Tag: democratie

  • Controverse: ‘Peru moet zijn socialistische waandenkbeelden laten varen’

    Controverse: ‘Peru moet zijn socialistische waandenkbeelden laten varen’

    Al maanden wordt er heftig geprotesteerd in Peru. Nadat president Pedro Castillo werd afgezet en in de gevangenis werd gegooid omdat hij probeerde het parlement buitenspel te zetten, claimen zijn aanhangers dat er sprake is van een staatsgreep door de rechtse elite. Wat moet er gebeuren om de rust te doen wederkeren in het Zuid-Amerikaanse land?

    Volgens Mario Vargas Llosa, de beroemde Peruaanse schrijver die in 2010 de Nobelprijs voor de Literatuur won, ligt het probleem bij de politieke ideologie van Castillo. De inmiddels opgesloten president is lid van de Marxistische partij in Peru en wilde grote sociale hervormingen doorvoeren in Peru. ‘Socialistische waandenkbeelden’, aldus Vargas Llosa, die zowel Peru als andere Zuid-Amerikaanse landen moeten vergeten.

    De Franse schrijver Éric Vuillard ziet het anders. Allereerst moet de repressie door de ordetroepen, aangestuurd door interim-president Dina Boluarte, gestopt worden. Castillo moet worden vrijgelaten, zelfs als hij ongrondwettelijke dingen heeft gedaan, en het zeer impopulaire Congres moet worden ontbonden. Nieuwe verkiezingen zijn de uitkomst, zegt Vuillard, om niet in een spiraal van geweld terecht te komen.

    Lees hieronder hun betogen:

    Het uur van de waarheid

    Laten we hopen dat de Peruanen bij de volgende verkiezingen een betere keuze maken. Niet alleen Peru, maar alle ontwikkelingslanden moeten hun socialistische waandenkbeelden laten varen.

    Kortgeleden las ik een artikel in de Miami Herald waarin Andrés Oppenheimer de spijker op zijn kop slaat als het gaat over de situatie in Peru. Hij onthult daarin dat de verkozen presidenten van Mexico, Argentinië, Bolivia, Chili, Honduras en Colombia samen een klein complot vormen met de bedoeling een staatsgreep te plegen om zo een eind te maken aan de democratie van Peru. Uiteraard zijn Cuba, Venezuela en Nicaragua ook bij deze samenzwering betrokken, maar dat zijn geen ‘democratieën’, vooral Cuba niet, het eiland waar vrije verkiezingen al meer dan zestig jaar verboden zijn. Daarom kunnen we deze drie landen niet in deze statistiek opnemen.

    Hoe zit het nou precies met de situatie in Peru? Heel simpel. Pedro Castillo, de president die door het Peruaanse volk verkozen is, hield op 7 december een ‘toespraak’ op nationale radio en televisie, waarin hij aangaf een staatsgreep te willen plegen. De toespraak was een kopie van die van Alberto Fujimori van dertig jaar terug. In de toespraak, die door miljoenen Peruanen werd aangehoord, zei het staatshoofd toentertijd dat hij alle parlementariërs naar huis stuurde en kondigde hij verkiezingen aan om het Congres te vervangen door een parlementaire vergadering, iets wat volgens de wetten van Peru abnormaal en illegaal is. Ook verklaarde hij dat het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht ‘gereorganiseerd’ zouden worden (dat wil zeggen, hij ontbond ze).

    Laten we hopen dat de Peruanen bij de volgende verkiezingen een betere keuze maken

    Het Congres hield een spoedberaad en zette de president af, die onmiddellijk daarop door zijn erewacht aan de politie werd uitgeleverd, in plaats dat hij naar de ambassade van Mexico gebracht werd, waar president Andres Manuel López Obrador hem asiel had aangeboden. Sindsdien zit Pedro Castillo op gerechtelijk bevel gevangen, in afwachting van zijn vonnis, vanwege het misdrijf dat hij een poging deed tot een staatsgreep. De militaire strijdkrachten van Peru hebben daartegen opgetreden overeenkomstig de grondwet en de wetten en zijn daarbij dus binnen de wettelijke kaders gebleven.

    Als plaatsvervanger van de president heeft het parlement de vicepresident Dina Boluarte benoemd, die lid is van dezelfde partij als president Castillo en bij meerdere gelegenheden verklaard heeft dat ze een ‘leninistische marxist’ is. Zij heeft voorgesteld om binnen een jaar verkiezingen te houden, en het Congres heeft de vervroeging van de verkiezingen in eerste instantie reeds goedgekeurd, wat in geen enkel opzicht indruist tegen de grondwet. Binnen iets meer dan twaalf maanden zullen de Peruanen dus een staatshoofd hebben dat verkozen is op een manier die geheel in lijn is met de wet.

    En hier beginnen de ‘verkozen presidenten’ van de buurlanden Mexico, Argentinië, Colombia, Chili, Bolivia en Honduras hun gal te spuwen. Volgens hen was president Castillo helemaal niet van plan om een staatsgreep te plegen en is het de schuld van de ‘rechtse’ partijen met heel die samenzwering van hen dat hij nu gevangen is genomen. Waar halen die presidenten dit absurde en krankzinnige idee vandaan? Geen idee, maar de beschuldiging ligt er en is naar het schijnt verzonnen door het Mexicaanse staatshoofd López Obrador, die het gezin van Castillo naar zijn land heeft overgebracht en onophoudelijk dit soort lasterpraatjes verkondigt. Het is bedroevend dat meerdere landen geloof hechten aan dit verzinsel, namelijk dat president Castillo het slachtoffer zou zijn van de intriges van de rechtse partijen van Peru.

    Waar halen die presidenten dit absurde en krankzinnige idee vandaan?

    Datzelfde waandenkbeeld heeft postgevat onder bepaalde extreemlinkse groeperingen in Peru, die steden en luchthavens aanvallen en daarbij een politieagent levend verbrand hebben en confrontaties hebben uitgelokt met de ordehandhavers, waarbij tot nu toe al bijna zestig doden zijn gevallen. De president Dina Boluarte heeft aangekondigd dat de gerechtelijke instanties al deze sterfgevallen zullen onderzoeken om de verantwoordelijken voor het gerecht te slepen, en ondertussen eist de algemene opinie dat ze het onderzoek zo gauw mogelijk uitvoeren. De president, die van haar stuk is gebracht door de uitspraken van haar vroegere medestanders, zal voor nu al wel afstand genomen hebben van hun ideologische opvattingen.

    Het is onzinnig om te stellen dat de rechterflank heel deze schijnvertoning op touw heeft gezet om af te rekenen met Pedro Castillo. Alle Peruanen hebben de toespraak gehoord waarin Castillo zich uitzonderlijke bevoegdheden aanmatigde en de parlementariërs, openbare aanklagers en rechters naar huis stuurde. Het enige wat voor hem verkeerd uitpakte was dat de soldaten hem niet steunden en dat zijn erewacht hem aan de politie uitleverde in plaats van hem naar de ambassade van Mexico te brengen.

    Waar komt dat achterlijke waandenkbeeld vandaan dat Pedro Castillo ‘ontvoerd’ is door de rechtse partijen?

    Dit is min of meer de stellingname van Andrés Oppenheimer die hij na diepgaand onderzoek in de Miami Herald onthulde en die miljoenen Peruanen zonder enig bezwaar zullen onderschrijven. Binnen een jaar zullen er verkiezingen worden gehouden en zullen de Peruanen een nieuwe president hebben, in lijn met de wetten en de constitutie. Het is geloof ik de eerste keer in de nationale geschiedenis dat het leger zich aan de wet gehouden heeft.

    Waar komt dat achterlijke waandenkbeeld vandaan dat Pedro Castillo ‘ontvoerd’ is door de rechtse partijen? López Obrador, het staatshoofd van Mexico, heeft uit woede, niemand weet waarom, samen met de president van Colombia heel deze onzin verzonnen die de bevolking en de regering van Peru uit alle macht van de hand wijzen. Meneer López Obrador kan zich beter bezighouden met de problemen in Mexico, waar moordpartijen aan de orde van de dag zijn.

    De Peruanen betreuren het dat de jonge president van Chili, Gabriel Boric, het oor leent aan deze farce en de belachelijke beschuldigingen van López Obrador steunt, die zegt dat de val van Pedro Castillo het werk is ‘van de rechtervleugel van Peru’. Tot nu toe was hij erg voorzichtig te werk gegaan en had hij de wet nauw in acht genomen. Terwijl Gustavo Petro van Colombia zijn welbekende leugens verkondigde, hield Boric zich tactvol afzijdig, maar die afzijdigheid heeft hij nu doorbroken. Wat heeft hem op andere gedachten gebracht? Dit is een beklagenswaardige daad die het Peruaanse volk altijd bij zal blijven.

    De waarheid is dat weinig Peruanen wakker zullen liggen van de val van president Pedro Castillo. Sinds zijn verkiezing hebben de blunders van deze man, die de meest fundamentele kwesties in Peru negeerde, in verschillende sectoren van de maatschappij geleid tot verontwaardiging en woede. Een van zijn barbaarse acties was dat hij een eind wilde maken aan de mijnbouw om het nationale leefgebied in de kijker te zetten. De stumperd snapte niet dat Peru niet zonder de mijnbouw kan als het ooit een efficiënt land wil worden en op het lijstje met de meest welvarende landen ter wereld wil komen. Dit geeft al min of meer een indruk van de intellectuele kwaliteiten van de man die door de Peruanen verkozen is tot hoofd van de staat, een beslissing die tot een conflict geleid heeft. Bij zo’n 70 procent van de bevolking was hij al in ongenade gevallen, en die schrikbarende cijfers zouden nog oplopen.

    Als gevolg van de poging van Castillo tot een staatsgreep is de krankzinnige verkiezingsuitslag waardoor hij in het regeringspaleis terechtgekomen is, teruggedraaid. Daarom geloof ik vast en zeker dat het niet genoeg is dat er ‘vrije verkiezingen’ worden gehouden in ontwikkelingslanden, maar stemgerechtigden moeten ook een goede keuze maken, oftewel de keuze voor democratie en vooruitgang.

    In Latijns-Amerika hebben we het voorbeeld van Venezuela gezien; erger kan niet

    Als ze namelijk een verkeerde keuze maken, bijvoorbeeld door op een dictator te stemmen die alles in zijn eigen zak steekt en geen moeite doet om de lagen in de samenleving naar een hoger niveau te tillen, zal de situatie verergeren, met het gevolg dat honderden of duizenden gezinnen aan hun lot worden overgelaten. Laten we hopen dat de Peruanen bij de volgende verkiezingen een betere keuze maken dan de vorige keer.

    Niet alleen Peru heeft met dit probleem te kampen, maar ook heel Latijns-Amerika en de ontwikkelingslanden in het algemeen. Het verbazingwekkende is dat landen in deze tijd ervoor kunnen kiezen om arm of welvarend te zijn. Daarom moeten ontwikkelingslanden echt afscheid nemen van socialistische waandenkbeelden. Waar heeft het socialisme gezegevierd? In Latijns-Amerika hebben we het voorbeeld van Venezuela gezien; erger kan niet. Of neem Cuba, de situatie daar is toch dramatisch?

    Zestig jaar geleden was ik net als vele anderen enthousiast over de Cubaanse revolutie. Sindsdien is het met het land van kwaad tot erger gegaan en miljoenen Cubanen zwerven op dit moment door de wereld op zoek naar werk in een poging invulling te geven aan hun leven, omdat hun eigen land ze geen werk of hoop te bieden heeft. Dat is toch triest? Ik hoop dat de mensen in Latijns-Amerika dit bij de volgende stembusgang in hun achterhoofd houden.

    Mario Vargass Llosa – El País


    De noodkreet van de Peruanen

    De Peruanen die de straat opgaan, hebben laten zien dat ze zich ervan bewust zijn dat ze overheerst en uitgebuit worden door een hebzuchtige en corrupte elite. Om het geweld te stoppen, moet er een eind komen aan de repressie, moet president Castillo worden bevrijd en moeten er nieuwe verkiezingen komen.

    Het begint allemaal met een indrukwekkende sliert politieagenten. Een inheemse vrouw vaart tegen ze uit: ‘Ik studeer niet, maar ik weet heus wel dat…’ Haar stem klinkt hees, ze maakt hartstochtelijke, koortsachtige gebaren. Ze heeft wat te zeggen. Al twee maanden lang hebben arme boeren, straatventers, kleine ambachtslieden, het stadse en plattelandse proletariaat, alle mensen die in Peru meestal onder de noemer ‘vreedzame Peruanen’ geschaard worden, wat te zeggen. En al twee maanden lang worden ze in elkaar geslagen, opgesloten en neergeschoten. Dit kan zo niet langer.

    Om het geweld te stoppen, moet er een eind komen aan de repressie

    In een korte video die ik van een Peruaanse vriend kreeg doorgestuurd, is te zien hoe de inheemse vrouw tegen de agenten tekeergaat met een moed en overtuiging waar je alleen maar het diepste respect voor kunt hebben. Er is heel wat intelligentie en pijn voor nodig om een dergelijke mate van vastberadenheid en karakter te bereiken. Tegen de achtergrond van de vijftig doden die er gevallen zijn [inmiddels zijn er negenenzestig dodelijke slachtoffers] en de troosteloze situatie waar de Peruaanse middenklasse, ofwel de overgrote meerderheid van het land, in zit, moeten de aanhoudende demonstraties en blokkades gezien worden als een concrete aanwijzing voor datgene wat ze ook wel ‘bewustzijn’ noemen.

    Hoe vervelend het ook is voor die twee jongens in de video die onverschillig met een blikje bier in de hand tussen de rij politieagenten en de inheemse vrouw door lopen, de bevolking van Peru heeft bewustzijn. Bewustzijn van hun concrete situatie, van de overheersing waar ze al sinds het kolonialisme onder gebukt gaan, van het feit dat ze uitgebuit worden door een hebzuchtige en corrupte elite.

    Castillo is de eerste mesties in de nationale geschiedenis die president werd

    De twee jongens lopen onbekommerd langs. Een van hen, degene met de korte broek aan, de brutaalste van het stel, glimlacht naar de agenten en roept: ‘Knal haar neer, slome drol.’ Dit grapje was bedoeld voor de politie-eenheden die sinds het begin van de protesten al meer dan vijftig mensen hebben gedood en past binnen het kader dat honderdvijftig jaar geleden voor eens en altijd werd vastgesteld. Het is dus geen grap. Het is een begrip om de klasse mee aan te duiden. Peru is geen democratie.

    Castillo is de eerste mesties in de nationale geschiedenis die president werd, en de keuze voor hem als president is de mensen duur komen te staan. Dat bleek overduidelijk toen er onlangs corrupte zaakjes van hem aan het licht kwamen. Castillo heeft niet alleen te lijden gehad van de systematische tegenwerking door een parlement dat in handen is van de rechterflank, maar is ook voortdurend het mikpunt geweest van de wraak van de media die in dienst staan van mensen die geld hebben. Iedereen weet dat. 

    De president, de eerste die van lage komaf was en uit het Andesgebied kwam, werd uiteindelijk aangehouden, afgezet en beschuldigd van een poging tot een staatsgreep, en dat terwijl de toestand van het land juist vanaf dat moment meer dan ooit aan een echte staatsgreep doet denken. Hoe dan ook, sinds zijn arrestatie wordt hij gesteund door de Peruaanse bevolking, die met de demonstraties haar leven op het spel zet.

    Deze video, die al door vele Peruanen bekeken is, laat ons in negentien seconden de werkelijkheid zien waarin wij leven. Twee gewone en doorsnee jongens, zoals je ze overal in stadscentra in ontwikkelde landen ziet, maken een ommetje. Op het eerste gezicht staan we voor een kopie van een wereld die ons vertrouwd voorkomt: de wereld die opkomt voor de tolerantie, de liberale democratie, het hoger onderwijs; de wereld van ‘onze waarden’. Na tien seconden verandert dat echter allemaal. Een van de jongens wendt zich tot de afschrikwekkende sliert politieagenten en zegt tegen een van hen, met een glimlach op zijn gezicht: ‘Knal haar neer, slome drol.’

    Peru is een feodaal land. Onze wereld is dat echter voor een deel ook

    De boeken van José María Arguedas, de grote schrijver van Peru, beschrijven doorlopend deze afschuwelijke werkelijkheid: Peru is een feodaal land. Onze wereld is dat echter voor een deel ook. In het beste geval wekken de inheemsen, de zwarten, de mestiezen, de arme mensen op deze planeet bij ons de nieuwsgierigheid van een toerist of medelijden op, maar in het dagelijks leven buiten we ze op afstand uit en verachten we ze. Wat deze korte video ons met al zijn rauwheid, dwars door de hardheid van de koloniale samenleving van Peru laat zien, is dat onze wereld een schijnwerkelijkheid is en dat de structuur ervan zeer diep in de grond verankerd is. In werkelijkheid leven we wederom in een feodale wereld, net als in de tijd voor de Verlichting, waarin het de rijksten totaal niet kan schelen hoe de rest het heeft.

    En ondertussen is Frankrijk in z’n nopjes met het feit dat het een Peruaanse schrijver mag vereren die zijn steun gegeven heeft aan Keiko Fujimori, aan de extreemrechtse flank dus, uiteraard vanuit een ‘open mentaliteit’ die ‘beantwoordt aan onze waarden’. De koning-emeritus van Spanje, die na de zoveelste beschuldiging van corruptie moest aftreden, was aanwezig toen zijn vriend toetrad tot de Franse Academie.

    Met wat voor vreemd globaliseringsproces zijn we eigenlijk bezig? Heeft deze globalisering alleen betrekking op het liberale deel van de wereld? Terwijl de Peruaanse bevolking al wekenlang demonstraties houdt, treedt een Peruaanse schrijver die zich tussen de jet set beweegt toe tot de Franse Academie en nodigt hij een koning-emeritus uit die bij duistere zaakjes betrokken is en vanuit zijn ballingsoord in een oliemonarchie naar de ceremonie toe komt. Wat een bizarre wereld!

