Volgens de islamitische kalender is de Saoedische koning Salman precies twee jaar aan de macht. Misschien wel zijn belangrijkste verdienste is het aanwijzen van zijn opvolger.
In de twee jaar dat hij op de troon zit, is koning Salman bin Abdoel-Aziz Al-Saoed een vernieuwende leider geweest die een aantal belangrijke problemen van Saoedi-Arabië heeft aangepakt. In zijn buitenlands beleid ging hij de confrontatie aan: geen van zijn voorgangers trad Iran zo onverzoenlijk tegemoet als hij. De oorlog in Jemen, die geen succes is geworden, draagt zijn politieke stempel nog het meest.
Onlangs vierde Salman dat hij, gemeten naar de islamitische kalender, twee jaar geleden de troon besteeg. De Saoedische leider oogstte lof voor een fundamentele koersverandering in het landsbestuur. Misschien was zijn belangrijkste beslissing wel om het opvolgingsproces zodanig bij te stellen dat een jongere generatie daarin eindelijk aan bod komt. Vanaf zijn eerste dag op de troon richtte de 81-jarige koning zich op de keuze van zijn opvolger.
Kort na zijn kroning benoemde Salman prins Mohammed bin Nayef tot vicekroonprins. Twee maanden later zette hij zijn halfbroer, prins Moeqrin, af, waardoor de 57-jarige Nayef kroonprins werd. Wanneer Nayef de troon bestijgt, zal hij de eerste Saoedische vorst zijn die geen zoon is van de oprichter van het moderne Saoedi-Arabië: koning Abdoel-Aziz Al-Saoed, die in 1953 overleed. Dit betekent een eerste generatiewisseling in het leiderschap.
Hij overleefde vier moordaanslagen door Al-Qaeda en ontwikkelde wereldwijd intensieve contacten met veiligheidsdiensten
Kroonprins Mohammed bin Nayef is zonder twijfel de meest gekwalificeerde prins van zijn generatie. Hij speelt al tien jaar een leidende rol in de oorlog van het koninkrijk tegen terrorisme. Hij overleefde vier moordaanslagen door Al-Qaida en ontwikkelde wereldwijd intensieve contacten met veiligheidsdiensten. Als kroonprins heeft hij de kans om zijn ervaring en deskundigheid te verbreden.
De zoon van de koning, vicekroonprins en minister van Defensie Mohammed bin Salman, heeft een creatief plan ontwikkeld om het koninkrijk tussen nu en 2030 te transformeren. Koning Salman heeft zijn zoon ongekende bevoegdheden toebedeeld, waaronder de leiding over de economie. Uit het plan ‘Saudi Vision 2030’ spreekt het inzicht dat de Saoedische verzorgingsstaat niet eeuwig op lage olieprijzen kan drijven. Een groot deel van het programma moet nog worden uitgevoerd, maar het is van cruciaal belang dat het koninkrijk de noodzaak van verandering erkent. Dit jaar is het zaak de visie verder uit te werken en de beginfase ervan uit te voeren.
De koning heeft zich gehouden aan de belofte van zijn voorganger, koning Abdoellah, om Saoedische vrouwen het recht te geven te stemmen en zich verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraden in het land. Dat is een belangrijke symbolische stap voor de monarchie. Ingrijpender beslissingen over vrouwenrechten zijn van cruciaal belang, wil Saudi Vision 2030 werken.
Het buitenlands beleid van Abdoellah was risicomijdend en behoedzaam. Tijdens de Arabische Lente voerde het koninkrijk de contrarevolutie in Bahrein en Egypte aan. In Jemen probeerde het Ali Abdoellah Saleh te vervangen door een volgzaam regime dat de Saoedische dominantie zou aanvaarden. In Syrië zag het koninkrijk een kans de oudste bondgenoot van Iran in de Arabische wereld ten val te brengen.
Salman heeft zich, nogmaals, veel agressiever en confronterender getoond dan zijn broer. De betrekkingen met Iran zijn verbroken, waardoor Iraniërs de hadj naar Mekka niet meer kunnen maken. Er is een veertig leden tellend islamitisch militair bondgenootschap (onder leiding van de Saoedische minister van Defensie) in het leven geroepen, zonder deelname van Iran en Irak. Vorige maand trad Oman, dat lange tijd geprobeerd heeft de spanningen in de Golf te verminderen, officieel toe tot de Saoedische militaire alliantie. Er is een agressieve inlichtingencampagne gelanceerd tegen Iraanse onderaannemers als Hezbollah. En er is geld gestuurd naar de rebellen die vechten tegen de Syrische president Bashar al-Assad.
De Saoedische betrekkingen met Washington waren onder Abdoellahs bewind bekoeld. Riyad was geschokt toen de Amerikaanse president Barack Obama de Egyptische president Hosni Moebarak tot aftreden trachtte te bewegen. Abdoellah voelde zich tot actie genoopt door de Amerikaanse druk op de soennitische monarchie van Bahrein om tegemoet te komen aan de hervormingseisen van de sjiitische meerderheid. Hij stuurde troepen over de Koning Fahddijk (die het eiland Bahrein met het Arabisch schiereiland verbindt) om de soennieten te steunen en de sjiieten te onderdrukken. Bijna zes jaar later zitten die troepen er nog steeds.
Salman deelt de scepsis van zijn voorganger over Obama. Hij wees een uitnodiging om naar Washington te komen af. Het koninkrijk heeft gedempte kritiek geuit op het Iraanse nucleaire akkoord en de opheffing van de sancties tegen Teheran. Toch heeft de regering-Obama in acht jaar tijd meer dan 110 miljard dollar aan wapens aan de Saoedi’s verkocht.
Slechts twee maanden nadat hij de troon had bestegen, intervenieerde Salman in Jemen. Dat was naar aanleiding van de inname van de hoofdstad door loyalisten van Saleh en de sjiitische Houthi-rebellen. Riyad vreesde dat de Iraniërs op het punt stonden een satellietstaat aan hun zuidgrens te creëren. Een door de Saoedi’s geleide coalitie heeft Jemen een blokkade opgelegd en in Aden een bevriende regering geïnstalleerd.
Elke tien minuten
Twee jaar later verhongert volgens Unicef elke tien minuten een Jemenitisch kind. Miljoenen Jemenieten zijn ondervoed en hebben geen medische zorg. Alle strijdende partijen dragen schuld aan deze humanitaire ramp. Maar de realiteit is dat de rijkste landen in de Arabische wereld het armste land in hun midden hebben aangevallen.
De internationale gemeenschap heeft vrijwel niets gedaan om het bloedbad te stoppen. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië hebben de oorlog gefaciliteerd door vliegtuigen, munitie, logistiek en inlichtingen te verschaffen. De Saoedi’s hebben de steun gekregen die ze nodig hadden om een oorlog te voeren. Slechts incidenteel hoeven zij zich in te houden, meestal als gevolg van druk van het Amerikaanse Congres en publieke verontwaardiging. Salman moet een manier vinden om de oorlog eervol te beëindigen. Saudi Vision 2030 wordt waarschijnlijk een illusie als het koninkrijk er niet in slaagt zich aan het Jemenitische moeras te ontworstelen.
Website die is opgericht door Jamal Daniel en zijn basis heeft in Washington DC. Nieuws en analyses uit het Midden-Oosten in zowel eigenhandige als vertaalde artikelen. Werkt samen met de grootste nieuwsorganisaties in het Midden-Oosten.
De enige manier om de oorlog in Jemen te beëindigen, is om het land in tweeën te delen, schrijft Saoedi-Arabië- expert Simon Henderson.
Het beleid van Saoedi-Arabië ten opzichte van Jemen stoelt sinds lange tijd op paranoia. Eerst betrof het paranoia ten aanzien van de Jemenieten zelf, nu zijn het de Iraniërs. De Houthi-rebellen in Jemen worden afwisselend ‘geholpen’, ‘gesteund’ of ‘geregisseerd’ door Iran. Het is duidelijk dat de Houthi’s een directe bedreiging vormen voor de internationaal erkende Jemenitische regering van president Abdu Rabbo Mansur Hadi, die nauwe banden heeft met Saoedi-Arabië. De rebellen hebben hem gedwongen het land te ontvluchten, nadat ze de krachten hadden gebundeld met de voormalige Jemenitische president (en lange tijd de grote tegenstander van de Saoedi’s) Ali Abdullah Saleh (die aanvankelik tegen de Houthi’s was, tot hij in 2012 onder dwang opstapte). Maar het valt sterk te betwijfelen of die rebellen, los van de Saoedische paranoia, echt een directe bedreiging vormen voor Riyad.
Desalniettemin heeft Riyad in ruil voor Amerika’s herstel van de betrekkingen met Teheran de VS om steun gevraagd bij de pogingen van de door de Saoedi’s geleide coalitie om Hadi weer aan de macht te brengen. (Vooralsnog prefereert Hadi nog even de veiligheid van een hotelsuite in Riyad.) Daarvoor heeft Riyad nog een extra troef in handen: Washington wil betrokkenheid en goedkeuring van de Saoedi’s bij de strijd tegen Islamitische Staat in Syrië en Irak, een strijd die wordt gevoerd door een coalitie onder aanvoering van de VS.
Angst, zo niet regelrechte paranoia, kenmerkt de Amerikaanse houding ten opzichte van Jemen
Angst, zo niet regelrechte paranoia, zou ook de omschrijving kunnen zijn van de Amerikaanse houding ten opzichte van Jemen. In het rotsgebergte van Jemen heeft Al-Qaida zijn regionale trainingskampen voor het Saoedische schiereiland, waar de acties werden voorbereid van de ‘ondergoed’-terrorist die in 2009 een vliegtuig van Northwest Airlines wilde opblazen en van de mannen die in 2015 de aanslag op Charlie Hebdo uitvoerden. Een in Jemen voorbereide terroristische aanslag is een reële mogelijkheid, en de Amerikanen zijn bereid heel te ver te gaan om zoiets te voorkomen. Ook een succesvolle aanslag op een Amerikaans marineschip, zoals in 2000 met een zelfmoordduikboot op de USS Cole in de haven van Aden, zou als zeer ernstig worden ervaren.
Tot vorig jaar de oorlog met de Houthi’s uitbrak, opereerden Special Forces van de VS vanuit de luchtmachtbasis Anad, even ten noorden van Aden. Ze speelden een kat-en-muisspel met de jihadi’s en waren soms wat succesvoller, zoals bij de moord met een Hellfire-raket op Anwar al-Awlaki, de fanatieke prediker (en Amerikaans staatsburger), in 2011. Nu worden VS-operaties opgezet vanuit het Afrikaanse Djibouti, aan de andere kant van de Rode Zee. De acties worden nog steeds voornamelijk door drones uitgevoerd. Ook zijn er verscheidene half-illegale operaties van Amerikaanse Special Forces op de grond.
Maar een cruciaal verschil tussen de belangen van Saoedi-Arabië en die van de VS springt meteen in het oog. Terwijl de aandacht van Riyad zich voornamelijk richt op de Iraanse steun aan de Houthi-rebellen die de hoofdstad en Noord-Jemen onder controle hebben, focussen de VS hun bezorgdheid op het zuiden.
Die twee aparte oorlogen van Riyad en Washington zijn met elkaar verbonden op een manier die voor buitenstaanders misschien niet meteen duidelijk is. De Saoedische en de Amerikaanse luchtmacht delen het luchtruim van Jemen. De twee landen moeten dus samenwerken en daarom het gedrag van de andere partij tolereren.
Maar die tolerantie staat onder druk. Al voor het afschuwelijke bombardement op een uitvaartcentrum in Sanaa op 8 oktober, met meer dan 140 doden en honderden gewonden, had de Amerikaanse bezorgdheid over de Saoedische gevechtstactiek al geleid tot het terugschroeven van de samenwerking. Er werd minder informatie uitgewisseld over de zwaarte van de bommen, en over van welke hoogte, uit welke richting en op welk moment van de dag deze zouden worden ingezet (belangrijk bij het beperken van de collateral damage, ofwel het aantal burgerslachtoffers). De Saoedi’s hadden al klinieken en scholen gebombardeerd, en hun rechtvaardiging daarvan, namelijk dat de Houthi’s daar (of er vlakbij) militaire opslagplaatsen en hoofdkwartieren hadden gevestigd, was zeer discutabel.
Verstandig
Het bombarderen van een begrafenisplechtigheid op 8 oktober was zowel een humanitaire ramp als een grote tactische catastrofe voor de oorlog tegen de Houthi’s. Ook al was het doelwit een politicus die nauwe banden had met de Houthi’s, het bombarderen van zo’n plechtigheid was strijdig met de ethiek van het Amerikaanse leger. De Saoedi’s lieten alleen weten dat er een ‘vliegtuig van de coalitie’ bij betrokken was, een formulering die ongelukkigerwijs suggereerde dat het om door Amerika geleverde F-15’s ging, die munitie van Amerikaanse makelij bij zich hadden. De machtscentra in Washington – het Witte Huis, het Congres en de media – schreeuwden moord en brand.
De opdeling van Jemen, een wens die Ibn Saud [de stichter van Saoedi-Arabië] op zijn sterfbed uitsprak, zou voor alle partijen de verstandigste oplossing zijn. Het Zuiden wil het. Hadi geeft er zelf waarschijnlijk ook de voorkeur aan. De cruciale buitenlandse macht in de regio, de Verenigde Arabische Emiraten, zou het ook de beste optie vinden. Omdat Iran het druk heeft met problemen elders, is dat land er waarschijnlijk ook niet tegen. Dan hangt het er dus waarschijnlijk van af of Saoedi-Arabië, en in het bijzonder Mohammad bin Salman (de minister van Defensie en plaatsvervangend kroonprins), van de wijsheid van zijn grootvaders laatste woorden overtuigd kan worden. Om een volgende catastrofe met burgerslachtoffers in Jemen of een terroristische aanslag in de Verenigde Staten te kunnen voorkomen zal Washington waarschijnlijk te veel in beslag worden genomen door de presidentswisseling. Maar het probleem van Jemen, of van de twee Jemens, ligt al te wachten op de volgende president.
Foreign Policy
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 106.000
Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.
Als winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede kreeg Obama veel kritiek op zijn inzet van drones voor het uitschakelen van terroristen. Maar zijn staat van dienst op dit gebied is genuanceerder dan je misschien zou verwachten.
Op 5 maart van dit jaar voerden de VS met onbemande drones en bemande vliegtuigen een bombardement uit op wat de regering omschreef als een kamp van Al-Shabaab, bijna 200 kilometer ten noorden van Mogadishu. Daarbij zouden zo’n honderdvijftig leden van de terreurbeweging zijn gedood. Volgens de regering vormden deze strijders een directe bedreiging voor de troepen van de Afrikaanse Unie waar Amerikaanse adviseurs mee samenwerken, al werd daarvoor geen bewijs aangevoerd. Het nieuws dat Amerika aan de andere kant van de wereld, in een land waarmee het niet in oorlog is, honderdvijftig niet nader genoemde mensen had gedood, kreeg in eigen land nauwelijks aandacht, laat staan dat het enige ophef veroorzaakte. Het op afstand en buiten oorlogsgebied doden van mensen lijkt de gewoonste zaak van de wereld te worden.
Een opvallende ontwikkeling, des te meer omdat die zich heeft voorgedaan onder Obama, die bij zijn aantreden toch het imago van antioorlogspresident had – in zo sterke mate dat hij misschien wel als enige man ter wereld de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen op basis van wishful thinking. Als president voert onze Nobelprijswinnaar nu al langer oorlog dan al zijn voorgangers. Hij heeft in zeven landen militair geweld ingezet: Afghanistan, Irak, Syrië, Pakistan, Libië, Jemen en Somalië. In de laatste vier landen bestaat dat geweld bijna volledig uit onbemande drones die terreurverdachten executeren die banden zouden hebben met Al-Qaida of ‘daaraan gelieerde machten’.
Dat een antioorlogspresident het gebruik van drones zo aantrekkelijk vindt, moet een teken aan de wand zijn. In de woorden van Hugh Gusterson in Drone: Remote Control Warfare:
Als buitenrechtelijke liquidaties al zo’n aantrekkingskracht uitoefenen op een president die vroeger staatsrecht doceerde, die van begin af aan tegen de oorlog in Irak was, die een eind maakte aan het martelprogramma van de CIA en die bij zijn aantreden de intentie uitsprak om het detentiekamp in Guantanamo Bay te sluiten, dan is het onwaarschijnlijk dat eender welke opvolger de verleiding van de drone zal kunnen weerstaan.
Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.
En we moeten ons dan niet alleen zorgen maken om president Trump of Clinton. Andere landen zullen ook niet schromen om naar het middel van onbemande luchtaanvallen te grijpen om problemen buiten hun landsgrenzen ‘op te lossen’. Israël, het Verenigd Koninkrijk, Iran, Irak, Nigeria en Pakistan hebben het voorbeeld van de VS al gevolgd en zetten inmiddels ook bewapende drones in. China heeft ze in de aanbieding voor 1 miljoen dollar per stuk. Het zal niet lang meer duren voordat het grootste deel van de ontwikkelde wereld over dit wapen beschikt. En als andere landen een precedent zoeken, is Obama’s staat van dienst op dit gebied het eerste waarnaar ze zullen wijzen.
Wat is die staat van dienst? En wat kan en moet hij nu nog doen om de risico’s te verkleinen van een met drones bewapende wereld? Sommige critici stellen Obama’s staat van dienst op dit vlak gelijk aan de oorlogsmisdaden van zijn voorganger Bush. Zo beweert Glenn Greenwald in het nawoord bij The Assassination Complex dat Obama’s dronebeleid ‘de slechtste kanten belichaamt van wat de war on terror van Bush en Cheney zo funest maakte’. Greenwald vat Obama’s benadering van drones als volgt samen:
De kern van zijn drone-moordprogramma is dat hij en hij alleen bij machte is om overal ter wereld mensen, ook Amerikaanse burgers, op de korrel te nemen en eenzijdig het bevel te geven om hen te executeren, op basis van zijn overtuiging dat het beoogde slachtoffer een terrorist is.
Droneaanvallen zijn van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost
Als dat inderdaad zijn beleid was, zouden de verwijten van Greenwald en tal van andere critici terecht zijn. Maar het klopt niet. Ten eerste maakt Obama geen aanspraak op het recht om af te rekenen met ‘terroristen’, maar alleen met personen die onze tegenstander zijn in een door het Congres gesanctioneerd gewapend conflict met Al-Qaida en daaraan gelieerde organisaties. En het recht om vijanden in een gewapend conflict te doden is zo oud als het fenomeen oorlog zelf.
Ten tweede maakt Obama geen aanspraak op het recht op de inzet van dodelijk geweld ‘overal ter wereld’, maar alleen in oorlogsgebieden, en daarbuiten alleen tegen vijandelijke strijders die een direct gevaar vormen dat niet op een andere wijze kan worden bestreden – meestal omdat het land waar zo’n strijder zich bevindt niet in staat is hem gevangen te nemen. Als zo’n land de vijand wel kan oppakken en berechten, is executie volgens onze regering geen optie.
Ten derde blijkt uit meerdere bronnen, waaronder Greenwalds eigen website The Intercept, dat Obama zijn doelwitten zeker niet op eigen houtje kiest. Hij heeft een uitgebreid proces opgetuigd waarbij de informatie en adviezen van allerlei hooggeplaatste functionarissen in de krijgsmacht en de regering worden meegewogen voordat een gerichte actie wordt goedgekeurd.
Minder drone-inzet
Het is ook belangrijk om op te merken dat Obama’s beleid en praktijk ten aanzien van de inzet van drones in de loop van zijn regeerperiode sterk is veranderd. Zijn eerste jaren in het ambt werden gekenmerkt door een agressieve uitbreiding van het droneprogramma. Zo zijn er volgens de New America Foundation onder Bush 48 drone-aanvallen uitgevoerd in Pakistan, met tussen de 377 en 558 doden tot gevolg, terwijl er onder Obama 355 aanvallen werden uitgevoerd, met in totaal tussen de 1907 en 3067 doden tot gevolg. Maar nadat het aantal droneaanvallen in Pakistan in 2010 piekte met 122, is het sindsdien ieder jaar gedaald. In 2015 zijn er in Pakistan slechts tien aanvallen uitgevoerd en dit jaar tot nu toe nog maar drie. Ook het aantal droneaanvallen in Jemen is gedaald, van een piek van 47 in 2012 tot 24 in 2015 en negen in dit jaar. Obama’s neiging om drones in te zetten is in zijn tweede ambtstermijn dus beduidend zwakker dan in zijn eerste.
Volgens critici kosten drones veel levens van onschuldige burgers. Ook hier is het beeld gecompliceerd. De VS hebben jarenlang geweigerd droneaanvallen te erkennen, en legden dus ook geen publieke verantwoording af over de slachtoffers die daarbij vielen en over de vraag of dat strijders of burgers waren. Diverse onafhankelijke organisaties proberen in die leemte te voorzien, maar het is buitengewoon moeilijk om aan accurate gegevens te komen.
Het Londense Bureau of Investigative Journalism kwam met de schatting dat in Pakistan, Jemen en Somalië samen tot 24 mei 2016 tussen de 493 en 1168 burgers zijn omgekomen door Amerikaanse droneaanvallen. De New America Foundation is voorzichtiger en houdt het op 370 tot 448 burger-doden in dezelfde drie landen. Na zevenenhalf jaar over het onderwerp te hebben gezwegen, meldde de regering op 1 juli jongstleden zelf dat er tussen januari 2009 en december 2015 64 tot 116 burgers zijn omgekomen bij 473 ‘terreurbestrijdingsoperaties buiten actieve conflictgebieden’. Daarbij werden Irak, Syrië en Afghanistan expliciet als ‘actieve conflictgebieden’ aangemerkt, dus het rapport bevatte geen cijfers over de hoeveelheid burgerslachtoffers die er in die landen zijn gevallen, al mag je ervan uitgaan dat het om aanzienlijke aantallen gaat.
De discrepantie met de cijfers van organisaties als de New America Foundation was volgens de regering het gevolg van de veronderstelde superioriteit van haar eigen inlichtingenwerk en het feit dat onafhankelijke organisaties zich baseren op nieuwsbronnen die mogelijk vatbaar zijn voor terroristische propaganda. Maar in 2011 beweerde John Brennan, Obama’s toenmalige adviseur voor de nationale veiligheid, dat er in het jaar daarvoor niet één onschuldige burger was omgekomen als gevolg van een drone-aanval: terroristen zijn dus niet de enigen die propaganda maken.
