozeer een 
zwijgende meerderheid vertegenwoordigen, als wel een meerderheid die het zwijgen is opgelegd. Als die meerderheid zich kon uiten, zouden de populisten per definitie aan de macht zijn, maar iets of iemand heeft deze meerderheid de mond gesnoerd. Anders gezegd: populisten suggereren op meer of minder subtiele wijze dat ze de verkiezingen helemaal niet echt verloren hebben, maar dat het hele proces door verdorven elites achter de schermen is gemanipuleerd. Denk weer aan Trump: toen hij in het midden liet of hij een verkiezingszege van Hillary Clinton zou accepteren, plaatste hij impliciet vraagtekens bij de deugdelijkheid van het Amerikaanse kiesstelsel. Veel van zijn kiezers begrepen die boodschap heel goed. Uit een peiling bleek dat zeventig procent van zijn aanhang dacht dat het doorgestoken kaart zou zijn als Clinton de verkiezingen won.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen

    Nu mag iedereen kritiek hebben op het Amerikaanse kiesstelsel, daar is duidelijk genoeg reden toe. Ook zulke kritiek kan een teken zijn van oprechte 
democratische betrokkenheid. Wat niet democratisch is, is de houding van populisten die in feite neerkomt op de bewering: ‘Omdat wij niet gewonnen hebben, moet het systeem wel fout 
en verrot zijn.’ Zo zullen populisten 
het vertrouwen van burgers in hun instituties systematisch ondermijnen, en daarmee het politieke klimaat 
verzieken, ook zonder zelf ooit aan de macht te komen.

    Ik wil niet beweren dat alle populisten hun gebrek aan electoraal succes afdoen met een beroep op complot-theorieën. Maar ze zullen op zijn minst geneigd zijn onderscheid te maken tussen de empirisch vastgestelde en de morele uitslag van verkiezingen. (Denk aan de Hongaarse rechtse populist Viktor Orbán, die na zijn verkiezingsnederlaag in 2002 zei dat ‘het land niet in de oppositie kan zitten’; of aan Andrés Manuel López Obrador, die na zijn nederlaag bij de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2006 zei dat ‘de zege van rechts moreel onbestaanbaar’ was en hijzelf de enige ‘legitieme president van Mexico’.) Zo blijven populisten zich beroepen op een onbestemde groep ‘echte mensen’ die een andere keuze zouden hebben gemaakt. De extreemrechtse populist Norbert Hofer zei na zijn nederlaag bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen van 2016 bijvoorbeeld dat de winnaar, de groene politicus Alexander Van der Bellen, ‘gezählt, aber nicht gewählt’ was: hij insinueerde dus dat zijn tegenstander weliswaar de meeste stemmen had gekregen, maar toch niet echt gekozen was (alsof een ‘echte keus’ op een of andere wijze tot stand kan komen bij acclamatie of zoiets, en niet in het stemhokje). In veel gevallen zullen populisten de cijfers afzetten tegen sentimenten, zonder oog voor het feit dat juist die cijfers, een correcte telling van het aantal stemmen, het enige is waar democratie uit bestaat.

    Door in te zien dat populisme een 
specifieke vorm van antipluralisme is, voorkomen we misschien dat we 
kritiekloos het beeld blijven herhalen van ‘het volk’ dat overal in opstand komt tegen ‘de gevestigde orde’. Dat is geen onschuldige, laat staan neutrale beschrijving van de politieke ontwikkelingen. Het is in feite populistisch jargon. Met zo’n omschrijving accepteer je impliciet dat de populisten 
werkelijk ‘het volk’ vertegenwoordigen. Maar types als Farage of Geert Wilders slagen er in de verste verte niet in om zelfs maar een kwart van het electoraat aan te spreken.

    populism no c

    Toch vallen politici en journalisten vreemd genoeg vaak van het ene uiterste in het andere als het om populisten gaat: van de opvatting dat het allemaal demagogen zijn die per definitie onzin uitkramen, naar de gedachte dat 
populisten in feite de ‘echte zorgen’ van de mensen vertolken. De populist een monopolie geven op de vertolking van wat mensen bezighoudt, getuigt van een diepgaand gebrek aan inzicht in hoe democratische vertegenwoordiging werkt. Die vertegenwoordiging moet niet gezien worden als een mechanische afspiegeling van objectief bestaande belangen en identiteiten. Die belangen en identiteiten krijgen dynamisch vorm naarmate politici 
(en het maatschappelijk middenveld, vrienden, buren, enz.) bepaalde stappen zetten en burgers daarop reageren. Het is dus niet dat alles wat populisten zeggen per se verzonnen is, maar het is een vergissing om te denken dat alleen zij weten wat er echt in de maatschappij leeft. Zo is Trump er zonder twijfel in geslaagd een aantal Amerikanen het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van zoiets als een blanke identiteits-
beweging. Maar het zelfbeeld van 
burgers kan ook weer veranderen.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen. Toch gaan veel 
niet-populisten daarvan uit. Denk maar aan hoe sommige socialisten 
en sociaaldemocraten in Europa 
tegenwoordig lijken te denken: ‘De arbeidersklasse heeft het gewoon niet op buitenlanders. Het succes van de rechtse populisten toont dat wel aan. Niks aan te doen.’

    Er bestaat nog een andere denkfout met betrekking tot de verkiezingswinst van populisten. Je moet er niet van uitgaan dat alle kiezers die op een populistische partij stemmen zelf 
ook populist zijn, dat wil zeggen: de antipluralistische ideeën van hun populistische leider delen.
    Een kiezer kan het bijvoorbeeld volstrekt oneens zijn met de kritiek van Marine Le Pen dat andere partijen immoreel zijn en hun land verraden, maar toch op het Front National stemmen vanwege het landbouwbeleid dat die partij voorstaat. Oké, dat is wat vergezocht, maar het punt blijft dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat iedereen die op een populistische politicus of partij stemt, per se ook het hele antipluralistische programma daarvan onderschrijft. Dat is een elementair empirisch feit, maar het heeft ook gevolgen voor de politieke strategie. Denk maar aan de desastreuze uitwerking van 
Hillary Clintons opmerking over ‘deplorables’. Ze had beter alleen genadeloze kritiek kunnen leveren op haar tegenstander, zonder te generaliseren over de kiezers die hij aanspreekt.

    Maar zit er niet toch iets in, in dat idee van een populistische golf, al is die nu even op zijn retour? Nee, dat beeld was altijd al zeer misleidend. Nigel Farage heeft de Brexit immers niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij had hulp nodig van Conservatieven uit het 
establishment, zoals Boris Johnson en Michael Gove (die nu allebei in May’s kabinet zitten). Het was Gove die in 
het voorjaar van 2016, als reactie op 
de vele sombere voorspellingen van deskundigen over een eventuele Brexit, zei dat het Britse volk de buik vol had van deskundigen. Het grappige was 
dat Gove zelf juist lange tijd als een intellectueel binnen de Tory-gelederen gold. Het was dus niet zomaar iemand die de mensen vertelde dat deskundigheid werd overschat – er was een 
deskundige voor nodig om die conclusie te trekken.

    Trump is natuurlijk geen president geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. 
Hij vertegenwoordigde een gevestigde partij en had de zegen nodig van 
Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani, Chris Christie en Newt Gingrich. Die laatste zei tegen een verslaggever van CNN op het Republikeins partijcongres in de zomer van 2016 dat hij de misdaadcijfers niet vertrouwde, maar geloofde in de beleving van mensen. Hij flikte dus hetzelfde kunstje als Gove in Engeland, want wat je ook van Gingrich mag vinden, onder Amerikaanse conservatieven gaat hij voor een soort intellectueel door. Dus net als in het Verenigd Koninkrijk was er een deskundige nodig om de waarde van deskundigheid in twijfel te trekken.

    Polarisatie

    Wat zich op 8 november 2016 voltrok was geen op zichzelf staande 
triomf voor het populisme, maar een bevestiging van de polarisatie van de Amerikaanse politiek: 90 procent van de Republikeinse kiezers had op Trump gestemd. Ook al bleek uit peilingen dat veel Republikeinse kiezers grote bedenkingen bij deze kandidaat hadden, het was voor hen duidelijk ondenkbaar om op een Democraat te stemmen. De manier waarop Hillary Clinton door veel Republikeinen werd gedemoniseerd, had daar natuurlijk ook iets mee te maken – en die 
demonisering dateerde al van ver voor Trump. Die was al begonnen in de jaren negentig, toen Bill Clinton door rechts steevast werd aangeduid als ‘jullie president’, alsof hij niet het hele volk vertegenwoordigde. Feit is dat tot op de dag van vandaag geen enkele rechtse populist in West-Europa 
of Noord-Amerika aan de macht is 
gekomen zonder hulp van de gevestigde conservatieve elite.

    Na de verkiezingen in Frankrijk en Nederland waren commentatoren er als de kippen bij om te spreken van 
een post-populistische beweging. 
Het veronderstelde ‘nieuwe normaal’, van de ene populistische verkiezingszege na de andere, wordt alweer
 achterhaald genoemd. Maar dan wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het populisme als een moreel monopolie op 
de vertegenwoordiging van het echte volk, en anderzijds specifieke programmapunten die aan rechts populisme kunnen raken – zoals een strenger immigratiebeleid – maar op zichzelf niet populistisch zijn. Met andere woorden: antipluralisme en inhoudelijke programmapunten zijn twee 
verschillende zaken.

    Wilders, een echte populist, deed het in Nederland minder goed dan verwacht. Maar zijn officiële ‘mainstream’ rivaal, de rechts-liberale premier Rutte, sloeg veel Wilders-achtige taal uit, door onder meer tegen immigranten te zeggen dat ze maar moesten vertrekken als ze niet ‘normaal’ wilden doen. Rutte is geen populist geworden, 
hij pretendeert niet de enige echte 
vertegenwoordiger van het eigenlijke Nederlandse volk te zijn. Maar hij doet iets ongebruikelijks en volgens mij onaanvaardbaars: het is niet aan de Nederlandse premier om te bepalen wat in de Nederlandse cultuur 
‘normaal’ is (met de bijbehorende implicatie dat je enerzijds een ‘echt’ Nederlands volk hebt en anderzijds mensen die zich ‘abnormaal’ gedragen). Als gevolg van zulke opportunistische concessies aan populisten schuift de hele politieke cultuur naar rechts op, zonder behoorlijke democratische machtiging van de burger. Misschien zitten we dus niet zozeer in een post-populistische tijd, maar zijn de populisten eigenlijk aan het winnen, ook al verliezen ze nominaal. In plaats van officieel met de populisten samen te werken, kopiëren de conservatieven immers gewoon hun ideeën. Diezelfde dynamiek kon je in het voorjaar van 2017 zien in de campagne voor de 
parlementsverkiezingen van Theresa May, die erop gokte dat ze UKIP kon vermorzelen door Farage na te doen.

    Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt

    Naast samenwerking en imitatie hebben conservatieven nog een derde manier om rechts populisme te 
vergoelijken. Denk maar aan hoe de Europese Volkspartij (EVP), de mainstream partijfamilie van overwegend christendemocraten en gematigde conservatieven in het Europarlement, Viktor Orbán beschermen tegen kritiek (van onder meer de Europese Commissie). Orbán was de pionier van het populisme in Europa. Hij had zijn inmiddels in veel opzichten autoritaire bewind nooit kunnen opbouwen zonder de rugdekking van de EVP. En wederom, het is niet dat de leden van de EVP zelf populisten zijn geworden, verre van dat. Maar met hun strategische keuzes, vooral ingegeven door hun wens om de grootste partij in het Europarlement te blijven, hebben de conservatieven de opkomst van rechts populisme mogelijk gemaakt.

    In dat verband is het ook de moeite waard even terug te kijken naar een recente verkiezingsstrijd waarin veel conservatieven zich vooraf tegen samenwerking met de populisten hebben uitgesproken. Het hele beeld van een niet te stuiten golf van populisme was eigenlijk al ontkracht door dit ene tegenvoorbeeld: Oostenrijk, waar alom een zege voor Norbert Hofer was voorspeld. Veel conservatieve 
politici spraken zich expliciet tegen hem uit. Dat betrof vooral burgemeesters en andere provinciale politieke grootheden, die bij kiezers in de regio het vertrouwen genoten dat groene bobo’s uit Wenen duidelijk misten. Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt.

    De stabiliteit van democratieën in Europa heeft, zoals de politicoloog Daniel Ziblatt betoogt, altijd sterk afgehangen van het gedrag van de conservatieve elites. In het interbellum kozen die voor samenwerking met autoritaire en zelfs fascistische partijen, wat op veel plekken tot de dood van de democratie leidde. Na de oorlog besloten ze zich aan de regels van het democratische spel te houden, ook al was dat niet altijd bevorderlijk voor wat zij als conservatieve kernwaarden beschouwden. We leven in een heel andere samen-leving dan in de naoorlogse periode en de populisten van nu zijn geen fascisten, maar het is nog steeds zo dat het lot van een democratie even sterk afhangt van de keuzes van de gevestigde orde als van opstandige outsiders. Larry Bartels, een vooraanstaand 
Amerikaans politicoloog, wijst erop dat er ook weinig empirisch bewijs is voor een toename (laat staan een ‘tsunami’) van rechts populistische sentimenten. Wat uit onderzoek wel blijkt, is dat zowel politieke avonturiers als gevestigde partijen in de loop der tijd steeds weer voor de keuze hebben gestaan 
om dergelijke sentimenten te bezweren, dan wel te mobiliseren en uit te buiten. Het is van belang om ons niet uitsluitend op de populisten zelf te fixeren (waarbij we hun kracht regelmatig onder- dan wel overschatten). We moeten juist de elites ter verantwoording roepen die met populisten samenwerken of hun ideeën overnemen of hun gedrag in feite vergoelijken en ze zo uit de wind houden.

    Brexit volgens Banksy, 2017.
    Brexit volgens Banksy, 2017.

    Wat kan er tegen populisten zelf worden gedaan? Wat de laatste jaren 
in ieder geval duidelijk is geworden, 
is wat er niet werkt. Een volledig isolement bijvoorbeeld, en zeker het soort morele uitsluiting waarnaar populisten zelf vaak grijpen (in de trant van: ‘wij goede demoraten willen niet samen met populisten op tv’ of ‘als er in het parlement een populist aan het woord komt, loop ik naar buiten,’, enz.). Dat is dom, zowel in strategisch als – minder in het oog springend – in moreel opzicht. Het is als strategie tot mislukken gedoemd omdat het alleen maar bevestigt wat populisten hun aanhang steeds voorhouden: dat de corrupte elite nooit naar hen luistert of bepaalde zaken niet ter discussie durft te stellen. (En niet in de laatste plaats dat deze elites tegen de populisten samenspannen om hun onverdiende voorrechten te beschermen: ‘Eén tegen allen, allen tegen één’.)

    Ook vanuit democratisch oogpunt kleeft er een groot bezwaar aan deze aanpak: zeker als de populisten al in het parlement zitten en je sluit hun partij uit van het debat, dan sluit je 
ook al hun kiezers daarvan uit. En zoals hierboven gezegd: je mag er niet van uitgaan dat alle kiezers van populistische partijen overtuigde antipluralisten zijn die de regels van het democratische spel afwijzen.

    En dan is er het andere uiterste: in plaats van de populisten uit te sluiten of te negeren, ga je achter ze aan hollen. Maar hoe hard je ook holt, je haalt ze natuurlijk nooit in. Wat je als zogenaamde ‘politicus van het midden’ ook over immigratie zegt, het zal toch nooit genoeg zijn voor partijen als Alternative für Deutschland of de Deense Volkspartij. Maar ook hier is het probleem niet alleen strategisch van aard, ook hier speelt een normatieve kwestie mee. Het imiteren van populisten vloeit immers vaak voort 
uit de hierboven genoemde misvatting over democratische vertegenwoordiging. Dan gaat men er simpelweg van uit dat de populisten eindelijk de ware politieke voorkeuren van veel burgers blootleggen, in plaats van te beseffen dat politieke vertegenwoordiging een dynamisch proces is. Denk weer aan Trump: veel Europeanen zullen op 
8 november 2016 met enig leedvermaak hebben vastgesteld dat hun lang gekoesterde vermoeden over de VS nu officieel was bevestigd: het is een land met 63 miljoen racisten! Maar zoals enkele sociale wetenschappers al snel zeiden: er zijn genoeg racisten in de VS, maar racisme kan de zege van Trump niet volledig verklaren. Sommige 
kiezers hebben op Trump gestemd nadat ze dat eerder twee keer op Obama hadden gedaan.

    Er is geen andere keuze dan met 
populisten de strijd aan te gaan. Maar praten met populisten wil nog niet zeggen dat je moet praten áls een populist. Je hoeft hun beschrijving van politieke, economische en sociale problemen niet over te nemen om in debat met hen overeind te blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat een hele reeks standpunten waar links grote moeite mee heeft, binnen een democratie niettemin toelaatbaar zijn – en dat je zulke standpunten moet bestrijden met feiten en de best mogelijke argumenten, niet met het polariserende verwijt van ‘populisme’. Anderzijds, wanneer populisten zichzelf nadrukkelijk als populist manifesteren – dat wil zeggen: als ze het recht van spreken van hun tegenstander of van bepaalde burgers in twijfel proberen te trekken of vraagtekens plaatsen bij de regels van het democratische spel – 
dan is het van groot belang dat andere politici daar een grens trekken. Denk weer even terug aan die eerste keer dat de ‘gevestigde orde’ niet voor de ‘golf’ van het populisme bezweek: Oostenrijk. De winnende kandidaat wist in zijn campagne veel kiezers te mobiliseren door duidelijk te maken dat zij niet alle programmapunten van de Groenen hoefden te onderschrijven om op hem te stemmen; ze moesten het er alleen mee eens zijn dat de extreemrechtse kandidaat een reële bedreiging voor de Oostenrijkse democratie vormde. Nog belangrijker was dat kiezers door zijn campagne werden gestimuleerd om uit hun vertrouwde kringetje te stappen, om in dialoog te gaan met mensen uit andere milieus met wie ze anders niet snel in contact kwamen – en vooral 
om dan niet al na vijf minuten met 
verwijten van ‘racisme’ en ‘fascisme’ 
te smijten.

    Ook dit is misschien alleen vrome hoop van de theoretici. Uit sociologisch onderzoek blijkt vaak dat de zogenaamde contacthypothese te mooi is om waar te zijn: contact met mensen die sterk van ons verschillen is op 
zichzelf nog niet genoeg om tolerantie en respect voor pluralisme te kweken. Maar alles wat kan helpen om de 
populistische fantasie van een volledig verenigd en homogeen volk te ontkrachten, is meegenomen. In tegenstelling tot wat links soms gelooft, is niet alles wat populisten zeggen per se leugenachtig of demagogisch, maar hun zelfgeschapen imago berust uiteindelijk wél op een leugen: dat er 
één ondeelbaar volk is waarvan alleen zij de wil vertolken. Om ze te bestrijden, is het nodig die cruciale claim 
te doorzien en te ontkrachten.

    Auteur: Jan-Werner Müller
    Vertaler: Frank Lekens

    ‘Understanding the populist turn’.
    Grote Zaal Frascati, 2 juni 15.00

    Project Syndicate
    Tsjechische Republiek | project-syndicate.org

    Het in 1994 opgerichte non-profit contentdistributiemodel voorziet lezers uit alle windstreken van originele, boeiende en tot nadenken stemmende commentaren van schrijvers en denkers die de economie, politiek, wetenschap en cultuur van de wereld vormgeven.

  • Dossier: Europa onder de loep

    Dossier: Europa onder de loep

    Wie door een en dezelfde bril kijkt wordt vroeg of laat bijziend. Of is het nu al, volgens professor 
Jan Werner-Müller die voor- en tegenstanders van het populisme een te simplistische diagnose verwijt.

    Hij is een van de sprekers op het tweede Forum on European Culture in De Balie in Amsterdam, waar internationale denkers en kunstenaars drie dagen lang praten over en zoeken 
naar nieuwe antwoorden op het democratisch tekort in Europa. Gezaagd zal er blijven worden 
aan de stoelpoten van de democratie, dus is het zaak de dunne laag van de beschaving genoeg veerkracht te geven om mee te bewegen en tegelijkertijd tegenwicht te bieden. Op de volgende pagina’s stellen wij u voor aan een aantal genodigden dat met multifocale glazen naar de winst 
en verliesrekening van Europa zal kijken.   

    1. De claim op het ‘echte volk’

    2. Santiago Sierra Middelpunt 
van controverse

    3. Het ideologische vacuüm biedt een kans

    4. Een wereld voorbij ras

    5. Het backfire-effect

    6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    Beeld: Between Bridges, een installatie van fotograaf Wolfgang Tillmans die te zien was tijdens fotobeurs Photo London in 2016. – © Jeff Spicer / Getty Images

  • Sneak preview

    Sneak preview

    De vooruitzichten voor een tikkeltje meer harmonie in 
Europa zijn somber: er dreigen nieuwe verkiezingen in Italië, waarvan niet te verwachten valt dat de uitslag uitkomst 
zal bieden.

    De Vijfsterrenbeweging en de Noordelijke Liga, partners in crime, zullen erop blijven hameren dat de president de volkswil aan zijn laars lapt – en indien zij opnieuw een parlementaire meerderheid behalen, kan de president zich dan nog langer verzetten? Ook in Duitsland liet de rechts-populistische partij Alternative für Deutschland onlangs ‘in naam van het volk’ haar witte spierballen rollen tegen het migratiebeleid van Angela Merkel.

