Tag: Politiek

  • 2. Wijsheid komt echt pas met de jaren

    2. Wijsheid komt echt pas met de jaren

    De opkomst van piepjonge leiders is helemaal geen voordeel, betoogt Philip Collins. Politici hebben ervaring nodig. ‘Wijsheid is van groot belang binnen de politiek, en toch klinkt eeuwig en altijd de roep om jeugd.’

    De opkomst van Jacinda Ardern (37) in Nieuw-Zeeland en die van Sebastian Kurz (31) in 
Oostenrijk maakt duidelijk dat kiezers bereid zijn jonge leiders hun vertrouwen te schenken. Maar om een land 
te besturen is meer nodig dan een energiek wonderkind.

    Sebastian Kurz, de nieuwe bondskanselier van Oostenrijk, is met zijn tweeëndertig jaar al behoorlijk oud als je kijkt naar de echt jonge leiders. William Pitt de Jongere was nog maar vierentwintig toen hij in 1783 premier werd. Door de grilligheid van de erfelijke troonsopvolging komt het voor dat vorsten al in hun kinderjaren de troon bestijgen. Koning Hoessein van Jordanië werd al op zijn zestiende gekroond, Faisal II van Irak en Gyanendra van Nepal werden op hun derde koning 
en Foead II van Egypte kwam aan het bewind toen hij nog maar 192 dagen oud was.

    Bovendien is het bondskanselierschap van Oostenrijk kinderspel vergeleken bij wat sommige anderen mensen op diezelfde leeftijd hebben bereikt. Marie Curie ontdekte radium toen ze eenendertig was. Bentley zette op die leeftijd zijn eerste auto in de markt en Hilton kocht zijn eerste hotel. Prins Albert organiseerde de Grote Tentoonstelling en Monet stelde het schilderij tentoon dat het startschot zou vormen van het impressionisme. En het zou mij verbazen als Kurz ooit een album uitbrengt dat net zo goed is als The River van Bruce Springsteen.

    Jong door de wol geverfd

    Voor sommige mensen is het leven al afgelopen op hun eenendertigste. Schubert droeg op zijn eenendertigste de kist van Beethoven en viel vervolgens zelf dood neer. Nijinski was eenendertig toen er een einde kwam aan zijn carrière als balletdanser omdat hij werd gediagnosticeerd als ongeneeslijk krankzinnig. Alan Turing had al een paar jaar voor het bereiken van die leeftijd de enigmacode gekraakt. En dan zijn er nog de echte genieën. Kurz is natuurlijk niet het eerste Oostenrijkse wonderkind. Mozart componeerde al op zijn vijfde zijn eerste stuk dat werd uitgevoerd. Pascal had op zijn twaalfde geheel zelfstandig vrijwel alle geometrische bewijzen van Euclides rond gekregen.

    Dat roept de vraag op of het überhaupt mogelijk is om een wonderkind te zijn in de politiek, want dat is Kurz allesbehalve. Los van het vervullen van zijn dienstplicht heeft hij weinig anders gedaan dan politiek bedrijven; hij heeft zelfs zijn studie rechten aan de universiteit van Wenen niet afgerond. Zijn nog betrekkelijk korte leven bestaat uit niet veel meer dan politiek. Hij is al net zo’n ervaren en door de wol geverfde politicus als Bill Clinton uiteindelijk was: hoe hij zijn handen beweegt, of hij zijn hoofd schuin houdt, het is allemaal zorgvuldig uitgedacht; zijn kleren zijn met de grootst mogelijke zorg gekozen en hij mag zich graag presenteren als iemand die veel sport.

    Hij heeft zijn positie niet eens echt te danken aan zijn politieke talent. Het is eerder zo dat Kurz tot grote hoogten is gestegen op een golf van anti-migratiesentimenten. Hij heeft geprobeerd munt te slaan uit zijn jonge leeftijd en de kracht van de beeldvorming door zijn partij een ander imago te verlenen: de partijkleur is van zwart veranderd in een zachter turkoois, en de naam is veranderd in Oostenrijkse Volkspartij. Maar zijn leeftijd speelde een minder belangrijke rol bij zijn succes dan zijn niet al te sympathieke standpunten.

    Vóór Kurz en Ardern hebben we acht wereldleiders gezien die nog geen veertig waren

    In de politiek is het lastiger om het al op jonge leeftijd ver te schoppen dan in, bijvoorbeeld, de muziek. Politiek is eerder de kunst van het mogelijke dan de wetenschap van het onvermijdelijke, en in die zin is het dan ook geen terrein waar wonderkinderen tot bloei komen. Bij een politicus van onder de dertig blijven we het gevoel houden dat hij nog niet helemaal droog achter de oren is. Vóór Kurz en de zevenendertigjarige Jacinda Ardern, die onlangs premier is geworden van Nieuw-Zeeland, en die daarmee de jongste vrouwelijke leider ter wereld is, hebben we acht wereldleiders gezien die nog geen veertig waren. Van deze leiders spreken Emmanuel Macron (39), president van Frankrijk, en de drieëndertigjarige Kim Jong-un van Noord-Korea misschien wel het meest tot de verbeelding – ieder op hun eigen manier.

    Ardern heeft het vak geleerd in de Labour Party van Nieuw-Zeeland – om nog maar te zwijgen van de periode dat ze in Londen heeft gewerkt, voor Tony Blair – en net als alle andere jonge leiders stond haar leven altijd al in het teken van de politiek, waarvoor andere dingen moesten wijken. Haar snelle opkomst is misschien wel het spectaculairst. Ze zit pas sinds vorig jaar mei in de kamer. Er is binnen korte tijd zoveel veranderd in het politieke landschap dat ze in augustus vicevoorzitter werd van de partij en het inmiddels tot premier heeft geschopt. Het zou veel te kort door de bocht zijn om dit allemaal toe te schrijven aan een gunstig gesternte. Ze is zonder meer goed in haar vak, al moeten we nog afwachten of ze ook een goede premier zal blijken.

    JACINDA ARDERN – Premier van Nieuw-Zeeland, 37 jaar

    ▶ In functie sinds oktober 2017
    ▶ Labour Party (centrum-links)
    ▶ De jongste premier van Nieuw-Zeeland sinds 1856

    Beroepservaring:
    2003 Vicevoorzitter van de jongerenafdeling van de Labour Party op 23-jarige leeftijd
    2006 Politiek adviseur van de Britse premier Tony Blair in Londen
    2008 Gekozen in het parlement van Nieuw-Zeeland Augustus 2017 lijsttrekker voor Labour bij de algemene verkiezingen in september van dat jaar

    In de Britse politiek vertoont de leeftijd van de premier nogal wat schommelingen. De eerste man die zich premier mocht noemen, Robert Walpole, nam op zijn vierenveertigste zijn intrek in Downing Street. Tony Blair en David Cameron waren allebei drieënveertig. De victoriaanse tijd was de tijd van de Eerbiedwaardige Oude Mannen. Disraeli moest tot zijn drieënzestigste wachten voor hij premier werd, Palmerston bekleedde het ambt op zijn zeventigste en tegen de tijd dat Gladstone in 1892 aan zijn vierde termijn begon, was hij tweeëntachtig. Na de eeuwwisseling zijn er dertien premiers op rij geweest die allemaal ouder waren dan drieënvijftig.

    Na de oorlog werd de radio meer en meer verdrongen door de televisie, en daarmee was de politiek niet langer alleen een kwestie van het oor, maar ook van het oog. De leiders werden jonger, zij het niet per se aantrekkelijker. Harold Wilson, die al op zijn éénendertigste minister was, werd nog altijd als een groentje beschouwd toen hij op zijn achtenveertigste premier werd. Wilsons uitstraling was jong en modern, net als later die van Blair. Hij was jonger dan Thatcher, die drieënvijftig was, maar Wilson was ouder dan John Major toen die in 1990 premier werd, en hetzelfde geldt voor Blair en Cameron. Tony Blair, Charles Kennedy en William Hague – die in 1977 al op zijn zestiende naam maakte op het Tory-congres – waren allemaal in dezelfde periode partijleider en ze waren stuk voor stuk het jongste kamerlid toen ze voor het eerst werden gekozen.

    Door deze trend, dat politici steeds jonger worden, ontstaat er een merkwaardige poel van politici van ergens in de vijftig of zestig, die al op hun lauweren rusten. Tony Blair, David Cameron, David Miliband, Nick Clegg en George Osborne zijn allemaal alweer van het toneel verdwenen, al had de politiek er verstandiger aan gedaan hen niet zo vroeg met pensioen te sturen. Hetzelfde lot wacht ongetwijfeld Justin Trudeau in Canada en Macron in Frankrijk.

    We zouden er goed aan doen, en niet alleen om bovenstaande reden, om deze jeugdcultus met enig voorbehoud te beschouwen. De voornaamste reden daartoe valt te lezen in Shakespeares As You Like It, waarin de zeven leeftijden van de mens aan de orde komen. We lezen dat de wereld van de politiek – ‘de rechter […] vol wijze spreuken en banale exemplen’ – de vijfde fase is, na het grienen en kwijlen, het jengelende schooljoch met zijn tas, de minnaar en de soldaat, en net voor de ‘schrale oude paai op muiltjes; bebrilde neus en buidel aan de zijde’* waarmee Shakespeare naar ik vermoed op het Hogerhuis doelt. Waar het Shakespeare om gaat is dat er veel wijsheid nodig is om een land te besturen en dat wijsheid vergaard dient te worden. Het komt niemand aanwaaien. Het is een kwestie van ervaring.

    EMMANUEL MACRON – President van Frankrijk, 40 jaar

    ▶ In functie sinds mei 2017
    ▶ La République en Marche (LREM)
    ▶ Het jongste staatshoofd in de geschiedenis van de Vijfde Republiek

    Beroepservaring:
    2012 Presidentieel adviseur op 34-jarige leeftijd
    2014 Minister van Economische Zaken
    April 2016 Oprichting van de partij LREM
    Mei 2017 Wint de presidentsverkiezingen

    Tony Blairs politieke carrière maakt duidelijk hoe belangrijk ervaring is. 
In zijn memoires, A Journey, beschrijft Blair hoeveel hij pas in de praktijk heeft geleerd, toen hij al premier was. Het paradoxale, zo maakt het boek mooi duidelijk, is dat politici aan het begin van hun carrière het minst capabel zijn, terwijl ze dan politiek gezien vaak op hun hoogtepunt zijn. In Blairs beginjaren werden er binnen de gezondheidszorg en het onderwijs verschillende systemen ontmanteld, die in de latere jaren van Blair opnieuw moesten worden ingevoerd. Leraren, artsen en verpleegkundigen waren begrijpelijkerwijs erg gefrustreerd over dat schommelende beleid. Dit soort dingen valt te verwachten wanneer er mensen aan de macht komen die niet goed begrijpen hoe veranderingen zich voltrekken. En zodra de leider eenmaal heeft uitgevonden aan welke touwtjes hij moet trekken om effectief te kunnen besturen, is zijn of haar politieke positie dermate geërodeerd dat er nauwelijks nog iets valt te bewerkstelligen. Het moment waarop je goed wordt in politiek bedrijven, valt samen met het moment waarop iedereen een hekel aan je begint te krijgen.

    De jeugdcultus is misschien niet per se belangrijker geworden, maar wel zichtbaarder, in de lange periode van vrede sinds de Tweede Wereldoorlog. Winston Churchill kwam op zijn vijfentwintigste in de kamer en Roy Jenkins op zijn achtentwintigste, maar beide mannen hadden daarvoor in het leger gediend, wat hun een zeker aanzien verleende dat mensen als Douglas Alexander of William Hague ontbeerden. De generatie politici die opgroeide in de schaduw van de oorlog bracht niet alleen de wijsheid mee die door die ervaring was opgedaan, maar deze politici werden ook met meer respect bejegend omdat ze als militair blijk hadden gegeven van hun vaderlandsliefde. In zekere zin werd die generatie eerder volwassen, door in de oorlog te hebben gediend.

    LEO VARADKAR – Premier van Ierland, 38 jaar

    ▶ In functie sinds juni 2017
    ▶ Fine Gael (centrum-rechts)
    ▶ De jongste premier van Ierland.

    Beroepservaring:
    2003 Als 23-jarige gekozen in het bestuur van de provincie Fingal
    2007 Gekozen tot afgevaardigde in het parlement
    2014 Eerste benoeming op een ministerspost

    De moderne democratische samenleving die bij uitstek ruimte biedt aan oudere mannen (en nog steeds in veel mindere mate aan oudere vrouwen) is de Verenigde Staten. Theodore Roosevelt is de jongste die president van Amerika is geworden. Dat was in 1901, op drieënveertigjarige leeftijd, maar dat was alleen omdat William McKinley was vermoord. Kennedy was drieënveertig, Bill Clinton en Ulysses S. Grant waren zesenveertig en Barack Obama was zevenenveertig. Ze hebben allemaal munt geslagen uit hun jeugdige imago, maar in vergelijking met andere landen waren ze eigenlijk al behoorlijk op leeftijd. De reden daarvoor is dat de minimumleeftijd voor leden van het congres is vastgelegd in artikel 1 van de Amerikaanse grondwet, waarin staat dat er geen mensen van onder de vijfentwintig zitting mogen nemen in het Huis van Afgevaardigden en geen mensen van onder de dertig in de Senaat. Als gevolg daarvan zullen Amerikanen met politieke ambities meestal eerst ervaring opdoen in hun eigen staat voordat ze zich aan de landelijke politiek wagen. Of ze doen eerst iets heel anders, wat nog beter is. In Engeland gelden niet van dergelijke grondwettelijke beperkingen, terwijl daar een leeftijdsbepaling – dat je niet voor je dertigste premier mag worden, om maar iets te noemen – zou kunnen helpen om een ander soort politici te kweken. Enige ervaring buiten de politiek, en dan nog wat tijd binnen de politiek om het vak onder de knie te krijgen, zou weleens een ideaal uitgangspunt kunnen zijn voor een politicus.

    Trump en Corbyn

    President Trump wekt de indruk van een oude politicus die het evengoed niet zo best doet, maar dat beeld klopt niet helemaal. Hoewel Trump al éénenzeventig is, heeft hij geen noemenswaardige ervaring in de politiek. Zijn onvermogen om dingen gedaan te krijgen, maakt eens te meer duidelijk dat bedrijfsleven en politiek twee totaal verschillende werelden zijn.

    Er tekent zich een conclusie af: een lange carrière in de politiek, waarbij 
op jonge leeftijd wordt begonnen maar niet te vroeg wordt gepiekt, lijkt een ideaal uitgangspunt. Dat gold voor Winston Churchill wiens carrière vele valse starts kende, om het voorzichtig uit te drukken, tot aan zijn opmerkelijke laatste fase tijdens de Tweede Wereldoorlog. De jonge John F. Kennedy heeft de wereld, mede door zijn jeugdige impulsiviteit, tot aan de rand van een kernramp gebracht. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog waren drie politici – Ronald Reagan, Michail Gorbatsjov en Margaret Thatcher – in staat een uitweg te vinden uit een zeer gespannen situatie.

    JUSTIN TRUDEAU – Premier van Canada, 46 jaar

    ▶ In functie sinds 4 november 2015
    ▶ Justin Trudeau is de oudste zoon van Pierre Elliott Trudeau, premier van Canada van 1968 tot ’79 en van 1980
    tot ’84

    Beroepservaring:
    Oktober 2008 lid van het Canadese parlement voor de Liberal Party
    2013 Leider van de Liberal Party

    Wijsheid is van groot belang binnen de politiek en toch klinkt eeuwig en altijd de roep om jeugd. Het is waar dat politieke bewegingen zich moeten vernieuwen en dat de energie, de ideeën en de kracht van jonge mensen onontbeerlijk zijn. Een partij die geheel en al afhankelijk is van de conventionele wijsheid van ouderen is gedoemd te verstarren. Dat hebben we net gezien bij de Labour Party die, met vierhonderdduizend leden en nog altijd groeiende, binnen de Britse politiek van de afgelopen eeuw nog het dichtst in de buurt komt van een nieuwe partij. Het punt is natuurlijk dat een partij die op een dergelijke manier verjongt, een collectief geheugen ontbeert. Geen van de leden is zich ervan bewust, of vindt het van belang, dat Labour al eerder een poging tot nationalisatie heeft gedaan, en dat zoiets gewoonlijk slecht afloopt. Toen er nog eens op werd gewezen dat de leider van de Labour Party in de jaren zeventig van de vorige eeuw bevriend was met enkele zware terroristen had dat nauwelijks invloed op het electoraat, voor wie dat allemaal te ver in het verleden lag. Het is niet uitgesloten dat de cavalerie van de jeugd bij de volgende landelijke verkiezingen naar de overwinning wordt geleid door Jeremy Corbyn, die zelf al achtenzestig is, en die daarmee de oudste premier ooit zou worden.

    Corbyn is geen wijze man die kan bogen op veel ervaring, ondanks zijn leeftijd. Hij heeft eerder een lange carrière achter de rug in de protestbeweging dan in de politiek. Corbyn heeft geen ministeriële kennis, ook niet indirect, en uit niets blijkt dat hij enig benul heeft hoe je een grote bureaucratie effectief kunt laten functioneren. Desondanks heeft hij gekozen voor een politieke modus operandi waarbij de centrale overheid een belangrijke rol wordt toegedicht. Een man die zich ideologisch verwant voelt met overheidscontrole terwijl hij geen enkele ervaring heeft als staatsman: het belooft weinig goeds. Corbyn is een oude man maar in politieke zin is hij nog altijd jong en naïef.

    Hetzelfde kan worden gezegd van zijn partij, die geconfronteerd wordt met de principiële kwestie welke rol jeugd kan spelen binnen de politiek. Het gaat er niet alleen om hoe oud de politici zijn, maar ook om de vraag hoe oud de partij is. Mondiaal gezien heeft een politieke partij een levensverwachting van drieënveertig jaar. Na een derde eeuw hebben de kiezers behoefte aan iets nieuws. In Engeland, een land dat wordt gegijzeld door het eigen electorale systeem, is er sinds de oprichting van de Labour Party in 1906 geen levensvatbare politieke partij meer opgericht. De Conservative Party is, ook in zijn hedendaagse vorm, geworteld in de tijd van de Great Reform Act, die dateert van alweer een kleine twee eeuwen geleden. Deze twee opgebrande mastodonten hebben net bij de landelijke verkiezingen 83 procent van de stemmen binnen weten te halen, ondanks een breed gevoelde onvrede met beide partijen.

    Macron heeft de perfecte combinatie gevonden van ervaring en een frisse uitstraling

    Het waarlijk opmerkelijke aan Emmanuel Macrons En Marche! is niet de leeftijd van de partijleider. Opmerkelijk is vooral dat de partij zo nieuw is. Macron heeft de perfecte combinatie gevonden van ervaring en een frisse uitstraling. Zodoende kan zijn beweging zowel politiek als antipolitiek bedrijven. Zelf is Macron minister van Economische Zaken geweest in het kabinet van Hollande, en veel mensen binnen zijn team zijn gepokt en gemazeld in de politiek. Daarnaast is hij erin geslaagd capabele mensen uit andere bedrijfstakken aan te trekken, mensen zonder politieke ervaring. Dit vernieuwende aspect van En Marche! is van cruciaal belang voor het succes. En Marche! was jong en nieuw. Het was de geboorte van een nieuw soort politiek, in plaats van een herschikking van de bestaande politiek.

    De Britse politiek maakt een afgeleefde indruk en daar kunnen de oudere kopstukken van Labour of van de Conservative Party niets tegen doen. Er is behoefte aan vers bloed en de gevestigde politieke partijen zijn aan vervanging toe.

    Auteur: Philip Collins
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    KADER: Nieuw-Zeeland, het bliksemsucces van Jacinda Ardern

    ‘Jacinda Ardern zet de politiek in Nieuw-Zeeland onder hoogspanning,’ voorzag de Amerikaanse financiële website Bloomberg in september vorig jaar, twee dagen voor de algemene verkiezingen, die Ardern aan de macht brachten. (Zij werd op 19 oktober benoemd tot premier, na een coalitieakkoord met de populistische partij First.)

    De nu 37-jarige Ardern heeft dus een flitsende carrière in de poltiek gemaakt. Ze maakte haar parlementaire debuut in 2008 en was nog altijd een ‘eenvoudig’ parlementariër toen ze op 1 augustus 2017 werd aangewezen als lijsttrekker van de Labour Party, die in problemen verkeerde. De partij slaagde er onder haar leiding in zich in nauwelijks zeven weken uit de nesten te werken, vat Bloomberg samen.

    ‘Ze begreep de frustraties die het land in hun greep hielden, meent de Nieuw-Zeelandse website Stuff, die van deze frustraties een opsomming geeft: problemen met huisvesting, openbaar vervoer en groeiende ongelijkheid. Maar vooral, benadrukte de site, bleef Ardern hameren op de noodzaak van een generatiewisseling na negen jaar overheersing door de rechtse National Party. Bovendien wist ze zich bekwaam te verdedigen tegen beschuldigingen van seksisme die werden geuit na haar nominatie. De media in Nieuw-Zeeland spraken zelfs van een ‘Jacindamania’.

    KADER: Opzij ouwe…!

    In tegenstelling tot wat zij pretendeert, is de generatie van jonge politici niet vernieuwender of warser van oude politieke gebruiken dan de vorige, tekent de Vlaamse krant De Morgen aan. Wat haar wel onderscheidt, ‘nog afgezien van haar charme’, is veeleer ‘een zekere mate van meedogenloosheid’: tal van jonge politici gebruiken hun ellebogen ten koste van hun leiders, zoals Emmanuel Macron ten opzichte van François Hollande, of Matteo Renzi ten aanzien van Enrico Letta, destijds premier van Italië en partijleider.

    De ‘verjonging’ is dus voornamelijk het verschijnsel van een tijd waarin ‘hiërarchische structuren worden verpulverd’ aldus de krant. ‘De jonge en ambitieuze individuen maken een snellere opgang. Maar ze tuimelen ook evensnel omlaag.’

    ‘De doorlooptijd van politieke leiders wordt korter’ – en dat betekent dat zij na afloop van hun mandaat iets anders zullen moeten gaan doen, concludeert De Morgen.

    KADER: Justin Trudeau wordt een dagje ouder

    Kort voor zijn aantreden, eind 2015, als premier van Canada schreef het Franstalige dagblad La Presse: ‘Het probleem voor Justin Trudeau is niet dat hij te jong zou zijn, maar dat heel wat mensen niet de indruk hebben dat hij voldoende gerijpt is.’ Vandaag de dag, op 46-jarige leeftijd, wordt de liberale premier met een heel ander probleem geconfronteerd. De krant The Globe and Mail merkt op dat de tijd vliegt en dat de leiders van de belangrijkste oppositiepartijen jonger zijn dan de premier – in feite nu ‘de oude man’ in de Canadese politiek. Het weekblad MacLean’s heeft ervoor gekozen om op een radicale manier de ‘volwassenheidscrisis’ van Trudeau te illustreren door hem in november vorig jaar op de voorpagina af te beelden met een begin van kaalheid – tevens een knipoog naar zijn vader, Pierre Elliott Trudeau, die zijn zoon voorging als regeringsleider.

