De Bosnische hoofdstad Sarajevo en omgeving zijn erg in trek bij toeristen uit de Golfstaten, die ook veel onroerend goed opkopen. Daar is niet iedereen blij mee.
‘Naar Ilidza, alstublieft.’
‘U bedoelt Koeweit City?’ grapt Mustafa, een taxichauffeur uit Sarajevo. ‘Het is niet goed wat er gebeurt. Niemand houdt die lui tegen. De politici laten ze hun gang maar gaan. Begrijp me goed, ik ben moslim en ik heb niks tegen de Arabieren die hier komen, maar je moet de boel wel in de hand houden,’ voegt hij eraan toe, zonder zijn woede te verbergen over de laksheid van de Bosnische autoriteiten, die Arabieren uit de Perzische Golf grootscheeps laten investeren in onroerend goed in Bosnië en Herzegovina.
‘Ik ben accordeonist. Op een avond speelde ik met vrienden in een café in Sarajevo, we vierden feest. Toen kwam er een man met een baard op ons af, waarschijnlijk uit Saoedi-Arabië, die me in het Engels zei dat het zondig was om accordeon te spelen en te zingen. Het café zat bomvol, maar niemand die wat tegen hem zei. Ik laat me toch zeker niet door hem vertellen wat goed is en wat niet?’ klaagt Mustafa.
Als we het kuuroord Ilidza naderen, aan de rand van Sarajevo, is het inderdaad alsof we in Koeweit City arriveren. Bijna alle reclameaffiches en uithangborden zijn in het Arabisch. Mustafa zet me af voor Hotel Hollywood, waar de Arabieren verblijven. Voor het hotel staat een luxeauto geparkeerd, gebruikt door de sjeiks. Het huren van zo’n auto kost volgens de klant tussen de negen- en dertienhonderd euro per dag. Als ik door de straten van Ilidza loop, herinner ik me de woorden van Mustafa. Het wemelt er van de Arabieren in traditionele dracht, voor het merendeel afkomstig uit de Golfstaten. Restaurants, schoonheidssalons, winkels en cafés, allemaal hebben ze Arabische uithangborden. Nooit in het Engels, noch in het Bosnisch.
Abou Muhamed, een Koeweiti die ik in Ilidza heb ontmoet, is een van de weinige zakenmannen die met me wil praten. Hij laat diverse panden bouwen in Ilidza. ‘Sinds het eind van de oorlog breng ik mijn vakanties in Bosnië en Herzegovina door. Het is een mooi land, de mensen zijn er vriendelijk, en voor het merendeel moslim. Dat is belangrijk voor ons omdat we zo geen problemen hebben met het eten of het belijden van onze godsdienst,’ legt Abou Muhamed uit. Hij heeft besloten er te bouwen vanwege de lage grondprijzen en de goedkope arbeidskracht.
‘Voor de mooie villa die ik hier heb gekocht heb ik tien keer minder betaald dan in welk ander land dan ook. We brengen de zomer door in Bosnië en Herzegovina en de winter in Koeweit,’ zegt Abou Muhamed, die niet wil zeggen wat hij voor de villa betaald heeft, alleen dat hij 17 procent provisie kwijt was aan een bemiddelaar.
Het kapitaal waarmee de welgestelde Arabieren in Bosnië en Herzegovina arriveren is belangrijk. Hotel Bristol is met Arabisch geld gerestaureerd. De winkelcentra BBI en Sarajevo City zijn ook met Arabisch geld gefinancierd, net als het toeristenoord Sarajevo Resort in Osenik, dat zich uitstrekt over 160.000 vierkante meter, met een kunstmatig meer van 12.000 vierkante meter. Men is van plan rond het meer 160 appartementencomplexen te bouwen, twee overdekte zwembaden, een hotel, tennisbanen, supermarkten plus de bijbehorende infrastructuur. De kosten van het toeristencomplex worden op 25 miljoen euro geschat en het biedt plaats aan 1125 toeristen.
Reden tot zorg is het feit dat het kapitaal dat vanuit de Golfstaten naar Bosnië en Herzegovina stroomt nauwelijks aan controle onderhevig is
‘Het begon allemaal zeven jaar geleden, met de komst van Arabische toeristen in Bosnië. Bosnië is een moslimland in het hart van Europa, en het is er goedkoop. Elk jaar komen er meer Arabische toeristen,’ horen we van Sajeda Khader, directeur van Jo Petra Export-Import, een bedrijf dat is gespecialiseerd in toerisme en de verkoop van onroerend goed.
‘De Koeweiti’s kwamen als eersten, zij hadden geen visum nodig. Ze werden gevolgd door mensen uit de Emiraten en Bahrein. Alleen Saoediërs hebben een visum nodig. In het begin kochten ze grond in het centrum van de stad waarvan de prijs per vierkante meter erg laag was, tussen een halve en vijf euro. Nu kost een vierkante meter wel zestig euro. Op de heuvel van Poljine, niet ver van het centrum, is een woonwijk verrezen. Bakir Izetbegovic, lid van het presidentschap van Bosnië, bezit er een villa [het presidentschap bestaat uit drie leden: een Bosniak, een Kroaat en een Serviër]. Ook enkele sjeiks hebben er huizen gekocht. De Saoediër Al-Shiddi, die het winkelcentrum City Centre heeft gebouwd, woont er al zes jaar,’ vertelt Sajeda ons.
Maar Ilidza blijft de favoriete bestemming van de Arabieren. ‘Het ligt vlak bij de bron van de Vreslo Bosne, de Bosnarivier, de natuur is er schitterend en de grond is er goedkoper dan in Sarajevo,’ vervolgt Sajeda. ‘Ilidza werd voornamelijk door Serviërs bewoond, die hun grond en hun huizen voor een spotprijs aan Arabieren hebben verkocht. De ambassadeur van Koeweit heeft zijn residentie aan de oever van de Vreslo Bosne laten bouwen, evenals zijn privévilla.’
Witwassen
Ilidza telt 140 makelaarskantoren. Volgens de Bosnische wet mag een buitenlander geen onroerend goed op zijn naam zetten. Daar moet hij een maatschap voor oprichten. Niet onoverkomelijk, want het oprichten van een maatschap kost hooguit 2500 euro, inclusief juridische en administratieve kosten. Door een maatschap op te richten kan iemand een verblijfsvergunning krijgen en onroerend goed kopen. De makelaarskantoren zijn voor 60 procent in handen van mensen uit Koeweit, de Emiraten en andere Golfstaten, de rest is het eigendom van Bosniërs die in de Arabische landen hebben gestudeerd, en van Libanezen, Syriërs en Palestijnen. Behalve in Ilidza kopen de Arabieren ook grond in Trnovo, Luzani, Otes, Mazaric en Hadzici, maar ook de steden Visoko, Travnik, Bihac en zelfs Banja Luka, de hoofdstad van de Servische Republiek, zijn in trek.
Reden tot zorg is het feit dat het kapitaal dat vanuit de Golfstaten naar Bosnië en Herzegovina stroomt nauwelijks aan controle onderhevig is. De transacties komen op een nogal primitieve manier tot stand. Een rijke Arabier of sjeik arriveert met een koffer vol geld en rekent contant af. Hij betaalt geen onroerendgoed- of inkomstenbelasting. Nog verontrustender is dat het geld niet via banken circuleert die worden geacht de herkomst te controleren. De voormalige Bosnische minister van Veiligheid, Fahrudin Radoncic, was de enige die erop wees dat de Arabische jacht op Bosnisch onroerend goed ‘de etnische structuur van het land dreigt te veranderen en een radicale islam dreigt de introduceren’.
‘We kunnen onze ogen er niet voor sluiten dat de Arabische landen sinds de oorlog Bosnische politieke partijen financieren. De corruptie heeft wortel geschoten in dit land,’ zegt Sajeda verontwaardigd. ‘De Arabische investeringen dragen ongetwijfeld bij aan onze ontwikkeling, maar ik keur het niet goed dat men hier komt om geld wit te wassen en zich over onze rug te verrijken. Ik doe zaken met Arabieren, maar je moet op je hoede blijven. We zijn bezig ons land te verkopen. Op straat hoor je overal Arabisch, veel Arabische vrouwen dragen boerka’s. De mensen zijn geschokt, ze keuren het af, ze zijn bang voor terrorisme.’
Als er nu een volkstelling zou worden gehouden in Ilidza, zouden de Arabieren in de meerderheid zijn.
Auteur: Hassan Haidar Diab
Vertaler: Peter Bergsma
De Indonesische documentairemaker Noor Huda Ismail weet als ex-radicaal hoe aantrekkelijk de propaganda van IS kan zijn. Met zijn film Jihad Selfie wil hij pubers de ogen openen.
De radicale en terroristische propaganda maakt tegenwoordig met veel succes gebruik van de drijfveren van de popcultuur, een succes dat de zegetocht van de ‘K-pop’, de Koreaanse popcultuur die erg in trek is bij Indonesische jongeren, wel eens zou kunnen evenaren. Dat toont Jihad Selfie, een documentaire van Noor Huda Ismail. De manier waarop op de sociale netwerken mannelijkheid, roem en de door IS gepropageerde moed worden verheerlijkt is inmiddels evenzeer in staat pubers voor zich te winnen als de popcultuur.
Huda, een beroemde voormalige militant en journalist, volgt extremistische bewegingen en heeft in 2008 Prasasti Perdamaian opgericht, een instelling die de internationale vrede wil bevorderen. De instelling heeft tot doel voormalige terroristen te helpen om een normaal leven op te bouwen als ze uit de gevangenis komen en niet weer banden aan te knopen met radicale groeperingen. Jihad Selfie vertelt het waargebeurde verhaal van de zestienjarige Teuka Akbar Maulana, afkomstig uit de provincie Aceh in het noorden van Sumatra, die in het spoor van zijn vrienden naar Syrië vertrok om de jihad te voeren en zich aan te sluiten bij IS.
In 2013 zat Akbar met een beurs van de Turkse regering op het internationale Anatolia Mustafa Germirli Imam Hatip Lyceum in Kayseri, in Centraal-Turkije. Hij was een briljante leerling en erg populair bij zijn vrienden in Aceh. Maar hij was naarstig op zoek naar zijn identiteit. De virtuele wereld, met haar sociale netwerken, is een reëel universum dat het leven van alle pubers van Akbars generaties beïnvloedt. En Akbar vond op Facebook een van zijn vroegere kameraden terug, Yazid, die met een AK-47 voor een IS-vlag poseerde.
‘Het is echt cool om iemand van ons de jihad te zien voeren. Als hij het kan, nou, dan kan ik het ook! En nog beter! Ik zag die foto’s van Yazid, supertrots op zijn wapen, een AK-47. Hij had het verder geschopt dan het Indonesische leger, en zelfs dan het keurkorps,’ roept Akbar in de film uit.
Kweekvijver
Huda besloot de film te maken nadat hij Akbar in juni 2014 toevallig was tegengekomen in een kebabtentje in Kayseri. ‘Toen Akbar me vertelde dat hij naar Syrië wilde vertrekken had hij het geen enkele keer over religie. Hij had het alleen maar over zijn vrienden die zo cool waren en zo trots dat ze samen met IS de jihad voerden. Huda zag op het jonge gezicht van Akbar zijn eigen geschiedenis terug. ‘Toen ik net zo oud was als hij had ik een tijdje diezelfde bevlieging, wilde ik deelnemen aan een grote mondiale verandering. Het verschil is dat ik persoonlijk door een ronselaar benaderd werd,’ herinnert Huda zich, die in zijn jeugd leerling was van het Koraninternaat Al-Muk’min, gesticht door de radicale leider Abu Bakar Ba’asyir, die momenteel in de gevangenis zit. Dit internaat, gevestigd in Surakarta op Centraal-Java, was in het begin van deze eeuw een kweekvijver voor jonge terroristen.
3 x still uit Jihad Selfie.
Tussen maart 2015 en mei 2016 heeft Huda meer dan 180 uur film opgenomen in Australië, in Turkije, in Egypte, op Bali, in Jakarta, in Wonosobo, in Kudus, in Surakarta, in Jogjakarta, in Lamongan en op Nusakambangan, het grote gevangeniseiland voor de zuidkust van Java waar terdoodveroordeelden worden geëxecuteerd. Hij heeft gepassioneerde, om niet te zeggen verbluffende gesprekken opgenomen met diverse bronnen die IS in Indonesië steunen. En zelfs een inwijdingsceremonie van IS in een moskee in het centrum van Jakarta, niet ver van het presidentiële paleis.
Huda rondt momenteel zijn studie politieke wetenschappen en internationale betrekkingen af aan de Monash Universiteit in het Australische Melbourne. Jihad Selfie is onderdeel van zijn masteronderzoek. Hij hoopt dat de nationale instituten die belast zijn met de strijd tegen radicalisering andere strategieën zullen gaan gebruiken, zoals deze film en andere ‘popproducten’, in plaats van alleen maar affiches en vlaggetjes met krachteloze slogans.
Jihad Selfie zal zowel op Indonesische scholen worden verspreid als onder geïnteresseerde gemeenschappen of verenigingen
‘Ik ben geen cineast. Ik hoop dat mijn collega-cineasten een fictieversie van mijn film zullen maken zodat deze belangrijke en dringende boodschap zo veel mogelijk wordt verspreid. Mijn documentaire is gebaseerd op het ethische principe van toestemming. Als een gefilmde bron uiteindelijk besloot er niet in te willen verschijnen, heb ik hem gewist, hoe interessant zijn getuigenis ook was.’
Jihad Selfie is in april 2016 vertoond in het Centrum voor Veiligheidsbeleid in Genève, in het kader van een conferentie over terrorismepreventie, en zal zowel op Indonesische scholen worden verspreid als onder geïnteresseerde gemeenschappen of verenigingen. Hoofdpersoon Akbar, inmiddels achttien, heeft zijn ervaringen opgeschreven in een ‘poproman’ met de titel Boys Beyond the Light. ‘Ik wil Indonesische pubers de ogen openen zodat ze niet in de propaganda van IS trappen.’
Auteurs: Crazy Ed-Jiwa, Edward Akbar en Sarie Ferbiane
Vertaler: Peter Bergsma
Opgericht in1965 als reactie op de communistische pers. Geschreven in het Indonesisch. Kompas is de grootste landelijke krant met achtergrondverhalen over de door Java vaak ‘vergeten’ andere eilanden.
De kwaliteit van de studie politicologie in Libanon is beneden alle peil, klaagt een journalist van het dagblad As Safir. Dat komt doordat docenten hun colleges doorspekken met religieuze opvattingen. ‘Sommigen weigeren zelfs Marx en Engels te behandelen omdat ze atheïsten waren.’
Veel Libanese jongeren kiezen voor een studie politicologie. Helaas slaagt het merendeel voor zijn tentamens zonder over de vereiste kennis te beschikken of ook maar iets af te weten van methodologie. Hoe worden deze jonge mensen opgeleid die op een dag werkzaam zullen zijn als politicus, universitair onderzoeker of op het gebied van internationale betrekkingen?
Geconstateerd moet worden dat de politieke wetenschappen steeds meer politiek op zijn Libanees zijn geworden. Sommige docenten laten opzettelijk informatie achterwege die niet strookt met hun politieke overtuiging. Soms doorspekken ze hun colleges met religieuze opvattingen, zonder dat daar enige kritiek op komt.
Deze docenten vragen hun studenten bijvoorbeeld teksten te lezen waarin wordt uitgelegd dat ‘het economische project van de Europese Unie is mislukt omdat het niet het islamitische economische model heeft gevolgd’ of dat ‘de oplossing voor de wereldeconomie ligt in het overnemen van de economische regels van de gouden eeuw van de islam’.
‘Studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’’
Alle historische feiten worden op die manier verpulverd. De studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’. Dit alles wekt de indruk dat men colleges volgt over de persoonlijke opvattingen van deze of gene religieuze persoonlijkheid, waarbij een preek tot een verhandeling over economische theorie kan worden verheven. Daarmee wordt de studierichting politicologie een manier om het idee te verspreiden dat de islam een totaalsysteem is dat alle terreinen bestrijkt, niet in de laatste plaats dat van de politiek.
Omdat religie op de eerste plaats komt, worden de politieke theorieën van grote intellectuelen onder de mat geveegd. De studenten studeren vaak af zonder dat ze ooit van Marx en Engels hebben gehoord. Er zijn zelfs docenten die over deze twee filosofen weigeren te spreken omdat ze atheïsten waren. Een hoogleraar aan de Libanese universiteit weigerde college over Marx te geven omdat hij een ‘utopist’ zou zijn en achtte het voldoende als zijn studenten Deugdzame stad van Al-Farabi zouden lezen om het marxisme te doorgronden. Daarmee wordt Deugdzame stad het enige boek aan de hand waarvan de student geacht wordt de strekking van het communisme, de klassenstrijd en de kapitalistische uitbuiting te begrijpen.
Ook het politieke gedachtegoed van Michel Foucault wordt op een karikaturale manier samengevat en uiteindelijk aan onontkoombare morele opvattingen getoetst. Zelfs onderwerpen als de aanwezigheid van olie en aardgas in Libanon worden vanuit een bijzondere insteek behandeld. Als je sommige teksten mag geloven die op de universiteit circuleren, kunnen die alleen worden verdedigd [tegen veronderstelde Israëlische agressie] door de wapens van Hezbollah in te zetten.
Evenzeer kan men zich verbazen over leerstof waarin de ins en outs van de Libanese diaspora, met name in Afrika, tot racistische oprispingen leiden. Zo leren de studenten niet alleen dat de inwoners van Ivoorkust niet van de Libanezen houden die zich daar hebben gevestigd omdat ze hun banen inpikken, maar ook dat Libanese meisjes er de straat niet op durven uit vrees door jonge Ivorianen te worden lastiggevallen.
Persoonlijke opvattingen
Ten slotte zijn tijdens de tentamens de persoonlijke opvattingen van de docent van invloed op de antwoorden die de studenten geven. Ze zorgen er uitdrukkelijk voor dat ze de naam vermelden van de partij die hun docent aanhangt. En als ze het over leugenachtigheid in de Libanese politiek moeten hebben, zullen ze als voorbeeld een Libanese politicus gebruiken die tot het kamp van de tegenstanders van hun examinator behoort.
Het valt te betreuren dat op de Libanese universiteit het onderwijs in een belangrijk vak als politicologie zo weinig te maken heeft met wetenschap, en zelfs met politiek in de nobele zin van het woord, maar ontaardt in godsdienstlessen met een flinke vleug racisme en partijdigheid.
Eeuwenlang verbaasden Europeanen zich over de tolerantie van de moslimwereld voor homoseksualiteit. Hoe kan het dat de situatie tegenwoordig omgekeerd is?
Van 1826 tot 1831 woonde de Egyptische intellectueel Rifa’a al-Tahtawi in Parijs. Weer terug in Egypte schreef hij een boek over de Franse en Europese zeden en gewoonten. Het ging onder andere over het patriottisme van de Fransen, over hoe ze aten en zich vermaakten. En hij besteedde vooral veel aandacht aan iets wat in zijn ogen heel vreemd was: Europeanen hielden alleen van vrouwen.
Hij verbaasde zich erover dat Europeanen zich niet tot jonge jongens aangetrokken voelden en dat, in tegenstelling tot de dichters in zijn eigen land, ze beslist geen gedichten aan hun schoonheid wilden wijden, ‘en dat gaat zelfs zo ver dat de Franse taal het mannen niet toelaat om te schrijven “Ik ben verliefd geworden op een jongen”, want dat is een absoluut vergrijp tegen de goede zeden. Ze roeren het onderwerp nooit aan in hun werk. En ieder gesprek hierover is taboe.’
‘Sodomitische neigingen’
In deze tijd lijken de observaties van Rifa’a al-Tahtawi misschien vreemd. Maar destijds verfoeiden Europese geleerden de moslimwereld vanwege de daarin heersende tolerantie tegenover homoseksualiteit. Zoiets was in de christelijke wereld ondenkbaar. Britse reizigers verklaarden dat de ‘sodomitische neigingen’ uit de Griekse Oudheid schering en inslag waren in Egypte en de Oriënt.
Inderdaad was het in het Ottomaanse Rijk van de achttiende eeuw niet moeilijk om boeken over seksualiteit te vinden die vol stonden met prenten van seksuele relaties tussen mannen. Het systeem van patronage, waarop het Ottomaanse politieke systeem berustte, was grotendeels gebaseerd op homo-erotische relaties.
Maar sinds enkele decennia geldt juist de moslimwereld als bij uitstek homofoob. En dat beeld klopt: LHBT’s [lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders] moeten in moslimlanden vrezen voor hun leven. En de situatie wordt er alleen maar slechter op in ‘seculiere’ landen als Egypte en natuurlijk ook in gebieden die in handen van IS zijn, waar mannen die als homo bekendstaan een wrede dood te wachten staat.
Het bloedbad in Orlando is een angstaanjagend teken dat de homohaat binnen fundamentalistische moslimgroeperingen momenteel escaleert. Door deze tragedie zal het gevoel van onveiligheid toenemen binnen de LHBT-gemeenschap, die vrijwel overal in de wereld al blootstaat aan fysieke bedreigingen. Maar dit bloedbad zal ook de islamofobie binnen de LHBT-gemeenschap aanjagen, en dat is in Europa al te merken.
Rifa’a al Tahtawi.
Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Het klopt dat homoseksualiteit volgens de Koran strikt verboden is, maar dat geldt net zo goed voor de Wajikra [Leviticus] of de Brief van Paulus aan de Romeinen. En ondanks het Koranverbod zijn liefdes en seksuele relaties tussen mannen in islamitische culturen lange tijd heel gangbaar geweest.
In de veertiende eeuw noteerde de Egyptische geschiedschrijver al-Maqrizi dat ‘onder de Mamelukse leiders de liefde tussen mannen zo gewoon was dat de courtisanes zich uit frustratie als mannen verkleedden’. Toch verdient de terminologie wel precisering. De premoderne Arabische samenlevingen waren niet tolerant tegenover ‘homoseksuelen’. Het begrip ‘homoseksualiteit’ is pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in Europa opgedoken en bestond helemaal niet in de Arabisch-islamitische culturen. Affectie voor jongens werd getolereerd, maar mannen moesten wel met vrouwen trouwen en het bed met ze delen.
Waarom wordt homoseksualiteit dan nu in de moslimwereld als iets zeer schandaligs gezien? Sommige intellectuelen wijten dit aan westers imperialisme. Een van de aanhangers van deze hypothese is Joseph Massad (universiteit van Columbia). Volgens hem is het de ‘Gay Internationale’, zoals hij die noemt, die de westerse homoseksuele identiteit opdringt aan de oosterlingen die tot nu toe erotische afspraakjes met mannen in de privésfeer nooit als onderdeel van hun identiteit zagen.
Kortom, nationalistisch-islamitische bewegingen beschouwen homoseksualiteit als een westerse invloed en bestrijden ze om die reden. Als de Egyptische politie meer invallen doet op LHBT-feesten in Cairo, dan zijn die volgens Massad niet gericht tegen de seksuele praktijken daar, maar tegen de westerse homo-identiteit die geen ingang mag vinden.
De groeiende zichtbaarheid van de LHBT-gemeenschap roept ook elders in de wereld een homofobe tegenreactie op die steeds gewelddadiger wordt
Veel Arabische homoseksuelen zien helemaal niets in deze redenering. In hun ogen idealiseren mensen als Massad de seksuele normen in de Arabische wereld van voor de ‘invasie’ van de westerse homoseksualiteit. Een voorbeeld hiervan komt van een Marokkaan die door professor Samir Ben-Layashi (universiteit van Tel Aviv) wordt geciteerd in een artikel dat in 2008 in Haaretz verscheen: ‘Het klopt dat het voor een Europese homo van in de zeventig niet moeilijk is om een relatie met een jongen uit Marrakesh te beginnen, maar zo’n jongen wordt niet per se als een gay gezien.’