    Het dossier van deze editie van 360 is gewijd aan de stand van Europa, naar aanleiding van het Forum on European Culture dat de komende dagen wordt gehouden in De Balie, onze partner in crime. Het kleurrijke palet aan internationale kunstenaars, wetenschappers en schrijvers zal de Italiaanse crisis niet een-twee-drie kunnen oplossen, maar hopelijk met harde feiten tegenwicht bieden aan vage anti-establishment sentimenten en claims op de wil van het volk. Zowel de kunstenaar Wolfgang Tillmans als professor Mark Lilla en zijn collega Jan-Werner Müller maken zich druk om de dovemansoren van het electoraat voor rationele argumenten.

    Donald Trump is geen president van de Verenigde Staten geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders

    Donald Trump is geen president van de Verenigde Staten geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. Hij had een gevestigde partij en de zegen nodig van Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani en Newt Gingrich. De populist het monopolie geven op wat het ‘echte volk’ bezighoudt getuigt volgens Werner Müller van een gebrek aan inzicht in hoe de democratische vertegenwoordiging werkt. Tillmans, geïnteresseerd in het belang van gevoelens in de politiek, vond neurologisch onderzoek waarin met behulp van MRI-scans wordt aangetoond dat ’s mans meningen en emoties direct verweven zijn met ’s mans identiteit. En daar zit hem meteen de crux van Mark Lilla, die juist die synthese aanwijst als vijand van het publiek belang. Dat belang is van iedereen.

    Of zoals Alessandro Baricco zegt: Het interessante is dat wíj allemaal die mensen zijn, de beschaving en de geschiedenis de onze is. Een blauwdruk voor een betere representatieve participatie in de toekomst van Europa rolt wellicht niet kant-en-klaar van de persen, tenzij het Claudia Chwalisz lukt om met een dwarsdoorsnede van de maatschappij de macht uit handen van de politici te nemen. Maar het forum op het Leidseplein zou daar wel eens een sneak preview van kunnen zijn.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • ‘Nu zijn we dus weer een militaire grootmacht’

    ‘Nu zijn we dus weer een militaire grootmacht’

    Vladimir Poetin wil niet terug naar het politieke model van de Sovjet-Unie, maar wel naar de economische ambities waartoe de perestrojka de aanzet gaf. Dat gaat niet zonder militaire macht.

    De lasershow met kruisraketten op het reusachtige scherm tijdens de presidentiële redevoering op 1 maart jl. heeft misschien niet alle sceptici van het land overtuigd, maar wel de buitenlandse functionarissen: Rusland heeft de stoutste verwachtingen van de patriotten overtroffen én de angstigste visioenen van zijn vijanden. Russische wetenschappers hebben kruisraketten ontworpen die niet ‘klem zullen komen te zitten in de Eiffeltoren’, maar veel verder en veel sneller zullen vliegen, volgens een volstrekt onvoorspelbare koers.

    Laten we de afgelopen weken nog eens de revue laten passeren. Een nog altijd onmetelijk land – ondanks het verlies van enkele gebieden – dat in het discours van het Westen meermaals op 
de schroothoop is gegooid, heeft blijk gegeven van een buitengewone wil 
om weer het evenbeeld te worden 
van de indertijd geduchte Sovjet-Unie. 
Vladimir Poetin maakte deze vergelijking niet voor niets.

    Wat we moeten begrijpen is dat Poetin niet wil terugkeren naar de Sovjet-Unie, maar naar de taak die de Sovjet-Unie zich gesteld had

    De Sovjet-Unie moest op een gegeven moment het welvaartspeil verhogen 
en de mate van vrijheid in het land 
vergroten. Dat lukte haar bijna in de jaren zestig. Maar in de geschiedenis worden problemen zelden afdoende opgelost. En eind jaren tachtig stortte de Sovjet-Unie alsnog in.

    De vraag die Poetin stelde, heel wat jaren geleden al, over de aard van de onzichtbare catastrofe die zich parallel aan de geopolitieke catastrofe [de ineenstorting van de Sovjet-Unie] afspeelde, is nog altijd niet definitief beantwoord. Oud-premier Jegor Gajdar had op een dag gedecreteerd dat de Sovjeteconomie niet te hervormen was. Maar communistisch China heeft vervolgens aangetoond dat deze stelling niet klopt. Natuurlijk, we hebben nationale conflicten gehad, maar het waren niet alleen de mechanismen van de ‘unie’ die blokkeerden. Dat gebeurde ook met de mechanismen van de ‘socialistische Sovjetmachine’, terwijl die diepgaand hervormd had kunnen worden en nog altijd had kunnen functioneren in het grootste deel van de uiteengevallen Sovjet-Unie, namelijk de Russische Federatie.

    Een van de beroemdste ruimtevaarders van de Sovjet-Unie, Boris Tsjertok, heeft geschreven dat de technocratische elite van de Sovjet-Unie, de beste ter wereld, indertijd had gewezen op ‘het onvermogen van de intelligentsia, met name de Russische, om zich op 
het politieke vlak te organiseren’.

    Poetin bezoekt de Peter de Grote Strategic Missile Forces Academy. – © Mikhail Klimentyev / Getty Images
    Poetin bezoekt de Peter de Grote Strategic Missile Forces Academy. – © Mikhail Klimentyev / Getty Images

    Toen Rusland een tiental jaren geleden weer ‘opkrabbelde’ – waar sommigen over lasterden – herinnerde men zich plotseling weer dat ‘de versnelling en de perestrojka’ [het programma voor 
de hervorming van de Sovjet-Unie van Michail Gorbatsjov in de jaren 1985-1991] niet gericht waren op achteruitgang. Ze waren erop gericht een grote, egalitaire en machtige natie te transformeren tot een even grote, militair iets minder machtige (op gelijke voet met de VS) en nog steeds egalitaire natie, maar op een iets andere, liberalere en welvarendere leest geschoeid. En dat is de uitdaging waar we nu voor staan. Wat we moeten begrijpen is dat Poetin niet wil terugkeren naar de Sovjet-Unie, maar naar de taak die de Sovjet-Unie zich gesteld had. En die niet is gerealiseerd. Want een van de voorwaarden – de handhaving van een sterke militaire capaciteit – was verwaarloosd. Zoals een van onze lezers die thuis is in de natuurkunde, ons schreef: ‘Een nieuwe thermonucleaire kruisraket, daar hadden we ons al veel eerder mee moeten uitrusten. Dan waren ons al die sancties bespaard gebleven.’

    Nu zijn we dus weer een militaire grootmacht. Maar hoe zit het met de andere gebieden? In zijn redevoering wordt de snelle groei van het bbp als doelstelling aangekondigd. ‘Een bbp dat met 1,5 wordt vermenigvuldigd voor het midden van het volgende decennium, dat wil zeggen voor de jaren 2024-2025, dat wil zeggen een gemiddelde stijging van het bbp met 6 procent’, zo is uitgerekend door Aleksej Koedrin, directeur van het Centrum voor Strategisch Onderzoek. Volgens hem heeft de president ‘de lat een stuk hoger gelegd dan de ramingen van de deskundigen, zelfs als ervan uit wordt gegaan dat er structurele hervormingen worden doorgevoerd’. Iedere deskundige heeft natuurlijk zijn eigen visie. In zijn redevoering heeft de president ook een beroep gedaan op de onafhankelijke, centrale bank om zich bezig te houden met de economische groei, wat in de ‘structurele hervormingen’ niet is opgenomen. Dialoog is dus noodzakelijk.

    Nieuwe kans

    Er is iets zeldzaams gebeurt in de geschiedenis: door onze fouten hebben we een nieuwe kans om te realiseren wat ooit is mislukt. Een van de belangrijkste lessen die we geleerd hebben is dat we leven in een wereld waar de concurrentie meedogenloos is. Die is niet verdwenen met de Koude Oorlog, of met het einde van de communistische ideologie, die zal nooit verdwijnen. Je kunt het je concurrenten niet naar de zin maken. Je kunt ze alleen overwinnen. Door te concurreren natuurlijk en, alleen in geval van agressie, met geweld. Hoe kunnen we in deze context een innovatieve, onbeperkte groei van de productiemiddelen bevorderen zonder een buitensporige druk uit te oefenen op de bevolking? We weten het niet. Maar er zijn veel elementen van dit mechanisme aangedragen in deze redevoering. De 
Russische samenleving staat voor 
de uitdaging ze aan te grijpen en te ontwikkelen en ‘zich op het politieke vlak te organiseren’.

    Expert
    Rusland | dagblad | oplage 85.000

    In 1995 opgericht door oud-medewerkers van dagblad Kommersant. Gezaghebbend in economische kringen, kritisch waarnemer van 
de Russische samenleving.

    Nieuwe spelregels

    Onder de kop ‘Daarentegen bouwen wij raketten’ wijdt het Russische magazine Profil zijn openingsartikel aan de toespraak van Vladimir Poetin, die ‘verbazing en schrik, en tezelfdertijd hoop heeft gewekt’. In een artikel met als kop ‘Destabilisering van de instabiliteit’ stelt het blad dat het militaire aspect van diens boodschap urbi et orbi erg lijkt op ‘een totale herziening van de spelregels op het gebied van een evenwicht van militaire en politieke machten’.

  • 4. De Polen kiezen voor het Chinese model

    4. De Polen kiezen voor het Chinese model

    Warschau vertrouwt op de economische ontwikkeling, maar zonder democratische garanties. Een politiek die weerklank vindt onder de bevolking.

    In de tijd van de liberalen [die van 2007 tot 2015 de regering vormden] zou Polen een tweede Ierland worden. Dat paste in de ideologie in het land, die een combinatie was van economisch liberalisme, de klassieke instituties van de liberale democratie en een uiterst conservatieve katholieke traditie. Anders dan de voorgaande regering ziet de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid (PiS) het echter niet als haar enige doel om de maatschappij te voorzien van ‘warm water uit de kraan’. De partij wil van Polen een macht van betekenis maken en kiest daarom voor het Chinese model: een sterke economie die nationale trots wekt maar waarin burgerlijke vrijheden slechts schijn zijn.

    De partij heeft het er zelfs over om een uniek Poolse versie van de democratie te creëren, die niet per se liberaal is. In de praktijk betekent dit dat ze de scheiding der machten afschaft, de rol van de inlichtingendiensten versterkt en controle wil hebben over het internet, onder andere door, net als in China, bepaalde sites te blokkeren. De partij centraliseert de staat, beknot de bevoegdheden van plaatselijke overheden en eist een overheersende rol op 
in maatschappelijke organisaties.

