Tag: kunst

  • Weer bij stem

    Weer bij stem

    De muziekscene van New Orleans heeft zich de afgelopen jaren knap hersteld. Dankzij de terugkeer van uitgeweken muzikanten én de instroom van nieuw talent is ze volgens lokale legende Branford Marsalis zelfs dynamischer dan ooit.

    Het is een prachtige ochtend in New Orleans, en ik zit op een bankje in het hart van de Musicians’ Village. De straten zijn leeg, op een enkele auto na die langzaam rondjes rijdt door de buurt, als in een film. Als de auto voor de derde keer langskomt, stapt de chauffeur uit en loopt naar me toe. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zegt hij. ‘Ik ben op zoek naar het eerste huis dat ze hier na Katrina hebben gebouwd.’

    De Musicians’ Village, in de Upper Ninth Ward van de stad – een van de gebieden die het ergst is getroffen door de orkaan Katrina – is een gemeenschap van 72 betaalbare huizen voor muzikanten die door de storm hun huis zijn kwijtgeraakt (of daarvóór in slechte huizen hebben gewoond) en na de storm ontheemd zijn gebleven. De wijk werd gebouwd door duizenden vrijwilligers, onder wie de man die voor mij staat. Ik kan hem niet helpen bij zijn speurtocht, maar hij is vastbesloten het huis te vinden.

    ‘Ik wil gewoon even kijken,’ zegt hij. Zijn stem trilt nu van emotie en trots. ‘Ik ben hier na Katrina als vrijwilliger gekomen en heb geholpen dat huis te bouwen. Ik was niet van plan te blijven, maar ben van de stad gaan houden en heb hier sindsdien gewoond.’

    Dit voelt pas echt als een film – een perfect geformuleerde zin waaruit niet alleen blijkt hoe de stad is herbouwd, maar waaruit ook de liefde naar voren komt die deze stad oproept, en de reden waarom – tien jaar na Katrina – tienduizenden mensen hierheen zijn verhuisd en trots zijn om New Orleans hun thuis te mogen noemen. De Musicians’ Village werd een week na Katrina bedacht door de in New Orleans opgegroeide musici Harry Connick Jr. en Branford Marsalis, toen ze vanuit de stad naar Houston reden voor een benefietconcert. ‘Het idee was om muzikanten te helpen die onze carrière mogelijk hebben gemaakt,’ zegt Marsalis. ‘Als zij er niet waren geweest, zouden wij niet zijn wie we zijn en zou de stad niet zijn wat hij is. Het was een manier om dank je wel te zeggen tegen de mensen die vertegenwoordigen wat New Orleans zo bijzonder maakt.’

    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters
    Saxofonist Branford Marsalis (m) met Brass Band bij een herdenkingsoptocht voor 
de orkaan Katrina. 
© Lee Celano / Reuters

    Als de muzikanten niet waren teruggekeerd, was dat een ramp geweest voor het toerisme

    Muzikaal erfgoed

    Muziek is zó belangrijk voor de cultuur van New Orleans, dat sommigen hebben gesteld dat het een ramp zou zijn geweest voor het toerisme als de muzikanten niet waren teruggekeerd – een reële angst, onmiddellijk na zo’n ramp – en de stad zijn muzikale erfgoed zou zijn kwijtgeraakt, omdat bezoekers zich de stad eenvoudigweg niet kunnen voorstellen zonder muziek. Marsalis is het hier tot op zekere hoogte mee eens, maar zegt: ‘Ik wist dat de muzikanten terug zouden komen, omdat ze nergens anders heen konden. Ik kan me niet voorstellen dat de Olympia Brass Band voorgoed in Phoenix zou zijn gebleven. Je zult in Phoenix nooit een school tegenkomen die zegt: “Ons basketbalteam is kampioen geworden! Laten we een fanfare uitnodigen en een straatoptocht organiseren!” Dat gebeurt in New Orleans, maar nergens anders. New Orleans is anders dan welke Amerikaanse stad ook.’

    In het hart van de Musicians’ Village staat het Ellis Marsalis Center for Music, vernoemd naar de vader van Branford (en zijn broer Wynton), de patriarch van de beroemdste muzikale familie van de stad. Het voornaamste doel is de tradities van deze unieke muzikale stad in leven te houden door middel van onderwijs en ontwikkeling in de lokale gemeenschap. Er is ook een opnamestudio die door plaatselijke musici kan worden gebruikt (om aan inkomsten te komen), en een indrukwekkende concertzaal waar kaartjes voor een doorsneeconcert op de dinsdagavond slechts 3 dollar kosten. Als ik het centrum verlaat, vraag ik aan een van de muziekdocenten of het project uit publieke middelen wordt gefinancierd.