De beschuldiging dat droneaanvallen zo veel burgerslachtoffers eisen, roept enerzijds de vraag op: in vergelijking waarmee dan? In één opzicht lijkt het vreemd om juist droneaanvallen te bekritiseren omdat er burgerslachtoffers bij vallen. Zoals Avery Plaw van de Universiteit van Massachusetts in Dartmouth overtuigend aantoont in Killing by Remote Control, zijn droneaanvallen van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost. Bemande vliegtuigen kunnen veel minder precies te werk gaan, omdat ze niet urenlang in de lucht kunnen blijven hangen om te wachten op het ideale moment om toe te slaan. En grondtroepen resulteren bijna onvermijdelijk in meer collateral damage dan een droneaanval.
Dat er burgerslachtoffers vallen is te wijten aan allerhande factoren, met als voornaamste dat het moeilijk is om ‘de vijand’ te lokaliseren als die zich tussen burgers verschuilt en geen uniform draagt. Gebrekkig inlichtingenwerk is een andere oorzaak, evenals een te groot vertrouwen in de belgegevens van telefoons waarvan je niet zeker kunt weten of ze echt in handen zijn van het beoogde slachtoffer. Zoals The Intercept hoorde van een voormalige dronebestuurder: ‘We jagen niet op mensen maar op hun telefoon – in de hoop dat de persoon die we treffen ook daadwerkelijk de boef is.’ Of zoals Michael Hayden in 2014 zei, in een debat met mij aan de Johns Hopkins-universiteit: ‘We doden mensen op basis van belgegevens.’
Het aantal burgerslachtoffers van droneaanvallen buiten oorlogsgebieden is de afgelopen jaren niettemin sterk gedaald. Zo maakt de New America Foundation melding van 49 tot 63 doden in Pakistan in 2011, maar heeft het er van 2014 tot 2016 slechts twee geteld. In Jemen meldt het zestien burgerdoden in 2012, maar slechts vijf in 2014 en tot nu toe niet een in 2015 en 2016. De cijfers van het Bureau of Investigative Journalism vallen doorgaans hoger uit, maar ook daar is sprake van een daling en zie je de laatste jaren nog maar heel weinig burgerslachtoffers.
Betere cijfers
Eén reden voor die betere cijfers schuilt misschien in de nieuwe standaard voor droneaanvallen buiten conflictgebieden, die Obama in mei 2013 aankondigde. In een toespraak voor de National Defense University en in een gelijktijdig uitgevaardigde geheime presidentiële beleidsrichtlijn zei hij gerichte aanvallen buiten oorlogsgebieden alleen nog te zullen toestaan als 1) het doelwit een aanhoudende bedreiging vormt voor Amerikaanse burgers, 2) gevangenneming niet haalbaar is en de dreiging niet op een andere wijze kan worden geneutraliseerd, en 3) het vrijwel zeker is dat bij de actie geen doden of gewonden onder burgers zullen vallen. Diverse critici, waaronder ikzelf, hebben kritiek geuit op de ruime betekenis die aan de term ‘aanhoudende bedreiging’ wordt gegeven en gevraagd wat de regering precies bedoelt met de ‘haalbaarheid’. Maar bij een strenge uitleg van die woorden kun je er eigenlijk niet zo veel meer op tegen hebben en valt te verwachten dat er minder aanvallen worden uitgevoerd, en dat er daarbij ook minder burgerslachtoffers vallen.
Het dronebeleid van Obama laat dus een gemengd beeld zien. In zijn eerste ambtstermijn was het een middel waarvan hij intensief gebruikmaakte, in zijn tweede termijn is hij steeds selectiever geworden. Daar zijn waarschijnlijk twee belangrijke redenen voor. Ten eerste heeft Obama in de loop van zijn regeerperiode, mede in reactie op de brede kritiek, steeds meer openheid over het droneprogramma gegeven – al ging dat met horten en stoten. Na een toespraak van toenmalig juridisch adviseur van Buitenlandse Zaken Harold Koh, in maart 2010, is de regering begonnen het programma publiekelijk te verdedigen en steeds meer details prijs te geven. Transparantie dwingt je om verantwoording af te leggen: het is geen toeval dat grotere openheid geleid heeft tot voorzichtiger beleid en grotere terughoudendheid bij de inzet van drones.
Ten tweede heeft de regering misschien meer oog gekregen voor de strategische nadelen van de aanvankelijke nadruk op drones. Enerzijds zijn droneaanvallen een effectieve manier om gevaarlijke individuen op moeilijk toegankelijke plaatsen uit te schakelen. Zoals Audrey Cronin opmerkt in Drones and the Future of Armed Conflict:
De dreiging van drones heeft terroristische operaties verstoord en uit koers geslagen. Het dwingt Al-Qaida en zijn bondgenoten hun gedrag aan te passen, zodat ze vooral nog bezig zijn te overleven en ernstig worden belemmerd in hun bewegingsvrijheid en hun mogelijkheden om operaties te plannen en uit te voeren.
Het gebruik van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt
Anderzijds schrijft Cronin ook dat droneaanvallen ‘niet kunnen voorkomen dat de leiders worden opgevolgd en de organisatie doorgaat met het maken van propaganda en het uitvoeren van lokale aanslagen’. En als drones haat zaaien en daarmee de steun voor onze vijand vergroten, zijn ze misschien contraproductief. De meeste berichten lijken daarop te wijzen. Generaal Stanley McChrystal, die het bevel voerde over de Amerikaanse troepen in Afghanistan, zei in 2013 tegen The Huffington Post dat droneaanvallen ‘een beeld van Amerikaanse arrogantie’ creëren en ‘hartgrondige’ haat oproepen. In 2012 bleek uit peilingen dat 90 procent van de Pakistanen tegen droneaanvallen was en 74 procent de VS als vijand beschouwde. En dat terwijl Pakistan de op een na grootste ontvanger van Amerikaanse financiële steun is, na Afghanistan, en nog vóór Israël.
Juist hun specifieke kwaliteiten maken drones zo verleidelijk. Het gebruik van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt. En daardoor, zo waarschuwt Gusterson, kunnen drones leiden tot ‘een vorm van permanente kleinschalige militaire operaties waardoor de grens tussen oorlog en vrede dreigt te vervagen’.
De vraag voor Obama is of hij de geschiedenis wil ingaan als de leider die het tijdperk van permanente, kleinschalige oorlogvoering per drone heeft ingeluid. Andere leiders, zowel in Amerika als elders, zullen in zijn optreden een rechtvaardiging voor hun eigen handelwijze zoeken.
Het ligt volledig binnen Obama’s macht om een minder dubieuze erfenis inzake drones achter te laten. Daarvoor moet hij dan nog wel een aantal andere hervormingen door-voeren. Het is niet genoeg, zoals een voormalige hoge regeringsmedewerker me uitlegde, om de presidentiële richtlijn voor de inzet van drones openbaar te maken: hij moet er een presidentieel decreet van maken, zodat het voor zijn opvolger moeilijker wordt om ervan af te wijken. En hij moet de in die richtlijn geformuleerde strenge voorwaarden als uitgangspunt nemen voor gesprekken met onze NAVO-bondgenoten over een algemeen aanvaarde standaard voor de inzet van drones buiten oorlogsgebieden. Of we het leuk vinden of niet, drone-aanvallen horen bij de oorlogvoering van de toekomst, en de hele wereld heeft er belang bij om op internationaal niveau een hoge drempel op te werpen tegen de inzet van dat middel.
Het overheidsrapport over burgerslachtoffers van 1 juli is wat dat betreft een belangrijke stap vooruit. Het is de eerste poging om verantwoording af te leggen over de resultaten van het gebruik van drones. Het op dezelfde dag uitgevaardigde presidentiële decreet verplicht de regering om hierover voortaan jaarlijks een rapport uit te brengen. Ook verplicht het alle partijen die zijn betrokken bij de inzet van geweld, zowel binnen als buiten oorlogsgebied, om het aantal burgerslachtoffers tot een minimum te beperken en ‘indien van toepassing en in overeenstemming met de doelstelling van de missie’ fouten te erkennen en schadeloosstelling te betalen aan burgerslachtoffers of hun nabestaanden. De regering verdient hiervoor alle lof.
Maar de nieuwe openheid en het presidentieel decreet schieten op belangrijke fronten ook ernstig tekort. Door alleen totaalcijfers te geven over de hele afgelopen periode van zeven jaar, maakt de regering het onmogelijk haar cijfers te vergelijken met de door ngo’s gedocumenteerde individuele incidenten. Daarbij komt dat het presidentiële decreet weliswaar geldt voor álle burgerslachtoffers van oorlogsgeweld, maar dat de jaarlijkse verplichte rapportage alleen burgerslachtoffers buiten actieve conflictzones betreft. Burgerslachtoffers verdienen altijd erkenning, waar ze ook vallen. Voor deze beperking van de jaarlijkse rapportage geeft de regering geen verklaring.
Formeel toezicht
Het belangrijkste wat Obama moet doen betreft niet alleen de formulering van algemene richtlijnen voor drone-inzet, maar de implementatie daarvan. De bevoegdheid om iemand van het leven te beroven moet een strak juridisch kader krijgen. En om daarover verantwoording te kunnen afleggen is een vorm van formeel toezicht vereist.
In Israël moeten alle gerichte liquidaties na afloop door de rechter worden getoetst. Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het de kant op dat er zelfs rechterlijke toetsing wordt geëist voor doden die op het slagveld vallen. Maar onder president Obama hebben de VS duizenden personen ver van enig slagveld geëxecuteerd zonder daarvoor ooit specifieke verantwoording af te leggen, met als enige uitzondering de liquidatie in september 2011 van Anwar al-Awlaki, een Amerikaans staatsburger. De regering heeft nooit uitgelegd wie er zijn gedood, op basis waarvan de besluiten zijn genomen en wat de daadwerkelijke gevolgen van specifieke droneaanvallen zijn geweest.
Het op het slagveld doden van vijandelijke strijders wordt in oorlogstijd geaccepteerd en vereist doorgaans geen afzonderlijke rechtvaardiging: dat iemand een vijand is, is dan rechtvaardiging genoeg. Maar een land dat het recht opeist om specifieke personen buiten oorlogsgebieden te elimineren op basis van hun vermeende wandaden, moet dat kunnen verantwoorden – en moet dat zo veel mogelijk openbaar doen. Aan een dergelijke verantwoording heeft het tot nu toe ontbroken. Geheime executies zijn niet verenigbaar met de rechtsstaat. Dat is het werk van doodseskaders, niet van een democratie.
Zoals Obama in 2013 in zijn toespraak op de National Defense University zei: ‘Dezelfde menselijke vooruitgang die ons de technologie schenkt waarmee we aan de andere kant van de wereld een aanval kunnen uitvoeren, legt ons ook de plicht op om die macht te beteugelen – of het risico te lopen dat we er misbruik van gaan maken.’ Hij is nu nog in de gelegenheid om die macht aanzienlijk te beteugelen. Als hij die kans niet grijpt, zal hij de geschiedenis ingaan als de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede die verantwoordelijk is voor de doorbraak van een vreselijk gevaarlijke en ethisch dubieuze vorm van oorlogvoering. Dat is niet de Obama die ik me wil herinneren.
Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.
Omdat technologie het tegenwoordig mogelijk maakt om zelfs stof uit het verleden te reproduceren, kunnen alle door IS verwoeste gebouwen in Palmyra probleemloos worden hersteld. Maar moet je dat wel willen?
Simon Jenkins.
JA
De herovering van de Syrische woestijnstad Palmyra moet iedereen die de vroegere glorie van deze plek heeft gekend plezier doen. Maar nu het stof is neergedaald, arriveert er een nieuw leger: dat van de archeologen, met allerlei vragen, als: hoeveel moet er worden gerestaureerd, hoe en door wie? En van wie is Palmyra eigenlijk, van Syrië of van de hele wereld?
Voor de verandering wordt er eens niet gedraald. De directeur van de Syrische Dienst voor Oudheden, Maamun Abdelkarim, bezoekt Palmyra deze week om het puin van de gevierde stad te bekijken en voor de herbouw ervan te pleiten. De grootste weldoener en bondgenoot van Syrië, Rusland, heeft de restauratie van Palmyra al vergeleken met die van Leningrad na de Tweede Wereldoorlog. In Italië heeft de vroegere minister van Cultuur Francesco Rutelli ambitieuze plannen om de gevallen tempels van Palmyra met behulp van digitale printtechnieken te reconstrueren.
De fotografie is tenslotte ook niet ten onder gegaan aan een gebrek aan authenticiteit
De Amerikaanse jurist-archeoloog Roger Michel gebruikt momenteel soortgelijke technologie met behulp van Harvard en Dubai. Hij beweert dat zijn printers niet alleen de textuur en de oppervlaktecontouren van de steen kunnen reproduceren, maar ook de fysieke structuur ervan. Zij kunnen zelfs het oorspronkelijke stof van een ruïne reconstrueren. Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog heeft de Raad van Europa een nieuwe ideologie ten aanzien van het cultureel erfgoed ontwikkeld. Dat moet worden gestabiliseerd en ‘bewaard blijven zoals het is aangetroffen’. Deze ‘modernistische’ aanpak lag ten grondslag aan het onvermogen van Groot-Brittannië om de steden die tijdens de Blitz werden verwoest te restaureren. Wat in het grootste deel van Europa als hersteld erfgoed werd beschouwd, ging in Engeland door voor betekenisloze nostalgie.
Uiteraard gaat het over een ‘kopie’ en ontbeert het derhalve ‘authenticiteit’. Maar wat geeft dat? De fotografie is tenslotte ook niet ten onder gegaan aan een gebrek aan authenticiteit. Het Westen heeft het Midden-Oosten politieke en militaire rampen gebracht. De plicht om dat recht te zetten lijkt overweldigend. Zelfs nu nog verwoesten westerse (en Saoedi-Arabische) straaljagers de oude Arabische stad Sanaa in Jemen. Dit is een wereld die dateert van de vroegste tijdperken van de klassieke, christelijke en islamitische cultuur. Het is iedereens erfgoed. Misschien kunnen deze oorlogen de grootste historische revival sinds 1945 opleveren. Het obstakel is niet (een gebrek aan) wilskracht of middelen, maar het onvermogen van veel enthousiastelingen om adequaat samen te werken, of een stompzinnige academische afwijzing van een technologie die de wereld opnieuw kan laten genieten van de wonderen van het verleden.
Sir Simon Jenkins is een gerenommeerd journalist en commentator. Hij werkt (nu) voor The Guardian, de Evening Standard en de BBC, maar heeft bijdragen geleverd voor vrijwel elk Brits medium met enig aanzien. Tussen de bedrijven door schrijft hij lijvige politieke boeken.
Jonathan Jones.
NEE
Palmyra mag niet ‘herrijzen’, zoals de directeur van de Syrische Dienst voor Oudheden heeft beloofd. Palmyra mag niet veranderen in een replica van zijn vroegere glorie. Wat resteert van deze oude stad na de verwoesting ervan door IS – en dat is gelukkig méér dan vele mensen vreesden – moet op tactvolle, gevoelige en eerlijke wijze worden bewaard. De eerlijkheid moet beginnen bij de nieuwe roem van Palmyra. Voordat IS deze buitengewone Syrische plaats vorig jaar innam, was Palmyra een naam die vooral bekend was onder archeologen, historici en classici. Door het opblazen van een paar van de mooiste monumenten en het voltrekken van onmenselijke wreedheden tussen alle pracht en praal van Palmyra, heeft het terroristenleger de naam van de plek voorgoed in ieders geheugen gegrift.
Als de Syrische tragedie ooit ten einde komt, als er ergens in de toekomst een vreedzaam Syrië zal bestaan, zullen de toeristen naar een stad toe stromen die nu wordt gezien als een soort Pompeii in de woestijn. En wat zullen ze daar aantreffen? Ruïnes, uiteraard. Palmyra lag al in puin voordat Is de stad bezette en ligt vandaag nog steeds in puin. Mycene, Machu Picchu, het Forum Romanum – ze zijn allemaal niet meer intact of ongeschonden. De sfeer en de poëzie ervan zijn gelegen in hun aantasting door tijd, natuur en geschiedenis. Hoe kunnen deze vreselijke verliezen worden goedgemaakt?
Het is altijd ontroerender om de echte dingen uit het verleden te zien – hoezeer ze ook beschadigd zijn – dan namaak
Dat is de vraag die archeologen zich stellen, en dat lijkt ook de hele wereld te verwachten, maar het zou wel eens de verkeerde benadering kunnen zijn. Restauratie is een delicate kunst, en het op een verantwoorde manier behouden van oudheden kan betekenen dat de onontkoombaarheid van het verlies moet worden aanvaard, waar herbouw allerlei valstrikken met zich meebrengt. In Palmyra moet nu eerst de schade zorgvuldig worden vastgesteld. Als er genoeg stukken metselwerk en beeldhouwwerk bewaard zijn gebleven, en in voldoende herkenbare vorm, kan het mogelijk zijn delen van gebouwen of zelfs hele structuren opnieuw overeind te zetten.
Aan de andere kant doen we de waarheid misschien meer recht als we die fragmenten in een speciaal geconstrueerd museum tentoonstellen. In ons tijdperk van digitale scanners, satellietfotografie en 3D-printers is het verleidelijk te bezwijken voor de zinsbegoocheling dat iedere ruïne gerestaureerd kan worden. Maar de harde les van drie eeuwen moderne archeologie is dat overrestauratie het verleden schade louter toebrengt. Het is altijd ontroerender om de echte dingen uit het verleden te zien – hoezeer ze ook beschadigd zijn – dan namaak. De verleiding om Palmyra te ‘repareren’ en het eruit te laten zien als aan het begin van 2015 is begrijpelijk. Maar zo is de geschiedenis niet. Ter wille van de waarheid, en als een waarschuwing richting de toekomst, moet de situatie nu grotendeels zo blijven als zij is.
Auteur: Jonathan Jones
Jonathan Jones is een Britse kunstcriticus. Sinds 1999 schrijft hij voor The Guardian. Hij trad op in de BBC-serie The Private Life of a Masterpiece en was juryvoorzitter van de Turner Prize. Hij staat bekend om zijn provocatieve stijl.
The Guardian (2x)
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
In het westen gelden de troepen van de ‘Islamitische Staat’ als symbool van het kwaad. In Irak is dat anders; daar zijn veel mensen banger voor hun vijanden. De staat valt uiteen – en in Bagdad wordt een smalle straat tot frontlinie.
Ten einde raad zit ik op het bed van mijn hotelkamer in Bagdad, mobieltje in de hand. Mijn hand trilt. Ik wil het nummer van de redactie in Hamburg bellen, en tik steeds weer verkeerd. Een paar minuten geleden ben ik gebeld. ‘Goedendag,’ zei een ambtenaar van het Bundeskriminalamt [de federale recherche] in Berlijn. ‘Er dreigt een ontvoering voor u en uw fotograaf.’ De ontvoerders zouden onze namen en ons hotel kennen. Wie ons bedreigde wist hij niet. Wanneer ze ons wilden kidnappen ook niet. Waarschijnlijk kon het elk moment gebeuren.
Haastig pakken we in: passen, geld, notities, camera’s. De ritssluiting van de rugzak zit vast. Ik trek en ruk. Ik hoor voetstappen voor mijn deur. Ik luister. De voetstappen verwijderen zich. Ik loop naar het raam, zie beneden bij de ingang een groep jonge mannen die naar boven kijken. Ze lachen. Als ik even later nog eens naar beneden kijk, zijn ze verdwenen. Uit de Duitse ambassade komt het bericht dat men overweegt een bewapend konvooi te sturen om ons te redden. Zo eindigt ons onderzoek.
Bagdad was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden
Reizen naar Irak zijn al jaren reizen naar een wereld in verval. Maar zelden heeft een reis in dit land me zo van mijn stuk gebracht. Bagdad, een metropool met zeven miljoen inwoners, was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden. De meeste uitvalswegen zijn geblokkeerd of extreem onveilig. De strijders van Islamitische Staat belegeren Bagdad in het westen en in het noorden. Ze hebben duizenden mensen vermoord en een paar dagen geleden is de antieke vestingstad Hatta verwoest. Hun bulldozers veranderden de millennia oude gebouwen in stof.
Wat vanuit Europa vaak lijkt op een strijd tussen fanatieke en gematigde moslims, is feitelijk een conflict tussen de beide grote geloofsrichtingen in de islam. Voor IS strijden uitsluitend soennieten, de belangrijkste soennitische stammen hebben met de fanatici een gelegenheidsverbond gesloten. Het Iraakse leger, waarin aanhangers van beide geloofsrichtingen samen dienden, is grotendeels uiteengevallen omdat de meeste soennieten hun eenheden in de steek hebben gelaten. De verdediging van de stad is overgenomen door een inderhaast samengesteld leger van sjiitische milities. Ze konden de opmars van IS tot staan brengen en maken zich nu op voor een tegenoffensief. Er dreigt een grote catastrofe in het Midden-Oosten: de definitieve ineenstorting van Irak. Een openlijke oorlog tussen soennieten en sjiieten. Elke overwinning in deze oorlog zou een nederlaag zijn.
Twee weken voor de dag waarop we horen dat we ontvoerd zullen worden, zien we voor het eerst de straat die heel onschuldig ‘Straat van de bomen’ heet, en die in werkelijkheid een straat van angst is. Die markeert in het westen de lijn waarlangs Irak uit elkaar wordt gerukt, de grens tussen sjiieten en soennieten, de grens tussen degenen die driemaal per dag bidden en degenen die het vijf keer doen. Tussen hen die bij het gebed de handen langs hun zij laten hangen en hen die ze voor hun buik vouwen. Tussen degenen die eeuwen geleden van mening waren dat slechts één familielid van de profeet Mohammed de opvolger van de godsdienststichter kon worden, en degenen die dat een ketterij vonden.
De Straat van de bomen is de grens tussen twee buitenwijken in het westen van Bagdad, het soennitische Ghasalija en het sjiitische Shuala. Slechts tien kilometer hiervandaan begint het kalifaat van IS. Hoe verder je de straat inrijdt, hoe moeilijker het wordt waanzin van redelijkheid, en redelijkheid van waanzin te onderscheiden. En hoe begrijpelijker de krankzinnigheid wordt die zoveel soennieten naar IS drijft.
Bij de toegang tot de Straat van de bomen danst een politieagent dromerig met uitgestrekte armen, op zijn rug een kalasjnikov. ‘Kom!’ zingt hij. ‘Vooruit!’ Hij draait om zijn as, hupt op de punten van zijn laarzen, regelt het verkeer met armgebaren, lacht. Als in trance staat hij daar tussen de betonblokken van zijn controlepost, die vaak het doel is van aanslagen. ‘Drugs,’ zegt Moataz, onze chauffeur, die veel meer is dan chauffeur. Moataz rijdt ons in zijn gele taxi de stad uit, tot aan het eind van de straat. Niet te snel, niet te langzaam, om maar niet op te vallen. Moataz is eenendertig, gemoedelijk en zo dik dat hij nauwelijks achter het stuur past. Hij woont in de buurt en kent de gevaren. De Straat van de bomen is nog geen tien meter breed. Aan beide zijden groeien palmen. De huizen links, waarin de soennieten wonen, verschillen op het eerste gezicht helemaal niet van die rechts, waarin de sjiieten leven. Bruine gebouwen met een verdieping, met kleine tuintjes en grote dakterrassen.
nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak.
