Tag: Islam

  • 5. Wie zijn de Franse moslims?

    5. Wie zijn de Franse moslims?

    En meer context bij het dossier.

    Hakim El Karoui.
    Hakim El Karoui.

    De Macronfluisteraar

    ‘Wie de hervorming van de islam die de Franse president voor het eerste semester van 2018 heeft aangekondigd misschien vaag vindt, richt zijn blik op Hakim El Karoui’, schrijft The Washington Post. Volgens deze krant, die jongstleden april een portret aan hem wijdde, is de voormalige investeringsbankier van Rothschild ‘het voorbeeld waardoor Macron zich laat inspireren om de moslimtradities met de Franse waarden te verenigen’. Als elitesymbool en vertrouweling van de president wordt El Karoui bekritiseerd door Franse vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap, die hem verwijten dat hij is losgezongen van de dagelijkse realiteit van de islam, aldus de Amerikaanse krant.

    ‘Snelkookpan van gemeenschappen’

    Wie vandaag de dag schrijft over de islam in Frankrijk, over zaken als de sluier van zangeres Mennel of de aanhouding van islamoloog Tariq Ramadan, stelt zich bloot aan ‘een stortvloed van e-mails en beledigingen’, meldt Richard Werly, de Parijse correspondent van de Zwitserse krant Le Temps. ‘In de snelkookpan van gemeenschappen die Frankrijk is’, schrijft Werly, verwijt men de journalist zijn ‘geveinsde onnozelheid’, en zijn er ook mensen die hun uitlatingen niet gedrukt willen zien uit vrees dat er een ‘karikatuur’ van wordt gemaakt. ‘Hoe moet dit seculiere Frankrijk dat verteerd wordt door een voorliefde voor banvloeken een “trotse” toekomst creëren voor deze miljoenen “islamitische Galliërs”, een uitdrukking die ik hoorde toen ik onderzoek deed naar Tariq Ramadan?’ vraagt de journalist zich af, die daarin de kern ziet van het Franse probleem: ‘Frankrijk wordt getraumatiseerd door de islam doordat een deel van de bevolking geen “trotse” islam wil in het republikeinse bestel.’

    Wie zijn de moslims in Frankrijk?

    Vorige maand vroeg de Franstalige Algerijnse krant El-Watan zich af hoeveel moslims er in Frankrijk woonden en waar ze vandaan kwamen. Aangezien de geloofsovertuiging uit de Franse statistieken is verbannen, is het moeilijk achter de juiste cijfers te komen, merkte de krant. ‘Vandaar de uit de losse pols verrichte schattingen van de aantallen moslims. Onrustzaaiers drijven dat aantal soms op tot 8 miljoen, om op die manier de brave burger schrik aan te jagen.’

    Het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat bemoeienissen heeft met de in Frankrijk voorkomende godsdiensten, gaat uit van een aantal tussen 4 en 5 miljoen – een ‘weinig wetenschappelijke vork’ volgens de krant. Die vertrouwt meer op de cijfers van het Franse wetenschappelijke Institut Montaigne, ‘dat in 2016 het aantal Fransen van vijftien jaar en ouder van het islamitische geloof schatte op 1,7 miljoen’.

    ‘Wat vaststaat’, aldus de krant, ‘is dat op historische koloniale gronden het grootste deel van de moslims in Frankrijk afkomstig is uit de Maghreb [Algerije, Marokko en Tunesië], gevolgd door de Sahellanden en landen bezuiden de Sahara.’


    DRIE POLEMIEKEN IN 2018

    1. Maryan Pugetoux
    Een gesluierde vakbondsvoorzitter

    De voorzitter van de studentenvakbond Unef van de Universiteit Paris-IV ‘heeft nooit een militante rol geambieerd’, schrijft The Washington Post. ‘Maar we zijn in Frankrijk, en Maryam Pougetoux is gesluierd op de nationale televisie verschenen.’ Het gevolg is dat de jonge vrouw sinds 12 mei jongstleden het middelpunt is van een polemiek over haar hidjab en een stortvloed aan politieke reacties heeft ontketend. ‘Volgens haar critici heeft Maryam Pougetoux zich schuldig gemaakt aan een misdrijf, namelijk schending van het nationale laïcité-credo’, schrijft de Amerikaanse krant, onder de kop: ‘Voor sommige Franse hoogwaardigheidsbekleders is de sluier zo’n bedreiging dat ze niet schromen een jonge vrouw hard aan te pakken’.

    2. Tariq Ramadan
    Een islamoloog in conflict met justitie

    De Zwitserse islamprediker is afgelopen februari verhoord en in hechtenis genomen op verdenking van drie verkrachtingen. Zijn gevangenneming is hard aangekomen bij de Franse mosliminsituties, meldde destijds de Zwitserse krant Le Temps, die een woordvoerder van de moslimgemeenschap citeerde: ‘Dit is rampzalig. Ik zie niet in hoe Tariq Ramadan, hoe het uiteindelijke vonnis ook zal luiden, ooit weer het symbool van de islamitische trots en vernieuwing kan worden dat hij pretendeerde te zijn tijdens zijn openbare optredens.’

    800px tariq ramadan profile image

    3. Mennel Ibtissem
    Een afwijkende stem

    De zangeres Mennel, deelneemster aan de Franse versie van de talentenjacht The Voice, heeft van verdere deelname moeten afzien na een lawine van tweets in juli 2016, waarin de Franse staat rechtstreeks verantwoordelijk werd gesteld voor de aanslagen. ‘Het begon er allemaal mee dat ze gesluierd op het televisiescherm verscheen’, schreef destijds de Libanese krant Al-Modon. ‘In het geval van Mennel bleek haar uiterlijk belangrijker dan haar stem’, constateerde de verslaggever spijtig. Een andere journalist van Al-Modon noemde de solidariteitsbetuigingen aan het adres van Mennel ‘onbegrijpelijk’. Zeggen dat de jonge vrouw het slachtoffer was van racisme is ‘pure waanzin’. Hij voegde eraan toe: ‘Er is een algemene tendens bij Arabieren om in de slachtofferrol te kruipen.’

    mennel

    Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk: twee modellen

    Begin juni wijdde The New York Review of Books een lange beschouwing aan het verschil in behandeling van de islam in respectievelijk het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Voor het roemruchte Amerikaanse tijdschrift berust dat verschil op culturele en historische gronden. ‘Het Franse dirigisme en de Britse multiculturele inslag – en beider benadering van de integratie van immigranten – zijn het logische gevolg van de twee verschillende zienswijzen vanuit hun imperiale verleden (de beschavingsdrang van Frankrijk tegenover de losse teugel van de Britten). Een standpunt dat in het geval van Groot-Brittannië wordt geschraagd door het uitgangspunt van diversiteit dat voortvloeit uit de grondwet van het land.’

    Deze twee benaderingen zijn onderhevig aan kritiek aan weerszijden van Het Kanaal, schrijft het NYRB. ‘Tijdens de onlusten in de voorsteden in 2005, en vervolgens na de terreuraanslagen in januari 2015, wezen nogal wat Fransen op de keerzijde en de gevolgen van de politiek van doorgedreven integratie, die Noord-Afrikaanse immigranten ertoe dwong zich aan te passen aan alle aspecten van de Franse cultuur, met name de taal en de Republikeinse seculaire ideologie’, aldus het blad. ‘De Britten daarentegen stonden aan de diverse bevolkingsgroepen toe hun eigen onderscheiden karakteristieken te behouden, terwijl zij hen trachtten te verenigen rond symbolen als het parlement en het koningshuis.’

    Dat heeft terreuraanslagen op Britse bodem door islamitische daders niet kunnen voorkomen. ‘De aanslagen in Londen in 2005, met 52 dodelijke slachtoffers, hebben evenwel die optimistische benadering niet duurzaam aangetast. Daarbij moet worden opgemerkt dat het tijdsverloop van acht jaar tot de volgende jihadistische aanslag de Britten bovendien in staat stelde die gebeurtenis te beschouwen als een uitzonderlijk incident.’

    Als reactie op de demografische veranderingen en uit angst voor terrorisme heeft het Verenigd Koninkrijk heel openlijk de multiculturele samenleving afgezworen’

    Maar de afgelopen jaren is de Britse kijk op de zaken veranderd. ‘Als reactie op de demografische veranderingen en uit angst voor terrorisme heeft het Verenigd Koninkrijk onder David Cameron en meer recent onder Theresa May heel openlijk de multiculturele samenleving afgezworen – een ontwikkeling die eveneens kan hebben bijgedragen tot de neiging zich op zichzelf terug te trekken en met een zeer kleine meerderheid te stemmen voor Brexit.’

    Sindsdien, aldus het Amerikaanse blad, ‘berust de strijd tegen het extremisme op het aanprijzen van de zogeheten “Britse” waarden, zoals de democratie, de rechtsstaat, de individuele vrijheid en de tolerantie’, terwijl Frankrijk koos voor een steeds striktere secularisering, die het land te staan komt op een op zijn minst nogal onverwachte vergelijking in de NYRB: ‘Het in stelling brengen van een zeer doctrinaire secularisering in Frankrijk doet denken aan de wanhopige maatregelen in de seculaire republiek Turkije, eer die in handen viel van de nieuwe islamisten van Recep Tayyip Erdogan.’

  • 3. Is Frankrijk onverdraagzaam?

    3. Is Frankrijk onverdraagzaam?

    Twee maanden geleden heeft de Franse Raad van State de afwijzing bekrachtigd van de naturalisatieaanvraag van een jonge Algerijnse die weigerde een man een hand te geven. Een symbolische beslissing die tot verdeeldheid leidt.

    JA

    Overtreding van de wet

    De krant The National uit de Verenigde Arabische Emiraten is verontwaardigd over deze uitspraak en spreekt van een Frankrijk ‘dat een moslimvrouw vervolgt op grond van haar geloof’. Hisham Al-Zoubeir Hellyer schrijft in zijn artikel dat ‘het inburgeringsexamen alleen maar een truc is om een specifieke groep te stigmatiseren: de moslims’. Hij vindt deze beslissing discriminerend, omdat een Algerijnse man er geen enkel probleem mee zou hebben gehad de hand van een andere man te schudden en dus wel genaturaliseerd zou zijn. ‘Als de aanvraagster een Israëlische orthodoxe jodin zou zijn geweest, kun je je afvragen of ze op dezelfde manier zou zijn behandeld.’

    Volgens Hellyer duidt de weigering om iemand van het andere geslacht een hand te geven ‘misschien op een conservatieve, zo niet ultraconservatieve kijk [op de samenleving], maar dat mag geen beletsel vormen om Frans te worden’. Hij benadrukt de keuzevrijheid, die doorslaggevend zou moeten zijn in een samenleving als de Franse. ‘Sommige mensen kunnen ervoor kiezen om zich te laten zoenen, anderen om zich de hand te laten schudden en weer anderen om zich te laten omhelzen. In alle drie de gevallen is er sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar het accepteren of verwerpen daarvan zou aan de individuele vrijheid van eenieder moeten worden overgelaten.’

    Hellyer denkt dat de oorspronkelijke nationaliteit van de aanvraagster ook een rol in deze beslissing heeft gespeeld: ‘Het koloniale verleden van Frankrijk in de vorige eeuw in Algerije heeft sporen nagelaten die in het huidige Frankrijk nog zichtbaar zijn.’

    NEE

    Kwestie van individuele vrijheid

    In een column getiteld ‘Waarom zou Frankrijk islamitische intolerantie moeten tolereren?’ ziet de correspondent van de conservatieve Britse krant The Spectator geen enkele aanwijzing voor islamofobe discriminatie. ‘Waarom zou een westers land een vrouw moeten opnemen die haar neus ophaalt voor een van zijn oudste vormen van beleefdheid?’ vraagt Gavin Mortimer, om vervolgens een direct verband te leggen met andere vormen van discriminatie: ‘Als het eenvoudige vooruitzicht een man een hand te moeten geven al onacceptabel voor haar is, is er gegronde reden haar ervan te verdenken dat ze ook niets opheeft met de rechten van homo’s en joden.’

    Mortimer citeert de slogans die op talrijke borden in de Franse straten prijken: ‘De Republiek treedt eenieder met open gezicht tegemoet.’ ‘Toch is er een klein aantal vrouwen dat de wet blijft overtreden door te weigeren hun gezicht te tonen’, aldus de columnist.

    Ter verdediging van zijn standpunt wijst hij op de Franse moslimgemeenschap als geheel, die volgens hem ‘het eerste slachtoffers van het extremisme’ is. ‘Deze miljoenen perfect geïntegreerde mannen en vrouwen worden dagelijks geconfronteerd met de intimidatie van islamisten die hen op ideologische gronden aanvallen.’ Als voorbeeld noemt de Britse journalist de sportwereld, waar het aantal jonge geradicaliseerden zou toenemen en vrouwen uit sommige sportverenigingen zouden worden geweerd ‘om de eenvoudige reden dat vrouwen niet welkom zijn in sportclubs die door islamisten zijn geïnfiltreerd’.

    Courrier International
    Frankrijk | weekblad | oplage 165.476

    De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.

  • 2. Tekenen van een nationale identiteitscrisis

    2. Tekenen van een nationale identiteitscrisis

    Het in Tunis gevestigde digitale weekblad Meem heeft Tunesische onderzoekers en sociologen geïnterviewd om de ambivalente houding van de Franse samenleving tegenover de islam te analyseren.

    De gemiddelde Fransman staat sinds enige tijd vijandig tegenover moslims. Volgens sociologisch onderzoeker Abdessatar Sahbani is dat het gevolg van de ‘zware klappen’ die de Franse samenleving zijn toegebracht door de aanslagen waarbij talrijke onschuldige slachtoffers zijn gevallen. Om diezelfde reden, legt hij uit, ‘zijn de traditionele politieke partijen, die dit probleem niet hebben kunnen oplossen, weggevaagd’.

    Onderzoeker Sami Brahem daarentegen is van mening dat ‘Frankrijk een identiteitscrisis doormaakt omdat de consensus die het gevolg was van de wet van 1905, het fundament van het moderne Frankrijk, enkele vragen heeft opengelaten’. Hij vraagt zich af: ‘Betekent laïcité de scheiding tussen godsdienst en staat, of tussen godsdienst en het openbare leven? Verbiedt ze mensen om kleding te dragen waaruit hun godsdienstige overtuiging spreekt? Dat is de vraag die door de aanwezigheid van Fransen met uiteenlopende religieuze en culturele achtergronden wordt gesteld. Er is eerder sprake van een identiteitscrisis dan van een extremistische crisis, ook al bestaan er racistische antimoslimsentimenten.’

    ‘Het gebeurt maar zelden dat men in het Westen gesluierde vrouwen zelf aan het woord laat om een ander licht op de zaak te werpen’

    Dit extremisme laat zich verklaren, nog altijd volgens Brahem, door het grote aantal moslims. En daar komen de problemen in de Arabische en islamitische wereld nog bij, met name de Palestijnse kwestie. ‘De relatie tussen de islam en het Westen is van oudsher oververhit, al sinds de kruistochten,’ stelt hij. Daarom houdt de ontwikkeling van de islamofobie in Frankrijk volgens hem verband met ‘het westerse onderbewustzijn, dat de islam als bedreigend is gaan beschouwen. En het terrorisme heeft die angst aangewakkerd.’

    Wat de sluier betreft onderstreept Sami Brahem dat ‘de feministische bewegingen, niet alleen in het Westen maar zelfs in de Arabische wereld, van mening zijn dat die vernederend is voor de vrouw en haar reduceert tot haar fysieke dimensie. Het gebeurt maar zelden dat men in het Westen gesluierde vrouwen zelf aan het woord laat om een ander licht op de zaak te werpen.’ Terwijl deze polemiek de discussie over de moslims in Frankrijk weer aanwakkert, zijn veel betrokkenen van mening dat de oplossing ligt in het overwinnen van het minderwaardigheidscomplex door te mikken op opleiding en excellentie.

    ‘De uitdaging waarvoor Fransen van buitenlandse afkomst zich gesteld zien, is om zich Frans te voelen,’ legt Brahem uit. ‘Te meer omdat de meeste Fransen buitenlandse wortels hebben.’ Hij wil de derde en vierde generatie, die geen sterke band hebben met hun wortels, dan ook oproepen gebruik te maken van de rechten die de grondwet en het wetboek hun geven, maar ook om een goede opleiding te volgen en zich zodoende aan hun slachtoffercomplex te ontworstelen. ‘Islamitische wortels hoeven niet strijdig te zijn met Franse wortels. Afrekenen met een neerbuigende houding tegenover moslims is een strategische keus,’ besluit hij.

    Auteur: Aicha Garbi

    Meem
    Tunis | meemmagazine.net

    Dit Tunesische digitale tijdschrift is gespecialiseerd in de problematiek van vrouwen in de Arabische wereld. Het doel is hen aan het woord te laten maar ook om de samenlevingen aan te spreken waarin ze leven.

    Beeld: Winkelier in de arme Parijse immigrantenbuurt rond de Boulevard Barbes. – © Jonathan Alpeyrie / Polaris

  • Dossier: Frankrijk en de islam. De grote tegenstelling

    Dossier: Frankrijk en de islam. De grote tegenstelling

    Kan de islam zich conformeren aan nationale waarden? Dat is de vraag die ook premier Macron stelt om het hoofd te bieden aan de gewelddadige uitwassen van een religie met zes miljoen volgelingen.

    Hoe die hervorming zich verhoudt tot het Franse laïcité-model is een paradox en volgens de buitenlandse pers tegelijkertijd de kern van het probleem.

    1. Seculier of niet seculier?

    2. Tekenen van een nationale identiteitscrisis

    3. Is Frankrijk onverdraagzaam?

    4. Eerst de grondwet erkennen

    5. Wie zijn de Franse moslims?

    Beeld: Parijs, december 2017, meisjes op schoolreis maken een groepsselfie. – © Sabine Joosten / Hollandse Hoogte

  • 4. Eerst de grondwet erkennen

    4. Eerst de grondwet erkennen

    Voordat er van integratie sprake kan zijn moeten moslimorganisaties de grondwet erkennen en, zo schrijft Die Welt, hun houding ten aanzien van de Republiek ter discussie te stellen.

    De positie van de islam in Europa is omstreden. Sommigen – vooral toonaangevende politici in Duitsland – zeggen dat de islam, alleen al getalsmatig, deel uitmaakt van Europa. Volgens anderen geldt dat alleen voor seculiere moslims. In Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland en ook de andere West-Europese landen is in de laatste vijftig jaar het aantal moslims, moskeeën en bijbehorende organisaties verveelvoudigd. Arbeidsmigratie en immigratie uit voormalige koloniën of van vluchtelingen stellen enorme eisen aan het integratievermogen van de ontvangende samenlevingen. De culturele integratie van met name de moslimmigranten is grotendeels mislukt. Parallelle samenlevingen en rechtssystemen, onderwijsachterstanden, hoge werkloosheid tot en met fundamentalisme en religieus gefundeerd terrorisme bepalen de agenda. De pogingen om de islamitische organisaties te betrekken in een maatschappelijke discussie blijven, zoals duidelijk werd aan de hand van de Duitse islamconferentie, in de aanzet steken. Vooral omdat het de vertegenwoordigers van de islam er in wezen slechts om te doen was dat hun groepsbelangen de maatschappelijke norm zouden worden. Er werd in alle ernst drie jaar lang gediscussieerd over de vraag of van islamitische organisaties mag worden verwacht dat ze de prioriteit van de grondwet boven de Koran, dus boven Alla’s wetten, als bindend erkennen.

