Burgemeester Grenoble staat boerkini en topless zwemmen toe
De boerkini, het badpak voor het hele lichaam, staat opnieuw in het middelpunt van een politieke ruzie in Frankrijk, meldt Angelique Chrisafis, correspondent voor The Guardian in Parijs. Eric Piolle, de spraakmakende groene burgemeester van Grenoble, wil in de gemeenteraad maandag zijn voorstel bespreken om mensen toe te staan zich ‘te kleden zoals ze willen’ bij buitenzwembaden. Dat zou zowel vrouwen als mannen toestaan om topless te zwemmen of een boerkini te dragen – of dat nu uit religieuze overtuiging is of om zich te beschermen tegen de zon.
De versoepeling van de zwembadregels is zeer tegen de zin van de tot de rechtervleugel behorende Laurent Wauquiez, hoofd van de regio Auvergne-Rhône-Alpes. Hij dreigt ermee alle regionale financiering voor Grenoble terug te trekken als het de regels versoepelt: ‘Met geen cent zullen wij uw onderwerping aan het islamisme financieren,’ aldus Wauquiez.
Het is niet de eerste keer dat badkleding een politieke rel veroorzaakt in Frankrijk vlak voor een verkiezing
De ruzie wordt door alle partijen aangegrepen in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van volgende maand, waar de centristische groepering van de herkozen president Emmanuel Macron een meerderheid hoopt te behalen. Het is niet de eerste keer dat badkleding voor het hele lichaam vlak voor een belangrijke verkiezing een politieke rel veroorzaakt in Frankrijk. In de zomer van 2016, in de aanloop naar de presidentsverkiezingen, hadden zo’n dertig Franse kustplaatsen de boerkini van het strand verbannen. De hoogste administratieve rechtbank oordeelde echter dat het antiboerkinidecreet ‘een ernstige en duidelijk illegale aanval op de fundamentele vrijheden’ was.
In Grenoble zij burgemeester Piolle dat de nieuwe zwembadregels niet alleen over boerkini’s gingen en dat de boerkini een ‘non-issue’ is. Hij zei dat de rel aantoonde dat de kwaliteit van het Franse politieke debat in een neerwaartse spiraal zat. ‘Stop met het stigmatiseren en discrimineren van moslims in ons land,’ verkondigde hij in een interview op France 2 TV.
‘Frankrijk, Europa en de vrije wereld hebben een aanzienlijke aanval op hun collectieve welzijn overleefd. Voor de Russische president is het een zware slag dat Emmanuel Macron zijn extreemrechtse uitdager Marine Le Pen heeft weten te verslaan. Voorlopig heeft het Westen een trouwe bondgenoot met democratische aspiraties en principes die een anker zou kunnen zijn voor de toekomst van Europa – de regering Biden was zeer bezorgd dat Le Pen wellicht haar weg zou vinden naar het presidentiële paleis.’
‘Het resultaat van Le Pen was aanzienlijk beter dan bij de vorige verkiezingen in 2017, toen ze 34 procent behaalde in de tweede ronde. Toen haar vader in 2002 de laatste ronde haalde, won hij slechts 18 procent van de stemmen. De afgelopen twee decennia is een groeiend deel van de Franse burgers afgegleden naar de nationalistische politiek van Le Pen, met zijn vijandigheid tegenover moslims en scepsis tegenover instellingen die West-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog grotendeels vreedzaam en verenigd hebben gehouden.’
‘Eind goed, al goed? Nee. Het politieke midden is uitgehold. De traditionele partijen zijn irrelevant geworden. En Marche van Macron is grotendeels de presidentiële verkiezingsclub gebleven die niet diep geworteld is in de regio’s. Een partij voor welgestelden in de steden, maar niet voor de gemarginaliseerden op het platteland. Ondertussen is het politieke discours in het land naar rechts verschoven. Het is Marine Le Pen gelukt wat haar vader Jean-Marie niet was gegeven: “présidentiable” te worden geacht, ofwel geschikt voor het presidentschap.’
‘De Franse president Emmanuel Macron kreeg geen respijt na zijn herverkiezing. Zijn politieke tegenstanders riepen hun kiezers onmiddellijk op ervoor te zorgen dat hem geen parlementaire meerderheid wordt geboden. Als Macron er niet in slaagt om bij de parlementsverkiezingen van 12 en 19 juni opnieuw een overwinning te behalen, dan zal het voor de pro-Europese, centristische president moeilijk worden om zijn probusiness-agenda door te voeren, met daarop onder andere impopulaire plannen om de pensioenleeftijd te verhogen.’
De Verenigde Staten hebben donderdag bekendgemaakt dat ze vier Russische hackers hebben aangeklaagd die banden hebben met de regering van hun land. Het ministerie van Justitie beschuldigt ze van het uitvoeren van een jarenlange hackcampagne die was gericht op duizenden computers in de Verenigde Staten en over de hele wereld. Het doel van de aanvallen was om toegang te krijgen tot systemen die vitale voorzieningen zouden kunnen verstoren of fysiek zouden kunnen beschadigen, meldt The Wall Street Journal.
De beklaagden werkten allemaal voor de Russische regering en richtten zich op honderden bedrijven in 135 landen, aldus de Amerikaanse autoriteiten.
Einde vervolging ‘ernstig falen van de rechtsgang’
’Mark F. Pomerantz, die namens de rechtbank van Manhattan een onderzoek leidde naar Donald Trump, zegt dat de voormalige Amerikaanse president schuldig is aan meervoudige fraude’, aldus Axios. Pomerantz, die met pensioen ging om aan het Trump-onderzoek te werken, nam op 23 februari ontslag.
In zijn ontslagbrief, in bezit van The New York Times, verklaart hij voor het eerst expliciet zijn overtuiging dat het Openbaar Ministerie de voormalige president had kunnen veroordelen. De beslissing van officier van justitie Bragg om het onderzoek naar Donald Trump te staken, was ’in strijd met het algemeen belang’, schreef hij.
Pomerantz, die overwoog Trump aan te klagen voor het vervalsen van financiële documentatie, beschreef het beëindigen van de vervolging als ’ernstig falen van de rechtsgang’. ’De nieuwe officier van justitie van Manhattan heeft er inderdaad voor gekozen om Trump niet aan te klagen’, verklaart Pomerantsz aan Axios. ’Geen enkel dossier is perfect. Zelfs als er risico’s waren, ben ik ervan overtuigd dat niet overgaan tot vervolging schadelijker zal zijn voor het vertrouwen in de rechtspleging.’
Duizenden Russen zijn de afgelopen weken hun land ontvlucht uit onvrede met het politieke klimaat of uit financiële noodzaak vanwege de zware sancties. De onafhankelijke Russische nieuwsorganisatie Meduza sprak met enkele achterblijvers. Wat zijn hun redenen om niet te vertrekken?
Duizenden mensen zijn de afgelopen weken Rusland ontvlucht, in de hoop de binnenlandse politieke, sociale en economische gevolgen van de oorlog te ontlopen. Maar zij zijn in de minderheid: niet iedereen kan zo snel naar een nieuw land verhuizen, al zouden ze dat nog zo graag willen. Sommigen blijven in Rusland vanwege familie, anderen kunnen het zich niet veroorloven om te vertrekken, terwijl weer anderen uit principe blijven waar ze zijn.
‘Mijn familie en ik dachten erover om te emigreren maar zien dat uiteindelijk niet zitten. Wat heeft het voor zin om ergens heen te gaan waar we niet kunnen blijven? Het zou alleen maar moeilijker worden om terug te keren. Ik ben er niet klaar voor om ergens als een illegale immigrant te leven. Nog niet.
Als we via de officiële weg ergens legaal zouden kunnen wonen, dan zou ik vertrekken. Ik denk dat dit land donkere tijden te wachten staan. Hopelijk maakt de Russische bevolking de laatste stuiptrekkingen van haar grote leider mee.’
Tatjana – Werkt voor een IT-bedrijf, regio Perm
’Mijn ouders zijn bejaard en mijn partner werkt in overheidsdienst. Om die redenen kan ik niet weg. Bovendien denken we dat de Europese Unie binnenkort waarschijnlijk ook in een grote crisis zit, en dan zal het in Rusland makkelijker overleven zijn.
Vanwege de russofobie die nu overal heerst, is het onveilig om nu buiten Rusland te wonen. Om nog maar te zwijgen over het feit dat alles duur is geworden daar. De kosten voor levensonderhoud zijn zodra de migratie begon omhoog geschoten.’
Elizaveta – Werkt in de pr en marketing, Angarsk
‘Ik heb overwogen om te vertrekken, en eigenlijk wil ik dat nog steeds. Ik ben dertig jaar oud en kom uit een kleine stad in Siberië. Ik begon net echt te leven in plaats van te overleven: ik had genoeg geld om lekker te eten, mooie spullen te kopen en met mijn man reizen te maken. En nu duwt mijn land mij terug de armoede in, terug naar de tijd toen reizen naar het buitenland alleen maar in onze verbeelding bestond.
‘Ik wil niets te maken hebben met dit agressorland’
Ik wil niets te maken hebben met dit agressorland. Het past niet in mijn wereldbeeld. We blijven hier omdat we de voogdij over een kind hebben, en we op dit moment niet het recht hebben haar mee het land uit te nemen. Bovendien hebben we nog niet genoeg tijd gehad om te sparen voor een verhuizing. Maar we zijn begonnen met het leren van een vreemde taal. Zo kunnen we alvast een basis leggen.’
Meduza & 360
360 gaat samenwerken met de onafhankelijke Russischtalige nieuwssite Meduza.
Sinds de Russische inval in Oekraïne hebben de autoriteiten Meduza afgesloten voor Russische internetgebruikers. Ook hebben veel buitenlandse correspondenten en media het land verlaten na een controversiële mediawet die het verspreiden van ‘nepnieuws’ sanctioneert met een gevangenisstraf die kan oplopen tot vijftien jaar. 360 breekt al jaren een lans voor onafhankelijke en vrije journalistiek. Met deze samenwerking wil 360 een platform bieden aan onafhankelijke en kritische geluiden uit Rusland, zodat ook de Nederlandse nieuwsvolger op de hoogte kan blijven van wat er speelt aan de Russische kant van het front.
Aidar – Programmeur, Kazan
‘Ik heb me suf gedacht, en ik zal blijven twijfelen, ofwel tot ik vertrek, ofwel voor de rest van mijn leven. Er zijn verschillende redenen waarom ik blijf. Ik ben de oudste zoon en mijn broer werkt in het buitenland. Mijn ouders kunnen niet weg, tenminste niet op korte termijn. Het was niet meer dan logisch dat de jongste zoon naar een rijker land zou gaan om te werken, en dat de oudste zoon voorlopig bij onze ouders in dit totalitaire land zou blijven.
De andere reden is mijn vriendin, hopelijk mijn toekomstige vrouw. Het is voor mij geen optie om weg te gaan terwijl zij hier achterblijft, en er zijn geen garanties als je in het buitenland bent. Ook niet als je hier blijft, trouwens. Als deze twee factoren niet meespeelden, zou ik vertrekken, zelfs zonder spullen en met een onzekere toekomst. Ik denk dat ik het in het buitenland best zou redden als ervaren programmeur, maar diezelfde garantie kan ik mijn dierbaren niet geven. Zij hebben me hier waarschijnlijk harder nodig.
‘Deelnemen aan een protestactie zou te gevaarlijk zijn’
Ik zie niet voor me dat we in Rusland een comfortabel leven kunnen leiden. Een minder comfortabel leven in het buitenland lijkt me aantrekkelijker. Bovendien voel ik me elke dag dat de oorlog voortduurt indirect verantwoordelijk voor wat er gebeurt, en misschien ben ik dat ook wel: als burger ben je maar een klein beetje verantwoordelijk, maar niettemin verantwoordelijk voor wat jouw land aan het doen is. Deelnemen aan een protestactie en een gevangenisstraf riskeren, waardoor ik mijn dierbaren niet zou kunnen helpen of het land niet zou kunnen verlaten, zou te gevaarlijk zijn.’
Elizaveta – Accountant, Moskou
‘Ik dacht eraan om weg te gaan toen ik nog studeerde – mijn seksuele geaardheid speelde een rol –, maar ik had de moed niet. En nu is die kans verkeken. Mijn moeder heeft een beroerte gehad, ik heb een puppy om voor te zorgen en ik ben blut. Om nog maar te zwijgen over mijn beroep, dat niemand in het buitenland zou interesseren.
Ik denk dat er in de toekomst veel armoede in het land zal zijn door de hoge inflatie, werkloosheid en het sluiten van bedrijven. Wie arm is, zoals ik, zou dan wel eens van honger kunnen omkomen.’
Alija – Werkt in een galerie voor moderne kunst, Moskou
‘Ik wil wel weg, maar mijn man niet. Hij denkt niet dat we in het buitenland werk zullen vinden zonder de taal te spreken of speciale vaardigheden te hebben. Dan is er ook nog de kwestie van mijn ouders en mijn oude, tweeënnegentigjarige grootmoeder, voor wie ik moet zorgen. Ik ben heel bang, maar mijn familie achterlaten kan ik niet. Ik denk dat het erg uit de hand gaat lopen: tirannieke wetshandhaving, armoede, banditisme, en misschien een burgeroorlog.
‘Niemand zit op kunst te wachten als er oorlog is, of in de nasleep ervan’
We hebben een vakantiehuisje in een dorp, en als alles in duigen valt, zullen we daarheen moeten verhuizen. Ik heb geen enkele mogelijkheid meer om me beroepsmatig verder te ontwikkelen en plezier te hebben in mijn werk. Dat is me afgepakt. Niemand zit op kunst te wachten als er oorlog is, of in de nasleep ervan.’
Alisa – Werkt in de dienstensector, Krasnodar
‘Ik denk er vaak over na om weg te gaan. Ik doe mijn uiterste best om een manier te vinden om mijn ouders mee te krijgen. Maar hoogstwaarschijnlijk blijf ik hier om dicht bij mijn dierbaren te zijn. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze achter te laten.
Soms denk ik terug aan de verhalen van mijn vader, die vertelde hoe moeilijk het was in de jaren negentig. Nu voorzie ik een toekomst die veel erger is dan toen: veel mensen komen zonder werk te zitten, honger wordt een ernstig probleem en de criminaliteit zal de pan uit rijzen. We zitten op de Titanic, en die heeft net de ijsberg geraakt.’
Nastya – Verkoopt producten op een markt, Moskou
‘Ik popelde om naar Georgië te gaan of naar een ander GOS-land [verbond van voormalige Sovjet-Unielanden]. Maar ik ben tweeëntwintig, die stomme leeftijd waarop ik wel een spaarpotje heb maar niet genoeg om alles te laten vallen en voor onbepaalde tijd naar een land te verhuizen waar ik niet kan werken.
‘Ik wil gewoon niet weg. Dit is mijn land en ik ben ervan overtuigd dat we iets kunnen veranderen’
Ik ben ook bang om mijn grootmoeder en vader achter te laten, die in de Samara-regio wonen. Ik moet mijn oma gaan helpen om de meest noodzakelijke levensbehoeften in te slaan. Ik vrees dat haar pensioen niet genoeg is, of dat er een tekort aan producten zal zijn. Bovendien wil ik gewoon niet weg. Dit is mijn land en ik ben ervan overtuigd dat we iets kunnen veranderen. Vooral nu, nu het regime in Rusland bijzonder kwetsbaar is. Als we deze crisis overleven, kunnen we een nieuw Rusland opbouwen. Ik probeer er het beste van te maken en te doen wat ik kan.’
Oleg – Werkt op een universiteit, Jelets
‘Ik heb nagedacht over weggaan. Ik weet niet hoe ik op morele wijze verder kan leven. Ik denk er nog steeds over na, maar… Ik heb hier een dochter, die bij mijn ex-vrouw woont. En hier is ook het graf van mijn moeder.’
Jevgeni – Werkt in een autozaak, Vladivostok
‘Vijf jaar geleden besloot ik te blijven en sindsdien ben ik niet van gedachten veranderd. Even overwoog ik te vertrekken toen mijn vrienden meteen na 24 februari begonnen te praten over emigreren. In paniek sloot ik me aan bij enkele immigratiegroepen op internet. Ik had zelfs al een vliegticket naar Istanboel, voor begin maart. Ik had het al gekocht lang voordat dit allemaal gebeurde, wat een gelukkig toeval leek. Toch ben ik uiteindelijk niet in dat vliegtuig gestapt.
‘Ik maak vaak het grapje dat er uiteindelijk drie mensen in dit land over zullen blijven: Navalny, Poetin en ik’
Ik heb in mijn leven al veel in het buitenland gewoond en heb genoeg ervaring opgedaan om te begrijpen hoezeer ik mijn thuis en mijn land waardeer. Ik hou echt van Rusland en de mensen hier. Ik heb hier geleerd wat vriendschap en liefde zijn, hier ben ik geworden wie ik ben, hier heb ik mijn belangrijkste waarden en de zin van mijn leven leren kennen, en daarom zal ik blijven. Ik denk dat vrijheid het waard is om voor te vechten. Ik maak vaak het grapje met mijn therapeut dat er uiteindelijk drie mensen in dit land over zullen blijven: Navalny, Poetin en ik.’
Een gesprek met de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev over culturele misverstanden, Russische twijfels en de angst van Oost-Europeanen om te verdwijnen.
Europa en de wereld beleven enerverende tijden: pandemie, klimaatcrisis, de rivaliteit tussen de supermachten VS en China, en dan ook nog de Russische agressie aan de grenzen met de Baltische staten en Oekraïne. Welke middelen heeft het Westen eigenlijk om Poetin tot bedaren te brengen?
’Nou, bluffen of nu op tijd gaan spelen zou niet echt helpen. Zo bezien heeft president Biden volgens mij juist gehandeld toen hij Poetin duidelijk maakte dat hij weliswaar niet militair zal reageren maar met de EU één front zal vormen, dus met sancties voor het geval dat. Hij heeft Moskou duidelijk laten weten welke reactie het mag verwachten.’
Dat klinkt alsof er een ‘maar’ volgt…
‘Ja, want het zwakke punt in de westerse opstelling is dat bij elke deal met Rusland – hoe die er dan ook uitziet – Oekraïne wordt neergezet als een niet-soevereine staat. Rusland profiteert van het feit dat Oekraïne belangrijker is voor Moskou dan voor Washington.’
Waarom ageert Poetin juist nu?
‘Hij weet dat hij om zijn doelen te realiseren beter nu dan morgen kan handelen en de druk in stand moet houden. Poetin heeft de hoop opgegeven dat er in Kyiv ooit nog een pro-Russische regering aan de macht komt. Ook zijn de Russen bang dat binnen een à twee jaar het Oekraïense leger beter zal zijn uitgerust. En ten derde zal er al binnen tien jaar in Oekraïne een generatie van school komen die geen Russisch meer spreekt.’
‘De Russen hebben de vaste overtuiging dat een pro-westers, gemilitariseerd Oekraïne geen recht van bestaan heeft’
Voor u komen de spanningen niet onverwacht. U hebt vaak gezegd en geschreven dat we Moskou op zijn woord moeten geloven.
‘In het Westen overheerst het idee dat de Russen zich bedrieglijk en misleidend gedragen. Dat is tot op zekere hoogte ook juist. Maar anderzijds zijn ze heel duidelijk in hun boodschap. Als u leest wat Poetin in juli in zijn essay heeft geschreven, namelijk dat Russen en Oekraïners één volk vormen, kan ik u maar één advies geven: geloof hem. Dat is precies wat hij denkt. De Russen hebben de vaste overtuiging dat een pro-westers, gemilitariseerd Oekraïne geen recht van bestaan heeft.’
‘Laten we het zo zeggen: juist wij Europeanen hebben een verkeerd beeld van hoe anderen ons zien. Wij zien onszelf graag als een welwillende, goedaardige kracht. De klopte ook wel een tijdje toen wij als constructief beschouwd werden, als een morele correctiefactor ten opzichte van Amerikaanse arrogantie. Maar in de post-Amerikaanse wereld ligt dat anders. Ik was onlangs nog in Rusland en als je daar hoort hoe deskundigen op het terrein van het buitenlands beleid de EU zien: dat zou voor een heleboel Europeanen een schok zijn.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Vanuit het Russische perspectief is de EU vooral een destabiliserende kracht. Men betwijfelt of zij in staat is zich te positioneren als een onafhankelijk machtscentrum, omdat er geen geloof is in een positieve gezamenlijke agenda en al evenmin in een coherente strategische autonomie. De complexe besluitvormingsprocessen binnen de EU worden gezien als een onberekenbare combinatie van onzekerheid en zelfoverschatting. Een reactie daarop is de Russische troepenaanwezigheid aan de buitengrenzen – als een soort disciplinering en waarschuwing aan Europa. Feit is dat de Russen een uitermate geringschattend beeld van de EU hebben. Niet zozeer van Brussel als wel van Berlijn en Parijs.’
Het is dus niet enkel machtsvertoon wanneer Poetin bij voorkeur onderhandelt met Biden?
‘De Russen hebben merkwaardig genoeg meer respect voor de Amerikanen. Omdat zij menen te weten wat hen drijft en waarvoor de Amerikanen staan. Bovendien denken ze met hen een deal te kunnen sluiten, omdat de Amerikanen stabiliteit willen om zich te kunnen richten op hun grote rivaal China. In de eerste decennia na de Koude Oorlog dacht het Kremlin nog afspraken te kunnen maken met de Europeanen. Inmiddels beschouwt het in elk geval sommige Europese staten als een obstakel op de weg naar een akkoord met de VS.’
‘De populisten worden gekozen in de ontvolkte regio’s’
Van een homogeen beeld is bij de Europese Unie inderdaad geen sprake. Met name tussen de oostelijke en de westelijke lidstaten tekenen zich duidelijk conflicten af. Hoe kijkt u naar deze statengemeenschap en haar interne meningsverschillen?
‘De grootste verschillen binnen de EU zien we vandaag de dag op het gebied van waarden en normen. Die kloof loopt niet langs grenzen, het is een kloof tussen stad en platteland. Qua politieke voorkeur hebben de mensen in Warschau of Boedapest meer gemeen met Berlijners dan met hun landgenoten in een dorp. Als je bijvoorbeeld bij de Europese verkiezingen de stemmen op extreemrechts beziet, dan zie je dat die uit alle inkomens- en opleidingsgroepen komen, maar dat men vooral extreemrechts stemt in gebieden waar de bevolking wegtrekt. Demografie is in dit verband een belangrijke factor. De populisten worden gekozen in de ontvolkte regio’s. En dat is precies wat je in de landen van Oost-Europa ook terugziet op regeringsniveau.’
Komt dat ook niet doordat deze na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie onafhankelijk geworden staten relatief jonge democratieën zijn?
’Kijk, dit is nou typisch zo’n vraag vanuit een westers perspectief. De landen die ooit achter het IJzeren Gordijn lagen, worden gezien als een “ander Europa”. Tegelijkertijd hebben wíj in Oost-Europa het gevoel dat we worden behandeld als tweederangsburgers die constant over van alles en nog wat de les gelezen moeten worden. Daaronder sluimert een veel diepere kloof. De autonomie van de Oost-Europese landen is voortgekomen uit de ineenstorting van een grootmacht. Onderdeel van hun geschiedenis is een compleet andere beleving van nationalisme en etnische homogeniteit.’
Hoe komt het dat het nationalisme in Oost-Europa zo sterk is?
