Hoe kan het dat politici die een loopje nemen met de waarheid toch zo succesvol zijn? Het Duitse weekblad Die Zeit zet een aantal oorzaken op een rij.
Een van de grootste rariteiten van de Brexit-campagne was het verhaal van de 350 miljoen pond. Volgens voorstanders van de uittreding maakte Groot-Brittannië dat bedrag wekelijks over aan de EU. De campagnevoerders zetten die bewering als reuzenslogan op de knalrode bus waarmee ze door het land reden. Het bedrag klopte niet, want als rekening wordt gehouden met de korting die de Britten krijgen en het geld dat Brussel weer naar Londen overmaakt, beloopt de bijdrage rond 136 miljoen pond, nog niet eens de helft dus. Maar de bus reed gewoon door.
De weinige voorstanders van Brexit die de moeite namen te reageren op de kritiek goten het bedrag in een ietwat andere vorm. Ze hadden het dan over 50 miljoen pond… per dag. Het was dezelfde onwaarheid in een nieuw jurkje.
Hoe is het mogelijk dat deze en tal van andere onwaarheden de campagne kennelijk geen schade hebben gedaan? Het antwoord op die vraag is niet zozeer interessant omdat de keuze voor een Brexit er afdoende mee te verklaren zou zijn. Er waren andere en betere gronden om voor de uittreding te stemmen. Het zou verkeerd zijn om te suggereren dat de ja-stemmers te onnozel waren om de juiste keuze te maken. Dat zou dezelfde verwaande houding zijn als die van de liberale EU-profiteurs, die de woede op de EU juist heeft doen toenemen. Nee, het is niet de bedoeling om de voorstanders van de uittreding met terugwerkende kracht onmondigheid toe te dichten, maar om te begrijpen waarom leugens politici geen schade meer doen. Het antwoord is tevens interessant omdat de vraag niet alleen in Groot-Brittannië rijst, maar ook in de VS, in Duitsland en eigenlijk in alle landen die zich lange tijd op hun gezonde democratische verstand hebben laten voorstaan.
In 2003 stelde het Pentagon alles in het werk om te verhullen dat de “feiten” waarmee de inval in Irak werd gerechtvaardigd helemaal geen feiten waren
Een groot deel van Donald Trumps verkiezingsstrijd steunt op onware uitspraken. De criminaliteit neemt toe, Hillary Clinton gaat alle gevangenen vrijlaten, de VS betaalt miljarden aan de NAVO, de Amerikaanse regering helpt illegale immigranten het land in, Barack Obama wil 250.000 Syriërs opnemen. Deze uitspraken zijn aantoonbaar onwaar, de meeste zelfs ver bezijden de waarheid. Maar ze schaden Trump niet. Evenmin schaadt het de Alternative für Deutschland (AfD) wanneer die een complete campagne voert op basis van de onware uitspraak dat de Bondsregering het baar geld wil afschaffen. Al deze uitspraken hebben gemeen dat ze de verwachtingen bevestigen van de mensen die als kiezers moeten worden gewonnen. En mensen vinden het fijn als ze in hun verwachtingen worden bevestigd. Wie vanuit Brussel toch al niet veel goeds verwacht, slikt nieuwe beschuldigingen voor zoete koek. De ontvankelijke geest maakt de onwaarheden tot een succes.
Interessant genoeg zijn het dezelfde hoofdrolspelers die om het hardst beweren dat alleen zij de waarheid vertellen en dat alle anderen liegen. ‘Mut zur Wahrheit’ is de slogan van de AfD, ‘Leugenachtige Ted’ noemde Trump zijn rivaal Ted Cruz, die op zijn beurt zijn autobiografie de titel A Time for Truth gaf.
‘Waarheid’ is zo tot een strijdwapen geworden en feiten zijn niet meer de norm in openbare debatten. Daarmee lijkt een einde te komen aan een tijdperk dat zeker al sinds de Verlichting loopt en waarvan het paradigma al in de middeleeuwen is ontstaan: het tijdperk van de feiten is voorbij.
Hoe is het allemaal begonnen? Het is interessant om terug te kijken hoe de heerschappij van de feiten is ontstaan. De historica Jill Lepore van Harvard University en de politiek econoom Will Davies (University of London) hebben er beiden lezenswaardige verhandelingen over geschreven. Lepore herinnert eraan hoe de mens heeft gediscussieerd en gestreden alvorens feiten beslissend werden, waarbij ook het gebruik van wapens niet werd geschuwd. Eerst in zogenaamde gerechtelijke tweegevechten en later in duels trad men tegen elkaar in het strijdperk – en wie won, had gelijk. De uitkomst was de motivatie van het oordeel. De hogere instantie was God, iets bovennatuurlijks dat uitmaakte welke sterfelijke moest winnen.
Vervolgens wilden de mensen zelf een besluit nemen. In 1215 schafte de kerk het gerechtelijke tweegevecht af en voerde Engeland met de Magna Charta het ‘wettelijk oordeel’ in. In plaats van het mysterieuze goddelijke oordeel telde vanaf dat moment de door mensen waarneembare realiteit, het bewijs. De regel werd omgedraaid: niet meer wie won had gelijk, maar wie gelijk had won. Mensen werden op basis van bewezen daden veroordeeld en debatten werden op basis van feiten gevoerd.
Een feit is alles wat kan worden waargenomen en ondubbelzinnig is. Feiten moeten voor iedereen gelijk zijn om als basis voor debatten te kunnen dienen. Daarvoor zijn twee dingen nodig. Ten eerste neutrale instellingen die volgens uniforme maatstaven werken en de feiten leveren. Lange tijd waren dat de overheidsbureaus voor de statistiek en de universiteiten. En wat nog belangrijker is: het tijdperk van de feiten heeft mensen nodig die gebruikmaken van hun verstand. Bij twijfel moet iedereen in staat en voornemens zijn om uitspraken op plausibiliteit te toetsen. Zijn ze in tegenspraak met andere plausibele uitspraken of met wat ik met mijn zintuigen als realiteit waarneem?
De heerschappij van de feiten is natuurlijk altijd een ideaal gebleven, want helemaal verwezenlijkt is zij niet. Net als iedereen verdraaiden politici feiten in hun voordeel en soms logen ze zelfs. Maar ze mochten er niet op worden betrapt. In 2003 stelde het Pentagon alles in het werk om te verhullen dat de ‘feiten’ waarmee de inval in Irak werd gerechtvaardigd helemaal geen feiten waren. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, die deze leugens in de vergadering van de VN vertelde, werd ontmaskerd, en daarmee was zijn politieke carrière ten einde.
The Huffington Post telde in een één uur durende toespraak van Trump 71 als feiten gepresenteerde onwaarheden
Tegenwoordig lijkt liegen minder gevolgen te hebben. The Huffington Post telde in een één uur durende toespraak van Trump 71 als feiten gepresenteerde onwaarheden. Dit absurd hoge aantal wijst erop dat Trump, anders dan Powell, helemaal niet meer de pretentie heeft om zich aan de feiten te houden. En het maakt hem niets uit als hij wordt betrapt. ‘Calling bullshit’ noemen de Amerikanen dat: de kletspraat als zodanig benoemen. Bij PolitiFact en Politico, maar ook bij The Washington Post en The New York Times zijn journalisten actief om uitspraken van politici te verifiëren. Het zijn de schoonmaakploegen, die het publieke debat van halve waarheden en complete leugens proberen te zuiveren. Het is een ondankbare taak. Enerzijds omdat het zo veel eenvoudiger is om met modder te gooien dan om die weg te poetsen. En anderzijds omdat de feitencontroleurs nauwelijks weten door te dringen met hun eerzame betweterijen. Aantrekkelijke onwaarheden die eenmaal de wereld in zijn geholpen, zijn vrijwel niet meer weg te werken. De ‘factcheckers’ van Politico zeggen over hun werk: ‘Behalve politieke diehards schenkt niemand er veel aandacht aan.’
In Duitsland is het niet anders. Het beste voorbeeld zijn de geruchten over vluchtelingen die in de afgelopen maanden de ronde deden. Verkrachtingen, moorden, diefstal: verhalen over criminele vluchtelingen verspreidden zich vooral snel in de turbulentste fase van de crisis in de herfst van vorig jaar – ook al was er in heel veel gevallen weinig tot niets van waar. Namen plaatselijke kranten of het internetproject Mimikama de moeite om de berichten te verifiëren, dan kregen ze voor hun rectificaties nog maar een fractie van de aandacht. Bij tegenstanders van het toelaten van vluchtelingen komt de weerlegging van geruchten vaak niet aan omdat ze op internet altijd alleen maar meer krijgen van wat ze al hebben aangeklikt: meer geruchten over vluchtelingen.
Niet alleen vastberaden populisten bij de AfD, maar ook andere politici nemen het niet meer zo nauw met de feiten. Minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière zei eerder dit jaar dat 30 procent van de vermeende Syriërs in Duitsland helemaal niet uit Syrië kwam. Bewijs hiervoor heeft zijn ministerie nooit kunnen leveren.
Kennelijk zijn de zuilen waarop de heerschappij van de feiten rustte aan het wankelen geraakt.
Op de eerste plaats zijn dat de instellingen die verantwoordelijk zijn voor de feiten. Die zijn gepolitiseerd, zegt de politiek econoom Davies. Als feiten en cijfers de maatstaven in publieke debatten zijn, willen politici en belangengroepen dat zij daardoor worden gestaafd. Elke partij houdt er eigen feitenleveranciers op na en probeert met hun hulp het eigen standpunt een aura van wetenschappelijke onaantastbaarheid te verlenen. Uiteindelijk ziet de politiek eruit als een ‘wetenschappelijke oefening’, schrijft Davies: een aaneenschakeling van probleemscenario’s waarvoor telkens een optimale oplossing is. Die moet je alleen maar zien te vinden, met behulp van zo veel mogelijk informatie. Daarvandaan is het nog maar een kleine stap naar een politiek ‘zonder alternatief’, zoals Angela Merkel die beroemd heeft gemaakt. Zo heeft de politiek de wetenschap gepolitiseerd en verzwakt, stelt Davies. ‘Evidence based politics, op bewijs gestoelde politiek, is er al te lang om nog zomaar voor lief te worden genomen. De mensen begrijpen dat het vaak een hoop op politiek gestoeld bewijs betreft.’
Genoeg van deskundigen
Nu was de wetenschap nooit onschuldig. De nazi’s misbruikten al wetenschappelijke en pseudowetenschappelijke inzichten om hun vernietigingen te motiveren. Nieuw is dat de wetenschappers inmiddels al zo in diskrediet lijken te zijn gebracht dat veel mensen hen principieel niet meer geloven. In het debat rond Brexit werd dat een probleem voor de Remain-campagne. ‘Wanneer de tegenstanders van uittreding met hun feiten, voorspellingen en modellen kwamen, hoopten ze dat die zouden worden ontvangen als iets wat buiten het politieke gekissebis stond,’ schrijft Davies. Ze hoopten nog op de neutrale autoriteit van de feiten.
Maar juist de economie, het terrein waarop de voorstanders van de EU verondersteld werden de duidelijkste voordelen te hebben, geldt nauwelijks nog als apolitieke wetenschap. Wie zich tegenwoordig op het IMF beroept, zoals ook de tegenstanders van Brexit deden, plaatst zichzelf vooral politiek gezien in het kamp van het mondiale financiële liberalisme. Zo ontstond uit de feiten die de tegenstanders aanvoerden in de ogen van veel kiezers opnieuw een vooringenomen verhaal: even waar als dat van de tegenpartij, alleen droger en bovendien meer belerend. De Conservatieve politicus Michael Gove, een van de belangrijkste voorstanders van Brexit, vatte het aldus samen: ‘Het Britse volk heeft genoeg van deskundigen.’
De teloorgang van de feiten heeft twee tegengestelde spirituele stromingen van de afgelopen decennia in de hand gewerkt. Aan de ene kant het religieuze fundamentalisme: de waarheid kan alleen van God komen. En aan de andere kant het academische postmodernisme, waarvoor zoiets als een objectieve waarheid toch al niet bestaat, omdat realiteit door taal tot stand wordt gebracht. Religieuze fundamentalisten en linkse academici zijn het erover eens ‘dat empirie een misvatting is’, zoals Lepore het formuleert.
En dan het internet. Nee, dat is niet schuldig aan de Brexit. Het maakt alleen de verspreiding van de bullshit eenvoudiger en de controle lastiger. Op internet verspreiden de luidruchtigste, emotioneelste berichten zich het snelst, ongeacht of ze inhoudelijk kloppen. Bovendien staat elk bericht op zichzelf, en als dat elders wordt weerlegd, worden andere lezers bereikt. Blogger en auteur Sascha Lobo schrijft: ‘De publieke opinie op internet in de huidige vorm heeft geen geheugen, maar laat zich leiden door overhaaste, emotionele reacties. Daarmee ontbreekt de afstemming met feiten of eerdere uitlatingen.’ Bovendien, zo stelt Lepore, zijn we er zo aan gewend geraakt kant-en-klare kennis van internet te halen (Wikipedia!) dat we verleren om de uitspraken te toetsen op plausibiliteit. Zo raakt de tweede zuil aan het wankelen: die van het verstand.
Het is niet de zaak van financiële markten en bookmakers om de waarheid te laten zien, maar om stemmingen weer te geven
Lepore en Davies kondigen daarom een nieuw tijdperk aan, dat van de data. Die onderscheiden zich van feiten doordat ze zowel juist als onjuist kunnen zijn. Die data zwerven over het net. Ze worden niet meer geverifieerd volgens uniforme maatstaven, maar door computers verzameld en beschikbaar gemaakt. De computers maakt het niet uit wat hun data over de werkelijkheid zeggen – en de gebruikers, wij dus, inmiddels ook niet meer.
Opnieuw is de Brexit een goed voorbeeld: in de dagen vóór het referendum keek het publiek naar de data van de valutamarkten en bookmakers om een vermeende realiteit over de stemming in het land af te lezen. Terwijl die data heel iets anders weergaven: de noteringen gaven aan hoe goed de gokkers de inschattingen van de opiniepeilingen voorafgaand aan de stemming vonden. En de valutakoersen lieten alleen zien hoe de beleggers dachten over hoe de Britten dachten. Het waren geen feiten, maar meningen over meningen. Davies schrijft over financiële markten en bookmakers: ‘Het is niet hun zaak om de waarheid te laten zien, maar om stemmingen weer te geven.’ Als deze op data gebaseerde stemmingsnoteringen zelf centraal komen te staan in de publieke opinie, dan heeft die een probleem. Dan is de publieke opinie namelijk meer bezig met de duiding van de realiteit dan met de feiten die deze realiteit vormen.