    Nu heeft de Franse president Emmanuel Macron een nieuwe aanzet gegeven om de islam in Frankrijk te integreren. Hij wil nog dit jaar een plan presenteren dat ‘het fundament voor de volledig nieuwe inrichting van de islam in Frankrijk moet leggen’. In een interview met de Le Journal du Dimanche zei hij dat hij er op alle niveaus aan werkt ‘om opnieuw te ontdekken wat de kern van het secularisme uitmaakt: de mogelijkheid de gelegenheid te hebben om te geloven, maar ook om niet te geloven’. Het plan, waarvan de bijzonderheden nog niet zijn uitgewerkt, moet meerdere dingen regelen. De moslims moeten zich zo organiseren dat de staat een verantwoordelijke partner heeft die aangesproken kan worden. Macron wil een morele autoriteit instellen, zoiets als een ‘groot-imam’ voor Frankrijk. Deze moet, net als het door Napoleon georganiseerde Grand Sanhedrin, de Franse grondwet als bindend erkennen. Blijkbaar gaat de president ervan uit dat de moslims in Frankrijk in de Franse raad voor het islamitisch geloof vertegenwoordigd zijn.

    Invloed verminderen

    Eén probleem zal zijn dat in Frankrijk, net als in Duitsland, slechts een klein deel (ongeveer 10 procent) van de moslims is vertegenwoordigd in moskeeverenigingen. Ten tweede wil men ‘de invloed van Arabische landen verminderen’. Dat betekent dat een einde gemaakt moet worden aan de financiering van de moskeeën en koranscholen uit de Maghreb, Saoedi-Arabië of Turkije. Ook moeten de financiële zaken van de moskeeën – men gaat er blijkbaar van uit dat via de moskeeën een soort financiële zwarte markt wordt georganiseerd – transparant worden. Het financiële tekort moet dan via een ‘halal’-belasting, een belasting op islamconforme producten, gecompenseerd worden. Daarmee moet dan ook de imamopleiding in Frankrijk gefinancierd worden, zodat er niet, zoals in Duitsland, honderden imams vanuit het buitenland komen. Zulke plannen zijn hier theorie, want de moskeeverenigingen laten tot op heden de aan Duitse universiteiten opgeleide imams links liggen en engageren liever voorgangers uit Turkije of Saoedie-Arabië.

    Macrons plannen worden bij de Franse islamorganisaties enerzijds met instemming ontvangen, hun wordt immers maatschappelijke erkenning in het vooruitzicht gesteld, maar anderzijds wijzen ze invloed van de overheid op de imamopleiding resoluut af. Ook een mogelijke halalbelasting stuit op afwijzing. En de Franse islamorganisaties komen niet op het idee zichzelf of hun houding ten aanzien van de Republiek ter discussie te stellen en aan te zetten tot hervormingen.

    De Duitse politiek heeft – als we uitgaan van het regeerakkoord van de grote coalitie – geen plan hoe in de toekomst om te gaan met de Islam. De islamconferentie heeft een jaar geleden een laatste levensteken gegeven. Ook het initiatief van de CDU-politicus Jens Spahn, in dezelfde geest als Macrons plan, verdween een jaar geleden meteen weer in de vergetelheid. Of de Franse president succesvoller zal zijn, blijft afwachten.

    Auteur: Necla Kelek
    Vertaler: Piet Meeuse

    Die Welt
    Duitsland | dagblad | oplage 202.000

    In 1946 door de Britten opgericht in Hamburg als Duits equivalent van destijds quality newspaper The Times. Sinds 1953 conservatief vlaggenschip van Axel Springer. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt.

    Beeld: Mosims bij de Yahya-moskee in Saint-Etienne-du-Rouvray, Normandië, in juli 2016. Ze brachten een eerbetoon aan priester Jacques Hamel, die in dezelfde plaats werd vermoord door IS-aanhangers. – © François Mori / HH

  • Secularisme en islam, een ongelukkige combinatie?

    Secularisme en islam, een ongelukkige combinatie?

    Hoe kan een seculier land zich beschermen tegen gewelddadige ideeën die in naam van de islam worden gepredikt? Emmanuel Macron wil de godsdienst met zes miljoen aanhangers reorganiseren, maar dat is een contradictie. ‘Het is aan de moslims om het voortouw te nemen. Het is hun historische missie.’

    Keuze uit het archief

    Vorige week kondigde de Franse overheid een verbod af voor meisjes en vrouwen om op school een abaja te dragen, een besluit dat afgelopen donderdag door een hogere bestuursrechter werd bekrachtigd. De abaja werd niet als religieus gezien, tot eerder dit jaar. Dit besluit past binnen het patroon dat al jarenlang zichtbaar is in Frankrijk, een land waar de scheiding tussen kerk en staat – de zogeheten laïcité – hoog in het vaandel staat. Zo mogen middelbare scholieren in Frankrijk al sinds 2004 geen zichtbare religieuze symbolen dragen, zoals christelijke kruizen, joodse keppeltjes of islamitische hoofddoeken.

    Dit artikel van The Atlantic uit 2018 laat zien dat Frankrijk reeds tientallen jaren op zoek is naar de ideale manier om zich tot de islam te verhouden. Zo wil president Emmanuel Macron de godsdienst op seculiere leest schoeien en in overeenstemming brengen met de nationale waarden om zo radicalisme en terrorisme buiten de deur te houden. Volgens anderen is het echter beter om deze taak aan de moslims zelf uit te besteden, want ‘de staat kan zich niet bemoeien met religieus beleid of religieuze kwesties’.

    Toen de Franse president Emmanuel Macron vorige maand in een interview zei de islam in Frankrijk volledig te willen reorganiseren, kwam dat niet onverwacht. Hij beloofde immers vooral te zullen slagen waar zijn voorgangers hadden gefaald.

    Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben opeenvolgende Franse regeringen geprobeerd een vorm van islam te creëren die typisch is voor Frankrijk, met het tweeledige doel de moslimminderheid in het land te laten integreren en islamistisch extremisme te bestrijden. Het ging erom een islam te ontwikkelen die zich conformeert aan de nationale waarden, met name het secularisme, en tegelijkertijd immuun is voor de radicale interpretaties die in sommige delen van de wereld vaste voet aan de grond hebben gekregen.

    Ironisch genoeg werd bij eerdere pogingen om een soort Franse islam te codificeren nauw samengewerkt met de landen van herkomst van Franse moslims, met name Marokko, Algerije en Turkije. In 2015 tekende de toenmalige president François Hollande bijvoorbeeld een akkoord met het koninkrijk Marokko om Franse imams naar een opleidingsinstituut in Rabat te sturen.

    Gematigd

    Het gevolg is een crisis op het gebied van vertegenwoordiging en legitimiteit. Bestaande, al dan niet aan de staat gelieerde organisaties vertegenwoordigen de uiteenlopende moslimgemeenschappen in Frankrijk niet. Dit ondermijnt de integratie van moslims in de samenleving als geheel en schept volgens de regering-Macron ruimte voor gevaarlijke ideologieën. Tegelijkertijd vinden veel moslims een poging om de islam van hogerhand te reguleren domesticerend en bevoogdend, vooral in het licht van Frankrijks twijfelachtige nalatenschap in de Arabische moslimwereld – een manier om de islam net zo lang te assimileren tot hij onzichtbaar wordt.

    Er is nog een reden waarom pogingen van staatswege met scepsis worden bezien. Het belangrijkste doel, dat zelden expliciet wordt verwoord en dikwijls wordt verhuld in retorische platitudes over sociale cohesie, is duidelijk: het bestrijden van radicalisering. ‘Er wordt altijd geïmpliceerd dat een Franse islam gematigd is, en tegen terrorisme,’ zegt Olivier Roy, islamgeleerde en hoogleraar aan het European University Institute in Florence. ‘Maar wat betekent gematigdheid in het geval van een religie?’

    De naar schatting zes miljoen Franse moslims – acht procent van de bevolking – vormen momenteel het middelpunt van een discussie over nationale identiteit in een land dat vasthoudt aan de laïcité, oftewel staatssecularisme, het uit 1905 daterende wetsbeginsel dat kerk en staat scheidt en bepaalt dat de staat neutraal tegenover religie dient te staan. In het recente verleden heeft deze discussie zich meer toegespitst op het bestrijden van islamistisch extremisme, en de aanslagen van afgelopen maart in de zuidelijke steden Carcassonne en Trèbes, gepleegd door een man van Marokkaanse origine die in 2004 is genaturaliseerd, hebben de publieke angst nog verder aangewakkerd.

    Sinds 2013 hebben minstens zeventienhonderd Franse staatsburgers zich aangesloten bij IS in Irak en Syrië; ook achter de aanslagen waarmee Frankrijk in 2015 en 2016 werd geconfronteerd zaten Franse staatsburgers. Maar de nationale angst over de verenigbaarheid van de islam met de Franse Republiek dateert al van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen immigranten die als gastarbeiders uit voormalige Franse koloniën waren gekomen (met name in Noord-Afrika) zich permanent in Frankrijk begonnen te vestigen. Die realiteit leidde tot een reeks pogingen van staatswege om de moslimintegratie te reguleren.

    ‘De moslimgemeenschap is vermoeid en teleurgesteld geraakt door een opeenvolging van belachelijke en vernederende voorstellen,’ zegt M’hammed Henniche, voorzitter van het Verbond van Moslim Associaties van Seine-Saint-Denis, een departement ten noordoosten van Parijs waar de moslims in de meerderheid zijn. Hij doelt op het beleid dat de Franse islam voortdurend met de Arabische wereld in verband brengt.

    De Franse Raad voor het Moslimgeloof, in 2003 opgericht door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy, is een illustratie van dat ongenoegen. Volgens een enquête uit 2016 weet nauwelijks een derde van de Franse moslims waar die raad voor staat, en een onevenredig groot aantal leiders ervan vertegenwoordigt groeperingen die gelieerd zijn aan Algerije, Marokko, Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar. Andere organisaties onderhouden nauwe banden met Algerije, Marokko of de Moslimbroederschap.

    Toch is het geen verrassing dat de Franse overheid de institutionalisering van de islam heeft uitbesteed. ‘De staat kan zich niet bemoeien met religieus beleid of religieuze kwesties,’ zegt Roy. ‘Aan de andere kant is dat precies wat Franse regeringen al dertig jaar lang proberen te doen. Het hele plan is een volstrekte contradictie, waarbij een door en door seculiere staat een plan in elkaar flanst om zijn eigen nationale islam een plaats te geven.’

    Sommige van de gevaarlijkste imams zijn Frans, en preken in het Frans

    Hoewel het plan om de Franse islam te reorganiseren niet nieuw is, verschilt het initiatief van Macron zowel qua omstandigheden als zienswijze van eerdere pogingen. ‘Macron trad aan in 2015, vlak na een reeks terroristische aanslagen,’ zegt Bernard Godard, van 1997 tot 2014 als islamdeskundige verbonden aan het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken. ‘De publieke opinie ziet het organiseren van de islam als een veiligheidsnoodzaak die de zorgen van het land moet wegnemen. Maar wat dat concreet betekent weten we niet.’

    Een van Macrons plannen is het stoppen van buitenlandse financiering om Franse moslimorganisaties los te weken van andere landen. Een ander voorstel behelst de opleiding van imams. Waar vorige regeringen, zoals die van Hollande, de blik richtten op bondgenoten als Marokko – ‘een islam die we kennen’, aldus Godard – heeft Macron voorgesteld imams thuis op te leiden. In lijn met het secularisme zou die opleiding over culturele waarden moeten gaan, en niet over religieuze teksten, om een generatie imams te kweken die ‘made in France’ zijn.

    Maar het optuigen van een nationaal opleidingsprogramma om radicalisering tegen te gaan veronderstelt dat de imams die haat prediken uit het buitenland komen. Dat is nauwelijks het geval; stromingen als het salafisme hebben aan invloed gewonnen in Frankrijk. ‘Het is onlogisch om te zeggen dat dat door een islam uit de Maghreb of elders komt,’ zegt Godard. ‘We moeten erkennen dat er in Frankrijk een Franse salafistische islam bestaat.’ Sommige van de gevaarlijkste imams zijn Frans, voegt hij eraan toe, en preken in het Frans.

    De lessen die uit het recente terrorisme kunnen worden getrokken zijn in tegenspraak met het idee dat een inherent gematigde Franse islam – als die al van bovenaf kan worden opgelegd – als een bolwerk tegen extremisme zou kunnen dienen. France academici zijn gebotst over de drijfveren voor radicalisering, maar veel wijst op de niet-religieuze ondertoon daarvan. Dat wil niet zeggen dat de islam geen rol speelt in de verspreiding van radicale ideeën. Maar de jongemannen achter de bloedbaden in Parijs of Nice waren geen vrome moslims die regelmatig een moskee bezochten, ook al doodden ze in naam van de godsdienst. De meeste aanslagplegers zijn draaideurcriminelen die regelmatig korte tijd in de gevangenis zitten, waar ze vaak aan extremistische ideologieën worden blootgesteld. Anderen radicaliseren via het internet, waar volop wordt geworven voor Islamitische Staat. Redouane Lakdim, de aanslagpleger in Carcassonne en Trèbes, past in dat profiel: hij is in 2015 en 2016 gevangengezet wegens het bezit van respectievelijk vuurwapens en drugs en men wist dat hij actief was op salafistische websites.

    ‘Het is een belachelijk en irrelevant idee dat als alle imams in Frankrijk een gematigde islam aanhangen er geen terrorisme meer zal zijn,’ zegt Roy, om eraan toe te voegen dat Frankrijk volgens de grondwet geen salafistische imams kan vervangen door ‘gematigde’ zonder de neutraliteit die door de wet van 1905 wordt voorgeschreven geweld aan te doen. Desondanks heeft de recente aanslag enkele politici van de oppositie ertoe gebracht een ‘verbod op salafisme’ te eisen. Het is onduidelijk wat dat zou inhouden en of het wettelijk haalbaar zou zijn, laat staan of het effectief zou zijn als maatregel tegen terrorisme.

    Roy beschouwt de hardnekkige regeringsfocus op religie als ‘ideologisch’, het gevolg van een steeds verbetener laïcité waarbij religie, en de islam in het bijzonder, uit de openbare ruimte verdwijnt. Die reactionaire neiging vierde vooral hoogtij onder Hollande, wiens premier Manuel Valls de terroristische aanslagen aangreep om in naam van de nationale veiligheid met een antireligieuze agenda te komen, met name met zijn poging in 2016 om boerkini’s op stranden te verbieden.

    Valls, die de islam onlangs ‘een probleem’ voor Frankrijk noemde, staat niet alleen in die opvatting. En hoewel Macron heeft geprobeerd de discussie over laïcité en islam te temperen – hij waarschuwde voor een ‘radicalisering van de laïcité’, waarin sommigen een verhulde verwijzing naar de voormalige premier en diens talrijke volgelingen zagen – is hij daarbij in de minderheid, zowel binnen zijn regering als onder het publiek. Een van de geleerden die Macron over de islam wil raadplegen, Gilles Kepel, is lid van de Printemps Républicain (Republikeinse Lente), een groep intellectuelen en journalisten ter linkerzijde die een agenda voorstaat die strookt met de ideeën van Valls.

    Volgens een enquête in februari beschouwt 43 procent van de Fransen de islam als ‘onverenigbaar met de waarden van de Republiek’. Dat is minder dan de 56 procent in 2016, maar laat nog altijd zien dat de islam een splijtzwam is geworden die een hindernis vormt voor elke poging de godsdienst op een politiek aanvaardbare manier te institutionaliseren of reguleren zonder de moslims zelf van zich te vervreemden.

    En daarmee komt de legitimiteit aan de orde. Hoewel het antimoslimsentiment, dat na de aanslagen in 2015 en 2016 een hoogtepunt bereikte, beduidend is afgenomen, zeggen veel moslims dat dit vooroordeel nog altijd de overhand heeft op sociaal en juridisch gebied. Als voorbeelden noemen ze een wet uit 2004 die religieuze symbolen op openbare scholen verbiedt (inclusief symbolen van andere religies dan de islam), een verbod uit 2010 op het in het openbaar dragen van een volledig gezichtsbedekkende sluier en, met ingang van januari, een verbod op religieuze kleding in het parlement. In de ogen van sommige moslims zal het idee van een van staatswege gecreëerde Franse islam een voortzetting lijken van het beleid dat ze als een assimilatiemiddel zien om de vrijheid van religieuze uitingen te belemmeren.

    Franse schouders

    Volgens Hakim El-Karoui, verbonden aan de denktank Institut Montaigne en een van de deskundigen die Macron wil raadplegen, zou de staat het ontstaan van een Franse islam mogelijk moeten maken zonder die zelf te creëren. Macrons plan om de Franse islam los te weken van de Arabische wereld juicht hij toe, en hij gelooft dat die zelfs nog verder zou moeten gaan: ‘Ik stel voor dat we de verantwoordelijkheid op de schouders van Franse moslims leggen die geen ander belang hebben dan dat van Frankrijk,’ zegt hij, verwijzend naar wat hij de ‘zwijgende moslims’ noemt, afkomstig uit de hogere middenklasse en de elite.

    Maar dat zal misschien niet zo makkelijk zijn. ‘Veel moslims die hogerop zijn gekomen op de maatschappelijke ladder willen niet te veel in verband worden gebracht met de islam, de jihad of de banlieues, de verarmde buitenwijken van de Franse steden,’ zegt Roy.

    El-Karoui, die moslim is, is er niet van overtuigd dat de ‘zwijgende moslims’ hun verantwoordelijkheid zullen ontlopen, maar erkent dat het een langetermijnkwestie is. In zijn ogen gaat het om het bestrijden van de extremistische ideologieën die de ether hebben weten te veroveren. ‘Wie heeft het op de sociale media of in het publieke debat over de islam, wie heeft het over religie? Islamitische Staat aan de ene kant, en de salafisten aan de andere,’ zegt hij. Dat is misschien wat overdreven, maar die groeperingen zijn wel de luidruchtigste, met goed geoliede pr-machines die het gestamel van andere, niet verenigde actoren overstemmen. ‘We moeten het publiek een ander verhaal over de islam vertellen,’ zegt El-Karoui. Dat zou het antimoslimsentiment en het verwarren van islam met terrorisme kunnen verminderen.

    Maar het is onduidelijk of de mobilisering die El-Karoui voor ogen staat de moslims zal aanspreken die hun religieuze identiteit liever benadrukken dan afzwakken en zelfs weer religieuze symbolen zijn gaan dragen om de waargenomen discriminatie te bestrijden. Toen ik dit tegen El-Karoui zei, noemde hij de hoofddoek een symbool van het islamisme, de politieke ideologie die tot geweld heeft geïnspireerd, en niet van de islam, de godsdienst. Vrouwen die er een dragen moeten naar zijn mening erkennen dat het symbool dat ze met hun godsdienst associëren eigenlijk voor een misdadige politieke ideologie staat.

    ‘We proberen een godsdienst met zes miljoen aanhangers in Frankrijk te reorganiseren om te voorkomen dat tweehonderd van hen terrorist worden. Zien we dan niet hoe absurd dat is?’

    Maar dat zal moeilijk te verkopen zijn. Dat de Koran niet eist dat vrouwen een hoofddoek dragen, is voor de draagsters niet per se relevant. Veel meisjes voelen zich, onder invloed van de wet van 2004, afgewezen door een restrictieve visie op wat het betekent om Frans te zijn. Linda Merzouk, een achttienjarige die dagelijks haar hoofddoek afdoet voordat ze haar middelbare school in het oosten van Parijs binnengaat, beklaagde zich in een interview over de verplichting om ‘een integraal deel [van haarzelf] thuis te laten’ en beschreef het verbod als een ‘inbreuk op de vrijheid van godsdienst’ die ‘deuren [voor haar] sluit’ in de Franse samenleving. Het idee aan de zijlijn te belanden zou de slachtofferrol die groeperingen als IS zo effectief hebben gebruikt om jongeren aan hun kant te krijgen wel eens kunnen versterken.