Maar is dit alles relevant om de slachting in Orlando te duiden? Omar Mateen [de schutter in de homoclub in Orlando] was geboren en getogen in de Verenigde Staten. Verder kunnen we er niet omheen dat de groeiende zichtbaarheid in de publieke ruimte van de LHBT-gemeenschap ook elders in de wereld een homofobe tegenreactie oproept die steeds gewelddadiger wordt, met name in Rusland, in sub-Saharaans Afrika, in Azië en in Oost-Europa. In de christelijke landen in sub-Saharaans Afrika wordt homoseksualiteit gehekeld als ‘anti-Afrikaans’ gedrag, opgelegd door de rijke noordelijke landen. Het lichaam van de homoseksuele mens, m/v, is een westers slagveld geworden.
Auteur: Ofri Ilani
Vertaler: Tess Visser
Auteur: Ofri Ilani
Beeld bovenaan: Homo-erotische foto uit de omgeving van Taormina, Sicilië, gemaakt in 1895 door Wilhelm von Gloeden.
Nieuws uit het buitenland is iets anders dan nieuws over het buitenland, luidt al honderd edities lang het adagium van 360. We laten lokale journalisten aan het woord over de situatie in hun land. Maar soms wijken we daarvan af, zoals hier. George Packer (staff writer bij The New Yorker en auteur van de grootse analyse van het moderne Amerika, The Unwinding) beschrijft zijn verkenning van ‘het andere Frankrijk’. Een betere titel – ja, op je honderdste verjaardag mag je zelfs beweren dat je het beter weet dan The New Yorker – zou misschien zijn ‘de andere Fransen’. Want zijn stuk gaat juist over hetzelfde Frankrijk en iedereen – binnen en buiten de Périphérique – die nolens volens meebouwt aan de toekomst van dat land.
Fouad Ben Ahmed had nooit veel aandacht besteed aan Charlie Hebdo. Hij vond het satirische tijdschrift grof en te sterk gefixeerd op de islam en hij kon er niet om lachen, maar hij geloofde ook niet dat het blad veel kwaad deed. Een van de cartoonisten, Stéphane Charbonnier, tekende ook voor Le Petit Quotidien, een kinderblad waarop Ben Ahmed een abonnement had voor zijn kinderen. Op 7 januari 2015, toen hij hoorde dat twee broers met Algerijnse namen, Saïd en Chérif Kouachi, op de redactie van Charlie Hebdo twaalf mensen hadden geëxecuteerd, onder wie Charbonnier, als wraak voor covers van het blad waarop Mohammed belachelijk werd gemaakt, schreef Ben Ahmed op Facebook: ‘Mijn Franse hart bloedt, mijn moslimziel huilt. Niets, ABSOLUUTNIETS kan deze barbaarse daden rechtvaardigen. Praat me niet van media of politici die een spel zouden spelen, want er is geen excuus voor barbarij. #JeSuisCharlie’
Forum
Die avond verliet Ben Ahmed zijn huis in een Parijse voorstad en ging de stad in om samen met tienduizenden anderen een wake te houden. Zijn Algerijns-Tunesische afkomst is zichtbaar aan zijn donkere huid, en een paar blanke extremisten slingerden hem bedreigingen naar zijn hoofd, maar Ben Ahmed negeerde ze – Frankrijk was ook zijn land. Op 11 januari liep hij met anderhalf miljoen medeburgers in een mars vanaf de Place de la République.
Ben Ahmeds Facebookpagina werd een forum waarop anderen, voornamelijk Franse moslims, over de aanslagen discussieerden. Velen uitten alleen hun verdriet en woede; sommigen kwamen met samenzweringstheorieën waarin ze beweerden dat dit een complot was om moslims in diskrediet te brengen. ‘Laat de politie maar onderzoek doen naar de achtergronden van dit bloedbad,’ vond Ben Ahmed. Een vrouw schreef: ‘Ik houd mijn hart vast voor de moslims van Frankrijk. De bekrompen of bange geesten zullen zich nog verder ingraven en een amalgame maken – alle moslims over één kam scheren met de terroristen.’ Ben Ahmed was het met haar eens: ‘Ons land zal nog verder verdeeld raken.’ Hij verdedigde zijn gebruik van de hashtag #JeSuisCharlie door te zeggen dat er, hoe legitiem het vóór de aanslag ook was geweest om kritiek te hebben op de inhoud van Charlie, daar nu geen plaats meer voor was. ‘Als we nu nog een debat gaan voeren over de redactionele koers van het blad, is het alsof we zeggen “Ja, maar…”,’ zou hij later tegen mij zeggen. ‘In deze omstandigheden is dat ondenkbaar.’
Na het bloedbad van Charlie Hebdo heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues
Ben Ahmed, 39 jaar, werkt als contactpersoon tussen de inwoners en het gemeentebestuur van Bondy, een voorstad ten noordoosten van Parijs, in het 93ste departement. Het 93ste was tientallen jaren lang een bolwerk van de vroegere arbeidersklasse en de communistische partij, maar staat nu vooral bekend om zijn inwoners van Arabische en Afrikaanse origine. Veel Parijzenaars associëren het 93ste met verloederde sociale woningbouw, criminaliteit, werkloosheid en moslims.
Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip geworden, dat staat voor sloppenwijken waar immigranten in de meerderheid zijn. Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en sociale uitsluiting. De cités en hun bewoners zijn het onderwerp van veel bezorgde en boze discussies in Frankrijk. Onlangs verschenen twee boeken van de hand van de vooraanstaande politiek wetenschapper Gilles Kepel, Banlieue de la République en Quatre-vingt-treize [Drieënnegentig]. Het zijn studies naar het grootschalige verval en de groeiende segregatie tussen bevolkingsgroepen. Ook voor dat laatste kent het Frans een negatieve benaming: communautarisme.
Na het bloedbad van Charlie Hebdo – en nadat een derde terrorist, Amedy Coulibaly, een zwarte politieagente bij een joodse school en vier joden in een koosjere supermarkt had doodgeschoten – heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. Weliswaar komt antisemitisme in deze geïsoleerde gemeenschappen steeds sterker op, maar het profiel van de Franse jihadist valt niet samen met een bepaalde klasse; veel jihadisten komen uit middenklassegezinnen. Het gevoel van uitsluiting in de banlieues is een nijpend probleem dat de overheid tientallen jaren heeft verwaarloosd, maar meer banen en betere huisvesting zullen geen eind maken aan het Franse jihadisme.
Ben Ahmed woont al zijn hele leven in het 93ste. Een paar jaar geleden is hij met zijn vrouw Carolina en hun twee kinderen naar een klein huis in de omgeving van het vliegveld Charles de Gaulle verhuisd. Daar wonen ze dichter bij de particuliere school waar ze hun kinderen naartoe sturen omdat de meeste openbare scholen in het 93ste overvol en chaotisch zijn, en jongere, minder gekwalificeerde leerkrachten hebben. Als tiener woonde Ben Ahmed in een van de ergste voorsteden, Bobigny, in een beruchte cité die l’Abreuvoir heet. Als twintiger en begin dertiger werkte hij als buurtopbouwwerker voor de gemeente Bobigny met probleemjongeren – soms zijn eigen vrienden en buren, vaak jongeren die net uit de gevangenis kwamen of daar snel terecht zouden komen. Hij weet meer van het leven in de cités dan welke wetenschapper ook.
Na de aanslagen schreef Ben Ahmed een open brief aan president François Hollande, onder de kop ‘Allemaal deels verantwoordelijk, maar niet schuldig’. Hij noemde zich een banlieuebewoner die vaak ‘de dood van dichtbij’ had gezien. Hij schreef over de problemen van de werkloosheid, de discriminatie en de collectieve afzondering van de samenleving. Hij bracht in herinnering hoe in oktober 2001 in Parijs een voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije – de eerste sinds de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 – afgeblazen moest worden, toen duizenden Franse jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst boe riepen tijdens de Marseillaise en het veld op stormden onder het roepen van ‘Bin Laden, Bin Laden!’ Het Franse publiek reageerde met heilige verontwaardiging.
‘Het probleem manifesteerde zich daar, recht voor onze neus,’ schreef Ben Ahmed. ‘Maar wij stelden niet de juiste vragen, we kozen voor stigmatisering, afwijzing van de ander.’ Hij vervolgde: ‘Die dag is de tweedeling ontstaan, het gevoel afgewezen te worden door de politieke klasse, toen we andere vragen hadden kunnen stellen: Wat is er aan de hand? Wat is het probleem?’
Ben Ahmed gaat altijd gekleed in een strak, donker pak, zelfs in het weekend, alsof zo’n formele stijl voor een Arabier uit het 93ste de enige manier is om serieus genomen te worden. Toen ik kort na de aanslagen een ontmoeting met hem had, zei hij tegen me: ‘In het Frans zeggen we: “De kap maakt de monnik niet” – maar helaas is dat wel het geval.’ Dat is ook de reden waarom hij altijd heel secuur Frans spreekt, niet de met Arabisch doorspekte straattaal van de banlieues. Hij draagt zijn haar gemillimeterd, de zwarte stoppels van zijn haarlijn komen op zijn voorhoofd samen in een puntje. Hij heeft een breed, jongensachtig gezicht en een ontwapenende lach.
Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen
Terwijl hij met grote, besliste passen door het 93ste beent, lijkt het wel of hij iedereen bij naam kent. Maar als jongere in l’Abreuvoir moest hij wel leren vechten – hij deed in die tijd aan boxe française, een vorm van kickboksen – en als hij onder druk staat, kunnen zijn ogen waakzaam en uitdrukkingsloos worden. Toen hij twee jaar geleden met zijn kinderen een bioscoop binnenkwam, zag hij dat een van de bezoekers een geweer bij zich had. (De man kwam een rekening vereffenen met zijn vrouw en haar minnaar.) Ben Ahmed zei tegen zijn kinderen dat ze moesten gaan liggen, sloop de tien meter naar de man met het wapen toe, greep hem van achteren beet, werkte hem naar de grond en hield hem in een Braziliaanse jiujitsu-houdgreep. Nadat er beveiligingsmensen bij waren gekomen, nam Ben Ahmed zijn kinderen mee de bioscoopzaal in om naar Man of Steel te gaan kijken.
Ben Ahmed koesterde al langer politieke ambities, en door dit incident werd hij een plaatselijke held. Hij besloot zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraad. ‘Ik kan met iedereen praten, want ik heb respect voor de ander. Ik geloof dat iedereen wel iets goeds in zich heeft.’ Ben Ahmeds vrouw en zijn vrienden vinden hem een beetje naïef, maar naïviteit is bijna onmisbaar voor een moslim uit de banlieues die in een tijd van nationale crisis tussen bevolkingsgroepen de Franse politiek in wil.
Parallelle werelden
De ringweg rondom Parijs staat bekend als de Périphérique. Als je de voorsteden binnenkomt of uitgaat, heet dat ‘de Périphérique oversteken’, alsof de ringweg een grens is. Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen. ‘Er zijn twee parallelle werelden,’ zegt Mehdi Meklat, een jonge blogger van Le Bondy Blog, die over het leven in de banlieues schrijft. Volgens hem is de relatie tussen Parijs en de voorsteden ‘schizofreen’.
Met de RER, het spoorwegnetwerk dat Parijs met zijn voorsteden verbindt, ben je in negentien minuten van Gare du Nord bij de halte van Ben Ahmed. De rit begint in een tunnel en als de trein boven de grond komt, zijn de boulevards met hun talloze bistroluifels verdwenen. Zelfs het weer lijkt anders – vochtig en somber, met een wind die uit het zuidwesten blaast. (De voorsteden van het 93ste zijn ontstaan rond fabrieken die ten noordwesten van Parijs waren geplaatst, omdat daar de industriestank wegwaaide van de Lichtstad.) Het spoor doorsnijdt een wanordelijk landschap van met graffiti overdekte muren, glazen kantoorgebouwen, voetbalvelden, vuilnishopen, verlaten industrieterreinen, bescheiden huizen met rode daken en clusters van twintig verdiepingen hoge kolossen – de cités.
De banlieues zijn veel diverser dan de getto’s van Amerikaanse steden. Tijdens een rit met de RER zag ik een man die Tamil sprak in zijn mobiele telefoon, een Aziatische vrouw die op haar twee zoontjes lette, Noord-Afrikaanse vrouwen in elk type hijab, of niet in hijab, een bejaarde blanke man, een zwarte man in blazer die de sportpagina’s van de krant zat te lezen, een Arabische man die in het gangpad stond te bedelen met een kind in zijn armen. Rijke wijken liggen naast arme, particuliere koophuizen staan tussen sociale woningbouw en mensen van alle kleuren en religies doen hun boodschappen in de lokale winkelcentra. In een restaurantje in Montreuil, aan een lege straat in de buurt van een cité, werden Arabische mannen bediend door een blanke serveerster. De banlieues hebben generaties immigranten gehuisvest, en de oudere lichting van Portugezen, Italianen en Polen is niet helemaal verdwenen met de komst van de recentere golven Arabieren, Afrikanen en Chinezen, in de afgelopen decennia. Aangenomen wordt dat de voorsteden nog altijd overwegend blank zijn, al weet niemand dat zeker, omdat het in Frankrijk verboden is gegevens bij te houden op basis van etniciteit of godsdienst. (Voor de cités is geen exacte telling nodig – die zijn in overgrote meerderheid Arabisch en zwart.)
De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar
Hoe vitaal ze ook zijn, de banlieues lijken los te staan van de stad, en van Frankrijk zelf. Parijzenaars en toeristen zie je er zelden, en de bewoners klagen dat journalisten er alleen maar komen om verslag te doen van autobranden en druggerelateerde schietpartijen. De voorstad Clichy-sous-Bois, waar in 2005 de rellen ontstonden die zich vervolgens over het hele land verspreidden, probeert tegenwoordig wat extra inkomsten te genereren door nieuwsgierige buitenstaanders een tour de banlieue aan te bieden. Veel bewoners van de voorsteden denken er ondertussen niet aan om naar Parijs te gaan. Vergeleken met de Amerikaanse sloppenwijken zijn de kwaliteit van de woningen en de veiligheid in de banlieues nog redelijk goed, maar de psychologische afstand tussen het 93ste en de Champs-Élysées kan onoverkomelijk lijken – veel groter dan die tussen The Bronx en Times Square.
De appartementenblokken in de cités, vaak gegroepeerd rond een apotheek, een supermarkt en een fastfoodtent, zijn naar binnen gericht. Vaak hebben ze geen straatnaam, geen duidelijke entree en onvoldoende parkeerplaatsen. Het gevoel van vervreemding wordt nog versterkt door de namen van de omringende straten en scholen, verwijzingen naar een historisch Frankrijk dat weinig te maken heeft met het dagelijks leven van de bewoners. De straten rond Gros Saule – een van drugs doortrokken cité waar de politie zich niet durft te vertonen – hebben namen als rue Henri Matisse en rue Claude Debussy.
‘Het is een sociale grens,’ zegt Badroudine Abdallah, een collega van Mehdi Meklat bij Le Bondy Blog. ‘Het gaat er niet alleen om of je zwart of Arabisch bent. Het gaat er ook om of je relaties hebt, een netwerk.’ Meklat en Abdallah, allebei in de twintig, vertellen me dat Franse leerlingen aan het eind van de lagere school een week lang stage moeten lopen. Hun klasgenoten kwamen, als ze geluk hadden, terecht in een armoedig bakkerijtje of een apotheek, en anders vonden ze geen plek, want bedrijven honoreren geen aanvragen van immigrantenkinderen uit het 93ste.
Als je uit de banlieues komt is dat een grote belemmering op de arbeidsmarkt, en bijna elke inwoner die ik er tegenkwam kon wel een verhaal vertellen over discriminatie. Fanta Ba, dochter van Senegalese immigranten, gebruikt tegenwoordig op sollicitatieformulieren haar tweede naam, France, en verfranst haar achternaam tot Bas, maar ze heeft nog steeds geen werk. Elke keer als ze berichten over een terroristische aanslag in Frankrijk hoort, bidt ze: ‘Laat het geen Arabier zijn, geen zwarte, geen moslim.’ Op 7 januari zette ze de tv uit en vermeed ze twee dagen lang Facebook. Ze kon er niet tegen om telkens weer die gewelddadige beelden te zien, of te moeten horen dat alle moslims daar verantwoordelijkheid voor zouden dragen. ‘Om te moeten zeggen: “Je suis Charlie”, of: “Ik ben moslim en ik veroordeel dit” – dat was te veel gevraagd,’ zegt ze. ‘Ik had er niets mee te maken. Ik vroeg me af: hoe moet dit aflopen? Gaan ze straks een kruis zetten op de voordeuren van moslims of Arabieren?’
Echte Fransen
Ben Ahmed heeft een vriend in Bobigny, Brahim Aniba, die accountant is en zoals veel banlieuebewoners ooit een periode van werkloosheid heeft doorgemaakt. Om een uitkering te kunnen krijgen moest hij een afspraak maken bij een jobcoach. Aniba vertelde me dat de coach, om hem te helpen, vroeg: ‘Heb je geen tante die in Parijs of ergens anders woont? Want Bobigny, cité Grémillon, tja…’ Dat was het Franse equivalent van Schijtstad. De jobcoach raadde hem aan: ‘Als je een adres in Parijs hebt, een postbus, alleen maar om je post te ontvangen, dan is dat beter. En je achternaam, Aniba – die is wel oké, maar je voornaam, Brahim… gebruik liever B.’
‘Mevrouw, waarom laat ik niet liever gewoon meteen mijn broek zakken?’ zei Aniba.
De simpele bepaling wie Frans is en wie niet, kan een luchtig gesprekje lastig maken. Als mensen de dertigjarige journaliste Widad Ketfi vragen waar ze vandaan komt, antwoordt ze: ‘Uit Bondy.’ Maar daarmee is de kous nooit af. ‘Welke afkomst?’ ‘Frans.’ ‘Waar komen je óúders vandaan?’ ‘Uit Frankrijk!’ Zelfs burgers met een immigrantenachtergrond duiden blanken vaak aan met de term Français de souche – ‘echte Fransen’. Wat impliceert dat mensen met een donkerder huid niet helemaal Frans zijn.
Zoals Fanta Ba het zegt: ‘Je doet alles voor Frankrijk, om geaccepteerd te worden, maar je voelt dat je niet welkom bent.’ Dit geldt zeker voor moslims. In een enquête van Le Monde na de aanslagen gaf een meerderheid van de ondervraagden aan te vinden dat de islam niet verenigbaar is met de Franse waarden. In een cité als Trappes, waar Ba is opgegroeid, keren sommige moslims zich van de Franse samenleving af: vrouwen verdwijnen onder de zwarte abaya; mannen gaan van school om via internet islamitische kleding te verkopen. Ba draagt geen hoofddoek, maar ze is wel strikter geworden in haar geloof nu ze het moeilijk heeft, alleen en zonder baan. Als iemand zich terugtrekt, zegt zij, is dat vaak een reactie op uitsluiting.
‘Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat’
Bij de verkiezingen van 2012 gingen negen van de 570 zetels in de Assemblée Nationale naar niet-blanke kandidaten – een toename van acht zetels. Frankrijk blijft een klassenmaatschappij, waar sociaal kapitaal het allerbelangrijkste is. Het land wordt geregeerd door de énarques – afgestudeerden aan de prestigieuze École Nationale d’Administration in Straatsburg. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet is een diploma van een eliteschool de enige garantie om een goede baan te vinden in een land dat kampt met economische stilstand. Dit geldt ook in Amerika steeds meer, maar in de VS integreren immigranten veel makkelijker dan in Frankrijk. Wat beide landen gemeen hebben – en wat ze uniek maakt – is een nationale identiteit die niet alleen gebaseerd is op geschiedenis, bloed, geboortegrond en cultuur, maar ook op de idee van de volkssoevereiniteit. In Frankrijk wordt dit ‘republicanisme’ genoemd, en in theorie geldt dit begrip voor het hele land. In de praktijk hangt je deelname aan de Franse republiek niet alleen af van democratie en secularisme, maar ook van wat je draagt, wat je eet en hoe je je kinderen noemt.
In 2007 werd er een nationaal immigratiemuseum geopend in het Palais de la Porte Dorée, een art-decopaleis aan de oostrand van Parijs dat in 1931 voor een koloniale expositie werd gebouwd. Volgens de traditie hoort een nationaal museum in Frankrijk geopend te worden door de president, maar Nicolas Sarkozy, die immigratie tot speerpunt van zijn verkiezingscampagne had gemaakt, weigerde te komen opdraven. Het Musée de l’Histoire de l’Immigration opende zijn deuren zonder officiële ceremonie. (Pas zeven jaar later, in december 2014, verrichtte de socialist Hollande de inauguratieplechtigheid.) Toen ik in februari in het museum was, zag ik er maar weinig bezoekers. Veel Parijzenaars weten niet eens dat het bestaat.
Een gemiste kans, want de tentoonstelling vertelt een rijk verhaal, dat teruggaat naar het midden van de negentiende eeuw, toen Frankrijk nieuwe immigranten ontving terwijl de rest van Europa die juist creëerde. Nog in de jaren dertig van de vorige eeuw had Frankrijk het grootste aantal immigranten per hoofd van de bevolking ter wereld. De bordjes in het museum bieden historische geruststelling: ‘De figuur van de niet-assimileerbare vreemdeling komt mee op elke immigrantengolf. Van de Italianen aan het eind van de negentiende eeuw tot de Afrikanen van vandaag, de stereotypen veranderen nauwelijks: immigranten zijn met te veel, ze brengen ziekten mee, ze kunnen in de criminaliteit belanden, het zijn vreemde elementen binnen de eigen natie. Deze angst voor vreemdelingen, die in tijden van crisis telkens weer de kop opsteekt, wordt vaak gecombineerd met antisemitisme en gevoed door racisme.’
Het moeilijkst verteerbare aspect van het Franse koloniale verleden is Algerije. Dat land werd aan het begin van de negentiende eeuw door Europeanen gekoloniseerd. Het werd onderdeel van het Franse rijk en dat bleef het tot de onafhankelijkheid in 1962, na een oorlog van acht jaar waarin zevenduizend mensen omkwamen. Het is nauwelijks te overschatten hoe zwaar dit verhaal, dat zo dichtbij en zo treurig is, vervolgens werd onderdrukt. La battaglia di Algeri (De slag om Algiers), het neorealistische meesterwerk van filmmaker Gillo Pontecorvo over opstand, onderdrukking, terrorisme en marteling in Algiers, was in Frankrijk na zijn verschijning in 1966 vijf jaar lang verboden en is er nog steeds taboe. Op 17 oktober 1961 doodde de Franse politie bij een demonstratie voor de onafhankelijkheid van Algerije in Parijs tweehonderd mensen, onder meer door ze van de bruggen af in de Seine te gooien. Het heeft veertig jaar geduurd voordat Frankrijk erkende dat deze slachting had plaatsgevonden, en het incident wordt op scholen nog steeds nauwelijks vermeld. Jonge mensen in de banlieues vertelden me dat de koloniale geschiedenis op scholen slechts vluchtig wordt behandeld en dat er nauwelijks literatuur uit voormalige koloniën wordt gelezen.
Geschiedenis
Volgens Andrew Hussey, een Brits onderzoeker van het London University Institute in Parijs, vormt de onrust in de banlieues – telkens terugkerende rellen, autobranden, botsingen met de politie – een nieuw front in de lange oorlog tussen Frankrijk en zijn Arabieren, met name Algerijnen. Het doel van het geweld is niet hervorming of revolutie, maar wraak. ‘Het leven van de jongeren in de banlieues draait om wiet, meisjes, gangsters en islam,’ zegt hij. ‘Ze hebben geen historisch besef, zijn zich niet bewust van waar in Noord-Afrika ze vandaan komen, kennen alleen kleine beetjes Arabisch die ze niet begrijpen, stukjes islam die hun niet echt iets zeggen.’
In zijn boek The French Intifada beschrijft Hussey het conflict in zulke harde bewoordingen dat zijn Franse uitgever weigerde er een Franse vertaling van uit te geven. Zijn onderzoek in de banlieues is minder genuanceerd dan dat van zijn collega-politicoloog Gilles Kepel (als ik tegenover inwoners van de banlieues de term ‘Franse Intifada’ liet vallen, werd er ongelovig gelachen), maar het is levendig en uit de eerste hand. Het boek begint met een ooggetuigenverslag van een acht uur durende ondergrondse veldslag op Gare du Nord, in 2007, tussen politieagenten en banlieuejongeren die schreeuwen: ‘Na’al abouk la France!’, Arabisch voor ‘Fuck Frankrijk!’ Hussey schrijft: ‘Deze kreet – eigenlijk meer een vervloeking – heeft niets te maken met de Franse traditie van volksopstanden.’ Maar hij heeft het in zijn portret niet over de banlieuebewoners die zowel moslim als Frans proberen te zijn – mensen als Fouad Ben Ahmed.