    KIM JUNG-UN – Opperste leider van Noord-Korea, 34-35 jaar

    ▶ In functie sinds 20 december 2011
    ▶ Voorzitter van de Arbeiderspartij van Noord-Korea
    ▶ Eerste staatshoofd van zijn land geboren na het ontstaan van Noord-Korea

    Beroepservaring:
    Voorzitter van het Centraal Militair Comité
    Bevelhebber van het Volksleger
    Lid van het presidium van het Politburo

    Kim Jung-un zou volgens onbevestigde berichten een deel van zijn opleiding hebben gevolgd aan Zwitserse privéscholen

  • Bloed aan de paal

    Bloed aan de paal

    Sport had niets met politiek te maken, beweerden fanatieke pleitbezorgers van Nederlandse deelname aan het WK voetbal van 1978 in Argentinië. Waren zij de nationaal-socialistische Olympische Spelen in 1936 expres vergeten om zonder wroeging bij te dragen aan de vuile oorlog van de Argentijnse militaire dictatuur?

    Het cabaretduo Neerlands Hoop In Bange Dagen niet. Freek de Jonge en Bram Vermeulen deden een dappere poging de publieke opinie te mobiliseren met hun boycotactie Bloed aan de paal:
    We gaan naar Argentinië, waar dagelijks wordt gemoord.
    Maar daar is nu eventjes geen tijd voor, zojuist heeft Rep gescoord.

    Indien Rob Rensenbrink in de allerlaatste minuut van de finale Argentinië-Nederland niet tegen diezelfde paal had geschoten, was Oranje in Buenos Aires wereldkampioen geworden en hadden de apologeten van toen triomfantelijk het argument gehanteerd dat ‘wij’ die smeerlappen toch maar een lesje hadden geleerd en dat ‘zij’, de actievoerders tegen deelname, het mooi verkeerd hadden gezien.

    President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur

    Syrische voetballers staan in deze maanden voor een nog ingewikkelder dilemma. President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur. Het land verkeert in een gecompliceerde oorlogssituatie; er is niet alleen een verschrikkelijke burgeroorlog gaande, maar een die door buitenlandse inmenging buitengewoon ingewikkeld en onoverzichtelijk is geworden. Rusland bemoeit zich ermee, de VS en bondgenoten bemoeien zich ermee, Iran bemoeit zich ermee, de Islamitische Staat in Irak en Syrië bemoeit zich ermee, de Koerden binnen en buiten de Syrische grenzen bemoeien zich ermee. En langs de zijlijn staan enkele invallers klaar om ook nog wat speelminuten te krijgen.

    En nu heeft het Syrische nationale voetbalelftal nog steeds een – kleine – kans om zich te plaatsen voor het WK voetbal van volgend jaar in Rusland. Assad zal deze buitenkans ongetwijfeld uitbuiten voor propagandistische doeleinden. Wat doe je dan als Syrische voetballer? Waar sta je in de burgeroorlog, voor of tegen Assad? En als je tegen hem bent, heb je dan het lef om dat te tonen door je niet beschikbaar te stellen voor het nationale elftal? Of zwijg je? Omwille van je eigen carrière, van je familie? Sterspeler Firas al-Khatib heeft het allemaal gedaan. Wel, niet. Spreken, zwijgen. Vijf jaar lang heeft hij het nationale elftal geboycot. Nu is hij terug omdat hij Syrië – al is het maar even – ‘uit zijn hel wil verlossen’.

    Sport zou niets met politiek te maken moeten hebben. En vice versa.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Syrië-Zuid-Korea. Hwang Hee Chan (midden) duelleert met Ahmad Alsaleh (r.) en Amro Jeniat (l.). – © Chris Jung / Getty Images

  • In Merkels Duitsland regeert de middelmaat

    In Merkels Duitsland regeert de middelmaat

    Economisch gaat het Duitsland voor de wind onder Angela Merkel. Maar op cultureel en intellectueel gebied is het armoe troef, schrijft journalist Nils Minkmar.

    Zelden komt het publiek zo dicht bij de bondskanselier als tijdens de openbare interviews van het tijdschrift Brigitte in Berlijn. Vier jaar geleden was Angela Merkel hier ook al eens te gast en gaf ze weloverwogen inkijkjes in haar huiselijke leven als vrouw die kookt en bakt. Dit jaar kreeg het gesprek achteraf een bijzondere betekenis: Merkel zette met een opmerking over het homohuwelijk een reeks gebeurtenissen in gang die ertoe leidden dat een wet hierover kon worden aangenomen. Zelf stemde ze tegen.

    Maar het is de moeite waard om haar hele optreden tegen het licht te houden. Het is een studie van de merkeleske manier van denken en daarmee ook een duiding van ons land en onze tijd, want na twaalf jaar heeft ze niet alleen een stempel gedrukt op de Duitse politiek, maar ook op onze gewoonten en cultuur. Hoe meer ze beweert daar geen waarde aan te hechten, des te beter ze daarin slaagt.

    De beschrijving die Merkel op de avond met de collega’s van Brigitte van zichzelf gaf, bevat een boodschap: ze is een vrouw die nadenkt. Die wandelend, reizend of kokend nadenkt over welke politiek het best is. Hoe ze dat doet? Ook daarover geeft ze opheldering, maar het interessantst is wat ze niet noemt. Ze heeft het niet over adviseurs, invloeden of inspiratie. Ze citeert geen enkele auteur, boek of film. Ze beroept zich niet op een klassieker en noemt geen vroegere staatsman. Haar manier van denken volgt een cyclisch patroon: ze analyseert de wereld, haalt hier informatie uit, verwerkt die in haar brein en zet ze om in politiek. En die verbetert de wereld weer. Harde noten worden niet gekraakt door Angela Merkel, ze worden gehakseld. En het land is er haar dankbaar voor. Na het dieptepunt door de vluchtelingencrisis is ze vooral in haar eigen kamp weer populair.

    Individuele aanpak

    Die individuele aanpak is nieuw. De bondskanseliers vóór Angela Merkel hadden allemaal te maken met een zelfbewuste, soms overmoedige intelligentsia. De Bondsrepubliek is ontstaan met concrete steun van kritische auteurs en intellectuelen, met belangrijke politieke literatuur en een altijd buitengewoon sensibele academische wereld. Dat was niet alleen in West-Duitsland het geval: ook in de jonge DDR speelden auteurs, wetenschappers en intellectuelen een rol. Ze gaven de maatschappij een stem en formuleerden politieke eisen. Dat werd echter steeds riskanter nadat Wolf Biermann [zanger en dichter die kritisch was op het DDR-bewind] zijn staatsburgerschap was ontnomen, tot de machtsovername van Gorbatsjov.

    De kanseliers voor Angela Merkel koesterden die uitwisseling en waren er trots op. De dialoog was daarbij een waarde op zich, geen middel om het doel te bereiken. Maar die kanseliers hadden ook rivalen, soms zelfs aan de kabinetstafel. Merkel heeft zelfs geen serieuze concurrenten meer in andere politieke partijen. Ze doet het goed en bedoelt het goed, maar lange discussies – althans met mensen die geen Trump of Poetin heten – gaan, zo hebben we begrepen, alleen maar van haar tijd af.

    Verzorgingsbureaucratie

    Moeten we dat erg vinden? Angela Merkel doet het toch goed? Sinds 2005 gaat het de Bondsrepubliek voor de wind. De cijfers zijn bekend, uit de hele wereld komt er overwegend lof voor de staat van Duitsland. En als de burgers iets niet bevalt, dan verandert ze dat gewoon volgens haar beproefde methode: protest wordt info en info wordt politiek. Maar deze geruisloze efficiëntie heeft bijwerkingen. Het gaat Duitsland goed, maar op intellectueel en cultureel vlak is het ook een beetje saai geworden. Onze culturele verzorgingsbureaucratie zorgt voor middelmaat, zonder grote uitschieters, en zonder risico’s.

    Wie in buitenlandse boekhandels op zoek gaat naar Duitse boeken, stuit telkens weer op grote stapels van dezelfde werken: De mooie voedselmachine van Giulia Enders en Het geheime leven van bomen van Peter Wohlleben. Verder alleen klassiekers. Als je in een simulator over ons culturele en intellectuele landschap kon vliegen, dan zou je veel solide middengebergten zien – maar geen hoogtepunten, geen bezienswaardigheden, niets waarop je je kunt oriënteren of waaraan je een herinnering hebt. Waar is het richtinggevende bouwwerk, dat in grote stijl getuigenis aflegt van de glans, de rijkdom en de inventiviteit van ons hedendaagse Duitsland? De Elbphilharmonie in Hamburg is de uitzondering die de regel bevestigt. Verder staan overal zandkleurige blokkendozen met kijkspleten die binnenkort alweer toe zijn aan renovatie.

    De conclusie is steeds weer dezelfde: te weinig voor zo’n groot en rijk land. Te weinig durf, te weinig liefde, te weinig risico op creatief gebied. Het probleem is dat je deze ontwikkeling lastig in cijfers kunt vatten. Een dergelijke conclusie laat zich niet weergeven en wordt dus maar moeizaam informatie waar vervolgens beleidsmatig iets tegen kan worden gedaan. Veel mensen zullen ook bestrijden dat de politiek überhaupt verantwoordelijk is voor de geestelijke toestand van het land. Tenslotte wordt niemand verhinderd te schrijven, te dichten of te filmen. Mogelijk verbaast zelfs de kanselier zich erover dat er zo weinig geestelijke onrust te bespeuren is. Maar voor het ophelderen van de oorzaken komt eerst de beschrijving van de situatie. En wat daaraan opvalt, is dat er niets opvalt.

    Het Humboldtforum, de veelbekritiseerde herbouw van het Berliner Stadtschloss. – © Jörg Carstensen / HH
    Het Humboldtforum, de veelbekritiseerde herbouw van het Berliner Stadtschloss. – © Jörg Carstensen / HH

    Cultuur in Duitsland is een reusachtige industrie. Veel hoofdsteden van deelstaten hebben meer theaters, musea en academies dan menig land. Radio-omroepen, instellingen, verenigingen – cultuur is een zaak van de burgermaatschappij en wordt serieus genomen en gekoesterd. Herdenkingsevenementen zijn erg in trek, of het nu gaat om dood, geboorte of een op twee nullen eindigend jubileum van een schrijver of denker. Dan volgen tentoonstellingen of een heel gedenkjaar. Dit jaar Luther, volgend jaar Karl Marx – wat zich voordoet, wordt getoond, besproken, tentoongesteld en gevierd. Cultuur wordt zodanig bedreven dat velen onder de indruk zijn en niemand kan zeuren. Maar is dat de bedoeling ervan?

    In de lente en de herfst wordt een enorme hoeveelheid literatuur en non-fictie over de boekhandels uitgestort. Elke donderdag en op de grote filmfestivals worden er nieuwe producten van de Duitse filmindustrie aan de toeschouwers vertoond; ook daar is geen gebrek aan nieuw materiaal. Een onafzienbaar aantal podia heeft nu al het programma voor komend jaar gepresenteerd. Maar als 
je de afgelopen twaalf jaar de revue laat passeren, als je zonder zoektocht op internet bedenkt wat belangrijk was – hoeveel is er dan nog over van de binnenlandse producties? Eigenlijk alleen de krimi’s: regionale misdaadromans, misdaadromans die over dieren gaan, die in het verleden spelen, misdaadromans die een parodie zijn op andere misdaadromans en misdaadromans die in werkelijkheid sociale romans zijn. Er zitten heel goede tussen, generaliseren is altijd oneerlijk. Maar als dit genre zich door iets kenmerkt, dan is het wel door het feit dat je dit soort boeken geen tweede keer leest.

    En in de wetenschappen? Welk thema, welk vakinhoudelijk debat bereikte de geïnteresseerde lezer? Specialisatie is de eis van het ogenblik, intellectuelen ontwikkelen zich tot experts. Als niemand een beroep op hen doet, hoor je ze niet. Een vluchtige blik is dus altijd oneerlijk. We hebben Navid Kermani, Harald Welzer, Herfried Münkler en Carolin Emcke, en ook van de oude garde zijn nog grote denkers actief. Kluge denkt nog en hetzelfde geldt voor Habermas. Maar wie volgt hen op? Wie gaat de grote leerstoelen bekleden? Er zijn zo veel denktanks, Institutes for Advanced Studies, academies en instellingen, zo veel universiteiten en nog meer hogescholen, maar in alle lange gangen kun je een speld horen vallen.

    Het is nog niet zo lang geleden dat cultuur – met tentoonstellingen, boeken, debatten, films en toneelstukken – als kompas voor het hele land fungeerde. De wereld van de Koude Oorlog behoorde tot het verleden, een nieuwe tijd van internationale uitwisseling stond voor de deur, de digitalisering nam een aanvang. René Pollesch vernieuwde het theater, conservatieven als Meinhard Miegel dachten na over het einde van de economische groei. Duizenden mensen worstelden zich door de werken van [de Italiaanse neomarxistische filosoof] Toni Negri en [de Amerikaanse marxistische literatuurwetenschapper] Michael Hardt, en als het te stil werd bedacht [de in 2010 overleden Duitse theatermaker] Christoph Schlingensief wel iets. Er werd gediscussieerd over Sloterdijk, over Grass, over een tentoonstelling over de Wehrmacht en over Daniel Goldhagen.

    De belichting van de DDR in romans en films vormde de grondtoon van dat tijdperk. In de Bondsdag vonden enerverende debatten plaats, zoals over de inzet van het leger in het buitenland. Eigenlijk ging het om één groot thema: de wereldorde en Duitslands plaats daarin. Tegenwoordig houdt de bondskanselier zich met dat soort vraagstukken bezig. Sinds de bankencrisis en de daaropvolgende schuldencrisis in Zuid-Europa worden belangrijke Bondsdagprocedures in hoog tempo doorlopen. Twee grote coalities [van CDU/CSU en SPD] onder leiding van Angela Merkel hebben niet alleen de gedachte verdrongen dat er een politiek alternatief bestaat, maar ook het intellectuele debat over de koers van het land, over implicaties en alternatieven doen verstommen.

    Onder Angela Merkel is een nieuwe biedermeiertijd begonnen; dit keer niet als een terugkeer naar een repressieve tijd, maar uit gezelligheid

    Onder Angela Merkel is een nieuwe biedermeiertijd begonnen [periode in de eerste helft van de negentiende eeuw die geldt als braaf en burgerlijk]: dit keer niet als een terugkeer naar een repressieve tijd, maar uit gezelligheid. De begroting van de minister van Cultuur gaat omhoog en regelmatig verschijnen er persberichten over uitbreidingen van musea, de restauratie van oude schatten en geweldige samenwerkingsprogramma’s. Nooit eerder was het verleden zo goed in vorm en werd het zo vertroeteld. Wie in de jaren zestig is geboren, kan zich de toekomst nog herinneren. Ouders namen hun kinderen op schoot en rekenden hun voor wanneer ze met een jetpack op hun rug naar school zouden vliegen. Politici zagen daarin hun eigenlijke metier: vandaag ervoor werken dat het morgen, nee overmorgen, beter wordt. Maar omdat niemand precies kon weten hoe dat eruit zou zien, werd er eerst eens ruzie gemaakt. Die twee dingen hoorden bij elkaar: de durf van de politieke pioniers en de heftige debatten in parlementen en ’s avonds aan tafel bij de mensen thuis.

    In de politieke cultuur waarop Angela Merkel haar stempel drukt en die uiterst aangenaam is, ontbreekt deze dimensie. Hierin zijn de Duitse auto’s en de Duitse machines voor eeuwig gewild, is Duitsland wereldkampioen voetbal en de kanselier de krachtigste stem in Europa.

    Daarom heeft de Bondsrepubliek het zo moeilijk met nieuwe bouwwerken. Ze staan er nog als ons heden voorbij is en getuigen ervan hoe wij de toekomst zagen. Is dat grote gebouw in het centrum van Berlijn, dat Stadtschloss, een reconstructie of iets nieuws? Beide zijn mogelijk – zoals altijd in het tijdperk-Merkel, want zonder eenduidigheid is geen tegenspraak mogelijk. Wordt het lelijk, wordt het mooi? Het wordt in elk geval een monument van de ambivalentie, waartegen niemand iets kan inbrengen. Zo leven we in de illusie van een permanent heden en presteren we als cultuurnatie consequent onder onze mogelijkheden.

    Auteur: Nils Minkmar

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Voetballen 
voor Assad?

    Voetballen 
voor Assad?

    Sport als propaganda

    Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar? 

    Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.

    ‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’

    Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’

    Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.

    Keuze tussen twee kwaden

    Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.

    ‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’

    Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.

    Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’

    In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.

    Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als “een schandvlek”. “Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord”

    Mark Afeeva, een in sportzaken gespecialiseerde advocaat in Londen, vindt Syrië ‘een duidelijk geval van systematische staatsinmenging in de sport’ en zegt: ‘De wereldvoetbalbond heeft simpelweg de ballen niet om op te treden tegen wat overduidelijk een zeer kwalijke zaak is.’

    Fadi Dabbas, vicevoorzitter van de Syrische voetbalbond en teamchef van het nationale elftal, wijst alle beschuldigingen van de hand. Volgens hem zijn ze afkomstig van spelers in ballingschap die tegen het regime zijn: ‘De regering beschermt het Syrische volk, en hun probleem is dat zij Syrië verlaten hebben en alleen voor zichzelf spreken.’

    De mogelijke WK-deelname van Syrië stelt niet alleen de FIFA, maar ook spelers en supporters voor een moreel dilemma. Honderden Syrische spelers zijn het land ontvlucht. Daaronder ook voormalige leden van de nationale selectie, zoals verdediger Firas al-Ali. Kort nadat zijn nichtje van dertien bij een regeringsaanval was omgekomen, is hij Syrië halsoverkop ontvlucht. Nu zit hij in een tentenkamp bij Karkamis, aan de Turkse grens. Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als ‘een schandvlek’, zegt hij. ‘Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord. Die spelers voeren de vlag des doods.’

    Seremban, Maleisië. Een klamme middag in september 2016. In de lobby van The Royale Bintang Resort & Spa zitten de spelers van het Syrische nationale elftal te wachten op de bus die hen naar het trainingsveld moet brengen. Hun thuiswedstrijd in de derde kwalificatieronde spelen ze hier in Maleisië, want het Syrische team is als een weeskind dat van pleeggezin naar pleeggezin zwerft. Normaal werkt het zijn thuiswedstrijden af in het stadion van Damascus of Aleppo, maar dat mag niet meer van de FIFA, omdat de veiligheid van spelers en supporters daar niet gegarandeerd is. In de tweede speelronde kon Syrië zijn thuiswedstrijden nog afwerken in Oman, maar ditmaal kon het team nergens in het Midden-Oosten terecht. Enkele dagen voor de eerste wedstrijd deed Macau een aanbod, dat al snel weer werd ingetrokken. In arren moede heeft de Syrische bond nu zijn toevlucht genomen tot Seremban, een industriestad aan de andere kant van de Indische Oceaan, meer dan 7500 kilometer van Syrië vandaan.

    De spelers hebben een afmattende reis achter de rug. ‘Eerst hoorden we dat we zouden spelen in Qatar, toen in Libanon of Macau,’ zegt aanvoerder Abdulrazak al-Hussein. ‘Ik weet niet hoe het precies gegaan is. Je zou toch niet steeds overal geweigerd moeten worden.’ Drie dagen eerder hebben ze uit met 1-0 verloren van Oezbekistan. Na de lange reis hierheen moeten ze over twee dagen aantreden tegen Zuid-Korea. Tien jaar geleden speelden ze al eens in eigen land tegen dat team, voor 35.000 man publiek. Terwijl ze zitten te wachten, vragen de spelers zich af hoeveel supporters er ditmaal zullen opdagen. ‘Hopelijk toch wel drie,’ zegt er een lachend.

    Met al deze problemen is het helemaal een wonder dat het team nog niet is uitgeschakeld. Naast de logistieke problemen en het ontbreken van belangrijke spelers zit de nationale ploeg ook op zwart zaad. Sancties van de EU en de VS hebben de FIFA gedwongen om de ontwikkelingsgelden voor het Syrische voetbal te bevriezen. Hier in Seremban trainen ze op een armetierig veldje om geen 3500 dollar veldhuur aan het stadion te hoeven betalen, zegt Kouteiba al-Refai, de gekweld kijkende secretaris-generaal van de bond, die zelf ook geen salaris ontvangt.

    Na de tweede speelronde staat Syrië tweede in de groep, achter Japan. Het land is in 31 jaar niet zo dicht bij kwalificatie voor een WK geweest. Door de FIFA is het zwakke team op het schild geheven als de ultieme underdog. Op de website fifa.com staan verhalen over hoe het kleine land tegen de klippen op een WK-ticket in de wacht lijkt te slepen. ‘De prestatie van Syrië lijkt welhaast een wonder’, stond er in februari nog te lezen. Maar in al die verhalen blijft één detail steeds onvermeld: dat het elftal een regime vertegenwoordigt dat wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking. Impliciet onderschrijft de FIFA zo het standpunt van het regime dat het nationale elftal politiek neutraal is. Volgens Dabbas, de zakenman die optreedt als teamchef, willen ze ‘alle Syriërs verenigen’ en ‘de wereld laten zien dat Syrië nog leeft’. Tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat ze ‘voor onze president’ spelen: ‘Elke Syriër in Syrië vertegenwoordigt president Assad, en zijne excellentie president Bashar al-Assad vertegenwoordigt ons. Wij zijn trots op onze president. We zijn trots op wat hij heeft bereikt. Wij willen hem bedanken voor wat hij voor ons land heeft gedaan, we staan achter hem en volgen zijn leiding.’ Volgens Dabbas volgt Assad de verrichtingen van het team op de voet.

    Er zijn genoeg tekenen dat de nationale ploeg niet het hele Syrische volk vertegenwoordigt, maar vooral een wrede dictatuur die hiermee zijn menselijke gezicht wil tonen. In november 2015 verscheen toenmalig bondscoach Fajer Ebrahim op een persconferentie in een T-shirt met een foto van Assad. Het is Syrische vluchtelingen niet ontgaan dat hij het podium van het WK toen aangreep om Assad te prijzen als ‘de beste man ter wereld’. Ook toen hij in Kuala Lumpur door ESPN werd geïnterviewd, begon hij spontaan Assad te prijzen. ‘Zonder onze president zou Syrië worden vernietigd,’ zei hij. Op de vraag of een voetbalcompetitie de geëigende plek was voor politieke uitspraken, was zijn antwoord: ‘Alles heeft nu met alles te maken.’

    Omdat het regime al duizenden critici heeft gemarteld en vermoord, is het soms moeilijk in te schatten hoe oprecht de uitlatingen van spelers en leden van de technische staf zijn. Volgens Anas Ammo zijn familieleden van sommige spelers opgepakt of gedood. ‘Ze moeten in feite wel spelen om hun familieleden in leven te houden,’ zegt Ammo, die ons verzoekt geen namen te noemen, om spelers en hun familie niet in gevaar te brengen. Andere spelers zijn oprecht trouw aan Assad. Maar Ammo zegt ook van twee spelers te weten dat ze bang zijn dat de overheid hun paspoort intrekt, zodat ze niet meer in het buitenland kunnen spelen. Volgens hem zou een groot deel van het team ervandoor gaan als hun paspoort niet kon worden ingetrokken.