    Voorlopig heeft Macron alleen de fundamenten gelegd. Het stoppen van buitenlandse financiering zou mosliminstituties in elk geval ten dele kunnen losweken van buitenlandse belangen. Maar als het de bedoeling is Frankrijk te beschermen tegen gewelddadige ideeën die in naam van de islam worden gepredikt, zal een standaardaanpak – vooral als die van bovenaf wordt opgelegd, met weinig aandacht voor de behoeften van de uiteenlopende Franse moslimgemeenschappen – zijn doel wel eens voorbij kunnen schieten.

    Voor Roy is de zaak duidelijk. ‘We proberen een godsdienst met zes miljoen aanhangers in Frankrijk te reorganiseren om te voorkomen dat tweehonderd van hen terrorist worden. Zien we dan niet hoe absurd dat is?’ zegt hij. En hoewel hij toegeeft dat de huidige situatie onhoudbaar is, zal elke verandering legitiem moeten zijn om te kunnen slagen. ‘Het is aan de moslims om het voortouw te nemen. Het is hun historische missie.’

  • In Myanmar help je elkaar, maar niet de moslims

    In Myanmar help je elkaar, maar niet de moslims

    De inwoners van Myanmar staan bekend om hun buitengewone solidariteit. Alleen geldt die dus niet voor de Rohingya.

    De eerste buurt in Yangon waar ik woonde had al vrijwel geen charme toen ik er aankwam. Vlak daarna raakten we het enige wat er nog leuk aan was kwijt toen de gemeenteraad de bomen langs de straat liet kappen om de weg tot zes banen te verbreden. In één klap werd de tot dan toe verwaarloosde straat een drukke verbindingsweg tussen de flats in het centrum en de buitenwijken van de stad in het oosten.

    Op een avond zag ik een auto de hoek om slingeren en een man aanrijden die langs de kant van de weg liep. In minder dan een minuut hadden vele tientallen mensen zich rond de plek van het ongeluk verzameld. Twee van hen verzorgden de gewonde man terwijl tien of vijftien anderen het verkeer gingen regelen. Omdat de politie nergens te bekennen was, haakten weer anderen de handen in elkaar om een versperring te vormen en te voorkomen dat de man achter het stuur, die duidelijk dronken was, ervandoor zou gaan. Algauw kwam er een plaatselijke ambulance, bemand door een groep vrijwilligers, die de gewonde man op een brancard van bamboe afvoerden naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.

    Zes cijfers

    Ik dacht na over die avond tijdens een recent bezoek aan Phandeeyar, een technologisch centrum in Yangon dat de drijvende kracht is achter Myanmars opkomende, digitale industrie. De afgelopen twee jaar heeft Phandeeyars ‘Accelerator’-programma met succes jonge ontwikkelaars begeleid die op apps gebaseerde bedrijven willen opzetten. In twee van de eerste start-ups worden al investeringen gedaan die tot in de zes cijfers lopen.

    Wat vooral opvallend is aan het programma is de maatschappelijke betrokkenheid van de mensen die eraan meedoen. Eén start-up werkt aan de digitalisering van medische dossiers, wat een steunpilaar kan zijn voor de gezondheidszorg in Myanmar, die onder chronische financiële tekorten lijdt. Een ander werkt aan de start van een nationaal recyclingsysteem, dat van de grond af moet worden opgebouwd. De initiatiefnemers ontlenen hun motivatie aan de treurige aanblik van al het vuil waarmee afvoeren en rivieren door het hele land verstopt raken. De oprichters van RecyGlo werken intussen samen met kantoren en privéscholen om het vuilnis in Yangon op te halen – papier wordt verkocht aan plaatselijke bedrijven terwijl andere recyclebare producten in grote hoeveelheden naar China worden verscheept.

    ‘Dit hoort eigenlijk door de staat te worden gedaan,’ zei RecyGlo’s medeoprichter Yamin Oo. ‘Maar in een ontwikkelingsland kan de staat niet zo veel doen. Daar is een ondersteunend systeem voor nodig.’

    Het technologisch centrum Phandeeyar in Yangon. – © Taylor Weidman / Getty Images
    Het technologisch centrum Phandeeyar in Yangon. – © Taylor Weidman / Getty Images

    Myanmar staat bekend als een van de meest liefdadige landen ter wereld als het om giften en vrijwilligerswerk gaat. Maar het is misschien juister om te zeggen dat de mensen hier gewend zijn geraakt een handje te helpen als de staat daar de middelen niet voor heeft. Nadat ongekende overstromingen in 2015 meer dan honderdduizend dorpelingen uit hun huis verdreven, vormden zich rondom Yangon spontaan liefdadigheidsgroepen die geld vroegen aan automobilisten om voorraden te kopen die ze later zelf naar de opvangkampen reden. Vorig jaar, na wanordelijk verlopen onderhoudswerkzaamheden aan een aantal drukke buslijnen, boden vrijwilligers gestrande reizigers een rit in hun auto aan.

    Maar dit verantwoordelijkheidsgevoel jegens de gemeenschap, dat zo vaak een voorbeeld is van Myanmar op zijn best, heeft ook een donkere keerzijde. Het afgelopen jaar heeft het land zich ingegraven als reactie op het massale geweld tegen de Rohingya-minderheid, die nog steeds buiten de grenzen van die collectieve solidariteit valt. Onlineactivisten die Aung San Suu Kyi steunen – de feitelijke leider van het land, wier regering verantwoordelijk is voor de chaotische reactie op de vluchtelingenexodus – hebben geprobeerd om buitenlandse media in diskrediet te brengen en de wereldwijde verontwaardiging over Myanmar af te doen als een samenzwering.

    In de staat Rakhine, het epicentrum van de crisis in het afgelopen jaar, hielden inwoners humanitaire hulp aan Rohingya tegen. In één stad beschuldigden inwoners een boeddhistische winkeleigenares ervan dat ze zaken deed met moslims, waarna ze haar kaalschoren en lieten rondlopen met een bord waarop ‘verrader’ stond.

    Tot nu toe heeft de regering weinig gedaan om haar burgers in het gareel te houden of om de destructievere instincten een halt toe te roepen. Maatschappelijke organisaties zeggen dat ze worden tegengewerkt. Kundige technocraten die geen banden hebben met de partij van Suu Kyi worden wantrouwig bekeken. Mensen die antimoslimagitatie veroordelen worden bedreigd en kunnen niet rekenen op hulp van de politie of steun van de staat. Of, erger nog, ze worden het doelwit van hinderlijke aanklachten.

    Een groot deel van Myanmars recente geschiedenis is een aaneenschakeling van gemiste kansen. Het is moeilijk om het gevoel af te schudden dat we weer zo’n gemiste kans voorbij zien komen.

    Auteur: Sean Gleeson
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Nikkei Asean Review
    Japan | weekblad | oplage 12.000

    In 2013 opgericht magazine over politiek, economie, zaken en internationale betrekkingen, vanuit een Aziatisch perspectief. Onderdeel van mediareus Nikkei, onder meer de eigenaar van de Financial Times.

    CONTEXT: VN-bezoek

    Myanmar gaat in beginsel akkoord met het bezoek van de ambassadeurs van de lidstaten van de Veiligheidsraad van de VN, die op dit moment wordt voorgezeten
    door Peru. De internationale vertegenwoordiging gaat op een nog niet vastgesteld tijdstip ook naar Bangladesh, naar de omgeving van Cox’s Bazar, waar zich zevenhonderd- duizend uit Birma gevluchte Rohingya’s bevinden.

    De Birmaanse regering had in februari een dergelijk bezoek nog uitgesloten. Nu, begin april, heeft ze haar toestemming gegeven, maar de details over het bezoek zijn nog niet bekend. Daarom is het onduidelijk of de VN-delegatie ook toegang krijgt tot de Birmaanse deelstaat Arakan (tegenwoordig Rakhine), het woongebied van de Rohingya’s.

  • Een kleuterschool voor onze kinderen!

    Een kleuterschool voor onze kinderen!

    In Marokko ontbreken openbare kleuterscholen, waardoor kinderen onder de zes jaar vaak zijn aangewezen op privéonderwijs. Dit vergroot de ongelijkheid tussen arm en rijk en tussen steden en het platteland.

    Het Marokkaanse nationale onderwijsstelsel, dat tot de eenentwintig zwakste ter wereld wordt gerekend, kent geen openbare kleuterschool voor kinderen jonger dan zes jaar, hoewel die al voor 2004 was aangekondigd. Om de leemte te vullen hebben de private, verenigings- en informele sector het voortouw genomen. Driekwart van de Marokkaanse kinderen kan na afronding van de lagere school niet goed lezen, schrijven of rekenen. En toch wil die openbare kleuterschool er maar niet van komen, hoe sterk het maatschappelijk middenveld er ook op aandringt.

    Het ministerie van Nationaal Onderwijs had met steun van diverse economische en sociale actoren en verenigingen een nationaal werkplan voor kinderen (2006-2015) ontwikkeld, getiteld ‘Een Marokko dat zijn kinderen verdient’ (‘Maroc digne de ses enfants’). Op het gebied van kleuteronderwijs is van vooruitgang echter nauwelijks sprake geweest. Het deelnamepercentage is onder het streefcijfer gebleven.

    Met name op het platteland bleef die deelname met 41,7 procent onder de maat, zeker bij meisjes: 28,3 procent. Volgens het Marokkaanse nieuwsagentschap (MAP) lag het landelijk gemiddelde in het jaar 2013-2014 rond 64,3 procent. Het agentschap herinnerde aan een noodprogramma voor de periode tussen 2009-2012, genaamd ‘Samen de schouders eronder voor een succesvolle school’ (‘Ensemble pour l’école de la réussite’).

    Bij gebrek aan openbare kleuterscholen zijn er particuliere initiatieven. De lessen zijn informeel en worden gehouden in privéwoningen, of door gelovigen in moskeeën. Het aanbod is dus ongestructureerd en ontbeert een gemeenschappelijke visie.

    Informele klassen

    Sidi Moumen, Casablanca. In deze wijk – een van de meest achtergestelde van Marokko – is de vereniging Umm El Ghait de afgelopen jaren met kleuteronderwijs begonnen. Braaf op hun stoeltjes gezeten, zeggen de kinderen de tafels op in het Frans. ‘We beginnen onmiddellijk met Frans,’ zegt Amal Kadiri Berrada, van Oum El Ghait, ‘want tweetaligheid is erg belangrijk om ongelijkheid te bestrijden.’ In dit gloednieuwe klaslokaal geeft Samira Benali, een gekwalificeerde onderwijzeres, op alle werkdagen van halfnegen tot halfvijf, les aan vierentwintig leerlingen van vier tot zes jaar oud.

    ‘Het doel van de kleuterschool is om het kind van de moederwereld naar de wereld van de school te begeleiden. Je speelt er, maar leert er vooral wat school is. Volgens mij moet je alleen maar Frans onderwijzen, omdat het kind niet kan spelen en tegelijkertijd Arabisch, Frans en soms zelfs Engels leren,’ zegt Amine Mejjari, directeur van een basisschool in Sidi Moumen.

    Scholen die kouttab (ook wel m’sid) heten, bieden informele lessen op grond van ‘oorspronkelijk’ ofwel sterk op islamitische leest geschoeid onderwijs. Volgens overheidsstatistieken waren de kouttab in 2016 goed voor 60,5 procent van het kleuteronderwijs in Marokko. Op het platteland was dit percentage 71,3 procent. In de kouttab staat de islam centraal. De kinderen leren lezen en schrijven aan de hand van boekjes waarin koranverzen worden uitgelegd. Ze moeten zich die eigen maken en opzeggen.

    ‘Er zijn informele structuren, zoals geïmproviseerde kinderdagverblijven in sloppenwijken, maar ze hebben onvoldoende uitrusting, voldoen niet aan hygiënische normen en zijn over het algemeen overvol. Het onderwijzend personeel is ongeschoold en soms zitten er negentig kinderen in één ruimte,’ zegt Amal voor de school waar zijn vereniging lesgeeft, terwijl ouders hun kinderen komen ophalen. Voor Oujour Hssain, directeur informeel onderwijs bij het ministerie van Nationaal Onderwijs ‘is Marokko zoekende naar een voorschools model dat duurzaam is en dat de staat zou kunnen financieren. Maar eerst moet de lagere school van voldoende niveau zijn om de kleuterschool te kunnen integreren. We hebben nog een lange weg te gaan.’

    Een schooltje in het Atlasgebergte. – © Sabine Joosten / HH
    Een schooltje in het Atlasgebergte. – © Sabine Joosten / HH

    Toumliline, een klein dorp op ongeveer tien uur rijden van Casablanca, kent wel een lagere school, maar geen kouttab of kleuterschool. Terwijl kinderen op straat in de winterzon spelen, zegt onderwijzeres Raibah dit gebrek aan scholing voor peuters en kleuters te betreuren: ‘Het is heel moeilijk voor een basisschoolleraar om kinderen in de eerste klas te hebben die nog nooit naar school zijn geweest.’

    Driehonderd meter verderop, aan de andere kant van de rivier, heeft een vereniging in Aït Daoud een kleuterschool gebouwd, maar daar kunnen de kinderen van Toumliline niet naartoe. Mohamed Gourou, 32, woont in Toumliline en is vader van twee kinderen, van wie een de lagere school van het dorp bezoekt: ‘We willen graag een school voor de jongste, maar dat kan hier niet,’ zegt hij bij de schoolpoort, waar hij op zijn zoontje wacht.

    Auteurs: Louis Witter en Sebastian Castelier
    Vertaler: Carl Stellweg

    Le Desk
    Marokko | ledesk.ma

    Le Desk, dat in 2015 werd gelanceerd, is een onafhankelijke informatie- en onderzoekssite. Het bedrijfskapitaal is in handen van het team dat de site heeft opgericht en dat voornamelijk uit journalisten bestaat. ‘Een dergelijke structurele economische onafhankelijkheid is vrij zeldzaam in Marokko.’

    CONTEXT: 84 %

    van de Marokkaanse kinderen zit op scholen waar achtergestelde bevolkingsgroepen dominant zijn. Dat blijkt uit een in 2016 in vijftig landen uitgevoerd onderzoek van PIRLS (Progress in International Reading Literacy Study), een internationaal vergelijkende studie naar de leesprestaties van leerlingen in het basisonderwijs. Volgens het Marokkaanse economisch dagblad L’Économiste is het internationale gemiddelde bijna drie keer zo laag (29 procent). ‘Slechts 8 procent van de Marokkaanse kinderen bezoekt onderwijsinstellingen met een evenwichtige sociale samenstelling; internationaal is dat gemiddeld 33 procent.’

  • De  duivels van het Tsjaadmeer

    De duivels van het Tsjaadmeer

    De Spaanse journalist Xavier Aldekoa reisde naar het Tsjaadmeer, de schuilplaats van Boko Haram. Het geweld van de islamitische terreurbeweging brengt miljoenen burgers in een uitzichtloze situatie.

    De naam die Djafana Ali haar vijfde kind gaf was een kleine daad van verzet, bijna een genoegdoening, geboren uit trots. De man die Djafana uit de groep vrouwen pikte om te verkrachten was minder subtiel. Luttele weken na haar ontvoering in april 2015 door de Nigeriaanse fundamentalistische terreurorganisatie Boko Haram duwde een van de jihadisten de poort van het erf open waar Djafana samen met honderden andere vrouwen en meisjes (het waren er zo’n zevenhonderd, schat ze, opgedeeld in verscheidene groepen) opgesloten zat. De man pakte haar arm vast en nam haar mee naar een bos, waar hij haar misbruikte. De Boko Haram-strijder wees haar aan als zijn vrouw en niet lang daarna raakte ze zwanger van hem.

    Een paar dagen voor haar ontvoering had Djafana haar man en kinderen achtergelaten in haar geboortedorp Melea, op het vasteland van Tsjaad, omdat haar zieke moeder, die alleen in Buduma woonde (een eiland midden in het meer van Tsjaad), haar zorg nodig had. Djafana wist maar al te goed hoe riskant de tocht was. Het labyrint van vaarwegen en de talrijke eilanden in het Tsjaadmeer, dat een natuurlijk grensgebied vormt tussen Nigeria, Kameroen, Niger en Tsjaad, is sinds een paar jaar de schuilplaats van islamitische extremisten. Maar haar moeder was ziek en daarom ging Djafana toch naar haar toe.

    Een paar uur na het weerzien met haar moeder vielen Boko Haram-strijders het eiland binnen en ontvoerden ze alle jonge vrouwen en kinderen. Over de precieze toedracht geeft Djafana geen details prijs. Ze vertelt alleen hoe ze een deur opentrokken, een vrouw pakten en die aan een van de strijders gaven. Wanneer een vrouw weigerde, dan was ze een hoer en werd ze of ter plekke vermoord, of mocht iedereen zich aan haar vergrijpen.

    Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden

    Er zaten meisjes van tien tot twaalf jaar tussen. Ook zij stonden op het keuzemenu. De drieëntertigjarige Djafana was getrouwd – in haar streek trouwen meisjes jong – maar niemand vroeg ernaar en het leek niemand iets te kunnen schelen. De moslimextremist sloot haar op in een hutje en kwam af en toe langs om zijn lusten bot te vieren. Achttien maanden lang hield de radicale terreurbeweging, die in 2015 trouw zwoer aan Islamitische Staat, haar gegijzeld. Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden.

    Nu, vier maanden na haar ontsnapping, is ze terug in haar dorp, waar het veilig is. Op het Tsjadische vasteland is het afgelopen jaar de jihaddreiging afgenomen, op de eilanden niet.
    Djafana weigert zijn naam te noemen. Soms is het besluit van de vrouwen om de rebellen dood te zwijgen hun manier om wraak te nemen. Het is misschien wel de enige wraak die ze kúnnen nemen. Daarom heeft Djafana het bij haar verwekte kind dat nu, een jaar oud, hongerig naar haar borst hapt, Hissein genoemd, naar haar eerdere man.

    Djafana slaagde erin om samen met honderden andere vrouwen te ontsnappen toen Nigeriaanse legerhelikopters eind 2016 het eiland aanvielen dat in handen was van Boko Haram. Tijdens het zwaarste militair offensief sinds de zomer van 2015 werden de rebellen grotendeels verjaagd uit de gebieden die ze in het noorden van Nigeria in handen hadden en moesten ze zich terugtrekken in het ondoordringbare Sambisa-reservaat, dat op de grens tussen Nigeria en Kameroen ligt, en in het labyrint van eilanden en vaarwegen in het Tsjaadmeer. Daar hadden ze alleen te vrezen van aanvallen uit de lucht. Zoals op de dag dat Djafana wist te vluchten. Die ochtend stierven tientallen strijders en gegijzelde burgers door kogels en bommen, maar lukte het rond de vijfhonderd ontvoerde meisjes en vrouwen om in de chaos te ontkomen.

    Omdat er niemand was om hen op te vangen, deden de vrouwen er dagen over om de Tsjadische kust bereiken. Van eiland naar eiland liepen ze door het water, de langsten tilden de baby’s boven hun hoofd zodat ze niet zouden verdrinken. Slechts honderd vrouwen bereikten hun eindbestemming, al denkt (hoopt?) Djafana dat veel vrouwen het mogelijk wel hebben gered maar via andere routes zijn gegaan. Toen ze aankwam in haar dorp kreeg ze te horen dat haar man Hissein tijdens haar ontvoering ziek was geworden en was gestorven. Als haar jongste zoon volwassen is, zal ze niet zeggen wie zijn vader is. ‘Dat komt niet eens in mijn hoofd op, al zou het kunnen dat iemand anders dat wél doet.’