‘Van meet af aan is dat niet goed begrepen, met name in Duitsland. Daar ging men ervan uit dat de ontwikkeling van Oost-Europa na 1989 min of meer zou verlopen zoals die van de Bondsrepubliek na 1945, omdat het ging om het overwinnen van het totalitarisme. Maar de ineenstorting van de Sovjet-Unie werd niet vooraf-gegaan door een nederlaag van het nationalisme. Integendeel. De nationalisten waren onderdeel van de winnende coalities. Dat ze later politiek sterker zijn geworden, is vooral een kwestie van demografie.’
’Oost-Europa is tegenwoordig de snelst krimpende regio ter wereld’
Hoe bedoelt u dat?
‘In 1989 gebeurden er twee dingen. De grenzen gingen open. We wilden er allemaal uit, we wilden reizen en dat was het beste wat ons kon overkomen. Vandaag de dag is dat altijd nog het beste, voor mensen zoals ik. Maar voor veel mensen die in die landen zijn gebleven ligt dat anders. Want in 1989 begon ook de emigratie. Oost-Europa is tegenwoordig de snelst krimpende regio ter wereld.’
En uitgerekend een rechts-conservatieve, anti-Europese politiek moet daar een eind aan maken?
‘Om die vraag te beantwoorden moeten we eerst hun angst begrijpen. Als je ervan uitgaat dat politieke soevereiniteit gekoppeld is aan maatschappelijke homogeniteit, wordt immigratie een gevaar. Daar komt bij dat met het openen van de grenzen niet alleen de oorspronkelijke bevolking vertrekt, maar ook het geld. Elke in mijn opleiding geïnvesteerde euro heeft tegelijkertijd met mij Bulgarije verlaten. Als de Oost-Europeanen te horen krijgen dat onderwijs het allerbelangrijkst is, weten zij ook: hoe beter wij onze mensen opleiden, hoe eerder ze emigreren naar de rijkere landen van Europa. Daarom is een pro-westerse koers ook gevaarlijk.’
Ziet u een uitweg uit deze vicieuze cirkel?
‘Je hoeft dat niet fatalistisch te zien, maar we moeten wel die angst begrijpen: kleine naties zijn bang dat ze verdwijnen, en met dat gevoel kun je politiek bedrijven. Corona heeft dat nog eens versterkt, omdat we gewend zijn geraakt in projecties te denken. Extrapolaties dat bijvoorbeeld mijn vaderland Bulgarije een demografische woestijn kan worden, worden inmiddels als een onontkoombare toekomst gezien. Het resultaat is voortijdige paniek: wij verdwijnen, anderen zullen onze plaats innemen. Dat is de diepste oorzaak voor de Oost-West-scheiding die wij meemaken, en dat is niet enkel een politieke breuk. Achter de anti-westerse retoriek schuilt ook een poging om jongeren af te houden van emigratie door tegen hen te zeggen: wij zijn het ware Europa.’
‘Hoeveel verschil kan de Unie verdragen zonder disfunctioneel te worden?’
Waartoe leidt die scheiding?
‘De Poolse regering wil de EU niet verlaten, de Hongaarse evenmin. Ze willen alleen niets weten van bepaalde principes. Dat zou leiden tot versnippering, tot een asymmetrisch EU-lidmaatschap. En de grote vraag is: hoeveel verschil kan de Unie verdragen zonder disfunctioneel te worden?’
Viktor Orbán is uitgegroeid tot een boegbeeld van de illiberale, autoritaire krachten in Europa. Ook Frankrijks rechts-radicale partijleider Marine Le Pen droomt ervan samen met hem de EU te veranderen.
‘Orbán zal noch de Duitsers noch de Fransen enthousiast kunnen krijgen voor zijn beleid. Maar we zijn al meer veranderd dan we denken. Met betrekking tot het immigratiebeleid bijvoorbeeld zijn we opgeschoven in een richting waarover in Oost-Europa altijd al consensus was: buitengrenzen dicht. Ik zeg niet of dat goed is of slecht. Ik zeg alleen: de EU is enorm veranderd en dat moeten we onder ogen zien. Met Hongarije hebben we inmiddels een regime waar de machthebber in theorie wel de verkiezingen kan verliezen, maar niet noodzakelijkerwijs de macht. De staat is daar zo ingrijpend verbouwd dat essentiële instituties inmiddels buiten de democratische logica zijn komen te liggen.’
‘Het gesprek over waarden werd al snel een gesprek over subsidies en daarmee over geld’
Heeft de Unie te laat gereageerd op de afbraak van de democratie?
‘Wij denken altijd dat het nu beter zou zijn als we precies het tegendeel hadden gedaan, maar dat weten we nu eenmaal niet. In principe geloof ik niet dat het Westen het Oosten simpelweg de wet kan voorschrijven. Maar dat is misschien de Oost-Europeaan in mij. In het conflict met de Poolse regering gaat het om rechtsstatelijkheid. En om waarden. Maar het gesprek over waarden werd al snel een gesprek over subsidies en daarmee over geld. Dat is een paniekreactie die aanleiding geeft tot kwalificaties als ‘chantage’. En chantage is nooit een goede aanpak.’
Wat zouden we dan het best kunnen doen? Hebben we meer druk nodig of gewoon meer geduld?
‘Ik denk niet dat de Unie meer druk zou moeten uitoefenen in het geval van bijvoorbeeld culturele en maatschappelijke diversiteit. Natuurlijk mag discriminatie van minderheden niet worden getolereerd. Toch lijkt men in het Westen soms te vergeten dat men er zelf ook een hele tijd over heeft gedaan om bijvoorbeeld het homohuwelijk te accepteren. Dat soort veranderingen moet uit de samenleving komen. Dat is de ene kant.‘
En de andere?
‘Nou, eigenlijk is de ster van de illiberale populisten aan het dalen. Zij kunnen alleen aan de macht blijven doordat ze er telkens weer in slagen een deel van de bevolking aan hun kant te krijgen door tegen Brussel te polemiseren. Het gaat dus om de publieke opinie. De EU heeft alleen juridische mogelijkheden, zij kan niet op de emoties van mensen spelen om hen te bereiken. Daarom zouden met name landen als Duitsland of Frankrijk op de mensen af moeten gaan en zeggen: ‘Denken jullie nou echt een goede toekomst te hebben als jullie je afkeren van de principes van de Europese gemeenschap?’ Van het Westen wordt verwacht dat het maatschappelijke verschillen respecteert en tegelijkertijd laat zien dat de eenheid van Europa belangrijker is dan geruzie.’
U zei zojuist dat de ster van de populisten aan het dalen is.
‘Ja, de post-populistische regeringen zullen zeker verschillen van hun voorgangers. Maar dat zullen ze niet zo dramatisch doen als veel Centraal-Europeanen graag geloven. Ik zal u een voorbeeld geven: als u de Hongaren xenofobie verwijt, wetende dat 70 procent van de bevolking kritisch staat tegenover migratie, hebt u daar niet Orbán mee. Integendeel, dan helpt u hem.’
‘In Europa is Frankrijk tot nu toe het enige land dat aandringt op militaire kracht’
Al met al klinkt dat nogal somber. Geeft u de Europese gedachte en de Unie überhaupt nog een toekomst?
‘Natuurlijk doe ik dat. We staan immers op een belangrijk punt om Europa opnieuw uit te vinden. Maar – en dat is een feit – Europa zal de komende twintig à dertig jaar niet machtiger worden. Drie dingen zullen volgens mij na de coronacrisis veranderen. Ten eerste: de onderlinge afhankelijkheid tussen de EU-staten werd altijd als een verzekering beschouwd en voor zekerheid aan-genomen. Maar het idee dat die afhankelijkheid volstaat om Europa te verdedigen gaat niet meer op. Ten tweede: dat hard power, dus militaire macht, geen rol meer speelt, dat klopt niet. Kijk maar naar de Amerikanen. Zij weten dat militaire kracht niet voor elk probleem een oplossing vormt, maar zij weten ook dat militaire kracht het wel mogelijk maakt problemen op te lossen. En dan vooral als ze niet daadwerkelijk wordt ingezet. Maar in Europa is Frankrijk tot nu toe het enige land dat aandringt op militaire kracht.’
En ten derde?
‘Het derde en zwaarwegendste punt is soft power. Daar is sprake van de grootste verandering. Want onze prioriteiten zijn verschoven: we zijn niet meer zo uit op het willen veranderen van anderen. Maar op het voorkomen dat anderen ons veranderen.’
Kunt u dat iets concreter maken?
‘Vroeger drong Europa aan op het naleven van mensenrechten omdat het meende daarmee iets te kunnen veranderen. Inmiddels geloven we dat niet meer. Het is veel meer een zaak van: als wij ophouden met het aan de kaak stellen van mensenrechtenschendingen, veranderen wij onszelf. En onze beduchtheid zulke thema’s aan te roeren tegenover bijvoorbeeld Poetin of Xi Jinping getuigt al van die verandering.’
‘Vroeger exporteerden we politieke ideeën en modellen, nu importeren we mensen’
Dat klinkt alsof de Europese waarden een versleten plaat zijn en wijzelf nauwelijks nog in het belang ervan geloven.
’Nou, we worden voorzichtiger. Het recentste voorbeeld daarvan is Belarus. We hebben ons solidair getoond met de Belarussische oppositie tegen Loekasjenka, maar we weten net zo goed dat als zulke revoluties mislukken en de mensen in hun land geen democratie ervaren, ze deze democratie in Europa gaan zoeken. Met andere woorden: vroeger exporteerden we politieke ideeën en modellen, nu importeren we mensen. De Europese politiek ontwikkelt zich van een missiepost voor waarden en idealen naar een klooster waarin het erom gaat die principes zo goed mogelijk na te leven en overeind te houden.’
Dat klinkt naar afscherming van de ellende in de wereld.
‘Een klooster is geïsoleerd, ja, maar het is ook een plek waar ideeën worden gecultiveerd en doorontwikkeld. In plaats van andere landen naar onze idealen te willen vormen zal het in toenemende mate gaan om het verdedigen van idealen, om het verdedigen van het bolwerk en het vormgeven van ons klooster als een plek met een positieve uitstraling naar de wereld.’
Wat verwacht u onder deze omstandigheden van Duitsland en de regering-Scholz?
‘De nieuwe Duitse regering heeft het niet gemakkelijk, omdat zij zich eigenlijk op elk niveau opnieuw moet positioneren. Neem de beide grote handelspartners, de VS en China. Denkt u echt dat de Duitsers het handelsvolume met beide landen stabiel kunnen houden? Ze zullen een keus moeten maken. Verder de klimaatcrisis: met name de Groenen weten dat die zonder China niet kan worden opgelost, maar anderzijds moeten zij zich bij mensenrechtenschendingen hard opstellen. Het oplossen van deze tegenstrijdigheid wordt op zijn zachtst gezegd moeilijk.’
U doelt op de vaak bekritiseerde Duitse omzichtigheid.
‘Als ik Duitse politici hoor praten, weet ik nooit of ze dingen zeggen vanwege het staatsbelang of eerder omdat ze menen dat een ideale wereld er zo zou moeten uitzien. Dat is precies wat we meemaken in bijvoorbeeld de omgang met China.’
Die houding van: je mag me wel wassen, maar niet nat maken.
‘Anderzijds moet ik toegeven dat zo’n normatieve, ideële benadering ook onderdeel is van de Duitse charme. De wens om mensen duidelijk te maken: kijk, dit is de wereld waarin wij willen leven.’
Eerder zei u dat voor een sterk, eensgezind Europa met name de stemmen uit Berlijn en Parijs van belang zijn. Emmanuel Macron heeft zich in dit opzicht duidelijk en ronduit euforisch gepositioneerd en een aanzet proberen te geven voor hervorming van de EU. In Duitsland daarentegen verstopte de politiek zich achter de Brusselse instituties.
‘Het Franse debat verloopt heel anders dan het Duitse. De houding van Macron is: als ik het over Europa heb, heb ik het over Frankrijk en als ik het over Frankrijk heb, heb ik het over Europa en beide zullen zo grandioos mogelijk moeten zijn. Als de Duitsers iets dergelijks zouden zeggen, zou dat bedreigend overkomen. En zouden andere landen zo spreken, dan zou het lachwekkend zijn. Mocht Macron bij de presidentsverkiezingen van april herkozen worden, dan zal hij op het vlak van de buitenlandse politiek de absoluut bepalende figuur van Europa zijn. ’
Welk advies hebt u voor de Duitsers?
‘Het Duitse zelfbewustzijn heeft een knauw gekregen. De vluchtelingencrisis en ook de pandemie hebben laten zien dat het machtige Duitsland een tamelijk normaal Europees land is, met tamelijk normale problemen. Je hebt het gevoel dat Duitsland niet weet hoe het leiding moet geven zonder tegelijkertijd een modelstudent te zijn. Maar als de Duitsers zo langzaam verder blijven kruipen, kunnen ook de Fransen niet verder komen met de vormgeving van Europa. Duitsland moet het signaal afgeven dat het heeft begrepen hoe de wereld verandert. De Duitsers moeten de knoop doorhakken over wat ze van Europa verwachten. En vervolgens handelen. Waarschijnlijk het best samen met Frankrijk.’
Opgestuwd door de golf van studentenprotesten die in 2011 begonnen, staat Gabriel Boric, de winnaar van de presidentsverkiezingen in 2021, aan het hoofd van een nieuwe Chileense generatie, die de verschrikkingen van de militaire dictatuur niet heeft meegemaakt.
Toen Gabriel Boric werd gevraagd zich kandidaat te stellen voor het presidentschap, weigerde hij. ‘Dat past niet in mijn plannen. Ik heb nog te weinig ervaring, ik moet nog heel veel leren over politiek en het staatsbestel,’ zei hij tegen zijn partijgenoten van het Frente Amplio (Breed Front); die hadden hem voorgesteld de strijd aan te binden met Daniel Jadue van de Communistische Partij voor het kandidaatschap van de coalitie Apruebo Dignidad. Maar omdat er verder geen geschikte kandidaten in zijn partij waren, nam hij de uitnodiging toch aan.
In juli 2021 behaalde Boric een verpletterende overwinning in de voorverkiezingen: 60 procent van de ruim één miljoen stemmers gaf de voorkeur aan hem boven de beste kandidaat die de Communistische Partij in de 110 jaar van haar bestaan had gehad. En ook daarna deed hij het goed. Als vertegenwoordiger van een links electoraat dat de verschrikkingen van de dictatuur van Pinochet niet heeft meegemaakt, werd hij op 35-jarige leeftijd met bijna 56 procent van de stemmen verkozen tot de jongste president in de geschiedenis van Chili.
Nieuw Links
Op de dag van zijn overwinning in de voorverkiezingen van juli citeerde Boric in zijn rede een beroemde uitspraak van Salvador Allende, de socialistische president die op 11 september 1973 door de militaire putschisten dood uit het presidentieel paleis werd gedragen: ‘Ooit zullen de lommerrijke lanen zich weer openen, zodat Chilenen die in vrijheid kunnen bewandelen op weg naar een betere maatschappij.’ Dat zei hij niet zomaar. Boric verwees in zijn verkiezingscampagne bewust naar het socialistische bewind van de jaren zeventig, maar hij distantieerde zich van de traditionele partijen die sinds 1990 de overgang naar de democratie hebben geleid. Daarmee voltooide hij de opkomst van de zogeheten ‘generatie zonder angst’, die de dictatuur alleen kent van wat hun ouders en hun leraren op school hebben verteld.
Deze nieuwe linkse generatie van jongeren, politiek bewust geworden op de middelbare school en de universiteit, trof de architecten van de overgang naar de democratie in het hart met de beschuldiging dat ze nooit hebben gebroken met het door de militaire regering opgelegde neoliberalisme; dat kenmerkte zich door de doctrine van een kleine overheid, weinig goede openbare voorzieningen en ouders die zich levenslang in de schulden moeten steken om hoger onderwijs voor hun kinderen te kunnen betalen.
‘Boric is een betere versie van de Franse activist Daniel Cohn-Bendit’
Boric werd in 1986 geboren in Punta Arenas, in de regio Magallanes, het diepe zuiden van Chili. Het gezin kwam uit de gegoede burgerij, zijn vader werkte bij een oliemaatschappij en was actief in de christendemocratie. Gabriel zelf was op de middelbare school al politiek actief. ‘Op jonge leeftijd, toen hij nog in Punta Arenas woonde, was hij een politiek leider van de scholierenvereniging,’ zegt Claudia Heiss, hoofd van de vakgroep Politieke Wetenschappen aan de Universiteit van Chili. ‘Daarna ging hij rechten studeren aan de Universiteit van Chili in de hoofdstad Santiago, waar hij in 2009 het ontslag bewerkstelligde van het hoofd van de faculteit, die werd beschuldigd van plagiaat en misbruik van zijn bevoegdheden. Dat was zonder precedent,’ zegt ze. In 2011 ging Boric samen met andere studentenleiders voorop in de demonstraties voor verbetering van het openbaar onderwijs. Zijn ster was rijzende.
Eugenio Tironi, wetenschappelijk medewerker van de Katholieke Universiteit, zegt: ‘Boric is een betere versie van de Franse activist Daniel Cohn-Bendit: hij deed Parijs 1968 in 2011 dunnetjes over, maar in plaats van zich terug te trekken in een hippiecommune richtte hij een partij op.’ En, voegt hij eraan toe: ‘Hij trad toe tot het systeem, maar zonder carrière te maken in een politieke partij, want in 2017 richtte hij zijn eigen beweging op, de Frente Amplio. Eerst versloeg hij intern de Communistische Partij in de voorverkiezingen van de coalitie Apruebo Dignidad en uiteindelijk won hij, na een heroriëntatie van het centrum-linkse blok, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen.’
Iedereen herinnert zich nog die plechtigheid waarop hij verscheen in een informeel jasje
In 2014 werd Boric, samen met andere leiders van de opstand in 2011, zoals de communiste Camila Vallejo, beëdigd als parlementariër. Iedereen herinnert zich nog die plechtigheid waarop hij, die inmiddels is verkozen tot president, verscheen in een informeel jasje zonder stropdas, bekritiseerd door alle beroepspolitici. Boric zei toen dat ‘het Chileense parlement niet alle lagen van de Chileense bevolking vertegenwoordigt, maar alleen een macho-elite uit de hoofdstad die zonder meer tot de hogere klasse behoort’. In die tijd volgde hij nauwgezet de koers van Podemos in Spanje en las hij het interviewboek Construir pueblo van Íñigo Errejón en Chantal Mouffe. ‘Zijn voorbeeld is Errejón, niet Pablo Iglesias [van Podemos]. Hij komt niet uit een communistisch nest van linkse vrijdenkers, maar uit een familie van de hogere middenklasse en hij heeft nooit een afkeer gehad van de sociaaldemocratie,’ aldus Tironi.
In 2017 won Boric samen met Giorgio Jackson, een andere politieke leider, twintig zetels in het Congres. In oktober 2019 ging hij weer de straat op om deel te nemen aan het sociaal protest dat de regering van president Sebastián Piñera aan het wankelen bracht. En toen vond de doorbraak plaats, de grote sprong naar de politiek. Boric had in het Congres een gesprek met de rechtse senator Juan Antonio Coloma en kwam met hem overeen dat, om uit de crisis te komen, de grondwet van Augusto Pinochet, die sinds 1980 van kracht was, moest worden veranderd. Dat persoonlijke besluit leidde ertoe dat op 15 november van dat jaar hetFrente Amplio een akkoord met alle politieke partijen ondertekende voor het bijeenroepen van een grondwetgevende vergadering.
Akkoord getekend
‘Dat hielp hem in het zadel van de presidentiële kandidatuur,’ vertelt Heiss. ‘Hij zei dat hij via onderhandelingen een uitweg moest zien te vinden en tekende een akkoord met de UDI [Unión Demócrata Independiente, een uiterst rechtse traditionele partij]. Boric is redelijk en bereid tot dialoog, hij snapt de complexiteit van het politieke bedrijf. Vroeger gaf hij altijd af op politieke partijen, maar dat is veranderd. Hij heeft laten zien dat hij in staat is dingen te doen die tegen de haren van zijn achterban instrijken, zoals het akkoord van 15 november,’ aldus Heiss.
Daarmee vervreemdde hij zich inderdaad van de Communistische Partij, die het niet eens was met dat pact. En veel studenten die destijds aanhangers van hem waren, noemden hem een ‘verrader’. Eind 2019, toen er nog steeds onlusten waren op straat, vielen een aantal jongeren hem aan en scholden hem uit. ‘Je hebt het volk verkocht en verraden!’ schreeuwden ze en gooiden bier in zijn gezicht. Boric trok zich vervolgens terug als leider van het Frente Amplio, om pas later weer terug te keren als presidentskandidaat.
Zijn kiezers waren nu ‘Chilenen’ en niet langer ‘kameraden’
En toen verscheen de pragmatische Boric op het toneel. Voor de tweede ronde van de presidentsverkiezingen zocht hij toenadering tot de leiders van uitgerekend de kongsi die hij zo had beschimpt, om op die manier stemmen uit het politieke midden te trekken, die cruciaal bleken voor zijn overwinning op de rechtse kandidaat José Antonio Kast. Boric deed een overhemd en een colbertje aan, trok samen op met ex-president Ricardo Lagos, won de steun van de christendemocraten en de socialisten, en verzekerde zich van een publieke adhesiebetuiging door oud-president Michelle Bachelet. Zijn kiezers waren nu ‘Chilenen’ en niet langer ‘kameraden’. En zo werd hij president van Chili.
In vrijwel alle Latijns-Amerikaanse landen verzet de bevolking zich tegen ongelijke verdeling van welvaart en macht. Een op het oog kleine maatregel kan een massa op de been brengen.
DOSSIER DE STRAAT OP
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 171, december 2019.
Latijns-Amerika is het zat. Zo zat dat het bloed van de demonstranten ervan door hun aderen kolkt en de straten in de steden ervan zinderen. Zat zijn ze het, omdat er al sinds het begin van deze eeuw institutioneel noch economisch iets aan de problemen is gedaan. Nul komma nul. Daarom gaan de mensen – met name in Uruguay, Bolivia, Chili, Ecuador en Haïti – weer de straat op om te laten zien hoe zat ze het nog steeds zijn, en om de discussie aan te zwengelen over de structurele problemen van de maatschappij, die door hun regeringen worden verdoezeld, uit de weg gegaan en gerelativeerd.
In 2001 gingen in Argentinië miljoenen burgers de straat op om te protesteren tegen de economische en sociale crisis onder de leuze ‘Dat ze allemaal oprotten!’ In 2011 demonstreerden duizenden studenten in Chili voor meer toegang tot het hoger onderwijs. In 2013 kwam de Braziliaanse bevolking in opstand tegen de verhoging van de tarieven in het openbaar vervoer en de verspilling van miljoenen dollars aan de voorzieningen voor het wereldkampioenschap voetbal. Maar tot nog toe zijn de regeringsleiders erin geslaagd de diffuse macht van het protest te neutraliseren, door middel van beloften die uiteindelijk niet worden nagekomen of door hervormingen die niet meer dan pleisters op de wonden zijn, of anders door pure onderdrukking.