    ‘Nee!’ roept ze. ‘En dat is de reden dat het werkt!’

    Jazz Market

    Ik denk niet dat ze een sneer wilde uitdelen aan mijn volgende tussenstop, de nieuwe New Orleans Jazz Market, maar als dat wel het geval is, was het een schot in de roos. Het gebouw is het nieuwe onderkomen van het New Orleans Jazz Orchestra, onder leiding van trompettist Irvin Mayfield, die ook de oprichter en uitvoerend directeur is. Het werd in april geopend, in de wijk Central City, maar een maand later was het al verwikkeld in een corruptieschandaal rond Mayfield – een veelvoudig winnaar van Grammy Awards en een van de poster boys van de stad – en zijn zakenpartner. Bedacht door Mayfield als ‘een monument voor de grootste prestatie die New Orleans ooit heeft geleverd: de schepping van de jazz’, is het een zeer ambitieus en indrukwekkend project.

    Er is een mooie open bar, vernoemd naar jazzpionier Buddy Bolden, aan de muren hangen 25 iconische, onmiddellijk herkenbare originele zwart-witfoto’s van de beroemde Herman Leonard, en er is een concertzaal met 440 stoelen, een van de weinige ter wereld die qua akoestiek zijn afgestemd op een jazzorkest en niet op een symfonieorkest – en er is zelfs een bar en een kleine dansvloer achter in de zaal. Toch zijn er op de donderdagavond dat ik de grote bar bezoek slechts vijf anderen die naar de pianist luisteren.

    Komt dat door het zich nog steeds voortslepende schandaal, of staat het gebouw alleen maar in het verkeerde deel van de stad? Alle slechte publiciteit heeft zeker niet geholpen, en het zou een tragedie zijn als dit toekomstgerichte project, dat bovendien de arme maar historisch belangrijke buurt weer op gang zou moeten helpen, een mislukt prestigeproject zou worden, met een zweem van ouderwetse zuidelijke corruptie – precies datgene waar de stad berucht om was, maar waar men na Katrina van af probeerde te komen. En zelfs al is de Jazz Market op dit moment the talk of the town, dat kan zo weer voorbij zijn in een stad waar de muziek vrijwel overal waar je rondloopt zo verdomd goed is, of, zoals Branford Marsalis het fraai uitdrukt: ‘een mate van opwinding teweegbrengt die je nergens anders zult voelen, en een hoeveelheid energie voortbrengt die een dj eenvoudigweg niet voor elkaar zal krijgen.’

    Het is allemaal zo droomachtig dat ik het gevoel heb dat ik in een film zit

    Frenchman Street

    De grootste concentratie muziekclubs bevindt zich in Frenchman Street, net buiten het French Quarter, een uitgaansstraat die door de stad is gepromoot en sinds Katrina in de lift zit. Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren in clubs als Cafe Negril, DBA, The Spotted Cat en de Blue Nile, en dat allemaal zonder te betalen. De clubeigenaren hebben Katrina aangegrepen om te versoberen en er is, net als in andere sectoren, sprake geweest van een instroom van nieuwelingen. Net als muziekliefhebbers zien jonge muzikanten New Orleans als een heilige graal, en velen zijn blij als ze hier voor een fooi mogen spelen – wat betekent dat de oudere lokale muzikanten, die altijd de fakkel hebben gedragen, minder betaald krijgen.

    Een van de favoriete clubs van Branford Marsalis is Snug Harbor, de oudste club in Frenchman Street en de eerste die na Katrina weer openging. Het is bovendien een van de twee clubs die nog steeds entree heffen. Het is een heerlijk intiem zaaltje met een uitmuntende geluidskwaliteit, waar mensen niet komen om feest te vieren maar om naar de beste jazzmusici van de stad te luisteren, waaronder de vader en broers van Branford. De grote angst is dat Frenchman Street zal verworden tot een tweede Bourbon Street, de met alcohol doordrenkte, Disneylandachtige Mardi Gras-straat van New Orleans.