Vrijwel niemand steekt de straat over. We rijden langs een voetbalstadion. Het werd in 2012 aan de sjiitische kant gebouwd als teken van verzoening, maar is nog nooit werd gebruikt omdat niemand daar durft te spelen. We passeren een soennitische moskee, waarvan de muren zwaar beschadigd zijn door granaatinslagen. Sjiitische milities hebben die in 2007 onder vuur genomen omdat zich er scherpschutters van Al-Qaida verschanst hadden. De imam werd onlangs op straat dood geschoten, nu vreest de opvolger voor zijn leven.
Aan de sjiitische kant woont de vijfentwintigjarige Muktada. Hij is een van de bewoners van de grensstraat die met ons durven te spreken. Over enkele dagen gaat Muktada trouwen; hij moet meubels kopen, beddengoed en sieraden. ‘Je moet niet bang zijn,’ zegt hij tegen zijn bruid, die na de bruiloft bij zijn familie zal intrekken. ‘Dan ben je bij mij, ik zal je beschermen.’
We zullen hem, zoals al onze gesprekspartners, buiten de wijk ontmoeten, op een plek die veilig is voor alle betrokkenen. Wij, de journalisten, vrezen ontvoerd te worden. Onze gesprekspartners zijn bang met ons gezien te worden. Dan zouden er snel geruchten kunnen ontstaan dat zij zich verhuren als spionnen voor westerse geheime diensten.
Door de autoruiten zien we nu aan de soennitische kant het huis van een kleuterschooljuf. Ook zij heeft het deze dagen druk. Het nieuwe schooljaar begint. Ze wil een groot feest geven om de tweehonderd nieuwe kinderen en hun ouders te verwelkomen. ‘Het feest,’ zal ze ons vertellen, ‘moet perfect worden.’
Twee wijken
De straat scheidt twee wijken die ooit deel wilden zijn van een trotse natie. Links, aan de soennitische kant, ligt Ghasalija, de ‘stad van de vrede’, een naam die de voormalige dictator en soenniet Saddam Hoessein de wijk gaf. Er wonen honderdduizend mensen. Eengezinswoningen met goed onderhouden tuinen verlenen Ghasalija de charme van een Amerikaanse buitenwijk. Voor de Amerikaanse invasie woonden hier militairen en academici. Ghasalija was opgezet als een organogram van de Iraakse staat. Er waren speciale gebieden voor piloten, atoomtechnici, journalisten en bewakers van de presidentiële paleizen. Toen al leefden hier vooral soennieten.
Rechts van de straat, aan de sjiitische kant, ligt Shuala, ‘de fakkel’, een wijk van armen en arbeiders, gebouwd voor de werknemers van de grote steenfabriek van de hoofdstad. Deze wijk, met tweehonderdduizend inwoners, is het Harlem van Bagdad. Onder Saddam waren de sjiieten uitgesloten van de meeste politieke functies. Steeds weer kwamen ze in opstand tegen de dictator, die tienduizenden van hen liet doden. En toch leefden toen in veel straten van Ghasalija en Shuala sjiieten en soennieten samen. Deze co-existentie bleef aanvankelijk intact na de invasie van de Amerikanen, maar begin 2006 verwoestte een aanslag de gouden moskee van Samarra, ten noorden van Bagdad, een van de grote heiligdommen van de sjiieten. De verdenking viel op soennieten; nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak. In de twee jaar daarna vonden alleen al in Ghasalija en Shuala duizenden mensen de dood.
De stad werd opnieuw verdeeld. Soennieten trokken naar soennieten, sjiieten naar sjiieten. Tijdens de Amerikaanse bezetting sloten Amerikaanse troepen delen van Ghasalija af met betonnen wallen, 32 kilometer lang. Ze probeerden de haat te isoleren, zoals de atoomindustrie radioactief afval isoleert. Ze goten hem in beton, om af te koelen.
Aan de rand van beide buitenwijken leven de Ashwatat, illegale inwoners, wier krottenwijken de stad omringen. De meesten zijn door de oorlog op drift geraakt; dagelijks worden het er meer. De soennieten onder hen vestigen zich aan de rand van Ghasalija, de sjiieten aan de periferie van Shuala. In de zone van de Ashwatat heeft de ontbinding van de Iraakse staat het eindstadium bereikt. De rechteloosheid van de houten hutten omgeeft de buitenwijken van de metropool als een meteorietenzwerm, oncontroleerbaar en onheilspellend.
Op de grens van de beschaving, in het stadskantoor aan de sjiitische kant, zit Muktada, de aanstaande bruidegom, achter een hoge wal van zandzakken. Hij spreekt goed Engels, heeft zijn haar met gel strak achterover gekamd. Elke dag hoort Muktada de klachten aan van vluchtelingen uit de omstreden provincies. Muktada is een poortwachter van de Iraakse bureaucratie: hij reikt aan nieuwe burgers de Tahid uit, het aanmeldingsformulier voor de burgerlijke stand.
Een soennitische in een zwarte chador staat druk gebarend voor hem. ‘Zonder je man kan ik je geen papieren geven!’ zegt Muktada. Ze is op de vlucht voor de belegeraars van Bagdad, zegt ze. Haar man mocht het dorp niet verlaten, IS zou dat verhinderen. ‘Hoe kan ik weten of hij niet voor IS vecht?’ zegt Muktada met een bitter lachje. ‘Mijn man is geen terrorist!’ zegt de vrouw en begint te huilen. ‘Ik ken je niet,’ zegt Muktada. Hij wuift haar weg. Soms verbaast hij zich over zichzelf, hoe hard hij kan zijn. ‘Dat is mijn werk,’ zegt hij.
Muktada’s leven volgt een vast stramien. Nooit komt hij in soennitische buurten; hij vreest herkend te worden als sjiiet. Hij drinkt zijn thee altijd in dezelfde cafés, waar hij altijd dezelfde vrienden treft. Mensen die hij kan vertrouwen.
In de Straat van de bomen is de angst gelijk verdeeld over beide zijden. Als we hem buiten de wijk ontmoeten, vertelt Muktada over de ontvoeringen. Daarbij gaat het allang niet meer om vriend of vijand, sjiiet of soenniet. De ontvoeringen hebben zich in Irak ontwikkeld tot een criminele bedrijfstak, zoals elders de drugshandel. Muktada vertelt over een dag waarop drie mensen gekidnapt werden, allen in de buurt van zijn huis. Een makelaar die ze uit zijn kantoor gesleept hebben, een twaalfjarige jongen die op weg naar school werd overvallen, en een voormalig officier die op straat liep. De ontvoerders trokken een zak over zijn hoofd en gooiden hem in de kofferbak van hun auto.
Hoe dichter de chaos van de gevechten de stad nadert, hoe meer ontvoeringen er plaatsvinden. Volgens een hoge regeringsambtenaar zijn er soms wel zeventig gevallen per dag. De meeste ontvoerden komen na betaling van hoge losgelden weer vrij.
Er zijn dagen waarop Muktada van zijn straat houdt. De familie van zijn verloofde, een achttienjarige sjiitische, woont maar een paar huizen verderop. ‘Jij bent de eerste vrouw in mijn leven,’ zegt hij altijd tegen haar. Een leugentje om bestwil. Zijn eerste vriendin, bekent hij ons, was een soennitische. Ze leerden elkaar kennen op de universiteit. Ze had een lief gezichtje, zei hij. En ze was slim. Maar de families waren ertegen.
Als Muktada uit het stadskantoor terugkomt in zijn wijk, gaat hij naar het huis van de familie van zijn verloofde. Ze houden elkaars hand vast en de moeder schenkt het paar thee in. Voor de verloving heeft het meisje alleen een foto gezien van Muktada. Hij beviel haar. Bovendien heeft hij een stabiel inkomen. Na de verloving duurde het drie dagen voor ze begon te praten. ‘Ik ga je silent girl noemen als je zo stil blijft,’ dreigde hij lachend. Zij lachte ook. Het ijs was gebroken.
Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom
Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom. Een rookkolom stijgt op. Brandende auto’s maken de wolk steeds groter: uit de eerste rookkolom zwelt een tweede op, en een derde. Dan drijft de wind ze uiteen tot zwarte sluiers.
De bom zou zeven mensen gedood hebben, hoort Moataz, onze begeleider, later. Er was een politiepost aangevallen. In de kranten en op het internet vinden we er niets over. De Iraakse regering doet haar best om de schijn op te houden dat Bagdad veilig is.
Een paar jaar lang zag het ernaar uit dat de betrekkingen tussen sjiieten en soennieten genormaliseerd zouden kunnen worden. De soennieten uit Ghasalija begonnen de markt in het sjiitische Shuala weer te bezoeken, waar de groente heel goedkoop is. De sjiieten uit Shuala waagden zich weer op de Naffla-markt in het soennitische Ghasalija, die bekendstaat om zijn grote assortiment stoffen.
Maar de haat tussen soennieten en sjiieten vlamde op 28 februari 2013 weer op. In het grote stadion van Shuala ontplofte een bom te midden van de toeschouwers. De wedstrijd om de derde plaats van het lokale voetbalkampioenschap was juist begonnen. Zeventien mensen kwamen om, de meesten kinderen en jongeren. Er waren meer dan honderd gewonden.
De daders konden alleen soennieten zijn, meenden de sjiieten. Hun milities zwermden uit naar Ghasalija, ontvoerden tientallen mensen naar Shuala, lieten er enkele vrij tegen losgeld en vermoordden de anderen. De soennieten noemen de sjiitische wijk aan de andere kant van de straat nu ‘de stad waaruit de mensen niet terugkomen.’
De moordenaars gooien hun slachtoffers meestal op een stuk land naast de autoweg, dat bedekt is met vuilnis, bouwafval en dode dieren; bijna dagelijks vindt de politie daar lijken. In de afgelopen week, werd ons verteld, waren het dertien mannen, geboeid en geëxecuteerd.
Al jaren voelen de soennieten van Ghasalija zich tweederangsburgers. Ze verwijten de door sjiieten gedomineerde Iraakse regering dat de soennitische wijken worden achtergesteld. In het sjiitische Shuala wordt vuilnis opgehaald, in het soennitische Ghasalija niet. Daar kruien de inwoners hun afval zelf naar de rand van de wijk en verbranden het daar. Een vette rook hangt dan over de huizen.
Dat heeft niets te maken met achterstelling, zegt de sjiiet Muktada van het stadsbestuur: ‘Onze vuilnismannen durven Ghasalija niet in.’ Want ze zijn sjiieten. Het bestuur in het westen van Bagdad neemt geen soennieten in dienst, dat geldt ook voor de vuilnisophaaldienst.
Strijd tegen IS
In Ghasalija is geen ziekenhuis, en de kliniek in Shuala ligt zo ver in de sjiietenwijk dat de soennieten er niet heen durven. Dus brengen ze hun patiënten naar het ziekenhuis van Jarmuk, in het zuiden van Bagdad, ook de zwaargewonden. Dat is een uur rijden; sommigen sterven onderweg. In hun haat vuren soennieten granaten af op Shuala, altijd op vrijdag, de gebedsdag. En voeden daarmee alleen maar de wraaklust van de sjiieten.
‘Ghasalija moet gezuiverd worden,’ zegt sjeik Ahmed, leider van een sjiitische militie, in zijn hoofdkwartier in de binnenstad van Bagdad. Zijn militie is een van de tientallen sjiitische vrijwilligersformaties die in de afgelopen maanden zijn opgericht. In de zomer van 2014 riep grootayatollah Ali al-Sistani, de hoogste leider van de Iraakse sjiieten, alle Irakezen op tot de strijd tegen IS.
Terwijl het leger binnen een jaar inkromp van 210.000 tot 48.000 man, groeide na de oproep van de ayatollah het aantal bewapende militieleden tot naar schatting 120.000 strijders. Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over 12.000 man. Veel van zijn strijders komen uit Shuala.
De sjeik loopt op krukken. Hij is onlangs aan het front op een mijn gestapt. De artsen wisten zijn been gelukkig te redden. Hij draagt een grijze baard, een witte tulband en een camouflagepak. ‘Ik ben nu generaal-majoor,’ zegt hij. ‘Ik leid een divisie.’ Eerder was hij een huurling in de Syrische burgeroorlog, waar hij aan de kant van de sjiitische dictator Bashar al-Assad vocht.
In de hal staan zes lijfwachten van de sjeik, in nieuwe kogelvrije vesten van het Amerikaanse leger, helemaal in het zwart. De sjeik zit achter een vrijwel leeg bureau. De Iraakse vlag aan zijn rechterzijde heeft hij speciaal voor de fotograaf van Die Zeit gekocht, zoals onze chauffeur Moataz vooraf telefonisch vertelde. Ook de villa waarin hij ons ontvangt, heeft hij alleen voor ons bezoek betrokken.
Sjeik Ahmed somt de veldslagen op die hij met succes tegen IS heeft gevoerd. Midden in zijn verhaal stokt hij en grijpt naar zijn rug, waar nog twee splinters van de mijn in zitten. Vlak bij de ruggengraat, zegt hij. Of wij niet een kliniek in Duitsland weten waar hij geopereerd kan worden?
Zijn smartphone, een witte Samsung, rinkelt. En blijft rinkelen. Tot nu toe heeft hij alle oproepen weggedrukt, maar nu zegt hij, na een blik op het schermpje: ‘Een ogenblik alsjeblieft’, en neemt de oproep aan.
‘Wij zijn klaar voor de overdracht van het geld,’ hoort onze begeleider Moataz de beller zeggen. De man spreekt met een smekende stem. ‘Wij zijn bereid om naar de afgesproken plek te komen.’
‘Er wordt aan gewerkt,’ zegt de sjeik. ‘Ik heb gasten.’
Hij beëindigt het gesprek, verontschuldigt zich voor de onderbreking en zegt dat de beller de eigenaar is van een ziekenhuis in Koerdistan, die hem heeft aangeboden de beide splinters gratis te verwijderen.
Schoolfeest
In Ghasalija, aan de soennitische kant van de Straat van de bomen, woont Raihana, de kleuterschooljuf. Moataz heeft ons haar bungalow aangewezen. Bij ons gesprek buiten de wijk draagt Raihana een bruin pak, dat ze combineert met een bruine hoofddoek. Haar ogen zijn donker omrand met kohl [een mengsel van roet en andere ingrediënten]. Ze zegt dat het bed in haar huis de plek is waar ze zich het veiligst voelt. Daar ligt ze urenlang, tussen dekens en kussens, terwijl de tv aanstaat. Alsof ze zo het rumoer van de wereld buiten een beetje kan dempen.
Het zijn de laatste vakantiedagen. Raihana vertelt over het geplande feest bij het begin van het nieuw schooljaar. ‘Wij zijn de enige kleuterschool in de buurt die zo’n feest geeft,’ zegt ze trots. Op vier vellen papier heeft ze alles genoteerd wat ze voor deze grote dag moet regelen. Het werk, zegt ze, is het enige wat haar in leven houdt.
De soennitische Raihana was ooit met een sjiitische man getrouwd. Twintig jaar geleden liep het huwelijk stuk, ook omdat haar familie altijd al tegen die verbintenis was. De uit hun huwelijk geboren zoon vluchtte in 2007 naar Jordanië. sjiitische milities waren haar huis binnengedrongen om hem mee te nemen. ‘Voor hen is hij een halve soenniet,’ zegt zijn moeder. Nu belt ze om de twee weken met hem. ‘Thuis wacht me alleen leegte. Mijn leven is eenzaamheid.’ Elke avond slikt ze tabletten om te kunnen slapen.
Raihana weet dat IS maar een paar kilometer verderop zit, dat de opstandelingen elk moment Ghasalija kunnen bezetten. De sjiieten zouden meteen de tegenaanval inzetten. Dagelijks legt Raihana geld opzij om te kunnen vluchten voor de straatgevechten. Naar de sjiitische woongebieden zou ze niet kunnen, omdat ze daar als soennitische vervolgd zou worden, zegt ze. En soennitische buurten in andere delen van Bagdad komen niet in aanmerking omdat IS ook daar invloed heeft. Dan zou alleen de binnenstad overblijven, waar aanhangers van beide geloofsrichtingen nog naast elkaar leven.
En toch is IS voor Raihana een gevaar dat ver weg lijkt in vergelijking met de bedreigingen in haar buurt. ‘Je gaat de straat op en denkt dat het veilig is. Maar plotseling gebeurt er iets, en je wordt ontvoerd,’ zegt ze. De dochter van een collega werd op weg naar school gekidnapt. Voor 10.000 dollar kon de moeder haar kind terugkopen. Een week geleden vonden politieagenten in een huis acht ontvoerde kinderen, opgesloten in de kelder. Raihana vertelt erover, maar niet lang. Dan gaat het weer over haar feest. Dat moet geweldig worden. De volgende morgen wil ze naar de markt om twee dozen in goudpapier verpakte toffees voor de kinderen te kopen. Ook wil ze vijftig kleine kaarsen kopen, zegt Raihana, en tweehonderd kartonnen bordjes en vijfhonderd ballonnen. ‘Ik zou willen dat de kinderen merken dat het een bijzondere dag is.’ De ballonnen zal ze oppompen, aan een touw knopen en boven de ingang van de school hangen. Ze moet morgen naar vier verschillende winkels voor die inkopen. Ze maakt zich zorgen of ze dat allemaal redt in een dag; acht controleposten moet ze passeren, en bij elke post wordt het verkeer opgehouden.
Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?
Onze begeleider Moataz rijdt ons na het gesprek naar het hotel. Het is laat geworden, hij is moe. Dan staat er midden op straat een politieagent die het verkeer tegenhoudt om een konvooi van de Veiligheidsdienst in te laten voegen. Moataz meent dat de agent hem een teken geeft om door te rijden. Hij geeft gas in plaats van te remmen. Met een ruk richt de agent zijn wapen op ons. We schreeuwen. Moataz stopt. Hij scheldt en trekt wit weg. In Bagdad voeren vele wegen naar de dood, vooral misverstanden.
Buiten de stad is de opmars van IS voorlopig tot stilstand gekomen. Maar nog altijd slagen de islamisten erin nieuw terrein te veroveren. Binnen twee weken vallen twee steden van elk 100.000 inwoners. Ook gematigde soennieten kunnen hun bewondering voor IS niet verhelen. ‘Hoe krijgen ze het voor elkaar?’ vraagt iemand uit de straat van de bomen. ‘Ze voeren tientallen veldslagen tegelijk en vechten tegen zeven legers.’
De strijders van IS namen bliksemsnel miljoenensteden in, wisten de grens tussen Irak en Syrië uit, en veranderden de kaart van het Midden-Oosten. De extremisten uit het buitenland die in de wereldpers figureren en de beruchte video’s maken, vormen maar een klein deel van de IS-strijders. De meeste manschappen worden geleverd door de grote soennitische stammen. Sinds de Amerikaanse invasie zijn er vier soennitische verzetsgroepen geweest. Die zijn nu allemaal versmolten met IS.
Het is vroeg in de morgen op de dag waarop Raihana snoepjes wil gaan kopen en Muktada zijn verloofde naar de juwelier wil brengen. Op deze dag verlaten wij de hoofdstad. Met een militair konvooi van de sjiitische Badr-militie rijden we de provincie Dijala in, die Bagdad verbindt met de Iraanse grens.
Drie weken geleden hebben de sjiieten het gebied op IS terugveroverd. De Badr-militie is de machtigste van hun strijdgroepen, naar eigen zeggen 50.000 man sterk, groter en slagvaardiger nog dan de militie van sjeik Ahmed. Een strijdgroep die zelfs een eigen tv-kanaal runt voor propagandadoeleinden. ‘Wees gerust!’ zegt een cameraman van de militie, met wie we in de jeep meerijden. ‘We hebben alle terroristen uitgeschakeld.’ De mediamensen van Al-Badr maken grappen en bediscussiëren de voordelen van de verschillende typen camera’s. Maar ze worden stil als we de controlepost aan de rand van Bagdad passeren en de stad verlaten.
Dit land draagt de sporen van vele oorlogen. De heuvelachtige vlakte waar we doorheen rijden, is bezaaid met betonnen wallen en hopen aarde. Steeds weer komen we langs wachttorens en politieposten, die vaak brandsporen van bomaanslagen dragen. ‘Dit is het begin van onze overwinning! We zullen de ene provincie na de andere bevrijden!’ roept generaal Muen al-Kadhimi bij onze eerste tussenstop tegen tachtig pas gerekruteerde vrijwilligers. ‘God en alle engelen kijken naar jullie!’ Het terugtrekkende IS heeft de bruggen over de rivieren opgeblazen. Ons konvooi steekt het water over op geïmproviseerde houtconstructies. We zien opgeblazen pantserwagens die naar men zegt van IS waren, maar misschien ook van het Iraakse leger. Op veldwegen en in irrigatiekanalen staan uitgebrande militaire voertuigen van Amerikaanse makelij. Overal wapperen de groene en zwarte vlaggen van de sjiieten, de kleuren van de veroveraars, want dit deel van Dijalas werd voor de oorlog overwegend door soennieten bewoond. ‘Saddam gaf ze zulke mooie huizen,’ peinst de cameraman. ‘En wij moeten in ellendige holen wonen.’
Aan het begin van een zijweg ligt het lijk van een man, half vergaan. Een sjiitische wachtpost staat er onaangedaan naast en staart naar ons konvooi. De dorpelingen die we passeren zijn allemaal beroofd. Dode geiten liggen in de beken.
De generaal wil ons een moderne gascentrale tonen, in 2013 gebouwd door het Franse Alstomconcern, in 2014 door IS veroverd en drie weken geleden terugveroverd door de Badr-militie. Nu houdt een kleine eenheid van het Iraakse leger de heuveltop bezet, waarop gastorens blinken. De generaal hangt ook hier de winnaar uit. De officier van de legereenheid laat hij nauwelijks aan het woord komen. Het is duidelijk wie het in deze veldtocht voor het zeggen heeft: niet meer het reguliere leger, maar de sjiitische milities. De reguliere soldaten die de fabriek tegen IS moeten beschermen, bewapend met niet veel meer dan kalasjnikovs, en omgeven door open veld, maken een timide indruk.
