Indien de opwarming van de aarde 4 °C zou bereiken, zou de zeespiegel met 8,9 meter stijgen en zouden gebieden overstromen waar in totaal 600 miljoen mensen wonen. Driekwart daarvan zouden Aziaten zijn.
Bij een opwarming met 2 °C stijgt de zeespiegel 4,7 meter en worden gebieden getroffen met in totaal 280 miljoen inwoners.
In het eerste scenario zouden 45 miljoen inwoners van steden als Hongkong, Shanghai en Tianjin moeten worden geëvacueerd, in het tweede kan dat aantal beperkt blijven tot 23,4 miljoen. Dat zijn de jongste voorspellingen van de non-profitorganisatie Climate Central, aan de vooravond van de klimaatconferentie van de VN in Parijs.
Het stijgen van de zeespiegel voltrekt zich in beide scenario’s over een periode van 200 jaar, mogelijk langer. ‘Er is een wereld van verschil tussen beide scenario’s,’ aldus Ben Strauss van Climate Central. ‘We worden voor een heel ruime keuze gesteld.’
Meer dan 140 landen hebben hun nationale plannen ingediend om de klimaatverandering aan te pakken, en deze inspanningen samen zouden de opwarming van de aarde beperken tot 2,7 °C, zo heeft de VN berekend. Volgens de berekeningen van Climate Central zouden bij het somberste scenario in China in totaal 145 miljoen mensen geëvacueerd moeten worden. Azië als geheel herbergt 75 procent van de wereldbevolking die nu in gebieden woont die dan niet meer als land zouden kunnen worden aangemerkt.
China | oplage 261.000
Deze Engelstalige krant, die banden heeft met het zakenmilieu van de Britse oud-kolonie, geeft een goed beeld van met name Zuid-China en de economische ontwikkelingen in de regio.
Klimaatwetenschappers krijgen genoeg van parlementen en regeringen die geen besluiten (kunnen) nemen. Maar het gevecht tegen de opwarming van de aarde mag de democratie niet uithollen, waarschuwt cultuurwetenschapper Nico Stehr.
De democratie wordt momenteel van vele kanten bedreigd. Niet in het minst door het wijdverbreide gevoel dat politici niet luisteren. Dergelijke onvrede is te bespeuren aan de uiterste rechterzijde van het politieke spectrum: bij de Tea Party in de Verenigde Staten, de Independence Party in het Verenigd Koninkrijk, de demonstranten van Pegida (Patriottische Europeanen tegen de Islamisering van het Westen) in Duitsland en het Front National in Frankrijk.
Verbazingwekkender is dat ook de wetenschappelijke gemeenschap haar geduld met de politieke elite begint te verliezen. Onderzoekers maken zich steeds meer zorgen over de onwil om te luisteren naar hun diagnose van de gevaren van de door mensen veroorzaakte klimaatverandering en de gevolgen daarvan op de lange termijn, ook al bestaat daarover in wetenschappelijke kringen een brede consensus. Hoe langer het duurt voordat regeringen met de noodzakelijke politieke maatregelen komen, des te meer begint de democratische bestuursvorm een sta-in-de-weg te lijken. Er is een tendens om de politici en het publiek hun beslissingsbevoegdheid te ontnemen en die, gezien de ‘uitzonderlijke omstandigheden’, in handen te leggen van de wetenschappers zelf.
Deze wetenschappelijke onvrede met de democratie is onder de radar van veel sociale wetenschappers en commentatoren door geglipt. Aandacht is dringend vereist: het hardnekkige, ‘vermaledijde probleem’ van de globale opwarming kan alleen worden opgelost door de democratie te versterken, niet door haar overboord te gooien.
Academici wijzen steeds vaker de democratie aan als schuldige voor deze mislukking. The Guardianciteerde in 2009 klimaatonderzoeker James Hansen van de NASA, die zei: ‘Het democratische proces lijkt niet helemaal te werken.’ In een speciale uitgave van het blad Environmental Politics uit 2010 betoogde politicoloog Mark Beeson dat ‘vormen van “goed autoritair bestuur” misschien niet alleen verdedigbaar worden, maar zelfs van wezenlijk belang voor het overleven van de mensheid in een enigermate beschaafde vorm’. De titel van een opiniestuk dat eerder dit jaar verscheen in The Conversation, een onlinetijdschrift dat gefinancierd wordt door universiteiten in verschillende landen, vat de kwestie samen: ‘Verborgen crisis van de liberale democratie verlamt aanpak van klimaatverandering’.
De reden om de huidige democratie af te schilderen als een bestuursvorm die slecht is toegerust voor de aanpak van de klimaatverandering wordt ingegeven door een aantal vooronderstellingen. Daartoe behoort een diepgeworteld pessimisme over de psychologie van de mens; over het feit dat mensen weinig geneigd zijn op te komen voor zaken die ver van hun bed zijn; en over het idee dat mensen intellectueel niet in staat zouden zijn complexe kwesties te doorgronden. Daarbovenop komt nog de veronderstelling dat de meeste politici en het electoraat natuurwetenschappelijk slecht onderlegd zijn; dat regeringen te strak in het harnas van korte verkiezingscycli zitten om langetermijnproblemen te kunnen aanpakken; dat politieke agenda’s worden beïnvloed door gevestigde belangen; de verslaving aan fossiele brandstoffen; en het gevoel van klimaatwetenschappers dat hun boodschap bij politici aan dovemansoren is gericht.
Alternatief
Zulke ideeën vallen tot in de hoogste kringen van de klimaatwetenschap te beluisteren. Hans Joachim Schellnhuber, oprichter en directeur van het Potsdam-Institut für Klimafolgenforschung en voorzitter van de Duitse Adviesraad voor Globale Verandering, zei tijdens een interview met Der Spiegel in 2011 over het gebrek aan actiebereidheid: ‘Gemakzucht en onwetendheid zijn de zwakste plekken van het menselijk karakter. Het kan een dodelijke combinatie zijn.’
Wat is dan het alternatief? De oplossing waarnaar door veel mensen wordt gewezen gaat in de richting van een technocratie, waarin de beslissingen worden genomen door mensen met technische kennis. Dit blijkt onder andere uit de veranderende rol van enkele medeauteurs van de rapporten van het Intergouvernementele Panel voor Klimaatverandering, die de politiek steeds vaker de wet voorschrijven in plaats van haar alleen maar van advies te dienen.
We moeten voorzichtig zijn met wat we willen. Landen die de weg van ‘autoritaire modernisering’ hebben gevolgd, zoals China en Rusland, hebben op milieugebied weinig gepresteerd. De Chinezen hebben zich de afgelopen twee of drie jaar ontwikkeld tot wereldleiders op het gebied van duurzame energie (meer dan een kwart van de wereldwijde investeringen in dergelijke energie komt voor hun rekening). Desondanks heeft het land moeite zijn ambitieuze milieudoelstellingen te halen en zal het ook nog wel enige tijd wereldleider blijven wat de uitstoot van broeikasgassen betreft. Naarmate de Chinese burgers rijker en beter opgeleid worden, zullen ze ongetwijfeld sterker gaan aandringen op meer democratische invloed op het milieubeleid.
Democratieën leren van hun fouten; autocratieën missen het vermogen zich aan te passen
Dat men zich in brede kring zorgen over het milieu is gaan maken en daaruit voortvloeiende maatregelen heeft getroffen, is te danken aan een open, democratische discussie over de waarde van de natuur voor de mens. Democratieën leren van hun fouten; autocratieën missen flexibiliteit en het vermogen zich aan te passen. De effectiefste internationale afspraken, zoals het Montrealprotocol voor de bescherming van de ozonlaag, zijn erdoor gedrukt door democratische landen.
Ongeduldige wetenschappers hebben vaak een voorkeur voor hegemonistische spelers, zoals wereldmachten, staten en multinationals. Ze hebben liever wereldwijde milieumaatregelen dan een veel onoverzichtelijker lokale benadering; voor hen is globale kennis superieur aan plaatselijke knowhow. Maar de maatschappelijke trends bewegen zich in tegengestelde richting. Grote instellingen zijn steeds minder in staat burgers hun wil op te leggen. Plaatselijke belangen en inspanningen spelen een steeds grotere rol.
De pessimistische kijk op het vermogen van democratieën om uitzonderlijke omstandigheden aan te pakken en te beheersen houdt verband met een optimistisch kijk op de mogelijkheden van grootschalige sociale en economische planning. De onzekerheden van sociale, politieke en economische gebeurtenissen worden als onbeduidende obstakels beschouwd die gemakkelijk uit de weg kunnen worden geruimd met het beleid dat deskundigen voorschrijven. Maar het vermogen van de mens om effectieve toekomstplannen te maken is beperkt. Het idee van gecentraliseerde sociale en economische planning, dat decennia geleden in brede kring is bediscussieerd, is terecht in diskrediet geraakt.
Het pleidooi voor een autoritaire politieke benadering spitst zich toe op één enkel doel dat bereikt zou moeten worden: een reductie van de uitstoot van broeikasgas. Door zich eerder op dat doel te richten dan op de economische en sociale voorwaarden die ermee gepaard gaan, wordt het klimaatbeleid beperkt tot wetenschappelijke of technische kwesties. Maar dat zijn niet de enige aspecten ervan. Milieuzorgen houden nauw verband met andere politieke, economische en culturele factoren die de onderhavige kwesties niet alleen verbreden, maar ook mogelijkheden bieden voor een nieuwe benadering. Wetenschappelijke kennis is nooit onmiddellijk doeltreffend, en zal evenmin onmiddellijk iedereen overtuigen.
Er is maar één politiek systeem dat op een rationele en legitieme manier kan omgaan met de uiteenlopende politieke belangen die door de klimaatverandering getroffen worden, en dat is de democratie. Alleen een democratisch systeem kan de conflicten binnen en tussen landen en gemeenschappen op een invoelende manier tegemoet treden, een keuze maken uit verschillende vormen van beleid en de verlangens van verschillende bevolkingsgroepen dienen. De ultieme en ur- gente uitdaging is het versterken van de democratie, bijvoorbeeld door de sociale ongelijkheid te verminderen.
Zo niet, dan zal de bedreiging van onze beschaving zich lang niet alleen beperken tot veranderingen in onze fysieke omgeving. De erosie van de democratie is een nodeloze inbreuk op sociale complexiteiten en rechten.
De filosoof Friedrich Hayek, die halverwege de twintigste eeuw het verzet tegen de sociale en economische planning leidde, legde de vinger op een paradox die ook vandaag nog geldt. Naarmate de wetenschap voortschrijdt, lijkt ze het idee te versterken dat we ‘ernaar moeten streven alle menselijke activiteiten op een doelbewustere, veelomvattender manier onder controle te krijgen’. Hayek voegde er pessimistisch aan toe: ‘Het is om deze reden dat degenen die bedwelmd zijn door het voortschrijden van de wetenschap zo dikwijls de vijanden van de vrijheid worden.’ We moeten zijn waarschuwing ter harte nemen. Het is gevaarlijk om blind te geloven dat alleen de wetenschap en de wetenschappers ons kunnen zeggen wat we moeten doen.
Auteur: Nico Stehr
Vertaler: Peter Bergsma
Nico Stehr is cultuurdocent en oprichter van het Europese Center for Sustainability Research. Hij was redacteur van het Canadese Journal of Sociology en is verbonden aan verschillende Canadese universiteiten.
Sinds 1869 heeft dit natuurwetenschappelijke tijdschrift een enorme prestige opgebouwd. Opgericht door amateurastronoom Norman Lockyer ontwikkelde Nature zich van een eenvoudige publicatie voor amateurwetenschappers tot een van de meest gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften.
De orkaan Patricia, die zich eind oktober boven de Grote Oceaan in recordtempo ontwikkelde en met nooit eerder gemeten windsnelheden van 325 km per uur op Mexico afkoerste, leek in kracht alles te overtreffen wat bij orkanen eerder was waargenomen. Maar eenmaal boven land takelde Patricia binnen 24 uur af tot een ‘tropische depressie’.
De vraag bleef: waardoor ontwikkelde Patricia zich tot de zwaarste orkaan ooit geregistreerd? Tal van theorieën zijn erop losgelaten, van El Niño tot klimaatverandering, maar het antwoord is gecompliceerder. Er deden en doen zich in het enorme gebied van de Grote Oceaan, 32 procent van het aardoppervlak, een aantal verschijnselen gelijktijdig voor, ‘zoals de secondewijzer, de minutenwijzer en de uurwijzer van een klok, die om twaalf uur samenvallen’, zoals een oceaanvorser het verwoordt. ‘Het is niet realistisch om voor zoiets als Patricia één oorzaak aan te wijzen.’
De Grote Oceaan is op dit moment een zorgelijke plek die veel problemen oplevert en veel raadsels telt. Zo is er naast de klimaatverandering ook een sterke El Niño rond de evenaar. Tegelijkertijd doet zich een verschijnsel voor van een ongebruikelijk langdurig aanwezig gebied met warm water voor de Noord-Amerikaanse kust, die al de bijnaam Blob [De Bobbel] heeft gekregen. Blob zou onder meer verantwoordelijk zijn voor een zeer sterke algengroei langs de kust, waardoor schelpdieren vergiftigd raken. ‘Een enkele mossel hier kan genoeg gifstoffen bevatten om een mens te doden,’ zegt een expert. Kwekerijen in de staten Washington Oregon en Californië zijn daarom stilgelegd.
Daarnaast is er het verschijnsel van de ‘Pacific oscillation’, de temperatuurschommeling over een lange periode, die nu net van koel naar warm zou kunnen overgaan. De voorbije koele periode zou overigens een deel van de opwarming van de aarde teniet hebben kunnen doen.
En dan is er het verontrustende verschijnsel van ‘koraalverbleking’ op grote schaal, die kan leiden tot het afsterven van het koraal, het verdwijnen van leefgebieden voor allerlei vormen van leven in zee en het verzwakken van het systeem van kustbescherming.
Eén voordeel heeft deze samenloop van omstandigheden: ‘Het kan de mensheid wakker schudden, dienen als voorbode van de klimaatverandering. We kunnen mensen iets laten zien: let op, dit gebeurt er als we met het klimaat blijven rotzooien.’
Als dit nummer van 360 Magazine verschijnt, is de klimaattop in Parijs enkele dagen onderweg. Uit de duizenden artikelen die in de aanloop ervan verschenen, selecteerde 360 een mix van concrete cases en weidse vergezichten, met artikelen over de relatie tussen klimaatverandering en conflicten, een waarschuwing om onze democratische principes niet te verloochenen, duurzame restaurants, en een krankzinnig gedachte-experiment.
De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz vindt dat het omstreden Trans Pacific Partnership (TPP) weinig met ‘vrije’ handel te maken heeft.