    Als je zorgvuldig kiest, kun je er iedere avond naar blues, funk en jazz van wereldklasse luisteren

    De eigenaar van Snug Harbor, Jason Patterson, zegt: ‘Frenchman Street is ten dode opgeschreven als ze er een voetgangersgebied van maken, zoals met Bourbon Street, waar iedereen alleen maar op straat staat te drinken en niet meer de clubs binnen gaat om naar de muziek te luisteren.’ Maar al is de roem van Frenchman Street tanende, er is hier zo veel geweldige muziek dat die beslist elders haar toevlucht zal zoeken… zelfs als dat gewoon op straat is.

    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt.  
© Mario Tama
    De Musicians Village: betaalbare huizen voor muzikanten die door 
de storm hun huis waren kwijtgeraakt. 
© Mario Tama

    Straatmuzikant

    Op mijn laatste avond, als ik in de kleine uurtjes door het French Quarter loop, sta ik plotseling stokstijf stil als ik het spookachtige, prachtige geluid hoor van een eenzame straatmuzikant die op zijn metalen Resonator-gitaar tokkelt. Het is onmogelijk om zijn muziek in een hokje te plaatsen, maar deze is zo rijk dat de zwoele lucht erdoor gevuld wordt alsof er een orkest aan het spelen is.

    Een stelletje is aan het dansen en zweeft over het plaveisel, een man ligt op straat te genieten van de muziek, terwijl een ander net als ik tot tranen toe geroerd is. Een mooie jonge zangeres vraagt of ze een paar bekende liedjes mee mag zingen. De naam van de gitarist is Chris Christy, een verlegen autodidact uit Los Angeles. Als je geluk hebt, tref je hem ’s avonds laat aan in Decatur Street. Het is allemaal zo droomachtig dat ik, niet voor het eerst deze week, het gevoel heb dat ik in een film zit – een film die alleen maar in New Orleans gemaakt zou kunnen worden. De stad is sinds Katrina in rap tempo veranderd – en in positieve zin, volgens vrijwel iedereen die ik ben tegengekomen. Maar tegen welke prijs?

    Welkome toevoeging

    Hoewel de meeste muzikanten zijn teruggekeerd, zijn vele duizenden van hun buren uit de oude zwarte gemeenschappen, waar de muziek zich ontwikkelde, in andere Amerikaanse steden achtergebleven. Velen zijn uitgeweken naar het conservatieve Texas, dat in cultureel opzicht het tegenovergestelde is van het losse en liberale New Orleans, maar betere scholen en hogere lonen biedt. Dat, in combinatie met de grote instroom van mensen van buiten, heeft geleid tot de angst dat het erfgoed van de stad zal verloren zal gaan.

    Noch Christy, noch Grace – de jonge zangeres die, enigszins onvermijdelijk, hiernaartoe is gekomen om een band te vormen en een plaat op te nemen – komt uit New Orleans. Maar zou de instroom van talent niet gewoon een welkome toevoeging aan de muzikale gumbo kunnen zijn?

    Branford Marsalis denkt van wel: ‘Er zijn hier allerlei soorten mensen, en dat is niet slecht. De jazzscene is nu veel dynamischer dan toen ik jong was. Ze nemen allemaal hun eigen ding mee en mengen dat met de traditionele muziek van New Orleans.’ Laten we hopen dat hij gelijk heeft. Want ik kan me niet voorstellen dat de magische taferelen uit deze stad ook maar ergens anders zouden kunnen plaatsvinden.

    Gavin McOwan

    Gavin McOwan schrijft voor _ The Guardian_ als o.a. reisredacteur.

  • Vermeer in Manhattan

    Vermeer in Manhattan

    Johannes Vermeer inspireerde de Amerikaanse dichter Michael White niet alleen tot poëzie en proza, maar bracht hem ook weer bij zinnen na een destructieve scheiding.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week maakte het Mauritshuis in Den Haag bekend dat het zich afvraagt of het nog schilderijen aan de Verenigde Staten wil uitlenen. Vanwege de bezuinigingen die de regering-Trump doorvoert in de kunstsector en Trumps kritiek op het narratief dat sommige kunstmusea verspreiden, is directeur Martine Gosselink bang dat ze de schilderijen die ze uitleent niet zo snel terug zal krijgen.
    Het zou erg jammer zijn als de Hollandse meesters niet meer in musea in de VS te zien zijn. De Amerikaanse dichter Michael White kan daarover meepraten. In dit artikel van The Paris Review uit 2015 vertelt hij wat de schilderijen van Johannes Vermeer voor hem betekenen.

    ‘Stel je voor dat je alles kwijtraakt wat voor jou werkelijk van belang is, en daarna heb je een droom, en in die droom kom je erachter dat je het niet echt bent kwijtgeraakt, omdat het je niet afgenomen kan worden. Dat gevoel geeft Vermeer me.’