    Ook heeft de regering zeggenschap over de rechtbanken en komt er, net als in China, een systeem van ‘volkscontrole’, waarin zogenaamd gerechtelijke organen al vóór de zitting een oordeel op schrift geven.

    Brood in plaats van vrijheden

    Het Hooggerechtshof moet binnenkort een kamer accepteren die als volkstribunaal zal functioneren en vraagtekens kan plaatsen bij uitspraken van professionele rechters, die toch definitief zouden moeten zijn. Sinds ze de macht over het Constitutioneel Hof kreeg, heeft de PiS daarvan een instrument gemaakt voor wetgeving die haar goeddunkt. Afgelopen november hebben PiS-afgevaardigden het Hof gebruikt om de wetgeving over abortus [toch al een van de minst liberale in Europa] opnieuw te bezien.

    Het Chinese model biedt brood in plaats van vrijheden en is daarmee een succes geworden, dat economische macht combineert met individuele tevredenheid en nationale trots. Volgens een enquête uit juli 2017 in vier voormalige volksdemocratieën (Hongarije, Polen, de Tsjechische Republiek en Slowakije) hechten de Polen bijna twee keer zoveel belang aan materiële zaken als aan de democratie. Zo’n 22 procent van de ondervraagden beoordeelt een regering in de eerste plaats vanuit het gezichtspunt van ‘levensstandaard, de prijzen van producten en toegankelijkheid van diensten’, terwijl 12 procent ‘de vrijheid, de democratie en de mogelijkheid om zijn eigen mening te uiten’ op de eerste plaats zet. In de staten van ons ‘blok’ [de Visegradlanden] is de steun voor de democratie en de vrijheid gemiddeld 15 procent.

    Aanhangers van regeringspartij PiS doen armbanden om bij een demonstratie. – © HH
    Aanhangers van regeringspartij PiS doen armbanden om bij een demonstratie. – © HH

    Blijkbaar heeft de PiS met haar keuze voor het Chinese model de publieke opinie haarfijn aangevoeld. Natuurlijk, wij zijn (nog) geen economische macht, maar de regering onderstreept voortdurend dat alles prima gaat. Wij worden liever de schandvlek van Europa dan een politieke macht, en zijn daarmee 
het voorbeeld van de eeuwige ‘homo sovieticus’ [de stereotype inwoner van de communistische landen van Oost-Europa die passief is en niet in staat om individueel initiatief te nemen], maar we zijn er 
niet minder trots om.

    Zo voedt de PiS ook de verering van de ‘vergeten 
strijders’ [guerrillabewegingen die in de jaren na 
de Tweede Wereldoorlog tegen het communistische regime vochten], terwijl de staatstelevisie alleen maar macht en succes uitstraalt. Nu al volgt de jongere generatie nieuwe onderwijsprogramma’s ter bevordering van goed ‘burgerlijk en patriottisch gedrag’. De Europese Unie beklaagt zich over ons, maar wat hebben wij aan de Europese Unie? Wij kunnen een andere bondgenoot kiezen, en veel 
tekenen wijzen erop dat die bondgenoot China zal zijn. Wij bezetten een sleutelpositie in het Chinese project van de nieuwe zijderoutes, waarlangs Chinese producten naar de Europese markt zullen stromen. Daarom gaan de Chinezen een nieuw vliegveld voor ons aanleggen dat voldoet aan de eisen van het Europa van de eenentwintigste eeuw en zullen wij hun pakketjes over heel Europa gaan rondbrengen, volgens een contract dat afgelopen najaar tussen de beide nationale postbedrijven is gesloten.

    Polen heeft voor 400 miljoen euro aan staatsobligaties afgegeven in yuans, die we zullen terugbetalen in euro’s

    Bovendien steken we ons bij China in de schulden. Polen heeft voor 400 miljoen euro aan staatsobligaties afgegeven in yuans, die we zullen terugbetalen in euro’s. Tenslotte heeft een staatssecretaris afgelopen september nog verklaard dat wij zouden kunnen afzien van Europese subsidies als de EU ons zou helpen om de helft van de oorlogsherstelbetalingen van Duitsland te krijgen. De Europese fondsen maken deel uit van de EU, dus de suggestie dat wij daarvan kunnen afzien komt neer op zeggen dat de PiS-regering een ‘Polexit’ voor mogelijk houdt.

    Het versterken van de samenwerking met China kan betekenen dat dat land voor ons de EU zal vervangen. Niet een Europese maar een mondiale partner, die 15 procent van de economieën van Zuid-Amerika controleert en de helft van al het land in Siberië. Voor China kan Polen de poort zijn naar de overheersing van Europa. In hun dialoog met Beijing beschrijven de Poolse autoriteiten hun land zelf als ‘de poort tot Europa’.

    De geschiedenis is geneigd zich te 
herhalen en Big Brother kan opnieuw zorgen voor een eenpartijsysteem in Polen. Zoals het er nu uitziet werkt 
de westerse democratie niet.

    Auteur: Ewa Siedlecka
    Vertaler: Annemie de Vries

    Gazeta Wyborcza
    Polen | oplage 396.000

    ‘De Verkiezingsgazet’ is opgericht na de val van de Muur en uitgegroeid tot een grote krant. Doelstelling: nieuws brengen op informatieve en seculiere wijze.

  • 2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    Alleen in de postcommunistische landen van Oost-Europa verslaan de populisten bij verkiezingen geregeld de traditionele partijen, stelt deze Poolse socioloog vast.

    In zeven van de vijftien Oost-Europese landen zijn populistische partijen aan de macht, in twee maken zij deel uit van de regeringscoalitie en in drie vormen ze de belangrijkste oppositie. Haalden in 2000 de populistische partijen nog maar in twee landen 20 procent van de stemmen, nu is dat in tien landen gebeurd. In Polen haalden ze in 2000 slechts 0,1 procent van de stemmen, maar nu hebben ze de meerderheid in het parlement en regeert de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid (PiS). In Hongarije kon Fidesz, de partij van premier Viktor Orbán, op sommige momenten rekenen op een steun van meer dan 70 procent.

    Maar behalve naar de naakte cijfers moeten we ook kijken naar de sociale en politieke factoren die er de oorzaak van zijn dat het populisme in Oost-Europa zoveel sterker is geworden. Om te beginnen bestaat in deze regio niet de traditie van de scheiding der machten, die de westerse democratie lange tijd heeft weten te behouden. Anders dan Jaroslaw Kaczynski, voorzitter van de PiS en de facto leider van Polen, kan zelfs Donald Trump niet de beslissingen van de rechter negeren of de veiligheidsdiensten tegen de oppositie inzetten.

    Nog een belangrijk verschil is dat mensen in Oost-Europa meer naar materialisme neigen dan West-Europeanen, die de zorgen om hun fysieke welzijn veelal achter zich hebben gelaten en zich verbonden hebben met wat [de Amerikaanse politicoloog] Ronald Ingelhart ‘postmaterialistische waarden’ noemt.

    Kwetsbaarder

    Het effect is onder andere dat de Oost-Europese samenlevingen kwetsbaarder zijn voor aanvallen op abstracte liberale instituties zoals vrijheid van meningsuiting en een onafhankelijke rechtspraak.

    Dat hoeft ons niet al te zeer te verbazen. Per slot van rekening is het liberalisme een westers importproduct. Als je de fenomenen Trump en Brexit even buiten beschouwing laat, is de cultuur van het sociale en politieke liberalisme diep geworteld in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In Oost-Europa is het maatschappelijk middenveld niet alleen zwakker, het richt zich ook sterker op terreinen als liefdadigheid, religie en ontspanning dan op politieke vraagstukken. Daar komt bij dat in het buitengewoon diverse politieke landschap van de postcommunistische staten links zeer zwak is, zo niet 
geheel ontbreekt in het politieke leven.

    De demarcatielijn ligt dus niet tussen links en rechts, maar tussen goed en kwaad. Daarmee komt Oost-Europa veel dichter bij de tweedeling ‘vriend 
of vijand’ die is geformuleerd door de Duitse antiliberale politiek filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmidt. Elk kamp ziet zichzelf als de enige ware vertegenwoordiger van de natie, en vindt dan ook dat elke oppositie onwettig is en niet alleen in verkiezingen verslagen, maar ook monddood gemaakt moet worden.

    Aanhangers van de regerende, rechtsnationalistische partij Fidesz luisteren naar een speech van premier Orban. – © Getty
    Aanhangers van de regerende, rechtsnationalistische partij Fidesz luisteren naar een speech van premier Orban. – © Getty

    En er is nog een onderscheid tussen de populisten in het Oosten en hun neven in het Westen. De eersten kunnen niet alleen rekenen op de steun van de arbeidersklasse, maar ook op die van de middenklasse. Volgens een onderzoek van de Universiteit van Warschau heeft politieke overtuiging niet te maken met wie wel of niet heeft geprofiteerd van de postcommunistische economische transformatie in het land. Onder het electoraat van de regeringspartij bevinden zich veel mensen die zich tevreden voelen over hun bestaan en bepaald niet achtergesteld zijn.

    Die kiezers voelen zich aangetrokken tot het populistische gedachtengoed omdat dat hun een raamwerk biedt waarin ze hun positieve en negatieve ervaringen een plaats kunnen geven. Hebben ze zo eenmaal een doel gevonden, dan voelen de kiezers zich sterk verbonden met de partij. In plaats van zich vanuit hun persoonlijke ervaring een mening te vormen over de rechtspraak, vluchtelingen of de oppositie, luisteren ze naar hun leider en voegen ze zich in hun mening naar diens politieke keuze.

    De arbeidersklasse wordt vooral gedreven door het verlangen om bij een gemeenschap te horen

    Het succes van de PiS valt dus niet te verklaren vanuit de economische frustratie van de kiezers. De arbeidersklasse wordt vooral gedreven door het verlangen om bij een gemeenschap te horen. Hun tegenhangers uit de middenklasse zoeken hun bevrediging niet in materiële rijkdom, maar in het uitsluiten van degenen die als minderwaardig worden gezien – of het nu gaat om vluchtelingen, de verderfelijke elite of rechters die alleen de belangen van die elite dienen. Orbán en Kaczynski weten maar al te goed munt te slaan uit dat verlangen.

    Je kunt je afvragen of het uiteindelijk niet het populisme zal zijn dat de werkelijke culturele – en vervolgens politieke – grenzen van de Europese Unie zal bepalen. Als de Poolse of Hongaarse politiek dichter bij die van Rusland blijkt te liggen dan bij die van Frankrijk of Oostenrijk, betekent dat dan dat de grenzen van de EU te ver zijn opgerekt? Kan het zijn dat hun plek aan de zijde van Rusland is, en niet aan die van West-Europa? Zijn de grenzen van de EU dan op de lange termijn niet meer te handhaven? Dit zijn netelige vragen, en alleen de Oost-Europeanen kunnen ze beantwoorden.