Bij de debatten tijdens de voorverkiezingen in de VS trad dit fenomeen nog duidelijker aan het licht. Terwijl de kandidaten nog op het podium stonden, kon er online worden gestemd: wie had er gewonnen? Die resultaten, die meningen dus, werden na de debatten zelf bepalend nieuws. Wie de meeste stemmen had gekregen, was de winnaar van het debat. De vraag wie er gelijk had, kwam op de tweede plaats te staan. Net als bij het gerechtelijke tweegevecht in de middeleeuwen of bij een ruzie over een schepje in de zandbak. ‘Dat is wat de mensen bedoelen als ze zeggen dat deze debatten kinderachtig zijn’, schrijft Lepore.
In Groot-Brittannië heeft het Brexit-kamp de strijd gewonnen. En wat nu? De winnaars laten hun gezwets van gisteren voor wat het is. De ochtend na de verkiezingen vroeg een televisiejournaliste naar de omineuze 350 miljoen pond. De ‘Leavers’ hadden beloofd het geld in het nationale zorgstelsel te steken. Maar Nigel Farage wilde daar niets meer van weten. ‘Dat was een van de fouten die in de Leave-campagne zijn gemaakt,’ zei hij. Een fout die hem kennelijk pas na de verkiezingen was opgevallen. En zijn medestrijder Iain Duncan Smith zei over de belofte: ‘We zijn nooit verplichtingen aangegaan. De beloften die we hebben gedaan, waren slechts mogelijkheden.’
Zo worden toezeggingen behendig ingetrokken en zijn er in plaats van feiten en realiteit alleen nog maar vrijblijvende uitlatingen. Dus alles klopt. Of toch ook weer niet.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Feiten lijken er steeds minder toe te doen in het politieke debat. Zowel de Brexit-campagne als de Amerikaanse voorverkiezingen stonden bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Maar is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Vox zocht het uit.
Na het referendum over de Britse uittreding uit de Europese Unie wordt door velen in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten niet alleen getreurd om de breuk in de Europese eenheid, maar ook om de teloorgang van de waarheid. Aan feiten en deskundig commentaar lieten de voorstanders van Brexit zich niets gelegen liggen. Hoewel economen massaal waarschuwden dat uittreding de Britse economie blijvende schade zou toebrengen, besloot 52 procent van de kiezers dat ze de EU wilden verlaten.
En waarom negeerden die kiezers de feiten? Omdat ze over hun eigen ‘feiten’ beschikten. Pro-Brexit-politici konden in de campagne kwistig met valse informatie strooien en praktisch ongestraft de meest grove leugens verkondigen. Neem UKIP-leider Nigel Farage, die de ochtend na het referendum al meteen op zijn woorden terugkwam. De officiële Leave-campagne had voorgespiegeld dat een Brexit 350 miljoen pond per week zou opleveren, die dan in het Britse zorgstelsel konden worden gestoken. In zijn eigen onafhankelijke campagne had Farage nooit kanttekeningen gezet bij die belofte. Maar zodra op vrijdagochtend de stemmen waren geteld, erkende hij dat de officiële Leave-campagne luchtkastelen had beloofd en ontkende hij dat hij die belofte ooit had ondersteund – terwijl dat aantoonbaar wel zo was.
‘Welkom in de feitenvrije democratie’ luidde een lezersreactie in de Financial Times op de uitslag van het referendum. En voor de politiek aan onze kant van de Atlantische Oceaan geldt eigenlijk hetzelfde. Ook de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne staat bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Dat roept de vraag op: leven we nu echt in een tijd waarin de feiten geen rol meer spelen? Wordt dat door de feiten gestaafd? Ik vroeg politicologen, professionele factcheckers en filosofen naar hun mening over onze omgang met feiten.
Elk “feit” dat je zoekt, kun je op internet wel ergens vinden
Is er tegenwoordig meer desinformatie dan ooit?
Om te beginnen: het is verrassend lastig te zeggen of er in de politiek tegenwoordig meer desinformatie en leugens worden verspreid dan vroeger. Brendan Nyhan, hoogleraar politicologie aan Dartmouth College, wijst erop dat we niet beschikken over goede langetermijngegevens met betrekking tot de vraag of het ‘oprekken’ van de waarheid tegenwoordig vaker voorkomt dan bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Vietnam, bij de inval in Irak in 2003 of in de door de Amerikaanse schandaalpers opgehitste Spaans-Amerikaanse oorlog aan het eind van de negentiende eeuw. Als men zegt dat we nu leven in het tijdperk van de feitenvrije democratie, wordt daarmee gesuggereerd dat er ooit een gouden tijdperk was waarin politiek alleen om feiten draaide. ‘En ik denk niet dat er ooit zo’n tijd is geweest,’ zegt Nyhan. Anderzijds zegt hij ook: ‘Ik denk dat er altijd veel valse informatie in omloop is geweest, over allerlei onderwerpen – maar de manier waarop is wel veranderd.’
En inderdaad, door internet en sociale media is valse informatie toegankelijker, beter zichtbaar en moeilijker te onderscheiden van onweerlegbare feiten. En dat kan op drie manieren bijdragen aan de verspreiding van politieke desinformatie.
1) Mensen hebben toegang tot een onmetelijke hoeveelheid data, en dat kan verwarring in de hand werken.
Volgens Michael Lynch, hoogleraar filosofie aan de University of Connecticut en auteur van het boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data, raken we gemakkelijk de weg kwijt in alle informatie die we tegenwoordig binnen handbereik hebben. ‘Hoe meer informatie mensen tot hun beschikking hebben, ook al is dat juiste informatie, hoe meer ze ertoe neigen hun eigen kennis te overschatten,’ zegt hij.
Elk ‘feit’ dat je zoekt, kun je op internet ook wel ergens vinden. Maar doordat er zo veel feiten beschikbaar zijn, denken we dat we meer weten dan we eigenlijk doen, legt Lynch uit. Terwijl lang niet al die informatie nuttig of zelfs maar waar is. ‘Dat er meer ís, wil niet zeggen dat je ook meer wéét. Het moet goede en betrouwbare informatie zijn,’ zegt Lynch. ‘En de duivel mag weten of er daarvan nu meer of juist minder is.’
2) We kunnen selectiever zijn met de informatie die we wel en niet tot ons nemen.
Met zo’n overvloed aan informatie moet je wel gaan schiften en selecteren. ‘Ons onlineleven is zo selectief als een museum,’ zegt Lynch. ‘We kiezen zelf uit wat we aan de muur hangen, op welke bronnen we ons baseren. Dat kan er ook toe leiden dat ons hele wereldbeeld ineens op zijn kop komt te staan – zoals bij de tegenstanders van Brexit die wakker werden en ineens tot het besef kwamen dat Brexit een feit was.’
Het maakt misschien vooral verschil bij politiek geëngageerde mensen, zeker in deze tijd van polarisatie. Tim Lee schreef op Vox al over onderzoek waaruit blijkt dat linkse gebruikers op Facebook sneller linkse artikelen in hun nieuwsoverzicht tegenkomen, terwijl conservatieve gebruikers meer conservatieve berichten te zien krijgen. ‘Niet alleen zijn de politieke partijen en hun ideologieën sterker gepolariseerd, hun aanhang is ook uniformer geworden,’ zegt Nyhan. ‘Dus in Amerika zijn Democraten zijn nu vaker links en Republikeinen eerder rechts, en ze gaan vooral om met gelijkgestemden, zodat alternatieve informatie minder tot hen doordringt.’
Dat wordt nog versterkt door het feit dat de traditionele poortwachters van informatie (grote kranten, tv-journaals) aan invloed verliezen. ‘Politici springen daarop in,’ zegt Nyhan, ‘door hun doelgroep direct te benaderen via blogs en campagnes op sociale media. Dat draagt ertoe bij dat we in onze vooroordelen en overtuigingen worden gesterkt en ons afsluiten voor andere denkbeelden – en daardoor misschien ook makkelijker te misleiden zijn.’
3) Desinformatie is nu zichtbaarder.
De laatste jaren is de vindbaarheid van onjuiste informatie wel degelijk toegenomen. ‘Desinformatie die altijd al bestond maar niet altijd even makkelijk te vinden was, komt dankzij sociale media en internet nu sneller bovendrijven,’ zegt Nyhan. ‘Er zijn tegenwoordig meer beweringen over zogenaamde feiten die publiek toegankelijk zijn.’ Zo was het in de jaren zestig niet zo eenvoudig om de hand te leggen op nieuwsbrieven van de John Birch Society, de extreemrechtse groepering die paranoïde samenzweringstheorieën verspreidde over vermeende communistische infiltratie. ‘Desinformatie die vroeger in kleine kring circuleerde, onttrok zich vaak aan het zicht van mensen daarbuiten,’ zegt Nyhan. Maar nu is alles op internet te vinden.
Anderzijds worden ook de leugens beter zichtbaar door de opkomst van websites die beweerde feiten controleren, zegt Bill Adair. Hij is behalve hoogleraar journalistiek aan Duke University is ook de oprichter van de Amerikaanse onderzoekssite PolitiFact, die in 2009 met een Pulitzer Prize werd bekroond. Van 2015 tot 2016 is het aantal sites dat feiten natrekt naar zijn schatting wereldwijd met 60 procent gestegen, van 44 naar 105. Dus of er nu meer wordt gelogen of niet, we worden er in ieder geval vaker op attent gemaakt.
12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als “onwaar” tegenover 61 procent van die van Trump
Factcheckers kunnen de verspreiding van desinformatie afremmen, maar Nyhan wijst op eigen onderzoek waaruit blijkt dat feitencontrole ook een averechts effect kan hebben: het kan ertoe leiden dat mensen zich nog dieper ingraven in hun eigen gelijk, zeker bij omstreden kwesties. Toch blijft feiten controleren een van de beste manieren om valse kennis te bestrijden.
‘Soms heeft het natrekken van feiten een averechts effect, zeker bij mensen die sowieso niet openstaan voor andere informatie,’ zegt ook Jason Reifler, hoogleraar politicologie aan Exeter University. Maar hij voegt eraan toe: ‘Uit ander onderzoek blijkt dat het publiek wel degelijk baat heeft bij controle van de feiten.’ Zo kwam uit onderzoek van hem en Nyhan naar voren dat politici die bang zijn voor reputatieschade als ze door factcheckers op een leugen worden betrapt, minder snel geneigd zijn onwaarheden te verkopen.
Reifler denkt zelfs dat het gebrek aan prominente controleurs in het Verenigd Koninkrijk heeft bijgedragen aan het succes van de Leave-campagne. ‘In Groot-Brittannië bestaat er eigenlijk niets met een vergelijkbare invloed als PolitiFact of de onderzoeksredactie van The Washington Post in de VS,’ zegt hij.
De aperte leugens van de Leave-campagne waren ook voorafgegaan door jarenlange anti-Europese stemmingmakerij in de Britse media, vaak zonder enig tegengeluid of pogingen om beweringen op hun feitelijkheid te controleren. ‘Feiten moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat kleine leugentjes uitgroeien tot grote leugens,’ zegt Reifler. ‘Voorkomen is beter dan genezen. Dus feiten controleren om de verspreiding van desinformatie te voorkomen – en politici een prikkel te geven om geen leugens meer te vertellen – moet de gouden standaard zijn.’
Daar wordt ook werk van gemaakt wordt bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarin kunnen volgens PolitiFact 12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als ‘onwaar’ of zelfs als ‘regelrechte leugens’, tegenover 61 procent van de uitlatingen van Trump.
Bill Adair: ‘Ik durf gerust te zeggen dat geen enkele belangrijke Amerikaanse politicus ooit dat niveau heeft benaderd.’
Vox (Media) is een Amerikaanse algemene nieuwssite, opgericht in 2014 door Ezra Klein, tot dan toe politiek columnist voor The Washington Post.De site richt zich op ‘huishoudens met een inkomen van zes cijfers, met aan het hoofd iemand jonger dan 35 jaar’. Volgens de jongste cijfers gaat het een heel eind die kant op: Vox heeft 54 miljoen unieke bezoekers, van wie 41 procent tussen de 18 en 34 jaar oud.
In de Amerikaanse context is Vox een liberale verspreider van ‘verklarende journalistiek’. Het onderwerp van Kleins allereerste column voor Vox had dan ook als titel ‘How politics makes us stupid’. Klein en zijn staf van twintig mensen, voor een deel afkomstig van de WP, maken zich druk om ‘linkse’ zaken als Obamacare. Vox is eigendom van Vox Media, een onderneming waaronder verschillende gespecialiseerde websites vallen, zoals The Verge (technologie), SB Nation (sport), Polygon (games) en Racked (mode), samen goed voor 1 miljard dollar.
Mocht Hillary Clinton in november president worden, dan zal ze waarschijnlijk een veel agressiever buitenlandbeleid voeren dan Barack Obama. En misschien zelfs wel dan Donald Trump. Mark Landler, Witte Huisverslaggever voor The New York Times, beschrijft waar die militaire angehauchtheid vandaan komt.
Hillary Clinton zat thee te drinken in de goed verstopte werkkamer van haar officiële kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken en maakte de balans op van haar eerste ambtsjaar. De werkkamer had meer iets van een huiskamer – gezellig door de houten lambrisering en de boekenplanken vol aandenkens aan haar drie decennia in het openbare leven: een beeldje van haar heldin Eleanor Roosevelt, een honkbal met de handtekening van sterspeler Ernie Banks van de Chicago Cubs, een houten figuurtje van een zwangere Afrikaanse vrouw. De intieme sfeer leende zich voor een minder formeel interview dan de gebruikelijke locatie, haar imposante officiële kantoor met zijn marmeren haard, dikke gordijnen, kristallen kandelaar en rijkelijk versierde wandlampen. Maar op de ochtend van 26 februari 2010 praatte Clinton over iets gevoeligers dan buitenlandse zaken: haar relatie met Barack Obama. Zeggen dat ze haar woorden met zorg koos is een understatement. Ze leek op iemand van de explosievenopruimingsdienst die moest beslissen welke kleur draad ze moest doorknippen zonder haar relatie met het Witte Huis op te blazen.
‘Ik denk dat we een uitstekende onderlinge verstandhouding hebben opgebouwd over alles wat je je kunt voorstellen,’ zei Clinton over de man die ze tijdens de campagne in 2008 nog had afgeschilderd als naïef, onverantwoordelijk en totaal ongeschikt voor het presidentschap. ‘En we hebben een aantal interessante en zelfs ongebruikelijke ervaringen opgedaan.’ Ze leunde voorover terwijl ze sprak, gebaarde met haar handen en was goedlachs. Tijdens gesprekken met verslaggevers toont Clinton meer warmte dan Obama, al is de kans dat ze het achterste van haar tong zal laten zien kleiner.