    De dichter Michael White probeerde me uit te leggen hoe hij geobsedeerd was geraakt door Johannes Vermeer – met zijn psychologisch geladen interieurs en mysterieuze vrouwelijke figuren. Michaels fascinatie ontstond door een toevallige ontmoeting met het werk van de kunstenaar in Amsterdam, waar hij naartoe was gegaan om bij te komen van een scheiding die zo destructief was dat hij er totaal gedeprimeerd van was geraakt en die hem het gevoel had gegeven dat hij de rest van zijn leven alleen zou blijven.

    Hoewel ik met hem samenwerkte aan een universiteit in North Carolina, kende ik hem in die tijd niet goed genoeg om de emotionele ellende die hij doormaakte te begrijpen. Ik wist ook niet dat zijn ervaring in het Rijksmuseum met Vermeers onnadrukkelijk dubbelzinnige beelden hem ertoe had gebracht de hele wereld over te reizen om alle schilderijen van de meester te zien.

    Dat werd me allemaal pas duidelijk toen ik zijn nieuwe boek Travels in Vermeer: A Memoir las, dat deels een reisverslag is en deels bestaat uit overpeinzingen over de betekenis van kunst. Het lezen van Travels in Vermeer maakte Vermeers schilderijen in emotioneel opzicht voor mij zo levensecht, dat ik het gevoel had dat ik ze kende toen ik het boek uit had – alsof ze personages waren in een prachtige roman over verloren liefde, verlangen en genezing. Ik denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat Michael Het meisje met de parel ziet: ‘Ik voel een briesje, een rilling over mijn rug als ik binnenkom, en daarom draai ik me om… Ik kijk over mijn linker-schouder naar haar. Zij staart me rechtstreeks aan over haar eigen linker-schouder. Ze is, als een schilderij dat kan zijn, een adembenemende ontmoeting.

    Dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was

    Johannes Vermeer, Slapend meisje
    Johannes Vermeer, Slapend meisje

    Rondleiding

    ‘Liefde: hoe kan ik dat gevoel zijn vergeten? De ogenblikkelijke, gepassioneerde blik die me begrijpt en waarin beschuldiging noch vergiffenis ligt. De lieftallige genegenheid in haar lichtbruine iris, de verrukkelijke erotiek van haar lippen, haar mond.’


    Het probleem was dat ik nog nooit een Vermeer in het echt had gezien. Michael was bereid me rond te leiden langs de schilderijen die in New York hangen. Er zijn er acht: drie in de Frick Collection en vijf in het Metropolitan Museum of Art. We gingen ze allemaal bekijken. We begonnen in de Frick Gallery met De soldaat en het lachende meisje, waarop een militair in uniform en een jonge vrouw aan een kleine tafel in de hoek van een kamer bij een raam zitten. Michael legde uit dat dit waarschijnlijk bedoeld was als een tafereel in een bordeel, een genre dat populair was in de tijd van Vermeer. Hij wees op de uitgestrekte hand van de vrouw die op tafel rust, open alsof ze op betaling wacht. En toch past het schilderij niet echt in die context. De vrouw draagt een keurige, witte, linnen muts die haar haren bedekt, en haar gezicht gloeit duidelijk op in het flauwe, indirecte licht dat door het raam valt. Haar ogen zijn op de soldaat gericht en haar uitdrukking is kalm maar intens gelukkig.


    ‘Kijk haar toch,’ zei Michael. ‘Ze is verliefd.’ De soldaat is evenmin de vrolijke pierewaaier die je op een typisch schunnig schilderij zou verwachten. Hij neemt de voorgrond in beslag, zit met zijn rug naar de kijker toe en streelt met één hand over zijn kin – ingetogen en niet op zijn gemak. Hij lijkt het meisje in te schatten, of misschien schat hij zijn eigen plannen met haar in. ‘Het is bijna alsof hij een vervanger voor de kunstenaar is,’ zei Michael. ‘De kunstenaar die twijfelt aan zijn recht om de vrouw te schilderen.’ Een beeld van een bordeel dat weigert een beeld van een bordeel te zijn, emoties die niet voldoen aan de verwachtingen die we ervan hebben, die zich vermengen en ronddwarrelen – allemaal doortrokken van het meest verfijnde, donker opgloeiende licht: dit was de Vermeer die ik me herinnerde uit Michaels boek, maar dan met de vreemde kracht van een beeld dat voor je aan de muur hangt. Toen ik voor De soldaat en het lachende meisje stond, leek het me onmogelijk dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was.