    Als je de video nog eens bekijkt, zie je uiteindelijk woede tegenover onderdrukking, oprechtheid tegenover onverschilligheid, woorden tegenover geweld, minachting tegenover ellende staan. De woorden die de jongen zegt zijn heel zeker geen grapje. Niemand maakt hier grapjes. Schrijvers niet, academiën niet, koningen-emeritus niet, oliemonarchieën niet, hippe stadsbewoners niet. Als die glimlachende jongen aan de politie vraagt: ‘knal haar neer, slome drol’, dan moeten we dat helaas letterlijk opvatten. Wat hebben mensen de afgelopen eeuwen eigenlijk gedaan, in de tijd van het kolonialisme, van de dictaturen, van de omverwerping van regimes naar het goeddunken van de VS en van de landen die alleen in naam een democratie zijn? Arbeiders, mestiezen en arme inheemsen afslachten.

    Met wat voor vreemd globaliseringsproces zijn we eigenlijk bezig?

    Dit moet ophouden. Er moet een eind komen aan de repressie. Er moet een eind komen aan het geweld van de politie-eenheden. En als we werkelijk willen dat het tot een verzoening komt, dan moet president Castillo, wat we verder ook van hem vinden, worden vrijgelaten en moet het Congres worden ontbonden om nieuwe verkiezingen uit te kunnen schrijven. Algemene verkiezingen in Peru, nu! Een andere mogelijkheid om gerechtigheid en vrede tot stand te brengen is er niet.

    Ik ben Peru wat verschuldigd. Ik ben daar geweest. Ik heb daar herinneringen en vrienden. De roman Diamanten en vuurstenen van José Maria Arguedas bevat een passage waarin Quechua kinderen een bloem op een klif proberen te pakken en schreeuwen: ‘Kon ik je maar bereiken!’ Vandaag de dag schreeuwt de monddood gemaakte bevolking van Peru: ‘Kon ik je maar bereiken!’ Laat het niet weer gebeuren dat er niets met deze noodkreet gedaan wordt.

    Éric Vuillard – El País

  • Mexicanen wantrouwen hervorming kieswet

    Mexicanen wantrouwen hervorming kieswet

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Chinese buitenlandminister waarschuwt voor conflict met VS

    » Afghaanse vrouwen proberen digitaal te studeren

    President López Obrador wil kiescommissie korten

    In Mexico-Stad zijn vorige week zondag meer dan honderdduizend mensen de straat op gegaan om te protesteren tegen de bezuinigingen die president Andrés Manuel López Obrador wil doorvoeren in het Nationaal Electoraal Instituut (INE). Het instituut geeft kiezerspassen uit en houdt toezicht op het stemproces in afgelegen en vaak gevaarlijke uithoeken van het land, schrijft The Hill.

    De demonstratie werd georganiseerd door de partijen PRI en PAN, die eerder aan de macht waren en beweren dat als de voorstellen van López Obrador van kracht gaan, de democratie gevaar loopt. Er zou worden bezuinigd op de salarissen, de financiering van lokale verkiezingsbureaus en de training van burgers die stembureaus beheren en controleren. Ook zouden de sancties voor kandidaten die hun campagne-uitgaven niet opgeven, worden verlaagd.

    López Obrador meent dat het geld beter besteed kan worden aan de armen

    De Mexicaanse president ontkent dat de hervormingen een bedreiging vormen voor de democratie, maar zegt dat het INE te groot is en te veel geld uitgeeft. (Er blijft overigens nog 700 miljoen euro over.) Verkiezingen in Mexico zijn naar internationale maatstaven duur, deels omdat bijna alle legale campagnefinanciering door de regering wordt verstrekt. López Obrador meent dat het geld beter besteed kan worden aan de armen.

    Lees ook:

  • China’s oorlog tegen Taiwan is al begonnen

    China’s oorlog tegen Taiwan is al begonnen

    Door de democratie te versterken en meer mensen actief bij het openbare leven te betrekken hopen verschillende organisaties in Taiwan China ervan te overtuigen dat een invasie te duur en te riskant is.

    In 2018 zorgde een tyfoon ervoor dat duizenden mensen strandden op Kansai International Airport, nabij Osaka in Japan. Onder hen waren enkele toeristen uit Taiwan. Normaal gesproken zou dit verhaal niet veel politieke betekenis hebben gehad. Maar een paar uur na het incident meldde een obscure Taiwanese nieuwssite dat Taiwanese diplomaten er niet in zouden zijn geslaagd hun burgers te redden. Een handvol bloggers begon erover te posten op sociale media en prees Chinese ambtenaren die bussen hadden gestuurd zodat hun burgers snel konden ontkomen. Sommige Taiwanese toeristen zouden zich als Chinezen hebben voorgedaan om aan boord te komen. Geruchten over het incident verspreidden zich. Foto’s en video’s, zogenaamd van de luchthaven, begonnen rond te gaan.

    Nationale afgang

    Het verhaal verscheen al snel in de Taiwanese media. Journalisten vielen de regering aan: waarom hadden Chinese diplomaten wél zo snel en effectief gehandeld? En waarom waren de Taiwanezen zo incompetent? Nieuwsorganisaties in Taiwan beschreven het incident als een nationale afgang, vooral voor een land waarvan de leiders beweerden geen steun van China nodig te hebben. ‘Om in de bus te geraken moest je doen alsof je Chinees was,’ werd er bijvoorbeeld gekopt, en: ‘Taiwanezen namen Chinese bus’. Op het hoogtepunt werden de boze berichten en de aanvallen via sociale media zo overweldigend dat een Taiwanese diplomaat, die de stortvloed aan commentaar en de schande van dit falen blijkbaar niet kon verdragen, zelfmoord pleegde.

    Latere onderzoeken brachten enkele opmerkelijke feiten aan het licht. Veel van de mensen die zo prominent en enthousiast over het incident hadden gepost, bestonden helemaal niet; hun foto’s waren samengesteld uit andere foto’s. De obscure website die het verhaal als eerste onder de aandacht bracht, bleek gelieerd te zijn aan de Chinese Communistische Partij. De video’s waren fake. De Japanse regering bevestigde dat er geen sprake was geweest van Chinese bussen, en dus ook niet van een falen aan Taiwanese kant. Maar de schijn van mislukking werd aangegrepen door journalisten en presentatoren, vooral om de regeringspartij aan te vallen. En dat was overduidelijk de bedoeling van de Chinese propagandisten. Die hadden de anonimiteit van sociale media, de snelle verspreiding van ‘nieuwssites’ van onduidelijke oorsprong en vooral het zeer partijgebonden karakter van de Taiwanese politiek aangegrepen om een van de favoriete verhalen van het Chinese regime te verkondigen: dat de Taiwanese democratie zwak is en de Chinese autocratie sterk. En dat Taiwanezen in geval van nood Chinees willen zijn.

    Niet alle Chinezen wensen verenigd te worden onder het leiderschap van de Communistische Partij

    Het incident was niet zozeer opmerkelijk omdat het volkomen nieuw of onverwacht was, maar omdat het een nieuwe zet leek te zijn in een langdurige campagne die aanwijsbaar teruggaat tot de stichting van het moderne Taiwan. In 1949 verplaatste generaal Chiang Kai-shek zijn nationalistische partij Kwomintang (KMT) naar het eiland en vestigde hij er de Republiek China. Sindsdien beschouwt de Volksrepubliek China Taiwan als haar ideologische vijand en als een irritante herinnering aan het feit dat niet alle Chinezen verenigd wensen te worden onder het leiderschap van de Communistische Partij.

    GettyImages 1242926201
    Gevechtsoefening van het Chinese leger in Zhangzhou, in de provincie Fujian. – © Annabelle Chih / Getty Images

    Soms was de Chinese druk op Taiwan van militaire aard, middels dreigementen of raketten. Maar de laatste jaren combineerde China die dreigementen en raketten met andere vormen van druk, door intensivering van de ‘cognitieve oorlogsvoering’, zoals Taiwanezen het noemen: niet alleen door propaganda, maar ook met pogingen om de geesten rijp te maken voor capitulatie. Deze gecombineerde militaire, economische, politieke en informatieve oorlogsvoering hoeft inmiddels niemand te verbazen, want we zagen die recentelijk ook in Oost-Europa. Vóór 2014 hoopte Rusland Oekraïne te veroveren zonder een schot te lossen, gewoon door de Oekraïners ervan te overtuigen dat hun staat te corrupt en incompetent is om te kunnen overleven. Nu streeft Beijing een verovering na zonder grootscheepse militaire operatie, in dit geval door de Taiwanezen ervan te overtuigen dat hun democratie rampzalig is, dat hun bondgenoten hen zullen verlaten en dat er niet zoiets bestaat als een ‘Taiwanese’ identiteit.

    Taiwanese regeringsfunctionarissen en andere leiders weten heel goed dat Oekraïne op verschillende manieren een precedent vormt. Hoewel Taiwan en Oekraïne geen geografische, culturele of historische banden hebben, zijn de twee landen nu verbonden door de kracht van de analogie. 

    Zoals westerse waarnemers niet inzagen hoe serieus de Oekraïners zich voorbereidden op een aanval, zo is ons ontgaan hoe Taiwan langzaam is veranderd

    Maar er is nog een overeenkomst. De Russische verhalen over Oekraïne waren zo krachtig dat veel mensen in Europa en Amerika ze geloofden. De Chinese propaganda over Taiwan is ook geducht, en de Chinese invloed op het eiland is zeer reëel, maar zaait ook verdeeldheid. De meeste mensen op het eiland spreken Mandarijn, de dominante taal in de Volksrepubliek, en velen zijn nog steeds door familie, zakenrelaties of culturele heimwee met het vasteland verbonden, hoezeer ze ook tegen de Communistische Partij zijn. Maar net zoals westerse waarnemers niet inzagen hoe serieus de Oekraïners zich – psychologisch en militair – voorbereidden op een aanval, zo is ons ontgaan hoe Taiwan langzaam is veranderd.

    Niet alle Taiwanezen hebben persoonlijke banden met het vasteland. Velen stammen af van families die zich lang vóór 1949 op het eiland vestigden en spreken een andere taal dan het Mandarijn. Veel Taiwanezen, ongeacht hun achtergrond, voelen dus niet méér heimwee naar het Chinese vasteland dan Oekraïners naar de Sovjet-Unie. De belangrijkste politieke tegenstander van de KMT, de Democratische Progressieve Partij (DPP), is doorgaans de politieke thuishaven voor degenen die zich alleen als Taiwanees identificeren. Maar of ze nu KMT- of DPP-aanhangers zijn of ze nu deelnemen aan venijnige onlinedebatten of levendige bijeenkomsten, de overgrote meerderheid is inmiddels tegen het oude ‘één land, twee systemen’-principe voor hereniging. Vooral sinds het neerslaan van de prodemocratische demonstraties in Hongkong beseffen miljoenen eilandbewoners dat de Chinese oorlog tegen hen niet iets toekomstigs is, maar dat die al volop aan de gang is.

    Doublethink Lab

    Het vreemde verhaal van de niet-bestaande bussen op de luchthaven van Kansai had één onvoorzien gevolg: het inspireerde de Taiwanese activisten Ttcat en Puma Shen tot de oprichting van Doublethink Lab, een onderzoeksgroep zonder winstoogmerk. Ttcat (zijn schuilnaam) is een schoolverlater die veel gamede, op de universiteit werd aangenomen voor de studie computerwetenschappen, weer stopte en vervolgens verzeild raakte in de wereld van de milieucampagnes. Dat cv vormde een uitstekende voorbereiding op wat hij nu doet: Chinese informatieoperaties opsporen en identificeren, en programma’s ontwerpen om het publiek daarover voor te lichten. Het betekent ook dat hij en Shen, die werkt als advocaat en criminoloog, zich kunnen inzetten voor Taiwan terwijl ze op afstand blijven van de Taiwanese regering. Niemand kan een activist met een achtergrond in computergames immers aanwrijven dat hij een politieke carrièreladder probeert te bestijgen.

    Het luchthavenverhaal had Ttcat gedwongen beter na te denken over manieren om zo’n geweldloze aanval te pareren. Het was immers niet simpelweg een verzinsel, maar een zeer goed voorbereide poging om een verhaal over Taiwanese zwakte het Taiwanese politieke debat binnen te smokkelen. Na die gebeurtenis stelden Shen en hij een team samen dat nu bijeenkomt op een werkplek zoals je je die wel kunt voorstellen: een paar donkere, smoezelige kamers, vol met piepjonge mensen die continu online zijn. 

    Een van hun onthullingen: opmerkelijk genoeg bestaan er nogal wat Chinese verhalen rond een willekeurige Oekraïense toerist die opdook in Hongkong tijdens de massale demonstraties in 2019. De foto van de man verschijnt keer op keer in Chinese en Taiwanese media, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan zijn tatoeage, een extreemrechts symbool. Hij wordt afwisselend beschreven als een neonazi en een provocateur, die werd gestuurd – door de CIA? – om demonstranten in Hongkong te helpen. Het idee is om angst voor wanorde, chaos en extremisme op te wekken en die met zowel Hongkong als Oekraïne in verband te brengen. Chinezen die handelen in opdracht van de staat hebben ook samenzweringstheorieën verspreid over niet-bestaande biolabs in Oekraïne – het zijn dezelfde verhalen die Rusland en internationaal extreemrechts gebruiken om de Russische invasie in februari te verklaren en te rechtvaardigen.

    GettyImages 1455895576
    Militairen worden gedrild om gevechtsklaarheid te tonen op een militaire basis in Kaohsiung, in Taiwan. – © Annabelle Chih / Getty Images

    Doublethink is niet het enige team dat propagandacampagnes tegen Taiwan opspoort en analyseert. Een andere organisatie die daarop toeziet, de Information Operations Research Group (IORG) – die eveneens bestaat uit jonge mensen met een achtergrond in onlineactivisme – stelde een rapport op over Chinese media en influencers die tijdens de coronapandemie het debat op het eiland probeerden te beïnvloeden. In 2021 poneerden de Chinezen eerst de suggestie dat de VS Taiwan ervan weerhielden vaccins te bemachtigen, vervolgens dat de Taiwanezen wat vaccins betrof achterliepen op de rest van de wereld, en daarna dat de Taiwanezen hun vaccins heimelijk uit China haalden. Deze verhalen lijken nogal mager en weinig overtuigend in het licht van de desastreuze Chinese lockdowns van 2022, maar ze deden soms wel degelijk de ronde in Taiwan.

    Beide organisaties delen hun analyses van de Chinese tactieken niet alleen met hun regering: ze werken vooral ook aan het tegengaan van die tactieken. Ook willen ze het grotere verhaal leren begrijpen, bijvoorbeeld dat pro-Chinese media informatie (of die nu echt of nep is) op sociale media zo aan elkaar koppelt dat mensen gaan twijfelen of hun land wel bondgenoten heeft, of het wel in staat is zich afzijdig te houden van China en of het überhaupt wel een toekomst heeft. Yu zelf twijfelt overigens niet aan de toekomst van Taiwan. Zijn omschrijving van zichzelf op zijn website luidt: ‘Taiwanese hacker die werkt aan een nieuwe natie.’

    Minister van Digitale Zaken

    Het bekendste lid van deze amorfe wereld van onlineactivisten maakt inmiddels deel uit van de regering. Audrey Tang, de eerste Taiwanese minister van Digitale Zaken, promoot niet alleen deze wereld van digitaal activisme, maar is er ook een van de aanjagers van. Als wonderkind dat al op negentienjarige leeftijd als programmeur in Silicon Valley werkte, nam ze deel aan de Zonnebloemrevo-lutie van 2014, een jeugdbeweging die was georganiseerd rondom het verzet tegen een handelsovereenkomst met China. Ze beschrijft zichzelf als ‘conservatief anarchist’ en ‘post-gender’ en vertelde dat ze contact onderhield met het innovatieve digitale ministerie van Oekraïne. 

    Tangs filosofie leunt op asymmetrische oorlogsvoering: Taiwan kan volgens haar niet volgens dezelfde regels spelen als China

    Tangs filosofie leunt op asymmetrische oorlogsvoering: Taiwan kan volgens haar niet volgens dezelfde regels spelen als China. De gecentraliseerde, hardhandige en misdadige tactiek van de Chinese Communistische Partij kan alleen worden afgeslagen door iets compleet anders: gedecentraliseerde burgergroepen die opensourcesoftware gebruiken en zo transparant mogelijk blijven. In overeenstemming met die filosofie is het aantal werknemers op Tangs ministerie zeer klein. Veel van het werk dat de Chinese verhalen moet tegengaan wordt overgelaten aan groepen als Doublethink en IORG. In Taiwan, zegt ze, krijgt de sociale sector – coöperaties, ngo’s, sociale ondernemers – meer vertrouwen van het publiek dan politieke partijen of de particuliere sector. Daar gaat een geschiedenis aan vooraf: burgeractivisten drongen in de jaren tachtig aan op het einde van het eenpartijstelsel van de KMT en in 2014 op het inperken van de economische banden met China. Tang zegt dat een van de prominentste politieke discussieforums van het land, PTT, wordt beheerd door studenten van de Nationale Universiteit van Taiwan, die gebruikmaken van ‘alle vrije software, open source, collectief bestuur, enzovoort’. ‘Geen enkele politieke partij zal zeggen: o, laten we PTT sluiten. Als ze dat doen, krijgen ze geen stemmen meer,’ aldus Tang.

    Omdat activisten een grote rol hebben gespeeld bij het opbouwen van de moderne democratie van Taiwan, krijgen die volgens Tang nu meer dan de regering het vertrouwen om toe te zien op de complexe wereld van de Chinese desinformatie. In plaats van zich tot de overheid te wenden, kunnen Taiwanezen die twijfelen over iets wat ze hebben gehoord of gelezen zich bijvoorbeeld wenden tot Cofacts, een opensourcewebsite die gebruikers in staat stelt hun eigen factchecks toe te voegen aan het debat. 

    Aantoonbare resultaten

    Tang heeft nog steeds niet genoeg invloed binnen de regeringspartij om al deze ideeën uit te dragen, maar er zijn al wel aantoonbare resultaten. Tijdens de pandemie moedigde het digitale ministerie een soort grappenwedstrijd aan tussen mensen die het Moderna-vaccin kregen en mensen met het Pfizer-vaccin, als een manier om vaccinatie in het algemeen te bevorderen Onder haar leiding experimenteerde de regering ook met het gebruik van Polis, een onlinediscussieplatform, om betere openbare debatten te voeren. De toegang tot nationale debatten is beperkt tot Taiwanezen; de online-identiteit van de gebruikers is gekoppeld aan hun lidmaatschap van het nationale zorgstelsel. Hoewel sommige gesprekken die op Polis worden gevoerd vrij triviaal lijken – een nationaal debat over het gebruik van e-scooters bijvoorbeeld – zijn de doelstellingen dat zeker niet. 