    Auteur: Slawomir Sierakowski
    Vertaler: Annemie de Vries

    Project Syndicate
    Tsjechië | project-syndicate.org

    Website die commentaren verzamelt. Tot de medewerkers behoren prominenten uit politiek, wetenschap en zakenleven.

  • 1. De diepste kloof is die tussen Oost en West

    1. De diepste kloof is die tussen Oost en West

    Achtentwintig jaar na de val van de Berlijnse muur kampen de landen van Oost-Europa nog steeds met de nasleep van hun geschiedenis. 
Dat verklaart waarom zij de Europese crises op een heel andere 
manier ervaren, volgens de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.

    Wat kunnen collega’s in het Westen leren van een Oost-Europese politicoloog zoals u?

    Ivan Krastev: ‘Mijn boek After Europe is bedoeld als een Oost-Europese visie op de crisis, of misschien moet 
ik zeggen de crises, die de EU nu al tien jaar lang in hun greep houden. Ik wilde laten zien dat er in Europa niet alleen een scheidslijn loopt tussen links en rechts, tussen noord en zuid, tussen de grote en de kleine landen, tussen degenen die méér Europa willen en degenen die minder (of helemaal geen) Europa willen, maar ook tussen degenen die uit eigen ervaring weten wat desintegratie is en degenen die deze desintegratie alleen kennen uit de geschiedenisboeken. En dat een van de diepste scheidslijnen van Europa de kloof is tussen de mannen en vrouwen van Oost-Europa die de ineenstorting van het communisme en het uiteenvallen van het ooit zo machtige Warschaupact hebben 
meegemaakt – of ze nu blij waren met de val van het oude regime of niet – en de inwoners van West-Europa die deze traumatische gebeurtenissen niet hebben ondergaan.

    Die ervaring verklaart het radicale verschil tussen 
de opvattingen over de huidige Europese crisis die 
in Parijs of in Boedapest te beluisteren zijn. Kort gezegd: de Oost-Europeanen volgen de ontwikkelingen met grote ongerustheid, zelfs een zekere angst, terwijl de West-Europeanen koppig blijven geloven dat alles wel goed zal komen. Maar de Oost-Europeanen kunnen vanuit hun persoonlijke ervaring niet 
de ogen sluiten en blijven hopen dat alles wel goed komt. Natuurlijk is het onzinnig om de huidige crisis van de EU te vergelijken met de crisis die het Sovjetblok indertijd heeft doorgemaakt, maar toch is het bijna onvermijdelijk dat wat er vandaag gebeurt veel Oost-Europeanen pijnlijk herinnert aan wat ze al eerder hebben meegemaakt. En dat gevoel van déjà vu verklaart de paradox dat de Oost-Europeanen het meest pro-Europa zijn en tegelijkertijd het meest pessimistisch over de kans dat de EU zichzelf uit de crisis zal kunnen redden.’

    Een Bulgaarse vrouw in het dorp Matochina. In 2050 zal de bevolking naar schatting met 27 procent zijn gekrompen. – © Getty Images
    Een Bulgaarse vrouw in het dorp Matochina. In 2050 zal de bevolking naar schatting met 27 procent zijn gekrompen. – © Getty Images

    Westerse lezers van uw boek worden getroffen door uw droefheid, vooral om die bejaarde ouders die eenzaam wegkwijnen in hun bouwvallige appartementje in Oost-Europa. Hebt u nog meer redenen om treurig en sceptisch te zijn?

    ‘Een van de dramatische gevolgen van de migratiecrisis voor de Oost-Europese samenlevingen is de demografische paniekgolf die is opgekomen. Neem Bulgarije: de afgelopen 25 jaar heeft zo’n 10 procent van onze medeburgers het land verlaten, op zoek naar werk in het buitenland. Volgens voorspellingen van de Verenigde Naties zal de Bulgaarse bevolking in 2050 met 27 procent zijn afgenomen. Deze vrees voor de ‘etnische verdwijning’ leeft ook in veel andere kleine Oost-Europese landen. Voor hen is de komst van de migranten een teken dat zijzelf uit de geschiedenis verdwijnen. Op televisie zien we oudere mensen protesteren tegen de komst van migranten in hun leeggelopen dorpen waar al decennialang geen kinderen meer worden geboren, en ons hart doet pijn voor beide partijen – voor de migranten, maar ook voor die oudjes, die hun wereld voor hun ogen uiteen zien vallen. Voor hen werkt de natie, net zoals God, als een buffer tegen de fysieke verdwijning.

    In Bulgarije heeft de massale emigratie van voornamelijk 25- tot 50-jarigen dramatische gevolgen gehad voor de economie, maar ook voor de politiek. Wat in 1989 begon als een democratische revolutie, is gevolgd door een demografische contrarevolutie. Als deze trend niet verandert zal het bbp van de landen van Midden- en Oost-Europa tussen 2015 en 2030 met zo’n 9 procent dalen, volgens schattingen van het IMF. De werkgevers in de regio beklagen zich voortdurend over het gebrek aan gekwalificeerde arbeidskrachten. Goed opgeleide verpleegkundigen gaan liever een veelvoud van hun salaris verdienen door in Londen voor één gezin te zorgen dan dat ze in hun eigen land hun vak uitoefenen. Wij blijven maar klagen dat Bulgarije de afgelopen jaren slechte leiders heeft gehad, maar we zouden ons eens moeten afvragen of dat niet ook een gevolg is van 
de massa-emigratie. Waarom zou iemand die wil vertrekken zich nog druk maken over het welslagen van hervormingen in zijn eigen land? Hij wil vooral de koers van zijn eigen leven veranderen en interesseert zich niet meer voor het leven van anderen.’

    In deze tijd van migratie functioneert de democratie steeds meer als een instrument van uitsluiting en niet van integratie

    Er wordt nu gesproken over de terugkeer van het fascisme in Europa.

    ‘De nieuwe revolutie van de eenentwintigste eeuw 
is de migratie. Dat is geen opstand van de massa’s, zoals die van de twintigste eeuw, maar een opstand van individuen en hun gezinnen tegen de grenzen. Die revolutie wordt niet aangewakkerd door ideologische discussies over een stralende toekomst, maar door foto’s op internet van het leven aan de andere kant van de grens. Verandering betekent voor een groeiend aantal mensen op de wereld niet meer veranderen van regering maar veranderen van land.

    Net als bij alle revoluties is ook bij deze het probleem haar vermogen om een contrarevolutie op te roepen. In ons geval heeft ze al de reacties opgeroepen van de “bedreigde meerderheden” in het hart van de Europese politiek. Die mensen vrezen dat de buitenlanders hun land overlopen en hun manier van leven bedreigen. Zij zijn ervan overtuigd dat de huidige crisis het gevolg is van een samenzwering tussen de geglobaliseerde elites 
en de migranten met hun stammencultuur.

    In deze tijd van migratie functioneert de democratie steeds meer als een instrument van uitsluiting en niet van integratie. Het belangrijkste kenmerk van de meeste rechts-populistische partijen in Europa is dat zij niet conservatief of nationalistisch zijn, maar reactionair. Dit offensief van de “bedreigde meerderheden” in Europa doet het meest vrezen voor een terugkeer naar de jaren dertig van de vorige eeuw.’

    Auteur: Iuliana Metodieva
    Vertaler: Annemie de Vries

    Marginalia.bg

    Niet-commerciële informatieve website die zich richt op mensenrechten, en dan vooral op de integratie van de Roma. 
De site wordt onderhouden door Iuliana Metodieva en Emil Cohen, die bekendstaan om hun betrokkenheid bij dit onderwerp.

  • Opening Dossier: De nasleep voor het Oostblok

    Opening Dossier: De nasleep voor het Oostblok

    Hongarije, Polen, Slowakije… herkennen zich niet in de democratische waarden van het Westen en varen een eigen koers, die pessimistisch en materialistisch is.

    De Polen kiezen voor het Chinese model, en populisten verslaan geregeld de traditionele partijen. Op de oostflank van de Europese Unie kampt men nog steeds met de nasleep van de geschiedenis.

    1. De diepste kloof is die tussen Oost en West

    2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    3. Laten we niet langer 
de boksbal van Europa zijn

    4. De Polen kiezen voor het Chinese model

    5. De Tsjechen zijn een geval apart

    6. Context: Kroaië, Kurz, minipoetins en het IJzeren Gordijn

    Beeld: Aanhangers van de Hongaarse oppositiepartij Jobbik vieren de 170e verjaardag van de opstand tegen het Habsburgse Rijk op 15 maart 2018.
 – © Marton Monus / HH

  • Van vuilnisman in Japan tot spil in de Tsjechische politiek

    Van vuilnisman in Japan tot spil in de Tsjechische politiek

    De Tsjechisch-Japanse politicus Tomio Okamura, een nationalist en verklaard tegenstander van de EU en immigratie, was een verrassende winnaar bij de parlementsverkiezingen in oktober. Wie is hij?

    Hij wilde president worden van de Tsjechische Republiek. Hij wil de radio en de televisie nationaliseren. Hij wil directe democratie en accepteert niet dat iemand hem de mond snoert. Hij heeft een bloedhekel aan de media maar verschijnt er veelvuldig in. Hij is half-Japans en half-Tsjechisch, wijst de islam radicaal af en is tegen iedere vorm van immigratie.

    Hij is voorzitter van de partij Vrijheid en Directe Democratie (SPD), die hij oprichtte nadat hij uit de Dageraad-partij was gezet, die hij eveneens had opgericht. Tomio Okamura en zijn SPD zorgden voor een verrassing bij de parlementsverkiezingen in oktober door de op drie na grootste partij te worden (10,64 procent van de stemmen, 22 zetels). Dit resultaat verschaft Okamura een machtspositie aangezien Andrej Babis, met 29 procent van de stemmen de winnaar van de verkiezingen, hem nodig heeft voor een toekomstige coalitieregering.

    Okamura werkte in Japan als vuilnisman. Dankzij hard werken werd hij later miljonair in Tsjechië, het land waar hij naar eigen zeggen nog steeds last heeft van racistische pesterijen. Hij werd in 1972 geboren in Tokio als zoon van een Tsjechische moeder en een Japanse vader, als jongste van drie zonen. Na zijn kindertijd voornamelijk te hebben doorgebracht in Japan, maakte hij zijn lagere school af in Tsjecho-Slowakije. Toen zijn moeder ziek werd, bracht hij met een van zijn broertjes enige tijd door in een weeshuis. Hij vertelt dat hij er werd gepest, wat een verklaring zou kunnen zijn voor het gestotter waar hij tot zijn tweeëntwintigste last van had.