    Kulkime, aan het Tsjaad-meer, is een van de dorpen waar slachtoffers van Boko Haram worden opgevangen. – © Michael Zumstein / Agence VU
    Kulkime, aan het Tsjaad-meer, is een van de dorpen waar slachtoffers van Boko Haram worden opgevangen. – © Michael Zumstein / Agence VU

    Sinds haar vrijlating woont Djafana weer in Melea, een gehuchtje van strohutjes in the middle of nowhere op een kale vlakte. Overal waar je kijkt is zand of droog struikgewas en krabt de wind je huid open. Rond het middaguur komt het leven traag tot stilstand, de mannen, die in de schaduw bij elkaar zitten, mompelen af en toe iets, waarna ze weer terugvallen in hun lethargisch stilzwijgen. Alleen een handvol kinderen, spelend met lemen speelgoed – een koe, een pan, een radio met een draadje dat een koptelefoon moet voorstellen – zorgt voor wat leven in de brouwerij. De vrouwen zijn aan het werk: twee vermalen ritmisch het kleine beetje graan in een houten kom. Djafana woont daar vlakbij. De inrichting van haar huis is sober. Op de aangestampte zandgrond heeft ze een donkere mat gelegd, in een hoek liggen een deken met tijgerprint, twee verkreukelde stukken stof en een blauwe plastic emmer, aan de andere kant staat een zilverkleurige kom. Djafana woont daar met haar baby Hissein en haar vier andere kinderen, die tussen vier en veertien jaar oud zijn. Ze klaagt dat niemand zich om hen bekommert.

    Omdat ze niet in een vluchtelingenkamp wonen, krijgen ze geen voedsel en lijden haar kinderen honger. Ze kijkt moe uit haar ogen. Monotoon vertelt ze over het afschuwelijke dat haar is aangedaan. Ondanks haar verhalen over massale verkrachtingen en meedogenloze executies blijft Fatima, een van haar dochtertjes, dicht tegen haar aan zitten met de onschuldige en geconcentreerde blik van een kind dat naar een verhaaltje of een liedje luistert. Djafana draagt een zwart gewaad bedrukt met rode, oranje en gele figuurtjes, waarmee ze ook haar hoofd bedekt; haar gouden neusring, bij de Buduma-stam een teken dat ze getrouwd is, heeft ze afgedaan. Haar gezicht is versierd met scarificaties, in haar huid gekerfd toen ze zes was en waaraan men kan zien bij welke stam ze hoort. Het zijn niet haar enige littekens. De verse op haar armen zijn het gevolg van de luchtaanval op het eiland waarbij de jihadstrijder omkwam die een kind bij haar verwekte. Ook de kleine Hissein heeft littekens op zijn hoofd.

    De hele regio vormt een wond die maar niet sluiten wil. Het grensgebied rondom het Tsjaadmeer dat Nigeria, Tsjaad, Kameroen en Niger met elkaar delen gaat sinds acht jaar gebukt onder een enorme geweldsgolf. De opkomst van Boko Haram in het noorden van Nigeria en hun invasie van de buurlanden heeft vijftigduizend levens gekost, duizenden mensen zijn gegijzeld en op de vlucht geslagen. Volgens de Verenigde Naties zijn bijna tweeëneenhalf miljoen burgers dakloos. Het overgrote deel is weggetrokken van het platteland, waar Boko Haram meestal huishoudt, en zoekt bescherming in vluchtelingenkampen, in de steden of bij familieleden of kennissen.

    Dat Boko Haram onder druk van een multinationale strijdmacht, aangevoerd door Nigeria en Tsjaad, een groot deel van hun gebied moest inleveren – de rebellen riepen in 2014 in Noord-Nigeria het kalifaat uit – heeft niet tot een afname van succesvolle dodelijke aanslagen geleid. Naast snelle, guerrilla-achtige aanvallen waar weinig materieel voor nodig is, zet Boko Haram nu ‘zelfmoordenaars’ in om de samenleving te ontwrichten. Boko Haram heeft de afgelopen drie jaar meer dan honderd zelfmoordaanslagen gepleegd, zo blijkt uit gegevens van UNICEF en The Long War Journal, een organisatie die de geweldsdelicten van de terreurbeweging bijhoudt. Alleen al in het eerste trimester van 2017 hebben zevenentwintig meisjes zichzelf onder dwang opgeblazen.

    Op 1 januari heeft een meisje van nog geen tien jaar oud, aldus ooggetuigen, haar bomgordel laten afgaan op een markt in Maiduguri. Dat het in tachtig procent van de gevallen meisjes zijn die zelfmoordaanslagen plegen is niet toevallig. Boko Haram gebruikt de ruimvallende gewaden van meisjes en vrouwen om bomgordels te verstoppen en stuurt ze vaak gedrogeerd naar een markt of moskee om zichzelf tot ontploffing te brengen.

    Volgens de Nigeriaanse analist en veiligheidsdeskundige Fullan Nasrullah is het een effectieve militaire tactiek. ‘De strategie van de opstandelingen is onder meer om het moreel van de samenleving en de strijdmacht te breken, én om de landen te dwingen hun schaarse middelen aan te wenden ter bescherming van makkelijke doelwitten en niet te gebruiken voor de strijd.’


    Jaren van angst en de geur van kruitdampen hebben tot miljoenen lege buiken geleid. En niet alleen wie gevlucht is voor het geweld, ook de mensen die hun land niet durven te bewerken of die de gevolgen van een ingestorte economie dragen, lijden honger. Door de oorlog is handel niet meer mogelijk en zijn levensmiddelen peperduur geworden, veel mensen kunnen geen voedsel meer kopen. De omvang van deze ramp zal nieuwe slachtoffers maken: de Verenigde Naties waarschuwen dat meer dan zeven miljoen burgers urgent medische hulp nodig hebben en in de gebieden waar Boko Haram het felst tekeer gaat is al sprake van een hongersnood.

    Daarom hebben de baby’s uit het gebied rond het Tsjaadmeer koude handjes. Aan het eind van de woestijnstrook die Niger scheidt van zijn buurland Tsjaad – een stuk niemandsland waar de nabijheid van jihadstrijders een militaire escorte noodzakelijk maakt – woont Ache Gomborom, en zijn handjes zijn ijskoud. Hij heeft ook andere symptomen van ondervoeding: je kunt zijn ribben tellen, hij heeft spillebeentjes en een starende blik. Als hij in een weegschaal wordt getild, trekt er een kleine frons over zijn gezichtje. Het gezicht van de Tsjadische arts die hem behandelt spreekt boekdelen: voor zijn zeventien maanden is zijn gewicht alarmerend laag. Wanneer zijn moeder, Bakouli Maloum, hem overneemt wikkelt ze hem in een rode sjaal en kijkt naar de grond. Na een poosje is hij in slaap gevallen. Zijn moeder protesteert: ‘Op ons eiland was alles normaal, we werkten op land en visten in het meer. Nu is alles anders. Als Boko Haram je te pakken krijgt, snijden ze je keel door. Hoe kun je daar blijven?’ Bakouli, geboren op Kindjira, een klein eiland in het Tsjaadmeer, draagt twee zwarte armbanden om haar rechterpols en groene oorbellen in haar oren. Al haar andere bezittingen zijn afgepakt door de jihadstrijders.

    Ofschoon Noord-Nigeria en de streek rondom het Tsjaadmeer hoofdzakelijk islamitisch zijn, zijn er maar een paar stammen, zoals de Buduma, die hun geloof in Allah belijden met traditionele rituelen. Het handjevol christenen is de streek al jaren geleden ontvlucht. Maar de fundamentalisten maken geen enkel onderscheid: wie hun radicale geloofsopvatting niet deelt, is een ongelovige die gestraft en gedood moet worden. Bakouli kent die fatale minachting maar al te goed: ‘Ze zeggen dat we christenen zijn, zo noemen ze iedereen die in hun ogen geen goede moslim is. Daarom vermoorden ze ons. Daarom snijden ze onze keel door. Ze vinden ons minderwaardig, net als dieren.’

    Voor de deuren van de winkel die dienstdoet als mobiele kliniek wacht een grote groep vrouwen en uitgeteerde kinderen op hun beurt onder de schaduw van een boom. Het zijn er zo veel dat niet iedereen een plaatsje in de schaduw kan bemachtigen, een enkeling staat in de volle zon. Vliegen zoemen om de ogen, neuzen en monden van de kinderen. Niemand probeert ze te verjagen. In de omgeving staan zo’n vijftienhonderd geïmproviseerde hutjes van takken, stro en plastic. Hier is de voorbode van de honderden kampen in de regio waar niemand naar omkijkt. Zo’n negenduizend vroegere eilandbewoners wonen nu op een lap woestijngrond, Magui gedoopt, en wachten op hulp. Er is zo onnoemelijk veel zand dat je alleen traag kunt voortbewegen, de zon prikt op je voorhoofd en de wind dwingt je met dichtgeknepen ogen te lopen.

    De Tsjadische UNICEF-voedingsdeskundige Ngandolo Kouyo strijkt de kreukels uit zijn witte doktersjas alvorens op een witte plastic stoel plaats te nemen. Of we het kort kunnen houden, is zijn verzoek. ‘Het is druk vandaag,’ zegt hij verontschuldigend, waarna hij de toekomst van zijn patiënten analyseert. Door de haast, of misschien wel de dagelijkse confrontatie met deze catastrofe, zijn zijn woorden weinig diplomatiek. ‘Deze mensen zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Als die niet komt, sterven ze bij bosjes. Allemaal. Geen twijfel mogelijk. Er is geen voedsel, er is geen water, geen toegang tot medische zorg. En als die zorg er wel is, hebben ze de middelen niet om de hulpposten te bereiken. Ergo: er gaan veel doden vallen.’ Eigenlijk verwoordt Kouyo in telegramstijl met onderkoelde onmacht de alarmkreet die negentien mensenrechtenorganisaties eind 2016 lieten horen over de crisissituatie rond het Tsjaadmeer, de grootste, door iedereen vergeten humanitaire crisis van 2016. Cijfers van de hulp die in 2017 is geboden stemmen niet vrolijk: van de 1500 miljoen dollar die de Verenigde Naties nodig denken te hebben om de voedselcrisis rond het Tsjaadmeer het hoofd te bieden, is in het eerste kwartaal van 2017 slechts 169 miljoen binnengekomen, 11 procent van het geld dat nodig is.

    Eilanden ontvlucht

    Tientallen kilometers zuidwaarts verraden de kapotte en halflege visnetten van Barkay Idriss dat je niet zo makkelijk uit deze val ontsnapt. In Tagal, een dorpje aan de oevers van het Tsjaadmeer, is het al bijna avond, maar op de bodem van zijn kano glibberen slechts een dozijn vissen. De lucht is hier fris, het groene landschap legt een zachte waas over de horizon en vanaf de oever komt de geur van tientallen vissen die op houten spijlen in de zon liggen te drogen. Gehurkt op een van de uiteinden van zijn boot bekijkt de zeventienjarige Barkay de dagvangst en schudt boos en beschaamd zijn hoofd. ‘Het visnet is oud, zodra de vissen zich een beetje uitrekken zijn ze weg.’

    Zijn vader leerde hem vissen toen hij twaalf was, hij kent alle fijne kneepjes. Je moet bijvoorbeeld ’s ochtends vroeg je visnetten uitzetten, voordat de nijlpaarden zich laten zien, want je kunt beter uit de buurt blijven van de snijtanden van deze lichtgeraakte beesten. Ook weet hij dat je in diepe, stille wateren de beste vis vangt, maar dat kan nu niet. ‘Boko Haram houd zich schuil op de eilanden, en omdat we bang zijn, vissen we allemaal dicht bij de oever. We zijn met te veel, daarom zijn er te weinig vissen.’

    De afgelopen jaren zijn duizenden burgers de eilanden ontvlucht, op zoek naar de relatieve veiligheid – vaak zit de terreurbeweging maar op een paar kilometer afstand – op het vasteland, waar meer militairen zijn en humanitaire hulporganisaties hulp kunnen bieden. De vluchtelingengolf heeft voor een demografische explosie gezorgd: de bevolking in de regio is verdriedubbeld.

    Barkay draagt een lichtblauw overhemd en een gele broek, kleding die betere tijden heeft gekend en verraadt dat het vroeger beter was. Toen hij op een van de eilanden woonde, verdiende hij met gemak veertig dollar per week, had hij een prima kano en meer dan genoeg visnetten. Nu haalt hij niet eens dertig dollar per maand en deelt hij zijn boot met twee andere vissers. Hij vertelt het met gepaste verbitterdheid, beseffend dat hij van geluk mag spreken.

    Gekrijs redde het leven van Barkay. Om drie uur ’s nachts vielen Boko Haram-strijders zijn dorp Bulari aan, op een van de Tsjadische eilanden, en namen als eerste de medicijnman van het dorp te grazen, want ‘zo gaan ze altijd te werk’. Voor de jihadisten is het geloof van de medicijnmannen in magische krachten en geesten een zonde. Ze onthoofden hem voor zijn deur. Met één simpel gebaar regen ze een van de dorpshoofden aan hun mes. ‘Ik werd wakker van zijn gegil en kon wegvluchten.’ Barkay en veel van zijn dorpsgenoten lieten noodgedwongen hun dieren en bezittingen achter, die de jihadisten meenamen als oorlogsbuit.

    Door het geweldsconflict zijn de handelsroutes met buurlanden afgesloten, wat funest is voor de economie. Naast het verbod van lokale overheden om met auto’s de grens over te steken zodat de jihadisten-strijders zich niet vrij kunnen verplaatsen, bleek een ander verbod de genadeslag voor de lokale handel. Omdat de rebellen hun activiteiten onder meer financierden met de verkoop van gestolen vee – duizenden stuks vee, die goed waren voor honderdduizenden dollars – besloot men een van de diepst gewortelde handelsactiviteiten in de streek, de handel in dieren, stil te leggen. De wereldwijde daling van de olieprijs, een van de steunpilaren van de Nigeriaanse en Tsjadische economie, en de hogere investeringen in defensie ten koste van de sociale voorzieningen heeft de wond nog verder opengereten.

    Hoe dan ook, Barkay peinst er niet over om naar huis terug te keren. ‘Wat ik daar heb gezien wil ik nooit meer zien, ik blijf hier de rest van mijn leven.’ Maar hij ziet als een berg op tegen zijn toekomst. Het liefst zou hij trouwen en een gezin stichten, maar hij heeft geld nodig voor de bruidsschat, een met de schoonfamilie afgesproken aantal koeien of geiten. Meestal, aldus Barkay, betaal je een bedrag van zo’n achthonderd dollar, al kan de prijs oplopen als het meisje gestudeerd heeft of uit een rijk gezin komt. Op dit moment en in deze situatie is dat een onmogelijk te vergaren fortuin. Evenwel, als Barkay er niet in slaagt zo veel geld bij elkaar te krijgen, is zijn eer aangetast. ‘In onze cultuur moet een man trouwen. Slaag je daar niet in, dan is dat een sociale schande.’

    ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen’

    Boko Haram heeft munt weten te slaan uit deze traditie waarin de jonge mannen klemzitten. De oprichting van de Nigeriaanse terreurgroep, de groei en de uitbreiding naar de buurlanden hangen nauw samen met de armoede en de sociale ongelijkheid in Nigeria: het rijke, ontwikkelde zuiden van Nigeria met zijn moderne steden (al is daar ook een kloof tussen arm en rijk) vormt een schril contrast met de arme, veronachtzaamde noordelijke regio’s, waar nauwelijks infrastructuur en geasfalteerde wegen zijn.

    De UNESCO schat het aantal alfabeten in het noorden van Nigeria, de bakermat van Boko Haram, in 2002 op een krappe 14,5 procent. In Lagos, Zuid-Nigeria, ligt dat percentage op 92. De opstandelingen wisten wat hen te doen stond: in 2014 begonnen ze aan een nog altijd voortdurende reeks ontvoeringen van meisjes – de bekende gijzeling van de 219 schoolmeisjes in Chibok, in het noordoosten van Nigeria, maakte deel uit van deze strategie –, waar de jonge mannen die zich bij hen aansloten voor niks mee konden trouwen. Het bleek een uiterst effectieve zet. De nieuwelingen kwamen bij bosjes. Honderden jonge mannen zagen dat ze een vrouw en kinderen konden krijgen en geen sociale vernedering hoefden door te maken omdat ze geen bruidsschat kunnen betalen.

    De zeventienjarige visser Djibirine Mbodou, die meer dan een jaar lang gevangen werd gehouden en in januari 2017 wist te ontsnappen, bevestigt deze lezing. Veilig aan de oever van het Tsjaadmeer herinnert hij zich glashelder hoe Boko Haram-strijders op een nacht zijn eiland Galoa in Tsjadische wateren aanvielen en het voltallige dorp, zo’n zevenduizend bewoners, meenamen. Meteen werden er strikte regels opgelegd: bij diefstal werd je hand afgehakt en op voetballen stond de doodstraf. Dagelijks werden ze in groepen opgedeeld om te bidden. ‘Ze schreeuwden naar ons dat we vroeger verkeerd baden.’ Nog steeds heeft hij nachtmerries, want hij zag hoe ze een veertienjarige meisje martelden omdat ze weigerde seks te hebben met een strijder en hoe mensen die probeerden te ontsnappen werden gekeeld. Een aantal van zijn vrienden en buren besloten zich vrijwillig aan te sluiten. ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen.’

    Jihadist zijn stelt je bovendien in staat om in no time oude ruzies te beslechten. Eenmaal ingelijfd bij Boko Haram maak je met een kalasjnikov in je handen fluitend een eind aan een conflict met die snel gepikeerde buurman over een stuk land, vereffen je een rekening met die jongen die er ooit met je vriendinnetje vandoor ging of krijgt die rijke, gierige kennis op wie je zo jaloers was eindelijk zijn vet. De fundamentalistische terreurbeweging heeft zich aan de tijd moeten aanpassen. Initieel heette ze niet eens Boko Haram. Begin deze eeuw predikte de radicale geestelijke Mohammad Yusuf in de straten van de Nigeriaanse stad Maiduguri voor een strikt islamitische samenleving die een einde zou maken aan sociale ongelijkheid. Zijn vijand was de inefficiënte en corrupte Nigeriaanse overheid, die hij ervan beschuldigde decennialang niet naar het noorden te hebben omgekeken. In zijn preken, die steeds grotere menigten trokken, gebruikte hij in het Hausa het mantra Bokoisharam! Bokohisharam! Hij bedoelde dat het gebruik van boeken – symbool van westerse educatie dat haaks staat op het gebruik van houten plankjes op de koranscholen – een zonde was en de oorzaak van een falend systeem. Eigenlijk gebruikten ze dus niet de naam Boko Haram maar hun officiële naam: Zij die de leer van de Profeet en de jihad zullen verkondigen.