Onderhandelaars en ministers van de Verenigde Staten en elf andere landen rond de Grote Oceaan proberen het eens te worden over de laatste details van het veelomvattende nieuwe Trans-Pacific Partnership (TPP). Een nuchtere analyse laat zien dat het met deze grootste handels- en investeringsovereenkomst uit de geschiedenis niet zo eenvoudig ligt als het lijkt.
Vaak hoor je dat het TPP-verdrag enorm belangrijk is voor de ‘vrijhandel’. Maar in werkelijkheid beoogt het verdrag de handel en investeringen van de deelnemers te sturen, en daarin de belangen te dienen van de machtigste ondernemerslobby’s uit deze landen. Vergis je niet: uit de belangrijkste discussiepunten waar de onderhandelaars nog steeds over ruziën blijkt dat dit alles weinig met ‘vrije’ handel te maken heeft.
Farmaceutische bedrijven mogen hun monopolies op gepatenteerde medicijnen verlengen, soms zelfs voor onbeperkte tijd
Nieuw-Zeeland dreigde uit de onderhandelingen te stappen vanwege het handelsbeleid van de Verenigde Staten en Canada inzake zuivelproducten. Australië is niet blij met Amerikaanse en Mexicaanse regelgeving met betrekking tot de handel in suiker. En de Verenigde Staten op hun beurt zijn niet blij met de Japanse regels voor de handel in rijst. In de desbetreffende landen hebben deze industrieën aanzienlijke groepen kiezers achter zich. En dat is nog maar het topje van de ijsberg: het TPP-verdrag staat voor een agenda die vrijhandel juist tegenwerkt.
Geheimzinnige termen
Neem om te beginnen de voorgenomen uitbreiding van intellectuele eigendomsrechten voor grote farmaceutische bedrijven, zoals die prominent figureerde in gelekte versies van de ontwerptekst. Uit economisch onderzoek blijkt overduidelijk dat er na de verwerping door het Amerikaans hooggerechtshof van het patent van Myriad op het BRCA-gen een stoot innovatie volgde, met betere tests tegen lagere prijzen als resultaat. In het TPP-verdrag worden juist bepalingen opgenomen die eerlijke competitie tegengaan en zo de prijzen voor consumenten in de Verenigde Staten en elders in de wereld opdrijven – het tegenovergestelde van vrijhandel dus.
In het TPP-akkoord zal veranderde regelgeving worden vastgelegd voor de handel in medicijnen, gevat in geheimzinnige termen als ‘patentkoppeling’, ‘data-exclusiviteit’ en ‘biologica’. Daar profiteren farmaceutische bedrijven van, doordat zij hun monopolies op gepatenteerde medicijnen mogen verlengen, soms zelfs voor onbeperkte tijd. Ook kunnen zij de verkoop van goedkope generieke medicijnen, en die van andere met een ‘biologisch vergelijkbare’ werking, blokkeren. De Verenigde Staten zullen het TPP-akkoord aangrijpen om de medicijnhandel ten gunste van hun farmaceutische industrie te reguleren.
Ook voor de tabaksindustrie proberen de Verenigde Staten via het TPP-akkoord gunstige handelsvoorwaarden af te dwingen. Jarenlang hebben Amerikaanse tabaksproducenten arbitrageregelingen voor buitenlandse investeerders, overeengekomen binnen akkoorden als TPP, gebruikt om antirookwetgeving te omzeilen. Deze vorm van Investor-State Dispute Settlement (ISDS, beslechting van conflicten tussen investeerders en staten) geeft buitenlandse investeerders het recht om nationale overheden aan te klagen en aan bindende private arbitrage te onderwerpen, zodra regelgeving in hun ogen het verwachte rendement op investeringen verlaagt.
Multinationale ondernemingen noemen ISDS noodzakelijk om hun eigendomsrechten te beschermen in landen zonder solide wetgeving of een betrouwbaar rechtssysteem. Maar dat is flauwekul. De Verenigde Staten willen hetzelfde mechanisme benutten voor een vergelijkbare megadeal met de Europese Unie: het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), ook al staat de kwaliteit van het Europese rechtssysteem buiten kijf.
Uiteraard verdienen investeerders – waar ze ook komen – bescherming tegen onteigening of discriminerende regelgeving. Maar ISDS gaat veel verder: ook als de regelgeving niet discriminatoir is, ja zelfs als er winst wordt gemaakt met schadelijke praktijken, kan een verplichte compensatie van investeerders worden afgedwongen als hun verwachte rendement lager uitvalt.
Rechtszaken
Philip Morris voert momenteel rechtszaken tegen Australië en Uruguay (geen TPP-partner), omdat deze landen gezondheidswaarschuwingen op sigaretten verplicht hebben gesteld. Een paar jaar geleden besloot Canada van verplichte gezondheidswaarschuwingen af te zien nadat er met soortgelijke juridische stappen was gedreigd.
Er ligt een sluier van geheimzinnigheid over de TPP-onderhandelingen en het is nog onduidelijk of er bij de toepassing van ISDS voor tabak een uitzondering zal worden gemaakt. Maar los daarvan, deze bepaling belemmert nationale overheden bij hun fundamentele taak de gezondheid en veiligheid van burgers te beschermen, economische stabiliteit te waarborgen en het milieu te beschermen.
Stel je voor wat er zou zijn gebeurd als deze bepalingen hadden gegolden net nadat de dodelijke effecten van asbest waren ontdekt. In plaats van de productie onmiddellijk te staken en de slachtoffers te compenseren, had de overheid producenten dan moeten betalen om hun burgers niet te doden. Belastingbetalers zouden er dubbel voor zijn opgedraaid: eerst voor de geleden gezondheidsschade als gevolg van asbest en daarna nog een keer voor de compensatie van de lagere winst van asbestfabrikanten na een verbod van de overheid op een levensgevaarlijk product.
Het is niet verwonderlijk dat Amerika met internationale verdragen handelsbelemmeringen opwerpt in plaats van vrijhandel te stimuleren. Dat is wat er gebeurt als alle partijen behalve het bedrijfsleven buiten beleidsbeslissingen worden gehouden – niet in de laatste plaats onze gekozen volksvertegenwoordigers in het Congres.
Auteurs: Joseph E. Stiglitz en Adam S. Hersh
Vertaald door: Valentijn van Dijk
Stiglitz is een Amerikaans econoom, auteur en in 2001 winnaar van de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie. Hij is met name bekend om zijn kritische standpunten over globalisering en over internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds.
Project Syndicate Tsjechië, www.projectsyndicate.com
Nonprofitorganisatie van verschillende kranten die commentaar en analyses bieden op het gebied van economie, internationale politiek, wetenschap en cultuur. Aan de artikelen zijn vaak grote namen verbonden van experts, activisten, Nobelprijswinnaars, politiek of zakelijk leiders, enzovoort. Het syndicaat bestaat momenteel uit bijna 450 kranten in 150 countries, met een totaaloplage van 50 miljoen.
De serie Seinfeld is in Amerika immens populair. NBC bood Jerry Seinfeld 5 miljoen per aflevering om door te gaan toen hij besloot te stoppen. Maar in Europa werd de sitcom nooit echt een hit. Is de humor te verfijnd, te Amerikaans? Of zijn de woordgrappen gewoon te moeilijk te vertalen?
Zoals veel van Jerry’s vriendinnen in Seinfeld was Dolores een typische tv-schoonheid: glanzend roodblond haar, grote blauwe ogen, volle lippen en onbetaalbare jukbeenderen. Jerry’s vriendinnen waren bijna altijd een aanleiding voor grappen over de valkuilen van het daten en Jerry’s egoïsme, en dat is bij Dolores niet anders: Jerry wil graag met haar naar bed, maar heeft verzuimd om bij hun ontmoeting te vragen hoe ze heet. En als ze eenmaal aan het daten zijn, durft hij niet meer te bekennen dat hij haar naam niet weet. Hij zoekt stiekem in haar handtas naar een legitimatiebewijs, maar dat levert niets op. Hij vraagt zijn vrienden om zich aan haar voor te stellen, in de hoop dat zij zich vervolgens ook aan hen voorstelt: doet ze niet. Hij heeft maar één aanwijzing: ze heeft hem verteld dat ze als kind met haar naam werd gepest. ‘Maar ja, dat kun je verwachten als je naam rijmt op een vrouwelijk lichaamsdeel.’ Jerry, George en Kramer breken zich alle drie het hoofd over dat raadsel: Celeste? Aretha? Bovary? Mulva? [Rijmt op respectievelijk breast, urethra, ovary en vulva] Pas als ze doorkrijgt dat Jerry haar naam niet weet en ze hem verontwaardigd de bons geeft, schiet het hem ineens te binnen: Dolores!
In die op 18 maart 1993 uitgezonden aflevering liep Dolores voorgoed Jerry’s leven uit. Maar twee jaar later kwam ze Sabine Sebastian het leven zuur maken: Sebastian moest voor alle 180 afleveringen de Duitse nasynchronisatievertaling verzorgen. En de taak om een van de grappigste sitcoms die ze kende voor haar landgenoten toegankelijk te maken, bezorgde haar heel wat hoofdbrekens: vanwege al die grappen die berusten op woordspelingen, typisch Amerikaanse gebruiken of verwijzingen naar de joodse geschiedenis. De eerste twee aspecten noopten haar om in de vertaling grote vrijheden te nemen, en het laatste was een constante bron van onenigheid tussen haar en de redacteur.
Dolores was een van de grootste opgaven waarvoor Sabine zich gesteld zag. Er is in het Duits geen vrouwelijk lichaamsdeel dat op Dolores rijmt, en met een fantasienaam help je de grap om zeep. Dat Jerry’s vrienden de maffe suggestie ‘Bovary’ aandragen, wil nog niet zeggen dat ook Sabine zomaar iets kon verzinnen. Dat zijn zo de dagelijkse dilemma’s in het leven van de Seinfeld -vertaler. En dit was een van de lastigste.
Een programma over niks
Seinfeld is minder aansprekend voor een internationaal publiek dan de gemiddelde Amerikaanse sitcom. In Latijns-Amerika is de serie wel populair, maar in Duitsland, Frankrijk, Italië en Nederland is het nooit een grote hit geworden. Twintig jaar nadat de serie is gestopt, groeit het Amerikaanse publiek er nog steeds mee op, omdat de herhalingen niet van de buis te slaan zijn. In Europa is het meer een cultserie die alleen in de nachtelijke uurtjes te zien is. De humor van Seinfeld is blijkbaar te verfijnd, te Amerikaans en te veel op taalspelletjes gericht om makkelijk vertaalbaar te zijn. Nu de serie vanaf deze zomer ook gestreamd wordt, krijgt ze een tweede kans op een internationale doorbraak. Maar het is veelzeggend dat ze wordt gestreamd door Hulu, en niet door Netflix: Netflix is al in tientallen landen ter wereld actief, Hulu is alleen beschikbaar in de VS en Japan.
Niets is zo moeilijk naar andere talen en culturen te vertalen als een grap. Een goed nasynchronisatiescript voor een Amerikaanse sitcom is meer dan een letterlijke vertaling. Het script moet dezelfde betekenis, hetzelfde gevoel, hetzelfde verhaal overbrengen – de hersenen van de kijker zo prikkelen dat die erom moet lachen, ook al zijn die hersenen in een heel andere cultuur gemarineerd. En de humor van Seinfeld is zo uniek dat de vertaalproblemen nog groter zijn dan normaal. Aan de Radboud Universiteit is een onderzoek naar kijkersreacties uitgevoerd waaruit bleek dat Nederlandse kijkers van Seinfeld niet altijd meelachten met de lachband. Vaak hadden ze de grap niet door. En kijkers die wel meelachten, vertelden onderzoekster Elke van Cassel soms dat het alleen kwam doordat de personages hen deden denken aan Amerikanen die ze kenden.
Kramer (Michael Richards), George (Jason Alexander), Elaine (Julia Louis-Dreyfus) en Jerry (Jerry Seinfeld).
Seinfeld was eigenlijk, zoals de personages zelf ook zeiden, ‘een programma over niks’: over vier egocentrische New Yorkers die eindeloos doordrammen over alledaagse irritaties en de do’s en don’ts van de sociale omgang. Mag je een huurmoordenaar inschakelen om van de irritante hond van een buurman af te komen? Heeft die vrouw neptieten of niet? Hoelang houd je het vol om niet te masturberen? En wedden dat het je niet lukt?
Toen NBC in 1989 de eerste afleveringen uitzond, leek het typisch iets waar je van moest houden. Een serie die was voorbestemd om hoogstens een culthit te worden, zonder de simpele, direct begrijpelijke humor van The Cosby Show, Roseanne of Cheers, de populairste sitcoms van dat moment. De humor van Seinfeld berustte vooral op subtiel woordspel, seksuele toespelingen die altijd impliciet blijven (zo spreken de personages niet over onthouding van masturbatie maar over ‘meester van je domein’ blijven) en de ontleding van de omgangsvormen van een heel specifieke groep New Yorkers: onsympathieke New Yorkers.
Maar de serie waarvan NBC in 1989 nog weinig verwachtte, ontpopte zich in de jaren negentig tot een onwaarschijnlijk groot succes, mede doordat ze de narcistische, op consumptie gerichte tijdgeest zo goed weergaf. Het succes duurde negen jaar, toen zette Jerry Seinfeld er zelf een punt achter (hoewel NBC hem 5 miljoen dollar per aflevering had geboden om nog een seizoen door te gaan). De vier hoofdpersonen werden een begrip: Jerry de pietlut (Jerry Seinfeld), George de kluns (Jason Alexander), Kramer de clown (Michael Richards) en Elaine de wijsneus (Julia Louis-Dreyfus). In het laatste seizoen piekten de kijkcijfers met 38 miljoen kijkers per aflevering. De grote finale, waar in 1998 reikhalzend naar werd uitgezien, was een van de meest bekeken en meest becommentarieerde tv-programma’s van de afgelopen twintig jaar.
Zelfs naaste rivaal Friends – waarvan het idee volgens Larry David en Jerry Seinfeld van hen was ‘gejat’ – had niet dat wat Seinfeld uniek maakt. Ja, het zijn allebei series over een groepje jonge vrijgezellen in New York. Maar waar Friends altijd een traditionele structuur met een hoofd- en een subplot heeft, beschrijft het verhaal in Seinfeld doorgaans een bizarre slalom, om dan aan het eind allerlei schijnbaar ongerelateerde elementen weer bij elkaar te brengen in een bijna choreografische ontknoping. En de feelgoodsfeer die bij Friends toch wordt nagestreefd, werd in Seinfeld gemeden als de pest. Daarmee was het een van die zeldzame programma’s die zowel vernieuwend als immens populair zijn. Toen het aan het buitenland werd doorverkocht, leek het dan ook een kwestie van tijd voordat het de wereld zou veroveren. Want wat Amerika doet, dat doet de hele wereld na. Zo is het toch?