    Okamura volgde een middelbare 
chemieopleiding alvorens op zijn achttiende terug te keren naar Japan, waar hij niet verder ging studeren. Hij kon in het land van zijn vader alleen een baan vinden als vuilnisman, en vervolgens als popcornverkoper in een bioscoop. Omdat hij zich naar eigen zeggen gediscrimineerd voelde en geen toekomst zag in Japan, vertrok hij opnieuw naar Tsjechië.

    Bedwelmd door succes

    Daar stort hij zich met succes in het toerisme en begint zijn eigen reisbureau, dat zich voornamelijk richt op Japanse toeristen. Hij is mede-eigenaar van winkels met Japanse producten en een softwarebedrijfje, en wordt ook actief in het restaurantwezen. In 2012 maakt hij gebruik van zijn contacten in de media om zich kandidaat te stellen voor de Senaatsverkiezingen. Bedwelmd door zijn succes besluit hij vervolgens deel te nemen aan de presidentsverkiezingen. Als blijkt dat hij niet genoeg handtekeningen heeft verzameld, gaat hij in beroep bij de hoogste bestuursrechter.

    In 2013 richt Tomio Okamura Dageraad op, een partij voor directe democratie. Hij wordt verkozen tot partijvoorzitter en wordt gekozen in het parlement. Okamura schreef verschillende boeken waarin hij naast verhalen over zijn persoonlijke leven advies geeft over de manier waarop je een gelukkig leven kunt leiden: hoe geld te verdienen, hoe te slagen in het leven of macht te vergaren. Het eerste boek, met zijn gezicht op het omslag, heeft als titel De Tsjechische droom. Deze boeken, de auteur komt er rond voor uit, zijn geïnspireerd door de boeken van Donald Trump, voor hem liefkozend ‘Donald’.

    Het bewijs dat het hem financieel voor de wind gaat, is het feit dat hij de op twee na rijkste volksvertegenwoordiger van het land is, na miljardair Andrej Babis en de aristocraat Karel Schwarzenberg. Maar het is eveneens geld dat zijn imago van integer zakenman, dat hij zorgvuldig koestert, het meest bezoedelt. Na zijn succes bij de verkiezingen van 2013 vloeiden er miljoenen kronen in de partijkas van Dageraad. Maar in diezelfde periode werd er iedere maand een bedrag van 1 miljoen Tsjechische kronen [ca. 39.000 euro] overgemaakt van de partij naar een rekening van Okamura, zogenaamd als vergoeding voor marketingactiviteiten en media-adviezen. De politicus had geen verklaring voor deze naar klassieke verduistering riekende praktijken, en werd uitgesloten van de politieke partij waar hij oprichter van was. Okamura verweerde zich en zei dat er in zijn partij een coup was gepleegd. Nadat het schandaal enkele maanden had geduurd, trad Okamura zich terug en verliet hij de partij die geen toekomst meer had en die financieel onherstelbaar beschadigd was. De kwestie is des te pijnlijker omdat een van de campagneslogans van de partij bij de laatste verkiezingen nu juist was dat politiek leiders hoofdelijk aansprakelijk moeten worden gesteld, zowel materieel als strafrechtelijk.

    schermafbeelding 2017 11 30 om 12 46 51 pm

    Twee jaar geleden richtte Okamura, met de retoriek van de man die door zijn naasten was verraden maar toch onverdroten beleef vechten voor een betere toekomst voor alle eerlijke Tsjechen, de partij Vrijheid en Directe Democratie op. Hij bouwde zijn campagne op door zich te presenteren als de model-Tsjech die zijn land verdedigt tegen migranten en tuig. Tot grote verrassing van de meeste mensen kwamen Okamura en zijn horde heethoofden, die zich vooral onderscheiden doordat ze schaamteloos absurde uitspraken doen zonder dat ze in staat zijn tot enige vorm van zelfkritiek, in het parlement terecht.

    De belangrijkste thema’s van Okamura zijn patriottisme, nationale trots, directe democratie (Okamura laat zich lovend uit over een ‘regering van iedereen’ en over het communisme als een idee dat door ‘de mensen’ is gecorrumpeerd), aanscherping van de immigratiewetten en zero tolerance ten aanzien van groepen die zich zogenaamd niet aanpassen. Als euroscepticus stelt hij de natiestaat voorop en gaat hij prat op zijn ideologische verwantschap met Marine Le Pen.

    Als iemand anders zijn woorden tegen hem gebruikt, smelten de waarden waar hij zich op zegt te beroepen – moed, persoonlijke motivatie, je aan je woord houden – plotseling als sneeuw voor de zon

    Okamura verdedigt graag het beginsel van gelijke rechten. Hij legt de nadruk op ‘gewone’ mensen – waar hij zelf bij zegt te horen – die altijd aan het kortste eind trekken, met name ten opzichte van alle minderheden. Van succesvolle miljonair wordt hij plotseling een ‘kleine’, ‘gewone’ en ‘eerlijke’ Tsjech.

    Maar als iemand anders zijn woorden tegen hem gebruikt, smelten de waarden waar hij zich op zegt te beroepen – moed, persoonlijke motivatie, je aan je woord houden – plotseling als sneeuw voor de zon. Dan dient hij een aanklacht in. Zo klaagde hij vijf jaar geleden een journaliste, die alleen had gewezen op een verklaring waarin hij stelde dat hij ‘op zoek was naar de definitieve oplossing van het Roma-probleem’, aan wegens smaad.

    Okamura aarzelt ook niet om zijn eigen familie, die niet erg te spreken is over zijn opvattingen, aan te pakken. Hij 
wil niets weten van zijn oudere broer Hayato, die heeft aangegeven dat hij de familie wil zuiveren van de naam van Tomio en die zich kandidaat heeft gesteld voor de christen-democratische partij. Tegelijkertijd zegt Okamura dat 
er niets boven familie gaat. Tijdens de bekendmaking van de resultaten van de jongste verkiezingen dwong hij zijn 
zoon voor de camera’s naast hem te komen staan. De jongeman, student 
aan de filmacademie, distantieerde zich echter meteen van zijn vader en diens ideeën.

    Tomio Okamura heeft het vaak over familie. De ondersteuning van het traditionele gezin en ‘eerlijke mensen’ maakt deel uit van het programma van de SPD. Maar wat deze woorden betekenen weet alleen Okamura zelf. Hij gedraagt zich al sinds jaar en dag als een playboy die geen haast heeft een gezin te stichten, en omringt zich het liefst met meisjes die een flink stuk jonger zijn dan hij. Momenteel stoomt hij zich klaar voor de rol waarvan hij al jaren droomt: die van politicus waar je rekening mee moet houden. Of hij er nu wel of niet in slaagt de aandacht van het publiek op zich te vestigen, u kunt er zeker van zijn dat hij, als het weer mislukt, zal zeggen dat het komt door onze racistische vooroordelen.

    Auteur: Adéla Knapová
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Gedoodverfd premier Babis: steenrijk en omstreden

    Andrej Babis (63), met zijn partij ANO de grote winnaar van de Tsjechische parlementsverkiezingen van oktober 2017 en daarmee de gedoodverfde nieuwe regeringsleider, is niet geheel onomstreden. Tegen deze voormalig minister van Financiën lopen diverse onderzoeken wegens malversaties. Bovendien doen hardnekkige geruchten de ronde dat hij tijdens het communistische bewind een informant was van de Tsjechische geheime dienst StB en tevens medewerker van de Russische KGB.

    De naam van de partij die Babis in 2011 oprichtte, Ontevreden Burgers in Actie, dekt de lading perfect. Het succes ervan stoelt op de recente golf van populisme in Oost-Europa. Zo ontevreden zal Babis overigens zelf niet zijn: zijn vermogen wordt door Forbes geraamd op 4,1 miljard dollar. Hij wordt weliswaar onveranderlijk ‘de Tsjechische Donald Trump’ genoemd, maar de Amerikaanse president loopt nog altijd een miljard bij hem achter.

    Babis is overigens geen Tsjech: hij werd in de Slowaakse hoofdstad Bratislava geboren uit Slowaakse ouders, maar hij studeerde economie in Praag. Hij was jarenlang ook braaf lid van de communistische partij in zijn geboorteland en schopte het tot een van de leidende figuren van het staatsconglomeraat Petrimex. In 1993, na de val van het communistische bewind en de ‘fluwelen scheiding’ tussen Tsjechië en Slowakije, kwam hij aan het hoofd te staan van Agrofert, de landbouwtak van Petrimex. Later bleek het bedrijf ineens op zijn naam te staan. Agrofert is de op drie na grootste onderneming van Tsjechië. Babis heeft er ook zijn recente aankopen in ondergebracht: de belangrijkste uitgeverij van het land en twee kranten.

    Reflex
    Tsjechië | reflex.cz

    Nieuws en trends met originele accenten. Jongleert tussen politieke analyses 
en sociale reportages voor 
een jonge doelgroep.

  • Eén markt, één munt, één Europese democratie

    Eén markt, één munt, één Europese democratie

    De Duitse historica en filosofe Ulrike Guérot weet het zeker: er moet een Europese Republiek komen. Dan is uiterlijk in 2045 het politieke gelijkheidsbeginsel voor alle Europese burgers verwezenlijkt.

    Iedereen kraakt de Europese Unie af, niemand lijkt nog van haar te houden. Mevrouw Guérot, u gelooft stoïcijns in een vreedzaam, verenigd Europa. Legt u eens in de lengte van een tweet uit wat u wilt.

    Ulrike Guérot: Eén markt, één munt, één Europese democratie, dat wil zeggen een gemeenschap van staatsburgers, waarbinnen iedere burger in Europa dezelfde rechten heeft.

    U heeft begin dit jaar het boek Der neue Bürgerkrieg. Das offene Europa und seine Feinde gepubliceerd. Bent u echt van mening dat er al sprake is van burgeroorlog?

    Het begrip burgeroorlog heeft mij theoretisch sterk bezig gehouden. Ik wilde in het boek laten zien dat we ons niet in een proces van renationalisatie bevinden, maar in een heel ander proces.

    In wat voor proces dan?

    We zetten burgers tegenover elkaar. En dat komt doordat we in de EU wel één markt en één munt hebben, maar geen democratie.

    Omdat het in Europa ontbreekt aan een uniform sociaal systeem worden de burgers economisch tegen elkaar uitgespeeld. Bedoelt u dat met burgeroorlog?

    Het gaat nog verder. De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben schrijft dat er burgeroorlog heerst wanneer het politieke lichaam uiteenvalt en er geen enkele groep meer aanspraak kan maken op vertegenwoordiging van het politieke lichaam in zijn geheel.

    Kunt u een voorbeeld geven?

    Bij de Brexit is het al zichtbaar: wie is nou de Britse natie, zij die voor de Brexit zijn of zij die ertegen zijn? Het land valt uiteen. Dat wilde ik analyseren om het argument te weerleggen dat Europa zich in een proces van renationalisatie bevindt. Want het klopt niet. Eerder beleven we een splijting van naties. Niet alleen in Groot-Brittannië, maar ook in Oostenrijk, in Frankrijk of in Polen.