    數位發展部揭牌暨部長布達典禮
    De Taiwanese president Tsai Ing-wen en andere hoogwaardigheidsbekleders, onder wie Audrey Tang, de minister van Digitale Zaken. – © Chien Chi-hung

    De visie van Tang is uiterst rationeel: betere gesprekken, betere democratie en meer transparantie zullen zelfs de subtielste Chinese informatiecampagne bestrijden. Maar niet elke tactiek van China is bedoeld om onopgemerkt te blijven. Toen Beijing na het bezoek van Nancy Pelosi oorlogsschepen, vliegtuigen en raketten richting het eiland stuurde, was de opzet niet alleen om een gevoel van onveiligheid te creëren, maar ook om angst te zaaien.

    Hoe kan deze angst worden bestreden? De bangeriken berispen of hen van lafheid beschuldigen is geen oplossing. Angst is een fysieke sensatie, en die kun je het best bestrijden met een fysieke activiteit, of tenminste een vorm van actie. In Taipei zag ik hoe dat eruit kan zien: een dertigtal kantoormedewerkers die op een regenachtige doordeweekse middag op de vloer van een vergaderzaal zaten te leren hoe ze zware bloedingen konden stelpen.

    Wu zegt dat het uitbreken van de oorlog in Oekraïne veel van zijn landgenoten ervan heeft overtuigd dat ze zich op precies zo’n situatie moeten voorbereiden

    De ehbo-trainers, de siliconen lede-maten en het verband werden allemaal geschonken door de Forward Alliance, een andere burgerorganisatie. Oprichter Enoch Wu verdiepte zich in de psychologie van het verzet, en in het bijzonder in de noodzaak van burgerbescherming. De Forward Alliance geeft overal op het eiland meerdere dagen per week trainingen in de procedure bij een noodsituatie of evacuatie, meestal in kerken en scholen. Als zich werkelijk een tyfoon, een aardbeving of een militaire aanval voordoet, heeft het eiland immers onmiddellijk mensen nodig met verstand van evacuatie en geneeskundige noodhulp. Wu zegt dat het uitbreken van de oorlog in Oekraïne veel van zijn landgenoten ervan heeft overtuigd dat ze zich op precies zo’n situatie moeten voorbereiden. 

    Sinds februari is de vraag naar noodhulptraining dan ook ‘in een stroomversnelling geraakt’, zegt hij, en niet alleen bij zijn organisatie. Een Taiwanese zakenman schonk in september meer dan 20 miljoen dollar aan een andere liefdadigheidsinstelling voor burgerbescherming, de Kuma Academy – mede opgericht door Puma Shen van Doublethink – die niet alleen lessen in noodhulp biedt, maar op den duur ook training wil geven in het gebruik van wapens. 

    Maar het doel van deze oefeningen is niet alleen om mensen te leren wapens te hanteren of een wond te verbinden. Ze zijn ook bedoeld om gevoelens van saamhorigheid en verbondenheid te kweken, door mensen van tevoren het vertrouwen te geven dat ze in geval van nood op hun medeburgers kunnen rekenen. Dit soort mentale voorbereidingen zijn bijzonder belangrijk in Taiwan, een land waar de politiek sterk gepolariseerd is, waar leden van het blauwe en het groene kamp elkaar beschuldigen van onverantwoordelijkheid of onredelijkheid – vergelijkbaar met de rood-blauwe tegenstelling in de Verenigde Staten. 

    Grote gok

    In de praktijk doen zowel de Taiwanese activisten die de burgerbescherming organiseren als degenen die proberen de Chinese verhalen te weerleggen natuurlijk een grote gok. Ze gokken erop dat democratie en transparantie het kunnen winnen van autocratie en geheimhouding, dat vertrouwen polarisatie kan overwinnen, dat de samenleving zich van onderaf kan organiseren om angst te overwinnen. Ze doen dat in een land dat op een complexe manier verbonden is met zijn ergste vijand – qua taal, gedeelde geschiedenis, familie en investeringen – en dat begrijpelijkerwijs bezorgd is over de betrouwbaarheid van verre bondgenoten.

    Hun strijd tegen China’s cognitieve oorlogsvoering is niet alleen een schaduwgevecht tegen bots op het internet. De Russen vielen Oekraïne deels binnen omdat ze er ten onrechte van uitgingen dat de Oekraïners niet zouden terugvechten. Als de Chinezen veronderstellen dat de Taiwanezen zullen terugvechten, denken ze misschien wel twee keer na. In die zin is er een nauw verband tussen het werk van de Taiwanese sociale activisten enerzijds – de groepen die Chinese desinformatie online opsporen, maar ook de groepen die pleiten voor een onafhankelijke rechterlijke macht of die campagne voeren voor de rechten van Hongkongers en etnische minderheden, of die transparantie van de overheid voorstaan – en het werk van het leger anderzijds, dat zijn verrekijker op de Straat van Taiwan gericht houdt. Door de democratie te versterken, de polarisatie af te zwakken en meer mensen actief bij het openbare leven te betrekken, hopen al deze verschillende partijen China ervan te overtuigen dat een invasie te duur en te riskant is. Hun overtuigingskracht is bepalend voor de toekomst van Taiwan. 577c3bbb 0383 4241 afef 3caa831e282d

  • Spaanse ministerie van Defensie verandert omstreden naam van bataljon

    Spaanse ministerie van Defensie verandert omstreden naam van bataljon

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Premier Nieuw-Zeeland kondigt plotseling aftreden aan

    » Massagraven vol lichamen gevonden in Congo

    Spanje neemt nadrukkelijk afstand van dictatoriaal verleden

    Het ministerie van Defensie in Spanje heeft de naam gewijzigd van het bataljon van een van de divisies van het Spaanse Legioen, de elitie-eenheid van de Spaanse landmacht, bericht El País. Waar voorheen ‘commandant Francisco Franco’, de voormalige dictator, op het vaandel van het bataljon te lezen was, is het nu omgedoopt tot ‘España’, oftewel ‘Spanje’.

    Deze naamswijziging staat in het kader van een nieuwe wet over de zogeheten ‘Memoria Democrática’, waarin staat dat alle symbolen en elementen die strijdig zijn met de democratische rechtsstaat en positief tegenover het dictatoriale verleden en het franquisme staan, verboden worden. Het is de eerste maatregel die het ministerie neemt sinds dat de nieuwe wet op 21 oktober afgelopen jaar in werking trad. Eind vorig jaar zette defensieminister Margarita Robles een interne commissie op met het doel de bepalingen van deze wet door te voeren in het Spaanse leger.

    Zo’n drie jaar geleden was de naam van het bataljon al voer voor debat, toen een congreslid naar de reden van deze naam vroeg. Er werden echter geen stappen ondernomen om de naam te wijzigen. Daar is nu dan eindelijk verandering in gekomen.

    Lees ook:

  • Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.

    Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.

    Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?

    Datacentra zijn de zetel van de macht

    Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.

    Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.

    Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.

    Collectieve schat

    Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.

    Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers. 

    Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.

    In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme. 

    In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid

    Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?

    Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.

    De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.

    Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.

  • Haïtianen hebben tijd, ruimte en steun nodig

    Haïtianen hebben tijd, ruimte en steun nodig

    Haïti, het armste land van het westelijk halfrond, wordt behalve door natuurrampen geterroriseerd door extreem bendegeweld. Het zogenaamde Montana-akkoord zou daar verandering in kunnen brengen.

    Rivaliserende criminele groepen hielden de hoofdstad Port-au-Prince al in een ijzeren greep voordat vorig jaar president Jovenel Moïse werd vermoord. Het machts-vacuüm dat hij achterliet werd direct overgenomen door de bendes van onder andere Jimmy Chérizier, die bekendstaat onder de schuilnaam Barbecue. Ze blokkeerden de belangrijkste haven en de aanvoer van brandstof en voedsel. 

    Door dergelijke bendes, waarvan de meeste banden hebben met politieke en zakelijke leiders, ligt de Haïtiaanse economie nu zo goed als stil. Cholera, waaraan ooit zo’n tienduizend Haïtianen stierven, begint opnieuw om zich heen te grijpen.

    Officieel staat Ariel Henry aan het hoofd van de Haïtiaanse regering. Henry, die buitengewoon onpopulair is, is aan de macht gekomen met steun van de Verenigde Staten en andere grote regionale mogendheden. Toen een coalitie van Haïtiaanse maatschappelijke organisaties voorstelde om een meer representatieve interim-regering te vormen en de democratie weer op te bouwen, hebben Henry en zijn buitenlandse bondgenoten daar een stokje voor gestoken. Inmiddels vinden er in de grote steden al weken straatprotesten plaats, waarin zijn aftreden wordt geëist. Het is op veel plekken zo onveilig geworden dat Henry vrijdag pleitte voor een internationale veiligheidsmissie die de politie moet helpen de controle over de straten terug te krijgen.

    Er vinden al lange tijd verkiezingen plaats, maar kun je spreken van echte democratie?

    Hoewel de situatie complex lijkt, draait de chaos in feite om dezelfde vraag die al 230 jaar lang de aanleiding is van bijna elke crisis op het eiland: wie krijgt in Haïti de macht? En: komt er een moment waarop de Haïtianen dat vraagstuk zelf kunnen oplossen, of blijven buitenstaanders cruciale beslissingen nemen over de toekomst van het land?

    Die tweede vraag houdt mij al bezig sinds ik als jonge verslaggever bij The New York Times voor het eerst naar Haïti ging. Dat was in 2004, aan de vooravond van de tweehonderdste verjaardag van de Haïtiaanse onafhankelijkheid – het enige moderne voorbeeld van een succesvolle opstand die geleid werd door tot slaaf gemaakten. Naar aanleiding van mijn ervaringen in Haïti heb ik me als correspondent in Afrika en Azië altijd beziggehouden met zelfbeschikking en autonoom bestuur van de voorheen gekoloniseerde volkeren van het Zuiden. Vragen over zelfbeschikking zijn tevens de reden dat ik nu naar Haïti ben teruggekeerd. Het land is al lang onafhankelijk, maar kent het echte vrijheid? Er vinden al lange tijd verkiezingen plaats, maar kun je spreken van echte democratie?

    Jean-Bertrand Aristide

    Toentertijd, in 2004, was Jean-Bertrand Aristide aan de macht: een charismatische voormalige katholieke priester en de eerste democratisch verkozen president. Hij kreeg te maken met een grote golf van protesten, waarvan sommige niet alleen steun kregen van zijn oude vijanden uit de kleine, rijke elite, maar ook van vroegere trouwe bondgenoten, die hem nu als een beginnend autocraat zagen. De laatste parlementsverkiezingen waren nooit gehouden, dus Aristide regeerde in wezen per decreet. Om politieke druk uit te oefenen blokkeerden de Verenigde Staten en Europese partners elk honderden miljoenen dollars aan beloofde hulp. Volgens mensenrechtenactivisten spoorde Aristide straatbendes ertoe aan zijn regering te beschermen en tegenstanders van zijn regering te intimideren en zelfs te doden.

    Als verslaggever van een baanbrekende ontwikkeling raakte ik al snel verdwaald in alle voortschrijdende veranderingen. Ik bracht mijn dagen op straat door, waar ik gewone mensen interviewde. De meesten van hen bleven trouw aan Aristide, omdat het hem gelukt was zich vanuit de sloppenwijken omhoog te werken. Hun woede was tastbaar en zorgde vaak voor gewelddadige conflicten op straat.

    ‘Het is essentieel dat Haïti een hoopvolle toekomst krijgt. Dit is het begin van een nieuw hoofdstuk’

    Net als veel andere buitenlandcorrespondenten in Haïti destijds bracht ik mijn avonden door in het gezelschap van jonge Haïtianen die op mij leken: twintigers die in Noord-Amerika een universitaire opleiding hadden genoten, vloeiend Engels en Frans spraken en kosmopolitisch ingesteld waren. Hun rijke ouders hadden bedrijven die door Aristides beleid van herverdeling in het nauw kwamen, en ze steunden politici die hem wilden afzetten. Onder het genot van eindeloze flessen Prestige-bier en kip djon djon werd mijn kijk op de situatie onvermijdelijk gevormd door hun blik. In elk geval zorgde die voor een subtiele afzwakking van een grimmige realiteit, namelijk dat aan de wil van de meerderheid van het Haïtiaanse volk werd voorbijgegaan.

    Eind februari 2004 zorgde een gewapende opstand ervoor dat Aristide zijn macht verloor, waarna hij als balling werd weggevoerd in een Amerikaans vliegtuig. Kort daarop arriveerden Amerikaanse mariniers en verklaarde George W. Bush: ‘Het is essentieel dat Haïti een hoopvolle toekomst krijgt. Dit is het begin van een nieuw hoofdstuk.’

    Wie wilde af van Aristide? Tijdens alle straatprotesten tegen zijn regering was me duidelijk geworden dat oppositie tegen hem niet beperkt bleef tot een kleine rijke elite. Maar gezien zijn enorme populariteit onder de armen is het onwaarschijnlijk dat de meerderheid van de Haïtianen hem weg wilde hebben.

    Machtige vijanden

    Aristide had een aantal machtige vijanden gemaakt. Hij had geëist dat Frankrijk Haïti 21 miljard dollar zou betalen, als compensatie voor de enorme schuld die het zijn voormalige kolonie had nagelaten. Frankrijk was een van de eerste landen die zijn afzetting eisten. Aristides bondgenoten zouden zijn vertrek later een ontvoering noemen en de toenmalige Franse ambassadeur verklaarde onlangs in een interview met The New York Times dat de Verenigde Staten en Frankrijk in feite ‘een staatsgreep’ hadden gepleegd. Amerikaanse ambtenaren hebben zich daarentegen lang tegen die karakteriseringen verzet. Later zou onderzoek van The New York Times aantonen dat een machtige, conservatieve, Amerikaanse organisatie deels verantwoordelijk was voor de vorming van de oppositie tegen Aristide. Dat riep nieuwe vragen op over de verantwoordelijkheid van de Verenigde Staten.

    Aristide had zich ingezet voor een eerlijke herverdeling, om zo democratie en gelijkheid te verzekeren. Maar alle positieve elementen van wat hij vertegenwoordigde, waren verdwenen. Het enige wat resteerde, was de negatieve kant van zijn nalatenschap: de bendes die hem hadden geholpen zijn presidentschap veilig te stellen. Van dat trauma is Haïti nooit echt hersteld, waardoor het een gebroken natie is geworden die leeft in de schaduw van het machtigste land ter wereld. Voor de rest van de wereld is het nu niets meer dan een boeman, een hoofdpijndossier, een speelbal.

    Wat is de wereld vandaag de dag aan Haïti verschuldigd? Allereerst – en dit is het belangrijkst: laat het met rust. De Haïtianen moet tijd, ruimte en steun worden gegund om een andere toekomst voor hun land te realiseren.

    Wat kan er gebeuren? Dat zij er een groter potje van maken dan wij?

    Dan Foote, die vroeger als speciaal gezant van de VS in Haïti zat, levert sindsdien bijzonder felle kritiek op het Amerikaanse beleid. Foote: ‘Het Amerikaanse buitenlandse beleid gelooft onbewust nog steeds dat Haïti bestaat uit een stel domme zwarte mensen die hun land niet zelf kunnen organiseren. En dat wij ze moeten vertellen wat ze moeten doen, omdat het er anders echt slecht aan toe zal gaan. Maar elke keer dat internationale krachten hebben ingegrepen, hebben ze Haïti overhoopgegooid. Het is tijd om de Haïtianen een kans te geven. Wat is het ergste wat er kan gebeuren? Dat zij er een groter potje van maken dan wij?’

    Haïti is door machtiger mogendheden gebruikt en misbruikt sinds Columbus in 1492 de noordkust van het eiland bereikte. De Verenigde Staten hebben Haïti afwisselend genegeerd en onderdrukt. Eerst weigerden ze het land te erkennen, om het vervolgens in 1915 binnen te vallen en het negentien jaar lang als een soort kolonie te gebruiken. De VS achtten het in de Koude Oorlog van essentieel belang om hun grote invloed op de Haïtiaanse politiek en economie te behouden. Dat deden ze, soms met moeite, van 1957 tot 1986, toen achtereenvolgend Duvalier sr. en Duvalier jr. aan de macht waren.

    De afgelopen twaalf jaar is de Haïtiaanse politiek steeds meer verdeeld geraakt, onder andere door een verpletterende aardbeving en een reeks stormen en orkanen. De politiek wordt al een tijd lang gedomineerd door centrumrechtse leiders die Amerikaanse steun genieten en die naar alle waarschijnlijkheid corrupt zijn en banden onderhouden met criminele netwerken. 

    Buitenlandse inmenging

    Door het isolement van Haïti en door buitenlandse inmenging is de politieke cultuur giftig geworden. Niemand vertrouwt elkaar meer en er heerst paranoia. Bij gebrek aan een moderne, industriële economie zijn er in het land sterk uiteenlopende sociale lagen ontstaan. Er is een handelsklasse die haar geld voornamelijk verdient door goederen te importeren en te verkopen aan alle anderen – straatarme mensen die rondkomen van een hongerloon of van geld dat ze krijgen overgemaakt vanuit de bloeiende diaspora die zich uitstrekt tot onder andere de Verenigde Staten, Canada en Frankrijk.

    De gebeurtenissen van de afgelopen tijd hebben het vertrouwen van de Haïtianen in hun verkiezingen aangetast. Bij de eerste echt democratische verkiezingen van 1990 bracht meer dan de helft van de kiesgerechtigden een stem uit. Bij de laatste verkiezing was de opkomst minder dan 20 procent.

    Er is veel meer nodig om het vertrouwen in de regering te herstellen

    Zo ongeveer elke buitenstaander en de huidige regering zelf hebben de neiging om zo snel mogelijk verkiezingen te organiseren. Op die manier kan de ongrondwettelijke regering worden vervangen door een regering die de wensen van het Haïtiaanse volk vertegenwoordigt. Maar in een land met zo’n gebrek aan veiligheid is het nauwelijks mogelijk om geloofwaardige verkiezingen te houden. En hoewel verkiezingen een vereiste zijn voor werkelijke autonomie, zijn ze, zelfs als ze eerlijk en vrij zijn, niet voldoende. Er is veel meer nodig om het vertrouwen in de regering te herstellen.