    ‘Wat ik ook doe, twaalf miljoen Syriërs zullen 
me toejuichen 
en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken’

    Nauwelijks bekomen van de lange vliegreis treden de Syriërs op een benauwde avond in september aan in het Tuanku Abdul Rahman-stadion in Seremban. Dat heeft een capaciteit van 45.000 man, maar ondanks de gratis toegang zitten er nog geen vijfduizend toeschouwers. Ter hoogte van de middenlijn zit een honderdtal Syriërs hun team aan te moedigen, vooral studenten die zijn overgekomen uit Kuala Lumpur. Het altijd sterke Zuid-Korea speelt dreigend maar komt niet tot scoren, en al snel is Syrië alleen nog bezig om er een 0-0 uit te slepen, en daarmee zijn eerste wedstrijdpunt in deze speelronde. Om de zoveel minuten gaat er weer een Syriër naar de grond om tijd te rekken. De supporters rollen een spandoek uit: een enorme foto van Assad. ‘Syrië, Syrië,’ scanderen ze. Beveiligers snellen toe en laten het spandoek weghalen. Dan klinkt het eindsignaal: 0-0. Iemand van de technische staf maakt een radslag en de reservespelers stormen het veld op. ‘Dit is geen prestatie, dit is een wonder,’ zegt aanvoerder Hussein na afloop. ‘Vandaag hebben we bewezen dat we niet gewoon spelers zijn, maar helden.’

    Dan Berlijn. Een ijskoude, regenachtige middag in februari. Een andere werkelijkheid. Twee dozijn Syrische vluchtelingen dicht opeengepakt in de kleedkamer van de SV Buchholz, een amateurclub die uitkomt op het achtste niveau. Een grijze keet met een sportveldje, midden in een woonwijk. Een voor een trekken de Syriërs een groen voetbalshirt uit een papieren zak. Voor het raam hebben ze de vlag van de Syrische revolutie gehangen – groen-wit-zwart met drie rode sterren. Ten minste twee teams, een in Turkije en een in Duitsland, voetballen namens het Vrije Syrië. Alle spelers hier in Berlijn maken deel uit van de Syrische vluchtelingenpopulatie, inmiddels al bijna zes miljoen mensen groot. Er zitten veteranen bij uit de Syrische competitie; volgens hun coach Nihad Saadeddine vertegenwoordigen ze ‘de mensen die zijn onderdrukt door het regime’ en ‘de sporters die hun leven hebben gegeven voor hun land’.

    Dan druppelen ook de spelers van SV Buchholz binnen. Opgewekt en zorgeloos, blond en kerngezond, als modellen uit een Duitse reisbrochure. De Syriërs vormen zelfs in hun nieuwe tenues nog een verfomfaaid groepje, een verzameling mannen die met de moed der wanhoop strijden voor de goede zaak. ‘Veel van onze spelers hier hebben gevangengezeten of zijn gewond geraakt,’ zegt Saadeddine. Hij is 35 maar ziet er tien jaar ouder uit, met dun haar en holle ogen. Hij was middenvelder, maar zegt tijdens het beleg van Homs in zijn knie te zijn geraakt door een sluipschutter; daarna raakte hij praktisch bedolven onder een muur waarachter een mortiergranaat insloeg toen hij vrouwen en kinderen uit een woning probeerde te halen. Eenmaal in Oostenrijk, waar hij nu woont, stelden artsen drie wervelbreuken bij hem vast. Hij geeft zijn spelers een peptalk: ‘Wij vechten ergens voor, jongens: wij willen de misdadigheid van dit regime aan de kaak stellen en laten zien wat ze met sporters en andere gevangenen doen. In het team van het Vrije Syrië vertegenwoordig je miljoenen mensen.’

    Een van de spelers is Jaber al-Kurdi. Hij werd in 2013 door het regime opgepakt in Hama, waar hij bij de club Taliya speelde. Kurdi zegt dat hij achter de oppositie stond maar nooit een wapen heeft opgenomen. ‘Hoe zouden deze handen een geweer moeten vasthouden?’ zegt hij. ‘Meisjeshanden zijn nog groter.’ Het enige wat hij gedaan heeft, zegt hij, was in demonstraties meelopen en vluchtelingen helpen met kleding en onderdak. ‘Ik kan niet tegen bloed. Maar toen ik mensen in mijn stad zag die in parken en op straat sliepen, kon ik niet werkloos toezien.’

    De gevangenissen van Assad worden door Human Rights Watch ‘een martelarchipel’ genoemd. Kurdi werd zonder vorm van proces vastgehouden in verschillende detentiecentra in Hama, Homs en Damascus. Op de ‘Palestijnse’ afdeling van de militaire inlichtingendienst in Damascus werden zijn voetzolen met een rubberslang bewerkt en kreeg hij elektrische schokken op zijn hoofd. Hij werd een week lang opgesloten in een klein hok waarin hij zich nauwelijks kon verroeren en niet eens ruimte had om te gaan zitten. ‘Het was daar koud, en af en toe kwamen ze even langs om me nat te gooien met water en gingen dan weer weg,’ zegt Kurdi. Na negen maanden werd hij voorgeleid bij een militaire rechter, die zijn vrijlating gelastte. De bewaker van wie hij zijn bezittingen terugkreeg – een lege portemonnee – maakte met een mes ook nog snel een jaap in zijn wijsvinger. ‘Als aandenken,’ zei hij erbij. Kurdi laat het kleine litteken zien.

    Hier in Duitsland is hij in therapie voor zijn terugkerende nachtmerries, waarin Syrische veiligheidsagenten hem achterna zitten in de platgebombardeerde straten van Hama. ‘Ik ben hier niet gelukkig,’ zegt hij, als hij tijdens een gesprek in tranen uitbarst. ‘Duitsland heeft ons opgenomen en biedt ons veiligheid, daar zijn we dankbaar voor. Maar geestelijk zijn we niet gelukkig. Ons volk wordt afgeslacht.’


    Er is één naam die in bijna elk gesprek met de voetballers valt: die van Jihad Qassab, een veertiger die vroeger de ster was van Karama in Homs. Het is niet duidelijk waarom deze oud-middenvelder op 19 augustus 2014 is opgepakt. Hij is nooit berecht. Zijn familie en vrienden denken dat hij in de militaire gevangenis in Saydnaya is beland, het duistere hart van Assads martelarchipel. Volgens Amnesty International, dat zich baseert op getuigenverklaringen, worden de sterkere gevangenen daar door bewakers gedwongen om de zwakkere te verkrachten. Er worden continu mensen afgetuigd. In een ondergrondse executieruimte kunnen tientallen gevangenen tegelijkertijd worden opgehangen. Amnesty noemt Saydnaya ‘een slachthuis’ en schat dat er in vier jaar tijd bijna 13.000 gevangenen zijn geëxecuteerd.

    Vorig jaar september, twee jaar na zijn verdwijning, werd bekendgemaakt dat Qassab is overleden. Dat nieuws kwam naar buiten via moskeeën in Homs en werd opgepikt door sociale media, het Syrisch Netwerk voor Mensenrechten en reguliere media. Nadere details zijn niet bekendgemaakt. ‘In elk ander land zou Jihad zijn geëerd om zijn verdiensten voor de sport,’ zegt Mohamed Hameed, oud-speler van Karama en een goede vriend van Qassab. ‘In Syrië, onder Assad, wordt hij opgepakt en gemarteld.’

    Qassabs stoffelijke resten zijn volgens zijn vrienden nooit vrijgegeven, en sommigen zijn ervan overtuigd dat hij nog leeft. Rashad Shamma, die hem goed kende, zegt dat hij bij zijn snoepwinkeltje in Saoedi-Arabië een kleine herdenkingsdienst voor Qassab heeft gehouden. Het is tekenend voor de onwerkelijke sfeer van geweld in Syrië dat een ster als Qassab zomaar kan verdwijnen, dood worden verklaard en worden herdacht in een ceremonie, en dat Shamma vervolgens rustig kan zeggen: ‘Misschien leeft hij nog. Wie zal het zeggen?’

    Fadi Dabbas van de Syrische voetbalbond zegt desgevraagd dat hij nog nooit van de man heeft gehoord. Als hij erop wordt gewezen dat Qassab meer dan tien jaar in de Syrische competitie heeft gespeeld, zegt hij: ‘Ik weet niet wat er met hem is gebeurd nadat hij bij zijn club is gestopt. Ik heb daar geen informatie over.’

    In Berlijn mogen de gevluchte Syriërs dan een symbolische strijd voor hun land voeren, voor het handjevol Duitse toeschouwers dat op die kille zondagmiddag in de gestage regen staat te kijken verliezen ze met 5-2 van SV Buchholz. De wedstrijd heeft iets heroïsch en tegelijkertijd iets ongemakkelijks. De Syriërs maken het eerste doelpunt, uit een prachtige voorzet van de zijkant, maar in de tweede helft worden ze weggespeeld door de Duitsers. Die zijn veel beter in conditie en kunnen regelmatig trainen: de Syriërs zijn de vorige dag pas voor het eerst bij elkaar gekomen. Een Syrische verdediger krijgt bij een van de vele Duitse schoten op doel de bal keihard in zijn gezicht. Hij blijft minutenlang uitgeteld op de grond liggen voordat hij weer opstaat en wankel wegloopt.

    ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek’

    De Vrije Syriërs willen een alternatief vormen voor het nationale elftal van Assad. Maar dat blijkt deze middag een ijle droom. Syrië heeft maar één echt nationaal elftal, en de spelers die goed genoeg zijn om daarvoor geselecteerd te worden, moeten zelf beslissen wat dat team volgens hen vertegenwoordigt.

    Toen Firas al-Khatib in juli 2012 besloot het nationale elftal de rug toe te keren, stond zijn stad Homs in brand. Khatib is een van de bekendste inwoners van Homs en een van de beroemdste Syrische sporters – al sinds zijn tienerjaren is hij een ster. Begin deze eeuw verliet hij zijn land voor een voetbalcarrière die hem van België via China uiteindelijk naar Koeweit voerde, waar hij nu al meer dan tien jaar in de competitie speelt en topscorer aller tijden is. Met de miljoenen die hij verdient, heeft hij meebetaald aan een straat in zijn stad Homs, de Al Khatib-straat, met een voetbalveld en een moskee die ook zijn familienaam draagt. Maar al verdiende hij zijn geld in het buitenland, hij kwam altijd terug naar Syrië om voor zijn land uit te komen. ‘In het nationale elftal heb je 24 miljoen mensen achter je, 24 miljoen Syriërs die hopen dat je wint,’ zegt hij.

    Toen hij bij een demonstratie in Koeweit aankondigde geen interlands meer te willen spelen, was dat een tegenslag voor Assad. Gehuld in een sjerp in de kleuren van de revolutie zei Khatib tegen de uitzinnige menigte: ‘Ik wil hier in het bijzijn van de media zeggen dat ik niet meer voor het Syrische elftal zal spelen zolang er in Syrië bommen vallen.’ Khatib werd op de schouders gehesen en toegejuicht.

    Als we hem in februari spreken, kost het hem moeite om uit te leggen waarom hij nu misschien toch weer voor zijn land wil uitkomen. Aan de misdaden tegen de burgerbevolking is immers nog geen eind gekomen. ‘Het is heel ingewikkeld wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek.’

    Maar er valt wel iets af te leiden uit de dingen hij zegt. Bijvoorbeeld dat hij al zes jaar niet meer in de Al Khatib-straat is geweest. En zijn vader niet meer ziet, die vanwege zijn gezondheid niet kan reizen. ‘Dit is de moeilijkste tijd in mijn leven,’ zegt hij. ‘Ik wil niet terugkeren om voor het nationale elftal te spelen of voor of tegen de regering te kiezen. Ik wil naar Syrië als burger die terugkeert naar zijn land. Ik wil mijn ouders eindelijk weer zien, en mijn broers.’ Khatib zegt dat hij nog steeds droomt van een carrière in Homs als voorzitter van de lokale club Karama.

    Toen Khatib zijn boycot aankondigde, heerste alom het idee dat het regime van Assad op omvallen stond. ‘Dat was een goede revolutie,’ zegt hij. ‘Mensen wilden vooruitgang, een sterker land, een beter leven.’ Nu zit Assad weer vast in het zadel. Zijn regering heeft niet alleen Homs, maar sinds december ook Aleppo weer in handen, ooit de dichtstbevolkte stad van het land. De Syrische profcompetitie, lange tijd beperkt tot de steden Damascus en Latakia, kan nu ook weer in andere delen van het land worden gehouden. Eind januari speelden Ittihad en Hurriya, de twee aartsrivalen uit Aleppo, hun eerste stadsderby sinds 2012. De regering buitte het meteen uit als een symbool van de teruggekeerde rust.

    ‘Ik heb gezegd dat ik niet wilde spelen zolang er geen eind kwam aan dat moorden, al die doden,’ zegt Khatib. ‘Nu vraag je waarom ik van standpunt ben veranderd. Het is een voetbalbeslissing, geen politieke beslissing. We willen gelukkig zijn, we willen iets waar we blij van worden. In Syrië zijn nu alleen dingen die ons verdrietig maken.’

    Hij heeft op dat moment nog vijf weken de tijd om te beslissen of hij meespeelt met de volgende wedstrijd. Na de 0-0 tegen Zuid-Korea heeft Syrië gewonnen van China en gelijkgespeeld tegen Iran, de nummer één van de groep. Syriës WK-debuut is binnen bereik.

    Maar hoe kan Khatib meespelen in de ploeg van een regering die burgers blijft bombarderen en zich schuldig maakt aan moord en marteling op ‘mensen van wie je houdt, op ploeggenoten’? ‘Een heel, heel, heel moeilijke vraag,’ zegt Khatib met een klaaglijke glimlach. ‘Ik kan er niet over praten, echt. Ik wil wel. Maar het gaat niet.’

    Paradijs op aarde

    Andere spelers piekeren er niet over om ooit nog voor Assad te spelen. Firas al-Ali bijvoorbeeld. ‘Voor mij was Syrië een paradijs op aarde,’ zegt de voormalige verdediger van het nationale elftal. Maar hij zit niet meer in Syrië en al helemaal niet in een paradijs. Het vluchtelingenkamp bij het Turkse Karkamis heeft meer weg van een open gevangenis. De bijna zevenduizend bewoners van dit tentenkamp (waaronder bijna tweeduizend kinderen) zijn vrij om te gaan – maar ze kunnen nergens heen.

    Vroeger had Ali drie huizen. Nu passen al zijn bezittingen in een van de honderden strak in het gelid opgestelde tenten op de zongeblakerde droge grond. Zijn tent is precies even groot als alle andere, binnen is alles keurig netjes ingericht. Witte glasgordijnen langs de wand, een oosters tapijt op de houten vloer. Een U-vormige zithoek van fleurige kussens. Op een kookplaatje staat een klein zilveren theepotje te pruttelen en er staan zelfs een kleine tv en een koelkastje. Hier woont Ali (31) nu al drie jaar met zijn vrouw en drie kinderen. Zijn jongste dochter Aysha is hier geboren. Voor Syrische voetballiefhebbers moet het onvoorstelbaar zijn: hun ster in zulke primitieve omstandigheden. Bij Shorta, een van de Syrische topclubs, verdiende hij meer dan een ton per jaar, een fortuin in Syrië. En hij zat in de nationale selectie. ‘Uit de 23 miljoen inwoners werd ik gekozen als een van de beste twintig van mijn land,’ zegt hij. ‘Ik was beroemd en werd overal herkend. Financieel had ik niets te klagen. Het kwam nooit in me op om naar het buitenland te gaan.’

    Nu is Ali een vluchteling. En hij zegt liever hier te blijven dan ooit nog voor Syrië uit te komen. In 2011 werd zijn geboortestad Hama aangevallen door regeringstroepen. Zijn negentienjarige neef Adbullah, een student aardrijkskunde, werd doodgeschoten bij protesten. Later kwam een nicht van hem om toen haar huis werd geraakt door een van de vatenbommen die de regeringstroepen over woonwijken uitstrooien. Ali was kort na de inslag ter plekke. ‘Het is een nachtmerrie als iemand zo aan stukken gereten wordt,’ zegt hij. ‘Ze was vrij fors, maar we hebben niets meer van haar teruggevonden.’ Ali begon mee te lopen in demonstraties, met gezichtsbedekking omdat hij zo herkenbaar was. Hij had het gevoel dat hij een dubbelleven leidde: tegen Assad protesteren op straat en voor hem spelen op het voetbalveld.

    Op een ochtend kwam hij in het Abbasiyyin-stadion in Damascus voor de training en zag dat er een legerbasis van was gemaakt. ‘Wij hadden de helft van het stadion om te trainen, de andere helft was voor de Vierde Divisie. Ik zag het met mijn eigen ogen! Artillerie op een sportveld. Vanuit het stadion waar ik aan het trainen was, rukten zij uit om demonstraties neer te slaan. Soms hoorde ik geweervuur buiten het stadion. En de demonstranten hadden toen nog geen wapens. De enige wapens waren in handen van de regeringstroepen.’

    Fajer Ebrahim, de man met een foto van Assad op zijn T-shirt, was toen nog bondscoach. Hij zei openlijk dat de regering de opstand moest neerslaan. Door wedstrijden te winnen, hield hij zijn spelers voor, zouden ze de wereld laten zien dat de protesten weinig uithaalden. De meningen van de spelers waren verdeeld. Ali raakte gedemotiveerd, zijn prestaties gingen achteruit: ‘Ik was er niet bij met mijn hoofd. Al die vrienden en familieleden die stierven.’

    Op trainingskamp voor een toernooi in India kreeg Ali bericht dat Alaa, zijn nichtje van dertien, was omgekomen bij een regeringsaanval op een dorp buiten Hama. Een halfuur later schoof hij met het nationale elftal aan voor het avondeten. Toen een van zijn ploeggenoten de demonstranten bespotte, gooide Ali een lepel naar zijn hoofd. De andere spelers moesten hen uit elkaar houden. Ali ging naar zijn kamer en belde zijn familie.

    ‘Ik stop ermee,’ zei hij tegen zijn zus.

    ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.

    ’Ik wil nooit meer voor ze spelen,’ antwoordde hij.

    Hij liet zich de volgende ochtend om half zes ophalen door twee van zijn broers, met wie hij in één ruk doorreed naar gebied dat in handen was van rebellen. Als bekend voetballer kon hij bij controleposten meteen doorrijden, de militairen wisten nog niet dat hij op de vlucht was. Zo belandde hij met zijn jonge gezin uiteindelijk in Turkije. Vrij, maar niet vrij van problemen. ‘Mijn banktegoeden werden door het regime in beslag genomen,’ zegt hij. ‘Ik had drie huizen, die zijn vernietigd. Een stukje grond, dat ben ik ook kwijt. Ik heb niets meer.’

    Een Syrische jongen houdt een speelgoedpistool vast tijdens een partijtje voetbal in de kapotgeschoten oude stad van Holms. – © Hassan Ammar / HH
    Een Syrische jongen houdt een speelgoedpistool vast tijdens een partijtje voetbal in de kapotgeschoten oude stad van Holms. – © Hassan Ammar / HH

    We spreken hem bij het ‘winkelcentrum’ van het tentenkamp: een verzameling stalletjes waar van alles te koop is, van voedsel in blik tot kookgerei en stroomaggregaten. Een van de verkopers brengt Ali een schotel gegrild vlees, waarmee hij snel een stalletje induikt om te ontkomen aan de vele vliegen. Hij slijt zijn dagen vooral met het geven van voetballes aan de kinderen, voor wie hij hier een beroemdheid is. ‘Het is zwaar, maar ik heb nergens spijt van,’ zegt hij. ‘Hoe moet je je voelen als je speelt voor de vlag en het portret van de man die als enige verantwoordelijk is voor de dood en verdrijving van meer dan zeven miljoen Syriërs?’

    Is Syriës nationale elftal niet meer dan een propagandawapen voor Assad, een middel om te doen alsof er niets aan de hand is? Anas Ammo’s antwoord op die vraag was het aanleggen van een mensenrechtendossier tegen de Syrische regering. Zo wil hij zijn steentje bijdragen aan de oppositie. Vroeger werkte hij als sportjournalist voor de Syrische krant Al-Watan en was hij onbezoldigd woordvoerder voor Ittihad, de grootste club van Aleppo. Nu houdt hij kantoor in Mersin, een kuststadje in Turkije. Vijf jaar geleden kwam hij tot het inzicht dat veel voetballers slachtoffer werden van Assads wrede onderdrukking en dat het regime zijn geliefde sport als propagandamiddel misbruikte. Tientallen spelers zijn gedood en duizenden op de vlucht gejaagd; volgens Ammo ‘is een complete generatie voetballers weggevaagd’. In de loop van de oorlog heeft het regeringsleger stadions in alle grote steden gebruikt als uitvalsbases of detentiecentra. Zo blijkt uit filmopnamen van activisten dat vanuit het Abbasiyyin-stadion in Damascus raketten werden afgevuurd. Maar volgens Fadi Dabbas van de voetbalbond zijn er nooit stadions voor militaire doeleinden gebruikt. Hij verwijt de westerse media partijdigheid.

    Volgens de statuten van de FIFA moeten de aangesloten voetbalbonden ‘onafhankelijk en zonder inmenging van derden’ kunnen opereren. Op die clausule is de afgelopen tien jaar al 24 keer een beroep gedaan bij aanklachten tegen nationale bonden, resulterend in twintig schorsingen als gevolg van duidelijke overheidsbemoeienis. Zo werd Irak in 2009 geschorst omdat de regering het bestuur van de voetbalbond naar huis had gestuurd en vervangen door mensen van de veiligheidsdienst. In 2014 werd Nigeria geschorst omdat de regering het bondsbestuur had ontslagen na de teleurstellende resultaten op het WK in Brazilië. Volgens Ammo vormen ook het gebruik van het Syrische nationaal elftal als propagandamiddel en het gebruik van stadions voor militaire doeleinden een inbreuk op de FIFA-statuten. Door daar niet tegen op te treden maakt de FIFA zich volgens hem ‘medeplichtig aan alle tegen voetballers gepleegde misdaden en alle schade die is toegebracht aan stadions en sportfaciliteiten’.

    Ammo mailde zijn informatie door aan Ayman Kasheet, een voormalige profvoetballer die asiel heeft gekregen in Zweden. In augustus 2014 reisde Kasheet naar Zürich om de FIFA hierop aan te spreken, maar hij kwam niet voorbij de receptie. Om iets te bereiken, begreep hij, moest hij een gedegen rapport opstellen. Hij volgde een cursus van Amnesty International over het documenteren van mensenrechtenschendingen. Dat resulteerde in een twintig pagina’s tellende ‘aanklacht’ namens ‘meer dan tweeduizend sporters die zijn afgesneden van de Syrische voetbalbond’. Het rapport bevat een lijst van tien spelers (waarvan negen met foto) die vermoedelijk gevangen worden gehouden door het regime, plus elf minderjarige en twintig meerderjarige spelers die door de regeringstroepen zouden zijn gedood. Ook bevat het rapport foto’s en filmpjes van stadions die door de strijdkrachten zijn bezet.

    Als Kasheet de informatie eerst naar de FIFA mailt en het rapport vervolgens ook persoonlijk komt afgeven bij de receptie op het hoofdkantoor, hoort hij niets terug. Dan gaat hij in augustus 2015 weer naar het hoofdkantoor in Zürich, nu samen met een tolk die alles filmt. Na veel gesoebat krijgt hij Alexander Koch te spreken, het hoofd Communicatie. ‘Hij zegt dat het fijn zou zijn als de FIFA iets met dit rapport zou doen, want de enige manier om druk uit te oefenen is via de FIFA, omdat de voetbalbond daaronder valt,’ zegt de tolk tegen Koch. Koch lijkt wat van zijn stuk gebracht. ‘Het probleem is dat dit allemaal niet over het voetbal gaat,’ zegt hij. Volgens Koch moet Kasheet zijn klacht indienen bij de Syrische bond, zodat die weer een klacht kan indienen bij de FIFA. Kasheet probeert duidelijk te maken dat zijn aanklacht juist gericht is tégen de Syrische bond, die aan de leiband van Assad loopt.