    Het schilderij als een vraag gehuld in rust 
en stilte

    We liepen naar het volgende schilderij, Onderbreking van de muziek. De vrouwelijke figuur zit aan een tafel waarop een citer ligt, een luitachtig instrument. Er staat een man naast haar, met één hand op de rugleuning van haar stoel, zijn blik gericht op een brief in haar hand. Ze is met haar aandacht niet meer bij de muziek: ze kijkt de toeschouwer direct aan met een heel dubbelzinnige uitdrukking op haar gezicht waarin een of andere vorm van emotionele herkenning ligt. ‘Ze lijkt precies te begrijpen wie ik ben,’ zei Michael. ‘Maar wie is dat? Wat ben ik voor haar? Een vriend? Een minnaar? Een vertrouweling? Soms denk ik dat ik er bijna achter ben, maar nooit helemaal.’


    We verlieten de Frick en liepen over Fifth Avenue naar het Metropolitan Museum of Art, waar we alle vijf de Vermeers die er hangen bekeken. Het schilderij dat indruk op me maakte, was Slapend meisje, waarop een rijk gekleed meisje alleen aan een tafel zit met een glas wijn. Haar ogen zijn dicht, ze laat haar hoofd op haar hand rusten. Meteen achter haar leidt een halfopen deur naar een lege binnen-kamer die op een of andere manier iets raadselachtigs heeft, een gevoel dat wordt versterkt door de sleutel die in het slot steekt. ‘Er waren een man en een hond in de kamer,’ zei Michael. ‘Die heeft hij weggeschilderd.’ Die afwezigheid weergalmt en vult het schilderij, dat aanvoelt als een vraag gehuld in rust en stilte, een moment van het leven dat perfect is waargenomen, maar zich verzet tegen interpretatie. Is ze werkelijk dronken, zoals het tafereeltje suggereert? Slaapt ze wel echt? En zo ja, waarom liggen haar vingers dan zo perfect, actief gebogen op het tafelblad?


    ‘Ze zou wakker kunnen zijn,’ opperde ik. ‘Maar neerslachtig.’ ‘Of ze zou net kunnen doen of ze slaapt,’ zei Michael – misschien voor de man die niet meer bestond op het schilderij. Of voor de kijker. ‘Vermeers werk bevat allemaal fascinerende verhaallijnen, maar het blijven altijd slechts lijnen.’

    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje
    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje

    Cupido

    De manier waarop Vermeer een verhaal tegelijkertijd suggereerde en ondergroef, was een van de bronnen van psychische geladenheid in zijn werk. Voor Michael gingen die verhalen telkens over romantisch verlies en hernieuwde hoop. Terwijl ik zwijgend naast hem stond, herinnerde ik me een passage uit Travels in Vermeer over de eerste 
keer dat hij in Amsterdam voor een Vermeer stond: ‘Plotseling begrijp ik het: Vermeers verstomde helderheid richt zich tot mij, is voor mij terwijl ik hier sta.

    Wat ik heb doorgemaakt, waar ik in mijn scheiding mee te maken heb gekregen, is absoluut verlies. Ik dacht dat ik daar alles van afwist toen mijn eerste vrouw Jackie aan kanker was gestorven – maar deze keer had ik het vertrouwen verloren. Het is niet alleen dat ik niet geloof in liefde; ik weet niet eens zeker of ik wel ergens in geloof. Maar nu ik naar deze schitterende 
doeken kijk – onbereikbaar maar toch vertrouwd – komt het weer in me op… Het is alsof die voorstellingen er zijn om me bij zinnen te brengen door me teruggehaalde beelden uit een vroeger leven te laten zien.’

    We bleven nog een poosje staan en daarna wees Michael naar de linkerbovenhoek van het doek, waar achter de vrouw een schilderij hangt. Alleen de onderkant ervan is zichtbaar, en we zien slechts het blote voetje van een kind. ‘We weten dat het schilderij aan de muur Vermeers eigendom was. Het verschijnt op nog twee doeken van hem, één halverwege zijn carrière en één aan het einde. Het is een voorstelling van Cupido, hoewel we hier alleen zijn voet zien. Het zal nog vijftien jaar duren voor we eindelijk de hele Cupido te zien krijgen, op Staande virginaalspeelster. Mijn gevoel daarbij is: ja, hij is er altijd geweest, de hele tijd, zich voorbereidend op zijn verschijning. De kracht van de liefde is altijd aanwezig, hoewel het een heel leven kan kosten om die in zijn geheel te zien.’