    Onder verschillende Haïtianen leeft desalniettemin een klein maar hardnekkig sprankje hoop: zij geloven dat het eindelijk tijd is om een politiek faillissement af te kondigen. Alle oude politieke schulden zouden volgens hen vereffend moeten worden, zodat Haïti met een frisse start de toekomst tegemoet kan. Een groot deel van de Haïtiaanse samenleving, waaronder concurrerende politieke partijen, vakbonden, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten, hebben samen een gedetailleerd plan opgesteld waarmee Haïti een politieke overgang kan realiseren.

    Dit zogenaamde Montana-akkoord eist dat er een interim-president wordt aangesteld. Voorstanders van het akkoord hebben begin dit jaar een kandidaat gekozen: Fritz Jean, een voormalig gouverneur van de Haïtiaanse centrale bank. Volgens Jean heeft het land tijd nodig om de maatschappelijke infrastructuur opnieuw op te bouwen en naar verkiezingen toe te werken. Hij belooft dat hij zich te zijner tijd niet kandidaat zal stellen voor het presidentschap.

    Speelbal

    Het Haïtiaanse volk is gedurende het merendeel van zijn bestaansgeschiedenis een speelbal geweest van machtige invloeden van zowel buitenaf als binnenuit; van koloniale en neokoloniale machten, economische elites, wereldwijde criminele netwerken en politici die hun eigen zakken wilden vullen.

    Dit alles doet me denken aan de term granmoun uit het Haïtiaanse Kreyòl. Letterlijk vertaald betekent het ‘grote persoon’, maar het heeft een diepere, onderliggende betekenis. Als je een granmoun bent, beschik je over je eigen lot, heb je de controle over je leven en je toekomst. Als je een granmoun bent, ben je soeverein. Magali Comeau Denis, leider van de groep die het Montana-akkoord wil verwezenlijken, stelt het begrip centraal in haar toekomstvisie voor Haïti. ‘Dit is de eerste keer in de Haïtiaanse geschiedenis dat we echt samen over onze toekomst praten. Economische, sociale, politieke en gemeenschapsgroepen zitten met elkaar aan tafel, hebben een eigen inbreng, stellen veranderingen voor en maken bezwaren,’ zegt ze. En ze sluit af met de hoopvolle woorden: ‘Dit is het. Dit is onze kans.’

    Als de rest van de wereld het land met rust laat, zou dat zomaar eens de eerste stap naar Haïtiaanse zelfbeschikking kunnen zijn, naar de onafhankelijke zwarte republiek die de revolutie ooit beloofde. 

  • ‘In een democratie moeten kinderen leren zelf na te denken’

    ‘In een democratie moeten kinderen leren zelf na te denken’

    Democratie is niet gewoon een staatsvorm, maar een manier van leven. De school moet een plek worden om na te denken in plaats van na te praten, stellen deze Duitse filosoof en pedagoog.

    In de recente geschiedenis van de mensheid was er zelden sprake van zo’n grote opeenstapeling van uitdagingen: klimaatcrisis, de coronapandemie, en nu de oorlog in Oekraïne. Zowel de mensheid als de politiek verkeert in een crisistoestand, die alle landen ter wereld treft en de politiek ernstig op de proef stelt. En die problemen treffen eveneens de verschillende staatsvormen. In dictaturen als China of Rusland wordt anders omgegaan met crises dan in democratieën als Zwitserland of Duitsland – en zo worden de gebeurtenissen van nu ook een vuurproef voor politieke systemen. 

    Hoeveel globale samenwerking tussen verschillende staatsvormen is er nodig om deze wereldwijde crises de baas te worden? Momenteel is men geneigd de voorkeur te geven aan deglobalisering, zodat de uitwisseling tussen dictaturen en autocratieën wordt stopgezet. Dat is een gevaarlijke trend die de wereld uiteindelijk misschien weer in twee blokken opdeelt, waarbij de grens in het oosten midden door Europa zal lopen en mogelijk een nieuwe Koude Oorlog ontstaat, die elk moment kan escaleren tot een hete nucleaire oorlog.

    Vergissing

    In een crisis moet een democratie onder moeilijke omstandigheden zien te functioneren, waarbij ze zelf in crisis kan raken. Dit kan aan de hand van de drie genoemde problemen verduidelijkt worden: maatregelen om de CO2-uitstoot te beperken brengen – in de vorm van prijsstijgingen en vermindering van welvaart en mobiliteit – het draagvlak onder de bevolking in gevaar. Tijdens de coronapandemie nam het aantal complotdenkers flink toe. Aanvankelijk ontstond de beweging uit scepsis en legitieme kritiek, maar het anti-overheids- en antidemocratische sentiment werd steeds groter. 

    Ook de Oekraïne-oorlog verdeelt de samenleving, bijvoorbeeld over de vragen welke mate van solidariteit Oekraïne kan opeisen en hoe de oorlog tot een einde kan worden gebracht.

    Uit de verschillende kampen is regelmatig te horen dat het tegengestelde standpunt niets met democratie te maken heeft. Tegengestelde meningen worden derhalve beschouwd als ‘aanval op de democratie’. Dit fenomeen, het discrediteren van de tegenpartij, krijgt bijna dagelijks een podium in talkshows, zodat je je als toeschouwer de vraag stelt: is dat dan democratie? 

    Eén misverstand is inderdaad wijdverbreid: velen menen dat er al sprake is van democratie wanneer er om de zoveel jaar gestemd wordt, en de verkiezingen openbaar, discreet en vrij zijn. Dat is een gevaarlijke vergissing.

    Voorwaarde van democratie is de principiële vrijheid en gelijkheid van alle burgers

    Het begrip democratie is tot op heden vaag. Dat komt onder andere doordat het ondanks alle kritiek een positieve inhoud heeft, zodat er binnen een breed spectrum van politieke praktijken aanspraak op gemaakt. De communistische staten in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie omschreven zichzelf na de Tweede Wereldoorlog als ‘volksdemocratieën’. Zelfs het project van de afbraak van democratische rechten in Hongarije wordt ‘illiberale democratie’ genoemd. Om deze willekeur in het gebruik van het begrip tegen te gaan, is in Angelsaksische discussies de niet-onproblematische uitdrukking ‘liberale democratie’ gangbaar geworden.

    Kenmerkend voor een democratie in engere zin is de garantie van individuele rechten en de geïnstitutionaliseerde solidariteit in de vorm van sociale maatregelen in een verzorgingsstaat. In deze opvatting berust democratie op een enkel principe, namelijk de collectieve zelfbeschikking onder de antropologische premissen van vrijheid en gelijkheid. Dat betekent in essentie dat alle burgers met de heersende orde moeten kunnen instemmen. Alleen wanneer aan die voorwaarden voldaan is, ontwikkelt zich vanuit het principe van de collectieve zelfbeschikking een democratische orde. De garantie van individuele rechten en vrijheden is dus geen inperking van het democratiebegrip, maar een onvervangbaar, essentieel en wezenlijk deel van elke democratische orde.

    Democratie is niet alleen een staatsvorm, het is een manier van leven

    Democratie is derhalve een politieke orde waarmee allen in kunnen stemmen. Voorwaarde daarvoor is de principiële vrijheid en gelijkheid van alle burgers. Consensus is niet het doel van democratische besluitvorming; de democratische besluitvorming berust veeleer op regels en instituties die een normatieve orde tot uitdrukking brengen. Aangezien met betrekking tot deze regels en instituties verschil van mening mogelijk is, wordt de voor een democratie onontbeerlijke consensus in bijzondere gevallen naar een hoger niveau verplaatst. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij conflicten over de grondwet, die worden opgelost met een voor een grondwetswijziging vereiste meerderheid. Het is dus niet, zoals meestal wordt aangenomen, alleen de mening van de meerderheid die beslissend is voor de democratie, maar het is deze hogere consensus over de grondwet die een democratie draagt. Hierin komen de grondprincipes van vrijheid en gelijkheid tot uitdrukking.

    Deze principes moeten een maatschappelijke sfeer van wederzijds respect en erkenning doen ontstaan, ongeacht verschillen in cultuur, religie, etniciteit of leefstijl. Een samenleving waarin mensen opstaan en de bus verlaten omdat een persoon met een andere huidskleur naast ze is gaan zitten, is niet democratiefähig. Democratie is niet alleen een staatsvorm, het is een manier van leven. Als de civiele grondslagen van de democratie wegslijten, is ze als institutioneel bouwwerk in gevaar.

    De rol van het onderwijs

    De in crisis verkerende democratie kan en moet dus ook lering trekken uit de huidige crises. Het belangrijkste daarbij is dat ze zorgdraagt voor de democratische vaardigheden van de mensen. Daartoe behoort bijvoorbeeld een discussiecultuur die in de genoemde tv-programma’s vaak ontbreekt. Maar het veronderstelt ook een kritisch-constructieve houding ten aanzien van de media in het algemeen, die alleen al door de keuze van thema’s, medewerkers, zendtijd enzovoort bevooroordeeld kunnen zijn. Het zou naïef zijn die keuze als toevallig of triviaal af te doen. 

    De afnemende interesse in professionele journalistiek is een probleem vanuit democratietheoretisch en onderwijskundig perspectief. Veel mensen halen hun informatie tegenwoordig niet meer uit de krant, maar liever van de sociale media, die vanwege big data bijzonder vatbaar zijn voor bubbelvorming en een gebrek aan nuance. Voor een debatcultuur is dit schadelijk, voor een democratie mogelijk catastrofaal. 

    Een school binnen een democratie moet een democratische school zijn

    Onderwijs kan op dit gebied op drie manieren een belangrijke rol spelen. Ten eerste moet de schoolorganisatie zo zijn ingericht dat deze aansluit op een democratie. Een school binnen een democratie moet een democratische school zijn. Deze gedachte is door [de Amerikaanse filosoof, psycholoog en pedagoog] John Dewey indringend geformuleerd en ontwikkeld in het begrip ‘embryonic society’. De school moet de mogelijkheden en de grenzen van de democratie zichtbaar maken, een democratische leefruimte worden. Kinderen en jongeren moeten in die omgeving ervaren en leren wat democratie betekent, gehoord worden, zich kunnen uiten en meewerken aan de vormgeving van de school. Hierbij moeten we niet bezwijken voor een utopie: medezeggenschap is niet hetzelfde als zelfbeschikking. Hoe belangrijk en zinvol het ook is om iedereen van een school bij beslissingen te betrekken, vanuit het oogpunt van de democratische theorie moet medezeggenschap worden opgevat als collectieve zelfbeschikking, en als zodanig moeten hierbij de vrijheid en gelijkheid van allen worden gerespecteerd.

    Vervolgens is het, wat het onderwijs betreft, een vereiste dat actuele thema’s worden behandeld. Het is bijvoorbeeld niet best dat kinderen en jongeren buiten de school nog altijd meer leren over duurzaamheid dan op school zelf. Maar hoe kan aan zulke problemen aandacht besteed worden als het lesprogramma op scholen al zo overvol is? Het is hoog tijd voor een curriculum waarin onderdelen worden geschrapt en aangepast aan een menselijker begrip van onderwijs. Alleen op die manier kan er tijd en ruimte worden gemaakt om actuele kwesties te behandelen. 

    Projectonderwijs is hiervoor het meest geschikt. Een week lang wordt er gewerkt aan een kernprobleem, waarbij vanuit de verschillende vakken en vanuit interdisciplinair perspectief een sleutelprobleem behandeld wordt. De opgedane inzichten worden vervolgens samen besproken en ter discussie gesteld. Bij een dergelijke aanpak leren kinderen om niet zomaar klakkeloos na te praten maar eerst en vooral zelf na te denken. En zo worden leerlingen opgevoed in de democratie.

    Perspectiefwisseling als principe

    Ten derde kan in de les gebruik worden gemaakt van dilemmadiscussies. Dat is een methode waarbij veel aan de kaak kan worden gesteld en die veel effect heeft. Het gaat daarbij niet alleen om het vertolken van de eigen positie, maar ook om het begrip van andermans mening, ja zelfs om het formuleren van tegenargumenten. Zo wordt verandering van perspectief een onderwijsprincipe, en dat is fundamenteel voor een democratie.

    Zeker, met onderwijs alleen worden de grote uitdagingen van deze tijd niet opgelost, maar zonder onderwijs ook evenmin. Onderwijs is beslissend binnen een democratie. Een uitholling van de democratie, zoals we die vanwege de wereldwijde problemen momenteel om ons heen waarnemen, kan met de juiste educatieve inspanningen worden verholpen.

    Lees ook:

  • Europees Parlement bestempelt Hongarije als ‘geen democratie meer’

    Europees Parlement bestempelt Hongarije als ‘geen democratie meer’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » De wereldeconomie stevent af op recessie in 2023

    » Perseverance vindt mogelijk organisch materiaal op Mars

    Hongarije is een ‘electorale autocratie’, concludeert EU-rapport

    Hongarije kan niet langer als een democratie worden beschouwd en de Europese waarden in het land worden systematisch bedreigd, aldus het Europees Parlement in een donderdag aangenomen verslag, bericht Politico. Momenteel, concludeert het rapport, is Hongarije een ’electorale autocratie’ geworden.

    De actie van het Parlement zal waarschijnlijk niet leiden tot specifieke straffen

    De motie – die werd aangenomen met 433 stemmen voor, 123 tegen en 28 onthoudingen – ‘is de zoveelste symbolische berisping van de EU-instellingen aan het adres van Hongarije, dat al jaren te kampen heeft met verwijten over de rechtsstaat’, schrijft de website. Maar de actie van het Parlement zal waarschijnlijk niet leiden tot specifieke straffen.

    In hun verslag noemen de parlementsleden een reeks punten van zorg – van het functioneren van het kiesstelsel van het land tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Ze uiten ook hun bezorgdheid over de academische en religieuze vrijheid en de rechten van kwetsbare bevolkingsgroepen, aldus Politico.

    Lees ook:

  • Deze Deense partij wordt volledig aangestuurd door kunstmatige intelligentie

    Deze Deense partij wordt volledig aangestuurd door kunstmatige intelligentie

    Een groep Deense kunstenaars heeft de eerste politieke partij opgericht die volledig wordt aangestuurd door kunstmatige intelligentie. De Synthetische Partij heeft ter voorbereiding van de parlementsverkiezingen van 2023 zelfs een niet-virtuele vergadering gehouden.

    In de politiek pakken mensen complexe vraagstukken aan met verstand en gevoel en worden beslissingen genomen die voor de samenleving van belang zijn. Maar is er in Christiansborg [het paleis dat onder meer het Deense parlement en de kantoren van premier Mette Frederiksen huisvest] ook plek voor een politieke partij die uitsluitend door kunstmatige intelligentie wordt aangestuurd? Die vraag probeert kunstenaarscollectief Computer Lars te beantwoorden.

    In samenwerking met het technologische centrum MindFuture heeft het collectief de Synthetische Partij opgericht, die volledig wordt geleid door kunstmatige intelligentie. Het collectief, dat zich beweegt op de grens tussen kunst en politiek, neemt deze taak zeer serieus en heeft als doel een zetel in het Folketing [parlement] te veroveren.

    De kunstmatige intelligentie waarvan de Synthetische Partij gebruikmaakt is ontworpen en geprogrammeerd door Computer Lars. Deze kreeg allerlei teksten voorgelegd die op internet zijn gepubliceerd door kleine Deense partijen die niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Zo werd de Synthetische Partij een smeltkroes van politieke standpunten en ideeën over democratie, waarmee ze zich onderscheidt van de andere partijen die in Christiansborg het politieke spel spelen.

    ‘De kunstmatige intelligentie is een samensmelting van wat gewone Denen op politiek vlak denken’

    ‘We hopen dat de Synthetische Partij het gevestigde politieke systeem kan veranderen door zeer verschillende burgers en hun politieke visies te vertegenwoordigen,’ zegt Asker Bryld Staunæs, een kunstenaar en filosoof die deel uitmaakt van Computer Lars. ‘De kunstmatige intelligentie is een samensmelting van wat gewone Denen op politiek vlak denken. Individuen hebben de neiging zichzelf te matigen, terwijl kunstmatige intelligentie juist een idee geeft van de werkelijke politieke opvattingen onder de bevolking.’

    Het collectief, legt hij uit, heeft de teksten van kleine partijen gebruikt omdat die meer reflecteren op de vraag wat politiek en democratie precies inhouden en de manier waarop de politiek georganiseerd zou moeten worden. Volgens hem hebben de gevestigde partijen zulke kwesties allang achter zich gelaten.

    Interactie

    Om de Synthetische Partij concrete en interessante beleidsstandpunten te laten ontwikkelen, moet Computer Lars interactie aangaan met mensen, zegt Asker Bryld Staunæs. ‘Hoe meer mensen verschillende vragen blijven stellen en hoe meer interactie er is, hoe meer de kunstmatige intelligentie in staat zal zijn om te lezen, te schrijven en te debatteren.’

    Waar komt het idee van deze politieke toepassing vandaan? Waarom niet gewoon een kunstwerk maken dat soortgelijke ideeën over technologie kan oproepen? De vertegenwoordiger van Computer Lars vindt het antwoord simpel: de politieke kant is onontkoombaar. Hij herinnert eraan hoe de Federatie van Bewust Luie Elementen [een Deense politieke partij die in 1979 werd opgericht door de komiek Jacob Haugaard] kunst en een flinke dosis humor gebruikte om kritiek te leveren op het arbeidsethos van de moderne samenleving. Haugaard werd in de jaren negentig in het parlement gekozen, met als programmapunten onder meer wind in de rug op fietspaden en grotere kerstcadeaus voor iedereen.

    ‘Als kunstenaars zich met politiek bezighouden, is dat om zaken onder de aandacht te brengen die gewoonlijk niet worden opgepikt’

    ‘Als kunstenaars zich met politiek bezighouden, is dat om zaken onder de aandacht te brengen die gewoonlijk niet worden opgepikt. Ons project moet wel politiek zijn, want het is moeilijk om op een andere manier algoritmen ter verantwoording te roepen en vast te stellen wie zij vertegenwoordigen,’ aldus Asker Bryld Staunæs. ‘Techgiganten als Google hebben onze berichten allemaal gelezen en al onze foto’s doorzocht. Zij zijn dus op de hoogte van de gedachten en standpunten van gewone mensen. Maar omdat veel algoritmen en kunstmatige intelligentie in het geheim werken, is het lastig bepalen welke politieke onderwerpen hier concreet uit voortkomen.’