    Een maand later bevestigt de FIFA bij monde van vicesecretaris-generaal Markus Kattner dat deze zaak buiten de competentie van de bond ligt. ‘De FIFA steunt alle pogingen om te zorgen dat iedereen kan voetballen in omstandigheden die vrij zijn van geweld, en we danken u voor initiatief’, mailt Kattner, die korte tijd later ontslagen zal worden wegens financiële onregelmatigheden. Hij voegt er nog aan toe dat de in het rapport beschreven zaken de sport ‘overstijgen’.

    De Syrische coach Fajer Ebrahim (m.) draagt een T-shirt met de a eelding van Assad voor de match tegen Singapore in november 2015. – © Roslan Rahman / AFP /Getty Images
    De Syrische coach Fajer Ebrahim (m.) draagt een T-shirt met de a eelding van Assad voor de match tegen Singapore in november 2015. – © Roslan Rahman / AFP /Getty Images
    ‘Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict’

    ‘De FIFA moest zich schamen,’ zegt een aangeslagen Kasheet als hij erop terugkijkt. Hij was er kapot van. ‘Ik vroeg de FIFA niet om meteen een beslissing te nemen, ik vroeg ze alleen om een onderzoek in te stellen. Als de informatie niet blijkt te kloppen, kunnen ze het altijd nog terzijde leggen.’

    Op vragen van ons wil de FIFA niet ingaan. De woordvoerder stuurt alleen een algemene verklaring: ‘De FIFA heeft de afgelopen jaren van verschillende kanten – vaak tegenstrijdige – signalen gekregen over geweld met betrekking tot het voetbal in dat land. We begrijpen de tragische omstandigheden waarin dit plaatsvindt, maar als sportfederatie moeten wij ook beseffen dat deze zaken het domein van de sport ontstijgen, in een land dat verwikkeld is in een burgeroorlog.’ Volgens de woordvoerder kan de FIFA niets doen omdat er grenzen zijn ‘aan onze competentie en ons vermogen om de waarheid van de beschuldigingen in die complexe situatie te beoordelen’. Volgens advocaat Mark Afeeva wil de FIFA zich gewoon niet branden aan een politieke crisis waarin grote mogendheden een rol spelen, met name de VS en Rusland, gastland van het komende WK.

    Op een koude avond in maart treden de teams van Zuid-Korea en Syrië aan in het World Cup Stadium in Seoul. De opzienbarendste verandering is dat Firas al-Khatib er sinds de wedstrijd tegen Oezbekistan van vorige week weer bij is. Khatib en de Syrische bond doen allebei alsof het niets bijzonders is. ‘De vorige keer was ik niet eens geselecteerd,’ zegt Khatib. Volgens de teamchef ‘was Khatib altijd welkom in het team’, maar was hij de vorige keer ‘door zijn situatie verhinderd’.

    Khatib interviewen lukt nu pas na veel gesteggel met de persvoorlichter, die eerst nog eist dat we geen vragen stellen over politiek. Die garantie krijgt hij niet, maar Khatib wekt de indruk dat hij er zelf ook niet over wil praten. ‘We laten de politiek erbuiten en gaan het alleen over voetbal hebben,’ zegt hij. Het nationale elftal speelt volgens hem ‘voor het hele volk, voor heel Syrië’, niet alleen voor de regering. Niets doen is geen optie meer. ‘We kunnen niet zitten afwachten en doodgaan. We moeten iets doen voor onze familie, ons land, onze vrienden, onszelf.’

    Dat pikt niet iedereen. Op sociale media zijn de reacties gemengd. Volgens Khatib staat 80 tot 90 procent van de voetballiefhebbers achter zijn terugkeer, maar uit de berichten op zijn Facebookpagina blijkt dat velen het als verraad beschouwen:

    ‘Het minste wat je over jou kunt zeggen, is dat je een verrader bent.’

    ‘Mensen als jij zijn nog geen ouwe schoen waard. Ik spuug op jullie eer, stelletje honden.’

    ‘Schaam je, Firas. Je woord is net zo weinig waard als dat van een kind. Ik spuug op je, vuile leugenaar.’

    Anderen zijn milder. Mohammed al-Homsi, een media-activist in de door de regeringstroepen belegerde wijk Al Waer in Homs, zegt dat hij de verrichtingen van het nationale elftal nog wel volgt, omdat ‘sport het enige is wat ons met vroeger verbindt. Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict.’

    Khatib, die nog moet wennen in het team waarvan hij al vijf jaar geen captain meer is, begint op de bank. Zuid-Korea maakt al na vier minuten de 1-0. De rest van de avond hollen de Syriërs achter de feiten aan. Als Khatib er in de tweede helft in komt, wordt hun spel wel meteen aanvallender. Het stadion, ongeveer voor de helft gevuld met Koreanen, valt stil als de Syriërs herhaaldelijk dreigend voor de goal komen. Ineens staat Khatib links voor het doel, oog in oog met doelman Sun-Tae Kwoun. Zijn schot gaat vanaf een meter of drie recht op het hoofd van de keeper af. Die weet de bal weg te boksen en behoedt zo zijn hoofd en zijn doel voor verder leed.

    In blessuretijd krijgt Khatib nog één kans die het publiek luid gegil ontlokt. Weer alleen voor de keeper lanceert hij vanaf bijna dezelfde plek opnieuw zo’n pegel, nu iets hoger. De bal knalt zo hard op de lat dat het tot op de tribune te horen is. Weer geen doelpunt. Khatib zegt teruggekeerd te zijn omdat hij Syrië – al is het maar even – uit zijn hel wil verlossen. ‘Hier doe ik goed aan,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik het Syrische volk wat blijheid kan schenken.’ Vanavond nog niet. Na de 1-0 nederlaag komt Syrië met slechts drie wedstrijden te gaan nog vier punten te kort voor de derde plek en lijkt de kans op een WK-ticket verkeken.

    Een week later is er weer nieuws uit Syrië. Khatib had gezegd dat hij geen interlands meer zou spelen zolang Assad nog burgers doodt. Nu heeft het regeringsleger een aanval met sarin gepleegd op een rebellendorp bij Khan Shaykhun. De beelden zijn gruwelijk: stuiptrekkende en schuimbekkende slachtoffers met pupillen zo klein als speldenknopjes. Halfblote kinderen die in een plas water naar adem liggen te happen.

    Het totale dodenaantal bedraagt minstens 85.

    Auteur: Steve Fainaru

    Steve Fainaru is senior writer voor sportplatform ESPN. Hij won in 2008 een Pulitzerprijs voor internationale verslaggeving en is co-auteur van het boek League of Denial, over hersenletsel in het American Football.

    Openingsbeeld: Syrische voetbalfans met een spandoek van president Assad bij de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Zuid-Korea. – © Lai Seng Sin / Reuters

    ESPN
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 1.536.346

    In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.

    CONTEXT

    24 miljoen mensen telde de bevolking van Syrië in 2011

    11,4 miljoen mensen bleven waar ze waren

    6,6 miljoen mensen zijn op de vlucht in Syrië

    470.000 Syriërs kwamen om het leven

    5 miljoen Syriërs zijn gevlucht naar het Midden-Oosten en Afrika

    900.000 Syriërs zijn gevlucht naar Europa

    38 voetballers uit de eerste en tweede divisie zijn door het regime van Assad om het leven gebracht.

    © ESPN, mei 2017

    CONTEXT: Play-off tegen Australië

    Dankzij een gelijkspel in de uitwedstrijd tegen Iran, op 5 september jl. in Teheran, heeft Syrië zijn kansen behouden om zich voor de eerste keer in de geschiedenis te plaatsen voor het eindtoernooi van een WK voetbal. De gelijkmaker viel diep in blessuretijd. Iran is een van de twee landen die de Syrische president Bashar al-Assad met hun steun in staat hebben gesteld zich staande te houden in de burgeroorlog die nu al zes jaar woedt. Het Syrische elftal moet nu in oktober twee play-offwedstrijden spelen tegen Australië voor een plek in de allerlaatste kwalificatieronde, in november, tegen de nummer vier van Noord- en Midden-Amerika. Het team speelt zijn ‘thuiswedstrijden’ in Maleisië. Deze beslissing van de wereldvoetbalbond FIFA was een tegenslag voor Assad, die de indruk probeert te wekken dat het leven in de gebieden in Syrië die onder controle van het regeringsleger staan, weer normaal verloopt. Het WK voetbal 2018 wordt gespeeld in Rusland, naast Iran eveneens een bondgenoot van Assad in de burgeroorlog.

    (Bloomberg 
Businessweek, New York)

    CONTEXT: Syriës weg naar het WK

    2016

    1 september
    Oezbekistan – Syrië
    1-0

    6 september
    Syrië – Zuid-Korea
    0-0

    6 oktober
    China – Syrië
    0-1

    11 oktober
    Qatar – Syrië
    1-0

    15 november
    Syrië – Iran
    0-0

    2017
    23 maart
    Syrië – Oezbekistan
    1-0

    28 maart
    Zuid-Korea – Syrië1-0

    13 juni
    Syrië – China
    2-2

    31 augustus
    Syrië – Qatar
    3-1

    5 september
    Iran – Syrië
    2-2

    5 oktober
    Syrië – Australië
    _ – _

    10 oktober
    Australië – Syrië
    _ – _

    Vrouwelijke Syrische supporters bij de wedstrijd Iran-Syrië. – © Amin Mohammad Jamali / Getty Images
    Vrouwelijke Syrische supporters bij de wedstrijd Iran-Syrië. – © Amin Mohammad Jamali / Getty Images

    CONTEXT: Iraanse vrouwen niet welkom

    De voetbalwedstrijd Iran-Syrië op 5 september jl. in Teheran heeft beroering gewekt, omdat Syrische vrouwen wel en Iraanse vrouwen niet werden toegelaten tot het Azadistadion. Iraanse vrouwen waren echter wel, voor het eerst in de geschiedenis, in staat gesteld in de voorverkoop kaartjes te kopen. Maar toen enkele vrouwen op de dag van de wedstrijd naar binnen wilden, werden zij tegengehouden. Syrische vrouwen daarentegen mochten doorlopen naar de tribunes.

    De controle bij de ingang was streng. Iraanse vrouwen die zich voordeden als vrouwen uit Syrië en als ‘bewijs’ daarvan een Syrische vlag meevoerden, kwamen ook niet door de controle.

    De populaire voetbalcommentator Peyman Yousefi beklaagde zich er een paar minuten voor aanvang van de wedstrijd openlijk op de televisie over dat er geen Iraanse vrouwen op de tribunes aanwezig mochten zijn. Een groepje vrouwelijke Iraanse parlementariërs had het ministerie van Jeugd- en Sportzaken toestemming gevraagd de wedstrijd te bezoeken, en de drie vrouwelijke afgevaardigden die zich bij het stadion meldden, werden inderdaad toegelaten. Maar de vrouwelijke afgevaardigde Parvane Salahshouri weigerde van dit voorrecht gebruikt te maken. ‘Ik protesteer tegen het feit dat maar een handjevol vrouwelijke parlementariërs wordt toegelaten, en niet willekeurig welke Iraanse vrouw.’

    Shahindokht Mowlaverdi, de (vrouwelijke) woordvoerder van de gematigde Iraanse president Hassan Rohani, liet weten: ‘Volgens onze Wet op de Burgerrechten hebben alle burgers, en vrouwen in het bijzonder, het recht om alle nationale en internationale sportwedstrijden bij te wonen, zolang zij de Iraanse en islamitische cultuur daarbij in acht nemen.’

    Hervormingsgezinde kranten leverden eveneens commentaar. Vaghaye Etefaghie publiceerde op de voorpagina een foto van een Syrische vrouw in het stadion met als bijschrift ‘De enige winnaar van de wedstrijd’, terwijl de krant Bahar tegen het niet toelaten van Iraanse vrouwen protesteerde onder de kop ‘De Iraanse Paradox’.

    (Al-Monitor, Washington D.C.)

  • Soja verwoest Argentijnse bodem

    Soja verwoest Argentijnse bodem

    In de buurt van Argentijnse sojaplantages komen steeds meer overstromingen voor. Volgens de autoriteiten ligt het aan de klimaatverandering. Milieubeschermers wijzen naar de intensieve landbouw.

    Het is een cyclus van regenval, overstromingen, boeren die het klimaat de schuld geven, economische schade die in de miljoenen loopt en een regering die subsidies uitdeelt en maatregelen belooft. En bij de volgende storm begint de cyclus opnieuw. De laatste weken waren de regio’s Córdoba, Santa Fe en Buenos Aires aan de beurt. ‘Het komt niet door het klimaat, maar door het de manier waarop hier landbouw en veeteelt bedreven wordt,’ stelt de Argentijnse milieurechtenorganisatie Naturaleza de Derechos. Andere milieuorganisaties hebben erop gewezen dat door de macht van de Argentijnse landbouwsector de ontbossing in het land sneller gaat dan waar ook ter wereld. Uit onderzoek blijkt dat veranderend grondgebruik de oorzaak is van de vele overstromingen.

    In maagdelijk bosgebied absorbeert de grond wel driehonderd millimeter water per uur, gewone weidegrond (met grazend vee) maximaal honderd millimeter. Een sojaveld absorbeert slechts dertig millimeter per uur, zo stelde het Nationaal Instituut voor Landbouw- en Veeteelt Technologie (INTA) vast. Volgens Nicolas Bertram van INTA, een van de auteurs van de studie, is ‘de wateroverlast er niet aan te wijten dat er te weinig waterwerken zijn uitgevoerd en al evenmin aan overvloedige regenval, maar vooral aan de enorme groei van het landbouwareaal in de laatste decennia’.

    Natuur de schuld

    ‘Stijging van het grondwater in de pamparegio: meer regenval of veranderd grondgebruik?’ luidt de titel van het onderzoeksrapport (de tweede auteur is Sebastián Chiacchiera). De twee wetenschappers onderzochten hoeveel regen de afgelopen veertig jaar viel en hoe het grondgebruik veranderde (sojacultuur verdrong op grote schaal de veeteelt). Bertram vertelt: ‘Het grondwaterpeil lag eerst op tien meter diepte, nu nog maar op één meter. De aarde is verzadigd en kan geen water meer opnemen. Het is alsof we eerst een grote teil hadden waar we één emmer water in gooiden. Nu is de teil tien keer zo klein, maar we legen er nog steeds dezelfde emmer water in.’

    Na een overstroming in Córdoba in 2015 gaf toenmalig gouverneur José Manuel de la Soja de natuur de schuld: ‘Het was een tsunami uit de hemel.’ Volgens landbouwkoepelorganisatie Aapresid waren de recente overstromingen, waarbij de landbouwsector zwaar getroffen werd, het gevolg van een ‘klimaatcatastrofe’.

    Horacio Brignone van de campagne Paren de Fumigar (die ageert tegen bestrijdingsmiddelen) vindt dat de overheid behalve met de landbouwsector ook met andere partijen om te tafel moet gaan zitten. ‘De sector krijgt subsidie als schadeloosstelling voor overstromingen die zij zelf heeft veroorzaakt. Ze proberen het water tegen te houden met subsidies, export en “productie”. Dit gebeurt telkens weer, maar de werkelijke oorzaken worden niet aangepakt.’

    In een persbericht schrijft natuurbeschermingsorganisatie Cepronat, die ook deelneemt aan de campagne Paren de Fumigar: ‘Het agrarisch-biotechnologisch model verergert de overstromingen. Door gebruik van transgene gewassen, bestrijdingsmiddelen en directe inzaaiing stijgt de grondwaterspiegel. De monocultuur van soja en de chemicaliën die daarbij worden gebruikt maken de grond ondoordringbaar. Het water wordt niet meer opgenomen, en dat leidt op den duur tot overstromingen.’

    Soja-oogst bij Buenos Aires. – © HH
    Soja-oogst bij Buenos Aires. – © HH

    Het persbericht werd al in augustus 2015 geschreven maar het werd deze week opnieuw verstuurd. Carlos Manessi van Cepronat legt uit waarom: ‘Het is nog even actueel als toen en daarom geven we het nog eens uit.’ Hij verwijt de landbouwsector en de politiek alleen maar naar klimaatverandering en El Niño te wijzen als oorzaak.

    Volgens de wereldvoedselorganisatie van de Verenigde Naties hoorde Argentinië bij de tien landen op de wereld die de afgelopen 25 jaar het meeste kapten. Er verdween 7,6 miljoen hectare bos, een gemiddelde van 300.000 hectare per jaar. Hernán Giardini van Greenpeace zegt erover: ‘Elk jaar zien we weer grote overstromingen. Dat is niet toevallig: het is geen natuurlijk fenomeen. Het komt doordat dit land geen milieupolitiek heeft om bossen en andere natuurgebieden tegen branden, houtkap, sojateelt, intensieve veehouderij en projectontwikkelaars te beschermen.’

    De stad Chabás ten zuiden van Santa Fe is als geen ander door de overstromingen getroffen. De inwoners blokkeerden onlangs een nationale snelweg en eisten infrastructurele projecten, kanalen en pompen om het overtollige water af te voeren. Een van de actievoerders vertelt: ‘Chabás staat midden in een zee van soja. Het water kwam van het land gestroomd terwijl het in de stad niet eens regende. In twee uur tijd stond zeventig procent van de straten onder water.’

    Córdoba is een van de zwaarst getroffen provincies. Milieu-advocaat Dario Avila, lid van een mensenrechtencomité, schampert: ‘Wat toevallig. Telkens weer in gebieden met intensieve landbouw, in het hart van de sojateelt.’ De regionale overheid heeft zojuist een wet aangenomen om meer bos te kappen en de landbouwsector nog meer ruimte te geven.

    Auteur: Dario Aranda
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Página 12
    Argentinië | dagblad | oplage 90.000

    Belangrijkste linkse krant van Argentinië. Veel nadruk op mensenrechten. Heeft vaak briljant gemonteerde foto’s op de cover, bedoeld om een jong publiek aan te trekken.

    CONTEXT: Zorgen over Amazone

    De afgelopen 25 jaar ‘heeft de sojaproductie grote happen genomen uit het oerwoud en de savanne van Mato Grosso’, schrijft website Mongabay. Mato Grosso, een Braziliaanse deelstaat in het westelijk Amazonegebied, is een van de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld. Tegelijk is het volgens Mongabay een van de regio’s waar de honger van de landbouwsector het grootst is. Tussen 1991 en 2016 groeide het landbouwareaal voor soja er van 1,2 tot 9,4 miljoen hectare. In 2006 besloten de Braziliaanse voedingssector, ngo’s en de regering samen tot een moratorium. Desondanks groeide het soja-areaal in de staat nog steeds aanzienlijk.

  • Slaap Egypte slaap

    Slaap Egypte slaap

    Twee geliefden vertellen elkaar in de slaapkamer verhalen. Op basis van dit klassieke gegeven schreef de Egyptische auteur Ezzedine Chroukri Fishere een ophefmakende roman over de sluimerende Egyptische revolutie.

    Sinds het verschijnen van The Yacoubian Building (2002) van Alaa al-Aswany heeft geen boek in Egypte tot zo veel ophef geleid als de zesde roman van Ezzedine Choukri Fishere – het dystopische Exit Door, waarin een lid van de Moslimbroederschap president wordt, om vervolgens door zijn minister van Defensie ten val te worden gebracht. Het boek verscheen in 2012, nog voor de verkiezing en de uiteindelijke val van president Mohamed Morsi, een Moslimbroeder.

    Fishere had het vervolg – waarnaar reikhalzend werd uitgekeken, en dat een paar dagen geleden is verschenen bij Al-Karma – ‘Post-revolutionary bed-time stories from Egypt’ kunnen noemen, of ‘The most dangerous tales of Shahrazad’. Maar dat heeft hij niet gedaan, het boek heet Kol Hasa al-Haraa (‘Al die onzin’), en net als in het rauwe Exit Door spaart hij zichzelf noch de lezer. Het is een ambitieuze roman, een wilde verzameling van alle belangrijke revolutionaire gebeurtenissen die de afgelopen zes jaar in Egypte hebben plaatsgevonden, met thema’s zoals de buitenlandse financiering van activisten, seksueel geweld, politiegeweld, homoseksualiteit, corruptie en terrorisme. Alle protagonisten zijn betrokken bij gebeurtenissen als de revolutie van 25 januari, de rellen in Mohamed Mahmoud Street of de bloedbaden van Maspero, Port Said of Rabea al-Adaweya.

    Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten

    Zo’n aanpak kan al snel doorschieten, maar de vijftigjarige Fishere heeft met schijnbaar gemak een kleverig spinnenweb gesponnen dat de lezer al snel inkapselt. Al meteen vanaf de openingsscène – waarin Omar en Amal, die elkaar niet lijken te kennen, in hetzelfde bed ontwaken, kort nadat Amal is vrijgekomen uit de gevangenis – was deze lezer in ieder geval 324 pagina’s lang nauwelijks meer in staat het boek weg te leggen.

    Amal is een negenentwintigjarige Egyptisch-Amerikaanse jurist die gevangen is gezet omdat ze werkte voor een organisatie die illegaal door het buitenland werd gefinancierd (er wordt een impliciete parallel getrokken met de ngo’s die in 2011 keihard werden aangepakt). Ze heeft afstand gedaan van haar Egyptische staatsburgerschap zodat ze maar één jaar de gevangenis in hoefde (een detail dat ontleend zou kunnen zijn aan het lot van de Al Jazeera English -producer Mohamed Fahmy) en moet nu binnen 48 uur het land verlaten. Omars situatie is volkomen anders: hij is tweeëntwintig, van arme komaf, en hij werkt als taxichauffeur. Hij gaat ermee akkoord om tot Amals vertrek bij haar te blijven, in haar appartement in Zamalek, en haar verhalen te vertellen om haar op die manier bij te praten over wat er allemaal is gebeurd in het jaar dat zij heeft vastgezeten. Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten.

    De roman bestrijkt de 48 uur die ze in haar appartement doorbrengen en is opgedeeld in acht hoofdstukken. In zes van die hoofdstukken vertelt Omar verhalen over vrienden of familieleden, en de andere twee hoofdstukken zijn gewijd aan Amal en hem, die elkaar over zichzelf vertellen. Omars verhalen worden zo nu en dan onderbroken door Amal, met vragen of cynische opmerkingen, waarmee ze Omars sombere kijk op de wereld probeert te doorbreken. Haar Egyptische Arabisch is niet al te best, dus zij praat in het Engels, dat omwille van de lezer wordt omgezet in klassiek Arabisch, en niet in spreektalig Arabisch – behalve wanneer ze vloekt. Hun grappige gesprekken en Fishere zelf die af en toe als verteller tussenbeide komt met een ironische opmerking, bieden enig tegenwicht aan de zwaarte van Omars verhalen – de meeste van zijn vrienden zijn vermoord, gevangengezet of verbannen. In de vele dampende seksscènes tussen de twee verwijst Fishere naar geslachtsdelen als ‘lichaamsdelen waarvoor een rechter je gevangen kan zetten als je ze hardop benoemt’, alsof hij op die manier de zelfingenomen moraalridders onder zijn lezers – van de soort die Naji voor de rechter hebben gesleept – wil tarten.

    ‘Hoe is het mogelijk dat een taal die door driehonderd miljoen mensen wordt gesproken geen algemeen aanvaarde synoniemen kent voor de helft van de lichaamsdelen die ze herhaaldelijk en dagelijks aanraken, of voor de handelingen die ze verrichten?’ vraagt Omar zich af in het eerste hoofdstuk. ‘Alsof een of andere gezaghebber de Arabieren heeft veroordeeld tot een totaal stilzwijgen, waardoor ze al deze dingen doen, al deze lichaamsdelen aanraken en zien, zonder erbij te praten, zonder ook maar een woord te zeggen. Wat is dat voor vorm van onderdrukking?’