    Het moment dat ik zelf ontwaakte, kwam met de top van juni 2012. Toen dacht ik; Met deze EU komt het niet meer goed

    De Zeit heeft geschreven dat u uw levensverzekering zou hebben ingezet om de EU te redden. Hoe werd u zo’n Europa-activist?

    Aanvankelijk was er gewoon niemand die geld in mijn project wilde steken. Maar ik moet bij het begin beginnen. Het was 2012, het hoogtepunt van de Europese crisis. Er werd fel geprotesteerd tegen Europa en de Europese centrale bank, EU-vlaggen werden verbrand. Op dat moment stortte voor mij persoonlijk iets ineen.

    Waarom?

    Duitsland, Frankrijk, Europa – dat was vanaf 1992 zowel mijn privéleven als mijn beroep. Ik heb voor Lamers en later voor Jacques Delors, de voormalige voorzitter van de Europese Commissie, gewerkt. The ever closing union, de unie die steeds nauwer aaneengroeit, dat was mijn ding, daarvan was ik vijfentwintig jaar lang overtuigd. En toen begreep ik: C’est fini, het functioneert niet langer.

    Pas toen, van de ene op de andere dag?

    Natuurlijk heb ik in de jaren nul ook wel gemerkt dat het niet meer zo gemakkelijk ging, zeker na het Franse nee tegen de Europese Grondwet in 2005. Toen kwam de financiële crisis en daarna de eurocrisis. In het begin dacht ik nog: Dat lukt ons wel. In 2010 begon de Griekse crisis. Met Duitsland ging het steeds beter, maar de anderen gleden af. Alles werd ineens heel onaangenaam. Het moment dat ik zelf ontwaakte, kwam met de top van juni 2012. Toen dacht ik: Met deze EU komt het niet meer goed.

    Wat gebeurde er destijds op die top?

    Het werd duidelijk dat er een fiscale noch een politieke unie zou komen. Ondanks alle intentieverklaringen werd de vicieuze cirkel van bank- en staatsschulden niet doorbroken.

    Hoe reageerde u daarop?

    Voor de grap heb ik toen briefkaarten laten drukken met de tekst: ‘The European Republic is under construction’. Ik sleepte die briefkaarten altijd met me mee en liet ze overal achter. Daarna schreef ik mijn eerste teksten over Europa als republiek. Na het ochi, het Griekse nee bij het referendum in februari 2015, merkte ik dat de mensen op mijn bijdragen begonnen te reageren. Ik kreeg de eerste uitnodigingen om te spreken over ‘Europa als republiek’. En toen ging het ineens snel. Ik ontving veel reacties, kreeg het contract voor mijn boek en uitnodigingen bij de vleet. Tegenwoordig heb ik gemiddeld negentig uitnodigingen per maand, waaronder ook heel prestigieuze, zoals voor de Europagroep van het wereldeconomisch forum van Davos. Het stadium van uitgelachen en genegeerd worden heb ik dus al achter me.

    © Getty
    © Getty

    Hoe zat dat nou met uw levensverzekering?

    Toen de idee van de republiek in 2015 echt begon aan te slaan, merkte ik dat ik het in mijn eentje niet zou redden. Ik wilde voor de republiek iets van een start-up oprichten, het European Democracy Lab, simpelweg omdat er zo veel belangstelling was. Bij verschillende stichtingen vroeg ik om geld, maar ving ik bot. Dus heb ik 25.000 euro van mijn levensverzekering genomen en in het Gorki-theater een ruimte afgehuurd. Die plek betekent heel veel voor mij. Na de Maartrevolutie van 1848 schreef de Pruisische Nationale Vergadering er zijn eerste democratische grondwet. Ertegenover wordt op dit moment een slot gebouwd, het Hohenzollernslot. Stel je dat eens voor! Alsof het Duitsland van 2017 op een slot zit te wachten. Voor mij is het heel belangrijk dat ik aan de overkant mijn boodschap publiek maak: hier komt de Europese Republiek van de grond!

    Beschikt uw Lab momenteel over voldoende middelen?

    Tot nu toe was het krap, hoewel er een kleine eerste subsidie was. Voor de komende vijf jaar ziet het er nu beter uit, dan kan ik rekenen op projectgelden.

    Welke projecten wilt u in de komende vijf jaar oppakken?

    Wij gaan werken aan de rol van regionale parlementen binnen de EU en tevens in 2019 bij de verkiezingen voor het Europese parlement een campagne opzetten voor Europese kiesrechtgelijkheid.

    Welke instituties zou uw republiek kennen?

    In mijn concept zijn er twee kamers. In de eerste – het Europese huis van afgevaardigden – zitten de Europese volksvertegenwoordigers die door heel Europa in een en dezelfde stembusgang worden gekozen. Naar de tweede kamer sturen de Europese regio’s hun senatoren. De president van Europa wordt rechtstreek gekozen.

    U zou de Europese Raad afschaffen?

    Absoluut, hij is immers bij uitstek verantwoordelijk voor het nationale moment in de EU. In de Raad zitten de regeringsleiders van de individuele EU-staten. Die regeringsvertegenwoordigers hebben in de eerste plaats verplichtingen tegenover hun eigen land. Ze zullen geen besluiten treffen die goed zijn voor alle Europeanen, maar misschien niet zo goed voor hun eigen land. Deze nationale opeenhoping van macht doet Europa zelden goed.

    In alle EU-stukken wordt steeds gesproken over European citizenship, maar in werkelijkheid bestaat dat niet

    Zou er in de Europese Republiek nog plaats zijn voor een nationaal staatsburgerschap?

    Dat is een heel belangrijk punt. In alle EU-stukken wordt steeds gesproken over European citizenship, maar in werkelijkheid bestaat dat niet.

    Hoe groot is de kans dat er zoiets als een Europees staatsburgerschap gerealiseerd wordt?

    Moeilijk te zeggen, het zou wel een complete doorbraak betekenen. Wanneer er Britten zijn die burger van de Unie zouden willen blijven, met alle concrete rechten die daarbij horen, is de idee van de republiek niet langer virtueel. En ik zou de eerste zijn om de volgende dag bij het Europese gerechtshof aan de telefoon te hangen met de boodschap: zo’n Europees staatsburgerschap wil ik ook.

    De idee van de republiek klinkt logisch. 
Wie zijn uw tegenstanders?

    Wel eigenlijk iedereen die vanuit een nationale of een EU-context naar Europa kijkt, zoals nationale of Europese ambtenaren en parlementariërs, maar ook journalisten van nationale media. Die kunnen nog geen afscheid nemen van de natiegedachte omdat ze financieel afhankelijk zijn van de natiestaat. Toen ik me met de idee van de republiek ging bezighouden, merkte ik dat de kringen waarin ik voor die tijd beroepsmatig vertoefde – de Europese denkfabrieken rond de EU – mij opeens uit de weg gingen. Dat was mijn grootste teleurstelling. Uitgerekend diegenen die betaald werden om Europa te maken, gingen de discussie uit de weg. Maar in plaats daarvan was ik ineens terug te vinden op Duitse theaterpodia, op de kunstbiënnale in Moskou of in de schouwburg van Wenen om over de republiek te spreken. De discussie die ik wilde voeren sloeg aanvankelijk in de reëel politieke ruimte niet aan, maar in de creatieve, progressieve, kunstzinnige ruimte des te meer. Dat was, om het maar eens pathetisch te zeggen, voor mij de mooiste tijd.

    Waarom?

    Ik heb begrepen dat politiek niet alles is. De maatschappij is veel meer, er zijn kerken, geëngageerde jongeren, vakbonden en kunstenaars die belangstellend luisteren. Enkele jaren was ik als een kleinkunstenaar met de republiek op tournee. En toen kreeg ik ineens weer uitnodigingen uit de reëel politieke ruimte. Maar daarvoor was nodig dat ik een omweg maakte via de kunstzinnige ruimte. Wat heel mooi was, omdat deze mensen gewoon hipper en opener zijn.

    Wie zijn uw bondgenoten?

    Vooral jonge mensen, maar ook oudere die de oorlog nog hebben meegemaakt. En heel concreet bijvoorbeeld regioparlementen en -regeringen. Jean-Claude Juncker heeft als voorzitter van de Europese Commissie in maart vijf hervormingsscenario’s voor de EU gepresenteerd. Hij heeft ook de regio’s gevraagd zich uit te spreken. Bij dat proces ben ik nu officieel betrokken, als hoogleraar of expert, zowel in Oostenrijkse regio’s als in een aantal Duitse deelstaten. Maar om op de tegenstanders terug te komen: het zijn natuurlijk ook degenen die niet bereid zijn te betalen.

    Wie, de grote concerns?

    De Duitse of beter gezegd de Europese exportindustrie heeft natuurlijk geen belang bij een Europese werkloosheidsverzekering. Zij zou meer moeten betalen voor een Europa dat ze op dit moment afroomt zonder de Europese burgers er iets voor terug te geven.

    Wat zou het doel zijn van uw republiek?

    Dezelfde leefomstandigheden voor elke Europese burger. Zoals dit voor Duitsland in de Duitse grondwet is vastgelegd. Het streven naar convergentie is eigenlijk ook al opgenomen in het verdrag van Maastricht.

    Is dat niet illusoir? Het oosten en het rijke zuiden van Duitsland hebben immers evenmin dezelfde leefomstandigheden.

    Essentieel is dat de Duitse burgers gelijk zijn voor de wet. Ze krijgen dezelfde uitkering bij werkloosheid, hebben dezelfde verzekering tegen ziektekosten en een uniform cao-stelsel, zodat burgers niet met elkaar om hun loon hoeven te concurreren. Dat moet in de toekomst ook voor de eurozone gelden. Maar u heeft natuurlijk gelijk, er zijn nog altijd verschillen tussen West- en Oost-Duitse pensioenen. Essentieel is echter dat een gelijkstelling op termijn juridisch is vastgelegd. Daarom zien we in de Bondsdag ieder jaar weer een debat over het verder optrekken van de pensioenen in het oosten naar het westelijke niveau.

    Hoe wilt u dit op Europees vlak realiseren?

    Dat zal niet van vandaag op morgen gaan. Maar het einddoel zou nu al bindend kunnen worden vastgelegd. We zouden bijvoorbeeld een driefasenplan kunnen ontwikkelen, zoals dat ook bij de invoering van de euro is gebeurd.

    In mijn eentje ga ik dat niet veranderen. Maar als veel mensen de idee ondersteunen, zouden we wel zo ver kunnen komen

    Hoe ziet uw spoorboekje eruit?