Slechts enkele uren eerder zijn op de enige weg naar de centrale drie springladingen geëxplodeerd. Blijkbaar heeft een IS-commando die op afstand tot ontploffing gebracht. Naar verluidt is een servicewagen van de elektriciteitscentrale getroffen. Er zouden vier gewonden zijn. Het konvooi houdt halt op de terugweg om de plek van de explosie te onderzoeken. Een van de chauffeurs ontdekt opeens een vierde, nog intacte bom: een geel plastic bakje in de greppel naast de weg. Vanuit de springlading leiden twee draden tot vlak bij de weg. De generaal beveelt snel verder te rijden. Mogelijk worden we door IS-strijders geobserveerd. Ze kunnen de bom elk moment laten ontploffen.
Aan de horizon branden intussen de dorpen. In drie windrichtingen zien we rookzuilen. Hele stukken straat staan in brand. ‘Die hadden daar waarschijnlijk kortsluiting,’ zegt de cameraman lachend. De term ‘kortsluiting’ heeft een speciale betekenis in Irak. Tijdens de eerste burgeroorlog in 2006 noteerde de politie in hun rapporten steevast ‘kortsluiting’ als oorzaak van de talloze branden. Maar iedereen wist dat het vuur bijna altijd was aangestoken door sjiitische of soennitische milities om elkaar wederzijds uit de wijken te verjagen.
Deze aanblik komt de generaal niet goed uit. Hij wilde met deze rit de beschuldigingen tegen zijn militie ontkrachten. De mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch beschuldigen de sjiitische Badr-brigades ervan de soennitische bevolking systematisch te verdrijven. De gebeurtenissen hier in de provincie Dijala lijken op die in de provincie ten zuiden van Bagdad, waar de Badr-militie IS al een half jaar geleden versloeg. Tienduizenden soennieten mogen sindsdien niet meer terug naar hun dorpen. Volgens de milities vanwege veiligheidsredenen. In werkelijkheid willen ze waarschijnlijk de sjiitische woongebieden uitbreiden. Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?
Daeshmarkt
Als we terug zijn in Bagdad, in het soennitische Ghasalija, laat kleuterjuf Raihana weten dat de kleine vierjarige jongens en meisjes de sjiieten al als vijanden begonnen te zien. ‘Sjiieten zijn net als apen,’ zeggen de kinderen. ‘Sjiieten hebben lange staarten in hun broek.’ Ze beledigen Ali, de profeet van de sjiieten. Als Raihana de kinderen ter verantwoording roept, hoort ze vaak: ‘Dat mag ik best zeggen, mijn vader zegt dat ook.’ Ze denkt dan goed na, welk kind ze terechtwijst. Ze vreest de woede van de vaders. ‘Je kunt niemand meer vertrouwen,’ zegt ze. ‘Soms geloof ik dat ik mezelf niet meer kan vertrouwen.’
Aan de andere kant van de straat, in het sjiitische Shuala, is een nieuwe markt geopend. De mensen noemen het de Daeshmarkt. Daesh is de Arabische afkorting voor IS. Daar verkopen de milities hun oorlogsbuit, alles wat ze zogenaamd op IS buitgemaakt hebben.
‘Iedereen weet dat dat gestolen goed is,’ zegt Abdullah, een taxichauffeur, die ook aan de straat van de bomen woont, aan de soennitische kant.
Abdullah vertelt dat de Daeshmarkt de koopjesmarkt van de sjiieten is geworden. Volgens hem verkopen ze daar wat ze in de veroverde dorpen van de soennitische bewoners geroofd hebben: tv’s, koelkasten, computers, auto’s.
Zo is elke marktdag in Shuala een vernedering voor de soennieten in Ghasalija. De granaten die van de soennitische kant afgevuurd worden op Shuala slaan vaak in op de markt. In het Iraakse parlement hebben soennitische afgevaardigden al weken geleden geëist dat de markt wordt gesloten – vergeefs.
Het had niet zover hoeven komen met het conflict tussen Ghasalija en Shuala, vertelt Abdullah als we hem treffen in een ijssalon in de binnenstad. ‘We hadden een echte kans.’ Toen het moorden in 2007 op z’n hoogtepunt was, vielen de Amerikanen Ghasalija binnen. Ze bouwden drie steunpunten en wierven 450 soennieten aan als politieagenten: de Ghasalija Guardians. Abdullah was een van hen. Zijn ogen lichten op als hij vertelt over die tijd. De Amerikanen leidden de agenten op, gaven hen uniformen, voertuigen en een fatsoenlijk salaris. De soennieten kregen een stukje macht over hun stadswijk terug. De macht die de Amerikanen hun met de val van Saddam Hoessein in 2003 ontnomen hadden.
De soennitische agenten beschermden Ghasalija tegen de aanvallen van de sjiitische milities en de Amerikanen tegen de aanvallen van Al-Qaida. Veel Al-Qaida-strijders zouden zich bij hun troepen hebben aangesloten. ‘De meeste van die jongens,’ zegt Abdullah, ‘geloven helemaal niet in die Al-Qaida-filosofie. Die geloven in het geld.’ De soennitische Ghasalija Guardians hielden ook de militanten onder de soennieten in toom, er waren nauwelijks nog aanslagen; de spanningen tussen soennieten en sjiieten verminderden. Maar in het jaar 2009 vertrokken de Amerikanen. ‘Ze lieten ons in de steek en leverden ons uit aan de sjiietenregering,’ zegt Abdullah.
De Ghasalija Guardians werden ontbonden. Veel van hun voormalige officieren werden vermoord. Abdullah kreeg het aanbod schoonmaker te worden in het ministerie van Transport. Hij wees het af en werd taxichauffeur.
De afbrokkelende muren van de voormalige Amerikaanse steunpunten zien eruit als de ruïnes van het oude Rome. Legerplaatsen en forten uit een voorbije tijd. Voor de Iraakse veiligheidsdiensten waren de militaire bases te groot. Overal in de wijk stuit men erop: resten van een verzonken rijk.
Hij zal niet nog eens tegen de islamisten vechten, zegt Abdullah, de soenniet. Hij zal het met IS op een akkoordje gooien. Met die lui valt te praten, met de sjiitische milities niet. Die onderhandelen niet met soennieten, ze vermoorden ze. ‘Dat is de keus die ik heb. Dan is IS voor mij beter,’ zegt hij, en neemt afscheid om zijn volgende klant af te halen.
Gespannen rust
Het welkomstfeest waar kleuterjuf Raihana dagenlang naartoe gewerkt heeft, is voorbij. Tot tranen geroerd vertelt ze hoe het was: om acht uur ’s morgens opende ze de grote poort. De nieuwe kinderen kwamen paarsgewijs binnen, ze hielden elkaars handjes vast. Ze droegen hun mooiste kleren, de jongens zwarte pakjes, de meisjes witte prinsessenjurkjes. Er speelde muziek, er brandden kaarsen. Op de tafels stonden bordjes met chocoladekoeken en schotels met snoepjes. Raihana hield een toespraak. ‘Mijn lieverdjes,’ begon ze. Ze spoorde de vierjarigen aan zich goed te verzorgen, hun kleren schoon te houden en hun nagels te knippen. En zich te excuseren als ze op fouten betrapt werden. Twee uur duurde het feest. Toen ging Raihana naar huis, zette de tv aan en sloot haar ogen.
Onze begeleider Moataz rijdt ons weer door de Straat van de bomen, die vandaag nog rustiger is dan anders. In de ochtenduren hebben onbekenden in Bagdad een soennitisch stamhoofd doodgeschoten. Hij had zich ingezet voor toenadering tussen de geloofsrichtingen. Hij en zijn lijfwachten werden dood gevonden onder een viaduct.
De vertegenwoordigers van de soennieten stellen de sjiitische Badr-militie verantwoordelijk. De militie ontkent. Er heerst een gespannen rust in de straat. Iedereen weet: het zal niet lang duren voor de soennieten wraak nemen, en dan de sjiieten weer. In Bagdad voedt de haat zich allang met zichzelf.
Op de middag van diezelfde dag zit ik op het bed in mijn hotelkamer, met mijn mobieltje in de hand. Het telefoontje van het Bundeskriminalamt uit Berlijn. Wie heeft ons verraden? Kleuterjuf Raihana? Bestuurssecretaris Muktada? De twee hotelgasten die ons de vorige avond in het restaurant zo’n onvriendelijke blik toewierpen? Moataz, onze chauffeur? Hij had zo veel mogelijkheden om ons uit te leveren aan onze ontvoerders, en hij heeft het niet gedaan. Nee, niet Moataz! Moataz niet, hoop ik.
Drie uur later vallen de portieren van de gepantserde limousine van de Duitse ambassade achter ons dicht.
Auteur: Wolfgang Bauer
Vertaler: Piet Meeuse
De namen en een paar levensomstandigheden van onze gesprekspartners zijn omwille van hun veiligheid veranderd.
Wolfgang Bauer (1970) is sinds 1994 freelancejournalist. Hij studeerde Islamstudies, Geografie en Geschiedenis. Bauer schreef onder meer voor Focus, Die Zeit, Neon, Greenpeace Magazin, Geo en National Geographic. Zijn werk werd veelvuldig bekroond.
Die Zeit
_Duitsland | dagblad, oplage 540.000 _
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Genomineerden in de categorie Distinguished writing award:
Paul Raymond & Jack Watling (Verenigd Koninkrijk):
The Struggle for Mali
Jonathan Stock (Duitsland):
Die Löwen vom Sindschar
Het heeft er steeds meer schijn van dat het Westen militair wil gaan ingrijpen in Libië. Maar zal dit de situatie niet juist verergeren?
Westerse landen staan op het punt een offensief te lanceren tegen IS in Libië, aldus een militaire woordvoerder in de westelijke stad Misrata. Maar ter plekke bestaan grote zorgen dat verdere internationale inmenging in het land de situatie alleen maar zal verergeren.
Libië is de afgelopen weken opgeschrikt door een reeks grote aanslagen van IS, waaronder een bomaanslag op een politiebureau in Zliten, bij Misrata, op 7 januari, waarbij vijfenzestig mensen omkwamen en honderd anderen gewond raakten. Ook heeft IS aanslagen uitgevoerd op de belangrijkste olieterminals van Libië in R’as Lanoef en Sidra. Het zijn deze incidenten die hebben geleid tot speculaties dat de VS en zijn bondgenoten hun strijd tegen IS wel eens zouden kunnen uitbreiden naar Libië.
De situatie op 8 februari.
Het nationale oliebedrijf van Libië (NOC) heeft ook opgeroepen tot een interventie om strategische delen van het land, waaronder de olieterminals, te beschermen. Ibrahim Bate el Mal, een woordvoerder voor de militaire raad van Misrata, verklaarde dat officials al gesprekken hebben gevoerd met Amerikaanse, Franse en Italiaanse militaire contacten. ‘Ik kan alleen maar zeggen dat de Amerikanen, Fransen en Italianen hebben gevraagd hoe zij de Libiërs kunnen helpen tegen IS te vechten, en dat de operatie niet lang zal duren. We zijn dicht bij een interventie,’ aldus Bate el Mal.
Maar hij gaf ook toe dat veel mensen bezorgd zijn dat een militaire interventie kan mislukken en het misschien al te laat zou kunnen zijn. ‘Ik denk dat het verkeerd was om zo lang te wachten. We hebben het gevaar waarschijnlijk onderschat. Ik denk dat zelfs de westerse regeringen het verkeerd hebben gezien,’ zei hij. ‘Het punt is dat enerzijds de expansie van IS uit de hand is gelopen, maar dat anderzijds het gevaar bestaat dat de situatie door een militaire interventie alleen maar slechter wordt. Dat is het gevoel van onze mensen en onze troepen.’
IS zal het spookbeeld oproepen van een westerse overname van het land
In 2011 was een door de NAVO geleide luchtcampagne – met Amerikaanse, Franse, Italiaanse en Britse steun – van cruciaal belang bij het omverwerpen van het regime van de Libische leider Muammar Kadhafi. Maar het land is sindsdien in de greep van instabiliteit en onrust.
Volgens Basher Bernani, lid van de gemeenteraad van Zliten, zijn de meeste mensen tegen buitenlands ingrijpen. ‘Deze situatie kan niet langer worden opgelost door luchtaanvallen,’ aldus Bernani. ‘Ze hadden eerder tussenbeide moeten komen, maar nu heeft IS Sirte helemaal ingenomen. Er zijn fundamentalistische militieleden in Benghazi, Misrata en Bin Jawad, er zijn “sleeper cells” in Tripoli en hier in Zliten en in Sabratha zijn twee trainingskampen.’
Mensensmokkel
Bernani zegt dat de plaatselijke bevolking bang is dat een buitenlandse interventie door IS als propaganda kan worden gebruikt om het spookbeeld op te roepen van een westerse overname van het land. Daardoor wint IS aan steun onder jonge mensen en kan de beweging sympathiserende strijders aantrekken uit Tunesië, Marokko, Algerije en andere landen, via de poreuze grenzen van Libië. ‘Het is waarschijnlijk dat Europese militaire actie de situatie zal verergeren en tientallen buitenlandse strijders hierheen zal brengen,’ zegt hij.
Sinds IS op 7 januari zijn aanwezigheid in Zliten kenbaar maakte door de bomaanslag op het politiebureau, terwijl driehonderd rekruten op het plein daarvóór aan het trainen waren, hebben officials als Bernani voortdurende gewapende bescherming nodig gehad als zij zich door de stad bewogen. Terwijl we over het verwoeste plein lopen, wijst hij op scherven van de bomvrachtwagen, die was volgeladen met stukjes ijzer en scherpe messen om zo veel mogelijk slachtoffers te maken. ‘We hebben de armen en benen van onze jongens teruggevonden op de derde verdieping van het slaapverblijf,’ zegt hij. ‘Twaalf families hebben zonen verloren en kunnen niet rouwen, omdat de lichamen onherkenbaar zijn verminkt.’
Bersani zegt dat onderzoekers denken dat IS het politiebureau op de korrel heeft genomen vanwege de banden met de Libische Kustwacht, die de faciliteit ook als rekruterings- en trainingscentrum gebruikte. Hij zegt dat Zliten een belangrijk tussenstation is voor mensen die de Middellandse Zee proberen over te steken naar Europa, en dat IS connecties lijkt te zijn aangegaan met andere militiegroeperingen die betrokken zijn bij de mensensmokkel, als een manier om inkomsten te verwerven. ‘Het wordt nu steeds duidelijker dat IS betrokken is bij de mensensmokkel, waardoor ze verzekerd zijn van grote hoeveelheden contanten,’ zegt hij.
Volgens andere officials was de aanval in Zliten voor IS ook belangrijk, omdat de beweging zo aantoonde dat ze aanwezig is in de kuststrook tussen Tripoli en Misrata, en dat ze de middelen en de manschappen heeft om elders in Libië aanslagen te plegen.
Mustafa Ben Aish, een ander lid van de gemeenteraad van Zliten en de directeur van een noodeenheid die in actie kwam na de bomaanslag op het politiebureau, verklaarde dat IS profiteert van de machtsstrijd tussen de rivaliserende regeringen in Tripoli en Tobroek. De situatie werd deze maand verder gecompliceerd door de aankondiging van een nationale regering. Deze wordt gesteund door de VN, maar afgewezen door veel leden van de twee concurrerende parlementen van Libië.
‘De Libiërs zijn niet klaar voor een nieuwe oorlog’
Martin Kobler, de VN-gezant voor het land, gaf toe dat het politieke vredesproces te traag is verlopen om gelijke tred te kunnen houden met de expansie van IS. Hij betichtte de groepering van het ‘stelen van grondgebied van het Libische volk’.
‘De enige echte winnaar is IS, en de verwoesting van de barakken is daar het bewijs van,’ zegt Ben Aish, terwijl hij een lijst laat zien van de doden en gewonden. ‘De zwaarst gewonden werden geëvacueerd naar andere landen. Er zijn er nu vijftien in Italië en ongeveer twintig in Turkije. Sommigen van hen verkeren in kritieke toestand en iedere keer dat ik een telefoontje van hun familie krijg denk ik dat het in plaats van die jongens ook mijn eigen zoon had kunnen zijn. Dat is heel pijnlijk voor me,’ zegt hij.
Na de bomaanslag in Zliten heeft IS aanvallen gepleegd op de olieterminals in R’as Lanoef en Sidra, waarbij minstens 37 personen zijn omgekomen en een stuk of vijf opslagtanks in brand zijn gevlogen, zodat een nieuwe klap is uitgedeeld aan de toch al zwaar belaagde Libische oliesector.
Olie
Vóór de revolutie van 2011 produceerde Libië 1,6 miljoen vaten ruwe olie per dag, vandaag nog geen 350.000. De aanvallen van IS doen vrezen voor een totale ineenstorting van de industrie. Voor IS lijkt het doel niet het verkopen van olie, zoals de beweging in Syrië en Irak heeft gedaan, maar het saboteren van de economie, waardoor Libië nóg instabieler wordt en IS kan profiteren van het machtsvacuüm.
Volgens Bate el Mal zijn de militaire inlichtingenchefs bang dat een mogelijke interventie het land verder kan destabiliseren. IS-strijders uit Syrië, Irak en van elders zouden aan de oproep gehoor kunnen geven het territorium van het zelf uitgeroepen kalifaat te komen verdedigen. Hij zei dat strijders uit Soedan, Tunesië, Egypte, Algerije en Jemen zich al in Sirte aan het verzamelen waren, en opperde dat Kadhafi-loyalisten die uit zijn op wraak de beweging in de geboortestad van de vroegere leider steunen, net zoals aanhangers van Saddam Hoessein ervan zijn beticht IS in Irak te hebben gesteund.
‘We zien hier gebeuren wat in Irak al met de Baath-partij is gebeurd,’ zei hij.
‘De Libiërs betalen nu de prijs voor de gevolgen van hun revolutie. Ze zijn niet klaar voor een nieuwe oorlog, maar hun kinderen sterven door toedoen van IS. Al wat de beweging wil is het land verwoesten.’
Onafhankelijke site met een groot reservoir aan correspondenten, die de gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’ op de voet volgen o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.
CHRONOLOGIE: van hoop tot chaos
20 okt 2011 | Dictator Muammar Kadhafi wordt gedood in Sirte. Drie dagen later roept de Nationale Overgangsraad (CNT) ‘de bevrijding’ van het land uit als slotstuk van de opstand die in februari begon en door een westerse coalitie wordt ondersteund.
7 juli 2012 | Eerste vrije verkiezingen. Het Verbond van Nationale Krachten (AFN) komt als winnaar uit de bus. Het correcte verloop van de verkiezingen lijkt hoopgevend. Op 8 augustus draagt de CNT de macht over aan het parlement, de Algemene Nationale Raad (CGN).
14 okt 2012 | Ali Zeidan wordt tot premier benoemd.
2013 | De milities die Kadhafi hebben bestreden, weigeren de wapens neer te leggen en blijven actief in de grote steden. Islamistische stromingen, in het parlement vertegenwoordigd door de Partij voor Recht en Wederopbouw (PJC), blijven de regering in de wielen rijden. In het oosten van het land roeren de federalisten van Ibrahim Jadran zich. Het komt sporadisch her en der tot botsingen.
20 feb 2014 | Vorming van een Grondwetgevende Raad, die in april voor het eerst bijeenkomt.
11 maart 2014 | Ali Zeidan wordt afgezet en ontvlucht het land. Abdallah al-Theni neemt tijdelijk zijn plaats in.
16 mei 2014 | Generaal Khalifa Haftar, ex-balling in de VS, duikt op in Libië en begint de Operatie Waardigheid tegen de islamistische milities.
25 juni 2014 | Opnieuw verkiezingen. Het nieuwe parlement, zetelend in Tobroek, krijgt internationale erkenning.
22 augustus 2014 | Een coalitie van islamistische milities, waaronder de Libische Dageraad, bezet Tripoli en steunt de CGN, die weigert het nieuwe parlement te erkennen.
september 2014 | Er komt een dialoog op gang onder leiding van de VN-gezant Bernardino Léon.
september 2014 | IS duikt op in Derna.
januari 2015 | IS bezet Sirte, maar wordt uit Derna verdreven.
17 dec 2015 | Er wordt in Skhirat (Marokko) een akkoord gesloten tussen een aantal strijdgroepen na bemiddeling van de nieuwe VN-gezant Martin Kobler.
14 jan 2016 | Gevechten met IS rond de belangrijkste olie-installaties.
19 januari | Er wordt een regering van nationale eenheid gevormd onder leiding van de voormalige architect Faiez Sarraj, onafhankelijk van beide ‘parlementen’. De regering zal in Tripoli zetelen. Om alle politieke groeperingen en alle etnische minderheden een stem te geven, telt deze regering 32 ministers, maar zij wordt (nog) niet erkend door alle deelnemers.
De militaire escalatie van Vladimir Poetin in Syrië was wreed en nietsontziend. Het was een showcase van Ruslands militaire macht. Met als doel: een nieuwe machtsrelatie met het Westen.
Uit het archief
De Russische militaire tactiek in Syrië, waar het land Assad te hulp schoot, lijkt steeds meer een voorbode te zijn van de wrede aanvallen in Oekraïne. Ook in Syrië deinsde Rusland er niet voor terug om burgerdoelen te bombarderen.
Als Aleppo valt zal de gewelddadige oorlog in Syrië een geheel nieuwe wending krijgen, met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de regio maar ook voor Europa. De meest recente aanval van de regering op de belegerde stad in het noorden van Syrië, waarbij nog eens tienduizenden mensen op de vlucht zijn geslagen, is ook beslissend voor de betrekkingen tussen het Westen en Rusland. Ruslands luchtmacht speelt een sleutelrol in het conflict. Als de anti-Assadrebellen, die sinds 2012 een deel van Aleppo in handen hebben, worden verslagen, resten in Syrië alleen nog het regime van Assad en Islamitische Staat. Dan is alle hoop vervlogen dat er ooit nog een overeenkomst gesloten zal worden waarin de Syrische oppositie een rol krijgt toebedeeld. En dat is een uitkomst waar Rusland al veel langer op uit is – de achterliggende reden van het besluit van Moskou, vier maanden terug, om over te gaan tot militair ingrijpen.
Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen
Het valt nauwelijks toeval te noemen dat de bombardementen op Aleppo, het symbool van de anti-Assadopstand, uitgerekend begonnen op het moment dat in Genève vredesbesprekingen werden gevoerd. Die vredesbesprekingen liepen dan ook al snel vast. De Russische militaire escalatie, bedoeld om het Syrische leger te steunen, moest voorkomen dat een heuse Syrische oppositie zeggenschap zou krijgen over de toekomst van het land. De plannen die het Westen en de Verenigde Naties hadden voorgesteld moesten worden gedwarsboomd. Dit was volkomen in tegenspraak met het feit dat Moskou zich had gecommitteerd om te zoeken naar een gemeenschappelijke, politieke aanpak om einde te maken aan de oorlog. De naschokken zullen wijd en zijd voelbaar zijn. Als de Europeanen in 2015 íéts duidelijk is geworden, dan is het wel dat ze de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten niet buiten de deur kunnen houden. En als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne van 2014, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend van Europa is. Het is een revisionistische mogendheid die tot militaire agressie in staat is.