    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.
    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.

  • Tien hedendaagse Afrikaanse kunstenaars die u zou moeten kennen

    Tien hedendaagse Afrikaanse kunstenaars die u zou moeten kennen

    De Afrikaanse kunstmarkt is booming. Toch zijn kunstenaars van het continent lang niet zo bekend als hun westerse collega’s. Volgens The Culture Trip zijn dit tien namen om in uw oren te knopen.

    Tracey Rose, ‘MAQUE II’ (uit een serie van zes), 2002, Lambda-print van 118 x 118 cm. – © Goodman Gallery
    Tracey Rose, ‘MAQUE II’ (uit een serie van zes), 2002, Lambda-print van 118 x 118 cm. – © Goodman Gallery

    Tracey Rose, Zuid-Afrika

    Tracey Rose (1974), geboren in Durban en momenteel woonachtig in Johannesburg, is een gevestigde hedendaagse multimediakunstenaar en een uitgesproken feministe. Ze is bekend geworden met haar stoutmoedige, provocatieve, niet-verhalende performances, videoinstallaties en foto’s. In al haar werk gaat Rose de confrontatie aan met de identiteitspolitiek; kwesties die te maken hebben met seksualiteit, lichaam, ras en gender. De thematiek van Rose is dikwijls een weerslag van haar multiculturele achtergrond en komt voort uit haar ervaring te zijn opgegroeid als iemand van gemengd ras in Zuid-Afrika. In haar werk maakt ze veel gebruikt van traditionele volkscultuur en illustreert ze de ongelijkheden in het politiek-sociale landschap van haar land. Rose had solotentoonstellingen in Zuid-Afrika, Europa en Amerika, en nam deel aan een aantal internationale evenementen waaronder de Biënnale van Venetië.

    Meschac Gaba, ‘Souvenir Palace’, 2010.  – © Julian Stallabrass / Flickr
    Meschac Gaba, ‘Souvenir Palace’, 2010. – © Julian Stallabrass / Flickr

    Meschac Gaba, Benin

    Meschac Gaba (1961) werd bekend door zijn Museum of Contemporary African Art (Museum voor Hedendaagse Afrikaanse Kunst), een reizende tentoonstelling die in 1997 van start ging in het Amsterdamse Rijksmuseum. Gaba’s nomadisch museum bestond uit twaalf tentoonstellingszalen, die in een periode van vijf jaar bij diverse Europese kunstinstellingen ‘te gast waren’, in een ingenieuze poging ruimte te creëren voor de Afrikaanse kunst. In 2013 kocht het Tate Modern Gaba’s hele ‘museum’ om het permanent tentoon te kunnen stellen. Wat Gaba in zijn zalen presenteert loopt zeer uiteen, van mode in de Summer Collection Room en gastronomie in het Museum Restaurant, tot de buitensporige overproductie van voedsel in de Draft Room. Hij maakt zelf schilderijen en keramiek, maar ook installaties, waarvoor hij gebruikmaakt van verf, triplex, gips, steen en uit de roulatie genomen bankbiljetten.

    Kudzanai Chiurai, ‘Last Supper’, 2012, dOCUMENTA (13), Kassel. – © Marc Wathieu / Flickr
    Kudzanai Chiurai, ‘Last Supper’, 2012, dOCUMENTA (13), Kassel. – © Marc Wathieu / Flickr

    Kudzanai Chiurai, Zimbabwe

    Kudzanai Chiurai (1981) werd verbannen uit Zimbabwe nadat hij een opruiend portret had vervaardigd van president Robert Mugabe. Hij studeerde als eerste zwarte aan de Universiteit van Pretoria af in de Beeldende Kunst en werd als snel een spraakmakend figuur in de Afrikaanse kunstscene. Chiurai maakt gebruik van dramatische multimediacomposities (digitale fotografie, montage, prints, schilderijen en recentelijk ook film) om urgente zaken in zuidelijk Afrika aan de orde te stellen: overheidscorruptie, geweld, xenofobie, ontheemding… Hij woont op het moment in Johannesburg. Zijn jongste werk, getiteld This is not Africa, this is us, is een driedelige tentoonstelling met een video-installatie en was maart vorig jaar te zien in Rotterdam en Den Haag.