    Computer Lars zal deze verborgen algoritmen zichtbaar maken, zodat we beter inzien wat het precies inhoudt om met machines te praten in plaats van met individuen.

    Verruimd kader

    Bovendien is het kunstenaarscollectief van mening dat het politieke en democratische kader verruimd kan worden en dat bestaande meningen die niet altijd worden gehoord, directer kunnen worden geuit. ‘De Synthetische Partij systematiseert de verschillende posities die kunstmatige intelligentie aan het licht brengt niet op basis van een ideologie, maar op basis van een reeks statistische gemiddelden. De partij geeft niet duidelijk aan wat mensen denken, maar geeft veel verschillende standpunten weer. Daar kunnen we dan direct op reageren,’ legt Asker Bryld Staunæs uit.

    De eerste verkiezingsbijeenkomst van de Synthetische Partij (met het oog op de parlementsverkiezingen, waar nog geen datum voor is vastgesteld maar die uiterlijk op 4 juni 2023 zullen worden gehouden) zal plaatsvinden in het gebouw van MindFuture tijdens de Vestegnenweek – een cultureel festival dat van 8 tot 18 september wordt gehouden in verschillende buurten in de westelijke voorsteden van Kopenhagen. Geïnteresseerde kiezers kunnen dan chatten met de kunstmatige intelligentie en zo helpen om de positie van de partij verder te ontwikkelen.

    Maar stel dat de Synthetische Partij uitsluitend kwalijke meningen verkondigt? Die zijn dan blijkbaar door verschillende mensen geuit. Wie wordt daar uiteindelijk verantwoordelijk voor gehouden? ‘Computer Lars is verantwoordelijk voor het censureren van bepaalde standpunten, maar ook personen die interactie aangaan met de kunstmatige intelligentie hebben in dit opzicht een verantwoordelijkheid. Het zou spijtig zijn als mensen opzettelijk op onplezierige dingen zouden aansturen,’ aldus Asker Bryld Staunæs.

    ‘Het is niet altijd leuk om te horen wat machines zeggen, maar het kan wel veel indruk maken’

    Hij gelooft dat de wereld bijna klaar is om deze technologie te verwelkomen. De afgelopen jaren zijn wij, gewone mensen, getuige geweest van de groei van voor een bredere doelgroep toegankelijke kunstmatige intelligentie, en zijn we steeds beter gaan begrijpen hoe algoritmen te werk gaan.

    Hij geeft toe dat er nog vaak moeilijkheden ontstaan wanneer mensen en machines moeten leren samenleven, maar hij gelooft niet dat machines zich tegen ons zullen keren en de planeet zullen overnemen. Integendeel, hij en Computer Lars denken dat we veel kennis kunnen vergaren als we kunstmatige intelligentie creatief gebruiken – vooral kennis over onszelf.

    ‘Veel mensen denken dat de enige betrouwbare uitspraken die van menselijke wezens zijn. Maar kunstmatige intelligentie is een versterkte manifestatie van bepaalde tendensen in ons gemeenschappelijk cultureel erfgoed,’ zegt hij. ‘Het is niet altijd leuk om te horen wat machines zeggen, maar het kan wel veel indruk maken, en zo kunnen we echt een samenleving creëren waarin ook zij meningen en standpunten bijdragen.’

    Lees ook:

  • Burgermanifest waarschuwt dat Braziliaanse democratie ‘enorm gevaar’ loopt

    Burgermanifest waarschuwt dat Braziliaanse democratie ‘enorm gevaar’ loopt

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Mali: 42 soldaten komen om bij jihadistische aanval

    » Finse overheid opnieuw getroffen door Russische cyberaanval

    Manifest na één dag al meer dan een miljoen keer ondertekend

    De Braziliaanse democratie loopt een ‘enorm gevaar’, waarschuwt een manifest dat door meer dan een miljoen burgers is ondertekend. De vrees onder Brazilianen groeit dat president Jair Bolsonaro bij de verkiezingen van oktober weigert een nederlaag te aanvaarden.

    De verklaring – die wordt gesteund door belangrijke figuren uit het bedrijfsleven, de politiek, de wetenschap en de kunsten – is verschenen nadat Bolsonaro zijn aanvallen op het Braziliaanse stemsysteem heeft opgevoerd en aanhangers heeft opgeroepen om ‘voor de laatste keer’ de straat op te gaan voor de verkiezingen van 2 oktober, bericht The Guardian.

    De vrees is dat Bolsonaro een opstand zal ontketenen om de macht te behouden

    Bolsonaro’s optreden heeft de vrees aangewakkerd dat de radicale extreemrechtse populist zijn politieke idool, Donald Trump, zal proberen te evenaren door de verkiezingsuitslag aan te vechten of een 6 januari-achtige opstand te ontketenen in een poging om de macht te behouden.

    De brief van 2022 is geïnspireerd op de ‘Brief aan de Brazilianen’ uit 1977, een belangrijk document in de strijd voor democratie in het land, die uiteindelijk leidde tot de afschaffing van de dictatuur in 1985, aldus Folha de São Paulo. In het huidige manifest staat dat de ‘democratische normen’ in het land op het moment ‘enorm gevaar’ lopen. Elke poging om aan te zetten tot geweld of om ‘een breuk met de grondwettelijke orde’ teweeg te brengen zou ‘onaanvaardbaar’ zijn, zo luidt de waarschuwing.

    Lees ook:

  • Hoe Uruguay een voorbeeld voor de rest van Zuid-Amerika werd

    Hoe Uruguay een voorbeeld voor de rest van Zuid-Amerika werd

    Uruguay heeft, in tegenstelling tot veel buurlanden, een grote maatschappelijke consensus en een stabiel partijenstelsel. Het land produceert ook nog eens 97 procent van zijn elektriciteit duurzaam, zonder uitstoot van kooldioxide.

    Luister dit artikel:

    Direct na aankomst in Montevideo wordt duidelijk dat je hier een ander Zuid-Amerika binnenkomt. Op de stijlvolle luchthaven in de voorstad Carrasco vind je geen mensenmassa’s, geen rijen bij immigratie of de douane. De rit naar het stadscentrum 20 kilometer verderop langs de Atlantische kust verloopt rustig, zonder file. In vergelijking met het chaotische, overvolle São Paulo of Buenos Aires krijg je – ondanks de 1,8 miljoen inwoners – het gevoel in een kuuroord te zijn beland.

    In tegenstelling tot de meeste Zuid-Amerikaanse miljoenensteden staan hier weinig glinsterende kantoor- of woontorens. Zelfs de zakenwijken worden regelmatig afgewisseld door wijken met huizen of kleinere woon- of bedrijfsgebouwen. Het centrum rond de haven en de oude binnenstad zijn hier en daar gerestaureerd. Maar het oude stadsgedeelte is gedeeltelijk ook aan renovatie toe en straalt met zijn bric-à-bracwinkeltjes een charme uit van vijftig jaar geleden. Het is tekenend dat er hier trots op gewezen wordt dat tijdschrift Readers Digest, dat zijn beste dagen heeft gehad, Uruguay het leefbaarste en groenste land van Noord- en Zuid-Amerika noemde. 

    Twee derde is middenklasse

    De statistieken bevestigen deze indruk van een conservatieve middenklasse. Anders dan in de meeste Latijns-Amerikaanse samenlevingen bestaat Uruguay niet uit enkele superrijken, een kleine middenklasse en heel veel armen. Twee derde van de 3,6 miljoen Uruguayanen behoort tot de middenklasse. Weinig mensen leven onder de armoedegrens. De verhouding rijk-arm is de laagste in Latijns-Amerika. Het inkomen per hoofd van de bevolking is met 17.000 dollar per jaar het hoogste in de regio.

    Net als in Zwitserland hecht men waarde aan discretie en ‘low profile’

    In de straten van Montevideo ontbreken luxeauto’s zoals in de metropolen van de buurlanden, waar de rijken graag met hun rijkdom pronken. Net als in Zwitserland hecht men waarde aan discretie en ‘low profile’. Zo kan het gebeuren dat de nationale voetbalster Diego Forlán ongestoord tussen de andere gasten in een café zit – iets wat bij een Neymar in Brazilië totaal ondenkbaar zou zijn.

    Je vraagt je af hoe dit voor Zuid-Amerika kleine land – half zo groot als Duitsland, met nauwelijks half zoveel inwoners als Zwitserland – het voor elkaar krijgt sociaal en economisch succesvol te zijn in de onmiddellijke nabijheid van zulke grote en politiek verscheurde staten als Brazilië en Argentinië. Hoe is dit land erin geslaagd zich te isoleren en te onderscheiden van zijn buurlanden, ondanks een sterk overeenkomstige samenleving, geschiedenis en geografie?

    Populisten zijn kansloos

    Eén antwoord levert de politiek. Uruguay is een van de stabielste democratieën ter wereld. Op de democratie-index van de Economist Intelligence Unit (EIU) staat Uruguay op de dertiende plaats, drie plaatsen onder Zwitserland en twee boven Duitsland. Volgens deze index is Uruguay de enige volwaardige democratie in Zuid-Amerika, een continent waar de EIU al enkele jaren een gestage achteruitgang in de kwaliteit van democratieën vaststelt. Uruguay gaat in tegen de regionale trend, aldus de EIU. Het land is een van de weinige staten ter wereld die hun democratie al meer dan vijftien jaar voortdurend verbeteren. Op de corruptie-index van Transparency International staat Uruguay met zijn achttiende plaats van de honderdtachtig landen eenzaam aan de top in Latijns-Amerika, twee plaatsen boven Frankrijk.

    Politicoloog Sebastian Grundberger van de Konrad-Adenauer-Stiftung constateert in Uruguay in tegenstelling tot in de rest van Latijns-Amerika een grote maatschappelijke consensus, het stabielste partijenstelsel in de regio, met sterkere democratische afweerkrachten dan in de buurlanden. Populisten hebben hier geen kans, zegt Grundberger.

    Hoe soepel de politiek in Uruguay functioneert, werd eind maart duidelijk bij een referendum. Toen stemden de Uruguayanen over de vraag of 135 van in totaal 476 wetsartikelen ongeldig moeten worden verklaard. Deze waren onderdeel van een wetgevingspakket dat de centrumrechtse regering van president Luis Lacalle Pou kort na haar aantreden in 2020 in het Congres had aangenomen. Centrale thema’s waren veiligheid en onderwijs; thema’s die de regering doortastender wil aanpakken. Bovendien moet de macht van de vakbonden worden ingeperkt en de dominantie van staatsmonopolies, bijvoorbeeld in de telecommunicatie, worden teruggedrongen.

    Populaire president

    Het invloedrijke verbond van vakverenigingen had zich hiertegen gemobiliseerd. Maar anders dan in de buurlanden waren er in de aanloop naar het referendum geen woedende protesten en zelfs geen gewelddadige confrontaties. Ook op de zondag van de stemming wandelden gezinnen met kalebaskommetjes over de Rambla, de boulevard van Montevideo, om hun maté te drinken.

    Dat de regering zich met een flinterdunne marge heeft kunnen handhaven en de wetten dus geldig blijven, is vooral te danken aan de populariteit van de president. De 49-jarige jurist Lacalle Pou is telg uit een politieke familie die sinds het begin van de vorige eeuw de Uruguayaanse politiek bepaalt. Zijn vader was president van 1990 tot 1995. Maar Lacalle Pou ging zelf pas de politiek in toen hij al bijna dertig was. Hij had lange tijd de reputatie van surfboy; pas bij zijn tweede poging in 2019 slaagde hij erin met een nipte meerderheid te worden gekozen.

    Vooral de bedachtzame manier waarop hij de pandemie managede heeft Pou populair gemaakt

    Vooral de bedachtzame manier waarop hij de pandemie managede heeft Pou populair gemaakt. Herhaaldelijk legde hij de nadruk op vrijheid en burgerlijke verantwoordelijkheid. Een lockdown is er nooit geweest. Soms werd thuisonderwijs voorgeschreven. Het land beschikte al over een goede breedbandvoorziening en een digitale infrastructuur. Bars en restaurants hoefden pas om middernacht te sluiten. Uruguay werd na Chili al snel het land met de meeste gevaccineerde mensen in Latijns-Amerika. Halverwege zijn ambtstermijn beoordeelde 52 procent van de bevolking Lacalle Pou positief. Daarmee was hij de populairste president sinds lange tijd. Ook de groei van de economie na enkele jaren van stagnatie geeft Pou een steuntje in de rug.

    Referentiepunt voor burgerkrachten

    Voor de president is het referendum vergelijkbaar met het winnen van tussentijdse verkiezingen. De kans is groot dat Pou samen met de presidenten van Ecuador en Paraguay aan het eind van het jaar tot het selecte clubje conservatieve staatshoofden in Zuid-Amerika behoort. In een regio die politiek gezien naar links afdrijft, wordt hij steeds meer een referentiepunt voor burgerkrachten, zegt politicoloog Grundberger. 

    Dit geldt ook voor ondernemingen in Zuid-Amerika; de stabiliteit van Uruguay trekt ze aan. De laatste jaren staken vooral veel ondernemers uit Argentinië de Río de la Plata over. Bijvoorbeeld Marcos Galperín, oprichter van Mercado Libre, het succesvolste internetplatform van Latijns-Amerika, met zijn hele managementteam. Venancio Trigo, advocaat bij advocatenkantoor Guyer & Regules in Montevideo, meldt dat nu ook detailhandelaren uit Chili overwegen hun hoofdkantoor naar Uruguay te verplaatsen. In Chili zijn ondernemers verontrust door de groeiende linkse tendens in de politiek.

    In het schoolsysteem verlopen de ontwikkelingen traag: 40 procent van de leerlingen verlaat school voortijdig

    Het wordt spannend om te zien wat Pou, nu het referendum zijn beleid heeft bekrachtigd, de resterende twee jaar zal doen. Op de agenda staan hervormingen van het pensioenstelstel en het onderwijs. Vooral in het schoolsysteem verlopen de ontwikkelingen traag: 40 procent van de leerlingen verlaat school voortijdig. Verouderde leerplannen en een personeelsbeleid voor leraren waarbij de vakbonden de banen volgens het senioriteitsprincipe invullen zouden hiervan de voornaamste redenen zijn.

    Software als exportproduct

    Voor Uruguay is dit een tikkende tijdbom. Het land exporteert een recordhoeveelheid software per inwoner. Het is een belangrijke vestigingsplaats voor startende ondernemingen in de regio geworden. Fintechbedrijf dLocal uit Uruguay is op Wall Street nu zo’n 10 miljard dollar waard. Bezorgdienst PedidosYa is inmiddels overgenomen door de Duitse Delivery Hero. Maar er is een groeiend tekort aan ingenieurs en programmeurs. ‘Uruguay zou met zijn geavanceerde digitalisering het Estland van Zuid-Amerika kunnen worden,’ zegt Mischa Goh, directeur van de Duits-Uruguayaanse Kamer van Koophandel en Fabrieken.

    Econoom Augustín Iturralde hoopt op verdergaande economische hervormingen. De directeur van het Centro de Estudios para el Desarrollo, een liberaal economisch instituut, is kritischer over het concurrentievermogen dan de meeste gesprekspartners. Institutioneel gezien is Uruguay een hoogontwikkelde democratie, maar in de economie regeert de middelmaat. Het land heeft een achterstand op het gebied van zakendoen, het is niet ondernemersvriendelijk. Staatsmonopolies in de telecommunicatie worden getolereerd. Uruguay is dus een dure vestigingsplaats. De productiviteit moet hoger, anders verliest Uruguay zijn aantrekkelijkheid. ‘We zijn een klein land,’ zegt Iturralde, ‘we moeten meer bieden.’

    97 procent groene stroom

    Maar Uruguay zou wel eens geluk kunnen hebben. De wereldwijde energietransitie en de geopolitieke verschuivingen zijn in het voordeel van het land aan de Río de la Plata. Want Uruguay heeft zijn elektriciteitssysteem met massale investeringen in windmolenparken in tien jaar omgevormd tot een van de duurzaamste ter wereld. Sindsdien draaien er windturbines op de heuvels in het verlaten binnenland. Tegenwoordig produceert het land 97 procent van zijn elektriciteit duurzaam, zonder uitstoot van kooldioxide. Dit betekent ook dat Uruguay binnenkort een strategisch belangrijke leverancier van groene waterstof kan worden, als vervanger van de energiebronnen olie, kolen en gas. 

    ‘Uruguay zou snel een relevant substituut voor Russisch gas kunnen leveren’

    De Duitse ingenieur en econoom Aram Sander, die in Uruguay al windmolenparken heeft opgezet en operationeel gemaakt, zegt: ‘Door het Oekraïneconflict komen er met de vraag naar voorzieningszekerheid geheel nieuwe argumenten op tafel.’ Vertrouwen is daar een van. Er is geen land in de regio dat zijn contracten zo betrouwbaar nakomt als Uruguay, volgens Sander, die nu wereldwijd waterstofprojecten promoot voor het Duitse bedrijf Enterdreg. Het grote vertrouwen in Uruguay is af te meten aan de lage rentetarieven. In Zuid-Amerika heeft alleen Chili een hogere kredietwaardigheid. Ontwikkelingsbanken verstrekken Uruguay graag kredieten. Sander is er zeker van: ‘Uruguay zou snel een relevant substituut voor Russisch gas kunnen leveren.’

    Een andere aanwijzing voor de stabiliteit waarom Uruguay bij beleggers bekendstaat, is de groeiende belangstelling van family offices, rijke vermogensbeheerders, uit Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland in Uruguay, constateert financieel adviseur Thomas Logemann uit Hamburg. Ze waren niet op zoek naar weekendhuisjes in het mondaine vakantieoord Punta del Este, zegt Logemann, die opgroeide in Uruguay. Ze wilden professioneel investeren in boerderijen en landerijen.

  • Peter Pomerantsev: ‘De journalistiek moet weer op zoek naar een verbindend verhaal’

    Peter Pomerantsev: ‘De journalistiek moet weer op zoek naar een verbindend verhaal’

    Ooit waren er ‘grote verhalen’ die alles verklaarden, van het morele gedrag van staten tot aan literatuur. Met het wegvallen van overkoepelende verhaallijnen is er behoefte ontstaan aan een nieuwe manier van denken over wat ons verbindt, van Manilla tot Silicon Valley tot aan Moskou, aldus de Russisch-Britse journalist.