Oorlog en vrede
Clinton begon, zoals zo vaak, over de VN-klimaattop in Kopenhagen van december 2009, die zij en Obama gezamenlijk voor een mislukking hadden behoed. Ze sprak over het vredesproces in het Midden-Oosten, een speerpunt van de president, dat ze nieuw leven moest inblazen. Maar ze had het begrijpelijkerwijs liever niet over onderwerpen waarover Obama en zij van mening verschilden, zoals dat van oorlog en vrede, waar Clintons activistischere houding al op onvoorspelbare manieren in botsing was gekomen met de terughoudendere opstelling van Obama. Ze had generaal Stanley McChrystal gesteund toen deze adviseerde om veertigduizend extra manschappen naar Afghanistan te sturen, om vervolgens genoegen te nemen met een lager aantal van dertigduizend (waarmee Obama akkoord ging, op voorwaarde dat ze in juli 2011 zouden worden teruggetrokken, wat zij als problematisch beschouwde). Ze stond achter het plan van het Pentagon om in Irak aanwezig te blijven met een leger van tien- tot twintigduizend manschappen (iets waartegen Obama zich verzette, voornamelijk omdat hij zich niet van de wettelijke bescherming van de Iraki’s kon verzekeren, iets wat hem zou achtervolgen toen IS een groot deel van het land bezette). En ze drong erop aan dat de VS wapens zouden leveren aan de rebellen in de Syrische burgeroorlog (een idee dat Obama aanvankelijk verwierp, om er later schoorvoetend mee in te stemmen).
Deze fundamentele spanning tussen Clinton en de president zou een wezenskenmerk blijven van haar vierjarige ambtsperiode als minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het eerste regeringsoverleg over Rusland in februari 2009 stelden adviseurs van Obama voor om de VS enkele symbolische concessies aan Rusland te laten doen, als blijk van goede wil. Clinton, die als laatste aan het woord kwam, verwierp het idee met de woorden: ‘Ik ga niet voor niets iets opgeven.’ Haar hardnekkigheid maakte indruk op Robert Gates, de van George W. Bush overgenomen minister van Defensie, die beducht was voor een veranderd Rusland. Hij stelde ter plekke vast dat ze iemand was met wie hij zaken kon doen. ‘Ik dacht: Geen makkelijke tante,’ zei hij me.
Een paar maanden na mijn interview in haar kantoor kwam het tot een nieuw meningsverschil, toen Obama een beveiligde telefoon pakte voor een weekendoverleg met Clinton, Gates en een handvol andere adviseurs. Het was 4 juli 2010, vier maanden nadat Noord-Korea een korvet van de Zuid-Koreaanse marine had getorpedeerd, waarbij 46 opvarenden omkwamen. Nu, na een wekenlang heftig debat tussen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakten de Verenigde Staten zich op om te reageren op deze schaamteloze provocatie. Het aanvankelijke plan – ontwikkeld door James Steinberg, Clintons onderminister van Buitenlandse Zaken – was om het vliegdekschip George Washington naar de kustwateren ten oosten van Noord-Korea te sturen, bij wijze van ongebruikelijk machtsvertoon.
Maar admiraal Robert Willard, de toenmalige bevelhebber in de Grote Oceaan, wilde het vliegdekschip een agressievere koers laten varen, naar de Gele Zee tussen Noord-Korea en China. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken had de VS voor zo’n actie gewaarschuwd, wat voor Willard een reden te meer was om druk te zetten. Hij benaderde chef-staf Mike Mullen, die er op zijn beurt bij zijn baas, de minister van Defensie, op aandrong de route te wijzigen. Gates ging akkoord, maar daarvoor was het wel nodig dat de opperbevelhebber achter een besluit stond dat zowel politieke als militaire repercussies kon hebben.
Gates legde het voorstel om de George Washington naar de Gele Zee te sturen voor, met als argument dat de VS niet de indruk moesten wekken te buigen voor China. Clinton steunde hem krachtig. ‘We moeten doordouwen,’ had ze een paar dagen eerder tegen haar assistenten gezegd.
Maar Obama was niet overtuigd. De George Washington was al onderweg; de koers veranderen was niet een besluit dat je zomaar eventjes nam.
Geharnaste retoriek
Het was niet het laatste debat waarin Clinton aan de kant van Gates zou staan. Het tweetal ontdekte algauw dat ze een midwesterse opvoeding deelden, een voorliefde voor een stevige borrel na een lange werkdag en een diepgewortelde scepsis over de intenties van Amerika’s vijanden. Bruce Riedel, een voormalige veiligheidsanalist die Obama’s aanvankelijke herziening van de oorlogsoperaties in Afghanistan leidde, zegt: ‘Ik denk dat Gates en het leger een beetje verbaasd waren: ze hadden een linkse regering verwacht, en nu ontdekten ze dat ze een minister van Buitenlandse Zaken hadden die nog wat rechtser was dan zijzelf – nog iets gretiger dan zijzelf, tot op zekere hoogte. Vooral op het gebied van Afghanistan, waarvan Gates volgens mij wist dat er meer moest gebeuren, dat er meer troepen naartoe moesten worden gestuurd, terwijl hij tegelijkertijd twijfelde of dat zou werken.’
Nu Hillary Clinton opnieuw een gooi naar het presidentschap doet, kan het verleidelijk zijn haar geharnaste retoriek over de wereld minder als een kernprincipe te beschouwen dan als een uitgekiende politieke manoeuvre. Maar Clintons instincten op het gebied van het buitenlands beleid zitten er stevig ingebakken en zijn gebaseerd op koel realisme en, in de woorden van een van haar assistenten, ‘een standaardkijk op de Amerikaanse uitzonderingspositie’.
Trump heeft niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor militair optreden getoond als Clinton
Daarin verschilt ze van Barack Obama, die militaire verwikkelingen vermeed en de Amerikanen probeerde te verzoenen met een wereld waarover de VS niet langer de onbetwiste heerschappij voerden. En ze zal in dat opzicht waarschijnlijk ook verschillen van de Republikeinse kandidaat die ze bij de algemene verkiezingen tegenkomt. Ondanks zijn grootspraak over het platbombarderen van Islamitische Staat heeft Donald Trump niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor buitenlands militair optreden getoond als Clinton.
‘Hillary behoort duidelijk tot de traditionele gevestigde orde van het Amerikaanse buitenlandbeleid,’ zegt Vali Nasr, die haar op het ministerie van Buitenlandse Zaken adviseerde over Pakistan en Afghanistan. ‘Ze gelooft, net als vorige presidenten, tot Reagan en Kennedy aan toe, in het belang van militair optreden – in het oplossen van het terrorisme, in het laten gelden van Amerikaanse invloed. Obama ging gaandeweg meer op de inlichtingendiensten vertrouwen dan op het leger. Het idee van de inlichtingendiensten was: het enige wat je nodig hebt om af te rekenen met het terrorisme zijn de NSA [de Nationale Veiligheidsdienst] en de CIA, drones en speciale operaties. Zo bood de CIA Obama de mogelijkheid om een havik te zijn zonder het leger te hoeven inzetten.
Republikeinse vader
Anders dan andere recente presidenten – Obama, George W. Bush of haar man, Bill Clinton – zou Hillary Clinton het ambt aanvaarden met een lange staat van dienst op het gebied van de nationale veiligheid. Die staat van dienst kun je op verschillende manieren bekijken, maar het onthullendst is haar decennialange cultivering van het militaire apparaat – niet alleen van ‘burgers’ als Gates, maar ook hoge bevelhebbers, de mannen met de medailles. Haar affiniteit met de strijdkrachten wortelt in de levenslange overtuiging dat een uitgekiend gebruik van militaire macht van wezenlijk belang is voor de verdediging van nationale belangen, dat Amerikaanse interventie meer goed doet dan kwaad en dat de invloedssfeer van de Verenigde Staten zich dient uit te strekken – om Bush te citeren – tot in ‘elke duistere uithoek van de wereld’. Tijdens de bombastische, door testosteron verhitte presidentsverkiezingen van 2016 is Hillary Clinton onverwachts de enige havik die nog in de race is.
Voor wie Clintons biografie kent, kan haar militaire angehauchtheid geen verrassing zijn. Ze groeide op in de woelige nadagen van de Tweede Wereldoorlog, als dochter van een onderofficier van de marine die jonge matrozen trainde voordat ze naar de Grote Oceaan werden verscheept. Haar vader, Hugh Rodham, was een trouwe Republikein en een communistenvreter, en ze nam zijn gezichtspunten over. Ze vertelt vaak over haar meisjesdroom om astronaut te worden, en ze noemt de afwijzingsbrief van NASA de eerste keer dat ze met geslachtsdiscriminatie te maken kreeg. Haar echte reden om zich aan te melden, heeft ze geschreven, was misschien wel het feit dat het haar vader zorgen baarde dat ‘Amerika achterliep op Rusland’.
De politieke bekering kwam later, nadat Vietnam en de jaren zestig over Wellesley College heen waren geraasd, waar ze zich tijdens haar afstudeerplechtigheid uitsprak tegen de gevestigde orde. Maar zelfs in het tumultueuze jaar 1968 was haar overgang van Republikein naar Democraat nog niet afgerond en bezocht ze de conventies van beide partijen. Als Republikeinse stagiaire in Washington vroeg ze die zomer aan Melvin Laird, een Congreslid uit Wisconsin, of het wel verstandig was dat Lyndon B. Johnson steeds verder bij Zuidoost-Azië betrokken raakte.
Na haar rechtenstudie had ze haar merkwaardigste ervaring met het militaire apparaat. In 1975, het jaar waarin ze met Bill Clinton trouwde, bezocht ze een rekruteringsbureau van de marine in Arkansas om te informeren naar de mogelijkheden om dienst te nemen bij de actieve of reservetroepen. Ze was jurist, legde ze uit; misschien kon ze zich op een of andere manier nuttig maken. De rekruteerder, herinnerde ze zich twee decennia later, was een jongeman van ongeveer 21, in optimale lichamelijke conditie. Clinton was op dat moment 27, net overgeplant uit Washington, docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Arkansas en getooid met een bril met jampotglazen. ‘Je bent te oud, je ziet niks en je bent een vrouw,’ zei hij. ‘Misschien wil de landmacht je wel hebben.’
‘Dat was geen erg bemoedigend gesprek,’ zei Clinton tijdens een lunch voor vrouwelijke militairen op Capitol Hill in 1994. ‘Ik besloot toen maar uit te kijken naar een andere manier om mijn land te dienen.’
Sommige journalisten hebben hun twijfels uitgesproken over de waarheid van dit verhaal, dat ze in de herfst van 2015 herhaalde tijdens een ontbijt met kiezers in New Hampshire: er is in elk geval geen concreet bewijs dat het gebeurd is en Bill vertelde in 2008 een andere versie, waarin marine en leger waren omgedraaid. Waarom zou iemand die net een rechtenstudie aan Yale had voltooid en net in het huwelijk was getreden plotseling een uniform willen aantrekken? Haar motieven zijn onmogelijk na te gaan, maar Ann Henry, een oude vriendin uit Arkansas, komt met een theorie: ‘In die dagen probeerden vrouwelijke faculteitsleden uit wat de grenzen waren van carrières die voor vrouwen gesloten leken. Ik denk niet dat het verzonnen is. Zoiets was typisch iets voor haar.’
First Lady
Clintons volgende langdurige contact met het militaire apparaat kwam pas toen ze first lady was, bijna twee decennia later. In het Witte Huis wonen lijkt in veel opzichten op wonen op een militaire compound. Als de president in het Oval Office is, staat voor de West Wing een marinier op wacht. Het medisch centrum en het telecommunicatiesysteem worden gerund door militairen. De marine bestiert de kantine, mariniers transporteren de president per helikopter, de luchtmacht doet datzelfde per vliegtuig. Camp David is een marinefaciliteit. Het dagelijks contact met mannen en vrouwen in uniform, zeggen Clintons vrienden, heeft haar gevoelens voor hen versterkt.
In maart 1996 bezocht de first lady Amerikaanse troepen die in Bosnië waren gestationeerd. De reis werd jaren later berucht toen ze beweerde, tijdens de campagne van 2008, dat ze door scherpschutters was beschoten nadat haar militaire C-17-toestel was geland op een Amerikaanse basis in Tuzla. (Chris Hill, een diplomaat die die dag ook aan boord was, herinnerde zich helemaal geen scherpschutters, alleen kinderen die haar boeketten lentebloemen aanboden.) Maar de goede sfeer tijdens haar rondgang langs de mess en de recreatiezalen was allerminst geveinsd. Met haar tienerdochter naast zich maakte ze grappen en grollen met de jonge mannelijke en vrouwelijke militairen – een ervaring, schreef ze, die ‘blijvende indruk op Chelsea en mij heeft gemaakt’.
Jack Keane, een van de architecten van de inval in Irak, heeft wellicht de meeste invloed op Clinton gehad
Toen Clinton in de Senaat werd gekozen, had ze belangrijke politieke redenen om zich om het militaire apparaat te bekommeren. Het Pentagon zat midden in een langdurig, politiek beladen proces van het sluiten van militaire bases; de staat New York was al geslachtofferd door de sluiting van de luchtmachtbasis Plattsburgh in 1995, waarbij 352 banen verloren gingen. De delegatie van New York was vastbesloten de resterende bases te behouden, met name Fort Drum, de thuisbasis van de 10e Bergdivisie. In oktober 2001, een maand na de aanslagen van 11 september, reisde Clinton naar Fort Drum op uitnodiging van generaal Buster Hagenbeck, die net tot commandant van de divisie was benoemd en een maand later naar Afghanistan zou worden gezonden.
Net als veel officieren met wie ik sprak koesterde hij nogal wat vooroordelen jegens Clinton wegens haar jaren als first lady; de vrouw die die middag rond borreltijd in zijn kantoor verscheen, beantwoordde daar echter niet aan.
‘Ze ging zitten,’ herinnert hij zich, ‘trok haar schoenen uit, legde haar voeten op de salontafel en zei: “Generaal, waar kan ik hier een koud biertje krijgen?”’ Het was het begin van een dialoog die zich over twee oorlogen uitstrekte. In de lente van 2002 leidde Hagenbeck Operatie Anaconda, een zestiendaagse aanval op taliban- en Al-Qaidastrijders in de Shah-i-Kotvallei, de grootste oorlogsoperatie tot dan toe. Toen de generaal terugkwam naar Washington om de verenigde chefs van staven te briefen, nam Clinton hem mee uit eten op Capitol Hill voor haar eigen briefing. Ze spraken ook over de voorbereidingen van de regering-Bush voor een oorlog in Irak, iets wat Hagenbeck met angst en beven volgde. De generaal, zo bleek, was meer een duif dan de senator. Hij waarschuwde haar voor de risico’s van een invasie, die op dat moment in het Pentagon op touw werd gezet. Het zou zijn alsof je een ‘bijenkorf omschopt’, zei hij.