Op een avond in een Thais restaurant in de voorstad Aulnay-sous-Bois zegt Ben Ahmed tegen me: ‘Ik ken mijn eigen geschiedenis nauwelijks. Daar wordt geen les over gegeven, en omdat ze zo pijnlijk is, hebben mijn moeder en mijn grootvader me er nooit over verteld.’ Hij kent wel de hoofdlijnen van de Frans-Algerijnse oorlog, en vertelt over pieds noirs – Franse kolonisten die Algerije als hun vaderland beschouwden en dat land na de onafhankelijkheid moesten ontvluchten – en harkis, Algerijnse moslims die het Franse gezag steunden en door andere Algerijnen werden verketterd. Aan het eind van de oorlog maakte geen van beide landen ruimte voor burgers met conflicterende loyaliteiten en identiteiten: Algerije werd een Arabische staat en Frankrijk dekte zijn wonden toe door te doen alsof het conflict nooit had plaatsgevonden. Wederzijdse schuldgevoelens en verwijten hebben verhinderd dat de pieds noirs, harkis en Algerijnen die om economische redenen naar Frankrijk immigreerden met hun gedeelde verleden in het reine kwamen. Ben Ahmed: ‘En aangezien noch onze ouders noch de overheid ons over onze geschiedenis vertellen, kunnen andere mensen ons nu leugens verkopen om dingen te rechtvaardigen die niet te rechtvaardigen zijn.’ Hij doelt op de jihadisten.
Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij of zijn vrienden
Ben Ahmeds grootvader was een Algerijn die dienst nam bij het Franse leger en in 1958 naar de Parijse banlieues immigreerde. De meeste immigranten uit die periode kwamen naar Frankrijk om te werken – als fabrieksarbeiders, of straatvegers – en woonden in krotten. Hun aanwezigheid zou maar tijdelijk zijn. Toen duidelijk werd dat de meeste immigranten niet naar huis zouden terugkeren, werden de krottenwijken opgeruimd en de arbeiders gehuisvest in de cités. Ben Ahmeds grootvader kon zich, dankzij zijn inkomen als militair, een klein huis in het 93ste veroorloven. Ben Ahmeds moeder werkte als secretaresse in een metaalbedrijf; zijn vader verdween toen Fouad twee was. Hij groeide in betrekkelijke welstand op in het huis van zijn grootouders, tot 1989, toen zij dat huis verkochten. Ben Ahmed was toen dertien.
Zijn moeder zat in die tijd zonder werk en moest met haar zoon verhuizen naar l’Abreuvoir, de cité in Bobigny. Bij de bouw in de jaren zestig werd l’Abreuvoir gezien als een innovatief ontwerp, met zijn golvende, veertien verdiepingen hoge flatgebouwen en ronde groene torens. Maar in de jaren negentig was het een centrum voor heroïnehandel geworden. Op een keer kwam Ben Ahmed de benedenhal van zijn gebouw binnen en zag hij een man staan met een zak drugs en een pak bankbiljetten. ‘Donder op, of ik maak je af,’ zei de man. Ben Ahmed ging ervandoor.
Op school deed hij niet erg zijn best en hij bleef verschillende keren zitten, maar zijn moeder dwong hem om door te gaan, want als hij van school ging zou haar bijstandsuitkering omlaag gaan. Hij droeg een steentje bij aan hun huishouden door wasmachines te bezorgen bij appartementen in Parijs. Hij had vrienden die in drugs handelden en zelf zou Ben Ahmed misschien ook de criminaliteit in zijn gegaan, als hij niet Carolina had leren kennen, de dochter van een politiek vluchteling uit Chili. Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij of zijn vrienden. Met hulp van Carolina maakte hij zijn middelbare school af, haalde aan de hogeschool zijn diploma maatschappelijk werk en werd jongerenwerker.
Een van de jongeren die Ben Ahmed probeert te helpen, is J.-P., een losgeslagen jongen uit Salvador Allende, ook een cité in Bobigny. Ben Ahmed is twaalf jaar ouder dan hij en kent J.-P. al bijna sinds zijn geboorte. (‘Bobigny is net een dorp,’ aldus J.-P.) J.-P. is een métis: zijn vader is Arabisch, zijn moeder blank. Zijn grootvader is in 1984 uit Algerije gekomen en als straatveger gaan werken. Zijn vader hoort bij ‘een ontwortelde generatie met hun kont op twee stoelen’, zoals J.-P. het noemt – ongewenst zowel in hun oude als in hun nieuwe land. J.-P.’s vader leeft nog, maar de meeste van zijn vaders vrienden zijn jong gestorven, door geweld, drugs of aids.
J.-P. groeide op als getatoeëerde fan van Scarface en Tupac Shakur. Op zijn veertiende werd hij van school gestuurd en begon hij drugs te verkopen en te stelen. ‘Tegenover mensen die met geweld de wet willen handhaven, moet je zelf het meest gewelddadig zijn als je het laatste woord wilt hebben,’ zegt J.-P. Hij ziet zichzelf niet als slachtoffer. ‘Ik was een klein klootzakje. Ik heb er zelf voor gekozen om daarin terecht te komen. Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat.’
Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social
We rijden in Ben Ahmeds Citroën door het 93ste. J.-P., een jongen met een lichte huid, gescheurde spijkerbroek en slechte tanden, zit achterin. Hij doet geen moment zijn oortelefoons uit en trekt zich geregeld terug in een soort roes, om daar dan weer een en al concentratie en welbespraaktheid uit tevoorschijn te komen. Hij heeft sinds 2010 drie keer in de gevangenis gezeten. Zijn eerste veroordeling, zegt hij, was voor ‘zo’n beetje alles – wapenbezit, geweldpleging, drugs’.
Ben Ahmed vertelt dat J.-P. en hij een tienermeisje hebben gekend van wie het vriendje een gangster was. Ben Ahmed had het meisje aangeraden om voorzichtig te zijn, en toen dit haar vriend ter ore kwam, sprak die Ben Ahmed erop aan: ‘Wat the fuck wil jij eigenlijk?’ De volgende avond vroeg Ben Ahmed een kennis uit de cité van de vriend om samen met een paar anderen naar hem toe te gaan en de man tot kalmte te brengen. Toen de vriend de groep zag aankomen, trok hij een pistool en vuurde waarschuwingsschoten af.
‘Soms is het moeilijk – als je bepaalde mensen wilt helpen en dan in een lastige situatie terechtkomt,’ vertelt Ben Ahmed me.
‘Twee jaar later ben ik nog met dat meisje naar bed geweest,’ zegt J.-P. lachend. ‘Diezelfde kerel schoot me in mijn been.’
‘Wat soms ook moeilijk is voor iemand als ik, is om J.-P. te helpen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Soms heb je het idee dat mensen niet klaar zijn om geholpen te worden.’
‘Hé, je wordt vervelend,’ zegt J.-P. ‘Geef me 100.000 euro. Dát zou pas helpen.’ Hij klaagt dat zijn maag rammelt. We zetten hem af bij een Senegalese cafetaria.
‘Je bent heel intelligent, maar er mankeert iets aan je hoofd,’ zegt Ben Ahmed tegen hem.
‘Ik hou van mijn leven,’ antwoordt J.-P. ‘Het is nooit te laat om te veranderen.’ Hij loopt weg, een beetje mank.
‘Ik ben bang dat het slecht met hem afloopt,’ zegt Ben Ahmed.
Secularisme
In 2004 nam het Franse parlement een wet aan die religieuze symbolen op openbare scholen verbood, als reactie op moslimmeisjes die met een hoofddoek op school kwamen. De wet was een bevestiging van het eeuwenoude Franse concept van de laïcité, secularisme, waarin de neutraliteit van de staat tegenover religie is verankerd en dat de religie uit het openbare domein moet weren. (In Amerika was het doel van het secularisme vrijwel het omgekeerde: daar werd het de staat verboden zich met religie te bemoeien.) Maar veel Franse moslims vatten het verbod op als een uiting van ongerechtvaardigde vijandigheid. Sommigen zeiden tegen me dat de wet een uitzondering maakt voor het joodse keppeltje, al is dat niet waar.
‘De school is een heilige plek in de republikeinse leer – het is de kerk van de republiek,’ zegt Vincent Martigny, politiek wetenschapper op de École Polytechnique bij Parijs. ‘Een individu, en zeker een kind, wordt op school een burger, wat een hogere vorm is van het individu.’
Martigny merkt op dat ondanks de strikt republikeinse opvattingen in Frankrijk de overheid wel degelijk steun geeft aan culturele diversiteit – in de film, op plaatselijke festivals. Maar in een tijdperk van onzekerheid lijdt Frankrijk aan ‘morele paniekaanvallen’, zoals hij het noemt. In een enquête van dagblad Le Monde gaf onlangs 42 procent van de ondervraagden aan zich niet meer thuis te voelen in Frankrijk.
Na de _Charlie_-moorden werden tientallen moskeeën in heel Frankrijk bekrast of beklad en sommige zelfs beschoten. Gesluierde meisjes en vrouwen werden lastiggevallen. Enkele Franse moslims klaagden dat de Franse autoriteiten wel gewapende militairen stuurden om joodse instellingen te bewaken, maar dat islamitische instellingen aanvankelijk geen bescherming kregen. Die klacht klopte wel, maar ging voorbij aan belangrijke verschillen in omvang en aard van de dreiging: joden maken minder dan 1 procent van de Franse bevolking uit, maar zijn slachtoffer van de helft van de haatmisdrijven in het land, en in de afgelopen jaren zijn ze herhaaldelijk doelwit geweest van dodelijk geweld.
Op 8 januari 2015 werd er in het hele land een minuut stilte gehouden voor de _Charlie_-slachtoffers. Er werden minstens honderd incidenten gemeld van leerlingen op scholen in de banlieues die weigerden die stilte in acht te nemen. Mensen in het 93ste legden uit dat sommige opstandige jongeren alleen maar dwars wilden doen. Maar de publieke opinie was diep verontwaardigd. Sarkozy, die in zijn achterhoofd al bezig was met zijn volgende gooi naar het presidentschap in 2017, eiste dat scholen niet langer halal eten aanboden – als moslimkinderen geen varkensvlees wilden eten, dan aten ze maar niet.
Hélène Kuhnmunch is lerares geschiedenis op een school voor middelbaar beroepsonderwijs in Colombes, een banlieue ten noordwesten van Parijs. De beroepsopleidingen worden verafschuwd, zegt ze, als instrumenten van ’uitsluiting van het systeem’, en ze beschikken over weinig geld. Kuhnmunch geeft al vijftien jaar les aan banlieuejongeren en ze houdt van hun gevoel voor humor en hun energie. In 2008 maakte ze samen met een groep immigrantenjongeren een documentaire over de Frans-Algerijnse geschiedenis die besloten lag in de families van de leerlingen. Eén jongen ontdekte dat zijn vader een van de Algerijnen was geweest die door de politie in de Seine waren gegooid. (Hij had het overleefd.)
De lerares zegt dat haar leerlingen defensief hadden gereageerd op de _Charlie_-aanslagen, en ze voegt eraan toe: ‘Dit was niet nieuw, dit gevoel dat ze altijd weer worden aangesproken op hun afkomst en religie, dat ze worden beledigd.’ Kuhnmunch, die in Parijs woont, is niet naar de mars voor de eenheid op de Place de la République, gegaan, omdat ze wist ‘dat de banlieues daar niet zouden zijn’. Ze besteedde die dag aan het verzamelen van materiaal voor een les over de aanslagen.
Die maandag op school stak een moslim zijn hand op. ‘Madame, die cartoons – ik was ertegen,’ zei hij. ‘Maar daarvoor schiet je geen mensen dood.’ Kuhnmunch vond het verdrietig dat hij blijkbaar dacht dat hij haar gerust moest stellen. Anderen herhaalden de complottheorieën die de ronde deden op sociale media, ook een dromerige, geestige jongen die een van haar liefste leerlingen was, maar die nu afwerend en boos deed. Kuhnmunch bracht het gesprek op de geschiedenis van het secularisme. In de banlieues is laïcité synoniem geworden met atheïsme en islamofobie. Kuhnmunch vertelde haar leerlingen over het Edict van Nantes in 1598, toen koning Hendrik IV voor het eerst rechten verleende aan de Franse protestanten. De klas discussieerde over wetten die aan het eind van de negentiende eeuw waren aangenomen, en waarmee godsdienstonderwijs op openbare scholen werd afgeschaft. Kuhnmunch liet haar leerlingen antiklerikale cartoons uit die tijd zien en samen analyseerden ze de tekeningen uit Charlie Hebdo (zij het niet die over Mohammed) in hun politieke context. ‘Ze realiseerden zich dat in de kwestie van de katholieke religie dezelfde argumenten werden gebruikt als in 2004 rond de hoofddoekkwestie,’ vertelt ze. ‘En daar keken ze van op – dat dit niet alleen maar tegen de islam gericht was, dat het voortkomt uit een traditie.’
J.-P. biedt aan om me mee te nemen naar een moskee in Bobigny. Zelf gaat hij daar niet vaak heen; zijn verbondenheid met de islam heeft minder te maken met geloof dan met culturele identiteit. Op een vrijdagmiddag verschijnt hij bij het betonnen winkel centrum in het centrum van de wijk, in een glanzende zwarte jas met capuchon, een lang zwart gewaad over een grijze joggingbroek, groen met gele sneakers en oortelefoons – de uitmonstering van de religieuze gangster. We lopen over een voetpad dat wegleidt van de socialewoningbouwblokken, onder spoorbanen door, omhoog naar een armzalige open plek naast een terrein waar vrachtcontainers staan weg te roesten. Er staat een dubbele oplegger naast een witte tent. Dit is de centrale moskee van Bobigny, een stad van vijftigduizend mensen. (Er zijn al jaren plannen voor een nieuwe moskee, maar die is nog steeds niet gebouwd.) Er ontstaat een opstopping op de plek waar mannen de deur van een van de opleggers binnen willen gaan. Vrouwen zijn nergens te zien, maar die zitten waarschijnlijk in de andere oplegger. Bij de ingang liggen de schoenen hoog opgetast. We persen ons de gebedsruimte in, die hoogstens tweeënhalve meter hoog is en zoeken een plek achterin.
Minstens tweehonderd mannen liggen geknield, met hun hoofd voorover op het vloerkleed. Een paar kilometer hiervandaan zullen de schitterende, echoënde kerken van Parijs komende zondag vrijwel leeg zijn. De imam, een oudere Tunesiër die nauwelijks Frans spreekt, gaat voor in het slotgebed. J.-P. houdt zijn oortelefoons in.
Na afloop, in het gedrang bij de uitgang – oude Noord-Afrikaanse mannen, zwarte jongemannen in straattenue, fundamentalisten met lange baard in enkellang gewaad – stelt J.-P. me voor aan een paar vrienden. ‘Allahu akbar,’ roepen ze verrast, bij wijze van welkom, maar kennelijk zijn ze nog meer verrast om J.-P. hier te zien. Hij zegt tegen mij: ‘Niet iedereen hoeft op dezelfde manier moslim te zijn. Er zijn 62 benaderingen van de islam.’
Ik noem er een paar op waar ik iets over weet, zoals soefisme en salafisme. ‘Wij zijn allemaal salafisten,’ zegt J.-P. ‘We willen allemaal leven als de metgezellen van de Profeet in de zevende eeuw.’
De salafisten die ik ken zijn fanatieke asceten – niet drinken, niet roken, geen vrije seks. J.-P. houdt wel van een drankje en is van plan zich vanavond eens flink te laten vollopen. Zijn opvatting van het salafisme lijkt niet veel meer dan de hoop om een betere moslim te worden.
Ongewenste kinderen
Eigenlijk voelt hij er weinig voor om me mee te nemen naar een cité – hij heeft daar te veel vijanden. In plaats van me rond te leiden in het wooncomplex waar hij zelf woont, neemt hij me mee naar de andere kant van de straat, naar een groot blok woontorens dat Chemin Vert heet. Ook hier kent J.-P. iedereen. ‘Dit is een groot rapper,’ zegt hij over een man die er rondhangt, en die knikt lusteloos. Voor een toren zitten twee jonge Arabieren; volgens J.-P. is een van hen een drugsdealer. De andere roept, als hij hoort dat ik uit Amerika kom: ‘Is het waar dat Tupac dood is?’ Een groep bebaarde mannen bij de moskee groet ons. J.-P. stelt me aan een van hen voor, en grapt dat de man binnenkort misschien wel naar Syrië afreist. De man lacht wat ongemakkelijk.
In het uitgestorven hart van Chemin Vert, op een plein tussen acht woontorens van twintig verdiepingen, staat J.-P. stil. ‘Zie je?’ zegt hij, ‘Het sluit je in.’ De cité voelt als de buitenmuren van een gevangenis. Zelfs het brutalistische Bobigny is niet meer te zien. J.-P. staart in het niets. De lucht is zwaar van regen die niet wil vallen. ‘Er is helemaal niets voor jongeren hier,’ zegt hij. ‘Ik heb nog nooit de Mona Lisa gezien. Die wil ik graag zien voor ik doodga.’
Midden in de cité bestellen we onze lunch aan de counter van een fastfoodtent: een schep gebakken vlees met gesmolten kaas. J.-P., die nog steeds zijn oortelefoons in heeft, vraagt aan de man achter de counter hoe die over Islamitische Staat denkt. De man zegt dat hij het maar slecht vindt. J.-P. is het met hem eens, maar hij vindt wel dat moslims worden onderdrukt. Als moslims in Syrië of Irak willen gaan vechten, is dat hun zaak. Frankrijk is iets anders. Als iemand Frankrijk kwaad doet, doet hij J.-P. ook kwaad.
‘Frankrijk is onze moeder,’ zegt J.-P. terwijl hij zit te eten. Zijn eigen moeder is een blanke Française. ‘Je vader, die geeft je meer – de islam. Maar je moeder blijft toch je moeder. En wat er ook gebeurt, je blijft je hele leven van haar houden. Ook al heeft ze niet goed voor je gezorgd.’
Ook andere moslims noemen zichzelf de ongewenste kinderen van de republiek. Journaliste Widad Ketfi: ‘Als je kinderen hebt voor wie je niet zorgt, komt er een dag waarop je tegen ze zegt: “Doe dit”, en dan zullen zij zeggen: “Bekijk het maar. Je bent mijn vader niet.”’ Soms strijden Franse moslims om de liefde van hun vader met zijn andere, bemindere kinderen, de joden. Of anders gaan ze op zoek naar een andere vader.
‘De islam geeft soms de warmte, liefde en aandacht die de republiek niet geeft,’ zegt J.-P. Hij moet er zelf om lachen. ‘Want ik – ik ben verrot.’
Toen ik J.-P. leerde kennen was hij op zoek naar werk. Uiteindelijk hielp Ben Ahmed hem aan een baan als huisschilder bij de gemeente Bondy. Maar J.-P.’s leven is niet bepaald stabiel. Er hangt hem een rechtszaak boven het hoofd – hij moet terechtstaan voor een gewapende overval. Hij zegt dat hij niet bang is dat hij weer naar de gevangenis moet, want hij is ‘vierhonderd procent onschuldig’. De eerste keer dat hij in de gevangenis zat, vertelt hij, was in Villepinte, vlak bij het vliegveld. Een van zijn medegevangenen daar was Amedy Coulibaly.
Coulibaly, de Franse zoon van Malinese ouders, was opgegroeid in een cité ten zuiden van Parijs. Op zijn vijftiende begon hij een carrière in gewapende overvallen, en tijdens een van de periodes dat hij in de gevangenis zat, in 2006, leerde hij een pas bekeerde islamist kennen, Chérif Kouachi. De beide 23-jarigen vonden een mentor in een oudere jihadist, Djamel Beghal, die in Algerije was geboren en radicale islamistische opvattingen mee had gebracht toen hij in 1987 naar Frankrijk was verhuisd. Beghal was in 2000 in Afghanistan geweest en actief geworden voor Al-Qaida; het jaar daarop werd hij in Frankrijk aangeklaagd wegens het beramen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. Vanuit een isoleercel in de gevangenis slaagde hij erin contact te onderhouden met Coulibaly en Kouachi. Op een bepaald moment maakte Coulibaly met een naar binnen gesmokkelde camera filmopnamen van de afschuwelijke omstandigheden in de gevangenis. De beelden verschenen op de Franse tv.
De belangrijkste autoriteit op het gebied van jihadisme in Franse gevangenissen is een Iraanse socioloog in Parijs, Farhad Khosrokhavar. Voor zijn boek Radicalisation, dat vlak voor de aanslagen van januari vorig jaar uitkwam, bracht hij drie jaar lang drie dagen per week door in Franse gevangenissen, en zo ontwikkelde hij een theorie over de bekering van gevangenen. Het gebeurt in fasen. De meeste nieuwelingen groeien op zonder vader en zonder enige religieuze kennis – ze kennen alleen het gevaar en de vervreemding in de banlieues. Ze vervallen tot de misdaad en komen in de gevangenis terecht. J.-P. beschrijft de denkwijze van sommige medegevangenen zo: ‘Dat ik in de gevangenis zit, is de schuld van de staat – die heeft mij gedwongen dit leven te leiden.’ Gevangenen kijken vaak naar het nieuws op tv en zien oorlogsgeweld en dood in moslimlanden. Iemand als Coulibaly, zegt J.-P., gaat ‘dit allemaal door elkaar husselen’, bouwt zo zijn eigen ideologie op en ‘loopt tegen een slecht figuur op die hem beïnvloedt’. Een voormalige gevangene die ik in het 93ste leerde kennen, legde me uit dat islamisten zich richten op de fragiles, psychisch zwakke medegevangenen die nooit bezoek krijgen. Die vinden zo troost, een nieuwe identiteit en een politieke visie die de sociale rangorde waarin zij onderaan staan, omkeert.
Volgens de analyse van Khosrokhavar worden deze gevangenen ‘opnieuw geboren’: ‘Via het jihadisme keren ze de minachting van de anderen om (…) Als ze jihadist zijn, worden anderen bang voor ze. Een van hen zei tegen me: “Als ze eenmaal bang voor je zijn, kunnen ze niet meer minachtend tegen je doen.”’ Na hun vrijlating gaan deze bekeerlingen op ‘initiatiereis’ naar het Midden-Oosten of Noord-Afrika, en daar leren ze extreem geweld acceptabel te vinden. Ze gaan denken ‘dat zij ergens anders thuishoren, bij de islamitische gemeenschap en niet bij de Franse samenleving’.
Khosrokhavar schat dat wel 60 procent van de 64.000 gevangenen in Frankrijk moslim is. (Naar schatting maken moslims maar 8 procent van de totale Franse bevolking uit.) Voor deze gevangenen zijn nog geen tweehonderd gevangenisimams beschikbaar, vaak oudere immigranten die geen idee hebben van het leven in de banlieues.
Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet
Ooit had Frankrijk veel islamistische moskeeën, maar de Franse inlichtingendienst heeft gezorgd dat radicale imams verdwenen en nu zijn de moskeeën van het land strikt apolitiek. Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet. Bij het bekeringsproces zijn zelden meer dan drie mensen betrokken, om infiltratie te voorkomen. De Franse inlichtingendienst schat het aantal verdachte jihadisten op drieduizend, in een land van 65 miljoen mensen.
Radicalisering is dus geen massaal verschijnsel in de banlieues. ‘Er zijn geen kweekvijvers voor jihadisten,’ zegt Jean-Pierre Filiu, arabist aan het elitaire Parijse instituut Sciences Po. Jihadist worden is een enorme stap, waarvoor je jezelf moet afzonderen, met je achtergrond moet breken en niet-moslims moet ontmenselijken.