    Ezzedine Choukri Fishere.
    Ezzedine Choukri Fishere.

    Soms zegt Amal spottend Mawlay (mijn heer) tegen Omar, een omkering van het Sheherazade-motief. Misschien vertelt Omar de verhalen domweg om in de buurt te kunnen zijn van Amal, op wie hij verliefd begint te worden. Maar anders dan in De vertellingen van Duizend-en-een-nacht, waarin Shererazade Sjahriaar het ene na het andere verhaal vertelt zodat de koning haar zal sparen, wijst Fishere er in het voorwoord op dat zowel hijzelf als zijn fictionele protagonisten door deze verhalen in de gevangenis kunnen belanden. Fishere dreigt spottend degenen die het op hem hebben voorzien in zijn volgende boek op te voeren en zo wraak te nemen.

    Herdenken is natuurlijk ook een motief in dit werk. Misschien wil Fishere ons domweg herinneren aan iets wat de afgelopen drie jaar systematisch naar de achtergrond is gedrongen: de revolutie van 25 januari en alle gruwelijkheden die zijn begaan in de strijd tegen de revolutionairen. Het lijkt niet toevallig dat zijn boek is verschenen vlak na de zesde herdenkingsdag van de revolutie.

    All That Rubbish is, net als Exit Door, een politieke roman waarin fictie en realiteit in elkaar overlopen. In het vierde hoofdstuk haalt Fishere een artikel aan van Mada Masr, uit 2014, over veiligheidstroepen die op gruwelijke wijze een activiste hebben verkracht. Fishere voert haar ten tonele als een van zijn gekwelde personages en laat zien wat voor effect de verkrachting op haar leven heeft. Door het in een literaire vorm te gieten helpt hij ons eraan herinneren welk lot leden van de oppositie kan treffen. Een goed boek kan eeuwig meegaan, terwijl nieuwsfeiten vaak gedoemd zijn om in de vergetelheid te raken – al helemaal wanneer niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de misdaden. Omdat Amal herhaaldelijk Omars geloofwaardigheid in twijfel trekt, en hem ervan beschuldigt het allemaal te verzinnen, worden we er juist aan herinnerd dat de misdaden maar al te reëel zijn, doordat zijn verhalen van geen wijken weten.

    Niet alle verhalen zijn echter even sterk. In het derde hoofdstuk vertelt Omar over het lot van drie ‘ultra’s’ van Ahly Football Club, van wie er twee zijn omgekomen tijdens het bloedbad van Port Said in 2012. Maar hier romantiseert Fishere te zeer – de mannen worden enkel afgeschilderd als hardwerkende, heldhaftige en onschuldige jongens. Het is zelfs zo erg dat ik die stukken bijna heb overgeslagen. Het is duidelijk dat de verteller sympathie wil kweken, aangezien de ultra’s door de staatsmedia herhaaldelijk zijn weggezet als tuig en herrieschoppers, maar hier slaat Fishere door.

    Het zette mij ertoe aan me een voorstelling te maken van zijn lezerspubliek. All That Rubbish is een roman die uitgesproken pro-revolutie is, een boek dat vermoedelijk zal worden gelezen door gelijkgestemden. Afhankelijk van de reacties die het oproept, zullen misschien meer mensen geneigd zijn in dit boek te duiken – een boek dat meerdere thema’s kent, zoals overspel, huwelijksproblemen en het groeiende zelfinzicht van twee jonge geliefden.

    Er zijn ook hoofdstukken die een oorspronkelijke kijk bieden op de sociale mechanismen die onze perceptie vormgeven. Een voorbeeld daarvan is de pijnlijke coming out van een homostel, een ander voorbeeld is de tragische liefdesgeschiedenis van een sympathisante van de Broederschap en haar vriendje. Dit zijn momenten waarop Fishere met het vergrootglas van de schrijver inzoomt op de microvezels waaruit onze dagelijkse opvattingen en gedragingen bestaan.

    Ander pad

    All That Rubbish heeft alles in zich om een bestseller te worden, wat hopelijk weer andere schrijvers aanmoedigt om ook een ander pad in te slaan dan in de meeste romans die tot nog toe over de revolutie zijn verschenen, en die vooral dystopisch van aard zijn – van Basma Abdel Aziz’ The Queue tot Mohamed Rabies Otared — wellicht omdat er een soort consensus bestond dat het nog te vroeg was om onverbloemd te schrijven over iets wat nog altijd gaande was.

    Uit Exit Door sprak een optimistische toekomstvisie, ondanks alle politieke onrust. All That Rubbish is veel soberder. De roman begint met een wijs gezegde: ‘Je kunt maar beter slapen op de ellendige dagen.’ Omar en Amal lijken te hebben besloten dat ze zich maar het beste gedeisd kunnen houden en domweg moeten proberen te overleven zonder al te zware persoonlijke verliezen. Zeven van de acht hoofdstukken beginnen ermee dat de een de ander vraagt of hij al wakker is, waarmee Fishere lijkt te willen zeggen dat we, om het einde te halen van deze winterslaap waaraan geen einde lijkt te komen, best af en toe even wakker mogen worden om te eten, te vrijen en verhalen te vertellen, zolang we maar niet vergeten. Maar Amal en Omar lijken geen moment in staat zich echt over te geven aan de slaap.

    Auteur: Sherif Abdel Samad
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Marco Bulgarelli / Gamma-Rapho via Getty

    Mada Masr
    Egypte | madamasr.com

    Een Egyptisch blog dat onder auspiciën staat van de journalisten van de Egypt Independent (de Engelse versie van Al Masry al-Youm). ‘Mada Masr’ betekent: over Egypte.

  • Video: HyperNormalisation

    Video: HyperNormalisation

    Adam Curtis (61) is een BBC-journalist die al een aantal (lange) semidocumentaire(series) op zijn naam heeft staat. In zijn jongste, HyperNormalisation (2016), betoogt hij dat overheden, financiers en technologische utopisten sinds de jaren zeventig de complexe ‘echte’ wereld hebben ingeruild voor een simpele nepwereld, die wordt gerund door grote bedrijven en onder controle gehouden door politici.

    The Guardian schreef dat de film ‘een passend voorwoord zou kunnen zijn bij Donald Trumps “global horror show”’. En verder: ‘Curtis betoogt dat wij zijn verdwaald in een nagebootste wereld en de werkelijkheid achter de fake niet meer waarnemen.’

    En dat was ruim voor aan Trumps overwinning op 8 november 2016. HyperNormalisation bevat veel materiaal uit de BBC-archieven, en fragmenten van films als Dr. Strangelove, Stalker, Deep Impact, Independence Day, Godzilla, Armageddon en The Rock.


  • Hoe rapper Bello Figo Italië op zijn kop zet

    Hoe rapper Bello Figo Italië op zijn kop zet

    Ook Italië kent zijn controversiële rappers. Bello Figo, van Ghanese komaf, jaagt met zijn provocaties rechts én links in de gordijnen. Portret van een fenomeen.

    Afgelopen zondag overkwam me iets geks: ik zat te eten met mijn hele familie, toen er een item over Bello Figo op het journaal was. In tegenstelling tot wat er meestal gebeurt als het gaat over Italiaanse rappers die een klein beetje bekend zijn, hoefde ik dit keer aan niemand, zelfs niet aan mijn moeder, uit te leggen wie hij was, wat hij deed en waarom hij op de televisie was. Toen ik erover begon, zei ze: ‘Ja, ik weet wie hij is, ik heb over hem gehoord.’ Op dat moment drong pas echt goed tot me door wat de reikwijdte van zijn succes is.

    Ongeveer een maand geleden werd Bello Figo als kanonnenvoer uitgenodigd door Dalla vostra parte, het praatprogramma van de zender Rete 4 waar de burger zijn verontwaardiging de vrije loop kan laten. Hij werd er geïntroduceerd als ‘de vluchteling die er prat op gaat dat hij geen huur betaalt’ en eindigde met een dab [dansbeweging], recht voor de neus van Alessandra Mussolini [kleindochter van de duce en Europarlementariër]. Vanaf dat moment is er veel veranderd, zowel voor Bello Figo als voor zijn rapnummer ‘Non pago affitto’ [‘Ik betaal geen huur’].


    Tot voor kort was Bello Figo niet veel meer dan een internetfenomeen. Hij stond bekend als de grondlegger van de Lol Rap-scene, die rond 2012 explodeerde met rappers als Trucebaldazzi. Hij debuteerde met stupide hits als ‘Mi faccio una sega’ [‘Ik trek me af’], belandde vervolgens in een fase waarin hij viraal ging met volstrekt inwisselbare liedjes over onderwerpen die op dat moment hot waren, en leek ten slotte te zijn uitgegroeid tot een heuse rapper, een soort Italiaanse Riff Raff [Amerikaanse rapper].

    In de periode die daarop volgde bracht hij zijn twee bekendste nummers uit, ‘Non pago affitto’ en ‘Referendum costituzionale’ [‘Constitutioneel referendum’]. Uiteraard zat daar (dat denk ik tenminste) geen enkel politiek motief achter – Bello Figo had waarschijnlijk gewoon besloten zich op actuele thema’s te storten, en dat bleek bijzonder goed uit te pakken. En toen kwam zijn televisieoptreden.

    Nadat hij op tv was geweest, werd Bello Figo van de ene op de andere dag een soort popicoon: het aantal keren dat zijn video’s werden bekeken verdubbelde, en daarmee ook de verontwaardigde reacties van de mensen die hem verkeerd begrepen. Zoals wel vaker gebeurt met internetfenomenen, knapte de zeepbel en belandde de grap ook bij mensen die er niets van snapten. Het gebeurde allemaal in een flits.

    In die flits werd Bello Figo van iemand die liedjes zong als ‘Pasta al tonno’ (over het eten van pasta met tonijn) opeens een ongemakkelijke figuur, een symbool van alles waartegen Italiaans rechts een diepe haat koestert, een voodoopop die het mikpunt werd van de censuur en intimidatie van fascisten en racisten van allerlei slag.

    We hoeven alleen maar naar de afgelopen maanden te kijken: sinds december zijn er al drie concerten van Bello Figo geannuleerd, in Brescia, Mantua en Legnano – om ‘veiligheidsredenen’. In Mantua zijn zelfs tegen hem gerichte posters opgehangen, en nadat het evenement was geannuleerd, zei de burgemeester dat ‘de persoon in kwestie voor te veel spanningen zorgde’. Hetzelfde gebeurde in Brescia en Legnano: toen de gelegenheden waar hij zou optreden een Facebookevenement hadden aangemaakt, stroomden die pagina’s onmiddellijk vol met beledigende opmerkingen, racistische verwensingen en soms zelfs bedreigingen, totdat men zich omwille van de veiligheid gedwongen zag alles te annuleren.

    ‘Hij neemt willekeurige cafégesprekken met een racistische lading en maakt daar een soort kromme rap van’

    Eind januari trad Bello Figo op in Turijn, en ook bij die gelegenheid wemelde het op de Facebookpagina van het evenement – waarop hij onder meer, lichtelijk overdreven, een ‘intellectueel’ werd genoemd – van opmerkingen als: ‘je zuigt’, ‘ik mag lijden dat de hele tent affikt’, ‘blaas die fokking zinloze avond toch af’. En dergelijke commentaren verschijnen ook dagelijks op de Facebookpagina van Bello Figo zelf.

    Maar terwijl er dus mensen zijn die hem voortdurend beledigen, zijn er anderen die zijn muziek en zijn moves – al dan niet bewust – gebruiken op een manier die verre van denigrerend bedoeld is. Zo was er op 14 januari in Milaan een manifestatie van de extreem-rechtse groepering Forza Nuova. Een groep jongeren die daar toevallig ook was, begon voor de fascisten te dabben, terwijl ondertussen keihard ‘Non pago affitto’ werd gedraaid. Hoe valt dat te verklaren? En vooral: hoe komt het dat daar veel meer over is gesproken dan over de officiële, tegelijkertijd door de ANPI [de nationale vereniging van partizanen] georganiseerde tegendemonstratie? Is Bello Figo een politiek symbool geworden?

    ‘Ik denk niet dat Bello Figo de nieuwe held van het antifascisme is,’ zegt Pablo, een jongen die bij genoemde manifestatie aanwezig was. ‘Ik denk eerder dat de fascisten door hem geobsedeerd zijn omdat hij iets heel simpels doet: hij neemt willekeurige cafégesprekken met een racistische lading en maakt daar een soort kromme rap van. Daarmee is hij een obsessie geworden voor de mensen die de taal die hij nabouwt daadwerkelijk uitkramen.’

    Volgens Pablo werkt dat weliswaar heel goed op internet, maar kun je het niet zien als een alternatief voor antifascistische demonstraties. ‘Sommige jongeren hebben op voornoemde manier geprotesteerd, anderen hebben een manifestatie gehouden op Piazza Fontana: het is een verschillende aanpak, de ene is niet beter dan de andere,’ zegt hij. Ook denkt hij niet dat een dergelijke vorm van protest algemeen ingang zal vinden en echte manifestaties zal vervangen, want dingen die je, zoals hij zegt, ‘uitdenkt achter je bureautafel, werken in de praktijk niet’.

    Binnen Italiaans extreem-links is men zeer verdeeld over dit onderwerp – een verdeeldheid die waarschijnlijk al langer speelt en waarin Bello Figo als katalysator heeft gewerkt. ‘Binnen de beweging lopen de meningen nogal uiteen. Nadat we hem op de televisie hadden gezien, ontstond er een polemiek tussen degenen die hem steunden en hen die hem niet steunden,’ zegt Ivan, een extreem-linkse activist. ‘Degenen die Bello Figo bekritiseren, menen dat zijn karikaturale weergave van het racisme meer kwaad doet dan goed, omdat die ertoe bijdraagt dat een heleboel mensen die hem niet begrijpen zich afsluiten voor de problematiek, terwijl je met hen – in theorie – nog de dialoog zou kunnen aangaan. Maar ik denk niet dat er ook maar één persoon onder de 35 is die niet begrijpt dat Bello Figo ironisch is – of liever, ze zijn er wel, maar die zijn niet meer te redden.’

    Aan de andere kant valt niet te ontkennen dat Bello Figo’s werkwijze effectief is. In het geval van de demonstratie in Milaan is het ‘institutionele’ antwoord ondergesneeuwd geraakt, omdat het zwak was, ouderwets, niet provocerend genoeg.

    Politiek artiest

    ‘Bello Figo provoceert, is arrogant, neemt de boel in de zeik. Zo waren wij als beweging in de jaren zeventig ook, maar dat zijn we helemaal kwijtgeraakt,’ aldus Ivan. ‘Bovendien stelt hij zich ironisch op. Hij bewijst dat de taal die door Italiaans extreem-links wordt gebruikt belegen is, niet geschikt om met jongeren te communiceren.’
    En dus is Bello Figo in zekere zin bezig om zijns ondanks een politiek artiest te worden, ook al is de belangrijkste politieke boodschap die hij tot nu toe in zijn liedjes heeft gelanceerd iets als: ‘Ik heb chickies op me pikkie / want ik lijk op Berlusconi’.

    En hier komen we bij een ander aspect: hij pakt het slim aan, maar is zich mijns inziens niet echt bewust van de implicaties. Een paar dagen na zijn televisieoptreden, dat hem tot mainstreamartiest heeft gemaakt, verscheen er op Dinamopress – een website aan het extreem-linkse firmament – een artikel waarin werd uitgelegd hoe Bello Figo ‘twintig jaar retoriek over immigratie, zowel van rechts als van links’ zou hebben ‘vernietigd’. ‘Louter door de aanwezigheid van Bello Figo worden zijn gesprekspartners vernederd, wordt hun politieke inhoud omlaaggehaald’, schreef de auteur. ‘Maar dat is het hele punt: ze dragen geen politieke inhoud meer uit, alleen nog maar vorm. En in die vorm laten ze zich overvleugelen door een personage dat nog absurder is dan zijzelf.’

    Ik spreek hierover met Ivan, die het er in grote lijnen mee eens is. ‘Hij is geen politicus in de klassieke zin van het woord, maar hij vertelt je over het leven. Tijdens de bewuste uitzending zei hij: “Ja, ik zing over deze mensen omdat het mijn vrienden zijn, die óók gewoon internet nodig hebben [een zin uit ‘Non pago affitto’ luidt: ‘We willen wifi, wifi’] om met hun families te communiceren.” Zo laat hij zien dat migranten mensen zijn zoals wij, met goede en slechte eigenschappen, mensen die iets te vertellen hebben.’

    bello figo 2

    Zijn werkwijze maakt hem dus niet alleen tot een trol die zich richt tegen xenofoob-rechts, maar heeft ook nog een ander gevolg: hij ondermijnt de retoriek van links, de berichten over ‘arme migranten’ die voornamelijk als een retorisch trucje worden gezien. ‘Al met al gaat dat wat hij vertegenwoordigt inmiddels veel verder dan wat hij is en wat hij wíl vertegenwoordigen,’ concludeert Ivan.

    Pablo wijst me tijdens ons gesprek op de kwestie rond ‘Guilty of Being White’, een nummer van de Amerikaanse punkband Minor Threat, dat een voorbeeld is van het tegenovergestelde van wat er met ‘Non pago affitto’ is gebeurd. Het gaat over iemand die deel uitmaakt van een minderheid en daar de gevolgen van ondervindt, waarbij het rassenprobleem wordt omgekeerd: het betreft namelijk de ervaringen van de blanke zanger van Minor Threat die op een overwegend zwarte school zat. Juist die omkering werd echter niet begrepen, en het lied is uitgegroeid tot een soort volkslied voor neonazi’s in Oost-Europa.

    ‘Zo werkt dat, iedereen neemt dingen en gebruikt die zoals het hem het beste uitkomt,’ zegt Pablo. Zo is het ook gegaan met Bello Figo: zijn liedje is provocerend en kwam op het juiste moment, en nu zijn er mensen die het tot protestsong bombarderen, wat het oorspronkelijk helemaal niet was. Het feit dat Bello Figo deze betekenis krijgt door de spontane actie van een groep jongeren, en niet door een bewuste poging van de kant van de beweging om hem in te lijven, is in mijn ogen symptomatisch voor de zwakte van het huidige links. Zoals het ook symptomatisch is dat de beweging geen duidelijk standpunt heeft ingenomen inzake alle bedreigingen die hij de afgelopen tijd over zich heen heeft gekregen. ‘Het feit dat Bello Figo deze dynamiek van verdeeldheid heeft gegenereerd is positief: wij vinden het belangrijk dat de maatschappij gedwongen wordt een kant te kiezen,’ zegt Ivan. ‘Dat hadden we als beweging moeten doen; we hebben de kans gemist om ons achter iets te scharen waarvoor heel veel mensen begrip zouden hebben gehad.’

    Bij dit alles moeten we Bello Figo niet groter maken dan hij is: een provocateur, om te beginnen, wiens politieke aspiraties hem meer door de buitenwacht worden toegedicht dan dat hij die daadwerkelijk heeft. ‘Non pago affitto’ is kortom niet het nieuwe ‘Bella ciao’ [de beroemde partizanensong uit de Tweede Wereldoorlog]. Maar zelfs met zijn gebreken en beperkingen heeft hij een zeer duidelijk standpunt ingenomen – en daarin kunnen we niet anders dan hem steunen.

    Auteur: Mattia Salvia
    Vertaler: Yond Boeke

    Vice Italia
    Italië | vice.com/it

    Vice is een van oorsprong Amerikaans mediabedrijf, 
dat in tal van landen een groot millennialpubliek trekt met onder meer een website en een tijdschrift. Sinds 2014 in Italië.

  • Redactioneel

    Redactioneel

    Lezend in Het achtste leven (voor Brilka), een magistrale roman van een bijzondere vrouw (zie Gerecenseerd), begon ik mij ineens van alles af te vragen. De Georgisch-Duitse Nino Haratischwili – wat lijkt Houellebecq dan ineens een simpele naam – beschrijft in dat boek een hele eeuw aan geopolitieke turbulentie, van 1900 tot 2007 om precies te zijn.

    De plaats van handeling wisselt van Wenen naar Londen, Moskou, Tbilisi (Haratischwili’s geboortestad) en Amsterdam. Bijna dertienhonderd pagina’s lang davert de twintigste eeuw over de Kaukasus. De twee beruchtste Georgiërs uit de geschiedenis, Josef Stalin en zijn knecht Lavrenti Beria, worden in het boek niet met name genoemd, maar des te krachtiger doortrekken hun wrede wandaden het verhaal.

    Ik bedacht me hoe in een verre, onkenbare toekomst, laten we zeggen zo rond het jaar 2120, een nu nog lang niet geboren auteur opnieuw de ambitie zou voelen tot het schrijven van zo’n monumentaal epos over een familie, een continent, een tijdsgewricht. En hoe dat verhaal dan zal beginnen in wat voor hem of haar het verre verleden zal zijn: de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw, ons heden. Welke namen zullen het dan zijn die niet genoemd worden terwijl zij voor een goed begrip van de gebeurtenissen wel van belang zijn? Mits die stijlfiguur van het benoemen door te verzwijgen tegen die tijd nog in zwang is. De vlijmscherpe toespraak van Meryl Streep bij de uitreiking van de Golden Globes vorige week doet vermoeden van wel. Kijkt u vooral even, want hoe zou ik hier kunnen navertellen wat zij niet zegt?


    En zou dat zesdegraads achterkleinkind van Haratischwili het woord ‘stammen’ of ‘volksstammen’ gebruiken bij de beschrijving van de toestand in Europa in tijden van Brexit, zoals Kabir Chibber doet in een mooi stuk uit Quartz over de mogelijkheden en onmogelijkheden voor een Europese gemeenschap, een grote stam met leden die zich allemaal herkennen in dezelfde identiteit? Een vergelijking met het oude Rome leert hem dat voordat daarvan sprake kan zijn het Europese gezag ‘sterk gecentraliseerd’ zal moeten worden, misschien zelfs ‘een dictatuur’. Maar willen we dat?

    Dat het Europese gezag eerder desintegreert dan sterker wordt, is de analyse van filosoof John Gray. Niemand heeft Gray de laatste decennia nog op een optimistische gedachte kunnen betrappen, dus misschien valt ook dat weer mee.

    Lees het zelf. En oefen nog even op die naam: Haratischwili.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • Meester in zijn universum

    Meester in zijn universum

    De manier waarop de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge een artistieke taal ontwikkelde die persoonlijk en speels is, maar óók doordrenkt van politiek, blijft verrassen, in zijn hele oeuvre.

    De katten maken me duidelijk dat ik goed zit. Twee beeldjes van spichtige wezens die elkaar aankijken, ieder op een kant van het hek in Houghton, een van Johannesburgs welvarende buitenwijken die schuilgaan achter palissanders. Ik herken de katten van tekeningen, etsen en films – waarin katten tevoorschijn komen uit een radio (Ubu Tells the Truth), zich opkrullen tot een bom (Stereoscope) of veranderen in een espressopot (Lexicon). Dit keer zijn ze van metaal en zwaaien uiteen, bieden mij zicht op een steile oprit met bovenaan een gebouw van glas en steen, rustend op pilaren, te midden van weelderig groen: de studio. Een tuinman leidt me langs een paar palmvarens naar de ingang aan de rechterkant, waar een assistent me mee naar binnen neemt en naar William Kentridge brengt. Kentridge draagt een blauw in plaats van een wit overhemd, maar verder stemt alles tot in detail overeen met zijn zelfverkozen uniform: zwarte broek, zwarte schoenen, het koordje van een pince-nez door een knoopsgat, het knijpbrilletje zelf in een borstzakje als het niet op zijn neus staat.