De onvrede onder de bevolking uit zich op zichtbare wijze – demonstraties – en op onzichtbare wijze – in 2010 gaf 30 procent van de bevolking nog aan tevreden te zijn over de economie, terwijl dat cijfer in 2018 was gezakt naar 16 procent; over diezelfde periode zakte de tevredenheid over de democratie van 61 procent naar 48 procent. De paradox is: de landen die in 2018 het meest tevreden waren over hun economie, Chili en Ecuador (30 procent), zijn uitgerekend de landen waar de meeste demonstraties tegen de ongelijkheid werden gehouden – de grief was dat de economische ontwikkeling uitsluitend ten goede komt aan een klein deel van de bevolking.
Woede
In Haïti eisen demonstranten al maanden het aftreden van een president die geen bevredigende verklaring heeft kunnen geven voor de grote armoede in het land en die geen weerwoord heeft op de aantijgingen van corruptie. Honduras maakt een ernstige politieke crisis door, en ook daar eisen de demonstranten het aftreden van de president, die wordt verdacht van banden met de georganiseerde criminaliteit. Ecuador beleefde woelige dagen na een verhoging van de brandstofprijzen. De opstand, waarbij ten minste zeven doden vielen, brak uit nadat de regering een akkoord had gesloten met het Internationaal Monetair Fonds. In Bolivia is een politieke crisis uitgebroken omdat er werd getwijfeld aan de geldigheid van de verkiezingen.
Al die conflicten komen voort uit de specifieke omstandigheden in de individuele landen, maar allemaal draaien ze om dezelfde onderliggende thema’s: ontevredenheid met en wantrouwen tegen de regering, concentratie van rijkdom bij een kleine minderheid, waardoor de structurele ongelijkheid en de sociale uitsluiting worden versterkt.
Van begin deze eeuw tot 2015 is de regio er qua economische groei en kwaliteit van leven op vooruitgegaan. De indicatoren voor sociale inclusiviteit in de gezondheidszorg, het onderwijs en de infrastructuur zijn significant verbeterd, evenals de indicatoren voor werk en inkomen. Veel factoren hebben aan deze vooruitgang bijgedragen, en die verschillen van land tot land; maar fundamenteel hebben ze te maken met overheidsmaatregelen om de ongelijkheid terug te dringen en met een periode van economische groei die het gevolg was van een stijging van de grondstofprijzen op de internationale markt.
De landen in Latijns-Amerika zijn weliswaar verschillend, maar wat ze gemeen hebben is dat in de afgelopen jaren de armoede in de hele regio is toegenomen. In een rapport van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika van de Verenigde Naties (CEPAL) uit 2019, getiteld Economische perspectieven van Latijns-Amerika, staat dat de armoede tussen 2015 en 2018 in de hele regio met 1,7 procentpunt is gestegen en de extreme armoede met 2,5 procentpunt. Dat wil zeggen dat drie op de tien personen in de regio onder de armoedegrens leven en een op de tien in extreme armoede.
Na dagen van protesten en een golf van geweld in Chili heeft president Sebastián Piñera de maatregel ingetrokken die de aanleiding vormde voor het conflict: de prijsverhoging van een metrokaartje met 30 peso (ongeveer 4 eurocent). Hij dacht misschien dat daarmee de protesten zouden ophouden, zoals enkele weken eerder in Ecuador was gebeurd, toen president Lenín Moreno het decreet had ingetrokken waarmee de subsidie op fossiele brandstoffen werd afgeschaft. Maar dat gebeurde niet. Integendeel: de protesten namen toe. Op straat hadden de mensen een simpele leuze voor de politieke klasse die er blijkbaar niets van begreep: ‘Het zijn geen 30 peso, het zijn 30 jaar’.
Die simpele leuze drukt uit hoezeer de bevolking de ongelijkheid zat is. Latijns-Amerika is de meest ongelijke regio ter wereld, niet alleen in termen van inkomen, maar ook in termen van toegang tot het recht. Het economisch herstel (met een terugval in 2015) bracht wel een verbetering van het armoedepercentage, maar zorgde niet voor structurele veranderingen. De mensen die de armoede zijn ontstegen vormen een kwetsbare opkomende middenklasse wier positie onzeker is en die, omdat ze niet kunnen sparen of zelfs tot over hun oren in de schulden zitten, constant het gevaar lopen opnieuw in armoede te vervallen.
Volgens het eerder geciteerde rapport van de CEPAL uit 2019 bevindt 40 procent van de bevolking in de hele regio zich in deze situatie, met slecht betaald, laaggeschoold werk en weinig of helemaal geen sociaal vangnet. De vooruitgang stagneert, omdat alles structureel bij het oude blijft.
Voor de ongelijkheid zijn weliswaar meerdere oorzaken aan te wijzen, maar de wortels ervan reiken diep in het productiesysteem van de hele regio. De productie in Latijns-Amerika kent weinig diversificatie en is zeer ongelijksoortig, met een concentratie van 50 procent van het laaggeschoold werk in de kwetsbare sectoren die onder de macro-economische groeicijfers blijven. Bovendien steunt de economie historisch op de winning van grondstoffen. Die afhankelijkheid heeft op alle fronten negatieve gevolgen: de concurrentiekracht ten opzichte van andere regio’s in de wereld is uitzonderlijk laag en er is geen enkel perspectief op duurzaamheid. Bovendien brengt de winning van grond-stoffen zowel de natuur als de samenleving onherstelbare schade toe.
Maar het zijn niet alleen materiële factoren die de ongelijkheid veroorzaken. Het koloniale verleden heeft de regio met een culturele erfenis van privileges opgezadeld die een tweede natuur is geworden. In de collectieve verbeelding heeft zich het idee vastgezet dat sommige mensen rechten hebben en andere niet. Zo heeft een inheems meisje op het platteland veel meer kans op een leven in armoede, zonder toegang tot schoon drinkwater of goed onderwijs, dan een jongetje uit de grote stad. En het zijn niet alleen sociaal-economische factoren die de rechten van het individu bepalen, maar ook parameters als het geslacht, de etniciteit en de geografie. Gelijkheid in de zin van volledige aanspraak op alle mensenrechten, ongeacht de omstandigheden, is voor Latijns-Amerika een stip op een zeer verre horizon.
Maar de cultuur van privileges betekent niet dat de ongelijkheid zomaar passief wordt geaccepteerd. Integendeel: dat is de soep waarin de sociale opstand gaar kookt. Ongelijkheid is om te beginnen al een hinderpaal voor sociale integratie. De scherpe scheiding tussen de maatschappelijke klassen komt op velerlei niveaus tot uiting: van de segregatie in de stad in het onderwijs en de huisvesting tot aan de levensverwachting toe.
Naarmate de economie groeit, worden grote delen van de samenleving in de marge gedrukt, en dat roept spanningen op, vooral als de mensen zien dat de privileges berusten op overgeërfde posities, of op vriendjespolitiek of regelrechte corruptie. Dat ondergraaft de legitimiteit van de instituties en genereert onbehagen en maatschappelijke instabiliteit die uiteindelijk leiden tot massale protesten.
Uitsluiting
Als we kwesties onder de loep nemen, zoals de gezondheidszorg, de voedselvoorziening, de toegang tot schoon drinkwater, huisvesting en vast werk, zien we duidelijk de realiteit van het dagelijks leven achter de macro-economische variabelen. Zo is de toegang tot schoon drinkwater, een voorziening die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2010 werd erkend als een van de rechten van de mens, lang niet altijd gegarandeerd.
40% van de Latijns-Amerikanen loopt het risico om in armoede te vervallen door onzeker werk en gebrek aan een sociaal vangnet.
In 2015 beschikte 65 procent van de Latijns-Amerikanen over een betrouwbare watervoorziening en was slechts 22 procent aangesloten op riolering. Vooral de plattelandsbevolking heeft van dit gebrek te lijden. Aan de andere kant leeft een kwart van de bevolking in de stedelijke gebieden in armoedige omstandigheden. En ten slotte zijn er, volgens een rapport van de Inter-nationale Arbeidsorganisatie, in de regio 140 miljoen mensen zonder vast werk. Dat is de helft van de werkzame bevolking.
De statistieken over de hele regio laten de omvang van de uitsluiting zien, en de nationale en lokale cijfers brengen de ongelijkheid aan het licht. Beide tonen de realiteit van een regio die, ondanks alle vooruitgang, nog steeds moeite heeft de structuren te ontmantelen die verhinderen dat de hele bevolking in staat wordt gesteld haar volledige sociale, politieke, economische en culturele rechten uit te oefenen.
Privéonderwijs
In 2011 gingen in heel Chili studenten de straat op om te demonstreren voor openbaar en inclusief onderwijs. Die protesten brachten aan het licht hoe exclusief het hoger onderwijs is, hoe het alleen toegankelijk is voor een klein segment van de bevolking dat het kan betalen, terwijl de rest zich diep in de schulden moet steken om te kunnen studeren. Maar tegelijk barstte daarmee de discussie los over de maatschappelijke ongelijkheid en de toegang tot basisvoorzieningen als zorg en onderwijs. Binnen het huidige model, dat is gebaseerd op accumulatie van macht, rijkdom en prestige, leidt een systeem van privéonderwijs onherroepelijk tot een consolidatie van de ongelijkheid, die bovendien nog wordt gerechtvaardigd door een cultuur van privileges.
In alle landen van Latijns-Amerika vind je privéscholen en privé-universiteiten, en wat openbaar onderwijs wordt genoemd is in feite staats-onderwijs. Veel onderwijsinstellingen van de staat hebben een hoog niveau en genieten veel aanzien, maar voor vele geldt dat ook niet, en de kwaliteitskloof in het onderwijs, tussen en binnen landen, is nog steeds erg groot. Daarom spreken we van staatsonderwijs in plaats van openbaar onderwijs, want een openbare voorziening dient voor iedereen dezelfde kwaliteit te hebben en op dezelfde wijze bij te dragen aan de waardigheid van de burger.
De helft van de werkzame bevolking in Latijns-Amerika zit zonder vast werk
Bernardo Toro, een Colombiaanse filosoof en lid van de Fundación Avina, een ngo die zich inzet voor duurzame ontwikkeling in Latijns-Amerika, zegt dat ‘wanneer het onderwijs van verschillende kwaliteit is, het niet leidt tot de ontplooiing maar tot de afbrokkeling van de maatschappij’.
In Latijns-Amerika zal een proces van integratie pas mogelijk zijn als er wordt afgerekend met een situatie waarin sommigen beter onderwijs krijgen dan anderen. Dat impliceert dat de bijl aan de wortel van het systeem moet worden gezet om gelijke kansen voor iedereen te creëren, en dat betekent ingrijpen in alle sectoren van de samenleving: gezondheidszorg, vervoer, veiligheid en openbare ruimte. Om de ongelijkheid te verminderen moeten er meer openbare voorzieningen komen en dat vereist een transitie naar een nieuw model dat, in tegenstelling tot het huidige, zorg voorop stelt en alle lagen van de bevolking en alle nationale staten achter hetzelfde doel verenigt: het creëren van voorwaarden om iedereen een waardig leven te gunnen.
Bezet de politiek
De instelling van nieuwe democratische instituties en de versterking en uitbouw van hun sociale en politieke bevoegdheden zullen ervoor zorgen dat de machtsverhoudingen verschuiven en er meer ruimte komt voor participatie in alle geledingen van de democratie. Een voorbeeld is de consolidatie van politieke actiegroepen zoals Ocupar la Política [Bezet de Politiek] in Brazilië, Mexico en Colombia, die niet alleen politiek en beleidsmatig aan de knoppen willen draaien, maar ook bereid zijn actie te ondernemen voor de invulling en implementatie van hervormingen in het democratisch bestel. Die nieuwe actiegroepen bieden een platform voor andere stemmen en andere segmenten van de bevolking die traditioneel werden buitengesloten van de macht.
De inwoners van het Japanse stadje Yahaba verdedigen in politieke debatten het standpunt van toekomstige burgers. En dat werkt, zegt de Britse filosoof Roman Krznaric. Er worden minder voorzichtige beslissingen genomen.
In zijn afscheidsrede in 1796 riep George Washington de Amerikanen op om ‘de last die de onze is geweest niet gewetenloos aan het nageslacht door te geven’. Hij had het over de staatsschuld, maar vandaag kan zijn waarschuwing ook gelden voor vele andere problemen en risico’s die aan de burgers van morgen worden overgelaten: van klimaatveranderingen en de gevaren van kunstmatige intelligentie tot het institutionele racisme dat van de ene generatie op de andere wordt doorgegeven.
George Washington had het zwakke punt van de democratie vastgesteld: het feit dat de miljarden mensen die na ons komen en door onze keuzes worden beïnvloed, niets te zeggen hebben
Of hij zich er nu van bewust was of niet, George Washington had het zwakke punt van de democratie vastgesteld: het feit dat de vele miljarden mensen die na ons zullen komen en door onze keuzes worden beïnvloed, niets te zeggen hebben. Ze hebben geen rechten, en niemand vertegenwoordigt hen. Hun belangen kunnen niet concurreren met de dwingende noodzaak van presidentsverkiezingen of het hectische tempo van non-stopnieuws. En aangezien ze nog geen belichaamd bestaan hebben, hebben ze niet de middelen om directe acties uit te voeren.
Toch laten de burgers van morgen op zeer ingenieuze wijze hun stem horen.
Er is niets uitzonderlijks aan Yahaba, een Japans stadje met 27.000 inwoners, behalve het feit dat het een van de origineelste ervaringen uit de geschiedenis van de moderne democratie herbergt. Sinds 2015 nemen de inwoners er deel aan Future Design, een unieke vorm van participatieve democratie, waarbij ze worden uitgenodigd op openbare bijeenkomsten om te praten over projecten rond de toekomst van hun stad. Aanvankelijk verdedigen deelnemers hun eigen standpunt, maar dan, en daar wordt het interessant, trekken ze kleurrijke japonnen aan en stellen ze zich voor dat ze in 2060 leven.
Het verbazingwekkende is dat de inwoners, wanneer ze zich in hun soortgenoten van 2060 verplaatsen, veel minder voorzichtige maatregelen eisen, of het nu gaat om gezondheid of om de strijd tegen klimaatverandering. Dankzij Future Design hebben de inwoners van Yahaba aanvaard dat hun waterrekening met 6 procent is gestegen om een langetermijninvestering te kunnen maken in de infrastructuur, die nodig is voor een goed beheer van het water van de stad. Ze realiseerden zich dat het essentieel was voor hun kinderen en kleinkinderen.
De ervaring is zo’n succes dat de burgemeester van Yahaba in april 2019 een Bureau voor Toekomstige Strategieën opzette, zodat Future Design bij alle besluitvorming kan worden ingezet. De methode sloeg in Japan al snel aan en wordt inmiddels ook gebruikt in grote steden als Kyoto, Matsumoto en Suita.
Begin 2020 hebben inwoners van Uji, een stad ten zuiden van Kyoto, een burgervergadering opgericht naar het model van Future Design. Zelfs het Japanse ministerie van Financiën gebruikt ‘toekomstig design’ als een instrument om het kortetermijndenken, dat de implementatie van economische strategieën domineert, tegen te gaan.
‘Als we dit niet doen, is de continuïteit van ons bestaan in gevaar’
Voor een in Japan geboren beweging [die is gebaseerd op werk van de economische faculteit van Kochi-universiteit, in het zuiden van het eiland Shikoku], is de oorsprong van Future Design verrassend. ‘We werden geïnspireerd door de [Noord-Amerikaanse] Irokezen, die bij elke besluitvorming willen anticiperen op het welzijn van toekomstige zeven generaties’, zegt de grondlegger van de beweging, Tatsuyoshi Saijo, hoogleraar economie aan het Future Design Research Institute in Kochi.
Al worden mensen duidelijk verleid door onmiddellijke beloningen, onze hersenen weten beter dan we denken hoe ze voor de langere termijn moeten plannen en toekomstige mogelijkheden moeten overwegen. ‘Projecteren in de toekomst is niet gemakkelijk voor ons brein’, zegt Saijo, ‘maar er is nu een hele reeks neurowetenschappelijke onderzoeken die onthullen dat onze hersenen wel degelijk in staat zijn deze grote sprong in het onbekende te maken.’
Wereldwijde beweging
Voor Saijo is Future Design essentieel om de klimaatcrisis aan te pakken. De uiteindelijke ambitie is dat deze methode gestalte krijgt in een nieuw ministerie van de Toekomst, in de praktijk wordt gebracht op internationale topconferenties zoals de G20 en door steden en dorpen over de hele wereld wordt overgenomen. ‘We moeten sociale structuren ontwerpen die ons vermogen activeren om onszelf in de toekomst te projecteren’, zegt hij. ‘Als we dat niet doen, is de continuïteit van ons bestaan in gevaar.’
Future Design is slechts één voorbeeld van de snel groeiende wereldwijde beweging om een einde te maken aan de kortzichtige visie die het politieke leven teistert. Zo kent Wales een afgevaardigde voor toekomstige generaties, wiens rol het is de impact van overheidsbeleid op het welzijn van de burgers over dertig jaar grondig te bestuderen. Er wordt momenteel actief campagne gevoerd om voor het hele Verenigd Koninkrijk een eigen afgevaardigde te benoemen.
Overheden zullen zich altijd moeten concentreren op noodsituaties, zoals de coronacrisis, maar deze initiatieven laten zien dat het mogelijk is om de belangen van toekomstige generaties aan te pakken door middel van maatregelen die in het heden zijn geworteld. En ze raken aan een inzicht van Jonas Salk, de man die in 1955 het poliovaccin uitvond en zag hoe belangrijk het was om soms een stap terug te doen. ‘De belangrijkste vraag die gesteld moet worden’, schreef hij, ‘is de volgende: zijn wij goede voorouders?’
Welke lessen voor de toekomst kunnen we trekken uit 2020? De Israëlische denker en historicus Yuval Noah Harari zet ze op een rijtje en komt tot een heldere conclusie: de enige reden waarom deze pandemie uit de hand is gelopen, is de politiek.
Keuze uit het archief
Na het rampjaar 2020 dacht de wereld dat 2021 het jaar zou worden dat we ‘samen corona onder controle zouden krijgen’ (dixit de Rijksoverheid). Er was immers een keur aan uitstekend werkende vaccins ontwikkeld. Niets bleek minder waar, er zijn nieuwe, besmettelijkere, varianten als delta en omikron opgekomen en het coronabeleid heeft geen een derde, vierde en zoveelste golf kunnen voorkomen.
Had de politiek maar Yuval Noah Harari geluisterd. Lees zijn profetische woorden en oplossingen voor de coronacrisis.
Door velen wordt de vreselijke tol die het coronavirus heeft geëist gezien als bewijs van de hulpeloosheid van de mens ten opzichte van de natuur. Maar in feite heeft 2020 aangetoond dat de mensheid verre van hulpeloos is. Epidemieën zijn niet langer onbedwingbare natuurkrachten. Dankzij de wetenschap zijn ze nu tot op zekere hoogte te controleren.
Waarom zijn er dan zoveel sterfte- en ziektegevallen geweest? Vanwege slechte politieke beslissingen.
Vroeger hadden mensen als ze met een plaag als de Zwarte Dood werden geconfronteerd, geen idee wat de oorzaak was of wat ertegen kon worden gedaan. Toen de griep van 1918 toesloeg, slaagden de beste wetenschappers ter wereld er niet in het dodelijke virus te identificeren, waren veel maatregelen die werden genomen nutteloos en liepen pogingen om een effectief vaccin te ontwikkelen op niets uit.
Met covid-19 was dat heel anders. De eerste alarmbellen over een mogelijke nieuwe epidemie klonken eind december 2019. Op 10 januari 2020 hadden wetenschappers niet alleen het verantwoordelijke virus geïsoleerd, maar ook het genoom ervan gesequenced en de informatie online gepubliceerd. Binnen enkele maanden werd duidelijk welke maatregelen de infectieketens konden vertragen en stoppen. Binnen minder dan een jaar waren er verschillende effectieve vaccins in massaproductie. In de oorlog tussen mens en ziekteverwekker is eerstgenoemde nog nooit zo machtig geweest.
Het leven naar online verplaatst
Naast de ongekende prestaties van de biotechnologie, heeft het coronajaar ook de kracht van informatietechnologie onderstreept. Vroeger kon de mensheid epidemieën zelden stoppen, omdat de infectieketens niet in realtime konden worden gevolgd en omdat de economische kosten van langdurige lockdowns te hoog waren. In 1918 kon je mensen die de gevreesde griep kregen in quarantaine plaatsen, maar je kon de presymptomatische of asymptomatische dragers niet traceren. En als je de hele bevolking van een land destijds zou hebben bevolen enkele weken binnen te blijven, zou dat hebben geleid tot economische ondergang, sociale instorting en massale hongersnood.
In 2020 daarentegen maakte digitale surveillance het veel gemakkelijker om de verspreiding te volgen en te lokaliseren, wat quarantaine zowel selectiever als effectiever maakt. Belangrijker is nog dat automatisering en het internet langdurige lockdowns mogelijk maakten, althans in ontwikkelde landen. Hoewel de ervaring in sommige delen van de wereld deed denken aan plagen uit het verleden, heeft de digitale revolutie in een groot deel van de ontwikkelde wereld alles veranderd.
Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden
Neem de landbouw. Duizenden jaren lang was de voedselproductie afhankelijk van menselijke arbeid, en ongeveer 90 procent van de mensen werkte in de landbouw. Tegenwoordig is dit in ontwikkelde landen niet langer het geval. In de VS werkt slechts ongeveer 1,5 procent van de mensen op boerderijen, en dat is niet alleen genoeg om iedereen in e igen land te voeden, maar ook om van de VS een belangrijke voedselexporteur te maken. Bijna al het werk op de boerderij wordt gedaan door machines, die immuun zijn voor ziekten. Lockdowns hebben dus maar een kleine impact op de landbouw.
Stel u een tarweveld voor tijdens het hoogtepunt van de Zwarte Dood. Als je de landarbeiders zou vragen om in de oogsttijd thuis te blijven, komt er honger. Als je ze vraagt om te komen oogsten, kunnen ze elkaar besmetten. Wat te doen?
Stelt u zich nu hetzelfde tarweveld voor in 2020. Een enkele maaidorser met GPS-besturing kan het hele veld veel efficiënter oogsten – en zonder kans op infectie. Terwijl in 1349 een gemiddelde boerenknecht ongeveer vijf bushel per dag oogstte [ca. 35 liter], vestigde een maaidorser in 2014 een recordoogst door dertigduizend bushels per dag te oogsten. Bijgevolg had covid-19 geen significante invloed op de wereldwijde productie van basisvoedsel zoals tarwe, maïs en rijst.
Om mensen te voeden, is het niet voldoende om graan te oogsten. Je moet het ook vervoeren, soms over duizenden kilometers. Gedurende het overgrote deel van de geschiedenis was handel een van de grootste boosdoeners in tijden van epidemieën. Dodelijke ziekteverwekkers trokken de wereld over op koopvaardijschepen en karavanen. De Zwarte Dood liftte bijvoorbeeld van Oost-Azië naar het Midden-Oosten langs de Zijderoute, en het waren Genuese koopvaardijschepen die de ziekte vervolgens naar Europa brachten. Het grote risico met de handel was dat elke wagen een bestuurder nodig had, tientallen zeelieden nodig waren om zelfs kleine zeeschepen te besturen, en overvolle schepen en herbergen broeinesten van ziekten waren.