Na zijn vrijlating in 2007 leek het erop dat Coulibaly op het rechte pad wilde blijven. Hij vond een tijdelijke baan bij een Coca-Cola-fabriek, trouwde met zijn vriendin Hayat Boumeddiene middels een islamitische ceremonie en had zelfs een ontmoeting met president Sarkozy, tijdens een evenement ter promotie van werkgelegenheid voor jongeren. Maar Coulibaly leidde een dubbelleven. Hij brak met zijn ouders, die hij als ongelovigen beschouwde. Hij bleef contact onderhouden met Beghal en Kouachi en had na hun vrijlating een ontmoeting met de twee in Zuid-Frankrijk, waarbij hij ze van wapens en geld voorzag. ‘Als jihadisten ervandoor gaan,’ zegt Filiu, ‘gaan ze niet naar de banlieues. Ze gaan naar het platteland, naar een plek waar tien kilometer in de omtrek geen moslim te bekennen is.’
Transformatie
In 2010 arresteerde de Franse politie Coulibaly opnieuw en vond een voorraad explosieven in zijn appartement. Hij werd veroordeeld omdat hij plannen had gemaakt om een islamist uit de gevangenis te bevrijden die op verschillende plaatsen in Frankrijk bomaanslagen had georganiseerd, waarbij acht mensen waren omgekomen.
Coulibaly werd naar de gevangenis in Villepinte gestuurd, waar op dat moment ook J.-P. zat. Ze keken samen tv en speelden tegen elkaar op de PlayStation. ‘Hij was aardig, lachte vaak, was prettig in de omgang,’ herinnert J.-P. zich. ‘Ik heb hem nooit iemand zien lastigvallen. Hij preekte nooit. Als iemand me had verteld dat deze persoon in staat was te doen wat er is gebeurd, zou ik daar mijn geld niet op hebben gezet.’ Coulibaly werd in maart 2014 vervroegd vrijgelaten. Hij verdween van de politieradar, tot hij vlak na het bloedbad bij Charlie Hebdo weer opdook als medeplichtige van de Kouachi’s en zelfverklaard strijder van Islamitische Staat.
Meer dan de gebroeders Kouachi werd Coulibaly, die bij de bestorming van de koosjere supermarkt door de Franse politie werd doodgeschoten, voorwerp van fascinatie in de banlieues. De Kouachi’s waren als wezen opgevoed in een instelling in de provincie en radicaliseerden toen ze begin twintig waren, na de invasie van Irak, onder invloed van ronselaars in de noordoostelijke uithoek van Parijs. Bij de Kouachi’s leken alle voorwaarden voor een bestemming als jihadist aanwezig. Coulibaly was als zoon van een fabrieksarbeider door zijn beide ouders opgevoed in een cité ten zuiden van Parijs. En hij was zwart. De bekende jihadisten van Frankrijk waren tot dan toe Arabieren geweest, van Zacarias Moussaoui, de gedwarsboomde ‘twintigste kaper’ van 11 september, tot Mohammed Merah, die in 2012 in Toulouse drie joodse schoolkinderen, een rabbijn en drie paratroepers vermoordde. Een jongeman van Malinese afkomst vertelde me dat toen Coulibaly’s gezicht op de Franse tv verscheen, voor een zelfgemaakte IS-vlag, een vriend van zijn moeder uitriep: ‘O, nee – nu zullen ze óns de schuld geven. Daarom zeg ik je altijd dat je niet met Arabieren moet omgaan!’
Mehdi Meklat en Badroudine Abdallah van Le Bondy Blog waren zo geïntrigeerd door Coulibaly, dat ze overwogen een roman over hem te schrijven. ‘Hij zou zo iemand kunnen zijn die we kennen,’ zegt Meklat. En toch had Coulibaly zich de rol van een groot man aangemeten. Nadat hij bij de koosjere supermarkt drie klanten en een medewerker had gedood, stelde hij zichzelf rustig aan zijn vijftien gijzelaars voor, met de woorden: ‘Je suis Amedy Coulibaly. Ik ben Malinees en moslim. Ik hoor bij Islamitische Staat.’ (Abdallah hoorde er de griezelige echo in van ‘Je suis Charlie’.)
In video’s die voor de aanslag zijn opgenomen en na zijn dood gepost, wisselt Coulibaly telkens van kleding, alsof hij zijn transformatie wil onderstrepen. In de ene draagt hij het leren jack van een bendelid, in een volgende een militair kogelvrij vest, in een derde een tulband en het witte gewaad van de martelaar. In alle opnamen staat er een automatisch geweer naast hem. ‘Het was alsof hij voor zichzelf niet genoeg bestond,’ zegt Abdallah. ‘Het was niet genoeg om een gewone jongen te zijn.’
Vanuit de supermarkt legde Coulibaly contact met de media, waarbij hij de politie te spreken vroeg en zijn trouw beleed aan IS. Tijdens de gijzeling rechtvaardigde hij tegenover zijn gijzelaars op boze toon zijn daden door te wijzen op het gevangenzetten van moslims, de vijandigheid tegenover vrouwen die de hijab droegen, de houding van Israël tegenover de Palestijnen en het Franse militaire optreden in Mali en Syrië. Waarom konden de Franse burgers wel een mars houden na het _Charlie_-bloedbad, wilde hij weten, maar hadden ze nooit gedemonstreerd voor vervolgde moslims? ‘Ík ben in Frankrijk geboren,’ verklaarde hij.
Abdallah en Meklat wijzen erop dat in 2000, tijdens een gewapende roofoverval, de politie een goede vriend van Coulibaly voor zijn ogen heeft doodgeschoten. Met andere woorden, Coulibaly was een fragile. ‘Het was niet moeilijk hem zover te krijgen dat hij tegen de Franse samenleving ten strijde trok,’ zegt Abdallah, want Frankrijk had hem al afgewezen. Volgens deze verklaring valt er een redelijk directe lijn te trekken tussen Coulibaly’s leven in de Parijse voorsteden en het terrorisme. Maar dat verklaart niet waarom bijna geen enkele andere banlieusard – ook niet de criminelen die grotere vernederingen hebben moeten verduren – een massamoord op schoolkinderen, joden of cartoonisten heeft begaan. Zo is de maatschappelijke verklaring die in Frankrijk en in de VS opgeld doet bij links, vreemd spiegelbeeldig aan de rechtse neiging om een amalgame te maken – terroristen over één kam te scheren met alle moslims. Beide zienswijzen suggereren dat een dergelijke misdaad voor een groot deel toe te schrijven valt aan de identiteit van de dader, of dat nu een sociale of een religieuze identiteit is. Dit is niet alleen beledigend voor de overgrote meerderheid van de Franse moslims, maar bovendien ziet deze analyse Coulibaly niet als individu. En ze gaat voorbij aan het feit dat hij een bepaalde overtuiging had aangenomen. In een van zijn video’s beschrijft Coulibaly zijn motieven in de absolute bewoordingen die bij een ideologie horen: ‘Wat wij doen is volkomen legitiem, gezien wat jullie doen. Het is wraak. Jullie vallen het kalifaat aan, jullie vallen Islamitische Staat aan? Dan vallen wij jullie aan. Jullie zijn degenen die moorden. Waarom, omdat we de sharia naleven? Zelfs in ons eigen land mogen we de sharia niet naleven. Bepalen jullie soms wat er in de wereld gebeurt?’
Een andere jongere die Ben Ahmed vroeger heeft geprobeerd te helpen, was Stéphane. Hij kwam uit een katholieke Haïtiaanse familie en groeide op in een cité in Bobigny, vlak bij zijn vriend J.-P. Toen Stéphane dertien was stierf zijn vader, en hij werd op school zo onhandelbaar dat hij werd weggestuurd. Hij belandde in de kleine criminaliteit en samen met zijn vrienden dronk hij zichzelf geregeld volkomen bewusteloos.
Ideologie
Op zijn zestiende hoorde Stéphane iemand een Koranvers opzeggen, en hij voelde dat de tranen hem in de ogen sprongen. Hij begreep de woorden niet, maar het geluid greep hem aan. De meeste van zijn vrienden waren moslim, en hij besloot zich te bekeren. Hij hield op met drinken en stopte met zijn cursus voor restaurantwerk, waarbij hij varkensvlees moest klaarmaken. Maar het lukte hem nog niet om op het rechte pad te blijven; op zijn negentiende werd hij gearresteerd en hij moest voor achttien maanden de gevangenis in. Daar bad hij vijf keer per dag en bij zijn vrijlating zwoer hij dat hij zijn leven zou beteren. Hij begon een bedrijf dat opblaaskastelen en andere materialen voor kinderfeestjes verhuurde en lette erop dat hij werklozen uit de buurt in dienst nam. Hij zette een groep op die uitstapjes voor jongeren uit de cités organiseerde. Hij trouwde met de nicht van J.-P. en nu hij een inkomen had, verhuisde hij naar een klein huis niet ver van dat van Ben Ahmed.
Ik spreek Stéphane op een dag in februari. We zitten aan de keukentafel, terwijl zijn vrouw, die zwanger is, tv kijkt. Stéphane heeft een lichte baard en draagt een pyjamabroek en een T-shirt dat strak om zijn gespierde bovenlijf spant.
Zijn antwoorden zijn kort en bondig, tot ik hem vraag welke rol het leven in de banlieues heeft gespeeld bij de aanslagen van januari.
‘Het is niet de buurt of de omgeving die dat veroorzaakt, het zijn de mensen zelf,’ zegt hij. Mannen als Coulibaly ‘denken dat alles in dit aardse leven zinloos is, een voorbijgaande fase. En die ideologie van hen – die krijg je niet doordat je in een banlieue woont. Dat is je geloof.’ Stéphane begrijpt wel dat Coulibaly ‘genoeg had van de onrechtvaardigheid die we hier in Frankrijk hebben’. Maar zelfs al was Coulibaly’s milieu de achtergrond voor zijn acties, het was niet de oorzaak. ‘Hij reageerde – en veel mensen reageren, weet je. Maar de meesten hebben niet zo’n sterk geloof dat ze de daden begaan die hij heeft begaan.’
Wat houdt ze tegen? vraag ik.
‘Angst.’
Stéphane buigt zich voorover, zijn ogen houden de mijne vast. Hij heeft niet gezegd dat hij Coulibaly’s daden goedkeurt, maar hij heeft ze ook niet regelrecht veroordeeld, zoals alle anderen die ik in het 93ste heb gesproken. Stéphane lijkt te willen zeggen dat wat Coulibaly onderscheidde van al die andere boze moslims in de banlieues, de intensiteit van zijn geloof was.
‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering’
Andrew Hussey, de Britse wetenschapper in Parijs, beschrijft de bedwelmende, mystieke kracht van het jihadisme. ‘Het is geen ideologie die zich bezighoudt met sociale omstandigheden,’ zegt hij. ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering.’ Hij vergelijkt het met het fascisme uit de jaren dertig. Jihadisme is iets heel anders dan gewone politiek. ‘Met deze ideologie maak je de stap van “ik ben niets” naar “ik zou alles moeten zijn”,’ zegt Hussey. Het jihadisme trekt volgens hem zowel rijke ingewijden zoals Bin Laden, als arme uitgeslotenen zoals Coulibaly. Het is ‘een zwevende ideologie, zoals de cloud – je hoeft er alleen maar in te loggen’.
Ik vraag Stéphane wat de onrechtvaardigheid was waar Coulibaly op reageerde.
‘Onrechtvaardigheid tegenover moslims.’
Van onrechtvaardigheid tegenover moslims is het voor Stéphane nog maar één stap naar de joden. Zij zijn, gelooft hij, een bevoorrechte gemeenschap in Frankrijk. Ze maken gebruik van hun tragische geschiedenis en het Franse schuldgevoel om macht te verwerven. Hij wijst erop dat er in Drancy, ook een banlieue in het 93ste, een herdenkingsmuseum staat tegenover de cité die het belangrijkste doorgangskamp in Frankrijk was voor joden die naar de concentratiekampen gingen. ‘Maar het bestaan van de slavernij, in Haïti, in Afrika, overal, willen ze niet erkennen,’ zegt hij. De Shoah was een misdaad. ‘Maar waarom wel het een erkennen en niet het ander? Je moet met gelijke maten meten. We zeggen: égalité, fraternité.’
Joodse gemeenschap
De misdaad van de slavernij kon niet erkend worden vanwege de enorme rijkdommen die ermee waren vergaard. Frankrijk had geld aan Israël gegeven als compensatie voor het Franse aandeel in de Holocaust – stel je voor wat het zou kosten om de slavernij te vergoeden! Coulibaly heeft zijn doelwit zorgvuldig gekozen, volgens Stéphane: ‘Het was een symbool, waarmee hij wilde zeggen: er is zo veel onrechtvaardigheid hier, richt je niet langer op de bedreigingen tegen één religie.’
Ik vraag hem waarom Coulibaly zijn woede niet tegen een kerk heeft gericht, aangezien de meeste Fransen katholiek zijn. ‘Omdat Frankrijk niet overheerst wordt door de christenen,’ zegt Stéphane. Volgens hem heeft de piepkleine joodse gemeenschap in Frankrijk de Assemblée Nationale, de media en de banken in haar greep. De premier, Manuel Valls, is getrouwd met een joodse vrouw en volgens Stéphane is dat de reden waarom hij na de aanslagen op televisie verscheen en zei: ‘Frankrijk zonder joden is geen Frankrijk.’ Valls heeft niet gezegd: ‘Frankrijk zonder moslims is geen Frankrijk.’ Stéphane heeft niets dan lof voor Marine Le Pen, de huidige leider van het uiterst rechtse Front National. ‘De echte Fransen, de Français de souche, zij begrijpen dat in Frankrijk nu de joden de dienst uitmaken,’ zegt hij. Ik vraag hem of Le Pen, die bekendstaat om haar anti-immigratiestandpunt, een bedreiging vormt voor de Franse moslims. ‘Als ik Valls zie, denk ik: islamofoob,’ zegt Stéphane. ‘Bij Marine Le Pen denk ik: Puur Frans, wil alles aan de Fransen geven. Snap je?’
‘Ook aan jou dus?’
‘Aan mij? Ik ben Frans.’ Stéphane laat me zijn identiteitskaart zien. ‘Veel moslims gaan op Marine Le Pen stemmen.’ Ik had dit al eerder gehoord en ook sommige peilingen wijzen erop. ‘Je weet wat ze zeggen, de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.’
Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd
Ben Ahmed kent Stéphane al jaren, en hij waardeert het dat die bereid is tijd en geld te besteden aan de jongeren in de cités. Zijn succesvolle bedrijf vormt ook een inspiratiebron voor banlieuebewoners. Maar na de aanslagen van vorig jaar januari ontstond er een verschil van mening tussen hen. Stéphane hield vol dat Charlie Hebdo islamofoob was en Ben Ahmed dacht dat hij daarmee wilde zeggen dat de medewerkers hun lot hadden verdiend. Het meningsverschil maakte Ben Ahmed erg van streek.
Vorige zomer leidde de strijd in Gaza overal in Frankrijk tot protesten, waarvan sommige gewelddadig en expliciet antisemitisch werden, met geweld tegen synagogen en koosjere winkels. Op een dag in augustus reed Ben Ahmed naar huis vanuit het gemeentehuis van Bondy, toen hij iemand hoorde schreeuwen: ‘Vuile jood!’ Hij stopte. Een man met een keppeltje liep weg voor een andere man.
‘Vuile klootzak!’ schreeuwde Ahmed naar de man die had gescholden. Het was iemand die hij kende en de man vroeg hem verbaasd: ‘Hé, waarom praat je zo tegen me?’
‘Als jij respect betoont aan hem, betoon ik respect aan jou,’ zei Ben Ahmed.
De antisemiet liep weg. De jood bedankte Ben Ahmed. ‘Mensen maken een amalgame,’ zei hij, waarmee hij bedoelde dat Franse joden in de banlieues geregeld worden vereenzelvigd met Israëli’s.
‘Wordt u vaak uitgescholden?’ vroeg Ben Ahmed.
‘Nee, dit is de eerste keer. Het komt door de oorlog.’
‘Nee, hij is gewoon een klootzak,’ zei Ben Ahmed. ‘Een zichtbare minderheid, dat is alles.’
Ben Ahmed was al te optimistisch. Er mogen dan zo’n drieduizend potentiële jihadisten in Frankrijk zijn, er zijn veel meer antisemieten, onder wie veel Français de souche. Een generatie geleden leefden geïmmigreerde moslims en joden in goede verstandhouding naast elkaar in de banlieues. Vandaag de dag zijn er weinig joden meer te vinden in de banlieues, en degenen die er zijn proberen hun identiteit zo veel mogelijk te verbergen. Een vriendin van Ben Ahmed vertelde dat haar joodse vrienden hun kinderen verboden om op straat een keppeltje te dragen.
Het oude antisemitisme van Frans rechts en de nieuwere, door immigratie veroorzaakte spanningen kwamen in 2008 samen, toen Jean-Marie Le Pen, de oprichter van het Front National, peetvader werd van het derde kind van Dieudonné M’bala M’bala, de Frans-Kameroense komiek die met veel succes het schelden op joden tot amusement maakt. Dieudonné heeft een enthousiaste schare bewonderaars in de banlieues – wat Stéphane over joden zegt zou zo uit een monoloog van Dieudonné kunnen komen. Voor wie niet al in zijn kamp zit, is Dieudonné bijzonder ongeestig. Zijn film L’Antisémite uit 2012 begint als zogenaamd stomme film waarin Dieudonné, onder begeleiding van vrolijke pianomuziek, een Amerikaanse soldaat speelt die zojuist Auschwitz heeft bevrijd. (Helaas is historisch onbenul niet het enige mankement van de film.) Een kruiperige gevangene leidt hem rond door het kamp. In een gaskamer dept Dieudonné zijn hals met zyklon B, alsof het eau de cologne is; in een crematorium ziet hij de overblijfselen van kinderen aan voor kippenbotjes. Als hij in een leren leunstoel gaat zitten, zegt de gevangene tegen hem: ‘Pas op, je zit op mijn oma!’
Dieudonné heeft het antisemitisme uit extremistische kringen gehaald en in de populaire cultuur gebracht. In Montreuil spreek ik een ambtenaar van de keuringsdienst voor restaurants, Saïd Allam, die ook fan is. ‘Dieudonné is hetzelfde als Charlie Hebdo – het is satire,’ zegt Allam. ‘Hij brengt sketches over joden om mensen aan het lachen te maken, Charlie Hebdo brengt cartoons over de Profeet om mensen aan het lachen te maken – dat is hetzelfde.’ Na de aanslagen schreef Dieudonné op zijn Facebookpagina, met de hem typerende pesterigheid: ‘Ik geloof dat ik Charlie Coulibaly ben.’ Als reactie vervolgden de autoriteiten hem wegens steun aan het terrorisme, en hij is verscheidene keren veroordeeld voor aanzetten tot rassenhaat; dit heeft ertoe geleid dat zijn bewonderaars de overheid ervan beschuldigen met twee maten te meten. ‘Mensen zeggen: met de moord op Charlie Hebdo is de vrijheid van meningsuiting vermoord,’ zegt Allam. ‘Maar ze hebben zelf de vrijheid van meningsuiting vermoord door Dieudonné voor het gerecht te slepen.’
Dankzij het klagen over de dubbele moraal wordt de afschuw over de moorden verdrongen door een prettiger gevoel van slachtofferschap. Het argument dat Charlie Hebdo zich richt tegen religieuze politiek, terwijl Dieudonné het op joden gemunt heeft, was veel te subtiel voor de grimmige sfeer die na 7 januari opkwam. Dat geldt ook voor het inzicht dat wetten tegen haatzaaien altijd problematisch zijn, al was het maar omdat ze bijna onvermijdelijk de beschuldiging over zich afroepen dat ze selectief worden toegepast.
Ben Ahmed verafschuwt Dieudonné. ‘Hij is de enige komiek die islamofoben, antisemieten en anti-elitairen in één ruimte bij elkaar krijgt, en ze allemaal aan het lachen kan maken,’ zegt hij. ‘Niet omdat hij grappig is, maar uit haat.’
Wetteloosheid
Een multiraciale bende onder aanvoering van Youssouf Fofana, een crimineel van Ivoriaanse afkomst, ontvoerde in 2006 een joodse verkoper van mobiele telefoons, Ilan Halimi. Ze brachten hem naar een cité aan de zuidkant van Parijs. De bende eiste losgeld. Volgens een lid van de bende geloofde Fofana dat de staat hem als een slaaf beschouwde, en dat ‘joden koningen waren omdat ze aten van het geld van de staat’. Fofana ging ervan uit dat alle joden rijk waren en eiste 450.000 euro. Maar de familie van Halimi kon zo veel geld niet opbrengen en de ontvoerders martelden Halimi met vuisten, brandende sigaretten, zuur en uiteindelijk messen.
Na 24 dagen werd Halimi gevonden, naakt en verminkt, vastgebonden aan een boom in een park ten zuiden van Parijs. Hij stierf onderweg naar het ziekenhuis. Tijdens zijn lange martelgang wisten minstens vijftig mensen in de cité – van bendeleden tot buren – dat er iets gaande was, maar niemand belde de politie.
In zekere zin was de zaak-Halimi nog verontrustender dan de aanslagen van januari. Dat zo veel inwoners het geweld hadden laten gebeuren, toonde aan dat wetteloosheid en haat regel waren geworden in de banlieues. Marc Weitzman, een romanschrijver die werkt aan een boek over het Franse antisemitisme, zegt dat de haat tegen joden in de banlieues ‘altijd op de achtergrond aanwezig is in de waarden waar ze mee zijn opgegroeid – klaar om geactiveerd te worden zodra hun nihilistische criminaliteit omslaat in een zoektocht naar betekenis.’ Voor sommige bewoners kan antisemitisme het pad naar radicalisering zijn.
Ben Ahmed zegt dat hij twee opdrachten heeft in het 93ste: ‘Verkeerde ideeën in de religie corrigeren en een eind maken aan de stigmatisering van die religie.’ Twee doelen die heel wat evenwichtskunst vragen. Stel dat het corrigeren van onjuiste ideeën leidt tot meer stigmatisering van de islam? Hoe moet je bijvoorbeeld de religieuze ideeën noemen die, volgens Stéphane, Amedy Coulibaly de moed hebben gegeven om zijn daden uit te voeren?
Allam, de restaurantinspecteur uit Montreuil, beklaagt zich er bij mij over dat de moorden het etiket ‘islamistische daad’ hebben gekregen. Hij voegt eraan toe: ‘Het is heel, heel ernstig om dat te zeggen, want het veronderstelt dat het begaan van moorden met een religie te maken heeft.’ Als een blonde man cartoonisten zou vermoorden omdat zij blonde mensen belachelijk maakten, zouden mensen hem krankzinnig noemen, stelt hij. ‘En een man die mensen doodt in naam van zijn religie is een krankzinnige.’
Maar er is een verschil tussen de woorden ‘islamitisch’ en ‘islamistisch’, en dat zorgt ervoor dat er een essentieel politiek onderscheid te maken is tussen gewone gelovigen en ideologen. Dit onderscheid voorkomt juist dat moslims op één hoop worden gegooid met jihadisten. Niettemin heeft de wond van de uitsluiting zo lang doorgeëtterd onder de Franse moslims dat het onderwerp islamistisch terrorisme bijna te gevoelig is om aan te snijden. Voor een eerlijk gesprek daarover is een onderling vertrouwen nodig dat maar zelden voorkomt.
Op een avond staat Ben Ahmed het eten klaar te maken in het huis van zijn buurvrouw, Valérie Tabet. Zij is weduwe, werkt als pianolerares en haar dochter zit op dezelfde school als de kinderen van Ben Ahmed. De twee gezinnen zijn goed bevriend. Tabet, die een lichte huid heeft en kort donkerblond haar, vertelt me dat het tegenwoordig niet veilig meer is voor jonge kinderen om in het 93ste alleen op straat te zijn, en dat Ben Ahmed een soort vaderfiguur is geworden voor haar dochter. Terwijl Ben Ahmed crêpebeslag uitgiet op een hete plaat, bespreken Valérie en hij hoe iemand terrorist wordt.
Ben Ahmed zegt: ‘Ik heb de indruk dat het eigenlijk heel eenvoudig is, hoe bij deze mensen van de ene op de andere dag de knop om kan gaan.’
‘Het gaat niet van de ene op de andere dag,’ zegt Tabet.