Hagenbeck vergeeft Clinton dat ze in 2002 voor militair ingrijpen in Irak stemde. ‘Dat deed ze weloverwogen,’ zegt hij. ‘En later had ze er spijt van.’ Wat voor hem belangrijker was dan het stemgedrag van Clinton, was haar niet-aflatende openbare steun aan het militaire apparaat, of het nu ging om het beschermen van Fort Drum of het feit dat ze achter hem stond tijdens het eerste moeilijke jaar in Afghanistan.
Clintons opleiding in militaire zaken begon pas echt in 2002, nadat ze door een verpletterende nederlaag van de Democratische Partij tijdens de midterm-verkiezingen enkele plaatsen in senatoriale senioriteit was opgeschoven. De Congresleiders van de partij boden haar een plaats aan in ofwel de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen ofwel de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten. Ze koos voor Strijdkrachten en brak daarmee met een lange traditie van New Yorkse senatoren als Daniel Patrick Moynihan en Jacob Javits, die het prestige van Buitenlandse Betrekkingen verkozen. Strijdkrachten gaat over aardsere zaken als uitkeringen voor veteranen en was lange tijd het domein geweest van Republikeinse haviken als John McCain. Maar na 11 september zag Clinton Strijdkrachten als een betere voorbereiding op haar toekomst. Voor een politica die wilde laten zien dat ze niet voor een kleintje vervaard was – een vrouw die opperbevelhebber wilde worden – was het een perfecte leerschool. Ze stortte zich er met hart en ziel in.
Andrew Shapiro, de toenmalige adviseur buitenlandse zaken van senator Clinton, schakelde tien deskundigen in – onder wie Bill Perry, die minister van Defensie was onder haar man, en Ashton Carter, die uiteindelijk Obama’s vierde Defensieminister zou worden – om haar in alles in te wijden, van algehele strategie tot defensieaankopen. Ze bezocht elke commissievergadering, hoe onbeduidend ook. In 2003 bezocht ze op Thanksgiving Day de troepen in Afghanistan en ze sprak op elke belangrijke militaire basis in de staat New York. Inmiddels – dertig jaar nadat ze door een marinerekruteerder in Arkansas was afgewezen – was Hillary Clinton een militaire doordouwer geworden.
Jack Keane is een van de architecten van de inval in Irak; hij heeft wellicht ook de meeste invloed gehad op de manier waarop Hillary Clinton over militaire kwesties denkt. Keane, een beer van een vent met een vierkante kop en glad Brylcreem-haar, straalt het ultieme zelfvertrouwen uit dat je van een gepensioneerde viersterrengeneraal mag verwachten. Inmiddels is hij een goedbetaald lid van het militair-industriële complex, met bestuursfuncties bij onder andere General Dynamics. Hij is geen man die aarzelt om militair in te grijpen en hij heeft weinig boodschap aan burgers als Obama, die dat wel doen.
Keane leerde Clinton kennen in de herfst van 2001, toen zij net senator was en hij onderbevelhebber van het leger, met een grote staat van dienst in Vietnam, Somalië, Haïti, Bosnië en Kosovo. Hij had verwacht dat ze intelligent, hardwerkend en politiek bedreven zou zijn, maar hij was niet voorbereid op het respect dat ze toonde voor het leger als instituut, of op haar medeleven met de offers die door soldaten en hun families waren gebracht. Keane was ervan overtuigd dat hij een neppoliticus van een kilometer afstand kon ruiken, maar bij haar rook hij niets. ‘Ik heb mensenkennis; dat is een van mijn sterke kanten,’ vertelde hij me. ‘Niet dat ik het nooit mis heb, maar het gebeurt niet vaak.’
Clinton mocht Keane ook onmiddellijk. ‘Ze is dol op die Ierse korzeligheid,’ zegt een van haar Senaatsassistenten, Kris Balderston, die er die dag bij was. Toen Keane na drie kwartier opstond voor een gesprek in het Pentagon met een Poolse generaal, maakte ze duidelijk dat ze nog niet klaar was en vroeg om een vervolggesprek. ‘Oké, maar het heeft me drie maanden gekost om deze afspraak te krijgen,’ antwoordde Keane haar droogjes. Clinton barstte uit in een schor gelach. ‘Dat probleem los ik wel op,’ beloofde ze.
Ze hield woord: de twee zouden elkaar het volgende decennium vele malen ontmoeten en praten over de oorlogen in Afghanistan en Irak, de nucleaire dreiging van Iran en andere hete hangijzers in het Midden-Oosten. Soms kwam Keane langs op haar kantoor in de Senaat; andere keren gingen ze samen eten of wat drinken. Hij begeleidde haar tijdens haar eerste bezoek aan Fort Drum en regelde haar eerste reis naar Irak.
Ze spraken meestal niet over politiek, maar tijdens een ontmoeting in Clintons Senaatskantoor in januari 2007 probeerde Keane haar te overtuigen van de logica van het sturen van extra troepen naar Irak. De maand daarvoor had hij president Bush ontmoet in het Oval Office en hem geadviseerd dat de VS vijf tot tien leger- en marinebrigades moesten inzetten om het oproer in de steden te onderdrukken; alleen zo, had hij betoogd, zou er rust komen in een land dat werd verscheurd door sektarische strijd. Keane wekte daarmee de woede van enkele van zijn collega-generaals, die vreesden dat zo’n strategie de afhankelijkheid van Irak zou vergroten en de Amerikaanse betrokkenheid zou verlengen. Maar hij maakte veel indruk op de opperbevelhebber, die algauw twintigduizend extra manschappen naar Irak stuurde.
Clinton was een ander verhaal. ‘Ik ben ervan overtuigd dat dat niet zal werken, Jack,’ zei ze hem. Ze voorspelde dat Amerikaanse soldaten die in Iraakse steden patrouilleerden, zouden worden ‘opgeblazen’ door soennitische milities of Al-Qaidastrijders. ‘Ze dacht dat het ons niet zou lukken,’ herinnert Keane zich, ‘en dat er meer slachtoffers door zouden vallen.’
Ze had natuurlijk ook politieke overwegingen. Barack Obama was bezig de basis te leggen voor zijn kandidatuur, half januari, waarin hij zou benadrukken dat hij tegen de oorlog in Irak was geweest, terwijl zij ervóór had gestemd – een stem die haar ook tijdens de Democratische voorverkiezingen van dit jaar nog achtervolgt. Obama was bezig een fondsenwervingscampagne op te zetten die in drie maanden tijd 25 miljoen dollar zou opleveren, wat het politieke kamp van Clinton deed huiveren en hem tot een formidabele tegenstander maakte. Hoewel ze met Keane van mening verschilde over Irak, vroeg Clinton hem om officieel adviseur te worden. ‘Hoezeer ik je ook respecteer,’ antwoordde hij, ‘dat kan ik niet doen.’
Keanes vrouw had gezondheidsproblemen, waardoor hij eerder uit actieve dienst was getreden, en hij steunde in de regel geen presidentskandidaten. Ergens in 2008 – hij weet niet meer precies wanneer – vertelde Clinton hem dat ze er verkeerd aan had gedaan te twijfelen aan het sturen van extra troepen. ‘Ze zei: “Je had gelijk, het heeft echt gewerkt,”’ herinnert Keane zich. ‘Ik vond dat ze over nationale veiligheidszaken altijd eerlijk tegen me was.’
Keane en Clinton bleven praten, zelfs nadat Obama had gewonnen en zij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze waren het meestal eens. Keane was, net als Clinton, voor een krachtiger interventie in Syrië dan Obama. In april 2015, een week voordat ze haar kandidatuur aankondigde, vroeg Clinton hem om een briefing over de militaire opties voor het bestrijden van Islamitische Staat. Tijdens een presentatie van twee uur en twintig minuten pleitte Keane onder meer voor een vliegverbod boven delen van Syrië, waardoor de luchtmacht van de Syrische president Bashar al-Assad geneutraliseerd zou worden en deze laatste zou worden gedwongen tot een politieke schikking met oppositiegroepen. Zes maanden later verklaarde ze zich publiekelijk voorstander van zo’n vliegverbod, waarmee ze nog verder van Obama af kwam te staan.
‘Ik ben ervan overtuigd dat deze president onder geen enkele omstandigheid zijn tanden zal laten zien, ook al is het nog zo dringend,’ vertelde Keane me. Hij zat in de bibliotheek van zijn huis in McLean in Virginia, tussen rijen boeken over militaire geschiedenis en strategie. Zijn kritiek op Obama was nauwelijks nieuw of origineel, maar weerspiegelt wel het denken van Clinton en haar politieke adviseurs. ‘Een van de problemen van de president, waardoor zijn diplomatieke inspanningen worden verzwakt, is dat leiders niet geloven dat hij militair geweld zal gebruiken. Daarin verschilt de president wezenlijk van Hillary Clinton. Zij zou militair geweld als een realistische optie beschouwen, maar alleen als er geen andere opties zijn.’
Generaals
De vriendschap met Keane gaf Clinton ook directe toegang tot zijn informele netwerk van actieve en gepensioneerde generaals. De interessantste daarvan was ongetwijfeld David Petraeus, die Clintons geharnaste ambities deelde en ook een leven vol bedwelmende successen en vernederende tegenslagen had gekend. Beiden werden beschuldigd van een slechte omgang met geheime informatie: Clinton omdat ze haar privéserver en privé-e-mailadres had gebruikt voor het afhandelen van gevoelige regeringszaken, wat tot een politiek schandaal zou leiden; Petraeus omdat hij een dagboek met geheime informatie aan zijn biografe en maîtresse had verstrekt.
Tijdens Clintons eerste reis naar Irak, in november 2003, vloog Petraeus, die toen als tweesterrengeneraal bij de 101ste luchtmachtdivisie diende, haar van zijn hoofdkwartier in Mosul naar de relatieve veiligheid van Kirkuk om haar en haar delegatie te briefen. ‘Ze zat vol vragen,’ herinnert hij zich. ‘Zoiets betekent veel voor een bevelhebber.’ Tijdens volgende reizen, toen hij in rang was gestegen, lichtte Petraeus haar in over zijn plannen om Iraakse legertroepen te trainen en van wapens te voorzien. Beiden hadden daar baat bij: Petraeus bouwde een band op met een prominent Democratisch Senaatslid, Clinton poetste haar imago op als vriendin van het leger. ‘Ze deed het op de ouderwetse manier,’ zegt hij. ‘Ze deed het door relaties aan te knopen.’ Toen Petraeus begin 2007 werd teruggestuurd naar Irak als hoogste militair, gaf hij elk lid van de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten een exemplaar van het Amerikaanse Veldhandboek voor oproerbestrijding door leger en mariniers. Clinton las het hare van begin tot eind.
Hoewel Clintons bezwaar tegen het sturen van extra troepen hout sneed, zou het haar later opbreken, net als het feit dat ze vóór de oorlog had gestemd. Ditmaal was het haar bondgenoot Bob Gates die de geest uit de fles haalde. In zijn memoires schreef Gates dat ze tegenover hem en de president had bekend dat haar verzet politiek gemotiveerd was omdat ze op dat moment met Obama in de strijd om de Democratische voorverkiezingen in Iowa was verwikkeld. (Obama, schreef Gates, gaf ‘in bedekte termen’ toe dat ook hij er om politieke redenen tegen was geweest.) Tijdens een interview met Diane Sawyer van ABC News sloeg Clinton terug met de woorden dat Gates ‘misschien de context of de betekenis had gemist, want ik was wel degelijk tegen het sturen van extra troepen’. Haar verzet, zei ze tegen Sawyer, werd ingegeven door het feit dat de mensen op dat moment geen escalatie van de oorlog zouden accepteren. ‘Dit is geen politiek in electorale, politieke termen,’ zei Clinton. ‘Dit is politiek in de zin dat het Amerikaanse publiek achter zulke besluiten moet staan.’ Tijdens het volgende debat over het sturen van extra troepen liet ze zulke bedenkingen achterwege.
Om Bernie Sanders te dwarsbomen bracht ze haar boodschap op één lijn met die van Obama
‘We hebben kaarten nodig,’ zei Hillary Clinton tegen haar assistenten. Het was begin oktober 2009, en ze was net terug van een vergadering in de Situation Room. Obama’s oorlogskabinet had gediscussieerd over de vraag hoeveel extra troepen er naar Afghanistan moesten worden gestuurd, waar de Verenigde Staten, in beslag genomen door Irak, de taliban de gelegenheid hadden gegeven zich te hergroeperen. Het Pentagon, meldde ze, had indrukwekkende kaarten met kleurcodes gebruikt om zijn plannen te ontvouwen voor het stationeren van troepen verspreid over het land. Door de aandacht voor details hadden Gates en zijn commandanten een kordate, goed voorbereide indruk gemaakt, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat aandrong op het meesturen van burgerpersoneel, bleekjes afstak. Tijdens de volgende vergadering, op 14 oktober, ontvouwde het team van Buitenlandse Zaken zijn eigen kaarten met de inzet van diplomaten, juristen en landbouwexperts die de soldaten naar Afghanistan zouden moeten volgen.
Clintons focus op kaarten was typerend voor de manier waarop ze in het eerste grote oorlog-en-vredesdebat van de regering-Obama stond. Ze wilde serieus worden genomen, ook al was haar ministerie minder belangrijk dan het Pentagon. Eén manier om dat te doen was het meesturen van burgerpersoneel, het stokpaardje van haar vriend Richard Holbrooke, de speciale gezant in de regio. ‘Ze wilde met alle geweld dat haar briefingboeken net zo dik en nauwgezet zouden zijn als die van het Pentagon,’ herinnert een topadviseur zich. Ze aarzelde ook niet om zich met de zaken van het Pentagon te bemoeien en stelde gedetailleerde vragen over de training van Afghaanse troepen en de militaire planning.
Ze was vastbesloten niets te missen, een besluit dat misschien geworteld was in een diepergelegen onzekerheid over haar rol binnen de regering, die meer op het Witte Huis was geconcentreerd dan ooit in het moderne tijdperk. In de ochtend van 8 juni 2009 mailde ze twee assistenten met de vraag: ‘Ik hoorde op de radio dat er vanochtend een kabinetsvergadering is. Klopt dat? Kan ik erheen? Zo niet, wie sturen we dan?’ Op 10 februari 2010 belde ze vanuit huis naar het Witte Huis, maar kwam niet voorbij de telefonist, die niet geloofde dat ze echt Hillary Clinton was. Toen haar werd gevraagd haar kantoornummer te geven om haar identiteit te bewijzen, zei ze dat ze dat niet kende. Uiteindelijk legde Clinton gefrustreerd neer en liet opnieuw bellen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘als een keurige en gehoorzame minister’, zoals ze later op quasiberustende toon schreef. ‘Op eigen houtje bellen was niet toegestaan.’