In 2020 kon de wereldhandel min of meer vlot doorlopen, doordat er maar heel weinig mensen bij betrokken waren. Een grotendeels geautomatiseerd hedendaags containerschip kan meer ton vervoeren dan de koopvaardijvloot van een heel vroegmodern koninkrijk. In 1582 had de Engelse koopvaardijvloot een totaal laadvermogen van 68.000 ton en waren er ongeveer 16.000 bemanningsleden nodig. Het containerschip OOCL Hong Kong, gedoopt in 2017, kan zo’n 200.000 ton vervoeren met een bemanning van slechts 22 personen.
Cruiseschepen met honderden toeristen en vliegtuigen vol passagiers hebben weliswaar een grote rol gespeeld in de verspreiding van covid-19. Maar toerisme en reizigers zijn niet essentieel voor de handel. Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden. Terwijl het internationale toerisme in 2020 kelderde, daalde het volume van de wereldwijde maritieme handel met slechts 4 procent.
Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele
Automatisering en digitalisering hebben een nog grotere impact gehad op de dienstverlening. In 1918 was het ondenkbaar dat kantoren, scholen, rechtbanken of kerken konden blijven functioneren als ze gesloten waren. Hoe kun je lesgeven als leerlingen en docenten thuis zitten? Nu weten we het antwoord. De overschakeling op online kende veel nadelen, niet in de laatste plaats de immense mentale tol die deze eiste. En het heeft ook tot voorheen onvoorstelbare problemen geleid, zoals advocaten die als kat voor de rechtbank verschenen. Maar het feit dat het überhaupt kan, is verbazingwekkend.
In 1918 bewoonde de mensheid alleen de fysieke wereld, en toen het dodelijke griepvirus hierdoorheen trok, konden we nergens heen vluchten. Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele. Toen het coronavirus door de fysieke wereld circuleerde, verlegden velen een groot deel van hun leven naar de virtuele wereld, waar ze veilig waren voor het virus.
Mensen zijn natuurlijk nog steeds fysieke wezens en niet alles kan worden gedigitaliseerd. Het covid-jaar heeft de cruciale rol benadrukt die vaak slechtbetaalde beroepen spelen bij het in stand houden van de menselijke beschaving: verplegers, sanitairwerkers, vrachtwagenchauffeurs, kassiers, bezorgers. Er wordt vaak beweerd dat elke beschaving slechts drie maaltijden verwijderd is van barbarij. In 2020 vormden bezorgers de dunne rode lijn die de beschaving bij elkaar hield. Ze werden onze belangrijkste verbinding met de fysieke wereld.
Het internet houdt stand
Wanneer we activiteiten online automatiseren, digitaliseren en verschuiven, stelt dat ons bloot aan nieuwe gevaren. Een van de meest opmerkelijke gegevens van het covid-jaar is dat het internet niet kapot ging. Als we plotseling de hoeveelheid verkeer op een fysieke brug vergroten, kunnen we verkeersopstoppingen verwachten, misschien dat hij zelfs instort. In 2020 verschoven scholen, kantoren en kerken bijna van de ene op de andere dag naar online, maar het internet hield stand.
We staan hier nauwelijks bij stil, maar dat moeten we wel doen. 2020 heeft ons geleerd dat het leven kan doorgaan, zelfs als een heel land fysiek op slot zit.
Probeer je nu eens voor te stellen wat er gebeurt als onze digitale infrastructuur crasht.
Informatietechnologie heeft ons veerkrachtiger gemaakt tegenover organische virussen, maar het heeft ons ook veel kwetsbaarder gemaakt voor malware en cyberoorlogvoering. Mensen vragen vaak: ‘Wat is de volgende pandemie?’ Een aanval op onze digitale infrastructuur is een vooraanstaande kandidaat. Het duurde enkele maanden voordat het coronavirus zich over de wereld verspreidde en miljoenen mensen besmette. Onze digitale infrastructuur kan in één dag instorten. En scholen en kantoren konden snel naar online verschuiven. Maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben om van e-mail terug te schakelen naar snailmail?
Wat telt?
Het coronajaar heeft een nog belangrijkere beperking van onze wetenschappelijke en technologische kracht blootgelegd. Wetenschap kan de politiek niet vervangen. Bij beleidsbeslissingen moeten we rekening houden met veel belangen en waarden, en aangezien er geen wetenschappelijke manier is om te bepalen welke belangen en waarden het zwaarst wegen, is er geen wetenschappelijke manier om te beslissen wat we moeten doen.
Bij de beslissing om een lockdown af te kondigen, is het bijvoorbeeld niet voldoende om te vragen: ‘Hoeveel mensen zullen worden besmet met covid-19 als we geen lockdown opleggen?’ We moeten ook de vraag stellen: ‘Hoeveel mensen zullen in een depressie belanden als we wel een lockdown opleggen? Hoeveel mensen zullen te lijden hebben onder slechte voeding? Hoeveel van ons zullen school missen of hun baan verliezen? Hoevelen zullen worden mishandeld of vermoord door hun echtgenoten?’
Zelfs als al onze gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn, moeten we ons altijd afvragen: ‘Wat tellen we? Wie beslist wat er moet worden geteld? Hoe beoordelen we de cijfers ten opzichte van elkaar?’ Dit is meer een taak van de politiek dan van de wetenschap. Het zijn politici die de medische, economische en sociale afwegingen in evenwicht moeten brengen en met een alomvattend beleid moeten komen.
Net zo creëren ingenieurs nieuwe digitale platforms die ons helpen te functioneren tijdens een lockdown, en nieuwe bewakingstools die ons helpen beschermen tegen virussen. Maar digitalisering en toezicht brengen onze privacy in gevaar en openen de weg voor de opkomst van ongekende totalitaire regimes. In 2020 is massasurveillance zowel legitiemer als gebruikelijker geworden. Het bestrijden van de epidemie is belangrijk, maar zijn we bereid onze vrijheid ervoor op te geven? Het is de taak van politici en niet van de ingenieurs om de juiste balans te vinden tussen nuttige bewaking en dystopische nachtmerries.
Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een monitoringsysteem op te zetten om uitgaven te controleren, geloof het dan niet
Drie basisregels kunnen ons een eind op weg helpen in de bescherming tegen digitale dictaturen, zelfs in tijden van een pandemie. Ten eerste, wanneer u gegevens over mensen verzamelt – vooral over wat er in hun eigen lichaam gebeurt – moeten deze gegevens worden gebruikt om deze mensen te helpen in plaats van hen te manipuleren, te controleren of te schaden. Mijn persoonlijke arts weet veel zeer persoonlijke dingen over mij. Dat vind ik prima, want ik vertrouw erop dat mijn arts deze gegevens in mijn voordeel gebruikt. Mijn arts mag deze gegevens niet aan een bedrijf of politieke partij verkopen. Zo zou het ook moeten zijn met elke vorm van een ‘pandemische toezichthoudende autoriteit’ die we eventueel instellen.
Ten tweede moet toezicht altijd twee richtingen op bewegen. Als het toezicht alleen van boven naar beneden gaat, stevenen we af op een dictatuur. Dus wanneer het toezicht op individuen wordt vergroot, moet tegelijkertijd het toezicht op de overheid en grote bedrijven groter worden.
In de huidige crisis verdelen regeringen enorme bedragen. Het proces van toewijzing van middelen moet transparanter worden gemaakt. Als burger wil ik gemakkelijk kunnen inzien wie wat krijgt en wie beslist waar het geld naartoe gaat. Ik wil ervoor zorgen dat het geld naar bedrijven gaat die het echt nodig hebben, in plaats van naar een grote concern waarvan de eigenaren bevriend zijn met de een of andere minister. Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een dergelijk monitoringsysteem op te zetten, geloof het dan niet. Als het niet te ingewikkeld is om te monitoren wat jij doet, is het ook niet te ingewikkeld om te monitoren wat de overheid doet.
Ten derde: sta nooit toe dat te veel gegevens op één plaats worden geconcentreerd. Niet tijdens de epidemie, en ook niet daarna. Een datamonopolie is een recept voor dictatuur. Dus als we biometrische gegevens over mensen verzamelen om de pandemie te stoppen, moet dit worden gedaan door een onafhankelijke gezondheidsautoriteit in plaats van door de politie. De resulterende gegevens moeten gescheiden worden gehouden van andere grote dataopslagplaatsen van ministeries en grote bedrijven.
Zeker, dit zal tot extra werk en inefficiëntie leiden. Maar inefficiëntie is een kenmerk, geen bug. U wilt de opkomst van digitale dictatuur voorkomen? Houd de dingen dan altijd een beetje inefficiënt.
Verantwoordelijkheid
De ongekende wetenschappelijke en technologische successen van 2020 hebben de coronacrisis niet kunnen oplossen. Ze veranderden de epidemie van een natuurramp in een politiek dilemma. Toen de Zwarte Dood miljoenen slachtoffers maakte, verwachtte niemand veel van de koningen en keizers. Ongeveer een derde van alle Engelsen stierf tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood [en naar schattingen geldt dat gemiddelde voor alle landen van Europa], maar dit zorgde er niet voor dat koning Edward III van Engeland zijn troon verloor. Het lag duidelijk buiten de macht van heersers om de epidemie te stoppen, dus niemand gaf hen de schuld van een mislukking.
Maar vandaag heeft de mensheid de wetenschappelijke instrumenten om covid-19 te stoppen. Verschillende landen, van Vietnam tot Australië, hebben bewezen dat de beschikbare instrumenten de epidemie zelfs zonder vaccin kunnen stoppen. Deze tools hebben echter een hoge economische en sociale prijs. We kunnen het virus verslaan, maar we weten niet zeker of we bereid zijn de kosten van de overwinning te betalen. De wetenschappelijke verworvenheden hebben dus een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van politici gelegd.
De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden
Helaas zijn te veel politici deze verantwoordelijkheid niet nagekomen. De populistische presidenten van de VS en Brazilië bijvoorbeeld bagatelliseerden het gevaar, weigerden gehoor te geven aan experts en voedden in plaats daarvan samenzweringstheorieën. Ze kwamen niet met een degelijk federaal actieplan en saboteerden pogingen van staats- en gemeentelijke autoriteiten om de epidemie een halt toe te roepen. De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden.
In het VK lijkt de regering aanvankelijk meer bezig te zijn geweest met de brexit dan met covid-19. Ondanks al haar isolationistische beleid, slaagde de regering-Johnson er niet in Groot-Brittannië te isoleren van het enige wat er echt toe deed: het virus. Mijn thuisland Israël heeft ook geleden onder politiek wanbeheer. Net als Taiwan, Nieuw-Zeeland en Cyprus is Israël in feite een ‘eilandland’, met gesloten grenzen en slechts één hoofdtoegangspoort – Ben Gurion Airport. Op het hoogtepunt van de pandemie heeft de regering van Netanyahu echter toegestaan dat reizigers de luchthaven passeren zonder quarantaine of zelfs maar een behoorlijke screening, en nagelaten een eigen lockdownbeleid af te dwingen.
Zowel Israël als het VK hebben vervolgens een voortrekkersrol gespeeld bij het uitrollen van de vaccins, maar hun eerdere verkeerde inschattingen hebben een grote tol geëist. In Groot-Brittannië heeft de pandemie het leven gekost aan 120.000 mensen, waarmee het op de zesde plaats in de wereld staat qua gemiddelde sterftecijfers. Ondertussen heeft Israël het zevende hoogste gemiddelde aantal bevestigde gevallen, en nam het om de ramp het hoofd te bieden zijn toevlucht tot een ‘vaccins for data’-deal met het Amerikaanse bedrijf Pfizer. Pfizer stemde ermee in om Israël te voorzien van voldoende vaccins voor de hele bevolking, in ruil voor enorme hoeveelheden waardevolle gegevens, wat bezorgdheid opwekte over privacy en datamonopolie. De transactie toonde maar weer eens aan dat de gegevens van burgers nu een van de meest waardevolle staatsbezittingen zijn.
Hoewel sommige landen veel beter presteerden, is de mensheid als geheel er tot dusver niet in geslaagd de pandemie in te dammen of een wereldwijd plan te bedenken om het virus te verslaan. De eerste maanden van 2020 waren alsof we een ongeluk in slow motion zagen gebeuren. Moderne communicatie maakte het voor mensen over de hele wereld mogelijk om in realtime de beelden te zien, eerst uit Wuhan, vervolgens uit Italië en daarna uit steeds meer landen – zonder dat daar wereldwijd leiderschap op volgde om te voorkomen dat een catastrofe de wereld zou overspoelen. De tools waren er, maar politieke wijsheid ontbrak maar al te vaak.
Vaccinatienationalisme
Een van de redenen voor de kloof tussen wetenschappelijk succes en politiek falen is dat wetenschappers wereldwijd samenwerkten, terwijl politici de neiging hadden om ruzie te maken. Terwijl ze onder veel stress en in grote onzekerheid werkten, deelden wetenschappers over de hele wereld vrijelijk informatie en vertrouwden ze op elkaars bevindingen en inzichten. Veel belangrijke onderzoeksprojecten werden uitgevoerd door internationale teams. Een grootschalig onderzoek dat de doeltreffendheid van lockdownmaatregelen aantoonde, werd bijvoorbeeld uitgevoerd door onderzoekers van negen instellingen: één in het VK, drie in China en vijf in de VS.
Daarentegen zijn politici er niet in geslaagd een internationale alliantie tegen het virus te vormen en overeenstemming te bereiken over een mondiaal plan. De twee grootste grootmachten ter wereld, de VS en China, hebben elkaar beschuldigd van het achterhouden van essentiële informatie, het verspreiden van desinformatie en complottheorieën, en zelfs van het opzettelijk verspreiden van het virus. Talrijke andere landen hebben naar het schijnt gegevens over de voortgang van de pandemie vervalst of achtergehouden.
‘In deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang’
Het gebrek aan wereldwijde samenwerking manifesteert zich niet alleen in deze informatieoorlogen, maar nog meer in conflicten over de schaarse medische apparatuur. Hoewel er zeker gevallen van samenwerking en vrijgevigheid zijn geweest, is er geen serieuze poging gedaan om alle beschikbare middelen te bundelen, de wereldwijde productie te stroomlijnen en een rechtvaardige distributie van voorraden te garanderen. In het bijzonder vaccinnationalisme creëert een nieuw soort wereldwijde ongelijkheid tussen landen die hun bevolking kunnen vaccineren, en landen die dat niet kunnen.
Het is triest om te zien dat velen een simpel feit over deze pandemie niet begrijpen: zolang het virus zich overal blijft verspreiden, kan geen enkel land zich echt veilig voelen. Stel dat Israël of het VK erin slaagt het virus binnen zijn eigen grenzen uit te roeien, maar het blijft zich verspreiden onder honderden miljoenen mensen in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Een nieuwe mutatie in een afgelegen Braziliaanse stad zou het vaccin ineffectief kunnen maken en kunnen resulteren in een nieuwe golf van infectie.
In de huidige noodsituatie zal een beroep op louter altruïsme waarschijnlijk niet prevaleren boven nationale belangen. Maar in deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking echter geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang.
Antivirus voor de wereld
Dscussies over wat er in 2020 is gebeurd, zullen jarenlang worden gevoerd. Maar mensen van alle politieke kampen zouden het eens moeten zijn over ten minste drie hoofdlessen.
Ten eerste moeten we onze digitale infrastructuur beschermen. Die is onze redding geweest tijdens deze pandemie, maar kan omslaan in de bron van een nog veel grotere ramp.
Ten tweede zou elk land meer moeten investeren in zijn volksgezondheidssysteem. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar politici en kiezers slagen er soms in de meest voor de hand liggende les te negeren.
Ten derde moeten we een krachtig wereldwijd systeem opzetten om pandemieën te controleren en te voorkomen. In de eeuwenoude oorlog tussen mensen en ziekteverwekkers vormt het lichaam van ieder mens de frontlinie. Als die linie ergens op de planeet wordt doorbroken, brengt dat ons allemaal in gevaar. Zelfs de rijkste mensen in de meest ontwikkelde landen hebben er persoonlijk belang bij de armste mensen in de minst ontwikkelde landen te beschermen. Als een nieuw virus van een vleermuis naar een mens springt in een arm dorp in een afgelegen jungle, kan de ziekte binnen een paar dagen op Wall Street rond woekeren.
Het geraamte van zo’n wereldwijd antivirussysteem bestaat al in de vorm van de Wereldgezondheidsorganisatie en verschillende andere instellingen. Maar de budgetten die dit systeem ondersteunen zijn beperkt, en het heeft nauwelijks politieke macht. We moeten dit systeem politieke invloed geven en veel meer geld, zodat het niet volledig afhankelijk zal zijn van de grillen van zelfzuchtige politici.
Als bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen
Zoals eerder opgemerkt, vind ik niet dat experts die daar niet voor zijn gekozen de taak moeten krijgen cruciale beleidsbeslissingen te nemen. Die taak moet voorbehouden blijven aan politici. Maar een onafhankelijke wereldwijde gezondheidsautoriteit zou het ideale platform zijn om medische gegevens te verzamelen, mogelijke gevaren in de gaten te houden, alarm te slaan en onderzoek en ontwikkeling te sturen.
Veel mensen zijn bang dat covid-19 het begin markeert van een golf van nieuwe pandemieën. Maar als de bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen. De mensheid kan het ontstaan van nieuwe ziektes niet voorkomen; dit is een natuurlijk evolutieproces dat al miljarden jaren aan de gang is en ook in de toekomst zal doorgaan. Maar vandaag de dag beschikt de mensheid over de kennis en instrumenten die nodig zijn om te voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker zich verspreidt en omslaat in een pandemie.
Als covid-19 zich in 2021 desondanks blijft verspreiden en miljoenen slachtoffers maakt, of als een nog dodelijkere pandemie de mensheid treft in 2030, zal dit noch een oncontroleerbare natuurramp zijn, noch een straf van God. Het zal een menselijk falen zijn, en om precies te zijn een falen van de politiek.
In #179, april 2020, publiceerden wij ‘Lakmoesproef van burgerschap’, Harari’s voorspellingen voor het jaar waarop hij hier terugblikt. U leest het hier.
Nu de regering van Joe Biden de erfenis van Donald Trump in Latijns-Amerika begint te ontmantelen, lijken landen in die regio voorzichtig optimistisch over de kans op constructievere banden met hun grote noorderbuur.
Bidens snelle overschakeling op een humaner immigratiebeleid geeft een krachtig signaal af. De president belooft zijn beleid te baseren op nationale (in plaats van persoonlijke) belangen en waarden, met hernieuwde aandacht voor democratie, mensenrechten en corruptiebestrijding. Ook geeft hij grote prioriteit aan de strijd tegen klimaatverandering.
Nadruk moet liggen op handel, ontwikkelingshulp en zakelijke investeringen
Maar de bittere realiteit waar Latijns-Amerika mee kampt, kan deze nieuwe regering nog danig dwarsbomen in haar doelen en ambities voor deze regio, die gebukt gaat onder geweld en grote ongelijkheid. Al sinds 2013 zit Latijns-Amerika in een neerwaartse spiraal die alle maatschappelijke en economische vooruitgang teniet heeft gedaan die in het decennium daarvoor was geboekt.
Linkse zowel als rechtse regeringen laten het afweten: de middenklasse krimpt en extreme armoede en werkloosheid rijzen de pan uit, met sociale onrust en protesten tot gevolg. De politiek raakt steeds meer gepolariseerd en wordt conflictueuzer, en de tevredenheid over de democratie is in decennia niet zo laag geweest. De hele regio is inmiddels een vruchtbare voedingsbodem voor autoritair leiderschap.
De coronapandemie legt de maatschappelijke problemen genadeloos bloot: de zwakte van de instituties, de diepgewortelde corruptie in politiek en bedrijfsleven, en het systematische falen van gezondheidszorg, onderwijs en andere vormen van openbare dienstverlening. Volgens het IMF zal het bbp per hoofd van de bevolking in de economieën van Latijns-Amerika op zijn vroegst in 2025 weer op het niveau zijn van voor de pandemie.
Veel economen voorspellen een verloren decennium dat vergelijkbaar met of nog erger zal zijn dan de schuldencrises van de jaren tachtig. En het is vooral zorgwekkend dat de regio nog nooit zo verdeeld is geweest en verstoken van eendrachtig leiderschap. Elk land kiest een andere koers en het gebrek aan onderlinge samenwerking is opvallend.
Biden zal zich in zijn beleid ten aanzien van Latijns-Amerika beperkt weten door de vele binnenlandse problemen die hij heeft geërfd en die veel aandacht, geld en politiek kapitaal gaan kosten. Europa en Azië zullen in zijn buitenlandbeleid meer prioriteit krijgen dan Latijns-Amerika. Hij aarzelde gelukkig niet om meteen duidelijk te maken dat het nieuwe Latijns-Amerika-beleid van de VS sterk zal verschillen van dat onder zijn voorganger. Het stopzetten van de bouw van de muur langs de grens met Mexico, veranderingen in de regelgeving rond asielaanvragen, de hereniging van gezinnen die op wrede wijze uit elkaar zijn gehaald en andere voorgestelde hervormingen van het immigratiebeleid zullen in de hele regio met gejuich zijn ontvangen. En de eerste tekenen van een nieuwe houding tegenover Venezuela en Cuba zijn eveneens bemoedigend.
In het geval van Venezuela wordt pragmatische diplomatie verwacht, waarin de VS weer samen met de EU tot serieuze onderhandelingen probeert te komen. En ook met Cuba zal de VS waarschijnlijk meer betrekkingen aangaan, ongeveer zoals tijdens de dooi onder Obama in 2015. Een stoere opstelling in de vorm van dreigementen en harde sancties is tot nu toe contraproductief geweest, en vooral ook schadelijk voor gewone burgers.
Bereidwillige partners
Wel zal de regering-Biden het moeilijk krijgen met het vinden van bereidwillige partners voor de verdediging van de democratie in Latijns-Amerika. Sommige Latijns-Amerikaanse regeringen vonden het wel prettig dat Trump ze hun gang liet gaan op het gebied van democratie en mensenrechten. De afgelopen vier jaar bestond ‘samenwerking’ met de VS vooral uit tegemoetkoming aan de eisen van dat land, met name op het gebied van immigratie.
Deze regeringen zullen zich nu op hun nationale soevereiniteit en de onwenselijkheid van inmenging in binnenlandse aangelegenheden beroepen als de regering van Biden openlijk stevige standpunten inneemt over bijvoorbeeld de militaire corruptie in Mexico, de ontbossing in Brazilië of het vermoorden van activisten in Colombia.
Het moreel gezag van de Verenigde Staten als hoeder van de democratie heeft in de afgelopen vier jaar steeds meer deuken opgelopen, met als hoogtepunt de bestorming van het Capitool op 6 januari. Biden zal er nog een hele kluif aan krijgen om te laten zien dat Trump een uitzondering was en de VS een betrouwbare en geloofwaardige partner is als het gaat om mensenrechten en democratie. Hij zal ten aanzien van alle regeringen in de regio een consistente lijn moeten volgen, ongeacht of ze links of rechts zijn, en ook al tonen ze zich bereid de Verenigde Staten op andere punten tegemoet te komen. Een goede behandeling van immigranten en serieuze aandacht voor ongelijkheid en racisme binnen de Verenigde Staten zouden het aanzien van zijn regering op dit vlak versterken.
Daarnaast moet Trump vooral niet worden nagevolgd in zijn pogingen om China te demoniseren en de groeiende Chinese invloed in Latijns-Amerika te beschrijven in bewoordingen die doen denken aan de Koude Oorlog. In plaats daarvan moet Biden zijn belofte nakomen om te zorgen dat zijn eigen land in deze regio effectiever kan concurreren. De nadruk moet liggen op een toename van de handel, ontwikkelingshulp en zakelijke investeringen in Latijns-Amerika.
