Tag: geweld

  • ‘Ik hoop maar dat jij ook een idioot bent’

    ‘Ik hoop maar dat jij ook een idioot bent’

    In januari verschijnt The Hateful Eight, de nieuwste van Quentin Tarantino. Stadgenoot en schrijver Bret Easton Ellis sprak hem in L.A. over zijn film, gedeelde liefdes en de kritiek van zwarte recensenten.

    ‘Ik heb ooit in een boek over Bette Davis gelezen dat iedereen die een interview geeft met drank op, een verdomde idioot is. Toen ik dat las, dacht ik: o mijn God, ze heeft gelijk! Waar ben ik mijn hele carrière mee bezig geweest?’ Quentin Tarantino biedt me een glas rode wijn aan uit een fles die hij nog niet zo lang geleden heeft opengetrokken en 
die ongeveer halfvol is wanneer ik op een warme augustusavond arriveer bij zijn huis, hoog in de 
Hollywood Hills, met uitzicht op de groene bergkammen. ‘Ik hoop maar dat jij ook een idioot bent!’
    We zitten aan een tafel bij het zwembad, aan de achterkant van het grote huis met her en der een aanbouw dat hij in 1996 kocht toen hij aan Jackie Brown werkte. Tarantino draagt baggy jeans met een bruine hoodie. Als je iemand een filmnerd zou kunnen noemen is het Tarantino wel – ik ken niemand met zo veel encyclopedische kennis op filmgebied – en het duurt dan ook niet lang of we hebben het over onze gedeelde bewondering voor de recensente Pauline Kael.
    Kael, die een belangrijke invloed heeft gehad op Tarantino, was een groot liefhebber van een soort trash art die de scheiding tussen kunst en dagelijks leven opheft. Voor Kael konden daar zowel buitenlandse regisseurs van de oude stempel onder vallen (zoals Max Ophüls en Satyajit Ray) als non-conformistische nieuwkomers (zoals Sam Peckinpah en Brian De Palma), terwijl Kael geen goed woord overhad voor de veel beschaafdere Amerikaanse cinema uit die tijd; we zijn het erover eens dat ze veel vitaler en interessanter was in de jaren zeventig dan in de jaren tachtig. ‘De film stelde toen niet zo veel voor – zij was beter dan de films,’ zegt Tarantino, die vindt dat de jaren tachtig een dieptepunt waren voor de Amerikaanse film. ‘Maar,’ voegt hij eraan toe, ‘een van de gekke dingen, als je terugkijkt op die recensies uit de jaren zeventig, is dat ze sommige fantastische films ongenadig heeft neergesabeld. Ze trok echt van leer tegen Don Siegel omdat hij Charley Varrick had gemaakt.’
    Natuurlijk kan het zijn dat je Charley Varrick helemaal niet zo’n fantastische film vindt (als je er überhaupt al iets van vindt), maar door Tarantino’s gedrevenheid ga je toch denken: Heb ik iets gemist?

    gettyimages 485716015

    The Hateful Eight

    Tarantino is te druk met zijn nieuwe opus, The Hateful Eight, om het afgelopen jaar veel nieuwe films te hebben gezien, maar er komen toch – naast een nieuwe fles wijn – verschillende meningen op tafel over zijn tijdgenoten. David Fincher? ‘Zelfs als zijn films me niet aanspreken, blijven ze toch iets van een week door mijn hoofd spoken.’ Wes Anderson? ‘Films als The Grand Budapest Hotel spreken me in principe niet zo aan, maar op een bepaalde manier vond ik ze toch prachtig. Het feit dat ik op voorhand niet bepaald een fan was, maakte het alleen maar mooier dat ik hem uiteindelijk in mijn hart kon sluiten.’ Judd Apatow? ‘Zijn publiek wordt kleiner en kleiner, maar volgens mij wordt hij er alleen maar beter op.’
    The Hateful Eight gaat op eerste kerstdag in première, in een paar met zorg geselecteerde steden – in 70-millimeter, gebracht als een roadshow, met pauze en al –, voordat hij in januari overal in roulatie gaat. Tarantino is geobsedeerd door het zachte, korrelige beeld van 70-millimeterfilm – zo zeer zelfs dat hij heeft gezorgd dat honderd bioscopen, verspreid over de hele wereld, Ultra Panavision-lenzen hebben geïnstalleerd, zodat de film kan worden vertoond zoals hij hem heeft bedoeld. ‘De afgelopen drie weken zijn nogal intens geweest,’ zegt hij, terwijl zijn blik ontspannen langs de hellingen glijdt die geleidelijk worden opgeslokt door het donker.
    De film, met sterren als Bruce Dern, Samuel L. Jackson, Jennifer Jason Leigh, Michael Madsen, Tim Roth en Kurt Russell, vindt zijn oorsprong in twee verschillende genres: een klein detectiveverhaal en een grootse western, in breedbeeld. Hij kwam op het idee door klassieke televisieseries als The Virginian, Bonanza en The Big Valley. ‘In die series had je altijd, elk seizoen, minstens één aflevering waarin slechteriken de Ponderosa of de Shiloh Ranch overnemen, en dat waren dan altijd gastrollen. Dat leidde als vanzelf tot een situatie als Reservoir Dogs: zet ze allemaal bij elkaar in een ruimte en laat mij alle helden van het toneel verwijderen, zodat er geen ethisch ankerpunt meer is.’ Dat is ook precies wat er gebeurt in The Hateful Eight, tijdens een verschrikkelijke sneeuwstorm.


    Visueel spektakel

    We hebben het over de verschillen tussen televisie en film, dat televisie stoelt op het haast onophoudelijk vertellen van een verhaal, waarbij het voornaamste doel is het voortdurend verstrekken van nieuwe informatie, terwijl film veel meer wordt bepaald door stemmingen en sfeer – televisie is een schrijversmedium en film is een regisseursmedium. Zelfs in 
de Gouden Eeuw van de televisie wordt het idee van televisie als kunstvorm inmiddels beschouwd als een soort grap die de media in het leven hebben geroepen, een mythe die nu eindelijk openlijk wordt doorgeprikt door zowel critici als journalisten en programmamakers. De beste televisieseries hebben nog altijd sets die enigszins afgetrapt ogen, vanwege de financiële realiteit van het televisie maken – en voor Tarantino is dat van groot belang. De grootsheid van zijn recente films – Inglourious Basterds, Django Unchained en nu The Hateful Eight – voelt als een soort sneer naar het kleine van de televisie, die voor het publiek een steeds grotere rol vervult. Tarantino bindt de strijd aan met een reeks middelmatige shots en close-ups op computer, iPad en iPhone. Een geloof in visueel spektakel maakt deel uit van Tarantino’s boodschap in deze tijd van Amazon, Hulu en Netflix.
    ‘Ik denk dat we iets van zestig miljoen hebben uitgegeven aan Hateful Eight, wat meer is dan ik had gewild, maar het slechte weer speelde ons parten. Bovendien,’ lacht hij met een schouderophalen, ‘wilde ik per se dat het goed zou worden.’ Veel regisseurs raken ontmoedigd door de bescheiden budgetten en zoeken hun toevlucht in de televisiewereld, maar dat heeft Tarantino niet gedaan, omdat het, nou ja, omdat het niet hoeft. Zijn laatste twee films waren wereldwijd kassuccessen, met vele Oscarnominaties. Zijn eerste twee films waren redelijk bescheiden misdaadverhalen die in L.A. speelden, en tot op de dag van vandaag belichamen ze de meest zuivere vorm van een ironische Generatie X-gevoeligheid die je veel ziet in de Amerikaanse filmcultuur. Toen Reservoir Dogs in 1992 in roulatie ging, werd er veel over gepraat, maar ging er bijna niemand naartoe. Desondanks baande Reservoir Dogs de weg voor een nieuw soort film, die twee jaar later een hoogtepunt zou bereiken met de perfide genoegens van Pulp Fiction – op een moment dat het publiek er wél rijp voor was. In alle films van Tarantino vervullen de theatrale dialogen, doorspekt met straattaal, een centrale rol, en vormen misdadigers het morele kompas. De humor is inktzwart, het nihilisme heeft iets vrolijks. Er zijn eindeloze verwijzingen naar de popcultuur – en ja, het valt niet te ontkennen, de films worden gekenmerkt door extreem en gruwelijk geweld.

    Friendly old men: Bret Easton Ellis (l.) en Quentin Tarantino.
    Friendly old men: Bret Easton Ellis (l.) en Quentin Tarantino.

    Al was zijn vroege werk nog zo invloedrijk (in de jaren negentig, en ook nog in het begin van de eenentwintigste eeuw hebben talloze belabberde imitaties het licht gezien), het is nu moeilijk voor te stellen dat een serieus filmer ergens in deze eeuw een film zou maken die zo pervers en choquerend is als Pulp Fiction of Reservoir Dogs, of welke andere Tarantino-film ook. In een tijdperk dat is geobsedeerd door ‘triggeren’ [het waarschuwen voor – meestal gewelddadige – content die een sterke emotionele reactie kan oproepen] en ‘microagressie’ [subtiele vormen van discriminatie waarvan mensen zich vaak niet bewust zijn] en het sturen van het taalgebruik, is het werk van Tarantino ongekend politiek incorrect: zijn films zijn brutaal, grof, onverantwoordelijk en wat afstandelijk. En hoe verder Tarantino gaat, hoe meer publiek hij krijgt, zoals ook bleek met zijn raciaal beladen comedy-western Django Unchained. In The Hateful Eight, dat een jaar of acht, negen na de Amerikaanse Burgeroorlog speelt, komt uiteindelijk ook de rassenkwestie aan de orde, hoewel dat nooit zijn bedoeling was geweest. ‘Het was gewoon een mooi, afgerond genrescenario.’
    Tarantino’s scènes leunen zwaar op de dialoog, schieten alle kanten op, met een en al uitweidingen, en ze voltrekken zich vaak in realtime, ingebed in het merkwaardige, duistere, gecompliceerde plot dat hij uitwerkt. Zijn plots lijken in niets op wat je zou verwachten van een scenarioschrijver die goeroes als Syd Field en Robert McKee als leermeester heeft gehad; het idee van de duidelijk gestructureerde film van drie aktes, met op pagina 15 de ‘gebeurtenis die alles in gang zet’, lijkt krankzinnig en onwaarachtig in de wereld van Tarantino.

    Controverses

    Hij heeft dergelijke regels aan zijn laars gelapt en vervolgens opnieuw vormgegeven in Inglourious 
Basterds – een doldwaze, aangrijpende Tweede Wereldoorlogpastiche. Het is een van de grote films van het afgelopen decennium: speels, erudiet, grappig, snedig, spannend en maf. De film respecteert én bespot de conventies van de genrefilm, terwijl hij ze tegelijkertijd moderniseert en opnieuw vormgeeft. Als je het mij vraagt is deze film veel meeslepender, opwindender en vernieuwender dan Kathryn Bigelows The Hurt Locker, die andere oorlogsfilm die in de zomer van 2009 uitkwam – een serieuze, rechttoe rechtaan, humanistisch-realistische karakterstudie waardoor het serieuze, linkse publiek zichzelf zowel schuldig voelt als op de borst klopt. Dat is de reden dat The Hurt Locker in 2010 Inglourious Basterds het nakijken gaf bij de Oscars voor Beste Film, Beste Regisseur en Beste Originele Scenario. ‘Het stak 
dat Mark Boal de Oscar kreeg voor Beste Scenario,’ biecht Tarantino nu op. ‘Die Kathryn Bigelow-kwestie, daar kan ik wel inkomen. Natuurlijk, het was spectaculair dat een vrouw zo’n goede oorlogsfilm had gemaakt, en het was de eerste film over de Irakoorlog met een serieuze boodschap. Ik heb het niet afgelegd tegen een aanfluiting. Het was geen E.T. 
die het aflegde tegen Gandhi.’
    We krijgen het over de Oscars van dit jaar en het feit dat Ava DuVernays Martin Luther King-film Selma ten onrechte naast de prijzen zou hebben gegrepen, wat leidde tot een landelijke, zeer emotionele verontwaardiging, die nog eens werd versterkt door de gebeurtenissen in Ferguson. De leden van The Academy zouden oude, onvervalste racisten zijn – hoewel het jaar daarvoor 12 Years a Slave de Oscar voor Beste Film in de wacht had gesleept. Tarantino haalt diplomatiek zijn schouders op. ‘Ze had prima werk geleverd met Selma, maar Selma verdiende een Emmy.’ Django Unchained, dat een beeld schetst van het geïnstitutionaliseerde racisme van vóór de Amerikaanse Burgeroorlog, van de slavengevechten en de zelfhaat van de zwarten, is een veel schokkender en meer op de toekomst gerichte film dan Selma, en het publiek heeft dit tot Tarantino’s grootste succes ooit gemaakt. Maar de film is ook onder vuur komen te liggen, onder andere omdat hij is gemaakt door een blanke man.
    Tarantino is wel gewend aan controverses. ‘Als je je brood hebt verdiend als recensent van de zwarte cultuur in de afgelopen twintig jaar, dan kun je niet om mij heen,’ zegt hij. ‘Je moet je een mening over mij hebben gevormd. Je zult iets moeten met mijn boodschap en de gevolgen daarvan.’ Hij valt even stil, denkt na. ‘Als je de recensies uitpluist,’ zegt hij, ‘dan zul je zien dat ik ongeveer net zo veel voorstanders heb als tegenstanders. Maar toen de zwarte recensenten met allerlei meedogenloze opiniestukken kwamen over Django deed dat me niet zo veel. Als iemand mijn films maar niets vindt, dan is dat maar zo. En als ze het niet snappen, geeft het niet. Maar waar ik een nare bijsmaak van kreeg, is dit: je moet ver teruggaan in de tijd om een schrijver te vinden over wiens huidskleur zo vaak is geschreven als over die van mij. Je zou denken dat de huidskleur van 
de schrijver niet van belang is voor wat de woorden zelf bewerkstelligen. In veel van de meest kwalijke stukken werden mijn beweegredenen in een zeer negatief daglicht geplaatst. Alsof ik een of andere superschurk ben die dit allemaal verzint.’ Maar Tarantino is een optimist. ‘Dit is het ideale moment om iets gedaan te krijgen,’ zegt hij een paar minuten later. ‘Dit is het beste moment om iets neer te zetten, omdat er nu ook echt een podium is. Nu wordt erover gepraat.’


    Bioscoopervaring

    We worden onderbroken door een assistent die komt zeggen dat het negen uur is geweest en dat de film die hij wil zien over twintig minuten begint, dus we stappen in Tarantino’s gele Mustang GT uit 2006. Terwijl we naar een selectie van zijn mixtapes luisteren, slingeren we door de verlaten valleien en rijden door de vlakten van Hollywood naar de New Beverly Cinema, een oude bioscoop die hij in 2007 heeft gekocht. Sinds afgelopen najaar doet hij de programmering, en er worden geregeld films vertoond uit zijn privécollectie. Hij zet zijn auto aan de achterkant en we lopen om het gebouw heen naar een donker en verlaten stuk van Beverly Boulevard. Voor de bioscoop staan groepjes hipsters onder de markies. Ze staan wat te roken en staren naar hun telefoon. Sommigen kijken op als Tarantino eraan komt.
    Vandaag staan er twee films geprogrammeerd: Modern Times en een betrekkelijk onbekende Chaplin-film met als titel The Circus. Tarantino loopt met grote stappen door de foyer, gaat een gang in, en weer een andere gang in, totdat hij bij de vier stoelen is gekomen die voor hem worden vrijgehouden op de vijfde rij van deze bioscoop met 250 stoelen, die vanavond voor de helft is gevuld – een opmerkelijk goedgevulde zaal voor een maandag, zegt hij, terwijl hij zich in zijn stoel aan het gangpad laat zakken.
    Voor iemand die niet meer in het New Beverly is geweest sinds hij er als tiener en vroege twintiger de deur platliep, is het verrassend om te zien hoe alles zo veel moderner is (nieuwe stoelen en een nieuw filmdoek), maar tegelijkertijd ook niet (de heren-wc is nog hetzelfde hokje van destijds en de foyer is zo klein dat de rij voor de drankjes soms zelfs doorloopt tot in de zaal. Op het programma voor vanavond staan twee previews van samenwerkingsprojecten uit de jaren zeventig, van Wertmüller en Giancarlo Giannini, gevolgd door The Circus, dat een juweeltje blijkt, hoewel – of misschien wel juist omdát – er krassen in de film zitten en er frames missen. Het jonge publiek moet de hele voorstelling lang hard lachen, en aan het einde klinkt er gejuich.


    Na afloop staan Tarantino en ik nog even buiten, 
en de jongelui die nog bij de bioscoop rondhangen verzamelen moed om hem aan te spreken. Zodra eentje de stoute schoenen heeft aangetrokken, 
volgen er meer. Tarantino staat iedereen te woord, met een voortdurende glimlach, terwijl fans hem bedanken – voor zijn films, voor de bioscoop, voor 
het feit dat hij hen te woord staat. Het lijkt alsof hij hier de hele nacht mee zou kunnen doorgaan, maar hij heeft honger en zijn favoriete restaurant sluit over niet al te lange tijd de keuken.
    Voor hij vertrekt zeg ik nog hoe bijzonder zo’n gemeenschappelijke ervaring is: naar een film kijken op zo’n enorm doek, met een groot en welwillend publiek – en met de fysieke film – na zo veel in je eentje televisie te hebben gekeken of op internet films te hebben gehuurd. Tarantino knikt en hij gebruikt onze laatste minuten samen om nogmaals zijn zorgen te uiten over de digitalisering van de bioscoopervaring. ‘Buzzy, de jongen die de popcorn maakt, hoeft maar op één knop te drukken en we zitten met zijn allen HBO te kijken,’ zegt hij. ‘En ik weet niet hoe het met jou zit, maar het laatste wat 
ik wil is met een stel onbekenden HBO kijken.’