    Nástio Mosquito, Angola

    Als multimedia- en performance-kunstenaar, die werkt met muziek, video, gesproken woord en a-capellazang, flirt Nástio Mosquito (1981) met Afrikaanse stereotypen in een westerse context. Hij portretteert zichzelf dikwijls als de centrale figuur in zijn kunst, en doet met zijn werk krachtige politieke en sociale uitspraken die op het eerste gezicht enigszins ongemakkelijk zijn, maar juist daardoor tot nadenken stemmen. Tot zijn vroegere tentoonstellingen behoren 9 Artists (2013) in het Walker Art Centre in Minneapolis, en Across the Board: Politics of Representation in het Tate Modern in Londen in 2012. In een recent werk verklaarde Mosquito: ‘Ik vertegenwoordig zo u wilt het leger der individuen’, in overeenstemming met zijn geloof in het vervaardigen van kunstwerken samen met de gemeenschap, en niet als geïsoleerd kunstenaar.

    Julie Mehretu, ‘Stadia’.
    Julie Mehretu, ‘Stadia’.

    Julie Mehretu, Ethiopië

    Julie Mehretu (1970), een van de belangrijkste Afrikaanse kunstenaars van haar generatie, met een groeiende internationale bekendheid, verwerkt in haar grote schilderijen elementen van luchtcartografie en architectuur. Met een onderliggende kalligrafische complexiteit weerspiegelt Mehretu in haar energetische kunstwerken de snelle groei van de steden en de dichtbevolkte stedelijke omgevingen en sociale netwerken van de eenentwintigste eeuw. Mehretu maakt elk schilderij door steeds weer dunne laagjes acrylverf op het doek aan te brengen en het vervolgens af te werken met delicate, daarbovenop gelegde markeringen en patronen, waarbij ze gebruikmaakt van potlood, pen, inkt en verfstromen. Het werk van Mehretu verbeeldt het samenkomen van tijd, plaats en ruimte, onafhankelijk van de historische betekenis. Mehretu beschrijft haar schilderijen, die verwijzen naar het constructivisme, de geometrische abstractie en het futurisme, als ‘niet-plaatsgebonden plattegronden van verhalen’. Zij ziet haar werk eerder als het abstracte product van haar verbeelding dan als een realistische weergave van de werkelijkheid.

    El Anatsui, ‘Big 4’, Channel 4 HQ, Horseferry Road, Londen. – © Loz Pycock / Flickr
    El Anatsui, ‘Big 4’, Channel 4 HQ, Horseferry Road, Londen. – © Loz Pycock / Flickr

    El Anatsui, Ghana

    Als een van Afrika’s invloedrijkste beeldhouwers staat de Ghanees El Anatsui (1944) aan de frontlinie van de hedendaagse kunst. Hij heeft aanzienlijke internationale aandacht gekregen voor zijn sculpturale experimenten. Anatsui is hoogleraar aan de beeldhouwafdeling van de Universiteit van Nigeria en een productief beeldhouwer. Zijn favoriete materialen zijn klei en hout, die hij gebruikt om objecten te vervaardigen die uiting geven aan diverse sociale, politieke en historische motieven. In zijn latere werken heeft hij zich gestort op de installatiekunst en naaiprocessen. Met gebruikmaking van onconventionele gereedschappen als kettingzagen en andere zware werktuigen heeft hij een nieuwe betekenis gegeven aan niet voor de hand liggende materialen: spoorwegbielzen, wrakhout en flessendoppen van aluminium. In een interview heeft Anatsui gezegd: ‘Het verbazingwekkende aan het werken met deze materialen is dat de armoedigheid ervan geenszins het vertellen van rijke en prachtige verhalen in de weg staat.’

    Ibrahim El Salahi, ‘Self-portrait-of-suffering’, 1961.
    Ibrahim El Salahi, ‘Self-portrait-of-suffering’, 1961.

    Ibrahim El Salahi, Soedan

    Ibrahim El Salahi (1930), die dikwijls de peetvader van het Afrikaanse modernisme wordt genoemd, heeft ruim vijf decennia visionaire kunst geproduceerd, in een soort surrealistische spagaat tussen zijn Arabische en Afrikaanse wortels. El Salahi, een voormalige diplomaat en onderminister op het Soedanese ministerie van Cultuur in de jaren zeventig, zat zes maanden in de gevangenis zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld, omdat hij zich zou hebben beziggehouden met antiregeringsactiviteiten. Als een welbespraakt en vaderlijk figuur heeft El Salahi zijn eigen unieke kunstgeschiedenis ontwikkeld, door op vele fronten een voortrekkersrol te vervullen. Zo was hij een van de eerste Afrikaanse kunstenaars die Arabische kalligrafie in zijn schilderijen verwerkte, en de eerste Afrikaanse kunstenaar die een retrospectief in het Tate Modern kreeg. Zijn vroege kunstwerken werden gedomineerd door elementaire vormen en lijnen, en in de loop der jaren heeft zijn werk een meditatieve en abstracte wending genomen, met een sterke nadruk op lijnen en het gebruik van zwart en wit.