Afghanistandebat
Het debat over de troepen in Afghanistan, een drie maanden durend drama van rivaliserende ego’s, gelekte documenten en eindeloos overleg, wordt als een typisch voorbeeld gezien van de strijd tussen de geslepen militaire bevelhebbers van het Pentagon en een onervaren jonge president, waarbij Joe Biden voor Obama’s advocaat van de duivel speelde. Hoewel deze voorstelling van zaken klopt, doet ze de rol van Clinton tekort. Door zich aan de kant van Gates en de generaals te scharen verleende zij hun voorstellen politiek gewicht en bood ze weerwoord aan de scepsis van Biden.
Toch mag haar rol ook niet worden overschat; ze heeft geen kentering in het debat teweeggebracht of er een duidelijk standpunt in verwoord. Maar haar niet-aflatende steun voor de krachtige aanbeveling van generaal McChrystal maakte het wel moeilijker voor Obama om voor een minder verregaande optie te kiezen. (McChrystal werd later door Obama ontslagen nadat zijn assistenten zich tegenover het blad Rolling Stone neerbuigend hadden uitgelaten over bijna elk lid van diens oorlogskabinet; alleen voor Hillary was een uitzondering gemaakt.)
‘Hillary stond vierkant achter wat McChrystal vroeg,’ zegt Gates. ‘Ze maakte duidelijk dat ze zijn verzoek om veertigduizend extra manschappen onverdeeld steunde. Later maakte ze duidelijk dat ze alleen bereid was geweest genoegen te nemen met dertigduizend omdat ik dat had voorgesteld. Ze hield in feite meer vast aan het oorspronkelijke aantal dan ik.’ Gates geloofde dat als hij Clinton, de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen, de commandant van het Centrale Commando David Petraeus en hemzelf op één lijn kon krijgen, Obama moeilijk nee zou kunnen zeggen. ‘Hoe kon je deze vier ruiters van de nationale veiligheid negeren?’ zegt Geoff Morrell, destijds woordvoerder van het Pentagon.
Zoals Clinton profiteerde van haar verbond met de militaire bevelhebbers, zo gaf ze hun ook politieke rugdekking. ‘Ik zal je een smerig geheimpje verklappen,’ zegt Tom Nides, een van haar voormalige onderministers op Buitenlandse Zaken. ‘Ze wisten allemaal dat ze haar aan hun kant moesten hebben. Ze wisten dat als zij de Situation Room binnenliep en achter hen stond, de dynamiek enorm zou veranderen. Als zij haar mond opendeed, kon ze de sfeer in de zaal veranderen.’
David Axelrod herinnert zich een vergadering waarin Clinton ‘hun mening vrijwel woordelijk verkondigde; dat weten ze vast nog wel. Ze wilde ze elke soldaat geven waar McChrystal om vroeg.’ Toch won Clinton niet op alle punten. Nadat hij had toegezegd manschappen te zullen sturen, voegde Obama er één eigen voorwaarde aan toe: dat de soldaten zo spoedig mogelijk weer zouden worden teruggetrokken, te beginnen in de zomer van 2011 – een deadline die uiteindelijk noodlottiger bleek dan een verschil van tienduizend manschappen. Clinton verzette zich tegen zo’n openbare deadline, met als argument dat Amerika de taliban daarmee in de kaart speelde en hen zou aanmoedigen te wachten tot de VS vertrokken – wat dan ook precies gebeurd is.
Tijdens de laatste dagen van het debat kreeg Clinton het ook aan de stok met haar eigen ambassadeur in Kaboel, Karl Eikenberry. Ook hij verschilde met haar van mening over de wijsheid van het sturen van extra manschappen. Op 6 november 2009 stuurde hij een lang telegram aan Clinton – later uitgelekt naar The New York Times – waarin hij op overtuigende wijze betoogde dat het voorstel van McChrystal de VS zou opzadelen met ‘onmetelijk veel hogere kosten en een grootschalige militaire rol in Afghanistan voor onbepaalde tijd’.
De analyse van Eikenberry bleek voor een groot deel juist, vooral zijn waarschuwing voor het tot op de draad versleten Amerikaanse partnerschap met de Afghaanse president Hamid Karzai. Extra pijnlijk was dat hij een gepensioneerde driesterrengeneraal was die van 2005 tot 2007 het bevel in Afghanistan had gevoerd. Clinton, die niet om het telegram had gevraagd, was furieus en vreesde dat het een debat kon verstoren dat zij en het Pentagon op het punt stonden te winnen.
Wat het telegram duidelijk maakte, was in hoeverre het Afghaanse debat door militaire overwegingen werd gedomineerd. Hoewel Clinton erop aandrong tot een akkoord te komen met het Afghaanse buurland Pakistan, betekende haar steun aan Gates, Petraeus en McChrystal dat ze niet de aangewezen persoon was voor diplomatieke alternatieven. ‘Ze heeft bijgedragen aan de overmilitarisering van de probleemanalyse,’ aldus Sarah Chays, destijds adviseur van McChrystal en later van de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen.
In oktober 2015 dwongen het aanhoudende geweld in Afghanistan en de erfenis van het wanbeleid van Karzai Obama ertoe af te zien van zijn plan om de laatste Amerikaanse soldaten tegen het eind van zijn presidentschap terug te trekken. Een paar duizend manschappen zullen daar voor onbepaalde tijd blijven. En Clintons voorstel voor het meesturen van burgerpersoneel is nooit echt van de grond gekomen.
Verkiezingscampagne
‘Het lijdt geen twijfel dat Hillary Clintons gespierdere benadering van het Amerikaanse buitenlandbeleid beter is toegesneden op 2016 dan op 2008,’ aldus Jake Sullivan, haar politieke topadviseur bij Buitenlandse Zaken en nu de belangrijkste adviseur in haar campagne.
Het was december 2015, 53 dagen voor de Democratische voorverkiezingen in Iowa; ik sprak Sullivan in Clintons royale hoofdkwartier in Brooklyn, waar hij me uitlegde hoe ze haar boodschap vormgaf in een campagne die steeds meer werd gedomineerd door zorgen over de nationale veiligheid. Clintons strategie, zei hij, was tweeledig: aan kiezers uitleggen dat ze een duidelijk plan had om de dreiging van het islamitische terrorisme het hoofd te bieden, en haar Republikeinse tegenstanders aan de kaak stellen als mensen die iedere vorm van ervaring en geloofwaardigheid misten op het gebied van nationale veiligheid.
Clinton had alle reden om de havik in zichzelf los te laten. Na de aanslagen in Parijs en het Californische San Bernardino bereikte de zorg over een grote aanslag in Amerika een hoogtepunt. Een peiling van CNN/ORS wees uit dat een meerderheid van 53 procent van de Amerikanen achter het sturen van troepen naar Syrië of Irak stond, een belangrijke verschuiving na de oorlogsmoeheid gedurende het grootste deel van Obama’s presidentschap. De Republikeinse kandidaten hanteerden apocalyptische metaforen om hun vastberadenheid te tonen. Ted Cruz dreigde een bomtapijt over Islamitische Staat af te werpen om te kijken of woestijnzand kon gloeien; Donald Trump riep de VS op alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen ‘totdat duidelijk is wat de dreiging is van dit probleem’.
Maar de publieke voorkeur voor militaire actie is meestal vergankelijk. Drie weken later toonde dezelfde peiling dat het aantal voor- en tegenstanders gelijk was, 49 procent. Trump is geen voorstander van het sturen van nieuwe Amerikaanse soldaten naar Irak en Syrië (evenmin als Clinton trouwens). Hij staat sceptischer tegenover interventies dan zij en verkondigt luidkeels dat hij ook tegen de oorlog in Irak was. Hij wil dat de VS minder aan de NAVO afdragen en heeft al gesproken over het intrekken van de Amerikaanse veiligheidsparaplu boven Azië, zelfs als Japan en Zuid-Korea dan zelf kernwapens zouden aanschaffen om zich te verdedigen. Daarmee komen de kiezers bij de algemene verkiezingen misschien voor een ongebruikelijke keus te staan: die tussen een Democratische havik en een Republikeinse weifelaar.
Om de steeds opstandiger senator Bernie Sanders uit Vermont te dwarsbomen paste Clinton haar boodschap tijdens de Democratische voorverkiezingen zorgvuldig aan om op één lijn te komen met Barack Obama en diens raciaal diverse coalitie. Maar tijdens de algemene verkiezingen zal dat moeilijker worden. ‘De pers zal bovenmatige belangstelling tonen voor de scores,’ zegt Sullivan. ‘Dat kan de aandacht makkelijk afleiden van haar vermogen om te zeggen waar het op staat.’
Om te tonen dat ze een goede toekomstige opperbevelhebber is, zal Clinton zich ongetwijfeld beroepen op haar ervaring bij Buitenlandse Zaken. Afgelopen herfst, tijdens een reeks beleidstoespraken, begon Clinton zich duidelijker af te zetten tegen het nationale veiligheidsbeleid van de president. Ze zei dat de VS meer speciale commandotroepen naar Irak moesten sturen dan Obama had toegewezen, om de Iraki’s en Koerden te helpen in de strijd tegen IS. Ze toonde zich een voorstander van een gedeeltelijk vliegverbod boven Syrië. En ze beschreef de dreiging van IS voor Amerikanen in grimmiger bewoordingen dan de president. Zoals vaak het geval is bij Clinton en Obama, betroffen de verschillen niet zozeer de koers als wel de intensiteit. Evenmin als hij pleitte ze voor het sturen van grondtroepen naar het Midden-Oosten. Clinton hield vol dat haar plan geen breuk was met het zijne, maar alleen een ‘intensivering en versnelling’ daarvan.
Hoe goed de haviksinstincten van Clinton bij de stemming in het land passen is nog de vraag. Amerikanen hebben genoeg van oorlog en blijven beducht voor buitenlandse verwikkelingen. En toch wijzen peilingen uit, na de terughoudende Obama-jaren, dat ze net zo ontevreden zijn met het beeld van hun land als een uitgebluste wereldmacht die amechtig op de been probeert te blijven in een wereld van opkomende grootmachten als China, herrijzende imperia als het Rusland van Vladimir Poetin en de dodelijke nieuwe slagkracht van Islamitische Staat. Als Obama’s minimalistische benadering een noodzakelijke reactie was op de maximalistische stijl van zijn voorganger, dan verlangen Amerikanen misschien naar iets daartussenin, het soort gestaalde pragmatisme dat Clinton een leven lang heeft uitontwikkeld.
‘De president heeft een aantal harde beslissingen genomen,’ zegt Leon Panetta, na Bob Gates Obama’s minister van Defensie en vóór David Petraeus directeur van de CIA. ‘Maar het resultaat is gemengd en de vrees bestaat dat de president er niet in is geslaagd duidelijk te maken wat de rol van Amerika in de eenentwintigste eeuw is.’
‘Misschien lukt het hem alsnog,’ voegt hij eraan toe, beseffend hoe weinig tijd Obama nog rest. ‘Haar zou het zeker lukken.’
Mark Landler is sinds 2011 Witte Huiscorrespondent voor The New York Times. Dit artikel is een bewerkt uittreksel uit zijn boek Alter Egos: Hillary Clinton, Barack Obama and the Twilight Struggle Over American Power, dat deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt bij Hollands Diep.
*Op 21 juni is Landler te gast bij het John Adams Institute.
Locatie: Vondelkerk Amsterdam Aanvang: 20.00 uur*
Nu de Amerikaanse democratie ‘een lachwekkende demagoog zonder papieren heeft opgehoest’, wordt volgens Anne Applebaum overal ter wereld gekeken naar de voordelen van een autoritair regime.
Keuze uit het archief
Deze week verraste Donald Trump vriend en vijand door de Amerikaanse presidentsverkiezingen met ruime cijfers te winnen. Veel mensen vragen zich af hoe het nu verder zal gaan met de VS en wat Trumps presidentschap zal doen met het imago van de democratie in de rest van de wereld. Velen vrezen dat het land onder Trump zal afglijden naar een dictatuur, wat niet gek is gezien de uitspraken die Trump in het verleden gedaan heeft.
Die vrees verwoordt journalist Anne Applebaum ook in dit artikel uit The Washington Post. Het stuk is geschreven naar aanleiding van de verkiezingen van acht jaar geleden, die Trump ook won. Mochten haar voorspellingen voor Trumps eerste termijn nog niet zijn uitgekomen, dan krijgt ze de komende vier jaar alsnog de kans om haar gelijk te bewijzen.
Het is te laat. Al verslaat Hillary Clinton hem in november, al wordt de Republikeinse partij weggevaagd in de peilingen, Donald Trump heeft als presidentskandidaat van de Republikeinen de reputatie van het Amerikaanse politieke bestel nu al een enorme klap uitgedeeld, evenals de reputatie van de democratie zelf. Trumps nominatie zal talloze gevolgen hebben, zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten. Om er meteen maar een bij de kop te pakken: de ordinaire, gemene, smerige campagne van Clinton tegen Trump die zich het komende halfjaar zal ontvouwen, gaat de positie van dictators en autocraten overal ter wereld verstevigen.
Ik besef dat dat paradoxaal klinkt: Trump profiteert immers van de democratie. Als de Amerikaanse politiek werd bepaald door rijke geldschieters, zoals zo vaak wordt beweerd, dan zou Jeb Bush nu kandidaat voor de Republikeinen zijn en niet Trump. Als oppermachtige partijleiders stiekem de kandidaten kozen, tegen de wil van het volk in, dan zou Trump evenmin de Republikeinse genomineerde zijn geworden.
Trump is “een zakenman die alles beschouwt als de volgende deal”. Wat uiteraard precies de manier is waarop Vladimir Poetin tegen de politiek aankijkt
Maar de opkomst van Trump past heel goed bij het verhaal dat China, Rusland en andere landen afsteken over de voordelen van een autoritair bewind. De leiders van die landen zullen onherroepelijk van zijn kandidatuur gebruikmaken om hun eigen positie te verstevigen. Dat doen ze nu al. De Chinezen roepen al heel lang, ondanks kritiek uit buiten- en eigen land, dat hun ondemocratische bestel geschiktere leiders oplevert en de kans op instabiliteit verkleint.
Chinese staatsmedia brengen democratie vaak in verband met chaos en geweld. Een correspondent van Xinhua, het staatspersbureau, constateerde enkele weken geleden tevreden dat Trumps kandidatuur bewijst dat de media gelijk hebben: ‘Trump, een politieke buitenstaander met een onbeschaamde persoonlijkheid en een meervoudige maatschappelijke status als onroerendgoedtycoon, baas van missverkiezingen en gokholgigant, wint aan populariteit, terwijl beroepspolitici met een schat aan politieke ervaring en een degelijke stijl terrein verliezen.’
Een Chinese strijder voor democratie vertelde aan The Guardian dat het regime ‘het moment koesterde’, omdat Trumps kandidatuur bewijst wat al heel lang wordt beweerd: democratie is te riskant voor China omdat ze gewelddadige emoties losmaakt.
In Rusland heeft het pleidooi tegen democratie vaak een iets andere toon. Het regime is er al lang geleden mee opgehouden zich ideologisch te rechtvaardigen en neemt in plaats daarvan zijn toevlucht tot een cynische houding ten opzichte van andere politieke stelsels. Keer op keer wordt het Russische volk voorgehouden dat democratie niet verschilt van dictatuur.
De redenering is ongeveer als volgt: ‘Wij hebben oligarchen, zij hebben oligarchen; onze politiek draait in feite om geld, die van hen ook; Amerikanen praten over ideeën en idealen, tolerantie en democratie – dat is allemaal nep.’ Nu al wordt Trumps triomf gebruikt om die redenering te staven. Trumps openlijke gebruik van racistische emoties om mensenmassa’s op de been te brengen bevestigt de stelling, net als zijn louche zakenpraktijken en zijn reputatie van zwendelaar. Zoals een politieke bondgenoot van de Russische president het onlangs instemmend formuleerde, is Trump ‘een zakenman die alles beschouwt als de volgende deal’. Wat uiteraard precies de manier is waarop Vladimir Poetin tegen de politiek aankijkt.
Dergelijke redeneringen zijn inmiddels al te horen in Iran, Venezuela, Turkije en overal elders waar repressieve politiek als superieur wordt beschouwd aan liberale democratie. Misschien vinden ze wel ingang in landen, zoals Brazilië, waar met weemoed naar het autoritaire verleden wordt gekeken.
Jaloers respect
In zekere zin is dat niets nieuws: alles wat de VS in een kwaad daglicht stelt is altijd gebruikt om autoritaire regimes fraai te doen uitkomen. Maar in het verleden viel tegen het Amerikaanse politieke bestel zelf weinig in te brengen. De aanblik van een enorm land dat vreedzaam voor een nieuwe leider stemde dwong steevast jaloers respect af; zelfs de beroerdste verkiezingen leverden op de een of andere manier iemand op met een coherent wereldbeeld en politieke ervaring.
Nu het stelsel een lachwekkende demagoog zonder papieren heeft opgehoest, lijkt het ineens niet alleen bezoedeld, maar ook belachelijk. En dat is nog maar het begin: het ‘Trump-effect’ zal de komende jaren over de hele wereld doorwerken op manieren die we ons niet kunnen voorstellen.
Donald Trump heeft een neus voor de woede die voortkomt uit de pijn van de in de steek gelaten werkende klasse. Gevaarlijk, volgens _New Yorker_-journalist George Packer. Loze beloften kunnen het cynisme alleen maar verergeren. Klinkt als…
De afgelopen week [4 mei] werd Donald Trump leider van de Republikeinse partij. Hij elleboogde zich een weg naar de top doordat hij zag wat veel intelligente mensen totaal niet zagen: de afbraak van Amerikaanse instituties en gebruiken, van Wall Street en de Senaat tot kabel en Twitter, plaveide niet alleen de weg naar de kandidatuur van een beroemde protofascist die zijn driften niet kan beteugelen, maar maakte die in bepaalde opzichten onvermijdelijk.
Het had geen verrassing hoeven zijn. Een eerste rimpeling deed zich voor in 2008 in de persoon van Sarah Palin, die Trump eerder dan bijna elke andere top-Republikein haar steun betuigde. Met haar minachting voor diploma’s en haar onbekommerde onbenulligheid was ze een avatar van Trump. Veel Republikeinen, onder wie veel vrouwen, herkenden zich in deze kleinsteedse vrouw-van-de-straat; veel mannen beschouwen de miljardair die geen blad voor de mond neemt als voorbeeld. Palin maakte met haar aanstellerij de gang van de politiek naar reality-tv, terwijl Trump brallerig de omgekeerde weg bewandelde. Samen sleten ze een pad uit dat al zowat gewoon is geworden.
Trump begreep bovendien wat de Republikeinse elite nog steeds moeite kost om te bevatten: de ideologie die hun partij sinds het eind van de jaren zeventig in haar greep heeft – antiregeringsgezind, probedrijfsleven, in naam godvruchtig – spreekt weinigen van de miljoenen gewone Republikeinen aan. De basis van de partij, de blanke werkende klasse van middelbare leeftijd, heeft minstens zo veel als elke andere bevolkingsgroep te lijden van globalisering, vrijhandel en immigranten die werken voor lage lonen. Trump had een neus voor de woede die uit die pijn oplaaide en gebruikte hem als brandstof voor zijn campagne. De conservatieve orthodoxie, die al door haar eigen extremisme was uitgehold – de laatste, minst aansprekende vaandeldrager was Ted Cruz – heeft een verbijsterende interne nederlaag geleden. En met Trump is er iets veel gevaarlijkers voor in de plaats gekomen: de politiek van de blanke identiteit.
De Democratische partij heeft een merkwaardige verstandhouding tot de blanke werkende klasse. Bernie Sanders richt zich tot haar en komt voor haar op, niet omdat ze blank is, maar omdat ze het slachtoffer is van de economie. Sanders hield zijn campagne de afgelopen week in Indiana vooral in leven doordat hij op elke laaggeschoolde stem voor Clinton er twee voor zichzelf wist te winnen. De berichtgeving over Sanders richt zich op de steun die hij geniet onder jonge of progressieve kiezers, maar hij doet het ook beter dan Clinton bij de blanke werkende klasse. Ook al verliest hij, Sanders laat zien dat een kandidatuur die op economisch populisme is gestoeld kiezers kan trekken die de Democratische Partij allang vaarwel hebben gezegd. Het valt moeilijk uit te maken of die kiezers, nu ze voor de keuze tussen Clinton en Trump staan, zich tot de Republikeinen zullen wenden, thuis zullen blijven of zullen stemmen voor een Democraat die tot nu toe geen idee had hoe hij hen kon bereiken.
Identiteitspolitiek van een ander slag dan dat van Trump wint aan belang onder het progressieve deel der natie. In sommige gevallen gaat die gepaard met een aversie jegens, of zelfs verachting voor, blanke en noodlijdende mede-Amerikanen. Een abstracte sympathie voor de werkende klasse als economische entiteit ligt voor de hand, maar die kan zomaar in rook opgaan als gevolg van daadwerkelijk contact met iemand die tot die klasse behoort en vaak verontrustende ideeën of hevige haatgevoelens koestert. Het zijn geen mensen die eruitzien of klinken als iemand die je als progressieve stedeling wilt kennen. Het privilege van de blanke man bestaat in Amerika nog altijd, maar het begrip klinkt tegenwoordig wrang en is misschien zelfs om woest van te worden als je als man van zestig uit Zuid-Ohio voor je werk klanten bij de Walmart verwelkomt. Het steeds grotere belang van identiteitspolitiek ter linkerzijde drijft de blanke werkende klasse, die soms terecht is gehekeld om haar onverdraagzaamheid, des te sneller in de armen van Trump.
‘Ze mogen dan het voorrecht van hun huidkleur genieten, dat is dan ook het enige privilege dat ze hebben’
Afgelopen jaar publiceerden twee economen van Princeton een onderzoek waaruit blijkt dat sinds de eeuwwisseling steeds meer blanke Amerikanen van middelbare leeftijd sterven, vooral de laagopgeleide. Dat geldt voor geen enkele andere leeftijds- of etnische groep in de Verenigde Staten. De belangrijkste oorzaken zijn alcohol, opiaten en zelfmoord: het is een epidemie van de wanhoop. In een artikel dat vervolgens in The Washington Post verscheen viel te lezen dat de crisis vooral hard toeslaat onder blanke vrouwen van middelbare leeftijd in plattelandsgebieden. In eenentwintig provincies in het zuiden en het Middenwesten is het sterftecijfer van deze vrouwen sinds het begin van deze eeuw zelfs verdubbeld. Anne Case, een van de coauteurs van het Princetononderzoek, zei: ‘Ze mogen dan het voorrecht van hun huidkleur genieten, dat is dan ook het enige privilege dat ze hebben.’
Volgens de Post zijn die regio’s waar de blanke werkende klasse de pijn van de crisis voelt de regio’s waar Trump veel aanhang geniet. Deze Amerikanen weten dat de economie en de cultuur hen in de steek laten. Ze voelen de onverschilligheid en de minachting van de winnaars aan de welvarende kusten en in de innovatieve steden, en die zijn wederzijds. Trump heeft de Republikeinse nominatie in de wacht gesleept door zondebokken te vinden voor de economische moeilijkheden en de verwoeste levens van de werkende blanke klasse, terwijl hij deze kiezers de geruststellende maar valse belofte doet dat ze weer tot het centrum van het Amerikaanse leven zullen gaan behoren. Hij speelt in op hun gevoel dat ze ergens recht op hebben, maar die loze belofte zal hun cynisme uiteindelijk alleen maar verergeren.
De Democraten hebben waarschijnlijk niet de stemmen van de blanke werkende klasse nodig om dit jaar te winnen. Demografische trends vallen in het voordeel van hun partij uit, evenals het opgeblazen en hatelijke ego van de Republikeinse voorkeurskandidaat. Niettemin kan de Democratische genomineerde het zich niet permitteren deze Amerikanen politiek of moreel af te schrijven. Zij hebben behoefte aan een politiek die eerlijke antwoorden geeft op hun legitieme klachten en die voorkomt dat ze nog verder naar zelfvernietiging afglijden.
Met zijn parels van reportages, politieke analyses, fictie en essayistiek, factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht.
Donald Trump was de afgelopen maanden niet uit de Amerikaanse media weg te slaan. Is die aandacht, en de manier waarop hij werd bejegend, de reden van zijn populariteit?
JA
De ster van Donald Trump is snel gerezen. Sommigen zeggen dat dat te wijten is aan de Republikeinse Partij, die raciale onlustgevoelens aanwakkerde. Maar wij van de media moeten inzien dat er ook een andere kracht is geweest die Trump in het zadel hielp: wijzelf. Een flink aantal journalisten en wetenschappers is van mening dat we er een puinhoop van hebben gemaakt. Trump kreeg veel te veel spreektijd, zonder dat er grondig vooronderzoek werd gedaan. Dat leverde beide partijen veel publiciteit op.
‘Trump is niet gewoon een goudmijn voor oplage- en kijkcijfers – hij is de grootste goudader van het hele land,’ zegt Ann Curry, de vroegere presentator van de The Today Show. ‘Hij begon met zijn presidentscampagne toen het met de media financieel net bergafwaarts ging. Wij hebben Trump nodig, zoals een verslaafde zijn shot.’
Larry Sabato, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Virgina, ziet Trump ook als trekpleister. ‘Je kunt je ogen niet van hem afhouden. Als Trump op tv is, komt er vanzelf spektakel.’
Het probleem is niet dat we Trumps gekte in beeld hebben gebracht. Maar we hadden zijn uitspraken en beleidsvoorstellen moeten toetsen aan de feiten
Velen van ons hebben Trump bespot, maar in feite was hij ons steeds te slim af. Hij manipuleerde tv-uitzendingen door buitensporige uitspraken te doen, zonder dat er kritisch werd doorgevraagd. Het probleem is niet dat we Trumps gekte in beeld hebben gebracht. Maar we hadden zijn uitspraken en beleidsvoorstellen moeten toetsen aan de feiten. Bij een presidentskandidaat die beweert dat hij met zijn zakenvernuft Amerika kan besturen, had je meer aandacht moeten besteden aan zijn faillissementen en aan zijn povere beleggingsresultaten.
Wij van de media hebben te weinig laten zien hoe Trump zich overal onderuit probeerde te draaien. Zo kon bij veel kiezers de indruk ontstaan dat hij iemand is die recht op zijn doel afgaat. Ook hebben we Trump te veel weggezet als een schertsfiguur. ‘Om Trump werd alleen maar gelachen,’ zegt Ralph Begleiter, hoogleraar communicatie aan de universiteit van Delaware. Hij merkt op dat Sarah Palin in 2008 als running mate serieuzer werd doorgelicht dan Trump als presidentskandidaat.
We namen Trump niet serieus omdat we te weinig zicht hadden op de vele Amerikanen die het moeilijk hebben en ontevreden zijn. We hadden niet door hoe zijn boodschap overkwam. We praatten te veel met senatoren en te weinig met werklozen.
Dit is het moment om onszelf kritisch te bezien. Wij hebben een demagoog een podium gegeven en lieten ons land in de steek. We waren schoothondjes, geen waakhonden.
Nicholas Kristof is al sinds 2001 stercolumnist bij The New York Times. Hij schrijft veel over mensenrechten en sociale onrechtvaardigheid, en won twee Pulitzerprijzen.
Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
NEE
Er wordt veel beweerd over het fenomeen Donald Trump. Zo zouden wij, de media, dat fenomeen hebben voortgebracht. Laat ik duidelijk zijn: dat is niet zo. Om te beginnen is er geen ‘wij’. De nieuwsmedia opereren in een vrije markt. Omroepen concurreren met elkaar. Elke redacteur en elke nieuwschef streeft naar de beste berichten, en het is een feit dat het publiek alles wil weten over Trump.
Niemand begrijpt dit beter dan Trump zelf. Met zijn bombastische twitterberichten, zijn vuurspuwende bijeenkomsten, zijn vergulde privéjet en zijn belachelijke haar weet hij steeds weer de aandacht op zich te vestigen. Omdat hij al vele jaren een publiek persoon is, kende 90 procent van de Amerikanen zijn naam toen hij aan zijn campagne begon. Het was dus niet vreemd dat de media massaal uitrukten op 16 juni 2015 om in de Trump Tower de groots opgezette aftrap van die campagne mee te maken.
Maar elke goede kermisklant kan een massa op de been brengen. Trump zou allang teruggestuurd zijn naar zijn penthouse op Fifth Avenue als een groot deel van de Republikeinse Partij het niet met hem eens was. Als je al kunt spreken van collectief mediafalen, dan is dat niet omdat Trump te veel aandacht heeft gekregen, maar omdat er te weinig aandacht is besteed aan zijn boodschap.
De gedachte dat Trump zou zijn gemaakt door de media gaat voorbij aan het feit dat de “belangrijkste” mediakanalen zeer onpopulair zijn bij de Republikeinse aanhang
Was het fout van de ochtendlijke nieuwsshows om Trump zo vaak in te laten bellen? Je kunt hier gemakkelijk ‘ja’ op antwoorden. Maar zijn die shows verplicht om aan alle presidentskandidaten evenveel tijd te besteden?
Deden de omroepen er verkeerd aan om zo veel van Trumps verkiezingsbijeenkomsten live te verslaan? Bedenk dat die evenementen nieuwswaarde hadden vanwege de omvang van de toegestroomde menigte. De gedachte dat Trump zou zijn gemaakt door de media gaat voorbij aan het feit dat de ‘belangrijkste’ mediakanalen zeer onpopulair zijn bij de Republikeinse aanhang. De enige uitzondering is Fox News, en juist die omroep was het strengst voor Trump.
Het is waar dat Trump hoge kijkcijfers oplevert. Maar dat doet er niet toe. Nieuwszenders moeten belangrijke kandidaten volgen, ook al zouden het grijze muizen zijn.
Nieuwsmedia zijn alleen schuldig aan het brengen van het nieuws. En het is nieuws als een kandidaat, die nooit eerder een politiek ambt bekleedde, en die noch de kennis heeft noch het vereiste temperament om president te worden, bovenaan staat op de lijst van de Republikeinen. Commentatoren moeten zichzelf niet belangrijker maken dan ze zijn. Ze zouden zich beter kunnen afvragen waarom Trump zo succesvol is. Als we onszelf de schuld geven van Trumps politieke opkomst, negeren we nogmaals de stemmers die hem groot hebben gemaakt.
Eugene Robinson schrijft columns voor The Washington Post, en begon zijn loopbaan bij de San Francisco Chronicle. Ook Robinson won een Pulitzerprijs, voor een serie columns over Barack Obama.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrumrechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Volgens George Packer is de campagne voor Iowa en New Hampshire de meeste inhoudelijke fase van de presidentiële verkiezingen geweest en kan nu de temperatuur van de Amerikaanse politiek worden gepeild. Het blijkt aan de basis erger te smeulen dan tot de top van beide partijen doordringt.
Nu komt het op ons, Amerikanen, aan. Ongeveer een half procent van alle geregistreerde kiezers in de Verenigde Staten – waarschijnlijk voor 96 procent blank en met honderd procent zekerheid woonachtig in Iowa en New Hampshire – oefent zijn onvervreemdbare, door God gegeven, wettelijke recht uit om de presidentskandidaten van beide partijen te kiezen. Sinds het ontstaan van de voorverkiezingen (de primary) van New Hampshire en de besloten verkiezingsbijeenkomst van partijleden (de caucus) van Iowa, in respectievelijk de jaren vijftig en zeventig, is maar één keer iemand president geworden die niet een van beide heeft gewonnen. Dat was Bill Clinton, wiens met schandalen omgeven tweede plaats in New Hampshire in 1992 elke verwachting overtrof, en die liet zien dat hij er niet onder te krijgen was.
Dat laatste geldt ook voor de politieke hegemonie van deze twee tamelijk kleine, niet-representatieve staten. Als het proces om presidentskandidaten te nomineren een internationale sportcompetitie zou zijn, dan kon je ervan op aan dat topfunctionarissen van beide partijen enveloppen-met-inhoud zouden aannemen van gemeenteraadsleden in Durham (New Hampshire) en de voorzitters van het kiesdistrict in Waterloo (Iowa). Maar gek genoeg kost deze overdreven aandacht de kandidaten geen cent.
Rechtstreekse voorverkiezingen, waarbij niet de partijleiders maar de kiezers de kandidaten selecteren, ontstonden ongeveer een eeuw geleden. Ze waren een idee van hervormers die de macht van de politiek en het bedrijfsleven wilden afpakken om die terug te geven aan het volk, waarvan ze dachten dat het verstandiger en capabeler zou zijn dan de gevestigde orde omdat het minder belangen zou hebben. Stemmen zou van gewone mensen goede burgers maken. ‘Door rechtstreekse voorverkiezingen neemt de verantwoordelijkheid van de partij af en die van het individu toe’, schreef George W. Norris, een progressieve senator uit Nebraska in 1923. ‘De partijgeest en de partijdigheid zullen minder worden.’
Strategische fase
Het progressieve tijdperk lijkt in allerlei opzichten op het onze. Er waren dezelfde zorgen over plutocratie, corruptie in de politiek, technologische veranderingen en massa-immigratie als nu. De hooggestemde idealen van de hervormers waren de voorlopers van de huidige ideeën over de beteugeling van campagnefinanciering en het vaststellen van kiesdistrictsgrenzen op grond van andere dan partijbelangen.
Aan de strijd tussen de gevestigde orde en de hervormers zal nooit een einde komen. Nog in 1968 werd vicepresident Hubert H. Humphrey presidentskandidaat namens de Democraten zonder aan ook maar één voorverkiezing te hebben deelgenomen. (De partij stelde vervolgens een door senator George McGovern geleide commissie in die het proces moest democratiseren. Dat leidde onder andere tot de caucus van Iowa.) Tot voor kort hadden de partijleiders van de Republikeinen het bij elke verkiezing voor het zeggen, zodat de nominatie voor het presidentschap steevast ging naar een gevestigde naam als Bush, Dole, McCain of Romney, ondanks de golf van populisme waar ieder van hen in zijn tijd mee te maken had. Misschien loopt het in 2016 anders.
Nu we in de spannende, keiharde strategische fase van de campagne zijn aanbeland, is het vreemd om te bedenken dat de lange maanden tot aan Iowa en New Hampshire in feite de fase van de inhoud zijn geweest. Kandidaten kwamen opdraven voor lange debatten (al waren hun antwoorden vaak voorgekookt of absurd). Soms hielden ze een toespraak of schreven ze een stuk over belastinghervorming dan wel de oorlog in het Midden-Oosten (al strookten hun ideeën met de feiten noch het gezond verstand). En omdat ze zo veel tijd in maar twee staten doorbrachten, moesten ze zich onderwerpen aan vragen van echte kiezers. Dankzij dat alles kunnen we nu de temperatuur van de Amerikaanse politiek peilen. Het blijkt aan de basis erger te smeulen dan tot de top van beide partijen doordringt.
Goedgevige miljardairs, het Republican National Committee en Fox News: allemaal hebben ze Donald Trump en zijn miljoenen aanhangers niet de mond kunnen snoeren. Volgens de Amerikaanse organisatie voor politiek nieuws Politico ‘geeft iedereen in de Republikeinse partijelite elkaar de schuld van de mislukte pogingen Donald Trump af te stoppen’. Zou Right to Rise, het superactiecomité van Bush, de 100 miljoen dollar die het in kas heeft tegen Trump of tegen Marco Rubio hebben ingezet? Zou Rubio vooral bereid zijn Trump te bekritiseren en Ted Cruz minder bereid hem te paaien? Wat is minder erg: angst (Trump) of walging (Cruz)? Het laatste, aldus een recente editie van het conservatieve tijdschrift National Review die helemaal – maar rijkelijk laat – gaat over mogelijkheden om Trump tegen te houden. Bob Dole vindt Cruz juist erger. De partijleiding dacht dat de voorverkiezingen een soort vertoon van democratie zouden worden waarvan de uitkomst al bij voorbaat vaststond. Geschoktheid maakt eindelijk plaats voor woede.
Buitenstaander
Democraten zijn er meer aan gewend een buitenstaander te kiezen, zoals Jimmy Carter en Barack Obama. Maar de niet erg kansrijke campagne van Bernie Sanders is het tegenovergestelde van hun revoltes: deze moet het niet hebben van karakter of afkomst, maar juist van politieke issues. Dat Sanders elke keer weer verrassend populair blijkt, toont aan dat de gevestigde orde binnen de Democraten de diepgewortelde vervreemding van de kiezers even slecht aanvoelt als zijn Republikeinse tegenhanger. De energie waarmee de presidentiële campagne tot nu toe is gevoerd komt van twee soorten Amerikanen: jong, hoogopgeleid en stedelijk aan Democratische zijde; ouder, blank werkvolk aan Republikeinse zijde. Net als de progressieven en de populisten van een eeuw geleden koesteren beide groepen het idee dat hun land van hen is afgepakt. Geen van beide is van oudsher de voet dwars gezet, waardoor hun gevoel dat ze buiten de politiek worden gehouden des te heviger is en hun opvattingen over de krachten die tegen hen samenspannen – het bedrijfsleven, de overheid, de media, de globalisering – des te extremer zijn.
Dat was het oorspronkelijke doel van de rechtstreekse voorverkiezingen: de partijen dwingen zich uit te spreken tegenover de kiezer. Maar senator Norris zat er in één opzicht naast: de kiezers bleken partijgezinder dan de gevestigde orde. Voorverkiezingen drijven politici tot het uiterste, en geen van beide kampen is bereid de legitimiteit of, in zekere zin, het bestaan van de ander te erkennen. Aanhangers van Sanders juichen zijn voorstellen voor hogere belastingen, staatsgezondheidszorg en gratis hoger onderwijs toe zonder te verlangen dat hij uitlegt hoe hij ze door het ideologisch gemotiveerde, grotendeels Republikeinse congres heen denkt te loodsen. Trump zegt gewoon tegen zijn volgelingen dat ze hem de macht moeten geven en dat hij er dan wel voor zorgt dat alles in orde komt, en ze geloven hem. Cruz sneert over ‘New Yorkse ideeën’, alsof een meerderheid van de Amerikanen niet allang voor beperking van wapenbezit en het recht op abortus is.
Deze verdeeldheid verontrust de voormalige New Yorkse burgemeester Michael Bloomberg zo dat hij overweegt zich als onafhankelijke kandidaat verkiesbaar te stellen. Hij is tegen voorverkiezingen. Een van zijn medewerkers liet The New York Times weten dat Bloomberg denkt dat Amerikanen ‘een niet-ideologische, partijoverstijgende, resultaatgerichte visie’ willen. Hij zou bereid zijn er minstens 1 miljard van zijn eigen dollars in te steken om die stelling te staven. Tot nu toe wijst niets in de aanloop naar de verkiezingen erop dat hij iets van zijn investering zal terugzien.
Auteur: George Packer
Vertaler: Nico Groen
George Packer is journalist en auteur. Hij schrijft voor The New Yorker over buitenlandpolitiek van de VS en schreef o.a. The Assassins’ Gate: America in Iraq en het bekroonde The Unwinding: An Inner History of the New America, over de Amerikaanse geschiedenis van 1978 tot 2012.
The New Yorker Verenigde Staten, weekblad, oplage 1.043.000
Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen. Bekend om zijn karikaturen, commentaar op de popcultuur en vele korte verhalen.
Wie zijn toch de aanhangers van Donald Trump, die het Republikeinse establishment tot wanhoop drijven? Volgens The Washington Post vind je ze vaak in achtergebleven gebieden waar zich zelden een presidentskandidaat vertoont.
Lowell, Massachusetts – Dit oude industriestadje is vooral bekend om wat het ooit was, toen textiel fabrieken aan de oever van de Merrimackrivier werk boden aan duizenden immigranten uit Ierland, Rusland en Griekenland. Dat Lowell bestaat allang niet meer en nu vecht een nieuwe stad voor zijn bestaan. Ondanks de aanwezigheid van de University of Massachusetts- campus, heeft maar een op de vijf inwoners hier een universitaire opleiding. Het gemiddelde jaarinkomen per huishouden ligt rond de 49.500 dollar en dat blijft ver achter bij het gemiddelde van de staat en van het land. Negentien procent van de honderdduizend inwoners van de stad leeft in armoede.
Dit is het soort stad waar miljardair Donald Trump in zijn campagne voor het presidentschap graag zijn verkiezingsbijeenkomsten houdt, en waar zijn boodschap de meeste weerklank lijkt te vinden. De luidruchtige evenementen die het kenmerk en de drijvende kracht van Trumps campagne zijn geworden, zijn meestal niet zijn verkiezingsbijeenkomsten in staten als Iowa en New Hampshire, waar de verkiezingen vroeg plaatsvinden. Hij krijgt juist steeds meer een gezicht door de bijeenkomsten in steden waar zich zelden een presidentskandidaat vertoont. Het zijn vaak ook plaatsen die het moeilijk hebben: Mobile, Alabama, waar het werkloosheidscijfer hoger is dan gemiddeld in het hele land en in de staat zelf; Springfield, Illinois, waar de industrie nog niet over de recessie heen is; en Beaumont, Texas, dat zich zorgen maakt over de lage brandstofprijzen.
Hij krijgt staande ovaties voor zijn beloften dat hij banen uit het buitenland terug zal halen en een muur langs de zuidgrens zal bouwen
Deze stadjes – en veel andere die Trump tijdens zijn campagne heeft aangedaan – blijven op een aantal fronten achter bij de rest van het land en van hun eigen staat. Het gemiddelde inkomen per huishouden is lager, er is vaak minder eigen huizenbezit en er zijn minder inwoners met een universitair diploma. In de meeste van deze steden wonen veel minderheden, maar het publiek op Trumps bijeenkomsten is vrijwel geheel blank.
En bij dat publiek overheerst het gevoel dat het nog steeds niet goed genoeg gaat met de economie – en dat het misschien ook nooit beter zal worden dan het nu is, tenzij er een dramatische omslag plaatsvindt.
‘Ik zie hoeveel moeite mensen hebben om de basisbehoeften in het leven te betalen,’ zegt Alexis Arondson, 36, die geboren is in Lowell en voor [kabelgigant] Comcast werkt. Ze is van plan om zich als kiezer te registreren zodat ze op Trump kan stemmen. ‘Volgens mij is er de afgelopen jaren niets veranderd. Mensen zijn gewoon immuun geworden voor hoe het met de economie gaat. Iedereen heeft zich er maar bij neergelegd.’
Slimme underdog
In deze onbekende stadjes trekt Trump duizenden en duizenden bewonderaars die uren in de zinderende hitte of ijzige kou staan te wachten om hem te horen spreken. Hij doet zich voor als een soort underdog die met zijn boerenverstand het systeem heeft weten te verslaan, en hij wordt vaak het hardst toegejuicht wanneer hij tekeergaat tegen Democraten, het Republikeinse establishment, de media, graaiende bedrijven of elke andere instelling waardoor mensen zich in de steek gelaten voelen. Hij krijgt staande ovaties voor zijn beloften dat hij banen uit het buitenland terug zal halen en een muur langs de zuidgrens zal bouwen om illegale immigranten, terroristen en drugs buiten de deur te houden.
Volgens Trumps campagneleider Corey Lewandowski, die in Lowell is opgegroeid, heeft de campagne ‘heel, heel zorgvuldig’ de locaties voor verkiezingsbijeenkomsten uitgekozen. Er is speciaal gezocht naar plaatsen waar inwoners kansen hebben gemist en waar Trumps boodschap in goede aarde zou vallen. Lewandowski wees erop dat veel plekken die Trump aandoet, geen conservatieve bolwerken zijn waar Republikeinse presidentskandidaten het meestal goed doen. Trump kiest juist vaak steden met een ontevreden Democratische en Republikeinse arbeidersbevolking die het gevoel heeft niet te worden gehoord.
Zelf wijst Trump de suggestie dat hij zich op een bepaald type gemeenschap richt van de hand: ‘Nee, volgens mij gaan we overal heen.’
Trump stopt wel verwijzingen naar plaatselijke omstandigheden in zijn toespraken – in Michigan heeft hij het over auto’s, in Illinois over tractors, in Texas over olie – maar houdt grotendeels dezelfde speech, in welke staat hij ook is. Hij heeft voor deze verkiezingsbijeenkomsten kriskras door het land gereisd, maar de zorgen van het publiek zijn vrijwel overal gelijk.
Neem die 47-jarige man in Springfield die reuzenraden maakt en het gevoel heeft dat dat het laatste is wat nog in Amerika wordt gemaakt. Neem de 37-jarige spoorwegbeambte op een verkiezingsbijeenkomst in Worcester, Massachusetts, die zijn vakbond verwijt dat die hem onder druk heeft gezet om twee keer op Obama te stemmen. De 55-jarige voormalige restaurantbedrijfsleider uit West-Oklahoma die al langer dan een jaar geen werk meer heeft nu daar op steeds minder plekken olie wordt gewonnen en de steden leeglopen. En neem Kevin Steinke uit een voorstad van Grand Rapids, Michigan, die zegt dat hij niet weet hoe hij van zijn ongeregelde inkomen als consultant elke maand de zorgverzekeringspremies moet betalen.
‘Soms is zijn retoriek wel een beetje heftig, maar ik denk dat hij de spijker op zijn kop slaat en mensen raken gefrustreerd door het idee dat we niet vooruitkomen als land. Veel van ons hebben het gevoel dat we achteruit gaan,’ zegt Steinke, 53, die met zijn twee zoons naar een verkiezingsbijeenkomst van Trump in Grand Rapids is gekomen. ‘Hij zegt vaak wat mensen denken, en dat komt aan… We hebben in dit land een CEO nodig, geen opperpoliticus.’
Geen toekomst zonder Trump
Onder het publiek hier in Lowell is ook een 56-jarige kapper die zegt dat de economie volgens haar en haar klanten is vastgelopen. Er zijn twee broers van begin twintig in Lowell die zich aangetrokken voelen tot Trumps mentaliteit, in tegenstelling tot hun Democratische ouders, die zich zorgen maken om de veiligheid van hun zoons op de verkiezingsbijeenkomst. En er is een elfjarig meisje uit een voorstad van Boston met een zelfgemaakt T-shirt waarop staat: ‘Ik heb een toekomst gepland, maar zonder Trump is er geen toekomst.’
‘Ik hou van Trump omdat hij geen politicus is,’ zegt Heather Laine, 32, die al haar hele leven in Lowell woont, kleuteronderwijs geeft en ook op de bijeenkomst is. ‘Iedereen belooft altijd weer hetzelfde, behalve hij… Ik vind het goed dat hij altijd voor het oog van de natie zegt wat iedereen elke avond onder het eten thuis zegt.’
Laine zegt dat ze blij is met de diversiteit in Lowell, waar een kwart van de bevolking in het buitenland is geboren. Maar ze zegt ook dat sommige immigranten niet hard genoeg werken en te zwaar op de overheid leunen. ‘Ik ben er helemaal voor als mensen naar dit land willen komen en voor hun brood willen werken, maar dat willen ze niet. Ze willen alles voor niks krijgen,’ zegt Laine, die vertelt dat zij en haar man bij familie inwonen omdat ze zich geen eigen huis kunnen veroorloven. ‘De Amerikaanse droom, het lijkt wel of die niets meer voorstelt.’
Laine staat geregistreerd als Democraat, maar is van plan dat te veranderen en op Trump te gaan stemmen.
Backstage heeft Trump privéontmoetingen met supporters, plaatselijke leiders en politiemensen, met wie hij geanimeerd praat en bereidwillig op de foto gaat. Voor dat soort dingen heeft deze kandidaat alle tijd, want hij hoeft zich niet bezig te houden met het plezieren van rijke geldschieters. Tijdens deze meet-and-greets, waar geen pers wordt toegelaten, vertoont Trump volgens zijn medewerkers zijn talent voor kleinschalige politiek; hij gaat persoonlijke banden aan met stemmers in het hele land die zijn boodschap weer kunnen overbrengen aan hun vrienden, familieleden, collega’s en buren.
Toen Trump aankondigde dat hij in Lowell een verkiezingsbijeenkomst zou houden in het Tsongas Center – vernoemd naar een vroegere Democratische senator uit Lowell en voornamelijk gebruikt voor ijshockeywedstrijden – dachten sommige mensen in de stad dat het een grap was. Tientallen demonstranten zijn naar de bijeenkomst gekomen en staan buiten in de sneeuw met borden waarop boodschappen staan als ‘Jij, de KKK en Poetin willen Trump als president. Hoe voelt dat?’
‘Lowell is een smeltkroes van immigranten en wat Trump gelooft is volgens mij tegen immigranten,’ zegt Tooch Van (40), een immigrant uit Cambodja die als mentor op de gemeentelijke school in Lowell werkt en tegen Trumps verkiezingsbijeenkomst demonstreerde. ‘Ik begrijp er niets van.’
Trump houdt vol dat zijn publiek niet alleen maar uit nieuwsgierigen bestaat en dat zijn populariteit deel uitmaakt van een beweging die allerlei soorten kiezers bijeenbrengt, niet alleen de arbeiders.
‘Er is zo veel liefde in deze zalen – hier, in Dallas, overal waar ik kom’
‘Er is zo veel liefde in deze zalen – hier, in Dallas, overal waar ik kom,’ zegt Trump in Lowell, waar de sporthal volgepakt is met meer dan het maximale bezoekersaantal van 7800 mensen. ‘We zijn nu in Massachusetts, we gaan naar New Hampshire, we gaan naar Iowa, we gaan naar South Carolina, we gaan naar Nevada… We waren in Florida, waar het ongelooflijk was, in Texas, het is overal hetzelfde. Het is liefde. Het is liefde.’
Auteur: Jenna Johnson
Vertaler: Annemie de Vries
Jenna Johnson doet voor The Washington Post verslag van de presidentscampagnes 2016.
The Washington Post Verenigde Staten | oplage 700.000
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Peter Wehner is een volbloed conservatief die voor drie Republikeinse regeringen werkte. Maar mocht Donald Trump het tot presidentskandidaat schoppen, dan zal hij niet op hem stemmen.
Keuze uit het archief
Afgelopen weekend werd beheerst door de moordaanslag op de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump, die hij op een haar na overleefde. De aanslag laat de grote verdeeldheid zien binnen de VS, waar sommige mensen met Trump weglopen en anderen hem tot op het bot verafschuwen.
In dit artikel van de NYT van begin 2016 zet de – nota bene – Republikein Peter Wehner de redenen uiteen waarom hij hoe dan ook nooit op Trump zal stemmen. Hoewel het artikel ruim acht jaar oud is, doet dat niets af aan zijn argumentatie. Ook dit jaar is de kans immers zeer aanwezig dat Trump in het Witte Huis zal komen, en het lijkt er niet op dat Trumps opvattingen en persoonlijkheid de afgelopen acht jaar zijn veranderd.
Te beginnen met Ronald Reagan heb ik sinds 1980 bij elke presidentsverkiezing Republikeins gestemd. Ik heb voor de regering van Reagan en voor die van George H.W. Bush gewerkt en ben in het Witte Huis speechschrijver en adviseur voor George W. Bush geweest. Ik heb ook meegewerkt aan Republikeinse verkiezingscampagnes. Ondanks – maar voor een groot deel ook dankzij – deze voorgeschiedenis zal ik niet op Donald Trump stemmen als hij de Republikeinse nominatie krijgt. Mochten Trump en mevrouw Clinton de Republikeinse en Democratische kandidatuur bemachtigen, dan stem ik liever op een redelijke, andere partij; is die mogelijkheid er niet, dan ga ik gewoonweg niet stemmen.
Hij zou de minst gekwalificeerde president uit de Amerikaanse geschiedenis zijn
Ik vermoed dat dit voor veel Republikeinen geldt. Er zijn veel redenen om niet op Trump te gaan stemmen als hij genomineerd wordt. Om te beginnen het feit dat hij de minst gekwalificeerde president uit de Amerikaanse geschiedenis zou zijn. Al onze vierenveertig presidenten tot nu toe hadden bestuurlijke of militaire ervaring opgedaan voor ze werden beëdigd. Vastgoedmagnaat en voormalig reality-tv-ster Trump heeft geen dag van zijn leven in een openbare functie of bij de strijdkrachten gediend. In de loop van zijn campagne heeft hij herhaaldelijk laten zien hoe groot zijn onwetendheid is als het gaat om basale zaken van nationaal belang – over de drie manieren waarop de Verenigde Staten kernbommen kan afvuren (vanaf land, vanuit zee, of vanuit de lucht), over het verschil tussen de Quds-strijdkrachten in Iran en de Koerden ten westen daarvan, en over de kernproeven van Noord-Korea.
Trump heeft geen zin om kennis te nemen van de meeste kwesties, laat staan om ze zich eigen te maken. Nooit eerder heeft een belangrijke presidentskandidaat zo veel minachting getoond voor kennis, zo’n gebrek aan interesse voor cijfers, en zo weinig gêne over zijn eigen achterlijkheid. Vandaar dat veel van de meest bejubelde uitspraken en beloften van Trump – om snel en ‘menselijk’ 11 miljoen immigranten het land uit te zetten, om Mexico te dwingen de muur die hij langs onze zuidgrens zal bouwen te betalen, om Islamitische Staat ‘heel snel’ te verslaan en vervolgens als extraatje de olie van die organisatie in beslag te nemen, om moslims de toegang tot de Verenigde Staten te weigeren – nativistische luchtkastelen en public relations-stunts zijn.
Wat Trump nog minder geschikt voor het ambt maakt, is zijn temperament. Hij is onberekenbaar, inconsequent en principeloos. Hij bezit een grofheid en wreedheid die zich manifesteerden in de manier waarop hij een gehandicapte Time-journalist nadeed, senator John McCain belachelijk maakte om zijn vroegere krijgsgevangenschap, een opmerking maakte over ‘bloed’ met de bedoeling een vrouwelijke journalist te vernederen en een van zijn tegenstanders vergeleek met een kinderverkrachter.
Het legendarische narcisme van de heer Trump zou grappig zijn als het in iemand die naar het hoogste ambt van het land streeft niet zo gevaarlijk was – zoals hij liet zien toen hij de wrede, anti-Amerikaanse president van Rusland, Vladimir Poetin, uitbundig prees, in antwoord op Poetins bewonderende uitspraken over hemzelf. ‘Het is altijd een grote eer,’ zei Trump vorige maand, ‘om zo’n mooi compliment te krijgen van een man die in zijn eigen land en daarbuiten zo hoog wordt geacht.’
Trumps giftige mix van onwetendheid, emotionele labiliteit, demagogie, kletspraat en wraakzucht zou meer teweegbrengen dan een mislukt presidentschap; die zou heel goed tot een nationale ramp kunnen leiden. Bij elke Amerikaan zou een rilling over de rug moeten lopen bij het vooruitzicht van Trump als opperbevelhebber.
Zijn nominatie zou de Republikeinse Partij en het conservatisme ernstiger bedreigen dan Hillary ooit zou kunnen
Voor Republikeinen is er nog een extra reden om niet op Trump te stemmen. Zijn nominatie zou de Republikeinse Partij en het conservatisme ernstiger bedreigen dan Hillary ooit zou kunnen. Want mevrouw Clinton kan de Republikeinse Partij misschien een nederlaag toebrengen, ze zou die partij nooit kunnen herdefiniëren. Trump kan dat wel, als hij de Republikeinse kandidaat wordt. Zijn deelname in de race om de nominatie in 2016 heeft al zeer schadelijke gevolgen gehad, maar die vallen nog in het niet bij wat er zou gebeuren als hij de Republikeinse vaandeldrager werd. De genomineerde is per slot van rekening de leider van de partij; hij geeft die vorm en betekenis. Onder aanvoering van Trump zal de Republikeinse Partij niet langer een conservatieve partij zijn; het zal een boze, racistische, populistische partij zijn. Trump zou een dramatische breuk vertegenwoordigen met de beste tradities van de partij en een fundamentele aanval daarop.
In de loop der jaren hebben we al de voorboden van het huidige trumpisme gezien, zowel qua onderwerpen als qua stijl – bijvoorbeeld tijdens de campagnes voor het presidentschap van Pat Buchanan in de jaren negentig, met de opkomst van Sarah Palin binnen de partij, en in de nietsontziende retoriek van mensen als [politiek commentator] Ann Coulter aan de rechtervleugel. De sentimenten die deze individuele leden drijven, hebben de partij beïnvloed en die invloed is de afgelopen jaren steeds verder gegroeid. Maar ze hebben nooit overheerst en ze zijn zeker nooit bepalend geweest. Daar zou verandering in komen met de nominatie van Trump.
Wordt Trump genomineerd, dan wordt de Grand Old Party de partij van de anti-rede. Ik zal nog verder gaan: ons regeringssysteem is bedoeld om juist het soort man als Trump te vermijden, het type leider dat onze stichters vreesden – een demagogische figuur die zichzelf niet ziet als onderdeel van ons constitutionele bestel, maar als alternatief daarvoor. Ik weet dat wij die in de politiek zitten wel vaker niet de genomineerde krijgen die we willen, maar dan scharen we ons toch achter de kandidaat die de nominatie van onze partij krijgt. Dat was in mijn ogen altijd zoals het hoorde.
Grens aan partijloyaliteit
Tot nu toe. Donald Trump heeft de politieke vanzelfsprekendheden veranderd omdat hij de morele vanzelfsprekendheden heeft veranderd. Voor deze levenslange Republikein is hij tenminste onaanvaardbaar. Er is een grens aan partijloyaliteit. Er zijn nog geen stemmen uitgebracht, voorverkiezingen zijn onvoorspelbaar en vaak overwint uiteindelijk de nuchterheid, dus Trump is niet de gedoodverfde Republikeinse genomineerde. Maar verbijsterend genoeg is dat op dit moment wel degelijk voorstelbaar. Als dit scenario uitkomt, komen veel Republikeinen terecht in een situatie die ze altijd ondenkbaar hebben geacht: dat ze weigeren de presidentskandidaat van hun eigen partij te steunen, omdat dat het beste is wat ze kunnen doen voor hun partij en voor hun land.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.