‘Voor mij is het een kwestie van mensen die psychisch ziek zijn, misschien enigszins gestoord,’ zegt Ben Ahmed. ‘Deze mensen zijn fragiles, en op een bepaald moment worden ze geronseld door anderen…’
‘Er zijn zo veel jihadisten dat ik het niet met je eens kan zijn,’ valt Tabet hem in de rede. ‘De gebroeders Kouachi waren fragiles door hun omstandigheden – gebrek aan structuur, gebrek aan onderwijs, gebrek aan levensvisie, en dat leidt later tot geweld – maar ik ben het niet met je eens dat ze gestoord waren.’
Ben Ahmed zegt dat hij dat ook niet bedoelde. Naast de psychiatrische gevallen zijn er ook de mensen die psychologisch zwak zijn, zoals de Kouachi’s: ‘Deze mensen zouden een straatgevecht begonnen zijn om niets, om een parkeerplaats.’ En hij voegt eraan toe: ‘Coulibaly, daar word ik een beetje bang van, omdat zijn gezinsleven normaler was.’ Op de een of andere manier was Coulibaly geïndoctrineerd, en vervolgens kon hij al te gemakkelijk aan wapens komen.
‘Daar is heel makkelijk aan te komen,’ stemt Tabet in. ‘Maar er zijn veel mensen die fragile worden gemaakt door de samenleving, omdat er niet genoeg werk is voor iedereen, vanwege sociale problemen en al die dingen. Maar wat ik zie is dat die mensen één ding gemeen hebben: het zijn allemaal moslims.’ Ze voegt er vlug aan toe: ‘En ik wil niet met de beschuldigende vinger wijzen, ik bedoel de mogelijke terroristen. Maar volgens mij is het probleem de dingen die ze horen in de moskeeën, in kleine groepen.’ Ze bedoelt de radicale, haatpredikende imams.
Ben Ahmed zegt dat Tabet alleen maar herhaalt wat ze in de media hoort.
‘Maar íémand indoctrineert ze.’
‘De mensen die dat doen horen bij een netwerk, maar niet bij een netwerk dat je islamitisch zou noemen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Niet in een moskee.’ Hij zoekt naar de naam van de man die Coulibaly in de gevangenis heeft geronseld. ‘Djamel Beghal. Dat is geen imam.’
‘Je kunt niet zeggen dat er geen mensen zijn die de religie gebruiken om deze jongeren aan te trekken.’
‘Je zegt nu “mensen”, natuurlijk, maar je zei ook “imams”. Ik zeg niet dat ze niet bestaan, maar je generaliseert op basis van de uitzondering.’
‘Ik zeg dat er veel redenen bestaan, en de gemeenschappelijke deler is dat het jonge moslims zijn. En dat betekent iets – het betekent dat ze de religie gebruiken.’
Ben Ahmed is kennelijk bang dat hij de islamofoben gelijk geeft als hij het met Tabet eens is. Die grens kan hij niet over. Het scheelt weinig of de twee belanden in een meningsverschil dat hun vriendschap blijvende wonden kan toebrengen.
‘Je mening is interessant,’ zegt Ben Ahmed. ‘Het punt is: ik ben ervan overtuigd dat het niet echt in moskeeën gebeurt. Het gebeurt in de gevangenis.’
‘Ja, dat is zeker,’ zegt Tabet.
‘En daarnaast er zijn mensen die naar de moskeeën komen om met jongeren te praten en dan sommigen daarvan weten in te kapselen.’
‘Voilà.’
Nu hebben ze net genoeg gemeenschappelijke basis gevonden om verder te kunnen praten.
Meer dan vijftienhonderd Franse burgers zijn het land uit gereisd om zich bij Islamitische Staat te voegen – een kwart van het totaal in Europa. Zo’n tweehonderd van hen zijn naar Frankrijk teruggekeerd. Een groeiend aantal van deze nieuwe rekruten heeft geen band met de banlieues. Volgens Farhad Khosrokhavar zijn de meeste Franse moslims die naar Syrië gaan nu jongeren uit de middenklasse, onder wie ook een aantal blanke bekeerlingen en een toenemend aantal vrouwen. Ze komen uit grote steden en kleine provinciestadjes. ‘Ze behoren niet tot gebroken gezinnen,’ zegt Khosrokhavar. Hun radicalisering kan zich in zeer korte tijd voltrekken, soms binnen enkele weken, meestal via sociale media. Ze gaan naar het Midden-Oosten omdat ze zich geraakt voelen door de narigheid waarin hun medemoslims verkeren. Sommigen schrikken daar terug voor het geweld van Islamitische Staat en proberen terug te keren; anderen voelen zich er juist door aangetrokken.
Een paar dagen voor de aanslagen van januari vloog Hayat Boumeddiene, de vrouw van Coulibaly, van Madrid naar Turkije, waar ze de grens met Syrië overstak. Een bewakingscamera op het vliegveld van Istanboel legde haar vast bij haar aankomst in Turkije, samen met een jongeman met een vlassig baardje en lang zwart haar in een knotje. Dat was de 23-jarige Mehdi Belhoucine, afkomstig uit het 93ste. Zijn oudere broer Mohamed was rond 2009 via internet geradicaliseerd en stuurde daarna boodschappen door voor een netwerk van Franse jihadisten die op weg waren naar Centraal-Azië. Aangenomen wordt dat Mohamed en Mehdi nu in Syrië zitten. De broers zijn altijd uitstekende leerlingen geweest – Mohamed heeft een voortgezette opleiding in mijnbouwtechniek gevolgd, Mehdi in elektronica – en komen uit een middenklassegezin met een eigen huis. Ben Ahmed kent hun moeder, die met hem samenwerkt in het gemeentehuis van Bondy. ‘Een heel aardige vrouw,’ zegt hij. ‘Het is zo sneu.’
‘Vóór januari had ik een helder beeld van het jihadisme,’ zegt Sylvine Thomassin, de burgemeester van Bondy. ‘Het had te maken met gezinnen met een gebrekkige ontwikkeling, ouders die in de problemen zaten, kinderen die op school mislukten.’ Het was een vreemd ‘geruststellend schema’, omdat het de weg naar radicalisering voorspelbaar leek te maken. Toen kwam het verbijsterende nieuws over de band van de gebroeders Belhoucine met aanslagplegers in Parijs. De burgemeester, die de familie Belhoucine goed kent, vindt het nu onmogelijk om nog een profiel te geven. ‘Onze islamitische medeburgers wonen voor het overgrote deel in sociale huurwoningen en de meesten hebben met dezelfde problemen te kampen als degenen die geradicaliseerd zijn, en toch zijn zij niet geradicaliseerd,’ zegt ze. ‘Dus het probleem is kennelijk niet de banlieues. Misschien is het de extreme gevoeligheid van een heel kleine groep voor alle discussies om hen heen.’
Medemenselijkheid
De Parijse strafrechtadvocaat Xavier Nogueras vertegenwoordigt twintig Franse burgers die beschuldigd worden van jihadisme. Sommige van zijn cliënten zijn gewelddadig en gevaarlijk, zegt hij, maar de meesten zijn uit idealisme naar Syrië gegaan, om andere moslims te beschermen tegen het Assad-regime en een islamitische staat op te bouwen. Volgens hem vormen deze mensen geen gevaar voor Frankrijk en zou de staat ze niet voorgoed van zich moeten vervreemden met jarenlange celstraffen. Nogueras wil de motieven van zijn cliënten niet toeschrijven aan de sociale omstandigheden in de banlieues. Weinigen van hen hebben een criminele achtergrond; sommigen hadden een goedbetaalde baan bij een groot Frans bedrijf. ‘Wat mij het meest heeft verrast, is hun enorme medemenselijkheid,’ zegt Nogueras. Voor hem zijn jihadisten boeiender dan de drugsdealers en overvallers die hij ook in zijn praktijk tegenkomt. ‘Ze hebben meer te vertellen, veel meer ideeën. Volgens hun heilige boek moeten ze de sharia toepassen, die hun opdraagt hun vrouw te bedekken, niet seculier te leven. En we zijn in een land dat hen onvermijdelijk stigmatiseert, omdat het seculier is. Ze voelen zich hier niet thuis.’
Het onderscheid dat de advocaat maakt tussen jihadisme thuis en in het buitenland klinkt me bepaald niet geruststellend in de oren. Coulibaly’s geloof kon hem er evengoed toe hebben gebracht om mensen in Syrië te vermoorden als in Parijs; ideologisch gedreven geweld kan overal plaatsvinden. Het ‘idealisme’ van cliënten die de sharia voor de hele wereld willen laten gelden, is in sommige opzichten zorgwekkender dan eenvoudige gewelddadigheid: zelfs al doet Frankrijk nu zijn best om moslims het gevoel te geven dat ze volwaardige kinderen van de republiek zijn, een kleine minderheid zal altijd principieel onverzoenlijk blijven.
In een winkelstraat in het 93ste, in een schaars gemeubileerd appartement zonder naam bij de bel, spreekt Sonia Imloul, een maatschappelijk werkster van Algerijnse afkomst, geregeld af met de gezinnen van geradicaliseerde jonge mensen. Ze krijgt de gevallen door via de politie of via een meldpunt van de overheid waarbij de families hebben aangeklopt. Tijdens onze ontmoeting gaat Imloul aan de keukentafel zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Ik heb hier kinderen gehad van artsen, journalisten, generaals. Het lijkt wel een nationale epidemie.’ Ze let ‘met argusogen’ op haar eigen veertienjarige zoon.
Imlouls methode is erop gericht de band tussen een jongere en zijn of haar familie in stand te houden, voor er sprake is van een ‘initiatiereis’. ‘De familie heeft vaak het antwoord, zonder het te weten,’ zegt ze. Radicalisering komt al dertig jaar voor in Frankrijk; het kan nog wel eens dertig jaar duren voor er een goede oplossing voor gevonden is. Dat het probleem nu acuut is, komt volgens Imloul deels doordat het rigide secularisme van de republiek geen ruimte laat voor discussie over religieuze identiteit. ‘Als je met een radicaal niet over religie praat, kun je nergens over praten,’ zegt ze. Frankrijk benadert het probleem uitsluitend repressief. De ‘preventiegroep’ van Imloul is het enige programma in zijn soort van het land.
De aanslagen van januari hebben een oprecht gevoel van crisis veroorzaakt, en premier Valls heeft hartstochtelijke toespraken gehouden waarin hij de ‘geografische, sociale en etnische apartheid’ veroordeelt die Franse burgers uit gebieden als het 93ste de toegang tot de republiek ontzegt. Thomassin, de burgemeester van Bondy (en de baas van Ben Ahmed), wijst me op een kaart aan waar hoogbouw wordt afgebroken en vervangen door kleinere gebouwen die zijn omgeven door groene ruimte. Het doel is om een nieuw gemeenschapsgevoel te creëren. De burgemeester van Le Blanc-Mesnil, een andere banlieue in het 93ste, vertelt over een vergelijkbaar plan, volgens de principes van het ‘New Urbanism’, waarin huurders van sociale woningen eigenaar van hun huis kunnen worden. Het lijkt erop dat Frankrijk, na tientallen jaren wegkijken, nu een inhaalslag probeert te maken.
‘We zijn in oorlog, maar niet tegen een godsdienst,’ heeft Valls gezegd. Frankrijk voert ‘een oorlog om onze waarden te verdedigen, die universeel zijn’. Hij riep Franse moslims op om dat ook als hún strijd te zien. ‘Het is een oorlog tegen terrorisme en het radicale islamisme, tegen alles wat tot doel heeft onze solidariteit, vrijheid, broederschap kapot te maken.’
Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij
Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd, terwijl de zwijgende meerderheid in Frankrijk, die steeds meer culturele onzekerheid ervoer, naar rechts opschoof en de banlieues aan hun lot werden overgelaten. De Front National-kiezer en de geradicaliseerde moslim voelen zich allebei in de kou staan. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet hebben de aanslagen van januari als een onderwaterbom al die onderstromen naar de oppervlakte gebracht. ‘Secularisme is onze gemeenschappelijke deler,’ zegt Bouvet. ‘Als er een gemeenschappelijke Franse identiteit is, dan is dat geen identiteit van wortels, het is geen christelijke identiteit, het zijn geen kathedralen, het is niet het blanke ras. Het is een politiek project. Als we het Front National de Franse identiteit laten definiëren, zal dat een definitie zijn op basis van ras, van bloed, van religie.’
Frankrijk heeft een speciale rapporteur général voor secularisme, en op dit moment wordt die officiële functie vervuld door een serieuze jonge socialistische politicus, Nicolas Cadène. Volgens hem is Frankrijk er niet in geslaagd om een nationaal verhaal te scheppen waarin alle burgers een plek hebben. De schok van de aanslagen en de verdeeldheid daarna hebben een nieuwe benadering dringend noodzakelijk gemaakt. En hij schetst een pakket van hervormingen dat begint bij de scholen: leg uit wat de betekenis is van het secularisme, door ‘onpartijdige, neutrale’ feiten te onderwijzen over verschillende religies, om zo de leerlingen verdraagzamer en kritischer te maken; neem meer koloniale geschiedenis op in het lespakket; moedig Arabische lessen op openbare scholen aan, zodat dit niet aan de Koranschool wordt overgelaten. Een aantal van deze veranderingen wordt dit najaar al ingevoerd.
Sciences Po – het instituut voor sociale wetenschappen waar arabist Jean-Pierre Filiu doceert – hanteert al meer dan tien jaar voor een deel van elke nieuwe lichting studenten enigszins andere toelatingseisen. De Franse wet verbiedt onderscheid naar etniciteit of religie, dus gebruikt Sciences Po geografie als criterium. ‘We willen studenten uit het 93ste binnenhalen,’ zegt Filiu. ‘Ik heb in die toelatingscommissies gezeten, en de kandidaten uit de banlieues horen bij de beste – als je daar vandaan komt, heb je la niaque, moed, een vechtersmentaliteit.’ Ik bedenk bij mezelf wat zo’n kans had kunnen betekenen voor Ben Ahmed.
Eind maart 2015 zouden er verkiezingen worden gehouden in de honderd departementen van Frankrijk. Ben Ahmed besloot zich kandidaat te stellen als socialistisch vertegenwoordiger van Bobigny. Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij. Dagen en nachten liep hij in zijn oude buurt folders uit te delen en handen te schudden. De bewoners begroetten hem als een van hen, maar velen zagen er weinig heil in om te gaan stemmen. Tegen zijn vroegere buren die zich het meest verzetten – de oude vrouw in volledige hijab, de werkloze mannen bij het café, J.-P. en zijn bende – zei hij dat ze zich niet van stemmen konden onthouden als ze gelijkwaardige burgers wilden worden.
Ben Ahmed werd vierde. Zelfs de kandidaat van het Front National kreeg meer stemmen dan hij. De socialisten deden het, als regeringspartij, overal slecht. Extreem-rechts zette zijn opmars voort. Maar Ben Ahmed laat zich niet ontmoedigen. Hij gelooft in de politiek, hij gelooft in Frankrijk. Hij gaat het de volgende keer weer proberen.
The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000
Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.
Het was een discussie(tje) op de burelen van 360. De kersvers verkozen Sadiq Khan werd in de wereldpers over het algemeen aangekondigd als de moslim-, of islamitische, burgemeester van Londen.
Namen wij die beschrijving over?
Voorstanders doken boven op de vraagstelling. Waarom niet? Moeten we niet eens ophouden met die politieke correctheid jegens moslims? Khan is toch een moslim, noem hem dan zo. Pas op dat je niet alles weg corrigeert ter ere van het fatsoen.
Maar tegenstanders vonden de religieuze achtergrond, in dit geval die van de Labour-politicus, minder relevant. Totdat het tegendeel wordt bewezen en hij zijn geloof inzet om politiek mee te bedrijven. Maar in het geval van Khan is zijn afkomst een groter wapenfeit. Hij is zoon van een Pakistaanse buschauffeur en een naaister die in de jaren zestig naar het Britse koninkrijk trokken. Ze kregen een trits kinderen en groeiden op in de multiculturele wijk Tooting, waar hij nog steeds woont. Pakistanen vormen al jaren een minderheidsgroepering in Londen en zijn vaak het mikpunt van geweld en discriminatie. ‘Paki’ is in het Engels een grof racistisch scheldwoord, vergelijkbaar met het Nederlandse woord nikker. Dat hij desondanks 44 procent van de stemmen heeft gewonnen is zijn claim to fame en zegt misschien wel net zo veel over hem als over de multiculturele wereldstad Londen, waar ruim een derde van de inwoners elders geboren is.
Goldsmith, zoon van een miljardair, werd naar mijn weten niet een keer aangeduid als de Joodse conservatieve Lagerhuis-afgevaardigde
Dat Khan ook een aanhanger van de islam is, weten we vooral van zijn rivaal in de race om het uithangbord te worden van de Britse hoofdstad, Zac Goldsmith (35 procent van de stemmen). Deze zoon van een miljardair, die getrouwd is geweest met een echte Rothschild, werd naar mijn weten niet een keer aangeduid als de Joodse conservatieve Lagerhuis-afgevaardigde. Wel probeerde hij Khan in verband te brengen met moslimextremisten, maar die was duidelijk over zijn opvattingen met betrekking tot mensen die beweren hetzelfde geloof als hij aan te hangen ‘maar er afschuwelijke opvattingen op na houden’.
Om een kort verhaal niet onnodig lang te maken, werd het discussie(tje) besloten in het voordeel van de neutraliteit. Stelling nemen hoort niet (altijd) thuis in de journalistiek. Daarom selecteerden we ook voor dit nummer, het 99ste, weer een diversiteit aan stemmen en onderwerpen. Zodat ú het hoogste en het laatste woord kan hebben. Over het toelaten van het vermaledijde pesticide glyfosaat, bijvoorbeeld.
In het Westen hebben Saoedische predikers niet bepaald een goede reputatie. Maar in eigen land vindt men juist dat hun invloed veel beter benut kan worden.
Toen Saleh Al-Taleb, de imam van Mekka, begin april een reis door India maakte, was ik onder de indruk van het formidabele spektakel van honderdduizenden mensen die naar zijn preken kwamen luisteren. Maar wat nog meer indruk op me maakte, was de reactie van Saoedi’s, die trots foto’s van de gebeurtenis op sociale netwerken plaatsten.
Mijn eigen mobieltje is bedolven onder zulke beelden. Je zou ze moeten zien, die stralende gezichten van arme dorpelingen die haastig hun velden hebben verlaten om naar de imam te komen luisteren, of de verrukking van de eenvoudige ambtenaar die die dag niet naar kantoor is gegaan, en al die andere vertegenwoordigers van talrijke sociale categorieën, allemaal gelukkig om te kunnen bidden in het bijzijn van een imam uit de stad waar ze zich vijfmaal daags geknield naartoe wenden, Mekka. Ze hebben aandachtig naar zijn woorden geluisterd en hun hart en geest volledig opengesteld voor zijn aansporingen en de waarden die hij uitdraagt.
We zouden honderden religieuze tv-zenders moeten creëren, in alle talen, om ons tot de volkeren op de wereld te richten
Bovendien bestaat er een onvoorstelbaar aantal filmpjes van reizen die door andere door Mekka aangestelde imams zijn ondernomen, zoals die van de zeer eerwaarde Abderrahman Al-Soudais naar Pakistan, India en Maleisië. Zij, en niemand anders, zijn de ware ambassadeurs van ons land. Maar tot dusver hebben we het prestige dat onze imams over de hele wereld genieten onvoldoende benut. Daarom is het nodig zulke buitenlandse bezoeken beter te organiseren en te systematiseren, en ze vergezeld te laten gaan van intense campagnes in kranten en op tv.
Iedereen die de moslimmaatschappijen kent, is zich bewust van de aanzienlijke invloed van de Saoedische imams. Vandaar mijn oproep om daarvan te profiteren en er een bron van de ‘soft power’ van ons land van te maken. We zouden honderden religieuze tv-zenders moeten creëren, in alle talen, om ons tot de volkeren op de wereld te richten. Dat is iets wat, zonder zich in politieke kwesties te mengen, een aanzienlijke impact zou hebben tegen betrekkelijk geringe kosten.
De imam van Mekka.
We zouden ook andere universiteiten kunnen creëren, gefinancierd door privédonateurs, om studenten van over de hele wereld te ontvangen en hen te blijven volgen wanneer ze zijn teruggekeerd naar hun eigen land. Dat zou op de lange termijn erg profijtelijk zijn. Helaas heeft Iran dit idee van ons gestolen, om het sjiisme over de moslimwereld te verspreiden. [In juni 2015 bleek uit gelekte diplomatieke documenten hoeveel Saoedisch geld er wereldwijd gaat naar mensen die achter de Saoedische islam staan, met name met het doel om tegenwicht te bieden aan de invloed van het Iraanse sjiisme.] Onze beste ‘soft power’ om invloed te verwerven is ons religieuze prestige en de aanwezigheid op ons grondgebied van de twee belangrijkste islamitische heilige plaatsen. Laten we daar ten volle van profiteren.
De website Al-Khaleej Affairs richt zich voornamelijk op Saoedische kwesties. Weliswaar worden er teksten van intellectuelen uit het hele Golfgebied op gepubliceerd, maar het zijn vooral Saoedi’s die aan het woord komen, met inbegrip van tegenstanders in ballingschap. Ook publiceert de site kritische artikelen uit de buitenlandse pers.
Waarom zijn er in de VS geen aanslagen als in Parijs en Brussel, en vertrekken er zo weinig Amerikaanse moslims naar Syrië? Voor het antwoord op die vragen moet je in ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ zijn: Dearborn, Michigan.
Van alle Amerikaanse voorsteden lijkt Dearborn, Michigan, misschien wel het meest op Molenbeek, waar de terroristen vandaan kwamen die de aanslagen pleegden op het vliegveld en in de metro van Brussel en afgelopen najaar in Parijs. Deze gewone voorstad van Detroit, die wel ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ wordt genoemd, heeft de grootste moskee van het land; in Dearborn vind je ook het Arabisch Museum, Arabische cafés, en halal beefburgers. De laatste tijd is Dearborn doelwit van rechtse angstzaaierij en bijtende, islamofobe commentaren. Ron Haddad, hoofd van de politie in Dearborn, vertelt dat hij op reizen door het land altijd maar één vraag krijgt. ‘Dan komt er iemand naar me toe, priemt zijn vinger in mijn gezicht, en vraagt: “Zullen de mensen in uw gemeenschap terroristische daden bij jullie melden?”’
Wat ze bedoelen is: zullen moslims andere moslims aangeven? Haddad heeft dan zijn antwoord klaar: ‘Niet alleen zouden ze dat doen, ze doen het ook,’ zegt hij. ‘Ze hebben het al gedaan.’
Amerikaanse moslims zijn sterker geassimileerd en patriottischer
Dearborn en Molenbeek, ze verschillen van elkaar als dag en nacht. In een stad waar bijna een derde van de 95.000 inwoners Arabisch-Amerikaans is, heeft Haddads politiedienst een wijdvertakt netwerk aan contacten in de islamitische gemeenschap. Zijn politiemensen gaan geregeld op bezoek bij de achtendertig scholen en de vele moskeeën die de stad telt. Haddad ondersteunt een programma dat ‘Stepping Up’ heet, en dat onder andere een jaarlijkse prijsuitreiking organiseert voor bewoners die criminele activiteiten aangeven. De afgelopen jaren heeft zeker twee keer per jaar een moslimvader die zich zorgen maakte over de invloed van IS of andere onlinepropaganda op zijn kind, zijn eigen zoon aangegeven. Ook is het voorgekomen dat leerlingen van een overwegend islamitische middelbare school problemen rond een medeleerling kwamen melden.
Dat komt volgens Haddad deels doordat er een plek is waar ze hun meldingen kúnnen doen, en deels doordat ze zich verbonden voelen met de rest van Dearborn, Michigan en de Amerikaanse samenleving. Het contact- en informantenprogramma dat hij leidt wordt door de Amerikaanse politie- en contraterrorisme-autoriteiten als voorbeeld gezien. En het is maar één klein onder- deel van de weinig bekende, maar wijdverbreide inspanningen die in het hele land gaande zijn om netwerken op te bouwen binnen moslimgemeenschappen. Dat gebeurt zowel op landelijk als op federaal niveau, en binnenkort gaat er een nieuw financieringsprogramma van start voor deze inspanningen. Toch zijn slechts weinig Amerikanen van deze ontwikkelingen op de hoogte.