    Zijn radicale discours viel in vruchtbare aarde bij een generatie wanhopige werkloze jongeren en ontaardde in gewelddadige protestacties waarbij Nigeriaanse veiligheidsagenten en politici werden vermoord. Yusuf wilde een nationale koers varen: zijn doel was om de regering af te zetten en de sharia in te voeren. De beweging kon rekenen op machtige peetvaders. Ofschoon ze hun inkomsten later uit bankroven, afpersingen en plunderingen haalden, werden ze aanvankelijk financieel gesteund door hoge politici en geestelijken uit het noorden van Nigeria. Met de moord op Yusuf tijdens zijn gevangenschap in 2009 en de standrechtelijke executies van honderden van zijn aanhangers brak de hel los. Enkele maanden later nam Abubakar Shekau de leiding over en sloeg de terreurgroep een nog bloederiger koers in met aanslagen en moordpartijen op grote schaal en gebruikten ze het zaaien van paniek als pressiemiddel. Vanaf dat moment danken ze hun machtspositie aan het aura van geweld dat hen omringt. Alleen de naam Boko Haram al doet iedereen verstijven van schrik.

    Gevraagd naar Boko Haram laat de jonge Mbodou, die langer dan een jaar door de rebellen werd gegijzeld, zien hoezeer zijn angst is geïnternaliseerd. Hij zit op zijn knieën onder een bladerdek dat hem tegen de zon beschermt en er is er geen spoor van rancune te horen in zijn antwoord. ‘Wie de rebellen zijn? Het zijn de mannen die ’s nachts op pad gaan. Als je ze tegenkomt, snijden ze je strot door. Daar krijgen ze een kick van.’

    De verhalen die je hoort in het gebied rond het Tsjaadmeer worden gevoed door de angst voor nachtelijke verrassingsaanvallen en de ongekende wreedheid. In Baga Sola, de belangrijkste stad in het Tsjadische grensgebied, doet een afschuwelijk verhaal de ronde. Op een nacht bereikten twee Boko Haram-strijders een gehuchtje, even buiten de stad. Ze namen hun intrek in de lemen hut van een doodsbange oude man die, niet in staat om te vluchten, zijn enige overlevingskans zag in het zo gastvrij mogelijk behandelen van de twee mannen. Hij stond vroeg op om bij de put water voor de thee te halen. Hij ververste het stro in hun matrassen en bereidde zelfs een geit voor hen. Hij probeerde niet te ontsnappen. De dag voor hun vertrek zeiden ze tegen hem: ‘Je gastvrijheid en opofferingsgezindheid hebben diepe indruk op ons gemaakt. Je bent een goed man, je verdient een plek in het paradijs. Maar stervelingen zijn zwak en je loopt het risico verleid te worden en de weg kwijt te raken. Daarom, opdat Allah je toelaat tot het paradijs, gaan we je vermoorden.’ En ze sneden zijn keel door.

    Dit verhaal, bij de ene verteller met een wat langere monoloog of met iets meer nadruk op de goedheid van de oude man dan bij de ander (omdat er geen getuigen zijn is de precieze inhoud niet te verifiëren), laat zien hoe de angst zelfs is doorgedrongen tot de horrorverhalen in de streek. Voor velen is Boko Haram de duivel.

    Ook in het dorpje Dileram aan het Tsjaad-meer worden mensen opgevangen die aan Boko Haram zijn ontsnapt of hun eigen dorp ontvlucht. – © Zumstein / Agence VU
    Ook in het dorpje Dileram aan het Tsjaad-meer worden mensen opgevangen die aan Boko Haram zijn ontsnapt of hun eigen dorp ontvlucht. – © Zumstein / Agence VU

    Naast religieus-extremisme en armoede zijn er twee andere factoren die verklaren waarom een handjevol fanatiekelingen – tussen de vier -en zesduizend goed getrainde strijders, volgens de CIA – Nigeria, de belangrijkste economie van Afrika, en de buurlanden helemaal klem heeft gezet: dat ze vergeten worden en zich gekwetst voelen.

    In Dar es Salaam, het grootste vluchtelingenkamp aan de Tsjadische zijde van het meer, tekent Nasiru Saidu beide factoren met zijn vingers in het zand. Met zijn handpalm egaliseert hij de zandgrond en trekt met drie vingers een golvende baan. Aan één kant schrijft hij Doro, de naam van zijn Nigeriaanse dorp, aan de andere Tsjaadmeer. Zittend tegenover een voetbalveld waar ngo’s potjes voetbal organiseren om de kinderen hun trauma’s te laten verwerken, roept Saidu herinneringen op aan begin januari 2015, toen zijn leven als vis- en uienhandelaar voorgoed een andere wending nam. Terwijl Parijs beefde onder de fundamentalistische terreuraanslag op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo en de westerse wereld bedolven werd onder spandoeken met de tekst ‘Je suis Charlie’, pleegde Boko Haram aan de Noord-Nigeriaanse kust van het Tsjaadmeer de heftigste aanval uit hun geschiedenis. Na de verovering van een legerbasis belegerden jihadstrijders vijf dagen lang de stad Baga en zestien dorpjes zonder ook maar enige vorm van tegenstand te ondervinden. Duizenden burgers – enkele bronnen spreken van tweeduizend, maar niemand bleef achter om ze te tellen – werden vermoord, duizenden anderen staken in paniek het meer over in de richting van Tsjaad. Saidu was een van hen. ‘Toen we zagen hoe een Nigeriaanse soldaat met een schotwond op een bromfiets werd vervoerd, wisten we dat dit geen gewone aanval van Boko Haram was.’

    Een paar weken daarvoor had Saidu eindelijk na twee jaar al zijn moed verzameld om zijn dorp te bezoeken. Omdat het Tsjaadmeer nu militair grondgebied is, moest hij een omweg nemen. Hij was vier dagen onderweg en reisde mee met zes verschillende vrachtwagens. As was alles wat hij vond. ‘Alles is verlaten. Hier en daar zie je nog botten liggen.’

    Saidu is 36 jaar en heeft niets meer, behalve zijn trots. Hij spreekt rustig maar vastberaden. ‘Eerlijk gezegd hebben we banen nodig. Wachten tot er hulp komt schiet niet op. Van niks doen krijg je honger, en een hongerige man is een boze man. Wij willen niet afhankelijk zijn van humanitaire hulp.’

    Saidu is dun, maar lang en grofgebouwd. Hij draagt een lang wit hemd, zijn kortgeschoren hoofd en zwarte puntbaardje met grijze plukken accentueren zijn scherpe gelaatstrekken. Hij glimlacht aan één stuk door en boezemt vertrouwen in. Hij knoopt meteen een gesprek aan met de vrouwen die water komen halen bij een nabijgelegen put.

    Zo op het eerste gezicht lijkt Saidu uit leidershout gesneden, wellicht omdat hij helder en genuanceerd spreekt. Hij beschouwt Boko Haram-strijders niet als de duivel en hij heeft recht van spreken: hij kent er een aantal. Hij weet dat mensen zich aansloten omdat ze honger leden, omdat Boko Haram naar hun dorp kwam en een salaris en voedsel beloofde. Hij heeft vrienden die niet diepreligieus waren en nog nooit iets misdaan hadden, maar uit wraakzucht toetraden tot Boko Haram. De corruptie en het misbruik van het Nigeriaanse leger zijn evengoed debet aan de huidige situatie als de moslimextremisten. Hij vertelt hoe het leger zich ineens in hun dorp liet zien en een dozijn jongeren meenam. Niemand heeft ze ooit nog teruggezien. En niet te vergeten de zo gevreesde regel één om vijftig: ‘Het was in Baga Sola, in een wijk die Flatari heette,’ herinnert hij zich. ‘Boko Haram had een soldaat vermoord en even later kwam het Nigeriaanse leger en brandde de hele wijk plat. Zieken, ouderen, blinden, allemaal onschuldige mensen kwamen om. En de reden: iemand had een militair gedood, maar niemand wist wie de moordenaar was.’

    Geef ons je geld en maak dat je wegkomt

    Lokale organisaties klagen al jaren over de gruweldaden die het Nigeriaanse leger pleegt onder het mom van de strijd tegen het terrorisme. Ook de internationale gemeenschap is hiervan op de hoogte. Amnesty International heeft een rapport gepubliceerd met beeldmateriaal en ander bewijs van martelingen en executies van honderden burgers. Human Rights Watch beschuldigt de mensen die de voor Boko Haram gevluchte vrouwen horen te beschermen van misbruik: militairen, politieagenten en opvangkampmedewerkers verkrachten meisjes of vragen seksuele gunsten in ruil voor bescherming of voedsel.

    Djim en Abdoulhassan, Tsjadische hulpverleners van een internationale organisatie, willen alleen anoniem spreken. Djim werkte in Nigeria en wil niet terug. ‘Het leger begint meteen te schieten.’ Hun angst voor Boko Haram maakt dat zodra de situatie een beetje gespannen is hun vinger wel heel snel richting de trekker gaat. Dan zijn er nog de systematische overvallen. Djim heeft zijn lesje wel geleerd toen het op een dag iets later werd op kantoor en hij ’s avonds door de straten van Maiduguri in Noord-Nigeria liep. Hij werd tegengehouden bij een militaire controlepost. Het deed er niet toe dat hij uitlegde waar hij werkte en dat hij hulpverlener was. De militairen namen al zijn bezittingen af. ‘Het enige wat ze zeiden was: geef ons je geld en maak dat je wegkomt.’

    Op het hoogtepunt van de radicale terreurbeweging maakte de paranoia van het slecht getrainde en nog slechter betaalde Nigeriaanse leger van elke routinematige controle op gevaarlijk terrein een vorm van Russische roulette. Een kleine blauwe plek kon voldoende zijn voor een veroordeling: had de verdachte op zijn schouder iets wat leek op een geweerafdruk, dan was dat het bewijs dat hij een Boko Haram-strijder was. Er waren nog andere methodes: de teennagels bestuderen, bijvoorbeeld. Had de persoon ingegroeide teennagels dan was dat voor sommige militairen een teken dat hij urenlang met militaire kisten aan had gelopen. Het onmiddellijke vonnis: Boko Haram-strijder, de gevangenis in, als de verdachte geluk had. Soms werd er snelrecht toegepast en kreeg de verdachte ter plekke een nekschot.

    Toen eind 2015 de noodtoestand in Tsjaad werd uitgeroepen kwam het leger met een voor het volk niet mis te verstane mededeling: iedereen die zou achterblijven op de eilanden, was een Boko Haram-strijder, inclusief de dieren. De eilanden waar burgers eeuwenlang hadden geleefd werden een nog gevaarlijker plek.

    Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land

    Desondanks ontkent de hoogste lokale autoriteit van de regio Baga Sola, Dimonya Sonapébé, keihard dat er in zijn jurisdictie burgers zijn omgebracht. Gestoken in zijn mooiste kleren ontvangt hij me in het zitje van zijn kantoor en pareert elke kritische vraag. ‘In het leger noemen we dat collateral damage. Dit gebeurt overal. Welke militair schiet nu vrijwillig op zijn eigen bevolking. Onmogelijk! Soms worden er fouten gemaakt als je een hele groep wilt redden. Dan kan het voorkomen dat je per ongeluk iemand doodt, dat is betreurenswaardig.’ Als hij geconfronteerd wordt met getuigenverklaringen van bombardementen op Tsjadische dorpen vol ontvoerde vrouwen en kinderen en illegale executies op Nigeriaans grondgebied, kapt hij het gesprek af. ‘Wij hebben nergens spijt van. Wij verwijten onze veiligheidsmacht niets. Wij zeggen alleen: Bravo! Bravo! Jullie hebben de strijd gewonnen!’

    De opkomst van burgerwachten in Nigeria, Tsjaad, Niger en Kameroen is evenmin bevorderlijk voor een strikte naleving van de wet. Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land. Af en toe vonden er rechtstreekse confrontaties plaats met de terreurgroep, die de mannen vanwege hun overduidelijke inferioriteit met hun leven moesten bekopen. Het zijn vrijwilligers die hun mensen en familie proberen te beschermen in een uitzichtloze situatie.

    Abakar Salha en Souleymane Obusmaneissa voldoen op het eerste gezicht aan dit profiel. De een draagt een lilakleurige tulband, de ander een witte. Gewapend met een metaaldetector fouilleren ze elke bezoeker die de markt van Baga Sola wil betreden, inclusief de kamelen. Als ze niks verdachts vinden halen ze het over de hele breedte van de straat gespannen touw weg en mag de gefouilleerde persoon doorlopen. Vinden ze iets verdachts, dan wordt hij of zij meegenomen naar de autoriteiten. De burgerwacht en controlepost bestaan sinds oktober 2015, toen er verschillende zelfmoordacties plaatsvonden op de markt en in de buitenwijken, die aan veertig mensen het leven kostten. Ofschoon je op je vingers kunt natellen dat bij een volgende aanslag hun leven gevaar loopt, is er geen enkele aarzeling bij Salha te bespeuren.

    ‘Vreest u niet tegenover een zelfmoordenaar te komen staan?’

    ‘Nee, daarom zijn we hier, om dat te voorkomen.’

    ‘Maar als u iemand fouilleert die een bomgordel draagt, dan kunt u hem activeren.’

    ‘Wij willen alleen maar onze mensen beschermen. Als wij het niet doen, wie dan wel?’

    Auteur: Xavier Aldekoa
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    De Spaanse journalist Xavier Aldekoa is sinds 2009 Afrika-correspondent voor de krant La Vanguardia. In 2014 publiceerde hij zijn eerste boek: Ocean Africa.

    Gatopardo
    Mexico | maandblad | oplage 50.000

    Gatopardo wordt verspreid in Latijns-Amerika en in Miami. Journalisten uit verschillende landen leveren bijdragen aan dit maandblad, dat ook het werk van schrijvers als Carlos Fuentes, Ernesto Sábato of Alma Guillermoprieto publiceert.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 87: Hoe deradicaliseer je Boko Haram?
    1. 120: Experiment in Niger: amnestie voor Boko Haram

    Reader # 10: Aisha maakt jacht op Boko Haram

  • Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    De Palestijnse feministe Samah Salaime vond op het 
sociale netwerk tal van getuigenissen van vrouwen die zich langzaam ontworstelen aan tradities.

    Onlangs heeft een van mijn Facebook-vriendinnen me toegevoegd aan een groep Arabische vrouwen. ‘O nee! Weer zo’n suf groepje!’ dacht ik meteen. Maar goede feministe als ik ben, kon ik uiteraard de verleiding niet weerstaan er een blik op te werpen.

    Ik vond op deze pagina getuigenissen van Arabische vrouwen van alle leeftijden en uit alle uithoeken van Israël: moslima’s, druzen en christenen, meer of minder belijdend, getrouwd of vrijgezel. Zowel ontroerende verhaaltjes als pretentieloze anekdotes, confidenties over grote liefdes en al even 
grote teleurstellingen, verhalen over 
existentiële crises en een nieuw begin.

    Veerkracht

    De afgelopen jaren hebben tienduizenden vrouwen op Facebook een podium gevonden om zich te uiten. Het zijn leraressen, sociaal werksters, verpleegkundigen, zakenvrouwen en zelfstandig privécoaches die praktisch alle onderwerpen op hun pagina’s aansnijden.

    Zo stuitte ik op het verhaal van een jonge vrouw, Lamis, wier moeder 
tijdens de bevalling is overleden en die vanaf haar geboorte de naam draagt van een moeder die ze nooit heeft gekend of in de ogen gekeken. Lamis, te vroeg geboren met een lichamelijke handicap, beschrijft de moeilijkheden waarmee ze sinds haar kinderjaren kampt en weidt uit over de verschillende fases van haar leven. Momenteel geeft ze leiding aan een re-integratieprogramma voor jonge gehandicapten uit de Arabische gemeenschap. De naam van haar programma is ‘I can’.

    Hanan, een heel bijzondere vrouw van dertig, heeft haar getuigenis geïllustreerd met een foto van een tatoeage op haar arm: een esculaap, het symbool van de geneeskunde, met het onderschrift ‘Ik beloof dat ik het weer oppak’. Nadat ze geneeskunde was gaan studeren kreeg ze een ernstig ongeluk waardoor ze eenzijdig verlamd raakte. Ze zwoer dat ze als ze erbovenop zou komen haar studie weer zou oppakken, en maakte haar droom waar. Na een periode als EHBO’er te hebben gewerkt vatte ze de moed om terug te keren naar de medische faculteit, zoals ze zichzelf had beloofd, waar ze momenteel afstudeert als medisch onderzoeker. De vrouwen uit deze Facebook-groep hebben comfortabele posities opgegeven om hun kinderdroom te verwezenlijken. Fitnessinstructrices en gezondheidscoaches, leidsters van vrouwelijke wielrenploegen, een vrouw die haar baan bij een vrouwenorganisatie vaarwel zegde om styliste en modeontwerpster te worden.

    “Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren”, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe

    Marianna, moeder van vier kinderen, verloofde zich op haar vijftiende en was zwanger toen ze eindexamen deed. ‘Een vroeg huwelijk’: dat was genoeg om meteen alle rode lampjes bij mij te doen branden. Toch heb ik niet te snel geoordeeld en ben ik door blijven lezen. Daarna nam ik contact met haar op om haar beter te kunnen begrijpen. Ze vertelde me over haar man, die haar niet alleen ‘toestemming’ had gegeven om te studeren en werken, maar haar ook echt steunde en haar dromen en ambities deelde. Geheel in tegenstelling met de in zijn milieu geldende normen zorgde hij voor de baby, en daarna voor het broertje dat anderhalf jaar later kwam, en stelde hij alles in het werk om zijn vrouw haar vleugels te laten uitslaan. ‘Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren’, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe. ‘Ik kolfde voordat ik naar college ging, het huis was een puinhoop en het kwam voor dat de gootsteen vol vuile vaat stond 
en dat er niet één schoon lepeltje meer te vinden was. Maar hoewel ik daarna nog twee kinderen kreeg, lukte het me om af te studeren. Nu ga ik op zoek naar een baan en gaat mijn man door met zijn islam- en shariastudie. Want hij is imam in een moskee.’

    Imam? Ik wist niet wat ik hoorde. ‘Ja, hij is heel gelovig, en hij is heel oprecht en eerlijk. Hij behandelt me met alle egards die zijn geloof en zijn religieuze wet voorschrijven. De islam heeft niets tegen ambitie, en mijn man steunt me volledig bij mijn pogingen gelukkig te worden en me te ontplooien. Hij is aanwezig geweest bij mijn drie diploma-uitreikingen: mijn eindexamen, mijn bachelor en mijn master. Dat is inderdaad iets wat je niet vaak hoort,’ voegt ze eraan toe.

    © Ali Al-Shehabi  (Zie ook de toelichting onderaan)
    © Ali Al-Shehabi (Zie ook de toelichting onderaan)

    Ik had misschien liever gehad dat ze niet in haar eindexamenjaar was getrouwd, maar wie ben ik om te 
oordelen over het hart van een meisje dat weet wat ze met haar leven wil?

    Steeds meer vrouwen laten zich op het internet met ontroerende eerlijkheid van hun feministische kant zien. Het zijn geen verhalen die de voorpagina’s van kranten zullen halen, maar ze geven de lezeressen een gevoel van macht, helpen hen steviger in hun schoenen te staan en laten ze zien 
dat ze niet alleen zijn.

    In het veelsoortige ecosysteem van Facebook vind je vrouwen die op allerlei gebieden werkzaam zijn en hun dromen najagen, daarin slagen en zich ontplooien. Waarom zou je naar een Hollywoodfilm als Wonder Woman gaan om een vrouw te zoeken die haar lot in eigen hand neemt, obstakels uit de weg ruimt en met hetzelfde gemak plafonds van glas en beton doorbreekt, als je op Facebook zulke vrouwen kunt vinden die veel dichter staan bij de Arabische meisjes die hun eerste 
stappen in het leven zetten?

    Ik werk al twintig jaar met Arabische vrouwen. En elke keer weer ben ik getuige van de stille revolutie die deze vrouwen dag in dag uit in hun natuurlijke omgeving ontketenen. Met kleine stapjes leiden ze ons en onze samenleving naar een betere en inspirerendere toekomst.