    Veroverd

    Wanneer William Kentridge tegenwoordig naar een van de grote wereldsteden gaat, blijft zijn komst bepaald niet onopgemerkt. In 2010 veroverde hij Manhattan, met een retrospectief in het MoMA en een uitvoering van Sjostakovitsj’ De neus in de Metropolitan Opera. Sindsdien: Berlijn, Beijing, Rio, Oaxaca, Mumbai, Milaan, Moskou (om maar een greep te doen). Eerder dit jaar hing er een 550 meter lange fries [een smalle lange lap die boven het toneel hangt], zodat het publiek de buizen en lampen boven het toneel niet ziet hangen, van reusachtige figuren aan een van de oevers van de Tiber in Rome – zijn grootste openbare kunstwerk tot dan toe. En dan nu Londen: later deze maand opent een grote tentoonstelling, getiteld Thick Time, in de Whitechapel Gallery. In November gaat zijn productie van Alban Bergs Lulu in première in de English National Opera.

    Landgenoten, mede-inwoners van Johannesburg – we hebben allemaal met veel plezier, en misschien zelfs met enige verbazing, gezien hoe WK tot grote hoogten is gestegen binnen de kunstwereld. De verbazing wordt deels veroorzaakt door het feit dat hij vrijwel letterlijk de hele wereld heeft weten te veroveren door zo ongekend dicht bij zichzelf en zijn land te blijven. Dürer, Hogarth en Daumier; het hele intellectuele kader van de Verlichting; de kunst van de Russische Revolutie en andere mislukte utopieën van de twintigste eeuw; diepgravende reflecties op het wezen van ruimte en tijd – dat alles gefilterd door de unieke lens van zíjn Johannesburg. Of, om preciezer te zijn, de radius van drie kilometer waarbinnen zich Kentridges huis bevinden, de scholen die hij heeft bezocht, de universiteit van Witwatersrand waar hij is afgestudeerd in politicologie en Afrika-studies, de Market Gallery waar hij eind jaren zeventig voor het eerst exposeerde, de Junction Avenue Theatre Company, waarvoor hij schreef, speelde en regisseerde.

    De video-installatie The Refusal of Time in The Metropolitan Museum of Art in New York. – © Nardus Engelbrecht / Getty
    De video-installatie The Refusal of Time in The Metropolitan Museum of Art in New York. – © Nardus Engelbrecht / Getty

    Kentridge maakte deel uit van een multiraciale groep kunstenaars die een manier probeerden te vinden om zich door de zwartste dagen van het nationalistische regime heen te slaan, heeft meermaals gezegd hoe moeilijk het was je te verhouden tot ‘de onwrikbare rots van apartheid’ zonder je erdoor te laten beperken en zonder je erop blind te staren. Je niet laten vermorzelen door die rots – dat was de grote uitdaging voor kunstenaars in die tijd, schreef hij in 1990, aangezien ‘de rots alles verzwelgt en geen ruimte laat waarin iets moois zou kunnen ontstaan. Je kunt niet rechtstreeks de confrontatie aangaan met de rots; de rots wint altijd.’

    De manier waarop Kentridge hieraan wist te ontsnappen zonder te vervallen in escapisme – door het ontwikkelen van een artistieke taal die persoonlijk en speels is, maar óók doordrenkt van politiek – blijft verrassen, in zijn hele oeuvre. De reikwijdte en de ambitie van zijn werk heeft gelijke tred gehouden met zijn groeiende faam, waardoor een kakofonisch, grootschalig werk als The Refusal of Time, een van de werken op de Whitechapeltentoonstelling, ook iets zegt over mondiale vraagstukken als moderniteit en schaalvergroting. Het werk begint met het tikken van een metronoom en zwelt aan tot een wervelende carrousel van muziek, tekstfragmenten, tekeningen en gefilmde acteurs, en dat alles scharnierend rond het moment in de geschiedenis waarop er een uniforme tijd werd ingevoerd, het moment waarop de wereld, om de woorden van de kunstenaar te gebruiken, veranderde in een ‘reusachtige, gedeukte vogelkooi van tijdzones, van lijnen van afspraken en controle’.

    Een opvoering van de opera Lulu. – © Ken Howard / Metropolitan Opera
    Een opvoering van de opera Lulu. – © Ken Howard / Metropolitan Opera

    Londen is, zoals Kentridge ons in een van zijn vroege prenten helpt herinneren, een buitenwijk van Johannesburg. En er blijkt een onverschrokkenheid en een opmerkelijke vrijheid uit de manier waarop hij Europa tot een provincie maakt, de manier waarop hij vrijelijk put uit de belangrijke artistieke tradities en die verbindt met de puinhopen van het imperialisme en het raciale kapitalisme in Afrika. De processies die je overal in dit werk en in veel van zijn andere werken tegenkomt, voeren van Plato’s grot via Goya’s verschrikkingen van de oorlog langs slavernij en mijnwerkersstakingen en revoluties naar de steeds langere en aanzwellende rijen vluchtelingen en migranten die in de eenentwintigste eeuw over het beeldscherm trekken. ‘Waar het mij om gaat,’ zegt hij, ‘is zowel het existentiële isolement van degene die daar loopt als het sociale isolement – rijen mensen die van het ene land naar het andere lopen, van het ene leven naar een onbekende toekomst.’

    William Kentridge is een keurige, voorkomende man die ook iets komisch heeft. Hij heeft een enigszins kinderlijk aandoende, haast clowneske energie die zich soms lijkt te roeren in zijn ontspannen lichaam. Hij stamt uit een geslacht van bekende advocaten en naar eigen zeggen gaan spreken in het openbaar en improviseren hem dan ook vrij makkelijk af – juist het maken van kunst was iets wat hem voorkwam als ‘onnatuurlijk en moeilijk’. De vader van de kunstenaar, sir Sidney Kentridge, heeft in zijn leven niet minder dan drie Nobelprijswinnaars bijgestaan – Albert Luthuli, Nelson Mandela en Desmond Tutu – evenals de familie van de Black Consciousness-leider Steve Biko, tijdens het onderzoek naar diens dood, in 1978. De zoon herinnert zich dat hij in zijn vaders werkkamer een smal, geel doosje openmaakte, in de veronderstelling dat er chocolaatjes in zouden zitten. Hij zag een reeks schokkende zwart-witfoto’s van doorzeefde lichamen, die met gespreide armen en benen in het veld lagen. Het waren de slachtoffers van het bloedbad van Sharpeville in 1960 – beelden die zijn vader gebruikte als bewijsmateriaal tegen de staat.

    In de Nortonlezing die Kentridge in 2012 gaf aan Harvard, met als titel ‘Six Drawing Lessons’ (ze zijn allemaal op internet te vinden), vertelt hij over het filmen van zijn acht jaar oude zoontje, dat hij vraagt papier te verscheuren, potloden in het rond te slingeren en verf door de hele studio te gooien. Vervolgens worden de beelden achterstevoren afgespeeld. ‘Er is sprake van een utopische perfectie. Het papier herstelt zich naadloos, keer op keer. Hij weet het allemaal weer bij elkaar te krijgen. Hij vangt twaalf potloden, die allemaal op hetzelfde moment uit een andere hoek van de kamer komen… Je ziet hem glunderen dat hij dat allemaal kan.’


    Er vallen vele lessen te trekken uit deze bewuste omkering, deze geconstrueerde speelsheid. Een daarvan is het belang om je over te leveren aan een activiteit, zo nauwgezet mogelijk de willekeurige restricties te volgen en maar te zien waar het allemaal naartoe leidt. De drang om dingen te maken, zegt Kentridge, is een fysieke sensatie die hij bijna kan proeven, die hij voelt in zijn borstspieren, vlak voordat hij begint. Er welt iets op uit zijn lichaam, en dat moet een vorm krijgen in de fysieke wereld. Deze overvloed, dit antiminimalisme, laat in alles zijn sporen na, van de vroege schetsen en houtskooltekeningen tot de schaduwprocessies en installaties met de vele schermen waaruit zijn meer recente werken bestaan: ‘rommelige, beschonken, overlappende series verhalen en films, dansen en tekeningen’.

    Onder dit alles ligt een verlangen om niet alleen films, maar ook de geschiedenis achterstevoren af te spelen, teneinde de socialistische utopieën van begin twintigste eeuw weer nieuw leven in te blazen voordat ze zijn stukgelopen. De artistieke taal van de Socialistische Internationale, van het interbellummodernisme en het constructivisme, levert een groot deel van de bouwstenen van zijn artistieke universum. De studio zelf staat vol statieven en ezels en ladders en andere apparaten met poten, die doen denken aan Dziga Vertovs film uit 1929, Man with a Movie.

    In zijn begintijd als kunstenaar in Johannesburg, herinnert Kentridge zich, kampte hij met het probleem dat hij twee volkomen verschillende visuele werelden voor zich probeerde te zien. Aan de ene kant was daar de traditie van de Europese landschapsschilderingen, waarin hij was geschoold, met de weelderige natuur, de V-vormige inkepingen en de glooiende vlakten. Aan de andere kant waren er de kreupelhoutkleurige randen van de stad waar hij woonde: een plek vol pensionnetjes voor seizoenarbeiders, vol politiek verzet, vol willekeurig geweld en lijken in het gras. Een plek waar het sublieme zich enkel in de zomer toonde – in de vorm van immense buienwolken, die naderend noodweer aankondigden – en de enige heuvels in de buurt waren de residubergen van de goudmijnen, met hun gele gloed van het cyanide waarmee het edelmetaal uit het erts wordt gewonnen.

    Er zijn maar weinig projecten die ik heb uitgevoerd waarin het oorspronkelijke idee overeind is gebleven

    Zoveel aspecten van het moderne Zuid-Afrika vinden hun oorsprong in de mijnen, en dit merkwaardige, deels door de industrie opnieuw vormgegeven landschap levert tevens een ontstaansmythe van Kentridges carrière. In de jaren zeventig deed hij pogingen dit landschap te tekenen, en na een mislukte carrière in het toneel pakte hij die pogingen in de jaren tachtig weer op. Hij vond het lastig om te beslissen wanneer de tekeningen klaar waren. Dat was de reden dat hij ze ging fotograferen in diverse stadia van voltooiing, in de hoop precies dat moment vast te leggen waarop de strepen op het papier niet langer schematisch of onvolledig waren, maar het geheel ook nog niet te vol was, of te druk. Dit experiment leidde onbedoeld tot de animatiefilmpjes, of, zoals hij het noemt, tekeningen voor projecties, een manier van filmen uit het ‘Stenen Tijdperk’, waarin via minieme aanpassingen en uitvlakkingen uiteindelijk de houtskooltekeningen ontstaan, die heel nauwgezet, frame voor frame, worden vastgelegd.

    Vanaf eind jaren tachtig, in de jaren waarin Zuid-Afrika een politieke omwenteling doormaakt, blijken de bewust anachronistische technieken perfect aan te sluiten bij de tijdgeest, het sociale trauma en de historische herinneringen – door een moment op te roepen waarin zo’n groot deel van het verleden openlijk werd uitgewist, terwijl het nog altijd op ieders netvlies stond gebrand.

    Ook vandaag de dag hebben de films nog iets unheimisch en geheimzinnigs, zoals ze lijken op te duiken uit een wankelende samenleving, een stad waar het spookt. In een scène uit een van de films, Felix in Exile (1994), zien we vellen papier dwarrelen boven een semi-industrieel landschap van verschroeid gras en residubekkens. De vellen papier bedekken een lichaam dat op de grond ligt, fladderen dan weer weg, richting horizon, en laten een grillig spoor achter van vegen, waar het houtskoolstof in de nerven van het papier blijft zitten. Het is een schitterend, complex beeld dat een sluier lijkt op te lichten van wat zich allemaal afspeelt in het hoofd van de kunstenaar. Met een spookachtig spoor houdt dit beeld alles in leven wat in die paar seconden is gevat: tijd, inspanning en meningen.

    William Kentridge. – © Lior Mizrahi, Getty
    William Kentridge. – © Lior Mizrahi, Getty

    ‘Als kunstenaar,’ zegt Kentridge, ‘heb ik tot taak om te scheppen, niet om te duiden.’ Maar in werkelijkheid duidt hij heel veel, met name wanneer hij over kunst praat. Hij heeft zich in de loop der jaren bediend van verschillende materialen – houtskool, animaties, metaal, beeldhouwwerk, poppen, toneel, opera en decorontwerp, textiel en tapijt, collages en uitsneden – maar de taal moet de kijker er altijd zelf bij denken. Er zijn maar weinig kunstenaars die zich zo ongekend helder uitspreken over hun eigen werk. Sterker nog, een van de dingen die mij verrassen tijdens mijn ontmoeting met WK en de rondleiding door zijn studio in Johannesburg, is dat zijn kunst in sterke mate ontstaat vanuit woorden.

    Elke dag begint met het noteren van zinnetjes in een notitieboekje, waar hij ook tijdens ons gesprek wat in bladert, achteloos als iemand die een ingewikkelde droom uitlegt die voor de dromer zelf volkomen vanzelfsprekend is.

    ‘Geschiedenis op één been,’ zegt hij. ‘Dat zijn de jaren tachtig en de toyi-toyi, natuurlijk, meegebracht uit de guerillatrainingskampen in Zimbabwe.’ De toyi-toyi is een Zuid-Afrikaanse protestmars waarbij de knieën hoog worden opgetrokken en je van het ene been op het andere hipt – een dans, bijna, angstaanjagend en uitgelaten tegelijk. ‘Het boek der krenkingen. Ken je dat concept? Afgeleid van het Jiddisch: wanneer je niet bent uitgenodigd voor de bar mitswa, of wanneer je aan een tafeltje achteraf wordt gezet – die dingen houd je allemaal nauwgezet bij. Vluchtige woorden, woorden waar je maar niet op kunt komen, die zich een tijd schuil lijken te houden. Laatst was het diorama, vervolgens moker, enzovoort. Waar blijven die woorden dan?’

    Hij ziet dat het me intrigeert en neemt me mee naar een voorraadkamer met een la vol van dit soort aantekeningen – er was geen epifanie, antiadvies – een hele berg woorden, als een composthoop waaruit heel langzaam beelden ontkiemen. Sommige zijn zelfs naar de wanden gekropen: Het goede idee van gisteren, hangt achter een ladder.

    Centrum voor de mindere ideeën

    ‘Wat ik bedoel te zeggen,’ vervolgt hij, ‘is dat er maar weinig projecten zijn die ik heb uitgevoerd waarin het oorspronkelijke idee overeind is gebleven. Soms heb ik het gevoel dat ik een geweldig idee heb en dan denk ik: verdomme, het is te vroeg. Het is het begin van het project, dus ook al lijkt het zonder meer een geweldig idee, ik weet vrijwel zeker dat het geen stand zal houden tot het einde.’

    Hij gaat verder: ‘Ik wil een klein kunstenaarscentrum beginnen, waar mensen kunnen experimenteren met kunst, producties, opera, dingen die ze ergens anders niet zouden doen. Ik overweeg om het Centrum voor de mindere ideeën te noemen, of Instituut voor de mindere ideeën.’

    Een ander werk op de tentoonstelling in de Whitechapel Gallery is 7 Fragments for Georges Méliès. Het is een eerbetoon aan de Franse toneelgoochelaar en illusionist die zo’n vijfhonderd korte films maakte toen hij nog jong was en op de toppen van zijn kunnen. De films onderzoeken de illusies die kunnen worden opgewekt door de tijd stop te zetten, de tijd achteruit te laten lopen, frames uiteen te laten vallen of te laten samenvloeien. Papier verscheuren wordt herstellen, uitstrooien wordt verzamelen.

    Fragments is ook een eerbetoon aan de utopische ruimte van de studio: een laboratorium waarin zogenaamd serieuze experimenten in het creatieve proces worden uitgevoerd, en die vervolgens minutieus worden vastgelegd, zodat de kunstwerken zelf niet zozeer de status hebben van een kostbaar artefact, maar ze eerder een bijproduct of een residu lijken van een andere, belangrijkere impuls die alweer tot het verleden behoort. De studio zou een plek moeten zijn waar je in alle rust onnozele dingen kunt uitproberen, een plek met uitzonderlijk gunstige condities om bij toeval tot iets moois te komen, een plek waar goede ideeën in hun algemeenheid worden gewantrouwd. Waag de sprong voor je omkijkt.

    Dawid Minnaar en Busi Zokufa als vader en moeder Ubu. – © Robbie Jack, Getty
    Dawid Minnaar en Busi Zokufa als vader en moeder Ubu. – © Robbie Jack, Getty

    De studio van William Kentridge is groot, met een hoog plafond: een ruime hangar vol tekeningen in wording, linoleumsneden, schetsen en decorstukken. Door de camera’s, die in verschillende richtingen staan opgesteld, heeft het geheel iets weg van een laboratorium; een vide geeft het iets van een theaterzaal.

    Een time-lapse van de twee uur die ik er heb doorgebracht zou laten zien dat we heen en weer lopen tussen verschillende microkosmossen in de ruimte. We kijken naar een kartonnen decorontwerp voor een opera van Alban Berg, Wozzeck, en vervolgens naar een houtskooltekening die daarvoor is gemaakt, gebaseerd op een foto uit de Eerste Wereldoorlog. Een Duitse soldaat zit op zijn hurken in een loopgraaf en luistert met een grote gehoorhoorn of hij aan de andere kant van het niemandsland de vijand kan horen: een omgekeerde megafoon.

    Vervolgens staan we bij de iMac van zijn assistent en kijken naar beelden van de reusachtige fries die met behulp van een hogedrukspuit aan de oevers van de Tiber tot leven is gewekt.

    ‘Omdat het Rome is, golden er strikte beperkingen voor de hoeveelheid druk die we mochten gebruiken, en de vorm van het spuitpistool,’ legt Kentridge uit. ‘Dus de muur zou veel witter kunnen, maar witter dan dit kregen wij hem niet, en in feite is het wel een mooie, zachte tint. In de loop der tijd verdwijnt het natuurlijk allemaal weer.’

    We zien beelden van een man die de theremin bespeelt, een muziekinstrument dat handposities omzet in een elektronisch weeklagend geluid. Dit maakt onderdeel uit van O Sentimental Machine, een werk dat vorig jaar in Istanboel voor het eerst is tentoongesteld. In dit werk vertolkt Kentridge beelden van Leon Trotski die een redevoering houdt: taal wordt omgezet in gebaren, waarna de gebaren via de elektromagnetische golven van de theremin weer worden omgezet in geluid. ‘Een sentimentele maar programmeerbare machine – dat was Trotski’s definitie van de mens,’ licht hij toe. ‘De mens als een product dat half af is.’

    ‘Ik ben er niet goed in om alleen met mijn knokkels te werken – dus dan weet ik dat het tijd is om te stoppen’

    In Kentridge’s hele studio weet ik slecht één rechthoek van pure abstractie te ontwaren. Het is een grijze leegte, een laagje houtskoolgruis dat (zo legt hij uit) is overgebleven van een explosie die hij heeft laten plaatsvinden – als deel van een serie tekeningen over de Eerste Wereldoorlog voor Wozzeck. Kentridge is uitgegroeid tot een van de meest karakteristieke kunstenaars ter wereld doordat hij bewust de conceptuele en de non-figuratieve taal van zo veel moderne kunst heeft afgewezen.

    ‘Veel van de Amerikaanse en Europese hedendaagse kunst in de jaren zestig en zeventig zei me niets en raakte me ook niet,’ vertelt hij. Hij kende de beelden van tentoonstellingen en uit catalogi, ‘maar de drijfveren achter het werk waren niet bij machte de transcontinentale sprong te maken naar Zuid-Afrika’, gegeven de politieke situatie. Tegelijkertijd rekt zijn eigen werk de definitie van dat laatste begrip op: ‘Ik ben geïnteresseerd in politieke kunst, dat wil zeggen een kunst van ambiguïteit, tegenstellingen, onafgemaakte gebaren en een ongewisse afloop. Kunst (en politiek) waarin optimisme in balans wordt gehouden en nihilisme op afstand wordt gehouden.’

    1) Mojca Erdmann (Lulu) en William Burden in de opera Lulu. – © Clärchen en Mattias Baus, 2) © Ken Howard / Metropolitan Opera
    1) Mojca Erdmann (Lulu) en William Burden in de opera Lulu. – © Clärchen en Mattias Baus, 2) © Ken Howard / Metropolitan Opera

    ‘Momenteel werk ik aan een lezing over het lichaam in de kunst,’ zegt Kentridge terwijl hij met me meeloopt naar de deur. ‘Bij het maken van kunst, bedoel ik. Hoe beweegt het lichaam, hoe gedraagt het zich.’

    We hebben door een stereoscoop naar ‘niet-bestaande beelden’ gekeken: 3D-beelden die zijn gemaakt met een time-lapsecamera en een fakkel. Een paard, fel uitgelicht in de ijle lucht, de kunstenaar die er als een spookverschijning achter opdoemt. ‘Voor de buitenstaander is het niet meer dan iemand die een reeks afzonderlijke bewegingen maakt – pas wanneer je hier doorheen kijkt, zie je het paard.’

    Bij deze woorden laat hij zich op handen en voeten zakken en doet hij een paardendans, volgt onzichtbaar het paard in de frisse buitenlucht van Johannesburg.

    ‘Wanneer ik aan een werk begin, merk ik dat ik mijn hele lichaam gebruik. Later verschuift dat van het hele lichaam naar de schouders, dan naar de elleboog, dan naar de pols, en uiteindelijk gebruik ik mijn knokkels. Ik ben er niet goed in om alleen met mijn knokkels te werken – dus dan weet ik dat het tijd is om te stoppen.’

    Whitechapel Gallery, Londen, t/m 5 januari 2017
    Lulu van Alban Berg, 9 tot 19 november door de English National Opera

    Auteur: Hedley Twidle
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: Kentridge’s kunstwerk Rhinocero, hier tentoongesteld in Berlijn. – © Christian Marquardt / Getty

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • 2. Het succes van fact free politics verklaard

    2. Het succes van fact free politics verklaard

    Hoe kan het dat politici die een loopje nemen met de waarheid toch zo succesvol zijn? Het Duitse weekblad Die Zeit zet een aantal oorzaken op een rij.

    Een van de grootste rariteiten van de Brexit-campagne was het verhaal van de 350 miljoen pond. Volgens voorstanders van de uittreding maakte Groot-Brittannië dat bedrag wekelijks over aan de EU. De campagnevoerders zetten die bewering als reuzenslogan op de knalrode bus waarmee ze door het land reden. Het bedrag klopte niet, want als rekening wordt gehouden met de korting die de Britten krijgen en het geld dat Brussel weer naar Londen overmaakt, beloopt de bijdrage rond 136 miljoen pond, nog niet eens de helft dus. Maar de bus reed gewoon door.

    De weinige voorstanders van Brexit die de moeite namen te reageren op de kritiek goten het bedrag in een ietwat andere vorm. Ze hadden het dan over 50 miljoen pond… per dag. Het was dezelfde onwaarheid in een nieuw jurkje.