    Sokari Douglas Camp, ‘A Light Moment’.
    Sokari Douglas Camp, ‘A Light Moment’.

    Sokari Douglas Camp, Nigeria

    De in Nigeria geboren Sokari Douglas Camp (1958) is een van de beste vrouwelijke beeldhouwers die zijn doorgebroken in de voornamelijk door mannen gedomineerde sector van het beeldhouwen in Afrika. Zij behoort bovendien tot de eerste generatie vrouwelijke kunstenaars die de aandacht van de internationale kunstmarkt heeft getrokken. Het werk van Douglas Camp, die afkomstig is uit een grote Kalabari-stad in de Nigerdelta, staat onder grote invloed van de Kalabaricultuur en –tradities. Gebruikmakend van moderne beeldhouwtechnieken, met een voorkeur voor staal, vervaardigt Douglas Camp grote, semi-abstracte werken, versierd met maskers en rituele kleding. Zo weerspiegelt ze haar nauwe verwantschap met Nigeria, ondanks het feit dat ze al jaren in Londen woont. Douglas Camp heeft talloze groeps- en solotentoonstellingen in de hele wereld op haar naam staan. Permanente collecties van haar werk kunnen worden aangetroffen in het Smithsonian Instituut in Washington DC en in het British Museum in Londen.

    Chéri Samba, ‘Little Kadogo’.
    Chéri Samba, ‘Little Kadogo’.

    Chéri Samba, Democratische Republiek Congo

    De schilderijen van Chéri Samba (1956), een toonaangevende hedendaagse Afrikaanse schilder, verbeelden zijn ideeën over verschillende facetten van het dagelijks leven in de Democratische Republiek Congo en de rest van het Afrikaanse continent. In zijn latere werken is Samba zelf het voornaamste onderwerp. Samba is zijn carrière begonnen als schilder van reclameborden en als striptekenaar. Geleidelijk aan is hij overgestapt op het schilderen op jute, omdat canvas te duur was. In zijn schilderijen begon Samba de techniek van de ‘gedachtewolkjes’ uit strips toe te passen, waardoor hij commentaar aan zijn werken kon toevoegen. Erkend als de unieke ‘Samba-signatuur’ was deze werkwijze Samba’s innovatieve manier om mensen ertoe aan te zetten meer tijd te besteden aan het onderzoek en het begrip van zijn fascinerende schilderijen.

     Abdoulaye Konaté, ‘Les Marcheurs’.
    Abdoulaye Konaté, ‘Les Marcheurs’.

    Abdoulaye Konaté, Mali

    De kunst van Abdoulaye Konaté (1953), een vooraanstaand figuur in de hedendaagse kunst in Mali, bestaat uit een opvallende combinatie van installaties en schilderijen. Na te hebben gestudeerd aan het Nationaal Kunst Instituut in Bamako heeft Konaté zijn schildersopleiding voltooid in Cuba. De meeste grootschalige werken van Konaté zijn gebaseerd op textiel, een makkelijk verkrijgbaar en goedkoop medium in Mali. Met textiel als een oneindig palet, verft, knipt, naait en borduurt Konaté stukjes katoen en de traditionele bazin-stof om zijn kenmerkende monumentale kleden te vervaardigen. Middels zijn creaties verwoordt Konaté zijn gedachten over de politieke, sociale en ecologische sfeer en de culturele tradities in het hedendaagse Mali. Zijn belangrijkste werken draaien om de politieke spanningen in de Sahel-regio, en sinds het begin van deze eeuw ook om de verwoestende gevolgen van aids voor de Malinese samenleving.

    Auteur: Lilian Diarra
    Vertaler: Menno Grootveld

    The Culture Trip
    VS, culturetrip.com
    Digitaal platform voor cultuur en lifestyle wereldwijd, met ruim 1,5 miljoen lezers per maand. Won vorig jaar de UK Website of the Year Award for Arts & Culture.