Sabine Sebastian hoopte van wel. Sebastian, een hartelijke vrouw die lijkt op Emma Thompson, werkt als regisseur, scriptschrijver en soms als stemacteur in de Duitse nasynchronisatie. Ze ontsluit Amerikaanse films en tv-series voor haar landgenoten en kent de valkuilen van een letterlijke vertaling, zeker bij sitcoms. Sommige taalgrappen zijn makkelijk over te zetten: als Elaine op zoek is naar een spongeworthy minnaar, klinkt het Duitse schwämmchen-würdig net zo komisch. Maar het is niet altijd zo simpel. Het Canadese vertaalbureau LingoStar noemt als voorbeeld een grap uit Friends waarin Monica iemand met een gigantische verlovingsring ziet en grapt: ‘Lieve hemel, je kunt niet eens meer zien waar de Titanic hem heeft geraakt.’ In de vertaling werd dat: ‘Jeetje, het is een ijsberg.’
Het vertalen van één aflevering van 22 minuten kostte drie werkdagen, 18 uur in totaal
Sebastian deed veel werk voor Brandtfilm, een Berlijns bedrijf dat de nasynchronisatie van Amerikaanse sitcoms als M*A*S*H en The Odd Couple verzorgde. In 1995 vroegen ze haar de regie te doen voor hun nieuwste project, Seinfeld. Sebastian was helemaal weg van die serie. Ze vond het sarcasme in de eerste aflevering al meteen erg leuk, en genoot steeds meer naarmate de humor verfijnder werd en de serie ook zichzelf op de hak ging nemen, met als toppunt de afleveringen waarin de personages een eigen sitcom ontwikkelen, Jerry getiteld. Ze voelde zich een geluksvogel dat ze deze klus had gekregen en wist dat Brandtfilm ook bofte met haar: het resultaat wordt altijd beter als de vertaler een fan is. Sebastian wilde haar landgenoten dolgraag leren Seinfeld te waarderen.
Met haar acteurs en vertalers werkte ze zich door de vijf seizoenen heen die in Amerika al waren uitgezonden. Ze zouden eerst die achterstallige seizoenen opnemen, en vervolgens iedere zomer de jaargang die het voorbije seizoen in Amerika was uitgezonden. Maar het liep al snel spaak, vertelde ze me later. Ze was niet blij met de scripts van de Duitse dialoogvertalers. Hun vertalingen waren te letterlijk. Een kleine woordnuance kan soms veel verschil maken, dus bracht ze tijdens de opnamen veel veranderingen aan. Toen ze eenmaal bij het achtste seizoen waren aanbeland, besloot ze alles zelf te vertalen. Ook haar cast droeg een steentje bij: Oliver Feld als Jerry, Traudel Haas als Elaine, Detlef Bierstedt als George en Klaus-Dieter Klebsch als Kramer. Als zij een zinnetje niet grappig genoeg vonden, maakten ze er zelf iets beters van. De acteurs vormden een hechte club, net als hun Amerikaanse tegenhangers. (Jaren later hernamen ze allemaal hun rol voor de nasynchronisatie van Curb Your Enthusiasm, waarin de cast van Seinfeld ook weer opduikt.)
Naarmate de acteurs beter op elkaar ingespeeld raakten, kwamen ze steeds vaker met suggesties voor verbeteringen. Sebastian nam vaak hele scènes mee naar huis om ze ’s avonds verder bij te schaven. Aan Dolores had ze natuurlijk een hele kluif, maar uiteindelijk vond ze een oplossing die in het Duits volkomen natuurlijk klinkt: van Dolores (wat in het Engels rijmt op clitoris) maakte ze Uschi (wat rijmt op muschi, een vulgair woord voor vagina). Uschi, kort voor Ursula, is een vrij gangbare Duitse naam. Past perfect.
Lipsynchroon
Niet alle Amerikaanse tv-series in het buitenland worden nagesynchroniseerd. Soms worden ze ondertiteld, en soms gebeurt het allebei: dan kunnen de zenders kiezen welke van de twee vertaalde versies ze uitzenden. Volgens het Israëlische vertaalbureau Trans-That kiezen landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje eerder voor het duurdere nasynchroniseren, terwijl kleinere landen als België, Zwitserland en Nederland de voorkeur geven aan ondertitels. In de nasynchronisatielanden heeft die techniek vaak een lange geschiedenis, die teruggaat tot de begindagen van de filmindustrie. In de jaren dertig, toen in Europa veel Amerikaanse films werden vertoond, hing de groeiende voorkeur voor nasynchronisatie samen met de nationalistische wens om de eigen taal en culturele identiteit te beschermen. Nasynchronisatie werd in die landen een hele industrie. Tegenwoordig heb je stemacteurs die zich in bepaalde Amerikaanse sterren specialiseren, zodat het publiek bij een Tom Cruise-film automatisch ook de stem van die ene stemacteur verwacht.
Behalve in specifieke genres, zoals anime, krijgen Amerikaanse kijkers eigenlijk nooit nagesynchroniseerde programma’s voorgeschoteld. Ten eerste kijken Amerikanen vooral naar Amerikaanse media. En daarbij heeft nasynchronisatie toch altijd iets lomps wat Amerikanen tegenstaat. Nasynchronisatie en ondertiteling hebben ieder zo hun voor- en nadelen. Bij nasynchronisatie heb je meer vrijheid om de vertaling toe te snijden op de cultuur van de doelgroep. Bij ondertitels krijgt de kijker de oorspronkelijke stemmen mee, en daardoor ook alles wat die aan buitentalige informatie overbrengen. Sommige kijkers lezen graag ondertitels, anderen hebben er een bloedhekel aan.
Maar al biedt nasynchronisatie nog zulke voordelen, het is een helse klus om het lipsynchroon te krijgen. Het probleem is namelijk niet alleen dat een letterlijke vertaling soms niet werkt: de vertaling moet ook precies even lang duren als de oorspronkelijke tekst, en moet zo veel mogelijk bij de zichtbare mondbewegingen van de acteurs passen. Extra lastig wanneer je een bondige taal als het Engels moet vertalen in een breedsprakige taal als het Duits. En omdat Seinfeld zo veel tekst bevatte, was een goede vertaling des te belangrijker.
Het maken van een nasynchronisatiescript is zo bewerkelijk dat het bijna een wonder lijkt dat Sebastian ook maar één aflevering vertaald kreeg. En ze moest er 180 doen. Met het Amerikaanse script in haar ene hand en een letterlijke Duitse vertaling in haar andere bedacht ze zinnetjes die grappig waren én de mondbewegingen van de acteurs volgden. Vervolgens sprak ze die op haar laptop in terwijl ze de aflevering afspeelde. Soms moest ze één enkele zin wel honderd keer opnieuw afspelen. Eindeloos terugspoelen op de dvd. De hele dag zat ze te kijken en zinnetjes uit te proberen en haar beste vertalingen in de microfoon te brullen. De tekst was bedoeld om te worden uitgesproken, dus met alleen opschrijven kom je er niet. Zin voor zin, woord voor woord probeerde ze Seinfeld op die manier voor de Duitse kijker te ontsluiten. En als ze de aflevering af had, liet ze haar ingesproken tekst uittypen. Omdat sitcoms heel veel dialoog bevatten, kan het vertalen van één aflevering meer werk opleveren dan van een complete actiefilm – en dat gold dubbel en dwars voor Seinfeld. Het grote aantal close-ups, waarin de kijker de mond van de acteur ziet bewegen, vormde een extra complicatie. Het vertalen van één aflevering van 22 minuten kostte drie werkdagen, 18 uur in totaal.
Misschien is het ook wel een compliment voor Seinfeld dat het zo moeilijk te exporteren valt
Maar waar het maken van een lipsynchrone tekst vooral een kwestie is van eindeloze inzet en geduld, bleken sommige culturele verwijzingen onoplosbare problemen op te leveren. Vooral verwijzingen naar joodse zaken vormden een uitdaging. ‘De Duitsers hebben een bepaald je-weet-wel met joden,’ legde Sebastian uit. Sommige grappen over dat thema vond haar redacteur te ver gaan. ‘Dat kunnen we beter niet zo zeggen,’ zei die dan. ‘Dat vinden Duitsers misschien krenkend.’ Maar Sebastian was het daar niet mee eens, vertelde ze me: ‘Van mij mogen ze gekrenkt zijn. Zij hebben het gedaan!’ Zij kon Seinfelds ongegeneerde grappen over de joodse geschiedenis wel waarderen. Maar als ze die zonder meer wilde overnemen, moest ze in de clinch met haar redacteur. Een strijd die ze soms verloor. Het stak allemaal heel nauw. Der Suppen-Nazi? Oké, goed. Een bedekte toespeling op een oom die de kampen heeft overleefd? Misschien toch liever niet. Ook een complete aflevering waarin George voor neonazi werd aangezien was een probleem. Evenals verwijzingen naar de tv-serie Holocaust en naar Schindler’s List. Of neem de voice-over van Elaines gedachten in de aflevering ‘The Subway’, als de metro vastzit: ‘We zitten hier opgesloten… Ik krijg geen adem, straks val ik flauw. Rustig aan, hij gaat zo wel weer rijden. Denk aan de mensen in de concentratiekampen, wat die niet allemaal hebben doorstaan.’
Soms trok Sebastian aan het langste eind en moest de redacteur erkennen dat ze er niet omheen konden. In een van de eerste seizoenen zegt Seinfeld in het stand-upgedeelte dat de nazi’s ‘twee verschillende Hitlergroeten hadden. Je had de standaard Hitlergroet, en daarnaast de nonchalante versie, voor op kantoor.’ Daar konden ze niks anders van maken, want hij onderstreepte zijn woorden door de Hitlergroet te maken.
Te intelligent
Toen de door Sebastian vertaalde afleveringen in 1996 eenmaal in Duitsland werden uitgezonden, werd de serie nooit meer dan een klein cultsucces. De Duitse zenderprogrammeurs leken niet goed te weten wat ze ermee aan moesten: eerst werd het om tien voor zeven uitgezonden, toen om kwart voor zes, en uiteindelijk om elf uur ’s avonds. Toen werd de serie geschrapt, om twee jaar later terug te keren, eerst om tien over één ’s nachts, toen een tijdje om zes uur ’s avonds, en daarna weer om kwart voor middernacht. En zoals de Nederlandse wetenschapper Van Cassel schreef, in een artikel over de redenen waarom Seinfeld in Nederland en Duitsland nooit is aangeslagen: die ‘besluiteloosheid leek eerder een gevolg dan een oorzaak van het gebrek aan interesse bij de kijker. Zowel Nederlandse als Duitse zenders hebben minstens één keer geprobeerd Seinfeld op primetime uit te zenden, maar blijkbaar werden de kijkcijfers daar niet beter van.’
Sebastian denkt niet dat de serie de Duitsers niet aansprak omdat de hoofdpersoon joods is. Maar van de humor ging in de vertaling onvermijdelijk iets verloren, en ze denkt dat de serie ook ‘te intelligent’ was voor het Duitse publiek. Dat houdt niet zo van sitcoms, het kijkt liever naar het ongecompliceerde drama van politieseries als Alarm für Cobra 11 of Der letzte Zeuge en medische actieseries als Medicopter 117. Ook Alf – de David Hasselhoff van de sitcoms – was in Duitsland populairder dan in Amerika. En Who’s the Boss? was er ook een groot succes. Maar sarcasme en de subtiele humor van maffe plots spreekt in Duitsland geen groot publiek aan. Sebastian heeft ook de nasynchronisatie verzorgd voor de wrange Britse comedy Absolutely Fabulous: ook geflopt in Duitsland.
In Duitsland blijft Seinfeld waarschijnlijk dus alleen in de vroeg uurtjes te zien (om kwart voor vier ’s nachts of kwart voor acht ’s ochtends op de kabelzender TNT Serie). De kijkers die de serie desondanks volgen, zijn fanatiek genoeg om te garanderen dat deze niet helemaal van tv verdwijnt. Op internetfora worden de vertalingen ook uitgebreid met het Engelse origineel vergeleken. ‘Volgens mij was de vertaling de reden dat Seinfeld in Duitsland nooit is aangeslagen,’ reageert Der Olli op het blog van scenarioschrijver Ken Levine. Een andere Duitser neemt het voor de vertaling op en citeert als voorbeeld een slimme vondst: ‘In één aflevering was er een leraar die de achternaam van George Constanza uitsprak als CantStandYa. In de Duitse versie werd dat iets anders, daar noemde hij hem Kotztanzo. Dat is net zo grappig en drukt precies hetzelfde uit (namelijk dat de leraar een hekel aan George heeft en daarom zijn naam zo verbastert).’ Op YouTube-pagina’s met fragmentjes uit het programma zijn de discussies minder diplomatiek. ‘In het Duits vind ik er niks aan,’ schrijft daar iemand, ‘maar in het Engels is Seinfeld mijn favoriete serie.’
‘Elke keer als ik iets schrijf, probeer ik _Seinfeld_ te schrijven’
De moeite die het Sebastian kostte om de serie in Duitsland aan de man te brengen, toont wel aan hoe moeilijk het is om Seinfeld te vertalen. Maar ook in Engeland was het geen groot succes. De serie werd daar op telkens wisselende tijdstippen uitgezonden in de randen van de nacht, en moest vaak wijken voor snooker. Naar het schijnt werd ze alleen door Britse komieken trouw gevolgd.
In 2012 zei schrijver-acteur David Baddiel in een interview in The Guardian dat Seinfeld in de jaren negentig onder collega’s in comedyclubs vaak onderwerp van gesprek was. Sam Baine, co-auteur van de series Peep Show en Fresh Meat, zegt zijn scripts naar die van Seinfeld te modelleren: gelaagde plots, met die kenmerkende absurde wending die alle losse eindjes toch weer aan elkaar knoopt. Graham Linehan, de schrijver en regisseur van The IT Crowd en Father Ted, noemde Seinfeld in hetzelfde artikel ‘de grappigste tv-serie ter wereld. Elke keer als ik iets schrijf, probeer ik Seinfeld te schrijven.’
Cultstatus
Met de globalisering van het tv-aanbod en de toename van het aantal kabelzenders kan ook Seinfeld zijn cultstatus op de internationale markt te gelde maken. Hoewel de serie in Nederland nooit een succes werd, heeft ze inmiddels een trouwe kijkersschare opgebouwd op de Nederlandse tak van Comedy Central. En ook in Frankrijk werd de serie in 2013 na tien jaar voor het eerst weer uitgezonden. De nieuwe comedyzender Enorme TV brengt Seinfeld op woensdagavond met nasynchronisatie en op zaterdag met ondertitels. Woordvoerster Julie Cantin legde me uit dat Seinfeld ‘een publiek vereist dat vertrouwd is met de Amerikaanse cultuur en de stand-uptraditie’. Maar volgens haar valt uit berichtjes in de sociale media af te leiden dat Seinfeld ‘in Frankrijk ook fans heeft’.