    Hoe is het mogelijk dat deze en tal van andere onwaarheden de campagne kennelijk geen schade hebben gedaan? Het antwoord op die vraag is niet zozeer interessant omdat de keuze voor een Brexit er afdoende mee te verklaren zou zijn. Er waren andere en betere gronden om voor de uittreding te stemmen. Het zou verkeerd zijn om te suggereren dat de ja-stemmers te onnozel waren om de juiste keuze te maken. Dat zou dezelfde verwaande houding zijn als die van de liberale EU-profiteurs, die de woede op de EU juist heeft doen toenemen. Nee, het is niet de bedoeling om de voorstanders van de uittreding met terugwerkende kracht onmondigheid toe te dichten, maar om te begrijpen waarom leugens politici geen schade meer doen. Het antwoord is tevens interessant omdat de vraag niet alleen in Groot-Brittannië rijst, maar ook in de VS, in Duitsland en eigenlijk in alle landen die zich lange tijd op hun gezonde democratische verstand hebben laten voorstaan.

    In 2003 stelde het Pentagon alles in het werk om te verhullen dat de “feiten” waarmee de inval in Irak werd gerechtvaardigd helemaal geen feiten waren

    Een groot deel van Donald Trumps verkiezingsstrijd steunt op onware uitspraken. De criminaliteit neemt toe, Hillary Clinton gaat alle gevangenen vrijlaten, de VS betaalt miljarden aan de NAVO, de Amerikaanse regering helpt illegale immigranten het land in, Barack Obama wil 250.000 Syriërs opnemen. Deze uitspraken zijn aantoonbaar onwaar, de meeste zelfs ver bezijden de waarheid. Maar ze schaden Trump niet. Evenmin schaadt het de Alternative für Deutschland (AfD) wanneer die een complete campagne voert op basis van de onware uitspraak dat de Bondsregering het baar geld wil afschaffen. Al deze uitspraken hebben gemeen dat ze de verwachtingen bevestigen van de mensen die als kiezers moeten worden gewonnen. En mensen vinden het fijn als ze in hun verwachtingen worden bevestigd. Wie vanuit Brussel toch al niet veel goeds verwacht, slikt nieuwe beschuldigingen voor zoete koek. De ontvankelijke geest maakt de onwaarheden tot een succes.

    Interessant genoeg zijn het dezelfde hoofdrolspelers die om het hardst beweren dat alleen zij de waarheid vertellen en dat alle anderen liegen. ‘Mut zur Wahrheit’ is de slogan van de AfD, ‘Leugenachtige Ted’ noemde Trump zijn rivaal Ted Cruz, die op zijn beurt zijn autobiografie de titel A Time for Truth gaf.

    ‘Waarheid’ is zo tot een strijdwapen geworden en feiten zijn niet meer de norm in openbare debatten. Daarmee lijkt een einde te komen aan een tijdperk dat zeker al sinds de Verlichting loopt en waarvan het paradigma al in de middeleeuwen is ontstaan: het tijdperk van de feiten is voorbij.

    © Paul Faassen
    © Paul Faassen

    Hoe is het allemaal begonnen? Het is interessant om terug te kijken hoe de heerschappij van de feiten is ontstaan. De historica Jill Lepore van Harvard University en de politiek econoom Will Davies (University of London) hebben er beiden lezenswaardige verhandelingen over geschreven. Lepore herinnert eraan hoe de mens heeft gediscussieerd en gestreden alvorens feiten beslissend werden, waarbij ook het gebruik van wapens niet werd geschuwd. Eerst in zogenaamde gerechtelijke tweegevechten en later in duels trad men tegen elkaar in het strijdperk – en wie won, had gelijk. De uitkomst was de motivatie van het oordeel. De hogere instantie was God, iets bovennatuurlijks dat uitmaakte welke sterfelijke moest winnen.

    Vervolgens wilden de mensen zelf een besluit nemen. In 1215 schafte de kerk het gerechtelijke tweegevecht af en voerde Engeland met de Magna Charta het ‘wettelijk oordeel’ in. In plaats van het mysterieuze goddelijke oordeel telde vanaf dat moment de door mensen waarneembare realiteit, het bewijs. De regel werd omgedraaid: niet meer wie won had gelijk, maar wie gelijk had won. Mensen werden op basis van bewezen daden veroordeeld en debatten werden op basis van feiten gevoerd.

    Een feit is alles wat kan worden waargenomen en ondubbelzinnig is. Feiten moeten voor iedereen gelijk zijn om als basis voor debatten te kunnen dienen. Daarvoor zijn twee dingen nodig. Ten eerste neutrale instellingen die volgens uniforme maatstaven werken en de feiten leveren. Lange tijd waren dat de overheidsbureaus voor de statistiek en de universiteiten. En wat nog belangrijker is: het tijdperk van de feiten heeft mensen nodig die gebruikmaken van hun verstand. Bij twijfel moet iedereen in staat en voornemens zijn om uitspraken op plausibiliteit te toetsen. Zijn ze in tegenspraak met andere plausibele uitspraken of met wat ik met mijn zintuigen als realiteit waarneem?

    De heerschappij van de feiten is natuurlijk altijd een ideaal gebleven, want helemaal verwezenlijkt is zij niet. Net als iedereen verdraaiden politici feiten in hun voordeel en soms logen ze zelfs. Maar ze mochten er niet op worden betrapt. In 2003 stelde het Pentagon alles in het werk om te verhullen dat de ‘feiten’ waarmee de inval in Irak werd gerechtvaardigd helemaal geen feiten waren. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, die deze leugens in de vergadering van de VN vertelde, werd ontmaskerd, en daarmee was zijn politieke carrière ten einde.

    The Huffington Post telde in een één uur durende toespraak van Trump 71 als feiten gepresenteerde onwaarheden

    Tegenwoordig lijkt liegen minder gevolgen te hebben. The Huffington Post telde in een één uur durende toespraak van Trump 71 als feiten gepresenteerde onwaarheden. Dit absurd hoge aantal wijst erop dat Trump, anders dan Powell, helemaal niet meer de pretentie heeft om zich aan de feiten te houden. En het maakt hem niets uit als hij wordt betrapt. ‘Calling bullshit’ noemen de Amerikanen dat: de kletspraat als zodanig benoemen. Bij PolitiFact en Politico, maar ook bij The Washington Post en The New York Times zijn journalisten actief om uitspraken van politici te verifiëren. Het zijn de schoonmaakploegen, die het publieke debat van halve waarheden en complete leugens proberen te zuiveren. Het is een ondankbare taak. Enerzijds omdat het zo veel eenvoudiger is om met modder te gooien dan om die weg te poetsen. En anderzijds omdat de feitencontroleurs nauwelijks weten door te dringen met hun eerzame betweterijen. Aantrekkelijke onwaarheden die eenmaal de wereld in zijn geholpen, zijn vrijwel niet meer weg te werken. De ‘factcheckers’ van Politico zeggen over hun werk: ‘Behalve politieke diehards schenkt niemand er veel aandacht aan.’

    In Duitsland is het niet anders. Het beste voorbeeld zijn de geruchten over vluchtelingen die in de afgelopen maanden de ronde deden. Verkrachtingen, moorden, diefstal: verhalen over criminele vluchtelingen verspreidden zich vooral snel in de turbulentste fase van de crisis in de herfst van vorig jaar – ook al was er in heel veel gevallen weinig tot niets van waar. Namen plaatselijke kranten of het internetproject Mimikama de moeite om de berichten te verifiëren, dan kregen ze voor hun rectificaties nog maar een fractie van de aandacht. Bij tegenstanders van het toelaten van vluchtelingen komt de weerlegging van geruchten vaak niet aan omdat ze op internet altijd alleen maar meer krijgen van wat ze al hebben aangeklikt: meer geruchten over vluchtelingen.

    Niet alleen vastberaden populisten bij de AfD, maar ook andere politici nemen het niet meer zo nauw met de feiten. Minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière zei eerder dit jaar dat 30 procent van de vermeende Syriërs in Duitsland helemaal niet uit Syrië kwam. Bewijs hiervoor heeft zijn ministerie nooit kunnen leveren.
    Kennelijk zijn de zuilen waarop de heerschappij van de feiten rustte aan het wankelen geraakt.

    Op de eerste plaats zijn dat de instellingen die verantwoordelijk zijn voor de feiten. Die zijn gepolitiseerd, zegt de politiek econoom Davies. Als feiten en cijfers de maatstaven in publieke debatten zijn, willen politici en belangengroepen dat zij daardoor worden gestaafd. Elke partij houdt er eigen feitenleveranciers op na en probeert met hun hulp het eigen standpunt een aura van wetenschappelijke onaantastbaarheid te verlenen. Uiteindelijk ziet de politiek eruit als een ‘wetenschappelijke oefening’, schrijft Davies: een aaneenschakeling van probleemscenario’s waarvoor telkens een optimale oplossing is. Die moet je alleen maar zien te vinden, met behulp van zo veel mogelijk informatie. Daarvandaan is het nog maar een kleine stap naar een politiek ‘zonder alternatief’, zoals Angela Merkel die beroemd heeft gemaakt. Zo heeft de politiek de wetenschap gepolitiseerd en verzwakt, stelt Davies. ‘Evidence based politics, op bewijs gestoelde politiek, is er al te lang om nog zomaar voor lief te worden genomen. De mensen begrijpen dat het vaak een hoop op politiek gestoeld bewijs betreft.’

    Genoeg van deskundigen

    Nu was de wetenschap nooit onschuldig. De nazi’s misbruikten al wetenschappelijke en pseudowetenschappelijke inzichten om hun vernietigingen te motiveren. Nieuw is dat de wetenschappers inmiddels al zo in diskrediet lijken te zijn gebracht dat veel mensen hen principieel niet meer geloven. In het debat rond Brexit werd dat een probleem voor de Remain-campagne. ‘Wanneer de tegenstanders van uittreding met hun feiten, voorspellingen en modellen kwamen, hoopten ze dat die zouden worden ontvangen als iets wat buiten het politieke gekissebis stond,’ schrijft Davies. Ze hoopten nog op de neutrale autoriteit van de feiten.

    Maar juist de economie, het terrein waarop de voorstanders van de EU verondersteld werden de duidelijkste voordelen te hebben, geldt nauwelijks nog als apolitieke wetenschap. Wie zich tegenwoordig op het IMF beroept, zoals ook de tegenstanders van Brexit deden, plaatst zichzelf vooral politiek gezien in het kamp van het mondiale financiële liberalisme. Zo ontstond uit de feiten die de tegenstanders aanvoerden in de ogen van veel kiezers opnieuw een vooringenomen verhaal: even waar als dat van de tegenpartij, alleen droger en bovendien meer belerend. De Conservatieve politicus Michael Gove, een van de belangrijkste voorstanders van Brexit, vatte het aldus samen: ‘Het Britse volk heeft genoeg van deskundigen.’

    De teloorgang van de feiten heeft twee tegengestelde spirituele stromingen van de afgelopen decennia in de hand gewerkt. Aan de ene kant het religieuze fundamentalisme: de waarheid kan alleen van God komen. En aan de andere kant het academische postmodernisme, waarvoor zoiets als een objectieve waarheid toch al niet bestaat, omdat realiteit door taal tot stand wordt gebracht. Religieuze fundamentalisten en linkse academici zijn het erover eens ‘dat empirie een misvatting is’, zoals Lepore het formuleert.

    En dan het internet. Nee, dat is niet schuldig aan de Brexit. Het maakt alleen de verspreiding van de bullshit eenvoudiger en de controle lastiger. Op internet verspreiden de luidruchtigste, emotioneelste berichten zich het snelst, ongeacht of ze inhoudelijk kloppen. Bovendien staat elk bericht op zichzelf, en als dat elders wordt weerlegd, worden andere lezers bereikt. Blogger en auteur Sascha Lobo schrijft: ‘De publieke opinie op internet in de huidige vorm heeft geen geheugen, maar laat zich leiden door overhaaste, emotionele reacties. Daarmee ontbreekt de afstemming met feiten of eerdere uitlatingen.’ Bovendien, zo stelt Lepore, zijn we er zo aan gewend geraakt kant-en-klare kennis van internet te halen (Wikipedia!) dat we verleren om de uitspraken te toetsen op plausibiliteit. Zo raakt de tweede zuil aan het wankelen: die van het verstand.

    Het is niet de zaak van financiële markten en bookmakers om de waarheid te laten zien, maar om stemmingen weer te geven

    Lepore en Davies kondigen daarom een nieuw tijdperk aan, dat van de data. Die onderscheiden zich van feiten doordat ze zowel juist als onjuist kunnen zijn. Die data zwerven over het net. Ze worden niet meer geverifieerd volgens uniforme maatstaven, maar door computers verzameld en beschikbaar gemaakt. De computers maakt het niet uit wat hun data over de werkelijkheid zeggen – en de gebruikers, wij dus, inmiddels ook niet meer.

    Opnieuw is de Brexit een goed voorbeeld: in de dagen vóór het referendum keek het publiek naar de data van de valutamarkten en bookmakers om een vermeende realiteit over de stemming in het land af te lezen. Terwijl die data heel iets anders weergaven: de noteringen gaven aan hoe goed de gokkers de inschattingen van de opiniepeilingen voorafgaand aan de stemming vonden. En de valutakoersen lieten alleen zien hoe de beleggers dachten over hoe de Britten dachten. Het waren geen feiten, maar meningen over meningen. Davies schrijft over financiële markten en bookmakers: ‘Het is niet hun zaak om de waarheid te laten zien, maar om stemmingen weer te geven.’ Als deze op data gebaseerde stemmingsnoteringen zelf centraal komen te staan in de publieke opinie, dan heeft die een probleem. Dan is de publieke opinie namelijk meer bezig met de duiding van de realiteit dan met de feiten die deze realiteit vormen.

    Bij de debatten tijdens de voorverkiezingen in de VS trad dit fenomeen nog duidelijker aan het licht. Terwijl de kandidaten nog op het podium stonden, kon er online worden gestemd: wie had er gewonnen? Die resultaten, die meningen dus, werden na de debatten zelf bepalend nieuws. Wie de meeste stemmen had gekregen, was de winnaar van het debat. De vraag wie er gelijk had, kwam op de tweede plaats te staan. Net als bij het gerechtelijke tweegevecht in de middeleeuwen of bij een ruzie over een schepje in de zandbak. ‘Dat is wat de mensen bedoelen als ze zeggen dat deze debatten kinderachtig zijn’, schrijft Lepore.

    In Groot-Brittannië heeft het Brexit-kamp de strijd gewonnen. En wat nu? De winnaars laten hun gezwets van gisteren voor wat het is. De ochtend na de verkiezingen vroeg een televisiejournaliste naar de omineuze 350 miljoen pond. De ‘Leavers’ hadden beloofd het geld in het nationale zorgstelsel te steken. Maar Nigel Farage wilde daar niets meer van weten. ‘Dat was een van de fouten die in de Leave-campagne zijn gemaakt,’ zei hij. Een fout die hem kennelijk pas na de verkiezingen was opgevallen. En zijn medestrijder Iain Duncan Smith zei over de belofte: ‘We zijn nooit verplichtingen aangegaan. De beloften die we hebben gedaan, waren slechts mogelijkheden.’

    Zo worden toezeggingen behendig ingetrokken en zijn er in plaats van feiten en realiteit alleen nog maar vrijblijvende uitlatingen. Dus alles klopt. Of toch ook weer niet.

    Auteur: Lenz Jacobsen
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • 1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    Feiten lijken er steeds minder toe te doen in het politieke debat. Zowel de Brexit-campagne als de Amerikaanse voorverkiezingen stonden bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Maar is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Vox zocht het uit.

    Na het referendum over de Britse uittreding uit de Europese Unie wordt door velen in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten niet alleen getreurd om de breuk in de Europese eenheid, maar ook om de teloorgang van de waarheid. Aan feiten en deskundig commentaar lieten de voorstanders van Brexit zich niets gelegen liggen. Hoewel economen massaal waarschuwden dat uittreding de Britse economie blijvende schade zou toebrengen, besloot 52 procent van de kiezers dat ze de EU wilden verlaten.

    En waarom negeerden die kiezers de feiten? Omdat ze over hun eigen ‘feiten’ beschikten. Pro-Brexit-politici konden in de campagne kwistig met valse informatie strooien en praktisch ongestraft de meest grove leugens verkondigen. Neem UKIP-leider Nigel Farage, die de ochtend na het referendum al meteen op zijn woorden terugkwam. De officiële Leave-campagne had voorgespiegeld dat een Brexit 350 miljoen pond per week zou opleveren, die dan in het Britse zorgstelsel konden worden gestoken. In zijn eigen onafhankelijke campagne had Farage nooit kanttekeningen gezet bij die belofte. Maar zodra op vrijdagochtend de stemmen waren geteld, erkende hij dat de officiële Leave-campagne luchtkastelen had beloofd en ontkende hij dat hij die belofte ooit had ondersteund – terwijl dat aantoonbaar wel zo was.

    ‘Welkom in de feitenvrije democratie’ luidde een lezersreactie in de Financial Times op de uitslag van het referendum. En voor de politiek aan onze kant van de Atlantische Oceaan geldt eigenlijk hetzelfde. Ook de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne staat bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Dat roept de vraag op: leven we nu echt in een tijd waarin de feiten geen rol meer spelen? Wordt dat door de feiten gestaafd? Ik vroeg politicologen, professionele factcheckers en filosofen naar hun mening over onze omgang met feiten.

    Elk “feit” dat je zoekt, kun je op internet wel ergens vinden

    Is er tegenwoordig meer desinformatie dan ooit?

    Om te beginnen: het is verrassend lastig te zeggen of er in de politiek tegenwoordig meer desinformatie en leugens worden verspreid dan vroeger. Brendan Nyhan, hoogleraar politicologie aan Dartmouth College, wijst erop dat we niet beschikken over goede langetermijngegevens met betrekking tot de vraag of het ‘oprekken’ van de waarheid tegenwoordig vaker voorkomt dan bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Vietnam, bij de inval in Irak in 2003 of in de door de Amerikaanse schandaalpers opgehitste Spaans-Amerikaanse oorlog aan het eind van de negentiende eeuw. Als men zegt dat we nu leven in het tijdperk van de feitenvrije democratie, wordt daarmee gesuggereerd dat er ooit een gouden tijdperk was waarin politiek alleen om feiten draaide. ‘En ik denk niet dat er ooit zo’n tijd is geweest,’ zegt Nyhan. Anderzijds zegt hij ook: ‘Ik denk dat er altijd veel valse informatie in omloop is geweest, over allerlei onderwerpen – maar de manier waarop is wel veranderd.’

    En inderdaad, door internet en sociale media is valse informatie toegankelijker, beter zichtbaar en moeilijker te onderscheiden van onweerlegbare feiten. En dat kan op drie manieren bijdragen aan de verspreiding van politieke desinformatie.

    1) Mensen hebben toegang tot een onmetelijke hoeveelheid data, en dat kan verwarring in de hand werken.

    Volgens Michael Lynch, hoogleraar filosofie aan de University of Connecticut en auteur van het boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data, raken we gemakkelijk de weg kwijt in alle informatie die we tegenwoordig binnen handbereik hebben. ‘Hoe meer informatie mensen tot hun beschikking hebben, ook al is dat juiste informatie, hoe meer ze ertoe neigen hun eigen kennis te overschatten,’ zegt hij.

    Elk ‘feit’ dat je zoekt, kun je op internet ook wel ergens vinden. Maar doordat er zo veel feiten beschikbaar zijn, denken we dat we meer weten dan we eigenlijk doen, legt Lynch uit. Terwijl lang niet al die informatie nuttig of zelfs maar waar is. ‘Dat er meer ís, wil niet zeggen dat je ook meer wéét. Het moet goede en betrouwbare informatie zijn,’ zegt Lynch. ‘En de duivel mag weten of er daarvan nu meer of juist minder is.’

    2) We kunnen selectiever zijn met de informatie die we wel en niet tot ons nemen.

    Met zo’n overvloed aan informatie moet je wel gaan schiften en selecteren. ‘Ons onlineleven is zo selectief als een museum,’ zegt Lynch. ‘We kiezen zelf uit wat we aan de muur hangen, op welke bronnen we ons baseren. Dat kan er ook toe leiden dat ons hele wereldbeeld ineens op zijn kop komt te staan – zoals bij de tegenstanders van Brexit die wakker werden en ineens tot het besef kwamen dat Brexit een feit was.’

    Het maakt misschien vooral verschil bij politiek geëngageerde mensen, zeker in deze tijd van polarisatie. Tim Lee schreef op Vox al over onderzoek waaruit blijkt dat linkse gebruikers op Facebook sneller linkse artikelen in hun nieuwsoverzicht tegenkomen, terwijl conservatieve gebruikers meer conservatieve berichten te zien krijgen. ‘Niet alleen zijn de politieke partijen en hun ideologieën sterker gepolariseerd, hun aanhang is ook uniformer geworden,’ zegt Nyhan. ‘Dus in Amerika zijn Democraten zijn nu vaker links en Republikeinen eerder rechts, en ze gaan vooral om met gelijkgestemden, zodat alternatieve informatie minder tot hen doordringt.’

    Dat wordt nog versterkt door het feit dat de traditionele poortwachters van informatie (grote kranten, tv-journaals) aan invloed verliezen. ‘Politici springen daarop in,’ zegt Nyhan, ‘door hun doelgroep direct te benaderen via blogs en campagnes op sociale media. Dat draagt ertoe bij dat we in onze vooroordelen en overtuigingen worden gesterkt en ons afsluiten voor andere denkbeelden – en daardoor misschien ook makkelijker te misleiden zijn.’

    3) Desinformatie is nu zichtbaarder.

    De laatste jaren is de vindbaarheid van onjuiste informatie wel degelijk toegenomen. ‘Desinformatie die altijd al bestond maar niet altijd even makkelijk te vinden was, komt dankzij sociale media en internet nu sneller bovendrijven,’ zegt Nyhan. ‘Er zijn tegenwoordig meer beweringen over zogenaamde feiten die publiek toegankelijk zijn.’ Zo was het in de jaren zestig niet zo eenvoudig om de hand te leggen op nieuwsbrieven van de John Birch Society, de extreemrechtse groepering die paranoïde samenzweringstheorieën verspreidde over vermeende communistische infiltratie. ‘Desinformatie die vroeger in kleine kring circuleerde, onttrok zich vaak aan het zicht van mensen daarbuiten,’ zegt Nyhan. Maar nu is alles op internet te vinden.

    Anderzijds worden ook de leugens beter zichtbaar door de opkomst van websites die beweerde feiten controleren, zegt Bill Adair. Hij is behalve hoogleraar journalistiek aan Duke University is ook de oprichter van de Amerikaanse onderzoekssite PolitiFact, die in 2009 met een Pulitzer Prize werd bekroond. Van 2015 tot 2016 is het aantal sites dat feiten natrekt naar zijn schatting wereldwijd met 60 procent gestegen, van 44 naar 105. Dus of er nu meer wordt gelogen of niet, we worden er in ieder geval vaker op attent gemaakt.

    12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als “onwaar” tegenover 61 procent van die van Trump

    Factcheckers kunnen de verspreiding van desinformatie afremmen, maar Nyhan wijst op eigen onderzoek waaruit blijkt dat feitencontrole ook een averechts effect kan hebben: het kan ertoe leiden dat mensen zich nog dieper ingraven in hun eigen gelijk, zeker bij omstreden kwesties. Toch blijft feiten controleren een van de beste manieren om valse kennis te bestrijden.

    ‘Soms heeft het natrekken van feiten een averechts effect, zeker bij mensen die sowieso niet openstaan voor andere informatie,’ zegt ook Jason Reifler, hoogleraar politicologie aan Exeter University. Maar hij voegt eraan toe: ‘Uit ander onderzoek blijkt dat het publiek wel degelijk baat heeft bij controle van de feiten.’ Zo kwam uit onderzoek van hem en Nyhan naar voren dat politici die bang zijn voor reputatieschade als ze door factcheckers op een leugen worden betrapt, minder snel geneigd zijn onwaarheden te verkopen.