Biden zal er een kluif aan krijgen om te laten zien dat Trump een uitzondering was
Bidens aandacht zal daarbij vooral uitgaan naar de zogenaamde Noordelijke Driehoek: Guatemala, Honduras en El Salvador, de voornaamste herkomstlanden van illegale immigranten in de VS. Als vicepresident stond hij al aan de wieg van de Alliance for Prosperity, een samenwerkingsverband met landen in de regio, en als president heeft hij nu een pakket van 4 miljard dollar voorgesteld om op het gebied van economie, veiligheid en bestuur de achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken. Een lovenswaardig idee, maar de welig tierende corruptie in veel van deze landen maakt de uitvoering van zo’n ambitieus plan erg moeilijk.
Gezien de uitdagingen waar de VS zich in zijn Latijns-Amerika-beleid voor gesteld ziet, zou Biden er verstandig aan doen te kiezen voor een klein aantal bescheiden en realistische doelstellingen. De nijpende binnenlandse problemen hebben voor zijn regering de hoogste prioriteit. Maar om duidelijk te maken dat zijn land niet langer een koers vaart van ‘America First’, is met name samenwerking in de bestrijding van de pandemie van cruciaal belang.
Herstel economie
De Verenigde Staten hebben zich weer aangesloten bij de Wereldgezondheidsorganisatie en bij Covax, een wereldwijd initiatief voor de levering van coronavaccins. Wat de regering-Biden nu ook zou moeten overwegen, is een serieus initiatief om de Latijns-Amerikaanse landen te helpen een eind te maken aan de pandemie en een begin te maken met het herstel van de economie en de sociale rechtvaardigheid.
Een cruciale eerste stap zou bestaan uit financiële en logistieke hulp bij de inkoop van vaccins en de brede verspreiding daarvan onder de bevolking, en dan met name de kwetsbaarste groepen. Er is niets wat het vertrouwen in en de samenwerking met de Verenigde Staten zo zou opvijzelen als hulp op dit gebied.
Vorige week werd de 66-jarige ontwikkelingseconome Ngozi Okonjo-Iweala uit Nigeria aangesteld als directeur van de Wereldhandelsorganisatie WHO. Wereldwijd stonden politici, waarnemers en de pers te juichen omdat er eindelijk een zwarte, Afrikaanse vrouw aan het hoofd staat van een grote internationale instelling. Niet iedereen vindt die staande ovatie terecht.
‘Ngozi Okonjo-Iweala schrijft geschiedenis’, aldus France24 in een video-verslag over haar aanstelling. ‘Een goed gekwalificeerde nieuwe leider voor de WHO’, vindt Council on Foreign Relations. ‘Nigeriaanse krachtpatser wordt hoofd WHO’, aldus Financial Times. ‘Vrouw’, ‘zwart’, ‘Afrikaans’, ‘dapper’, ‘briljant’, ‘spijkerhard’: de aanprijzingen waren niet aan te slepen nadat bekend werd dat Okonjo-Iweala naar Genève kan vertrekken met de opdracht om de stroperige WHO vlot te trekken.
Kritiek moment
‘Zelfs voor een econoom komen er veel zeer grote getallen voor in het leven van Ngozi Okonjo-Iweala’, schrijft The Guardian in een portret. ‘Als voorzitter van Gavi, de alliantie voor vaccinatie van kinderen tegen dodelijke en slopende infectieziekten, zag ze toe op de jaarlijkse vaccinatie van miljoenen kinderen. Als algemeen directeur van de Wereldbank hield ze toezicht op $ 81 miljard (€ 66,8 miljard) aan activiteiten. Als minister van Financiën van Nigeria pakte ze de $ 30 miljard schuld van het meest bevolkte land van Afrika aan. En ze heeft 1,5 miljoen volgers op Twitter.’
The Guardian somt ook nog een reeks van kleinere getallen op die ertoe doen,zoals ‘de twintig non-profitorganisaties die haar hebben benoemd in hun adviesraden; de grote banken en bedrijven die ze heeft geadviseerd; de tien eredoctoraten naast haar eigen doctoraat; een twintigtal onderscheidingen; tientallen belangrijke rapporten en boeken.’ En dan zijn er natuurlijk nog de prestigieuze lijsten waarop haar naam prijkt, zoals die van ’s werelds honderd machtigste vrouwen; ’s werelds honderd meest invloedrijke mensen en de tien meest invloedrijke vrouwen van Afrika, om maar enkele te noemen.
Haar aanstelling tot Directeur-Generaal van de WHO, ‘een positie die nog nooit eerder werd bekleed door een Afrikaan, noch door een vrouw’, geeft haar de leiding over een organisatie met een begroting van $ 220 miljoen en 650 personeelsleden en komt op een kritiek moment. Hervormingen zijn namelijk broodnodig, schrijft de krant. ‘Dit is het moment om alle ervaring aan te spreken die ze heeft opgedaan gedurende haar veertigjarige carrière. Gaat Okonjo-Iweala de klus klaren?’
Burgeroorlog
Okonjo-Iweala was zes jaar oud toen Nigeria in 1960 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië, aldus The Guardian. ‘Ze groeide op in een klein dorpje in Delta, de zuidelijke staat van het land. Haar ouders, beiden vooraanstaande academici, hadden beurzen gekregen om in Europa te studeren, dus zij en haar zes broers en zussen werden opgevoed door hun grootmoeder. Het leven was niet gemakkelijk. Tegen de tijd dat ze negen was, had Okonjo-Iweala leren koken en hout halen en verrichtte ze veel huishoudelijke taken.’
Doordat er een burgeroorlog uitbrak tussen de separatistische staat Biafra en de Nigeriaanse centrale regering werd haar opleiding onderbroken en werd ze geconfronteerd met nieuwe ontberingen. Toen haar driejarige zusje chronisch ziek werd van malaria, was het Okonjo-Iweala die haar naar een dokterspraktijk vijf kilometer verderop droeg, waar ze zich door een menigte van zeshonderd mensen heen wurmde en door een raam klom om de behandeling te vragen die het leven van haar zusje zou redden.
‘Ik at één maaltijd per dag. Er stierven kinderen. Daardoor heb ik heb geleerd heel zuinig te leven. Ik zeg vaak dat ik me zowel op een moddervloer als onder een donzen dekbed comfortabel kan voelen. Door wat we hebben meegemaakt, ben ik tot iemand geworden die het zonder spullen kan stellen.’
Probleemvrouw
Nadat de burgeroorlog tussen Nigeria en Biafra in 1970 eindigde, vertrok Okonjo-Iweala naar de VS om economie te studeren aan Harvard en MIT, het Massachusetts Institute of Technology. Ze trouwde met haar jeugdliefde en ging in 1979 op vijfentwintigjarige leeftijd aan de slag bij de Wereldbank, waar ze gestaag opklom in de hiërarchie. Ze schopte het tot tweede in de rangorde en reisde de wereld over.
Uiteindelijk vertrok ze in 2003 na vijfentwintig jaar bij de Wereldbank omdat ze werd gevraagd minister van Financiën van Nigeria te worden. Die functie vervulde ze twee keer en ze was korte tijd ook nog minister van Buitenlandse Zaken. Als minister van Financiën werd Okonjo-Iweala geconfronteerd met de enorme schulden van Nigeria en wachtte haar een keiharde strijd om economische hervormingen door te voeren.
‘Toen ik minister van Financiën werd, noemden ze me Okonjo-Wahala, ofwel: Probleemvrouw’, zei ze in een interview met The Guardian in 2005. ‘Het betekent letterlijk zoiets als: Ik ben de hel. Maar het kan me niet schelen hoe ik genoemd wordt. Ik ben een vechter. Ik ben erg gefocust op wat ik doe en ik ben meedogenloos in wat ik wil bereiken, tot in het extreme. Als je me voor de voeten loopt, krijg je een schop.’
Okonjo-Iweala pakte de schuldenberg van Nigeria aan door sceptische westerse mogendheden ervan te overtuigen hulp te verlenen. Gordon Brown, destijds premier van Groot-Brittannië, noemde haar ‘een briljante hervormer’, volgens The Guardian, ‘hoewel anderen minder waardering hadden voor de afspraken die ze met schuldeisers maakte. Sommige commentatoren wijzen erop dat ze veel van de beloften die ze aan Nigerianen deed over economische groei en het scheppen van banen niet is nagekomen.’
‘Ze kan heel vastberaden en brutaal zijn, misschien zelfs angstaanjagend voor sommige mensen, maar tegelijkertijd is ze altijd zichzelf. Het is een vrouw die ons aan het lachen maakt’, citeert The Guardian Ada Osakwe, een econome die in de Nigeriaanse regering met Okonjo-Iweala samenwerkte.
Armere landen protesteren al lang tegen de voordelen die de WHO ontwikkelde landen zou gunnen
Nu met het aftreden van de regering-Trump de weerstand tegen haar benoeming is weggevallen, krijgt ze de leiding over de WHO. Daarmee komt ze onder een vergrootglas te liggen, want deze functie is niet alleen veel invloedrijker maar ook veel zichtbaarder dan alle andere posities die Okonjo-Iweala ooit bekleedde, aldus The Guardian.
‘De in Genève gevestigde organisatie heeft al decennialang te maken met bittere kritiek van alle kanten. De WHO was het primaire doelwit van de beweging die protesteerde tegen de schandelijkste gevolgen van het kapitalisme en globalisering, omdat ze daar als representant van wordt gezien. Meer recentelijk werd de WHO aangevallen door de VS omdat ze de problematiek van het Chinese staatskapitalisme niet heeft weten aan te pakken.’
Armere landen protesteren al lang tegen de voordelen die de WHO ontwikkelde landen zou gunnen en tegen hun relatieve gebrek aan invloed op de besluitvorming, vergeleken met rijkere staten. Vooral landbouwsubsidies zijn een specifiek twistpunt. ‘De WHO wist al jaren geen grote multilaterale handelsovereenkomst meer te sluiten en de hoop is tanende dat de organisatie overbevissing weet te beperken of de wildwest-praktijken rond e-commerce kan intomen.’ En dan is er volgens The Guardian natuurlijk ook nog eens de coronapandemie, die leidt tot worstelende economieën en groeiend protectionisme wereldwijd.
‘De WHO heeft een frisse blik nodig, een fris gezicht, een buitenstaander, iemand die in staat is om hervormingen door te voeren en die met de leden kan samenwerken’, zo zei Okonjo-Iweala onlangs in een interview met CNN. ‘Die ervoor kan zorgen dat de WHO uit haar gedeeltelijke verlamming geraakt.’
De benoeming van Okonjo-Iweala is een ‘grote stap voor Afrika en een grote stap voor de wereld’, vindt Osakwe, de eerder geciteerde econome die met haar samenwerkte. ‘Zo’n opmerkelijk talentvolle vrouw die het roer overneemt van een instelling die opgeschud moet worden. Kijk maar naar wat er met de handel in de wereld gebeurt, zoals de strijd tussen de VS en China.’ Okonjo-Iweala, zo zegt Osakwe, ‘is in de loopgraven geweest’.
Uiterste voorzichtigheid
Ondanks al deze lof slaat Francisco Perez een andere toon aan op de website Africa is a Country. Perez noemt zichzelf activist voor een solidaire economie, is docent en onderzoeker en bezig zijn studie economie aan de Universiteit van Massachusetts in Amherst af te ronden. Hij is de directeur van het Centre for Popular Economics, dat pleit voor ‘economie gericht op mensen, niet op winsten’. Het is een non-profitcollectief van politieke economen die ‘economie van haar mystiek willen ontdoen en die bruikbare economische instrumenten ontwikkelen voor mensen die vechten voor sociale en economische rechtvaardigheid’.
In zijn artikel ‘Black faces in high places’ voor Africa is a Country, roept Perez links in Afrika op de benoeming van Ngozi Okonjo-Iweala met ‘uiterste voorzichtigheid’ te beschouwen.
‘Ngozi Okonjo-Iweala, de voormalige minister van Financiën en Buitenlandse Zaken van Nigeria’, zo begint Perez, ‘was eerder in 2012 in de race om voorzitter van de Wereldbank te worden, maar de voormalige Amerikaanse president Barack Obama koos de Amerikaan Jim Yong Kim voor die functie. Gedurende haar campagne voor de Wereldbank, en later voor de WHO, onderstreepten veel commentatoren het belang van een zwarte Afrikaanse vrouw aan het hoofd van een grote internationale financiële instelling als “een bepalend moment voor Afrika, dat al lang zucht onder de laars van buitenlandse mogendheden en financiële instellingen”.’
Maar pan-Afrikaans links moet dergelijke ‘identiteitspolitiek’ verwerpen als het louter om de representatie van identiteit gaat, vindt Perez. ‘Want als een zwarte Afrikaanse vrouw hetzelfde neoliberale beleid verdedigt dat de economische ontwikkeling van Afrika heeft belemmerd, dan is dat contraproductief.’
‘Samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank maakt de WHO deel uit van de “Onheilige Drie-eenheid” van internationale instellingen die het wereldwijde handels- en financiële systeem besturen ten voordele van grote multinationale ondernemingen en hun aandeelhouders en ten koste van ecosystemen en arbeiders wereldwijd’, schrijft Perez. ‘De WHO werd in 1995 opgericht op het hoogtepunt van het neoliberale triomfalisme na de Koude Oorlog. Als permanente organisatie verving de WHO het lossere General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Anders dan GATT kon de WHO gemakkelijker sancties opleggen aan landen die probeerden buitenlandse handel te beperken, door een mechanisme in het leven te roepen dat geschillen tussen staten beslecht. Onder Trump werd dat mechanisme eind vorig jaar overigens gesaboteerd.
De GATT stond regeringen van Ontwikkelingslanden toe bescheiden vormen van bescherming in te voeren voor hun prille industrie en voor handelsbeperkingen die ontwikkelingsdoeleinden ten goede kwamen. Met de WHO wilden Amerikaanse en Europese regeringen deze mogelijkheden juist afzwakken en de principes van vrijhandel uitbreiden tot diensten en intellectueel eigendom. Een wereldwijde coalitie van arbeiders- en milieugroeperingen verraste de organisatie door met protesten de jaarlijkse bijeenkomst in Seattle in 1999 te verstoren.
Levert Okonjo-Iweala een Afrikaans gezicht aan de agenda van het Noorden om vrijhandel uit te breiden en de macht van grote multinationals te versterken?
Ondanks de aanprijzing een ‘ontwikkelingsronde’ te zijn, in naam gericht op de behoeften van de armste landen, liep de laatste reeks van wereldwijde handelsbesprekingen spaak toen regeringen uit het Zuiden, onder leiding van India en China, zich verzetten tegen het verder openstellen van hun markten voor Noord-Amerikaans, West-Europees en Japans kapitaal. Ze drongen erop aan dat regeringen in het Noorden hun markten zouden openstellen voor de export van landbouwproducten uit het Zuiden door handelsbarrières te verkleinen en vooral door de enorme subsidies voor hun eigen agro-industrie aan banden te leggen’, aldus Perez. Dat leidt tot de vraag aan wiens kant het nieuwe hoofd van de WHO staat.
‘Levert Okonjo-Iweala een Afrikaans gezicht aan de agenda van het Noorden om vrijhandel uit te breiden en de macht van grote multinationals te versterken? Of juist aan het gevecht van zuidelijke regeringen om internationale handel ondergeschikt te maken aan hun prioriteiten voor hun eigen binnenlandse ontwikkeling? Nigeria heeft een reputatie van protectionisme, dusdanig dat voorstanders van een Afrikaanse continentale vrijhandelszone vrezen dat die er niet komt, en Okonjo-Iweala staat bekend als een orthodoxe econoom met een decennialange carrière bij de Wereldbank. Haar kandidatuur om voorzitter van de Wereldbank te worden, werd gesteund door onder meer The Economist en The Financial Times, die nu niet bepaald bekend staan als vrienden van Afrikaanse arbeiders en boeren.’
Impopulair besluit
‘Het beleid van Okonjo-Iweala in Nigeria leidde tot woede bij links. Velen waren tegen haar eerste grote daad als minister van Financiën. Die betrof afspraken met de Club van Parijs, een groepering van westerse en Japanse crediteuren, om de buitenlandse schuld van Nigeria in 2003 te herstructureren. Ze onderhandelde over een vermindering van de Nigeriaanse schuld van zo’n $ 35 miljard naar $ 17,4 miljard, inclusief een onmiddellijke afbetaling van $ 12,4 miljard. Veel Nigeriaanse progressieven betoogden dat die schuld was ontstaan door corrupte militaire dictaturen, dat geldschieters wisten dat het geld zou worden gestolen en dat de bevolking van Nigeria daarom geen dollar terug zou moeten betalen. De schuld was verfoeilijk en had moeten worden afgewezen. De miljarden aan terugbetalingen hadden ten goede kunnen komen van leraren, verpleegsters en infrastructuur.’
Ook tijdens haar tweede periode als minister van Financiën haalde Okonjo-Iweala de woede van links op haar hals, aldus Perez. ‘Ze werd in januari 2012 het publieke gezicht van het zeer impopulaire besluit om subsidies op brandstof af te schaffen, hetgeen leidde tot een verdubbeling van de transportprijzen van de ene op de andere dag en tot een scherpe stijging van de kosten voor levensonderhoud. Miljoenen Nigerianen meenden dat de brandstofsubsidie het enige voordeel was dat ze hadden van de enorme olierijkdom van hun land en ze vertrouwden er niet op dat hun politieke leiders geld zouden overhevelen naar sociale uitgaven, zoals ze beloofden. De afschaffing van de subsidies leidde tot een nationale staking en tot protesten van Occupy Nigeria, waaraan cultuurdragers als Seun Kuti, Wole Soyinka en Chinua Achebe deelnamen.’
Niet veel vertrouwen
Perez betoogt dat ‘zwart’, ‘Afrikaans’ en ‘vrouw’, niet per se een belofte inhouden. ‘In de decennia sinds het einde van het formele kolonialisme hebben veel Afrikanen op harde wijze geleerd dat leiders die eruitzien zoals zij en klinken zoals zij, weinig verschil maken als ze een beleid voeren dat de meesten van hen schaadt.
De keuze voor Okonjo-Iweala om de WHO te leiden, doet er alleen toe als dat leiderschap beleidsruimte opent voor ontwikkelingslanden om een industrieel beleid te kunnen voeren. De hoop is dat een WHO-directeur uit het Zuiden meer sympathie zal hebben voor de uitdagingen die het mondiale handelssysteem aan perifere economieën stelt, maar de staat van dienst van Okonjo-Iweala wekt in dit opzicht niet veel vertrouwen.
Hoewel het ‘herenakkoord’ tussen Amerika en Europa, dat regelt dat het hoofd van het IMF altijd een Europeaan is en het hoofd van de Wereldbank een Amerikaan, niet te rechtvaardigen is, moet pan-Afrikaans links aandringen op een rechtvaardiger mondiale economie, en niet simpelweg op meer ‘zwarte gezichten op hoge posten’.
Donald Trump beschreef de QAnon-groepering, die bekendstaat om de complottheorieën die ze uitdraagt, nog als een groep mensen die ‘gewoon staan voor goede politiek’. Bellingcat dook in de ontstaansgeschiedenis van deze beweging zoals alleen zij dat kunnen.
Keuze uit het archief
Ex-president van de VS Donald Trump meldde zich donderdag bij de federale rechtbank in Washington om de viervoudige aanklacht te horen die tegen hem is ingebracht. Een van die vier aanklachten betreft zijn betrokkenheid bij de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, toen hij een schare fans ophitste en opriep om de zetel van de democratische regering te bezetten. Onder deze aanhangers waren ook leden van QAnon, een groepering die bekend geworden is dankzij haar extreme denkbeelden en samenzweringstheorieën. Dit artikel gaat terug naar de wortels van deze beweging en zoekt uit hoe zij zo invloedrijk geworden is.
Op 6 januari brak chaos uit in Washington toen aanhangers van president Trump het Capitool bestormden. In de consternatie wist QAnon-adept van het eerste uur ‘de Q-sjamaan’ de senaatszaal te bereiken en plaats te nemen op het spreekgestoelte. Hij was zeker niet de enige QAnon-aanhanger onder de aanwezigen: een andere leidde de bestorming. Opnieuw staat deze gevaarlijke en eclectische groep samenzweerders in de schijnwerpers: een hele prestatie voor een beweging die pas drie jaar geleden op een onlineforum het licht zag.
Op 28 oktober 2017 zag een anonieme gebruiker op het /pol/-gedeelte van 4chan, [pol is een afkorting van ‘politically correct’] een notoir alt-right imageboard, het volgende bericht staan: ‘op maandagochtend 30 oktober zal Hillary Clinton tussen 7:45 en 8:30 uur worden gearresteerd’, en besloot te reageren.
Deze gebruiker zou later de naam ‘Q Clearance Patriot’ aannemen (al snel afgekort tot ‘Q’). Q hintte dat hij een legerofficier was uit de naaste omgeving van de president. Dit paste goed in de cultuur van het forum, waar ‘live action role playing’ (LARP) een speciale betekenis had aangenomen: een LARP’er is iemand die suggereert zich in welingelichte kringen te bevinden.
De teksten van deze anonymous – tot dusver bijna vijfduizend berichten – markeerden het begin van de QAnon-samenzweringstheorie. Zijn eerste bericht (of ‘Q drop’ zoals zijn volgelingen ze noemen) wordt vaak genoemd als het ontstaansmoment van de QAnon-beweging. Toch klopt dat om twee redenen niet helemaal.
De ene is triviaal: Q werd pas bekend na een latere reeks berichten; zijn eerste ontboezemingen bleven aanvankelijk onopgemerkt en werden pas op 11 november door 4chan-gebruikers herontdekt. De tweede reden gaat dieper: Q’s oorsprong valt niet los te zien van de heersende cultuur op /pol/: een allegaartje van racisme, antisemitisme en (hier het meest relevant) extreemrechtse samenzweringstheorieën. QAnon ontsproot aan deze cultuur, die al veel langer op /pol/ heerste. Ideeën als die van Q waren er gemeengoed en hij vond er zijn inspiratie.
Cultuur
Wil je dus het ontstaan van Q begrijpen, dan moet je je eerst over de cultuur op /pol/ buigen. De kern van de QAnon-mythe is deze: samen met een kleine groep militaire inlichtingenofficieren, genaamd het Q-team (waar de auteur van de berichten bij hoort), voert president Donald Trump een geheime oorlog tegen een kliek satanvererende, kinderetende pedofielen die samenzweren om hem te dwarsbomen en af te zetten. Het leger werkt aan het plan om hen massaal gevangen te zetten, in een operatie genaamd ‘de Storm’.
Dat Q’s profetieën zelden uitkwamen was geen probleem, want ‘desinformatie is noodzakelijk’
Aanvankelijk heette het dat dit geheime genootschap vooral ‘politici’ onder zijn leden telde. Een maand later waren er ook ‘celebrities’ bij die ‘HRC [Human Rights Campaign, een lhbt-belangenvereniging] hadden gesteund’. Een paar maanden later waren het er te veel om in Guantánamo Bay te passen; nog weer later schenen er drie andere ‘detentiecentra’ voor hen te zijn ‘opgezet’. Iedereen die het waagde [voormalig] president Trump tegen te werken of te ergeren moest haast wel lid zijn van het genootschap, naast uiteraard voor de hand liggende figuren als belegger en filantroop George Soros.