In de race om het Amerikaanse presidentschap is het antimoslimsentiment weer een geliefd onderwerp, en niet alleen bij Donald Trump, met zijn voorstel om moslims te weren. Ook Ted Cruz heeft zijn steentje bijgedragen, toen hij zei: ‘We moeten de politie de middelen geven om de orde in islamitische wijken te handhaven, voordat die radicaliseren.’
Amerikaanse politiemensen die betrokken zijn bij de pogingen om terrorisme tegen te gaan, voelen zich hier bepaald niet prettig bij: volgens hen is er al veel contact tussen Amerikaanse moslimgemeenschappen en de Amerikaanse politie- en inlichtingendiensten. En die gemeenschappen blijken niet ‘geradicaliseerd’ te zijn, maar juist verbazingwekkend coöperatief. Verschillende bronnen binnen de Amerikaans politie- en inlichtingendiensten schetsen een beeld van een grotendeels stilgehouden maar wijdverbreide manier van werken: om terrorisme tegen te gaan en inlichtingen te verkrijgen is de federale overheid diep doorgedrongen in moslimgemeenschappen. Hun aanpak bestaat niet zozeer uit surveilleren, maar uit geavanceerde, zij het soms inbreukmakende programma’s gericht op het versterken van contacten en het winnen van informanten. Het resultaat is volgens Amerikaanse functionarissen dat Amerikaanse moslimwijken veel meer meewerken aan het bestrijden van islamitisch terrorisme dan hun Europese tegenhangers.
Bij de bron
Onlangs ging de grootste van deze federale programma’s van start: een taskforce met vertegenwoordigers van de verschillende diensten, gecoördineerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat betekent dat geld en bevoegdheden die voorheen altijd over verschillende diensten waren verdeeld nu voor het eerst op één plek terechtkomen. Als onderdeel van dat programma zet de FBI zogenaamde ‘Shared Responsibility Committees’ op, waarin mensen uit de federale (FBI) en plaatselijke politie, de geestelijke gezondheidszorg, binnenstads- en schoolprogramma’s, maatschappelijk werkers en imams en andere religieuze leiders samen een aanpak bedenken – en tevens verdacht gedrag onder de aandacht van de FBI brengen.
Het gaat er niet om verdachten in de val te lokken, zeggen de autoriteiten. De bedoeling is juist om de vervreemding bij de bron aan te pakken en jonge mensen die zich aangetrokken voelen tot IS of andere radicale propaganda, op andere gedachten te brengen en ze via therapie en gespreksgroepen terug te brengen naar de samenleving, voordat het te laat is. Maatschappelijk werkers en therapeuten zullen toegang krijgen tot geheime informatie en de Shared Responsibility Committees zullen onder andere bespreken of er sprake is van duidelijk misdadige opzet en of ‘alternatieve straffen’ in plaats van lange gevangenisstraffen misschien beter zullen werken.
Maar natuurlijk geeft het programma ook een stevige basis aan het informantennetwerk van de FBI. Er is veel discussie geweest over dit soort programma’s. In New York maakte burgemeester Bill de Blasio een eind aan een controversieel profilingprogramma van het New York Police Department dat volgens de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie ACLU [American Civil Liberties Union] zo ongeveer elke mannelijke moslim als verdachte aanmerkte.
In de val
Een van de middelen die het hoofd van de FBI kan inzetten in de strijd tegen potentiële terroristen – via agressieve undercoveroperaties – staat in de ogen van veel mensen bovendien gelijk met ouderwets in de val lokken. Uit een onderzoek uit 2014 door Human Rights Watch bleek dat ‘in sommige gevallen de FBI misschien wel terroristen heeft gemaakt van gezagsgetrouwe individuen door infiltratieoperaties uit te voeren die de bereidheid van het doelwit om een aanslag te plegen onderzocht en die vervolgens faciliteerde’. In het geval van de ‘Newburgh Four’ (vier moslimmannen uit Upstate New York die in 2014 door de FBI in de val werden gelokt en gearresteerd), zei een rechter dat ‘de overheid de misdaad en de middelen leverde en alle relevante belemmeringen uit de weg ruimde.’
Volgens politiefunctionarissen zijn deze methodes wel degelijk effectief, al hebben ze ‘lone wolf’-aanslagen, zoals de schietpartij in San Bernardino en de bomaanslag op de marathon van Boston in 2013, niet weten te voorkomen.
De Amerikaanse aanpak van moslimgemeenschappen is in het algemeen genuanceerder dan die in Frankrijk, waar de politie duizenden moslims in de gaten houdt die niets te maken hoeven te hebben met terreurplannen. En veel waarnemers geloven dat die genuanceerdheid een grote rol speelt bij het beantwoorden van die grote vraag: waarom hebben de Verenigde Staten, die toch lange tijd het hoofddoelwit zijn geweest van jihadistische haat, geen terreurprobleem van eigen bodem zoals Europa?
De agressieve FBI-operaties staan volgens velen gelijk aan uitlokking
Enkele redenen liggen voor de hand. Europa is geografisch verbonden met Syrië en andere terroristische vrijhavens, en de VS is dat niet. Maar de meeste deskundigen zijn het erover eens dat een deel van de verklaring ligt in de Amerikaanse moslimgemeenschappen zelf. De Amerikaanse moslims zijn veel sterker geassimileerd en patriottischer dan de vervreemde islamitische onderklasse in Frankrijk en België – die vaak bestaat uit ontevreden Algerijnse of Marokkaanse jongeren. En volgens Amerikaanse autoriteiten zijn Amerikaanse moslims zelf enorm behulpzaam geweest bij het verhinderen van aanslagen. ‘In de meer dan tien jaar dat ik nu bij de federale overheid werk, zijn Arabische en Zuid-Aziatische islamitische gemeenschappen in het hele land een van de grootste hulpbronnen geworden voor de bescherming van de veiligheid van ons land en het bevorderen van de Amerikaanse waarden,’ zegt George Selim, die bij Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de nieuwe taskforce.
Volgens radicaliseringsexpert Jessica Stern is één probleem voor IS-ronselaars in Amerika – waarvandaan procentueel tien keer minder moslims geprobeerd hebben af te reizen naar Islamitische Staat dan vanuit veel West-Europese landen – dat ‘Amerikaanse moslims gewoon te gelukkig zijn. Uit opiniepeilingen blijkt dat Amerikaanse moslims patriottisch zijn. Zij zijn aantoonbaar gelukkiger met de koers van het land dan niet-moslims. Als jongeren in de verleiding komen om zich bij een jihadistische groep te voegen, doen hun ouders vaak alles om ze tegen te houden. Gelukkig heeft de politie in verscheidene Amerikaanse steden een goede vertrouwensband met ze opgebouwd.’
Dearborn en Molenbeek verschillen van elkaar als dag en nacht
Een aantal gevallen in de afgelopen jaren illustreert hoe bepaalde situaties in de Verenigde Staten uit hadden kunnen groeien tot aanslagen à la Brussel, maar dat niet deden. In 2010 werd Farooque Ahmed, een genaturaliseerde Pakistaan uit Noord-Virginia, aangegeven door iemand uit zijn moskee en vervolgens aangeklaagd wegens het beramen van een aanslag op metrostations. In 2014 werd de FBI door een plaatselijke informant gewaarschuwd dat drie islamitische tieners van plan waren zich bij IS in Syrië te voegen.
Maar zoals altijd verplaatst de dreiging zich. John D. Cohen, die aan het hoofd stond van het programma tegen gewelddadig extremisme van Binnenlandse Zaken en nu doceert aan Rutgers University, zegt dat de IS-dreiging nu diffuus is en wordt verspreid via internet, zodat het niet veel zin meer heeft om zich op speciale moslimgemeenschappen te richten – althans niet in de Verenigde Staten. ‘Wat we nu zien is dat terroristen in spe niet gewoon in moslimgemeenschappen leven, en zelfs niet altijd een islamitische achtergrond hebben,’ zegt Cohen. ‘Het gaat vaak om verwarde mensen die hun leven betekenis willen geven door voor zo’n zaak te gaan vechten. Ze weten vaak nauwelijks iets van de islam.’
Het is ook een kwestie van het efficiënt uitwisselen van inlichtingen, een belangrijk onderdeel van de inspanningen van Binnenlandse Zaken, dat in Europa veel minder ver gevorderd is. ‘Er zijn twee verschillen met West-Europa,’ zegt Cohen. ‘De ene is dat de immigrantengemeenschappen daar veel minder vertrouwen hebben in de politie en in andere mensen. Maar de andere reden waarom wij in dit land zo veel aanslagen hebben ontdekt en voorkomen, is dat de inlichtingenstroom tussen plaatselijke en nationale diensten ongelooflijk verbeterd is sinds 9/11. Ik vermoed dat de informatie over de verdachten die Turkije doorgaf aan de Belgische autoriteiten, wel naar de inlichtingendienst ging, maar misschien niet naar politiemensen. Het zou wel eens kunnen dat die er niet vanaf wisten.’
Schadelijk
In de Verenigde Staten vrezen veel betrokkenen nu dat de antimoslimretoriek uit de verkiezingscampagne schadelijk is voor hun zo zorgvuldig opgebouwde programma’s, waaronder ook de nieuwe task force.
Haddad in Dearborn en andere Amerikaanse politiemensen zijn bang dat deze nieuwe golf openlijke islamofobie de radicalisering die zij juist hebben geprobeerd te beteugelen, weer aanwakkert. Tot nu toe lijken hun inspanningen te werken: Charles Kurzman, socioloog aan de University of North Carolina, zegt dat het relatief kleine aantal moslims in Amerika dat zich aangetrokken voelde tot de IS-ideologie, de laatste tijd nog verder is afgenomen. ‘Het aantal dat naar het buitenland wil reizen (waarschijnlijk naar Islamitische Staat) was tussen half 2014 en half 2015 op zijn hoogtepunt en is daarna aanzienlijk gedaald. Een mogelijke reden daarvoor is dat de aantrekkingskracht van IS is afgenomen door de gewelddadige en wrede beelden.’
Politico
Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000
Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.
Binnen de islamitische wereld wordt fel gedebatteerd over de noodzaak om de religie te moderniseren. Maar volgens de Libanese schrijver en filosoof Ali Harb kan dat helemaal niet.
Welke relatie heeft de islam met het terrorisme dat momenteel over de hele wereld dood en verderf zaait? Sinds de aanslagen van 11 september haalt deze vraag regelmatig de krantenkoppen en maakt heftige, soms hatelijke polemieken los. Volgens sommigen is het terrorisme een uitwas, dat met de echte islam niets te maken heeft. Zij worden blind genoemd. Anderen denken dat deze religie fundamenteel gewelddadig is; hen wordt islamofobie verweten.
Zo nu en dan halen beide kampen daarbij verzen uit de Koran aan, waarmee ze ofwel de barbaarsheid van de islam, of juist haar tolerante natuur willen aantonen. Ze vergeten echter dat een religie nooit tot een heilig boek kan worden gereduceerd. Vóór alles is het een eeuwenoude praktijk, gekristalliseerd in een veelvoud van instituties en culturele gebruiken. Je kunt ook niet alle communistische regimes herleiden tot Het Kapitaal van Marx en Engels.
Ali Harb weigert om de essentie van een religie uit een heilig boek te destilleren. Volgens de Libanese schrijver en filosoof hoef je de Koran maar te lezen om te zien dat je er alles uit kunt opmaken, maar altijd ook precies het tegendeel. Er is dus een andere methode, een ander perspectief nodig. Je kunt de islamitische religie ook zien als een heilsopvatting, een denksysteem dat, net als het christendom, het jodendom, maar ook twintigste-eeuwse ‘religies’ als het communisme en fascisme, een absolute waarheid zegt te verkondigen.
Vanuit die optiek is een potentiële terrorist wel degelijk innig verbonden met de islam. In zijn laatste boek, Le terrorisme et ses créateurs: le prédicateur, le tyran et l’intellectuel, werkt Harb dit idee verder uit.
De impliciete definitie van terrorisme waarop u de stellingen uit uw boek baseert lijkt me vrij ruim. Het gaat zowel om gewelddaden als om denksystemen…
‘Ik denk inderdaad dat het terrorisme in de eerste plaats een intellectuele houding is. Die van iemand die gelooft dat alleen hij de absolute waarheid bezit en alleen hij het recht heeft om uit naam van die waarheid te spreken. Zo’n waarheid kan in de religieuze, politieke, sociale of morele sfeer liggen. Hij kan bijvoorbeeld gaan over God, over de staat, het socialisme, de vrijheid of het humanisme. Daarnaast is het terrorisme ook een handelswijze: je zo opstellen alsof jij alleen de waarheid in pacht hebt en andersdenkenden of tegenstanders daarom mag uitsluiten. De manier waarop kan symbolisch zijn, door excommunicatie of door iemand tot landverrader te bestempelen, of – fysiek – door uitroeiing of moord. Het devies van de terrorist is: jij moet net zo denken als ik, anders beschuldig en veroordeel ik je. In die zin kun je zeggen dat zowel de prediker met een vastomlijnd religieus programma, de tiran die werkt aan de uitvoering van een politiek project en de intellectueel die schrijft dat de maatschappij door een revolutie moet veranderen, allemaal terrorisme bedrijven. De prediker excommuniceert, de tiran veroordeelt en bestempelt mensen tot verrader, de intellectueel theoretiseert en de activist of jihadist ageert en doodt mensen.’
Halen islamitische terroristen hun inspiratie uit totalitaire regimes uit het verleden?
‘Ze zijn zeker beïnvloed door de voorbeelden van Franco, Hitler en Mussolini, door hun manier van regeren en hun technieken om mensen op te zwepen en mee te krijgen, ze in een kudde te veranderen die onophoudelijk dezelfde kreten scandeert. Dit dualisme van een verafgode leider en de massa die hem aanbidt is van vrij recente datum. Aan de andere kant dragen totalitaire regimes, ondanks hun moderne en seculiere insteek, in feite religieus gedachtegoed uit, zoals blijkt uit de verheerlijking van hun denkwijze en van hun opperste leider.’
Tolerantie maakt elke vorm van dialoog al bij voorbaat onmogelijk. Alleen door een volledige erkenning van de ander kan een individu zijn narcisme doorbreken en een werkelijke dialoog aangaan
Wat bedoelt u ermee dat een gematigde en tolerante moslim niet bestaat?
‘Elke monotheïstische religie bergt een onuitputtelijk reservoir van gewelddadigheden in zich. Dat potentieel is er altijd, als een virus dat het in zijn genen met zich meedraagt. Daarbij maakt het niet uit of die religie gebaseerd is op de uitsluiting van de ander, op het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen, of tussen aanhangers en vijanden. Het is er altijd. Die gewelddadigheid wordt bij de islam nog versterkt door een extra onderscheid: dat tussen puurheid en bezoedeling. Dat concept is wel het meest schandalige aan het islamitische religieuze gedachtegoed: een niet-moslim is een bezoedeld, onzuiver wezen. Het is een uiterst doortrapte vorm van symbolisch geweld. En daarom durf ik te beweren dat er geen moslim bestaat die trouw is aan de dogma’s en gebruiken van zijn religie en tegelijk gematigd en tolerant is, behalve als hij hypocriet is, of de leerstellingen ervan niet begrijpt of zich ervoor schaamt.
Het meest in het oog springende voorbeeld hiervan is de relatie tussen soennieten en sjiieten. Na eeuwen van conflicten en vijandigheden is de voorzichtige toenadering tussen deze twee groepen niet zozeer te danken aan de gematigdheid en tolerantie waar hun leerstellingen zogenaamd blijk van zouden geven, maar veel meer aan hun opname in de instellingen van de moderne maatschappij: scholen, universiteiten, economische markten, het bedrijfsleven… Maar zodra ze allebei hun oude opvattingen weer gingen belijden barstte het conflict weer los, zij het op een nog wredere en destructieve manier. Ik aarzel dan ook niet om te zeggen dat deze twee “religies” vijandiger tegenover elkaar staan dan tegenover het Westen of Israël.’
Ali Harb.
U schrijft dat religies pas tolerant worden nadat ze zijn verslagen. De enige oplossing voor onze maatschappij zou volgens u dus zijn om de islam te verslaan, zoals Europa het christendom overwon in de tijd van de verlichting? Of kan de islam toch worden hervormd?
‘Nee, hervormen kun je de islam niet. Elke poging om dat te doen, of het nu in Pakistan, in Egypte of elders was, heeft gefaald en alleen maar tot terroristische denkwijzen geleid. Om die reden verwacht ik weinig van de vernieuwing van het religieuze gedachtegoed die sommige moslims en zelfs niet-moslims voorstaan. De enige uitweg is een nederlaag van het hele religieuze project, zoals het belichaamd is in islamitische instellingen en machtsstructuren, met hun gemummificeerde ideeën en steriele methoden. Verder sta ik ook buitengewoon kritisch tegenover het concept van tolerantie, dat ik beschouw als een schandelijk aspect van het religieuze denken. Het impliceert een soort verdraagzaamheid van de kant van de gelovige tegenover degenen die met hem van mening verschillen, maar gelijktijdig worden zij als zondaars, ongelovigen en afvalligen gezien, die de mensheid beschamen. Daardoor maakt tolerantie elke vorm van dialoog al bij voorbaat onmogelijk. Alleen door een volledige erkenning van de ander kan een individu zijn narcisme doorbreken en een werkelijke dialoog met hem aangaan.’
Moeten we de opleving van het terrorisme van de laatste jaren zien als een teken van de vitaliteit en veranderlijkheid van de islam?
‘Het idee dat religieuze verschijnselen van vitaliteit blijk geven, gaat terug op een bekende uitspraak van Malraux over de “terugkeer van het religieuze”. Religie is overduidelijk terug van weggeweest, maar die terugkeer is angstaanjagend en heeft van de jihadist een monster en een beul gemaakt. Maar we moeten ons niet laten inpakken door woorden als “terugkeer” of “vitaliteit”. Elk fenomeen en elke activiteit heeft twee gezichten: aanvankelijk is het iets goedaardigs, maar als we het niet kunnen aanpassen en laten evolueren, kan het ontaarden en schadelijk worden. Momenteel is dat bijvoorbeeld in Frankrijk aan de hand: het sociale en economische model, ooit het beste van Europa, is versleten en moet nodig hervormd worden, maar Frankrijk lijkt daar niet toe in staat. Op dezelfde manier denk ik niet dat het religieuze project van de islam, zoals het meer dan een eeuw geleden opnieuw werd geformuleerd, getuigt van vitaliteit of creativiteit. Wat er momenteel leeft in de islamitische wereld is niet meer dan een simpele wens tot regressie naar het verleden, plus een verlangen om wraak te nemen op het Westen.
Ook denk ik dat overal waar ze de macht grepen, islamisten hun pogingen om een eigentijdse vorm van islam te verwezenlijken hebben zien mislukken. Terroristische organisaties als IS werken hun eigen vernietiging in de hand, net als die van het religieuze gedachtegoed in het algemeen. Daarmee bedoel ik dat de Arabische samenlevingen deze verschrikkingen, deze catastrofes, bloedbaden en burgeroorlogen zullen moeten doorstaan, om zich ervan te overtuigen dat de islam geen basis is om een moderne en ontwikkelde maatschappij op te bouwen. Een verzoening tussen de islam en de moderniteit of het Westen is gewoonweg niet mogelijk.’
Een idee moet eerst een creatieve transformatie ondergaan voordat het op een bepaald vlak naar behoren in de praktijk kan worden gebracht
Waarom zegt u dat de intellectuele elites hebben bijgedragen aan de opkomst van het religieus fundamentalisme?
‘Zij hebben er op twee manieren aan bijgedragen. Ten eerste door de mislukking van hun modernisering- en hervormingsplannen. Hun houding was utopisch. De ideeën waar ze voor stonden, probeerden ze op een volstrekt simplistische manier in de praktijk te brengen. Ze zagen het als absolute waarheden, vaststaande modellen die één op één op de werkelijkheid konden worden toegepast. Terwijl een idee in elke maatschappij eerst een creatieve transformatie moet ondergaan voordat het op een bepaald vlak naar behoren in de praktijk kan worden gebracht. Ten tweede hebben sommige intellectuelen despotische regimes gesteund, zowel van seculiere als van theocratische snit, onder het voorwendsel dat die tegen de hegemonie van de Verenigde Staten zouden strijden. De bekendste verkondiger van dat standpunt is waarschijnlijk wel Chomsky. Hij stelt dat de geloofwaardigheid van een intellectueel eraan af te meten valt hoeveel weerstand hij biedt aan het Amerikaanse beleid. Daarmee heeft hij de weg gebaand voor veel Arabische intellectuelen, die zich vervolgens in de armen van tirannen stortten.’
Auteur: Tarek Abi Samra
Vertaler: Valentijn van Dijk
Cultureel supplement van de gefuseerde kranten L’Orient en Le Jour uit Beiroet. Mooie bijdragen van schrijvers en denkers. Profileert zich als modern, maar richt zich tegelijk vooral op christelijk Libanon.
De piepjonge Oussama Khallouf (20) preekt elke vrijdag in de moskee van Bonneville in de Haute-Savoie. Met in Frankrijk opgeleide imams zoals hij hoopt de regering-Hollande radicalisering tegen te gaan.
Hij is een fan van carpoolplatform BlaBlaCar, ‘want een student groeit het geld niet op de rug’. Om twaalf uur ’s middags carpoolt Oussama vanaf zijn school in Château-Chinon in de Nièvre naar het huis van zijn ouders in Mâcon. Na een korte tussenstop reist hij met een deelauto verder naar Bonneville in de Haute-Savoie, waar hij sinds twee maanden elke vrijdag, de dag van het grote gebed, als imam fungeert. Met zijn spijkerbroek en basketbalschoenen, jack, stoppelbaardje en zijn iPhone in zijn hand ziet Oussama Khallouf er, buiten de moskee, doodgewoon uit. En zijn glimlach zal menig meisje in vervoering brengen. Daar beginnen we maar niet over, want hij geeft vrouwen maar zelden een hand, ‘niet omdat ze minderwaardig of onrein zouden zijn, zoals sommige mensen zeggen, maar uit respect, omdat de hand een deel van het lichaam is’. Daar komen we later op terug.
Koranconcours
We ontmoeten hem op de eerste verdieping van een gebouw in het centrum van Bonneville, op vijftig meter van de kerk. De gebedsruimte is krap maar de gelovigen schikken in. Je kunt hier niet buiten bidden, ‘want soms vallen er stenen uit het oude kasteel’, grapt Abdelkrim, een gelovige. Oussama heeft een witte qamis (lang gewaad) aangetrokken, met een capuchon in dezelfde kleur. Gezeten op zijn minbar (stoel) houdt hij in het Arabisch en Frans een preek over broederschap en het verbod op kwaadspreken. Twintig jaar en nu al prediker? De oude mannen die naar hem luisteren zitten er niet mee. Ze respecteren zijn eruditie en voordrachtskunst. Want deze jongeman kende op zijn twaalfde al de Koran uit zijn hoofd. In 2014 was hij finalist tijdens het twaalfde nationale Koranconcours in Parijs, waar de deelnemers gememoriseerde teksten moesten voordragen.
Maar Oussama is in de eerste plaats student aan het Europese Instituut voor Menswetenschappen (IESH) in Château-Chinon, dat in 1992 is geopend door de aan de Moslimbroeders gelieerde Unie van Islamitische Organisaties in Frankrijk (UOIF). De school levert elk jaar een tiental in Frankrijk opgeleide imams af. Een beroepsopleiding die hoog op het verlanglijstje van de Franse overheid stond en sterk wordt aangemoedigd sinds de aanslagen van januari en november in Parijs. De studenten worden er tijdens hun opleiding aan herinnerd dat ze in een niet-confessionele maatschappij leven met diverse politieke, religieuze en filosofische stromingen. ‘Dit soort scholen is een alternatief voor buitenlandse opleidingen waar alleen maar Arabisch wordt gesproken en de Franse cultuur wordt miskend,’ benadrukte onlangs Frans premier Manuel Valls.
‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen’
‘Ik ben geboren in Marokko maar op mijn dertiende bij mijn vader in Mâcon gaan wonen. Hij is ook imam. Ik wilde naar deze school om mijn kennis van de islam te verdiepen en die vervolgens te kunnen uitdragen. Wij krijgen na drie jaar een diploma en als je resultaten goed zijn kun je daarna voor een doctoraat gaan,’ legt hij uit. Elke lichting telt tweehonderd studenten, zestig procent mannen (vaak met baard) die niet allemaal imam worden, veertig procent vrouwen (voor het merendeel gesluierd) die zijn voorbestemd voor een carrière als vwo- of universiteitsdocent of onderzoeker.
Tijdens de colleges zitten de meisjes achter de jongens. Is dat normaal? ‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen, ze werden vaak al bij hun geboorte gedood en de moslims hebben hen beschermd en een bestaan gegeven,’ betoogt Oussama. ‘De sluier beschermt hen ook,’ voegt hij eraan toe.
Het collegegeld bedraagt 3500 euro per jaar. Dat is duur, dus Oussama moet de eindjes aan elkaar knopen. De moskee in Mâcon houdt collectes om hem te helpen en ook de Culturele Maghrebijnse Vereniging van Bonneville draagt wat bij. ‘Wij betalen zijn vervoer en we geven hem eten en onderdak,’ zegt Djamal Benchabana, EHBO-arts en een van de leidende figuren in de plaatselijke moslimgemeenschap.
Fundamentalisme
Maar waarom zou je zo ver zoeken naar zo’n jonge imam? Antwoord: ‘De onze is oud en hij preekt alleen in het Arabisch. En we hebben hier jongeren die ons veel zorgen baren. We dachten dat Oussama misschien een goede invloed op hen zou kunnen hebben.’ Het gaat om een groep van zo’n twintig geradicaliseerde jongeren die hun eigen vereniging hebben gevormd, een eigen prediker hebben en op internet naar ‘van alles en nog wat’ zoeken, zeggen de ouderen. Deze jongeren zijn bekend. In het begin waren het er drie, werkloos, cannabisdealers. ‘Ze begonnen naar de moskee te komen maar ze gedroegen zich slecht, er werd gevreesd dat ze de andere jongeren zouden aansteken en dus zijn ze eruit gezet,’ licht Oussama toe.
Ze hebben op straat andere vrienden gevonden maar zouden de drugshandel hebben verruild voor een radicale beoefening van hun godsdienst. ‘Het gevaar is dat ze veldwerk verrichten,’ voegt Oussama eraan toe. Hij vertrouwt ons toe dat ze hem al zijn komen ‘testen’, dat wil zeggen, naar hem zijn komen luisteren.
Wat zou hij tegen hen kunnen zeggen? Op school wordt hij ingewijd in de Franse socioculturele realiteit, maar daar weet Oussama al heel veel van. ‘De sociale misstanden en onrechtvaardigheden zijn de eerste redenen om te radicaliseren,’ benadrukt hij. De vallei van de Arve en de daar gevestigde fijnmechanische industrie, die bloeide in de jaren zeventig van de vorige eeuw, boden werk aan duizenden Noord-Afrikanen. Hun kleinzoons leven in een heel andere tijd, waar de werkgelegenheid schaars is. Oussama vervolgt: ‘Ik heb al geradicaliseerde jongeren ontmoet, ik stel ze vragen om hun kennis te testen en ik zeg ze dat ze niet in staat zijn om het woord van de Profeet te begrijpen. Maar ze halen bepaalde dubbelzinnige Koranverzen aan die door videopredikers naar eigen goeddunken worden uitgelegd. Het lijkt onmogelijk om ze ervan te overtuigen dat ze het mis hebben, maar de islam is een geduldige godsdienst, dus leg ik al mijn geduld in de schaal.’
Ook van de moslims in Bonneville wordt veel geduld gevraagd voordat de plaatselijke overheid bereid is hun een terrein te verkopen voor de bouw van een ‘echte’ moskee. Die zou in 2018 moeten opengaan: 4200 vierkante meter, plaats voor 700 gelovigen, een moderne architectuur met een koepel en een school om Arabisch en de Koran te leren.
Oussama denkt dat zo’n open, moderne plek het gevoel van trots en waardigheid kan vergroten en het fundamentalisme kan inperken. Hij heeft zin om er voltijds ‘aan de slag’ te gaan zodra zijn doctoraat binnen is.
CONTEXT: Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!
Om in 2017 herkozen te worden riep François Hollande op tot verscherping van de veiligheidsmaatregelen en verlenging van de noodtoestand. Aan de andere kant ‘wil hij de 85 procent van de moslimbevolking die in 2012 op hem heeft gestemd niet tegen zich in het harnas jagen’, aldus The Wall Street Journal. Daarom ‘doet hij niet echt een poging om de radicale islam te definiëren, noch om actief op te treden tegen de rol die deze dikwijls speelt in de voorsteden van Parijs, Lyon en Marseille.’
‘Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!’ lijkt het motto van de Franse autoriteiten volgens dit Amerikaanse hoofdartikel. ‘Het begint bijzonder politiek incorrect te worden om de islam in Frankrijk te associëren met een rechtvaardiging en motivering voor de gruwelen van het Franse jihadisme.’ Een houding die The Wall Street Journal inspireert tot de opmerking dat niemand veilig is, van de Noordzee tot aan de Middellandse Zee. ‘Wie leeft er nog meer met vijftienduizend “streng islamitische” salafisten in zijn buurt?’
Auteur: Christian Lecomte
Vertaler: Peter Bergsma
Le Temps Zwitserland, dagblad, oplage 49.000
Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.
In de Iraanse pers zorgt het conflict met Saoedi-Arabië voor een felle woordenstrijd tussen conservatieven en hervormingsgezinden.
In het Midden-Oosten lijkt dit begin van 2016 heel sterk op 2015. De hoop op een periode van verzoening in de regio is vervlogen. Op 2 januari zette Saoedi-Arabië de toon met de executie van 47 mensen, onder wie zo’n veertig jihadisten van AQAS (Al-Qaida op het Arabisch Schiereiland) en sjeik Nimr al-Nimr, een vooraanstaand sjiitisch geestelijke. Deze executies passen in een dubbele context. Ten eerste de crisis in de soennitische wereld, die de groei van radicale bewegingen in de hand werkt die Riyad bedreigen en oëok beconcurreren. En ten tweede de koude oorlog tussen beide theocratieën in de Golfregio [Saoedi-Arabië en Iran], die de etnische groepen in het hele gebied tegen elkaar opzet.
Het besluit van Riyad moet dan ook worden gezien door de bril van die vermeende dubbele – soennitische en sjiitische – dreiging. Het koninkrijk staat voor een dilemma: hoe stop je de radicale soennitische bewegingen – waardoor een flink deel van de Saoedi’s zich aangesproken voelt omdat ze de sjiieten vijandig gezind zijn – zonder de indruk te wekken dat je Iran in de kaart speelt? En omgekeerd, hoe stop je wat wordt gezien als een Iraanse expansie in de regio, zonder de soennitische jihadisten rugwind te geven?
Slap optreden
Door zo’n veertig soennitische terroristen van het leven te beroven wil Riyad laten zien dat het actief deelneemt aan de strijd tegen het terrorisme, op een moment dat het door westerse landen steeds sterker wordt bekritiseerd vanwege het slappe optreden tegen soennitische jihadistische groeperingen. Het besluit tot de executies sluit aan op de oprichting in december van een [anti-jihadistische] islamitische coalitie, maar het is wel de vraag wat de reactie van AQAS wordt, dat met represailles heeft gedreigd als er leden zouden worden gexeëcuteerd. Ook al bestrijdt het koninkrijk deze afdeling van Al-Qaida op zijn eigen grondgebied met harde hand, het werkt er soms ook mee samen, zoals in de oorlog tegen de (sjiitische) Houthi’s in Jemen. AQAS is nu, na de executie van zijn mensen, gedwongen te kiezen: ofwel ze reageren en worden dan door de Saoedi’s in Jemen verslagen, ofwel ze doen niets en verliezen een deel van hun geloofwaardigheid ten gunste van de concurrentie, IS.
De Saoedi’s reageren volslagen irrationeel als het om Iran gaat
‘De Saoedi’s vrezen de soennitische terroristen, maar geloven dat ze die wel klein krijgen,’ vertrouwt een hoge Arabische diplomaat L’Orient-Le Jour toe. Binnen het Saoedische triumviraat zijn de taken verdeeld. Kroonprins Mohammed bin Nayef, neef van de koning, geeft leiding aan de strijd tegen het terrorisme, terwijl vicekroonprins Mohammed bin Salman, zoon van de koning, verantwoordelijk is voor de oorlog in Jemen. Er bestaat rivaliteit tussen beide mannen, maar Bin Nayef is onmisbaar en heeft de volle steun van de Amerikanen. Bin Salman krijgt het nog moeilijk om hem aan de kant te schuiven,’ zegt de diplomaat.
Met de executie van Nimr al-Nimr wil Riyad aantonen dat het de voorvechter van de soennieten blijft en niet toestaat dat zijn macht in twijfel wordt getrokken. ‘Nimr al-Nimr is een grote onruststoker, een demagoog. Je kunt hem beschuldigen van verbaal geweld, maar niet direct van echt geweld,’ stelt de diplomaat. ‘Alle totalitaire regimes, wat hun politieke ideologie ook is, beschuldigen hun tegenstanders ervan dat ze terroristen zijn. Ook Saoedi-Arabië doet dat altijd,’ voegt hij eraan toe.
Door zowel aan een sjiitische politieke tegenstander als aan soennitische jihadisten dezelfde straf op te leggen, draagt Riyad bij aan een nog verdergaande polarisatie tussen soennieten en sjiieten, niet alleen in de regio maar ook in het koninkrijk zelf. ‘Ze hadden hem best gevangen kunnen houden. Door hem te executeren hebben de Saoedi’s het vuur in het sjiitische deel van het land opnieuw opgerakeld, terwijl het daar net weer rustig was.’
De executie van sjeik Nimr al-Nimr is onderdeel van de anti-Iraanse politiek die Saoedi-Arabië voert sinds koning Salman aan de macht is, en waarvan het meest opzienbarende feit de interventie in Jemen is. De dreiging van soennitische jihadisten wordt veel minder belangrijk gevonden dan die van Iran. ‘Binnen het Saoedische establishment heerst een soort paranoia over die Iraanse dreiging. Alsof de Iraanse vloot al vlak voor de kust ligt en het Iraanse leger zich opmaakt om binnen te vallen. De Saoedi’s voelen zich door de Amerikanen in de steek gelaten, en niet geheel ten onrechte. Het paradoxale is dat de Iraniërs van hun kant sinds het nucleaire akkoord juist minder gespannen en agressief zijn. De Saoedi’s reageren volslagen irrationeel als het om Iran gaat. Maar angst roept juist sneller datgene op waar je bang voor bent,’ is de analyse van de diplomaat.
‘Politieke compromissen zijn nog lang niet in zicht’
De reactie van Teheran liet niet lang op zich wachten. Ayatollah Ali Khamenei verklaarde dat de Saoedische leiders ‘goddelijke’ wraak te wachten stond. Daarna braken er protesten uit in Iran, waar de Saoedische ambassade werd bestormd. ‘De reactie van Iran is buiten proportie. De Iraniërs hebben zichzelf er volledig van overtuigd dat zij de beschermers van sjiitische minderheden in de Arabische wereld zijn. Alles wat deze minderheden mogelijk kan onderdrukken is een zaak van nationale veiligheid geworden,’ verklaart de diplomaat.
Maar de Iraanse president Hassan Rohani was veel gematigder in zijn reactie tegenover Riyad. Weliswaar veroordeelde hij de executie van Nimr al-Nimr, maar hij zei ook dat de bestorming van de Saoedi-Arabische ambassade ‘op geen enkele manier te rechtvaardigen’ viel. Nog geen twee maanden voor de Iraanse parlementsverkiezingen zou Rohani, leider van het gematigde kamp, wel eens de grote verliezer van een zich verscherpende crisis tussen Riyad en Teheran kunnen worden.
Gunstig voor IS
De spanning liep nog verder op toen Riyad aankondigde de diplomatieke betrekkingen met Teheran te verbreken. ‘Dat zal vast niet tot militaire reacties van Iran leiden, maar er is wel een risico dat de crises in Libanon, Bahrein en Irak zich nog verder verdiepen. En dat Hezbollah zich onverzoenlijker opstelt,’ denkt dezelfde analist. Riyad en Teheran, die indirect in Syrië en Jemen al volop in oorlog zijn, zouden wel eens geneigd kunnen zijn om hun confrontatie op andere strijdtonelen voort te zetten, om de hegemonie in de regio te veroveren. De crisis tussen de twee geestelijke stromingen in de Golfregio dreigt ook elke kans op een oplossing van de conflicten in Syrië en Jemen in gevaar te brengen. ‘In Syrië ligt het proces stil. In Jemen proberen ze gezichtsverlies van alle partijen te voorkomen. Politieke compromissen zijn nog lang niet in zicht,’ zegt de diplomaat.
De verdeeldheid tussen soennieten en sjiieten is beslist niet de enige destabiliserende factor in de regio. Maar de huidige politiek van Riyad en Teheran zorgt er wel voor dat dit de voornaamste bron van spanningen in het hele Midden-Oosten is. En dat is weer gunstig voor IS, dat handig gebruikmaakt van alle tegenstellingen in dit conflict en zich op alle zwakke plekken nestelt.
L’Orient-Le Jour
Libanon | oplage onbekend
In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Behartigt de preoccupaties van de Libanese christenen.
Een woedende reactie op een Syrisch oppositieblog.
Onder de daders van de aanslagen in Parijs waren Arabische moslims, aanhangers van het kalifaat, die in Frankrijk wonen, het land waarvan zij de nationaliteit hebben verworven. Door oorlog te voeren uit naam van IS menen zij de wereld tot de islam te kunnen bekeren. Wanneer begrijpen ze nu eens dat de islam in de versie van het kalifaat zich tegen de moslims zelf zal keren en de islam zal vernietigen? Wanneer zullen ze de godsdienst nu eens terzijde schuiven om een seculiere politieke strijd te voeren, zoals de rest van de wereld dat doet? Oorlog dient ertoe om de vrijheid, de soevereiniteit van een land te verdedigen en zijn fundamentele belangen, niet om de onwetendheid en de haat te doen zegevieren in de naam van de godsdienst. Alleen het gezamenlijk bestaan naast andere beschavingen in de wereld kan de islam uitzicht bieden op vooruitgang, op een verbetering van het bestaansniveau en op een culturele renaissance. Dat de moslims op hun eigen grondgebied kunnen leven, is dankzij de westerse uitvindingen. De auto’s die moslims gebruiken zijn gemaakt door ‘ongelovigen’, evenals het vliegtuig waarmee ze comfortabel op pelgrimstocht naar Mekka gaan. Zelfs de luidsprekers die zij daar tijdens het gebed gebruiken zijn ‘ongelovige producten’. Ze verbieden niet-moslims om Mekka binnen te gaan, maar het zijn de mobiele telefoons uit die ‘ongelovige landen’ die in hun plaats Mekka overstromen.
Ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen
De ergste oorlogen die op dit moment in de wereld woeden zijn die waarin moslims tegenover moslims staan – in Libië, Egypte, Somalië, Libanon, Syrië en in een aantal landen in Afrika. Maar ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen. Om zich te verzoenen met het moderne leven en de uitdaging van de ontwikkeling aan te kunnen gaan, dienen de moslims de hele geschiedenis te herzien. De olie van de Arabische landen zou geen stuiver waard zijn geweest als het Westen niet de industriële revolutie had ontketend. En als het Westen eenmaal de bronnen voor alternatieve energie heeft ontwikkeld, zullen de Arabieren zich geen raad meer weten. Een revolutie binnen de islam moet ons in staat stellen ons te verzoenen met het leven. Leven in vrede met andere volken, strijden tegen onderontwikkeling met dezelfde snelheid als het virus van het extremisme. Laten we ophouden met die religieuze instanties die God aanroepen om de onwetendheid te prediken. Laten de moslims eindelijk eens gaan geloven in burger-schap en in politieke strijd.
Auteur: Habib Saleh
Vertaler: Peter Bergsma
Habib Saleh is blogger. In Syrië werd hij drie keer gearresteerd en veroordeeld tot gevangenisstraf, nog altijd verkondigt hij zijn onverbloemde mening op diverse platforms, waaronder syria4all en elaph, een pan-Arabische nieuwssite die in Syrië wordt gecensureerd. Zijn arrestaties werden aangevochten door mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, die op hun site ook zijn tijdelijke vermissing in 2008 meldden.
All4Syria Syrië, all4syria.info
Voor een vrij en verbonden vaderland, tegen sektarisme, discriminatie en alle vormen van monopolie van mening.
Een journalist van de Tunesische nieuwssite Leaders noemt de aanvallen op ‘de mooiste stad ter wereld’ een daad van onverbloemde barbarij.
Woorden schieten tekort om uiting te geven aan de gevoelens van verdriet, opstandigheid en afschuw die de gebeurtenissen van afgelopen vrijdagavond in Parijs bij ons oproepen. Op de vraag naar het waarom valt op geen enkele manier antwoord te geven. 13 november 2015. In de geschiedenis zal deze datum vast en zeker op dezelfde manier worden geboekstaafd als die van de aanslag op het World Trade Center. Na 11 september 2001 dacht men dat deze agressie zich nooit ofte nimmer zou herhalen. Vrijdagavond heeft de mensheid een grote stap terug gedaan. Vergeleken met IS zijn de terroristen van Al-Qaida koorknaapjes. Dit betekent de terugkeer van de primitieve mens, van de wet van de jungle, van onverbloemde barbarij. Het is de neder laag van de rede, van het denken, van de beschaving.
De keuze voor Parijs was niet toevallig. Parijs is de mooiste stad van de wereld, de stad waar de mensen voor het eerst in de geschiedenis zijn opgestaan tegen tirannie en onderdrukking, waar de eerste verklaring van de rechten van de mens werd uitgevaardigd, waar de briljantste en meest vrije geesten zijn geboren of hebben geleefd. Parijs is de kwintessens van de universele beschaving. Het is tegen dit symbool dat de vijanden van de menselijke soort zich hebben gekeerd. De tientallen doden die zijn gevallen in Le Bataclan of in de straten van Parijs, slachtoffers van het meest abjecte terrorisme dat nota bene uit naam van een religie wordt bedreven, zijn vóór alles onze ‘broeders in menselijkheid’, net als de slachtoffers van het Bardomuseum en [de kustplaats] Sousse en die van het World Trade Center. Op vrijdag was niet alleen Parijs het doelwit, maar de hele mensheid.
Eén vraag brandt op mijn lippen. De moslims hebben hem altijd ontweken. Maar nu is het tijd om zich er serieus over te buigen. Ik richt me zowel tot mijn landgenoten als tot al mijn geloofsgenoten op de wereld. Waarom baren onze samenlevingen, andere dan alle andere, zulke monsters?
Auteur: Mustapha
Vertaler: Peter Bergsma
Leaders Tunesië, leaders.com.tn
Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.
In zijn nieuwe roman 2084 – La fin du monde schetst de Algerijnse schrijver Boualem Sansal een toekomstige wereld in de greep van de totalitaire islam. In Frankrijk vliegt het boek de schappen uit. Een gesprek met een van de belangrijkste stemmen uit de Maghreb.
Sinds de nieuwe roman van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, 2084, in augustus verscheen, zijn er al 100.000 exemplaren van verkocht. Ondanks de onweerlegbare kwaliteiten lijkt het boek binnen de jury’s van de literaire prijzen toch aanleiding te hebben gegeven tot verdeeldheid. 2084 zat eerst wel in de selecties voor alle literaire prijzen, verdween toen van de lijsten van de Prix Renaudot, de Prix Médicis en de Prix Goncourt, maar won op 29 oktober wel de Grand Prix du roman van de Académie française, ex aequo met Les Prépondérants van Hédi Kaddour. Is het boek van Boualem Sansal doortrokken van islamofobie? De schrijver vertelt hoe hij tegen religie aankijkt en hoe hij de situatie in zijn land ziet.
In uw jongste roman, 2084, beschrijft u een religieus totalitarisme, waarbij je meteen aan de islam denkt. Toch wordt die nooit genoemd. Uit voorzichtigheid?
Welke religie zal het in 2084 voor het zeggen hebben? Niet de islam van mijn jeugd en evenmin de islam van nu. Alleen al het verschil tussen de huidige islam en die van dertig jaar geleden is enorm: destijds was de godsdienstbeoefening een klein, niet hinderlijk onderdeel van het leven, nu heeft die een opdringerige vorm aangenomen. Tot het begin van de jaren negentig was Algerije een socialistische staat, waarin de islam ongeveer dezelfde, secundaire, plaats innam als het christendom in Frankrijk. Onze geloofswereld was helder en eenduidig. Totdat opeens die invloed van verre zich opdrong, via redevoeringen en de bouw van moskeeën. Nu is het landschap zelf veranderd, de manier waarop mensen zich kleden is anders, de baarden zijn langer, je zou denken dat we in Afghanistan zijn. Bovendien is er in de lesprogramma’s op scholen veel ruimte gemaakt voor godsdienstonderwijs, zodat de kinderen zich thuis gaan gedragen als kleine ayatollahs aan wie de mensen maar toegeven om problemen te vermijden.
Dus hoe zal het over zestig jaar zijn? Ik denk dat het islamisme, die uitwas van de islam, bezig is zich te ontwikkelen tot een religie, via een soort voortplanting door deling. Je ziet dit proces in de moslimwereld per maand verder gaan. Sommige woorden verdwijnen. De term liefdadigheid bijvoorbeeld, die in de traditionele islam wel vijftig keer per dag werd genoemd, heeft terrein verloren, net als de bijbehorende praktijk. Het taalgebruik wordt steeds krijgshaftiger.
Als dit van een Franse schrijver kwam, zouden ze zeggen dat hij islamofoob was. Geldt dat ook voor u?
Ik zou eerder zeggen dat ik ‘islamismofoob’ ben. Ook al klopt het wel dat ik geen positieve kijk heb op de islam waarmee ik ben opgevoed, die ik heb bestudeerd en die ik in spiritueel opzicht armoedig vind. In algemene zin vind ik vooral dat je niet om religies hoeft te geven, ik persoonlijk heb geen affiniteit met welke religie dan ook. Ik kan ermee leven voor zover ze de openbare ruimte niet binnendringen en de kinderen niet ronselen. Als ik een Fransman uit het begin van de twintigste eeuw was, zouden ze me antiklerikaal noemen. Vóór alles geloof ik in de menselijke rede: die bezit meer schoonheid en spiritualiteit dan welke religie ook. De mens is in staat het oneindige te onderzoeken, het heelal te fotograferen, vragen te blijven stellen zonder ontmoedigd te raken. Maar terug naar 2084: toen dat af was, vond ik het erg onschuldig vergeleken met wat ik de afgelopen vijftien jaar heb geschreven. Het is minder hard dan sommige van mijn eerdere boeken. In Poste restante: Alger en Le Village de l’Allemand [vertaald als Onvoltooide geschiedenis] bijvoorbeeld schrijf ik uiterst kritisch over het islamisme. Tijdens de hele periode dat ik aan dit boek schreef, heb ik mezelf juist elke godslastering verboden.
Ik heb lang zonder salaris geleefd. Ik kon geen werk krijgen. Ik werd door iedereen gemeden
Bent u niet bang dat uw roman in Frankrijk wordt gekaapt door degenen die de angst voor de islam voor ideologische of politieke doeleinden gebruiken?
Daar denk ik onder het schrijven niet aan. Ik weet wel dat dat gebeurt, maar wat doe je ertegen? Rechts, extreem-rechts, maar ook seculier links, allemaal nemen ze er passages of zinnen uit. Wat ik ook zeg, het wordt gebruikt. Moet ik dan voor altijd zwijgen? Naar de rechter stappen? Nee, een boek is van iedereen.
Hoe kijkt men in Algerije tegen u aan?
In 1999, toen mijn eerste roman, Le serment des barbares, verscheen, werd ik bijna beschouwd als een nationale held. Bedenk even wat de situatie van toen was: Bouteflika [nog altijd de Algerijnse president] was net aan de macht gekomen in een Algerije dat was gemangeld door tien jaar van gewelddadigheden. Hij wist te winnen door te beloven dat hij een einde aan de oorlog zou maken en dat we daarna in voorspoed zouden leven. Zo ontstond er een enorm gevoel van optimisme. Op dat moment waren de Algerijnen trots dat een van hun landgenoten door Gallimard werd uitgegeven, dat hij kans maakte op de Prix Goncourt en andere grote literaire prijzen. Maar ik werd erg weinig gelezen, vooral omdat mijn boeken relatief duur zijn: doordat ik geen Algerijnse uitgever heb, worden de boeken vanuit Frankrijk verstuurd en kosten ze gemiddeld vier keer zo veel als uitgaven van hier.