    Uiterlijk in 2025 hebben we kiesrechtgelijkheid – one man, one vote – voor elke Europese burger; uiterlijk 2035 belastinggelijkheid en uiterlijk 2045 eenzelfde toegang tot sociale rechten. Dan zou het algemene politieke gelijkheidsbeginsel voor alle Europese burgers zijn verwezenlijkt. Voor de eurozone is dit voorstelbaar, omdat we economisch helemaal niet zo van elkaar verschillen. De eigenlijke verschillen bestaan immers niet tussen landen. Brandenburg is net zo arm als Andalusië. Met Hessen en Lombardije daarentegen gaat het goed. Het gaat dus niet om Italië versus Duitsland, maar om centrum versus periferie en om stad versus land. Daarom zouden we de economische verschillen in Europa niet meer langs nationale grenzen moeten benaderen. We zouden Europa op zijn kop moeten zetten en vanuit de burgers en de regio’s moeten gaan denken.

    Maar hoe wilt u dat verwerkelijken?

    Die vraag wordt mij vaak gesteld. Dan zeg ik altijd heel ontspannen: ‘In mijn eentje ga ik dat niet veranderen. Maar als veel mensen de idee ondersteunen, zouden we wel zo ver kunnen komen.’

    Wat gebeurt er als de Europese Republiek er niet komt?

    Als we de Europese democratie niet met een duidelijk tijdplan snel een impuls geven, zullen we wat we op dit moment hebben waarschijnlijk niet kunnen vasthouden. Mevrouw Merkel vergist zich met haar ‘wanneer de euro mislukt, mislukt Europa’. Die uitspraak is eerder andersom: als de euro blijft zoals hij is, mislukt de Europese democratie. En dat is precies wat we nu meemaken. Ze is nu al mislukt in Polen en Hongarije. Zuid-Europa is nog altijd politiek en sociaal fragiel. En dat geldt ook voor Frankrijk, wanneer het Emmanuel Macron nu niet lukt. Ik ben bang dat het juist in Duitsland aan bewustzijn ontbreekt hoe erg de dingen in veel andere Europese landen eigenlijk al zijn.

    Hoe staan de partijen tegenover uw voorstellen?

    Op dit moment heeft nog geen enkele grote partij de Europese Republiek in haar program opgenomen. Maar mijn argument is structureel, niet partijpolitiek. De republiek is er voor iedereen.

    Ook de republiek verhindert niet dat kiezers de verkeerde mensen aan de macht te brengen.

    Maar ze zou wel voorkomen dat de euro- of de vluchtelingencrisis binnen Europa wordt misbruikt om nationale staten tegen elkaar uit te spelen. En ze zou voorkomen dat de verliezers van de moderniteit overal misbruikt worden door nationale elites.

    U denkt dat Europa dat vreedzaam voor elkaar krijgt?

    De geschiedenis leert dat grote politieke breuken zelden zonder bloedvergieten zijn verlopen. Behalve in 1989 toen het socialistische oosten van Europa ineenstortte. Dan zouden we de Europese republiek toch ook vreedzaam voor elkaar moeten kunnen krijgen.

    Auteur: Susan Boos

    Historica en filosoof Ulrike Guérot (1964) werkte twintig jaar van haar leven als politiek adviseur voor de Europese Unie. In 2012 voorspelde ze het einde van diezelfde unie. Ze richtte het European Democracy Lab op met als doel ideeën te vergaren en te ontwikkelen over een nieuw Europees politiek systeem, de ‘Republiek Europa’.

  • Moet je Syriëstrijders doden voor ze terugkeren?

    Moet je Syriëstrijders doden voor ze terugkeren?

    Eind oktober verklaarde de Britse minister Rory Stewart dat ‘de enige oplossing’ voor het probleem van de Syriëstrijders was om ze te doden voordat ze terugkeren naar Europa. Zijn opmerking leidde tot een felle polemiek.

    JA

    Wat moeten we aan met de honderden jihadisten die terugkeren na een potje lekker onthoofden bij IS? Max Hill, de onafhankelijke toezichthouder op de Britse terrorismewetten, vindt dat we ze niet voor de rechter moeten slepen, maar ze moeten helpen om weer te integreren in de maatschappij. Ik daarentegen ben het eens met de Conservatieve minister Stewart dat het ‘in bijna alle gevallen’ de beste oplossing zou zijn om ze dood te schieten terwijl ze daar nog zijn. Het enige probleem dat ik zie is: wat als we missen? Er glippen er vast een paar door het net.

    Een paar jaar geleden kampten we nog met het tegenovergestelde probleem. Wat moesten we doen, vroegen we ons wanhopig af, met jonge, Britse moslims die voor IS wilden gaan vechten? Het leek mij crimineel en bespottelijk om ze te laten gaan om vervolgens gedood te worden door Britse explosieven of sluipschutters met scherpe ogen. Dus waarom zouden we ze niet meteen op Heathrow doodschieten? Het resultaat was hetzelfde, alleen een stuk goedkoper. Ik kreeg echter te horen dat dit grondwettelijke, morele en legale implicaties had, en andere passagiers zou afschrikken. Mijn tweede suggestie was: laat ze gaan, maar laat ze er niet meer in als ze er genoeg van krijgen of niet zonder hun Eerste Wereld-geneugten blijken te kunnen. Dit idee werd niet beter ontvangen dan het eerste.

    Dan moeten ze maar gaan wonen op een plek waar hun opvattingen worden gedeeld

    We kunnen dus niet voorkomen dat in Groot-Brittannië geboren jihadisten terugkeren naar Groot-Brittannië omdat ze, eh, Britten zijn. Natuurlijk, dat begrijp ik. Tenzij we een wet aannemen waarin staat dat hun staatsburgerschap wordt afgenomen als ze tegen Britse troepen hebben gevochten. Dan moeten ze maar gaan wonen op een plek waar hun opvattingen worden gedeeld.

    En waarom trappen we alle in het buitenland geboren islamisten er niet uit omdat die een potentieel gevaar vormen? Want dat doen we ook niet, al heb ik geen idee waarom niet. We houden vol dat we ze in de gaten houden als ze terugkomen uit de bouwmarkt met hun pakken waterstofperoxide en hun smeltdraad.

    We laten ons op een dwaalspoor brengen en zijn daardoor niet in staat iets te ondernemen. Max Hill denkt bijvoorbeeld dat de jonge misdadigers die naar Syrië zijn gegaan gewoon aardige jongelui waren die op onverklaarbare wijze ‘geradicaliseerd’ zijn door de islamistische ideologie. Alsof hun moordzuchtige bedoelingen ze werden opgedrongen door een buitenstaander en zij eigenlijk slachtoffers waren. Dus dit moeten we doen: als ze proberen terug te keren, deporteer ze dan. Als je ze niet kunt deporteren, sluit ze dan op zo lang als onze wetten toestaan. Als er een sleutel is, gooi die dan weg. Dan zullen de mensen in Londen en Manchester zich iets veiliger voelen.

    Auteur: Rod Liddle

    Rod Liddle (1960) is co-hoofdredacteur van The Spectator en voormalig redacteur van het BBC Radio 4-programma Today. 
Hij schreef boeken, 
presenteerde tv-programma’s, en publiceerde in o.a. The Sunday Times en The Sun.

    The Times | Londen

    1. Robert Fisk, 2. Rob Liddle
    1. Robert Fisk, 2. Rob Liddle

    NEE

    Onlangs hebben Europese leiders een belangrijke, ongekende en gevaarlijke beslissing genomen. Die is niet erg expliciet verwoord, maar het is overduidelijk dat ze vinden dat buitenlandse strijders voor IS gedood moeten worden als ze worden opgespoord.

    Wat is er met gerechtigheid gebeurd, dat basisprincipe van alle landen die geloven in vrijheid en democratie? Een paar citaten. De Franse minister van de Strijdkrachten, Florence Parly: ‘Als jihadi’s sneuvelen in deze strijd lijkt me dat het beste.’ En de Amerikaanse vertegenwoordiger van de anti-IS-coalitie, Brett McGurk: ‘Het is onze missie om ervoor te zorgen dat elke buitenlandse strijder die zich bij IS heeft aangesloten en naar Syrië is gekomen, ook hier in Syrië sterft.’ En onze eigen Tory-minister Rory Stewart: ‘Ik ben bang dat we het feit dat die mensen een groot gevaar vormen serieus moeten nemen. Ze doden is jammer genoeg de enige manier om ze aan te pakken.’

    Die uitspraak van Stewart is heel begrijpelijk, buitengewoon helder en zeer betreurenswaardig. Stewart, Parly en McGurk vragen in feite om de executie van hun burgers die zich bij IS hebben gevoegd. Dat zeggen ze natuurlijk niet. Maar zo maken we Iraakse soldaten en Koerden en wie dan ook wel duidelijk dat ze Britse, Franse, en Amerikaanse burgers die voor IS zijn gaan vechten mogen vermoorden. Prima. Geen punt. Wie wil ze graag terug?

    Als ze gevangen worden genomen, moeten we ze dan niet “aanpakken” door ze voor de rechter te brengen, ze voor altijd op te sluiten als dat het vonnis is en de hele wereld laten zien dat wij geen moordenaars zijn en moreel boven de slachters van IS staan?

    Maar wat is er intussen gebeurd met het internationale recht? Tientallen jaren lang hebben we de dictators in het Midden-Oosten veroordeeld om hun wreedheid en hun massale terechtstellingen – en zo hoort het ook. Maar hoe kunnen we ze nu nog veroordelen als wij publiekelijk aankondigen dat we onze eigen burgers die zich bij IS hebben aangesloten dood willen hebben?

    De Egyptenaren, de Saoedi’s en de Syriërs mogen nu hoofden afhakken en iedereen die ze maar willen ophangen of afslachten omdat de ‘enige manier om ze aan te pakken’ (‘jammer genoeg’ natuurlijk) is ze ‘te vermoorden’.

    Als een Brit ervoor kiest om te vechten en te sterven in een strijd voor een groteske organisatie als IS, dan is dat zijn (of haar) probleem. Maar als ze gevangen worden genomen, moeten we ze dan niet ‘aanpakken’ door ze voor de rechter te brengen, ze voor altijd op te sluiten als dat het vonnis is en de hele wereld laten zien dat wij geen moordenaars zijn en moreel boven de slachters van IS staan?

    Doen we dat niet, dan overtreden we de grens tussen gerechtigheid en het aanmoedigen van executies. Als we dat willen, laten we dat dan duidelijk zeggen. En als we dat niet willen, laten we dat dan ook zeggen. Amnesty? Human Rights Watch? Ik heb nog niets van ze gehoord.

    Auteur: Robert Fisk

    Robert Fisk (1946) is sinds 1989 Midden-Oosten-correspondent voor The Independent. Hij won tal van prijzen, waaronder zeven keer de Press Awards Foreign Reporter of the Year. Fisk publiceerde verschillende boeken en versloeg diverse oorlogen en conflicten.

    The Independent | Londen