Sterker nog, nu de toekomst van Aleppo op het spel staat, maken de gebeurtenissen – meer dan ooit sinds het uitbreken van de oorlog – duidelijk dat er direct verband is tussen de Syrische tragedie en de in strategisch opzicht verzwakte positie van Europa en het Westen als geheel. Dat het conflict op die manier naar buiten doorsijpelt is een effect dat Rusland niet alleen nauwlettend in de gaten houdt, maar ook in de hand werkt. Dat de instabiliteit zich verspreidt over Europa past uitstekend binnen het streven van Rusland om zich een dominante positie te verwerven door alle twijfels en tegenstellingen uit te buiten in de landen die Rusland als zijn vijand beschouwt.
Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen. Een nederlaag voor de Syrische oppositiegroepen zal IS nog meer sterker in het idee dat zij als enige opkomen voor de soennitische moslims – terwijl IS de bevolking terroriseert in de gebieden die het in zijn macht heeft. De situatie vertoont vele wrange kanten, niet in de laatste plaats gelegen in het feit dat de strategie van het Westen in de strijd tegen IS stoelde op het idee om de lokale Syrische oppositietroepen op de grond te versterken, zodat zij uiteindelijk de jihadistische opstandelingen zouden kunnen verdrijven uit het bolwerk Raqqa. Als uitgerekend de mensen die de grondtroepen hadden moeten vormen om deze klus te klaren in Aleppo worden omsingeld en genadeloos in de pan worden gehakt, op wie kan het Westen dan terugvallen? Rusland heeft van begin af aan volgehouden dat het IS bestrijdt, maar in Aleppo helpt Rusland bij het verslaan van de Syrische groeperingen die in het verleden effectief zijn gebleken in de strijd tegen IS.
Als er al ooit twijfels bestonden over het oogmerk van Vladimir Poetin in Syrië, dan zijn die volledig weggenomen door de recente militaire escalatie rond deze stad. Vladimir Poetin past in Syrië precies dezelfde strategie toe als in Tsjetsjenië: zware militaire aanvallen op stedelijke gebieden, teneinde alle opstandelingen te doden of te verdrijven. De betrekkingen tussen de Syrische machtsstructuur en de Russische geheime dienst gaan ver terug – tot in het Sovjettijdperk. Net zoals onder het bewind van Poetin de Tsjetsjenen die mogelijk een rol zouden kunnen vervullen bij vredesbesprekingen letterlijk uit de weg werden geruimd, gooit nu Assad alle politieke tegenstanders op een hoop, onder de noemer ‘terrorisme’. En aangezien er in Tsjetsjenië nooit sprake is geweest van een overeenkomst (enkel van een regelrechte oorlog en totale verwoesting, totdat het Kremlin zijn eigen Tsjetsjeense leider installeerde), behoort ook in Syrië een overeenkomst met de oppositie voor Poetin niet tot de mogelijkheden.
Maar de strategische belangen van Rusland gaan nog veel verder. Poetin wil opnieuw zijn macht vestigen in het Midden-Oosten, maar uiteindelijk is het hem om Europa te doen. Het beslissende moment vond plaats in 2013, toen Barack Obama na een gifgasaanval afzag van luchtaanvallen op Assads militaire bases. Dat zette Poetin ertoe aan om op het Europese continent de westerse standvastigheid nog eens extra op de proef te stellen. Poetin werd destijds duidelijk verrast door de volksopstand in Oekraïne, maar hij wist al snel zijn macht te herstellen met de inzet van geweld en de annexatie van grondgebied. Hij had – terecht – de inschatting gemaakt dat zijn hybride oorlog in Oekraïne niet door het Westen kon worden voorkomen. Het Russische beleid in Oekraïne heeft het veiligheidsevenwicht in het Europa van na de Koude Oorlog dan ook op zijn grondvesten doen schudden, en Poetin zou graag zien dat Rusland munt slaat uit de nieuwe machtsverhoudingen.
Als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend is
De militaire betrokkenheid van Rusland in Syrië plaatst de NAVO voor een groot dilemma, nu een van de belangrijkste leden in de frontlinies staat. De betrekkingen tussen Turkije en Rusland staan al maanden onder grote spanning. Inmiddels heeft Moskou Turkije openlijk gewaarschuwd geen troepen naar Syrië te sturen om Aleppo te beschermen. Hoe de Turkse leider daarop zal reageren is ook al een vraagstuk dat de Europese leiders hoofdpijn bezorgt.
Dit alles speelt zich af in een tijd waarin de Europese regeringsleiders als nooit tevoren de samenwerking zoeken met Ankara, teneinde het vluchtelingenprobleem het hoofd te bieden. Als Turkije gaat dwarsliggen op de Midden-Oostenflank van de NAVO dient dat de Russische belangen. Evenzeer zal een nieuwe uittocht van vluchtelingen Rusland in de kaart spelen. De vluchtelingencrisis heeft diepe kloven geslagen in het continent en rechtse, populistische partijen spinnen er garen bij – en veel van die partijen zijn Ruslands politieke bondgenoten in het verzet tegen het project Europa. De vluchtelingencrisis zet belangrijke Europese instituties onder druk – het gevaar van een Brexit is toegenomen (wat Rusland alleen maar zal toejuichen) – en de vluchtelingencrisis ondergraaft de positie van Angela Merkel, de drijvende kracht achter de Europese sancties tegen Rusland.
Natuurlijk is het overtrokken om te zeggen dat Poetin dit van begin af aan heeft voorzien. Hij heeft de ontwikkelingen willen sturen, maar ondertussen wordt hij er ook door meegesleept. Rusland is niet verantwoordelijk voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië, noch heeft het de hand gehad in alle gebeurtenissen in Oekraïne. Maar het cynisme waarmee Rusland het spel speelt zou in het Westen en de Verenigde Naties meer alarmbellen moeten doen rinkelen dan nu het geval is.
Poetin mag zichzelf graag neerzetten als een man van orde, maar zijn beleid heeft alleen maar gezorgd voor meer chaos, en daar moet Europa een steeds hogere prijs voor betalen. Om het Russische regime tot een andere handelswijze aan te zetten is meer nodig dan alleen optimisme. In Aleppo voltrekt zich een humanitaire ramp. Het is van het grootste belang dat we de verbanden zien tussen het uitzichtloze lot van deze stad, de toekomst van Europa, en het Rusland dat hier dreigend boven hangt.
Door het wegvallen van de grenscontroles binnen de Schengenzone kunnen wapensmokkelaars en terroristen als mieren door Europa trekken. Wapens aanschaffen om een aanslag mee te plegen wordt zo een koud kunstje.
Toen hij op de Duitse snelweg werd aangehouden voor een routinecontrole, zag de Beierse politie aanvankelijk niets bijzonders aan de 51-jarige man in de gehuurde Volkswagen Golf. Hij kwam uit Montenegro en zei dat hij op weg was naar Parijs, waar hij de Eiffeltoren wilde beklimmen. Pas toen ze zijn auto doorzochten – wat ze konden doen op basis van een nieuwe wet tegen illegale migratie – zagen ze dat hij geen toerist was. In verborgen bergruimtes vonden ze een angstaanjagend wapenarsenaal, met onder meer diverse kalasjnikovs, handgranaten, een pistool en 200 gram dynamiet.
De wapenleverancier van een gangster verwikkeld in een extreem gewelddadige vete? Of een kwartiermeester van het terreurnetwerk dat in de Franse hoofdstad onlangs een vreselijk bloedbad aanrichtte? Vooralsnog blijven de bedoelingen van deze Vlatko V., die acht dagen voor de Parijse aanslagen werd opgepakt, in nevelen gehuld. De verdachte zit in verzekerde bewaring en justitie doet, aldus het Beierse ministerie van Binnenlandse Zaken, ‘intensief onderzoek naar eventuele banden met de gebeurtenissen in Parijs’. Maar wat hij ook van plan was, de aanhouding geeft een verontrustend beeld van wat deskundigen de ‘mierenhandel’ noemen: wapensmokkelaars, en tegenwoordig ook terroristen, die met wapens door heel Europa trekken. ‘We noemen dat mierenhandel omdat je in Europa heel veel kleine partijen wapens van individuele handelaren ziet rondgaan, in plaats van grote vrachtladingen,’ aldus An Vranckx van de Belgische Group for Research and Information on Peace and Security, die de wereldwijde handel in handvuurwapens onderzoekt. ‘Maar als er een hele colonne mieren op pad is, tikt dat toch aan.’
Bloedig
In Groot-Brittannië bleek twee jaar geleden hoe bloedig de gevolgen van die mierenhandel kunnen zijn. Dale Creegan, een crimineel uit Manchester, pleegde toen een aanslag met een handgranaat die twee politieagentes het leven kostte. Die granaat was afkomstig uit een partij van honderden granaten uit voormalig Joegoslavië die waarschijnlijk al door allerlei criminele elementen zijn gebruikt, van Noord-Ierse protestante paramilitairen tot drugsdealers in het noordwesten van Engeland. En zoals de Britse vuurwapen‑ deskundige David Dyson vorige week tegen deze krant zei: ‘Als een gast in Manchester aan zulke spullen kan komen, kunnen aanhangers van IS dat misschien ook.’
Achter het Brusselse Zuidstation kun je voor 1000 euro een kalasjnikov op de kop tikken
Gelukkig is echt oorlogstuig in Groot-Brittannië nog zeldzaam, omdat de wapenwetgeving na de moordpartijen in Hungerford (1987) en Dunblane (1996) steeds verder is aangescherpt en omdat de grenzen van een eilandstaat nu eenmaal makkelijker te bewaken zijn. Als Scotland Yard weer eens met de vondst van een crimineel wapenarsenaal pronkt, gaat het vaak om antieke vuurwapens uit de Tweede Wereldoorlog of omgebouwde alarmpistolen. Een teken dat illegale wapens in Groot-Brittannië niet voor het oprapen liggen.
Maar in de rest van Europa is het een heel ander verhaal. Door het wegvallen van de grenscontroles binnen de Schengenzone staat niets de ‘mierenhandel’ in de weg, of het moeten de afstanden zijn: de lange autorit van en naar de leveranciers in de voormalige Oostbloklanden. In de Sovjettijd bevonden zich in landen als Bulgarije en Oekraïne enorme wapendepots, voor als er oorlog zou uitbreken met de NAVO. Na de val van het IJzeren Gordijn zijn die wapens in allerlei conflict‑ regio’s beland, van West-Afrika tot de Balkan. Alleen al in Albanië zijn na de val van de regering in 1997 meer dan een half miljoen wapens uit overheidsdepots geplunderd. In Servië en Bosnië bevinden zich sinds de burgeroorlog naar schatting nog bijna twee miljoen illegale wapens in handen van particulieren.
Zuidstation in Brussel. Foto Amaury Henderick/Flickr Creative Commons
Ook in buurland Montenegro, waar de in Beieren opgepakte smokkelaar vandaan kwam, stikt het van de wapens. Het is wellicht geen toeval dat Montenegro de thuishaven is van Europa’s succesvolste bende roofovervallers, de ‘Pink Panthers’, die met overvallen op juweliers in Londen en Parijs de afgelopen tien jaar voor minstens 100 miljoen euro aan sieraden hebben buitgemaakt. Zij hebben nog het aura van volkshelden – sinds november wordt er zelfs een Britse dramaserie over hen uitgezonden met John Hurt in de hoofdrol. Maar de wapenvoorraden die hun huzarenstukjes mogelijk maakten, worden nu ook aangesproken door terroristen.
Frankrijk werd hier in 2012 op brute wijze mee geconfronteerd toen de tot jihadist bekeerde kleine crimineel Mohammed Merah moordend door Toulouse trok. Hij had het vooral gemunt op joden en militairen, en maakte zeven slachtoffers. Thuis had hij onder meer een kalasjnikov en een uzi liggen, en het dagblad Le Figaro vroeg zich af: ‘Hoe heeft hij zomaar al die wapens kunnen kopen, alsof het yoghurtjes waren?’ Het antwoord was: niet legaal. Net als in de rest van de EU zijn kalasjnikovs in Frankrijk strikt verboden. Maar Merah kon er makkelijk aan komen via zijn contacten in de Franse onderwereld. Die is erg actief in de veelal door arme immigranten bewoonde Franse banlieues. En volgens Nic Marsh, een wapendeskundige van het Peace Research Institute in Oslo, zijn alleen in die banlieues al zo’n vierduizend machinegeweren in omloop. In Marseille zijn de afgelopen vijf jaar tientallen afrekeningen tussen drugsbendes uitgevoerd met kalasjnikovs. In februari werd de hoofdcommissaris er zelfs mee beschoten tijdens een bezoekje aan een door criminaliteit geplaagde wijk.
Gapend gat
Zijn de aanslagplegers in Parijs ook zo aan hun kalasjnikovs gekomen? Daar willen de opsporingsdiensten nog niets over kwijt. Maar aangezien de hele operatie gepland was vanuit België, is het niet ondenkbaar dat ze hun aandacht nu weer richten op die schimmige markt achter het Brusselse Zuidstation, waar je al voor 1000 euro een kalasjnikov op de kop kunt tikken. Daar zouden de daders van de aanslag op Charlie Hebdo ook hun machinegeweren hebben gekocht. De politie heeft inmiddels achterhaald dat die wapens afkomstig waren van een handelaar in Slowakije.
Daarbij kwam een gapend gat in de Europese wapenwetgeving aan het licht. De betreffende verkoper was namelijk geen louche onderwereld‑ figuur: het betrof een geregistreerde wapenhandelaar, die deze wapens volkomen legaal verkocht als ‘onklaar gemaakte’ vuurwapens. Die worden in de hele EU legaal verhandeld, als rekwisieten in films of nagespeelde historische veldslagen, of als verzamelobject. Maar de wettelijke veiligheidseisen voor het onklaar maken van wapens verschillen hopeloos van land tot land. In Groot-Brittannië is het praktisch onmogelijk om zulke wapens ooit nog te gebruiken, maar in sommige landen hoef je niet veel meer te doen dan een pen in de loop te steken, die er gemakkelijk weer uit te halen is. Pas sinds deze zomer gelden in de hele EU dezelfde veiligheidseisen, nadat Brussel vorig jaar had erkend dat er te weinig rekening was gehouden ‘met de mogelijke risico’s van hernieuwde ingebruikname’.
In Servië en Bosnië bevinden zich nog bijna twee miljoen illegale wapens in handen van particulieren
Maar al is die maas in de wet nu gedicht, de EU heeft nog steeds een probleem met de Balkan. Vooral met voorheen agressieve staten als Servië, dat inmiddels wil toetreden tot de EU. Servië werkt mee met het South Eastern and Eastern Europe Clearinghouse for the Control of Small Arms and Light Weapons (SEESAC), een VN-project om wapens uit de circulatie te krijgen. Maar tijdens een amnestieperiode van drie maanden werden dit jaar maar tweeduizend vuurwapens ingeleverd. En de beveiliging van staatsdepots is weliswaar verbeterd, maar volgens Ivan Zverzhanovski van SEESAC ‘blijft diefstal van wapens uit wapendepots een probleem’. Volgens hem is het na de verschrikkelijke aanslagen in Parijs tijd voor een ‘radicaal andere benadering’ door de EU. ‘De vraag naar wapens kwam vroeger vooral van de georganiseerde misdaad. Maar na de aanslagen op Charlie Hebdo is volgens mij wel duidelijk dat ook bij terreurgroeperingen steeds meer vraag is naar vuurwapens,’ verklaarde Zverzhanovski tegen deze krant. ‘Dat wijst op banden tussen de georganiseerde misdaad en terreurgroepen. We moeten zorgen dat de betreffende landen zo’n amnestieperiode serieus nemen, en dat de EU daar meer politieke en financiële steun aan geeft.’
Beelden van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. De broers Kouachi kochten hun wapens in Brussel.
Maar ook als Zverzhanovski zijn zin krijgt, zal de wapentoevoer nooit helemaal stoppen. Criminelen zoeken hun toevlucht nu steeds vaker tot het ‘Dark Web’. Alleen in Frankrijk zijn vorig jaar al 57 mensen gearresteerd omdat ze hadden geprobeerd via internet wapens (waaronder kalasjnikovs) te kopen. En als we alle wapens in de Balkan van de markt halen, dan ontstaat er op andere plaatsen wel weer nieuwe ‘mierenhandel’ – ergens langs die ontiegelijk lange Europese grens die we nu al niet kunnen sluiten tegen illegale migratie. Er zijn al meldingen van wapens die de EU in druppelen vanuit nieuwe brandhaarden als Oekraïne en Libië. En men vermoedt dat ze via Turkije ook vanuit IS-grondgebied in Syrië en Irak hierheen komen. ‘Als je drugs daarheen kunt smokkelen, kun je ook kalasjnikovs hierheen smokkelen. En daar doe je weinig tegen, behalve met goed inlichtingenwerk,’ zegt vuurwapendeskundige Dyson.
Het enige wat de EU verder kan doen, is zo hoog mogelijke straffen opleggen aan de verantwoordelijken voor die mierenhandel. Dat zegt Iain Overton, schrijver van het onlangs verschenen Gun Baby Gun, over de wereldwijde gevolgen van de handel in vuurwapens. Wrang genoeg zou juist de krankzinnige bloeddorst van IS deze branche, die niet bepaald bekendstaat om zijn scrupules, nog tot enige terughoudendheid kunnen dwingen. ‘Iedereen die willens en wetens een vuurwapen verkoopt aan een terrorist, is zelf net zo schuldig,’ zegt Overton. ‘Die wapenhandelaren moeten net zo streng worden bestraft als de daders van de aanslagen zelf.’
Het idee dat klimaatverandering automatisch tot conflicten leidt klopt niet, zeggen wetenschappers. ‘Wateroorlogen’ zoals in de Mad Max-films hoeven we op korte termijn niet te verwachten. Toch zijn er wel verbanden.
Of drastische wijzigingen in het weerpatroon de oorzaak zijn van oorlog en geweld staat al heel lang ter discussie. Ging er begin vijftiende eeuw bijvoorbeeld een lange droogteperiode vooraf aan de ondergang van het Khmer-rijk? En was de Kleine IJstijd, halverwege de zeventiende eeuw, de voornaamste oorzaak van de hevige oorlogen in Europa, het Ottomaanse rijk en China?
De wereld van nu is zo complex dat zulke simplistische vergelijkingen en veronderstellingen niet opgaan, laat staan dat de toekomst valt te voorspellen. Toch waarschuwen wetenschappers dat een veel warmere aarde en rampzalige weersveranderingen de balans naar de verkeerde kant zouden kunnen laten doorslaan. Het vijfde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (ipcc) spreekt van ‘de niet onterechte zorg’ dat klimaatverandering in bepaalde gevallen de kans op gewapende conflicten zal vergroten, ‘zelfs al is de omvang van het effect onduidelijk’.
In de meeste onderzoeken wordt klimaatverandering niet beschouwd als een rechtstreekse oorzaak van conflicten, maar als een van de vele met elkaar verband houdende factoren die de dreiging verhevigen, zoals armoede, uitsluiting van etnische bevolkingsgroepen, verkeerd overheidsbeleid, politieke instabiliteit en maatschappelijke afbraak. ‘Het ontbreekt ons nog aan het laatste puzzelstukje dat bewijst dat klimaatverandering conflicten veroorzaakt, maar we weten dat er een verband bestaat tussen de variabelen,’ zegt Koko Warner van het Institute for Environment and Human Security van de Universiteit van de Verenigde Naties (unu). ‘We zien nog niet dat mensen de wapens tegen elkaar opnemen omdat ze een gebrek aan zoet water hebben of dat het stijgende zeewater hele volken in elkaars armen drijft.’
Klimaatverandering zorgt onmiskenbaar voor nieuwe spanningen tussen landen. Essentiële natuurlijke grondstoffen, zoals water, nemen af in landsgrenzen overschrijdende delta’s. Ook doen zich nieuwe mogelijkheden tot exploratie en ontginning voor in gebieden die ooit met ijs bedekt waren, zoals de Noordpool. Maar volgens deskundigen hebben dat soort spanningen tot nu toe meer verdragen dan conflicten opgeleverd. En toch. Het netwerk van Amerikaanse inlichtingendiensten heeft wereldwijde trends voor 2030 voorspeld en waarschuwt dat ‘schermutselingen niet vallen uit te sluiten tussen landen die rivierdelta’s in zwaar getroffen regio’s met elkaar delen, vooral niet gezien de andere spanningen die zich tussen hen voordoen’. Dergelijke regio’s – Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Midden- en Zuid-Azië en Noord-China – kennen tevens de grootste bevolkingsgroei, waardoor de schaarse bronnen nog meer onder druk komen te staan.
Wie geld heeft, vertrekt als eerste, terwijl anderen zweren op eigen bodem te zullen sterven
De unu heeft het verband onderzocht tussen de opwarming van de aarde, ‘waterconflicten’ en veiligheid, met elf casussen in het Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten en de Sahel. Uit het onderzoek, Clico genaamd, bleek dat klimaatverandering ‘geen belangrijke bron van geweld en onveiligheid’ is, niet tússen landen en niet erbinnen. Wel wees het uit dat problemen zich kunnen voordoen of kunnen verergeren door de manier waarop een land met klimaatverandering omgaat.
Julia Kloos, een Duitse onderzoekster van Clico, vindt dat we moeten oppassen met generaliserende uitspraken over klimaatverandering enerzijds en oorlog en geweld anderzijds en daar niet zonder meer een verband tussen moeten leggen. Elke situatie is anders: ‘We moeten het van geval tot geval bekijken.’ Volgens Kloos pakt de manier waarop landen op klimaatverandering reageren negatief uit voor kwetsbare bevolkingsgroepen. Zo claimen boeren in Niger die kampen met droogte, overstromingen en hitte soms met geweld grond en water, waardoor nomadische herders in hun voortbestaan worden bedreigd. Conflicten over water zijn er ook in Kenia en Ethiopië en treffen vooral marginale bevolkingsgroepen.
Van droogte naar oorlog?
In recent onderzoek wordt de droogte in Syrië van enkele jaren geleden – en de verkeerde manier waarop de regering daarmee omging – genoemd als katalysator van de opstand die tot de burgeroorlog heeft geleid.