Toch zal Seinfeld in Frankrijk nooit zo’n instituut worden als in de VS. Misschien is het toch niet niks, waar de serie eigenlijk over gaat. Of misschien is het een heel erg Amerikaans soort niks. Dat kan verklaren waarom het vooral op Amerika gerichte Hulu naar verluidt wel 160 miljoen dollar over had voor de streamingrechten, terwijl het internationaal opererende Netflix al snel afhaakte. (Netflix heeft niet op vragen gereageerd.) Internet maakt de wereld kleiner en steeds meer mensen spreken Engels, maar onze populaire cultuur, en vooral de finesses van onze humor, kunnen we alleen met anderen delen als we elkaar ook echt begrijpen. En zelfs als we dezelfde taal spreken, blijken onze grappen soms ‘onvertaalbaar’ te zijn, of gewoon niet aan te slaan.
Misschien is het ook wel een compliment voor Seinfeld dat het zo moeilijk te exporteren valt. Hoe subtieler en vernieuwender de humor, des te moeilijker die te vertalen is. In veel landen waar Seinfeld nauwelijks aanslaat, zijn conventionelere series als Friends en The Cosby Show al jarenlang een groot succes. De tenenkrommende relatieperikelen van Ross en Rachel zijn in elke taal herkenbaar. Maar Mulva is alleen maar Mulva in het Engels.
Auteur: Jennifer Armstrong
Vertaler: Frank Lekens
Jennifer Armstrong is als auteur en recensent gespecialiseerd in popcultuur.
The Verge | New York VS, theverge.com The Verge is een toonaangevende technologiewebsite die zich naar eigen zeggen ‘op het snijpunt tussen technologie, wetenschap, kunst en cultuur’ beweegt. Je vindt er naast nieuwsberichten en diepgravende reportages ook recensies van de nieuwste hightechproducten (tablets, smartphones en software), podcasts en veel videomateriaal. The Verge werd opgericht in 2011 en is in handen van de Amerikaanse mediagroep Vox Media.
Tweehonderd onbetaalde amateurondertitelaars, zogenaamde Cumberbitches, hebben de Britse serie Sherlock in China toegankelijk gemaakt voor een uitdijend netwerk van miljoenen fans. Een operatie die zich afspeelt langs de marge van de illegaliteit.
Aan de blik van Benedict Cumberbatch valt moeilijk te ontkomen in het kleine, wat sjofele slaapkamertje van de 26-jarige Cassie in de stad Wuhan, in Centraal-China. De Sherlock -ster kijkt je dromerig aan vanaf het omslag van een nummer van het blad Time dat om esthetische redenen boven Cassies bureautje is blijven hangen.
Cassie is niet zomaar een Cumberbitch [zelfgekozen bijnaam van de fans van acteur Benedict Cumberbatch]. Ze geeft leiding aan iSherlock, een groep van zo’n tweehonderd onbetaalde amateurondertitelaars die hun leven wijden aan het vertalen van het universum van de tv-serie Sherlock in het Chinees, voor 59.000 volgers op Weibo, de Chinese versie van Twitter.
69 miljoen Chinezen kijken online naar Sherlock
‘De plots van Sherlock zijn intrigerend en de helden zijn aantrekkelijk door hun charisma,’ vertelt Cassie me. ‘Ik heb de oorspronkelijke boeken gelezen, en toen kwam de serie – en ik voelde me meteen aangesproken. Ik heb nog nooit een hoofdpersoon op zo’n manier uiting aan zijn gevoelens zien geven.’ Vorig jaar stonden betrekkelijk kleine groepen van amateurondertitelaars zoals iSherlock nog heel erg in de schaduw van de grotere, invloedrijkere ondertitelingsorganisaties. Maar sinds de Chinese overheid die grote organisaties hard heeft aangepakt wegens schending van het auteursrecht, zijn de kleintjes steeds belangrijker geworden.
Vorig jaar werd zowel ondertitelingsportal Shooter.cn als YYeTs, een reusachtige organisatie die gebruikmaakte van de diensten van duizenden onbetaalde amateurondertitelaars, gesloten door de nationale toezichthouder op auteursrechten. YYeTs lag in 2013 al onder vuur, en in datzelfde jaar werd een andere groep, Silu HD, opgeheven. Acht leidinggevenden werden gearresteerd.
De grote organisaties van Chinese amateurondertitelaars ontstonden aan het begin van deze eeuw, als gevolg van een toenemende belangstelling voor buitenlandse tv-series als Friends. Ze werden voornamelijk opgezet door jonge Chinezen die in het buitenland studeerden. Omdat de centrale regering weinig belang hechtte aan kunst – president Xi Jinping opperde kortgeleden nog dat Chinese kunst in de eerste plaats het socialisme moet dienen – en veel populaire series van de officiële kanalen weerde, werden de ondertitelaars belangrijke doorgeefluiken voor buitenlandse cultuur.
‘De overheid verbood een groot aantal series zonder ons specifieke redenen te geven, dus werden de ondertitelaarsgroepen de echte ambassadeurs voor het verspreiden van buitenlandse cultuur,’ aldus Cassie. ‘De overheid heeft gewoon weinig belangstelling voor het bevorderen van kunst. Wij lijken dat gat te hebben opgevuld.’
De overheid houdt streng toezicht op wat er wordt uitgezonden, al is het makkelijker geworden om via de officiële kanalen naar tv-series en films met Chinese ondertitels te kijken. Streamingsites als Iqiyi en Youku bieden legale versies aan van series als Sherlock, wat betekent dat amateurondertitelaarsgroepen als iSherlock allang niet meer kunnen volstaan met het toegankelijk maken van één enkele serie.
‘Ik zie momenteel niet veel grotere groepen met miljoenen volgers,’ aldus Zack Lin, die werkzaam is in de filmindustrie in Beijing. Voor haar masterscriptie aan de Universiteit van Warwick deed ze onderzoek naar de Chinese publieke belangstelling voor Sherlock en amateurondertitelaarsgroepen. ‘De mensen zijn de programma’s die ze willen zien elders gaan halen, omdat dat nu mogelijk is,’ voegt ze eraan toe. ‘Vroeger zag je die dingen niet op de grote websites en moest je ondergronds gaan. Maar voor de series die niet populair zijn is er nog ruimte voor amateurondertitelaars.’
Het is niet eenvoudig om als iSherlock-vrijwilliger te worden geaccepteerd
Om de aandacht te trekken van de 69 miljoen Chinezen die online naar Sherlock kijken, moet iSherlock concurreren met andere amateurondertitelaarsgroepen zoals AllForBC. Maar iSherlock heeft een gezonde aanhang van hardcorefans van de serie weten te behouden door ze een constante stroom van informatie aan te bieden over Sherlock -acteurs als Benedict Cumberbatch en Martin Freeman. Naast de afleveringen vertalen ze interviews, nieuwsartikelen en talkshowoptredens, waarmee ze in wezen hun eigen sociale netwerk van gelijkgestemde fans creëren. ‘Je komt in het echte leven maar zelden mensen tegen die dezelfde interesses hebben als jij,’ zegt Cassie, die vaak iSherlock-leden in levenden lijve ontmoet. ‘Het maakt me gelukkig dat ik iets voor andere fans kan doen omdat ik goed Engels kan. Ik heb hier een heleboel vrienden aan overgehouden.’
Alle iSherlock-vrijwilligers werken vanuit huis, terwijl Cassie toezicht houdt op zaken als transcriptie, nieuwsgaring, postproductie en design. De meeste vrijwilligers zijn studenten en ongeveer eenderde woont in het buitenland. Maar verder houdt Cassie geen gedetailleerde profielen van de leden bij.
Totaal verschillend
Zodra een nieuwe aflevering van Sherlock in het Engels online beschikbaar is, komt het iSherlock-team in actie. Nadat de bronvideo is opgedeeld krijgen vertalers een specifiek tijdssegment om te ondertitelen. Zij sturen hun werk vervolgens naar correctoren en mensen van de postproductie, die alles aan elkaar plakken met videoconversieprogramma’s als Format Factory en Time Machine. Dat is een tijdrovend proces, maar het gaat in de eerste plaats om goede vertalingen, niet om snelheid. Engels en Mandarijn zijn totaal verschillende talen, wat betekent dat je je niet alleen heel bewust moet zijn van verschillen in emoties en culturele achtergrond, maar ook moet beschikken over een grote taalvaardigheid. Of ondertitels accuraat zijn is op zichzelf altijd subjectief. Dat is een van de redenen waarom er zowel op officiële als op inofficiële kanalen vaak veel verschillende versies van dezelfde aflevering beschikbaar zijn.
Sommige gebruikers willen eenvoudige vertalingen en raken gehecht aan groepen die die leveren. Anderen willen dieper graven. ‘In Sherlock kom je bijvoorbeeld veel culturele verwijzingen en uitdrukkingen in slang tegen die de meeste Chinezen onbekend zijn, zodat we nadere uitleg moeten geven in aparte ondertitels,’ zegt Lin. ‘Sommige ondertitelaars willen alleen maar zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke betekenis blijven. Maar een ander soort ondertitelaar zal gebruikmaken van Chinees slang en alles vereenvoudigen, zodat mensen het makkelijker begrijpen.’
‘Sherlock is erg populair hier in China,’ zegt Cassie. ‘En omdat er verschillende amateurondertitelaarsgroepen van Sherlock bestaan, hebben mensen verschillende ideeën en meningen over dezelfde zinnen. De ene ondertitelaar voelt de emoties van acteurs beter aan dan andere. Iedereen kan zijn favoriete versie kiezen, maar de wezenlijke kwaliteit van de vertaling is onze eerste zorg.’
Het is niet eenvoudig om als iSherlock-vrijwilliger te worden geaccepteerd; kandidaten moeten een strenge vertaaltest doen die online wordt afgenomen door een ervaren lid. ‘Het valt niet mee,’ zegt Cassie. ‘De acteurs in Sherlock spreken snel, wat een echte uitdaging is. Ongeveer de helft zakt en de helft slaagt. In mijn eigen test sprak het personage heel snel met een sterk accent, waardoor ik zenuwachtig werd en de betekenis van sommige slanguitdrukkingen moest opzoeken.’ Cassie zegt dat ze ongeveer eenderde van haar tijd voor iSherlock werkt, dat in 2012 werd opgericht. ‘Ik voel duidelijk meer druk sinds ik vorig jaar de leiding heb gekregen, vooral nu we steeds meer volgers op Weibo krijgen,’ zegt ze. ‘De voormalige leidinggevende heeft grote verwachtingen van me. Maar ik voel me niet echt een leider, omdat we een vrijwilligersgroep zijn. We zijn democratisch en luisteren naar de ideeën en meningen van alle leden.’
Auteursrechtkwesties
Cassie geeft toe dat groepen als iSherlock op de lange termijn betere vooruitzichten hebben dan de grotere groepen die zwaar onder vuur liggen, maar zoals veel mensen in China heeft Cassie weinig benul van auteursrechtkwesties. Ze schippert heen en weer tussen verklaringen als ‘We overtreden min of meer de wet [als we een video reproduceren] omdat het productieteam veel werk heeft gedaan en we geen toestemming hebben’ en ‘De meeste video’s die we vertalen zijn openbaar op internet beschikbaar – het valt moeilijk te bepalen of we inbreuk op het auteursrecht maken.’ (Dat laatste is niet waar: het zonder toestemming reproduceren van een video die je niet zelf hebt gemaakt geldt als inbreuk op het auteursrecht.)
In China zijn de wetten vaak opzettelijk vaag en worden ze alleen maar serieus genomen als er streng de hand aan wordt gehouden. Amateurondertitelaarsgroepen werden jarenlang met rust gelaten, waardoor ze zich tot molochs als YYeTs konden ontwikkelen, totdat er plotseling hard werd ingegrepen. ‘Ondertitelaarsgroepen bevonden zich in China altijd al in een schimmig gebied, dus als de overheid iets kan doen om ze te reguleren is dat goed nieuws,’ zegt Cassie. ‘Maar ze zouden dat beter kunnen doen door de boel te coördineren. Ze zouden fans over de regels moeten informeren. Je kunt niet plotseling strenge regels gaan opleggen als er al enorme fangroepen in China bestaan. Ze kunnen niet in één klap zo ver gaan.’
Maar dat hebben ze wel gedaan, en als de overheid uiteindelijk kleinere groepen als iSherlock gaat aanpakken, zegt Cassie, zal ze de eventuele opheffing ‘gewoon accepteren’. Maar dat is voorlopig onwaarschijnlijk, tenzij het aantal volgers van de groep zodanig toeneemt dat het als een ernstige bedreiging voor het auteursrecht wordt beschouwd. En trouwens, ook al zou iSherlock geen ondertitelde Sherlock -afleveringen meer mogen produceren, dan heeft het inmiddels zo’n sterk netwerk van bezeten fans opgebouwd dat het gemakkelijk onder een ander mom door zou kunnen gaan, bijvoorbeeld als een fanclub die artikelen deelt en fanatieke Cumberbatch-aanhangers verenigt.
‘Ik hoop gewoon dat we een legale manier vinden om ons werk voort te zetten,’ zegt Cassie. ‘Benedict is een toegewijd acteur. Als je naar zijn spel kijkt, voel je precies wat hij wil uitdrukken. We hopen dat we iets kunnen blijven doen om de hoofpersonen van deze serie te helpen.’
Auteur: Jamie Fullerton
Vertaler: Peter Bergsma
Motherboard VS, motherboard.vice.com
Onlinetijdschrift en videokanaal voor technologie, wetenschap en ‘de mens’. In 2009 gelanceerd door Amerikaans mediabedrijf Vice.
Caesar, een Syrische militaire fotograaf, smokkelde schokkend bewijsmateriaal uit de kerkers van Bashar al-Assad waar duizenden burgers werden gemarteld en vermoord. Alles werd methodisch in kaart gebracht en gefotografeerd. Door onder andere Caesar. Hij vertelde zijn aangrijpende verhaal voor het eerst aan The Guardian.
Keuze uit het archief
Na het begin van de Syrische burgeroorlog was Bashar al-Assad door zijn wrede optreden tegen de eigen bevolking een paria in de Arabische wereld. Daar is nu echter verandering in gekomen. Regeringsleiders uit de regio gingen op bezoek in Damascus en Syrië is weer toegetreden tot de Arabische Liga. Dit artikel uit 2015 laat zien waarom het onvoorstelbaar is dat Al-Assad weer wordt gerehabiliteerd. Zijn regime heeft inmiddels een half miljoen moorden op zijn geweten en zeven miljoen ontheemden.