Bij de verschijning van mijn tweede roman, L’enfant fou de l’arbre creux, in 2000 lagen de zaken anders. De optimistische stemming in Algerije was inmiddels aan het zakken. De mensen realiseerden zich dat er nog geen einde was gekomen aan het geweld en de ellende. Sommigen gingen me lezen en dachten toen: wie is die rotzak? Hij bekritiseert het regime en de islamisten, prima, maar hij heeft ook kritiek op ons, het volk. Want ja, ik beweerde dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor wat ons overkomt. We hebben laten gebeuren dat er een dictatuur kwam, we gingen zelf naar de preken in de moskee luisteren. In hun ogen was dat onvergeeflijk: in Algerije kom je niet aan het volk. En dan heb ik het nog niet eens over de islamisten voor wie ik een afvallige ben. Of over het regime dat me als een vijand behandelde.
Uiteindelijk ben ik in 2003 binnen vijf minuten zonder enige uitkering ontslagen uit de hoge overheidsfunctie die ik bekleedde. Ik had een slechte naam, hooggeplaatste personen begonnen genoeg te krijgen van de uitspraken die ik in de kranten tegen Bouteflika deed. Ik heb lang zonder salaris geleefd. Ik kon geen werk krijgen, noch in de publieke, noch in de private sector. Ik werd door iedereen gemeden. De autoriteiten pakten mijn broer aan, een kunstenaar die ze bijna tot zelfmoord hebben gedreven door hem de ene fiscale naheffing na de andere te sturen net zo lang tot hij geruïneerd was. En via de oudervereniging hadden ze het ook gemunt op mijn vrouw, die lerares is. Ze beschuldigden haar ervan dat ze de vrouw was van een verrader, van een man die pro-Israël, pro-Frans en antimoslim was. Mijn boeken zijn jarenlang verboden geweest. Tot ze na verloop van tijd alleen nog minachting toonden door me te negeren. Tegenwoordig zijn mijn boeken in beperkte aantallen weer in sommige boekhandels te vinden. Maar ik blijf een outcast, ik kan aan geen enkel debat, aan geen enkele signeersessie meedoen.
Hebt u overwogen om te emigreren?
Je hoeft niet per se van je land te houden om er te blijven. Je bent er nu eenmaal, je leeft er, hebt er je familie, je vrienden. Maar de omstandigheden speelden ook mee: in de jaren zeventig, toen ik nog voor ingenieur studeerde, was het heel gemakkelijk om te vertrekken. Je kon Frankrijk binnenkomen op een identiteitskaart. Het was de tijd dat er een nieuw woord opdook dat ons land te gronde zou richten: ‘algerijnisering’. Het militaire regime van Boumédienne [vierde president van Algerije van 1976 tot 1978] was modernistisch: hij wilde fabrieken bouwen, industriecomplexen aanleggen. Daarom moesten er jongeren naar het buitenland worden gestuurd om ze op te leiden tot geschoolde arbeiders en hoger personeel. Maar veel van hen zijn niet meer teruggekomen, met dramatische gevolgen. Ik heb er zelf ook over gedacht, maar de dingen liepen anders: ik kreeg een laboratorium voor turbinestraalmotoren tot mijn beschikking en die zijn mijn specialisme geworden. Ik heb experimenten gedaan, artikelen gepubliceerd in de vooraanstaande tijdschriften. We leefden in derdewereldomstandigheden, het water was op rantsoen, groentes waren er niet, maar ik was jong en ik vond mijn werk geweldig. De dagen gingen voorbij, ik stelde een beslissing uit terwijl al mijn vrienden en ook mijn broers vertrokken.
Toen de burgeroorlog begin jaren negentig uitbrak, ben ik een andere richting ingeslagen en voor de overheid gaan werken. De minister van Handel benoemde me tot adviseur, omdat ik veel wist van het schuldenprobleem, een centraal vraagstuk in die jaren toen Algerije overging naar een markteconomie, in 1994.
En nu?
Ik heb periodes gekend waarin ik het erg moeilijk had en me echt afvroeg wat ik moest doen. Soms leek vertrekken urgent, bijvoorbeeld toen de islamisten voor de poorten van Algiers stonden [1995-1996] en ze een groot deel van het land in handen kregen. Ik zat midden in islamistisch gebied omdat ik in Boumerdès woon, vijftig kilometer ten oosten van Algiers, aan de weg richting Kabylië. In de jaren negentig waren hier elke nacht bombardementen en er werden constant aanslagen gepleegd. Soms waren er pal voor ons huis schermutselingen tussen het leger en de islamisten. Op den duur raak je dat beu.
Mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest
Maar wat een lijdensweg om een visum te bemachtigen. Tegenwoordig heb ik gelukkig een uitreisvisum dat vijf jaar geldig is, maar destijds zouden ze me maar een visum voor drie maanden gegeven hebben. Wat kun je in drie maanden helemaal doen? En als je dan ook nog ziet hoeveel moeilijkheden het oplevert om je in Frankrijk te vestigen en je er beslist niet met open armen wordt ontvangen, dan schrikt dat wel af. Als ik naar bepaalde Franse steden moet, dan zorg ik dat ik Frankrijk via Parijs binnenkom, om te vermijden dat ik rechtstreeks vanuit Algerije per vliegtuig arriveer. Als je op de vliegvelden van deze steden een Algerijns paspoort laat zien, doen ze onaangenaam, je krijgt rare blikken, ze zeggen vervelende dingen, zijn soms grof tegen je. Ze behandelen je met ongelooflijk veel minachting. Ik wil niet ook nog eens een immigrant zijn.
Ten slotte zou vertrekken ook een vorm van zwichten zijn voor de mensen die het me zo moeilijk hebben gemaakt. Het is een kwestie van zelfrespect.
Bent u bang?
Ja, ik ben al jaren bang. Net als veel mensen. Vroeger, in de tijd van Boumédienne, waren we bang voor iets wat we nog nooit hadden gezien: de SM [Sécurité Militaire], de militaire veiligheidsdienst, oftewel de Algerijnse geheime diensten. In 2084 zijn het de V’s, waarvan niet eens duidelijk is of ze bestaan, ze zijn overal en nergens, iedereen is bang voor ze. En toen, na de dood van Boumédienne, verscheen de baas van de SM op het toneel. Niemand die hem kende. En wij zagen een klein, grijzig mannetje, een onderdeurtje dat bang leek voor zijn eigen schaduw! We dachten: Dat is toch niet waar! Heeft hij ons twintig jaar lang geterroriseerd? Hij heette Kasdi Merbah, een naam had hij in ieder geval wel. Maar op de dag dat hij werd vermoord, in augustus 1993, hoorden we dat het niet eens zijn echte naam was. In werkelijkheid heette hij Abdallah Khalef. Twintig jaar lang waren we geterroriseerd door een ambtenaartje zonder naam of gezicht. Als je er goed over nadenkt, is dat intellectueel gezien een bizarre situatie. En erg vernederend.
Elke Algerijn voelde zich bespioneerd. Toch waren er niet per se even veel spionnen als Algerijnen. Maar mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest. Ze gaan mee in wat de overheidspropaganda ze inprent. Ook nu nog willen ze ons laten geloven dat we voortdurend worden bedreigd door de vijand van buiten, het neokolonialisme, het imperialisme, de Joden, de Marokkanen… We leven met dit soort spookbeelden. Geruchten gaan uit zichzelf rond en onderzoeksjournalisten zijn er niet, we weten nooit wat waarheid is.
Wat hebt u gedaan om u niet door die angst te laten verlammen?
Ik heb erover gediscussieerd en gelezen, ik heb geprobeerd her en der dingen te weten te komen, via vrienden met contacten in het leger of het landsbestuur, dat is de enige manier. Toen ik 2012 naar de internationale boekenbeurs in Jeruzalem ging, kreeg ik massa’s bedreigingen. Uiteindelijk dacht ik: het zijn mafkezen, gekken die dit doen, daar moet je geen aandacht aan besteden. Je bagatelliseert het om jezelf gerust te stellen.
Is dat wat we moed noemen?
Ik weet niet of dat het goede woord is. Ik gebruik het liever niet. Iedereen is dapper, alleen al het feit dat je leeft is moedig. Als ik schrijf, sta ik daar niet bij stil. Pas als ik alles herlees, voordat ik het naar de uitgever stuur, realiseer ik me dat sommige passages me in de problemen kunnen brengen. Maar nogmaals, ik gebruik het woord moedig niet. Ik relativeer. Ik zeg wat ik wil, net als die lui. De dingen die ik doe, doe ik voor mezelf. Of ze nu door God verboden zijn of de duivel, zolang ze niet onder een door mensen geschreven wet vallen, doe ik ze.
U hebt geen vertrouwen in de mensheid?
In het individu wel als het hem lukt zelfstandig te worden en zich te ontworstelen aan alle regels en voorschriften. Zo niet, dan is het ongelooflijk hoe ver mensen meegaan in het doen van concessies. Ze laten zich enorm snel inpakken. Kijk wat de nazi’s in Duitsland in korte tijd hebben gedaan. Ik word moedeloos van de mensheid: zodra mensen met meer dan drie zijn, gedragen ze zich als schapen.
Ziet u zichzelf als iemand die de noodklok luidt?
In zekere zin wel. Ik zie de toekomst somber in. Ik heb meegemaakt hoe mijn land overvallen werd door een volkomen onverwachte verandering, die ertoe leidde dat zowel een staatsbestel als een maatschappelijk bestel in hoog tempo werd vernietigd. Je denkt dat samenlevingen solide zijn, maar niets daarvan: bij de minste of geringste crisis valt alles uiteen. Ik heb het meegemaakt. Tegenover het islamisme houden de waarden van de rede, de Verlichting, geen stand; ze storten als een kaartenhuis ineen. De mensen denken: de vooruitgang, wat heeft die ons opgeleverd? Dat we de aarde vervuilen? Dat de wet boven de menselijke relaties gaat? Ze zijn niet gelukkig met dit systeem. De Verlichting is voorbij. Het Westen moet een nieuwe omwenteling teweegbrengen. Maar wie gaat er supranationale wetten maken? Intussen is de islam wel geglobaliseerd. Die ligt een slag voor.
Zijn literaire prijzen belangrijk voor u?
Door een grote prijs zou mijn stem wel belangrijker worden, in Frankrijk en Europa dan. Het is een manier om mee te doen aan een debat waarvan ik in eigen land uitgesloten ben. Maar dat interesseert ze daar niet. Voor de Algerijnse autoriteiten besta ik niet, zelfs al had ik de Prix Goncourt, de Nobelprijs of wat dan ook gewonnen. Toen ik in 2011 de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel kreeg, die in Duitsland als een prestigieuze prijs wordt beschouwd, ben ik niet eens gefeliciteerd door de burgemeester van Boumerdès, het stadje waar ik woon.
Auteur: Raphaëlle Rérolle
Vertaler: Tess Visser
De boeken van Boualem Sansal verschijnen in Nederland bij Uitgeverij De Geus in vertaling van Jan Versteeg.
Le Monde Frankrijk, dagblad, oplage 345.000
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Net als in Nederland is de boerka – of liever: de nikab – een heikel onderwerp in Canada, waar 2 procent van de bevolking moslim is. Is het een non-issue, of precies het soort emotioneel beladen thema dat de verkiezingen kan doen kantelen?
Als de regering-Harper uiteindelijk haar zin krijgt – en immigranten die een nikab dragen voor even worden gedwongen die af te doen op de dag dat ze als burger van Canada worden beëdigd – op hoeveel vrouwen zou die maatregel dan van toepassing zijn? Enkele tientallen per jaar? Honderd misschien? Hoe dan ook, het zou een minuscuul aantal zijn in vergelijking met alle aandacht die de kwestie heeft gekregen.
Praktisch gesproken zou het plan van de Conservative Party inbreuk maken op de rechten van een miniem percentage: een paar mensen, gedurende een paar minuten van hun leven. De Conservatieven proberen geen wettelijk verbod van de islamitische gezichtsbedekking in te voeren. Zij zeggen alleen dat als een vrouw in een nikab Canadese wil worden (of in de woorden van premier Stephen Harper: deel wil gaan uitmaken van de nationale ‘familie’), zij bereid moet zijn zichzelf te tonen tijdens de officiële burgerschapsceremonie. Als de plechtigheid is afgelopen, staat het haar vrij zichzelf weer te bedekken.
In een land dat met veel belangrijker problemen kampt – onze wankele economie bijvoorbeeld – is het redelijk om je af te vragen waarom de verkiezingscampagne zich zo concentreert op iets wat vrijwel op geen enkele stemgerechtigde van invloed is. National Post-columnist Andrew Coyne was een van degenen die niet kon bevatten waarom de vraag ‘of enkele tientallen vrouwen’ een sluier mogen dragen tijdens een burgerschapsplechtigheid zoveel zendtijd in beslag nam in het Franse leidersdebat van vorige week. ‘Het is bespottelijk,’ zei hij in een verhit moment van het At Issue-panel op The National van CBC. ‘Het is geen relevant probleem voor de toekomst van dit land. In het grote geheel is het een triviale kwestie.’
Afleidingswapen
Maar ís het wel zo triviaal? Is het echt een ‘verkeerd debat’, om de leider van de Groenen, Elizabeth May, te citeren? Een ‘weapon of mass distraction’ (massa- afleidingswapen), zoals NDP (New Democratic Party)-leider Tom Mulcair het beschreef? Of geeft dat symbolische beeld – een moslimvrouw die haar gezicht mag bedekken terwijl ze de burgerschapseed aflegt – een kijkje in een veel diepgaander debat over de kernwaarden die Canadezen koesteren? Met andere woorden: is het zo’n zeldzaam soort emotionele, gevoelsmatige kwestie die een zwevende kiezer over de streep kan trekken?
‘Dit zijn zelden kwesties waarover je in het stemhokje staat te dubben, maar ze kunnen wel het algemene gevoel bepalen van: “Waar sta ik in het politieke spectrum?”’ zegt Frank Graves, voorzitter van het onderzoeksbureau Ekos Research Associates. ‘Ik denk niet dat mensen zeggen: “Ik ga alleen stemmen vanwege de nikab-kwestie.” Maar ik denk wel dat het een factor is. Het is verkeerd om te zeggen dat het de mening van de kiezer niet beïnvloedt. Echt waar.’
Het debat dat nu wordt gevoerd, heeft zijn oorsprong in 2011, toen de toenmalige minister van Immigratie, Jason Kennedy, plotseling een nieuw beleid introduceerde dat mensen verbood hun gezicht te bedekken tijdens burgerschapsceremonies. Zunera Ishaq, een negenentwintigjarige Pakistaanse, betwistte die beslissing voor het Federale Hof, waarbij ze aanvoerde dat de Citizenship Act alle kandidaten verzekert van de grootst mogelijke religieuze vrijheid als ze de eed afleggen. (Ze benadrukt dat ze er geen bezwaar tegen zou hebben haar gezicht vóór de plechtigheid aan een ambtenaar te laten zien, maar dat ze er om religieuze redenen op staat haar eed af te leggen in een nikab.)
Het is het eerste, openlijke, politieke debat over normen en waarden dat we sinds een tijdje in Canada voeren
Het Federale Hof stelde Ishaq in het gelijk, maar Ottawa tekende meteen beroep aan. De nikab ‘heeft zijn oorsprong in een cultuur die anti-vrouw is’, zei Stephen Harper tegen het Canadese Lagerhuis. Toen de regering eind september weer verloor – en meteen nogmaals beroep aantekende, dit keer bij het Hooggerechtshof – werd de discussie onvermijdelijk onderdeel van de verkiezingscampagne.
‘Eigenlijk zijn het de grenzen van de tolerantie die hier op de proef worden gesteld,’ zegt Darrell Bricker, opiniepeiler bij Ipsos Global. ‘Er is één groep, advocaten en vrijzinnige burgers, die zeggen dat dit riekt naar intolerantie. Maar het probleem is dat dit het soort intolerantie is dat door de overgrote meerderheid van de Canadezen niet wordt gezien als intolerantie. Zij zien het als het vaststellen van de grenzen van aanvaardbare sociale normen.’
Dat wordt beslist bevestigd door de laatste peilingen. Het ene onderzoek, door Forum Research uitgevoerd in maart, kwam tot de conclusie dat tweederde van de Canadezen (67 procent) tegen het dragen van een nikab bij een burgerschapsceremonie is, terwijl een peiling van Ipsos aantoonde dat maar liefst 88 procent achter het regeringsstandpunt staat. Een onderzoek van Leger, waarvoor afgelopen winter opdracht werd gegeven, maar dat pas vorige week is gepubliceerd, kwam tot dezelfde resultaten: 82 procent van de ondervraagde drieduizend mensen was het eens met het geen-nikabbeleid.
‘De deelnemers waren van mening dat mensen die aanwezig waren bij dat soort plechtigheden duidelijk herkenbaar moesten zijn en vonden het vreemd dat iemand haar gezicht mocht verbergen’, bleek uit het Leger-rapport. ‘Andere deelnemers vonden dat dit vooral een kwestie was van normen en waarden. Voor hen ging dit over nieuwe immigranten die Canadese normen en waarden omarmen bij hun intrede als nieuwe burgers. Het afdoen van de nikab of boerka werd in Canada als normaal beschouwd en daarom was de eis van de Canadese regering dat vrouwen hun gezicht moesten laten zien terecht.’
Hoewel de maatregel slechts van toepassing is op een gering aantal mensen, wijst de controverse duidelijk op een dieperliggend probleem, zegt Bricker. Zoals elke peiling heeft bevestigd, beschouwt meer dan de helft van de Canadezen de islamitische sluier als een symbool van onderdrukking, ondanks het feit dat veel vrouwen die een nikab dragen het daar niet mee eens zijn. En volgens één Leger-onderzoek uit maart (niet het onderzoek waarvoor opdracht was gegeven door Ottawa) zei 60 procent van de ondervraagden dat nikabs verboden moesten worden, niet alleen tijdens de burgerschapseed, maar ook in openbare ruimten zoals overheidsgebouwen en rechtbanken.
‘Voor de gewone burger suggereert de nikab, ongeacht de uitleg die de draagster eraan geeft, een vorm van vrouwenonderdrukking,’ zegt Bricker. ‘Of dat zo is of niet, is een ingewikkelde kwestie, en die discussie laat ik over aan mensen die slimmer zijn dan ik. Maar de gemiddelde Canadees kijkt ernaar en zegt: “Daar is iets mis mee.” Als je in een vrije, democratische maatschappij leeft, vooral een die zo’n enorme vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de positie van vrouwen en de noodzaak van gelijkheid, strijkt het je tegen de haren in als je zoiets ziet.’
Zichtbare minderheden
Het is niet verbazingwekkend dat het anti-nikabsentiment samenvalt met een duidelijke verschuiving in de algemene houding van Canadezen tegenover immigratie. Tien jaar geleden vond slechts een kwart van de bevolking dat er te veel immigranten naar Canada kwamen. Het aantal mensen dat het eens is met die uitspraak is, volgens een rapport van EKOS uit maart, gestegen tot bijna de helft (46 procent), terwijl 41 procent vindt dat de overheid te veel zichtbare minderheden toelaat. ‘Wij hebben niet hetzelfde soort verhitte debatten over immigratie en rassenkwesties gehad als in Europa en de VS, maar er zijn aanwijzingen dat we misschien een beetje die richting uitgaan,’ zegt Graves. ‘De allergie voor pluralisme en multiculturalisme, die vrij recent is, neemt op het moment toe.’
En dat zou kunnen verklaren waarom zo’n ogenschijnlijk triviaal stukje beleid – het verbod op nikabs tijdens een burgerschapsceremonie – zulke hartstochtelijke reacties oproept. ‘Het valt niet te ontkennen dat het de kiezers op dit moment meer verdeelt dan kwesties die ze zelf van groter belang achten, in het bijzonder de zieltogende economie,’ concludeerde het EKOS-onderzoek. ‘Maar het is wel het eerste, openlijke, politieke debat over normen en waarden dat we sinds een tijdje in Canada voeren.’
Maar is de nikabkwestie urgent genoeg om in een bepaald kiesdistrict de doorslag te geven? Zou het op 19 oktober werkelijk verschil maken? Misschien wel in Quebec, waar de NDP de meeste steun heeft, hoewel hun oppositie tegen het geen-nikabstandpunt van de Conservatieven niet strookt met de opvatting van de meeste inwoners. In Ontario? Waarschijnlijk niet, vooral niet omdat het provinciale bestuur gezworen heeft in het geweer te komen tegen de nationale regering als de zaak-Ishaq voor het Hooggerechtshof komt. ‘In de Prairies is het misschien van invloed,’ zegt Lorne Bozinoff, directeur van Forum Research. ‘Maar daar stemmen ze toch op de Conservatieven. Of die nu 45 of 50 of 55 procent van de stemmen krijgen, wat maakt dat uit?’
Toen Forum zijn onderzoek in maart uitbracht (het onderzoek waaruit bleek dat 67 procent van de Canadezen tegen gezichtsbedekking tijdens burgerschapsplechtigheden is), zei Bozinoff dat de nikabkwestie ‘niet meer dan een bijzaak’ zou zijn bij de verkiezingen, omdat de maatregel ‘slechts direct van invloed zou zijn op een almaar kleiner wordend aantal vrouwen’. Een half jaar later blijft hij bij zijn voorspelling, ondanks de toenemende heftigheid van het debat.
‘Bij een lange campagne zoals deze is het niet waarschijnlijk dat zo’n even oplaaiende kwestie een omkering veroorzaakt, omdat er zo veel over gedebatteerd wordt,’ zegt hij. Neem bijvoorbeeld het proces tegen senator Mike Duffy of de Syrische vluchtelingencrisis. ‘Uiteindelijk is men erover uitgepraat en gaat het weer over iets anders. We hebben nog een hele tijd te gaan, zo’n drie weken, bijna even lang als een gewone campagne. Het is moeilijk voorstelbaar dat we het over drie weken nog steeds over nikabs hebben.’
Michael Friscolanti
Maclean’s
Canada, weekblad, oplage 350.000
Weekblad voor politiek, actualiteiten, onderwijs en cultuur. Jaarlijks in maart verschijnt bovendien Maclean’s Guide to Canadian Universities, in november gevolgd door Maclean’s University Rankings, bedoeld voor middelbarescholieren in hun laatste jaar.
Kader – Vreemde recessie
Technisch gezien verkeert Canada na twee opeen-volgende kwartalen van economische krimp in een recessie, maar veel economen kijken naar de cijfers van StatsCan en zien iets heel anders dan een recessie. De optimisten – waaronder de grote banken – zien tekenen dat de Canadese economie in het derde kwartaal alweer is gegroeid dankzij een goedkopere Canadese dollar en een sterkere Amerikaanse economie. Pessimisten menen dat de gevolgen van een dalende olieprijs nog zal doorwerken in de Canadese economie, gekoppeld aan de tragere groei in China.
Maar beide groepen zijn het erover eens: dit is een vreemde recessie. En waarom dan? Omdat ondanks het feit dat de maakindustrie, de bouw, de olie-, gas- en mijnsector allemaal krimpen, de recessie Canada nog niet heeft getroffen daar waar het werkelijk pijn doet: in de werkgelegenheid. Die is het afgelopen jaar met 0,9 procent of 161.000 banen gegroeid, hoewel er in de provincie Alberta in de olie-industrie 35.000 banen verloren gingen.
Ook econoom Avery Shenfeld van de Canadian Imperial Bank of Commerce (CIBC) voorziet een groei in het derde kwartaal, en de Bank of Montreal durft daar al een percentage van 2,5 tot 3 op te plakken. Dat moet premier Stephen Harper als muziek in de oren klinken. Zijn verkiezingscampagne is er vooral op gericht de grootst mogelijke positieve draai te geven aan al het slechte economische nieuws van de voorbije maanden.
(Huffington Post, Toronto)
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.