In de Verenigde Staten hebben vrouwelijke kandidaten de midterms gewonnen. Maar nu? Nu moeten ze zich staande zien te houden op een glazen klif in een mannenarena.
Een recordaantal vrouwen heeft zich kandidaat gesteld – en een recordaantal heeft gewonnen. Sommigen zijn erin geslaagd zittende politici uit het zadel te wippen en voorheen Republikeinse staten binnen te halen. Mikie Sherrill, een moeder van vier kinderen die tijdens de campagne sprak over haar tijd als gevechtspiloot, heeft gewonnen in New Jersey. Elaine Luria en Abigail Spanberger hebben allebei gewonnen in Virginia.
Lauren Underwood heeft gewonnen in Illinois. In de strijd om het gouverneurschap van Kansas heeft Laura Kelly het gewonnen van Kris Kobach – een van de belangrijkste mensen achter de plannen om het bepaalde groepen lastiger te maken hun stem uit te brengen. Dit jaar heeft ook een significant aantal gekleurde vrouwen zich verkiesbaar gesteld, en al heeft Stacey Abrams niet gewonnen in Georgia, vele anderen hebben wel gewonnen.
Allemaal hebben ze gewonnen dankzij de energie van vrouwelijke kiezers, die veelal hun afschuw uitten over president Trump en het chauvinistische gekonkel van het door mannen gedomineerde Witte Huis en Congres. Deze vrouwen zien de winst als een pleister op de nu al twee jaar etterende wond van een president die zich heeft opgewerkt via vrouwenhaat en racisme, en die nu zijn presidentschap gebruikt om die onverdraagzaamheid aan te scherpen.
Het ging er grof aan toe tijdens deze tussentijdse verkiezingen. De Democraten zijn er niet in geslaagd de Senaat over te nemen en vele veelbelovende kandidaten hebben het onderspit gedolven, maar de vrouwen hebben het er opmerkelijk goed van afgebracht. Begin dit jaar zullen er meer dan honderd vrouwen in het Huis van Afgevaardigden zitten; dat is nog nooit eerder voorgekomen. Hun opmars, tegen de stroom in, is opwindend en opmerkelijk, en het is zeer bemoedigend om te zien dat zovelen ‘als eersten’ een zetel in de Senaat hebben bemachtigd binnen onze democratie, die nooit echt een representatieve afspiegeling is geweest van alle groepen in onze samenleving.
Rotzooi opruimen
Tegelijkertijd maak ik me zorgen. De vrouwen zijn er nu, maar zij dragen een taak op hun schouders die ze maar al te vaak dragen: ze moeten de rotzooi van anderen opruimen.
De verkiezingsuitslag was niet één grote feministische roze wolk. Claire McCaskill en Heidi Heitkamp hebben hun zetel in de Senaat verloren.
Enkele vooraanstaande mannelijke kandidaten die grote steun genoten onder vrouwen hebben ook verloren, zoals Andrew Gillum en Beto O’Rourke. En er zijn natuurlijk ook Republikeinse vrouwen als overwinnaar uit de strijd gekomen. Marsha Blackburn, die zich verzette tegen abortusrechten en uiteindelijk verviel in zorgwekkend racisme, wist Tennessee binnen te halen. Kristi Noem ging aan kop in de race in South Dakota.
Tegenover alle kiezers die naar de stembus zijn gegaan om de boodschap af te geven dat president Trump bepaald niet het beste van Amerika vertegenwoordigt, staan vele Trump-aanhangers die de boodschap wilden afgeven dat de president wél staat voor hun Amerika. Deze kiezers zijn boos dat hun land meer mensen van buitenaf toelaat en verlangen terug naar een verleden waarin witte mannen het monopolie op de macht hadden en alle anderen hun plaats kenden.
De progressieve vrouwen die zich nu in de strijd hebben geworpen, hebben hun recht opgeëist om ook het land te vertegenwoordigen. Velen deden dat vanuit een nieuw soort vertrouwen, waarin ze gek genoeg worden gesterkt door Trump. Het feit dat hij de presidentsverkiezingen heeft gewonnen, laat zien dat iedereen het kan. De vrouwen lapten campagneconventies aan hun laars.
Ze praatten over hun gezin. Ze gaven borstvoeding in politieke reclame-uitingen. Ze waren openlijk competitief. Maar wanneer ze straks hun zetel innemen, zullen ze worden geconfronteerd met nieuwe verwachtingen, zowel van onze president, die lak heeft aan bestaande regels, als van hun mannelijke collega’s.
De verwachting is dat de Democratische vrouwen die nu zijn gekozen een werkelijke verandering teweeg zullen brengen en dat ze zullen doen wat ze hebben beloofd
In het zakenleven wordt door onderzoekers wel gesproken van de ‘glazen klif’: het verschijnsel dat vrouwen in tijden van crisis op hoge posities belanden, wat het lastig maakt successen te boeken. Als die vrouwen er vervolgens niet in slagen een schip vlot te trekken dat iemand anders aan de grond heeft laten lopen, worden zij verantwoordelijk gehouden voor de mislukking.
Het is zonder meer een positieve ontwikkeling dat er dit jaar zo veel vrouwen aan de verkiezingsstrijd hebben deelgenomen, dat zo veel vrouwen hebben meegewerkt aan de campagnes en dat zo veel vrouwen zich als vrijwilliger hebben ingezet. De verhalen over wie er hebben verloren, en waarom, zullen vrijwel zeker raken aan het thema identiteit. Men zal zich afvragen of de kandidaten zich niet te veel hebben ‘blindgestaard’ op identiteit, door zo te benadrukken dat ze geen witte mannen zijn en daardoor andere levens, ervaringen en prioriteiten hebben.
Een dergelijke simplistische visie lijkt gedoemd alle andere, genuanceerdere analyses naar de achtergrond te dringen, die gaan over de vraag hoe seksisme en racisme onze waarneming, onze voorkeuren en ons gedrag beïnvloeden. En daarmee gaat ze voorbij aan een verbluffende realiteit: de ‘Democratische golf’ in Amerika is te danken aan vrouwen.
Deze verkiezingen zijn misschien niet gunstig geweest voor de vrouwen die hebben verloren, maar de komende jaren zullen ook niet makkelijk worden voor de vrouwen die hebben gewonnen. De gedachte is dat we meer vrouwelijke leiders nodig hebben, niet alleen omdat een democratie eerlijker is als ze daadwerkelijk een afspiegeling is van de samenleving, maar ook omdat vrouwen misschien gewoon beter zijn in de dingen waarin onze huidige leiders tekortschieten – communicatie, samenwerking, het vermogen je Twittervingers in bedwang te houden en de politiek weer enige integriteit te verlenen.
De verwachting is dat de Democratische vrouwen die nu zijn gekozen een werkelijke verandering teweeg zullen brengen en dat ze zullen doen wat ze hebben beloofd: de strijd aanbinden met president Trump, zich sterk maken voor hun achterban, zorgen dat ons landelijke beleid een afspiegeling wordt van de samenleving. Het probleem is dat ze niet echt de middelen in handen hebben gekregen om dat te doen. De Republikeinen houden de meerderheid in de Senaat. Ze hebben een leider in het Witte Huis die heeft gezegd gewoon zijn eigen zin te zullen doordrijven.
Uit onderzoek is gebleken dat zowel in de politiek als in de zakenwereld vrouwen worden gestraft zodra de indruk ontstaat dat ze de publiciteit zoeken of zichzelf op de kaart willen zetten. Daarmee wordt vrouwelijke politici een cruciale manier ontnomen om te onderhandelen en zich sterk te maken voor bepaalde kwesties.
Ook zullen er meer ogen zijn gericht op vrouwelijke bestuurders, nu de minderheden aan de vergadertafel duidelijker zichtbaarder zijn. De vrouwen die nu zijn gekozen wacht dan ook de monumentale taak de huidige rotzooi op te ruimen die voor het grootste deel is veroorzaakt door mannen, zonder dat hun werk beloond zal worden.
Fragiele vooruitgang
Maar het echte verhaal bij deze verkiezingen draait niet om de vraag wat vrouwen al dan niet hebben gedaan, of wat wij al dan niet zullen gaan doen; dit is gewoon een volgende fase in het langdurige proces van vooruitgang en achteruitgang dat de strijd om burgerrechten en vrouwenrechten kenmerkt sinds het stichten van de Verenigde Staten.
Het rampzalige, autoritaire presidentschap van Donald Trump is mogelijk geworden doordat vóór hem een zwarte man het ambt bekleedde en Trump vervolgens ook nog eens werd uitgedaagd door een vrouw. Zijn presidentschap heeft op zijn beurt vele vrouwen ertoe aangezet zich verkiesbaar te stellen. En Trumps presidentschap is zo’n drama dat veel van die vrouwen ook daadwerkelijk zijn gekozen. Dergelijke overwinningen staan niet op zichzelf en zijn zelden absoluut.
Wanneer onze vrouwelijke bestuurders eenmaal zijn ingezworen, zullen ze ons soms teleurstellen, net zoals mannen dat doen. En ze zullen soms verbazingwekkend moedig zijn, net als mannen. Velen zullen harder werken dan hun collega’s zonder daarvoor erkenning te verwachten – iets wat je niet vaak ziet bij mannen. De realiteit is dat vrouwen, zelfs na al deze overwinningen, nog altijd minder dan een kwart van het Huis van Afgevaardigden uitmaken.
In het nieuwe Congres zullen we meer vrouwen en meer gekleurde mensen zien tussen de witte mannen, en dan zullen we constateren dat er vooruitgang is, zij het fragiel. Maar als we goed naar die gezichten kijken, zullen we zien dat onze afgevaardigden nog altijd geen afspiegeling zijn van alles waar Amerika voor staat.
Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
De kiesgerechtigde latino’s worden gezien als de grote belofte voor de Democratische Partij. Maar dan moeten ze wel naar de stembus gaan.
Als de Democraten de Senaat weer in handen willen krijgen of terug in het Witte Huis willen komen, zijn ze aangewezen op de steun van vrouwen en minder-heden. Bijna zeven op de tien vrouwen die zich hebben laten registreren als kiezer, zijn negatief over Trumps presidentschap. Zwarte Amerikanen zullen ongetwijfeld ook in meerderheid op de Democraten stemmen. Slechts 10 procent van de zwarte kiezers staat achter Trump. En dan is er nog de stem van de latino. Je zou mogen verwachten dat Trump – na drie jaar waarin hij Latijns-Amerikaanse immigranten onafgebroken heeft gedemoniseerd, verbannen en vervolgd – een hoge prijs zal moeten betalen wanneer de latino’s in november naar de stembus gaan. Maar vreemd genoeg valt dat nog te bezien. De kiesgerechtigde latino’s zijn ondoorgrondelijk en drijven de Democraten bijna tot wanhoop.
2016 zou het jaar zijn waarin Amerika’s demografische ‘slapende reus’ dan eindelijk zou ontwaken, ruw opgeschud door de retoriek van Trump. Er werd een ongekende ‘latino-golf’ voorspeld, die duidelijk zou maken dat de hispanic-kiezers feitelijk de sleutels van het Witte Huis in handen hadden.
Op de verkiezingsdag zelf bleek die immense golf niet meer dan een rimpeling. Er waren heus succesverhalen, zoals in Colorado en Nevada, maar latino’s namen geen stelling tegen Trump op de krachtige, haast absolute manier waarop bijvoorbeeld zwarte Amerikanen dat deden. Volgens de exitpolls wist Trump 29 procent van de latino-stemmen binnen te halen.
Sindsdien zijn er twee ontwikkelingen geweest. Ten eerste hebben Trumps aanvallen op Latijns-Amerikaanse immigranten een verbijsterend dieptepunt van grofheid bereikt. Hij heeft individuele voorbeelden van bendeleden gebruikt om een hele bevolkingsgroep aan de schandpaal te nagelen: hardwerkende immigranten, die een vredig en ingetogen bestaan leiden in Amerika. Hij heeft van de immigratie- en grensbewakingsdiensten een huiveringwekkende deportatiemachine gemaakt. Hij heeft een einde gemaakt aan de bescherming van de zogeheten Dreamers [een groep van zo’n 800.000 jonge immigranten die als kind illegaal met hun ouders naar de Verenigde Staten zijn gekomen] en hij heeft aan de grens hele gezinnen uit elkaar gehaald.
Latino’s hebben hem niet met gelijke munt terugbetaald. Terwijl Trump gestalte gaf aan zijn anti-immigratiebeleid, zijn zij steeds positiever over de president gaan denken. Uit een recente peiling blijkt 41 procent achter Trumps optreden te staan (tegenover 12 procent van de zwarte Amerikanen). Bij een andere recente peiling sprak 35 procent zich uit vóór Trump. Gemiddeld genomen scoort Trump daarmee slechts zo’n 10 procent lager dan Barack Obama in min of meer dezelfde fase van zijn presidentschap.
Dat wil niet zeggen dat Donald Trump geliefd is onder latino’s. Maar ze keren hem ook niet de rug toe. In een interview met onlinemagazine Vox zei professor Roberto Suro van de Universiteit van Zuid-Californië onlangs dat latino-kiezers weliswaar ‘een negatief beeld hebben van Donald Trump’, maar dat we hier ‘een veel kleinere marge dan bij de gemiddelde Democratische kiezer’ zien. Suro oppert dat latino’s veel meer overeenkomsten hebben met zwevende kiezers dan met een ‘onwrikbaar Democratisch electoraat’. Tevens weerleggen de peilingen volgens Suro ‘de veronderstelling dat Trump met zijn immigratiebeleid grote aantallen latino’s van zich heeft vervreemd’.
Het feit dat maar liefst een op de vier latino-kiezers nog betrekkelijk gunstig over Donald Trump denkt, zal de Democraten ongetwijfeld zorgen baren. Maar het is niet hun grootste zorg. Dat is namelijk de opkomst.
Lage opkomst
Latino-kiezers maken zo’n 12 procent uit van het Amerikaanse electoraat. Dat percentage zal de komende jaren oplopen. De vraag is of de opkomst onder latino’s ook zal toenemen. Tot nog toe beloven de voortekenen weinig goeds. Op landelijk niveau is het opkomstpercentage stelselmatig lager dan dat onder witte, zwarte of Aziatische kiezers. Sterker, bij elke verkiezing sinds 1996 besloten er meer latino’s om thuis te blijven dan om naar de stembus te gaan. Om de zaak mogelijk nog erger te maken: meer dan 40 procent van de potentiële latino-kiezers is millennial, ook een ontmoedigend demografisch gegeven.
De electorale apathie onder hen mag dan zorgwekkend zijn voor de Democraten, de latino-gemeenschap zelf zou zich er nog grotere zorgen over moeten maken. In de loop der jaren heb ik vele verklaringen gehoord. Volgens sommigen schuwen latino’s maatschappelijke betrokkenheid of kampen ze met een gebrek aan politieke kennis. Anderen zeggen dat latino’s een diepgeworteld wantrouwen hebben jegens het democratische proces, doordat ze dat in hun thuisland hebben zien falen. Ik vind geen van deze verklaringen bevredigend. Wat de reden voor de lethargie ook mag zijn, het latino-electoraat moet de ketenen afwerpen. Zelfs als dat – in het ergste geval – zou betekenen dat ze zich achter een man scharen die erop gebrand is miljoenen immigranten het recht te ontnemen in de Verenigde Staten te blijven. Waar hun voorkeur ook ligt, de latino’s moeten gaan stemmen, en wel nú. De positie van onze hele gemeenschap binnen de Amerikaanse samenleving hangt ervan af.
León Krauze
De onlinejournalistiek heeft veel te danken aan dit webzine, dat in 1996 in Seattle werd opgericht. Overzichtelijk en humoristisch. Sinds december 2004 is de financiering in handen van de Washington Post-groep. Sinds 2009 is er ook een Franse variant, slate.fr.
De politieke chaos rond de Brexit houdt aan in Groot-Brittannië. De huiskrant van de Tories is van mening dat parlementariërs met een oplossing moeten komen – en als ze dat niet kunnen, is het tijd voor nieuwe verkiezingen.
We verkeren in een uitzichtloze constitutionele crisis. Het referendum van 2016 heeft krachten losgemaakt die lastig te bedwingen zijn. De wil van het volk heeft die van de volksvertegenwoordiging overstemd en het parlement weet nu niet goed hoe het daarmee om moet gaan. Dat dilemma is verscherpt door verkiezingen waarin de regeringspartij haar meerderheid verloor, zodat premier May de Brexit die zij zelf voor ogen had, niet meer door het Lagerhuis kan krijgen. De vraag is nu hoe we uit deze janboel kunnen komen, zonder ons staatsbestel helemaal op de helling te zetten.
Sommige staatsrechtgeleerden menen dat het antwoord een nieuw referendum is. Volgens hen kan deze impasse alleen worden doorbroken door het volk opnieuw te raadplegen. Zo schreef hoogleraar Vernon Bogdanor van de Universiteit van Oxford onlangs dat ‘het dilemma dat het volk heeft opgeworpen met de uitkomst van het referendum in 2016 en de verkiezingen van 2017, alleen door het volk kan worden opgelost met een nieuw referendum’. De People’s Vote-campagne voor zo’n referendum heeft deze zomer aan kracht gewonnen, terwijl tegelijkertijd de angst groeit dat Mays Brexit-plan, hoe dat er ook uit zal zien, dit najaar nooit een parlementaire meerderheid zal krijgen. Voor een ‘no deal’ is ook geen steun, en in dat geval zou May zich genoopt zien af te treden, omdat ze dan de centrale taak van haar regering niet heeft weten te volbrengen.
Is een tweede referendum dan de enige uitweg? Velen zijn er fel op tegen: het volk heeft zich toch al uitgesproken? Moeten we de Britse stemmers naar de stembus blijven sturen totdat de ‘juiste’ uitslag er een keer uitrolt, zoals in Ierland en Denemarken? Ja, zeggen de voorstanders van een nieuw referendum: nu we aan den lijve hebben ondervonden hoe gruwelijk het allemaal is, en aan de rand van de afgrond hebben gestaan, laat het volk nu nog maar een keer zeggen wat het wil. Hierbij moet worden aangetekend dat Nigel Farage en andere Leave-aanhangers vooraf een tweede referendum eisten als het eerste met een kleine marge zou worden beslist – omdat zij toen nog dachten dat ze zouden verliezen. Juist het Remain-kamp zei destijds heel stellig ‘eruit is eruit’, omdat het overtuigd was van zijn overwinning. Die rollen zijn nu omgedraaid.
Is een tweede referendum dan de enige uitweg? Velen zijn er fel op tegen: het volk heeft zich toch al uitgesproken? Moeten we de Britse stemmers naar de stembus blijven sturen totdat de ‘juiste’ uitslag er een keer uitrolt, zoals in Ierland en Denemarken? Ja, zeggen de voorstanders van een nieuw referendum: nu we aan den lijve hebben ondervonden hoe gruwelijk het allemaal is, en aan de rand van de afgrond hebben gestaan, laat het volk nu nog maar een keer zeggen wat het wil. Hierbij moet worden aangetekend dat Nigel Farage en andere Leave-aanhangers vooraf een tweede referendum eisten als het eerste met een kleine marge zou worden beslist – omdat zij toen nog dachten dat ze zouden verliezen. Juist het Remain-kamp zei destijds heel stellig ‘eruit is eruit’, omdat het overtuigd was van zijn overwinning. Die rollen zijn nu omgedraaid.