    Sommigen van ons hebben het geluk gehad dat ze door hun ouders gemotiveerd en aangemoedigd zijn. Anderen hebben hun ouders nooit gekend en zijn slachtoffer geworden van geweld, onrechtvaardigheid en traumatische ervaringen. Er zijn vrouwen bij die fysieke, seksuele of psychologische mishandeling hebben ondergaan. Sommigen slaan zich er helemaal in hun eentje doorheen, maar de meesten van ons hebben in elk geval iemand 
die in ons gelooft. Om in het leven te slagen hebben Arabische vrouwen, zoals alle vrouwen ter wereld, 
soms maar één iemand nodig die hen begrijpt, plus de onbedwingbare wil om vooruit te komen.

    Met vreemde ogen

    Ik heb me afgevraagd waarom dit fenomeen me zo ontroerde en begeesterde. Zijn die tienduizenden sterke, actieve, onafhankelijke vrouwen een uitzondering? En zo ja, door wie worden de regels waarop ze een uitzondering 
vormen dan opgelegd?

    Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn enthousiasme zich deels laat 
verklaren door het ongelooflijk grote aantal getuigenissen van vrouwen die erin zijn geslaagd zich te ontplooien, wat me alleen maar sterkt in mijn feministische overtuiging. Aan de andere kant benadrukt mijn enthousiasme dat zelfs iemand zoals ik, die doorgaat voor een ‘verlichte Palestijnse’, het leven van de vrouwen uit haar gemeenschap met vreemde ogen blijft bezien. Het wordt hoog tijd daar verandering in aan te brengen.

    De ‘normale’ ontwikkeling van vrouwen in de Arabische samenleving 
verloopt volgens een westers patroon dat een onveranderlijke volgorde van de verschillende levensfases van de vrouw impliceert: schooltijd, jongens, werk, huwelijk, carrière en de ontplooiing van haar mogelijkheden. Daarom is elk verhaal dat ook maar enigszins afwijkt van deze normale sequens in mijn ogen een ‘indrukwekkende’ uitzondering. Vooral als het goed afloopt. Ze is immers tegen alle verwachtingen in geslaagd; ondanks dat ze een 
Arabische vrouw is, uit een dorp in het noorden of een stam in het zuiden komt, een hidjab draagt, is opgegroeid in een traditionele gelovige familie, jong is getrouwd, veel kinderen heeft gekregen, en heel wat andere obstakels heeft overwonnen – die vooral in onze gedachten bestaan.

    Van alle vrouwen die hun verhaal vertelden hebben vele niet het westerse persoonlijke ontwikkelingspatroon gevolgd. Zij hadden gewoon een ander uitgangspunt, of ze nou uit vrije wil handelden, of omdat ze geen andere keus hadden. In plaats van hun school af te maken, een vervolgopleiding te doen, te werken en daarna een gezin 
te stichten, heeft de overgrote meerderheid van de Arabische vrouwen 
een enigszins ander parcours gevolgd, waarbij liefdesbetrekkingen en seksualiteit onverbrekelijk verbonden zijn met het gezin en het instituut huwelijk. Ze proberen niet zozeer aan deze voorwaarden te tornen, maar gaan stug hun eigen gang ondanks de geldende omstandigheden. Het verlangen de regels te schenden en te normale gang van zaken te trotseren komen 
van binnenuit en met de jaren.

    We durven nog niet van de “verantwoordelijkheid” van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ”Ik heb het allemaal zelf gedaan” te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten

    Ik ben zelf op mijn twintigste getrouwd en kreeg op mijn eenentwintigste mijn eerste kind, zonder ook maar een moment stil te staan bij de gevolgen die dat zou hebben voor mijn studie en mijn carrière. Het heeft me enkele jaren gekost om te begrijpen dat ik voor een andere weg had kunnen kiezen. Maar één ding is zeker: in de Arabische samenleving zijn de sociale normen voortdurend in ontwikkeling, vooral dankzij de tienduizenden vrouwen die het er niet bij laten zitten.

    De vrouwen die zich uitspreken in deze verschillende Facebook-groepen hebben ook een partner: de nieuwe Arabische man.
    Het merendeel van de actieve vrouwen is getrouwd, en ook bij hun echtgenoot voltrekt zich een langzame, radicale en soms pijnlijke revolutie. De bevoorrechte status van de man die de scepter over het gezin zwaait omdat hij nu eenmaal een man is (iets wat men in feministische termen het patriarchaat noemt) wordt steeds meer ter discussie gesteld in het licht van nieuwe sociaaleconomische ontwikkelingen.

    De vrouw van tegenwoordig werkt, studeert, beslist mee en deelt de economische en familiale verantwoordelijkheden met haar echtgenoot. De man neemt niet meer dezelfde plaats in als vijftig jaar geleden.

    De meeste vrouwen met wie ik contact heb gehad prezen hun geweldige 
partner, die hen had gesteund en 
aangemoedigd en dankzij wie ze waren geslaagd in wat ze hadden ondernomen. We durven nog niet van de ‘verantwoordelijkheid’ van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ‘Ik heb het allemaal zelf gedaan’ te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten. 
Maar ik zou niets willen afdoen aan het ideaalbeeld dat deze vrouwen 
wensen voor te spiegelen, en een goede verstandhouding binnen het huwelijk kan alleen maar op waarde worden geschat.

    Toch is de gelijkheid tussen man en vrouw nog heel ver weg en heeft de feministische revolutie nog een lange weg te gaan.

    De Arabische man begint getuige te worden van de langzame en moeizame bewustwording van de vrouwen in zijn omgeving, die zich nog in een beginfase bevindt. Ik ben ervan overtuigd dat er een moment zal komen dat onze mannen, vaders, broers en zoons zich wel zullen moeten schikken in deze veranderingen en in de revolutie die tot een moderne Arabische man zal leiden, tot een nieuw idee over viriliteit. Er zullen natuurlijk altijd mannen blijven zijn die, omdat ze zich niet in de veranderingen kunnen vinden, 
hun vrouw weer onder de duim zullen proberen te krijgen en voorwendsels zullen zoeken om geweld, onderdrukking en andere vormen van dominantie te rechtvaardigen.

    Daarom, dames en heren, ontdoe ik mij hier en nu van een van die dikke lagen van westers feministisch bewustzijn die zich op mijn lichaam hebben afgezet en vervang ik die door de zachte, tere, onvolmaakte maar authentieke sluier van het Arabische feminisme. 
Ik zal de bevrijding van de Arabische vrouw niet langer als een vorm van eenrichtingsverkeer beschouwen, ik zal niet langer van mening zijn dat de enige legitieme weg de weg is die ons wordt opgelegd door de Israëlische samenleving of het westers feminisme. Het Arabische bevrijdingsproces is 
valide op zich, zonder dat we het ritme van onze veranderingen hoeven te 
vergelijken met dat van andere samenlevingen. De ‘sociologische gps’ moet gewoon de Arabische kaart leren lezen en zich aanpassen.

    Auteur: Samah Salaime

    Samah Salaime (te zien in het openingsbeeld) werd geboren in het noorden van Israël in een gezin van Palestijnse vluchtelingen. Ze behaalde een master Maatschappelijk Werk aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In 2009 richtte ze de ngo Arab Women in the Center (AWC) op, die vrouwen aanmoedigt voor zichzelf op te komen. Deze ngo strijdt vooral tegen het geweld waaraan vrouwen in de Arabische gemeenschap worden blootgesteld. AWC spoort vrouwen en meisjes ook aan om een actieve rol te spelen in het protest tegen de verwoesting van Palestijnse huizen door het Israëlische leger.

    Bij het beeld van de twee vrouwen:

    De Bahreinse fotograaf Ali Al-Shehabi (23) putte voor zijn serie Freej Sisterhood uit zijn jeugdherinneringen aan de wijk Al Karama in Dubai. Als kleine jongen ontmoette hij vaak gesluierde vrouwen die hun inkopen kwamen doen in de buurt. Dit leidde tot de serie Freej Sisterhood (Freej betekent buurt in het Arabisch van de Golf).

  • Stop met moskeeën bouwen, er zijn er meer dan genoeg!

    Stop met moskeeën bouwen, er zijn er meer dan genoeg!

    De weldoeners die in Marokko de ene moskee na de andere uit de grond stampen, kunnen beter zorgen voor meer scholen, ziekenhuizen en wegen, vindt journalist Karim Bukhari.

    Ik zal me altijd dat godverlaten vissersdorp aan de Middellandse Zee blijven herinneren. Aan alles was gebrek. Aan een school, aan medische voorzieningen, aan bestrating. De mensen leefden er in een totaal isolement. Stromend water hadden ze niet, noch riolering of een vuilophaaldienst. De elektriciteit kwam van één haperende generator. In dit gehucht viel werkelijk niets te halen. Omdat er niets was. Op een kleine moskee na…

    Het wonderlijke was dat de inwoners hun schamele spaarcenten bij elkaar hadden gelegd om die moskee te laten bouwen. Ze hadden minder behoefte aan een school, een gezondheidscentrum, een fatsoenlijke weg dan aan een ‘godshuis’, zoals een van hen tegen mij zei. Want daarmee verdiende elke goede gever een woning in het hiernamaals – zo stond het immers in een beroemde Hadith, ofwel overlevering van de profeet Mohammed.

    Als u dit land doorkruist, zult u nooit verlegen zitten om een plek waar u kunt bidden

    Dit verhaal staat niet op zichzelf. Overal in Marokko, tot in de verste uithoek, zijn er godshuizen te vinden – maar niet zo gek veel meer.

    Met andere woorden: als u dit land doorkruist, zult u nooit verlegen zitten om een plek waar u kunt bidden. Mocht u echter aan iets anders behoefte hebben: grote kans dat u van een koude kermis thuiskomt.

    De moskee is dus kennelijk de moeder aller prioriteiten. Dat wil zeggen, de moskee en haar belofte van zielenrust, een comfortabel leven in het hiernamaals. Dat is veel belangrijker dan de vele ‘aardse’ behoeften aan ontwikkeling, sanitaire voorzieningen en beheer van de openbare ruimte. Zo zit dat. En eigenlijk is dit niets nieuws. Duizend jaar geleden ontbrak het ook aan scholen en klinieken, maar waren er ongetwijfeld wel meer dan genoeg godshuizen. Het verschil is dat die na verloop van tijd ook dienst gingen doen als opvang voor behoeftigen, als scholen, als opleidingscentra waar mensen leerden lezen en schrijven aan de hand van de Koran.

    De minaret van de grote moskee van Chefchaouen, een van de acht moskeeën in de ‘heilige’ stad. – © Getty Images
    De minaret van de grote moskee van Chefchaouen, een van de acht moskeeën in de ‘heilige’ stad. – © Getty Images

    De moskee is in de geschiedenis van de islamitische wereld altijd meer geweest dan alleen maar een ruimte om te bidden. Men volgde er ook opleidingen, leerde er over diverse wetenschappen, besprak de politieke actualiteit, vernam de laatste nieuwtjes van binnen de gemeenschap, leerde er kritisch denken… Het was een complete leefomgeving, de belangrijkste van haar tijd, een grote en veilige plek van samenkomst voor een hele gemeenschap.

    Het probleem is dat er sindsdien meer dan duizend jaar zijn verstreken, waarin veel is veranderd. Beetje bij beetje zijn de moskee en andere religieuze plaatsen teruggekeerd naar hun oorspronkelijke functie: bidden. Hun overige ‘beschavende’ taken zijn overgenomen door scholen, universiteiten, verenigingen, ziekenhuizen, vakbonden, gaarkeukens, bibliotheken, culturele centra, enzovoort.

    Wie heden ten dage nog een moskee wil bouwen – of dat nu is tot nut van de gemeenschap, om God dichterbij te brengen, of om een huis in het hiernamaals te verdienen – kan beter een school bouwen. Of een ziekenhuis. Een bibliotheek. Een opvangcentrum. Een bejaardenhuis. Een weg aanleggen. Dat is wat onze gulle weldoeners, zij die nog meer moskeeën bouwen dan de overheid, dienen te beseffen.

    Vijftigduizend godshuizen in het hele land (volgens de officiële cijfers) met daarnaast nog vele clandestiene en tijdelijke moskeeën, alsmede vele openbare plekken (rijstroken, trottoirs) die regelmatig in bidplekken worden omgetoverd… de gebedsbehoefte is ruimschoots vervuld, men kan moeilijk anders beweren. Als de weldoeners dit nog niet weten, dan wordt het tijd dat ze dit tot zich laten doordringen – en hetzelfde geldt voor de overheid. Marokkaanse burgers hebben tegenwoordig andere noden.

    Auteur: Karim Bukhari
    Vertaler: Carl Stellweg

    Le360
    Marokko | fr.le360.ma

    Betrouwbare bron van informatie over de politieke, sociale, economische en culturele actualiteit in Marokko. In het Frans en Arabisch.

  • 4. Sta ook eens stil 
bij het lot van 
de Arabische vrouw

    4. Sta ook eens stil 
bij het lot van 
de Arabische vrouw

    Prima, die #MeToo-discussie. Maar bezien vanuit de Arabische wereld – waar vrouwen op grote schaal worden uitgehuwelijkt, vermoord en verkracht – heeft ze iets gênants, schrijft de Libanese journaliste Diana Moukalled.

    Eigenlijk zouden we het Iraakse parlementslid Jamila Al-Obeidi, die plotseling beroemd is geworden met haar pleidooi voor polygamie, dankbaar moeten zijn. Zij vindt zelfs dat Irakezen toestemming moeten krijgen om een tweede, een derde en een vierde vrouw te nemen zonder dat met hun eerste vrouw te bespreken, omdat dat volgens haar een oplossing zou zijn voor het probleem van 
de weduwen en gescheiden vrouwen. Ze verscheen in het ene tv-programma na het andere om haar opvattingen over vrouwen te promoten. Aanvankelijk waren de reacties op haar idee sarcastisch, maar nu zou het wel eens bewaarheid kunnen worden want het is inmiddels een wetsvoorstel dat aan het Iraakse parlement zal worden voorgelegd.

    Eigenlijk zouden we haar dankbaar moeten zijn; haar initiatief kwam op het moment dat ik geheel in beslag werd genomen door een andere discussie, die zich voornamelijk afspeelt tussen Hollywood en Parijs. Ik heb het over het vervolg op de #MeToo-campagne die de val van beroemdheden uit de wereld van de media, de kunst en de politiek heeft veroorzaakt. Daarop kwam de verrassing uit Parijs, in de vorm van een manifest dat was ondertekend door honderd vrouwen, onder wie Catherine Deneuve. Binnen een paar uur raakte de westerse wereld in een verhit debat verzeild over de vraag waar de vrijheid die het individu zou moeten hebben, omslaat in een overmaat aan machismo dat via misbruik van macht en invloed leidt tot seksuele intimidatie.

    Ik kan niet voorkomen dat ik me beledigd voel door het ongezond elitaire karakter van dit debat, dat enerzijds eer betoont aan slachtoffers van seksuele agressie en anderzijds weigert de vrouw alleen als slachtoffer te zien

    Waar eindigt de individuele vrijheid? Vanaf welk punt is er sprake van agressie? Kan het artistieke scheppingsproces dienen om intimidatie toe te dekken? Zo stond de westerse discussie ervoor… toen ik het nieuws hoorde over mevrouw Al-Obeidi en haar campagne voor polygamie in Irak. Daardoor kwam ik weer met mijn voeten op de grond terecht en besefte ik weer hoe het er met ons, Arabische vrouwen, voorstaat.

    De feministische strijd waarmee wij hier in de regio te maken hebben, is van een heel andere orde. Ik vind niet dat ik het recht heb om een mondiale discussie over seksuele vrijheden weg te wuiven, maar ik kan niet voorkomen dat ik me beledigd voel door het ongezond elitaire karakter van dit debat, dat enerzijds – in Amerika – eer betoont aan slachtoffers van seksuele agressie en anderzijds – in Frankrijk – weigert de vrouw alleen als slachtoffer te zien. Ik kan alleen maar spreken vanuit mijn positie als Irakese, Syrische, Jemenitische, Saoedische, Egyptische, Tunesische…

    Privilege

    Al zeven jaar worden vrouwen in Syrië vermoord 
en verkracht, en wij zijn niet in staat hen te beschermen. Zoals de Syrische Mariam Khalaf het in de documentaire Syrie, le cri étouffé zegt over de systematische verkrachtingen onder het regime van Bashar al-Assad: ‘[Westerlingen] zullen deze film bekijken, 
er een naar gevoel van krijgen, en dan weer overgaan op iets anders.’ Dat is inderdaad de houding van de wereld tegenover de fysieke en morele vernietiging van duizenden en duizenden vrouwen in Syrië, 
om nog maar niet te spreken van de mannen en 
kinderen die ook een hoge prijs hebben betaald.

    Amerika maakt zich druk om het lot van Hollywoodsterren die seksueel geïntimideerd worden. 
De Parijse intellectuelen maken zich druk om wat 
zij beschouwen als preutsheid en een aanslag op het vrouw-zijn. Maar de wereld maakt zich nauwelijks druk om het verhaal van Mariam en duizenden – 
wat zeg ik? – miljoenen andere vrouwen uit haar land die veel erger geweld moeten ondergaan.

    Ik ken niet één vrouw die geen ervaring heeft met seksuele intimidatie. Het is mij ook overkomen. Ja, 
ik en veel andere vrouwen kunnen dat achter ons laten en verdergaan. Maar ik zie wel dat er ook andere vrouwen zijn die niet weten hoe ze verder moeten. Ik besef dat je niet alles door elkaar moet halen. Dit soort zaken is complex en moeilijk te ontwarren. Maar hoe kun je dit trans-Atlantische debat anders zien dan als een privilege, voorbehouden aan een elite, een luxe die wij ons niet kunnen veroorloven, wij die in landen leven waar onophoudelijk geweld tegen het lichaam en de ziel van vrouwen wordt gepleegd? Zolang men het niet nodig vindt 
om deze vrouwen te redden, heeft het huidige debat iets gênants, ja zelfs iets onfatsoenlijks.

    Auteur: Diana Moukalled
    Vertaler: Annemie de Vries

    Daraj
    Libanon | daraj.com

    Pan-Arabische nieuwssite met grootse ambities, 
o.a. om taboes te doorbreken. Richt zich vooral 
op millennials.

  • Marokkaans heiligdom wordt homo-ontmoetingsplaats

    Marokkaans heiligdom wordt homo-ontmoetingsplaats

    Een heilige grot vlak bij de Marokkaanse stad Meknes is een toevluchtsoord geworden voor homoseksuelen en travestieten. ‘Hier vervolgt niemand ons.’

    We bevinden ons in het gebied dat tegen het Rifgebergte aanligt, ter hoogte van Zerhoun, in de buurt van Meknes [in het noordwesten van Marokko]. Hier bevindt zich de zawiya [klooster of leerschool] van Sidi Ali Ben Hamdouch, in de gemeente Mghrassyine. Een heiligdom dat aan de vooravond van iedere herdenking van de Mawlid [de geboorte van de Profeet] bruist van de activiteiten: soefiwakes, gezang, offers van pluimvee, schapen en runderen, folkloristische liederen die [ter ere van Sidi Hamdouch] worden verzorgd door groepen H’madcha, bewakers van de tempel in dit kleine plaatsje waarvan het aantal inwoners gedurende de zeven dagen van de moussem [festival] verzesvoudigt. Dit jaar begonnen de festiviteiten op 1 december.