Twee jaar lang, tussen 2011 en 2013, heeft de voormalige Syrische militaire fotograaf die bekend is geworden onder de naam Caesar, met behulp van een politiecomputer duizenden foto’s gekopieerd van gedetineerden die in de gevangenissen van Bashar al-Assad dood werden gemarteld. In de pers zijn talloze verhalen verschenen over de man die erin was geslaagd om verbijsterend bewijsmateriaal van misdaden tegen de menselijkheid het land uit te smokkelen – met gevaar voor eigen leven en dat van zijn familie – maar hij was nog nooit geïnterviewd.
Twee jaar lang maakte deze man maand in, maand uit foto’s van gemartelde, uitgemergelde en verbrande lichamen. Zijn opdracht was om de lijken te fotograferen zodat de foto’s bij het dossier van de gevangene konden worden gevoegd. Daarna kopieerde hij deze foto’s in het geheim en zette ze op usb-sticks, smokkelde die verstopt in zijn schoen of zijn riem zijn kantoor uit en gaf ze aan een vriend die ze het land uit kon krijgen.
De terroristen van IS tonen hun wreedheden pontificaal in de sociale media; de Syrische staat verbergt zijn wandaden in de stilte van zijn kerkers. Voordat Caesar hiermee begon, had niemand van binnenuit bewijzen geleverd van het bestaan van de Syrische moordmachine. Maar deze foto’s en documenten waren vernietigend.
Ik moest die Caesar zien te vinden. De spectaculaire opmars van IS en het groeiende aantal terroristische aanslagen overschaduwden de onthullingen over de wreedheden van het Syrische regime. Het conflict telde al meer dan 220.000 doden. De helft van de burgerbevolking had zijn huis moeten verlaten, anderen waren gebombardeerd, hun steden en dorpen bestookt door het leger van Assad. De foto’s van Caesar konden de misdaden van Damascus weer onder de aandacht brengen. Hij moest gevonden worden. Journalisten van overal ter wereld waren al naar hem op zoek. Ik wist dat het moeilijk zou zijn – en dat was het ook. Tweemaal had ik mijn zoektocht bijna opgegeven, maar ik ben doorgegaan, want deze man moest echt gehoord worden. Zijn getuigenis is essentieel als we willen begrijpen hoe door en door slecht het regime is.
De groep die Caesar beschermde – leden van de Syrische Nationale Beweging, een gematigde islamitische oppositiepartij – begreep dat het mij niet te doen was om een primeur te scoren, maar dat ik wilde afdalen in de duisternis. Ik wilde de Syriërs een stem geven en iets wezenlijks doen voor de komende generaties. Na enkele maanden onderhandelen kreeg ik toestemming voor een ontmoeting met Sami, de man die het nauwst met Caesar had samengewerkt, de vriend die hem de twee jaar dat dit project duurde had gesteund. Ik heb met Sami geskypet, vier keer, uren achter elkaar. Na een half jaar was Caesar bereid om te praten.
De eerste bijeenkomst verliep gespannen: zij waren op hun hoede, ik was bang om hen ‘kwijt te raken’ als ik de verkeerde vragen zou stellen – als ik te snel met te gedetailleerde vragen zou komen. Maar uiteindelijk heeft Caesar verscheidene keren met me gesproken, bij elkaar meer dan veertig uur. En die gesprekken heb ik opgenomen. Het resultaat is een poging om de waarheid boven tafel te halen. Maar het is nog maar een begin. Dit is zijn verhaal.
Ik ben Caesar
Ik ben Caesar. Ik werkte vroeger voor het Syrische regime, als fotograaf bij de militaire politie in Damascus. Ik ga u vertellen over mijn werk voor de opstand en de eerste twee jaar van de opstand, maar ik kan niet alles onthullen, want misschien herkent het regime me aan de hand van bepaalde details. Ik ben een vluchteling in Europa. Ik ben bang dat ze me zullen vinden en uit de weg zullen ruimen, of wraak zullen nemen op mijn familie.
Voor de oorlog bestond mijn werk uit het fotograferen van de locatie en het slachtoffer van een misdaad of een ongeluk waarbij militair personeel betrokken was. Bij een zelfmoord bijvoorbeeld, of een verdrinking, een verkeersongeval of een brand. Maak een foto van die man, of van dat object, zei de rechercheur als we op de plek waren aangekomen. Ons werk was een aanvulling op hun werk. Als er bijvoorbeeld geschoten was in een kantoor, fotografeerden we de plek waar het lichaam was gevonden, en daarna fotografeerden we het lijk in het mortuarium om te laten zien waar de kogel het lichaam was binnengedrongen en weer had verlaten. Ook fotografeerden we bewijsmateriaal, zoals een vuurwapen of een mes. Als het om een verkeersongeluk ging, maakten we foto’s van de locatie en de auto. Daarna gingen we terug naar kantoor en werd er een proces-verbaal opgemaakt, met onze foto’s erbij. Dat werd dan naar de militaire rechtbank gestuurd, zodat de juridische procedure kon beginnen.
Expositie van de foto’s van Caesar.
Destijds was die dienst populair onder de lagere rangen. Veel van hen wilden graag bij ons werken, omdat je er niet hard hoefde te werken. Om de twee, drie dagen hadden we een klus, en de keus was aan ons of we een uniform droegen of niet. De hogere rangen stonden niet te trappelen. Er was weinig aanzien verbonden aan het leiding geven aan fotografen en archivarissen, en de militaire politie genoot sowieso weinig gezag – anders dan de inlichtingendiensten. Bovendien hadden we in ons werk niet te maken met gewone burgers, dus er was geen mogelijkheid om smeergeld te innen, zoals bij de douane bijvoorbeeld, of bij een ministerie. En we hadden geen invloed op de veiligheidsdiensten of het leger.
In de hogere rangen had men weinig belangstelling voor ons werk – onze afdeling telde niet mee. Dat was er gewoon een van de vele. De militaire politie kende tientallen afdelingen. Alleen in Damascus al waren er minstens dertig: fotografen, chauffeurs, monteurs, sportinstructeurs, de brigade die gevangenen vervoert tussen de verscheidene onderdelen van de militaire inlichtingendienst, enzovoort. Maar de belangrijkste mensen zijn natuurlijk degenen die de leiding hebben over het onderzoek en de gevangenissen.
Op een dag vertelde een collega dat we lichamen van burgers zouden gaan fotograferen. Hij had net in de provincie Daraa (waar de eerste grote vredesdemonstraties plaatsvonden) de lijken van demonstranten gefotografeerd; dat was in de eerste week van de burgeroorlog, in maart of april 2011. Huilend vertelde hij me: ‘De soldaten takelden de lichamen vreselijk toe. Ze stampten er met hun laarzen op en schreeuwden: “Klootzakken!”’
Hij wilde niet terug – hij was bang. Toen ik de opdracht kreeg om de foto’s te maken, kon ik met eigen ogen zien wat hem zo van streek had gemaakt. De officieren zeiden dat de doden terroristen waren; maar dat was niet zo, het waren gewoon demonstranten. De lijken werden opgeborgen in het mortuarium van het militaire hospitaal Tishreen, niet ver van het hoofdkwartier van de militaire politie.
In het begin hadden de lijken nog wel een naam, maar na een tijdje – na een paar weken of een maand – kregen ze alleen een nummer. In het mortuarium haalde een soldaat de lichamen uit de koelladen, plaatste ze op de betegelde vloer zodat wij ze konden fotograferen, en legde ze daarna weer terug. Wanneer ze ons opriepen voor een fotosessie, was er vóór ons altijd al een patholoog-anatoom bij de lichamen geweest. Net als wij droegen ze geen uniform, maar het waren officieren. De eerste paar maanden waren het lagere officieren, maar toen werden ze vervangen door officieren van een hogere rang.
Wanneer de lichamen aankwamen in het ziekenhuis, kregen ze altijd twee nummers, geschreven op een stukje tape of met viltstift rechtstreeks op hun voorhoofd. De tape was van een slechte kwaliteit en liet vaak los. Het eerste nummer was dat van de gevangene, het tweede van de afdeling van de inlichtingendienst waar hij gevangen had gezeten. De patholoog-anatoom, die al eerder op de ochtend was aangekomen, gaf hem dan nog een derde nummer, voor zijn medische rapport. Dat was het belangrijkste nummer voor ons dossier. De andere twee waren vaak nauwelijks leesbaar of gewoon onjuist. Soms werd er een vergissing gemaakt. De patholoog-anatoom schreef het medische nummer op een kaartje. Hij, of iemand van de inlichtingendienst, zette het kaartje naast het lijk of hield het in zijn hand terwijl wij de foto namen. Dat zijn de handen die je ziet op de foto’s die ik naar buiten heb gesmokkeld. Soms zie je zelfs de voeten van de patholoog-anatoom of van de veiligheidsagent naast het lijk.
Sommigen hadden diepe sneeën, bij anderen waren de ogen uitgestoken, hun tanden kapot geslagen
De pathologen-anatomen waren onze superieuren. We mochten niet met ze praten, laat staan vragen stellen. Als een van hen ons een opdracht gaf, voerden we die uit. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: ‘Fotografeer deze lichamen van nummer 1 tot en met 30, en dan wegwezen.’ Om de identificatie te vergemakkelijken voor iemand die de dossiers doorzocht, maakten we meerdere foto’s van ieder lijk – een van het gezicht, een van het hele lichaam, een van opzij, een van de borst, een van de benen. De lichamen waren geordend op afdeling – zo was er bijvoorbeeld een plek voor afdeling 215 van de militaire inlichtingendienst en een voor de inlichtingendienst van de luchtmacht. Dat vergemakkelijkte het fotograferen en het archiveren.
Ik had nog nooit zoiets gezien. Voor de opstand martelde het regime gevangen om informatie los te krijgen, nu martelden ze om te doden. Ik zag sporen van brandende kaarsen, een keer de ronde afdruk van een kookplaatje dat ze op iemands gezicht en zijn haar hadden gedrukt. Sommigen hadden diepe sneeën, bij anderen waren de ogen uitgestoken, hun tanden kapot geslagen, je kon de sporen zien van de startkabels waarmee ze waren geslagen. Er waren etterende wonden, alsof die nooit waren behandeld en waren gaan ontsteken. Soms zaten de lichamen onder het bloed dat er nog vers uit zag. Kennelijk waren die mensen kort tevoren overleden.
Ik moest vaak even pauzeren om niet in huilen uit te barsten. Dan hield ik mijn gezicht onder de kraan. Thuis ging het ook niet zo goed met me. Ik was veranderd. Van nature ben ik heel kalm, maar nu was ik snel geïrriteerd – bij mij ouders, mijn broers en mijn zussen. Echt, ik was doodsbang. Beelden van de dingen die ik overdag had gezien, kwamen steeds weer terug. Ik stelde me voor dat mijn broers en zussen die lijken waren. Ik werd er ziek van.
Ik kon er niet meer tegen en ik besloot te gaan praten met mijn vriend Sami.
Vanaf een bepaald moment werden de lijken naar het militaire hospitaal Mezzeh gebracht, dat veel groter is dan het Tishreen. De officiële naam is Hospital 601. Terwijl het Tishreen op vijf minuten rijden van ons kantoor lag, kostte het ons een half uur om bij het Mezzeh te komen. Het was makkelijker om de lichamen in het Tishreen te fotograferen, omdat er in het mortuarium, of als dat vol was in de gangen, geen daglicht kwam. Bij het Mezzeh werden ze in de buitenlucht op de grond gekwakt, op een van de locaties waar de auto’s werden onderhouden. Het ziekenhuis staat aan de voet van de heuvel waar de presidentiële garde zijn basis heeft. Op sommige foto’s is die heuvel te zien, met het wachtershuisje en de bomen die aan de rand van het terrein staan. Het presidentiële paleis ligt erachter, een eindje heuvelopwaarts. Naast het fotograferen van de lichamen moesten we ook dossiers van ze aanleggen. We moesten de foto’s printen, sorteren op categorie, op kaarten plakken en dan archiveren. We gingen methodisch te werk: iemand printte de foto’s, een andere plakte of niette ze op een kaart en een derde schreef de rapporten. Onze superieuren tekende die en dan stuurden we ze naar de militaire rechtbanken. Voor de opstand hadden we alleen te maken met de lichamen van soldaten. Daarna deden we hetzelfde werk, maar dan met de lijken van burgers.
De aantallen namen toe, vooral na 2012. Het werk ging maar door. De officier die de leiding had over onze afdeling schreeuwde ons toe: ‘Waarom is het werk niet af? De lijken stapelen zich op! Vooruit, schiet op!’ Hij dacht dat we een beetje aan het lanterfanten waren, maar we konden echt niet sneller. Er kwamen steeds meer lijken, en omdat er mensen uit onze dienst overliepen naar de rebellen, bleven we met steeds minder over. De garage bij het Mezzeh slibde dicht met lijken waar we niet aan toekwamen. In de hete zon bleven die lijken niet lang goed, vooral als ze er al een paar dagen lagen. Zelfs de soldaten raakten ze niet meer aan – ze verschoven ze met de punten van hun laarzen, respectloos. De lijken lagen te rotten. We zagen een keer een vogel pikken in het oog van een lijk. Ook insecten stortten zich op de lijken. En de stank… die raakten we niet meer kwijt, daar werden we gek van. Maar we moesten ermee om zien te gaan, en ten slotte werd het gewoon een onderdeel van ons leven.
Niets voelen
We werkten van acht uur ’s morgens tot twee uur ’s middags, dan een pauze tot zes of zeven uur ’s avonds en daarna werkten we nog tot tien uur op kantoor. We maakten lange dagen omdat we alles af wilden krijgen, want we wisten dat er de volgende dag weer nieuwe lichamen moesten worden gefotografeerd.
Een paar keer per week bracht ik de foto’s naar Sami. Wanneer ik alleen op kantoor was, zette ik ze op een usb-stick die ik van hem had gekregen, maar ik was altijd bang dat er iemand binnen zou komen die zou zien wat ik aan het doen was. Als ik wegging, verstopte ik de stick in mijn schoen of in mijn riem. Onderweg naar huis kwam ik langs vier of vijf militaire controleposten. Ik was doodsbang. Ik wist niet wat ze zouden doen. De soldaten konden me net zo goed gaan fouilleren, ook al had ik een legerpasje.