Het referendum van 1975
Veel voorstanders van een nieuw referendum waren bovendien blij toen [ondernemer] Gina Miller via de rechter afdwong dat de premier toestemming moest vragen aan het parlement om artikel 50 in gang te zetten. Toch willen zij die beslissingsbevoegdheid nu weer afnemen van het parlement en teruggeven aan het volk. Als het eerste referendum democratisch was, zeggen ze, zou een tweede referendum dat ook zijn.
Al is het natuurlijk geen tweede referendum dat ze willen, maar een derde. Het is verbazingwekkend hoeveel mensen het referendum van 1975 al zijn vergeten of denken dat het ging over de vraag of we tot de gemeenschappelijke markt moesten toetreden: het ging over de vraag of we erin moesten blijven. Het parlement had twee jaar daarvoor al bij wet tot toetreding besloten. Het referendum van 1975 was de eerste landelijke volksraadpleging in het Verenigd Koninkrijk en daarmee een belangrijke breuk met de geschiedenis en soevereiniteit van het parlement. Dat is ook de reden waarom de Conservatieven er destijds tegen waren. In een toespraak in het Lagerhuis in april 1975 stelde Margaret Thatcher de vraag wat er precies werd bedoeld met ‘overtuigende steun van het volk’.
1. Voorstanders in 1975 van wat de Brexit is gaan heten. 2. Het referendum van 1975 was de eerste landelijke volksraadpleging in het VK en daarmee een belangrijke breuk met de geschiedenis en soevereiniteit van het parlement. 3. Premier Harold Wilson in g
En ze vroeg zich af wat men wilde: ‘Referenda voor elke belangrijke nieuwe wet? Dan hadden we nu geen antidiscriminatiewet, was alle immigratie stopgezet, was abortus nog steeds verboden en zou de doodstraf nog worden uitgevoerd. Ik verwacht dat we die kant opgaan als we dit eerste referendum houden zonder stil te staan bij de betekenis van de eis dat elke wet overtuigende steun vergt, wat normaliter wordt opgevat als de steun van het Huis.’
Het was de bedoeling dat het referendum van 1975 eenmalig zou zijn. Als we referenda blijven houden, wordt het moeilijk om niet af te glijden naar directe democratie. Zoals Thatcher zei: waarom dan geen referenda voor andere kwesties waarbij de mening van het parlement niet in de pas loopt met die van de meerderheid van het volk? Moeten politieke kwesties voortaan worden beslist met een telefoonstemming, zoals bij Strictly Come Dancing? Sommige mensen vinden dat misschien een aantrekkelijk idee. Ik niet.
Parlementaire machteloosheid later dit jaar zal de roep om een nieuw referendum versterken. Bij Labour ligt het idee sinds het laatste partijcongres op tafel, al blijft de partij er tegenstrijdige signalen over afgeven. Brexit-woordvoerder Keir Starmer week af van de officiële partijlijn door met zoveel woorden te zeggen dat de keuze om in de EU te blijven aan het volk moet worden voorgelegd.
Voorstanders van een referendum die beweren dat ze het Brexit-besluit respecteren, dat ze alleen maar willen dat het volk over de inhoud van de Brexit-deal mag stemmen, moeten erkennen dat ze eigenlijk de uitkomst van het eerste referendum willen terugdraaien. Ze willen het debat over EU-lidmaatschap heropenen. De gedachte dat dit een eind zal maken aan de ontstane verdeeldheid, slaat natuurlijk nergens op.
Dit behoort een parlementaire democratie te zijn, geen veredelde spelshow
Een nieuw referendum biedt geen enkel soelaas voor onze staatsrechtelijke crisis, integendeel: als het de uitkomst van het eerste referendum terugdraait, zou dat een ramp zijn voor ons staatsbestel, onze representatieve democratie en het gezag van ons parlement. Het zou grote woede wekken bij miljoenen Leave-kiezers. En we hoeven maar naar het gehakketak op Labours partijcongres te kijken om te beseffen hoe moeilijk het alleen al zou worden om overeenstemming te bereiken over welke vraag nu precies aan het volk moet worden voorgelegd.
Zelden is er in de Britse geschiedenis zo veel onzekerheid geweest over hoe de nabije politiek toekomst eruitziet. Maar het zou van slappe knieën getuigen om het besluit daarover nu weer aan het volk te laten. De parlementariërs moeten dit oplossen. En als het huidige parlement daartoe niet in staat is, moeten er nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven. Mensen die zeggen dat dit de EU-kwestie niet zal oplossen, bedoelen eigenlijk dat het de Brexit niet zal terugdraaien. Maar dat besluit is nu eenmaal genomen en ook een nieuwe regering zal zich verplicht zien de EU te verlaten. Labours woordvoerder van Financiën John McDonnell en vakbondsleider Len McCluskey zeiden dat ook op het partijcongres. Als Labour de Brexit echt wil terugdraaien, moet de partij dat expliciet in haar verkiezingsprogramma zetten en proberen daarmee een meerderheid in het parlement te winnen om dat te bereiken. Veel succes daarmee. Maar zo hoort het in dit land wel te gaan. Dit behoort een parlementaire democratie te zijn, geen veredelde spelshow. Onze flirt met het referendum is uitgelopen op een regelrechte ramp. Laten we nooit meer een referendum houden.
Koploper in de Braziliaanse presidentsverkiezingen is Jair Bolsonaro. Maar zijn aantreden zou volgens wetenschappers de grootste bedreiging voor het Amazonegebied betekenen sinds Brazilië een dictatuur was.
Elke nieuwe hap die er uit het enorme Braziliaanse regenwoud wordt genomen, verkleint onze kans om de opwarming van de aarde tot 1,5° C te beperken. Dit woud is namelijk cruciaal om de hoeveelheid broeikasgas in de atmosfeer te verminderen. Naar het zich laat aanzien gaat de extreemrechtse Jair Bolsonaro, de ‘Trump van de Tropen’, de tweede ronde van de presidentsverkiezingen winnen, en dit betekent een acuut gevaar voor het Amazonegebied. Bolsonaro heeft gezegd dat hij mijnbouw in indianenreservaten wil toestaan en eventueel zelfs een geasfalteerde snelweg door het Amazonegebied wil aanleggen. Deze en andere plannen zouden de ‘grootste bedreiging voor het Amazonegebied betekenen sinds Brazilië een dictatuur was’, vertelt wetenschappelijk adviseur Doug Boucher van het Union of Concerned Scientists’ Tropical Forest and Climate Initiative. ‘Ze bedreigen het klimaat van de hele planeet.’
Controversiële politicus
Tussen 2005 en 2012 ging het best goed met het Braziliaanse oerwoud. Tijdens de regeerperiode van Luiz Inácio Lula da Silva nam de ontbossing met zo’n twee derde af – van twintigduizend vierkante kilometer per jaar vóór zijn aantreden tot slechts zesduizend vierkante kilometer per jaar bij zijn aftreden. En sindsdien is de ontbossing op ditzelfde relatief lage niveau gebleven, waardoor de CO2-uitstoot van Brazilië met ruim de helft afnam, vertelt Boucher.
Een regeringswissel in het land zou deze vooruitgang in één klap teniet kunnen doen. Sowieso wordt er rondom Braziliaanse presidentsverkiezingen meestal meer gekapt, ongeacht welke kandidaat gekozen wordt, omdat er tijdelijk minder toezicht wordt gehouden. Maar Bolsonaro houdt er ook een uitzonderlijk beangstigende kijk op milieuzaken op na. Niet alleen staat hij bekend om zijn homofobe, racistische en misogyne opvattingen, maar de controversiële politicus heeft ook een lange staat van dienst als het gaat om weerstand tegen milieumaatregelen. Hij is gekant tegen elke vorm van actie tegen klimaatverandering en heeft daarom beloofd Donald Trumps voorbeeld te volgen en uit het klimaatakkoord van Parijs te zullen stappen.
‘In plaats van de ontbossing en de georganiseerde misdaad te bestrijden, richt Bolsonaro zijn pijlen op het ministerie van Milieu’
Bolsonaro laat er ook geen misverstand over bestaan hoe hij het rassenvraagstuk ziet. Hij bekritiseerde de toezegging van de huidige Braziliaanse regering om grote stukken van het Amazonegebied voor inheemse volkeren te reserveren. Hij stelt dat hij ‘de indianen geen centimeter land meer zal geven’. Bovendien is Bolsonaro een alliantie aangegaan met het rechtse ruralista-blok, dat opkomt voor de belangen van landbouwbedrijven en grootgrondbezitters. Jarenlang ondersteunde hij initiatieven om beleidsmaatregelen tegen ontbossing op te heffen. De lijst van Bolsonaro’s milieudoelwitten is lang. Hij is van plan het ministerie van Milieu op te heffen en het onder te brengen bij het ministerie van Landbouw, dat door de landbouwsector wordt beheerst. ‘In plaats van de ontbossing en de georganiseerde misdaad te bestrijden, richt Bolsonaro zijn pijlen op het ministerie van Milieu, Ibama en ICMbio [Brazilië’s nationale milieuagentschappen]’, vertelt de huidige minister van Milieu Edson Duarte. ‘Dat is net zoiets als zeggen dat je de politie van straat wilt halen.’
Het lijkt erop dat de oud-legerofficier Bolsonaro het Braziliaanse beleid ten aanzien van het Amazonegebied uit de tijd van de dictatuur in ere wil herstellen. Het land stimuleerde in die periode – tijdens de jaren zestig, zeventig en tachtig – een snelle ontwikkeling van het Amazonegebied, legde wegen aan en kapte bos om plaats te maken voor akkers en landerijen.
Het wereldwijde gevecht tegen de catastrofale klimaatverandering is in een hogere versnelling terechtgekomen en bossen zijn een belangrijke schakel in die strijd. Volgens een somber nieuw VN-rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is het stoppen van ontbossing cruciaal als we de opwarming tot 1,5°C willen beperken. Bos kan immers grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer halen en opslaan.
‘We kunnen er niet omheen koolstofdioxide uit de atmosfeer te halen. Dat is nodig om een zeer gevaarlijke temperatuurstijging te verhinderen, en een toename van het aantal overstromingen, zware stormen en hittegolven tegen te gaan’, zegt Boucher. ‘Verreweg de eenvoudigste manier om dat te doen, is door onze bossen te behouden en zelfs nieuwe te planten.’ Als je beschermt wat er nog over is van het Braziliaanse oerwoud, ben je al een heel eind. En zestig procent van het Amazonewoud – op afstand het grootste oerwoud ter wereld – ligt in Brazilië. Dit woud haalt het hele jaar door CO2 uit de lucht, dankzij het continu vochtige en warme klimaat.
Bolsonaro kreeg tijdens de eerste ronde van de Braziliaanse presidentsverkiezingen bijna een absolute meerderheid van de stemmen, maar toch is het niet zeker dat hij de tweede ronde zal winnen. Zijn tegenstander is de linkse Fernando Haddad, die in de eerste ronde als tweede eindigde.
‘De samenleving moet druk blijven uitoefenen – en dat gebeurt ook’, vertelt Boucher. ‘Nu is het afwachten wat er verder gebeurt.’
Laat zogenaamde fixers aan het woord: mensen die ‘opmerkelijke, ambitieuze oplossingen hebben voor de grootste uitdagingen van de mensheid’. De missie van Grist is om ons een goed gevoel te geven over de toekomst.
Lang stond Kameroen bekend als een rustige, vreedzame haven in een woelige regio. Maar sinds enkele jaren lijkt president Biya zich weinig aan te trekken van de gewone burger. Overheidsfunctionarissen spiegelen zich aan de werkstijl van de president, wat neerkomt op ‘niets doen, of extreem weinig’.
Op de grofkorrelige beelden, gefilmd met een mobiele telefoon, drijven Kameroense soldaten twee vrouwen voort over een zandweg. Een van de vrouwen draagt een baby op haar rug. De andere vrouw houdt een jong meisje bij de hand. Ze worden op de voet gevolgd door een kleine menigte. De soldaten schelden de vrouwen uit, slaan ze in het gezicht. Iemand zegt: ‘BH, jullie gaan eraan.’ ‘BH’ staat voor Boko Haram, de Nigeriaanse terreurgroep, sinds een aantal jaren actief in het noorden van Kameroen, waarmee het Kameroense leger de strijd heeft aangebonden. De vrouwen worden van de weg geleid en geblinddoekt. Een soldaat trekt het zwarte T-shirt van het meisje uit en bindt het om haar hoofd. De persoon die alles filmt, vermoedelijk een soldaat, zegt: ‘We doen dit echt niet voor de lol, meisje, maar je ouders dwingen on…’ Hij wordt onderbroken door geweerschoten en de vier slachtoffers – de twee vrouwen, het meisje en de baby – vallen op de grond. Terwijl de soldaten met hun laarzen zand over de lijken schoppen, merkt een van hen dat het meisje nog leeft. Een soldaat laadt zijn geweer opnieuw en vuurt een laatste schot af. Hier eindigt het filmpje.
In een onderzoek dat eind september werd gepubliceerd, concludeerde de BBC dat deze moorden in maart of april 2015 plaatsvonden in het dorpje Krawa Mafa. Maar het filmpje dook pas afgelopen juli op in sociale media. Regeringswoordvoerder Issa Tchiroma Bakary deed het meteen af als ‘nepnieuws’, maar kwam een maand later met de aankondiging dat zeven soldaten in verband met dit incident waren gearresteerd. Vlak voor zijn aftreden betoonde Zeid Raad al-Hussein, de chef van de VN-mensenrechtenraad, zich bezorgd in reactie op het filmpje. ‘Ik maak me ernstige zorgen dat deze moorden die op camera zijn vastgelegd geen geïsoleerde gevallen zijn.’
Tweederangsburgers
De terreur van Boko Haram is niet het enige probleem van Kameroen. Sinds 2016 kampt het land ook met een opstand onder de Engelstalige minderheid in de westelijke regio’s. In tegenstelling tot de strijd tegen Boko Haram, die zijn hoogtepunt in 2015 beleefde, zal dit conflict de komende maanden, zo niet jaren, zwaar drukken op de politiek en de binnenlandse veiligheid van het land.
Met deze twee conflicten werd in de aanloop van de presidentsverkiezingen van 7 oktober serieus gezaagd aan de troon van de zittende president, Paul Biya, die zich juist jarenlang liet voorstaan op het bewaren van de vrede en de orde in een anderszins onstabiele regio. [De verkiezingen zijn inmiddels geweest. Oppositiepartij Kamto claimt te hebben gewonnen, maar de officiële uitslag laat op zich wachten. Experts verwachten dat Biya als winnaar uit de strijd zal komen en zijn zevende termijn zal ingaan.] Naar het zich laat aanzien staan hem moeilijke tijden te wachten, vergelijkbaar met enkele van de woeligste periodes uit de recente geschiedenis van het land: de mislukte coup van 1984, de wekenlange algemene staking tegen het bewind in 1991, en de straatprotesten tegen de stijgende voedselprijzen in 2008, waarbij meer dan honderd doden vielen.
De crisis rondom de Engelstalige minderheid, die in oktober 2016 uitbrak, resoneert in het hele land. Dit heeft twee redenen. Ten eerste zijn de Engelstalige militante groeperingen, anders dan Boko Haram, ontstaan op eigen bodem. Ten tweede worden de grieven van de separatisten over het gebrek aan ontwikkeling en kansen gedeeld door veel burgers. Het conflict vindt zijn oorsprong in de complexe geschiedenis van Kameroen. Als voormalige Duitse kolonie werd het land na de Eerste Wereldoorlog opgesplitst in een Frans en Engels protectoraat, dat ieder de taal van het ‘moederland’ als voertaal instelde, hoewel er tot op de dag van vandaag nog altijd meer dan tweehonderd talen worden gesproken. In 1961, een jaar na de onafhankelijkheid, stemde de helft van de Engelssprekenden voor aansluiting bij buurland Nigeria, terwijl de andere helft ervoor koos een federatie te vormen met het Franstalige deel van Kameroen.
De Engelstalige Kameroeners, die in twee regio’s wonen en officieel een zesde van de totale bevolking uitmaken, voelen zich sindsdien behandeld als tweederangsburgers. Ze klagen over het gebrek aan investeringen en beleidsmaatregelen die indruisen tegen het beloofde federalisme. Zo wordt het gebruik van de Franse taal overal doorgedrukt, ten koste van het Engels. Eind 2016 kwam het tot een uitbarsting, toen advocaten en leraren, gefrustreerd over de opmars van het Frans in plaatselijke scholen en rechtbanken, de straat op gingen. De betogingen breidden zich razendsnel uit en werden hard neergeslagen. Een jaar later, op 1 oktober 2017, vonden in diverse steden in de twee Engelstalige provincies, Zuidwest en Noordwest, vreedzame marsen plaats. Een aantal separatisten riep een onafhankelijke staat uit; Ambazonia, vernoemd naar de Ambas Baai aan de Atlantische kust, waarop veiligheidstroepen hardhandig ingrepen. Er vielen meer dan twintig doden en honderden betogers belandden in de gevangenis, aldus Amnesty International.
De vrouwen die ervan werden beschuldigd bij Boko Haram te horen worden samen met hun kinderen door een groep soldaten naar de dood geleid. Still uit het filmpje dat viral ging.
David, een Engelstalige Kameroen, herinnert zich het harde optreden van de veiligheidstroepen nog goed. Hij liep met zijn familie mee in een vreedzame mars toen de soldaten het vuur opende. Zijn broer werd dodelijk geraakt. De familie ontvluchtte de plaats des onheils, op de voet gevolgd door de soldaten, die vervolgens hun dorp aanvielen. De dorpelingen verscholen zich in de jungle en staken de grens over met Nigeria. Liever dan als vluchteling door het leven te gaan, nam David – niet zijn echte naam – de wapens op. ‘Ik wil me wreken, want dit is mijn land.’ Hij sloot zich aan bij de Ambazonia Defense Force (ADF), een groepering die zo’n 1500 strijdkrachten telt, verspreid over twintig kampen. De meeste strijders hebben alleen oude jachtgeweren, maar tegenover hun povere uitrusting staat een ongekende strijdlust.
Ik ontmoette David in juli toen ik als embedded journalist meeliep met de ADF in de graslanden in Zuidwest. Het is een moeilijk toegankelijk gebied, ten eerste omdat de regering journalisten uit de regio weert en ten tweede omdat de transportinfrastructuur er veel te wensen overlaat. Het leent zich dus perfect voor een guerilla; Kameroense soldaten wagen zich zelden buiten bewoond gebied. Er zijn een handvol Engelstalige milities actief. Volgens de regering hebben deze milities meer dan 120 leden van de veiligheidstroepen gedood, maar het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. De separatisten hebben ook civiele ambtenaren en tribale leiders die aan de kant van de regering staan ontvoerd, en in sommige gevallen gemarteld en vermoord. Mensenrechtenorganisaties hebben de gewapende milities ervan beschuldigd scholen, soms met geweld, te sluiten. Volgens Amnesty zijn 42 scholen aangevallen. De separatisten maken zich schuldig aan mensenrechtenschendingen: volgens Amnesty hebben ze dit jaar meer dan vierhonderd burgers geëxecuteerd, en volgens Human Rights Watch en de BBC zijn minstens twintig dorpen platgebrand. Talloze aanvallen zijn waarschijnlijk niet eens gemeld.