Of het conflict tussen Palestina en Israël zal verergeren doordat hun gedeelde watervoorziening slinkt, is in dit verband een cruciale vraag. Klimaatverandering bedreigt de watertoevoer in de Jordaandelta, die Israël deelt met het Palestijnse gebied op de Westelijke Jordaanoever en met delen van Libanon, Syrië en Jordanië. Hoe hevig het conflict ook is, het ontziltingsproject waar Israël aan werkt wordt beschouwd als een kans op vrede en samenwerking in de regio.
Volgens het ipcc-rapport is het risico op klimaatgerelateerde conflicten het grootst in zwakke staten, in gebieden waar eigendomsrechten in het geding zijn en daar waar de ene bevolkingsgroep de andere overheerst. Vandaar dat de manier waarop Zuid-Soedan zich aan het broeikaseffect aanpast waarschijnlijk eerder tot problemen zal leiden dan de manier waarop een land als Italië dat doet, zoals Kloos opmerkt.
Ook proactieve maatregelen, bijvoorbeeld meer bossen aanleggen om de kooldioxide-uitstoot te verminderen, bomen kappen voor de productie van biobrandstoffen en waterkracht gebruiken als duurzame energievoorziening, kunnen tot conflicten leiden en bestaande conflicten verhevigen doordat mensen van hun land worden verdreven of niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
Koko Warner van het unu: ‘We weten dat klimaatverandering de kwetsbaarste groepen het hardst raakt en dat is reden tot zorg. Wanneer mensen systematisch buiten het besluitvormingsproces worden gehouden, kan dat tot botsingen leiden.’ Volgens haar zijn goede maatschappelijke banden van groot belang om te kunnen overleven. ‘Toen de droogte in India hele gemeenschappen bedreigde, trokken de mensen eerst naar elkaar toe. Maar toen de toestand extreem begon te worden, gingen ze voedsel hamsteren. Conflicten ontstaan als mensen niet samenwerken en alle strategieën om risico’s in te dammen in rap tempo overboord worden gezet.’
Waarschijnlijk zullen conflictsituaties zich ook voordoen wanneer klimaatverandering mensen ertoe dwingt te emigreren en gastlanden geen georganiseerde opvang en integratie kennen, aldus het ipcc-rapport.
Volgens het door de unhcr opgezette Nansen Initiative zagen tussen 2008 en 2014 184 miljoen mensen zich door overstromingen, aardbevingen, droogte en zeespiegelstijging genoodzaakt huis en haard te verlaten. ‘Sommige berekeningen wijzen uit dat door een zeespiegelstijging van één meter 150 miljoen mensen op de vlucht zullen slaan, tenzij er dammen en zeeweringen worden gebouwd of vergelijkbare maatregelen worden genomen om kwetsbare gebieden te beschermen,’ aldus de organisatie.
Maar Walter Kaelin, werkzaam bij Nansen, verklaart tegenover irin: ‘Ik zou voorzichtig zijn met het idee dat het broeikaseffect overal tot onrust leidt. In veel regio’s die te lijden hebben van de opwarming van de aarde is daar helemaal niets van te merken. Er is meer voor nodig.’
De droogte in de Hoorn van Afrika gaat gepaard met een toename van het aantal handvuurwapens
Toch wijst onderzoek volgens Kaelin uit dat de droogte in de Hoorn van Afrika gepaard gaat met een toename van het aantal handvuurwapens. Ook zullen conflicten volgens hem ‘de humanitaire crises verergeren die zijn ontstaan door natuurrampen en vluchtelingenstromen’. Als voorbeeld noemt hij de bewoners van het vluchtelingenkamp in Dadaab in Kenia. Die ontvluchtten Somalië niet vanwege het geweld – hoewel de oorlog in hun land ze onbereikbaar maakte voor hulporganisaties – maar vanwege droogte en hongersnood.
Volgens het Nansen Initiative was er twee maanden voor de klimaattop in Parijs ‘nog steeds geen passage in het conceptverdrag over mobiliteit als resultaat van klimaatverandering’. En dat terwijl Doelstelling 13 voor Duurzame Ontwikkeling gaat over de urgentie van maatregelen tegen klimaatverandering en de gevolgen ervan. Het idee achter de doelstellingen is ‘dat niemand achterblijft’. Toch is er geen plan dat de meest kwetsbare mensen beschermt tegen de verwoestingen die de opwarming van de aarde de komende twintig jaar naar verwachting zal aanrichten.
De eilandstaten in het zuidelijk deel van de Grote Oceaan worden wel de ‘kanarie in de mijn’ genoemd als het gaat om zeespiegelstijging en andere klimaatproblemen, zoals vloedgolven, verzuring van zeewater en steeds heviger orkanen en cyclonen. Die dreigen een einde te maken aan het bestaan van zo’n half miljoen inwoners van deze laaggelegen eilanden.
17 procent
Recent onderzoek van de UNU in de regio laat zien dat sommigen zijn vertrokken – vooral naar de Fiji-eilanden – omdat hun levensstandaard achteruitging. Van de ondervraagden bracht slechts 17 procent de reden voor vertrek in verband met klimaatverandering. Het onderzoeksrapport wees echter op ‘mogelijke toekomstige botsingen tussen migranten en gastlanden’ en riep op tot meer onderzoek naar ‘conflicten en migratie in de gebieden in de Grote Oceaan’. Meg Taylor, secretaris-generaal van het Pacific Islands Forum, overlegde onlangs nog met de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-moon, over de risico’s van migratie als gevolg van klimaatverandering.
Cosmin Corendea, die aan het UNU-onderzoek heeft meegewerkt, zegt dat mensen zich aanpassen aan klimaatverandering wanneer die zich sluipend voltrekt, omdat ze het idee hebben dat ze die aankunnen. ‘Wie geld heeft, vertrekt als eerste, terwijl anderen zweren op eigen bodem te zullen sterven. Je weet nooit hoe mensen reageren. Ze leren met allerlei bedreigingen te leven.’ Hij voegt eraan toe dat dat niets afdoet aan de urgentie van de effecten van klimaatverandering: er kunnen conflicten tussen landen ontstaan over de opname van vluchtelingen, en wanneer migranten niets aan een gastland bijdragen, kunnen de spanningen binnen zo’n land telkens terugkeren.
In de concepttekst van het klimaatverdrag van Parijs wordt niets gezegd over oorlog en geweld die het gevolg zijn van klimaatverandering. Corendea zegt dat de opstellers geen woorden vuil maken aan wat niet bestaat of geen internationaal ingrijpen vereist. ‘Het is nog niet zover,’ zegt hij. ‘Wat niet wil zeggen dat we conflicten mogen uitsluiten als we niet op de juiste manier met klimaatverandering omgaan.’
Auteur: Philippa Garson
Vertaler: Nico Groen
Philippa Garson werkte lange tijd als correspondent in Zuid-Afrika, o.a. voor Mail & Guardian. Tegenwoordig werkt ze in New York als journalist en schrijft vooral over georganiseerde misdaad, drugsbeleid en milieukwesties.
Hoe voelt het om gedwongen je land te moeten verlaten, zoals de honderdduizenden vluchtelingen die nu naar Europa trekken? Hoe ga je om met de ontworteling, de heimwee, het missen van je dierbaren, de onvermijdelijke identiteitscrisis? 360 verzamelde een aantal brieven van en over ballingen die onlangs verschenen in de internationale pers.
‘Op een dag zal de wind ons terugbrengen naar Damascus’ (Mohamed Attar)
k ben geboren en getogen in Damascus en tot mijn vijftiende ben ik nooit de stad uit geweest. Ik heb de stad aan alle kanten doorkruist en soms weinig bekende wegen genomen die naar de graftombes van metgezellen van de Profeet leidden, naar gekkengestichten of naar vergeten publieke baden. Maar mijn pogingen om me mijn geboortestad eigen te maken bleken vergeefs. En hoe meer ik van Damascus ontdekte, des te meer voelde ik me er een vreemdeling.
Omdat ik tot de middenklasse behoorde, die steeds verder van het centrum van de hoofdstad af kwam te wonen, bereikte ik de jaren des onderscheids in een buitenwijk. Ik besefte dat het idee van een vaderland echt moeilijk te begrijpen was. Wat betekende het? Deze vragen werden concreet in het begin van de jaren negentig, toen ik op de middelbare school voor het eerst in contact kwam met zonen van officiers van het regime. Ik keek naar hun auto’s met getinte ramen en speciale nummerborden. Ik hoorde de gefluisterde gesprekken over vrienden wier ouders waren gearresteerd.
Daarna begreep ik hoe de generatie van mijn vader het onderspit had moeten delven. Ik herinner me hem nog goed, deze intellectueel en alumnus van de Universiteit van Caïro die me tot bloedens toe sloeg toen ik in het bijzijn van onze buurman, die een van hun agenten heette te zijn, sprak over de manier waarop de Moekhabarat (de geheime Syrische inlichtingendienst) ons leven beheerste. Die dag heb ik mijn tranen met de trots van een dertienjarige ingeslikt, omdat ik begreep hoe de angst mijn vader in zijn greep had.
De hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, is een immens ballingsoord voor de Syriërs geworden
Ik slenterde door Damascus en naarmate ik de stad beter leerde kennen en me realiseerde hoe kwetsbaar ik was, net als andere mensen zoals ik, vormden deze omzwervingen de inleiding tot een steeds moeilijker wordende ballingschap.
Kwetsbaarheid wordt gewoonlijk eerder in verband gebracht met een ballingsoord dan met het vaderland. Leven in angst en onzekerheid zonder te weten wat de dag van morgen zal brengen en met het voortdurende gevoel dat je een pion bent in een spel van onderwerping en bedrog. Weten dat je leefomgeving steeds kleiner wordt, dat je alleen je toevlucht kunt zoeken tot mensen die op je lijken van wie het merendeel op een kans wacht om te vertrekken. Zien dat de stad onophoudelijk zijn deuren voor je sluit en dat zijn centrum zich steeds verder verwijdert van zijn steeds marginaler wordende periferie. Zo verandert het vaderland in een ballingsoord.
De bevrijding kwam toen er parallelle vaderlanden werden gecreëerd, vrijplaatsen die een intieme relatie met een gewenst vaderland mogelijk maakten. Op die manier werden de vrienden uit de buurt of van de universiteit een vaderland. Je trof elkaar in een afgelegen café dat gefrequenteerd werd door mannen in de herfst van hun leven die hun eenzaamheid verdreven met de waterpijp. De bijnaam van dit café was ‘Verstop me!’ Het zijn deze gestolen vrijplaatsen die me vandaag de dag heimwee naar Damascus bezorgen en niet de jasmijnstruiken of de hypocriete gesprekken, om nog maar te zwijgen van het door beton verstikte centrum.
Maar met de Syrische revolutie van 2011 is de situatie veranderd. Alles ging om dit nieuwe Syrië draaien, waar ik me voor het eerst werkelijk gesteund voelde, omdat mijn lot verbonden was met dat van anderen. Het gevoel een balling te zijn werd minder naarmate de trekken van een nieuw vaderland zich duidelijker aftekenden. De steun kwam van talrijke Syriërs die tot verschillende geloofsrichtingen behoorden, maar allemaal een vaderland zochten na hun ballingschap.
Voor het eerst had ik het onbeschrijflijke gevoel niet meer alleen te zijn en werkelijk ergens thuis te horen. Ook al stonden we machteloos tegenover de handlangers van het regime en de kogels van de veiligheidsdiensten, we waren voor het eerst van ons leven erg geïnspireerd.
Desondanks verslechterde de situatie zodanig dat ik gedwongen was korte tijd naar Beiroet uit te wijken. Nu besef ik dat ik door Damascus te verlaten een vaderland heb herontdekt dat ik lange tijd als verloren beschouwde. Ik kon toen nog niet weten dat er heel wat andere verliezen zouden volgen, zoals een grote liefde en fantastische vriendschappen. Als je ver van je stad bent, ook al voelde je je daar een vreemdeling, zijn ook je laatste wortels doorgesneden. Degenen die blijven nemen je kwalijk dat je bent weggegaan, ook al zeggen ze je dat niet recht in je gezicht, en zelf vind je het ook verwijtbaar. Wanneer sommigen sterven of verdwijnen in de kerkers van het regime, voel je je ontzettend schuldig dat je zo ver van hen vandaan was.
In Beiroet bleef ik het gevoel hebben dat ik vlak bij Syrië was, omdat de dingen die aan de andere kant van de grens gebeurden ook daar hun weerslag hadden. Bovendien was ik in Libanon omringd door tienduizenden vluchtelingen uit alle lagen van de bevolking en alle vier de hoeken van Syrië. Een stuk van het land was simpelweg verplaatst. Het was een bittere troost je op maar twee uur autorijden van Damascus te bevinden. Alle Syriërs hoopten op een spoedige terugkeer: ‘We zijn vlakbij.’ ‘Morgen keert het tij en dan gaan we terug!’ Deze ballingschap leek aanvankelijk een wachtkamer totdat we tot de ontdekking kwamen dat het alleen maar een tussenstation was naar tal van andere bestemmingen overal op de wereld.
Beiroet was een stad waarvan ik hield, maar die me er onophoudelijk aan herinnerde dat ik er ongewenst was. Op een dag ontmoette ik er Abou Saleh, een sympathieke dronkenlap die uit Aleppo was gevlucht. Hij was nergens meer thuis. Als hij terugging naar Aleppo, zou hij herinnerd worden aan zijn drie kinderen die daar waren omgekomen. Twee van hen werden samen met hun vrouwen en kinderen gedood tijdens een aanslag op hun wijk door het regime-Assad. Abou Saleh was vooral getroffen door de dood van zijn jongste kind van negentien jaar, dat door een scherpschutter was vermoord. Hij was een geboren verteller en diste allerlei verhalen op die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, om vervolgens te zwijgen en me geld voor een nieuwe borrel te vragen. Daarna liet ik hem verder dommelen op zijn stoel. Hij bracht me op de trieste gedachte dat de hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, een immens ballingsoord voor de Syriërs is geworden. Ze kunnen niet meer terug naar hun vernielde huizen en weten evenmin waar ze dan wel heen moeten. Hun wereld is klein geworden, de zee slokt hen op en sommigen zoals Abou Saleh willen niet meer verkassen. Ik denk aan de Syrische vader die het lijk van zijn dochtertje in zee moest gooien vanaf een boot die op weg was naar Italië. Hij maakte de reis voor haar, op zoek naar een ander vaderland, maar het suikerzieke meisje stierf nadat de mensensmokkelaars de tas met insuline overboord hadden gegooid. Vervolgens dwongen de andere passagiers de vader zich van het lijk van zijn dochtertje te ontdoen. Nadat hij alleen in Italië was aangekomen zag hij zich in de rol van asielzieker gedrukt, waar hij ook heen ging.
Op de luchthaven van Beiroet deelde een officier van de binnenlandse veiligheidsdienst me met een brede glimlach mee dat het me definitief verboden was naar Libanon terug te keren. Twee jonge collega’s van hem begonnen zonder aanwijsbare reden te lachen, zodat ik maar meelachte. Zo is onze situatie één grote komedie geworden.
Vaarwel Beiroet, gegroet Berlijn. Het is een voordeel om in de zomer in de Duitse hoofdstad te arriveren want de winter is er deprimerend. Ik had het geluk in een vliegtuig te kunnen stappen terwijl heel wat andere Syriërs een hachelijke zeereis moesten ondernemen of wekenlang door bossen moesten lopen en in de openlucht moeten slapen voordat ze Duitsland bereikten. Ik ben nu bijna een maand in Berlijn. Ik doe er meestal het zwijgen toe terwijl ik mijn plaats in dit nieuwe ballingsoord probeer te vinden, ook al omdat ik de taal niet spreek. Ik weet niet wanneer ik Duits zal leren. Het Arabisch was mijn vaderland omdat ik niet in een andere taal kan schrijven of denken. Het bood me voldoende zekerheid om elk ander vaderland af te wijzen. De schuldgevoelens die ik toch al heb omdat ik een veilig bestaan leid terwijl mijn familie en vrienden tot een ellendige ballingschap zijn veroordeeld in een vaderland dat in brand staat, worden nog verergerd als ik naar de speeltuin in de buurt van mijn logies kijk. Hier leven de mensen in vrede. De ongerechtigheid in deze wereld is een bron van oneindig veel leed en leidt tot ballingschap. Een vriend zegt me dat hij zich van het dwingende idee van een vaderland heeft bevrijd. Hij wil liever rondzwerven over de wereld dan zich blind staren op een vaderland dat er toch nooit komt. Ik heb andere Syriërs in Berlijn min of meer hetzelfde horen zeggen. Ongetwijfeld een moedige houding, maar iedereen die over de bevrijding van het vaderlandsidee en de illusies van ballingschap spreekt, ontwijkt op de een of andere manier mijn blik. Onder de dunne sluier van zelfverzekerdheid gaat een enorme zwakte schuil, een mengeling van nostalgie en de wanhoop het gedroomde vaderland ooit te zullen terugvinden. Net als ik zijn mijn vrienden dode bladeren die niet weten waar ze terecht zullen komen. We weten dat we door de wind worden meegevoerd en dromen dat die ons op een dag naar een toekomstig Syrië terug zal brengen. Maar in afwachting van dat moment, en zonder dat we weten of de dag ooit komen zal, zijn we overgeleverd aan de windrichting en dragen we diep in ons hart ons vaderland mee als ons ballingsoord, waar we ook zijn.
Mohamed Attar
Bron: Al-Jumhuriya, Istanboel
De Syrische schrijver Mohamed Attar ontvluchtte zijn land nadat de kortstondige euforie over de opstand tegen president Assad was gedoofd. Hij woonde eerst in Beiroet, en tegenwoordig in Berlijn.
‘In Syrië heb ik me nooit een vluchteling gevoeld’ (Fatima Bhutto )
Syrië was mijn thuis.
Ik heb er als kind in ballingschap gewoond. Mijn ouders noemden het ‘ballingschap’, omdat we niet in ons eigen land, Pakistan, konden zijn. Omdat Pakistan te gevaarlijk was, te gewelddadig, omdat daar geen gerechtigheid was. Mijn vader kwam uit Pakistan, mijn moeder uit Libanon. En ik van ergens daartussenin. Syrië beschermde ons en heette ons welkom. Ik vraag me af waarom mijn ouders ons nooit ‘vluchtelingen’ hebben genoemd?
Als kind in Damascus heb ik me nooit een buitenstaander gevoeld. Al was ik geen Syrische en was Arabisch niet mijn moedertaal, toch voelde ik me er thuis. Ik woonde in de oudste bewoonde stad van de wereld. Ik voelde me veilig. ’s Avonds rook het er naar jasmijn.
Op school, in de stad, of als we de berg Qasioun op reden om naar Damascus bij avond te gaan kijken, met zijn schitterende lichtjes in het donker, noemde niemand ons vluchtelingen. Niemand gaf ons het gevoel dat die stad daar beneden – de oudste, de mooiste, met zijn witte, gouden en groene lichten in de verte – niet ook onze stad was.
Een tijdlang was het dat ook.
Zelfs nu nog doet mijn hart pijn als ik het Syrische volkslied hoor.
Uiteindelijk gingen we naar huis. Maar Syrië heeft nooit zijn deuren voor ons gesloten. Ook Pakistan (dat nooit rechtvaardiger of minder gewelddadig is geworden) en vele andere landen in Azië hebben lang hun grenzen opengehouden. Pakistan heeft tientallen jaren onderdak geboden aan de grootste Afghaanse vluchtelingenpopulatie ter wereld. Syrië heeft altijd vluchtelingen opgenomen. Libanese, Armeense, Palestijnse. Mijn moeder en haar familie kwamen in 1982 naar Damascus, na de Israëlische invasie in Libanon. Rond 2007, op het hoogtepunt van de oorlog in Irak, verwelkomde Syrië wel tweeduizend Iraakse vluchtelingen per dag.
Iedereen.
Sjiieten, soennieten, christenen, atheïsten. Mannen, vrouwen, vervolgden en verslagenen. Syrië was ooit voor de hele wereld een thuis.
Dat was altijd het mooie van het feit dat je bij deze landen hoorde, bij Azië: er was altijd plaats voor de statenlozen en bezitslozen. Er was geen zelfgenoegzaamheid, geen hysterie, geen koehandel met mensenlevens. Als ik de bureaucratische onverschilligheid van Europese leiders tegenover menselijk lijden zie, kan ik alleen maar terugdenken aan Syrië en aan wat dat land voor vluchtelingen deed – gul en zonder ophef. Hoe kan iemand in een verbonden wereld zijn deuren sluiten?
Fatima Bhutto
Bron: Granta, Londen
Fatima Bhutto (Kaboel, 1982) is journaliste en schrijfster. Ze publiceerde vier boeken, waaronder de roman The Shadow of the Crescent Moon. Toen ze drie jaar oud was, vluchtte haar vader om politieke redenen van Afghanistan naar Syrië. Bhutto is de nicht van de voormalige Pakistaanse premier Benazir Bhutto. Ze woont in Karachi, Pakistan.
‘Hoe kun je Canadees zijn?’ (Ramin Jahanbegloo)
Wat ik het moeilijkst vond toen ik naar Toronto kwam, was dat veel mensen aan de universiteit me kennelijk zagen als iemand die in het paradijs was beland na te zijn gered van een eiland omringd door haaien. Ik weet nog dat ik een Iraans-Canadees parlementslid op een gala in een centrum van de Iraanse gemeenschap gedachteloos hoorde verklaren: ‘Canada is het beste land er wereld.’ Dit geldt misschien voor sommige mensen, vooral voor Canadese parlementsleden die niet veel hebben gereisd, maar het gold zeker niet voor mij. Ik had het gevaar en het geweld van Iraanse gevangenissen verruild voor het geweld en de hypocrisie van een laat-kapitalistische samenleving. Het was niet zo dat ik nu deel uitmaakte van een samenleving met schone handen, ik zag helemaal geen handen, en zeker geen handen die het grote aantal daklozen hielpen dat ik elke dag in Toronto tegenkwam.
Onderweg van mijn nieuwe onderkomen naar kantoor bedacht ik bij mezelf dat een stad als Toronto en een land als Canada er niet in slaagden om enig gebaar van liefde en medeleven te maken. Misschien komt dat doordat het kapitalisme alleen met zijn hersens denkt en niet met zijn hart, en medeleven is een taal van het hart. Het schokte me diep dat bij de meeste collega’s, journalisten en jongere Canadezen die ik ontmoette, het gezicht van de liefde verborgen ging achter een sluier van kille logica.
Na de eerste paar maanden in Toronto begon ik te rebelleren tegen het conformisme dat ik elke dag zag. Ik was bezorgd en verbaasd dat er onder mijn jonge studenten niet één opstandige geest leek te zijn. En dat zij middelmatigheid heel vaak als een vorm van normaliteit beschouwden.