Op een computerscherm naar de foto’s kijken was nog pijnlijker dan het fotograferen van de lichamen. Daar buiten, met al die lijken om ons heen, konden we niet even rustig aan doen. De patholoog-anatoom joeg ons op, en agenten van de veiligheidsdiensten bekeken ons en letten op onze reacties. In Syrië houdt iedereen iedereen in de gaten. En omdat we geen vragen mochten stellen, was het makkelijker om foto’s te maken als we niet goed naar de verwondingen keken; het was makkelijker om te proberen niets te voelen.
Terug op kantoor hadden we echter de tijd – niemand die ons lastigviel. Als we dan die foto’s afdrukten en ze op die kaarten plakten, konden we niet meer wegkijken. Het was verschrikkelijk. We zagen het vlak voor ons: de gevangene kwam voor onze ogen weer tot leven. We konden het lichaam goed bekijken, we zagen de martelingen voor ons, we voelden de klappen. Daarna moesten we het verslag schrijven – alsof wat we hadden gezien nog steviger in ons geheugen werd geprent. Na een maand in de cel was het gezicht van een gedetineerde volkomen veranderd – zozeer zelfs dat we hem niet langer herkenden.
‘Hoe bedoel je, hij leeft nog? Wat moet ik nu? Dat gooit mijn hele nummering in de war!’
Een vriend van me overleed in de gevangenis. We fotografeerden zijn lichaam zonder te weten wie hij was. Pas veel later, toen ik voor zijn vader discreet op zoek ging naar informatie over hem, besefte ik dat zijn foto door onze handen was gegaan en dat ik hem niet had herkend. Hij had maar twee maanden in de gevangenis gezeten. En hij was iemand die ik, voordat hij was gearresteerd, bijna dagelijks zag.
De militaire politie had zijn vader verteld dat zijn zoon in de gevangenis was overleden. Dat wilde de vader niet geloven. Ik moest hem vertellen dat het echt waar was: ‘Ik heb contact gezocht met het militaire hospitaal en zij hebben bevestigd dat uw zoon dood is.’ Sterker nog, ik had in onze archieven gekeken en de foto gevonden. Dat mocht ik hem natuurlijk niet vertellen. Niemand wist dat elk lijk van een gedetineerde standaard werd gefotografeerd voordat het in een massagraf werd gedumpt.
Op een dag was een van mijn collega’s bij het Mezzeh. Lijken lagen er naast elkaar. Toen hij er overheen gebogen stond, kreeg hij de indruk dat er een nog leefde. Die ademde heel zachtjes. ‘Moet ik hem wel fotograferen? Hij leeft nog,’ zei mijn collega tegen de soldaten die verantwoordelijk waren voor het vervoer van de lijken.
De patholoog-anatoom arriveerde en was woedend. ‘Hoe bedoel je, hij leeft nog? Wat moet ik nu? Dat gooit mijn hele nummering in de war!’ Hij was boos omdat hij de medische nummers al in zijn aantekenboekje had geschreven. ‘Rustig maar,’ zei een soldaat. ‘Ga nog even een kopje thee drinken, en als je terugkomt is alles geregeld.’ Toen hij terugkwam, maakten ze de laatste foto’s.
In het begin vonden we het afschuwelijk. Walgelijk. Ik kon drie, vier dagen nauwelijks een hap door mijn keel krijgen. Toen werd het onze dagelijkse routine, stopten we onze emoties weg, Dat was de enige manier om door te kunnen gaan. Wat moesten we anders? Als we onze gevoelens zouden uiten, werden we gearresteerd, doodgemarteld en kwamen we bij de andere lijken te liggen. Ook waren we bang voor onze vrienden en familie.
Mijn team bestond uit ongeveer twaalf fotografen. We steunden elkaar, maar konden elkaar ook niet helemaal vertrouwen. Soms zaten een paar van ons met elkaar te fluisteren, maar ze lieten wel de deur van het kantoor open voor het geval iemand zou denken dat ze samenspanden tegen het regime. We zeiden tegen elkaar: ‘Op de dag des oordeels moeten we verantwoording afleggen over onze daden: “Wat hebt u al die jaren onder het misdadige regime gedaan? Waarom bent u gebleven?”’ We waren bang. Wat konden daar nu op antwoorden?
Die twee jaar zat ik tussen twee vuren. Ik was bang om opgepakt te worden door de rebellen omdat ik voor het regime werkte, en om gearresteerd te worden door het regime omdat ik al dat bewijsmateriaal over de martelingen verzamelde. Mijn leven werd van twee kanten bedreigd – en mijn familie liep ook gevaar.
We wilden de foto’s naar buiten brengen, zodat de nabestaanden wisten dat hun dierbaren waren overleden. Ze moesten weten wat er in die gevangenissen en detentiecentra aan de hand was. Als het regime van Bashar al-Assad valt, kun je er zeker van zijn dat ze zullen proberen al het bewijsmateriaal te vernietigen.
Het regime dacht er niet aan dat ons werk weleens tegen hen gebruikt kon worden
Ik heb me vaak afgevraagd waarom het regime die foto’s wilde bewaren. Waarom werden al die gedetailleerde beschrijvingen van de lijken genoteerd en de foto’s gearchiveerd? Ik ben maar een eenvoudige burger, geen politicus, en ik zal u een eenvoudig antwoord geven. De inlichtingendiensten en de veiligheidsdiensten werken niet samen. Ze weten niet van elkaar wat ze doen. Elke dienst is verantwoordelijk voor zijn eigen organisatie en is er alleen op uit zijn eigen belang te dienen. Vijftig jaar lang heeft de militaire politie de details geregistreerd van de dodelijke ongevallen waarbij het leger betrokken was. Het regime archiveert alles, opdat er niets wordt vergeten. Daarom worden die sterfgevallen geregistreerd. De foto’s zijn nuttig voor rechters en onderzoekers. Ze maken hun dossiers helemaal compleet. Als een rechter een keer een zaak moet heropenen, hebben ze die dossiers nodig. Na het begin van de revolutie en tijdens de oorlog gingen we gewoon op dezelfde voet verder. Maar het regime dacht er niet aan dat ons werk weleens tegen hen gebruikt kon worden.
De veiligheidsdiensten voelen zich onaantastbaar. Ze kunnen zich niet voorstellen dat ze ter verantwoording zullen worden geroepen voor hun wandaden. Ze weten dat het regime veel belangrijke steun geniet. En ze hadden nooit gedacht dat die foto’s naar buiten zouden komen en overal ter wereld bekeken konden worden.
Sterker nog, ik vraag me af of de bazen van de veiligheidsdiensten niet nog dommer zijn dan we denken. Ze hebben het zo druk met het terroriseren van demonstranten, het plunderen van de bevolking en het moorden dat ze zijn vergeten dat hun wandaden worden gedocumenteerd. Neem de gifgasaanval op Ghouta! Degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, wisten dat er bewijzen zouden komen van wat ze hadden gedaan – en toch lanceerden ze die raketten.
Tijdens de twee jaar dat ik in het geheim die documenten kopieerde, was ik bang voor mijn eigen veiligheid en die van mijn familie. Ik was dat pad nu eenmaal ingeslagen en er was geen weg terug. Ik wist dat ik er op een dag mee zou stoppen, maar wist niet wanneer. Dat moment schoof ik steeds voor me uit. Maar uiteindelijk realiseerde ik me dat ik weg moest.
De aardappel komt uit Peru, laat daar geen misverstand over bestaan. Er zijn duizenden soorten, en ze hebben allemaal een eigen naam. Ze zijn gezond, goed tegen de honger en trotseren vorst, hagel en droogte. Boer Julio Hancco, alias El Señor de las Papas uit Cuzco, Peru, teelt driehonderd soorten. Alsof het zijn zonen zijn.
Julio Hancco teelt driehonderd aardappelsoorten en hij kent ze allemaal bij naam: schoondochtersverdriet, rode zwijnenpruim, koeienhoorn, opgelapte muts, harde slof, neus van de zwarte lama, varkensei, caviafoetus, babyvoer om van de borst te komen. Dit zijn geen Latijnse namen, maar namen die de boeren geven om de aardappel op zijn uiterlijk, smaak, karakter en relatie met andere dingen in te delen. Bijna alle aardappelsoorten die Hancco in de Andes, in zijn geboortestreek Cuzco, op ruim 4000 meter hoogte teelt hebben inmiddels een naam. Maar soms is er een nieuwe soort of is eentje met de tijd zijn identiteit kwijtgeraakt, en dan mag El Señor de las Papas, de Heer van de Aardappels, een naam verzinnen.
Met de ‘puka Ambrosio’ – puka is ‘rood’ in het Quechua – bewees hij eer aan zijn neef Ambrosio Huahuasonqo, die door een val van een brug om het leven kwam. De naam in het Quechua geeft zijn karakter goed weer: huahuasonqo betekent ‘kinderhart’. Hancco baseerde zich op de Griekse naam Ambrosios om hem te typeren, zijn neef is ‘onsterfelijk’ voor hem. De puka Ambrosio is langwerpig, zacht, een beetje zoet en lichtgeel van binnen met in de kern een rode kring. Het is een van de favorieten van Julio Hancco, een boer die alleen Quechua spreekt, ondanks zijn Latijnse voornaam (Julius betekent ‘met sterke wortels’).
In zijn huis, vlak na de oogst op een middag in de lente van 2014, tilt hij een hand op die zo groot en rimpelig is als de schors van een boom en wijst naar een bord op tafel. ‘Als een zoon,’ zegt hij. ‘De aardappel is als een zoon.’
In het raamloze stenen vertrek met zijn oude tafel en fornuis is het zo donker dat niet te zien is of hij het lachend zegt of juist een plechtig gezicht trekt. Zijn vrouw zit op een krukje en roert in de pan op het fornuis. Op tafel ligt een handvol puka Ambrosio’s koud te worden. Ze zijn heerlijk, maar de meeste Peruanen kunnen ze nooit proeven.
Het is bekend dat de aardappel uit Peru komt en dat de boeren in de Andes meer dan drieduizend soorten verbouwen, maar daar houdt onze kennis op. We weten waar een iPhone wordt gemaakt, wie de rijkste man ter wereld is, wat voor kleur het oppervlak van Mars heeft, hoe de zoon van Messi heet, maar we weten bijna niets van het voedsel dat we dagelijks tot ons nemen. Als het waar is dat we zijn wat we eten, weten de meesten van ons niet wie we zijn. Wie in Peru naar de markt gaat, aarzelt vooral of hij witte of gele aardappels zal nemen. Gaat hij voor de Huayro – bruinpaars, om met een saus te eten met vrienden rond de ‘aardappelcocktail’, ze zijn zo groot als een champignon – of voor het patriottische gevoel door een zak inheemse aardappels te kopen die op ruim 3,5 kilometer hoogte zijn verbouwd. Maar net als overal ter wereld is ook hier patat erg populair; in Peru, in het land waar de meeste aardappelsoorten ter wereld worden geteeld, werd in 2014 24.000 ton voorgekookte aardappel geïmporteerd: voor de snackbars, om patates frites van te maken.
Julio Hancco kijkt naar de besneeuwde bergrug voor zijn huis en slaat even zijn ogen neer, zoals zoveel mensen in de stad doen als ze langs een kerk komen: alsof ze inwendig een kruis slaan, met terloopse eerbied. Men heeft Hancco, een boer van 62 jaar, de beschermengel van de kennis, de bewaker van de biodiversiteit, een ster-boer genoemd. Op het gastronomisch festival Mistura werd hij bekroond met de Gouden Spaanse Peper, en wetenschappers uit Italië, Japan, Frankrijk, België, Rusland, de Verenigde Staten en producenten uit Bolivia en Ecuador zoeken hem in de boerengemeenschap Pampacorral op om te achterhalen hoe hij het voor elkaar krijgt om zo veel verschillende soorten aardappel te produceren.
In de ruimte
Hancco woont op 4200 meter boven de zeespiegel, aan de voet van de besneeuwde Sawasiray, in een landschap van gele aarde, schrale heuvels en enorme rotsen waar misschien een enkele Europese ingenieur kan komen, maar geen auto of elektrisch licht. Degenen die hem willen bezoeken, moeten onderweg uitstappen en een kleine kilometer steil omhoog klimmen. Buiten adem en duizelig bij gebrek aan zuurstof staan ze meestal voor zijn hutje. Op die hoogte stroomt het bloed trager en waait de wind harder. In de zomer wordt het smeltwater zo koud dat het pijn doet aan je handen. In de winter daalt de temperatuur tot 10 graden onder nul. Hancco moet zo’n 5 kilometer lopen naar een plek waar bomen groeien, vervolgens de stronken in stukken zagen en ze per paard naar zijn huis vervoeren. Voor gas moet hij naar de asfaltweg afdalen en een busje nemen naar Lares, het dichtstbijzijnde dorp, op ruim 20 kilometer, waar hij soms ook brood, rijst, groenten en fruit koopt, alles wat bij hem niet groeit. Het enige dat het goed doet op de hoge grond die hij van zijn ouders heeft geërfd, is de aardappel.
De aardappel is het eerste gewas dat de NASA in de ruimte teelde om het vermogen zich aan andere omgevingen aan te passen te testen. De teelt is de belangrijkste en meest verbreide van alle niet-graangewassen ter wereld. Het levert meer voedsel per hectare op dan welk ander product ook. De begraven-schat-van-de-Andes die Europa van de honger redde, het belangrijkste voedsel van de troepen van Napoleon, de basis van de Spaanse tortilla, de Italiaanse gnocchi, de Joodse knishes, de Franse puree en zelfs van de primitieve Russische wodka. Het is ook het gerecht dat Thomas Jefferson in de negentiende eeuw in gebakken repen aan zijn gasten in het Witte Huis voorzette, de wortel van de paarse bloem die Marie Antoinette in haar haar stak om te pronken tijdens haar wandelingen in de tuinen van Versailles, het gewas waaraan in Duitsland drie musea zijn gewijd, in België twee, in Canada twee, in de Verenigde Staten twee en in Denemarken één.
De aardappel inspireerde Pablo Neruda tot een van zijn odes (‘Universele lekkernij, je verwachtte mijn zang niet / want je bent blind, doof en begraven’), James Brown tot een nummer (‘Ik ben weer terug / en maak aardappelpuree’), Van Gogh tot twee schilderijen, en het is de kiem van duizenden zaden die met duizenden andere soorten onder de grond in een berg in het Noorse noordpoolgebied worden bewaard om de rijkdom van de aardappel te behoeden tegen toekomstige natuurrampen.
Hancco koestert het gewas als een zoon, maar ziet zijn jongste zonen de teelt niet voortzetten, omdat ze geen zin hebben in een leven vol offers in ruil voor een hap eten. Hijzelf zegt dat hij liever alleen achterblijft en zijn zeven kinderen naar de stad ziet vertrekken, waar ze minder zwaar en beter betaald werk kunnen krijgen.