Naar schatting zijn 256 duizend Kameroeners door het escalerende conflict ontheemd. Een van hen is Charity Achu, een kapster die een eigen salon had in de provincie Zuidwest. Op een dag vielen soldaten haar dorp binnen en begonnen in het wilde weg te schieten. Halsoverkop ontvluchtte ze samen met haar man en hun vier kinderen het huis, met achterlating van al hun bezittingen. De jongste, een baby nog, droeg ze in haar armen. Vijf maanden hield het gezin zich schuil in de jungle, waar ze met moeite wisten te overleven. Achu vernam van andere vluchtelingen dat drie van haar broers waren vermoord. Het gezin bereikte uiteindelijk een dorp aan de kust. ‘Behalve de kleren aan ons lijf hadden we niets’, vertelt ze. ‘We waren gedwongen te bedelen.’ Ze kregen schone kleding van behulpzame dorpsbewoners en vluchtten met een bootje naar Nigeria, dat volgens de Verenigde Naties inmiddels meer dan 21 duizend Kameroense vluchtelingen telt.
De oppositie is het erover eens dat een dialoog met de Engelstalige Kameroeners en meer autonomie van de Engelstalige regio’s kunnen bijdragen aan de beëindiging van het conflict. President Biya heeft onlangs een Ministerie voor Decentralisatie in het leven geroepen en twee Engelstaligen aan het hoofd van andere ministeries geplaatst. Maar zijn regering weigert te onderhandelen met de Engelstalige leiders, die als terroristen worden beschouwd. En Ayuk Tabe, de eerste president van de interim-regering van Ambazonia, die in januari werd opgepakt, zit nog altijd zonder enig vorm van proces vast. De halsstarrige weigering om te onderhandelen heeft de roep om onafhankelijkheid alleen maar aangewakkerd; wat in de Engelssprekende regio’s ooit de wens van een splinterbeweging was, wordt nu meer en meer omarmd. Ondertussen werkt het conflict onder de Franstalige bevolking als een splijtzwam. Anders dan het streven van Boko Haram naar een fundamentalistisch-islamitische staat, kan de roep van de Engelstaligen om beter bestuur en betere basisinfrastructuur rekenen op veel bijval. In de afgelopen tien jaar heb ik alle uithoeken van het land bezocht en de wensenlijst is overal hetzelfde: goede wegen, een ziekenhuis en een school, kortom basisvoorzieningen die de staat domweg niet levert. Op sociale media werd om die reden vooral aan het begin van deze crisis veelvuldig geschreven dat de Engelstaligen met hun roep om beter bestuur als voorbeeld konden dienen voor de rest van het land.
Voor veel Kameroeners bevestigen de mensenrechtenschendingen die in de Engelstalige gebieden door de veiligheidstroepen worden begaan het beeld dat de regering zich weinig gelegen laat liggen aan de gewone burger. In veel opzichten is het soms willekeurige geweld van het leger exemplarisch voor de regering in het algemeen. ‘Het is een soort gedecentraliseerde tirannie’, zegt de prominente Kameroense politieke filosoof Achille Mbembe. ‘Dat betekent dat iedere staatsambtenaar op zijn eigen, lage niveau een kleine tiran is. Het is een opmerkelijke democratisering van autoritaire dynamiek.’
De integriteit van staatsambtenaren is af te lezen aan de kwaliteit van hun maatpakken en horloges
Het hart van dit regeringsapparaat bevindt zich in Yaoundé, de groene heuvelachtige hoofdstad in het binnenland. De ministeries zijn gehuisvest in een handvol sjieke art-decogebouwen die in de jaren zeventig niet ver van de breedste boulevard zijn gebouwd. Zet één stap over de drempel, en alle glans verbleekt. Gammele liften brengen bezoekers naar donkere gangen met versleten tapijten. Achter de deuren in deze gangen gaan sjofele kantoren schuil waar regeringsambtenaren onderuitgezakt in hun bureaustoel een dutje doen, de krant lezen of vastgekluisterd zitten aan hun mobiele telefoon. De werkdagen zijn kort. Tot elf uur ’s ochtends melden secretaresses dat hun bazen ‘ieder moment kunnen binnenlopen’ en na vier uur ’s middags zijn ze meestal ‘in vergadering’.
Mbembe legt uit dat deze overheidsfunctionarissen zich spiegelen aan de werkstijl van president Biya zelf, wat neerkomt op ‘niets uitvoeren, of extreem weinig’. Biya brengt een groot deel van zijn tijd in het buitenland door, meestal in een vijfsterrenhotel in Genève. Van de 36 jaar dat hij nu president is, is hij opgeteld zo’n viereneenhalf jaar op privéreisjes naar het buitenland geweest. Hoewel het salaris van staatsambtenaren niet hoog is, gelden overheidsfuncties doorgaans als de best betaalde baantjes vanwege de wijdverbeide corruptie en de hoge dagvergoedingen die overheidsmedewerkers krijgen voor het bijwonen van vergaderingen. Een van mijn vrienden die voor een multilaterale organisatie werkt, zegt dat hij de integriteit van staatsambtenaren kan aflezen aan de kwaliteit van hun maatpakken en horloges.
Om zijn greep op de macht te behouden, houdt president Biya deze worsten aan vriend én vijand voor. Hij schuift hun bovendien lucratieve baantjes toe, zoals ministerposten of directeursfuncties van overheidsbedrijven. Met name potentiële opponenten worden op die manier afgekocht. Gedurende zijn regeerperiode heeft deze aanpak Biya genoopt tot het vinden van creatieve oplossingen bij het in steeds kleinere punten snijden van de overheidstaart, wat ertoe heeft geleid dat er inmiddels 64 ministers en staatssecretarissen zijn. Het onderwijs alleen al is verdeeld over vier ministeries: een voor de lagere school, een voor de middelbare school, een voor hoger onderwijs en een voor beroepsonderwijs. Biya heeft ook altijd een stok achter de deur voor wanneer zijn positie wordt bedreigd. Hij degradeert zijn ondergeschikten wanneer het hem uitkomt en desnoods zet hij ze achter slot en grendel. Er zitten ondertussen zoveel hoge functionarissen in de bekende Kondengui-gevangenis in Yaoundé, meestal op beschuldiging van corruptie, dat het hele land de grap kent dat ze een schaduwregering kunnen vormen. Dankzij deze tactieken is Biya het op één na langst zittende niet-koninklijke staatshoofd; na de president van zuiderbuur Equatoriaal-Guinea, Teodoro Obiang Nguema, die sinds 1979 aan het roer staat.
Buitenlandse investeerders
De internationale gemeenschap heeft Kameroen decennialang bewierookt vanwege de vrede en stabiliteit, wat het land aantrekkelijk maakt voor buitenlandse investeerders. Ondanks de welig tierende corruptie blijft de internationale geldkraan open. In 2017 ontving Kameroen 700 miljoen euro aan ontwikkelingshulp. Washington haalde de banden met de Kameroense regering aan toen het land de strijd met Boko Haram aanbond, waarmee het in één klap bondgenoot werd in de oorlog tegen het terrorisme.
Maar de Amerikaanse steun ligt onder het vergrootglas: vorig jaar onthulde Amnesty International en het onderzoeksbureau Forensic Architecture dat Kameroense soldaten vermeende Boko Haram-aanhangers hadden gemarteld op bases waar ook Amerikaanse militairen zijn gelegerd. De Amerikaanse ambassadeur in Yaoundé, Peter Henry Barlerin, die eerder nog de loftrompet over Kameroen had gestoken, koos na deze onthulling voor een hardere lijn. Na een ontmoeting met Biya verklaarde hij de ‘executies’ en ‘het plunderen en platbranden van dorpen’ in de Engelstalige regio’s ter sprake te hebben gebracht. Tevens had hij de president op het hart gedrukt ‘zich te bezinnen op zijn nalatenschap en te bedenken hoe hij de geschiedenis in wilde gaan’. Hij had er nog aan toegevoegd dat George Washington en Nelson Mandela uitstekende rolmodellen waren.
De Kameroense regering vatte dit op als een regelrechte aanval en riep Barlerin op het matje. De ambassadeur moest verzekeren dat hij de oppositie niet financieel steunde. ‘We hebben geen voorkeur voor een presidentskandidaat’, zei hij nadien in een interview met The New York Times. ‘We zijn voor een sterk en stabiel Kameroen.’ Dat standpunt had president Macron ook al uitgedragen. In zijn samenvatting van het telefoongesprek dat hij in juli met Biya had gevoerd, liet hij in één minuut tijd vier keer het woord ‘stabiliteit’ vallen.
Wat de crisis rondom de Engelstaligen betreft verschillen Frankrijk en de VS wel van aanpak: Frankrijk weigert tot dusver de mensenrechtenschendingen van het leger openlijk te bekritiseren. Macron benadrukt in plaats daarvan het belang van ‘nationale cohesie’, een statement waarmee hij Biya, die fel gekant is tegen onafhankelijkheid van de Engelstaligen, lijkt te steunen. Dit weerspiegelt de diepgewortelde bond tussen het regime en Frankrijk, de voormalige koloniale macht. Frankrijk heeft het bewind van Biya van meet af aan gesteund. In de loop der jaren heeft Biya Frankrijk 35 keer bezocht, volgens gegevens van het internationale journalistieke onderzoekscollectief OCCRP, en hij heeft alle Franse presidenten sinds François Mitterrand de hand geschud. Franse bedrijven hebben veel activa in het land. Het olieconcern Perenco bezit concessies voor olie-exploitatie. The Bolloré Group exploiteert een spoorlijn, de internationale containerterminal in Douala en de diepzeehaven in Kribi in de Golf van Guinea. Lafarge heeft een aantal cementfabrieken. De export van bananen en hout is grotendeels in handen van Franse bedrijven.
Tijdens de laatste Common Wealth Games in Australië keerde een derde van de Kameroense delegatie niet huiswaarts
Hoe de verkiezingen ook mogen uitpakken, de situatie voor de gewone bevolking zal niet een-twee-drie veranderen. In de periode van langdurige stagnatie zijn de Kameroeners geconditioneerd om klein te dromen. Veel werkeloze afgestudeerden staan met beltegoedstalletjes langs de weg, handenwringend in de genadeloze zon of in de striemende regen, wachtend op klanten. Anderen proberen op straat geld in het laatje te brengen met de verkoop van tweedehandskleren of -schoenen. Sommigen besluiten hun geluk elders te beproeven. Op internationale sportevenementen zijn er altijd wel Kameroense atleten die in het gastland achterblijven, in de hoop op een nieuw leven. Tijdens de laatste Common Wealth Games in Australië bijvoorbeeld, keerde een derde van de Kameroense delegatie niet huiswaarts. Ook bij de Olympische Spelen van 2008 in Beijing en de Olympische Spelen van 2012 in Londen ontsnapte ongeveer een derde van de Kameroense ploeg uit het atletendorp. En dan is er nog de groep die de gevaarlijke overtocht over de Middellandse Zee waagt. De frustratie wordt misschien nog het best verwoord in de populaire rapsong This Country Kills the Youth van de Kameroense rapper Valsero: ‘This country kills the youth, and the old don’t let go. Once they get in power, they don’t let go… This country is like a bomb, and for the youth, it’s a grave.’
Platform dat diepgaande analyses biedt van internationale ontwikkelingen om deze voor beleidsmakers, academici en geïnteresseerde lezers in context te plaatsen. Onpartijdig, maar noemt zichzelf liberaal en internationaal. De content wordt geleverd door een wereldwijd netwerk van experts.
De Duitse professor Jan Werner-Müller wil het populisme precies omschrijven, zonder ‘vage anti-establishment sentimenten’. Sleutel in zijn analyse is de pretentie van populisten dat zij het ‘echte’ volk vertegenwoordigen. Ze geloven in regeren bij meerderheid, maar niet in verscheidenheid.
Tegenwoordig lijkt de diepere betekenis van alle verkiezingen in Europa (en misschien zelfs in de wereld) zich tot één enkele vraag te beperken: heeft het populisme gewonnen of verloren? Tot de Nederlandse verkiezingen van maart 2017 werd het publieke debat gedomineerd door het beeld van een onstuitbare golf – of tsunami, zoals Nigel Farage het noemde – van populisme. En vooral na de grote zeges van Macron hoor je nu vaak dat we misschien al in het ‘post-populistische tijdperk’ zijn beland. Die diagnoses zijn allebei fout en verdienen het etiket dat het populisme zelf vaak krijgt opgeplakt: simplistisch.
Bij het beeld van een onhoudbare golf gaat men er klakkeloos van uit dat zowel de Brexit als het presidentschap van Trump een triomf voor het populisme betekende. En natuurlijk, Farage en Trump zijn populisten, al zijn ze dat niet omdat ze, zoals het cliché wil, ‘afgeven op de elite’. Niet iedereen met kritiek op de elite is automatisch een populist. Een kritische houding tegenover de elite kun je net zo goed opvatten als teken van democratische betrokkenheid van de burger. Populisten in de oppositie hebben allicht kritiek op de regering. Maar belangrijker is dat ze ook beweren dat zij en zij alleen opkomen voor wat populisten vaak ‘echte mensen’ of ‘de zwijgende meerderheid’ noemen.
Daarmee zeggen ze eigenlijk dat alle andere partijen in wezen geen recht van spreken hebben. Het gaat de populisten nooit om een verschil van mening over het beleid of zelfs over normen en waarden, het soort meningsverschil dat in een democratie natuurlijk heel normaal is (en in het beste geval ook productief). Nee, populisten spelen in ieder politiek conflict meteen op de man en maken er een morele kwestie van: de anderen zijn volgens hen simpelweg ‘slecht’ en ‘corrupt’. Die spannen zich niet in voor ‘het volk’ maar alleen voor zichzelf (voor de gevestigde orde) of voor multinationals of voor de EU of noem maar op. In dat opzicht was de campagneretoriek van Trump een extreem geval, maar niet echt een uitzondering.
‘Echte mensen’
Minder in het oog springend is de suggestie van populisten dat mensen die het niet eens zijn met hun opvatting van wat ‘het volk’ is, en die hen dus niet steunen, eigenlijk niet tot dat volk behoren. Denk aan Farage, die op de avond van het beslissende referendum riep dat de Brexit een ‘victory for real people’ was. Daarmee impliceerde hij dat de 48 procent die tegen een Brexit hadden gestemd geen ‘echte mensen’ zijn, ofwel: niet echt tot het Britse volk behoren. Of denk aan Trump, die op een verkiezingsbijeenkomst vorig jaar zei: ‘Het gaat erom dat we de mensen verenigen – want die andere mensen doen er niet toe.’ De populist bepaalt dus wie de echte mensen zijn.
Vage ‘anti-establishment sentimenten’ vormen dus geen lakmoesproef voor wat populisme is: kritiek op de elite kan terecht of onterecht zijn, maar is niet per se antidemocratisch. Waar het om gaat, is het antipluralisme van de populisten. Ze doen altijd aan uitsluiting op twee niveaus. Op het niveau van de partijpolitiek presenteren ze zichzelf als de enige legitieme spreekbuis van het volk, om zo alle politieke rivalen op zijn minst moreel uit te sluiten. En iets subtieler wordt op het niveau van de mensen zelf, zo je wilt, iedereen buitengesloten die hun symbolische fictie van ‘de echte mensen’ niet onderschrijft (en dus niet achter de populisten staat). Anders gezegd: populisme maakt per definitie aanspraak op het morele alleenrecht om de wil te vertolken van de zogenaamde echte mensen – en vervalt daardoor per definitie tot een radicaal wij-zij-denken.
Merk daarbij op dat populisten ook zonder te regeren grote schade kunnen toebrengen aan de politieke cultuur. Populistische partijen die slecht presteren bij de stembus worden immers met een evidente paradox geconfronteerd: hoe kan hun partij aanspraak maken op een rol als enige echte spreekbuis van het volk, als ze geen overweldigende meerderheid bij de stembus halen? Niet alle populisten kiezen voor de makkelijkste uitweg uit dit dilemma, maar velen wel: zij suggereren dat ze niet zozeer een zwijgende meerderheid vertegenwoordigen, als wel een meerderheid die het zwijgen is opgelegd. Als die meerderheid zich kon uiten, zouden de populisten per definitie aan de macht zijn, maar iets of iemand heeft deze meerderheid de mond gesnoerd. Anders gezegd: populisten suggereren op meer of minder subtiele wijze dat ze de verkiezingen helemaal niet echt verloren hebben, maar dat het hele proces door verdorven elites achter de schermen is gemanipuleerd. Denk weer aan Trump: toen hij in het midden liet of hij een verkiezingszege van Hillary Clinton zou accepteren, plaatste hij impliciet vraagtekens bij de deugdelijkheid van het Amerikaanse kiesstelsel. Veel van zijn kiezers begrepen die boodschap heel goed. Uit een peiling bleek dat zeventig procent van zijn aanhang dacht dat het doorgestoken kaart zou zijn als Clinton de verkiezingen won.
Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen
Nu mag iedereen kritiek hebben op het Amerikaanse kiesstelsel, daar is duidelijk genoeg reden toe. Ook zulke kritiek kan een teken zijn van oprechte democratische betrokkenheid. Wat niet democratisch is, is de houding van populisten die in feite neerkomt op de bewering: ‘Omdat wij niet gewonnen hebben, moet het systeem wel fout en verrot zijn.’ Zo zullen populisten het vertrouwen van burgers in hun instituties systematisch ondermijnen, en daarmee het politieke klimaat verzieken, ook zonder zelf ooit aan de macht te komen.
Ik wil niet beweren dat alle populisten hun gebrek aan electoraal succes afdoen met een beroep op complot-theorieën. Maar ze zullen op zijn minst geneigd zijn onderscheid te maken tussen de empirisch vastgestelde en de morele uitslag van verkiezingen. (Denk aan de Hongaarse rechtse populist Viktor Orbán, die na zijn verkiezingsnederlaag in 2002 zei dat ‘het land niet in de oppositie kan zitten’; of aan Andrés Manuel López Obrador, die na zijn nederlaag bij de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2006 zei dat ‘de zege van rechts moreel onbestaanbaar’ was en hijzelf de enige ‘legitieme president van Mexico’.) Zo blijven populisten zich beroepen op een onbestemde groep ‘echte mensen’ die een andere keuze zouden hebben gemaakt. De extreemrechtse populist Norbert Hofer zei na zijn nederlaag bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen van 2016 bijvoorbeeld dat de winnaar, de groene politicus Alexander Van der Bellen, ‘gezählt, aber nicht gewählt’ was: hij insinueerde dus dat zijn tegenstander weliswaar de meeste stemmen had gekregen, maar toch niet echt gekozen was (alsof een ‘echte keus’ op een of andere wijze tot stand kan komen bij acclamatie of zoiets, en niet in het stemhokje). In veel gevallen zullen populisten de cijfers afzetten tegen sentimenten, zonder oog voor het feit dat juist die cijfers, een correcte telling van het aantal stemmen, het enige is waar democratie uit bestaat.
Door in te zien dat populisme een specifieke vorm van antipluralisme is, voorkomen we misschien dat we kritiekloos het beeld blijven herhalen van ‘het volk’ dat overal in opstand komt tegen ‘de gevestigde orde’. Dat is geen onschuldige, laat staan neutrale beschrijving van de politieke ontwikkelingen. Het is in feite populistisch jargon. Met zo’n omschrijving accepteer je impliciet dat de populisten werkelijk ‘het volk’ vertegenwoordigen. Maar types als Farage of Geert Wilders slagen er in de verste verte niet in om zelfs maar een kwart van het electoraat aan te spreken.