Medeleven is een taal van het hart
Ik was vanuit een samenleving die werd gedomineerd door een geestelijke nomenklatoera terechtgekomen in een enclave van tweederangs snobs die intellectueel verlamd waren door hun betekenisloze bestaan in goed bewaakte clubs. Ik ergerde me vooral aan een blanke vrouw die de ingang van het Massey College bewaakte. Zij was kennelijk allergisch voor mijn donkerharige Iraanse collega’s en hield die elke keer als ze met mij kwamen lunchen, bij de deur tegen. Dan realiseerde ik me weer dat wat vaak in theorie over multiculturalisme en gelijkheid in Canada werd gezegd, in de praktijk niet altijd klopte. Het is tijd, dacht ik, voor een diepgaander verkenning van de Canadese psyche en een helderder definitie van wat het betekent om Canadees te zijn.
Naarmate de maanden verstreken en ik werd opgeslokt in het cyclische drama van mijn nieuwe leven, daalde de depressie als een wolk over me neer. Ik moest ’s zomers naar Spanje ontsnappen om me weer uitgerust en verkwikt te kunnen voelen. Maar zodra we terugkeerden naar Toronto, kwam het gevoel terug dat ik me in een spirituele leegte bevond.
Met het verstrijken van de tijd kreeg ik steeds meer te kampen met wat ik de verleiding van de vrijheid noem. Vreemd genoeg zag ik meer belangstelling voor het idee van vrijheid onder mijn Iraanse studenten in Canada, die zich bezighielden met een niet-vrij land als Iran, dan onder mijn Canadese collega’s, die in een vrij land als Canada woonden. Dit gold ook voor het begrip recht. Terwijl mijn Iraanse studenten het recht omarmden als iets wat emancipatie versterkt, beschouwden mijn Canadese collega’s en studenten het recht als een verzameling op chic papier geschreven principes. Meestal dreunden zij de wet op en leunden dan tevreden achterover, alsof het recht daarmee automatisch zijn loop zou krijgen. Maar het recht kreeg zijn loop niet. Dit was een van de onderwerpen waar ik me niet aan kon onttrekken toen ik in Canada woonde. Ik had het verschrikkelijke gevoel dat elke stap die ik zette, beïnvloed werd door het alledaagse rechtssysteem, waarvan de waardeoordelen hun uitwerking hadden op mijn leven en lot.
De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit
Niemand blijft onaangetast door de ervaring van ballingschap. Sommigen verliezen hun identiteit, uit angst of om in de smaak te vallen. Heel weinigen vinden soelaas in de kunst van het vragen stellen. Ik koos voor een derde manier, door bot en direct te worden. Maar ik moest alle problemen van het balling zijn het hoofd bieden. Ik moest het riskante avontuur van een nieuw leven aangaan. In jezelf geloven was de prijs van overleven. Maar ik kwam problemen tegen die in mijn ogen absurd waren. Net als de meeste immigranten in Canada was ik ervan overtuigd dat streven naar het geluk en een prettig leven voor mijn kind de beste manier was om vooruit te komen. Het bleek lastig om kinderopvang voor haar te vinden en we hoorden dat mensen hun kinderen zelfs al voor hun geboorte inschrijven bij een kinderdagverblijf. Ik neem aan dat je je kind dus ook al bij de universiteit moet inschrijven voordat het heeft leren lezen en schrijven. Zulke verschijnselen lijken me een prima manier om je geloof in de geestelijke gezondheid van de westerse maatschappij kwijt te raken.
Ik werd me er steeds sterker van bewust dat ik een Canadese identiteit miste. Ik begon over Canada te lezen en luisterde naar iedereen die me kon laten zien hoe ik een identiteit aan dit land zou kunnen ontlenen. Het kostte me moeite om me voor te stellen wat voor Canadese identiteit me ertoe zou hebben gebracht om 125 dagen gevangenschap te verdragen. Ik vond een citaat van Northrop Frye, waarschijnlijk de meest gevierde cultureel theoreticus van Canada: ‘Historisch gezien is een Canadees een Amerikaan die de Revolutie verwerpt.’ Deze opvatting heeft verschillende kanten. Voor veel Engelssprekende conservatieve Canadezen blijft het iets om trots op te zijn. Denk aan wat Winston Churchill over dit land heeft gezegd: ‘Canada is de verbindende schakel in de Engelstalige wereld. Canada, met aan de ene kant zijn vriendschappelijke, intieme banden met Amerika en aan de andere kant zijn niet-aflatende trouw aan het Britse Commonwealth en het Moederland, is de schakel die deze twee grote loten aan de menselijke stam met elkaar verbindt.’
Maar ik vraag me af of nieuwe Canadezen nog steeds aan Engeland denken als ‘het Moederland’, een gevoel dat meer bij een blank en Engelstalig Canada hoort. Als je de wetten en regels en het twintigdollarbiljet even buiten beschouwing laat, zijn niet alle Canadezen zich werkelijk bewust van het Britse koninklijk huis, al zijn prins William en Kate Middleton bij meer Canadezen geliefd dan Nobelprijswinnares Alice Munro.
Het is moeilijk te zeggen hoe je Canadees wordt of bent. De meeste volken van vandaag hebben een sterk identiteitsgevoel, maar Canadezen zijn nog steeds op zoek naar een gezamenlijke identiteit die hun leven wortels en spirituele betekenis kan geven. De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit. Mijn islamitische studenten zien de islam als een harde waarde, die voor hen op de eerste plaats staat, Canadees zijn is voor hen een zachte waarde en die komt altijd op de tweede plaats. Voor Iraanse Canadezen of Arabische Canadezen die in Canada zijn opgegroeid is het Iraans of Arabisch zijn veel belangrijker dan Canadees zijn. Je moet een hoop verbeeldingskracht hebben om te zien hoe je trots kunt zijn op het feit dat je Canadees bent – al zijn de meeste Canadezen dat wel –, wanneer je bedenkt dat de oorspronkelijke volken hier de aanspraak op hun land kwijtraakten, werden behandeld als obstakels bij het winnen van de grondstoffen en zodoende werden verdreven, zoals dat in alle Amerika’s is gegaan. Nieuwkomers in dit land van hoop leren weinig over de mensen die hier vroeger hebben geleefd, al hebben de media daar de afgelopen jaren wel meer aandacht aan besteed. Maar discussies over de oorspronkelijke volkeren bieden weinig gelegenheid om afwijkende meningen naar voren te brengen. De Canadezen, die zo- wel de historische ervaring als de arrogantie van de Amerikanen missen, vertonen geen Canadees chauvinisme, maar tegelijkertijd is er ook geen gevoel van ‘Canadeesheid’ in Canada.
Ik had nooit geloofd dat je om deel uit te maken van Canada, een blanke Canadees moet zijn. En toch heeft mijn eigen ervaring als Iraans filosoof in Canada me geleerd dat Canada grotendeels wordt beheerst door blanke Canadezen. Het zat mij zeer dwars dat meer dan 90 procent van mijn collega’s in de faculteit Politieke Wetenschappen aan de University of Toronto blank was. Het is waar dat ik het moeilijk vond om Canada mijn thuis te noemen, omdat ‘thuis’ voor mij een persoonlijk gevoel is. Maar ik vond het ook moeilijk dat mijn intellectuele werk onderschat werd omdat ik geen blanke Canadees was of geen lid van een bekende familie in dit land. Ik kwam tot het bittere besef dat onderwijs in Canada niets te maken had met kennis maar dat, ondanks alles wat er gezegd wordt, geld het spel bepaalt.
Ramin Jahanbegloo
Bron: Toronto Star, Toronto
Ramin Jahanbegloo (1956) is een Iraans filosoof. Na zijn studie in Frankrijk verbleef hij tussen 1997 en 2001 in Canada, om vervolgens naar Iran terug te keren. Daar werd hij in 2006 gearresteerd en vier maanden lang gevangengezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar Canada. Hij is de auteur van verschillende boeken, waaronder Time Will Say Nothing: A Philosopher Survives an Iranian Prison.
‘Geit noch schaap’ (Tenzin Nyingjey)
En nu, hoe nu verder? Die vraag komt bij me op als ik denk aan de strijd om de vrijheid van Tibet. Demonstraties: gebeurd. Oorlog: gevoerd. Onderzoeken: lopen. Vredesonderhandelingen: gevoerd. Oproepen aan buitenlandse democratieën voor steun aan de Tibetaanse zaak: gedaan. Levens: verloren in grote aantallen.
Alles wat er maar te bedenken valt, is gedaan. Maar de situatie in Tibet wordt alleen maar slechter. Het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Zowel in Tibet als in ballingschap blijft het aantal mensen die geit-noch-schaap zijn [mensen met een verwaterde identiteit] groeien. In ballingschap is mijn passie verdwenen. In Dharamsala [in het noorden van India], hoofdstad der ballingen, is mijn passie verdwenen. Zelfs in het Amerikaanse paradijs is mijn passie verdwenen. Ik heb geen zin om naar het Tibet te gaan dat is ondergesneeuwd door het Chinese imperialisme van de communisten. En ik kan er hoe dan ook niet naar terug.
Mijn geboorteland is India. Mijn ouders zijn daar vanuit Tibet naartoe gegaan. Het land waar ik nu woon: de Verenigde Staten. Waar ik morgen ben: geen idee. Als ik er goed over nadenk – wat ik soms doe –, dan voel ik me verstoken van levenskracht. Ja, precies: de kern van het verbannen zijn is je zwak voelen. Je machteloos voelen. Ik ben er trots op dat ik heb gesproken met wetenschappers uit de hele wereld, en met ware dan wel vermeende leiders. Maar als zomaar iemand op straat me vraagt ‘waar kom je vandaan?’, dan heb ik daarop geen antwoord. Door die vraag zijn de trots en kracht die ik haal uit het jarenlang bestuderen van de Tibetaanse geschiedenis en cultuur op slag verdwenen.
‘Voor de Tibetanen is de hoop een vloek. Voor de Chinezen is het wantrouwen een vloek.’ Als je in ballingschap leeft, kun je niet anders dan je hoop voeden, ook al kan het niet anders of die wordt de bodem ingeslagen. Ik hoop dat de Verenigde Staten gaan werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat India gaat werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat China uiteen zal vallen. Ik hoop dat China gaat democratiseren.
In ieder geval kunnen de Tibetaanse leiders niet op dezelfde manier reizen als leiders overal elders ter wereld. Tibetaanse schrijvers, Tibetaanse zakenmensen, de Miss Tibets kunnen niet op voet van gelijkheid opereren met hun collega’s overal elders ter wereld. De Tibetaanse vlag kan niet net zo gehesen worden als de vlaggen overal elders ter wereld. Een willekeurige Tibetaan kan zich niet meten met een willekeurige burger uit een normaal land.
Ik doe net alsof ik trots en sterk ben, maar soms schaam ik me. Andere keren voel ik me trots als ik bedenk dat wij van de vluchtelingen de sterksten op aarde zijn. Soms schaam ik me dat ik een ontheemde vluchteling ben.
Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben, omdat ik als vluchteling in deze of gene cultuur ben geïntegreerd. Maar als iemand die geen Tibetaan is me vraagt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan lijkt dat allemaal opeens onzinnig.
En verder troost ik me af en toe met de gedachte dat ik deel uitmaak van het volk van de vleeseters met rood gemaakte gezichten [vaste uitdrukking waarmee de Tibetanen zichzelf omschrijven], dat afstamt van Tibetaanse vorsten. Op andere momenten troost ik me met de gedachte dat ik een coole Tibetaan ben die vredelievend is en afkomstig uit het paradijs voor religie, Tibet. Als me wordt gevraagd of ik haat of wrok koester tegen de Chinese Communistische Partij, dan antwoord ik grootmoedig: ‘Nee, niet echt. Ook dat zijn maar mensen, ze zijn slachtoffer van de drie vergiften [verlangen, afkeer, onwetendheid] van hun negatieve emoties. Die arme mensen, ik heb met ze te doen.’ Maar de Communistische Partij is wel Tibet binnengedrongen en heeft het land geannexeerd, de Partij heeft mensen vermoord en doet dat nog steeds, door de Partij ben ik gedwongen tot omzwervingen in ballingschap. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dus schaam ik me er tegelijkertijd voor dat ik haat noch wrok voel of doe alsof ik die niet voel.
Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben
Kan ik nog iets bijzonders doen? Ik lees boeken, ik kijk wat films, ik reciteer een paar mani’s [Tibetaanse mantra’s], ik bid, ik loop rondes om de tempel [kora, een boeddhistisch ritueel]. Ik heb het aan de stok met de voorstanders van de gulden middenweg [pleitbezorgers van echte autonomie voor Tibet, zoals de dalai lama die voorstaat] en met de voorvechters van onafhankelijkheid. Ik doe mijn best om het zo gewilde Amerika te bereiken. Ik ga een beetje demonstreren, een beetje in hongerstaking. Ik drink wat biertjes. Ik probeer wat meisjes te versieren. Ik geef wat feestjes. Ik dans als een westerling. Ik drijf wat handel. Ik schrijf wat korte teksten en gedichten. Ik neem deel aan discussies. Ik dobbel. Kortom, ik vermaak me. Zo gaat een alledaags leven voorbij.
Maar het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Ik heb geld, eten, drinken en kleren zo veel ik wil. Ik spreek Tibetaans, Engels, Hindi, Chinees, Duits en nog meer talen. Maar ik ben vlees noch vis. Geit noch schaap. Tibetaan noch Chinees. Ik ben noch boven noch beneden. Noch hier noch daar. Ik ben in een soort eeuwig bardo [in het Tibetaans boeddhisme een tussenstaat] beland.
Tenzin Nyingjey
Bron: Tibet Times, Dharamsala
Tenzin Nyingjey woont in ballingschap in de Indiase stad Dharamsala. Hij werd geboren in 1978, vlak voordat Deng Xiaoping de beroemde woorden sprak: ‘Alles is bespreekbaar in Tibet, behalve onafhankelijkheid.’ Het was na deze uitspraak, zegt hij, ‘dat wij onze strijd voor de vrijheid begonnen op te geven en het gevoel kregen dat we tot een verloren generatie behoorden’.
Vergeef ons, Simonne (Abdou Semmar )
Marie-Simonne,
Je ontvluchtte je land, Kameroen, in de hoop in Algerije veiligheid, vrede, een toevluchtsoord en het einde van al je misère te vinden. Simonne, je koos ervoor om in mijn land te gaan wonen, omdat je ongetwijfeld had gehoord dat de bewoners zo gul zijn, dat de bevolking heldhaftig is en zich talloze opofferingen heeft getroost om zich van het koloniale juk te bevrijden. Je had al lang bewondering voor dit land dat leiders van alle Afrikaanse onafhankelijkheidsbewegingen van de jaren zestig en zeventig met open armen ontving.
Simonne, ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is, dat bekendstaat om zijn olie, maar ook om zijn waarden. Een islamitische samenleving die gastvrijheid tot hoogste waarde heeft verheven. Een eeuwenoude samenleving vol verscheidenheid die openstaat voor vreemdelingen.
Maar toen je eenmaal in Algerije was, ontdekte je dat het land absoluut niets te maken had met het land waarover je had gehoord en gelezen. In Oran, waar je was gaan wonen om er samen met je man een nieuw leven op te bouwen, bleken de mensen racistisch, vol vreemdelingenhaat en allergisch voor buitenlanders, vooral voor zwarte mensen, zoals je hebt ervaren.
Vanaf het begin dat je in ons land was ben je beledigd, lastiggevallen en veracht, tot op die donderdag 1 oktober om elf uur ’s avonds, toen zeven seksueel gefrustreerde mannen, ten prooi aan hun lage driften, je achter het parkeerterrein in een populaire wijk van Oran hebben ontvoerd, afgerost en om beurten verkracht. Geen van die ‘heldhaftige’ Algerijnen, zoals ze in de geschiedenisboeken worden omschreven, nam de moeite om je uit de klauwen van die vuile beesten te redden.
In het ziekenhuis weigerden ze je te behandelen. Op het politiebureau hadden ze geen zin om in je aangifte op te nemen. Waarom? Omdat je zwart bent, en christen. Dit is niet het Algerije waar jij van droomde. Het zijn niet deze racistische, gewelddadige, criminele Algerijen over wie je zo veel had gehoord.
Ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is
Ik schrijf je om te vragen of je ons wilt vergeven. Vergeef ons, Simonne. Vergeef ons omdat wij Algerijnen, de mannen en vrouwen die geloven in de broederschap tussen alle volkeren ter wereld, die geloven in tolerantie, in wederzijds respect en in het opkomen voor de rechten van buitenlanders, boos zijn en geschokt, geschrokken en diep getroffen door al het vreselijks dat een deel van onze samenleving jou heeft aangedaan.
Vergeef ons dat we er die avond niet waren om je te redden. Vergeef ons dat we er niet waren om de gendarme terecht te wijzen die jouw aangifte weigerde omdat je geen moslima was. Vergeef ons de onverschilligheid, intolerantie en het racisme, die helemaal niets te maken hebben met ons karakter. Ons ware karakter. Niet dat wat je ziet bij die gestoorde jongeren die over onze straten zwerven, overgeleverd aan hun frustraties en slachtoffer van die collectieve neurose veroorzaakt door het totale failliet van ons sociale en politieke systeem.
Vergeef ons dat we niets wisten van jouw hoop. Van jouw verwachtingen en dromen. Vergeef ons dat alles, Simonne. We beloven je dat we alles zullen doen om te zorgen dat er nooit meer een nieuwe ‘Simonne’ zal komen die verkracht, geslagen en gemarteld wordt, enkel en alleen om dat ze een vrouw, een zwart iemand en een christen is.
Abdou Semmar
Bron: Algérie-Focus, Algiers
Abdou Semmar is hoofdredacteur van de website Algérie-Focus, een van de belangrijkste nieuwsmedia in Algerije. Hij zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting in zijn land, en schrijft over maatschappelijke kwesties die zijn landgenoten bezighouden.
De Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste Susan Abulhawa beschouwt het zionisme als op sterven na dood. ‘Hoewel getraumatiseerd en zonder duidelijke leider, zijn de Palestijnen nog altijd opstandig en vastberaden – we blijven eensgezind, verbonden door een gedeeld leed.’
Keuze uit het archief
Sinds de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 neemt Israël de Palestijnen in Gaza geregeld onder vuur. De gedachte dat het land alleen erop uit is Hamas uit te roeien, wordt door het merendeel van de internationale gemeenschap allang niet meer geloofd. Regelmatig wordt Israël ervan beticht genocide op de Palestijnen te plegen.
Of Israël het gemunt heeft op de uitroeiing van het Palestijnse volk, is volgens de Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste Susan Abulhawa allang geen vraag meer. Al decennialang roepen vooraanstaande Israëliërs onomwonden om de vernietiging van de Palestijnen, schreef ze in 2015 in dit artikel uit Middle East Eye. Tegelijkertijd is ze ervan overtuigd dat Israël er nooit in zal slagen de Palestijnen te onderwerpen. ‘Wij laten ons niet klein krijgen.’
In 1945 schreef luitenant-kolonel George Gawler een rapport over de eventuele kolonisatie van Palestina voor de Joden. De problemen die hij voorzag hadden te maken met bestaansmiddelen en de vraag of men Joden zou weten over te halen om naar Palestina te emigreren. Er werd volkomen voorbijgegaan aan de Palestijnse bevolking die er al vele eeuwen woonde.
Tientallen jaren later, toen werd besloten over het lot van Palestina (destijds een zogeheten Brits mandaatgebied) zei Lord Balfour: ‘We zijn niet van zins om, al was het maar voor de vorm, te informeren naar de wensen van de huidige bewoners van het land.’ Toch trokken de Engelsen zich terug, uit angst voor een Palestijnse opstand. Ze realiseerden zich dat ze een fout hadden begaan door geen acht te slaan op de wil en de menselijkheid van de oorspronkelijke bevolking. Toen later de zionisten Palestina bezetten en meer dan tachtig procent van de inheemse bevolking verdreven, voorspelde de eerste premier van Israël, David Ben-Goerion (de in Polen geboren David Grün), op triomfantelijke toon dat de oorspronkelijke bevolking binnen afzienbare tijd het veld zou ruimen. ‘De ouderen zullen overlijden en de jongeren zullen vergeten,’ zei hij.
‘We zullen moeten doden en nog eens doden, de hele dag door, elke dag opnieuw’
Ook hij zat ernaast. Vele decennia later, toen deze zionistische fantasie niet bleek te zijn bewaarheid, ging Israël ervan uit dat men met bruut geweld en een volledige kolonisatie van het land uiteindelijk de oorspronkelijke bevolking van Palestina volledig zou weten uit te roeien. De stafchef van het leger, Raphael Eitan, zei onomwonden: ‘Als we het hele land hebben gekoloniseerd, kunnen de [Palestijnse] Arabieren weinig anders meer doen dan als een stel verdwaasde kakkerlakken in een fles krioelen.’
Ook nu weer bleek Israël zich te hebben vergist, en als reactie werd domweg het geweld opgevoerd. ‘We zullen moeten doden en nog eens doden, de hele dag door, elke dag opnieuw,’ aldus een Israëlische professor. Een vooraanstaande Israëlische wetgever breidde deze oproep tot genocide uit naar Palestijnse moeders en hun kinderen, die zij ‘kleine slangen’ noemde. En nu heeft Netanyahu, als een bokkig en verwend kind dat niet zijn zin heeft gekregen in de onderhandelingen met Iran zijn boevenbende bij elkaar geroepen om met veel misbaar te stampvoeten op heilige grond – een geweldige woedeaanval, bedoeld voor president Obama, als om te zeggen: Kijk wat ik allemaal nog klaar kan spelen.
De nieuwste manier om Palestina van de aardbodem te vagen is de inzet van de burgerbevolking, die wordt verzocht zich te bewapenen en zich aan te sluiten bij het legertuig, om onze ongewapende burgerbevolking te lijf te gaan. Op internet wemelt het van de filmpjes en berichten over willekeurige executies, steekpartijen en de bandeloze bloeddorst van groepen burgers.
Maar toch.
Wij laten ons niet klein krijgen.
Onze eeuwenoude samenleving, uit elkaar gevallen en onmenselijk behandeld, houdt nog immer stand: strijdlustig, bezield en vastberaden. Ondanks alle trauma’s en het gebrek aan een leider blijven we opstandig, dapper en wilskrachtig. Waar we ons ook bevinden, in bezet gebied of ontheemd, verspreid over de wereld – Gaza, de Westoever, Jeruzalem, vluchtelingenkampen in Libanon of Syrië of Irak, gevlucht in een diaspora die tot in alle uithoeken van de wereld reikt – we blijven handelen als één, verbonden in een gemeenschappelijk trauma waarvan je zou verwachten dat de Joden er begrip voor zouden hebben.