Militaire tribunalen zullen deze baby-etende verraders na de Storm laten executeren of op zijn minst levenslang opsluiten. Het verschrikte publiek zal, geconfronteerd met het overweldigende bewijs van het bestaan van het genootschap, treuren, in woede ontsteken en zich tot slot achter Trump scharen, waarna een gouden tijdperk van patriottisme en welvaart aanbreekt. In deze korte samenvatting ontbreken nog de wildere QAnon-theorieën (bijvoorbeeld dat Noord-Korea onder leiding stond van de CIA maar nu door Trump en het Q-team is bevrijd).
Ook een ander belangrijk aspect van het QAnon-wereldbeeld is nog niet genoemd, dat elke publieke daad of uitspraak van Trump of een verondersteld lid van het genootschap verborgen boodschappen kan bevatten, voor QAnon-gelovigen gemakkelijk te doorschouwen. En dan is er nog de slagzin: ‘desinformatie is noodzakelijk’, die je kunt zien als een prachtig excuus voor al Q’s niet uitgekomen voorspellingen, met als bijkomend voordeel dat de gelovigen alleen die onderdelen van de theorie hoeven te omarmen die hen aanspreken.
Vanuit deze bescheiden en excentrieke aanvang maakte QAnon een explosieve groei door. Aanvankelijk beperkte die groei zich tot 4chan, waar Q op /pol/ furore maakte. Niet veel later begon een stel 4chan-moderatoren samen met een samenzweringstheoreticus Q’s boodschappen op YouTube onder de aandacht te brengen van een breder publiek. Dit plan had een onverwacht groot succes. Zo’n tien procent van alle Amerikaanse volwassenen gelooft momenteel op zijn minst in sommige QAnon-theorieën, zo bleek vorig jaar uit een enquête van het Pew Research Center.
Die uitkomst komt overeen met die van een ander onderzoek uit 2020, door de Britse ideële organisatie HOPE not hate. Politicoloog Joe Uscinski, die de steun voor QAnon bij een eerdere gelegenheid ‘eerder diep dan breed’ had genoemd, constateerde desalniettemin dat tussen de vijf en de tien procent van de Amerikaanse volwassenen QAnon steunden. Hoe je het ook wendt of keert, miljoenen Amerikanen hechten op zijn minst enig geloof aan QAnon. Maar liefst vijftig procent van Trumps aanhang is het eens met de bewering dat ‘leidende democraten betrokken zijn bij een netwerk van seksuele slavernij’.
Waandenkbeeld
QAnon vond al lang voor de bestorming – of couppoging zoals velen het noemen – zijn weg naar het Capitool. De pasverkozen Republikeinse afgevaardigde Marjorie Taylor Greene, een ‘toekomstige Republikeinse ster’ in de woorden van Trump, schreef dat ‘kindermisbruik, satanisme en occulte praktijken geassocieerd zijn met de Democratische Partij’. Ook nam Greene filmpjes op waarin zij Q omschreef als een ‘patriot’ die ‘zich inzet voor de goede zaak (…) en goede contacten heeft in hogere kringen’. Volgens haar bood hij ‘een buitenkans om dit wereldwijde genootschap van satanisten en pedofielen uit te schakelen’.
Wat maakt QAnon zo aantrekkelijk dat mensen zulke uitzinnige theorieën uitdragen? Lang vóór Q verscheen, stonden er al threads op /pol/ waaruit blijkt dat veel ‘anons’ (zoals 4chan-habitués zichzelf noemen) toen al centrale elementen uit zijn verhaal omarmden. Eén gebruiker legde er al voordat Q over satanisme begon (en zelfs voordat Q de anons was opgevallen) de vinger op: ‘grappig dat iedereen die de /pol/lers niet moeten stiekem lid heet te zijn van een grote joodse samenzwering van kindermisbruikers en duivelaanbidders, die pas aan het licht komt nu steeds meer mensen D (Trump) bedreigen.
Is dat niet gewoon een waandenkbeeld?
En Trump een idioot die impeachment boven het hoofd hangt? Maar 4chan was nu eenmaal dol op uitzinnige beweringen en samenzweringstheorieën: in het jaar voordat Q van zich deed horen werd de Pizzagate-samenzweringstheorie, verreweg de meest directe voorganger van QAnon, alleen al op /pol/ 45.027 keer genoemd.
Duisternis
In de QAnon-folklore begint de Storm met ‘tien dagen van duisternis’, zoals Q een week na zijn eerste bericht schreef. Q’s volgelingen kijken ook nu nog vol spanning uit naar het aanbreken van deze tijd. Direct daarna zal het nieuws vol zijn van ‘onthullingen’ (waarin de regering schokkende feiten zal onthullen die ze tot dan toe verborgen hield). Deze berichten krijgt de burger via speciaal ingelaste uitzendingen op radio en televisie te horen.
Onthuld wordt niet het bestaan van buitenaards leven, maar wel de vergaande verdorvenheid van het genootschap. Tegelijkertijd zullen de laatste verzetshaarden van het genootschap vermorzeld worden en de massale arrestaties onverminderd doorgaan. Deze massa-arrestaties worden live op televisie uitgezonden. Ze leiden de ‘bevrijding van de planeet aarde van de machten der duisternis’ in.
QAnon borduurt voort op Pizzagate; met als verbindende schakel een groep threads onder de naam /HTG/ [Human Trafficking General]. Pizzagate verwierf scharen volgelingen omdat het het juiste doel uitkoos, de juiste beschuldigingen uitte, en tenminste aan het begin, openstond voor de inbreng van deelnemers.
Anons overboden elkaar bij het vinden van ‘bewijzen’ van kindermisbruik, gevonden in gehackte e-mails van het Democratisch Nationaal Comité [het hoogste bestuursorgaan van de Democratische Partij]. Maar die creatieve energie kon niet eeuwig blijven duren: de door te spitten e-mails raakten op, net als het aantal ‘codewoorden’ dat erin viel te ontdekken. Al gauw leverde onderzoek naar Pizzagate weinig spannends meer op en werd het een verzameling ideeën die de anons naar believen konden omarmen of verwerpen.
Zo’n tien procent van alle Amerikaanse volwassenen gelooft momenteel op zijn minst in sommige QAnon-theorieën
De /HTG/-threads die erop volgden werden nooit zo populair als Pizzagate. Toch namen ze precies dezelfde personen in het vizier, uitten dezelfde beschuldigingen en beschikten over een schier oneindige hoeveelheid bronmateriaal, aangeleverd door anons die vanuit hun huiskamer allerlei plekken in de echte wereld ‘onderzochten’. /HTG/ miste echter twee essentiële ingrediënten: een verhaallijn en een verteller. Het ontbrak aan een goed narratief dat de anons konden volgen. En al was dat er wel geweest: het ontbrak ook nog eens aan een begenadigd auteur om het goed over te brengen. Ook namen mensen van buiten de /HTG/-threads voortdurend op de hak.
‘Normies’
Waarom slaagde Q waar zo veel anderen hadden gefaald? Eén verklaring is dat Q precies op het juiste moment met het juiste idee kwam. Bovendien had hij een aansprekende stijl: zijn teksten begonnen vaak met een groot aantal vragen. Andere LARP’ers erkenden dat ruiterlijk – in 2017 schreef MegaAnon, op het moment dat Q op het toneel verscheen misschien wel de meest succesvolste actieve LARP’er, dat Q ‘veel beter een hoop details in een /pol/-vriendelijke vorm weet te verpakken’ dan zij ooit had kunnen doen.
Waarschijnlijk was dit artikel nooit geschreven als Q’s invloed zich had beperkt tot de wereld van /pol/. Maar de mysterieuze auteur wist binnen een paar dagen aan de nauwe grenzen van 4chan te ontsnappen, dankzij een kleine, vastbesloten groep fans die QAnon ook elders op internet onder de aandacht bracht. Zo konden ‘normies’, zoals de anons niet-ingewijden noemen, ook met Q kennismaken.
Waarom slaagde Q waar zo veel anderen hadden gefaald?
Voor sommigen smaakte dat naar meer. Normies – tenminste fanatiek Trumpgezinde, voor samenzweringstheorieën ontvankelijke normies – bleken net zo open te staan voor een vervolg op Pizzagate als de gebruikers van 4chan. Al snel ontstond een gemeenschap op meerdere platforms die veel weg had van /HTG/: een hechte groep volgelingen die, met een geheel eigen werkwijze en bewijsvoering, pedofielen ‘ontmaskerde’, ongehinderd door het uitblijven van resultaten in de echte wereld. Ondertussen produceerde Q aan de lopende band nieuwe teksten, gretig gefileerd door de anons, die zelfs geloof hechtten aan de meest uitzinnige, barokke beweringen. Het feit dat Q’s profetieën zelden uitkwamen was geen probleem, want ‘desinformatie’, zoals Q uitlegde, ‘is noodzakelijk’.
Misschien is dit geen geheel bevredigend antwoord op de vraag wat Q zo succesvol maakte. Het komt erop neer dat ‘Q een handige LARP’er was die zijn publiek slim naar de mond praatte, ideeën uit eerdere LARP-berichten opwarmde en meteen vanaf het begin werd geholpen door een schare fans die zijn teksten buiten 4chan verspreidde’.
Maar hoe het ook zij, de opkomst van Q had enorme, soms tragische, reële consequenties. De QAnon-beweging verwoestte het leven van vele families over de hele wereld – de subreddit QAnonCasualties inventariseert de door QAnon aangerichte schade. En alhoewel de meeste QAnon-volgelingen waarschijnlijk zelf nooit geweld zouden gebruiken, wordt het er politiek wel acceptabeler door. Nog in december beschreef Trump QAnon als een groep mensen die ‘gewoon staan voor goede politiek’.
Drie jaar geleden legde Q op een van de donkerste hoekjes van het internet de basis voor een breed gedragen systeem van overtuigingen. Puttend uit rechtse mediaschandalen, racistische samenzweringstheorieën en de LARP’s van weleer, creëerde hij iets dat groter was dan de som der delen. En daarmee hebben we het alleen nog over de aanbodkant van het fenomeen QAnon gehad, maar het werkelijke probleem ligt aan de kant van de vraag. Om daarop in te gaan moet je diepe breuklijnen in de Amerikaanse maatschappij blootleggen – en oog krijgen voor de gevaarlijke aantrekkingskracht van samenzweringstheorieën.
De enige uitweg uit de crisis is de maatschappij te ontdoen van ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Dat zegt Michael Sandel, de ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’.
Michael Sandel was achttien jaar toen hij zijn eerste belangrijke les kreeg in de kunst van het politiek bedrijven.
De toekomstige filosoof was in 1971 voorzitter van de leerlingenvereniging van zijn highschool in de wijk Pacific Palisades in Los Angeles, op het moment dat Ronald Reagan, de toenmalige gouverneur van de staat California, in diezelfde stad woonde. Sandel, die over gebrek aan zelfvertrouwen nooit te klagen heeft gehad, daagde Reagan uit voor een debat ten overstaan van 2400 linkse tieners. Het was op het hoogtepunt van de oorlog in Vietnam, die had gezorgd voor de radicalisering van een hele generatie, en iedere studentencampus was vijandelijk gebied voor een conservatieve geest. Enigszins tot Sandels verbazing nam Reagan de handschoen op en kwam hij, geheel in stijl, in een zwarte limousine aan bij de universiteit. Het gesprek dat volgde voldeed allerminst aan de verwachtingen van de jeugdige gesprekspartner van de gouverneur.
‘Ik had een lange lijst voorbereid met in mijn ogen erg lastige vragen,’ vertelt de inmiddels 67-jarige Sandel via een videoverbinding vanuit zijn werkkamer in Boston. ‘Over Vietnam, over het stemrecht voor achttienjarigen – waar Reagan tegen was, over de Verenigde Naties, over sociale zekerheid. Ik dacht dat ik hem met zo’n publiek makkelijk de baas zou zijn. Hij reageerde vriendelijk, aimabel en respectvol. Na een uur realiseerde ik me dat ik niet de winnaar van dit debat was, maar de verliezer. Reagan pakte ons in, zonder ons te overtuigen met zijn argumenten. Negen jaar later wist hij op diezelfde manier in het Witte Huis te komen.’
Sandel liet zich niet afschrikken door deze vroege nederlaag, maar ontwikkelde zich tot een van de beroemdste intellectuelen en debaters in de Engelstalige wereld, met een leerstoel aan de Harvard-universiteit. Hij is wel omschreven als een ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’ die vanaf zijn basis op Harvard online een miljoenenpubliek bereikt. Luisteraars van zijn serie The Public Philosopher op BBC Radio 4 zullen vertrouwd zijn met zijn socratische manier van vragen stellen, waarbij hij de aannames van zijn publiek op een spitsvondige manier op de proef stelt. Miljoenen mensen die zijn lezingen over gerechtigheid gratis volgen via YouTube, zullen vertrouwd zijn met het hoge, ernstige voorhoofd en de vriendelijke, zachte manier van spreken.
Politiek is Sandel ontegenzeglijk links georiënteerd. In 2012 zette hij Ed Milibands vernieuwingsplannen voor de Britse Labourpartij intellectuele luister bij, door op het partijcongres van dat jaar een lezing te houden over de morele grenzen van de markt.
Die toespraak, en zijn in datzelfde jaar verschenen boek What Money Can’t Buy, inspireerden Miliband tot zijn kritiek op het ‘roofdierkapitalisme’, waarmee de Labourleider na de financiële crisis een belangrijke bijdrage leverde aan het Britse politieke debat.
What Money Can’t Buy bezegelde Sandels status als wellicht de meest geduchte criticus van het vrijemarktdenken in de Engelstalige wereld. Maar in een tijd waarin de politiek steeds gepolariseerder en giftiger wordt, moet hij steeds vaker terugdenken aan die vroege ontmoeting met Reagan. ‘Die heeft me veel geleerd over het belang van aandachtig luisteren,’ zegt hij, ‘dat evenveel gewicht in de schaal legt als de kracht van argumenten. Voor mij was het een les in wederzijds respect en inclusiviteit in het publieke debat.’
De vraag hoe je deze burgerdeugden nieuw leven kunt inblazen, vormt de kern van Sandels nieuwe boek The Tyranny of Merit, dat afgelopen september verscheen. Hoe kan het – getuige de recente presidentsverkiezingen – diep verdeelde Amerika terugkeren naar een minder rancuneus, genereuzer openbaar leven? Het beginpunt blijkt ongemakkelijk genoeg een afrekening te zijn met de zelfgenoegzaamheid waarin een hele progressieve generatie zich heeft gewenteld.
The Tyranny of Merit is Sandels reactie op de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Voor mensen als Barack Obama, Hillary Clinton, Tony Blair en Gordon Brown zal het uitdagende lectuur zijn. Door het bepleiten van een ‘tijdperk van verdienste’ als oplossing voor de uitdagingen van globalisering, ongelijkheid en de-industrialisatie, zo betoogt Sandel, hebben de Democratische Partij en haar Europese tegenhangers de westerse arbeidersklasse en haar waarden links laten liggen, met rampzalige gevolgen voor het algemeen belang.
Opklimmen
Sandels toon is gematigd als altijd, zijn formuleringen vertonen de kenmerkende souplesse en elegantie. Maar er is enige frustratie voelbaar wanneer hij de opkomst beschrijft van een stroming die hij beschouwt als ondermijnend links individualisme: ‘De oplossing voor de problemen van globalisering en ongelijkheid, zo werd ons aan weerszijden van de Atlantische Oceaan voorgehouden, was dat degenen die hard werken en zich aan de regels houden, zo hoog moeten kunnen opklimmen als hun inspanningen en talenten toelaten. Dat noem ik in het boek de “retoriek van het opklimmen”. Dat werd een geloofsartikel, een schijnbaar oncontroversiële stijlfiguur. We zullen een eerlijk speelveld creëren, werd door centrum-links gezegd, zodat iedereen gelijke kansen heeft. En als we dat doen, zullen degenen die dankzij hun inspanningen, talent en harde werken opklimmen, hun plaats ten volle hebben verdiend.’
De aanbevolen manier om ‘op te klimmen’ was het volgen van een hogere opleiding. Oftewel, om de mantra van Blair te citeren: ‘Education, education, education.’ Sandel citeert een toespraak van Obama uit 2013 waarin de president studenten voorhield: ‘Wij leven in een eenentwintigste-eeuwse wereldeconomie. En in een wereldeconomie kunnen banen overal naartoe gaan. Bedrijven zoeken naar de best opgeleide mensen, waar die ook wonen. Als je geen goede opleiding hebt gevolgd, zal het moeilijk worden om een baan te vinden waarvan je kunt rondkomen.’ Aan degenen die bereid waren de vereiste inspanning te leveren werd beloofd: ‘Dit land zal altijd een plek zijn waar je kunt slagen als je je best doet.’
Tegen deze benadering heeft Sandel twee fundamentele bezwaren. Het eerste, en meest voor de hand liggende, is dat het legendarische ‘eerlijke speelveld’ een hersenschim blijft. Hoewel zijn eigen Harvard-studenten er volgens hem inmiddels in toenemende mate van overtuigd zijn dat hun succes het resultaat is van hun eigen inspanningen, is tweederde van hen afkomstig uit de hoogste inkomensklassen. Datzelfde is het geval op andere gerenommeerde Amerikaanse universiteiten. De relatie tussen sociale klasse en SAT-scores, op grond waarvan de vervolgopleiding van middelbare scholieren wordt bepaald, is onbetwist. In meer algemene zin, merkt Sandel op, stagneert de sociale mobiliteit in |de VS al decennialang. ‘Kinderen van arme ouders blijven als volwassenen meestal arm.’
Succesethiek
Maar het belangrijkste thema van The Tyranny of Merit is de links-liberale consensus die dertig jaar lang heeft geheerst en die nu door Sandel genadeloos op de korrel wordt genomen. Zelfs een perfecte meritocratie, zegt hij, zou een slechte zaak zijn. ‘Het boek probeert aan te tonen dat daar een donkere, demoraliserende kant aan zit,’ legt hij uit. ‘De implicatie is dat degene die niet opklimt dat alleen maar aan zichzelf te wijten heeft.’
De centrum-linkse elite heeft de oude klassenloyaliteit laten varen en een nieuwe rol op zich genomen als moraliserende levenscoach, die zich erop toelegt individuen uit de arbeidersklasse een wereld te helpen vormen waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. ‘Over globalisering,’ zegt Sandel, ‘zeiden deze lieden dat de keuze er niet langer een was tussen links en rechts, maar tussen “open” en “gesloten”. Open betekende een vrije stroom van kapitaal, goederen en mensen over grenzen heen.’ Deze stand van zaken werd niet alleen gezien als onomkeerbaar, maar ook gepresenteerd als heilzaam. ‘Wie er op enigerlei manier bezwaar tegen maakte, was bekrompen, bevooroordeeld en antikosmopolitisch.’
De cultuur was doordesemd van een meedogenloze succesethiek: ‘Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers. Hun inspanningen waren minder effectief geweest. Ze hadden bijvoorbeeld geen universitaire graad behaald.’ Naarmate centrum-links en de vertegenwoordigers ervan een steeds betere economische positie kregen, nam de focus op opwaartse mobiliteit toe. ‘Ze raakten voor hun achterban – en in de VS ook voor hun financiering – steeds meer aangewezen op de hogere beroepsgroepen. In 2008 werd Obama de eerste Democratische presidentskandidaat die meer campagnegeld binnenhaalde dan zijn Republikeinse opponent. Dat was een keerpunt, maar het werd destijds niet opgemerkt of benadrukt.’
In de Verenigde Staten stagneert de sociale mobiliteit al decennialang
Arbeiders werd in feite voorgehouden dat als ze zich niet ‘verbeterden’, ze de last van hun mislukking zelf maar moesten dragen. Velen voelden zich verraden en stemden anders. ‘Het populistische verzet van de afgelopen jaren is een opstand tegen de tirannie van de verdienste, zoals die werd ervaren door degenen die zich vernederd voelen door de meritocratie en door deze algehele politieke ontwikkeling.’
Het is een vernietigende analyse. Sympathiseert hij dan met het trumpisme? ‘Ik koester geen enkele sympathie voor Donald Trump, dat vind ik een verwerpelijke figuur. Maar in mijn boek betuig ik begrip voor degenen die op hem hebben gestemd. Het enige authentieke aan Trump, ondanks zijn ontelbare leugens, is zijn intense gevoel van onzekerheid en zijn diepe wrok tegen de elite, die volgens hem zijn leven lang op hem heeft neer-gekeken. Dat is een zeer belangrijke verklaring voor zijn politieke aantrekkingskracht.
‘Oordeel ik hard over de Democraten? Ja, omdat hun onkritische omhelzing van marktaannames en meritocratie de weg heeft vrijgemaakt voor Trump. Ook al heeft Trump nu de verkiezingen verloren en zal hij de Oval Office moeten verlaten, de Democratische Partij zal alleen in haar missie slagen als ze meer oog heeft voor legitieme grieven en ressentimenten, waaraan de progressieve politiek in het globaliseringstijdperk het nodige heeft bijgedragen.’
Tot zover de diagnose. De enige uitweg uit de crisis, meent Sandel, is het ontmantelen van de meritocratische aannames die een maatschappij van winnaars en verliezers van een moreel keurmerk hebben voorzien. De coronapandemie, en in het bijzonder de nieuwe waardering voor zogenaamd ongeschoold, slecht betaald werk, biedt een beginpunt voor vernieuwing. ‘Dit is het moment om een debat te beginnen over de waardigheid van werk; over de beloning van werk in zowel financiële zin als in termen van waardering. Nu pas realiseren we ons hoe enorm afhankelijk we niet alleen zijn van artsen en verpleegkundigen, maar ook van bezorgers, supermarktmedewerkers, vrachtwagenchauffeurs en mensen in de thuiszorg en de kinderopvang, van wie velen zijn aangewezen op een nulurencontract. Dat noemen we vitale arbeidskrachten, maar het zijn meestal niet de best betaalde of meest gerespecteerde arbeidskrachten.’
Er moet een radicale herevaluatie komen van de manieren waarop bijdragen aan het algemeen welzijn worden beoordeeld en beloond. Het geld dat wordt verdiend in de Londense City of op Wall Street, staat bijvoorbeeld in geen enkele verhouding tot de bijdrage van financiële speculatie aan de reële economie. Belasting op financiële transacties moet fondsen vrijmaken die op een eerlijker manier kunnen worden verdeeld. Maar voor Sandel is het woord ‘eer’ even belangrijk als de betalingskwestie. Er moet een herverdeling komen van zowel waardering als geld, en van beide moet er meer gaan naar de miljoenen mensen die werk doen waarvoor geen universitaire graad is vereist.
‘We moeten opnieuw nadenken over de rol van universiteiten als poortwachters van kansen,’ zegt hij, ‘een rol die we langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen.
Diplomaterreur is het laatste aanvaardbare vooroordeel geworden. Het zou een ernstige vergissing zijn om de investering in beroepsopleidingen en leertrajecten over te laten aan rechts. Meer investeringen zijn niet alleen belangrijk om mensen zonder een hogere opleiding te helpen de kost te verdienen; de publieke erkenning die eruit voortvloeit kan meer waardering kweken voor de bijdrage aan het algemeen welzijn door mensen die niet naar de universiteit zijn geweest.’
Nieuw respect en een andere status voor niet-gediplomeerden, zegt hij, zouden eindelijk eens gepaard moeten gaan met enige nederigheid van de kant van de winnaars van de zogenaamde meritocratische wedloop.
Aan degenen die, zoals veel van zijn Harvard-studenten, geloven dat ze hun eigen succes simpelweg verdienen, geeft Sandel de wijsheid van Prediker mee: ‘Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hard-loper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom (…) Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.’
Nederigheid
‘Nederigheid is een burgerdeugd die op dit moment van wezenlijk belang is,’ zegt Sandel, ‘omdat het een nood-zakelijk tegengif is tegen de meritocratische overmoed die ons uiteen heeft gedreven.’
The Tyranny of Merit is het nieuwste salvo in Sandels levenslange intellectuele strijd tegen een sluipend individualisme dat sinds het tijdperk van Reagan en Thatcher overheersend is geworden in westerse democratieën. ‘Jezelf als selfmade en zelfvoorzienend beschouwen. Dat beeld van het zelf oefent grote aantrekkingskracht uit, omdat het je op het eerste gezicht macht geeft: ik red het zelf wel, ik kom er wel, als ik mijn best maar doe. Het is een bepaalde kijk op vrijheid, maar wel een die gebreken vertoont. Het leidt tot een competitieve marktmeritocratie die scheidslijnen versterkt en solidariteit ondermijnt.’
Sandel hanteert een vocabulaire dat liberale ideeën over autonomie aan de kaak stelt op een manier die decennialang uit de mode is geweest. Woorden als ‘ondergeschiktheid’, ‘schuldplichtigheid’, ‘mysterie’, ‘nederigheid’ en ‘geluk’ komen herhaaldelijk voor in zijn boek. De impliciete stelling is dat kwetsbaarheid en wederzijdse erkenning de basis kunnen worden voor hernieuwde affiniteit en gemeenschapszin. Het is een maatschappijbeeld dat het absolute tegendeel vormt van wat het thatcherisme is gaan heten, met zijn nadruk op zelfredzaamheid als voornaamste deugd.
Naast het ‘klappen voor de zorg’ zijn er volgens hem meer optimistische tekenen dat er eindelijk een ethische verschuiving plaatsvindt. ‘De Black Lives Matter-beweging heeft de progressieve politiek morele energie gegeven. Het is een multiraciale beweging van verschillende generaties geworden, die ruimte biedt voor een publieke afrekening met onrechtvaardigheid. Het toont aan dat je ongelijkheid niet alleen maar tegengaat door het opheffen van meritocratische grenzen.’
Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers
Aan het eind van het boek vertelt Sandel het verhaal van Henry Aaron, de zwarte honkballer die opgroeide in het gesegregeerde zuiden van de VS en in 1974 het homerunrecord van Babe Ruth brak. Aarons biograaf schreef dat het slaan tegen een honkbal ‘de eerste meritocratische handeling in Henry’s leven was’. Dat is niet de lering die we moeten trekken, zegt Sandel. ‘De moraal van Henry Aarons verhaal is niet dat we van de meritocratie moeten houden, maar dat we een systeem van raciale onrechtvaardigheid moeten verachten waaraan je alleen kunt ontsnappen door homeruns te slaan.’
Eerlijke concurrentie vormt geen rechtvaardige maatschappijvisie. Dat moeten Joe Biden en zijn Europese tegenhangers goed begrijpen. Als bron van inspiratie, zegt hij, zouden ze te rade kunnen gaan bij een van zijn intellectuele helden, de Engelse christen-socialist R.H. Tawney [1880-1962]. ‘Tawney betoogde dat gelijkheid van kansen hooguit een deelideaal was. Zijn alternatief was niet een onderdrukkende gelijkheid van resultaten. Het was een brede, democratische ‘gelijkheid van omstandigheden’ die burgers van alle rangen en standen in staat stelt met opgeheven hoofd door het leven te gaan en zichzelf te beschouwen als deelnemer aan een gezamenlijke onderneming. Uit die traditie komt mijn boek voort.’
Dit artikel werd geselecteerd door journalist, programmamaker en presentator Chris Kijne.
Haar rede over de staat van de Unie en hoe ze denkt de grote vragen van deze tijd op te lossen, was op z’n minst indrukwekkend te noemen. Nu maar afwachten of Europeanen over drie jaar echt het idee hebben dat deze nieuwe machthebber herstel heeft bewerkstelligd. En wie is Ursula von der Leyen eigenlijk, behalve voorzitter van de Europese Commissie?
Het eerste wat opvalt als je Ursula von der Leyen ontmoet, is dat er iets mist – iets aan deze onberispelijke politica lijkt gemaakt of onoprecht: maar wat precies is opmerkelijk lastig te benoemen. Cryptisch en ondoorzichtig, als de glazen gevel van het Berlaymontgebouw, haar hoofdkwartier, dat openheid uitstraalt maar ondertussen niets prijsgeeft.
Het zou een vergissing zijn om dwars door haar heen te kijken. Wie Europa wil begrijpen, moet eerst Ursula von der Leyen begrijpen. Deze Eurocraat van de tweede generatie is geboren in Brussel en belichaamt de klasse wier beslissingen bepalend zullen zijn voor de vraag of de Unie zal uitgroeien tot een Verenigde Staten van Europa of langzaam uit elkaar zal vallen. Haar politiek is de Steen van Rosetta die laat zien hoe het Merkel-mechanisme in elkaar steekt. Haar leven toont ons de Duitse reis in Europa, en geeft antwoord op de vraag of die route nog ergens naartoe leidt. Van Brussel, waar ze is geboren, naar Berlijn en nu weer terug naar Berlaymont, van vader op dochter – dit is een reis van smeekbede naar macht, van idealisme naar angst.
Duitse ministers hebben de neiging altijd in beweging te zijn: ministerconferenties in Brussel, weekenden in de Länder, eindeloze gezamenlijke kabinetsvergaderingen met tientallen bondgenoten. Het zijn mensen van hazenslaapjes in vliegtuigen, mensen die voortdurend uitgeput zijn. In 2009, in Warschau, nam Jacek Rostowski, de Poolse minister van Financiën, tijdens de tweejaarlijkse Pools-Duitse kabinetsbespreking plaats naast een ‘niet al te grote, tamelijk aantrekkelijke vrouw’. Rostowski keek haar even aan. Hij had deze minister niet eerder ontmoet. ‘Maar op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik haar kende.’ Ze stelde zich aan hem voor: Ursula von der Leyen, minister van Landbouw en Sociale Zaken. Nog altijd niets. De naam deed geen belletje rinkelen.
Conferenties. Paneldiscussies. Kringen. De elite die aan het hoofd staat van Europa komt elkaar altijd weer tegen. Zo’n maand of zes later, in Davos, zat de Poolse minister weer naast dezelfde Duitse minister. Ze schudden elkaar de hand, zeiden dat het leuk was om elkaar weer te zien. Rostowski vloog terug naar Warschau. ‘Toen, drie dagen later, daalde ineens het besef over me neer, als een schok.’ Alles kwam weer boven.
Londen
Earls Court, Londen, 1978. Nog altijd het sombere Londen van de film Tinker Tailor Soldier Spy, kleine eenkamerwoninkjes en her en der nog gaten van bominslagen; de straat waar Rostowski, een jonge docent en de zoon van Poolse vluchtelingen, in een huis woonde dat zijn moeder had opgedeeld in appartementen. Ze had de bovenste verdieping verhuurd aan Erich Stromeyer, een Duitse bankier die net was gescheiden. Op een dag vertelde Stromeyer dat zijn zwager een vooraanstaand Duits politicus was en dat de Baader-Meinhof-Groep had gedreigd zijn dochter te ontvoeren en te vermoorden. De situatie was nogal ernstig: zouden de Rostowski’s het erg vinden als die dochter bij hem introk, om aan de London School of Economics te gaan studeren, totdat de crisis was overgewaaid?
Ze trok bij hem in onder een schuilnaam: Rose Ladson. ‘Ze had nog wat babyvet,’ herinnert Rostowski zich. ‘Ze was heel levendig, heel aardig en altijd de hort op.’ Haar echte naam was Ursula Gertrud Albrecht, en de Rostowski’s merkten al snel dat ze vaak tot laat de deur uit was, dat ze vaak pas ’s nachts na enen weer terugkwam in Philbeach Gardens. ‘Ze vergat geregeld bij thuiskomst de deur goed op slot te doen. Dat vond ik nogal lichtzinnig, gezien het feit dat er mensen zouden zijn die haar wilden ontvoeren en vermoorden.’
De London School of Economics was in die tijd nog niet de springplank naar the City die hij zou worden – allemaal internationale studenten met weinig esprit de corps – maar nog de school van Ralf Dahrendorf, van de studentenbezettingen, waar de geest van Sidney en Beatrice Webb nog rondwaarden en het politieke klimaat bepaalden. Al zal ‘Rose Ladson’ dat allemaal nauwelijks hebben meegekregen, aangezien ze er bijna nooit was.
Ze was gegrepen door de punkbeweging en woonde in een stad waar The Clash optrad in Hammersmith Palais, en ze hing vaker rond in de pubs van Soho en in de platenzaken in Camden dan in de bibliotheek van de London School of Economics. Ze kreeg al snel de reputatie dat ze iemand was ‘die in de disco helemaal uit haar dak ging’. Zelf heeft ze over die periode gezegd: ‘Ik leefde meer dan dat ik studeerde.’
Londen was alles wat het Duitse platteland niet was. ‘Londen,’ zei ze tegen Die Zeit, ‘was voor mij de belichaming van moderniteit: vrijheid, de vreugde van het bestaan, experimenteren.’ Deze liefde voor Londen verklaart de verbittering en de pijn van een groot deel van Europa’s elite, die zich tot aan de dag van vandaag blijft identificeren met de Britse Remain-campagne – of in ieder geval hun berichten retweet. Acht voormalige EU-ministers zijn alumni van de London School of Economics; en Jacek Rostowski zou later voor het Europees Parlement staan met het opmerkelijke Change UK [pro-Europese partij], een partij die een kort leven was beschoren. Londen, en niet Parijs, is de stad waar deze mensen ‘Europeaan’ zijn geworden.
Vader Albrecht
‘Europa is het verhaal van generaties,’ zei Ursula von der Leyen voor het Europees Parlement. Net zoals dat geldt voor George W. Bush of Justin Trudeau, kan men de voorzitter van de commissie niet begrijpen zonder haar vader te begrijpen. En zelfs hij was niet alleen een mens maar ook een grote naam. De twintigjarige Ursula schepte er een speciaal genoegen in om door het leven te gaan als Rose Ladson omdat ze gebukt ging onder de naam Albrecht.
De voorname connecties van de bewoners van de bovenste verdieping van het huis aan Philbeach Gardens waren niet toevallig. Twaalf generaties zeer vooraanstaande burgers – geestelijken, hoog aangeschreven artsen, hoge ambtenaren, kooplieden – keken via die naam op haar neer, vanuit de hanzeatische handelselites van Bremen, het koninkrijk Hannover en het keurvorstendom Keulen. De familie Albrecht had zelfs een eigen lemma in het Deutsches Geschlechterbuch, misschien nog het beste te vergelijken met Burke’s Landed Gentry.In de negentiende eeuw waren de Albrechts handelsmagnaten in Bremen, katoenimporteurs die huwelijken sloten met leden van de familie Ladson, slavenhouders en plantage-eigenaren uit South Carolina (vandaar Ursula’s Londense achternaam).
Dergelijke Duitse handelshuizen hebben veel meer gedaan om onder de Britse of Amerikaanse vlag een koloniaal imperium op te bouwen dan velen zich realiseren. Dit soort mannen hekelde Thomas Mann, zelf afkomstig uit de oude Hanzestad Lübeck, in De Toverberg als ‘hardnekkig overtuigd van het recht van de aristocratie om te heersen’. In 1945 kwam Ernst Albrecht tevoorschijn uit de puinhopen van twee wereldoorlogen. Bremen was vrijwel volledig verwoest. Maar Ernst was verliefd en hij was intelligent en ambitieus. Hij wilde de hoogste cijfers halen en hij wilde trouwen met de dochter van het bevriende stel bij wie hij zich had schuilgehouden voor de RAF: Heidi Alele Stromeyer.
Hij ging filosofie en theologie studeren in Tübingen, in de Amerikaanse bezettingszone, en sleepte daarna een beurs voor Cornell in de VS in de wacht. Er werd een nieuwe Duitse elite gevormd, gekneed door Amerikaanse handen, en hij was vastbesloten daar deel van uit te maken.
Kweekvijver
Toen Ernst terugkeerde naar Europa, wilde hij graag naar Bonn, de nieuwe hoofdstad van Konrad Adenauer. De universiteit van Bonn groeide in rap tempo uit tot de kweekvijver van politici voor de opkomende staat. Ernsts afstudeerscriptie was getiteld: Is een monetaire unie een noodzakelijke voorwaarde voor een economische unie? Het zou een slimme keuze blijken, en dat realiseerde hij zich maar al te goed.
Al snel volgden afspraken en promoties. Op zijn 24ste werd hij attaché van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in Luxemburg: het nakende Europese project in de kinderschoenen. Hij klom verder op. Op een foto genomen in een palazzo in Rome, in 1957 – vergeeld, een beetje wazig aan de randen – zien we een lange rij leiders een document ondertekenen. Achter hen hangen renaissancistische schilderijen. Dit zijn de mannen (het zijn allemaal mannen) achter het Verdrag van Rome, het verdrag waarmee de Europese Economische Gemeenschap werd gevestigd en het belangrijkste verdrag in Europa sinds de vredesverdragen van Westfalen. Achter Adenauer zien we Ernst Albrecht.
Terwijl Duitse ambtenaren openlijk hun best deden de Italianen en de Fransen tegemoet te komen, had Ernst weinig last van schuldgevoelens over de oorlog. ‘Beste mensen,’ zei hij, ‘ofwel jullie willen met ons een Europa opbouwen, ofwel jullie willen het niet. Wij zijn een nieuwe generatie. De gebeurtenissen uit het verleden behoren tot het verleden. Ik ben net zo’n neutrale vertegenwoordiger van mijn land als de Fransen.’
Albrechts Europa was een doel op zich, maar het diende ook een nationaal belang. Zijn uiteindelijke baas, Walter Hallstein, de eerste voorzitter van de Commissie, leek op het eerste gezicht een tegenstelling te belichamen. Als ‘vergeten Europeaan’, net als Adenauer zelf, weigerde hij de Oder-Neissegrens te accepteren als nieuwe westgrens van Polen, en gaf hij zijn naam aan de zogeheten Hallsteindoctrine: Bonn zou geen diplomatieke banden opbouwen of onderhouden met landen die Oost-Duitsland erkenden, met uitzondering van de Sovjet-Unie. West-Duitsland was niet sterk genoeg om zich zelfstandig staande te houden op geopolitiek vlak. Adenauer en Hallstein hadden een sterker Europa nodig.
Het Brussel waar de Albrechts naartoe verhuisden na het Verdrag van Rome was een heel ander Brussel dan de Eurostar-stad van vandaag de dag. Ernst werd benoemd tot chef de cabinet van de eerste Duitse commissaris. Er werd nauwelijks Engels gesproken. De voertaal was Frans en de bescheiden onderkomens van de Zes hadden iets karolingisch. Het was een wereld van enkel mannen, die tot laat werkten en tot nog later doorzakten, drinkend of politiek bedrijvend.
Toen Heidi Adele wist dat ze zwanger was van hun derde kind, zette ze een kinderstoeltje voor de deur van Ernsts werkkamer om hem met het nieuws te verrassen. Ursula Gertrud werd geboren op 8 oktober 1958 in Brussel, anderhalf jaar na het Verdrag van Rome. ‘Je bent een ongelooflijke baby,’ schreef haar moeder in haar dagboek. ‘De eerste die niet krijsend ter wereld komt.’
Haar koosnaampje was Röschen, een verkleinwoord van Rose [roos]. Van haar vader heeft Ursula haar gevoel voor politiek geërfd; van haar moeder haar vastberadenheid binnen de politiek. Heidi Adele maakte deel uit van de generatie vrouwen die werd verstikt: de opleidingen waren opengesteld voor vrouwen, maar de banen waren nog niet voor hen beschikbaar. Ze had gestudeerd in Heidelberg, was gepromoveerd in Freiburg en had, zo gaat het verhaal binnen de familie, een begenadigd schrijver of beroemd journalist kunnen worden. Maar in werkelijkheid bleef ze altijd in de schaduw staan van haar man en stak ze haar energie in het schrijven van theatrale passages in haar dagboek.
De kleine Röschen was altijd al Ernsts oogappeltje: ‘Het pronkstuk hier in huis is Ursula Gertrud, amper twee jaar oud,’ schreef haar moeder in haar dagboek. Haar zes kinderen groeiden op als Europeanen: Ursula ging naar de nieuwe Europese School, waar de kinderen van het ambtelijk apparaat dat in Brussel neerstreek – de EEG, de NATO, Euratom – drietalig werden opgevoed, zich bewust van het feit dat ze tot de elite behoorden. Het was dezelfde school, in de voorstad Ukkel, waar Boris Johnson een tijdje op heeft gezeten, toen Johnsons vader er een paar jaar later werkte als een soort Eurocratische klusjesman.
Ambitie
Ze hadden alles wat ze zich maar konden wensen, een aangenaam, rijk leven. Maar hoe langer de Albrechts in Brussel woonden, hoe ongelukkiger ze werden. Al sinds zijn twintigste speelde Ernst een belangrijke rol op de achtergrond voor de grote mannen van de CDU, en inmiddels wilde hij daar zelf een van worden. ‘Ik was 37 en op het hoogtepunt van een carrière als Europees ambtenaar. Wilde ik tot mijn 65ste directeur-generaal blijven voor de concurrentie? Dat kon ik me niet voorstellen.’ De jaren zestig van de vorige eeuw waren niet de leukste tijd om een Duitse Eurocraat te zijn. De Gaulle zei nee: zijn sterke Frankrijk zou niet toelaten dat een meer federale, presidentiële commissie het land zou overschaduwen. En Ernst begon actief politici te benaderen.
Een klein eindje lopen van het Karel de Grotegebouw in het Brussel van vandaag de dag, zeggen de vlaggen en de plaquettes boven de deur net zoveel over Duitsland als over Europa. Beieren. Baden-Württemberg. Elke Duitse deelstaat heeft zijn eigen EU-delegatie: beter geoutilleerd en ruimer gehuisvest dan veel armoedige lidstaten. Het schitterende interieur maakt duidelijk waarom Duitsland, dat constant met zichzelf in onderhandeling is en dat gedurende een groot deel van haar politieke geschiedenis deel heeft uitgemaakt van het Heilige Romeinse Rijk met zijn dambordtactiek, zich binnen de Europese Unie als een vis in het water voelt. Federalisme is Duitslands natuurlijke staat van zijn.
Albrechts thuisland was Nedersaksen, aan de Noordzee: grof gezegd het Koninkrijk Hannover, waar zijn vader de scepter zwaaide over de douanediensten. Ernst had zijn zinnen gezet op de hoofdprijs: de partij had een sinecure voor hem geregeld bij een koekjesfabriek in Hannover terwijl hij een positie probeerde te verkrijgen. Hij vertrok in 1970, met achterlating van zijn gezin, dat pas later volgde, nadat in 1971 dochter Benita was overleden aan ruggenmergkanker. Ze was elf jaar oud. Vanaf dat moment was Ursula de enige dochter.
Van haar moeder heeft Ursula haar vastberadenheid geërfd
De familie ging niet mee op de in ’68 in gang gezette golven van het veranderende Duitsland – je zou zelfs kunnen zeggen dat ze ertegen ingingen. Voor het eten werd er gebeden. Huize Albrecht, een oude boerderij in Ilten, net buiten Hannover, was omgeven door reusachtige braamstruiken en was ingericht in ambachtelijke stijl. Het familieleven was rijk aan paarden, huisconcerten en zware, leerzame en lijvige boekwerken uit de bibliotheek: Oorlog en vrede en Dokter Zjivago.
In dit huis vormde zich Ursula’s persoonlijkheid: haar liefde voor muziek en dieren, en bovenal haar verlangen naar aandacht. Haar voornaamste activiteiten waren paardrijden en dan vooral springen, en het keurig begroeten van de vele beroemde gasten die haar vader op bezoek kreeg. In tegenstelling tot sommige van haar broers vond zij het leuk om naar buiten te treden. Maar toch, zo merken haar biografen Ulrike Demmer en Daniel Goffart op, nam haar vader haar nooit echt serieus. ‘De conservatieve Albrecht stond voorzichtig afwerend tegenover de vrouwenkwestie,’ herinnert Rolf Zick zich, een journalist uit diezelfde tijd.
Getalenteerde dochter
Na een onverwachte verkiezingsoverwinning, op de rug van drie afvalligen uit de regerende coalitie, werd Ernst Albrecht in 1976 minister-president van Nedersaksen. Destijds was dat een hogere positie dan gouverneur van een deelstaat. De rechterkant van het politieke spectrum was in de jaren zeventig het toneel van kleine koningen, regionale machthebbers en haarden van oerconservatieve, reactionaire relikwieën, die nog altijd niet overtuigd waren van de westerse roeping. Hij had Nedersaksen in handen.
Het leven van zijn kinderen veranderde nog ingrijpender. Van gewone leden van het CDU in Nedersaksen werd verwacht dat ze bewondering koesterden voor de getalenteerde dochter van de minister-president. Hans-Gert Pöttering, de latere voorzitter van het Europese Parlement, herinnert zich dat er over de eerste dochter werd gepraat als een jeugdige activiste: ‘Als lid van de partij, maar zonder haar persoonlijk te kennen, hoorden we dat ze een bijzonder meisje was, en de politici refereerden aan haar als “Röschen”… het was van meet af aan duidelijk dat ze niet zomaar iemand was.’
“Het was van meet af aan duidelijk dat ze niet zomaar iemand was”
Haar moeder, de first lady van Nedersaksen, ensceneerde het geheel. Als een scène uit de victoriaanse tijd, of uit Little Women, voerden de kinderen tijdens familiebijeenkomsten stukken op die mevrouw Albrecht had geschreven. Met Kerstmis of Pasen werd de cast uitgebreid: ook kinderen uit het dorp kregen een rol. Het familietoneelstuk, of beter gezegd het toneelstuk van een familie, was voor Ernst Albrecht onlosmakelijk verbonden met zijn politiek. Als een kruising tussen een Joseph Kennedy van het platteland en de familie Von Trapp nodigde hij niet alleen cameramensen uit op zijn pastorale landgoed, maar liet hij ook zijn vrouw en kinderen als familiekoor optreden bij een plaatselijke televisiezender.
Terwijl David Bowie in 1978 ‘Heroes’ zong in West-Berlijn, waar twee geliefden, uit Oost en West ‘can beat them, just for one day’, bracht de familie Albrecht zelfs een single uit: ‘Wohlauf in Gottes schöne Welt’. Maar de realiteit was harder: gepolariseerd, verdeeld, geconfronteerd met terreur, haar broers die in politiewagens naar school werden gebracht dit was het donkere Duitsland waarvan Ursula zich zo bevrijd voelde in Camden Market.
Het dieptepunt van Ursula’s leven was in Stanford. Het was begin jaren negentig en ze was een gefrustreerde huisvrouw. De geschiedenis herhaalde zich: niet die van haar vader, maar die van haar moeder. Na zes semesters in Londen was men van mening dat de Baader-Meinhofdreiging was geluwd en moest Rose Ladson weer Ursula Albrecht worden. Ze voelde zich geïsoleerd en ongelukkig aan de universiteit van Göttingen, totdat ze in het universiteitskoor Heiko von der Leyen leerde kennen. Ze was 24. Hij was wetenschapper, een telg uit een familie van vooraanstaande zijdehandelaren; ze ging met hem mee naar China.
Ze behoorde tot de gefrustreerde generatie: vrouwen voor wie een opleiding en een beroep binnen de mogelijkheden lagen. Maar ondertussen was er niets gedaan om de combinatie met een gezin mogelijk te maken, er was niet echt veel veranderd aan de houding van mannen. Ursula had het gevoel dat ze stuitte op ‘statische machtshiërarchieën’. Nadat ze in 1991 was afgestudeerd in Hannover ging ze aan het werk als arts, maar toen ze zwanger werd, kreeg ze van een meerdere te horen dat ze ‘te lui om te werken’ was. Volgens haar biografen was Heiko ‘niet in staat’ haar te helpen met de dagelijkse zorg voor de kinderen. In plaats daarvan moest ze zelf maar zien hoe ze alle bordjes in de lucht hield – zoals zovele vrouwen. Toen Heiko een baan kreeg aan Stanford, hield zij helemaal op met werken. ‘Zo ging het in die tijd,’ herinnert haar vriendin Sabine Cramer zich. ‘Als een man carrière wilde maken, gingen wij niet moeilijk doen.’
Vijftien jaar later zag alles er anders uit. ‘Ik had nooit kunnen denken dat het einde van het patriarchaat deze vorm zou aannemen,’ zegt Rebecca Harms, die destijds kamerlid was voor Die Grünen in Nedersaksen. ‘Ik had nooit gedacht dat het patriarchaat door het CDU ontmanteld zou worden.’ In 2005 was Angela Merkel gekozen tot bondskanselier en Von der Leyen was uit de regering van Nedersaksen geplukt om haar minister van Gezin en Sociale Zaken te worden. Harms wist niet wat ze hoorde: de dochter van de reactionair ‘die mij voor een belangrijk deel de politiek in heeft gedreven’ was ineens het gezicht van gendergelijkheid binnen de partij.
Terug naar Duitsland, 1996, waar Von der Leyen in de voetstappen van haar vader was getreden. De meeste politieke loopbanen worden gevormd door één beslissende ontmoeting: die van haar was met Christian Wulff, in 1999, toen ze ruiter was op een paardenveiling. De toekomstige minister-president van Nedersaksen was onder de indruk: niet alleen was ze een fantastische ruiter, ze was ook nog eens zes maanden zwanger van haar zevende kind. Hij zag ambitie en vastberadenheid. Hij zag lef.
Talkshowgezicht
Talkshows met zware fauteuils en comfortabele banken maken een belangrijk deel uit van het politieke leven in Duitsland. Ze hebben een belangrijke rol gespeeld bij de opkomst van Von der Leyen, om te beginnen als het gezicht van Wulffs regering in Nedersaksen, waar ze de aandacht trok van niemand minder dan Angela Merkel, de Mutti van Duitsland. Hier blonk Von der Leyen uit: avond na avond droeg ze de boodschap uit, was ze de spreekbuis van Angela, van een CDU dat het gezin hoog in het vaandel heeft staan.
Ursula deed het zo goed op tv omdat iedereen in Duitsland twee dingen van haar wist: dat ze de dochter was van Ernst Albrecht en dat ze zeven kinderen had. In feite was Von der Leyen ook een alias. En wat het voor de kijker alleen nog maar mooier maakte: dit was niet langer de seksistische partij van haar vader, maar een partij waar de stedelijke bourgeoisie zich bij thuis kon voelen. Het was Von der Leyen op haar best, eerst als minister voor Jeugd en Familiezaken, later als minister van Sociale Zaken en Arbeid – ze maakte zich sterk voor kinderopvang, voor betaald ouderschapsverlof, maakte zich zelfs sterk voor die zaken toen haar partij ertegen was. ‘Het is geen geheim dat ze zich daarmee niet populair maakte binnen haar eigen partij,’ aldus een bron binnen het CDU.
Dit is het Merkelmechanisme in actie: altijd buitenstaanders inzetten, moeite doen om het midden mee te krijgen, calculeren, dan intomen, zorgen dat niemand ooit te veel macht vergaart. ‘Een knieschot voor wie zijn plek niet kent,’ om een bron te citeren. Merkel is een te nauwgezet politicus om mensen valse verwachtingen te laten koesteren. Maar tijdens een paar roerige dagen in 2010 liet ze Ursula in de waan dat zij de volgende bondspresident zou worden, zozeer zelfs dat er een artikel in de pers verscheen waarin Heiko werd aangeduid als ‘the first man’. Maar uiteindelijk koos Merkel voor haar oude baas, Christian Wulff. Ursula, die dacht dat Merkel en zij een speciale band hadden, was er kapot van.
Later legde Mutti uit: dit is het politieke spel. Merkel, een Thomas Cromwell-achtige figuur, een in Oost-Duitsland geboren buitenstaander, een natuurkundige uit de DDR, met een portret van Catharina de Grote op haar bureau, is al vijftien jaar lang heer en meester binnen de Duitse politiek. Nu de hereniging, de historische uitdaging van haar generatie, is voltooid, benadert Merkel haar taak als een wetenschapper, niet als een idealist, en ze schept er genoegen in om, voor Duitsland, voor zichzelf, een koers uit te zetten en te laveren tussen verschillende botsende en zwalkende krachten, zonder programmatisch een bepaald doel na te streven. Ursula von der Leyen: de naam, geen vriendin maar een werktuig om de centre quo te handhaven.
“Ik had nooit gedacht dat het patriarchaat door het CDU ontmanteld zou worden”
De lounge van een vliegveld in Brussel. Engelse politici zien Brussel als een Eurostar-stad maar de meeste Europeanen gaan er met het vliegtuig heen. Duitsers en Italianen; Duitsers en Zweden; Duitsers en Polen: in deze lounge wordt veel van de discrete Europese politiek bedreven. In 2011, ten tijde van de Griekse schuldencrisis, zat Jacek Rostowski ineens met Ursula von der Leyen in die lounge om over de eurocrisis te praten. ‘Ik zei tegen haar dat het geen Griekse crisis was, maar een crisis van de hele eurozone,’ herinnert hij zich. ‘Ze had geen idee.’ Het is een veelzeggende anekdote over Von der Leyen. Maar het maakt ook duidelijk dat de Duitse reis door Europa in 2011 niet langer voor de hand lag.
In 2013 stapte Von der Leyen over naar het ministerie van Defensie. Waar het Duitsland van haar vader – het land van Willy Brandt en de Rote Armee Fraktion – gepolariseerd was geweest en gebukt was gegaan onder schuldgevoelens, was Ursula’s Duitsland een land van consensus en morele overtuiging – haast zelfingenomen. Berlijn was uitgegroeid tot wat Londen in de jaren zeventig van de vorige eeuw was geweest: een stad van grungy clubs, kunstenaars en excentriekelingen.
Maar binnen de ministeries was er iets van de Europese bezieling verloren gegaan. In Bonn was men nog programmatisch geweest, in Berlijn liet men de dingen meer op hun beloop. De hereniging was voltooid, strategisch stond alles goed op de rails, de handel met China floreerde; er waren geen geopolitieke doelen waar Duitsland de hulp van een sterkere Europese Commissie voor nodig had. De logica van het nationaal belang, waardoor Bonn de euro had geaccepteerd – hereniging – ontbrak in het geval van de eurobonds die noodzakelijk waren om de euro tot een succes te maken.
De Duitse heersende klasse hield zich niet langer bezig met investeren in een diepere verbintenis. Ursula had ingezet op de post van minister van Defensie, in het klassieke mannenbolwerk, misschien wel de meest mannelijke baan die er was, misschien zelfs wel de moeilijkste baan in heel Berlijn, een baan waar veel Duitse ministers op waren stukgelopen. Het nieuws werd breed uitgemeten op de voorpagina’s. Maar wat volgde was Von der Leyen op haar slechtst.
Flop
Het leger, dat vele decennia was verwaarloosd, was er slecht aan toe, was niet eens in staat de meest elementaire internationale verplichtingen na te komen. Het was een moeras van corruptie, aanbestedingsschandalen, mismanagement en in de barakken zelf woekerende haarden van extreemrechtse sentimenten. Von der Leyen was vastbesloten hier iets aan te veranderen en nam haar toevlucht tot de oplossing die tegenwoordig erg in zwang is: de revolutie die wordt beloofd door managementconsultants en McKinsey-contracten. ‘Ze leidde het ministerie met een klein team van buitenstaanders,’ zegt Carlo Masala, hoogleraar internationale politiek aan de Universität der Bundeswehr, die veelvuldig voor het ministerie heeft gewerkt. ‘Ze schepte er genoegen in bestaande structuren te ontwrichten,’ aldus een voormalig consultant.
Het resultaat was geen succes. Net als Merkels soberheidsdecennium van Duits leiderschap in Europa was het een en al gelikte uitspraken, schandalen, ongelukkige officieren en weinig concrete resultaten. Op het ministerie van Defensie groeide Von der Leyen uit tot de belichaming van dit Duitse probleem: er gaapte een diepe kloof tussen haar slogans, zoals steun voor ‘een Europees leger’, en concrete investeringen in de Europese defensie. ‘Het ministerie sloopte haar,’ aldus een bron. In 2019 was de minister van Defensie, die in de titel van haar biografie nog was aangeprezen als De reserve-bondskanselier, echt geflopt. Haar carrière leek ten einde.
In de Bundestag doet een grapje de ronde. Wat is de afkorting van Von der Leyen? I-C-H, oftewel ich – ik. Maar wat zijn de overtuigingen van Von der Leyen? Op die vraag weet vrijwel geen enkele Europese topambtenaar het antwoord. Slechts weinigen zijn in staat haar visie te schetsen. Haar reputatie in Berlijn, zeker onder journalisten, is dat ze voornamelijk een pr-functie vervult. Maar niet iedereen is zo zuinig in zijn oordeel. ‘Ze gelooft heel sterk in gelijkheid voor vrouwen, ze is een groot voorstander van Europa en trans-Atlantische betrekkingen,’ aldus een insider. Dat de Duitse minister van Defensie de Europeaan binnen het kabinet was, wat teruggrijpt op het partij-idealisme van haar vader, bleef niet onopgemerkt in Parijs.
Merkel liet Ursula in de waan dat zij de volgende bondspresident zou worden
Toen Emmanuel Macron in juli 2019 terugkeerde uit Brussel, had hij een idee. De onderhandelingen over een nieuwe voorzitter van de Commissie waren vastgelopen. Het systeem van zogeheten Spitzenkandidaten, waarbij de blokken binnen het Europese Parlement hun eigen campagne voeren om een voorzitter voor de Commissie naar voren te schuiven, was naar zijn idee onwerkbaar. De Europese Volkspartij, in feite het CDU met haar bondgenoten, had Manfred Weber naar voren geschoven, in Macrons ogen een politiek lichtgewicht uit Beieren, beter geschikt voor de politieke arena van München, en simpelweg onacceptabel. De Europese Volkspartij op haar beurt blokkeerde de benoeming van Frans Timmermans, de man van de sociaaldemocraten en een vooraanstaand Nederlands politicus. Het proces zat muurvast.
Op dat moment kwam de naam Von der Leyen bovendrijven. Merkel had haar naam al eens eerder laten vallen bij de Franse functionarissen: aanvankelijk alweer enige tijd geleden, als mogelijke secretaris-generaal van de NAVO, later als een mogelijke hoge functionaris binnen de EU, bij Buitenlandse Zaken in Brussel, als topvrouw van het blok. Macron zag haar wel zitten, hij wist dat Merkel haar graag mocht en hij wist dat ze van het CDU was. ‘Zo kwam er uiteindelijk iets uit wat nooit zou zijn gelukt als we het zelf hadden voorgesteld,’ aldus een topambtenaar. Niet alleen was Von der Leyen er volkomen door verrast, feitelijk heeft Macron haar carrière gered.
Merkelmechanisme
Nu sturen Merkel en Von der Leyen elkaar elke dag berichtjes, de bondskanselier houdt de voorzitter op de hoogte van wat er in Berlijn gebeurt, Ursula brieft Angela over Brussel. Ze hebben veelvuldig telefonisch contact: het is alsof Von der Leyen nog altijd in het kabinet zit. Ze vormen een politieke generatie, dit cohort van Europese vrouwen voor wie macht niet langer de uitzondering is, maar ook nog niet echt de norm. Dit heen-en weren tussen twee Duitse vrouwen is Macrons plan in actie. Frankrijk, dat al zo’n tien jaar een wankele economie heeft en dat de export naar Azië heeft zien inzakken, heeft behoefte aan een sterkere Commissie om te kunnen steunen op de macht van Duitsland.
Maar Duitsland, dat zich dat bewust is, heeft Franse voorstellen geblokkeerd en lijkt de Commissie meer en meer te zien als een raadsman voor de debiteurenstaten. Door het Merkelmechanisme naar Berlaymont te halen, gokte Macron, zou Berlijn meer vertrouwen krijgen in de instituties, waardoor Frankrijk meer macht zou krijgen.
Hij gokte dat de bondskanselier het ook wel prettig zou vinden om een Duitser in de Commissie te hebben: al zeker een decennium werd er een strategie gehanteerd om meer Duitse topambtenaren naar voren te schuiven zodat de Commissie de Duitse belangen goed voor ogen zou houden. Von der Leyen zou de culminatie zijn van deze strategie.
Maar het was geen gelukkige terugkeer naar Brussel. De intieme, francofone Commissie van haar vader was niet meer. Het Berlaymontgebouw van vandaag de dag is een plek van wereld-Engels, een soort internationaals, een taal die De Gaulle ooit grappend ‘een soort Esperanto of Volapük’ heeft genoemd. De sfeer viel Von der Leyen en haar twee topadviseurs, of spindoctors, die ze had meegenomen uit Berlijn, koud op haar dak. ‘Ze leunt te veel op de Duitsers,’ aldus een bron. ‘Ze is paranoïde,’ zei een ander. Dit alles weerspiegelde een consensus: dat Von der Leyen, die nog altijd haar opwachting maakte in Duitse talkshows, het niet had gered.
Maar datzelfde, zo wil de conventionele Brusselse wijsheid, gold voor de Commissie. ‘Juncker is van mening dat Von der Leyen de Commissie omvormt tot een directoraat-generaal voor de Raad,’ aldus een voormalig ambtenaar – geen supranationale regering in wording maar voornamelijk een ambtelijk apparaat. De Commissie, zo wordt gezegd, speelde een steeds kleinere rol, ten koste van de nationale leiders in de Europese Raad, sinds Frankrijk en Nederland zich in 2005 uitspraken tegen de Europese Grondwet. Niemand verwachtte dat de nieuwe voorzitter veel meer zou doen dan de bescheiden verwachtingen managen.
Met het coronavirus veranderde alles. Aanvankelijk leek het alsof het virus Von der Leyen, en misschien zelfs de hele Europese Unie, noodlottig zou worden. Toen de maatregelen werden ingevoerd, mensen afstand moesten houden, drones patrouilleerden in de straten van Brussel en de Eurocraten het Berlaymontgebouw verlieten, sloeg de angst iedereen om het hart, thuiswerkend achter de laptop. Dit was niet alleen een medische crisis. Het coronavirus was ook een politieke crisis en onvermijdelijk ook een eurocrisis. Toen duidelijk werd dat de kosten van de lockdown Italië in een diepe vicieuze cirkel konden storten van schulden, soberte en populisme, wakkerde dat de woede jegens de EU aan, te beginnen in de zwakkere zuidelijke economieën. ‘Ik heb niet eerder zo’n gevaarlijke opkomst van eurosceptische sentimenten gezien,’ zegt een EU-minister.
Toen meerdere peilingen lieten zien dat grofweg de helft van de Italianen uit de EU wilde stappen, waar dat twee jaar terug nog minder dan een derde was, begon er een ingewikkeld spel tussen Parijs en Berlijn, over de vraag hoe de crisis moest worden bekostigd.
Eurobonds
Het was duidelijk dat het enige antwoord een ongekende verhoging van de schulden was. Maar zou er sprake zijn van de bundeling van Europese schulden, de zogeheten eurobonds? Zou met het opkopen van obligaties door de Europese Centrale Bank de verkapte schuldbundeling worden voortgezet of zou de bank door het Duitse grondwettelijke hof n Karlsruhe een halt worden toegeroepen? Slechts weinigen verwachtten oplossingen van Von der Leyen.
Macron had haar precies waar hij haar wilde hebben. Maar aanvankelijk dreigde zijn plan te mislukken. Terwijl de pandemie huishield in Frankrijk, Italië en Spanje riep het Élysée tot stomme verbazing van Berlijn op tot het instellen van een gemeenschappelijk schuldinstrument om de crisis te bekostigen, samen met Rome, Madrid en zes andere landen in de eurozone. Anders, zo maakten ze duidelijk achter gesloten deuren in Brussel, riskeerden verschillende lidstaten insolventie. Merkel weigerde ronduit. Zoals altijd trok Duitsland de grens bij gedeelde schulden.
Maar terwijl Duitsland gespaard leek te blijven voor de allerergste gevolgen van het coronavirus, veranderde er iets. Een voorstel, dat werd bedacht in het Berlaymontgebouw, als we de aanhangers mogen geloven, werd opgepikt door zowel ministers van Financiën als ambtenaren, zowel in Spanje als in Frankrijk. Het idee was om de Commissie massaal op eigen naam leningen te laten afsluiten en vervolgens pakketten van leningen en subsidies te verstrekken aan de zwaarst getroffen lidstaten. Ineens zag Berlijn het zitten. De gok van het Élysée betaalde zich uit. Dit was een Commissie waar Merkel wel zaken mee kon doen: in tegenstelling tot Juncker of Prodi was Von der Leyen iemand die ze kon vertrouwen.
Macron en Merkel bezegelden het met een handdruk: Von der Leyen staat niet op de foto. Maar dat gaf niet, want het ging niet om haar. Frankrijk en Duitsland hadden besloten dat een financieel sterke Commissie in hun voordeel was. ‘Nu hebben we een kans om meer te bereiken dan ooit sinds Jacques Delors,’ aldus een lid van de Commissie. Het Duitse leiderschap binnen Europa heeft ineens weer een vorm gevonden doordat het ‘de zuinige landen’ aan boord heeft weten te krijgen. Ineens is Von der Leyen, die een team vormt met Marcron, Merkel en de blunderende Charles Michel, voorzitter van de Europese Raad, het onverwachte gezicht van deze aanpak.
De doorbraak is historisch te noemen, maar tot nog toe vooral vanwege de gebeurtenissen die hij in gang zou kunnen zetten. De lijst van successen die de pandemie voor de Commissie mogelijk heeft gemaakt – miljarden aan gezamenlijke leningen, gezamenlijke uitgaven en een voorzichtige opening naar gezamenlijke belastingen – waren een paar maanden geleden allemaal ondenkbaar. Maar hoewel het EU-budget grofweg is verdubbeld, zijn de bedragen nog altijd onvoldoende: de subsidies voor Italië zullen de komende drie jaar misschien maar 0,6 procent van het bnp uitmaken.
Dat komt omdat uiteindelijk niet altruïsme maar landsbelang de doorslag heeft gegeven: om de Europese exportmarkten van Duitsland veilig te stellen koos Merkel weer voor wat noodzakelijk was om de euro overeind te houden, maar niet voor het maximale om de euro te herstellen. Ondanks al het gekibbel met ‘de zuinige landen’ zijn dit geen volwaardige eurobonds. Er is alleen een deel van de kosten van de crisis gebundeld, in plaats van de volledige Europese schuld, waarmee het zuiden enigszins ontlast zou worden.
Triomf
In Brussel heerst nu een triomfantelijke stemming. Er wordt enthousiast gesproken over Von der Leyen, heel anders dan in maart. ‘Ze luistert,’ zegt iemand uit de Commissie. ‘Ze besteedt heel veel aandacht aan speeches,’ zegt een ander. ‘In vier maanden hebben we haar vaker gezien dan Juncker in vier jaar,’ zegt weer een ander. Met haar slaapkamer in het Berlaymontgebouw, als een napoleontisch veldbed vlak naast haar werkkamer gesitueerd, zodat ze binnen enkele minuten aan het werk kan zijn, wordt niet langer de spot gedreven.
Deze opgetogenheid is niet te danken aan de fiscale cijfers op zich. Het heeft te maken met een toekomstbeeld: dat de Macrons en Merkels kunnen komen en gaan, maar dat de nieuwe super-Commissie, momenteel de beheerder van het laatste redmiddel, blijft. Nu de Rubicon eenmaal is overgestoken, zo is de veronderstelling, zal tijdens crisisberaad steeds vaker op de noodknop van een gezamenlijke schuld worden gedrukt, totdat het Berlaymontgebouw zich uiteindelijk in het hart bevindt van een fiscale unie.
Maar zal dat ook echt zo gaan? Zullen Europeanen over drie jaar echt het idee hebben dat deze nieuwe macht hun herstel heeft bewerkstelligd?Nadat Von der Leyen was benoemd door het Europees Parlement barstte de kamer uit in luid applaus, nog voor de parlementsleden kans kregen hun nieuwe voorzitter de hand te drukken. Ineens stond een stralende David McAllister, de voormalig minister-president van Nedersaksen voor haar. Hij omhelsde haar en zei: ‘Zal ik je eens wat zeggen? Je vader ziet je nu!’
Er wordt sinds de coronacrisis enthousiast gesproken over Von der Leyen
Von der Leyen glimlachte. Tegen het einde van zijn leven was Ernst Albrecht de vraag gesteld of hij ergens in was tekortgeschoten. De oude man had geantwoord: ‘Ieder mens schiet ergens in zijn leven tekort. Ik heb me zeventien jaar lang met hart en ziel ingezet voor de eenwording van Europa. Als u het me nu vraagt, ben ik daarin tekortgeschoten.’
Ursula is haar hele leven de dochter geweest, de opvolger, de reserve-bondskanselier – nooit iemand met eigen bestaansrecht. Haar hele politieke leven had Europa vastgezeten, in crisis verkeerd, dreigde al het werk van de generatie van haar vader teniet te worden gedaan. Maar nu lijkt het rad van de geschiedenis gekeerd: voor haar, voor de commissie die ze voorzit is dit hét moment om kansen te grijpen die zich misschien niet nogmaals zullen voordoen.
Frankrijk en Duitsland hebben allebei ja gezegd: de Europese Raad, de rivaal in het Europese gebouw, wordt aangevoerd door een potsierlijke Vlaming; als Von der Leyen het corona-reddingspakket erdoor weet te krijgen, kan dat het Berlaymont weer iets van de macht verlenen die sinds Delors lijkt te zijn weggesijpeld; maar alleen als ze die macht weet vast te houden. Ineens is er geen Mutti meer, en geen Vati, om haar de weg te wijzen. Ze zal het nu allemaal zelf moeten doen. Als zij faalt, als de Commissie faalt, komt dat op haar conto. Er zijn maar weinig momenten in de politiek zo opwindend, zo beangstigend.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.