‘Sommige boeren stoppen met de aardappel en gaan het toerisme in’
Op een ochtend vijftien jaar geleden maakte Julio zijn zoon Hernán wakker en zei dat hij een steen ter grootte van een voetbal vanaf hun huis naar de Calca-pas moest dragen, anderhalf uur lopen naar het zuiden. Hernán Hancco, de een-na-oudste zoon, was toen dertien en ging voor het eerst mee om in Calca, het belangrijkste commerciële centrum van de streek, aardappels te verkopen. Wilden ze er om zeven uur ’s morgens zijn, dan moesten ze om drie uur op pad en vier uur lopen, en Hernáns vuurdoop bestond erin dat hij die enorme steen tot halverwege meedroeg. Het was een proeve van uithoudingsvermogen en aanvaarding waaraan de boeren hun zonen van oudsher onderwerpen. Een traditie die niet meer bestaat, zal Hernán later zeggen, terwijl hij zijn laatste pak Sumaj-chips – gemaakt van inheemse aardappels – verkoopt op een markt met organische producten die zondags in Lima wordt gehouden. Julio’s tweede zoon verhuisde een kleine tien jaar geleden naar de hoofdstad. Hij kwam er aan met 400 sol op zak – ongeveer 130 dollar – en het voornemen boekhouden en Engels te gaan studeren. Hij heeft deze studies nooit kunnen afmaken, de verkoop van de aardappels die zijn familie verbouwde slokte al zijn tijd op.
Met Hernán in Lima besparen zijn ouders en zijn oudste broer Alberto de provisie die tussenhandelaren vragen en betalen ze alleen voor het transport van de aardappels. Dan nog is de winst miniem. Maar de boeren zonder hulp hebben het zwaarder. ‘Daarom stoppen sommigen met de aardappel,’ zegt hij, ‘en gaan het toerisme in.’ In het toerisme gaan wil volgens hem zeggen dat je je als pakezel verhuurt aan vreemdelingen die naar Cuzco komen om het pad van de Inca’s te lopen. De boeren dragen de rugzakken en koffers van de toeristen, zodat die makkelijker naar de voet van de Machu Picchu kunnen klimmen. Voor vier dagen bagage dragen kunnen ze 200 sol krijgen, plus nog eens 200 fooi. Zo’n 130 dollar totaal. Met een zak van 12 kilo inheemse aardappels verdienen ze gewoonlijk 20 sol. Zo’n 6,50 dollar.
De kuiltjes in aardappels heten ogen, maar we kijken nooit naar de ogen van aardappels. Aardappels hebben wenkbrauwen boven hun ogen. Ze hebben een navel, sproeten en een rond, gedrongen, ovaal, elliptisch of lijzig lijf. De populairste aardappel in het noorden van Tenerife, Spanje, is de ‘schone met de roze ogen’. De Zwarte Homp, uit Chili, heeft een heleboel diepe ogen en geplette wenkbrauwen. De Asterix, uit Holland, heeft een rode schil, geel vlees en oppervlakkige ogen. Alle aardappels worden beschreven volgens hun kenmerken, als een persoon. Ooit waren ze wild, bitter en onsmakelijk. De officiële naam nu luidt Solanum tuberosum. De aardappel behoort net als de tomaat, de aubergine en de Spaanse peper tot de familie van de nachtschade [solanum], die zo heet omdat de bladeren, steel, vruchten en spruiten solanine bevatten, een giftige stof die beschermt tegen ziekten, insecten en andere natuurlijke vijanden. Bij hoge doses kan solanine dodelijk zijn voor een mens, maar voor zover bekend is nog nooit iemand gestorven aan het eten van aardappels. Achtduizend jaar geleden domesticeerde de Andesbewoner de aardappel, toen de homo sapiens daar experimenteerde met landbouw, een nieuwe poging om aan voedsel te komen. De bewoners van de Peruaanse hoogvlakte leerden als eersten hun aardappels zo te veredelen dat ze niet langer giftig waren maar groter werden en sappig.
Op een middag pootte journalist en voedseldeskundige Michael Pollan in zijn tuin een aardappel die hij via een catalogus had gekocht, en hij vroeg zich af of hij nu die aardappel had gekocht, of dat de aardappel hem had verleid om hem te poten. Pollan, de schrijver die onze manier van kijken naar eten heeft veranderd, denkt dat ‘de uitvinding van de landbouw’ mogelijk door de planten is bedacht om ons namens hen te laten bewegen en denken. Vanuit de planten bezien, schrijft hij in The Botany of Desire, dient de mens wellicht als instrument voor hun overlevingsstrategie, niet veel anders dan de hommel die door een bloem wordt aangetrokken en fungeert om het stuifmeel met de genen van die bloem te verspreiden.
Bondgenoten
Deze winterochtend in 2014 op Hancco’s land, met zicht op een hoop lamamest, is het juister om Andesboeren te zien als bondgenoten van de aardappel, en niet als hun temmers. Het is zaterdagochtend, half acht; Hancco, zijn twee oudste zonen en hun buurman Julian Juárez kauwen op cocabladeren en drinken brandewijn voor ze hun dagtaak beginnen: lamamest naar een perceel gepote aardappels een kilometer verderop brengen, om de grond te bemesten. De wachtende lama’s naast ons weten al wat er gaat gebeuren. De mannen pakken hun schop en laden de mest in een paar zakken die tot aan hun middel komen. Ze vullen 39 zakken, knopen ze goed dicht, sjorren zak voor zak op een lamarug, leiden de beesten naar het perceel, maken de balen los, verdelen de mest, vouwen de zakken dicht, verzamelen de touwen, brengen de lama’s terug naar de meststapel en het verhaal begint van voren af aan. Er zijn twee tochten en zes werkuren nodig voordat vier mannen, twee vrouwen, drie honden en veertig lama’s twee hectare hebben bemest. Zoals de stoet beladen lama’s, met de boeren ernaast, over de berg vordert, denk je aan een bijbels tafereel uit een oude film over de Stille Week. De associatie is in twee opzichten vals: er zijn lama’s noch aardappels in de Bijbel (vandaar dat de rechtzinnigste gelovigen weigerden toen Catherina de Grote van Rusland haar onderdanen beval aardappels te telen). Maar kennis zet aan tot ketterij, als je hebt gezien hoe vier boeren zes uur lang bezig zijn een aardappelveld te bemesten.
Vele generaties Hancco hebben deze strook in Cuzco sinds het begin van de wereld bewoond. Julio erfde de grond, de dieren en meer dan zestig aardappelsoorten van zijn ouders. De afgelopen vijftien jaar heeft hij zijn erfenis uitgebreid tot wel driehonderd soorten. Om nog meer soorten te kweken moest hij al zijn vernuft inzetten. Zijn land bestaat net als dat van bijna alle boeren in de Andes uit wat onregelmatige lapjes grond die over verschillende hoogten verspreid liggen. Aan die complicatie schrijft men het vakmanschap van de boeren in de hoge Andes toe: op een terrein dat een en al helling is, krijgt ieder bebouwbaar hoekje zijn portie zon, vocht en wind. Het land is aan de ene kant blootgesteld aan zonlicht en ligt aan de andere kant in de schaduw. Een reusachtige rots verhindert de doorstroom van regen naar een bebouwbare strook en beschermt de andere tegen de wind. Om het in dit gebied te redden moesten de boeren hun kansen om zich te voeden wel vergroten. Ze pootten verschillende aardappels op hun landjes, leerden iedere plant zorgvuldig te observeren, experimenteerden met duizenden soorten en groeiden uit tot de koningen van de genetische rijkdom op weerbarstige grond. Zo bezwoeren ze de toekomst: meer aardappels betekende meer kans om de maaltijd veilig te stellen bij plagen en ziekten, vorst, hagel en droogte. De boeren in de Andes hadden niet, zoals onze industriële landbouw, het oogmerk de natuur te beheersen, maar pasten zich aan.
‘Niemand zorgt voor de natuur,’ zegt Hancco, terwijl hij naar de besneeuwde Sawasiray kijkt en bukt om een handvol aarde van de grond te rapen. Hij heeft net de laatste zak mest over de pootgrond uitgestrooid, een strook die is bedekt met groen mos dat meegeeft als je er op drukt. Het gaat om hellende grond, midden op een bergflank, zonder enige beschutting. Hancco kan zijn teelttechnieken en natuurlijke pesticiden gebruiken tegen ziekten en plagen, maar hij kan zijn aardappels niet beschermen tegen hagel of vorst. De laatste tijd wordt het erger, zegt hij: het klimaat is grilliger en onvoorspelbaarder geworden.
In de jaren zestig, toen Julio Hancco een kind was en samen met zijn vader begon met aardappels telen, was hij dol op brood: de jonge Hancco bewerkte zijn eigen voren om geld te verdienen en brood te kunnen kopen als de verkopers langskwamen met hun handel. Een Peruaan at in die tijd gemiddeld zo’n 120 kilo aardappels per jaar. In de twintig jaar erna daalde de consumptie, en de terugval kwam in de jaren tachtig in een versnelling toen de boeren op de vlucht voor het terrorisme naar de stad trokken. Rond 1990, tijdens het presidentschap van Alberto Fujimori, bereikte de aardappelconsumptie een historisch dieptepunt: zo’n 50 kilo per persoon per jaar. Rijst en vermicelli verdrongen de aardappel. ‘Vermicelli heeft meer status, een kippenpoot eten is deftiger dan cavia eten, en zo raakte de aardappel uit de gratie,’ zegt Celfia Obregón Ramírez, voorzitter van het Pueruaanse Verbond voor Duurzame Ontwikkeling en initiator van de Nationale Dag van de Aardappel.
Vergeleken met de witte rijst, de gele vermicelli en de bleke kip kregen de aardappels met hun donkere schil opnieuw het stigma van achterstand en armoede dat ze eeuwenlang hadden gehad, sinds ze door de conquistadores werden ontdekt en in de zestiende eeuw naar Europa kwamen, naar men vermoedt in het ruim van een Spaans schip. Het duurde twee eeuwen voordat op het hele Oude Continent de aardappel als gangbaar voedsel werd geconsumeerd. Ieder Europees land had zijn eigen geschiedenis van afstoting en aantrekking: men zag de aardappel als onkuis en lustopwekkend, als oorzaak van lepra, als heksenvoedsel, goddeloos, voer voor wilden. Maar Ierland omarmde de aardappel van meet af aan: de boeren, door de Engelsen beroofd van de weinige bruikbare grond die ze hadden, stierven van de honger bij hun pogingen voedsel te onttrekken aan de schamele grond die hun restte. Met de komst van de aardappel eind zestiende eeuw – vermoedelijk in het kielzog van de Engelse piraat Walter Raleigh – kregen de Ieren het voor elkaar op een beetje armzalige grond voedsel voor een heel gezin plus het vee te produceren. Eerst redde de aardappel Ierland van de honger. Daarna kreeg hij de schuld van de armoede; de bevolking groeide in één eeuw van 3 naar 8 miljoen inwoners, omdat de ouders hun kinderen met het weinige dat ze hadden wisten te voeden.
De Amerikaanse schrijver Charles Mann vertelt dat de econoom Adam Smith, een bewonderaar van de aardappel, onder de indruk was toen hij zag hoe gezond Ieren waren terwijl, ze bijna niets anders dan aardappels aten. ‘We weten nu waarom,’ zegt Mann in zijn boek 1493: Uncovering the New World Columbus Created: de aardappel is gezonder dan welk ander eenzijdig voedsel ook. Hij bevat alle nodige voedingsstoffen behalve vitamine A en D, die je uit melk kunt halen. En het dieet van de arme Ieren in de tijd van Smith, aldus Mann, bestond hoofdzakelijk uit aardappels en melk. De aardappel, die inmiddels in meer dan 150 landen wordt verbouwd, levert meer voedsel per oppervlakte-eenheid dan rijst of mais. Eén aardappel bevat de helft van de vitamine C die een volwassene per dag nodig heeft. In sommige landen, zoals de Verenigde Staten, bevat hij bovendien meer vitamine C dan citrusvruchten, want die zijn industrieel en van slechte kwaliteit. Wat er bij een voedingsmiddel toe doet, vertelt landbouwkundige Obregón Ramírez, is de droge materie en de voedingswaarde: zo heeft een gewone witte aardappel 20 procent droge materie en de rest is water. Dat betekent dat een aardappel van 100 gram goed is voor ongeveer 20 gram voedsel. De inheemse aardappels, die op grote hoogte worden verbouwd in extremere klimaatomstandigheden dan de commerciële soorten, bestaan uit 30 à 40 procent droge materie. Ze zijn twee keer zo voedzaam als een gewone aardappel en bevatten een flinke dosis ijzer, zink en vitamine B. Maar inheemse aardappels leveren natuurlijk minder op, ze zijn moeilijker te vervoeren en de eindprijs ligt hoger. Wij geloven echter nog in het sprookje dat je van aardappels dik wordt en snappen niet waarom we voor een aardappel meer zouden betalen.
Het echte thuisland van een mens is niet zijn jeugd: het is het eten uit zijn jeugd
In studies over de Peruaanse aardappel wordt almaar gehamerd op de noodzaak de duizenden soorten en de teelttechnieken te beschermen, om de duidelijke reden dat ze in de loop der eeuwen door de boeren zijn ontwikkeld om ook in de extreemste klimaatomstandigheden – bij vorst, hagel en droogte – voedsel te garanderen. Want dat is wat men wereldwijd van de klimaatverandering verwacht: honger en extreme omstandigheden. Maar er is een egoïstischer reden om ze te willen koesteren: ze zijn lekker. Anders dan bij de productie van fabrieksaardappelen op grote schaal, verbouwen de boeren in de Andes hun aardappels met het oog op eigen consumptie, om eerst hun gezinnen te voeden en de rest te verkopen. Dan Barber, een chef-kok uit New York en het icoon van de beweging ‘van de boerderij naar de tafel’, zegt dat je zonder goede ingrediënten niet goed kunt koken. De stijl van een kok doet er niet toe: wie een betere smaak zoekt, zoekt de beste ingrediënten. ‘En dus,’ zegt Barber, ‘ben je op zoek naar goede landbouw.’ In Peru, waar gastronomie is uitgegroeid tot een erezaak en een kwestie van zelfrespect, wordt meer dan 70 procent van wat men aan tafel eet – fruit, groenten, granen, knollen en peulvruchten – door kleine boeren geproduceerd. De boom van de Peruaanse keuken, die het land de laatste tien jaar met trots vervulde, is de boom van de ingrediënten van de Peruaanse keuken. Toch heeft de regering maar 2,3 procent in de begroting van 2015 gereserveerd voor kleinschalige landbouw, het laagste percentage sinds 2010.