Wat zullen ze verbaasd zijn. Wat moet het fnuikend zijn voor hun moraal om zo’n enorm leger te hebben en uiteindelijk maar zo weinig te kunnen uitrichten tegen onze stenen.
Wat moet het je moedeloos stemmen, Israël. Wat moet het afschuwelijk zijn om zo verschrikkelijk te falen, jaar in jaar uit, decennium na decennium. Om keer op keer de wreedheden op te voeren, meer dood en verderf te zaaien, maar ons niet klein te kunnen krijgen. Om kleine kinderen, die het in hun broek doen van angst, met duizenden tegelijk af te voeren om vervolgens tot de ontdekking te komen dat de volgende dag duizenden anderen hun plek hebben ingenomen en stenen gooien naar jullie tanks en geweren. Om ze gevangen te zetten als ze nog zo jong zijn dat ze huilen van angst en om hun moeder schreeuwen, maar vervolgens te moeten merken dat je ze niet hebt weten te breken, dat ze zich blijven verzetten en tegen je blijven vechten. Om huizen en hele dorpen met de grond gelijk te maken om tot de ontdekking te komen dat we sneller bouwen en ons sneller vermenigvuldigen dan jullie. Om te zien dat we onder jullie onophoudelijke bezetting en de bloedbaden die jullie aanrichten blijven dansen, studeren en trouwen. Om te zien hoe we leven terwijl we verscheurd worden door het verdriet en het lijden dat jullie ons aandoen. Om onze scholen plat te gooien, om te verhinderen dat leerlingen en docenten het klaslokaal bereiken, en toch te moeten erkennen dat onze geletterdheid nauwelijks onderdoet voor die van jullie. Wat moet het jullie een angst inboezemen dat we nog altijd niet bang van jullie zijn; dat wij, in het diepst van ons wezen, een onoverwinnelijk volk zijn en dat jullie het juist zijn die in angst leven. Wat moet het ongekend teleurstellend zijn om onze dorpen met de grond gelijk te maken, om vele decennia opgravingen te doen in Siloam, onder de al-Aqsa-moskee en de al-Shakra, maar nog altijd geen tastbare bewijzen te hebben gevonden die jullie verhaal ondersteunen, terwijl er tegelijkertijd talloze Palestijnen zijn wiens historische aanspraken onweerlegbaar zijn, zwart-op-wit staan, grote bekendheid genieten en op grote schaal worden erkend. Wat moet het frustrerend voor jullie zijn dat degenen van ons die door jullie uit hun huis zijn verdreven, van wie jullie dachten dat ze zouden vergeten, gewoon blijven schrijven, scheppen, protesteren, jullie in het buitenland aan de schandpaal nagelen en steeds meer steun krijgen voor de Boycott Divestment and Sanctions-campagne [BDS, een beweging die zich fel inzet voor minder economische en politieke druk vanuit Israël op Palestina] die jullie leugens ontzenuwt. Wat moet het ontmoedigend zijn om miljoenen uit te geven om ons in het buitenland in diskrediet te brengen, teneinde ons de mond te snoeren, terwijl onze stem alleen maar luider wordt.
Wij hebben een sterke, instinctieve hang naar waardigheid
Israël heeft de fout begaan van alle koloniale bezetters in het verleden, aangezien kolonialisme altijd gepaard gaat met een gevoel van superioriteit waarbij de oorspronkelijke inwoners niet langer als mensen worden beschouwd. Israël heeft ons dan ook stelselmatig onderschat. Wat Israël ontgaat, en wat Israël ook onwelgevallig is, is dat ook wij het diep menselijke, impulsieve verlangen hebben naar vrijheid; dat wij een sterke, instinctieve hang hebben naar waardigheid. Ik zie het dilemma van Israël. Ik zie de angst van Israël. De frustratie dat de racistische droom net geen werkelijkheid is geworden. En ik zie ook dat de manier waarop Israël nu wild van zich af trapt – gewelddadig, stuitend, krankzinnig onzeker en onvoorstelbaar wreed – de doodsstuipen zijn van het zionisme.
Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.
Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.
Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.
Toch zochten tientallen christelijke families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.
Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.
Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub (letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.
‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’
Vluchten
‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’
In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.
Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.
Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over
Ultimatum
Op 18 juli gaven de luidsprekers van de moskeeën een ultimatum van de jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’
Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’
Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.
Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.
Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.
‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.
Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’
‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.
De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.
Premier Haider al-Abadi is een offensief begonnen tegen de omkopingspraktijken in zijn land, die ervoor zorgden dat IS ongestoord kon oprukken.
Half augustus steeg de temperatuur in Bagdad tot 49 graden Celsius. Niemand keek ervan op, Irakezen zijn gewend aan hittegolven. Al hadden ze, dertien jaar na de val van Saddam Hoessein, toch wel verwacht dat hun olierijke land genoeg stroom zou hebben om hun airco’s draaiende te kunnen houden.
In 2003 zag ik tijdens een verblijf in Bagdad handelaren met bergen airco’s en schotelantennes op het trottoir staan. Waarom zou je een airco kopen als er geen elektriciteit is, vroeg ik. ‘De mensen kijken vooruit,’ zei een winkelier tegen me. ‘Binnenkort is er weer stroom en dan zal de prijs van airco’s stijgen. Wie er nu alvast eentje koopt, zal straks veel geld kunnen uitsparen.’ Dat klonk reëel. Maar de realiteit in Bagdad is een verhaal op zich.
Toen de Iraakse premier Haider al-Abadi onlangs een bezoek bracht aan de zuidelijke oliestaat Basra, bleken daar duizenden demonstranten op de been te zijn. Ze eisten dat er voldoende stroom geleverd zou worden om fabrieken, computers en airco’s ongestoord te kunnen laten functioneren. Er was speciaal voor deze gelegenheid een videoclip gemaakt. In die clip herhaalde een Iraakse rapper steeds de woorden: ‘Wij zijn Irak, maar wie bent u?’
Wie bent u? Het is een legitieme vraag, nu steeds duidelijker wordt hoe wijdverbreid de corruptie was tijdens de regering van Nouri al-Maliki (2006-2014), de voorganger van Abadi. Op internet staat het verslag van een parlementaire commissie die onderzocht hoe de stad Mosul in 2014 in handen viel van IS.
Uit dit onderzoek – op grond waarvan Maliki en een flink aantal ministers en legeraanvoerders vervolgd zouden kunnen worden – blijkt dat IS al een deel van Mosul en Nineveh in zijn macht had lang voordat het Mosul innam. Zonder dat het leger of welke veiligheidsdienst ook daar iets tegen deed. IS inde belasting van burgers, zakenmensen en fabrikanten, in totaal zo’n 10 miljoen euro per maand. Er werd bijvoorbeeld voor elke werkende generator 175 euro in rekening gebracht. Ook moest er betaald worden voor niet-bestaande arbeidskrachten in de stad. En elke dokter moest een maandelijkse licentievergoeding van 265 euro voldoen. In het rapport staat ook dat van de vijfduizend militairen die in Mosul tegenwicht hadden moeten bieden aan IS, er maar 71 op het appèl verschenen. De controleposten die opgericht hadden moeten worden, kwamen er nooit en pantservoertuigen van het leger werden in brand gestoken door IS-strijders al voordat de stad was ingenomen.
Net als de hitte was de corruptie binnen het leger geen verrassing voor de Irakezen. Premier Abadi ontdekte al snel na zijn aantreden, in september 2014, dat er meer dan 50.000 spooksoldaten op de loonlijst stonden die niet bleken te bestaan. Hij kwam erachter dat officieren soldaten geld afpersten, of voor zichzelf lieten werken.
Deze feiten verklaren maar ten dele waarom het Irakese leger faalde met betrekking tot IS. Een andere reden, zo legden Irakese soldaten uit aan Abadi en aan Washington, was dat het Irakese leger, opgezet met uitgebreide Amerikaanse steun, een zeer wankele basis had. Het zou niet alleen grondig gezuiverd moeten worden, maar verschillende gevechtseenheden zouden helemaal opnieuw moeten worden opgebouwd. Iran op zijn beurt stond niet werkeloos toe te kijken en organiseerde en financierde sjiitische volksmilities, die nu strijd voeren tegen IS. Te midden van de luchtaanvallen op IS-bases, de grondaanvallen door sjiitische milities en de troepenbewegingen van het Koerdische leger in het noorden, kijkt het Irakese leger lijdzaam toe.
De premier, die niets te zeggen heeft over de militaire bewegingen in zijn eigen land, heeft nu de oorlog verklaard aan de corruptie. Hij heeft elf kabinetsposten opgedoekt, heeft de functie van vicepremier opgeheven en een maximum ingesteld voor het aantal adviseurs dat een minister mag benoemen. Dat leidt tot een enorme kostenbesparing. Verder heeft Abadi het ambitieuze plan opgevat om een regering te vormen die niet meer gebaseerd is op religie of etniciteit. Hij wil deskundige mensen die verantwoording afleggen aan de premier en niet aan hun eigen achterban.
Zijn maatregelen maken hem uiteraard niet populair bij de politici in wier banen of kabinetten wordt gesneden. Maar hij weet zich gesteund door de grote anticorruptiedemonstraties van Irakese burgers en door Ali al-Sistani, de belangrijkste sjiitische geestelijk leider in Irak [ook wel ‘democratische mollah’ genaamd].
Abadi zal ook moeten afrekenen met de diepgewortelde corruptie van het rechtssysteem. Dat zou nog wel eens de lastigste opgave kunnen worden. Rechters en openbare aanklagers hebben lucratieve banen en functioneren in een systeem waar verschillende bevolkings- en belangengroepen van mee profiteren.
Hoezeer men de hervormingsplannen ook toejuicht, men kan niet om het feit heen dat het noordwesten van Irak wordt geregeerd door IS en het noorden door de Koerden. Plannen om Mosul weer in te nemen zijn voorlopig van de baan, net als een herovering van Ramadi. De scheidende Amerikaanse stafchef Raymond Odierno veroorzaakte onlangs grote woede in het land toen hij opmerkte: ‘De enige mogelijke oplossing voor het probleem is een opdeling van Irak.’ Maar de dagelijkse praktijk, met zijn belangen- en politieke lobbygroepen, trekt zich niets aan van internationale strategieën of van de woede van Bagdad. Irak gedraagt zich al lang als een verdeeld land, en vormt alleen soms nog even een eenheid – als het om airco’s gaat tijdens een hittegolf.
Zeventig jaar na de oprichting van de VN op 24 oktober 1945 maakt de Britse kwaliteitskrant The Guardian de balans op.
Dag Hammarskjöld, de tragisch omgekomen derde secretaris-generaal van de VN, verwoordde het trefzeker: ‘De Verenigde Naties zijn niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden.’ Welke hel hij in gedachten had was niet moeilijk te raden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en Hitlers vernietigingskampen, en in de schaduw van de atoombom.
De vraag in hoeverre de VN een rol speelde bij het voorkomen van een nucleaire vernietiging verdeelt historici, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de organisatie sinds haar oprichting in oktober 1945 miljoenen mensen voor andere vormen van de hel heeft behoed. Voor diepe armoede, voor het zien sterven van kinderen aan ziekten die te genezen zijn, voor de hongerdood tijdens de vlucht voor oorlogen in de heksenketel van ideologische rivaliteiten tussen Washington en Moskou, die op de slagvelden in Afrika en Azië werden uitgevochten. Het kinderfonds Unicef voorzag in de scholing en een beter levenspad voor miljoenen kinderen, onder wie de huidige secretaris-generaal Ban Ki-moon. De ontwikkelingsprogramma’s van de VN waren bepalend bij de hulp aan landen om na de koloniale overheersing zichzelf te gaan besturen.
Maar toch. De VN mag zijn geprezen als de grote hoop voor de toekomst van de mensheid, de organisatie is ook veroordeeld als een schandelijk hol van dictaturen, heeft woede gewekt door haar verlammende bureaucratie, als internationale dekmantel van corruptie en door de ondemocratische gang van zaken in de Veiligheidsraad. De VN trekt ten strijde in de naam van de vrede, maar heeft werkeloos toegezien bij genocide. En in zeventig jaar heeft de organisatie meer dan 500 biljoen dollar uitgegeven.
‘De Verenigde Naties is niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden’
Gecorrigeerd voor inflatie zijn de jaarlijkse uitgaven van de organisatie nu veertig maal hoger dan in de jaren vijftig. De VN telt thans zeventien ge- specialiseerde instellingen, veertien fondsen en een secretariaat met zeventien onderafdelingen en heeft alleen al in New York 41.000 mensen in dienst. De lopende begroting is in twintig jaar meer dan verdubbeld en bedraagt nu 5,4 miljard dollar per jaar. Maar dat is slechts een klein deel van de uitgaven. Vredesmissies slurpen nog eens 9 miljard per jaar op met 120.000 peacekeepers, voornamelijk in Afrika. En dan zijn er nog de vrijwillige bijdragen van sommige lidstaten voor noodhulp, ontwikkelingswerk en instellingen als Unicef.
Maar al met al geeft de VN dit jaar niet meer uit dan de helft van de begroting van 80 miljard van de stad New York voor 2015.
Helen Clark kreeg als premier van Nieuw-Zeeland voor het eerst te maken met de VN, en vond in die tijd dat de organisatie door haar omvang en middelen van groot nut was bij het verdelen van de hulpgelden die kleine landen zoals het hare beschikbaar stellen. Ze is sinds zes jaar het hoofd van het ontwikkelingsprogramma van de VN, het UNDP, en daarmee de machtigste vrouw in de organisatie. Sindsdien is ze wat minder enthousiast. ‘Toen ik hier kwam, was het UNDP net een jaar bezig met het allereerste strategische plan in zijn bestaan. Maar daarin werden zo veel doelen gesteld dat het allemaal geen enkele zin had.’
Tien jaar geleden kwam de VN met een rapport waarin verregaande hervormingen van de versplinterde organisatie werden voorgesteld. Die zouden moeten worden doorgevoerd onder leiding van Adnan Amin, een Keniaanse ontwikkelingseconoom. Dat rapport bevatte volgens Amin ‘fundamenteel goede ideeën’, maar had niet de gevolgen die de samenstellers ervan verwachtten. ‘Het leidde tot een stroom van nieuwe rapporten binnen de VN, die volstrekt onleesbaar waren voor buitenstaanders. Er is sindsdien wel vooruitgang geboekt, maar geen fundamentele wijziging in de manier waarop de VN de zaken aanpakt.’
Het grootste obstakel voor verandering zijn de lidstaten. Er is een tendens onder lidstaten die het grootste deel van de rekeningen betalen om de armere lidstaten af te schilderen als een struikelblok voor modernisering en vergroting van de doelmatigheid van de organisatie. Maar volgens de 134 kleinere contribuanten, verenigd in de G77, is dat streven naar meer doelmatigheid een truc van de rijke landen om hun greep op de VN te verstevigen. ‘In naam van de doelmatigheid hebben de rijke landen de topposities ingenomen in het secretariaat,’ zegt de Indiase VN-ambassadeur Asoke Kumar Mukerji, de leider van de G77.
Helen Clark, die wel wordt gezien als de toekomstige (eerste vrouwelijke) secretaris-generaal van de VN, wordt door westerse lidstaten geprezen om de hervormingen die zij in het UNDP heeft doorgevoerd. Maar de G77 ziet dat toch anders: er zitten in de top van het UNDP te weinig mensen uit de ontwikkelingslanden zelf. ‘En daardoor is het een organisatie geworden die het karakter niet begrijpt van de landen waarvoor zij werkt,’ werpt Mukerji tegen.
Er wordt met een schuin oog gekeken naar de huidige secretaris-generaal, die als zwak wordt beschouwd. ‘Het zou mooi zijn om eens te zien wat een krachtige secretaris-generaal voor verschil zou maken,’ zegt een topambtenaar in New York. ‘Dat vindt iedereen. Maar die sterke man of vrouw komt er hoogstwaarschijnlijk nooit. De grote lidstaten willen een secretaris-generaal die ze kunnen beïnvloeden, kunnen sturen.’
De Verenigde Naties, opgericht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, hebben zich niet aangepast aan de hedendaagse realiteit, meent het Russische tijdschrift voor internationale betrekkingen Rossia v globalnoj politike. In 1945 maakte de bevolking van de landen die een zetel hadden in de Veiligheidsraad 66 procent van de wereldbevolking uit, en hun bruto nationaal product was 59 procent van het mondiale bnp. Daarnaast waren de overwinnaars in de oorlog de enige landen die beschikten over de atoombom. In 2014 waren die cijfers gedaald tot respectievelijk 22 en 46 procent. Ten minste nog vier landen – India, Pakistan, Israël en Noord-Korea – beschikken nu over kernwapens en nog eens een twintigtal landen moet in staat worden geacht dergelijke wapens te produceren.
Het gebrek aan representativiteit van de Veiligheidsraad doet het vertrouwen in dat instituut teniet. Daarom, aldus het Russische tijdschrift, moet worden geprobeerd de VN te hervormen, rekening houdend met de nieuwe werkelijkheid. Dat wordt een van de voornaamste taken van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) in de komende jaren. Maar om het aantal leden van de Veiligheidsraad niet te vergroten – die uit een compact gezelschap dient te blijven bestaan – zouden Rusland en China bijvoorbeeld, zo stelt het Russische blad zich voor, hun vetorecht bij voorkomende gelegenheid kunnen afstaan aan een van hun partners binnen de BRICS, dat wil zeggen aan Brazilië, India of Zuid-Afrika.
Strijd tegen straffeloosheid
Een commissie met een mandaat van de VN heeft een sleutelrol gespeeld in de ontwikkelingen waarbij president Otto Pérez Molina van Guatemala zich genoodzaakt zag af te treden, analyseert de krant El Periódico. De president werd vervolgens op verdenking van betrokkenheid bij corruptie gearresteerd.
De burgerbeweging die al weken manifesteerde tegen de president en de justitiële instanties heeft een overwinning behaald dankzij de steun van de Internationale Commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala (CIGIG), ‘een onafhankelijke organisatie die als een soort internationaal openbaar ministerie functioneert, maar onder de juridische autoriteit van Guatemala’, aldus een andere krant, El Espectador.
De CIGIG werd 2007 door de VN in het leven geroepen op verzoek van Guatemala om de autoriteiten bij te staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, die tot in de staatsinstellingen was doorgedrongen. Andere landen, waaronder Honduras, hebben de VN inmiddels gevraagd om voor hen ook een soortgelijk instituut in het leven te roepen.
‘Een lichte schijn van geloofwaardigheid’
De vredesmissie van VN-blauwhelmen in de Democratische Republiek Congo, MONUSCO, bestaat al zestien jaar. En er zit nog toekomst in, want nog altijd wordt het land verscheurd door oorlogshandelingen. Met 20.000 man is MONUSCO op dit moment de grootste VN-operatie in de wereld.
‘Tal van jaren heeft MONUC, later MONUSCO, niet uitgeblonken op militair gebied. Onmacht en passiviteit waren de belangrijkste trefwoorden om de acties van de VN in Congo te kenschetsen’, schrijft het blog Afrikarabia. In 2013 kwam er plotseling een einde aan de daadloosheid. De Interventiebrigade van MONUSCO werd in de strijd geworpen tegen de rebellenbeweging M23 in Noord-Kivu. De brigade had een nieuw, offensiever mandaat ontvangen en maakte een einde aan de rebellie van M23, met steun van het Congolese leger.
‘De Brigade heeft dus twee vliegen in één klap geslagen: M23 werd militair verslagen, en de blauwhelmen en het reguliere leger hebben weer een lichte schijn van geloofwaardigheid gekregen’, concludeert Afrikarabia.
Seksueel geweld tijdens VN-missie
Het hoofd van de VN-missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek heeft begin augustus op verzoek van de secretaris-generaal zijn functie neergelegd, na de zoveelste beschuldiging tegen de blauwhelmen onder zijn bevel van seksueel geweld. In de Keniaanse krant The Daily Nation schrijft de vrouwelijke commentator Rasna Warah: ‘De VN, die geen enkele tolerantie zegt te hebben voor seksueel geweld begaan door blauwhelmen, is niet in staat gebleken het kwaad in te dammen en is nog minder bereid de schuldigen voor de rechter te brengen. Erger nog: degenen die het misbruik hebben gemeld, zoals Anders Kompass [lid van de VN-missie die de zaak aan het daglicht bracht] zijn van hun functie ontheven.’
Als volgens Warah ‘de VN de daders niet kan vervolgen, kan de organisatie op zijn minst landen waaruit de betrokken soldaten afkomstig zijn weigeren om aan toekomstige vredesmissies deel te nemen’.
Geen geld voor vluchtelingen
Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) heeft een geldtekort. De organisatie heeft dit jaar 4,5 miljard dollar nodig, maar tot op heden is daar nog geen 40 procent van binnen. Bij gebrek aan middelen heeft het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) de rantsoenen voor de Syrische vluchtelingen al moeten inkrimpen. ‘Instellingen voor humanitaire hulp van de VN staan aan de rand van een faillissement,’ meldt The Guardian, die dat heeft vernomen van António Guterres, de hoge commissaris. In 2015 moet hij al met 10 procent minder toekomen dan het jaar ervoor, terwijl de nood nooit zo hoog is geweest.
De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.
In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.
De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.
Maar zijn twijfel had ook politieke redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet in geslaagd om een einde te maken aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.
Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.
Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit
Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van wereldmachten als Rusland, China en de VS. (Omdat geen enkel land in de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)
Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.
De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.
Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. ‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’
Een van de grootste problemen van De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.
Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’
Vriendjespolitiek
De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. De opkomst van IS heeft de situatie nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.
Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.
Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.
Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.
De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’
Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.
‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’
Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.
Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.
Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde – al wist hij natuurlijk ook wel dat verklaringen alleen weinig uitrichten.
‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’
Genève I en II
Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.
Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.
In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.
Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.
Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in Genève heeft gevoerd, waren deels bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.
Lokale gevechtspauzes
In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. Ooit was Aleppo de trots van Syrië, een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.
Maar toen de oorlog uitbrak werd Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.
In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens de sleutel naar vrede kon zijn. Een bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.
Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, en de stad was zowel doelwit van IS als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.
En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.
Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.
Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.
Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden geworsteld. ‘De oppositie wilde niet dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’
In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’
Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.
Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.
Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.
Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.
Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. ‘We moeten wel met ze samenwerken.’
De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.
Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie
Geen formule
Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op te houden met bloedvergieten.
Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak wist te forceren.
De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar dingen vóór op De Mistura, niet in de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.
Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’
Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.