    © Paul Faassen
    © Paul Faassen

    Reifler denkt zelfs dat het gebrek aan prominente controleurs in het Verenigd Koninkrijk heeft bijgedragen aan het succes van de Leave-campagne. ‘In Groot-Brittannië bestaat er eigenlijk niets met een vergelijkbare invloed als PolitiFact of de onderzoeksredactie van The Washington Post in de VS,’ zegt hij.

    De aperte leugens van de Leave-campagne waren ook voorafgegaan door jarenlange anti-Europese stemmingmakerij in de Britse media, vaak zonder enig tegengeluid of pogingen om beweringen op hun feitelijkheid te controleren. ‘Feiten moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat kleine leugentjes uitgroeien tot grote leugens,’ zegt Reifler. ‘Voorkomen is beter dan genezen. Dus feiten controleren om de verspreiding van desinformatie te voorkomen – en politici een prikkel te geven om geen leugens meer te vertellen – moet de gouden standaard zijn.’

    Daar wordt ook werk van gemaakt wordt bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarin kunnen volgens PolitiFact 12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als ‘onwaar’ of zelfs als ‘regelrechte leugens’, tegenover 61 procent van de uitlatingen van Trump.

    Bill Adair: ‘Ik durf gerust te zeggen dat geen enkele belangrijke Amerikaanse politicus ooit dat niveau heeft benaderd.’

    Auteur: Julia Belluz
    Vertaler: Frank Lekens

    Vox
    VS | Vox.com

    Vox (Media) is een Amerikaanse algemene nieuwssite, opgericht in 2014 door Ezra Klein, tot dan toe politiek columnist voor The Washington Post. De site richt zich op ‘huishoudens met een inkomen van zes cijfers, met aan het hoofd iemand jonger dan 35 jaar’. Volgens de jongste cijfers gaat het een heel eind die kant op: Vox heeft 54 miljoen unieke bezoekers, van wie 41 procent tussen de 18 en 34 jaar oud.

    In de Amerikaanse context is Vox een liberale verspreider van ‘verklarende journalistiek’. Het onderwerp van Kleins allereerste column voor Vox had dan ook als titel ‘How politics makes us stupid’. Klein en zijn staf van twintig mensen, voor een deel afkomstig van de WP, maken zich druk om ‘linkse’ zaken als Obamacare. Vox is eigendom van Vox Media, een onderneming waaronder verschillende gespecialiseerde websites vallen, zoals The Verge (technologie), SB Nation (sport), Polygon (games) en Racked (mode), samen goed voor 1 miljard dollar.

  • Denk volgens The New York Times

    Denk volgens The New York Times

    De Amerikaanse krant blijft opvallend neutraal over de opkomst van de controversiële immigrantenpartij Denk. Maar partijleiders die alleen interviews geven als zij hun uitlatingen voorafgaand aan publicatie kunnen autoriseren, dat kan écht niet.

    Europa heeft zijn portie boze partijen tegen immigratie de laatste tijd wel gehad. Daarentegen zet één partij de immigratiepolitiek op zijn kop door waarschijnlijk als eerste in Nederland met een pro-immigrantenstandpunt te komen. De partij, Denk, wordt geleid door mensen van etnische komaf. De multiculturele kandidaten verzetten zich tegen xenofobie en racisme in Nederland.

    Denk positioneert zichzelf als antwoord op de ‘eigen-volk-eerst’- en isolationistische gedachte van Geert Wilders’ PVV, die het goed doet in de peilingen. ‘Uniek aan Denk is dat de partij volledig in handen is van mensen met een etnische achtergrond,’ zegt de van oorsprong Nederlandse Cas Mudde, specialist op het gebied van Europese radicale politieke partijen. ‘In Nederland zitten niet-blanken al heel lang in het parlement, maar alle partijen worden nog altijd door witte Nederlanders gedomineerd,’ aldus Mudde, universitair docent aan de School for Public and International Affairs van de Universiteit van Georgia. ‘Er is nog nooit een door niet-blanke Nederlanders gedomineerde partij geweest die kans maakte om in het parlement te komen.’

    Controversieel

    Denk bleek controversieel. De partij werd door politieke tegenstanders met scepsis begroet en stuitte in de media op kritiek. Ze werd er door Het Parool van beschuldigd ‘het vuurtje van de onvrede onder immigranten op te stoken’. Op social media wordt Denk een partij van ‘Nederlandhaters’ genoemd.

    Tot de politieke doelstellingen van Denk behoren het weren van de pejoratieve term ‘allochtoon’ uit wetgevende instanties en het vervangen van termen als ‘integratie’ door ‘acceptatie’. Ze wil een ‘racismeregister’ bijhouden van gekozen vertegenwoordigers die zich van hatelijke taal bedienen en diegenen van openbare functies uitsluiten die racisme aanwakkeren. Ze is ook voor een slavernijmuseum en de afschaffing van Zwarte Piet.

    ‘Denk is veel moderner, veel slimmer in de manier waarop ze leden mobiliseert’

    De oprichters van Denk zijn weggezet als ‘marionetten’ van de president van Turkije, Recep Tayyip Erdogan, maar doen er alles aan de basis van de partij te verbreden door belangrijke vertegenwoordigers van minderheidsgroeperingen in Nederland aan zich te binden. Afgelopen november werd Tatjana Maul, voormalig Miss Nederland en dochter van een Macedonische moeder en een Pools-Nederlandse vader, persvoorlichter van de partij. De grootste boost van Denks profiel vond plaats in mei, toen de in Suriname geboren tv-presentator en danseres Sylvana Simons aankondigde zich namens Denk verkiesbaar te stellen voor de Tweede Kamer. In tv-interviews zei ze dat ze zich bij de partij had aangesloten omdat ze vond dat het racisme in Nederland een ‘gevaarlijk’ niveau had bereikt en dat het land zijn koloniale erfenis en rol in de trans-Atlantische slavenhandel ‘ontkende’. Haar aankondiging leidde in de sociale media tot zulke extreem negatieve reacties – naar haar zeggen kwamen er veertigduizend racistische beledigingen – dat Mark Rutte deze ‘walgelijke’ berichten van ‘idioten’ in een van zijn wekelijkse tv-interviews veroordeelde.

    Mevrouw Maul zegt dat de partijleiders elk interviewverzoek weigeren zolang ze niet de gelegenheid krijgen hun uitlatingen voorafgaand aan publicatie te autoriseren, iets wat The New York Times nooit doet.

    Op dit moment wijzen peilingen uit dat Denk bij de volgende verkiezingen waarschijnlijk op twee of drie zetels kan rekenen, volgens andere is dat er hooguit één. ‘Andere populistische migrantenpartijen hebben tot dusver geen succes,’ zegt Lars Rensmann, hoogleraar Europese Politiek en Maatschappij aan de Universiteit van Groningen, die onderzoek doet naar Europese politieke partijen, waaronder rechts-extremistische en populistische. ‘Denk is veel moderner, veel slimmer in de manier waarop ze leden mobiliseert,’ zegt hij, ‘en ze maakt kans op succes bij de verkiezingen, wat vergelijkbare partijen nooit is gelukt.’

    Veel politici ter linkerzijde geloven dat winst voor Denk ten koste zal gaan van de PvdA. Ahmed Marcouch, PvdA-Kamerlid, geboren in Marokko en woonachtig in Nederland sinds 1979, is bang dat Denk de langs etnische scheidslijnen lopende tegenstellingen in Nederland alleen maar zal verergeren. ‘Wij van de PvdA willen een samenleving voor iedereen, zonder dat het ertoe doet waar je vandaan komt,’ zegt hij.

    Maar anderen vinden dat de PvdA weinig voor minderheidsgroeperingen heeft gedaan. ‘Denk raakt een gevoelige snaar bij mensen die vinden dat in het parlement niemand namens hen spreekt over cruciale onderwerpen als islamofobie en racisme,’ zegt Sandew Hira, directeur van het International Institute for Scientific Research, dat zijn basis heeft in Den Haag en onderzoek doet naar identiteitsvorming en kolonialisme. ‘De mensen identificeren Denk niet met etnische kandidaten, wat wel het geval zou zijn geweest als ze nog steeds in de PvdA hadden gezeten,’ voegt hij eraan toe. ‘Ze hebben een etnische stem die het voor gekleurde mensen opneemt en hun belangen behartigt.’


    Denk slaat aan bij mensen als Jerry Afriyie, een in Ghana geboren en in Nederland opgegroeide dichter. Hij is grondlegger van Nederland Wordt Beter, een activistische volksgroepering die gedeeltelijk de opvattingen van de Black Lives Matter-beweging omarmt en demonstraties tegen Zwarte Piet organiseert. ‘Nu is er tenminste een politieke partij die de term “institutioneel racisme” in de mond durft te nemen,’ zegt hij. ‘We wonen in een land waar blanke overheersing bestaat, altijd bestaan heeft en steeds groter wordt. Daar moet een antwoord op komen.’ Hij en vele anderen die hij kent stemmen komend jaar op Denk, zegt hij: ‘Want Denk is het beste antwoord dat we op dit moment hebben.’

    Auteur: Nina Siegal
    Vertaler: Nico Groen

    Afbeelding bovenaan: Tunahan Kuzu is de tweede van links, Selçuk Öztürk staat rechts.

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

    CONTEXT: Ontstaan van Denk

    Denk werd in 2014 opgericht door twee van oorsprong Turkse Kamerleden, Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk, die uit de PvdA stapten uit onvrede over het integratiebeleid van de partij. Ze behielden hun zetel in het parlement, wat zo blijft tot aan de verkiezingen van maart 2017. Denk heeft de drempel van duizend leden geslecht, waardoor ze in aanmerking komt voor 165.000 euro staatssteun per jaar. Ze hoopt te profiteren van de aanzienlijke groep Nederlanders van buitenlandse komaf, die wordt geschat op 1 miljoen van de in de totaal 17 miljoen inwoners. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft ongeveer 4,4 procent van de Nederlanders een Marokkaanse achtergrond en zo’n 3,5 procent een Turkse.

  • Religieus of Pakistaans

    Religieus of Pakistaans

    Het was een discussie(tje) op de burelen van 360. De kersvers verkozen Sadiq Khan werd in de wereldpers over 
het algemeen aangekondigd als de moslim-, of islamitische, burgemeester van Londen.

    Namen wij die beschrijving over?

    Voorstanders doken boven op de vraagstelling. Waarom niet? Moeten we niet eens ophouden met die politieke correctheid jegens moslims? Khan is toch een moslim, noem hem dan zo. Pas op dat je niet alles weg corrigeert ter ere van het fatsoen.

    Maar tegenstanders vonden de religieuze achtergrond, in dit geval die van de Labour-politicus, minder relevant. Totdat het tegendeel wordt bewezen en hij zijn geloof inzet om politiek mee te bedrijven. Maar in het geval van Khan is zijn afkomst een groter wapenfeit. Hij is zoon van een Pakistaanse buschauffeur en een naaister die in de jaren zestig naar het Britse koninkrijk trokken. Ze kregen een trits kinderen en groeiden op in de multiculturele wijk Tooting, waar hij nog steeds woont. Pakistanen vormen al jaren een minderheidsgroepering in Londen en zijn vaak het mikpunt van geweld en discriminatie. ‘Paki’ is in het Engels een grof racistisch scheldwoord, vergelijkbaar met het Nederlandse woord nikker. Dat hij desondanks 44 procent van de stemmen heeft gewonnen is zijn claim to fame en zegt misschien wel net zo veel over hem als over de multiculturele wereldstad Londen, waar ruim een derde van de inwoners elders geboren is.

    Goldsmith, zoon van een miljardair, werd naar mijn weten niet een keer aangeduid als de Joodse conservatieve Lagerhuis-afgevaardigde

    Dat Khan ook een aanhanger van de islam is, weten we vooral van zijn rivaal in de race om het uithangbord te worden van de Britse hoofdstad, Zac Goldsmith (35 procent van de stemmen). Deze zoon van een miljardair, die getrouwd is geweest met een echte Rothschild, werd naar mijn weten niet een keer aangeduid als de Joodse conservatieve Lagerhuis-afgevaardigde. Wel probeerde hij Khan in verband te brengen met moslimextremisten, maar die was duidelijk over zijn opvattingen met betrekking tot mensen die beweren hetzelfde geloof als hij aan te hangen ‘maar er afschuwelijke opvattingen op na houden’.

    Om een kort verhaal niet onnodig lang te maken, werd het discussie(tje) besloten in het voordeel van de neutraliteit. Stelling nemen hoort niet (altijd) thuis in de journalistiek. Daarom selecteerden we ook voor dit nummer, het 99ste, weer een diversiteit aan stemmen en onderwerpen. 
Zodat ú het hoogste en het laatste woord kan hebben. 
Over het toelaten van het vermaledijde pesticide glyfosaat, bijvoorbeeld.

    Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • Rusland stevent af op politieke crisis

    Rusland stevent af op politieke crisis

    Welke kant gaat Rusland op? Krijgt het land meer democratie of schiet het in een totalitaire kramp? Duidelijk is in elk geval dat het huidige systeem op ontploffen staat, schrijft mensenrechtenactivist Lev Ponomariov.

    Onafhankelijke deskundigen hadden het al voorspeld: de economische crisis, die voornamelijk wordt veroorzaakt door de gedaalde olieprijs, een agressieve buitenlandpolitiek, internationale sancties en Russische contrasancties, zal in 2016 nog niet voorbij zijn. En inderdaad neemt de inflatie toe, dalen de ambtenarensalarissen, zijn de bejaardenpensioenen te laag geworden om de basisbehoeften van te kunnen betalen en wordt de kloof tussen de rijken en de armen, waarvan er steeds meer zijn, alsmaar groter. De overheid blijkt niet in staat te zijn om deze problemen aan te pakken. Dat belooft een golf aan maatschappelijke protesten op te leveren.

    Keuze uit het archief

    Op vrijdag 7 oktober ontving de Russische burgerrechtenorganisatie Memorial, samen met de Oekraïense organisatie Center for Civil Liberties en de Belarussische mensenrechtenactivist Ales Bialiatski, de Nobelprijs voor de Vrede. Lev Ponomariov was betrokken bij de oprichting van Memorial en zet zich al decennia in voor de bescherming van de mensenrechten in het land van Vladimir Poetin. In 2016 publiceerde Moskovskij Komsomolets, de op een na grootste krant van Rusland, een opiniestuk van de mensenrechtenactivist.

    Het land begint wakker te worden. Om dat te constateren hoef je alleen maar te kijken naar de manier waarop maatschappelijke organisaties zich organiseren in de strijd tegen bepaalde illegale besluiten van de autoriteiten – bijvoorbeeld tegen de stedelijke verdichting en het opheffen van groenstroken ten gunste van Moskouse projectontwikkelaars. Daarbij gaat het niet alleen om het recht van de Moskovieten op gezonde lucht, maar meer in het algemeen om het recht van burgers 
om tegen willekeur te strijden. Deze kwestie is onlangs aan de orde geweest in de Mensenrechtenraad van het Kremlin [een adviesraad van Poetin].

    Waaraan het ook te merken is: parlementsleden, economen en ondernemers komen steeds openlijker met kritiek. De voornaamste informatiekanalen blijven voor politieke tegenstanders ontoegankelijk, maar het lukt ze wel om hun stem te laten horen via sommige media die nog vrij kunnen opereren en via de sociale netwerken. Opvallend genoeg zijn de afwijkende geluiden soms ook afkomstig van 
regeringsleden en deskundigen die dicht bij de macht staan.

    De spanning zal alleen maar verder oplopen met de komende electorale cyclus van parlementsverkiezingen in 2016 en presidentsverkiezingen in 2018. Die vormen een cruciale test, zowel voor de regering als voor de samenleving. Wat kunnen we verwachten en waarop moeten we voorbereid zijn? Net als mijn activistische collega’s streef ik in deze roerige tijden diepgaande veranderingen na, maar dan wel zonder bloedvergieten. Want aan bloedige scenario’s is geen gebrek. Verblind door de macht van de grote getallen voorspellen sommigen voor 2017 zelfs een nieuwe gewapende revolutie.

    Regering

    Maar met welke krachten hebben we op dit moment te maken? Allereerst is er de regering. Die heeft als doel: zichzelf beschermen. Daarvoor is er de keuze uit twee strategieën. Enerzijds kun je uit angst voor een ‘oranjerevolutie’ steeds repressiever worden. Sinds 2012 zijn 
er wetten aangenomen die allerlei vrijheden en protestvormen inperken. De zaak Ildar Dadin, de eerste man in de geschiedenis van post-Sovjet-Rusland die vreedzaam demonstreerde en om die reden in de gevangenis belandde, 
is hiervan een duidelijk voorbeeld. Verder zal binnenkort een wet worden aangenomen die de veiligheidsdiensten meer ruimte geeft om gewapend of met geweld tegen burgers op te treden. 
Tegelijk worden er maatregelen genomen om maatschappelijke organisaties uit besluitvormingsorganen te verwijderen: via diverse amendementen zijn de commissies van toezicht op de gevangenissen opgeheven. De wet op de ‘buitenlandse agenten’ die al langere tijd van kracht is, heeft ervoor gezorgd dat tientallen, zo niet honderden ngo’s moesten stoppen. Het aantal strafrechtelijke vervolgingen wegens ‘extremisme’ neemt sterk toe. Daarbij gaat het in feite niet om echte oproepen tot geweld, maar vooral om kritiek, zelfs al is het maar een like of het delen van een bericht op de sociale media.

    Maar omdat wel duidelijk is dat repressie alleen onvoldoende is om de protesten te smoren, probeert de regering anderzijds ook de meest actieve delen van de oppositie te manipuleren. Ze doen alsof ze via zogenaamde vernieuwing van de elites de corruptie bestrijden. Dat biedt wettelijk enige manoeuvreerruimte aan bepaalde critici die zowel door het Kremlin als door de oppositie worden gesteund, maar door het radicale deel van de oppositie worden gehekeld. Toch ligt het volgens mij allemaal niet zo simpel. Want als het aantal critici onder de sympathisanten van de regering en binnen het Kremlin groot genoeg wordt, dan zou er een kritische massa kunnen ontstaan die de situatie mogelijk zelfs doet kantelen. Laten we niet vergeten dat het Democratisch Platform van de CPSU [de Communistische Partij van de Sovjet-Unie] in soortgelijke omstandigheden is ontstaan en vervolgens een beslissende rol speelde in de vreedzame democratische revolutie aan het eind van de jaren tachtig.

    Werkneemsters van een Russische borstelfabriek. De overheid blijkt niet in staat de economische problemen op te lossen. – © Sergey Maximishin / HH
    Werkneemsters van een Russische borstelfabriek. De overheid blijkt niet in staat de economische problemen op te lossen. – © Sergey Maximishin / HH

    Aan de andere kant staat de oppositie, die momenteel in twee hoofdstromingen verdeeld is. De ene stroming wil dat Rusland een open Europees land blijft, dat bereid is tot samenwerking met zijn westerse buurlanden en tot het bevorderen van de democratie op zijn grondgebied. De andere stroming hangt het idee aan dat Rusland zijn problemen kan oplossen door een totalitaire staat met een gesloten economie te worden en door de geldpers aan te zetten als dat nodig is om de op de wapensector draaiende industrie te steunen. Daarmee zou meteen ook het corruptieprobleem zijn opgelost. Want uiteraard wordt door de angst voor het executiepeloton de corruptie dan uitgeroeid 
of in ieder geval sterk verminderd. Grosso modo was dit ook het plan dat de coupplegers van het Staatscomité voor de Noodtoestand in 1991 hadden uitgebroed. Wat een prachtige gelegenheid om wraak te nemen voor hun mislukte coup. Maar dan zou Rusland wel 
veranderen in een soort Noord-Korea.

    Er zijn al veel maatregelen genomen om het land te isoleren, maar of het definitief die kant op gaat is niet zeker. De regering schuift de beslissing voor zich uit en speelt een gevaarlijk spel. Enerzijds versterkt het Kremlin het isolationisme en beschermt het de corrupte bovenlaag. De overgrote meerderheid van de bevolking is zorgvuldig op dit scenario voorbereid, doordat men compleet wordt gehersenspoeld, met name via de televisie: ‘de vijand is overal’, dat werk. Anderzijds krijgen we via diezelfde televisie beelden voorgeschoteld van Poetin in gesprek met Kerry en horen we daarbij dat Amerika een ‘partner’ van Rusland is. Vervolgens kondigt de minister van Economische Zaken aan dat de Amerikaanse banken zouden kunnen deelnemen in toekomstige privatiseringen. De regering doet alsof ze met haar tijd meegaat en weet zo een aantal tegenstanders over de streep te trekken om het beleid van Vladimir Poetin te steunen.

    De oppositie is verdeeld in een “westerse” en een isolationistische stroming

    Voor mij en vele anderen is wel duidelijk dat er geen enkele substantiële verbetering mogelijk is zonder het 
politieke systeem omver te werpen. 
En dat zal alleen gebeuren als de mensen de straat opgaan. Het besef begint al bij ze door te dringen ‘dat dit geen leven is’, ze eisen verandering. Dit doet erg denken aan de situatie aan het eind van de jaren tachtig, toen de hervormingsgezinde krachten binnen de CPSU terrein begonnen te winnen. Dat was destijds het echte begin van de perestrojka. Omdat er tegenwoordig twee tegenovergestelde richtingen binnen de oppositie zijn, zal de toekomst van Rusland worden bepaald door de stroming die de publieke opinie voor zich weet te winnen. Het Kremlin geeft natuurlijk alle steun aan de isolationistische stroming.

    Het komt er dus op neer dat een politiek-economische crisis onvermijdelijk is. De huidige leiders van Rusland zullen moeten aftreden. Ze moeten nu kiezen met wie ze willen samenwerken om de overgang zo pijnloos mogelijk te laten verlopen, zowel voor henzelf als voor het land. Mochten de democraten aan de macht komen, dan moeten de onttroonde politieke leiders niet worden vervolgd, dat is in een democratie niet gebruikelijk. Voorlopig heeft vooral de antidemocratische oppositie, die ijvert voor ‘de harde hand’ en ‘de eigen Russische weg’, voordeel van het beleid van het Kremlin. Maar met onttroonde leiders zal die natuurlijk weinig consideratie hebben.
    Rusland heeft op zijn pad dus nog heel wat lastige hobbels te nemen. Maar dat pad is voor alle Europese landen lang en moeilijk geweest. En ook Rusland verdient het om even welvarend te worden als zij.

    Auteur: Lev Ponomariov
    Vertaler: Tess Visser

    Moskovski Komsomolets
    Rusland | dagblad | oplage 1.160.000

    Naar het sensationele neigend dagblad waar tussen de lichte en soms schunnige onderwerpen belangrijk nieuws is te vinden.

    lev ponomaryov

    Wie is Lev Ponomariov?

    Lev Ponomariov werd in 1941 geboren in Tomsk. Hij was democratisch afgevaardigde van 1990 tot 1996, in 1988 betrokken bij de oprichting van burgerrechtenorganisatie Memorial, lid van de oppositiebeweging Een Ander Rusland en directeur van mensenrechtenorganisatie Za Prava Tsjeloveka. Die laatste is door de Russische minister van Justitie onlangs op de lijst van ‘buitenlandse agenten’ gezet, op grond van de in 2013 aangenomen Russische wet op ngo’s die ‘politiek actief zijn en geld uit het buitenland ontvangen’.