Alles vers
Het echte thuisland van een mens is niet zijn jeugd: het is het eten uit zijn jeugd. Op een zondagmorgen om zeven uur, voordat de werkdag begint, zet Hancco’s vrouw ons dit ontbijt voor: rijstepap, brood met gebakken ei, eigen oogst aardappels, alpacakarbonaadjes en aardappelmeelsoep – een paar bittere aardappels die door het barre weer zijn uitgedroogd met wat schapenvlees. Hancco en zijn zonen Hernán en Wilfredo, die de hele dag op het land moeten werken, nemen twee keer van de soep. Hancco wijst naar de borden, kijkt me aan en zegt dan in het Spaans: ‘Kijk, vers vlees. Verse aardappel. Vers water. Alles vers.’ Hancco grapt dat hij, als hij jonger was, in de stad of in een ander land zou gaan wonen. Maar vraag je hem er in ernst naar, dan zegt hij nee, hij zou zijn dieren niet in de steek laten. En hier, zegt hij, eet hij tenminste wat hij wil. Hier eet hij aardappel, varkensvlees, alpaca, cavia, konijn. In de stad is het een en al vermicelli, rijst, koekjes. ‘Dat is geen voedsel, maar chemische troep,’ zegt hij in het Quechua, terwijl Hernán vertaalt.
El Señor de las Papas was twee keer in Italië, op uitnodiging van Slow Food, een internationale beweging die ageert tegen industrieel voedsel en zich inzet voor het herstel van de smaak en de traditionele voedselproductie. Met behulp van de Peruaanse Bond van Ecologische Boeren en Slow Food konden Hancco en zijn zonen honderden zakken chips van inheemse aardappels bereiden en verpakken om in Italië te verkopen. Inmiddels worden zijn landbouwtechnieken, dezelfde die de boeren van de Andes eeuwenlang in praktijk brachten en die Hancco vervolmaakte voor zijn eigen aardappelsoorten, erkend als ecologisch productiesysteem.
Steeds als Hancco aan een evenement in Peru deelneemt, krijgt hij te horen dat zijn werk belangrijk is voor iedereen. De laatste vijftien jaar kregen Hancco en de andere boeren uit de streek steun van ngo’s om hun aardappels te telen en verkopen, aan water te komen, aanpassingen te zoeken voor de gevolgen van de klimaatverandering en richtlijnen te ontwikkelen voor de toekomst van het familiebedrijf. Julio Hancco oogstte erkenning, er hangen een paar krantenartikelen bij zijn zonen in de kamer, hij ontving veel bezoek van buitenlanders, maar tot noemenswaardige maatregelen van regeringszijde heeft het niet geleid. Er is nauwelijks iets veranderd in de arbeidsvoorwaarden, ook niet voor de duizenden andere boeren die net als hij overal ter wereld om hun werk worden bewonderd.
Auteur: Eliezer Budasoff
Vertaler: Barber van der Pol
Eliezer Budasoff is een Argentijnse auteur en redacteur. Zijn werk werd onder meer beloond met de Nuevas Plumas-prijs (voor krantenartikelen) en verscheen in vele grote Spaanstalige kranten.
Etiqueta Negra Peru, maandblad, oplage 7000
Een tijdschrift voor mensen met een springerige geest. Heeft de ambitie de New Yorker van Latijns-Amerika te worden.
Kanker kan in de nabije toekomst een ziekte worden die te genezen is. Maar de farmaceutische industrie belemmert onderzoek. Voor de grote concerns met een marktpositie net zo stevig als die van Google en Amazon, is het belangrijk snel nieuwe lucratieve producten op de markt te brengen. Een aanklacht van professor Karl Lauterbach.
Bij uitdagingen voor de Duitse gezondheidszorg wordt meestal gedacht aan dementie of het tekort aan verplegend personeel. Kanker is daarentegen een taboeonderwerp. Echter, 60 tot 70 procent van de kankergevallen is niet te voorkomen, ook al is de preventie nog zo goed; een op de twee volwassenen uit de generatie babyboomers zal op enig moment in zijn leven kanker krijgen. Mensen uit de generaties daarvoor zijn meestal aan andere ziekten gestorven, terwijl de kinderen van de babyboomers waarschijnlijk de eersten zullen zijn die vrijwel allemaal kunnen genezen van kanker.
Wetenschappelijk onderzoekers uit de generatie babyboomers ontraadselen momenteel de fascinerend logische, maar dodelijke wetten van de ziekte. Zij zullen echter in veel gevallen nog niet gered kunnen worden door deze inzichten. Zij vormen een sandwichgeneratie. Kanker is hun epidemie.
In de afgelopen tien jaar zijn er al veel nieuwe medicijnen tegen kanker ontwikkeld waarmee een behandeling op maat kan worden gegeven. Chemotherapie tast zowel gezonde als zieke cellen aan, de nieuwe medicijnen alleen de voor kwaadaardige groei noodzakelijke interne communicatie van de kankercellen of de communicatie met het immuunsysteem. Al deze innovatieve geneesmiddelen – of het nu gaat om antistoffen, tyrosinekinaseremmers of checkpointremmers – kosten echter jaarlijks tussen de 50.000 en 150.000 euro per patiënt.
Jubelstemming
Tot nog toe zijn er in Duitsland maar weinig van deze middelen op de markt, en ze helpen ook maar een minderheid van de kankerpatiënten. Al in 2017 gaan in de VS nog eens 120 medicijnen de laatste fase van klinisch onderzoek in, en dat zullen er in de toekomst nog veel meer worden. Bij de farmaceutische concerns heerst een jubelstemming, want de nieuwe medicijnen tegen kanker drijven de aandelenkoersen van de bedrijven op, en zelfs met geneesmiddelen tegen zeldzame kankersoorten worden miljardenwinsten gemaakt. Het is met afstand de lucratiefste markt voor de gehele branche, met winstmarges tussen de 25 en 50 procent.
Hoewel het behalen van een hoge omzet met innovatieve geneesmiddelen niet per se afkeurenswaardig is – het gaat om een groeimarkt in een verouderende maatschappij en er zijn eerste successen in de strijd tegen een tot nog toe ongeneeslijke ziekte – krijgen de concerns van de kankerindustrie momenteel toch zware kritiek te verduren. Toonaangevende kankerspecialisten en wetenschappers die deze medicijnen toepassen en voor een deel zelfs hebben ontwikkeld, zijn verontwaardigd. En inderdaad kunnen de farmaceutische ondernemingen vijf verwijten worden gemaakt:
1. De hoge prijzen hebben niets te maken met het uiteindelijke profijt van de betreffende medicijnen. Gemiddeld verlengen ze het leven van de patiënten met slechts een paar weken of maanden. Zeldzame uitzonderingen zoals imatinib (Glivec) bij chronische myeloïde leukemie doen hier niets aan af. Tot genezing komt het bijna nooit, omdat de patiënten meestal na korte tijd resistent worden tegen de medicijnen; de tumor komt dan vaak des te sterker terug. Door agressieve marketing en daarop toegesneden studies wordt het profijt van de medicijnen stelselmatig door artsen en patiënten overschat. Er worden onrealistische verwachtingen gewekt.
2. De hoge prijzen zijn niet te rechtvaardigen met het argument van hoge onderzoekskosten. De farmaceutische industrie beweert weliswaar per medicijn ontwikkelingskosten van meer dan een miljard dollar te hebben (aldus lobbyisten tegen leden van de Duitse Bondsdag), maar de daadwerkelijke onderzoekskosten bedragen slechts 100 à 200 miljoen dollar per medicijn, wat in de eerste maanden na toelating op de markt al weer is terugverdiend.
In Duitsland zijn nieuwe medicijnen tegen kanker tot wel veertig keer zo duur als oude
3. De concerns misbruiken hun macht op de markt. Er zijn maar vijf tot tien grote internationale ondernemingen die nieuwe geneesmiddelen tegen kanker op de markt kunnen brengen. Kleinere bedrijven zijn te traag in de toelatingsprocedure. Hun ontbreekt het geld en de invloed op wetenschappers en overheid. De kerncompetentie van de kankerindustrie is niet haar onderzoek, maar omvat haar kapitaal en haar contacten. Onderzoek naar kanker wordt onder enorme tijdsdruk en daardoor tegen zeer hoge kosten gedaan, en de toelating van medicijnen op de markt gebeurt steeds sneller, meestal al na slechts één klinisch onderzoek. De farmaceutische middenstand in Duitsland staat bij deze wedloop volledig buitenspel. Enkele grote concerns, in samenwerking met Amerikaanse topuniversiteiten, dicteren de prijzen van nieuwe geneesmiddelen tegen kanker voor de hele wereld. Hun marktpositie is net zo stevig als die van Google of Amazon.
4. De farmaceutische bedrijven belemmeren zelfs vaak het onderzoek. Buitenstaanders denken dat de belangrijkste nieuwe geneesmiddelen in de oncologie afkomstig zijn van de researchafdelingen van die bedrijven. In werkelijkheid echter zijn ze het resultaat van onderzoek aan universiteiten en onderzoeksinstituten van de overheid. De belangrijkste nieuwe medicijnen tegen kanker zijn ontwikkeld door de Harvard Medical School, de Universiteit van Californië in Berkeley en de universiteiten van Oregon en Texas, in vrijwel alle gevallen met ondersteuning van het National Cancer Institute in Maryland. De farmaceutische bedrijven geven daarentegen slechts 1,3 procent van hun omzet uit aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Ze willen snel nieuwe lucratieve producten op de markt brengen. Zo worden reeds bekende werkzame stoffen enigszins gemodificeerd en voor nieuwe indicaties toegelaten, wat geld en wetenschappers onttrekt aan het dringend noodzakelijke fundamentele onderzoek. Terwijl de concerns de hoogste winsten uit de geschiedenis behalen, beklaagt Harold E. Varmus, voormalig directeur van het Amerikaanse National Cancer Institute, zich erover dat belangrijke fundamentele onderzoeken wegens geldgebrek worden gestaakt; projecten die uitmaken wanneer kanker te genezen zal zijn. In Duitsland is voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek zo weinig geld beschikbaar dat alleen nicheontwikkelingen mogelijk zijn. Daar komen nog overdreven hindernissen in verband met de privacybescherming bij, die het verzamelen van de noodzakelijke genetische informatie bij patiënten bemoeilijken. Al met al moet er veel meer geld in fundamenteel kankeronderzoek worden gestoken dan nu het geval is, om bijvoorbeeld te begrijpen hoe patiënten resistent worden tegen medicijnen. Pas dan zal de ziekte in de nabije toekomst daadwerkelijk te genezen zijn.
5. De hoge prijzen zijn funest voor de gezondheidszorg. Toonaangevende Amerikaanse kankerspecialisten en de American Society of Clinical Oncology (ASCO) doen publiekelijk een beroep op de politiek en de farmaceutische industrie om de prijzen te verlagen, omdat ze anders hun patiënten niet meer kunnen behandelen. De financial toxicity van de nieuwe geneesmiddelen is ook een bedreiging voor onze gezondheidszorg. In Duitsland zijn de nieuwe medicijnen tegen kanker tot wel veertig keer zo duur als de oude. De extra kosten zullen door de voorziene combinatie van werkzame stoffen verder exploderen. Als we van de jaarlijks te verwachten 600.000 nieuwe kankerpatiënten maar ongeveer de helft met de nieuwe combinaties van medicijnen behandelen, moet er rekening worden gehouden met meerkosten tot wel 45 miljard euro per jaar.
Uiteindelijk zouden veel patiënten maar enkele weken of maanden langer leven. Daarbij komt nog dat hun kwaliteit van leven door de innovatieve behandeling in vergelijking met een palliatieve behandeling of een minder agressieve chemotherapie vaak zelfs verslechtert. Tot nog toe zijn er ook geen gegevens beschikbaar die antwoord geven op de vraag of de op de Amerikaanse topuniversiteiten behaalde, vaak zeer geringe levensduurverlengingen ook in de dagelijkse praktijk blijken. Het ontbreekt aan gegevens, experts, kwaliteitsbewaking en vooral aan onafhankelijk onderzoek, ook na de toelating van de geneesmiddelen op de markt.
In de coalitie [van CDU/CSU en SPD] hebben we dit megathema tot nog toe niet behandeld; er vindt een stroeve dialoog met de farmaceutische industrie plaats, waarbij het nog geen enkele keer over de nieuwe medicijnen tegen kanker is gegaan. De industrie ontwijkt het onderwerp. De huidige vergoedingsrichtlijnen van de verzekeraars hebben hun werking verloren. We moeten daarom ogenblikkelijk handelen.
Noodzakelijk
Noodzakelijk is een beter, langer onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen tegen kanker voordat deze op de markt worden gebracht. De regels van het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) moeten onafhankelijk van de farmaceutische industrie worden herzien. En er moet verder onderzoek worden gedaan naar de behandelresultaten van de medicijnen, ook na de toelating ervan, om te voorkomen dat de verkeerde patiënten worden behandeld.
Patiënten moeten realistisch en onafhankelijk van de farmaceutische industrie worden voorgelicht over de nieuwe therapieën; dan zouden veel mensen besluiten af te zien van de behandeling.
De palliatieve geneeskunde moet worden geïntensiveerd voor ongeneeslijk zieke patiënten, en de strijd voor een betere preventie en vroegtijdige herkenning moet harder worden gevoerd, vooral tegen de tabaksindustrie. Roken veroorzaakt in Duitsland nog altijd een veelvoud van de sterfgevallen door kanker, die door deze gerichte therapie zouden kunnen worden gered.
En ten slotte moet er een verlaging van de veel te hoge prijzen worden gerealiseerd. Om te voorkomen dat de landen van Europa tegen elkaar worden uitgespeeld, zou een nieuw op te richten centrale instelling Europese prijzen moeten vaststellen, net als bij de toelating. Daarbij zou het profijt van de geneesmiddelen moeten worden afgezet tegen alle alternatieven.
Als we de prijzen voor de nieuwe geneesmiddelen tegen kanker ook in de toekomst laten dicteren door de industrie, dan moeten de miljarden op een andere plek worden bezuinigd, bijvoorbeeld in de verpleging of bij de preventie. Voor de prijs van een behandeling die het leven vaak maar met enkele weken verlengt, kunnen enkele verpleegkundigen een jaar lang worden betaald.
Auteur: Karl Lauterbach
Vertaler: Pieter Streutker
Karl Karl Lauterbach (52) is arts en hoogleraar Gezondheidseconomie en klinische epidemiologie aan de Universität Köln. Hij is ook de gezondheidsdeskundige van de SPD-fractie in het Duitse parlement. Zijn nieuwe boek Die Krebs-Industrie – wie eine Krankheit Deutschland erobert is onlangs bij Rowohlt Verlag verschenen.
Der Spiegel Duitsland, weekblad, oplage 976.000
Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.