    ‘Beste Peter. Ik heb lang gewacht voor ik je schreef, maar het laatste nieuws maakt duidelijk dat het eenvoudigweg gevaarlijk is om nog langer te zwijgen.

    Mijn ex-collega’s zitten in de gevangenis. Maandenlang hebben mijn vrienden en ik moeite gehad om ook maar enige aandacht van de media te krijgen. Nu is er iets gebeurd dat wel degelijk de aandacht van de belangrijkste nieuwsagentschappen heeft getrokken – maar ik vraag me af hoelang het zal duren. Is er een manier om die aandacht vast te houden? Ik heb het gevoel dat wij allemaal gijzelaars zijn hier – en het is angstaanjagend. Alles, iedere misdaad, is hier mogelijk geworden.’

    Ik kreeg deze boodschap deze zomer van een vriend in Belarus, een paar dagen nadat de dictator van het land, Alexander Loekasjenka, een MIG-straaljager had ingezet om een internationale passagiersvlucht te onderscheppen bij de doorkruising van ‘zijn’ luchtruim en een journalist uit Belarus en zijn vriendin, die in vermeende veiligheid in Litouwen hadden gewoond, van boord had gehaald. Een paar dagen later verscheen de gevangengenomen journalist, Roman Protasevitsj, met duidelijke sporen van marteling op de staatstelevisie. In een setting die de showprocessen onder Stalin in herinnering roept, bekende hij verraad.

    In het kort

    • De stuitende ontvoering van een journalist uit Belarus en zijn vriendin door Loekasjenka is alweer in de vergetelheid geraakt.

    • De reden is dat Loekasjenka’s schandelijke misdaden niet in een ruimere betekenisketen terecht zijn gekomen.

    • Alles is onderdeel van één samenhangende geschiedenis.

    Er was sprake van enige verontwaardiging in wat we graag de internationale gemeenschap noemen; de woorden ‘kaping’ en zelfs ‘terroristische daad’ vielen. En vervolgens raakte, zoals mijn vriend al vreesde, het voorval in vergetelheid. Loekasjenka kreeg te maken met milde represailles, zoals een verbod aan de staatsluchtvaartmaatschappij van Belarus om op Europa te vliegen. Zijn boodschap aan iedereen die het waagde hem tegen te werken was krachtiger: ik kan met je doen wat ik wil, waar je ook bent. 

    Een gebeurtenis wordt pas onthouden als het past binnen een breder kader

    Het kostte me moeite het verzoek van mijn vriend te beantwoorden. Een gebeurtenis wordt pas onthouden als het past binnen een breder kader. Iedereen die weleens een geheugenspelletje heeft gedaan weet dat je afzonderlijke dingen onthoudt door ze in een reeks te plaatsen, zodat ze betekenis krijgen als onderdeel van een groter geheel. Zo is het ook in de media en politiek: een voorval krijgt pas zeggingskracht als onderdeel van een brede narratief.

    Maar Loekasjenka’s schandelijke misdaden zijn niet in een ruimere betekenisketen terechtgekomen. En dit geldt niet alleen voor Belarus. Van Birma tot Syrië, van Jemen tot Sri Lanka hebben we meer bewijs dan ooit van misdaden jegens de menselijkheid – van marteling, chemische aanvallen, clusterbombardementen, verkrachting, repressie en willekeurige vrijheidsberoving. Maar de verhalen dwingen maar moeizaam aandacht af, laat staan consequenties. We hebben meer mogelijkheden om te publiceren dan ooit; er zijn geen geografische beperkingen; ons publiek behelst in potentie de hele wereld. Toch komt op de meeste onthullingen of onderzoeken geen respons. Hoe kan dat? 

    DE SELECTIE VAN 360

    360 selecteerde dit jaar drie verhalen, uit de categorieën Distinguished Reporting, Public Discourse en Investigative Reporting.

    In deze en in alle andere tijden hebben we een journalistiek nodig die ons informeert over wat er buiten ons blikveld gebeurt, over wat politici proberen geheim te houden, en die regeringen dwingt verantwoording af te leggen over beslissingen die de welvaart van gewone mensen bedreigen. En daar hoort geen enkel ander streven bij dan het zo gewetensvol mogelijk de werkelijkheid proberen te beschrijven. Of zoals Peter Pomerantsev het in zijn artikel beschrijft: ‘We gaan een hobbel te lijf die slechts een onregelmatigheid in een hoek van de tuin leek, maar als we hem uitgraven leiden de wortelstokken ons naar de tuin van de buren. Dit is een nieuwe missie van de journalistiek. Uitzoeken waarom een kwestie in Manilla ook te maken heeft met Silicon Valley en Moskou en jou.’

    Instorting

    De instorting van de Sovjet-Unie had moeten aanzetten tot bespiegeling en ons moeten aanmoedigen niemand uit te sluiten van het grotere mensenrechtenverhaal tegen politieke repressie. En in de jaren negentig leek dit ook even mogelijk. Toen de democratiseringsgolf zowel de pro-Sovjet- als de pro-Amerika-dictaturen over de hele wereld omverwierp; toen in 1998 het Internationaal Hof van Strafrecht in Den Haag werd opgericht; toen met succes humanitaire interventies werden uitgevoerd van in de westerse Balkanlanden tot in Oost-Afrika. Even leek het er inderdaad op dat de rechtvaardigheid eerlijker zou worden verdeeld. 

    Maar er gebeurde iets anders. In plaats van dat er meer deelnemers werden toegelaten in het mensenrechtenverhaal, stortte het hele verhaal in elkaar. Eerst kregen sommige slachtoffers meer aandacht dan andere, geleidelijk aan kregen geen enkele slachtoffers meer langdurige aandacht. De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hadden de wereld gedwongen de Verklaringen van de Rechten van de Mens van de VN te onderschrijven, althans in principe, en de post-Koude Oorlog-rampen in Srebrenica en Rwanda hadden humanitaire interventies in de hand gewerkt en de weg geopend naar het ‘recht op bescherming’.

    Bij vorige misdaden tegen de menselijkheid gold altijd onwetendheid als excuus

    Bij vorige misdaden tegen de menselijkheid gold altijd onwetendheid als excuus. Van Auschwitz tot Srebrenica tot Rwanda konden leiders beweren dat ze zich ofwel niet bewust waren van de feiten, ofwel dat de feiten twijfelachtig waren of de gebeurtenissen te snel gingen om in te grijpen. Maar inmiddels hebben we toegang tot alwetende media, die vaak met overvloedig en ogenblikkelijk bewijsmateriaal komen. En toch hebben die minder effect dan ooit. Het misdaadportret bestaat nog altijd uit allemaal losse beelden. 

    Dat voelde in de Koude Oorlog anders. Toen leek er een verband te bestaan tussen de arrestatie van één enkele Sovjet-dissident en een bredere geopolitieke, institutionele, morele, culturele en historische strijd. In de media, boeken en films uit die tijd werden de verhalen van afzonderlijke politiek gevangenen en mensenrechtenschendingen verteld als onderdeel van een breder, overkoepelend verhaal over de algemene vrijheidsstrijd tegen dictatuur, een strijd met de ziel van de geschiedenis als inzet. En dankzij dat complete verhaal voelden inwoners van democratieën zich deel uitmaken van een identiteit: wij staan aan de kant van de vrijheid versus de tirannie. Er waren instanties die dit narratief en deze identiteit ondersteunden. Politiek gevangenen voelden zich minder kwetsbaar wanneer informatie over hun arrestatie bekend werd gemaakt op de BBC of Radio Free Europe, of opgepikt door Amnesty International, in de Verenigde Naties ter sprake kwam, naar voren werd gebracht door Amerikaanse presidenten in bilateraal topoverleg met het Sovjetleiderschap. 

    Hierdoor hielden we onze aandacht erbij. En toen de zonden van het Westen zelf werden onthuld, zoals het CIA-programma met Koude Oorlog-gerelateerde heimelijke moorden en coups in de jaren zeventig, ontstond er bovendien een kader om de aandacht en de verontwaardiging van het westerse publiek te kanaliseren. 

    GettyImages 1236842805
    In protest tegen het regime van Alexander Loekasjenka zijn posters van de politieke gevangenen Andzelika Borys en Andrzej Poczobut opgehangen in het centrum van Bialystok, Polen. © Beata Zawrzel / NurPhoto / Getty

    Er was wat je een ‘groot verhaal’ zou kunnen noemen, dat alles omvatte: van het morele gedrag van staten tot aan literatuur en kunst en hoe de mensen zichzelf zagen. Het was verbonden met verlichtingsidealen aangaande ‘vooruitgang’ en ‘bevrijding’, waarbij feiten en bewijzen iets waren om gerespecteerd, bevestigd of verworpen te worden met redelijke argumenten of verifieerbaar bewijs. Zelfs het Sovjetregime maakte deel uit van een taal en wereldbeeld waarin rechten – de rechten van gekoloniseerde of voorheen economisch onderdrukte volken – er althans in theorie toe deden. Het zette zelfs een handtekening onder mensenrechtenbeloftes, die Sovjet-dissidenten in staat stelden van de Kremlinleiders te eisen ‘hun eigen wetten te eerbiedigen’. 

    In deze strijd tussen verheven ideeën, waarin beide partijen hun idealen superieur verklaarden, ontstond ruimte voor dissidenten om van de macht te eisen dat ze haar idealen na zou leven. In de periferie werden deze idealen aangeheven om steun te vragen voor vrijheidsbewegingen van een van beide kampen.

    Haken en ogen

    Natuurlijk zaten er haken en ogen aan die grote verhalen. Vaak werden slachtoffers van rivaliserende ideologieën bevoorrecht terwijl er continentwijde blinde vlekken bleven bestaan. Priesters die in Polen door de communisten waren vermoord kregen meer aandacht in de westerse media dan priesters die door bondgenoten van de VS waren vermoord in El Salvador. Het Rode Leger dat opstanden in Boedapest en Praag neersloeg werd oneindig intensiever gevolgd dan de neergeslagen antikoloniale opstanden in Kenia.

    Vooralsnog worden ‘de cheques die in 1945 werden uitgeschreven aan de kwetsbaarste volken in de wereld – aangeduid als “internationale humanitaire wet” – niet verzilverd’, aldus David Miliband, de voormalig Britse minister van Buitenlandse Zaken en het huidige hoofd van het IRC (International Rescue Committee). Wij zijn wat hij noemt het Straffeloze Tijdperk ingegaan: ‘Een tijd waarin militairen, milities en huurlingen in conflicten over de hele wereld menen met alles weg te komen. En omdat ze met alles wegkomen, doen ze ook alles.’ 

    Het verval kwam deels van binnenuit. De taal voor rechten en vrijheden werd uitgehold door leiders die haar misbruikten en lege hulzen achterlieten. Het Sovjetregime versjacherde de taal die bestemd was voor economische gerechtigheid en gelijkheid – tegenwoordig klinkt alleen al het woord ‘socialist’ velen in het voormalige communistische blok als een vloek in de oren. In het Westen werden verheven begrippen als vrijheid en tirannie ingezet als excuus voor niet-uitgelokte oorlogen en bezoedeld door de onvermijdelijke consequenties van de oorlog. In 2003 koppelde president George W. Bush voorafgaand aan de invasie van de Verenigde Staten in Irak doelbewust de tweespalt uit de Koude Oorlog aan zijn visie op het Midden-Oosten door beloftes te maken als ‘de democratie zal overwinnen’ en ‘vrijheid kan de toekomst zijn van ieder land’. In werkelijkheid had de invasie een burgeroorlog tot gevolg en honderdduizenden doden, werd de macht van Iran vergroot en veranderde Syrië in een vazalstaat van een nieuwe autoritaire as. Onder de bevolking in rijke democratieën leidde de invasie tot cynisme en een verbitterde zoektocht naar de eigen identiteit. Woorden die in Oost-Berlijn en Praag nog volop betekenis hadden, verloren in Bagdad hun strekking. En voor beelden gold dat net zo goed. 

    Anders dan democratie – luidt de weinig subtiele boodschap – is dictatuur sterk en stabiel

    Dit rottingsproces van binnenuit ging gepaard met de aanval van buitenaf. Het grote leidmotief van de huidige Russische en nu ook Chinese propaganda is dat het verlangen naar vrijheid en de strijd voor mensenrechten niet leiden tot voorspoed maar tot ellende en bloedvergieten. Russische propagandakanalen koppelen graag flitsen van volksopstanden in Syrië of Oekraïne aan beelden van de daaruit voortvloeiende conflicten in die landen, alsof de oorlog het onvermijdelijke gevolg van de revoltes was en niet de reactie van dictaturen om ze neer te slaan. Anders dan democratie – luidt de weinig subtiele boodschap – is dictatuur sterk en stabiel. 

    Nobelprijs

    De Nobelprijs voor de Vrede werd vorig jaar toegekend aan twee journalisten: Maria Ressa, de uitgever van Rappler, uit de Filippijnen, en Dmitri Moeratov, de uitgever van Novaja Gazeta, uit Rusland. Als we goed naar hun werk kijken, tekent zich iets interessants af.

    Maria Ressa’s situatie had heel goed zo’n ver-van-mijn-bedshow voor de rest van de wereld kunnen zijn. Ze staat als journalist bloot aan kritiek van de Filippijnse regering, omdat ze de wederrechtelijke moorden aan de kaak stelt die onder president Rodrigo Duterte zijn gepleegd. Journalisten in de hele wereld staan dag in dag uit bloot aan kritiek en in de Filippijnen worden ze regelmatig vermoord zonder dat er veel aandacht in het buitenland voor is. Zelfs de massamoorden door proregeringbendes, waar Maria (die zitting heeft in de Raad van Commissarissen van Coda Story) verslag van deed, zijn nauwelijks goed voor een krantenkop in het buitenland. Toch wist Maria onze aandacht vast te houden. Hoe?

    GettyImages 1238670441
    Anna Nikitina van de muziek- en theatergroep Dakh Daughters neemt deel aan een protest ter ondersteuning van de politieke gevangenen voor de Russische ambassade in Kyiv. © Olena Khudiakova/ Ukrinform/ Future Publishing/Getty.

    Toen ze zich verdiepte in wat haar overkwam, merkte Maria dat iets aan Duterte’s aanvallen – zijn gebruik van trollenlegers en cybermilitia’s om zijn tegenstanders te intimideren, bekladden en breken – zowel nieuw was als universeel. Hij paste niet alleen censuur toe, hij zorgde daarnaast voor een hoop heisa op de sociale media, zodat de waarheid werd overstemd en de werkelijkheid vervormd. Maria beperkte haar onderzoek niet tot de Filippijnen, maar breidde het uit naar Facebook, de schadelijke kanten van de sociale media, de rechteloosheid van digitale misinformatie. Haar campagne en de manier waarop ze haar verhaal vertelde voerden niet alleen naar het presidentieel paleis in Manilla maar ook naar Silicon Valley, naar iedere verkiezing waarmee online was gesjoemeld, naar ieder conflict dat werd gevoed door digitale haatcampagnes, naar iedere vrouw of minderheid die werd getiranniseerd of getreiterd op sociale media, naar iedere ouder die bezorgd was over wat hun kinderen online overkwam. Haar verhaal kreeg belang voor iedere wetgever en civiel ambtenaar die zich afvragen hoe ze deze nieuwe grens moeten trekken. Het actualiseerde ons denken over vrijheid van meningsuiting in het digitale domein en dwong technologiebedrijven om op z’n minst toe te geven dat illegaal gecoördineerde campagnes geen rechtmatige uitingsvorm waren maar een vorm van censuur. Eén bestaand persoon die iets onaangenaams zegt, alla. Maar als een handvol trollen pretendeert dat duizenden niet-bestaande personen hetzelfde zeggen, ligt dat anders. 

    Maria bracht in haar onderzoek landen met elkaar in verband die nooit onder één noemer waren gebracht

    Daarnaast bracht Maria in haar onderzoek landen met elkaar in verband die nooit onder één noemer waren gebracht. Niemand had ooit Rusland en de Filippijnen op één lijn gezien. Hun dissidenten ontmoeten elkaar niet. Ze stonden in de Koude Oorlog aan verschillende kanten. Maar inmiddels zijn deze twee prominente gebieden op het gebied van online manipulatie onderdeel van een samenhangend verhaal geworden. Maria bekeek research van Russische journalisten om te begrijpen wat in haar eigen land gaande was en begon Rusland en de Filippijnen te zien als één frontlinie van digitaal autoritarisme. 

    Wereldomspannend narratief

    In Rusland ontstond bovendien nog een andere schijnbaar lokale kwestie die uitgroeide tot een wereldomspannend narratief. Toen Russische activisten en journalisten voor het eerst, in het vroege Poetin-tijdperk, de wereld probeerden duidelijk te maken dat het regime stoelde op diefstal uit staatsbezittingen en witwaspraktijken in westerse landen, haalden de meesten hun schouders op. Wat kan het schelen? Het was misschien niet goed voor Rusland, maar Londen en New York werden er rijker van en het Kremlin zwakker. Het kostte tien jaar moeizaam argumenteren en bewijs verzamelen om te laten zien dat het bij de corruptie in Rusland en Afrika, Centraal-Azië en het Midden-Oosten niet alleen ging om een lokale tragedie. Wij werden er net zo goed door geraakt. Corruptie was ook een manier om democratieën te infiltreren en ondermijnen, onze buitenlandpolitiek in opspraak te brengen, politici om te kopen, uiterst rechtse politiek een podium te geven. Er werd een elite gecreëerd die haar invloed en macht aanwendde om oorlogen te beginnen en ermee weg te komen, omdat westerse landen inmiddels afhankelijk waren van de onrechtmatige investeringen. Er werd een wereld gecreëerd waarin de rijken der aarde er andere regels op na houden, niet geplaagd door het binnenlandse recht waar dan ook. En zo werden de ongelijkheid en woede gevoed waardoor het geloof van burgers in democratische instellingen werd ondermijnd. En de vijand zat niet alleen in het Kremlin, het betrof ook tussenpersonen en witwassers op achtenswaardige kantoren in New York en Londen.