    Bret Easton Ellis

    Bret Easton Ellis (1964) is auteur van de wereldwijde bestsellers Less Than Zero (1985) en American Psycho (1991). Zijn laatste roman is Imperial Bedrooms (2010), 
een vervolg op Less Than Zero.

  • Brieven uit ballingschap

    Brieven uit ballingschap

    Hoe voelt het om gedwongen je land te moeten verlaten, zoals de honderdduizenden vluchtelingen die nu naar Europa trekken? Hoe ga je om met de ontworteling, de heimwee, het missen van je dierbaren, de onvermijdelijke identiteitscrisis? 360 verzamelde een aantal brieven van en over ballingen die onlangs verschenen in de internationale pers.

    ‘Op een dag zal de wind ons terugbrengen naar Damascus’ (Mohamed Attar)

    k ben geboren en getogen in Damascus en tot mijn vijftiende ben ik nooit de stad uit geweest. Ik heb de stad aan alle kanten doorkruist en soms weinig bekende wegen genomen die naar de graftombes
van metgezellen van de Profeet leidden, naar gekkengestichten of naar vergeten publieke baden. Maar mijn pogingen om me mijn geboortestad eigen te maken bleken vergeefs. En hoe meer ik van Damascus ontdekte, des te meer voelde ik me er een vreemdeling.
    Omdat ik tot de middenklasse behoorde, die steeds verder van het centrum van de hoofdstad af kwam te wonen, bereikte ik de jaren des onderscheids in een buitenwijk. Ik besefte dat het idee van een vaderland echt moeilijk te begrijpen was. Wat betekende het? Deze vragen werden concreet in het begin van de jaren negentig, toen ik op de middelbare school voor het eerst in contact kwam met zonen van officiers van het regime. Ik keek naar hun auto’s met getinte ramen en speciale nummerborden. Ik hoorde de gefluisterde gesprekken over vrienden wier ouders waren gearresteerd.
    Daarna begreep ik hoe de generatie van mijn vader het onderspit had moeten delven. Ik herinner me hem nog goed, deze intellectueel en alumnus van de Universiteit van Caïro die me tot bloedens toe sloeg toen ik in het bijzijn van onze buurman, die een van hun agenten heette te zijn, sprak over de manier waarop de Moekhabarat (de geheime Syrische inlichtingendienst) ons leven beheerste. Die dag heb ik mijn tranen met de trots van een dertienjarige ingeslikt, omdat ik begreep hoe de angst mijn vader in zijn greep had.

    De hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, is een immens ballingsoord voor de Syriërs geworden

    Ik slenterde door Damascus en naarmate ik de stad beter leerde kennen en me realiseerde hoe kwetsbaar ik was, net als andere mensen zoals ik, vormden deze omzwervingen de inleiding tot een steeds moeilijker wordende ballingschap.
    Kwetsbaarheid wordt gewoonlijk eerder in verband gebracht met een ballingsoord dan met het vaderland. Leven in angst en onzekerheid zonder te weten wat de dag van morgen zal brengen en met het voortdurende gevoel dat je een pion bent in een spel van onderwerping en bedrog. Weten dat je leefomgeving steeds kleiner wordt, dat je alleen je toevlucht kunt zoeken tot mensen die op je lijken van wie het merendeel op een kans wacht om te vertrekken. Zien dat de stad onophoudelijk zijn deuren voor je sluit en dat zijn centrum zich steeds verder verwijdert van zijn steeds marginaler wordende periferie. Zo verandert het vaderland in een ballingsoord.
    De bevrijding kwam toen er parallelle vaderlanden werden gecreëerd, vrijplaatsen die een intieme relatie met een gewenst vaderland mogelijk maakten. Op die manier werden de vrienden uit de buurt of van de universiteit een vaderland. Je trof elkaar in een afgelegen café dat gefrequenteerd werd door mannen in de herfst van hun leven die hun eenzaamheid verdreven met de waterpijp. De bijnaam van dit café was ‘Verstop me!’ Het zijn deze gestolen vrijplaatsen die me vandaag de dag heimwee naar Damascus bezorgen en niet de jasmijnstruiken of de hypocriete gesprekken, om nog maar te zwijgen van het door beton verstikte centrum.
    Maar met de Syrische revolutie van 2011 is de situatie veranderd. Alles ging om dit nieuwe Syrië draaien, waar ik me voor het eerst werkelijk gesteund voelde, omdat mijn lot verbonden was met dat van anderen. Het gevoel een balling te zijn werd minder naarmate de trekken van een nieuw vaderland zich duidelijker aftekenden. De steun kwam van talrijke Syriërs die tot verschillende geloofsrichtingen behoorden, maar allemaal een vaderland zochten na hun ballingschap.
    Voor het eerst had ik het onbeschrijflijke gevoel niet meer alleen te zijn en werkelijk ergens thuis te horen. Ook al stonden we machteloos tegenover de handlangers van het regime en de kogels van de veiligheidsdiensten, we waren voor het eerst van ons leven erg geïnspireerd.

    Een opschrijfboekje, gevonden op het strand van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Een opschrijfboekje, gevonden op het strand van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Desondanks verslechterde de situatie zodanig dat ik gedwongen was korte tijd naar Beiroet uit te wijken. Nu besef ik dat ik door Damascus te verlaten een vaderland heb herontdekt dat ik lange tijd als verloren beschouwde. Ik kon toen nog niet weten dat er heel wat andere verliezen zouden volgen, zoals een grote liefde en fantastische vriendschappen. Als je ver van je stad bent, ook al voelde je je daar een vreemdeling, zijn ook je laatste wortels doorgesneden. Degenen die blijven nemen je kwalijk dat je bent weggegaan, ook al zeggen ze je dat niet recht in je gezicht, en zelf vind je het ook verwijtbaar. Wanneer sommigen sterven of verdwijnen in de kerkers van het regime, voel je je ontzettend schuldig dat je zo ver van hen vandaan was.
    In Beiroet bleef ik het gevoel hebben dat ik vlak bij Syrië was, omdat 
de dingen die aan de andere kant van de grens gebeurden ook daar 
hun weerslag hadden. Bovendien was ik in Libanon omringd door tienduizenden vluchtelingen uit alle lagen van de bevolking en alle vier de hoeken van Syrië. Een stuk van het land was simpelweg verplaatst. Het was een bittere troost je op maar twee uur autorijden van Damascus te bevinden. Alle Syriërs hoopten op een spoedige terugkeer: ‘We zijn vlakbij.’ ‘Morgen keert het tij en dan gaan we terug!’ Deze ballingschap leek aanvankelijk een wachtkamer totdat we tot de ontdekking kwamen dat het alleen maar een tussenstation was naar tal van andere bestemmingen overal op de wereld.
    Beiroet was een stad waarvan ik hield, maar die me er onophoudelijk aan herinnerde dat ik er ongewenst was. Op een dag ontmoette ik er Abou Saleh, een sympathieke dronkenlap die uit Aleppo was gevlucht. Hij was nergens meer thuis. Als hij terugging naar Aleppo, zou hij herinnerd worden aan zijn drie kinderen die daar waren omgekomen. Twee van hen werden samen met hun vrouwen en kinderen gedood tijdens een aanslag op hun wijk door het regime-Assad. Abou Saleh was vooral getroffen door de dood van zijn jongste kind van negentien jaar, dat door een scherpschutter was vermoord. Hij was een geboren verteller en diste allerlei verhalen op die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, om vervolgens te zwijgen en me geld voor een nieuwe borrel te vragen. Daarna liet ik hem verder dommelen op zijn stoel. Hij bracht me op de trieste gedachte dat de hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, een immens ballingsoord voor de Syriërs is geworden. Ze kunnen niet meer terug naar hun vernielde huizen en weten evenmin waar ze dan wel heen moeten. Hun wereld is klein geworden, de zee slokt hen op en sommigen zoals Abou Saleh willen niet meer verkassen. Ik denk aan de Syrische vader die het lijk van zijn dochtertje in zee moest gooien vanaf een boot die op weg was naar Italië. Hij maakte de reis voor haar, op zoek naar een ander vaderland, maar het suikerzieke meisje stierf nadat de mensensmokkelaars de tas met insuline overboord hadden gegooid. Vervolgens dwongen de andere passagiers de vader zich van het lijk van zijn dochtertje te ontdoen. Nadat hij alleen in Italië was aangekomen zag hij zich in de rol van asielzieker gedrukt, waar hij ook heen ging.
    Op de luchthaven van Beiroet deelde een officier van de binnenlandse veiligheidsdienst me met een brede glimlach mee dat het me definitief verboden was naar Libanon terug te keren. Twee jonge collega’s van hem begonnen zonder aanwijsbare reden te lachen, zodat ik maar meelachte. Zo is onze situatie één grote komedie geworden.
    Vaarwel Beiroet, gegroet Berlijn. Het is een voordeel om in de zomer in de Duitse hoofdstad te arriveren want de winter is er deprimerend. Ik had het geluk in een vliegtuig te kunnen stappen terwijl heel wat andere Syriërs een hachelijke zeereis moesten ondernemen of wekenlang door bossen moesten lopen en in de openlucht moeten slapen voordat ze Duitsland bereikten. Ik ben nu bijna een maand in Berlijn. Ik doe er meestal het zwijgen toe terwijl ik mijn plaats in dit nieuwe ballingsoord probeer te vinden, ook al omdat ik de taal niet spreek. Ik weet niet wanneer ik Duits zal leren. Het Arabisch was mijn vaderland omdat ik niet in een andere taal kan schrijven of denken. Het bood me voldoende zekerheid om elk ander vaderland af te wijzen. De schuldgevoelens die ik toch al heb omdat ik een veilig bestaan leid terwijl mijn familie en vrienden tot een ellendige ballingschap zijn veroordeeld in een vaderland dat in brand staat, worden nog verergerd als ik naar de speeltuin in de buurt van mijn logies kijk. Hier leven de mensen in vrede. De ongerechtigheid in deze wereld is een bron van oneindig veel leed en leidt tot ballingschap. Een vriend zegt me dat hij zich van het dwingende idee van een vaderland heeft bevrijd. Hij wil liever rondzwerven over de wereld dan zich blind staren op een vaderland dat er toch nooit komt. Ik heb andere Syriërs in Berlijn min of meer hetzelfde horen zeggen. Ongetwijfeld een moedige houding, maar iedereen die over de bevrijding van het vaderlandsidee en de illusies van ballingschap spreekt, ontwijkt op de een of andere manier mijn blik. Onder de dunne sluier van zelfverzekerdheid gaat een enorme zwakte schuil, een mengeling van nostalgie en de wanhoop het gedroomde vaderland ooit te zullen terugvinden. Net als ik zijn mijn vrienden dode bladeren die niet weten waar ze terecht zullen komen. We weten dat we door de wind worden meegevoerd en dromen dat die ons op een dag naar een toekomstig Syrië terug zal brengen. Maar in afwachting van dat moment, en zonder dat we weten of de dag ooit komen zal, zijn we overgeleverd aan de windrichting en dragen we diep in ons hart ons vaderland mee als ons ballingsoord, waar we ook zijn.

    Mohamed Attar
    Bron: Al-Jumhuriya, Istanboel

    De Syrische schrijver Mohamed Attar ontvluchtte zijn land nadat de kortstondige euforie over de opstand tegen president Assad was gedoofd. Hij woonde eerst in Beiroet, en tegenwoordig in Berlijn.

    ‘In Syrië heb ik me nooit een vluchteling gevoeld’ (Fatima Bhutto )

    Syrië was mijn thuis.
    Ik heb er als kind in ballingschap gewoond. Mijn ouders noemden het ‘ballingschap’, omdat we niet in ons eigen land, Pakistan, konden zijn. Omdat Pakistan te gevaarlijk was, te gewelddadig, omdat daar geen gerechtigheid was. Mijn vader kwam uit Pakistan, mijn moeder uit Libanon. En ik van ergens daartussenin. Syrië beschermde ons en heette ons welkom. Ik vraag me af waarom mijn ouders ons nooit ‘vluchtelingen’ hebben genoemd?
    Als kind in Damascus heb ik me nooit een buitenstaander gevoeld. 
Al was ik geen Syrische en was Arabisch niet mijn moedertaal, toch voelde ik me er thuis. Ik woonde in de oudste bewoonde stad van de wereld. Ik voelde me veilig. ’s Avonds rook het er naar jasmijn.
    Op school, in de stad, of als we de berg Qasioun op reden om naar Damascus bij avond te gaan kijken, met zijn schitterende lichtjes in 
het donker, noemde niemand ons vluchtelingen. Niemand gaf ons 
het gevoel dat die stad daar beneden – de oudste, de mooiste, met zijn witte, gouden en groene lichten in de verte – niet ook onze stad was.
    Een tijdlang was het dat ook.
    Zelfs nu nog doet mijn hart pijn als ik het Syrische volkslied hoor.

    Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Uiteindelijk gingen we naar huis. Maar Syrië heeft nooit zijn deuren voor ons gesloten. Ook Pakistan (dat nooit rechtvaardiger of minder gewelddadig is geworden) en vele andere landen in Azië hebben lang hun grenzen opengehouden. Pakistan heeft tientallen jaren onderdak geboden aan de grootste Afghaanse vluchtelingenpopulatie ter wereld. 
Syrië heeft altijd vluchtelingen opgenomen. Libanese, Armeense, Palestijnse. Mijn moeder en haar familie kwamen in 1982 naar Damascus, na de Israëlische invasie in Libanon. Rond 2007, op het hoogtepunt van de oorlog in Irak, verwelkomde Syrië wel tweeduizend Iraakse vluchtelingen per dag.
    Iedereen.
    Sjiieten, soennieten, christenen, atheïsten. Mannen, vrouwen, vervolgden en verslagenen. Syrië was ooit voor de hele wereld een thuis.
    Dat was altijd het mooie van het feit dat je bij deze landen hoorde, bij Azië: er was altijd plaats voor de statenlozen en bezitslozen. Er was geen zelfgenoegzaamheid, geen hysterie, geen koehandel met mensenlevens. Als ik de bureaucratische onverschilligheid van Europese leiders tegenover menselijk lijden zie, kan ik alleen maar terugdenken aan Syrië en aan wat dat land voor vluchtelingen deed – gul en zonder ophef. Hoe kan iemand in een verbonden wereld zijn deuren sluiten?

    Fatima Bhutto
    Bron: Granta, Londen

    Fatima Bhutto (Kaboel, 1982) is journaliste en schrijfster. Ze publiceerde vier boeken, waaronder 
de roman The Shadow of the Crescent Moon. Toen ze drie jaar oud was, vluchtte haar vader om politieke redenen van Afghanistan naar Syrië. Bhutto is de nicht van de voormalige Pakistaanse premier Benazir Bhutto. Ze woont in Karachi, Pakistan.

    ‘Hoe kun je Canadees zijn?’ (Ramin Jahanbegloo)

    Wat ik het moeilijkst vond toen ik naar Toronto kwam, was dat veel mensen aan de universiteit me kennelijk zagen als 
iemand die in het paradijs was beland na te zijn gered van een eiland omringd door haaien. Ik weet nog dat ik een Iraans-Canadees parlementslid op een gala in een centrum van de Iraanse gemeenschap gedachteloos hoorde verklaren: ‘Canada is het beste land er wereld.’ Dit geldt misschien voor sommige mensen, vooral voor Canadese parlementsleden die niet veel hebben gereisd, maar het gold zeker niet voor mij. 
Ik had het gevaar en het geweld van Iraanse gevangenissen verruild voor het geweld en de hypocrisie van een laat-kapitalistische samenleving. Het was niet zo dat ik nu deel uitmaakte van een samenleving met schone handen, ik zag helemaal geen handen, en zeker geen handen die het grote aantal daklozen hielpen dat ik elke dag in Toronto tegenkwam.
    Onderweg van mijn nieuwe onderkomen naar kantoor bedacht ik bij mezelf dat een stad als Toronto en een land als Canada er niet in slaagden om enig gebaar van liefde en medeleven te maken. Misschien komt dat doordat het kapitalisme alleen met zijn hersens denkt en niet met zijn hart, en medeleven is een taal van het hart. Het schokte me diep dat bij de meeste collega’s, journalisten en jongere Canadezen die ik ontmoette, het gezicht van de liefde verborgen ging achter een sluier van kille logica.
    Na de eerste paar maanden in Toronto begon ik te rebelleren tegen het conformisme dat ik elke dag zag. Ik was bezorgd en verbaasd dat er onder mijn jonge studenten niet één opstandige geest leek te zijn. En dat zij middelmatigheid heel vaak als een vorm van normaliteit beschouwden.