Toch vallen politici en journalisten vreemd genoeg vaak van het ene uiterste in het andere als het om populisten gaat: van de opvatting dat het allemaal demagogen zijn die per definitie onzin uitkramen, naar de gedachte dat populisten in feite de ‘echte zorgen’ van de mensen vertolken. De populist een monopolie geven op de vertolking van wat mensen bezighoudt, getuigt van een diepgaand gebrek aan inzicht in hoe democratische vertegenwoordiging werkt. Die vertegenwoordiging moet niet gezien worden als een mechanische afspiegeling van objectief bestaande belangen en identiteiten. Die belangen en identiteiten krijgen dynamisch vorm naarmate politici (en het maatschappelijk middenveld, vrienden, buren, enz.) bepaalde stappen zetten en burgers daarop reageren. Het is dus niet dat alles wat populisten zeggen per se verzonnen is, maar het is een vergissing om te denken dat alleen zij weten wat er echt in de maatschappij leeft. Zo is Trump er zonder twijfel in geslaagd een aantal Amerikanen het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van zoiets als een blanke identiteits- beweging. Maar het zelfbeeld van burgers kan ook weer veranderen.
Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen. Toch gaan veel niet-populisten daarvan uit. Denk maar aan hoe sommige socialisten en sociaaldemocraten in Europa tegenwoordig lijken te denken: ‘De arbeidersklasse heeft het gewoon niet op buitenlanders. Het succes van de rechtse populisten toont dat wel aan. Niks aan te doen.’
Er bestaat nog een andere denkfout met betrekking tot de verkiezingswinst van populisten. Je moet er niet van uitgaan dat alle kiezers die op een populistische partij stemmen zelf ook populist zijn, dat wil zeggen: de antipluralistische ideeën van hun populistische leider delen.
Een kiezer kan het bijvoorbeeld volstrekt oneens zijn met de kritiek van Marine Le Pen dat andere partijen immoreel zijn en hun land verraden, maar toch op het Front National stemmen vanwege het landbouwbeleid dat die partij voorstaat. Oké, dat is wat vergezocht, maar het punt blijft dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat iedereen die op een populistische politicus of partij stemt, per se ook het hele antipluralistische programma daarvan onderschrijft. Dat is een elementair empirisch feit, maar het heeft ook gevolgen voor de politieke strategie. Denk maar aan de desastreuze uitwerking van Hillary Clintons opmerking over ‘deplorables’. Ze had beter alleen genadeloze kritiek kunnen leveren op haar tegenstander, zonder te generaliseren over de kiezers die hij aanspreekt.
Maar zit er niet toch iets in, in dat idee van een populistische golf, al is die nu even op zijn retour? Nee, dat beeld was altijd al zeer misleidend. Nigel Farage heeft de Brexit immers niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij had hulp nodig van Conservatieven uit het establishment, zoals Boris Johnson en Michael Gove (die nu allebei in May’s kabinet zitten). Het was Gove die in het voorjaar van 2016, als reactie op de vele sombere voorspellingen van deskundigen over een eventuele Brexit, zei dat het Britse volk de buik vol had van deskundigen. Het grappige was dat Gove zelf juist lange tijd als een intellectueel binnen de Tory-gelederen gold. Het was dus niet zomaar iemand die de mensen vertelde dat deskundigheid werd overschat – er was een deskundige voor nodig om die conclusie te trekken.
Trump is natuurlijk geen president geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. Hij vertegenwoordigde een gevestigde partij en had de zegen nodig van Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani, Chris Christie en Newt Gingrich. Die laatste zei tegen een verslaggever van CNN op het Republikeins partijcongres in de zomer van 2016 dat hij de misdaadcijfers niet vertrouwde, maar geloofde in de beleving van mensen. Hij flikte dus hetzelfde kunstje als Gove in Engeland, want wat je ook van Gingrich mag vinden, onder Amerikaanse conservatieven gaat hij voor een soort intellectueel door. Dus net als in het Verenigd Koninkrijk was er een deskundige nodig om de waarde van deskundigheid in twijfel te trekken.
Polarisatie
Wat zich op 8 november 2016 voltrok was geen op zichzelf staande triomf voor het populisme, maar een bevestiging van de polarisatie van de Amerikaanse politiek: 90 procent van de Republikeinse kiezers had op Trump gestemd. Ook al bleek uit peilingen dat veel Republikeinse kiezers grote bedenkingen bij deze kandidaat hadden, het was voor hen duidelijk ondenkbaar om op een Democraat te stemmen. De manier waarop Hillary Clinton door veel Republikeinen werd gedemoniseerd, had daar natuurlijk ook iets mee te maken – en die demonisering dateerde al van ver voor Trump. Die was al begonnen in de jaren negentig, toen Bill Clinton door rechts steevast werd aangeduid als ‘jullie president’, alsof hij niet het hele volk vertegenwoordigde. Feit is dat tot op de dag van vandaag geen enkele rechtse populist in West-Europa of Noord-Amerika aan de macht is gekomen zonder hulp van de gevestigde conservatieve elite.
Na de verkiezingen in Frankrijk en Nederland waren commentatoren er als de kippen bij om te spreken van een post-populistische beweging. Het veronderstelde ‘nieuwe normaal’, van de ene populistische verkiezingszege na de andere, wordt alweer achterhaald genoemd. Maar dan wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het populisme als een moreel monopolie op de vertegenwoordiging van het echte volk, en anderzijds specifieke programmapunten die aan rechts populisme kunnen raken – zoals een strenger immigratiebeleid – maar op zichzelf niet populistisch zijn. Met andere woorden: antipluralisme en inhoudelijke programmapunten zijn twee verschillende zaken.
Wilders, een echte populist, deed het in Nederland minder goed dan verwacht. Maar zijn officiële ‘mainstream’ rivaal, de rechts-liberale premier Rutte, sloeg veel Wilders-achtige taal uit, door onder meer tegen immigranten te zeggen dat ze maar moesten vertrekken als ze niet ‘normaal’ wilden doen. Rutte is geen populist geworden, hij pretendeert niet de enige echte vertegenwoordiger van het eigenlijke Nederlandse volk te zijn. Maar hij doet iets ongebruikelijks en volgens mij onaanvaardbaars: het is niet aan de Nederlandse premier om te bepalen wat in de Nederlandse cultuur ‘normaal’ is (met de bijbehorende implicatie dat je enerzijds een ‘echt’ Nederlands volk hebt en anderzijds mensen die zich ‘abnormaal’ gedragen). Als gevolg van zulke opportunistische concessies aan populisten schuift de hele politieke cultuur naar rechts op, zonder behoorlijke democratische machtiging van de burger. Misschien zitten we dus niet zozeer in een post-populistische tijd, maar zijn de populisten eigenlijk aan het winnen, ook al verliezen ze nominaal. In plaats van officieel met de populisten samen te werken, kopiëren de conservatieven immers gewoon hun ideeën. Diezelfde dynamiek kon je in het voorjaar van 2017 zien in de campagne voor de parlementsverkiezingen van Theresa May, die erop gokte dat ze UKIP kon vermorzelen door Farage na te doen.
Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet zo onvermijdelijk als men vaak denkt
Naast samenwerking en imitatie hebben conservatieven nog een derde manier om rechts populisme te vergoelijken. Denk maar aan hoe de Europese Volkspartij (EVP), de mainstream partijfamilie van overwegend christendemocraten en gematigde conservatieven in het Europarlement, Viktor Orbán beschermen tegen kritiek (van onder meer de Europese Commissie). Orbán was de pionier van het populisme in Europa. Hij had zijn inmiddels in veel opzichten autoritaire bewind nooit kunnen opbouwen zonder de rugdekking van de EVP. En wederom, het is niet dat de leden van de EVP zelf populisten zijn geworden, verre van dat. Maar met hun strategische keuzes, vooral ingegeven door hun wens om de grootste partij in het Europarlement te blijven, hebben de conservatieven de opkomst van rechts populisme mogelijk gemaakt.
In dat verband is het ook de moeite waard even terug te kijken naar een recente verkiezingsstrijd waarin veel conservatieven zich vooraf tegen samenwerking met de populisten hebben uitgesproken. Het hele beeld van een niet te stuiten golf van populisme was eigenlijk al ontkracht door dit ene tegenvoorbeeld: Oostenrijk, waar alom een zege voor Norbert Hofer was voorspeld. Veel conservatieve politici spraken zich expliciet tegen hem uit. Dat betrof vooral burgemeesters en andere provinciale politieke grootheden, die bij kiezers in de regio het vertrouwen genoten dat groene bobo’s uit Wenen duidelijk misten. Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet zo onvermijdelijk als men vaak denkt.
De stabiliteit van democratieën in Europa heeft, zoals de politicoloog Daniel Ziblatt betoogt, altijd sterk afgehangen van het gedrag van de conservatieve elites. In het interbellum kozen die voor samenwerking met autoritaire en zelfs fascistische partijen, wat op veel plekken tot de dood van de democratie leidde. Na de oorlog besloten ze zich aan de regels van het democratische spel te houden, ook al was dat niet altijd bevorderlijk voor wat zij als conservatieve kernwaarden beschouwden. We leven in een heel andere samen-leving dan in de naoorlogse periode en de populisten van nu zijn geen fascisten, maar het is nog steeds zo dat het lot van een democratie even sterk afhangt van de keuzes van de gevestigde orde als van opstandige outsiders. Larry Bartels, een vooraanstaand Amerikaans politicoloog, wijst erop dat er ook weinig empirisch bewijs is voor een toename (laat staan een ‘tsunami’) van rechts populistische sentimenten. Wat uit onderzoek wel blijkt, is dat zowel politieke avonturiers als gevestigde partijen in de loop der tijd steeds weer voor de keuze hebben gestaan om dergelijke sentimenten te bezweren, dan wel te mobiliseren en uit te buiten. Het is van belang om ons niet uitsluitend op de populisten zelf te fixeren (waarbij we hun kracht regelmatig onder- dan wel overschatten). We moeten juist de elites ter verantwoording roepen die met populisten samenwerken of hun ideeën overnemen of hun gedrag in feite vergoelijken en ze zo uit de wind houden.
Brexit volgens Banksy, 2017.
Wat kan er tegen populisten zelf worden gedaan? Wat de laatste jaren in ieder geval duidelijk is geworden, is wat er niet werkt. Een volledig isolement bijvoorbeeld, en zeker het soort morele uitsluiting waarnaar populisten zelf vaak grijpen (in de trant van: ‘wij goede demoraten willen niet samen met populisten op tv’ of ‘als er in het parlement een populist aan het woord komt, loop ik naar buiten,’, enz.). Dat is dom, zowel in strategisch als – minder in het oog springend – in moreel opzicht. Het is als strategie tot mislukken gedoemd omdat het alleen maar bevestigt wat populisten hun aanhang steeds voorhouden: dat de corrupte elite nooit naar hen luistert of bepaalde zaken niet ter discussie durft te stellen. (En niet in de laatste plaats dat deze elites tegen de populisten samenspannen om hun onverdiende voorrechten te beschermen: ‘Eén tegen allen, allen tegen één’.)
Ook vanuit democratisch oogpunt kleeft er een groot bezwaar aan deze aanpak: zeker als de populisten al in het parlement zitten en je sluit hun partij uit van het debat, dan sluit je ook al hun kiezers daarvan uit. En zoals hierboven gezegd: je mag er niet van uitgaan dat alle kiezers van populistische partijen overtuigde antipluralisten zijn die de regels van het democratische spel afwijzen.
En dan is er het andere uiterste: in plaats van de populisten uit te sluiten of te negeren, ga je achter ze aan hollen. Maar hoe hard je ook holt, je haalt ze natuurlijk nooit in. Wat je als zogenaamde ‘politicus van het midden’ ook over immigratie zegt, het zal toch nooit genoeg zijn voor partijen als Alternative für Deutschland of de Deense Volkspartij. Maar ook hier is het probleem niet alleen strategisch van aard, ook hier speelt een normatieve kwestie mee. Het imiteren van populisten vloeit immers vaak voort uit de hierboven genoemde misvatting over democratische vertegenwoordiging. Dan gaat men er simpelweg van uit dat de populisten eindelijk de ware politieke voorkeuren van veel burgers blootleggen, in plaats van te beseffen dat politieke vertegenwoordiging een dynamisch proces is. Denk weer aan Trump: veel Europeanen zullen op 8 november 2016 met enig leedvermaak hebben vastgesteld dat hun lang gekoesterde vermoeden over de VS nu officieel was bevestigd: het is een land met 63 miljoen racisten! Maar zoals enkele sociale wetenschappers al snel zeiden: er zijn genoeg racisten in de VS, maar racisme kan de zege van Trump niet volledig verklaren. Sommige kiezers hebben op Trump gestemd nadat ze dat eerder twee keer op Obama hadden gedaan.
Er is geen andere keuze dan met populisten de strijd aan te gaan. Maar praten met populisten wil nog niet zeggen dat je moet praten áls een populist. Je hoeft hun beschrijving van politieke, economische en sociale problemen niet over te nemen om in debat met hen overeind te blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat een hele reeks standpunten waar links grote moeite mee heeft, binnen een democratie niettemin toelaatbaar zijn – en dat je zulke standpunten moet bestrijden met feiten en de best mogelijke argumenten, niet met het polariserende verwijt van ‘populisme’. Anderzijds, wanneer populisten zichzelf nadrukkelijk als populist manifesteren – dat wil zeggen: als ze het recht van spreken van hun tegenstander of van bepaalde burgers in twijfel proberen te trekken of vraagtekens plaatsen bij de regels van het democratische spel – dan is het van groot belang dat andere politici daar een grens trekken. Denk weer even terug aan die eerste keer dat de ‘gevestigde orde’ niet voor de ‘golf’ van het populisme bezweek: Oostenrijk. De winnende kandidaat wist in zijn campagne veel kiezers te mobiliseren door duidelijk te maken dat zij niet alle programmapunten van de Groenen hoefden te onderschrijven om op hem te stemmen; ze moesten het er alleen mee eens zijn dat de extreemrechtse kandidaat een reële bedreiging voor de Oostenrijkse democratie vormde. Nog belangrijker was dat kiezers door zijn campagne werden gestimuleerd om uit hun vertrouwde kringetje te stappen, om in dialoog te gaan met mensen uit andere milieus met wie ze anders niet snel in contact kwamen – en vooral om dan niet al na vijf minuten met verwijten van ‘racisme’ en ‘fascisme’ te smijten.
Ook dit is misschien alleen vrome hoop van de theoretici. Uit sociologisch onderzoek blijkt vaak dat de zogenaamde contacthypothese te mooi is om waar te zijn: contact met mensen die sterk van ons verschillen is op zichzelf nog niet genoeg om tolerantie en respect voor pluralisme te kweken. Maar alles wat kan helpen om de populistische fantasie van een volledig verenigd en homogeen volk te ontkrachten, is meegenomen. In tegenstelling tot wat links soms gelooft, is niet alles wat populisten zeggen per se leugenachtig of demagogisch, maar hun zelfgeschapen imago berust uiteindelijk wél op een leugen: dat er één ondeelbaar volk is waarvan alleen zij de wil vertolken. Om ze te bestrijden, is het nodig die cruciale claim te doorzien en te ontkrachten.
Auteur: Jan-Werner Müller
Vertaler: Frank Lekens
‘Understanding the populist turn’. Grote Zaal Frascati, 2 juni 15.00
Het in 1994 opgerichte non-profit contentdistributiemodel voorziet lezers uit alle windstreken van originele, boeiende en tot nadenken stemmende commentaren van schrijvers en denkers die de economie, politiek, wetenschap en cultuur van de wereld vormgeven.
In 2017 onderhandelden Amerikaanse spionnen maandenlang met een schimmige Rus die beweerde dat hij gestolen cyberwapens kon leveren, en compromitterende informatie had over Donald Trump.
Na maanden van geheime onderhandelingen heeft een schimmige Rus vorig jaar Amerikaanse spionnen honderdduizend dollar lichter gemaakt met de belofte hen cyberwapens te leveren die waren gestolen van de National Security Agency. Een ander onderdeel van die deal was dat hij compromitterend materiaal over president Trump zou verschaffen, aldus agenten van de Amerikaanse en Europese veiligheidsdiensten. Het geld dat in september in een koffer naar een hotelkamer was gebracht, was bedoeld als eerste termijn van een totaalbedrag van 1 miljoen dollar, vernamen wij van Amerikaanse functionarissen, de Rus en uit correspondentie die The New York Times heeft ingezien. De diefstal van de geheime cyberwapens was een ware ramp voor de NSA en de agency was nog druk bezig te inventariseren wat er precies allemaal ontbrak.
Verscheidene Amerikaanse veiligheidsfunctionarissen zeiden dat ze duidelijk hadden gemaakt dat ze geen belastend materiaal over Trump wilden van de Rus, die ze ervan verdachten duistere banden te hebben met de Russische veiligheidsdienst en Oost-Europese cybercriminelen. Hij beweerde dat de informatie zou aantonen dat er een connectie bestond tussen de president en zijn staf en Rusland. In plaats van dat de cyberwapens werden geleverd, verschafte de Rus onverifieerbare en mogelijk verzonnen informatie over Trump en anderen, zoals bankgegevens, e-mails en zogenaamde inlichtingen van de Russische geheime dienst.
‘Het onderscheid tussen een crimineel, een Russische geheim agent en een Rus die een paar inlichtingenjongens kent valt moeilijk te maken’
Volgens Amerikaanse veiligheidsfunctionarissen hebben ze de deal afgebroken omdat ze vreesden verstrikt te raken in een Russische operatie om tweedracht te zaaien binnen de Amerikaanse regering. Ook waren ze bang voor politieke consequenties in Washington als bekend werd dat ze belastende informatie over de president kochten.
De onderhandelingen in Europa vorig jaar zijn beschreven door medewerkers van de Amerikaanse en Europese veiligheidsdiensten, die spraken op basis van anonimiteit, en de Rus. De Amerikanen werkten met een tussenpersoon – een Amerikaanse zakenman in Duitsland – om zelf buiten schot te kunnen blijven. Er waren ontmoetingen in Duitse provinciestadjes waar John le Carré zijn eerste spionageromans situeerde, en informatietransfers in vijfsterrenhotels in Berlijn. Amerikaanse inlichtingendiensten volgden maandenlang de vluchten van de Rus naar Berlijn, zijn rendez-vous met een maîtresse in Wenen en zijn reizen terug naar Sint-Petersburg. De NSA gebruikte zelfs zo’n twaalf keer hun officiële Twitteraccount voor een gecodeerd bericht aan de Rus.
Aan deze geschiedenis kwam dit jaar een eind toen Amerikaanse spionnen de Rus West-Europa uit joegen met de waarschuwing dat hij nooit meer terug moest komen als zijn vrijheid hem lief was, aldus de Amerikaanse zakenman. Het materiaal over Trump bleef achter bij de Amerikaan die het in Europa heeft veiliggesteld.
De Rus beweerde toegang te hebben tot een ontstellende hoeveelheid geheimen, van de computercode voor de cyberwapens die waren gestolen van de NSA en CIA, tot wat naar zijn zeggen een video was van Trump in het gezelschap van prostituees in een hotelkamer in Moskou in 2013. Er is echter geen bewijs dat die video echt bestaat.
De Rus was bekend bij Amerikaanse en Europese diensten vanwege zijn banden met Russische inlichtingendiensten en cybercriminelen – twee groepen die werden verdacht van de diefstal van cyberwapens van de NSA en de CIA.
Maar de gretigheid waarmee hij de Trump-‘kompromat’ aan Amerikaanse en Europese diensten probeerde te verkopen wekte bij de Amerikanen het vermoeden dat hij deel uitmaakte van een operatie om de inlichtingendiensten van de VS van belastende informatie over president Trump te voorzien. In het begin van de onderhandelingen liet hij de vraagprijs zakken van tien miljoen dollar naar net iets meer dan een miljoen. Enkele maanden later liet hij de Amerikaanse zakenman een stukje van een video-opname zien van een man die in een kamer met twee vrouwen aan het praten is. Er zit geen geluid bij het filmpje en er kon ook niet worden vastgesteld of de man op de video daadwerkelijk Trump was. Maar de keuze van de plek waar de video werd getoond versterkte bij de Amerikanen het vermoeden van een Russische operatie: de video werd getoond in de Russische ambassade in Berlijn, aldus de zakenman.
Er waren nog meer twijfels over de betrouwbaarheid van de Rus. Hij was betrokken geweest bij witwaspraktijken en had een nauwelijks legitieme zaak als dekmantel: een bijna failliet bedrijf dat draagbare grills verkocht aan worsthandelaren.
‘Het onderscheid tussen een crimineel, een Russische geheim agent en een Rus die een paar inlichtingenjongens kent valt moeilijk te maken,’ aldus Steven L. Hall, het voormalige hoofd van de Russische operaties bij de CIA. ‘Dat is de moeilijkheid als je vanuit een westers standpunt probeert te begrijpen hoe Rusland en Russen opereren.’
Amerikaanse veiligheidsdiensten hadden ook hun twijfels over de zogenaamde kompromat die de Rus wilde verkopen. Ze vonden de informatie, en vooral de video, meer voer voor roddelbladen, niet voor een veiligheidsdienst.
Maar de Amerikanen wilden heel graag de cyberwapens terug. Die waren ontworpen om in te breken in computernetwerken in Rusland, China en andere concurrerende mogendheden. Ze belandden echter in de handen van een geheimzinnige groep die zich de Shadow Brokers noemde en hackers voorzag van de middelen die sindsdien miljoenen computers overal ter wereld hebben geïnfecteerd en ziekenhuizen, fabrieken en bedrijven hebben lamgelegd.
Geen dienst wilde de informatie weigeren, omdat ze dachten ermee te kunnen achterhalen wat er was gebeurd. ‘Dat is een van de lastige dingen in de jungle van de contraspionage: niemand wil in de positie terechtkomen van iemand die eerst heeft gezegd dat hij ervan afziet en vijf jaar later moet toegeven: “Goeie god, het was echt iemand,”’ zegt Hall.
Amerikaanse inlichtingendiensten zijn ervan overtuigd dat Russische geheime diensten de scherpe politieke tegenstellingen in de Verenigde Staten als een mooie gelegenheid zien om spanningen tussen de partijen aan te wakkeren. Russische hackers richten zich in de aanloop naar de tussentijdse verkiezingen op Amerikaanse databanken met kiesgegevens en met behulp van botlegers promoten ze partijstandpunten op de sociale media. De Russen waren er ook op uit om twijfel te zaaien over het federale onderzoek naar de Russische inmenging. Die pogingen bestaan onder meer uit het verspreiden van informatie die veel overeenkomsten vertonen met de onbewezen berichten over Trumps zaken in Rusland, zoals die zogenaamde video, waarvan het bestaan door president Trump steeds is ontkend.
De geruchten dat de Russische inlichtingendienst in het bezit is van de video verschenen een jaar geleden in een explosief dossier vol onbewezen feiten, samengesteld door een voormalige Britse spion en betaald door de Democraten. Sindsdien zijn in Midden- en Oost-Europa minstens vier Russen opgedoken die banden hebben met spionagediensten en de onderwereld die aan Amerikaanse politieke onderzoekers, privédetectives en spionnen kompromat te koop aanbieden dat de inhoud van het dossier zou bevestigen. Amerikaanse diensten vermoeden dat ten minste enkelen van de verkopers voor Russische spionagediensten werken.
Fixer
The New York Times wist de hand te leggen op vier documenten die de Rus in Duitsland probeerde te slijten aan Amerikaanse inlichtingendiensten (The New York Times heeft niet betaald voor het materiaal). Het zouden allemaal rapporten zijn van de Russische veiligheidsdienst en elk document gaat over de staf van president Trump. Carter Page, de voormalige campagneadviseur die doelwit is geweest van een FBI-onderzoek, komt in een document voor; Robert en Rebekah Mercer, steenrijke donoren van de Republikeinse partij, in een ander document.
Toch lijken alle vier bijna in zijn geheel te putten uit nieuwsberichten, niet uit geheime informatie. Ook bevatten ze stilistische en grammaticale kenmerken die niet typisch zijn voor Russische spionageverslagen, aldus Yuri Shvets, een voormalige KGB-agent die jarenlang spion in Washington is geweest voor hij na afloop van de Koude Oorlog emigreerde naar de Verenigde Staten.
Amerikaanse spionnen zijn niet de enigen die hebben onderhandeld met Russen die beweerden geheimen in de verkoop te hebben. Cody Shearer, een Amerikaanse politieke onderzoeker met banden met de Democratische partij, heeft ruim een half jaar heel Oost-Europa door gereisd om de zogenaamde kompromat te bemachtigen bij een andere Rus, vertellen mensen die op de hoogte zijn van zijn inspanningen. Toen we Shearer vorig jaar een keer aan de telefoon kregen zei hij dat zijn werk ‘heel belangrijk was, dat weten jullie best, dus daar zou je niet naar hoeven vragen’. Toen hing hij op. Het is niet duidelijk of Shearer iets heeft kunnen kopen, en zo ja, wat.
Voordat de Amerikanen met de Rus onderhandelden, hadden ze contact met een hacker in Wenen die bij Amerikaanse agenten alleen bekend was onder de naam Carlo. Begin 2017 bood hij een volledige set cyberwapens aan die in het bezit waren van de Shadow Brokers, en de namen van andere mensen in zijn netwerk, aldus Amerikaanse agenten. In ruil daarvoor vroeg hij strafrechtelijke immuniteit in de VS. Maar die immuniteitsdeal ging niet door, dus toen besloten de agenten te doen waar spionnen het best in zijn: ze boden aan het materiaal te kopen. Toen dook in Duitsland de Rus op die tegen de Amerikanen zei dat hij de verkoop zou regelen. Net als Carlo had hij eerder al contact gehad met Amerikaanse inlichtingendiensten. Hij trad op als ‘fixer’, die deals regelde voor Ruslands FSB, de opvolger van de KGB. Volgens Amerikaanse geheim agenten stond hij in direct contact met Nikolai Patroesjev, een voormalige FSB-directeur. Ook wisten ze dat hij eerder had geholpen bij illegale transporten van halfedelmetalen voor een Russische oligarch.
Begin dit jaar gaven de Amerikanen hem nog een laatste kans. De Rus had weer niets anders te bieden dan smoesjes
Vorig jaar april leek er een deal te komen. Verscheidene CIA-agenten reisden van het hoofdkwartier van het bureau naar Berlijn om te helpen bij de afhandeling van de operatie.
In een klein café in het voormalige centrum van West-Berlijn overhandigde de Rus de Amerikaanse tussenpersoon een USB-stick met een kleine hoeveelheid data als voorbeeld van wat er nog zou komen. Maar binnen enkele dagen ketste de deal af. Amerikaanse inlichtingendiensten bevestigden dat het materiaal inderdaad van de Shadow Brokers afkomstig was, maar dat de groep die data al openbaar had gemaakt. Dientengevolge verklaarde de CIA dat ze er niet voor wilde betalen.
De Rus was woedend. De onderhandelingen lagen stil tot september, toen de twee partijen overeenkwamen het weer te proberen. Aan het eind van die maand leverde de Amerikaanse zakenman de honderdduizend dollar. Volgens sommige agenten was het geld van de Amerikaanse overheid dat via een ander kanaal was doorgesluisd.
Enkele weken later begon de Rus het materiaal te leveren. Maar in de leveringen van oktober en december zat bijna alleen maar materiaal dat verband hield met de verkiezingen van 2016 en de vermeende banden tussen Trumps staf en Rusland, maar geen cyberwapens van de NSA of de CIA.
In december zei de Rus tegen de Amerikaanse tussenpersoon dat hij het Trump-materiaal leverde, maar op bevel van hoge Russische inlichtingenofficieren de cyberwapens achterhield.
Begin dit jaar gaven de Amerikanen hem nog een laatste kans. De Rus had weer niets anders te bieden dan smoesjes. Dus stelde de Amerikanen hem voor een keuze: ga voor ons werken en verschaf ons de namen van iedereen in je netwerk, of ga terug naar Rusland en kom nooit meer terug.
De Rus dacht niet lang na. Hij nam een slok van zijn cranberrysap, pakte zijn tas en zei: ‘Bedankt.’ Toen liep hij de deur uit.
Na de klinkende verkiezingszege in Frankrijk richt de partij van Macron zich nu op de Europese verkiezingen van 2019. Een leger vrijwilligers gaat het land in om de stemming van de burgers peilen.
In een cafeetje in een tamelijk armoedige straat achter Montmartre bereikt de powerpoint- presentatie een hoogtepunt. Op de muur staat geprojecteerd: ‘We kunnen het niet vaak genoeg zeggen: glimlachen!’ De ruim veertig aanwezigen knikken. Ze worden getraind om de politieke buitendienst in te gaan. De komende weken zullen zij en vele andere glimlachende mensen bij honderdduizend huizen aanbellen en de burgers vragen of ze even tijd hebben om over Europa te praten. Begin april gaf La République En Marche! (LRM) het startsein voor de ‘Grote Mars voor Europa’. Toen partijleider Christophe Castaner de ‘Grote Mars’ aankondigde tegenover journalisten in Parijs, zei hij dat LRM ‘de beweging van het luisteren’ is, die ‘de Europese droom wil teruggeven aan de Fransen’. Deze vaag klinkende teksten zijn de voorbereiding op de Europese verkiezingen in 2019. President Macron en zijn partij willen laten zien dat ze meer zijn dan verrassende winnaars. Ze willen bewijzen dat het succes bij de presidentsverkiezingen niet alleen te danken was aan stemmen tegen Marine Le Pen. De overwinning van LRM bij de parlementsverkiezingen in de zomer was de eerste consolidatie; nu wil de partij ook in het Europees Parlement de grootste politieke kracht worden.
Woonkamers van de republiek
Maar met politieke strategie moet je de Fransen niet lastigvallen. En evenmin met de woorden ‘EU’ en ‘Brussel’. Het gaat ‘om Europa’. In het cafeetje in Parijs worden de ‘marcheerders’, zoals de partij ze noemt, eraan herinnerd dat het niet om een verkiezingscampagne gaat: ‘Jullie zijn hier niet om te overtuigen, maar om te luisteren.’ De glimlachende luisteraars worden voorzien van een Europablauwe pullover en een vragenlijst. Hebben ze het tot in de woonkamers van de republiek gebracht, dan moet over de volgende vragen van gedachten worden gewisseld: ‘Waar denkt u aan bij Europa? Wat werkt er volgens u niet in Europa? Vindt u dat Europa een wezenlijke invloed heeft op uw dagelijks leven?’ Alle antwoorden worden genoteerd en moeten worden verwerkt in het verkiezingsprogramma voor 2019.
Wat Macron betreft is de raadpleging van de Fransen slechts een eerste stap in zijn Europapolitiek. Op 17 april maakte hij in het Europees Parlement in Straatsburg de start van een Europese burgerraadpleging bekend. Dat is in zoverre een voortzetting van de ‘Grote Mars’ dat de burgermaatschappij moet worden aangespoord in discussie te gaan over Europese kwesties. Maar anders dan in Frankrijk moet zijn partij niet in verband worden gebracht met deze raadplegingen. Macron hoopt dat van Denemarken tot Roemenië zwemverenigingen, vrijwillige brandweerkorpsen en vakbonden zelf in gesprek gaan over Europa. Het mogelijke, tactische neveneffect van deze debatoefening is dat er nieuwe partijen kunnen ontstaan die het voor LRM eenvoudiger maken om bondgenoten te vinden in het Europees Parlement.
Het dagblad voor het zuiden van Duitsland behoort tot de toonaangevende kranten in het land. De links-liberale krant is een energiek verdediger van de mensenrechten en van de rechtsstaat.
De Braziliaanse presidentsverkiezingen in oktober beloven een chaos te worden. Ex-president Lula zit in de gevangenis en veel andere populaire kandidaten zijn er niet. Extreem-rechts zou kunnen profiteren.
Met nog zes maanden te gaan voor de meest turbulente presidentsverkiezingen sinds het einde van de militaire dictatuur in 1984, zit een groepje medewerkers, sommigen met een koksmuts op, te roken voor de deur van Dalva e Dito, een restaurant met een Michelinster waarvan de chef-kok, Alex Atala, tot de topkeukenmeesters van São Paulo behoort.
‘Op wie gaan jullie stemmen?’ ‘Het zijn allemaal zakkenvullers, maar stemmen is verplicht, dus ik stem blanco,’ antwoordt José Edson dos Santos, een kelner van 33. ‘Ik stem op Lula, hij heeft ervoor gezorgd dat mensen als ik naar de universiteit kunnen,’ zegt de 21-jarige Lino Aparecido, assistent-kok en leerling aan de koksschool. ‘Maar Lula is veroordeeld voor diefstal!’ roept Dos Santos verontwaardigd uit. ‘Iedereen steelt, dat is de mens eigen,’ antwoordt Aparecido kalm. ‘En Bolsonaro?’ vragen wij. Jair Bolsonaro is de extreem-rechtse kandidaat die in de peilingen op de tweede plaats staat, achter Lula. ‘Met Bolsonaro en zijn bandieten wordt het helemaal een puinhoop,’ antwoordt de 38-jarige parkeerwachter Luis Fernández Oliveira.
In Dalva e Dito kost het gerecht pato no tucupi (eend in cassavesoep) 119 real (33 euro), een bedrag waarvoor deze mannen drie dagen moeten werken, met elke dag twee uur reizen, heen en weer van de buitenwijken naar het centrum van de miljoenenstad. Ze zijn het erover eens dat zij in hun portemonnee niets merken van het economisch herstel waarover de media dagelijks berichten.
President Michel Temer en zijn minister van Financiën, Henrique Meirelles, hebben onlangs hun kandidatuur bekendgemaakt, in de hoop munt te slaan uit de economische groei die dit jaar tot wel 3 procent kan oplopen. Maar het economisch herstel is het meest ongelijke in de geschiedenis van dit land, waar de ongelijkheid toch al tot de grootste van de wereld behoort. Zelfs Miriam Leitão, die in haar dagelijkse column in O Globo onvermoeibaar pleitte voor het aftreden van Dilma Rousseff ten gunste van Temer, erkent dat ‘het onwaarschijnlijk is dat het aarzelende begin van het economisch herstel de kandidaten die laag in de peilingen staan vooruit kan helpen’. Temer staat nog maar op 6 procent van de stemmen.
‘De mensen zijn op zoek naar een centrum-rechtse outsider die achter de hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenen staat en die tegelijk de corruptie wil aanpakken. Maar die kandidaat bestaat niet’
In 2018 is het teleurgestelde Braziliaanse electoraat op zoek naar kandidaten die geen banden hebben met het door en door corrupte politieke apparaat. Maar geen enkele kandidaat kan rekenen op een overwinning zonder de steun van de traditionele politieke partijen, die over zendtijd beschikken naar rato van het aantal zetels dat ze in het parlement hebben, en die de 100 tot 200 miljoen real (30 tot 60 miljoen euro) op tafel kunnen leggen die een verkiezingscampagne in een zo groot land als Brazilië kost. ‘We zijn op het punt gekomen dat de morele dimensie een cruciale factor is geworden in de politiek: corruptie is hét onderwerp,’ zegt Jorge Chaloub, een politicoloog van de Federale Universiteit van Juiz de Fora. ‘De mensen zijn op zoek naar een centrum-rechtse outsider die achter de hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenen staat en die tegelijk de corruptie wil aanpakken. Maar die kandidaat bestaat niet.’
Geraldo Alckmin, kandidaat voor de linkse Sociaal-Democratische Partij (PSDB) en gouverneur van de staat São Paulo, is de favoriet van het ondernemersestablishment. Hij wil echter maar niet hoog in de peilingen komen. Zelfs zijn partijgenoot, ex-president Fernando Henrique Cardoso, heeft hem verweten dat hij zich te veel identificeert met de internationale investeerders aan de Avenida Paulista [het financiële centrum van São Paulo]. ‘De kandidaat die de markten vertegenwoordigt, gaat verliezen,’ aldus Cardoso.
Bolsonaro, een extreem-rechtse ex-militair, is de kandidaat die het best is toegerust om stem te geven aan de volkswoede tegen de politieke kaste. Zijn delirische pleidooi voor een zerotolerancebeleid tegen de misdaad, of het nu in de favela’s van Rio is of in het Braziliaans Congres, vindt weerklank bij het publiek. Bij een enquête gaf ruim 50 procent van de ondervraagden aan dat ze het eens zijn met het motto van de extreem-rechtse kandidaat: ‘De beste bandiet is een dode bandiet.’ De campagne wordt steeds gewelddadiger en de door het land toerende verkiezingskaravaan van Lula is al beschoten door vermoedelijke aanhangers van Bolsonaro. Niettemin blijven veel stemmers twijfelen tussen Lula en Bolsonaro, een teken van de chronische verwarring die in Brazilië heerst na het echec van de regeringen met de Arbeiderspartij (PT), onder leiding van Dilma Rousseff en Lula zelf. De makke van Bolsonaro is dat hij niet de financiële steun van een partij heeft.
Van de kandidaten die wel over financiën en een electorale infrastructuur beschikken, heeft alleen Lula een solide aanhang. Een op de drie stemmers zegt op hem te gaan stemmen. Zijn troef is zijn beleid in de vette jaren 2003-2010, toen hij door middel van overheidssubsidies het minimumsalaris verhoogde en ervoor zorgde dat honderdduizenden jongeren uit arme families konden gaan studeren. Maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat Lula aan de verkiezingen zal kunnen deelnemen.
Temer heeft een poging gedaan stemmen bij Bolsonaro weg te kapen met zijn omstreden besluit het federale leger in de favela’s van Rio in te zetten. Maar het is heel goed mogelijk dat de oorlog in de favela’s juist stemmen oplevert voor links. Niet voor Lula, maar voor de PSOL, de Socialistische Vrijheidspartij waarvoor Marielle Franco actief was. Franco, gemeenteraadslid van Rio en tevens mensenrechtenactiviste, werd onlangs vermoord nadat ze campagne had gevoerd tegen de aanwezigheid van het leger in de favela’s.
Als Lula niet meedoet aan de verkiezingen, zal veel afhangen van de vraag of hij erin slaagt zijn persoonlijke aanhang over te dragen aan een andere kandidaat van links. De interessantste keuze zou Ciro Gomes zijn, die een outsider is maar ook in het linkse kamp geldt als een gezaghebbende intellectueel. Bovendien komt hij uit het noordoosten van Brazilië, het electorale thuisland van Lula, wiens stemmen essentieel zijn voor een mogelijke herovering van de macht door links.
Er is echter een probleem. Gomes beseft heel goed dat de PT een paria is geworden voor het electoraat uit de middenklasse, en recentelijk heeft hij de partij van Lula dan ook aangevallen. Net als Bolsonaro heeft hij stemmen aan de basis gewonnen door zich te keren tegen het vermolmde politiek apparaat, maar daarmee heeft hij tegelijk de grote politieke partijen, die onmisbaar zijn voor een overwinning, van zich vervreemd. Lula, even uitgeslapen als altijd, zei in een interview met dagblad Folha de São Paulo: ‘Laten we er niet omheen draaien: op rechts kan niemand de presidentsverkiezingen winnen zonder de steun van de PSDB, en op links kan niemand ze winnen zonder de steun van de PT.’
In 2012 kozen de Russen iemand die borg stond voor de verworvenheden van de jaren 2000 en die werd uitgedaagd door een protesterende liberale middenklasse. Maar in 2018 hebben ze hun steun uitgesproken voor een opperbevelhebber die wordt uitgedaagd door een externe vijand.
Keuze uit het archief
In Rusland worden dit weekend presidentsverkiezingen gehouden. Aangezien de tegenstanders van de zittende president Vladimir Poetin gedood zijn, gevangen zitten of van deelname uitgesloten zijn, is het geen verrassing wie er als winnaar uit de bus zal komen.
In 2018 deed de Russische onafhankelijke krant Nezavisimaya Gazeta verslag van de vorige presidentsverkiezingen. In dit artikel beschrijft de krant hoe de campagneretoriek van Poetin sinds zijn eerste verkiezingen in 2000 veranderd is. Met zijn militante discours over een ‘externe dreiging’ is ‘opperbevelhebber’ Poetin erin geslaagd om het merendeel van de Russische bevolking achter zich te scharen, aldus het dagblad. Een omineus voorteken voor de oorlog in Oekraïne.
Aan de vooravond van de presidentsverkiezingen waarin Vladimir Poetin naar een vierde ambtstermijn dong, wilde hij indruk maken op zijn electoraat en de internationale gemeenschap met een nieuw kernwapenarsenaal. De Russen hebben dus op 18 maart een opperbevelhebber gekozen. Om ervoor te zorgen dat de ‘met voeten getreden’ belangen van zijn land worden gerespecteerd, is hij vastbesloten om van Rusland een even geduchte macht te maken als de Sovjet-Unie. Het Westen is nu aan zet.
Militaire kracht
Op 5 maart 2018 stroomde het Loezjnikistadion in Moskou helemaal vol voor een verkiezingsbijeenkomst ter ondersteuning van de kandidatuur van Vladimir Poetin met als leuze ‘Voor een krachtig Rusland’. Het thema ‘kracht’ is de afgelopen weken uitgebreid uitgemolken door de president. Hij noemde het bij de uitreiking van de nationale onderscheidingen, die op 23 februari plaatsvond, en in een twee uur durende rede in de Doema. En hij had het niet over het concept van soft power dat zo populair is in het Westen, maar hoofdzakelijk over militaire kracht en ultramoderne wapens.
De officiële televisiezenders en de partijen in de Doema moesten het wel oppikken. Het protest tegen Poetin domineerde de verkiezingen en daarom werd de campagne van Poetin ontworpen in reactie op deze protestbeweging.
De verkiezingsbijeenkomst in februari 2012 op de Poklonnajaheuvel met als leuze ‘We hebben iets te verliezen’ was een reactie op de protestmars ‘Voor eerlijke verkiezingen’. De macht had gemikt op dat deel van het electoraat dat afhankelijk was van overheidssteun, dat de armoede in de moeilijke jaren negentig [onder Boris Jeltsin] had meegemaakt en dat zijn levensstandaard in de jaren 2000 aanzienlijk had zien stijgen. Dat electoraat werd gemobiliseerd tegen een binnenlandse dreiging. De bijeenkomsten van de oppositie werden gepresenteerd als de eerste tekenen van een terugkeer naar de jaren negentig. De macht had ingezet op de sociale tegenstellingen, en zelfs gesproken van een soort klassenstrijd: tegenover de luie middenklasse, de ‘valse’ stedelijke intelligentsia, plaatste hij de ‘echte’ intelligentsia – de arbeiders.
Met andere woorden: Poetin heeft zes jaar geleden de verkiezingen gewonnen dankzij een politiek betoog over de klassieke kloof.
Degenen die profiteerden van de veranderingen die werden doorgevoerd door de heersende macht moesten het systeem verdedigen tegen degenen die het systeem bedreigden. En dat is ook wat er feitelijk is gebeurd. De macht had gemikt op een kloof in reactie op een steeds complexere samenleving, waarin de middenklasse initiatieven begon te ontplooien en politieke wil ten toon begon te spreiden. Daar is toen een nieuw legitimeringsmechanisme uit ontstaan: verkozen worden door de overwinning op een reële en niet-fictieve tegenstander.
Sinds die tijd is het betoog verhard. Eerst was er de affaire-Bolotnaya [massa-arrestaties en processen tegen oppositieleiders] en de aanscherping van de wetgeving over samenscholingen.
Betogingen in de publieke ruimte werden ‘afgegrendeld’. Daarna waren er de Krim en de Donbas, de sancties en de snelle verzuring van de betrekkingen met het Westen. Het jaar 2014 was het meest delicate voor de zittende macht die zich er desalniettemin goed doorheen sloeg dankzij de zwakke roebel en de olie. De Russische samenleving schaarde zich achter de bezetting van de Krim en het idee dat Rusland een belegerde vesting was. De politieke boodschap beperkte zich tot de strijd tegen de externe dreiging. In grote lijnen is dat nu nog steeds zo.
Het kritische betoog over de jaren negentig is veranderd: het gaat niet meer om een periode van armoede maar om een periode van zwakte, van afwezigheid van geopolitiek initiatief
De macht gebruikte een bijna martiale retoriek. Zo moest er bij de verkiezingen in 2018 niet meer een manager worden gekozen die geacht wordt de overheidsmiddelen te beheren, maar moest er steun worden uitgesproken voor een opperbevelhebber. Het ging niet meer over de tegenstelling tussen witte boorden en blauwe boorden, tussen co-workers en fabrieksarbeiders. De macht stelt dat er een externe dreiging is. In die context zou iedere vorm van oppositie tegen de heersende elite die verder gaat dan discussiëren over details de indruk kunnen wekken dat de oppositie de vijand in de kaart speelt. Als dat de setting is, gaat het electoraat er met gestrekt been in. Het kritische betoog over de jaren negentig is veranderd: het gaat niet meer om een periode van armoede maar om een periode van zwakte, van afwezigheid van geopolitiek initiatief. Het electoraat van Poetin heeft deze benadering geaccepteerd. En in tijden van oorlog – of dat nu een ‘mogelijke’, een ‘lauwe’ of een ‘koude’ is – is iedereen bereid ontberingen te lijden.
Gedwongen tot vrede
In 2002 stapten de Amerikanen zonder zich een zier aan te trekken van de bittere kritiek van Moskou uit het akkoord van 1972 over de wederzijdse beperking van antiraketsystemen, roept de krant Moskovski Komsomolets in herinnering. En ze verspreidden die systemen, met name ook in Oost-Europa. Dat droeg bij tot een onderschatting van het Russische nucleaire potentieel, waardoor een antwoord op een Amerikaanse aanval onmogelijk zou zijn geworden. In die situatie besloot Moskou de Amerikaanse defensieve capaciteit te devalueren met een strategisch wapen van de nieuwste soort, dat in staat is het westerse schild te doorboren.
In het kader van het armpje drukken met de VS lijkt dat logisch – met die nuance, aldus de Russische krant, dat een verdedigingssysteem tegen raketten nog altijd een defensief systeem is, terwijl Vladimir Poetin op 1 maart jongstleden met een offensief wapen op de proppen kwam.
De wereld is aanzienlijk dichter bij een nucleair conflict gekomen en zal zich rekenschap moeten geven van deze nieuwe werkelijkheid. ‘Formeel wil niemand oorlog. Maar in feite willen beide kanten de wapenwedloop winnen. De uitkomst is dus simpel: of men wordt zich er wederzijds van bewust dat de nieuwe realiteit die van “een gedwongen vrede” is, óf men koerst met gezwinde snelheid op de catastrofe af. Of men tekent nieuwe akkoorden, óf een radioactieve schemering zal onze toekomst verduisteren’, aldus Moskovski Komsomolets.
Vladimir Poetin wil niet terug naar het politieke model van de Sovjet-Unie, maar wel naar de economische ambities waartoe de perestrojka de aanzet gaf. Dat gaat niet zonder militaire macht.
De lasershow met kruisraketten op het reusachtige scherm tijdens de presidentiële redevoering op 1 maart jl. heeft misschien niet alle sceptici van het land overtuigd, maar wel de buitenlandse functionarissen: Rusland heeft de stoutste verwachtingen van de patriotten overtroffen én de angstigste visioenen van zijn vijanden. Russische wetenschappers hebben kruisraketten ontworpen die niet ‘klem zullen komen te zitten in de Eiffeltoren’, maar veel verder en veel sneller zullen vliegen, volgens een volstrekt onvoorspelbare koers.
Laten we de afgelopen weken nog eens de revue laten passeren. Een nog altijd onmetelijk land – ondanks het verlies van enkele gebieden – dat in het discours van het Westen meermaals op de schroothoop is gegooid, heeft blijk gegeven van een buitengewone wil om weer het evenbeeld te worden van de indertijd geduchte Sovjet-Unie. Vladimir Poetin maakte deze vergelijking niet voor niets.
Wat we moeten begrijpen is dat Poetin niet wil terugkeren naar de Sovjet-Unie, maar naar de taak die de Sovjet-Unie zich gesteld had
De Sovjet-Unie moest op een gegeven moment het welvaartspeil verhogen en de mate van vrijheid in het land vergroten. Dat lukte haar bijna in de jaren zestig. Maar in de geschiedenis worden problemen zelden afdoende opgelost. En eind jaren tachtig stortte de Sovjet-Unie alsnog in.
De vraag die Poetin stelde, heel wat jaren geleden al, over de aard van de onzichtbare catastrofe die zich parallel aan de geopolitieke catastrofe [de ineenstorting van de Sovjet-Unie] afspeelde, is nog altijd niet definitief beantwoord. Oud-premier Jegor Gajdar had op een dag gedecreteerd dat de Sovjeteconomie niet te hervormen was. Maar communistisch China heeft vervolgens aangetoond dat deze stelling niet klopt. Natuurlijk, we hebben nationale conflicten gehad, maar het waren niet alleen de mechanismen van de ‘unie’ die blokkeerden. Dat gebeurde ook met de mechanismen van de ‘socialistische Sovjetmachine’, terwijl die diepgaand hervormd had kunnen worden en nog altijd had kunnen functioneren in het grootste deel van de uiteengevallen Sovjet-Unie, namelijk de Russische Federatie.
Een van de beroemdste ruimtevaarders van de Sovjet-Unie, Boris Tsjertok, heeft geschreven dat de technocratische elite van de Sovjet-Unie, de beste ter wereld, indertijd had gewezen op ‘het onvermogen van de intelligentsia, met name de Russische, om zich op het politieke vlak te organiseren’.
Toen Rusland een tiental jaren geleden weer ‘opkrabbelde’ – waar sommigen over lasterden – herinnerde men zich plotseling weer dat ‘de versnelling en de perestrojka’ [het programma voor de hervorming van de Sovjet-Unie van Michail Gorbatsjov in de jaren 1985-1991] niet gericht waren op achteruitgang. Ze waren erop gericht een grote, egalitaire en machtige natie te transformeren tot een even grote, militair iets minder machtige (op gelijke voet met de VS) en nog steeds egalitaire natie, maar op een iets andere, liberalere en welvarendere leest geschoeid. En dat is de uitdaging waar we nu voor staan. Wat we moeten begrijpen is dat Poetin niet wil terugkeren naar de Sovjet-Unie, maar naar de taak die de Sovjet-Unie zich gesteld had. En die niet is gerealiseerd. Want een van de voorwaarden – de handhaving van een sterke militaire capaciteit – was verwaarloosd. Zoals een van onze lezers die thuis is in de natuurkunde, ons schreef: ‘Een nieuwe thermonucleaire kruisraket, daar hadden we ons al veel eerder mee moeten uitrusten. Dan waren ons al die sancties bespaard gebleven.’
Nu zijn we dus weer een militaire grootmacht. Maar hoe zit het met de andere gebieden? In zijn redevoering wordt de snelle groei van het bbp als doelstelling aangekondigd. ‘Een bbp dat met 1,5 wordt vermenigvuldigd voor het midden van het volgende decennium, dat wil zeggen voor de jaren 2024-2025, dat wil zeggen een gemiddelde stijging van het bbp met 6 procent’, zo is uitgerekend door Aleksej Koedrin, directeur van het Centrum voor Strategisch Onderzoek. Volgens hem heeft de president ‘de lat een stuk hoger gelegd dan de ramingen van de deskundigen, zelfs als ervan uit wordt gegaan dat er structurele hervormingen worden doorgevoerd’. Iedere deskundige heeft natuurlijk zijn eigen visie. In zijn redevoering heeft de president ook een beroep gedaan op de onafhankelijke, centrale bank om zich bezig te houden met de economische groei, wat in de ‘structurele hervormingen’ niet is opgenomen. Dialoog is dus noodzakelijk.
Nieuwe kans
Er is iets zeldzaams gebeurt in de geschiedenis: door onze fouten hebben we een nieuwe kans om te realiseren wat ooit is mislukt. Een van de belangrijkste lessen die we geleerd hebben is dat we leven in een wereld waar de concurrentie meedogenloos is. Die is niet verdwenen met de Koude Oorlog, of met het einde van de communistische ideologie, die zal nooit verdwijnen. Je kunt het je concurrenten niet naar de zin maken. Je kunt ze alleen overwinnen. Door te concurreren natuurlijk en, alleen in geval van agressie, met geweld. Hoe kunnen we in deze context een innovatieve, onbeperkte groei van de productiemiddelen bevorderen zonder een buitensporige druk uit te oefenen op de bevolking? We weten het niet. Maar er zijn veel elementen van dit mechanisme aangedragen in deze redevoering. De Russische samenleving staat voor de uitdaging ze aan te grijpen en te ontwikkelen en ‘zich op het politieke vlak te organiseren’.
In 1995 opgericht door oud-medewerkers van dagblad Kommersant.Gezaghebbend in economische kringen, kritisch waarnemer van de Russische samenleving.
Nieuwe spelregels
Onder de kop ‘Daarentegen bouwen wij raketten’ wijdt het Russische magazine Profil zijn openingsartikel aan de toespraak van Vladimir Poetin, die ‘verbazing en schrik, en tezelfdertijd hoop heeft gewekt’. In een artikel met als kop ‘Destabilisering van de instabiliteit’ stelt het blad dat het militaire aspect van diens boodschap urbi et orbi erg lijkt op ‘een totale herziening van de spelregels op het gebied van een evenwicht van militaire en politieke machten’.
De eurosceptische Tsjechische president Milos Zeman is een echte kopzorg voor de nieuwe premier Andrej Babis.
President Milos Zeman zei vroeger dat er drie soorten politici zijn: zij die slagen, zij die mislukken en zij die belachelijk zijn. Zelf hoort hij in de eerste categorie. Qua verkiezingszeges is hij ongetwijfeld de meest geslaagde politicus in Tsjechië sinds 1989. Toch kun je hem ook indelen in de andere twee categorieën. Tijdens de NAVO-top in 2014 in Wales begonnen de staatshoofden en regeringsleiders aan het einde van zijn toespraak te lachen. De Amerikaanse president, de Britse premier, de vertegenwoordigers van Canada, Frankrijk, Duitsland hadden het gevoel dat Zeman de spot met hen dreef. De Tsjechische president had beweerd, met droge ogen, dat zich geen enkele Russische soldaat op het grondgebied van Oekraïne bevond en dat Rusland in geen geval de pro-Russische rebellen in de Donbas-regio steunde. En dat, mochten er Russische soldaten in Oekraïne strijden, dat alleen maar was omdat ze er geheel uit vrije wil, tijdens hun vakantie, even op bezoek waren. Kortom, Zeman had woordelijk de beweringen van het Kremlin herhaald. Als kers op de taart had hij het brandalarm laten afgaan in het hotel waar hij verbleef, na in zijn kamer een sigaar te hebben opgestoken, ondanks het rookverbod. De schoonmaakkosten waren natuurlijk voor de belastingbetaler.
Betrekkingen met de EU
Babis is ontegenzeglijk ook een politicus die slaagt. Nu hij de parlementsverkiezingen in oktober jl. ruim heeft gewonnen, heeft hij als belangrijkste doelstelling dat hij door de leiders van de Europese Unie (EU) en de NAVO wordt gerespecteerd. Hij die de EU tijdens de verkiezingscampagne zo zeer had bekritiseerd – waarbij hij zich vaak bediende van leugens – heeft sinds zijn verkiezingsoverwinning het roer omgegooid. Nu verklaart hij plotseling dat de Tsjechen ‘niet met het vuur van nationalisme en xenofobie willen spelen’. Hij heeft Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie, zelfs verzekerd dat hij voorstander is van ‘een sterke Unie en een pro-Europese Tsjechische Republiek’.
Perfect! Als Babis begrijpt dat het EU-lidmaatschap van vitaal belang is voor het land, en als hij zelf in Brussel en door zijn collega’s van de andere lidstaten wil worden gezien als een achtenswaardige premier, zouden we hem moeten toejuichen. Maar stel dat het hem lukt een coalitie te vormen die de steun krijgt van het parlement, en dat hij kan gaan regeren zoals hij van plan is, dan nog loopt hij tegen een groot probleem aan dat luistert naar de naam Milos Zeman.
Niet wat betreft de binnenlandse politiek, maar waar het gaat om de betrekkingen met de EU. Dan kan Zeman een groter probleem vormen dan de corruptiezaak-‘Het Ooievaarsnest’ waarin Babis verwikkeld is. Natuurlijk speelt die affaire hem parten wanneer hij, tijdens Europese toppen, met Angela Merkel en Emmanuel Macron moet discussiëren over de miljarden die de Tsjechische Republiek uit de Europese fondsen wil ontvangen, terwijl zij weten dat de Tsjechische politie hem beschuldigt van fraude met diezelfde Europese subsidies die hij voor zijn land tracht binnen te halen. Maar de Europese leiders vormen een club – zij respecteren wederzijds het democratische mandaat dat zij van hun kiezers hebben verkregen. En er zal heel wat water onder de brug zijn doorgestroomd voordat een rechtbank zich over de eventuele schuldigheid van Babis zal uitspreken.
Zeman zal dus in de EU een groter stigma zijn voor de leider van de ANO-partij. In Europa weet men dat Babis hem gesteund heeft tijdens de verkiezingscampagne en dat deze steun, gezien het geringe verschil waarmee Zeman is herkozen, van doorslaggevend belang was. Een naaste medewerker van een hoge Europese politicus vertrouwde onze krant toe: ‘Wij beschouwen de Tsjechische presidentsverkiezingen als buitengewoon belangrijk. Uit de uitslag kunnen we opmaken of we op de Tsjechen kunnen rekenen als een volk dat de Europese normen onvoorwaardelijk steunt, of op het tegendeel: dat de Tsjechische Republiek afglijdt naar Polen en Hongarije.’ De politicus in kwestie had zich zeer verbaasd over de steun van Babis voor Zeman omdat hij overal waar hij komt in Europa zijn gesprekspartners verzekert dat hij niet de Tsjechische Donald Trump is.
Laten we even in het midden laten of de Tsjechische premier serieus meent wat hij zegt, of zich eerder zal gedragen als de Hongaarse regeringsleider Viktor Orbán, die thuis iets anders doet dan hij in Europa beweert – in Brussel en in de Europese hoofdsteden weten ze heel goed dat Zeman zijn kaarten niet voor de borst houdt. Hij wordt beschouwd als een pro-Russische president die een onbegrensde bewondering koestert voor autocraten, inspeelt op de laagste instincten van de kiezers en evenals zijn naaste medewerkers bewust liegt waar het over de EU en het functioneren van de EU gaat.
Door deze man te steunen heeft Babis zijn eigen positie in Europa verzwakt
Door deze man te steunen heeft Babis zijn eigen positie in Europa verzwakt. Zeman herhaalt voortdurend dat hij degene wil zijn die de quota voor de opvang van vluchtelingen zal afschaffen. Natuurlijk kan hij daar als geen ander vóór hem bij de Tsjechen punten mee scoren. Maar om anderen te overtuigen moet je wisselgeld hebben. Babis weet dat, hij doet zijn best, zoals blijkt uit zijn recente verklaringen. Help mij, vraagt hij aan de Europese Commissie en aan de overige EU-lidstaten, houd niet vast aan die quota, anders wordt de aversie van de Tsjechen tegen de EU nog sterker. Dat klinkt aangenaam en vrij logisch. Maar Babis’ probleem is dat het voor hem moeilijk is om zijn woorden en zijn daden op elkaar af te stemmen. Zoals blijkt uit zijn steun voor de Tsjechische president die electoraal in sterke mate leunt op de verwerping van de EU.
María de Jesús Patricio, ofwel Marichuy, wil president van Mexico worden. De kans dat dat lukt is vrij klein. Belangrijker is dat zij de inheemse bevolking van Mexico weer een stem geeft en de draad oppakt van Subcomandante Marcos en zijn Zapatistische Bevrijdingsleger.
Evenals dat van de oorspronkelijke bewoners, van voor de Spaanse overheersing, is het leven van Marichuy (Chuy voor familie en vrienden) begonnen tussen het maïs. ‘Mijn vader was boer. Overdag werkte ik met hem op het land, ’s middags studeerde ik en ’s avonds hielp ik mijn moeder met de kleintjes.’ We spreken elkaar op het kantoor van de Concejo Indígena del Gobierno (Indiaanse Raad van de Regering) in Colonia Doctores, een wijk in Mexico-Stad. Om ons heen zitten raadsleden te ontbijten voordat de algemene vergadering begint. ’s Middags zal Marichuy haar intensieve rondgang langs de indiaanse gemeenschappen vervolgen, deze keer vertrekt ze richting de Golf van Mexico. Haar man, de advocaat Carlos González, die zich sterk maakt voor het behoud van indiaanse gemeenschapsgrond, luistert respectvol naar haar en komt alleen tussenbeide als zij hem naar een datum of de naam van een organisatie vraagt. Als Marichuys mobiel gaat kijkt ze naar het nummer op haar scherm en vraagt haar man welke deelstaat er belt. ‘Guerrero,’ antwoordt hij zonder blikken of blozen.
Met een natuurlijke vanzelfsprekendheid pareert ze grappen en beantwoordt ze vragen zonder zich te verliezen in een web van woorden. Ik heb haar zien discussiëren tijdens een etentje met intellectuelen, zaken zien regelen bij een notaris, een massabijeenkomst zien bijwonen, ik heb haar zien terugkomen van een lange reis of op het punt staan te vertrekken. Haar natuurlijkheid valt lastig te rijmen met de politiek.
Indiaanse Mexicanen
Marichuy is geboren in Jalisco, geboortegrond van de grote Mexicaanse vertellers Juan Rulfo en Juan José Arreola. Ze spreekt zorgvuldig en zonder omhaal van woorden. Vaak zijn haar toespraken het kortst van alle toespraken tijdens haar campagne, zonder uitzondering door vrouwen gehouden. Ze heeft weinig woorden nodig om uit te leggen dat ze strijdt tegen de onderdrukking van de vrouw en de indiaanse bevolking; en tegen het kapitalisme, dat ervoor zorgde dat de indiaanse gemeenschapsgrond in handen kwam van een handjevol mensen.
Kan een land van onderaf worden veranderd door de allerarmsten, over wie gezwegen wordt in de vaderlandse geschiedenis? Op de lagere school geeft men hoog op van de slimme oorlogvoering van de Azteken en het wiskundig vernuft van de Maya’s, maar noch hun talen, noch hun ontstaansgeschiedenis of hun gewoontes is onderwerp van studie. Het is nog erger: in het moderne Mexico wordt met geen woord over hen gerept, terwijl er meer dan tien miljoen indiaanse Mexicanen zijn.
Hier moet het Zapatistisch Nationale Bevrijdingsleger (EZLN) worden genoemd, dat de wapens oppakte toen de NAFTA van kracht werd, het vrijhandelsverdrag tussen Mexico, Canada en de Verenigde Staten. Op 1 januari 1994 lanceerde president Carlos Salinas het vooruitstrevende idee van belastingvrije handel. De inheemse erfenis werd gezien als een periode die voorafgaat aan de vaderlandse geschiedenis, die thuishoort in musea voor volkenkunde en winkels met ambachtelijke spullen. Maar de Zapatistas keerden het tij en lieten zien dat de indianen wel degelijk bij de moderne tijd horen. ‘Nooit meer een Mexico zonder ons’, was hun leus.
Op 14 oktober 2017 begon Marichuy haar tocht langs de vijf caracoles (schelpen), de autonome regeringscentra van de Zapatistas, waar ze steun kreeg van de Maya’s, de Tzotziles, Choles, Zoques, Tzeltales en de Mames, en de nieuwsgierigheid wekte van indiaanse stammen die zich tot dan toe afzijdig hadden gehouden. In het regenachtige La Garricja, het zonnige Palenque en het mistige Oventic dromden bivakmutsen, strooien hoeden en baseballpetjes samen om naar de indiaanse vrouwen te luisteren. Omdat de Zapatistas ervan overtuigd zijn dat verandering zonder kunst niet bestaat, worden de bijeenkomsten afgesloten met dans, theater en muziekoptredens.
Wat Marichuy doet is nooit eerder vertoond. Niet eerder reisde een indiaanse vrouw, gesteund door 153 gemeenteraadsleden uit 52 indiaanse dorpen, door Mexico. Het land zal nooit meer hetzelfde zijn. ‘De indiaanse stem bestond niet, ze zagen ons alleen als boeren,’ zegt Marichuy. ‘De opstand van de Zapatistas in 1994 en het Nationaal Indiaans Congres van 1996 heeft daar verandering in gebracht.’
Het in 1996 met de Zedillo-regering gesloten Verdrag van San Andrés, dat de autonomie van de indiaanse bevolking zou waarborgen zonder de staatssoevereiniteit in gevaar te brengen, is nooit in wetgeving omgezet. Geen enkele politieke partij nam het voor de indiaanse bevolking op. In 2001 deden de Zapatistas een laatste poging om heel Mexico naar hen te laten luisteren en organiseerden ze een lange mars van Chiapas naar de hoofdstad. In het Mexicaanse Congres pleitte commandant Esther ervoor dat de indianen als deel van Mexico zouden worden beschouwd. Ook Marichuy was een van de spreeksters. Zij drong er eveneens op aan dat het sociale pact waarin alle Mexicanen als gelijken worden beschouwd nieuw leven in geblazen zou worden. Maar hun woorden ketsten af op congresleden die meer oog hadden voor het spekken van hun eigen zakken.
Toen de Zapatistas beseften dat de regering nooit hun eisen zou inwilligen, trokken ze zich terug op hun land, waar ze knokten voor hun dagelijks bestaan. Vanaf dat moment zijn de Zapatistas ‘verdwenen’, zoals het heet. Maar die uitspraak doet tekort aan het werk van Las Juntas de Buen Gobierno (raden van goed bestuur). In de caracoles organiseren ze seminars – die ze zelf liever semilleros (kweekplaatsen) noemen – en festivals, en publiceren ze boeken waarin ze aantonen dat een andere wereld wel degelijk mogelijk is. Een andere wereld die gek genoeg al bestaat in onze wereld.
‘Waarom laat je me de papieren niet zien, misschien heeft de pachtbaas zich wel vergist’
Marichuys strijd tegen onrechtvaardigheid begon toen ze op het platteland tot een aantal inzichten kwam. Haar vader was mediero (pachter die de helft van zijn oogst afstaat aan de landeigenaar). Tot aan de dag van vandaag wordt dit archaïsche systeem van uitbating in Mexico toegepast. ‘Het was een jaar dat de maïsoogst erg goed was. Mijn vader rekende af met de pachtbaas en moest duizend peso bijbetalen. Sowieso hield de landeigenaar zich nooit aan de officiële prijs, maar nu was er wel heel veel maïs geoogst. Ik vond dat oneerlijk,’ vertelt Marichuy, die toen twaalf jaar oud was.
Haar vader legde zich angstvallig neer bij wat de baas hem gaf en dronk zijn frustraties weg. Eenmaal dronken reageerde hij zich af op zijn kinderen (‘Hij leefde zich vooral uit op ons, de meisjes,’ aldus Marichuy). Maar toen ze twaalf was durfde ze voor het eerst tegen hem in te gaan: ‘Waarom laat je me de papieren niet zien, misschien heeft de pachtbaas zich wel vergist,’ zei ze tegen haar vader. Haar vader gaf haar de rekening en ze zag dat het de pachtbaas was die duizend peso moest betalen, niet andersom. ‘Ik zei tegen mijn vader: waarom vraagt u de baas niet of hij in maïs uitbetaalt zodat we te eten hebben?’ vertelt Marichuy. ‘De baas ging sputterend akkoord en gaf de maïs terug. Het was het laatste jaar dat mijn vader van hem mocht pachten. Toen realiseerde ik me dat hij zich niet had vergist, maar dat het opzet was geweest.’
Haar vader vond dat ze moest trouwen en verbood haar na de lagere school verder te studeren. Met steun van haar moeder ging ze toch naar de middelbare school en bereidde zich stiekem voor op het toelatingsexamen van de universiteit.
Haar kennismaking met het bisdom Antonio Andrade bleek doorslaggevend. De priester daar verkondigde de bevrijdingstheologie en zei in zijn preek: ‘Het evangelie verspreiden is werken.’ Zijn kerk stond in de maïsvelden en zijn preken strekten verder dan zieltjeswinnerij. ‘Organiseer je en kom op voor je rechten,’ hield hij zijn kerkgangers voor. Andrade werd niet de mond gesnoerd, maar wel overgeplaatst van het bisdom Guzmán naar San Gabriel.
Zijn boodschap viel in vruchtbare aarde. ‘Ik realiseerde me dat we als stieren over de omheining moesten springen,’ glimlacht Marichuy. Haar eerste politieke beweging bestond uit twintig personen, van wie zij de jongste was. ‘We zetten een weg af om te protesteren tegen de maïsprijzen. Al snel groeide onze aanhang uit tot tweeduizend. Zelfs keuterboertjes wilden betere prijzen voor de maïs. Het leger kwam om ons weg te sturen. Een paar mensen wilden zich verzetten, maar wat konden we doen? De militairen waren gewapend. Ze stelden voor een afvaardiging mee te nemen in de helikopter, maar dat wilden we niet. We waren bang dat hen iets zou overkomen.’
Als gevolg van het protest werden de prijzen iets aangepast, maar dat was niet genoeg. Hoe dan ook, het was een teken dat een gezamenlijke actie effect kon hebben.
Boze oog
Marichuy deed als enige van elf broertjes en zusjes toelatingsexamen op de universiteit en ging medicinale plantenkunde studeren. Haar tantes behandelden mensen met geneeskrachtige kruiden, en als kind zag ze hoe ze jonge zilverbladplantjes en munt gebruikten tegen diarree. In Juan Rulfo’s roman Pedro Páramo vindt Juan Preciado zijn moeders foto in een kom met wijnruit. Ik vraag Marichuy wat deze plant, die ik alleen van naam ken, geneest. ‘Mensen met het boze oog,’ zegt Marichuy. ‘De plant bevat veel elektrische lading,’ vult haar man aan. Ik denk aan de foto die het beroemdste personage van de Mexicaanse literatuur in zijn borstzakje draagt, dicht op zijn hart. De foto werd bewaard met planten die het boze oog bestrijden.
‘Veel mensen denken dat het boze oog bijgeloof is,’ aldus Carlos González, ‘maar het boze oog is een maagaandoening, vaak veroorzaakt door stress.’ De symptomen zijn een branderig gevoel in je maag, dat het ene oog kleiner wordt dan het andere, hoofdpijn, een warm hoofd, overgeven, diarree en duizeligheid. Wij stadsmensen, die de mond vol hebben van stress, denken dat het boze oog puur bijgeloof is.
Decennialang heeft Marichuy mensen genezen van hun boze oog, angsten en indigestie. In het merendeel van de gevallen vraagt ze er niets voor. ‘Laat je je dan in natura betalen?’ vraag ik haar, ‘bijvoorbeeld met een kip?’ ‘Oei, nee,’ glimlacht ze, ‘dat is veel te veel! Soms een paar eieren, misschien.’
Haar moeder was haar belangrijkste patiënt. Drie jaar lang was ze invalide, haar artsen hadden haar opgegeven. Marichuy behandelde haar met kompressen, tot ze weer kon lopen. Nu heeft ze zich voor de immense taak gesteld om het land weer op de been te helpen. Om zó’n zieke patiënt beter te maken zal er meer van stal moeten worden gehaald dan de blaadjes van de guamachilboom.
‘Wat ging er door je heen toen het Nationaal Indiaans Congres je verkoos tot woordvoerster?’ ‘Ik dacht dat het een grap was,’ antwoordt Marichuy. ‘Nou, ik niet,’ roept haar man uit.
De vierenvijftigjarige Marichuy heeft veel verantwoordelijkheid op zich genomen. Een aantal maanden geleden zocht een groep Zapatista-vrouwen haar op in de Universidad de la Tierra in San Cristóbal de Las Casas. ‘We weten dat jij het kunt,’ zeiden ze tegen haar. ‘Veel van ons wisten niet eens hoe we moesten spreken, maar gaandeweg hebben we dat geleerd.’ Na deze steun in de rug sprak Marichuy met haar drie kinderen. ‘Dat kun je ons niet aandoen, mamma,’ was het eindoordeel. Ze waren bang dat haar iets zou worden aangedaan. ‘Ze zijn doodsbenauwd dat ik niet terugkom,’ zegt Marichuy, terwijl ze met neergeslagen ogen over haar onderarm krabt.
Hun drie kinderen wonen nu bij familie in Estado de México. Haar man verdeelt zijn tijd tussen de campagnereizen van Marichuy, de bezoeken aan hun kinderen en de rechtszaken die hij voert in Nayarit, Jalisco, Michoacán en andere staten om gemeenschapsgronden terug te vorderen.
Kun je hoop meten? Op 19 februari moet Marichuy 867.000 handtekeningen uit ten minste zeventien staten bij elkaar hebben verzameld, en uit elke staat moet dat 1 procent van de geregistreerde stemgerechtigden zijn. De politieke partijen hebben deze drempel opgeworpen voor onafhankelijke kandidaten. Feitelijk kunnen alleen kandidaten die logistiek hun zaakjes in orde hebben aan die voorwaarden voldoen, en zo krijgen alleen beroepspolitici een tweede kans.
Op 9 november stond de teller bij Marichuy op 25.000 handtekeningen.
In een land waar 81,7 procent van de bevolking slechts drie keer het minimumloon verdient, wil de Kiesraad dat er een maandsalaris naar het kopen van een mobiel gaat
De Indiaanse Raad van de Regering, in wiens burelen het gesprek met Marichuy plaatsvond, werd opgericht om discriminatie tegen te gaan. De paradox is dat de indianen te maken krijgen met discriminerende regelgeving. De Kiesraad heeft een handtekeningenapp ontwikkeld die op een gangbare mobiel (kosten: vijfduizend peso; meer dan drie keer het minimumloon) moet worden gedownload. In een land waar 81,7 procent van de bevolking slechts drie keer het minimumloon verdient, wil de Kiesraad dat er een maandsalaris naar het kopen van een mobiel gaat.
Bovendien gebeurt dit in een land waar niet elke regio beschikt over elektriciteit en een internetaansluiting. De app ‘Ciudadano’ (Burger) is ontwikkeld met technologie waar indianen geen toegang tot hebben. De meedingende partijen gingen akkoord met de voorwaarden, maar de app werkt niet naar behoren. Veel mobiels lopen vast en het duurt wel een half uur om een handtekening te registreren (in plaats van de beloofde vierenhalve minuut). Je hebt een bepaald soort licht nodig en de nummers en letters zijn niet nauwkeurig (de ‘S’ en de ‘5’ worden met elkaar verwisseld en moeten handmatig worden gecorrigeerd, wat weer vergissingen in de hand werkt).
Deze democratie van ontregeling is uitgedacht door een heersende klasse die ver van het volk staat. Een aantal weken geleden zei minister van Onderwijs Aurelio Nuño, die zich voor de PRI (Partido Revolucionario Institucional, de Institutioneel Revolutionaire Partij) wil kandideren voor het presidentschap, dat hij zou willen dat Mexico Zuid-Korea was. Een andere PRI-aspirant-kandidaat, José Antonio Meade (ministerie van Financiën) presenteerde tijdens een lunch van het Colegio Nacional (Instituut voor Wetenschap, Letteren en Kunst) een model dat hij had afgekeken van de Amerikaanse National Football League.
Het zoete vaderland
Kan de toekomst bij de armen liggen? John Berger heeft ooit gezegd dat hoop doet leven voor wie niets heeft. Toen Gandhi protesteerde tegen de zoutbelasting wilde hij laten zien dat armoede hem kracht gaf: hij pakte een handvol zout en zei dat dit de fundamenten van het Brits imperium zou aantasten. Op die lijn zit het idee van de indianenbeweging dat hun zwakte hun kracht is.
‘Vaderland, verkoper van chiazaad’, schreef de dichter Ramón López Velarde. Het gedicht ‘La suave patria’ (Het zoete vaderland) is wonderbaarlijk genoeg uitgekomen: nu het uur van het volk heeft geslagen besluit Marichuy te laten zien wat het zaad waard is.
Auteur: Juan Villoro
Vertaler: Henriëtte Aronds
Villoro (Mexico, 1956) is een van de meest opvallende stemmen in de contemporaine Latijns-Amerikaanse literatuur. Hij schrijft met regelmaat opiniestukken voor Mexicaanse kranten en is vaste medewerker van El País.
CONTEXT
‘De Mexicaanse Revolutie [die in 1910 begon met een opstand tegen het bewind van Porfirio Díaz (president van 1877-1880 en van 1884-1911 ) en eindigde met een nieuwe grondwet in 1917] heeft in het zuiden van Jalisco niet alles veranderd,’ zegt Carlos González. Hij is advocaat en heeft gegevens verzameld om meer inzicht te krijgen in de situatie op het platteland van de regio Guzmán. ‘De mediería is een feodaal systeem waar tijdens de grondwetdebatten in 1917 over werd gesproken. Onder het bewind van Porfirio Díaz kregen grootgrondbezitters de indiaanse gemeenschapslanden in handen. Na de Revolutie wilden de indianengemeenschappen hun land terug. Een deel ging naar de zogeheten ejidos (landbouwcoöperaties), maar een deel ook niet. Bijvoorbeeld het land van de Ayotitlán-indianen, zo’n 500.000 hectare waar ze sinds de landverdeling in 1595 en 1596 recht op hebben, zo staat in het Nationaal Archief. In 1921 werd een procedure gestart om het land terug te vorderen en in 1963 werd bepaald dat 50.000 hectare land van de indianen was en moest worden teruggegeven. Ze kregen slechts 30.000 hectare. De zaak loopt nog steeds en ligt nu bij de Hoge Raad.
Over vier jaar is het honderd jaar geleden dat de zaak aanhangig werd gemaakt. Mexico is een roofstaat en Marichuy heeft zich voorgenomen dat te veranderen.
CONTEXT: Verkiezingen
Tot nog toe zijn er twee serieuze kandidaten voor de presidentsverkiezingen in Mexico op 1 juli. De verkiezingen mogen dan voor de vijfde keer op rij democratisch zijn, maar of het verloop dat ook zal zijn is volgens de meeste peilingen nog zeer de vraag. De reden is koploper Andrés Manuel López Obrador, linkse politicus en presidentskandidaat, beter bekend als AMLO, die met zijn onafhankelijke partij Morena een enorme achterban heeft.
De kwestie is niet zozeer of López Obrador, de voormalige burgemeester van Mexico-Stad, zal winnen, maar veeleer of politieke rivalen en het bedrijfsleven en niet te vergeten de maffiabazen dat zullen toestaan. Het is de derde keer dat hij een gooi naar het presidentschap doet. Twee keer eerder aanvaardde hij de ‘frauduleuze resultaten’ niet.
Het Mexicaanse weekblad Proceso is in 1976 ontstaan door journalistieke beknelling tijdens de regering van de omstreden president Luis Echeverría Álvarez. Echeverría zorgde ervoor dat de in 2015 overleden grand old man van de journalistiek Julio Scherer García destijds ontslagen werd bij het dagblad Excélsior. Dat had hij beter niet kunnen doen. Met de opbrengst van een door bevriende kunstenaars, schrijvers en fotografen georganiseerde veiling startte Scherer Proceso, tot op de dag van vandaag een van de weinige onafhankelijke en kritische weekbladen in Mexico. Proceso werd een broedplaats voor kritische journalisten die de wurggreep op informatie trotseerden, decennialang opgelegd door de heersende Institutioneel Revolutionaire Partij (PRI), en om te beginnen corrupte praktijken van emblematische figuren uit de politiek onthulden. Het succes van het tijdschrift moedigde andere publicaties aan meer onafhankelijk te opereren, wat bijdroeg aan de verkiezingsnederlaag van de PRI in 2000. Elena Poniatowska, een bekende Mexicaanse journalist en schrijver, vroeg zich in een hommage aan Scherer af of het zonder zijn ‘brandstichtende pen’ mogelijk is de realiteit van Mexico te begrijpen.
Het ANC viel eind vorig jaar bijna uiteen toen de partij een nieuwe leider moest kiezen. Begin 2019 wachten Zuid-Afrika algemene verkiezingen en daarbij zou het ANC haar meerderheid wel eens kunnen verliezen. Zo de partij voordien al niet alsnog uiteenspat.
Cyril Ramaphosa, de nieuwe partijleider van de Zuid-Afrikaanse regeringspartij African National Congress (ANC) is verwikkeld in een race tegen de klok om vóór de parlementsverkiezingen van 2019 de eenheid en het vertrouwen binnen de oudste Afrikaanse bevrijdingsbeweging te herstellen. Dat zal nog een zware klus worden na het partijcongres in december vorig jaar, waarbij de partij bijna uiteenviel in twee kampen. Onder president Jacob Zuma werd het ANC geteisterd door corruptie, schandalen en falend bestuur, raakte het tot op het bot verdeeld en heeft het in de belangrijkste steden en kiesdistricten de steun van zijn traditionele achterban verloren. De partij loopt het risico de volgende verkiezingen te verliezen.
Op het congres in december wisten ANC-leiders ternauwernood een breuk binnen de partij te voorkomen na de slopende strijd om het partijleiderschap tussen Cyril Ramaphosa en zijn tegenstander Nkosazana Dlamini-Zuma, de voormalige leider van de Afrikaanse Unie en de ex-vrouw van president Jacob Zuma.
Zuma ontslaan
Ramaphosa en het ANC staan dit jaar voor de moeilijke taak om de diepe kloof tussen de twee kampen te dichten. Het eerste obstakel op Ramaphosa’s weg is de kwestie of de voormalige ANC-leider en huidige president Jacob Zuma al op heel korte termijn uit het zadel gelicht moet worden – zoals Ramaphosa wil – of dat hij zijn regeerperiode tot 2019 mag uitzitten – zoals het kamp van Zuma wil.
Ramaphosa weet dat hij Zuma zo snel mogelijk, het liefst nog voor de president in februari de jaarlijkse State of the Nation uitspreekt, moet ontslaan om het slinkende vertrouwen in het ANC te herstellen, zowel in binnen- als in buitenland. Hij moet ook snel de leiding nemen over de regering, zijn eigen kabinet samenstellen en zijn beleidsprioriteiten bekendmaken om het vertrouwen van de bevolking en investeerders in de aanloop van de verkiezingen op te krikken.
Omdat het kamp-Zuma nog zo’n sterke greep heeft op het ANC, kan Ramaphosa de president niet meteen uit zijn ambt zetten, maar zal hij over een vertrekregeling moeten onderhandelen. Dat zal de nodige voeten in aarde hebben omdat Zuma en zijn verdedigers ongetwijfeld willen garanderen dat hij wordt gevrijwaard van strafvervolging. Ook is de kans groot dat Dlamini-Zuma en haar aanhang zullen eisen mee te regeren, dat wil zeggen dat zij een vinger in de pap willen hebben bij kabinetsbenoemingen en aanstellingen bij staatsbedrijven en de overheid. Ramaphosa zal dan misschien noodgedwongen incompetente volgelingen van Dlamini-Zuma op sleutelposities moeten benoemen om de eenheid binnen de partij te bewaren. Het zou zijn hervormingsplannen kunnen dwarsbomen.
Als hij de afbrokkelende steun voor het ANC een halt wil toeroepen, zal Ramaphosa de wijdverspreide corruptie moeten aanpakken. Hierbij zal hij op hevig verzet van het kamp-Zuma stuiten. Het kan zelfs op een scheuring binnen de partij uitlopen, omdat het ANC nog voor minstens de helft uit Zuma-volgelingen bestaat. Het instellen van een anti-corruptiecommissie, waar voormalig ombudsvrouw Thuli Madonsela vorig jaar al op aandrong, zal de eerste prioriteit van het ANC zijn.
President Zuma beloofde al eerder een onderzoekscommissie op te richten maar stelde dit voortdurend uit. Wat de commissie – als zij in 2018 wordt opgericht – gaat onderzoeken, zal grotendeels bepalen hoe verdeeld het ANC de verkiezingen ingaat. Om de eenheid te bewaren zal de partijleiding hoogstwaarschijnlijk aandringen op een zo breed mogelijke taakomschrijving om ook de corruptie in het blanke bedrijfsleven aan te kunnen pakken. Dit zou Zuma een ‘waardige’ uitweg bieden uit de talrijke corruptieonderzoeken die al tegen hem lopen.
Het kamp-Dlamini-Zuma ziet het voorstel voor gratis onderwijs ongetwijfeld graag uitgevoerd vóór de verkiezingen, om stemmen onder de minderbedeelden binnen te slepen
De noodlijdende economie uit het slop halen zou ook boven aan het lijstje van Ramaphosa moeten staan, wil hij het ANC in oude luister herstellen. Zuid-Afrika stortte in het eerste kwartaal van 2017 in een recessie: een aantal internationale ratingbureaus gaven het land de junkstatus. De werkloosheid ligt inmiddels rond de 30 procent.
In 2018 zal Ramaphosa waarschijnlijk proberen een sociaal partnerschap tussen de regering, het bedrijfsleven en de vakbonden tot stand te brengen om overeenkomsten te sluiten die het vertrouwen van investeerders moeten stimuleren. Een blauwdruk hiervoor ligt al klaar: begin vorig jaar wist Ramaphosa de partijen zover te krijgen in te stemmen met het instellen van een minimumloon.
Het zal vermoedelijk lastiger blijken de twee kampen binnen het ANC op één lijn te krijgen, aangezien Ramaphosa en Dlamini-Zuma over de belangrijkste beleidslijnen lijnrecht tegenover elkaar staan. Op het partijcongres botsten de twee groepen bijvoorbeeld over een voorstel om de grondwet zo aan te passen dat landonteigening zonder compensatie mogelijk wordt. Die onenigheid leidde bijna tot de voortijdige beëindiging van het congres. Het Ramaphosa-kamp was fel tegen, maar met de steun van de aanhang van Dlamini-Zuma werd het voorstel toch aangenomen. Hoewel Ramaphosa zich aan het einde van het congres alsnog achter de motie schaarde, vindt een groot deel van zijn aanhang dat de wetswijziging investeerders zal afschrikken, terwijl die juist hard nodig zijn om werkgelegenheid te scheppen.
Nog maar een paar maanden geleden verwierp het ANC een oproep van de populisten van de Economische Vrijheidsstrijders (EFF) om de grondwet aan te passen voor landonteigening zonder compensatie. Om deze wetswijziging vóór de verkiezingen van 2019 door te voeren is een tweederdemeerderheid in het parlement vereist. Zelfs als de EFF samen met het ANC vóór de motie stemt om die meerderheid te verkrijgen, zal een stemming waarschijnlijk verdeeldheid onder de ANC-parlementariërs zaaien omdat veel parlementsleden uit het Ramaphosa-kamp nog steeds tegen de maatregel zijn. Dit betekent dat het ANC zelfs met de steun van de EFF de benodigde tweederdemeerderheid misschien niet eens zal halen.
Strijdpunt
Een ander strijdpunt tussen de twee kampen is het onderwijs. Een dag voor aanvang van het partijcongres kwam Jacob Zuma, in een poging de campagne van Dlamini-Zuma een nieuwe impuls te geven, met een voorstel voor gratis hoger onderwijs voor de minderbedeelden. Zuma’s voorstel werd op het congres unaniem omarmd en besloten werd de maatregel ‘zo snel mogelijk’ door te voeren.
Nog geen jaar geleden had Zuma een commissie in het leven geroepen die de uitvoerbaarheid van een dergelijk voorstel moest onderzoeken. De commissie kwam tot de conclusie dat gratis onderwijs op dat moment financieel niet haalbaar was en adviseerde alternatieve modellen te onderzoeken. Ook het ministerie van Financiën heeft gezegd dat het voorstel niet realiseerbaar is, gezien het gebrek aan publieke middelen, dalende belastinginkomsten en de onlangs ingevoerde bezuinigingsmaatregelen in de publieke sector.
Het kamp-Dlamini-Zuma ziet het voorstel voor gratis onderwijs ongetwijfeld graag uitgevoerd vóór de verkiezingen, om stemmen onder de minderbedeelden binnen te slepen. Of het een aanslag op de staatskas is of het vertrouwen van investeerders schaadt, is van ondergeschikt belang.
Het lijkt erop dat Ramaphosa zijn plannen voor reorganisatie van het ANC en hervormingen om corruptie te bestrijden en het vertrouwen van investeerders te wekken, voorlopig in de ijskast moet zetten om de eenheid binnen het ANC te bewaren en ervoor te zorgen dat de partij als één geheel de verkiezingen ingaat.
In februari krijgt Cuba een nieuwe president, als opvolger van Raúl Castro. Maar dat betekent niet dat de Castro-clan alle macht opgeeft, denken analisten. Daarvoor zijn de verhoudingen met de VS sinds de verkiezing van Donald Trump te gespannen.
Wie de Cubaanse leider Raúl Castro na de aanstaande presidentsverkiezingen ook zal opvolgen, hij zal een storm van uitdagingen het hoofd moeten bieden met als absoluut hoogtepunt orkaan Donald Trump. De zesentachtigjarige Castro heeft gezegd dat hij van plan is na de landelijke verkiezingen van februari 2018 terug te treden als hoofd van de Staatsraad en de Ministerraad. Wel verwacht men dat hij zal aanblijven als leider van de Cubaanse Communistische Partij van Cuba.
Sinds Donald Trump in januari 2017 zijn intrede deed in het Witte Huis is de relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba duidelijk bekoeld. Zo verharde Trump zijn taal tegen Castro en heeft hij gezegd korte metten te maken met de toenaderingspolitiek van zijn voorganger Obama.
Zakendoen met staatsbedrijven die door Cubaanse militairen worden geleid, is voortaan verboden. De spanning tussen beide landen liep onrustbarend op toen het nieuws naar buiten kwam dat Amerikaanse diplomaten in Havana en medewerkers van de ambassade doelwit zouden zijn van aanvallen met geluidswapens of iets van dien aard. Beide regeringen hebben over en weer beschuldigingen geuit en de aanvankelijk terughoudende Cubaanse media deinzen er niet langer voor terug om Trump een ongelikte beer te noemen. Al hebben de Verenigde Staten de Castro-regering niet rechtstreeks beschuldigd, toch hamert regeringswoordvoerder Heather Nauert erop dat de Cubaanse regering op de hoogte moet zijn geweest van wat er is voorgevallen. Op zijn beurt heeft Cuba verklaard zich van geen kwaad bewust te ziijn. De hele episode lijkt een flashback van de Koude Oorlog.
‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren’
Voor Domingo Amuchástegui, voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst en momenteel woonachtig in Miami, is het ‘ondenkbaar’ dat onder de huidige omstandigheden iemand terug zal treden.
Het ‘Trump-effect’ is voelbaar in het politieke debat in Cuba, menen enkele analisten. Trumps nieuwe maatregelen, die het reizen naar Cuba en de handel met staatsbedrijven aan banden leggen, voeden de oude staat-van-beleg-mentaliteit op het eiland, zegt de Cuba Study Group, de Cubaans-Amerikaanse organisatie die de toenaderingspolitiek van oud-president Barack Obama steunde. Hoe groot de macht is van de conservatieven binnen de Cubaanse regering bleek al toen de regering de afgifte van nieuwe licenties voor werknemers in de private sector stopzette. ‘Raúl Castro zegt al langer dat de oude mentaliteit het voornaamste obstakel voor hervormingen is. Ook heeft hij gezegd dat de hervormingen zo snel gaan als de consensus dat toestaat. Die twee dingen wijzen er wel degelijk op dat er een groep is die het proces vertraagt,’ meent Carlos Alzugaray, oud-ambassadeur van Cuba bij de Europese Unie.
Wie de nieuwe president van Cuba ook wordt, hij zal het hoofd moeten bieden aan ingewikkelde uitdagingen die van invloed zijn op zijn politieke speelruimte. De olievoorziening uit Venezuela is het afgelopen jaar opgedroogd omdat Cuba’s bondgenoot zelf kampt met een economische crisis. Orkaan Irma, die over de noordkust van het eiland trok, heeft een spoor van verwoestingen achtergelaten. De Cubanen morren over de traag verlopende herstelwerkzaamheden en er waren kleine, spontane protestacties in de hoofdstad en in een aantal provincies. Econoom Carmelo Mesa-Lago verwacht dat de Cubaanse economie dit jaar opnieuw met 0,3 procent zal krimpen – het afgelopen jaar werd afgesloten met een recessie. Volgens Mesa Lago zit Cuba in de zwaarste economische crisis sinds 1990, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel.
Moody’s Investors Service voorspelt dat als gevolg van orkaan Irma en de nieuwe maatregelen van de Trump-regering de Cubaanse economie met 0,5 procent zal krimpen. Manuel Cuesta Morúa, een tegenstander van het regime, die het voortouw nam om onafhankelijke kandidaten op de lokale verkiezingslijsten te krijgen, acht het niet uitgesloten dat Raúl Castro voorlopig aanblijft als hoofd van de regering vanwege ‘de kritieke situatie’ waarin Cuba plotseling terecht is gekomen door de nasleep van orkaan Irma en de verslechterde relatie met de Verenigde Staten. ‘Zo’n crisis kan beter door ervaren mensen worden aangepakt dan door nieuwkomers.’ Wel denkt Morúa dat Raúl Castro het regeren zal overlaten aan vicepresident Miguel Díaz-Canel, de zichtbaarste kandidaat tot nu toe. ‘Ik denk dat de Cubanen in institutionele zin voldoende zijn voorbereid om de toenemende problemen te trotseren en tegelijkertijd de politieke overgang door te zetten,’ zegt Richard Feinberg, docent politicologie aan de Universiteit van Californië in San Diego. ‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren.’
De gebroeders Castro.
‘Het is weinig waarschijnlijk, zo niet onmogelijk dat er zich géén wisseling van de wacht zal voordoen in de hoge echelons van de regering,’ meent oud-ambassadeur Alzugaray. ‘Raúl Castro heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij wil terugtreden en de institutionele basis wil leggen voor het Cuba na de Castro’s. Raúl Castro is bijna negentig en staat bekend als iemand die het fijn vindt tijd met zijn familie door te brengen. Hij zal nu niet terugkrabbelen,’ aldus de Cubaanse ex-diplomaat. ‘Hij heeft niet voor niets voorgesteld dat een president maar twee termijnen mag aanblijven. Op die regel zal hij niet de eerste uitzondering zijn.’
Castro’s plannen dateren van 2013. Toen zei hij voor het eerst dat hij van plan was zich na vijf jaar uit de staatsraad terug te trekken. Op het zevende congres van de Communistische Partij van Cuba in 2016 heeft de president voorgesteld een leeftijdslimiet in te stellen voor leden van de regering en van de Communistische Partij, een voorstel dat door de aanwezige tachtigers die tot de ‘historische generatie’ behoren – de mannen die samen met Fidel en Raúl Castro deelnamen aan de omverwerping van de Baptista-dictatuur – lauwtjes werd ontvangen.
‘Vanaf het moment dat hij president werd (officieel in 2008) heeft Castro gepoogd de instituties te versterken, hetgeen de beste garantie op voortzetting van het regime zou zijn,’ aldus William LeoGrande, docent aan de American University. ‘Maar Castro heeft met geen woord gerept over het opgeven van zijn plek als eerste secretaris van de Communistische Partij van Cuba, en in die hoedanigheid heeft hij een grote vinger in de pap bij belangrijke beslissingen.’
Ander debat
Maar zelfs áls Castro uit de regering stapt, dan liggen de kaarten van het politieke debat nu anders, meent Arturo López Levy van de Universiteit van Texas in Río Grande en voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst. ‘Eerst ging het erover of vicepresident Díaz-Canel genoeg in huis had om te kunnen omgaan met een geglobaliseerde wereld en een pluriformere samenleving. Nu is het debat over de politieke hervormingen in Cuba uitgesteld of zelfs stopgezet,’ aldus López Levy. De regering heeft bijvoorbeeld het verzoek afgewezen van meer dan honderd onafhankelijke kandidaten om deel te mogen nemen aan de lokale verkiezingen van 26 november. In plaats van over progressievere kandidaten of andere politieke hervormingen gaat het huidige debat erover of Díaz-Canel en zijn team voldoende zijn klaargestoomd om een adequate strategie te ontwikkelen tegen Trump, en of ze de energie hebben om het tegen Washington op te kunnen nemen.
Auteurs: Nora Gámez Torres en Mimi Whitefield
Vertaler: Henriëtte Aronds
In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, staat sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.