    Het was een hele klus om aan te tonen dat de tragedie van een ziekenhuis in Noord-Rusland, dat door bureaucraten was geplunderd om vastgoed in Londen te kopen, ook de mensen in het Pentagon aanging. Tegenwoordig staat corruptie (of preciezer: kleptocratie en witwasserij) centraal op de veiligheidsagenda van de nieuwe regering van de VS. Maar het heeft jaren hard werken gekost om de verbanden bloot te leggen die begraven liggen onder al het nepnieuws en de narcistische blik van de sociale media, en om van iets wat op het eerste oog een randverschijnsel leek een verhaal te maken dat in al onze levens speelt. 

    GettyImages 1235618775
    Pro-democratie-activisten van de politieke partij Liga van Sociaal-Democraten houden foto’s van politieke gevangenen vast tijdens een protest in Hongkong vorig jaar. © Anthony Kwan / Getty

    Dus dat is de opdracht: de als ranken ineengrijpende geschillen aan het licht brengen, de vervlochten wortels van de problemen die de wereld heviger dan ooit teisteren en waarvan de diepere betekenis nog moet worden onthuld. Vroeger bestond het grote verhaal van de democratie ergens boven ons hoofd, als een vliegtuig waar je in kon stappen vanaf een platform dat ‘mensenrechten’ heette. Nu gebruiken we schoppen. We gaan een hobbel te lijf die slechts een onregelmatigheid in een hoek van de tuin leek, maar als we hem uitgraven leiden de wortelstokken ons naar de tuin van de buren. Dit is een nieuwe missie van de journalistiek. Uitzoeken waarom een kwestie in Manilla ook te maken heeft met Silicon Valley en Moskou en jou. Het onverwachte raakpunt vinden tussen landen waarvan niemand ooit eerder dacht als onderdeel van een en dezelfde kaart. Want deze nieuwe lijnen bestaan. Ze hoeven niet te worden gecreëerd – ze moeten worden opgediept. En dan kan één afzonderlijk voorval staan voor vele andere en kan één krantenartikel over de grenzen resoneren. Nieuwe kijkers en lezers, die er nooit bij stilstonden dat ze iets gemeen hadden, kunnen worden bijeengebracht. En deze nieuwe journalistiek moet meer doen dan alleen nieuwe verbanden leggen en nieuwe kijkers en lezers verbinden – ze moet de contouren aangeven van de discussie die de oplossing aanreikt voor de blootgelegde kwesties en haar publiek de kans bieden om van passieve spelers te veranderen in deelnemers aan een herformulering van een toekomst. 

    We hebben de laatste jaren over de hele wereld meer protesten gezien dan in decennia het geval was

    Want hoewel het oude verhaal over ‘democratiseringsgolven’, over makkelijk gedefinieerde en herkenbare ‘mensenrechtenverklaringen’ is verbleekt, riskeren mensen nog steeds hun leven en levensonderhoud om te protesteren en te vechten voor… ja, waarvoor? We hebben de laatste jaren over de hele wereld meer protesten gezien dan in decennia het geval was. Van Hongkong tot Tbilisi, van Soedan tot Chili. En in Belarus natuurlijk. Belarus dat altijd werd weggezet als tevreden met z’n ontaarde dictator, met het compromis tussen stabiliteit en eenmansbewind. En toen ineens, hoe bestaat het, kwam het hele land in opstand. Niet alleen stedelijke liberalen, maar ook gepensioneerden en fabrieksarbeiders lieten van zich horen.

    Maar anders dan in 1989 denken we bij al deze protesten over de hele wereld niet aan een geheel. We zien ze niet als onderdeel van één onvermijdelijke, samenhangende Geschiedenis. De rechten waarvoor wordt opgekomen zijn erg verschillend. De regimes waartegen wordt gevochten houden zich niet per se aan de oude verschillen tussen democratieën en dictaturen. En toch kriebelt er nog steeds iets. Een soort onderliggende urgentie, een behoefte die niet kan worden bevredigd. Wat verbindt al deze uiteenlopende bewegingen? Wat zullen we aantreffen tijdens ons graafproces? Misschien houdt zich daarbeneden wel iets samenhangends schuil en leiden alle ranken naar een allesomvattend geheugen, iets levends, enorms, globaals, vreselijks – dat zich klaarmaakt om de epische bewijsschatten, de gigantische hoeveelheid data die getuigen van misbruik en misdaden jegens de menselijkheid, een doel én een betekenis te geven. 

  • Thomas Piketty: ‘De sociale kwestie moet weer de kern vormen van het politieke debat’

    Thomas Piketty: ‘De sociale kwestie moet weer de kern vormen van het politieke debat’

    Naar aanleiding van de Franse verkiezingen afgelopen juni schreef de Franse stereconoom over de huidige situatie in zijn land, waar volgens hem te weinig aandacht is voor de sociale kwestie. Onder andere omdat de identiteitskwestie de overhand kreeg.

    Is het mogelijk, zowel in Frankrijk als op Europese en internationale schaal, de uit drie lagen bestaande democratie achter ons te laten en opnieuw een kloof tussen links en rechts te creëren waarbij herverdeling en sociale ongelijkheid centraal staan? Dat was de inzet van de jongste Franse parlementsverkiezingen.

    Laten we om te beginnen de contouren van de drielagendemocratie nog eens onder de loep nemen die zich tijdens de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen hebben afgetekend. Tellen we de uitslagen van de verschillende linkse en groene partijen bij elkaar op, dan komt dit sociaal-ecologische blok uit op 32 procent van de stemmen. Kijken we naar de stemmen die zijn uitgebracht op Macron en Pécresse, dan zien we dat het liberale of centrumrechtse blok ook 32 procent van de stemmen heeft behaald. De drie kandidaten van het nationalistische of extreemrechtse blok (Le Pen, Zemmour, Dupont-Aignan) haalden precies dezelfde score van 32 procent. Als we de 3 procent die plattelandskandidaat Lasalle behaalde gelijkelijk over de drie blokken verdelen, komen we uit op drie vrijwel gelijke lagen.

    Deze driedeling is deels verklaarbaar vanwege de specifieke kenmerken van het Franse kiesstelsel en de politieke geschiedenis van het land, maar er liggen ook algemenere redenen aan ten grondslag. Laten we vooropstellen dat de drielagendemocratie geenszins het einde betekent voor de politieke kloof die is gebaseerd op uiteenlopende sociale klassen en economische belangen, integendeel zelfs. Het liberale blok behaalt veruit de beste resultaten bij de sociaal meest bevoorrechte kiezers, welk criterium ook wordt gehanteerd (inkomen, erfenis, opleiding), met name bij de oudsten onder hen. Als dit ‘bourgeoisblok’ een derde van de stemmen weet te vergaren, is dat ook voor een groot deel het gevolg van het feit dat de oudste en welvarendste Fransen de afgelopen decennia in groteren getale naar de stembus gaan dan de rest van de bevolking, iets wat eerder niet zo was.

    De facto heeft dit blok de synthese bewerkstelligd van de economische elite met oud of nieuw geld die van oudsher centrumrechts stemt en de gediplomeerde elite die sinds 1990 vrijwel overal de scepter heeft gezwaaid over centrumlinks. Als dit blok evenredig over alle sociaaldemografische groeperingen was verdeeld, zou het toch maar nauwelijks een kwart van de stemmen binnenhalen en nooit in zijn eentje kunnen regeren. Het linkse blok daarentegen zou ruimschoots aan kop gaan omdat dat het beste scoort bij het gewone volk, en vooral bij de jongsten onder hen. Ook het nationalistische blok zou vooruitgang boeken maar in mindere mate, omdat het gewone volk dat daarop stemt evenwichtiger over de leeftijdsgroepen zijn verdeeld.

    Links en het triomferende liberalisme

    In zekere zin zou je kunnen zeggen dat deze driedeling de drie grote ideologische families weerspiegelt die het Franse politieke leven al meer dan twee eeuwen bepalen: het liberalisme, het nationalisme en het socialisme. Sinds de industriële revolutie steunt het liberalisme op de markt en de sociale verschuivingen die de economie teweegbrengt en trekt het voornamelijk mensen aan die baat hebben bij het systeem. Het nationalisme is een antwoord op de sociale crisis die het gevolg is van de ontpersoonlijking van het land en de etno-nationale solidariteit, terwijl het socialisme niet zonder moeite universele emancipatie probeert te bevorderen door middel van onderwijs, kennis en het delen van de macht.

    Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt

    In meer algemene zin hebben we altijd al geweten dat het politieke conflict structureel instabiel en multidimensioneel is (de identitaire en religieuze kloof, de kloof tussen stad en platteland, de sociaaleconomische kloof et cetera) en niet kan worden teruggebracht tot een eendimensioneel links-rechtsconflict dat zich in de loop van de tijd opnieuw zal voordoen. Toch voerde in talrijke configuraties die we in het verleden hebben kunnen waarnemen, of in elk geval in die welke ons zijn bijgebleven, de sociale kwestie de boventoon en was die de belangrijkste spil in het sociale conflict door het tegenover elkaar zetten van een sociaal-internationalistisch links en een liberaal-conservatief rechts.

    Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt, deels omdat links toen het aan de macht kwam zijn hervormingsambities heeft gematigd en vaak het liberalisme heeft omarmd dat na de val van het communisme in zwang raakte, met als gevolg dat de identiteitskwestie de overhand heeft.

    Een riskante gok

    Wat kenmerkend is voor de drielagendemocratie is allereerst dat de werkende klasse sterk verdeeld is over migratie en de postkoloniale kwestie: stedelijke jongeren hebben minder moeite met integratie en stemmen over het algemeen links. Het minder jonge electoraat op het platteland daarentegen voelt zich in de steek gelaten en wendt zich tot het nationalistische blok. Het bourgeoisblok hoopt zich voor altijd te kunnen handhaven dankzij deze tweedeling, maar dat is een riskante gok, want de retoriek waarvan het nationalistische blok zich bedient, vaak aangemoedigd door het bourgeoisblok, is allesbehalve constructief en verergert het conflict alleen maar. In tegenstelling tot wat de andere blokken beweren is het linkse blok allerminst blind voor de veiligheidskwestie, maar wil het juist belastinggeld bestemmen voor de versterking van politie en justitie.

    De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme is volstrekt ongerijmd

    De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme, dat niet markt of staat centraal stelt maar de samenleving, is volstrekt ongerijmd. Dat jongeren met een migratieachtergrond massaal op het linkse blok stemmen is omdat dat hen als enige tegen het heersende racisme beschermt en het discriminatievraagstuk serieus neemt. Het wordt hoog tijd dat de sociale kwestie weer de kern vormt van het politieke debat in Frankrijk, niet omdat het volksblok per definitie gelijk heeft en het bourgeoisblok ongelijk (de noodzakelijke mate van herverdeling is nooit eenvoudig te bepalen), maar omdat sociale klassenconflicten meer stof tot nadenken bieden en de democratie in staat stellen te functioneren. Laten we hopen dat deze verkiezingen daarbij zullen helpen.

  • Autocratieën en fossiele brandstoffen gaan hand in hand

    Autocratieën en fossiele brandstoffen gaan hand in hand

    Democratieën boeken meer vooruitgang in de strijd tegen klimaatverandering dan autocratieën. Maar desinvesteringscampagnes kunnen ook de meest recalcitrante politiek leiders onder druk zetten.

    Op het eerste gezicht leek de klimmaattop van afgelopen herfst in Glasgow veel op zijn vijfentwintig voorgangers. Er waren:

    • een conferentiezaal ter grootte van een vliegdekschip waar breed werd uitgepakt door dubieuze partijen (zoals een gigantisch paviljoen van de Saoedi’s waar een ‘agenda voor een circulaire koolstofeconomie’ werd gepromoot);
    • eskaders van afgevaardigden die zich continu naar geheimzinnige sessies spoedden waar gepronkt werd met de resultaten van allerhande internationale milieubeschermingsprogramma’s, terwijl de echte onderhandelingen in een paar achterkamertjes plaatsvonden; 
    • oprechte betogers met uitstekende protestborden (‘De verkeerde Amazon brandt af’).

    Maar terwijl ik door de zalen en de omliggende straten dwaalde, viel me opnieuw op hoeveel er was veranderd sinds de laatste grote milieuconferentie in Parijs in 2015, en niet alleen omdat de CO2-niveaus en de temperaturen almaar hoger waren geworden.

    De grootste verandering betrof het politieke klimaat. In die paar jaar leek de wereld een sterke ommezwaai te hebben gemaakt van democratie naar autocratie, wat onze mogelijkheden om de klimaatcrisis te lijf te gaan dramatisch heeft beperkt. Allerlei oligarchen hadden de macht gegrepen en gebruikten die om de status quo te handhaven; de hele bijeenkomst had iets Potemkinachtigs, alsof iedereen zinnen uit een scenario opzei dat de feitelijke politieke situatie van de planeet niet langer weerspiegelde.

    Nu we hebben gezien hoe Rusland een oliegestookte invasie in Oekraïne heeft ondernomen worden we eens te meer met onze neus op deze trend gedrukt, maar Poetin is lang niet het enige geval. Hier volgen nog wat voorbeelden.

    ‘Alleen God…’

    In 2015 in Parijs stond de Braziliaanse delegatie onder leiding van Dilma Roussef van de Arbeiderspartij, die een grote rol had gespeeld bij de beperking van de ontbossing van het Amazonegebied. In sommige opzichten kon Brazilië claimen dat het meer had gedaan om de klimaatschade te beperken dan enig ander land, simpelweg door de houtkap af te remmen. Maar in 2021 had Jair Bolsonaro de leiding, het hoofd van een regering die opkwam voor elke grote veeboer en mahoniestroper in het land. Als mensen zo begaan waren met het klimaat, zei hij, dan konden ze minder eten en ‘om de dag poepen’. En als ze zo begaan waren met de democratie, dan konden ze… de gevangenis in. ‘Alleen God kan me het presidentschap ontnemen,’ verkondigt hij in aanloop naar de verkiezingen dit jaar.

    Of neem India, dat gezien de verwachte toename van zijn energieverbruik misschien wel het land is waar het allemaal om draait en dat de Indiase Greta Thunberg zelfs een visum had geweigerd om de conferentie bij te wonen. (In elk geval zat Disha Ravi niet langer in de gevangenis.)

    Of Rusland (waarover straks meer) of China; tien jaar geleden konden we, zij het enigszins voorzichtig en niet geheel risicoloos, nog klimaatbetogingen in Beijing houden. Dat laat je nu wel uit je hoofd.

    Of, natuurlijk, de VS, waarvan de ernstige democratische gebreken lange tijd de klimaatonderhandelingen hebben gehinderd. Dat we het moeten doen met een systeem van vrijwillige toezeggingen in plaats van een bindende wereldwijde overeenkomst komt doordat de wereld uiteindelijk doorkreeg dat er nooit 66 stemmen in de Amerikaanse Senaat te vinden zouden zijn voor een echt verdrag.

    Die andere Joe

    Joe Biden had verwacht bij de gesprekken te arriveren met het Build Back Better-investeringsplan in zijn achterzak, dat op tafel te gooien en tegen de Chinezen op te bieden, maar die andere Joe, Joe Manchin uit West Virginia, de grootste individuele ontvanger van fossielebrandstofgelden in Washington DC, stak daar een stokje voor. In plaats daarvan verscheen Biden met lege handen en liepen de gesprekken uit op een zeperd.

    De bevolking snakt naar actie tegen klimaatverandering

    En dus stonden we oog in oog met een wereld waarvan de bevolking snakte naar actie tegen klimaatverandering, maar waarvan de systemen daarin niet voorzagen. In 2021 hield het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) een opmerkelijke wereldwijde opiniepeiling, waarbij de vragen via videogamenetwerken werden gesteld om ook mensen te bereiken die niet zo snel reageren op traditionele enquêtes. Zelfs tijdens de covidpandemie noemde 64 procent van de respondenten de klimaatverandering een ‘wereldwijde noodtoestand’ en drongen ze aan op een ‘veelomvattend klimaatbeleid dat verder gaat dan het huidige gefröbel’. Volgens UNDP-directeur Achim Steiner ‘laten de uitslagen van de enquête duidelijk zien dat acute klimaatactie overal te wereld brede steun geniet, ongeacht nationaliteit, leeftijd, geslacht of opleidingsniveau’.

    Het ironische is dat sommige milieubeschermers zo nu en dan naar minder democratie hebben verlangd, niet naar meer. Natuurlijk, als er overal alleen maar sterke mannen aan de macht waren, dan konden die gewoon de moeilijke beslissingen nemen en ons op het rechte pad brengen, zonder dat we last hadden van de voortdurende grillen van verkiezingen, lobbyisten en plaatselijke overheden.

    Verkeerd

    Maar dit is om minstens één morele reden verkeerd: sterke mannen die in staat zijn onmiddellijk tegen de klimaatcrisis in actie te komen zijn ook in staat op veel andere gebieden onmiddellijk in actie te komen, waarvan de bevolking van Xinjiang en die van Tibet zouden kunnen meepraten als ze hun mond mochten opendoen. Het is ook verkeerd om een aantal praktische redenen.

    Die praktische redenen beginnen met het feit dat autocraten rekening moeten houden met gevestigde belangen. Modi maakte tijdens zijn campagne om premier van de grootste democratie ter wereld te worden gebruik van de zakenjet van Adani, het grootste steenkolenbedrijf van het subcontinent. En reken maar dat er een fossiele lobby in China is; die vertelt Xi op ditzelfde moment dat economische groei afhankelijk is van meer steenkool.

    Autocraten zijn vaak een rechtstreeks uitvloeisel van fossiele brandstoffen

    Daar komt bij dat autocraten vaak een rechtstreeks uitvloeisel van fossiele brandstoffen zijn. Olie en gas zijn geconcentreerd op een paar plekken op de wereld, en daarom krijgen de mensen die erbovenop wonen of die plekken op een andere manier in hun greep hebben enorme hoeveelheden onterechte en ongebreidelde macht.

    Boris Johnson was kortgeleden in Saoedi-Arabië om wat koolwaterstoffen te ritselen, de dag nadat de koning 81 mensen die hem niet aanstonden had laten onthoofden. Zou iemand ook maar enige aandacht aan de Saoedische koninklijke familie besteden als ze geen olie bezaten? Nee. Net zomin als dat de gebroeders Koch de Amerikaanse politiek zouden hebben kunnen domineren op grond van hun ideeën; toen David Koch in 1980 een libertaire gooi naar het Witte Huis deed kreeg hij bijna geen stemmen. Dus besloten hij en zijn broer Charles van hun inkomsten als Amerika’s grootste olie- en gasbaronnen de Republikeinse Partij op te kopen, en de rest is (disfunctionele) politieke geschiedenis.