    Medeleven is een taal van het hart

    Ik was vanuit een samenleving die werd gedomineerd door een geestelijke nomenklatoera terechtgekomen in een enclave van tweederangs snobs die intellectueel verlamd waren door hun betekenisloze bestaan in goed bewaakte clubs. Ik ergerde me vooral aan een blanke vrouw die de ingang van het Massey College bewaakte. Zij was kennelijk allergisch voor mijn donkerharige Iraanse collega’s en hield die elke keer als ze met mij kwamen lunchen, bij de deur tegen. Dan realiseerde ik me weer dat wat vaak in theorie over multiculturalisme en gelijkheid in Canada werd gezegd, in de praktijk niet altijd klopte. Het is tijd, dacht ik, voor een diepgaander verkenning van de Canadese psyche en een helderder definitie van wat het betekent om Canadees te zijn.
    Naarmate de maanden verstreken en ik werd opgeslokt in het cyclische drama van mijn nieuwe leven, daalde de depressie als een wolk over me neer. Ik moest ’s zomers naar Spanje ontsnappen om me weer uitgerust en verkwikt te kunnen voelen. Maar zodra we terugkeerden naar Toronto, kwam het gevoel terug dat ik me in een spirituele leegte bevond.
    Met het verstrijken van de tijd kreeg ik steeds meer te kampen met wat ik de verleiding van de vrijheid noem. Vreemd genoeg zag ik meer belangstelling voor het idee van vrijheid onder mijn Iraanse studenten in Canada, die zich bezighielden met een niet-vrij land als Iran, dan onder mijn Canadese collega’s, die in een vrij land als Canada woonden. Dit gold ook voor het begrip recht. Terwijl mijn Iraanse studenten het recht omarmden als iets wat emancipatie versterkt, beschouwden mijn Canadese collega’s en studenten het recht als een verzameling op chic papier geschreven principes. Meestal dreunden zij de wet op en leunden dan tevreden achterover, alsof het recht daarmee automatisch zijn loop zou krijgen. Maar het recht kreeg zijn loop niet. Dit was een van de onderwerpen waar ik me niet aan kon onttrekken toen ik in Canada woonde. Ik had het verschrikkelijke gevoel dat elke stap die ik zette, beïnvloed werd door het alledaagse rechtssysteem, waarvan de waardeoordelen hun uitwerking hadden op mijn leven en lot.

    De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit

    Niemand blijft onaangetast door de ervaring van 
ballingschap. Sommigen verliezen hun identiteit, uit angst of om in de smaak te vallen. Heel weinigen vinden soelaas in de kunst van het vragen stellen. Ik koos voor een derde manier, door bot en direct te worden. Maar ik moest alle problemen van het balling zijn het hoofd bieden. Ik moest het riskante avontuur van een nieuw leven aangaan. In jezelf geloven was de prijs van overleven. Maar ik kwam problemen tegen die in mijn ogen absurd waren. 
Net als de meeste immigranten in Canada was ik ervan overtuigd dat streven naar het geluk en een prettig leven voor mijn kind de beste manier was om vooruit te komen. Het bleek lastig om kinderopvang voor haar te vinden en we hoorden dat mensen hun kinderen zelfs al voor hun geboorte inschrijven bij een kinderdagverblijf. Ik neem aan dat je je kind dus ook al bij de universiteit moet inschrijven voordat het 
heeft leren lezen en schrijven. Zulke verschijnselen lijken me een prima manier om je geloof in de geestelijke gezondheid van de westerse maatschappij kwijt te raken.
    Ik werd me er steeds sterker van bewust dat ik een Canadese identiteit miste. Ik begon over Canada te lezen en luisterde naar iedereen die me kon laten zien hoe ik een identiteit aan dit land zou kunnen ontlenen. Het kostte me moeite om me voor te stellen wat voor Canadese identiteit me ertoe zou hebben gebracht om 125 dagen gevangenschap te verdragen. Ik vond een citaat van Northrop Frye, waarschijnlijk de meest gevierde cultureel theoreticus van Canada: ‘Historisch gezien is een Canadees een Amerikaan die de Revolutie verwerpt.’ Deze opvatting heeft verschillende kanten. Voor veel Engelssprekende conservatieve Canadezen blijft het iets om trots op te zijn. Denk aan wat Winston Churchill over dit land heeft gezegd: ‘Canada is de verbindende schakel in de Engelstalige wereld. Canada, met aan de ene kant zijn vriendschappelijke, intieme banden met Amerika en aan de andere kant zijn niet-aflatende trouw aan het Britse Commonwealth en het Moederland, is de schakel die deze twee grote loten aan de menselijke stam met elkaar verbindt.’
    Maar ik vraag me af of nieuwe Canadezen nog steeds aan Engeland denken als ‘het Moederland’, een gevoel dat meer bij een blank en Engelstalig Canada hoort. Als je de wetten en regels en het twintigdollarbiljet even buiten beschouwing laat, zijn niet alle Canadezen zich werkelijk bewust van het Britse koninklijk huis, al zijn prins William en Kate Middleton bij meer Canadezen geliefd dan Nobelprijswinnares Alice Munro.
    Het is moeilijk te zeggen hoe je Canadees wordt of bent. De meeste volken van vandaag hebben een sterk identiteitsgevoel, maar Canadezen zijn nog steeds op zoek naar een gezamenlijke identiteit die hun leven wortels en spirituele betekenis kan geven. De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit. Mijn islamitische studenten zien de islam als een harde waarde, die voor hen op de eerste plaats staat, Canadees zijn is voor hen een zachte waarde en die komt altijd op de tweede plaats. Voor Iraanse Canadezen of Arabische Canadezen die in Canada zijn opgegroeid is het Iraans of Arabisch zijn veel belangrijker dan Canadees zijn. Je moet een hoop verbeeldingskracht hebben om te zien hoe je trots kunt zijn op het feit dat je Canadees bent – al zijn de meeste Canadezen dat wel –, wanneer je bedenkt dat de oorspronkelijke volken hier de aanspraak op hun land kwijtraakten, werden behandeld als obstakels bij het winnen van de grondstoffen en zodoende werden verdreven, zoals dat in alle Amerika’s is gegaan. Nieuwkomers in dit land van hoop leren weinig over de mensen die hier vroeger hebben geleefd, al hebben de media daar de afgelopen jaren wel meer aandacht aan besteed. Maar discussies over de oorspronkelijke volkeren bieden weinig gelegenheid om afwijkende meningen naar voren te brengen. De Canadezen, die zo-
wel de historische ervaring als de arrogantie van 
de Amerikanen missen, vertonen geen Canadees chauvinisme, maar tegelijkertijd is er ook geen gevoel van ‘Canadeesheid’ in Canada.
    Ik had nooit geloofd dat je om deel uit te maken van Canada, een blanke Canadees moet zijn. En toch heeft mijn eigen ervaring als Iraans filosoof in Canada me geleerd dat Canada grotendeels wordt beheerst door blanke Canadezen. Het zat mij zeer dwars dat meer dan 90 procent van mijn collega’s 
in de faculteit Politieke Wetenschappen aan de University of Toronto blank was. Het is waar dat 
ik het moeilijk vond om Canada mijn thuis te noemen, omdat ‘thuis’ voor mij een persoonlijk gevoel is. Maar ik vond het ook moeilijk dat mijn intellectuele werk onderschat werd omdat ik geen blanke Canadees was of geen lid van een bekende familie in dit land. Ik kwam tot het bittere besef dat onderwijs in Canada niets te maken had met kennis maar dat, ondanks alles wat er gezegd wordt, geld het spel bepaalt.

    Ramin Jahanbegloo
    Bron: Toronto Star, Toronto

    Ramin Jahanbegloo (1956) is een Iraans filosoof. Na zijn studie in Frankrijk verbleef hij tussen 1997 en 2001 in Canada, om vervolgens naar Iran terug te keren. Daar werd hij in 2006 gearresteerd en vier maanden lang gevangengezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar Canada. Hij is 
de auteur van verschillende boeken, waaronder Time Will Say Nothing: A Philosopher Survives an Iranian Prison.

    ‘Geit noch schaap’ (Tenzin Nyingjey)

    En nu, hoe nu verder? Die vraag komt bij me op als ik denk aan de strijd om de vrijheid van Tibet. Demonstraties: gebeurd. Oorlog: gevoerd. Onderzoeken: lopen. Vredesonderhandelingen: gevoerd. Oproepen aan buitenlandse democratieën voor steun aan de Tibetaanse zaak: gedaan. Levens: verloren in grote aantallen.
    Alles wat er maar te bedenken valt, is gedaan. Maar de situatie in Tibet wordt alleen maar slechter. Het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Zowel in Tibet als in ballingschap blijft het aantal mensen die geit-noch-schaap zijn [mensen met een verwaterde identiteit] groeien. In ballingschap is mijn passie verdwenen. In Dharamsala [in het noorden van India], hoofdstad der ballingen, is mijn passie verdwenen. Zelfs in het Amerikaanse paradijs is mijn passie verdwenen. Ik heb geen zin om naar het Tibet te gaan dat is ondergesneeuwd door het Chinese imperialisme van de communisten. En ik kan er hoe dan ook niet naar terug.
    Mijn geboorteland is India. Mijn ouders zijn daar vanuit Tibet naartoe gegaan. Het land waar ik nu woon: de Verenigde Staten. Waar ik morgen ben: geen idee. Als ik er goed over nadenk – wat ik soms doe –, dan voel ik me verstoken van levenskracht. Ja, precies: de kern van het verbannen zijn is je zwak voelen. Je machteloos voelen. Ik ben er trots op dat ik heb gesproken met wetenschappers uit de hele wereld, en met ware dan wel vermeende leiders. Maar als zomaar iemand op straat me vraagt ‘waar kom je vandaan?’, dan heb ik daarop geen antwoord. Door die vraag zijn de trots en kracht die ik haal uit het jarenlang bestuderen van de Tibetaanse geschiedenis en cultuur op slag verdwenen.

    Schapen in Tibet. – © Ching Ching Tsui/ Flickr Creative Commons
    Schapen in Tibet. – © Ching Ching Tsui/ Flickr Creative Commons

    ‘Voor de Tibetanen is de hoop een vloek. Voor de Chinezen is het wantrouwen een vloek.’ Als je in ballingschap leeft, kun je niet anders dan je hoop voeden, ook al kan het niet anders of die wordt de bodem ingeslagen. Ik hoop dat de Verenigde Staten gaan werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat India gaat werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat China uiteen zal vallen. Ik hoop dat China gaat democratiseren.
    In ieder geval kunnen de Tibetaanse leiders niet op dezelfde manier reizen als leiders overal elders ter wereld. Tibetaanse schrijvers, Tibetaanse zakenmensen, de Miss Tibets kunnen niet op voet van gelijkheid opereren met hun collega’s overal elders ter wereld. De Tibetaanse vlag kan niet net zo gehesen worden als de vlaggen overal elders ter wereld. Een willekeurige Tibetaan kan zich niet meten met een willekeurige burger uit een normaal land.
    Ik doe net alsof ik trots en sterk ben, maar soms schaam ik me. Andere keren voel ik me trots als ik bedenk dat wij van de vluchtelingen de sterksten op aarde zijn. Soms schaam ik me dat ik een ontheemde vluchteling ben.
    Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben, omdat ik als vluchteling in deze of gene cultuur ben geïntegreerd. Maar als iemand die geen Tibetaan is me vraagt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan lijkt dat allemaal opeens onzinnig.
    En verder troost ik me af en toe met de gedachte dat ik deel uitmaak van het volk van de vleeseters met rood gemaakte gezichten [vaste uitdrukking waarmee de Tibetanen zichzelf omschrijven], dat afstamt van Tibetaanse vorsten. Op andere momenten troost ik me met de gedachte dat ik een coole Tibetaan ben die vredelievend is en afkomstig uit het paradijs voor religie, Tibet. Als me wordt gevraagd of ik haat of wrok koester tegen de Chinese Communistische Partij, dan antwoord ik grootmoedig: ‘Nee, niet echt. Ook dat zijn maar mensen, ze zijn slachtoffer van de drie vergiften [verlangen, afkeer, onwetendheid] van hun negatieve emoties. Die arme mensen, ik heb met ze te doen.’ Maar de Communistische Partij is wel Tibet binnengedrongen en heeft het land geannexeerd, de Partij heeft mensen vermoord en doet dat nog steeds, door de Partij ben ik gedwongen tot omzwervingen in ballingschap. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dus schaam ik me er tegelijkertijd voor dat ik haat noch wrok voel of doe alsof ik die niet voel.

    Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben
    Gyangtse, Tibet. – © Dennis Jarvis/ Flickr Creative Commons
    Gyangtse, Tibet. – © Dennis Jarvis/ Flickr Creative Commons

    Kan ik nog iets bijzonders doen? Ik lees boeken, ik kijk wat films, ik reciteer een paar mani’s [Tibetaanse mantra’s], ik bid, ik loop rondes 
om de tempel [kora, een boeddhistisch ritueel]. Ik heb het aan de stok met de voorstanders van de gulden middenweg [pleitbezorgers van echte autonomie voor Tibet, zoals de dalai lama die voorstaat] en met de voorvechters van onafhankelijkheid. Ik doe mijn best om het zo 
gewilde Amerika te bereiken. Ik ga een beetje demonstreren, een beetje in hongerstaking. Ik drink wat biertjes. Ik probeer wat meisjes te versieren. Ik geef wat feestjes. Ik dans als een westerling. Ik drijf wat handel. Ik schrijf wat korte teksten en gedichten. Ik neem deel aan 
discussies. Ik dobbel. Kortom, ik vermaak me. Zo gaat een alledaags leven voorbij.
    Maar het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Ik heb geld, eten, drinken en kleren zo veel ik wil. Ik spreek Tibetaans, Engels, Hindi, Chinees, Duits en nog meer talen. Maar ik ben vlees noch vis. Geit noch schaap. Tibetaan noch Chinees. Ik ben noch boven noch beneden. Noch hier noch daar. Ik ben in een soort eeuwig bardo [in het Tibetaans boeddhisme een tussenstaat] beland.

    Tenzin Nyingjey
    Bron: Tibet Times, Dharamsala

    Tenzin Nyingjey woont in ballingschap in de Indiase stad Dharamsala. Hij werd geboren in 1978, vlak voordat Deng Xiaoping de beroemde woorden sprak: ‘Alles is bespreekbaar in Tibet, behalve onafhankelijkheid.’ Het was na deze uitspraak, zegt hij, ‘dat wij onze strijd voor de vrijheid begonnen op te geven en het gevoel kregen dat we tot een verloren generatie behoorden’.

    Vergeef ons, Simonne (Abdou Semmar )

    Marie-Simonne,
    Je ontvluchtte je land, Kameroen, in de hoop in Algerije veiligheid, vrede, een toevluchtsoord en het einde van al je misère te vinden. Simonne, je koos ervoor om in mijn land te gaan wonen, omdat je ongetwijfeld had gehoord dat de bewoners zo gul zijn, dat de bevolking heldhaftig is en zich talloze opofferingen heeft getroost om zich van het koloniale juk te bevrijden. Je had al lang bewondering voor dit land dat leiders van alle Afrikaanse onafhankelijkheidsbewegingen van de jaren zestig en zeventig met open armen ontving.
    Simonne, ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is, dat bekendstaat om zijn olie, maar ook om zijn waarden. Een islamitische samenleving die gastvrijheid tot hoogste waarde heeft verheven. Een eeuwenoude samenleving vol verscheidenheid die openstaat voor vreemdelingen.
    Maar toen je eenmaal in Algerije was, ontdekte je dat het land absoluut niets te maken had met het land waarover je had gehoord en gelezen. In Oran, waar je was gaan wonen om er samen met je man een nieuw leven op te bouwen, bleken de mensen racistisch, vol vreemdelingenhaat en allergisch voor buitenlanders, vooral voor zwarte mensen, zoals je hebt ervaren.
    Vanaf het begin dat je in ons land was ben je beledigd, lastiggevallen en veracht, tot op die donderdag 
1 oktober om elf uur ’s avonds, toen zeven seksueel gefrustreerde mannen, ten prooi aan hun lage driften, je achter het parkeerterrein in een populaire wijk van Oran hebben ontvoerd, afgerost en om beurten verkracht. Geen van die ‘heldhaftige’ Algerijnen, zoals ze in de geschiedenisboeken worden omschreven, nam de moeite om je uit de klauwen van die vuile beesten te redden.
    In het ziekenhuis weigerden ze je te behandelen. Op het politiebureau hadden ze geen zin om in je aangifte op te nemen. Waarom? Omdat je zwart bent, en christen. Dit is niet het Algerije waar jij van droomde. Het zijn niet deze racistische, gewelddadige, criminele Algerijen over wie je zo veel had gehoord.

    Ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is
    Door vluchtelingen achtergelaten binnenbanden drijven vlak bij de kust van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Door vluchtelingen achtergelaten binnenbanden drijven vlak bij de kust van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Ik schrijf je om te vragen of je ons wilt vergeven. Vergeef ons, Simonne. Vergeef ons omdat wij Algerijnen, de mannen en vrouwen die geloven in de broederschap tussen alle volkeren ter wereld, die geloven in tolerantie, in wederzijds respect en in het opkomen voor de rechten van buitenlanders, boos zijn en geschokt, geschrokken en diep getroffen door al het vreselijks dat een deel van onze samenleving jou heeft aangedaan.
    Vergeef ons dat we er die avond niet waren om je 
te redden. Vergeef ons dat we er niet waren om de gendarme terecht te wijzen die jouw aangifte weigerde omdat je geen moslima was. Vergeef ons de onverschilligheid, intolerantie en het racisme, die helemaal niets te maken hebben met ons karakter. Ons ware karakter. Niet dat wat je ziet bij die gestoorde jongeren die over onze straten zwerven, overgeleverd aan hun frustraties en slachtoffer van die collectieve neurose veroorzaakt door het totale failliet van ons sociale en politieke systeem.
    Vergeef ons dat we niets wisten van jouw hoop. Van jouw verwachtingen en dromen. Vergeef ons dat alles, Simonne. We beloven je dat we alles zullen doen om te zorgen dat er nooit meer een nieuwe ‘Simonne’ zal komen die verkracht, geslagen en gemarteld wordt, enkel en alleen om dat ze een vrouw, een zwart iemand en een christen is.

    Abdou Semmar
    Bron: Algérie-Focus, Algiers

    Abdou Semmar is hoofdredacteur van de website Algérie-Focus, een van de belangrijkste nieuwsmedia in Algerije. Hij zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting in zijn land, en schrijft over maatschappelijke kwesties die 
zijn landgenoten bezighouden.

  • Hoe deradicaliseer je Boko Haram?

    Hoe deradicaliseer je Boko Haram?

    Niet alleen in het Westen wordt geprobeerd om jihadisten te deradicaliseren. In een gevangenis in Nigeria is met geld van de EU een programma opgezet om strijders van Boko Haram weer op het rechte pad te brengen. Grote vraag is natuurlijk: werkt het?

    Gevangenisbewaarder Mala Tata heeft een roeping. Hij ziet het als zijn religieuze plicht om mensen te helpen de staat van verlossing te bereiken. Daarnaast gelooft hij ook dat niet veel mensen zo ernstig hebben gezondigd als de 43 strijders van Boko Haram die hij onder zijn hoede heeft in de Kuje-gevangenis, 
aan de rand van Abuja, de Nigeriaanse hoofdstad. Tata werkt al zesentwintig jaar in de gevangenis. Hij leidt een team van imams in een unieke deradicaliseringstherapie gericht op de rehabilitatie van de Boko Haram-gevangenen. 
Zijn team, bestaande uit gevangenismedewerkers, heeft een zeer intensief contact met de groep en houdt dagelijks spirituele sessies met ze waarin 
de basis van hun geweldsideologie ter discussie wordt gesteld.
    ‘Sommigen zijn analfabeet. Zij kunnen zelf niet uit de Koran citeren, toch beweren ze dat ze de jihad nastreven,’ aldus Tata, een vrolijke, verzorgd uitziende man. ‘Anderen hebben wel op school gezeten. Ze hebben de Koran en de Hadith gelezen, maar ze begrijpen de islam niet echt. Satan heeft ze dingen in het oor gefluisterd.’
    Kuje, een extra beveiligd detentiecentrum, is Nigeria’s proeftuin voor een programma dat bedoeld is om gewelddadig extremisme aan te pakken (‘countering violent extremism’, CVE) en in maart is gestart. In de kern komt de ‘behandeling’ van mannen 
die vastzitten vanwege aan terrorisme gerelateerde misdrijven erop neer 
dat hun gedrag via activiteiten zoals therapie, sport, scholing en vakonderwijs kan worden aangepast. Als ze vastzitten worden ze bovendien minder gauw gerekruteerd door Boko Haram, en uiteindelijk kunnen ze worden geïntegreerd in de maatschappij.

    Een meisje wandelt langs een vernielde moskee in de Nigeriaanse stad Mararaba, die door het leger is terugveroverd op Boko Haram in 2015. – © Akintunde Akinleye / Reuters
    Een meisje wandelt langs een vernielde moskee in de Nigeriaanse stad Mararaba, die door het leger is terugveroverd op Boko Haram in 2015. – © Akintunde Akinleye / Reuters

    Open universiteit

    Het opbouwen van een band tussen het ‘behandelingsteam’ en de Boko Haram-gevangenen, die officieel 
cliënten worden genoemd, wordt gezien als de basis van het succes van de CVE-strategie. Tata heeft zich uit patriottische motieven bij het team aangesloten en ook vanuit het geloof dat hij door het verrichten van Gods werk een spirituele beloning zal krijgen.
    Dat biedt enige troost. ‘Het zijn uiterst gevaarlijke mensen. Er kan van alles gebeuren. We weten dat ze contact hebben met hun mensen buiten de gevangenis,’ vertelt hij. Tata heeft die risico’s persoonlijk ervaren: hij is gewond geraakt toen Boko Haram een aanval uitvoerde op de gevangenis, maar hij wil er niet over praten. Hij is ervan overtuigd dat het tij op militair terrein is gekeerd en dat nu de rebellen op de vlucht zijn geslagen. ‘De “cliënten” in Kuje weten dat ze aan de verliezende hand zijn,’ zegt hij. ‘Zij kijken ook tv.’
    Op de dag dat ik de gevangenis bezoek, speelt ‘Arsenal’ tegen ‘Chelsea’ in Kujes versie van de Champions League: beide gevangenisteams worden driftig aangemoedigd, het gejuich schalt over de muur.
    Maar het doel van mijn bezoek is de ‘derad’-vleugel, een rustiger, meer afgeschermd gedeelte met moderne klaslokalen, die oorspronkelijk bedoeld waren voor een open universiteit. In tegenstelling tot de rest van de sobere gevangenis is hier zelfs airco.
    Ik ga met een van de cliënten in een kamertje zitten. De forse kerel aan de andere kant van de tafel draagt een spijkerbroek en een strak T-shirt. Hij heeft een afrokapsel, een onverzorgde baard en een grote ring aan een vinger. Hij noemt zichzelf een commandant, maar ziet er meer uit als een man die
je ook in een club kunt tegenkomen. Hij spreekt Hausa, de lingua franca 
van het noorden, in korte zinnetjes, en eindigt iedere gedachte met een ‘Zeg dat tegen hem’ tegen de imam die tolkt – erop gebrand dat zijn verhaal wordt gehoord.
    Hij ziet zichzelf als een veranderd man, wat hij toeschrijft aan Tata en zijn team. Wanneer we hem tijdens het interview vragen waar in de Koran het doden van burgers wordt gerechtvaardigd, zegt de commandant herhaaldelijk dat hij zich dat niet meer kan herinneren. Kennelijk wil hij niet ingaan op zijn vroegere ideeën. ‘Ik ben veranderd, ik wil het niet hebben over rechtvaardiging.’ De imam stelt voor dat we verder gaan.


    Vrijwillige deelname

    Ferdinand Ikwang staat aan het hoofd van het nationale derad-programma, dat valt onder het Office of the National Security Adviser (ONSA). Hij heeft de leiding over een netwerk van projecten die de economische en sociale omstandigheden aanpakken die aanzetten tot radicalisme, maar zorgt er ook voor dat de basis wordt gelegd voor de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van Boko Haram als dat leger is verslagen en er een vredesovereenkomst is gesloten.
    Hij neemt een ferm standpunt in ten opzichte van mannen die de wapens opnemen. Degenen die wreedheden hebben begaan, komen in een derad-programma in de gevangenis. Maar het lagere voetvolk dat het programma heeft doorlopen komt in aanmerking voor vrijlating en mogen ‘hun gewone leven voortzetten’, zij het onder toezicht.
    De maatstaf is niet of ze hun overtuiging hebben laten vallen, maar of het gevaar bestaat dat ze ‘een wapen zullen oppakken’, legt Ikwang uit.
    Kuje is niet de enige gevangenis met Boko Haram-gedetineerden. Agwata, in de buurt van Onitsha, een stad in het oosten van Nigeria, heeft er ongeveer honderd, die zich eerder dit jaar hebben overgegeven. Daar begint binnenkort ook een derad-programma, onder leiding van personeel dat is opgeleid in Kuje. En nu steeds meer rebellen de wapens neerleggen komen er nog meer ONSA-centra die Boko Haramleden opnemen.
    Deelname aan het derad-programma is vrijwillig. In Kuje hebben vier gevangenen ervoor gekozen om niet mee te doen aan het programma, maar dat deden ze meer om een praktische dan om een ideologische reden: ze vechten de beschuldiging van het OM aan dat 
ze lid van de groep zijn.

    Sommigen zijn analfabeet. Zij kunnen niet uit de Koran citeren, toch beweren ze dat ze de jihad nastreven

    De meesten van de overige 39 cliënten – allemaal in voorarrest – worden al vier jaar vastgehouden, hoewel niet altijd in Kuje – en als ze in handen zijn van de veiligheidsdienst, is dat niet altijd onder de meest humane omstandigheden.
    De voordelen van deelnemen aan het derad-programma zijn duidelijk: ten eerste krijgen de meesten een afgeschermde cel met een stapelbed, totaal anders dan de omstandigheden in de rest van de gevangenis, die in 1989 werd geopend als een detentiecentrum met plaats voor tachtig mensen. Nu zitten er 910 gevangenen in.
    Ze hebben een gerenoveerde vleugel voor henzelf, gefinancierd door de Europese Unie, waar de gestructureerde dagelijkse activiteiten plaatsvinden. Ze hebben dingen als toiletpapier en zeep en dat is een voorzieningenniveau dat ongekend is in de met geldtekorten kampende gevangenissen van Nigeria, waar het woord rehabilitatie zelden valt.
    ‘Een belangrijk uitgangspunt van het programma is dat niemand gedwongen wordt eraan deel te nemen, het is op vrijwillige basis,’ vertelt Kasali Yusuf, coördinator van het gezamenlijke team van ONSA en de penitentiaire inrichting in Kuje. ‘Aanvankelijk melden ze zich waarschijnlijk alleen aan vanwege de privileges, die vervolgens toch ook maken dat ze milder gestemd worden.’
    Maar omdat de gedetineerden van Boko Haram onder de overige gevangenen toch al buitengewoon weinig geliefd zijn, ‘leiden die privileges tot veel rancune, wat voor ons weer een uitdaging is. We hebben de andere gevangenen moeten uitleggen dat 
het speciale programma wordt gefinancierd door de EU,’ legt Yusuf uit.
    Yusufs baas, de manager van het behandelingsteam, is de psycholoog dr. Wahaab Akorede. Na bestudering van de casestudy’s van de 43 cliënten komt hij tot de conclusie dat wat hen onderscheidt van de doorsneecrimineel, hun intense woede is, hun verlangen om ‘alles kort en klein te slaan’. Dat suggereert dat ze zelf een trauma hebben opgelopen: ze zijn zo wanhopig, hebben zo weinig toekomstmogelijkheden, dat ze bereid zijn om te geloven dat 
het paradijs de beloning voor hun 
martelaarschap zal zijn.’

    In alle steden nemen ze mensen gevangen, vermoorden ze mensen. Wie blijven er dan nog over als je onderdanen?

    Geen diepe religiositeit

    Noch Akorede noch Yusuf – allebei moslim en ervaren gevangenismedewerker – zien veel tekenen die wijzen op een diepe religiositeit onder de mannen in het derad-programma. Akorede noemt andere potentiële 
factoren: polygame gezinnen waar vrouwen concurreren om de liefde 
van de man ten koste van de kinderen; de traditionele wijze waarop de islam wordt onderwezen in het noorden, die de jongemannen onvoldoende voorbereidt op de moderne arbeidsmarkt; de harteloosheid van achtereenvolgende regeringen waaronder zovelen hebben geleden en een vroege dood zijn gestorven, ‘tot zelfs God er wel even genoeg van kreeg om die Nigerianen steeds weer te zien langskomen’.
    ‘Vervreemding’ is volgens hem de meest voor de hand liggende verklaring voor de aantrekkingskracht van Boko Haram. De aanhangers zijn voornamelijk mannen met weinig opleiding en alleen af en toe wat los werk aan de randen van de stad, ‘die ook door 
moslims in hun eigen gemeenschap als uitschot worden beschouwd’. Ze zijn boos, ‘en religie is het platform om die woede te ventileren’.
    Akorede verdeelt de mannen in Kuje in twee groepen: de grote jongens en de volgers. ‘De grote jongens zijn de slimmeriken. Zij weten hoe ze mensen moeten manipuleren. Ze zeggen: “Jouw religie is bijzonder en die wordt bedreigd.”’ In wezen creëren ze een sekte voor wie iedereen de vijand is, inclusief de traditionele religieuze leiders.
    En wanneer een beroep op de religie en het martelaarschap niet voldoende is, biedt Boko Haram aan om je familie 
te helpen. ‘Bijvoorbeeld: een man is niet gelukkig. Hij heeft niet de kans gekregen om een opleiding te volgen. Hij heeft geen toekomst. Als je hem 10.000 naira [$ 50] geeft, draagt hij die bom,’ zegt Akorede.

    Explosievenexperts inspecteren een voertuig na een bomaanslag van Boko Haram op een busstation in de Nigeriaanse stad Nyanya in 2014. Er vielen 88 doden en 200 gewonden. 
© Afolabi Sotunde / Reuters
    Explosievenexperts inspecteren een voertuig na een bomaanslag van Boko Haram op een busstation in de Nigeriaanse stad Nyanya in 2014. Er vielen 88 doden en 200 gewonden. 
© Afolabi Sotunde / Reuters

    Slechte indicatoren

    De commandant lacht wanneer hem wordt gevraagd naar de datum waarop hij zich aansloot bij Boko Haram. 
De sekte werd gesticht in 2002 door een jonge geestelijke, Mohammed Yusuf, in de noordoostelijke stad 
Maiduguri. Die stad ligt midden in 
een regio die eeuwenlang een centrum was van islamitisch onderwijs.
    Maar het radicalisme van de commandant dateert al van voor de beweging. ‘Ik was al Boko Haram voordat Boko Haram bestond,’ pocht hij, en hij gebruikt de officiële naam van de groep, Jama’atu Ahlis Sunna Lidda’awati wal-Jihad (‘een beweging gewijd aan de verbreiding van de leer van de Profeet en de Jihad’).
    De commandant komt uit ‘een familie waar onderwijs belangrijk werd gevonden’. Maar hij was opstandig, maakte zijn school niet af, en ging werken in een graanmolen in zijn geboorteplaats Biu. Toen zijn vader daarachter kwam, gooide hij hem het huis uit. Vanaf dat moment werd de commandant steeds meer aangetrokken tot de islam en belandde ten slotte in een koranschool in de naburige staat Adamawa, geleid door een Pakistaanse sjeik.

    De maatstaf is niet of ze hun overtuiging hebben laten vallen, maar of het gevaar bestaat dat ze een wapen zullen oppakken

    In Nigeria was destijds veel beroering over de sharia. In 2000 was de sharia 
in twaalf overheersend islamitische staten in het noorden ingevoerd na de roep van de gewone islamiet om een tegengif tegen de corruptie waar de gewone Nigeriaan dagelijks mee werd geconfronteerd. Maar in plaats daarvan werden werkelijke hervormingen tegengehouden door een ‘politieke sharia’, die de belangen van de elite beschermde, waardoor de noordelijke religieuze en politieke leiders nu door sommige radicalen als doelwit werden gezien.
    ‘Het was niet moeilijk om jongeren 
aan te trekken. Ze waren nieuwsgierig naar verhalen over de jihad,’ zegt de commandant. Deels kwam dat door de traditionele Almajirai-scholen, waar miljoenen jongens in het noorden nog steeds naartoe worden gestuurd. 
Ze komen bij een koranleraar (die 
niet noodzakelijkerwijs over een goed begrip van de tekst beschikt) om teksten uit hun hoofd te leren, en voorzien met bedelen in hun eigen onderhoud en dat van hun leraar. Dat heeft het noorden qua opleiding op een achterstand gezet, waardoor op straat het verzet sluimert.
    Het noordoosten van Nigeria heeft de slechtst denkbare sociale indicatoren. Tot de jaren tachtig bestond in het noorden een traditie van progressieve bewegingen. Die streden voor de rechten van de ‘talakawa’ (de gewone burgers) tegen het feodale conservatieve establishment, dat als de oorzaak van hun armoede werd gezien, maar tegenwoordig is het volksverzet tegen onrecht meer religieus georiënteerd.
    De confrontatie tussen Boko Haram en de overheid explodeerde in juli 2009. Yusuf had ruzie gekregen met de autoriteiten van de staat Borno en na de moord op een groep van zijn volgelingen beloofde hij wraak te zullen nemen. Zijn mannen vielen politiebureaus 
en overheidsgebouwen aan in vier noordelijke staten. Tijdens die gevechten vielen zevenhonderd doden, onder wie ook Yusuf, vermoord terwijl hij in Maiduguri in voorarrest zat.
    De commandant, die naar de noordelijke stad Kano vluchtte en daar tot zijn gevangenneming ondergedoken zat, brengt een onderscheid aan tussen de begindagen van Boko Haram en het extreme geweld van de groep onder Yusufs opvolger, Abubakar Shekau, 
een krijgsheer die als meer gewelddadig dan geschoold wordt beschouwd, en die gemene zaak maakt het de mondiale jihadistenbeweging.
    ‘Ik weet niet hoe het is gebeurd. In alle steden nemen ze mensen gevangen, vermoorden ze mensen. Wie blijven er dan nog over als je onderdanen? Dat begrijp ik niet,’ zegt de commandant. Meer dan 25.000 mensen zijn omgekomen bij aan Boko Haram gerelateerd geweld, zowel in Nigeria als over de grens – voor het overgrote deel medemoslims.
    Tata heeft nog een cliënt voor me om mee te praten, een tengere man met een bril, een keurig verzorgde baard 
en een schone witte dashiki, een tuniek. Hij spreekt vol respect over wat hij beschouwt als Yusufs integriteit en waarachtigheid. Zijn verklaring voor 
de opkomst van Boko Haram is dat de Nigeriaans maatschappij bevrijd moest worden van corruptie, onrecht en homoseksualiteit.
    Hij had deel uitgemaakt van Yusufs kabinet, of ‘shura’, en zegt dat hij 
voordat hij werd opgepakt in 2011, 
de leider van Boko Haram was in drie staten: Bauchi, Gombe en Plateau. Hij beschuldigt de autoriteiten van ongerechtvaardigde agressie en geeft als voorbeelden het platgooien van de grote Markaz-moskee van de groep 
na de opstand in Maiduguri en de 
buitengerechtelijke moord op Yusuf, waarvoor geen politieman is veroordeeld. Als iemand het levende bewijs is van Akoredes stelling over de gevaren van gefrustreerde, boze individuen, dan is het wel deze gedreven man.
    Hij had ‘38 of 40’ broertjes en zusjes en hoewel hij de basisschool had afgemaakt, ging hij op zijn twaalfde van de middelbare school af. Hij werd monteur van elektrische auto’s in Maiduguri, maar de armoede in het noorden en de onverschilligheid van de rijken wekten woede in hem op. ‘Ik geloofde dat als je bereid was om geweld te gebruiken, je je doel kon bereiken.’
    Hij praat niet over waar hij heeft gevochten of wat hij heeft gedaan, 
hij zegt alleen: ‘Voor ik dit programma had gevolgd zou ik geen tijd voor je hebben gehad. Er zouden geen grapjes worden gemaakt. Ik was hard. Nu besef ik dat het belangrijk is om te luisteren en meningen uit te wisselen.’
    Weinig mensen in Maiduguri geven toe dat familieleden van hen zich bij Boko Haram hebben aangesloten, maar Mohammed Garima wil zijn verhaal wel vertellen. Zijn 25-jarige neef sloot zich aan bij de groep en hij probeert nog steeds te begrijpen waarom.
    ‘Armoede zou een reden kunnen zijn,’ zegt hij. De jonge man was bandenreparateur, oftewel een vulkaniseerder, en verdiende waarschijnlijk zo’n vijf dollar per dag. ‘Maar er was nog iets. Hij zonderde zich altijd af van mensen, meende dat hij religieuzer was dan alle andere mensen.’
    Garima had zelf Yusuf horen preken en was er niet van onder de indruk. ‘Hij veroordeelde alles: de wegen, de sociale voorzieningen, het onderwijs, de ziekenhuizen, dingen waar we gebruik van maken – dingen waar hij gebruik van maakte – en weinig van wat hij zei had iets spiritueels.’ In 2009 verdween zijn neef en de familie wist toen meteen dat hij zich had aangesloten bij Boko Haram. Af en toe zocht hij contact, en toen zijn oma overleed, eiste zijn vader dat hij langskwam. Toen hij in de stad was, werd hij herkend en gearresteerd. Garima heeft later gehoord dat hij 
in detentie is gestorven op de luchtmachtbasis Kainji bij Maiduguri.

    Harde kern
    Alle mensen met wie ik in Maiduguri sprak, deelden een overtuiging die 
de moeilijke positie van het derad-
programma weergeeft: voor de harde kern van Boko Haram is re-integratie onmogelijk. ‘Ze verschijnen in de gedaante van een mens, maar eigenlijk zijn het duivels,’ zegt een man die anoniem wil blijven. ‘Zo iemand heeft je moeder of je vader vermoord, je huis in brand gestoken; hoe kan je met zo iemand samenleven? Dat is onmogelijk,’ voegt Garima eraan toe. Hij is iets verzoenender ten opzichte van hen die gedwongen werden zich aan te sluiten. In sommige gevallen kan er amnestie worden verleend, ‘maar ze zullen naar een andere staat moeten worden gebracht, anders gaan mensen wraak nemen,’ zeg hij.
    Volgens Ikwang, de leider van het derad-programma, maar ook een 
deskundige op het gebied van ontwapening, demobilisatie en re-integratie, mogen ze in de maatschappij terugkeren via zogenaamde ‘halfway houses’ en komen dan onder toezicht te staan. Ze worden op basis van hun beroep ingedeeld in coöperaties, waar therapie verplicht is.
    De acceptatie door de gemeenschap is essentieel. ‘Als je vierhonderd ex-krijgers laat terugkeren in de gemeenschap, moet je de gemeenschap erbij betrekken. Als er vierhonderd van die ex-rebellen bij komen, moet je ook voor vierhonderd lokale jongeren een plek bieden in een werkgelegenheidsprogramma van de overheid, anders gaat de ontvangende gemeenschap luidkeels protesteren en dreigen hen 
te zullen vermoorden,’ aldus Ikwang.
    Maar gezien de slechte reputatie van de Nigeriaanse overheid als het aankomt op het uitrollen van wat langer durende programma’s, het oormerken van de fondsen en de efficiënte besteding ervan, rijst de vraag hoe voorkomen kan worden dat het derad-programma ten onder gaat in schandalen en verspilling. Akoredes antwoord is een koppig ‘We hebben geen andere keuze dan stug door te zetten’.

    Acceptatie door de gemeenschap is essentieel

    Resultaten

    Er is een nog fundamentelere vraag: werkt zo’n deradicaliseringsprogramma nu echt? Natuurlijk is het in de Kuje-vleugel volkomen veilig, dat is zowel in het belang van het personeel als van de gedetineerden. De leden van het behandelingsteam dragen burgerkleding en bewegen zich vrijelijk onder de cliënten en praten gewoon met ze, een noviteit voor sommigen die gewend zijn aan gevangenissen waar een gedetineerde op zijn hurken moet gaan zitten voor hij een bewaarder mag aanspreken.
    ‘De uitdaging is om het hart en de ziel van de extremisten te bereiken,’ vertelt Ekpedeme Udom, het hoofd van alle derad-programma’s. ‘Dit is nieuw in Afrika en we hebben buitengewoon goede resultaten.’ Maar als ervaren gevangenismanager is ze heel goed 
op de hoogte van de discussies die er dagelijks in Kuje worden gevoerd 
tussen cliënten en de staf, waarbij beide partijen opkomen voor hun eigen belangen.
    Udom behoort tot een nieuwe generatie hervormingsgezinde gevangenismanagers. Ze kreeg carte blanche om namens ONSA het programma in Kuje te ontwikkelen, voortbordurend op de CVE-programma’s die in Azië en het Midden-Oosten worden toegepast.
    Deradicalisering vereist een reusachtige investering, van het opleiden van personeel tot het opschalen van voorzieningen en het financieren van programma’s die de ex-rebellen na hun vrijlating moeten volgen. De literatuur geeft geen duidelijke recidivismecijfers en biedt dus geen juist beeld van de resultaten. Een deel van het probleem is ‘dat het gewoon nog te vroeg is om er iets over te zeggen,’ legt Udom uit. ‘CVE wordt nog maar zo’n tien jaar in de wereld toegepast.’
    Ikwang maakt zich wel zorgen over een meer structureel probleem, dat voorkomt uit Nigeria’s slechte bestuurlijke staat van dienst, waardoor Boko Haram – 
en andere sluimerende conflicten verspreid over het hele land – konden 
ontstaan. ‘Extremisme is een ideologie die bij de kern moet worden aangepakt, te beginnen op de kleuterschool, met een overheid die zich veel ontvankelijker en verantwoordelijker opstelt ten opzichte van haar burgers,’ waarschuwt hij. En peinzend verzucht hij: ‘Hoe hebben wij deze generatie kinderen 
zo in de steek kunnen laten?’

    Obi Anyadike

  • Bekijk de documentaire: Cartel Land

    Bekijk de documentaire: Cartel Land

    Mexico wordt al tientallen jaren geterroriseerd door drugsbaronnen. Regisseur Matthew Heineman kreeg het onwaarschijnlijke gedaan; hij filmde in de methlaboratoria, zag de martelingen en was getuige van het corrupte perpetuum mobile waarin de drugswereld en overheid elkaar in stand houden. Met de documentaire Cartel Land dook Heineman in het hart van de drugsduisternis.

    Oorspronkelijk wilde Heineman een film maken over de freelance ‘vigilantes’, de zelfbenoemde Border Patrol in Arizona. Maar toen zijn vader een krantenknipsel stuurde over de burgermilities aan de andere kant besloot hij een parallel verhaal te filmen.

    Heineman bleef en bleef en kroop onder de huid van de horror, de nachtmerrie die Mexico in stukken scheurt en al meer dan 100.000 doden telt en 20.000 vermisten. Het resultaat is een rauwe, onverschrokken film over de drugsoorlog die de VS en Mexico jammerlijk verbindt.

    Cartel Land won de Best Director Award en de Special Jury Award for Cinematography op het Sundance Festival in 2015.


  • ‘We moeten af van de architectuur van de angst’

    ‘We moeten af van de architectuur van de angst’

    Giancarlo Mazzanti, de Colombiaanse architect die Escobars vesting in een toeristische attractie omtoverde, wil met zijn ontwerpen iets wezenlijks bijdragen aan de gemeenschap, die volgens hem nog altijd door angst wordt beheerst.

    Om aan de maatschappelijk behoeften te voldoen moeten er risico’s worden genomen, aldus architect Giancarlo Mazzanti, ontwerper van gedurfde publieke bouwwerken. Volgens deze Colombiaan, die onlangs de Internationale Prijs voor Duurzame Architectuur van het Institut Français d’Architecture heeft gewonnen, wordt de vooruitgang van de bouw in zijn land belemmerd doordat een groot deel van de architectuur in Colombia gebaseerd is op angst.

    Het feit dat hij de oude onneembare vesting van de huurmoordenaars van Pablo Escobar uit de jaren tachtig heeft veranderd in een toeristische attractie waar de bewoners van Santo Domingo Savio, een wijk van Medellín, trots op kunnen zijn, was echter niet zozeer een dappere daad als wel een mijlpaal: voor dit Parque Biblioteca España ontving Mazzanti de prijs voor het beste architectonische werk op de VIe Latijns-Amerikaanse Biënnale voor Architectuur en Urbanisme.

    Maar dit is niet zijn enige project van culturele betekenis voor een kwetsbare, gewelddadige gemeenschap. Bibliotheek La Ladera in Medellín, kleuterschool El Porvenir in Bosa, de Gerardo Molina-school in Suba, het Museo del Caribe in Barranquilla, het Parque Tercer Milenio in San Vitorino, een sportcomplex voor de IXe Latijns-Amerikaanse Spelen in Medellín, en tal van andere projecten – allemaal hebben ze hetzelfde uitgangspunt: eerbied betuigen aan de mensen die het minste hebben, hun laten zien dat een maatschappij er beter op kan worden door scholing.

    ‘Mazzanti is gefascineerd door het onderwerp scholing en heeft op dat gebied een belangrijke rol gespeeld. Hij heeft een nieuwe dimensie aan de architectuur gegeven en deze naar een niveau getild waarvan we niet hadden durven dromen, dankzij zijn talent voor creëren en verrassen,’ zegt architect en historicus Alberto Escovar.

    © Redux Pictures / Hollandse Hoogte
    © Redux Pictures / Hollandse Hoogte

    Giancarlo Mazzanti, die inmiddels 47 jaar oud is, deed al vroeg van zich spreken. Hij was nog maar pas afgestudeerd aan de Javeriana-universiteit van Bogotá, toen hij de prijsvraag won voor het Museo de Arte Moderno van Barranquilla ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Le Corbusier. ‘Hij behoort tot een generatie voor wie al die architectonische paradigma’s – zoals het functionalisme – niet meer voldeden en die zich, mede dankzij het systeem van prijsvragen voor publieke bouwwerken, anders is gaan uiten,’ verklaart Escovar. ‘Door de vele publieke bouwprojecten maakt de Colombiaanse architectuur twee gouden decennia door.’

    Mazzanti voelde zich als kind al aangetrokken tot de stadsmuren van Cartagena, tot forten en tot lego. Hij is totaal niet dogmatisch en respecteert de opvattingen van anderen. Hij is intelligent, theoretisch, geïnteresseerd in geografie en geschiedenis – hij volgde een master in Geschiedenis en Theorie van de Architectuur en het Industrieel Ontwerp aan de Universiteit van Florence – en ook is hij filosofisch onderlegd. Hij citeert Hegel om aan te geven dat hij niet gelooft in het verband tussen esthetiek en ethiek, en [de Mexicaanse auteur] Octavio Paz om het breken met traditie te definiëren als kritische rede, want zonder kritische rede zou er geen vooruitgang bestaan.

    Bij een openbare aanbesteding wordt de goedkoopste beloond, niet degene die de beste kwaliteit levert

    Hij is een mediafenomeen, maar er zijn ook mensen die twijfelen aan de doelmatigheid van zijn ontwerpen. ‘Ik zie daarin heel fantasierijke, subjectieve ideeën, die de ware taak van de architectuur echter soms in gevaar brengen, namelijk het scheppen van ruimten die geschikt zijn voor het gebruik,’ betoogt architect Daniel Bermúdez, de ontwerper van het pas geopende cultureel centrum Julio Mario Santo Domingo. ‘Zijn oplossingen missen de technische kwaliteit die ze zouden moeten hebben voor duurzame architectuur,’ meent hij. Hoewel hij erkent dat Mazzanti’s ontwerpen moedig zijn, voegt hij eraan toe: ‘Je moet niet overal opvallende, bijzondere dingen willen neerzetten, je moet ook leren bescheiden te zijn.’

    Esthetisch vraagstuk

    Ondanks dit soort kritiek is Mazzanti vast van plan door te gaan met zijn ‘onbescheiden’ ontwerpen. Vanuit zijn glazen studio naast het Museo Nacional filosofeert en schrijft hij, ontwerpt en droomt hij.

    Waarom verkiest u de architectuur van de buitenkant boven die van het interieur?
    In Italië heb ik me beziggehouden met het interieur, maar ik ben vooral geïnteresseerd in de publieke architectuur, want dat is de manier om het sociaal welzijn te bevorderen en culturele activiteiten te genereren. Bovendien werk ik over het algemeen in buitenwijken waar armoede en geweld heersen.

    Wat geeft het publieke bouwwerk u wat de private bouw u niet geeft?
    De betekenis van het publieke bouwwerk is handelen in sociale termen, werken aan welzijn, stedelijke en architectonische verbanden ontwikkelen. Daarbij speelt de politiek een rol, terwijl de private bouw wordt bepaald door persoonlijke smaak en de kans op economisch gewin; het oogmerk ervan is comfort te verschaffen. Als je een huis bouwt, word je geleid door je eigen smaak of door de wensen van een opdrachtgever, en in dat proces raakt het huis op de achtergrond en wordt het een esthetisch vraagstuk.

    De bibliotheek La Ladera, Medellin. Hij is beschikbaar voor de bewoners uit de omliggende slums en er worden o.a. sportaciviteiten, internetcursussen en voorleesuren georganiseerd. © Paul Smith / The New York Times / HH
    De bibliotheek La Ladera, Medellin. Hij is beschikbaar voor de bewoners uit de omliggende slums en er worden o.a. sportaciviteiten, internetcursussen en voorleesuren georganiseerd. © Paul Smith / The New York Times / HH

    Maar de architectuur wordt toch bepaald door de esthetiek van degene die het ontwerp maakt?
    Ja en nee. Wanneer de architectuur een kwestie van goede smaak is, wordt het een subjectieve kwestie. Ik veroordeel het een noch het ander, het zijn alleen twee verschillende dingen. Wat mij interesseert in de architectuur is het bouwen aan de samenleving, architectuur als instrument van politiek handelen. Ons doel – dat van mij en mijn team – is het omvormen en scheppen van politieke voorwaarden in een maatschappij die behoefte heeft aan wezenlijke veranderingen.

    Hoe hebben uw ontwerpen het sociale klimaat veranderd?
    Bij elk bouwwerk ligt dat weer anders. Wat we in Medellín met de Biblioteca España voor ogen hadden was een houvast creëren voor een gestigmatiseerde gemeenschap. We wilden een verwijzingselement creëren, een icoon van het stoere landschap. Bij de kleuterschool El Porvenir, in Bosa, hebben de mensen rechtstreeks toegang tot de groenzone, zonder dat de school daar last van ondervindt, en daardoor behoort het gebied meer toe aan de gemeenschap; hetzelfde gebeurt bij de Gerardo Molina-school in Suba. Alle ontwerpen beogen drie dingen: een meervoudig gebruik, een plaats krijgen binnen de stedelijke structuur als een plek van referentie, en ten derde dat de mensen met het minste geld een eersteklas bouwwerk krijgen dat ze zich kunnen toe-eigenen.

    Volgens u is een groot deel van de Colombiaanse architectuur gebaseerd op angst. Waarom?
    Ik hoor vaak: ‘Pas op, dat moet je zo niet ontwerpen’, ‘dat moet je niet maken, want het materiaal wordt binnen een maand gestolen’. Er is altijd veel angst en verzet tegen verandering. Maar de motor van een stad heet ‘kritische rede’, dat is een begrip van Octavio Paz. Zonder kritische rede geen verandering, en zonder verandering geen vooruitgang. Als ons onderwijs draait om angst, krijgen we angstige mensen die niet in staat zijn met het oude te breken en risico’s te nemen.

    Een door Mazzanti ontworpen bladerdak boven een groot stuk grond dat is bedoeld als dorpsplein voor de zeer gewelddadige en arme sloppenwijk Cazuca, Bogotá, Colombia. © Paul Smith / The New York Times / HH
    Een door Mazzanti ontworpen bladerdak boven een groot stuk grond dat is bedoeld als dorpsplein voor de zeer gewelddadige en arme sloppenwijk Cazuca, Bogotá, Colombia. © Paul Smith / The New York Times / HH

    Vragen mensen die in de buurt van uw bouwwerken wonen zich ook af waarom deze publieke gelden niet worden aangewend voor het verbeteren van hun huizen en straten, of voor openbare voorzieningen?
    Dat komt neer op: geef ik ze vis of leer ik ze vissen? Ik geloof in dat laatste. Een bibliotheek biedt de mensen de mogelijkheid zich te ontwikkelen, en die van Santo Domingo Savio functioneert niet alleen als bibliotheek maar ook als een groot gemeenschapscentrum waar workshops in het starten van kleine ondernemingen worden gegeven en waar jongeren worden gestimuleerd om zich niet bij bendes aan te sluiten. Op die manier verander je de samenleving. De architectuur is niet alleen een fysieke uitdaging, maar ook een mentale.

    Hoe ziet u de rol van de overheid bij sociale woningbouwprojecten?
    Tegenwoordig vervult de overheid deze taak heel weinig, omdat ze de oplossing van het woningbouwprobleem aan de privésector heeft overgelaten. De overheid moet veel meer ingrijpen. Ze moet meer beleid voeren en meer stedelijke projecten genereren, zoals dat is gebeurd met Metrovivienda – wat een goed voorbeeld van stedenplanning is. De megaprojecten zijn in handen van private partijen en de overheid heeft geen controle over de uiteindelijke kwaliteit.

    Moeten steden in de hoogte of in de breedte groeien?
    Ze moeten wat dichter worden, vooral de onze. En de groei van de periferie moet worden beteugeld, anders zijn steden niet werkzaam.

    Wat voor beleid zou er moeten worden gevoerd bij zo’n hoge mate van informele bouw?
    Moeilijke vraag. We zijn niet in staat de bouw van een stad onder controle te houden als 60 of 70 procent informeel is. We zouden mechanismen moeten creëren die ervoor zorgen dat de woningen een zo goed mogelijke kwaliteit hebben, en dat heeft weer te maken met scholing, met workshops waardoor bouwsystemen verbeteren en ruimten beter worden benut.

    Tegen welke problemen met aannemers bent u aangelopen?
    Tegen de aannemer die bij de bouw uitsluitend geïnteresseerd is in het besparen van zo veel mogelijk geld. Over het algemeen wordt bij een openbare aanbesteding de goedkoopste kandidaat beloond, niet degene die de beste kwaliteit levert.

    En architectonisch gesproken?
    Ik hoef niet vaak strijd te leveren. Dat komt doordat je ontwerp bij het winnen van een prijsvraag niet ter discussie staat; de aannemer heeft het gewoon uit te voeren. Colombia is in Latijns-Amerika een voorbeeld wat betreft het uitschrijven van prijsvragen, zo gaat het hier al bijna veertig jaar. De prijsvraag is de enige optie in de architectuur om dingen te doorbreken.

    Waar komt de kritiek op uw werk vandaan?
    Die komt van mensen die het moeilijk vinden dingen te waarderen die zijzelf nooit zouden maken, omdat ze daartoe niet in staat zijn of omdat ze die niet mooi vinden. Hun angst is gebaseerd op een dogma, op één enkele zienswijze op de architectuur. Ik zie tot mijn spijt dat ons land op vele gebieden heel fundamentalistisch is.

    Sommige mensen beweren dat u buitenlandse ontwerpen kopieert…
    Ik geloof dat het bouwwerk van ideeën en bouwstijlen niet aan één bepaalde plek toebehoort. Wij zijn westerlingen, en wat we doen is ontwerpen maken zoals die ook in Europa of de Verenigde Staten worden gemaakt. Ik ben niet bang voor een soort ‘vervuiling’ die je zou krijgen door ideeën van elders hier toe te passen. Ik geloof niet in identiteiten, en ook niet dat we één enkele vorm van Colombiaanse architectuur hebben.

    Hoe moeten we ervoor zorgen dat de architectuur vriendelijker voor onze planeet wordt?
    De meesten van ons doen aan duurzame architectuur, en de beroepsgroep meent dat dit voldoende is om druk vanuit de maatschappij te voorkomen.

    Wat is duurzame architectuur?
    Regenwater opvangen, omstandigheden in de buitenomgeving aanwenden om luchtstromen en ventilatie te genereren in plaats van airconditioning te gebruiken. Maar we moeten veel verder gaan, dat we op een andere manier naar de maatschappij en het milieu moeten kijken. Duurzaamheid bestaat niet alleen uit het verbeteren van energieprestaties, het stoppen met bomen kappen en het verwerken van grassen in het dak van een gebouw. Dat is een nogal naïeve gedachte.

    Gekleurd rubber

    Waarom krijgen duurzame materialen zo’n warm onthaal?
    Er zijn materialen die in de loop der tijd worden afgebroken, die door het milieu kunnen worden opgenomen. Ik heb die wel op een paar plaatsen gebruikt, maar in onze context is dat niet makkelijk. We hebben gewerkt met een bepaald type plantaardige bekledingsmaterialen waarmee je de buitentemperatuur kunt reguleren, met materialen die belangrijke thermische isolatie mogelijk maken, en nu met gekleurd rubber – dat lijkt op kurk – gemaakt van hergebruikte banden.

    Waar bent u op dit moment mee bezig?
    Met de plannen voor een park langs de Calle 26, in Bogotá, en de bouw van een kleuterschool in Soledad, en ook nog een in Santa Marta. Ik heb net een sociaal woningbouwproject in Spanje afgerond en ben bezig een ander project te ontwikkelen met de architectengroep Elemental de Chile. En ik ben uitgenodigd projecten in Taiwan en in Bahrein te presenteren.

    Auteur: Amira Abultaif Kadamani
    Vertaler: Harriët Peteri

    El Tiempo
    Colombia, dagblad, oplage 1.100.000
    Grootste krant van Colombia. Uitgesproken conservatief en centrum-rechts, in tegenstelling tot zijn links-liberale concurrent El Espectador , maar bereid om verschillende standpunten te tonen.

  • Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Kwaliteit produceren is niet voldoende. Je moet je ook aanpassen aan je markt, zegt de Japanse hoogleraar Technische Wetenschappen Yotaro Hatamura. Het tijdperk van Japan als technologische grootmacht lijkt ten einde.

    De industriële grootmacht Japan schudt al een tijdje op zijn grondvesten. Elektronicareuzen als Sony en Sharp kampen met financiële problemen en de halfgeleiderssector, kort geleden nog de trots van het land, wordt overvleugeld door zijn Zuid-Koreaanse en Chinese concurrenten. Wat is de oorzaak van dit debacle? Die vraag stelden we aan Yotaro Hatamura, emeritus hoogleraar Technische Wetenschappen aan de Universiteit van Tokio en verdediger van de theorie dat men door schade en schande wijs wordt.

    Na de Tweede Wereldoorlog voerde de Japanse industrie een verbeten strijd om haar achterstand op het Westen in te lopen en het vervolgens te overtroeven. Deze inspanningen hebben bijgedragen aan de economische ontwikkeling van het land; de groei bereikte zijn hoogtepunt in de jaren tachtig. Toen het technologische en kwalitatieve niveau van Japanse producten erkenning begon te vinden in het buitenland, ging de archipel er prat op een ‘technologische grootmacht’ te zijn. Maar sindsdien is de financiële situatie van de Japanse bedrijven danig verslechterd, vooral als gevolg van de prijsdaling die is veroorzaakt door de Chinese en Zuid-Koreaanse massaproductie.

    Hoe kan aan deze problemen het hoofd worden geboden? Yotaro Hatamura heeft een zeer originele kijk op deze vraag. Volgens hem kan de periode van zeventig jaar sinds 1945 worden verdeeld in twee grote tijdvakken: vijftig jaar wonderen en twintig jaar getalm. ‘Zoals schepen zich ’s nachts op hun bestemming oriënteren aan de hand van vuurtorens, hebben de Japanse ondernemingen een hoog technologisch niveau bereikt door zich op het Westen te oriënteren en alles in het werk te stellen om hun achterstand in te halen. Dat was hun bestaansreden.’ Maar nadat ze hun doel hadden bereikt, hebben ze het laten afweten. ‘De Japanse bedrijven hadden naar hun eigen bestaansredenen moeten zoeken, maar ze hebben zichzelf alleen maar gefeliciteerd.’

    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons
    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons

    Als voorbeeld noemt Hatamura de halfgeleiders. In de jaren tachtig voldeed meer dan 95 procent van de Japanse productie aan de kwaliteitsnormen, terwijl het Zuid-Koreaanse Samsung bleef steken op tussen de 60 en 70 procent. De Japanse fabrikanten staken de draak met hun Zuid-Koreaanse collega’s, die volgens hen alleen maar ‘rotzooi’ produceerden. Maar door tegen lage kosten te produceren is Samsung erin geslaagd grote hoeveelheden halfgeleiders af te zetten, waardoor het nieuwe apparatuur kon aanschaffen en daarmee de kwantiteit en de kwaliteit van zijn productie kon verbeteren, totdat het uiteindelijk de Japanse markten veroverde.

    Ongeluk

    Hatamura komt met een boodschap om de Japanse industrie te stimuleren: ‘Japan moet de illusie laten varen dat het een technologische grootmacht is.’ Dat dit nodig is werd hem duidelijk toen hij de commissie voorzat die het ongeluk in Fukushima onderzocht. Tot zijn grote verbazing bleken de verantwoordelijken voor de kerncentrale niet te weten in welke staat de brandstof in de reactoren verkeerde. Er waren diverse programma’s om die te analyseren en de resultaten daarvan spraken elkaar tegen. Bovendien waren alle programma’s van Amerikaanse makelij. ‘Met andere woorden, de Japanse centrales worden gerund door mensen die nooit rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van een ongeluk,’ aldus Hatamura. In principe moet er na een nucleair ongeluk een reconstructie plaatsvinden om er zeker van te zijn dat de uitkomsten van het gesimuleerde analyseprogramma corresponderen met de verschijnselen die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. De onderzoekscommissie had om zo’n reconstructie gevraagd, maar die werd te kostbaar bevonden.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren’

    Desondanks willen de regering en de zakenwereld de reactoren weer opstarten en hebben ze zelfs de ambitie die te exporteren. ‘Dat is ontoelaatbaar,’ zegt Hatamura met stemverheffing, en hij veroordeelt het weer opstarten van een van de reactoren op het eiland Kyushu. ‘Hoewel de eerste regel die in een nieuw reglementeringsprogramma zou moeten worden opgenomen het bestaan van een evacuatieplan voor de bevolking zou moeten zijn, is daarin niet voorzien. De regering en de elektriciteitsbedrijven zeggen “lessen te hebben getrokken uit Fukushima”, maar volgens mij hebben ze er alleen de lessen uit getrokken die ze wilden trekken.’ Volgens deze verdediger van het principe dat men door schade en schande wijs moet worden is er sprake van schrijnende onverschilligheid.

    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Als het eenmaal de illusie heeft laten varen dat het een technologische grootmacht is, wat voor toekomst heeft Japan dan nog in dit tijdperk van globalisering? Volgens Hatamura moeten de Japanse bedrijven zich ervan bewust worden dat er verschillende waarden bestaan, en drie regels in acht nemen die ook zijn eigen credo vormen: zich ter plaatse begeven, het werkelijke terrein verkennen en vervolgens in contact treden met de plaatselijke bevolking en in alle openheid met hen discussiëren. Op die manier zullen ze producten kunnen ontwikkelen die zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, met andere woorden, zullen ze de plaatselijke waarden leren begrijpen – en dat is volgens de emeritus hoogleraar de sleutel tot succes.

    Waarden

    Hatamura wijst erop dat sommige Japanse bedrijven deze drie regels inmiddels in praktijk beginnen te brengen. Zo is Nissan in China een succesvolle joint venture aangegaan met een plaatselijk bedrijf dat kleine motoren inbouwt in luxe automodellen. Veel Chinezen die hun auto als een statussymbool zien, hebben voor hetzelfde geld liever een luxueus model dan een model met goede prestaties.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren,’ aldus Hatamura. ‘In werkelijkheid zouden fabrikanten moeten proberen te beantwoorden aan de consumentenverwachtingen op het gebied van kwaliteit, prijs, ontwerp, functies, gebruiksgemak en -plezier, garantie enzovoort. Als Japan in de problemen is gekomen door de wereldwijde concurrentie, dan is het omdat het onvoldoende rekening heeft gehouden met de waarden van de lokale bevolkingen.’

    Kan men zich om die reden tevredenstellen met het verkopen van hoogwaardige technologie aan het buitenland? In 2013 leverde de East Japan Railway Company (JR East) 180 wagons van een oude serie aan Indonesië, samen met de technische ondersteuning die nodig was om het materieel te onderhouden. Het jaar daarop leverde het bedrijf er nog eens 170. De technische ondersteuning waarin het contract voorzag omvatte onderhoud, exploitatie en garantie. De afgelopen jaren was Japan ook in de strijd met China voor de aanleg van een hogesnelheidslijn in Indonesië [Jakarta heeft de opdracht op 4 september aan China gegund]. Het contract met JR East toont aan dat het niet voldoende is om de nieuwste modellen van de hogesnelheidstrein Shikansen te verkopen, maar dat je ook moet beseffen dat er gewoon behoefte kan zijn aan een regionaal netwerk, vooral als daar te weinig materieel voor is.

    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Volgens Hatamura moet Japan in staat zijn om in te spelen op de behoeften van zijn partners, ook al zijn die laatste zich daar misschien nog niet van bewust. ‘JR East verkoopt niet alleen treinstellen van een oude serie, het verkoopt ook spoorwegvoorzieningen. Door een land bekend te maken met je eigen manier van opereren draag je ook bij aan de ontwikkeling van dat land. Daarmee verzeker je je niet alleen van een markt, maar ook van plaatselijke waardering. En je kunt je manifesteren in landen waar je aanwezigheid onontbeerlijk is.’

    Niemand heeft een kant-en-klaarrecept om uit de industriële impasse te geraken. Maar om nieuwe waarden te kunnen kweken zal Japan zich allereerst moeten ontdoen van zijn trots als industriële grootmacht die, zoals we hebben gezien, alleen maar een illusie is.

    Indicatoren halfstok

    ‘Volgens recent gepubliceerde gegevens gunt de Japanse economie premier Abe nog geen rust in dit moeilijke jaar’, onthult The Economist. ‘Het bbp van Japan is in het tweede trimester met 1,2 procent gedaald, waar het eerste trimester nog een groei te zien gaf. Voor het derde trimester wordt gevreesd. De industriële productie is in augustus verder gedaald, wat op een mogelijke recessie duidt’, aldus het Britse weekblad. Toch toont premier Shinzo Abe zich optimistisch; hij mikt zelfs op een toename van het bbp met 22 procent tot 600 miljard yen [4500 miljard euro], overigens zonder aan te geven hoe hij dat wil bereiken en op welke termijn. De vertrouwensindex van de grote industriële bedrijven is in september met 3 procent gedaald.

    Auteur: Takashi Ishitsuka
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan, dagblad, oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)
    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.

  • De wereldwijde oorlog om zand

    De wereldwijde oorlog om zand

    We denken er nauwelijks over na, maar onze beschaving is gebouwd op zand. Het wordt onder meer gebruikt in de bouw, wasmiddelen en cosmetica. Nergens is de strijd om zand zo hevig als in India. Daar gaat de zandwinning niet alleen ten koste van de natuur, maar ook van mensenlevens.

    Keuze uit het archief

    Zand is niet weg te denken uit de geschiedenis van de mensheid. De oude Egyptenaren gebruikten het reeds om pyramides van te bouwen en ook beton – een mengsel van grind, zand en cement – was al in de oudheid bekend. Zand is niet alleen geschikt als bouwmateriaal, maar zit ook verstopt in producten als tandpasta, glas, cosmetica en microchips.
    Het natuurproduct wordt echter steeds schaarser, omdat er door de wereldwijde bouwhausse steeds grotere hoeveelheden zand nodig zijn. Zandwinning is alleen wel schadelijk voor ecosystemen en daarom niet overal toegestaan. Zo zijn er in India meerdere gebieden waar het illegaal is, maar waar zandwinners de regels aan hun laars lappen omdat er enorm veel te verdienen valt aan de zandexport. Mensen die ze erop aanspreken, doen dat met gevaar voor eigen leven. Zandwinning kost dus niet alleen het leven aan vogels en vissen, maar ook aan mensen, zoals blijkt uit dit artikel van het Amerikaanse maandblad WIRED.

    De moordenaars reden langzaam het steegje door, drie op één motorfiets gepropte mannen. Het was even na elf uur ’s ochtends op 31 juli 2013 en de zon brandde op de lage, eenvoudige huizenblokken langs een achterafstraatje van het Indiase boerendorp Raipur Khadar. Vage geuren van specerijen, stof en rioolwater kruidden de lucht. De mannen zetten de motor stil voor de oranje deur van een twee verdiepingen hoog huis van baksteen en pleisterkalk. Twee van hen stapten af, duwden de niet-afgesloten deur open en slopen de verduisterde slaapkamer aan de andere kant binnen. De onderkant van hun gezicht was met een witte sjaal bedekt. Een van hen had een pistool.

    In de slaapkamer lag Paleram Chauhan, een 52-jarige boer, een dutje te doen na een vroege lunch. In de aangrenzende kamer waren zijn vrouw en schoondochter aan het schoonmaken, terwijl Palerams zoon met zijn neefje van drie speelde.
    Schoten daverden door het huis. Preeti Chauhan, Palerams schoondochter, stormde de kamer binnen, met Ravindra op haar hielen. Door de open deur zag ze de moordenaars weer op hun motorfiets springen en wegscheuren.

    Paleram lag op zijn bed, terwijl het bloed uit zijn buik, keel en hoofd borrelde. ‘Hij probeerde iets te zeggen, maar dat lukte niet’, zegt Preeti, en haar stem wordt door tranen gesmoord. Ravindra leende de auto van een buurman en reed zijn vader in allerijl naar het ziekenhuis, maar het was te laat. Bij aankomst was Paleram dood.

    Zand is een eindige grondstof, net als alle andere

    Ondanks de maskers twijfelde de familie geen moment wie er achter de moorden zat. Al tien jaar lang drong Paleram er bij de plaatselijke autoriteiten op aan om een machtige criminele bende op te rollen die zijn hoofdkwartier in Raipur Khadar had. De ‘maffia’, zoals de mensen hen noemden, beroofde het dorp al jaren van een felbegeerde natuurlijke hulpbron, een van de meest gewilde grondstoffen van de 21ste eeuw: zand.

    Precies. Paleram Chauhan werd vermoord vanwege zand. En hij was niet de eerste, noch de laatste.

    Werklieden slaan stenen fijn tot zand in een illegale mijn bij het dorp Raipur Khadar. – © Adam Ferguson
    Werklieden slaan stenen fijn tot zand in een illegale mijn bij het dorp Raipur Khadar. – © Adam Ferguson

    Wereldwijde bouwhausse

    Onze beschaving is letterlijk op zand gebouwd. Al zeker sinds de oude Egyptenaren gebruiken mensen het voor de bouw. In de vijftiende eeuw vond een Italiaanse handwerksman uit hoe je van zand doorzichtig glas kunt maken, wat de weg effende voor microscopen, telescopen en andere technologische vindingen, zoals betaalbare ramen, die mede tot de wetenschappelijke revolutie van de Renaissance leidden. Verscheidene zandsoorten zijn een essentieel bestanddeel van wasmiddelen, cosmetica, tandpasta, zonnepanelen, microchips en vooral gebouwen; elke betonconstructie bestaat in wezen uit tonnen zand en grind die met cement aan elkaar zijn gelijmd.

    Zand – kleine, losse korrels steen en ander hard materiaal – kan worden gemaakt door gletsjers die stenen vermalen, door oceanen die schelpen verpulveren en zelfs door lava dat afkoelt en vergruist bij contact met de lucht. Maar bijna zeventig procent van alle zandkorrels op aarde is kwarts, gevormd door verwering. De tijd en de elementen knagen aan rotsen, boven en onder de grond, en schuren er korrels af. Rivieren transporteren tonnen van deze korrels tot in de verre omtrek, hopen ze op op hun beddingen en op plekken waar ze in zee uitmonden.

    Naast water en licht is zand een van de natuurlijke hulpbronnen die het meest door de mens worden aangewend. Mensen gebruiken jaarlijks meer dan 40 miljard ton zand en grind. Er is zoveel vraag naar dat overal ter wereld rivierbeddingen en stranden worden afgegraven. Woestijnzand is over het algemeen ongeschikt voor de bouw: omdat ze niet door water, maar door lucht zijn gevormd, zijn woestijnkorrels te rond om zich goed te binden. De hoeveelheid zand die wordt gewonnen, stijgt exponentieel.

    In India heeft de oorlog tussen en tegen de ‘zandmaffia’ al honderden levens gekost

    Hoewel de voorraad misschien eindeloos lijkt, is zand een eindige grondstof, net als alle andere. De wereldwijde bouwhausse van de laatste jaren – al die megasteden die uit de grond schieten, van Lagos tot Beijing – verslindt ongekende hoeveelheden; in de zandindustrie gaat 70 miljard dollar om. In Dubai hebben enorme landwinningsprojecten en duizelingwekkende wolkenkrabbers alle nabije bronnen uitgeput. Australische exporteurs verkopen letterlijk zand aan Arabieren.

    Op sommige plekken baggeren multinationals zand op met enorme machines; op andere haalt de plaatselijke bevolking het weg met scheppen en pick-uptrucks. Naarmate groeves en rivierbeddingen uitgeput raken, richten zandwinners zich op de zee, waar duizenden schepen nu enorme hoeveelheden van de oceaanbodem opzuigen. Dit is dikwijls funest voor rivieren, delta’s en zee-ecosystemen. De zandwinning in de VS wordt verantwoordelijk gehouden voor stranderosie, water- en luchtvervuiling en ander onheil, van de Californische kust tot de meren in Wisconsin. Het Indiase hooggerechtshof heeft onlangs gewaarschuwd dat zandwinning op de oevers overal in het land bruggen ondermijnt en ecosystemen verstoort doordat vissen en vogels worden uitgeroeid. Maar de verordeningen zijn schaars en de bereidheid om er gevolg aan te geven is nog schaarser, vooral in ontwikkelingslanden.

    Zandwinning heeft sinds 2005 minstens twee dozijn Indonesische eilanden weggevaagd. Het zand van die eilanden kwam meestal terecht in Singapore, dat reusachtige hoeveelheden nodig heeft voor zijn kunstmatige gebieduitbreidingsprogramma om land op de zee te winnen. De stadstaat heeft de afgelopen veertig jaar 130 vierkante kilometer land toegevoegd en gaat daar onverdroten mee door, waardoor de Singaporezen veruit de grootste zandimporteurs ter wereld zijn. De indirecte milieuschade is zo extreem dat Indonesië, Maleisië en Vietnam de export van zand naar Singapore allemaal aan banden hebben gelegd of verboden.

    Illegale zandwinning

    Dit alles heeft wereldwijd tot een illegale zandwinningshausse geleid. In het binnenland van het Indonesische eiland Bali, ver van de toeristenstranden, bezoek ik een zandwinningsgebied. Het ziet eruit als Shangri-La na een meteoorinslag. Midden in een prachtige vallei die zich tussen groene bergen door kronkelt, omgeven door jungle en rijstvelden, gaapt een onregelmatig gevormde, zes hectare grote groeve van blootgelegd zand en steen. Op de bodem zijn mannen in korte broek en op teenslippers met mokers en scheppen bezig om zand en grind in ratelende, rook uitbrakende sorteermachines te laden.

    ‘Degenen die een vergunning hebben om zand op te graven, moeten ook voor het herstel van het land betalen,’ zegt Nyoman Sadra, een voormalig lid van het regionale bestuur. ‘Maar 70 procent van de zandwinners heeft geen vergunning.’ Zelfs bedrijven met een vergunning strooien met steekpenningen om kuilen te kunnen graven die breder of dieper zijn dan toegestaan.

    Op dit moment graven criminele bendes in minstens een tiental landen, van Jamaica tot Nigeria, tonnen zand per jaar op om op de zwarte markt te verkopen. De helft van het zand dat voor de bouw in Marokko wordt gebruikt, is naar schatting illegaal gewonnen; hele stukken strand verdwijnen. Een van de beruchtste gangsters van Israël, een man die van betrokkenheid bij een groot aantal recente aanslagen met autobommen wordt verdacht, begon zijn carrière met het stelen van zand van openbare stranden. Tientallen Maleisische ambtenaren werden in 2010 aangeklaagd omdat ze in ruil voor steekpenningen en seksuele gunsten hadden toegestaan dat illegaal gewonnen zand naar Singapore werd gesmokkeld.

    Maar nergens wordt meedogenlozer om zand gestreden dan in India. De oorlog tussen en tegen de ‘zandmaffia’ daar heeft volgens berichten de afgelopen jaren aan honderden mensen het leven gekost, onder wie politiemensen, andere ambtenaren en gewone mensen als Paleram Chauhan.

    De streek rond Raipur Khadar was vroeger voornamelijk landbouwgebied, vol tarwe en groente die op de schorren rond de rivier de Yamuna werden verbouwd. Maar Delhi, op minder dan een uur rijden noordwaarts, rukt snel op. Terwijl ik over een nieuwe zesbaanssnelweg door Gautam Budh Nagar rijd, het district waarin Raipur Khadar ligt, passeer ik de ene bouwplaats na de andere; nieuwe torens van glas en cement die naar de hemel groeien en het Indiase landschap kilometers lang beheersen alsof de credits aan het begin van Game of Thrones werkelijkheid zijn geworden. Naast talloze winkelcentra, flatgebouwen en kantoortorens is er een tweeduizend hectare grote ‘Sports City’ in de maak, inclusief diverse stadions en een Formule 1-circuit.

    De bouwhausse is ongeveer tien jaar geleden op gang gekomen, en daarmee de zandmaffia. ‘Er was al eerder wat illegale zandwinning’, zegt Dushynt Nagar, hoofd van een plaatselijke boerenbond, ‘maar niet in die mate dat er land werd gestolen of mensen werden vermoord.’

    De familie Chauhan

    De familie Chauhan woont al eeuwen in het gebied, vertelt Palerams zoon Aakash me. Hij is een slanke jongeman met grote bruine ogen en wijkend zwart haar en draagt een spijkerbroek, een grijs sweatshirt en teenslippers. We zitten op plastic stoelen die op de kale betonnen vloer van de woonkamer van de familie zijn gezet, slechts een paar meter van de plek waar zijn vader werd vermoord.

    De familie bezit ongeveer vier hectare land en deelt zo’n tachtig hectare gemeentegrond met de rest van het dorp – althans vroeger. Een jaar of tien geleden eigende een groep plaatselijke ‘bodybuilders’, zoals Aakash hen noemt, geleid door Rajpal Chauhan (geen familie, het is een veel voorkomende achternaam) en zijn drie zoons, zich de zeggenschap over de gemeentegrond toe. Ze schraapten de bovenste laag af en begonnen het zand op te graven dat daar eeuwenlang door de overstromende Yamuna was gedeponeerd. Om het nog erger te maken, remde het stof dat daarbij vrijkwam de groei van de gewassen eromheen af.

    Als lid van de panchayat, de gemeenteraad van het dorp, leidde Paleram de campagne om een eind aan de zandwinning te maken. Dat had vrij simpel moeten zijn. Behalve dat de grond van het dorp werd gestolen, is zandwinning ten strengste verboden in het gebied rond Raipur Khadar omdat het dicht bij een vogelreservaat ligt. En de regering weet wat er gebeurt: in 2013 constateerde een onderzoeksteam van het federale ministerie van Milieu en Bosbeheer ‘overvloedige, onwetenschappelijke en illegale winning’ in heel Gautam Budh Nagar.

    Desondanks konden Paleram en andere dorpelingen het geen halt toeroepen. Ze klaagden jarenlang bij politie, bestuursambtenaren en rechtbanken – maar er gebeurde niets. Naar verluidt accepteren veel plaatselijke overheden steekpenningen van de zandwinners om zich niet met hun zaken te bemoeien – en niet zelden zijn ze ook zelf bij die zaken betrokken.

    De afgelopen drie jaar hebben zandwinners minstens twee politiemensen gedood en vele andere aangevallen

    Voor degenen die geen steekpenningen aannemen, is de maffia niet zachtzinnig. ‘We doen regelmatig controles bij de illegale zandwinners,’ zegt Navin Das, die de leiding heeft over de zandwinning in Gautam Budh Nagar. ‘Maar het is erg moeilijk omdat we worden aangevallen en beschoten.’ De afgelopen drie jaar hebben zandwinners minstens twee politiemensen gedood en vele andere aangevallen, evenals bestuursambtenaren en klokkenluiders. Afgelopen maart nog, vlak na mijn terugkomst uit India, belandde een televisiejournalist in het ziekenhuis na een aanslag door illegale zandwinners.

    Volgens gerechtelijke documenten hebben Rajpal en zijn zoons zowel Paleram en zijn familie als andere dorpelingen bedreigd. Aakash kent een van de zoons, Sonu, uit de tijd dat ze samen op school zaten. ‘Hij was altijd een keurige jongen,’ zegt Aakash. ‘Maar toen hij in de zandbusiness terechtkwam en snel geld begon te verdienen, ontwikkelde hij zich tot crimineel en werd hij erg agressief.’ Uiteindelijk arresteerde de politie Sonu in de lente van 2013 en legde beslag op enkele van zijn vrachtwagens. Maar hij kwam al gauw op borgtocht vrij.

    Op een ochtend reed Paleram op zijn fiets naar zijn akkers, die vlak naast de zandgroeve liggen, en kwam hij Sonu tegen. ‘Hij zei: Het is jouw schuld dat ik de gevangenis in moest, aldus Aakash. ‘Hij zei dat mijn vader de zaak moest laten rusten.’ In plaats daarvan diende Paleram opnieuw een klacht in bij de politie. Een paar dagen later werd hij doodgeschoten.

    Sonu, zijn broer Kuldeep en zijn vader Rajpal werden voor de moord gearresteerd. Ze zijn momenteel allemaal op borgtocht vrij. Aakash komt hen af en toe tegen. ‘Het is een klein dorp,’ zegt hij.

    Duiken naar rivierzand

    In de brede Thane Creek, een troebele inham even buiten Mumbai, wemelt het op een ochtend in februari van de houten bootjes. Honderden liggen er voor anker, romp tegen romp, in een onregelmatige rij die zich een kleine kilometer uitstrekt. De oevers zijn begroeid met groene mangroves, waar flatgebouwen bovenuit torenen. Er hangt een flauwe zweem van zout in de lucht van de nabije Arabische Zee, vermengd met diesel van de bootmotoren.

    Elke boot heeft zes tot tien man aan boord. Een of twee van hen duiken naar de rivierbodem, vullen een metalen emmer met zand en komen weer boven, terwijl het water uit hun zwarte haar en snor stroomt. Daarna hijsen twee anderen, die met blote voeten op planken staan die uit de boot steken, de emmer op met touwen. Hun afgetrainde, gespierde lijven zouden elke sportschoolhipster jaloers maken als de pijs ervoor niet zo hoog was.

    Pralhad Mhatre (41) duikt tweehonderd keer per dag, zegt hij. Hij doet het werk al zestien jaar. Hij verdient bijna het dubbele van de hijsers, maar het blijft niet veel, zo’n zestien dollar per dag. Hij wil dat zijn zoon en drie dochters een ander beroep kiezen, niet in de laatste plaats omdat hij denkt dat er weldra geen rivierzand meer zal zijn. ‘Toen ik begon, hoefden we maar zes meter diep te gaan,’ zegt hij. ‘Nu is het twaalf. We kunnen hoogstens vijftien meter diep duiken. Als het veel lager wordt, zijn we onze baan kwijt.’

    De volgende dag neemt Sumaira Abdulali, India’s belangrijkste actievoerder tegen illegale zandwinning, me mee naar een ander soort groeve. Abdulali is een beschaafd, gefortuneerd lid van de bourgeoisie in Mumbai, met een zachte stem en een voorname manier van doen. Ze reist al jarenlang in een auto met leren bekleding en chauffeur naar afgelegen gebieden om foto’s te maken van het werk van de zandmaffia. Daarbij is ze beledigd, bedreigd, met stenen bekogeld, met hoge snelheid achtervolgd, zijn haar autoruiten kapotgeslagen en heeft ze zo’n harde klap gekregen dat er een tand afbrak.

    ‘Het fundamentele probleem is ongebreidelde cementbouw’

    Abdulali raakte betrokken toen zandwinners een strand in de buurt van Mumbai begonnen te vernielen waar haar familie al generaties lang de vakanties doorbracht. In 2004 ondernam ze het eerste gerechtelijke burgerinitiatief tegen de zandwinning in India. Dat haalde de kranten, zodat Abdulali een stortvloed van telefoontjes uit het hele land kreeg van mensen die haar hulp zochten om hun eigen plaatselijke zandmaffia tegen te houden. Sindsdien heeft Abdulali tientallen mensen geholpen bij het opstellen van hun aangiften en blijft ze de plaatselijke ambtenaren en kranten bestoken met een gestage stroom goed gedocumenteerde klachten van eigen hand. ‘We kunnen de bouw niet tegenhouden. We willen de ontwikkeling geen halt toeroepen’, zegt ze in een Engels met een Brits-Indisch accent. ‘Maar we willen dat men zijn verantwoordelijkheid neemt.’

    Abdulali neemt me mee naar het plattelandsstadje Mahad, waar zandwinners ooit haar auto kapotsloegen. Zandwinning is ten strengste verboden in die regio omdat vlakbij een beschermd kustgebied ligt. Desondanks komen we in de jungleheuvels niet ver buiten het stadje een grijsgroene rivier tegen waarop boten open en bloot zand van de rivierbodem opzuigen met dieselpompen. De oevers liggen bezaaid met enorme zandhopen, die mannen met graafmachines op vrachtwagens scheppen.

    Kort daarna, weer op de hoofdweg, rijden we achter een klein konvooi van drie zandtrucks. Ze denderen ongestoord langs een politiebusje dat langs de weg staat geparkeerd. Een tweetal agenten staat er werkeloos naast en kijkt naar het passerende verkeer. Een derde doet binnen een dutje, met zijn stoel volledig naar achter geklapt. Dit is te veel voor Abdulali. We stoppen naast het busje. Een agent die de leiding lijkt te hebben, neemt er daarbinnen zijn gemak van, gekleed in een kaki-uniform, met sterren op zijn schouders en zwarte sokken aan zijn voeten. Zijn schoenen heeft hij uitgetrokken. ‘Heeft u die trucks met zand niet gezien die net zijn gepasseerd?’ vraagt Abdulali.

    ‘We hebben vanochtend een paar keer verbaal opgemaakt,’ antwoordt de agent vriendelijk. ‘Nu hebben we lunchpauze.’ Bij het wegrijden passeren we nog een zandtruck die een paar honderd meter verderop langs de weg staat geparkeerd.
    Enige tijd later stel ik hierover vragen aan een plaatselijke ambtenaar. ‘De politie is twee handen op een buik met de zandwinners,’ zegt de ambtenaar, die me verzoekt zijn naam niet te noemen. ‘Als ik de politie bel om me te begeleiden bij een controle, tippen ze de zandwinners dat we eraan komen.’ Zelfs in de zaken die hij voor de rechter heeft gebracht, is er niemand veroordeeld. ‘Ze glippen er altijd door vanwege een vormfout.’

    Werklieden uit Bangladesh laden zand uit Indiase boten bij de Thane-rivier bij Mumbai. – © Adam Ferguson
    Werklieden uit Bangladesh laden zand uit Indiase boten bij de Thane-rivier bij Mumbai. – © Adam Ferguson

    Gespannen sfeer

    Terug in Raipur Khadar, na mijn gesprek met de familie van Paleram Chauhan, is zijn zoon Aakash bereid mij en mijn tolk, Kumar Sambhav, de gemeentegrond te laten zien die de maffia in bezit heeft genomen. We hadden die ochtend een auto gehuurd in Delhi en Aakash wijst onze chauffeur de weg. Het is moeilijk te missen: recht tegenover het dorp aan de overkant van de weg ligt een stuk opengereten land met kraters van drie tot zes meter diep en huizenhoge bergen zand en steen. Her en der rijden trucks en grondverzetmachines rond en groepjes mannen, in totaal minstens vijftig, slaan stenen stuk met hamers en scheppen zand in trucks. Ze blijven naar onze auto staren terwijl we langzaam voorbijrijden over het onverharde pad met diepe voren dat door het winningsgebied loopt. Aakash wijst behoedzaam naar een lange, gezette man in spijkerbroek en overhemd: Sonu.

    Even later, ver in het winningsgebied, stappen we uit om foto’s te maken van een uitzonderlijk grote krater. Na enkele minuten ziet Aakash drie mannen, van wie drie met een schep, doelbewust op ons af benen. ‘Sonu komt eraan,’ mompelt hij.

    We beginnen terug te lopen naar de auto en proberen niet gehaast te lijken. Maar we zijn te langzaam. ‘Klootzak!’ brult Sonu, nu nog maar een paar meter van ons vandaan, tegen Aakash. ‘Wat moet je hier?’

    Aakash zwijgt. Sambhav mompelt iets van dat we maar toeristen zijn, terwijl we allemaal in de auto stappen. ‘Ik zal jullie zusterneukers een rondleiding geven,’ zegt Sonu. Hij rukt het portier van onze chauffeur open en gebiedt hem uit te stappen. De chauffeur gehoorzaamt, zodat de rest van ons wel moet volgen. Aakash blijft wijselijk zitten.
    ‘We zijn journalisten,’ zegt Sambhav. ‘We zijn hier om te kijken hoe de zandwinning verloopt.’ (Dit gesprek ging geheel in het Hindi; Sambhav heeft het naderhand voor me vertaald.’)
    ‘Zandwinning?’ zegt Sonu. ‘We winnen helemaal geen zand. Wat hebben jullie gezien?’
    ‘We hebben gezien wat we gezien hebben. En nu gaan we weg.’
    ‘Nee, geen sprake van,’ zegt Sonu.

    ‘In ons systeem kun je alles gemakkelijk met geld kopen – getuigen, politie, bestuursambtenaren’

    Zo gaat het gesprek enkele minuten door in een sfeer die steeds gespannener wordt, totdat een van Sonu’s bullebakken op de aanwezigheid van een buitenlander wijst – ik. Dit doet Sonu en zijn mannen aarzelen. Een westerling als ik iets aandoen zou ze veel meer problemen bezorgen dan een plaatselijke bewoner als Aakash aanpakken. We grijpen de kans om weer in de auto te stappen en rijden weg. Sonu kijkt ons woedend na.

    De zaak tegen Sonu en zijn familie vindt moeizaam zijn weg door de trage gerechtelijke molens van India. De vooruitzichten zijn niet geweldig. ‘In ons systeem kun je alles gemakkelijk met geld kopen – getuigen, politie, bestuursambtenaren’, vertelt een jurist die nauw bij de zaak betrokken is, op voorwaarde van anonimiteit. ‘En die lui hebben een hoop geld dankzij de zandwinning.’

    Aakash houdt contact met politierechercheurs en heeft geprobeerd de Indiase Nationale Commissie voor de Mensenrechten erbij te halen. Zijn moeder smeekt hem de zaak te laten rusten, vooral sinds haar andere zoon, Aakashs broer Ravindra – die de hoofdgetuige was in de zaak – vorig jaar dood is aangetroffen langs een spoorbaan, vermoedelijk overreden door een trein. Niemand weet precies hoe dat heeft kunnen gebeuren.

    Vraag en aanbod

    Ondertussen zet India met vallen en opstaan stappen om de zandwinning aan banden te leggen. Het Nationale Groene Tribunaal, een soort federaal gerechtshof voor milieuzaken, heeft zijn deuren geopend voor elke burger die een klacht wil indienen over illegale zandwinning. Op sommige plekken hebben burgers wegen geblokkeerd om zandtrucks tegen te houden, en bijna elke dag verklaart een plaatselijke of staatsambtenaar vastbesloten te zijn de zandwinning aan te pakken. Soms nemen ze zelfs trucks in beslag, leggen ze boetes op of verrichten ze arrestaties. Zelfs de pasbenoemde politierechter van Gautam Budh Nagar maakte vorige maand goede sier door tientallen zandtrucs te confisqueren en diverse mensen te arresteren.

    Maar India is een onmetelijk land met meer dan een miljard mensen. Er wordt hoogstwaarschijnlijk op duizenden plekken illegaal zand gewonnen. Corruptie en geweld zullen zelfs de best bedoelde pogingen om dat tegen te gaan dwarsbomen. In wezen is het een kwestie van vraag en aanbod. Het aanbod van zand dat op een verantwoorde manier kan worden gewonnen is eindig. Maar de vraag ernaar niet.

    Elke dag groeit de wereldbevolking. Steeds meer mensen in India – en overal elders – willen fatsoenlijke huizen om in te wonen, kantoren en fabrieken om in te werken, centra om in te winkelen en wegen om dat alles te verbinden. Volgens de klassieke opvatting vereist economische ontwikkeling beton en glas. En dus zand.

    ‘Het fundamentele probleem is de ongebreidelde cementbouw’, zegt Ritwick Dutta, een vooraanstaande Indiase milieuadvocaat. ‘Daarom is de zandmaffia zo gigantisch geworden. Zand is overal.’

  • Israël en Palestina moeten niet de strijd maar de dialoog aangaan

    Israël en Palestina moeten niet de strijd maar de dialoog aangaan

    Toen zijn broer werd doodgeschoten tijdens de tweede Palestijnse intifada, wilde Ali Abu Awwad wraak. Tegenwoordig is hij pacifist en gaat hij de dialoog aan met Joodse kolonisten. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren.’

    Keuze uit het archief

    Sinds vorige week zaterdag woedt het conflict tussen Israël en Palestina heviger dan ooit tevoren. De Palestijnse organisatie Hamas nam verschillende plaatsen in Israël onder vuur, doodde daarbij honderden burgers en nam nog eens honderden mensen gevangen. Als antwoord daarop begon Israël een groot bombardement op Gaza, waarbij eveneens honderden burgers werden gedood. De grote vraag die zich dan voordoet is: zal er ooit vrede tussen deze twee gebieden komen, en zo ja, hoe?
    Hierop geeft pacifist Ali Abu Awwad in dit artikel van Christian Science Monitor uit 2015 antwoord. Volgens hem zouden geweldloosheid, solidariteit met elkaars leed en een open dialoog tussen de beide partijen een einde kunnen maken aan de Israëlische bezetting. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de individuele verantwoordelijkheid van iedere burger, ‘of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ aldus een van Awwads aanhangers.

    We schrijven het jaar 2000 – de tweede Palestijnse intifada is net begonnen. Ali Abu Awwad zit in Saoedi-Arabië, waar hij herstellende is van een Israëlische drive-by shooting. Daar krijgt hij te horen dat zijn broer Youssef van dichtbij door een Israëlische soldaat door het hoofd is geschoten. ‘Hij heeft ons een zoon en een dochter nagelaten, en een enorme hoeveelheid verdriet, gemis en woede,’ zegt Abu Awwad. Een deel van hem hongert naar wraak. ‘Maar dan dringt zich de vraag op: Hoeveel mensen moet ik vermoorden? Hoeveel Israëli’s moeten er dood om deze pijn weg te nemen?’ Op dat moment neemt zijn moeder, een Palestijnse activiste die nauwe banden onderhoudt met Yasser Arafat, een opmerkelijk initiatief. Ze nodigt een aantal Israëli’s uit die hun kind zijn verloren. ‘Ik vond het een schok om een Israëli te zien huilen,’ zegt Abu Awwad, die als tiener tien jaar gevangenisstraf kreeg voor zijn betrokkenheid bij de eerste Palestijnse Intifada. ‘Ik had geen benul dat Joden ook tranen hebben.’

    Sindsdien is Abu Awwad een groot pleitbezorger van geweldloosheid als middel om een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Hij heeft meer dan tien jaar samengewerkt met vredesorganisaties en hij is zelfs de wereld over gereisd met een Israëlische moeder wier zoon, een vredesactivist, door een Palestijnse sluipschutter om het leven is gebracht. Maar de afgelopen jaren is hij tot de conclusie gekomen dat de vrede niet zal worden gesloten door de Israëli’s die hun wortels hebben in Tel Aviv, een kosmopolitische stad ver van de gewapende strijd.

    Ali Abu Awwad met zijn dochter, die net een douche heeft genomen uit de watertank in zijn tuin. – © Nati Shohat / HH
    Ali Abu Awwad met zijn dochter, die net een douche heeft genomen uit de watertank in zijn tuin. – © Nati Shohat / HH

    Kolonisten

    Veel vredesactivisten distantiëren zichzelf van de Israëli’s die de grenzen van vóór 1967 over zijn getrokken – de door de internationale gemeenschap erkende grens van de Israëlische soevereiniteit. Ze mijden de Westelijke Jordaanoever, waar sinds de Oslo-akkoorden van 1993 het aantal kolonisten is verdrievoudigd. Abu Awwad heeft daar begrip voor, en hij ziet ook wel dat de nederzettingen een Palestijnse staat in de weg staan, maar zelf heeft hij een andere kijk op de kwestie. ‘Er wonen meer dan zeshonderdduizend kolonisten in Oost-Jeruzalem en op de Westoever. Wie gaat er met al die mensen praten?’ vraagt hij, onder een geïmproviseerd zonnedak op het land van zijn familie, ergens tussen Bethlehem en Hebron, omgeven door nederzettingen. ‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit. De wortel van het probleem zit hier, niet in Tel Aviv.’

    Dus bedacht Abu Awwad dat hij, om rechten voor de Palestijnen te verwerven, op de Israëlische kolonisten af moet stappen. Wanneer dat verhaal eenmaal de ronde doet, zoekt Rabbi Hanan Schlesinger uit het nabijgelegen Alon Shvut contact met hem. Hoewel de rabbijn hier al tientallen jaren woont, is dit de eerste keer dat hij van een Palestijn hoort hoe het is om onder de Israëlische bezetting te leven. ‘Het was pijnlijk, het was ongemakkelijk, het was spannend en ik voelde me aangevallen,’ herinnert Schlesinger zich. ‘Maar hij was niet kwaad, hij was niet vervuld van woede en rancune. Hij vertelde me zijn levensverhaal.’ En door dat te doen brengt Abu Awwad een verandering teweeg in Schlesingers leven. De rabbijn zegt dat hem duidelijk is geworden dat hij zijn ogen heeft gesloten voor de realiteit waarin hij leeft. Hij gaat nog eens met Abu Awwad praten. En nog eens.

    Ze krijgen gezelschap van Israëli’s uit het nabijgelegen Tekoa, waar wijlen Rabbi Menachem Froman woonde, die actief betrekkingen onderhield met Palestijnse leiders, onder wie Yasser Arafat, de legendarische strijder die was uitgegroeid tot president, en sjeik Ahmed Yassin, de oprichter van Hamas.

    ‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit’

    Vorig jaar heeft de immer groeiende vredesbeweging een organisatie in het leven geroepen, Roots, die ervoor pleit dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor de oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. Roots schaart zich niet achter één bepaalde politieke oplossing, maar onderschrijft waarden als respect en geweldloosheid, en Roots erkent dat beide partijen diepe banden met het land hebben.

    Tot nog toe zijn er meer dan zesduizend mensen op bezoek geweest, onder wie zeshonderd Israëlische studenten die nog in dienst moeten. ‘Ik geloof dat dit de juiste manier is,’ zegt Gal Rosenberg, een student met rechtse denkbeelden, nadat hij Abu Awwad heeft horen spreken. ‘Dit is de droom.’ In juni heeft Abu Awwad, samen met Schlesinger, een tournee gemaakt door de Verenigde Staten. En zowel Roots als Froman spelen een prominente rol in A Third Way, een documentaire die dit najaar in roulatie gaat in de Verenigde Staten en West-Europa. ‘Hopelijk geeft de film het publiek een goed beeld van dit dialoogmodel en hopelijk verandert de film het beeld van de ander, dat over het algemeen vrij stereotiep is, hopelijk ontstaat er een meer menselijke visie,’ aldus regisseur Harvey Stein, die zegt dat hij vraagtekens is gaan plaatsen bij zijn eigen ‘linkse opvattingen’.

    Hij hoopt na afloop van de voorvertoningen in gesprek te kunnen gaan met het publiek – een gesprek dat wellicht een afspiegeling zal zijn van de dilemma’s waarmee de personages worstelen. Momenteel zijn het vooral buitenlanders die bij Roots betrokken zijn. Zij lijken eerder bereid tot een gesprek dan de lokale bevolking, die dagelijks wordt geconfronteerd met spanningen, checkpoints en aanslagen.

    Binnen de Palestijnse gemeenschap leeft veel verzet tegen een ‘normalisering’ van de betrekkingen met Israël, en dat strekt zich uit naar alles en iedereen die lijkt te berusten in de status quo. En aan Israëlische zijde heeft de steun voor een tweestatenoplossing een historisch dieptepunt bereikt tijdens de oorlog in Gaza van het afgelopen jaar. Er is ook een sterke zionistische beweging die van mening is dat het hele land aan de Joden toebehoort, in tegenstelling tot Froman, die van mening is dat de Joden aan het land toebehoren.

    Krankzinnig

    Abu Awwad zegt dat hij weet dat zijn idee ‘krankzinnig’ klinkt – net als de ideeën van Froman, die ooit, met gebedsriem en al, samen met sjeik Yassin in Gaza-Stad voor duizenden Hamas-aanhangers is verschenen. Stein heeft gefilmd dat de sjeik tegen mevrouw Froman zei dat haar man een groot hart had, maar dat hij zich met opzet naïef opstelde. ‘En dat is pas echt wijsheid… als je weet hoe je naïef moet zijn,’ luidden zijn woorden. Anderzijds zijn Froman en zijn medewerkers ook pragmatisch. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren – of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ zegt Shaul Judelman, een van Fromans leerlingen. Logistiek gezien is het nog niet zo eenvoudig om Israëli’s en Palestijnen bij elkaar te brengen op de Westoever, aangezien hun goeddeels de toegang tot het gebied van de ander is ontzegd.

    ‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft’

    Het landgoed van Abu Awwad is een van de weinige plekken waar beide bevolkingsgroepen welkom zijn. Er is geen bordje, alleen een openstaand hek dat toegang biedt tot een schaduwrijke plek waar bezoekers een plastic bekertje water krijgen. Men zit in een kring, moet soms moeite doen elkaar te verstaan wanneer een briesje de piepende metalen deur naar Abu Awwads eenvoudige eenkamerwoning openblaast.

    Een paar minuten verderop is de liftplaats waar afgelopen zomer drie Israëlische tieners zijn ontvoerd en vermoord, wat uiteindelijk is geëscaleerd in de Gaza-oorlog. De jesjieve-klasgenoten van twee van deze jongens zijn onlangs bij Roots geweest. Judelman is met zijn partner naar een Palestijnse school geweest. De plaatselijke Israëlische commandant is gekomen en heeft een paar uur gepraat met Abu Awwad, die kans zag hem een rol te laten vervullen in de oplossing. Schlesinger heeft Abu Awwad zijn woonkamer ter beschikking gesteld om met zijn buren te praten – twee keer zelfs. Hij heeft van verschillende kanten het verwijt gekregen dat hij een ‘terrorist’ binnen heeft gehaald, maar er zijn tientallen mensen komen luisteren. Na afloop zei een van hen: ‘Het is moeilijk om niet overtuigd te zijn.’

    Een ander gesprek

    ‘Er is bijzonder weinig wederzijds begrip in dit conflict,’ zegt Judelman in de documentaire. ‘Maar dan ineens tref je iemand aan de andere kant die naar je heeft geluisterd, en kun je met hem praten op een manier waaruit blijkt dat hij begrijpt wat je hebt doorgemaakt. Dan krijg je een heel ander soort… gesprek.’ Abu Awwad is bescheiden over de resultaten van zijn werk tot nog toe en hij benadrukt dat geweldloosheid een middel is, geen doel op zich, en dat de rechten van de Palestijnen nog verworven moeten worden. ‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Vroeger werd ik wakker met de gedachte: Was ik maar nooit geboren. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft,’ zegt hij.