    Pelgrims houden het mausoleum van de ‘heilige’ dag en nacht bezet en smeken om zijn legendarische zegening. Op een steenworp afstand bevindt zich de grot van Mmima Aïcha [een vrije maar geduchte, mysterieuze en betoverende vrouw] naast een waterbron; een bekend toevluchtsoord voor homoseksuelen. Ze ontsteken er kaarsen op een muurtje dat zwartgeblakerd is, besproeien het met rozenwater en zetten er mandjes neer van dwergpalmbladeren, gevuld met melk, henna, wierook en brood. Er wordt een hele optocht geïmproviseerd door deze pelgrims die met witgepoederde gezichten hun offers (h’diya) brengen – die doet denken aan traditionele huwelijksceremonies.

    Spirituele moeder

    De plaatselijk aanwezige homoseksuelen zeggen dat ze gehecht zijn aan Sidi Ali Ben Hamdouch, maar ze verklaren een mystieke liefde te koesteren voor Mmima Aïcha, de ‘heilige Moeder’ die voor hen ‘een oord van vrede en rust’ symboliseert. Jongeren wachten op hun beurt om een hennatattoo te laten zetten. Hier vind je stadsbewoners van verschillende leeftijden en sociale klassen. ‘Hier vervolgt niemand ons,’ zegt een van hen. ‘Ze zijn op zoek naar een spirituele moeder. Het merendeel van hen is wees of is mishandeld vanwege zijn seksuele geaardheid. Lalla Aïcha geeft hun alle genegenheid die ze tekortkomen,’ aldus Malika, de tatoeëerster die afkomstig is uit Agadir. Deze veertiger verklaart afgestuurd sociologe te zijn, maar is gefascineerd door de ‘paranormale wetenschappen’.

    In een van de optochten naar het heiligdom, waar het allemaal om te doen is, valt een jonge travestiet op in de menigte van woest op aïsawa [spirituele muziek] dansende mensen. ‘Al mijn angsten verdwijnen zodra ik dit heiligdom betreed,’ vertelt hij, nadat zijn trance weer is weggeëbd.

    Meknes, ook wel het Versailles van Marokko genoemd. – © Getty Images
    Meknes, ook wel het Versailles van Marokko genoemd. – © Getty Images

    De Rbati [afkomstig uit Rabat] verklaart doordrenkt te zijn van de sfeer van de moussem, die hij nu al voor de zesde keer bezoekt. Hier choqueren zijn kleren en zijn gedrag niemand. Een trouwe bezoeker legt uit dat het steeds lastiger wordt de moussem te bezoeken. Het zou komen door videofilmpjes die laten zien hoe het festival verloopt, en die de bewoners aansporen om zich af te zetten tegen het toenemend aantal homoseksuelen dat zich naar de grot van Mmima Aïcha begeeft. ‘Die vervloekte sociale media. Ze maken ons te schande terwijl onze rituelen niemand storen’, aldus een jonge travestiet.

    Inmiddels staan er langs het armzalige traject van 15 kilometer naar het plaatsje wel zes mobiele politieposten. ‘Al drie jaar lang worden alle auto’s die het dorp binnenrijden gecontroleerd,’ vertelt Ahmed Hamdouchi, een van de chorfas [notabelen] die afstammen van Sidi Ali Ben Hamdouchi. De zeventiger merkt op dat iedereen die ervan ‘verdacht’ wordt homoseksueel te zijn, onmiddellijk gesommeerd wordt rechtsomkeert te maken. Volgens de wet is homoseksualiteit namelijk een delict waarop zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf staat. Daarom nemen homoseksuelen die naar de moussem gaan binnenweggetjes, ver van de grote weg.

    Auteurs: Ahmed Mediany en Jassim Ahdani
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    TelQuel
    Marokko | weekblad | oplage 20.000

    Franstalig tijdschrift dat zich onderscheidt van zijn concurrenten door ruim baan te geven aan taboeonderwerpen als seksualiteit en door afstand te nemen van partijpolitiek.

  • Is de politieke islam te verenigen met de moderne wereld?

    Is de politieke islam te verenigen met de moderne wereld?

    Volgens critici zijn islamistische bewegingen per definitie ondemocratisch. Maar, schrijft The Economist, de politieke islam is geen homogene beweging, en wordt in ieder land óók gevormd door de lokale context.

    ‘Dood, stervend of achter de tralies.’ Zo omschreef een lid van de Moslimbroederschap in Egypte de situatie van zijn kameraden in wat eens ’s werelds meest vooraanstaande islamistische beweging was. Na de Arabische Lente van 2011 won de Broederschap de eerste vrije verkiezingen in Egypte; begin 2012 was de Broederschap de baas in het land. Maar het leger, geleid door Abdul Fattah al-Sisi en gesteund door massademonstraties, ontzette hen al snel uit de macht. Vier jaar geleden drukte Sisi, de huidige president, de beweging op het Rabaa al-Adawiya-plein de kop in. Vandaag zijn degenen die niet dood zijn en niet achter de tralies zitten gevlucht, of ze houden zich schuil.

    Toch boezemt de Broederschap, een internationale beweging die in de regio al vele andere islamistische partijen heeft voortgebracht, Arabische autocraten nog steeds angst in. Kijk alleen al naar de impasse inzake Qatar. Egypte, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein hebben de diplomatieke betrekkingen verbroken met het kleine olierijke sjeikdom en een economische blokkade afgekondigd, en eisen dat het land zijn steun aan de Broederschap intrekt, Al Jazeera, een Broederschap-vriendelijke zender, sluit, en Turkse troepen het land uitzet, omdat Turkije wordt geleid door een op de Broederschap geïnspireerde partij, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP). Ze betogen dat de Broederschap een terroristische organisatie is die de gevestigde orde omver wil gooien.

    Het lijdt geen twijfel dat de Broederschap heeft aangezet tot geweld en dat leden ervan aanslagen hebben uitgevoerd, maar of de beweging wezenlijk gewelddadig is valt moeilijker vast te stellen. Hassan al-Banna, die de beweging in 1928 in Ismaïlia in het noordoosten van Egypte heeft gesticht, wilde geleidelijke hervormingen. Said Qutb, een leidend figuur in de Broederschap in de jaren vijftig en zestig, pleitte voor het opnemen van de wapens tegen goddeloze heersers. Het moderne islamisme – waarvan ruwweg de definitie luidt: het streven naar een staat die wordt bestuurd vanuit islamitische principes – heeft zich vanuit deze discussie in allerlei richtingen ontwikkeld.

    De huidige beweging omvat uiteenlopende groeperingen zoals Ennahda, een vreedzame Tunesische politieke partij, en Islamitische Staat (IS), een gewelddadige jihadistische groepering, die de Broederschap een afvallige organisatie noemt. De huidige Egyptische Broederschap is gesplitst in een groep die de confrontatietactiek omarmt, onder wie enkelen die geweld goedkeuren, en zij die liever een benadering van verzoening voorstaan.

    Erfelijke kalifaten, waarbij de religieuze en de seculiere macht in één persoon waren verenigd, waren langer dan duizend jaar het bestuursmodel voor islamitische staten

    De Saoedi’s en de andere landen die Qatar onder druk zetten beweren dat het hele islamisme een stap te ver is. (Hoewel sommige landen uit tactische overwegingen gemene zaak hebben gemaakt met islamisten in de Palestijnse Staat, Jemen en Syrië.) Andere landen – zoals de westerse landen die geen gehoor hebben gegeven aan oproepen om de Broederschap als een terroristische organisatie te brandmerken – vinden dat er onderscheid moet worden gemaakt. Dat is niet zo makkelijk. Als ogenschijnlijk gematigde en democratische islamisten eenmaal gekozen zijn, ontpoppen ze zich vaak als het tegendeel van die kwalificaties en blijkt die democratische gezindheid van zeer tijdelijke aard te zijn geweest. Maar sommige islamisten bedrijven een gematigde en effectieve politiek, en staan zelfs aan het hoofd van een regering.

    Islamisten zijn echt niet de enigen die proberen de maatschappij te doordrenken met religie. In India hangt de heersende BJP een specifiek hindoeïstisch nationalisme aan. In Israël streeft een aantal partijen ernaar om van het land meer een echt joodse staat te maken. In Europa zijn er veel christendemocratische partijen die beide onderdelen van die term serieus nemen.

    Maar in één opzicht is de islam uniek. Terwijl Mozes een leider zonder land was en Jezus een dissident die door een land ter dood was veroordeeld, was de profeet Mohammed een politiek leider die een staat stichtte, en de heilige schrift van de islam is daar een weerspiegeling van. ‘In de Koran staan in de tekst duidelijke, directe geboden, variërend van de toepassing van hoedoedstraffen (voor vergrijpen zoals diefstal) tot specifieke regels met betrekking tot het erven’, schrijft Shadi Hamid van het Brookings Instituut, een denktank op het gebied van ‘het islamitisch exceptionalisme’. Vandaar dat de Broederschap met trots beweert dat de Koran hun grondwet is.

    Maar ook al zegt de Koran specifieke dingen over het erven en andere zaken, het heilige boek blijft vager over hoe je het landsbestuur moet organiseren. In de ene soera wordt Mohammed opgedragen leden van de gemeenschap te raadplegen en in een andere krijgt hij de absolute macht over hen toebedeeld. Onmiddellijk na de dood van de profeet begonnen al de geschillen. Zijn trouwste volgelingen konden niet beslissen of de rol van kalief – de veronderstelde opvolger van Mohammed als leider – nu een gekozen of een erfelijke functie was, een geschil dat uiteindelijk leidde tot het schisma tussen respectievelijk de soennieten en de sjiieten.

    Het kalifaat zelf wordt niet voorgeschreven door de Koran. Maar ‘in het traditionele islamitische denken wordt het beschouwd als een intrinsiek onderdeel van de islam, dat onbedoeld het geloof eeuwenlang heeft gepolitiseerd’, schrijft Mustafa Akyol, auteur van Islam without Extremes. Erfelijke kalifaten, waarbij de religieuze en de seculiere macht in één persoon waren verenigd, waren langer dan duizend jaar het bestuursmodel voor islamitische staten.

    De ondergang van het Ottomaanse Rijk en de afschaffing van het kalifaat door de republiek Turkije hebben uiteindelijk geleid tot de huidige islamistische beweging. Moslims die waren vernederd door het kolonialisme en het falen van het socialisme en het nationalisme, waarbij binnenlandse autocraten hadden geprobeerd de islam ten eigen voordele te annexeren, verlangden naar een alternatief dat thuishoorde in een wereld van natiestaten en verkiezingen. De Broederschap verschafte hun er een.

    Islamisme lite

    De democratie stond niet vermeld in Mohammeds richtlijnen, dus Banna keurde die staatsvorm af, net als politieke partijen en zelfs de moderne Arabische staat. Maar hij zag de ontwikkeling naar de islamitische staat als een proces in fasen, en iedere fase vereiste een andere tactiek. Dus islamisten verhulden hun religieuze doel in het begin en namen zelfs deel aan verkiezingen, als dat op de lange termijn hun positie verstevigde. Sommigen van zijn volgelingen accepteerden uiteindelijk de democratie als onderdeel van alle fasen van het proces, maar critici vonden dat de meeste islamisten in wezen antidemocratisch waren en dat nog steeds zijn.

    Dat is één manier om naar de AKP en zijn imponerende leider, Recep Tayyip Erdogan, te kijken. Toen Erdogan in 2001 de AKP oprichtte, bleek hij de vertegenwoordiger te zijn van een nieuw soort islamisme, dat door sommigen ‘islamisme-lite’ werd genoemd, en dat zich richtte op vrijheid en de vrije markt. Toen de AKP in 2002 voor het eerst de verkiezingen had gewonnen, voerde de partij democratische hervormingen door, perkte de macht van het leger in en zorgde ervoor dat de mensenrechten beter werden gerespecteerd. Het werd gezien als een hoopvol voorbeeld voor andere islamistische partijen.

    Maar geleidelijk trok Erdogan steeds meer macht naar zich toe. De staatsmedia kwamen volledig in zijn handen en critici zette hij uit de regering, het leger en de rechterlijke macht. Liberalere leden van de AKP, zoals Abdullah Gül, een voormalige president, werden aan de kant gezet. Een mislukte coup in juli 2016 leidde tot een algehele zuivering. Tienduizenden vijanden, echte of vermeende, werden gearresteerd, onder wie ook journalisten. Maatschappelijke organisaties werden opgeheven, ambtenaren werden ontslagen, de toegang tot het internet werd deels geblokkeerd. In april kreeg de president na een referendum over de grondwet (waarbij volgens critici was gefraudeerd) nog meer macht.


    Moskee in Isfahan, Iran. – © EyeEm
    Moskee in Isfahan, Iran. – © EyeEm

    Turkije is het tweede bewijsstuk voor hen die een zaak voorbereiden tegen schijnbaar gematigde islamisten. Egypte is het eerste bewijsstuk. Mohamed Morsi, de man van de Broederschap die president werd, bleek vanaf het begin tweedracht te zaaien. Aan het eind van het eerste jaar had hij verordonneerd dat hij niet gebonden was aan de rechtstaat. Hij drukte er een grondwet door die bij seculiere politici op veel weerstand stuitte en nam heel veel islamisten op in zijn regering. Tegen de tijd dat het leger een coup pleegde, stond het volk aan de kant van de militairen.

    Sommige mensen betogen dat deze resultaten – het succes van de onverdraagzaamheid in Turkije, het falen van de onverdraagzaamheid in Egypte – voorspelbaar waren, onvermijdelijk zelfs. Maar het loont om naar de context te kijken. Voordat de AKP in Turkije ten tonele verscheen, waren al eerder vier islamistische partijen opgeheven ten gevolge van een coup of een gerechtelijk bevel. Toen de AKP aan de macht kwam, bleef die dreiging bestaan. Secularisten in het leger – onderdeel van de deep state, de staat binnen de staat – probeerden in 2007 de verkiezing van de presidentskandidaat van de partij te dwarsbomen. De hoofdaanklager van Turkije beschuldigde de AKP ervan antiseculier te zijn en het scheelde niet veel of hij had de partij verboden. Er volgden een heleboel andere politiek gemotiveerde aanvallen – en toen kwam de couppoging.

    In Egypte zag de Broederschap zich geconfronteerd met een vergelijkbare deep state van militairen, rechters en bureaucraten. De politie weigerde op straat te patrouilleren, wat leidde tot een misdaadgolf. Werknemers van benzine- en elektriciteitsmaatschappijen zorgden ervoor dat de stroom uitviel en dat er een tekort aan brandstof was. Rechters die waren aangesteld door Morsi’s voorganger verklaarden de uitslag van een verkiezing ongeldig.

    Die uitdagingen zijn geen excuus voor het autoritaire gedrag van Morsi en Erdogan. Maar misschien vormen ze wel een betere verklaring voor dat gedrag dan het veronderstelde onverdraagzame karakter van hun ideologie. ‘Islamistische partijen hebben de neiging zich aan te passen aan hun politieke omgeving’, legt Marc Lynch van The George Washington University uit. De angst dat secularisten zouden proberen hun regering te ondermijnen overtuigde islamisten ervan dat ze zo veel mogelijk macht naar zich toe moesten zien te trekken; het gebrek aan diepgewortelde democratische tradities maakte het er niet beter op. Volgens Akyol ligt het probleem van de AKP niet bij het feit dat de partij te islamistisch is, maar te Turks.

    De toename van op de sharia gebaseerde verordeningen is grotendeels het resultaat van lokale politici die in ruil voor stemmen toegaven aan de eisen van conservatieve moslimgroepen

    Elders nemen islamistische partijen nog steeds deel aan verkiezingen. De afdelingen van de Broederschap in Jordanië en Koeweit hebben het vorig jaar bij de parlementsverkiezingen na jaren van repressie relatief goed gedaan. Een spin-off van de Broederschap, de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (PJD), heeft de laatste twee parlementsverkiezingen in Marokko gewonnen en leidt de huidige regering. Buiten de regio van de Broederschap zijn islamistische partijen actief in Indonesië, Maleisië en Pakistan. Het idee dat al die partijen Banna’s langetermijnplanning uitvoeren kan niet echt weerlegd worden, maar het is in elk geval ook mogelijk dat het in een omgeving die autoritair leiderschap niet stimuleert, geen noodzakelijke ontwikkeling is. Op bijna alle plekken waar islamisten politiek actief zijn, is er een grens aan hoeveel macht ze kunnen vergaren. De monarch is uiteindelijk de baas in Marokko, Jordanië en Koeweit.

    Aan de andere kant hoeven islamisten niet per se nationale verkiezingen te winnen om een onverdraagzame impact te hebben. In Indonesië, een seculiere democratie, is bij de nationale parlementsverkiezingen op geen enkele zuiver religieuze partij meer dan acht procent van de stemmen uitgebracht, ook al is de meerderheid van het land islamitisch. Maar lokaal gekozen islamisten hebben meer dan vierhonderd op het islamitische recht gebaseerde verordeningen uitgevaardigd sinds de regio’s van het land in 1999 meer autonomie hadden gekregen. In de provincie Atjeh is alcohol verboden, bestaan er kledingvoorschriften voor de vrouw en worden overspel en homoseksualiteit bestraft met zweepslagen.

    Het misschien wel meest verontrustende blijk van de macht van de islamistische minderheid deed zich voor in april, toen een populaire christelijke ambtsdrager, Basuki Tjahaja Purnama, beter bekend als Ahok, de strijd om het gouverneurschap in Jakarta verloor.

    Islamistische aanhangers van zijn opponent, Anies Baswedan, hielden islamitische kiezers voor dat het haram (verboden door de islam) was om op een christen te stemmen. Toen Ahok die bewering met een citaat uit de Koran probeerde te weerleggen, hadden islamisten een filmpje gemaakt waarin het net leek alsof hij het heilige boek beledigde. Hij werd aangeklaagd wegens blasfemie, verloor de verkiezingen en zit nu in de gevangenis.

     © EyeEm
    © EyeEm

    De situatie in Indonesië laat zien dat democratische processen de macht van een onverdraagzame minderheid kunnen vergroten. Een onderzoek uitgevoerd door het Centre for the Study of Islam and Society, een denktank in Jakarta, toonde aan dat de toename van op de sharia gebaseerde verordeningen grotendeels het resultaat was van lokale politici die in ruil voor stemmen toegaven aan de eisen van conservatieve moslimgroepen.

    Steun aan islamistische wetten, ongeacht welke partij die opstelt, is wijdverspreid in islamitische landen. In Egypte laten opiniepeilingen zien dat een meerderheid achter wetten staat die gebaseerd zijn op de sharia, achter straffen uit de Koran en de bevoegdheid van geestelijken om wetten op te stellen. Maar dat is niet echt een kenmerk van de regeringspolitiek van de AKP in Turkije. De partij heeft meer moskeeën gebouwd en religieuze scholen geopend, de verkoop van alcohol aan banden gelegd en het verbod op de hidjab opgeheven. Maar de AKP heeft alcohol niet verboden en geen kledingvoorschriften ingevoerd. Eigenlijk lijkt de partij vaker de islam te gebruiken ten dienste van de politiek dan andersom.

    Het is voor liberalen een verontrustende gedachte dat islamisten ook vanuit een minderheid bepalingen kunnen doordrukken. Maar dat is uiteindelijk een gevaar dat alle democratieën bedreigt en dat in een sterke democratie bestreden kan worden. Vandaar de overtuiging van sommige analytici dat verkiezingen en niet het liberalisme het belangrijkst zijn: een onvrije democratie is de voorloper van een vrije democratie. In voorheen autoritaire landen moet democratie de tijd krijgen om te wortelen en sterker te worden. De secularisten die in 2013 hebben geprobeerd de Broederschap uit de macht te ontzetten hebben dergelijke argumenten vaak gehoord. Alles wat Morsi deed, zo luidde het pleidooi, zou in de toekomst door seculierdere regeringen ongedaan gemaakt kunnen worden.

    Tunesië

    Als je dat serieus neemt, vertrouw je erop dat islamisten verkiezingen zullen houden als ze aan de macht zijn. Het schoolvoorbeeld hiervan is Tunesië. Veel leden van de Ennahda dromen van het stichten van een islamitische staat in het land, met sharia en al. Maar in het algemeen heeft de beweging, die is gesticht en nog steeds wordt geleid door Rashid Al-Ghannushi, zich gematigd opgesteld en een zeldzame bereidheid tot het sluiten van compromissen aan de dag gelegd.

    Ennahda had geleden onder tientallen jaren dictatuur van Zine El Abidine Ben Ali, die de beweging had verboden. Toen Ben Ali in 2011 ten val was gebracht, kreeg een partij die door de beweging was opgericht bij de eerste vrije verkiezingen van Tunesië een meerderheid in het parlement. Maar in de regering hadden ze minder succes, de partij wist de bevolking van zich te vervreemden en velen stonden sceptisch tegenover de islamisten. Het deed er ook geen goed aan dat in 2013 ultraconservatieve moslims twee linkse politici vermoordden.

    Het verzet tegen de Ennahda-regering mondde uit in heftige demonstraties die het fragiele democratische proces dreigden te verstoren. Maar in plaats van zich in te graven, zoals de Broederschap deed in Egypte, koos Ennahda ervoor om wat terrein prijs te geven (vooral na de coup in Egypte). Bij onderhandelingen over een nieuwe grondwet nam de partij liberale adviezen over, zoals de vrijheid van godsdienst. Ennahda droeg in januari 2014 de macht over aan een regering van technocraten. Ennahda verloor de volgende verkiezingen van Nidaa Tounes, een secularistische partij die speciaal was opgericht om de islamisten te verslaan. Ghannushi sloot meteen een verbond (en vriendschap) met Beji Caid Essebsi, de oprichter van de nieuwe partij. Sindsdien is Nidaa Tounes verdeeld, maar Ennahda heeft haar voordeel als grootste partij in het parlement niet uitgebuit. ‘In deze overgangssituatie hebben we behoefte aan een brede consensus,’ aldus Ghannushi.

    Moslimdemocraten

    Volgens Ghannushi is Ennahda geen islamistische partij, maar een partij van ‘moslimdemocraten’, vergelijkbaar met Europese christendemocratische partijen. De beweging heeft de politieke partij gesplitst van de religieuze tak, die nu enkel verantwoordelijk is voor dawah (bekeren en prediken). De politici mogen geen toespraken houden in een moskee; geestelijken mogen de partij niet leiden.

    ‘Ennahda put nog steeds haar inspiratie uit de islam,’ zegt Ghannushi, ‘maar de aanwezigheid van religie in de maatschappij is niet iets waar de staat over beslist of wat de staat regelt.’ Het moet een verschijnsel zijn dat van onderaf komt, en met een gekozen parlement vormt de plaats van religie in het parlement een afspiegeling van de mate waarin deze in de maatschappij een rol speelt. Secularisten en liberalen hebben lange tijd gehoopt dat het merendeel van de islamisten dat pad zouden volgen. In wezen hopen ze dat islamisten, die lang een protestbeweging waren, minder islamistisch worden als ze worden geconfronteerd met de werkelijkheid van de macht. Dat werpt andere vragen op. ‘Als islamistische partijen hun islamisme moeten opgeven zodra ze zijn gekozen (…) dan staat dat haaks op het wezen van de democratie: de idee dat regeringen ontvankelijk zijn voor, of zich ten minste aanpassen aan de wensen van het volk’, schrijft Hamid.

    Conservatievere leden van Ennahda zijn niet gelukkig met de weg die de beweging heeft ingeslagen. Anderen twijfelen aan de oprechtheid van Ennahda, omdat ze menen dat angst voor repressie en opstand het belangrijkste motief voor hun matiging is – met andere woorden, dat hun handelen zuiver tactisch is. ‘We krijgen van alle kanten ervan langs,’ aldus Ghannushi.

    Net als de ondergang van het islamisme in Egypte wordt de positievere ontwikkeling van het islamisme in Tunesië grotendeels bepaald door de context. Anders dan Egypte en Turkije heeft Tunesië geen sterk en gepolitiseerd leger. En waar de staatsrepressie in het Egypte van voor de revolutie de Broederschap lijkt te hebben verhard, zorgde die in Tunesië ervoor dat leden van Ennahda, die een cel deelden met andere oppositieleiders, een liberaler wereldbeeld ontwikkelden. De unieke uitdagingen waar het islamisme in ieder land mee werd geconfronteerd bepaalden ontegenzeggelijk de ontwikkeling ervan.

    Vertaler: Paul Bruijn

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

  • ‘Mondiale’ islam verdringt Amerikaanse versie

    ‘Mondiale’ islam verdringt Amerikaanse versie

    Vroeger bestond de moslimpopulatie in de VS vooral uit zwarte aanhangers van de Nation of Islam. Maar intussen vormen autochtone zwarte moslims nog maar 9 procent van de Amerikaanse moslimbevolking. In Mississippi maakt een oudere gemeenschap zich zorgen over de toekomst.

    Wanneer Abdul Hakim Shareef uitkijkt over deze heuvels, over deze moskee – een werkelijk geworden islamitisch ideaal – hoopt hij dat dit alles niet met hem zal eindigen.
    Shareef is nu 86, maar was drie decennia jonger toen hij en een kleine groep medemoslims hier in Mississippi het geld bij elkaar legden voor de oprichting van deze gemeenschap, zo’n veertig kilometer ten westen van Hattiesburg. Hun droom: een eigen gemeenschap waarin ze hun brood konden verdienen, zich konden scholen en een islamitisch leven konden leiden.

    Maar Shareefs kleinkinderen zijn bijna allemaal weggetrokken en hij weet dat New Medinah mensen nodig heeft – jonge mensen – wil de gemeenschap kunnen voortbestaan als hij er niet meer is.

    ‘Konden we hun maar duidelijk maken wat dit betekent, zodat ze hier ook voor kiezen,’ zegt Shareef. ‘Daar hoop ik nu op. Dat zij het stokje overnemen.’

    Er is een tijd geweest, zo’n vijf decennia geleden, dat ‘Amerikaanse moslims’ meestal betekende ‘zwarte moslims’ – in de VS geboren zwarte Amerikanen zoals Shareef, die als jonge man lid werd van de Nation of Islam, een zwarte nationalistische groepering uit de tumultueuze dagen van de burgerrechtenbeweging.

    Maar het huidige beeld van de Amerikaanse moslim heeft die geschiedenis grotendeels verdrongen. De verhalen van Malcolm X en Muhammad Ali zijn in de Amerikaanse herinnering verdrongen door beelden van moslims als immigranten, mensen met een buitenlands accent en een andere ideologie. En dat betekent, zo heeft Shareefs gemeenschap zich gerealiseerd, dat de relevantie van de Amerikaanse stroming naar de achtergrond verdwijnt en New Medinah wel eens mét zijn oprichters zou kunnen sterven.

    De poort van New Medinah, een unieke moslimgemeenschap in het zuidoosten van Mississippi. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images
    De poort van New Medinah, een unieke moslimgemeenschap in het zuidoosten van Mississippi. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images

    Het algemene beeld van de Amerikaanse moslim is veranderd met de aantallen: door een toestroom van islamitische immigranten na 1965 zijn de in het land geboren zwarte moslims snel in de minderheid geraakt. Volgens schattingen van het Pew Research Center hebben in de twee decennia voor 2012 zo’n 1,7 miljoen moslims een wettige verblijfsstatus gekregen in de Verenigde Staten. In 2014 vormden autochtone zwarte Amerikaanse moslims maar 9 procent van de totale moslimpopulatie in het land.

    Leden van Shareefs gemeenschap zijn volgelingen van Warith Deen (W.D.) Mohammed, een zoon van voormalig Nation of Islam-leider Elijah Muhammad. W.D., die in 2008 is overleden, had weliswaar gebroken met de Nation, maar wel vastgehouden aan enkele culturele praktijken daarvan; in zijn ogen was de Amerikaanse islam onlosmakelijk verbonden met de ervaringen en lessen van de slavernij en de onderdrukking van de zwarten. Zo’n honderdtachtig moskeeën in het hele land volgen zijn leer.

    Maar als gevolg van de veranderende demografie van het land zijn er nu minder Amerikaanse moslims die hun religieuze identiteit in verband brengen met hun raciale geschiedenis in de Verenigde Staten. De kennis van de islam onder moslims uit het Midden-Oosten wordt gezien als superieur, en daardoor is de Amerikaanse interpretatie van de religie de afgelopen decennia steeds verder overschaduwd.

    ‘De Afro-Amerikaanse gemeenschap is niet bang als mensen zoals onze nieuwe president moslims bedreigen. Voor ons is dat niets nieuws’

    Vandaag de dag is het erfgoed van de Nation of Islam en van W.D. Mohammed voor veel zwarte Amerikaanse moslims ‘niet meer relevant’, volgens Nicqan Church (40) uit Philadelphia, die zelf naar een salafistische moskee gaat, een strikt orthodoxe sekte van de soennitische islam.

    Amerikaanse zwarten die moslim zijn, vormen nu een diverse groep van verschillende sektes, ideologieën, culturen en nationaal erfgoed. Zo staat het soort islam dat in de moskee van Church wordt gepraktiseerd dichter bij dat van sommige Saoedische of Egyptische moskeeën dan bij de traditie van W.D. Mohammed – ook al zijn de meeste moskeegangers er, net als Church, zwarten van Amerikaanse afkomst. Niemand daar beschouwt de islam als een religie die speciaal verbonden is met de zwarte Amerikaanse ervaring, volgens Church.

    Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben Shareef, zijn vrouw Ruth en hun leeftijdgenoten deze gemeenschap – 26 hectare grond met huizen, boerderijen en een moskee – opgezet, op aanmoediging van W.D. Mohammed, vertelt Shareef. De bedoeling was om een plek te creëren waar moslims konden wonen, bedrijfjes opzetten, groenten verbouwen en vee, kippen en honingbijen houden. Met hun islamitische gemeenschap wilden ze een tegenwicht bieden aan de problemen waarmee zwarte Amerikanen te maken hadden, vooral hier in het Zuiden.

    Ze noemden hun gemeenschap New Medinah, naar een van de twee heiligste steden van de islam en de plek in Saoedi-Arabië waar de profeet Mohammed zijn eerste volgelingen aantrok. Ze richtten een school op waar hun kinderen konden leren, ondergedompeld in de islam en de rust van het plattelandsleven.

    Moslimverbod

    Maar in 2009 werd de school gesloten. En uiteindelijk was het stroompje nieuwkomers dat binnendruppelde veel kleiner dan de uitstroom van kinderen die naar de universiteit gingen of een baan in de stad kregen en oudgedienden die stierven.

    Afgelopen zomer nog kwamen tientallen volgelingen van W.D. Mohammed uit het hele Zuiden in auto’s en minibusjes naar New Medinah om samen de eenendertigste verjaardag van de kleine islamitische gemeenschap te vieren. Het waren voornamelijk mensen in de pensioenleeftijd, die tai chi deden bij zonsopkomst, nostalgische herinneringen ophaalden aan de goede oude tijd en verder zorgelijk zaten te praten over de problemen waar de volgende generatie mee te kampen had.

    Elders in het land had president Trump het over het instellen van reisbeperkingen, het ‘moslimverbod’ zoals critici het noemden, en de moord op twee mensen in Portland, Oregon door een notoire moslimhater, was nationaal nieuws. Maar de onderstroom aan antimoslimgevoelens in het land was nooit doorgedrongen tot de veilige haven van New Medinah.

    Voor zwarte Amerikaanse moslims is het niet nieuw om onderwerp zijn van argwaan vanuit de overheid en angst van burgers. In de jaren zestig gebruikte de FBI informanten die nauwe banden met de Nation of Islam hadden om de groepering en haar meest vooraanstaande leden te controleren.

    ‘Wij hebben altijd onder vuur gelegen, als Afro-Amerikanen en als moslims,’ zegt Youssef Kromah (27) uit Philadelphia. Die stad was ooit een bolwerk van de Nation of Islam en herbergt nu een grote islamitische gemeenschap, waarvan de meerderheid zwart is.

    ‘De Afro-Amerikaanse gemeenschap is niet bang als mensen zoals onze nieuwe president moslims bedreigen,’ zegt Kromah, ‘want voor ons is dat niets nieuws. Wij hebben altijd geleden.’

    Yahyaa Abdullah, een imam uit Masjid Muhammed in Jacksonville, Florida, verkoopt zijn waar tijdens de jaarlijkse viering van New Medinah. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images
    Yahyaa Abdullah, een imam uit Masjid Muhammed in Jacksonville, Florida, verkoopt zijn waar tijdens de jaarlijkse viering van New Medinah. – © William Widmer / The Washington Post / Getty Images
    Maar het publieke wantrouwen richt zich nu op andere dingen. Het huidige debat over immigratie, terrorisme en nationale veiligheid heeft voor het Amerikaanse publiek een nieuwe vorm gegeven aan het gevoel van dreiging – en daarmee ook aan het gevoel wat het betekent om een Amerikaanse moslim te zijn, betoogt Edward E. Curtis IV, hoogleraar religie aan de Indiana/Purdue-universiteit in Indianapolis.

    De regering, de media, de denktanks en andere opinievormende centra zetten nu de bruine moslims neer als mogelijke vijand van de Verenigde Staten,’ zegt hij. ‘Institutionele islamofobie maakt de bruine moslim zichtbaar en brengt de stem van zwarte moslims tot zwijgen.’

    Blanke duivels

    Volgens Samory Rashid, hoogleraar politieke wetenschappen aan Indiana State University, werd de term ‘zwarte moslim’ voor het eerst gebruikt door een journalist die zwart noch moslim was: CBS-verslaggever Mike Wallace. Hij gebruikte de term in de tv-documentaire The Hate That Hate Produced (De haat die haat voortbracht) die hij in 1959 maakte over de Nation of Islam, en tegenwoordig wijzen veel moslims het idee van een duidelijke ‘black muslim’-identiteit van de hand.

    Elijah Muhammad, de leider van de Nation, hield zijn volgelingen een ideologie voor waarin blanken duivels waren en die integratie, het bredere doel van de burgerrechtenbeweging, afwees. Die ideologie sprak indertijd veel jonge zwarte mensen uit de arbeidersklasse aan.

    ‘Ik zat vol vuur, omdat Elijah Muhammad ons tot goden had gemaakt,’ zegt Shareef, die is opgegroeid in het gesegregeerde Mississippi, waar hij ‘getraind was om opzij te gaan’ als hij een blanke op het trottoir zag.

    Maar het idee van de zwarte superioriteit strookte niet met de bredere islam, en na de dood van Muhammad in 1975 brak zijn zoon W.D. Mohammed met de Nation en haar nieuwe fakkeldrager Louis Farrakhan. Hij leerde zijn volgelingen de algemene islam kennen, die volgens hem mensen sterker maakte: een geloofssysteem dat berustte op het idee van ‘één natie onder één god’. De gemeenschap leerde bidden en de islamitische geboden naleven zoals miljoenen andere moslims over de hele wereld dat deden. Ze gingen op les om Arabisch te leren en de Koran en de Hadiths. Ze omarmden het idee van rassengelijkheid.

    Mohammed hield wel vast aan de zwarte Amerikaanse wortels van zijn gemeenschap. De culturele praktijken van de Nation, zoals het commercieel kweken van wijting en het eten van bonentaart, bleven bestaan, net als Elijah Muhammads nadruk op ondernemerschap en economisch succes als een manier om zwarte Amerikanen onafhankelijk te maken.


    ‘Met Imam [W.D.] Mohammed hadden we een leider uit ons eigen land,’ zegt Abd’Allah Adesanya uit Columbia, South Carolina, die de traditie van W.D. Mohammed volgt. ‘Wij zijn niet ondergeschikt aan een of andere sjeik in het Midden-Oosten.’

    Zelf vinden ze dat zij bij uitstek geschikt zijn om de kloof tussen nieuwere moslimgemeenschappen en de rest van Amerika te overbruggen, maar de leiders van de W.D. Mohammed-stroming zeggen dat hun raad zelden wordt gevraagd. Hun vroegere band met de Nation of Islam wordt hen nog steeds nagedragen, en van andere moslims krijgen ze soms het verwijt dat ze op religieus gebied minder authentiek of minder gezaghebbend zouden zijn. Daar komt volgens hen bij dat geïmmigreerde moslims vanuit racistische motieven niet naar moskeeën gaan die van oorsprong zwart zijn.

    ‘Ze komen alleen naar ons toe als de blanken het hun moeilijk maken,’ zegt Sameeh Ali uit Newark, die eigenaar van een bakkerij is en tot de W.D. Mohammed-stroming behoort. De zwarte moslims weten wat het is om gediscrimineerd en slecht behandeld te worden, benadrukt hij. ‘Wij hebben het antwoord! Ik ga al driehonderd jaar met blanken om. Ik begrijp blanken al sinds mijn geboorte.’

    Anderen zeggen dat de leer van W.D. Mohammed simpelweg minder relevant wordt in een land dat de tijd van de gesegregeerde lunch counters voorbij is en de opkomst van een grotere, meer diverse moslimgemeenschap heeft meegemaakt. In Philadelphia, waar volgens plaatselijke leiders de moslimgemeenschap nog steeds in meerderheid zwart is, volgen maar drie van de zevenendertig moskeeën de W.D. Mohammed-traditie.

    De moslimbegraafplaats in New Medinah telt meer graven dan het aantal vaste bewoners

    In New Medinah, dat ooit het ideaal van de W.D. Mohammedgemeenschap belichaamde, is het probleem nu de ouderdom.

    De school heeft in 2009 haar deuren gesloten na het vertrek van de laatste leerlingen, en andere W.D Mohammedscholen in grotere steden hebben hetzelfde lot ondergaan. De moslimbegraafplaats in New Medinah telt nu enkele tientallen graven – meer dan het aantal vaste bewoners.

    Shareef vertelt vol verlangen over de kostschool die de gemeenschap zou willen openen en die ooit misschien de sleutel voor de toekomst van New Medinah kan zijn. Op een met gras begroeide heuvel staat een groot bord: ‘Hier komt de W. Deen Mohammed Boarding School’.

    Op het jaarfeest benadrukte een bezoekende imam uit Houston in zijn lezing dat de volgende generatie ontwikkeld moet worden wil de gemeenschap blijven voortbestaan. Zelf kwam Tyerre El Amin Boyd (41) uit een moskee die geregeld nieuwe, jonge leden aantrok. Tegen de oudere mannen en vrouwen die ingespannen zaten te luisteren op het tapijt van de gebedsruimte, zei Boyd dat ook zij een manier moesten bedenken om jongeren te trekken.

    ‘We bidden dat Allah onze kinderen opvoedt,’ zei hij, ‘zodat we het erfgoed van imam W.D. Mohammed niet verloren laten gaan.’

    Auteur: Abigail Hauslohner
    Vertaler: Annemie de Vries

    De auteur is journalist voor landelijke media en gespecialiseerd in de islam en Arabische aangelegenheden in Amerika. Voor ze in 2015 naar Washington kwam, schreef ze zeven jaar over oorlog, politiek en religie in het Midden-Oosten en was ze correspondent van de Post in Caïro. Ze heeft ook geschreven over regionale politiek en de overheid.

    Bekijk hier het Facebook-propagandafilmpje voor de commune.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.