    Het behoeft nauwelijks betoog dat het opvallendste voorbeeld van dit fenomeen Vladimir Poetin is, een man wiens macht vrijwel geheel berust op de productie van spul dat je kunt verbranden. Als ik door mijn huis loop, vind ik volop elektronica uit China, textiel uit India, allerlei spullen uit de EU, maar niets waar ‘made in Russia’ op staat. Zestig procent van de export waarmee hij zijn leger bekostigt is afkomstig van olie en gas, en al het politieke machtsvertoon waardoor het Westen zich laat koeioneren vloeit voort uit het feit dat hij de gaskraan in handen heeft. Hij en zijn afschuwelijke oorlog zijn het product van fossiele brandstoffen, en zijn belangen in fossiele brandstoffen hebben de rest van de wereld in belangrijke mate gecorrumpeerd. 

    Despotisme

    Laten we niet vergeten dat Donald Trumps eerste minister van Buitenlandse Zaken, Rex Tillerson, drager is van de Orde van Vriendschap, persoonlijk op zijn revers gespeld door Poetin als dank voor de enorme investeringen die Tillersons bedrijf (lees: Exxon) in het noordpoolgebied heeft gedaan, een regio die inmiddels rijp is voor exploitatie omdat hij, eh, is gesmolten. En die jongens laten elkaar niet barsten: het is volkomen logisch dat toen Coca-Cola, Pepsi, Starbucks en Amazon Rusland vorige maand verlieten, Koch Industries bekendmaakte dat ze bleven waar ze waren. Het familiebedrijf is tenslotte begonnen met het bouwen van raffinaderijen voor Stalin.

    Je kunt ook zeggen dat koolwaterstoffen van nature goed samengaan met despotisme omdat ze over een grote energiedichtheid beschikken en daarom erg waardevol zijn; geografisch en geologisch gezien is de doorvoer ervan relatief gemakkelijk. Eén pijpleiding, één olieterminal volstaan.

    Zon en wind zijn veel democratischer: die zijn overal beschikbaar en diffuus

    Terwijl zon en wind in dit opzicht veel democratischer zijn: die zijn overal beschikbaar en diffuus in plaats van geconcentreerd. Ik kan geen olieput in mijn achtertuin hebben omdat daar, zoals in bijna alle achtertuinen, geen olie zit. En zelfs als er een olieput was, zou ik wat ik oppompte aan een raffinadeur moeten verkopen, en aangezien ik Amerikaan ben, zou dat vermoedelijk een bedrijf van Koch zijn. Maar wel kan ik een zonnepaneel op mijn dak hebben (en dat heb ik ook); mijn vrouw en ik runnen onze eigen minuscule oligarchie, geïsoleerd van de marktkrachten die de Poetins en de Kochs ontketenen en exploiteren. De kosten van zonne-energie zijn dit jaar niet gestegen, en zullen dat volgend jaar ook niet doen.

    Vuistregel

    Een vuistregel is dat gebieden met de gezondste democratieën die het minst worden gegijzeld door gevestigde belangen het succesvolst zijn in de strijd tegen klimaatverandering. Kijk wereldwijd maar naar IJsland of Costa Rica, in Europa naar Finland en Spanje, in de VS naar Californië en New York. Dus milieuactivisten moeten zorgen dat ze voor functionerende democratische staten werken, waar een werkzame toekomst belangrijker is dan gevestigde belangen, ideologie en persoonlijk leengoed.

    Maar gezien de fysische tijdsbeperkingen – de alom aanwezige noodzaak om snel actie te ondernemen – kan dat niet de hele strategie zijn. De activisten zijn misschien wel een beetje te veel gefocust geweest op de politiek als bron van verandering en hebben onvoldoende oog gehad voor dat andere machtscentrum in onze beschaving: geld.

    Als we de financiële reuzen van deze wereld er op een of andere manier toe zouden kunnen overhalen of dwingen om te veranderen, zou dat ook tot snelle vooruitgang leiden. Misschien nog wel snellere, omdat een hoog tempo eerder het kenmerk van de beursvloer is dan van een parlement.

    En hier is de situatie een klein beetje rooskleuriger. Neem mijn eigen land. De politieke macht heeft zich in de meest Republikeinse, meest corrupte delen van Amerika gevestigd. De senatoren die relatief gesproken een handjevol mensen in dunbevolkte staten in het westen vertegenwoordigen zijn in staat ons politieke leven lam te leggen, en die senatoren staan bijna allemaal op de loonlijst van grote oliemaatschappijen. Maar het geld dat is vergaard in de Democratische delen waar op Biden wordt gestemd, is goed voor zeventig procent van de economie.

    Dat is één reden waarom sommigen van ons zo hard hebben gewerkt aan campagnes voor bijvoorbeeld desinvestering in fossiele brandstoffen; we hebben grote overwinningen geboekt bij pensioenfondsen in New York en het onmetelijke universiteitssysteem van Californië, zodat we de grote oliemaatschappijen flink onder druk hebben kunnen zetten. Nu doen we hetzelfde met de grote banken die de financiële levensader van de olie-industrie vormen. We beseffen heel goed dat we Montana of Mississippi misschien nooit aan onze kant zullen krijgen, dus kunnen we beter een paar oplossingen bedenken die daar niet van afhankelijk zijn.

    Wereldwijd

    Hetzelfde geldt wereldwijd. We zullen misschien niet in staat zijn onze zaak in Beijing of Moskou te bepleiten, en ook in Delhi lukt dat steeds minder. Alleen al om die reden is het nuttig dat de geldpotten in Manhattan, in Londen, in Frankfurt en in Tokio blijven. Daar kunnen we tenminste nog wat lawaai maken.

    En het zijn plekken waar een reële kans bestaat dat dat lawaai wordt gehoord. Regeringen zijn geneigd mensen te bevoordelen die hun fortuin al hebben gemaakt, industrieën die al bloeien: zij hebben werknemers die en bloc naar de stembus gaan, en zij kunnen zich het smeergeld veroorloven. Maar investeerders gaat het om bedrijven die hierna geld zullen verdienen. Daarom is Tesla op de beurs veel meer waard dan General Motors, zij het niet in de zalen van het Amerikaanse Congres.

    Als we de wereld van het geld kunnen overhalen om in actie te komen, kan het heel snel gaan

    Bovendien, als we de wereld van het geld kunnen overhalen om in actie te komen, kan het heel snel gaan. Als bijvoorbeeld Chase Bank, momenteel de grootste geldschieter ter wereld van de fossiele-brandstofindustrie, dit jaar zou aankondigen dat die steun in hoog tempo zal worden afgebouwd, dan zou dat nieuws zich binnen enkele uren naar alle aandelenbeurzen verspreiden. Daarom vonden sommigen van ons het de moeite waard om steeds grotere campagnes tegen deze financiële instellingen te lanceren, en zich vanuit hun lobby’s naar de gevangenis te laten afvoeren.

    De wereld van het geld is minstens even onevenwichtig en oneerlijk als de wereld van de politieke macht, maar op zo’n manier dat milieuactivisten er iets gemakkelijker vooruitgang kunnen boeken.

    Groteske oorlog

    Poetins groteske oorlog is misschien de plek waar sommige van deze losse draden bij elkaar komen. Het is een illustratie van de manier waarop fossiele brandstof autocratie in de hand werkt, en van de macht die autocraten ontlenen aan de controle over schaarse middelen. Het heeft ons ook laten zien dat de macht van financiële systemen de meest recalcitrante politieke leiders onder druk kan zetten: Rusland wordt op een systematische en effectieve manier afgestraft door banken en bedrijven, al zouden die nog veel meer kunnen doen, zoals mijn Oekraïense collega Svitlana Romanco en ik kortgeleden hebben betoogd. Ook kan de schok van de oorlog de vastbeslotenheid en eensgezindheid van de resterende democratieën op de wereld versterken en, zo mogen we hopen, de aantrekkingskracht van aspirant-despoten als Donald Trump verminderen.

    Maar we hebben jaren, geen decennia, om de klimaatcrisis tot op zekere hoogte een halt toe te roepen. Momenten als dit zullen we niet meer krijgen. De dappere bevolking van Oekraïne vecht misschien wel voor meer dan ze zelf beseft.

    Lees ook:

  • Waarom we niet langer in de val van techniek moeten trappen

    Waarom we niet langer in de val van techniek moeten trappen

    Het antwoord op de schadelijke bijwerkingen van ons digitaliseringsenthousiasme is keer op keer: méér technologie. Het is hoog tijd voor een nieuw beeld van onszelf en van de natuur.

    De mens is een dier, en dus kwetsbaar. Als dieren maken we deel uit van natuurprocessen waaraan we ons moeten aanpassen. Die processen kunnen we weliswaar door wetenschap en techniek beïnvloeden, maar de gedachte dat we ze volledig zouden kunnen doorgronden en zelfs controleren is een gevaarlijke illusie. Zo heeft de pijlsnelle natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang sinds de industrialisering er mede aan bijgedragen dat we in dit tijdperk van de klimaatcatastrofe onze hoop al te letterlijk zien wegspoelen.

    De technologisering van onze leefwereld heeft niet alleen een verbetering van onze leefomstandigheden tot gevolg, maar grijpt ook diep in in natuurprocessen, zonder dat we de gevolgen kunnen overzien. Steeds opnieuw worden we door deze gevolgen overrompeld, waarna we de ongewenste schadelijke bijwerkingen van de moderniteit besluiten te compenseren door de technologisering nog eens te versnellen. Kortom: we zitten vast in een vicieuze cirkel waar we uit moeten zien te raken.

    Surrogaatwerkelijkheden

    In de afgelopen decennia zijn onzichtbaar smeulende brandhaarden veranderd in rampscenario’s die ons dagelijks leven op angstaanjagende wijze vormgeven. De algemene infrastructuurcrisis, die zich op allerlei manieren over heel Duitsland verspreidt, is – in combinatie met de merkbare effecten van klimaatverandering – uitgegroeid tot een tragische overstromingsramp [afgelopen zomer] die ook nog eens samenvalt met een pandemie die nog lang niet voorbij is. En zo komen de verschillende crisisfenomenen die zich de afgelopen decennia hebben opgehoopt tot een complexe meervoudige crisis in botsing met onze illusies over de werkelijkheid. De meest fundamentele illusie is de misvatting dat wij de gigantische problemen waarmee we als kwetsbare dieren te maken hebben door middel van technologie zouden kunnen verhelpen.           

    De vlucht in digitale surrogaatwerkelijkheden is deel van het probleem en brengt juist catastrofale gebeurtenissen voort. Wie meent het luchtalarm te kunnen vervangen door waarschuwingsappjes, of van een corona-app verwacht dat die een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het beëindigen van de pandemie, is slachtoffer van deze wereldvreemde vergissing. 

    Like na like, klik na klik, tweet na tweet dragen we bij aan de klimaatcatastrofe

    Like na like, klik na klik, tweet na tweet dragen we bovendien bij aan de klimaatcatastrofe omdat ook data CO2 uitstoten, om maar te zwijgen van de hardware van smartphones en tablets die voor ontelbare onlinemeetings en als tijdverdrijf worden ingezet en vandaag al het elektronisch afval van morgen vormen.

    Het is daarom hoog tijd om ons natuur- en mensbeeld radicaal te herzien. Een eerste stap in de juiste richting is de erkenning dat natuurwetenschappelijke modellen nooit toereikend zullen zijn om de werking van de natuur in en buiten ons helemaal te begrijpen.

    Bescheidener

    Het gevaarlijke idee dat we de huidige smeulende crisishaarden technocratisch zouden kunnen uitdoven, verergert de crises. ‘Technocratie’ staat voor de gedachte dat de wetenschap (een term waarmee ten onrechte meestal slechts naar een paar natuur- en technische wetenschappen wordt verwezen) aanbevelingen doet aan de politiek, die deze dan implementeert in haar beleidsterreinen. Maar wat de wetenschap ontdekt over de manier waarop de natuur functioneert, is nooit voldoende om politieke of zelfs ethische beslissingen op te baseren.  

    We staan in de eenentwintigste eeuw allang op een keerpunt in de moderne tijd. Het komt er nu op aan ons begrip van de verhouding tussen mens en natuur radicaal te herzien. De manier waarop we over de natuur denken moet bescheidener worden. De grote menselijke bijdrage aan de klimaatverandering is het resultaat van onze dwangmatige pogingen tot onderwerping van de natuur; de brute sociaaleconomische ongelijkheid op onze planeet is de uitkomst van een meedogenloze industrialisering en een puur economisch georganiseerde globalisering; de veelgeprezen digitalisering bevordert de klimaatverandering en zorgt bovendien voor een crisis van de democratie, omdat ze nieuwe vormen van verval van de openbaarheid veroorzaakt – zoals nepnieuws en sociale netwerken –, die dankzij de heersende aandachtseconomie het democratische zelfbestuur aantasten. Dat zien we niet alleen in de VS, maar ook in Duitsland.

    Het beeld dat ik hier schets is geen cultuurpessimisme; het gaat om een veranderbare stand van zaken

    Natuurlijk is er op zichzelf niets tegen natuurwetenschappelijke en technologische vooruitgang. Integendeel, we hebben er onder meer alternatieve vormen van energie en vaccins aan te danken. Maar wanneer de energietransitie halfslachtig wordt uitgevoerd en vaccins niet globaal op de juiste manier – dus ethisch doordacht – verdeeld worden, verslechtert opnieuw juist die situatie die we door snelle vooruitgang onder controle probeerden te krijgen.

    Transformatie

    Het beeld dat ik hier schets is geen cultuurpessimisme; het gaat om een veranderbare stand van zaken. Dat we inzetten op technocratie in plaats van op ethisch doordachte eigen verantwoordelijkheid van de mensen op alle niveaus van de samenleving (individu, familie, gemeenschap, bondsland et cetera) is een misstand die is ontstaan door een gebrek aan inzicht en kan worden verholpen.

    Wat wij nodig hebben is niets minder dan een volledige transformatie van onze samenleving. Deze moet niet langer door wetenschap en techniek worden bestuurd, maar vanuit de ethisch-filosofische reflectie over wie wij als mensen zijn en in de toekomst willen zijn. Dat veronderstelt dat we ons bewust worden van ons dier-zijn. Nooit zullen we in staat zijn alle ziekten en levensrisico’s te elimineren; nooit zullen we een infrastructuur en een maatschappijvorm kunnen realiseren die tegen alles bestand is. Op elk moment in ons leven is vrijwel alles in beweging zodat de stand van zaken steeds opnieuw moet worden bekeken, doordacht en aangepast om overeind te blijven. Wij kunnen alleen overleven als we ons bestaan voortdurend reorganiseren. 

    Wij zijn en blijven zolang we als soort bestaan gebonden aan de analoge werkelijkheid

    Dat in Duitsland de infrastructuur al enkele decennia op instorten staat onder druk van een versnelde moderniteit, is niet op te lossen met de kreet ‘digitalisering’. De verwoeste spoorwegen, bruggen en straten in het Ahrdal, de snelwegen, het railsysteem en, niet te vergeten, de geruïneerde schoolgebouwen waarin we onze kinderen op onverantwoordelijke wijze opleiden voor een leven vol verantwoordelijkheden – daar is een tablet niet tegen opgewassen. Het leven laat zich niet digitaliseren, wij zijn en blijven zolang we als soort bestaan gebonden aan de analoge werkelijkheid.

    Toekomstproject

    Daarom is duurzaamheid en niet digitalisering het toekomstproject waaraan we met z’n allen moeten werken. Analogisering in plaats van digitalisering. Concreet betekent dit dat we onze doelstelling – zowel individueel als collectief – moeten richten op dat wat bestaat, en hoe we vanaf daar uit kunnen breiden. In plaats van permanente revolutie vereist dit doordachte renovatie en voortdurende evaluatie, waarbij we afgaan op de natuurlijke omstandigheden zoals die in de loop van miljoenen jaren op onze planeet zijn ontstaan. De infrastructuur van onze steden en onze bewegingspatronen moeten zich aanpassen aan de reële behoeften van de mens als dier, wiens habitat (waartoe niet alleen de aarde zelf behoort, maar evengoed de in de loop van vele miljoenen jaren ontstane atmosfeer) we eenvoudigweg niet onder controle hebben.

    De destructieve hoge snelheid van de moderne tijd moet worden vervangen door een consequent onthaaste levensvorm, die niet van bovenaf wordt opgelegd, maar van onderaf ontstaat. Daartoe hebben we een nieuwe Verlichting nodig, die voor iedereen toegankelijk is.

    Om ware duurzaamheid te bereiken, moeten we werken aan onze kwaliteit van leven.  Onze maatstaven moeten veranderen. In plaats van kwantitatieve, meetbare, economische criteria moet kwaliteit van leven in onze democratische zelforganisatie centraal komen te staan. Wat we nodig hebben is een plek waar we goed en graag leven, in plaats van een land waarvan de infrastructuur en bureaucratie ons dagelijks bedreigen, overbelasten en deprimeren. De staat mag geen controleapparaat zijn dat buiten onze zelfbeschikking om opereert, maar moet door iedereen worden ervaren als iets wat we met onze kleine en grote beslissingen mede vormgeven, ook buiten verkiezingstijd om. Democratische zelfwerkzaamheid moet dagelijks gepraktiseerd worden. Binnen een democratie is politiek geen zaak van politici, maar van de soevereiniteit die ons allemaal op elk moment van ons leven toebehoort.

    De nieuwe Verlichting kan alleen plaatsvinden als het tijdperk van het leven aanbreekt, zoals filosoof Corine Pelluchon dat noemde [‘Les Lumières à l’âge du vivant’]. Het leven is onberekenbaar, maar het is mooi. De schoonheid van het leven is de bron van de zin, die in het leven zelf verscholen ligt. Wij ervaren die als de kwaliteit van leven, die onlosmakelijk verbonden is met onze dierlijke natuur. Daarom is het nu tijd om een politiek gericht op levenskwaliteit na te streven, waarin mens als dier centraal staat.

    Lees ook: