Tag: vluchtelingen

  • Brieven uit ballingschap

    Brieven uit ballingschap

    Hoe voelt het om gedwongen je land te moeten verlaten, zoals de honderdduizenden vluchtelingen die nu naar Europa trekken? Hoe ga je om met de ontworteling, de heimwee, het missen van je dierbaren, de onvermijdelijke identiteitscrisis? 360 verzamelde een aantal brieven van en over ballingen die onlangs verschenen in de internationale pers.

    ‘Op een dag zal de wind ons terugbrengen naar Damascus’ (Mohamed Attar)

    k ben geboren en getogen in Damascus en tot mijn vijftiende ben ik nooit de stad uit geweest. Ik heb de stad aan alle kanten doorkruist en soms weinig bekende wegen genomen die naar de graftombes
van metgezellen van de Profeet leidden, naar gekkengestichten of naar vergeten publieke baden. Maar mijn pogingen om me mijn geboortestad eigen te maken bleken vergeefs. En hoe meer ik van Damascus ontdekte, des te meer voelde ik me er een vreemdeling.
    Omdat ik tot de middenklasse behoorde, die steeds verder van het centrum van de hoofdstad af kwam te wonen, bereikte ik de jaren des onderscheids in een buitenwijk. Ik besefte dat het idee van een vaderland echt moeilijk te begrijpen was. Wat betekende het? Deze vragen werden concreet in het begin van de jaren negentig, toen ik op de middelbare school voor het eerst in contact kwam met zonen van officiers van het regime. Ik keek naar hun auto’s met getinte ramen en speciale nummerborden. Ik hoorde de gefluisterde gesprekken over vrienden wier ouders waren gearresteerd.
    Daarna begreep ik hoe de generatie van mijn vader het onderspit had moeten delven. Ik herinner me hem nog goed, deze intellectueel en alumnus van de Universiteit van Caïro die me tot bloedens toe sloeg toen ik in het bijzijn van onze buurman, die een van hun agenten heette te zijn, sprak over de manier waarop de Moekhabarat (de geheime Syrische inlichtingendienst) ons leven beheerste. Die dag heb ik mijn tranen met de trots van een dertienjarige ingeslikt, omdat ik begreep hoe de angst mijn vader in zijn greep had.

    De hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, is een immens ballingsoord voor de Syriërs geworden

    Ik slenterde door Damascus en naarmate ik de stad beter leerde kennen en me realiseerde hoe kwetsbaar ik was, net als andere mensen zoals ik, vormden deze omzwervingen de inleiding tot een steeds moeilijker wordende ballingschap.
    Kwetsbaarheid wordt gewoonlijk eerder in verband gebracht met een ballingsoord dan met het vaderland. Leven in angst en onzekerheid zonder te weten wat de dag van morgen zal brengen en met het voortdurende gevoel dat je een pion bent in een spel van onderwerping en bedrog. Weten dat je leefomgeving steeds kleiner wordt, dat je alleen je toevlucht kunt zoeken tot mensen die op je lijken van wie het merendeel op een kans wacht om te vertrekken. Zien dat de stad onophoudelijk zijn deuren voor je sluit en dat zijn centrum zich steeds verder verwijdert van zijn steeds marginaler wordende periferie. Zo verandert het vaderland in een ballingsoord.
    De bevrijding kwam toen er parallelle vaderlanden werden gecreëerd, vrijplaatsen die een intieme relatie met een gewenst vaderland mogelijk maakten. Op die manier werden de vrienden uit de buurt of van de universiteit een vaderland. Je trof elkaar in een afgelegen café dat gefrequenteerd werd door mannen in de herfst van hun leven die hun eenzaamheid verdreven met de waterpijp. De bijnaam van dit café was ‘Verstop me!’ Het zijn deze gestolen vrijplaatsen die me vandaag de dag heimwee naar Damascus bezorgen en niet de jasmijnstruiken of de hypocriete gesprekken, om nog maar te zwijgen van het door beton verstikte centrum.
    Maar met de Syrische revolutie van 2011 is de situatie veranderd. Alles ging om dit nieuwe Syrië draaien, waar ik me voor het eerst werkelijk gesteund voelde, omdat mijn lot verbonden was met dat van anderen. Het gevoel een balling te zijn werd minder naarmate de trekken van een nieuw vaderland zich duidelijker aftekenden. De steun kwam van talrijke Syriërs die tot verschillende geloofsrichtingen behoorden, maar allemaal een vaderland zochten na hun ballingschap.
    Voor het eerst had ik het onbeschrijflijke gevoel niet meer alleen te zijn en werkelijk ergens thuis te horen. Ook al stonden we machteloos tegenover de handlangers van het regime en de kogels van de veiligheidsdiensten, we waren voor het eerst van ons leven erg geïnspireerd.

    Een opschrijfboekje, gevonden op het strand van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Een opschrijfboekje, gevonden op het strand van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Desondanks verslechterde de situatie zodanig dat ik gedwongen was korte tijd naar Beiroet uit te wijken. Nu besef ik dat ik door Damascus te verlaten een vaderland heb herontdekt dat ik lange tijd als verloren beschouwde. Ik kon toen nog niet weten dat er heel wat andere verliezen zouden volgen, zoals een grote liefde en fantastische vriendschappen. Als je ver van je stad bent, ook al voelde je je daar een vreemdeling, zijn ook je laatste wortels doorgesneden. Degenen die blijven nemen je kwalijk dat je bent weggegaan, ook al zeggen ze je dat niet recht in je gezicht, en zelf vind je het ook verwijtbaar. Wanneer sommigen sterven of verdwijnen in de kerkers van het regime, voel je je ontzettend schuldig dat je zo ver van hen vandaan was.
    In Beiroet bleef ik het gevoel hebben dat ik vlak bij Syrië was, omdat 
de dingen die aan de andere kant van de grens gebeurden ook daar 
hun weerslag hadden. Bovendien was ik in Libanon omringd door tienduizenden vluchtelingen uit alle lagen van de bevolking en alle vier de hoeken van Syrië. Een stuk van het land was simpelweg verplaatst. Het was een bittere troost je op maar twee uur autorijden van Damascus te bevinden. Alle Syriërs hoopten op een spoedige terugkeer: ‘We zijn vlakbij.’ ‘Morgen keert het tij en dan gaan we terug!’ Deze ballingschap leek aanvankelijk een wachtkamer totdat we tot de ontdekking kwamen dat het alleen maar een tussenstation was naar tal van andere bestemmingen overal op de wereld.
    Beiroet was een stad waarvan ik hield, maar die me er onophoudelijk aan herinnerde dat ik er ongewenst was. Op een dag ontmoette ik er Abou Saleh, een sympathieke dronkenlap die uit Aleppo was gevlucht. Hij was nergens meer thuis. Als hij terugging naar Aleppo, zou hij herinnerd worden aan zijn drie kinderen die daar waren omgekomen. Twee van hen werden samen met hun vrouwen en kinderen gedood tijdens een aanslag op hun wijk door het regime-Assad. Abou Saleh was vooral getroffen door de dood van zijn jongste kind van negentien jaar, dat door een scherpschutter was vermoord. Hij was een geboren verteller en diste allerlei verhalen op die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, om vervolgens te zwijgen en me geld voor een nieuwe borrel te vragen. Daarna liet ik hem verder dommelen op zijn stoel. Hij bracht me op de trieste gedachte dat de hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, een immens ballingsoord voor de Syriërs is geworden. Ze kunnen niet meer terug naar hun vernielde huizen en weten evenmin waar ze dan wel heen moeten. Hun wereld is klein geworden, de zee slokt hen op en sommigen zoals Abou Saleh willen niet meer verkassen. Ik denk aan de Syrische vader die het lijk van zijn dochtertje in zee moest gooien vanaf een boot die op weg was naar Italië. Hij maakte de reis voor haar, op zoek naar een ander vaderland, maar het suikerzieke meisje stierf nadat de mensensmokkelaars de tas met insuline overboord hadden gegooid. Vervolgens dwongen de andere passagiers de vader zich van het lijk van zijn dochtertje te ontdoen. Nadat hij alleen in Italië was aangekomen zag hij zich in de rol van asielzieker gedrukt, waar hij ook heen ging.
    Op de luchthaven van Beiroet deelde een officier van de binnenlandse veiligheidsdienst me met een brede glimlach mee dat het me definitief verboden was naar Libanon terug te keren. Twee jonge collega’s van hem begonnen zonder aanwijsbare reden te lachen, zodat ik maar meelachte. Zo is onze situatie één grote komedie geworden.
    Vaarwel Beiroet, gegroet Berlijn. Het is een voordeel om in de zomer in de Duitse hoofdstad te arriveren want de winter is er deprimerend. Ik had het geluk in een vliegtuig te kunnen stappen terwijl heel wat andere Syriërs een hachelijke zeereis moesten ondernemen of wekenlang door bossen moesten lopen en in de openlucht moeten slapen voordat ze Duitsland bereikten. Ik ben nu bijna een maand in Berlijn. Ik doe er meestal het zwijgen toe terwijl ik mijn plaats in dit nieuwe ballingsoord probeer te vinden, ook al omdat ik de taal niet spreek. Ik weet niet wanneer ik Duits zal leren. Het Arabisch was mijn vaderland omdat ik niet in een andere taal kan schrijven of denken. Het bood me voldoende zekerheid om elk ander vaderland af te wijzen. De schuldgevoelens die ik toch al heb omdat ik een veilig bestaan leid terwijl mijn familie en vrienden tot een ellendige ballingschap zijn veroordeeld in een vaderland dat in brand staat, worden nog verergerd als ik naar de speeltuin in de buurt van mijn logies kijk. Hier leven de mensen in vrede. De ongerechtigheid in deze wereld is een bron van oneindig veel leed en leidt tot ballingschap. Een vriend zegt me dat hij zich van het dwingende idee van een vaderland heeft bevrijd. Hij wil liever rondzwerven over de wereld dan zich blind staren op een vaderland dat er toch nooit komt. Ik heb andere Syriërs in Berlijn min of meer hetzelfde horen zeggen. Ongetwijfeld een moedige houding, maar iedereen die over de bevrijding van het vaderlandsidee en de illusies van ballingschap spreekt, ontwijkt op de een of andere manier mijn blik. Onder de dunne sluier van zelfverzekerdheid gaat een enorme zwakte schuil, een mengeling van nostalgie en de wanhoop het gedroomde vaderland ooit te zullen terugvinden. Net als ik zijn mijn vrienden dode bladeren die niet weten waar ze terecht zullen komen. We weten dat we door de wind worden meegevoerd en dromen dat die ons op een dag naar een toekomstig Syrië terug zal brengen. Maar in afwachting van dat moment, en zonder dat we weten of de dag ooit komen zal, zijn we overgeleverd aan de windrichting en dragen we diep in ons hart ons vaderland mee als ons ballingsoord, waar we ook zijn.

    Mohamed Attar
    Bron: Al-Jumhuriya, Istanboel

    De Syrische schrijver Mohamed Attar ontvluchtte zijn land nadat de kortstondige euforie over de opstand tegen president Assad was gedoofd. Hij woonde eerst in Beiroet, en tegenwoordig in Berlijn.

    ‘In Syrië heb ik me nooit een vluchteling gevoeld’ (Fatima Bhutto )

    Syrië was mijn thuis.
    Ik heb er als kind in ballingschap gewoond. Mijn ouders noemden het ‘ballingschap’, omdat we niet in ons eigen land, Pakistan, konden zijn. Omdat Pakistan te gevaarlijk was, te gewelddadig, omdat daar geen gerechtigheid was. Mijn vader kwam uit Pakistan, mijn moeder uit Libanon. En ik van ergens daartussenin. Syrië beschermde ons en heette ons welkom. Ik vraag me af waarom mijn ouders ons nooit ‘vluchtelingen’ hebben genoemd?
    Als kind in Damascus heb ik me nooit een buitenstaander gevoeld. 
Al was ik geen Syrische en was Arabisch niet mijn moedertaal, toch voelde ik me er thuis. Ik woonde in de oudste bewoonde stad van de wereld. Ik voelde me veilig. ’s Avonds rook het er naar jasmijn.
    Op school, in de stad, of als we de berg Qasioun op reden om naar Damascus bij avond te gaan kijken, met zijn schitterende lichtjes in 
het donker, noemde niemand ons vluchtelingen. Niemand gaf ons 
het gevoel dat die stad daar beneden – de oudste, de mooiste, met zijn witte, gouden en groene lichten in de verte – niet ook onze stad was.
    Een tijdlang was het dat ook.
    Zelfs nu nog doet mijn hart pijn als ik het Syrische volkslied hoor.

    Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Uiteindelijk gingen we naar huis. Maar Syrië heeft nooit zijn deuren voor ons gesloten. Ook Pakistan (dat nooit rechtvaardiger of minder gewelddadig is geworden) en vele andere landen in Azië hebben lang hun grenzen opengehouden. Pakistan heeft tientallen jaren onderdak geboden aan de grootste Afghaanse vluchtelingenpopulatie ter wereld. 
Syrië heeft altijd vluchtelingen opgenomen. Libanese, Armeense, Palestijnse. Mijn moeder en haar familie kwamen in 1982 naar Damascus, na de Israëlische invasie in Libanon. Rond 2007, op het hoogtepunt van de oorlog in Irak, verwelkomde Syrië wel tweeduizend Iraakse vluchtelingen per dag.
    Iedereen.
    Sjiieten, soennieten, christenen, atheïsten. Mannen, vrouwen, vervolgden en verslagenen. Syrië was ooit voor de hele wereld een thuis.
    Dat was altijd het mooie van het feit dat je bij deze landen hoorde, bij Azië: er was altijd plaats voor de statenlozen en bezitslozen. Er was geen zelfgenoegzaamheid, geen hysterie, geen koehandel met mensenlevens. Als ik de bureaucratische onverschilligheid van Europese leiders tegenover menselijk lijden zie, kan ik alleen maar terugdenken aan Syrië en aan wat dat land voor vluchtelingen deed – gul en zonder ophef. Hoe kan iemand in een verbonden wereld zijn deuren sluiten?

    Fatima Bhutto
    Bron: Granta, Londen

    Fatima Bhutto (Kaboel, 1982) is journaliste en schrijfster. Ze publiceerde vier boeken, waaronder 
de roman The Shadow of the Crescent Moon. Toen ze drie jaar oud was, vluchtte haar vader om politieke redenen van Afghanistan naar Syrië. Bhutto is de nicht van de voormalige Pakistaanse premier Benazir Bhutto. Ze woont in Karachi, Pakistan.

    ‘Hoe kun je Canadees zijn?’ (Ramin Jahanbegloo)

    Wat ik het moeilijkst vond toen ik naar Toronto kwam, was dat veel mensen aan de universiteit me kennelijk zagen als 
iemand die in het paradijs was beland na te zijn gered van een eiland omringd door haaien. Ik weet nog dat ik een Iraans-Canadees parlementslid op een gala in een centrum van de Iraanse gemeenschap gedachteloos hoorde verklaren: ‘Canada is het beste land er wereld.’ Dit geldt misschien voor sommige mensen, vooral voor Canadese parlementsleden die niet veel hebben gereisd, maar het gold zeker niet voor mij. 
Ik had het gevaar en het geweld van Iraanse gevangenissen verruild voor het geweld en de hypocrisie van een laat-kapitalistische samenleving. Het was niet zo dat ik nu deel uitmaakte van een samenleving met schone handen, ik zag helemaal geen handen, en zeker geen handen die het grote aantal daklozen hielpen dat ik elke dag in Toronto tegenkwam.
    Onderweg van mijn nieuwe onderkomen naar kantoor bedacht ik bij mezelf dat een stad als Toronto en een land als Canada er niet in slaagden om enig gebaar van liefde en medeleven te maken. Misschien komt dat doordat het kapitalisme alleen met zijn hersens denkt en niet met zijn hart, en medeleven is een taal van het hart. Het schokte me diep dat bij de meeste collega’s, journalisten en jongere Canadezen die ik ontmoette, het gezicht van de liefde verborgen ging achter een sluier van kille logica.
    Na de eerste paar maanden in Toronto begon ik te rebelleren tegen het conformisme dat ik elke dag zag. Ik was bezorgd en verbaasd dat er onder mijn jonge studenten niet één opstandige geest leek te zijn. En dat zij middelmatigheid heel vaak als een vorm van normaliteit beschouwden.

    Medeleven is een taal van het hart

    Ik was vanuit een samenleving die werd gedomineerd door een geestelijke nomenklatoera terechtgekomen in een enclave van tweederangs snobs die intellectueel verlamd waren door hun betekenisloze bestaan in goed bewaakte clubs. Ik ergerde me vooral aan een blanke vrouw die de ingang van het Massey College bewaakte. Zij was kennelijk allergisch voor mijn donkerharige Iraanse collega’s en hield die elke keer als ze met mij kwamen lunchen, bij de deur tegen. Dan realiseerde ik me weer dat wat vaak in theorie over multiculturalisme en gelijkheid in Canada werd gezegd, in de praktijk niet altijd klopte. Het is tijd, dacht ik, voor een diepgaander verkenning van de Canadese psyche en een helderder definitie van wat het betekent om Canadees te zijn.
    Naarmate de maanden verstreken en ik werd opgeslokt in het cyclische drama van mijn nieuwe leven, daalde de depressie als een wolk over me neer. Ik moest ’s zomers naar Spanje ontsnappen om me weer uitgerust en verkwikt te kunnen voelen. Maar zodra we terugkeerden naar Toronto, kwam het gevoel terug dat ik me in een spirituele leegte bevond.
    Met het verstrijken van de tijd kreeg ik steeds meer te kampen met wat ik de verleiding van de vrijheid noem. Vreemd genoeg zag ik meer belangstelling voor het idee van vrijheid onder mijn Iraanse studenten in Canada, die zich bezighielden met een niet-vrij land als Iran, dan onder mijn Canadese collega’s, die in een vrij land als Canada woonden. Dit gold ook voor het begrip recht. Terwijl mijn Iraanse studenten het recht omarmden als iets wat emancipatie versterkt, beschouwden mijn Canadese collega’s en studenten het recht als een verzameling op chic papier geschreven principes. Meestal dreunden zij de wet op en leunden dan tevreden achterover, alsof het recht daarmee automatisch zijn loop zou krijgen. Maar het recht kreeg zijn loop niet. Dit was een van de onderwerpen waar ik me niet aan kon onttrekken toen ik in Canada woonde. Ik had het verschrikkelijke gevoel dat elke stap die ik zette, beïnvloed werd door het alledaagse rechtssysteem, waarvan de waardeoordelen hun uitwerking hadden op mijn leven en lot.

    De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit

    Niemand blijft onaangetast door de ervaring van 
ballingschap. Sommigen verliezen hun identiteit, uit angst of om in de smaak te vallen. Heel weinigen vinden soelaas in de kunst van het vragen stellen. Ik koos voor een derde manier, door bot en direct te worden. Maar ik moest alle problemen van het balling zijn het hoofd bieden. Ik moest het riskante avontuur van een nieuw leven aangaan. In jezelf geloven was de prijs van overleven. Maar ik kwam problemen tegen die in mijn ogen absurd waren. 
Net als de meeste immigranten in Canada was ik ervan overtuigd dat streven naar het geluk en een prettig leven voor mijn kind de beste manier was om vooruit te komen. Het bleek lastig om kinderopvang voor haar te vinden en we hoorden dat mensen hun kinderen zelfs al voor hun geboorte inschrijven bij een kinderdagverblijf. Ik neem aan dat je je kind dus ook al bij de universiteit moet inschrijven voordat het 
heeft leren lezen en schrijven. Zulke verschijnselen lijken me een prima manier om je geloof in de geestelijke gezondheid van de westerse maatschappij kwijt te raken.
    Ik werd me er steeds sterker van bewust dat ik een Canadese identiteit miste. Ik begon over Canada te lezen en luisterde naar iedereen die me kon laten zien hoe ik een identiteit aan dit land zou kunnen ontlenen. Het kostte me moeite om me voor te stellen wat voor Canadese identiteit me ertoe zou hebben gebracht om 125 dagen gevangenschap te verdragen. Ik vond een citaat van Northrop Frye, waarschijnlijk de meest gevierde cultureel theoreticus van Canada: ‘Historisch gezien is een Canadees een Amerikaan die de Revolutie verwerpt.’ Deze opvatting heeft verschillende kanten. Voor veel Engelssprekende conservatieve Canadezen blijft het iets om trots op te zijn. Denk aan wat Winston Churchill over dit land heeft gezegd: ‘Canada is de verbindende schakel in de Engelstalige wereld. Canada, met aan de ene kant zijn vriendschappelijke, intieme banden met Amerika en aan de andere kant zijn niet-aflatende trouw aan het Britse Commonwealth en het Moederland, is de schakel die deze twee grote loten aan de menselijke stam met elkaar verbindt.’
    Maar ik vraag me af of nieuwe Canadezen nog steeds aan Engeland denken als ‘het Moederland’, een gevoel dat meer bij een blank en Engelstalig Canada hoort. Als je de wetten en regels en het twintigdollarbiljet even buiten beschouwing laat, zijn niet alle Canadezen zich werkelijk bewust van het Britse koninklijk huis, al zijn prins William en Kate Middleton bij meer Canadezen geliefd dan Nobelprijswinnares Alice Munro.
    Het is moeilijk te zeggen hoe je Canadees wordt of bent. De meeste volken van vandaag hebben een sterk identiteitsgevoel, maar Canadezen zijn nog steeds op zoek naar een gezamenlijke identiteit die hun leven wortels en spirituele betekenis kan geven. De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit. Mijn islamitische studenten zien de islam als een harde waarde, die voor hen op de eerste plaats staat, Canadees zijn is voor hen een zachte waarde en die komt altijd op de tweede plaats. Voor Iraanse Canadezen of Arabische Canadezen die in Canada zijn opgegroeid is het Iraans of Arabisch zijn veel belangrijker dan Canadees zijn. Je moet een hoop verbeeldingskracht hebben om te zien hoe je trots kunt zijn op het feit dat je Canadees bent – al zijn de meeste Canadezen dat wel –, wanneer je bedenkt dat de oorspronkelijke volken hier de aanspraak op hun land kwijtraakten, werden behandeld als obstakels bij het winnen van de grondstoffen en zodoende werden verdreven, zoals dat in alle Amerika’s is gegaan. Nieuwkomers in dit land van hoop leren weinig over de mensen die hier vroeger hebben geleefd, al hebben de media daar de afgelopen jaren wel meer aandacht aan besteed. Maar discussies over de oorspronkelijke volkeren bieden weinig gelegenheid om afwijkende meningen naar voren te brengen. De Canadezen, die zo-
wel de historische ervaring als de arrogantie van 
de Amerikanen missen, vertonen geen Canadees chauvinisme, maar tegelijkertijd is er ook geen gevoel van ‘Canadeesheid’ in Canada.
    Ik had nooit geloofd dat je om deel uit te maken van Canada, een blanke Canadees moet zijn. En toch heeft mijn eigen ervaring als Iraans filosoof in Canada me geleerd dat Canada grotendeels wordt beheerst door blanke Canadezen. Het zat mij zeer dwars dat meer dan 90 procent van mijn collega’s 
in de faculteit Politieke Wetenschappen aan de University of Toronto blank was. Het is waar dat 
ik het moeilijk vond om Canada mijn thuis te noemen, omdat ‘thuis’ voor mij een persoonlijk gevoel is. Maar ik vond het ook moeilijk dat mijn intellectuele werk onderschat werd omdat ik geen blanke Canadees was of geen lid van een bekende familie in dit land. Ik kwam tot het bittere besef dat onderwijs in Canada niets te maken had met kennis maar dat, ondanks alles wat er gezegd wordt, geld het spel bepaalt.

    Ramin Jahanbegloo
    Bron: Toronto Star, Toronto

    Ramin Jahanbegloo (1956) is een Iraans filosoof. Na zijn studie in Frankrijk verbleef hij tussen 1997 en 2001 in Canada, om vervolgens naar Iran terug te keren. Daar werd hij in 2006 gearresteerd en vier maanden lang gevangengezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar Canada. Hij is 
de auteur van verschillende boeken, waaronder Time Will Say Nothing: A Philosopher Survives an Iranian Prison.

    ‘Geit noch schaap’ (Tenzin Nyingjey)

    En nu, hoe nu verder? Die vraag komt bij me op als ik denk aan de strijd om de vrijheid van Tibet. Demonstraties: gebeurd. Oorlog: gevoerd. Onderzoeken: lopen. Vredesonderhandelingen: gevoerd. Oproepen aan buitenlandse democratieën voor steun aan de Tibetaanse zaak: gedaan. Levens: verloren in grote aantallen.
    Alles wat er maar te bedenken valt, is gedaan. Maar de situatie in Tibet wordt alleen maar slechter. Het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Zowel in Tibet als in ballingschap blijft het aantal mensen die geit-noch-schaap zijn [mensen met een verwaterde identiteit] groeien. In ballingschap is mijn passie verdwenen. In Dharamsala [in het noorden van India], hoofdstad der ballingen, is mijn passie verdwenen. Zelfs in het Amerikaanse paradijs is mijn passie verdwenen. Ik heb geen zin om naar het Tibet te gaan dat is ondergesneeuwd door het Chinese imperialisme van de communisten. En ik kan er hoe dan ook niet naar terug.
    Mijn geboorteland is India. Mijn ouders zijn daar vanuit Tibet naartoe gegaan. Het land waar ik nu woon: de Verenigde Staten. Waar ik morgen ben: geen idee. Als ik er goed over nadenk – wat ik soms doe –, dan voel ik me verstoken van levenskracht. Ja, precies: de kern van het verbannen zijn is je zwak voelen. Je machteloos voelen. Ik ben er trots op dat ik heb gesproken met wetenschappers uit de hele wereld, en met ware dan wel vermeende leiders. Maar als zomaar iemand op straat me vraagt ‘waar kom je vandaan?’, dan heb ik daarop geen antwoord. Door die vraag zijn de trots en kracht die ik haal uit het jarenlang bestuderen van de Tibetaanse geschiedenis en cultuur op slag verdwenen.

    Schapen in Tibet. – © Ching Ching Tsui/ Flickr Creative Commons
    Schapen in Tibet. – © Ching Ching Tsui/ Flickr Creative Commons

    ‘Voor de Tibetanen is de hoop een vloek. Voor de Chinezen is het wantrouwen een vloek.’ Als je in ballingschap leeft, kun je niet anders dan je hoop voeden, ook al kan het niet anders of die wordt de bodem ingeslagen. Ik hoop dat de Verenigde Staten gaan werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat India gaat werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat China uiteen zal vallen. Ik hoop dat China gaat democratiseren.
    In ieder geval kunnen de Tibetaanse leiders niet op dezelfde manier reizen als leiders overal elders ter wereld. Tibetaanse schrijvers, Tibetaanse zakenmensen, de Miss Tibets kunnen niet op voet van gelijkheid opereren met hun collega’s overal elders ter wereld. De Tibetaanse vlag kan niet net zo gehesen worden als de vlaggen overal elders ter wereld. Een willekeurige Tibetaan kan zich niet meten met een willekeurige burger uit een normaal land.
    Ik doe net alsof ik trots en sterk ben, maar soms schaam ik me. Andere keren voel ik me trots als ik bedenk dat wij van de vluchtelingen de sterksten op aarde zijn. Soms schaam ik me dat ik een ontheemde vluchteling ben.
    Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben, omdat ik als vluchteling in deze of gene cultuur ben geïntegreerd. Maar als iemand die geen Tibetaan is me vraagt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan lijkt dat allemaal opeens onzinnig.
    En verder troost ik me af en toe met de gedachte dat ik deel uitmaak van het volk van de vleeseters met rood gemaakte gezichten [vaste uitdrukking waarmee de Tibetanen zichzelf omschrijven], dat afstamt van Tibetaanse vorsten. Op andere momenten troost ik me met de gedachte dat ik een coole Tibetaan ben die vredelievend is en afkomstig uit het paradijs voor religie, Tibet. Als me wordt gevraagd of ik haat of wrok koester tegen de Chinese Communistische Partij, dan antwoord ik grootmoedig: ‘Nee, niet echt. Ook dat zijn maar mensen, ze zijn slachtoffer van de drie vergiften [verlangen, afkeer, onwetendheid] van hun negatieve emoties. Die arme mensen, ik heb met ze te doen.’ Maar de Communistische Partij is wel Tibet binnengedrongen en heeft het land geannexeerd, de Partij heeft mensen vermoord en doet dat nog steeds, door de Partij ben ik gedwongen tot omzwervingen in ballingschap. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dus schaam ik me er tegelijkertijd voor dat ik haat noch wrok voel of doe alsof ik die niet voel.

    Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben
    Gyangtse, Tibet. – © Dennis Jarvis/ Flickr Creative Commons
    Gyangtse, Tibet. – © Dennis Jarvis/ Flickr Creative Commons

    Kan ik nog iets bijzonders doen? Ik lees boeken, ik kijk wat films, ik reciteer een paar mani’s [Tibetaanse mantra’s], ik bid, ik loop rondes 
om de tempel [kora, een boeddhistisch ritueel]. Ik heb het aan de stok met de voorstanders van de gulden middenweg [pleitbezorgers van echte autonomie voor Tibet, zoals de dalai lama die voorstaat] en met de voorvechters van onafhankelijkheid. Ik doe mijn best om het zo 
gewilde Amerika te bereiken. Ik ga een beetje demonstreren, een beetje in hongerstaking. Ik drink wat biertjes. Ik probeer wat meisjes te versieren. Ik geef wat feestjes. Ik dans als een westerling. Ik drijf wat handel. Ik schrijf wat korte teksten en gedichten. Ik neem deel aan 
discussies. Ik dobbel. Kortom, ik vermaak me. Zo gaat een alledaags leven voorbij.
    Maar het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Ik heb geld, eten, drinken en kleren zo veel ik wil. Ik spreek Tibetaans, Engels, Hindi, Chinees, Duits en nog meer talen. Maar ik ben vlees noch vis. Geit noch schaap. Tibetaan noch Chinees. Ik ben noch boven noch beneden. Noch hier noch daar. Ik ben in een soort eeuwig bardo [in het Tibetaans boeddhisme een tussenstaat] beland.

    Tenzin Nyingjey
    Bron: Tibet Times, Dharamsala

    Tenzin Nyingjey woont in ballingschap in de Indiase stad Dharamsala. Hij werd geboren in 1978, vlak voordat Deng Xiaoping de beroemde woorden sprak: ‘Alles is bespreekbaar in Tibet, behalve onafhankelijkheid.’ Het was na deze uitspraak, zegt hij, ‘dat wij onze strijd voor de vrijheid begonnen op te geven en het gevoel kregen dat we tot een verloren generatie behoorden’.

    Vergeef ons, Simonne (Abdou Semmar )

    Marie-Simonne,
    Je ontvluchtte je land, Kameroen, in de hoop in Algerije veiligheid, vrede, een toevluchtsoord en het einde van al je misère te vinden. Simonne, je koos ervoor om in mijn land te gaan wonen, omdat je ongetwijfeld had gehoord dat de bewoners zo gul zijn, dat de bevolking heldhaftig is en zich talloze opofferingen heeft getroost om zich van het koloniale juk te bevrijden. Je had al lang bewondering voor dit land dat leiders van alle Afrikaanse onafhankelijkheidsbewegingen van de jaren zestig en zeventig met open armen ontving.
    Simonne, ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is, dat bekendstaat om zijn olie, maar ook om zijn waarden. Een islamitische samenleving die gastvrijheid tot hoogste waarde heeft verheven. Een eeuwenoude samenleving vol verscheidenheid die openstaat voor vreemdelingen.
    Maar toen je eenmaal in Algerije was, ontdekte je dat het land absoluut niets te maken had met het land waarover je had gehoord en gelezen. In Oran, waar je was gaan wonen om er samen met je man een nieuw leven op te bouwen, bleken de mensen racistisch, vol vreemdelingenhaat en allergisch voor buitenlanders, vooral voor zwarte mensen, zoals je hebt ervaren.
    Vanaf het begin dat je in ons land was ben je beledigd, lastiggevallen en veracht, tot op die donderdag 
1 oktober om elf uur ’s avonds, toen zeven seksueel gefrustreerde mannen, ten prooi aan hun lage driften, je achter het parkeerterrein in een populaire wijk van Oran hebben ontvoerd, afgerost en om beurten verkracht. Geen van die ‘heldhaftige’ Algerijnen, zoals ze in de geschiedenisboeken worden omschreven, nam de moeite om je uit de klauwen van die vuile beesten te redden.
    In het ziekenhuis weigerden ze je te behandelen. Op het politiebureau hadden ze geen zin om in je aangifte op te nemen. Waarom? Omdat je zwart bent, en christen. Dit is niet het Algerije waar jij van droomde. Het zijn niet deze racistische, gewelddadige, criminele Algerijen over wie je zo veel had gehoord.

    Ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is
    Door vluchtelingen achtergelaten binnenbanden drijven vlak bij de kust van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Door vluchtelingen achtergelaten binnenbanden drijven vlak bij de kust van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Ik schrijf je om te vragen of je ons wilt vergeven. Vergeef ons, Simonne. Vergeef ons omdat wij Algerijnen, de mannen en vrouwen die geloven in de broederschap tussen alle volkeren ter wereld, die geloven in tolerantie, in wederzijds respect en in het opkomen voor de rechten van buitenlanders, boos zijn en geschokt, geschrokken en diep getroffen door al het vreselijks dat een deel van onze samenleving jou heeft aangedaan.
    Vergeef ons dat we er die avond niet waren om je 
te redden. Vergeef ons dat we er niet waren om de gendarme terecht te wijzen die jouw aangifte weigerde omdat je geen moslima was. Vergeef ons de onverschilligheid, intolerantie en het racisme, die helemaal niets te maken hebben met ons karakter. Ons ware karakter. Niet dat wat je ziet bij die gestoorde jongeren die over onze straten zwerven, overgeleverd aan hun frustraties en slachtoffer van die collectieve neurose veroorzaakt door het totale failliet van ons sociale en politieke systeem.
    Vergeef ons dat we niets wisten van jouw hoop. Van jouw verwachtingen en dromen. Vergeef ons dat alles, Simonne. We beloven je dat we alles zullen doen om te zorgen dat er nooit meer een nieuwe ‘Simonne’ zal komen die verkracht, geslagen en gemarteld wordt, enkel en alleen om dat ze een vrouw, een zwart iemand en een christen is.

    Abdou Semmar
    Bron: Algérie-Focus, Algiers

    Abdou Semmar is hoofdredacteur van de website Algérie-Focus, een van de belangrijkste nieuwsmedia in Algerije. Hij zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting in zijn land, en schrijft over maatschappelijke kwesties die 
zijn landgenoten bezighouden.

  • György Konrád:
‘Orbán zegt ook goede dingen’

    György Konrád:
‘Orbán zegt ook goede dingen’

    De Hongaarse premier Viktor Orbán krijgt in het vluchtelingendebat steun uit onverwachte hoek. Ook schrijver György Konrád, het intellectuele geweten van de natie, spreekt zich uit voor het sluiten van de grenzen.

    Keuze uit het archief

    Vandaag worden de Hongaarse verkiezingen gehouden. Zal het oppositiekandidaat Péter Magyar lukken om Viktor Orbán na zestien jaar premierschap uit het zadel te wippen?
    Voor landen die democratische waarden hoog in het vaandel hebben, is het moeilijk te begrijpen dat Orbán, die de vrije pers aan banden legt en zich steeds verder als autocraat ontpopt, nog altijd zo populair is. Volgens de Hongaarse schrijver György Konrád komt dat vooral door zijn strenge grensbeleid en omdat Orbáns visie daarop realistischer zou zijn dan die van linkse politici.

    ‘Viktor Orbán voert een gevaarlijke, autoritaire politiek, hij holt de democratie uit, doet de scheiding der machten die fundamenteel is voor de rechtsstaat teniet. Maar dat wil niet zeggen dat hij af en toe niet ook goede dingen zegt. De Schengengrens moet beter beschermd worden tegen deze nieuwe tsunami.’ Verbazingwekkend genoeg is het de boven elke verdenking verheven György Konrád, éminence grise en kritisch geweten van de Hongaarse literatuur en tevens dissident, eerst onder de communisten en nu onder de nationaal-conservatieve regering in Boedapest, die een lans breekt voor de premier. 
We horen zijn bittere overwegingen aan in zijn bescheiden maar gezellige flatje in het heuvelachtige Boeda.

    Hoe zit dat: u steunt de harde, vaak xenofobe uitspraken van Orbán, die door heel Europa worden veroordeeld?

    ‘Ik zeg dat er reële problemen bestaan, en dat met name links al een tijdlang niet in staat is gebleken zich daarop te bezinnen en er conclusies uit te trekken.’

    Maar de vluchtelingen zijn voor het merendeel hoogopgeleide Syriërs, slachtoffers van een meedogenloze oorlog…

    ‘Dat is een realiteit, die echter het risico met zich meebrengt dat we overhaaste keuzes maken en verkeerde wegen inslaan. Mevrouw Merkel heeft klare taal gesproken – ook al is dat haar intern op kritiek van haar conservatieve Beierse bondgenoten komen te staan – en daar heeft ze haar redenen voor. Redenen van nationaal economisch belang, dat moge duidelijk zijn: de Duitse economie is zeer sterk, heeft toenemende behoefte aan gekwalificeerde mensen, zoals die migranten, en de Duitsers brengen al jaren minder kinderen voort. Dus zonder gekwalificeerde migranten zullen noch hun economie noch de financierbaarheid van hun welvaart, sociale zekerheid en pensioenstelsel in de toekomst gegarandeerd zijn.’

    Vindt u dat niet een enigszins beperkte visie, gezien de grote hoeveelheden mensen die het slagveld ontvluchten? Ook in andere Europese landen, zo blijkt uit veel studies, zullen de groei en de sociale zekerheid zonder migranten niet gegarandeerd zijn.

    ‘De situatie verschilt per geval. Wij Hongaren hebben geen gekwalificeerde Syrische artsen en ingenieurs nodig. Als onze economie groeit, kunnen we de vele etnische Hongaren uit de buurlanden terughalen.’

    Hongaarse soldaten bij de grens met Servië kregen van Orbán het bevel om ieder die de grens oversteekt, te arresteren. Hiermee wil hij een einde maken aan de stroom van tot nu toe ruim 160.000 vluchtelingen die het land binnenkwamen.
© Thomas Campean
    Hongaarse soldaten bij de grens met Servië kregen van Orbán het bevel om ieder die de grens oversteekt, te arresteren. Hiermee wil hij een einde maken aan de stroom van tot nu toe ruim 160.000 vluchtelingen die het land binnenkwamen.
© Thomas Campean

    ‘Wij Hongaren hebben geen gekwalificeerde Syrische artsen en ingenieurs nodig’

    Een braindrain uit landen waarvan 
de Hongaarse extremisten grondgebieden opeisen?

    ‘Ik eis geen grondgebieden op, ik beroep me op het Europese constitutionele recht op vrijheid van beweging binnen de Europese Gemeenschap. Maar in plaats van zich te bezinnen op de specifieke situatie in Hongarije weten Duitsland en Europa niet hoe snel ze Orbán moeten afschilderen als de 
bullebak van de buurt. Nogmaals, hij is een van mijn politieke tegenstanders, hij is een demagoog die van het liberaal-radicalisme is overgestapt naar het nationaal-populisme, maar dat wil nog niet zeggen dat hij alleen maar onzin verkondigt.’

    De stortvloed van mensen die de oorlogen ontvluchten is een realiteit. Hoe kunnen we die op andere manieren het hoofd bieden, naast het optrekken van muren?

    ‘Door na te denken over een strategie die zowel rekening houdt met het aanbod van gekwalificeerde migranten als met onze economische behoeften. Zeker, het dient gezegd dat de Muur van Orbán, die metalen versperring aan de Servische grens, een mislukking is gebleken: hoe je er ook over wilt oordelen, dat hek dient nergens toe, het heeft de tsunami niet kunnen tegenhouden. En toch, een andere oplossing vinden is niet zo eenvoudig. Er zitten meerdere aspecten aan de islamitische emigratie, die zowel een verrijking als een risico en een uitdaging is. En in het huidige gespannen klimaat belooft de groeiende teleurstelling van de migranten ten aanzien van Europa alleen maar negatieve reacties. Overigens staat Orbán zeker niet alleen in zijn verzoek om een harde lijn: luister maar eens naar de betogen van de populistische linkse Slowaakse premier Robert Fico, of naar de Tsjechische politici, om maar twee voorbeelden te noemen. Wie vlucht, ook als het voor de oorlog is, vlucht op zoek naar een betere economische toekomst.’

    Maar toch: roept de Muur geen duistere herinneringen op, juist bij jullie ex-vervolgden uit Oost-Europa?

    ‘Er bestaan nog steeds veel muren. Maar muren zoals ze zijn gebouwd in het zuiden van de VS, of aan de Israëlische grens, of tussen Spanje en Marokko, en ook de harde Australische politiek ten aanzien van migranten, zijn erop gericht illegaal binnendringen te verhinderen. Ook moreel gezien is dat heel iets anders dan de Berlijnse Muur die Oost-Duitse staatsburgers het recht ontzegde om ook maar één stap buiten de hermetische grenzen van het DDR-socialisme te zetten.’

  • Wat is er aan de hand met Oost-Europa?

    Wat is er aan de hand met Oost-Europa?

    Waar in West-Europa brede steun bestaat voor het opvangen van vluchtelingen, is dat in het Oosten wel anders. Ivan Krastev legt uit waar die houding vandaan komt.

    Naar aanleiding van de migrantenstroom die zich onafgebroken via Hongarije naar Oostenrijk en Duitsland begeeft, zei een Hongaarse journalist laatst tegen me: ‘We hebben geen steden meer. Alleen één groot treinstation.’ Twintig jaar geleden waren Hongarije en zijn Oost-Europese buren samenlevingen in transitie, in de overgang van een communistisch naar een democratisch bestel, en sommige – Bulgarije, Macedonië, Servië – zijn dat nog steeds. Nu zijn deze transitionele landen in één klap transitlanden geworden. Het gevolg is dat Europa zich niet alleen zorgen moet maken over de instroom van honderdduizenden migranten, maar ook over de wig die deze crisis drijft tussen zijn oostelijke en zijn westelijke helft.

    De ‘vrachtwagen van de schande’ in Oostenrijk en de taferelen van verdronken migranten hebben in veel West-Europese landen een golf van compassie teweeggebracht. Zestig procent van de Duitsers steunt het regeringsbesluit om 800.000 vluchtelingen, oftewel bijna 1 procent van de Duitse bevolking, op te vangen. Maar in Oost-Europa blijft het publiek onaangedaan, en leiders daar zijn fel van leer getrokken tegen de Brusselse beslissing om vluchtelingen te herverdelen onder de lidstaten van de Europese Unie. De meerderheid binnen de transitlanden staat achter het bouwen van muren langs hun grenzen; uit een recente peiling in Tsjechië blijkt dat 44 procent wil dat de regering geen kroon extra besteedt aan de hulp aan migranten. Premier Robert Fico van Slowakije ging nog verder door te beweren dat 95 procent van de asielzoekers geen vluchtelingen waren maar economische migranten, en dat zijn land alleen bereid zou zijn christenen te ontvangen. Het ontstellendst is misschien een uitgelekte e-mail van de Hongaarse publieke omroep, waarin journalisten werd gevraagd geen beelden van kinderen van migranten te tonen. Beelden van lijdende kinderen, zo lijkt de Hongaarse regering te vrezen, zullen het hart van haar bevolking doen smelten en – God verhoede – compassie wekken.

    Oost-Europeanen geloven dat zij degenen zijn die geholpen moeten worden

    Cynisme

    Wat is er aan de hand met de Oost-Europeanen? Nog maar drie decennia geleden was ‘Solidariteit’ hun symbool. Tegenwoordig zou een bumpersticker met het opschrift: ‘Oost-Europa: Waar zelfs Donald Trump sympathiek overkomt’ meer op zijn plaats zijn.
    Het korte antwoord is teleurstelling, wantrouwen, demografie en democratie. Na het communisme en de liberale hervormingen volgde een allesoverheersend cynisme. Nu de Oost-Europeanen worden geconfronteerd met een instroom van migranten en het spookbeeld van economische onzekerheid, voelen velen zich verraden door hun hoop dat aansluiting bij de Europese Unie het begin van welvaart en het einde van de crisis zou betekenen, 
terwijl veel regeringsleiders vrezen 
dat ze hun politieke steun uitsluitend kunnen terugwinnen door te tonen dat je alleen om je eigen soort geeft, 
en geen zier om de vreemdelingen. Oost-Europeanen geloven dat zij degenen zijn die geholpen moeten worden, dat was hun immers bij de eenwording beloofd. Wij zijn armer dan de West-Europeanen, zeggen ze, dus hoe kan iemand solidariteit van ons verwachten? Er zijn ons toeristen beloofd, geen vluchtelingen.
    Maar het is niet alleen maar een kwestie van zelfmedelijden. Ondanks het feit dat ze zich op de viersprong van Europa, Azië, Rusland en het Midden-Oosten bevinden, zijn veel Oost-Europeanen ongeïnteresseerd en in zichzelf gekeerd. De Bulgaarse televisie heeft nooit geld of belangstelling gehad om verslaggevers naar landen als Syrië te sturen die de apocalyptische dimensies van wat zich daar afspeelt duidelijk hadden kunnen maken. Afrika ontbreekt totaal in de politieke geografie van Bulgarije. Het gevolg is dat islamofobie, terrorisme, stijgende criminaliteit en een algehele beduchtheid voor alles wat onbekend is de kern vormen van de morele paniek die door de instroom van migranten wordt uitgelokt. Vreemd genoeg is demografische paniek een van de factoren die het minst aan bod komen als men de houding van de Oost-Europeanen probeert te verklaren. Toch is die van doorslaggevend belang. Volgens voorspellingen van de Verenigde Naties zal de Bulgaarse bevolking in 2050 met 27 procent zijn gekrompen. In veel kleine Oost-Europese landen heerst het schrikbeeld van ‘etnische verdwijning’.
    Voor hen betekent de komst van de migranten hun vertrek uit de geschiedenis, en het populaire argument dat Europa migranten nodig heeft versterkt alleen maar het toenemende gevoel van existentiële melancholie. Als je de televisiebeelden ziet van bejaarde inwoners die protesteren tegen het opnemen van vluchtelingen in hun ontvolkte dorpen waar al decennia geen kind meer geboren is, breekt je hart voor beide kanten – voor de vluchtelingen, maar ook voor de oude, eenzame mensen die hun wereld hebben zien wegsmelten.

    Een vluchteling wacht op de bus die haar vanuit het Servische Horgos naar Kroatië zal brengen. – © Nikola Gligic / Getty Images
    Een vluchteling wacht op de bus die haar vanuit het Servische Horgos naar Kroatië zal brengen. – © Nikola Gligic / Getty Images
    Het is geen gebrek aan solidariteit, maar een botsing van solidariteiten

    Roma

    De mislukte integratie van de Roma draagt ook bij tot dit gebrek aan compassie. Oost-Europeanen zijn bang voor buitenlanders omdat ze er niet op vertrouwen dat de staat bij machte is om de ‘anderen’ die al in hun midden leven te laten integreren. En het feit dat de Oost-Europese staten democratieën zijn maakt het er niet makkelijker op. Wat we zien is geen gebrek aan solidariteit; wat we zien is een botsing van solidariteiten: nationale, etnische en religieuze solidariteit die aanschuren tegen onze plichten als mens. Inmiddels is duidelijk geworden dat de migratiecrisis een grotere existentiële bedreiging voor de Europese Unie vormt dan de eurocrisis of de Russische annexatie van de Krim. Donald Tusk, de voorzitter van de Europese Raad, waarschuwt openlijk tegen de gevaarlijke tweedeling tussen het oosten en het westen van Europa.
    Dat gezegd zijnde is compassie niet voldoende om de migratieproblemen op te lossen die Europa overspoelen. Enkele jaren geleden wees de Hongaarse filosoof en voormalige dissident Gáspár Miklós Tamás erop dat de Verlichting, waarin het idee van de Europese Unie intellectueel is geworteld, universeel burgerschap vereist. Maar voor universeel burgerschap moeten er wel een paar dingen gebeuren: ofwel arme en disfunctionele landen worden oorden waarvan het de moeite waard is burger te worden, of Europa opent zijn grenzen voor iedereen.
    Geen van deze dingen, zo wordt steeds meer duidelijk, zal gebeuren. Het bouwen van een Vrijheidsbeeld op Lampedusa zal nauwelijks genoeg zijn om het probleem te verhelpen. Libië en Syrië zijn frustrerende voorbeelden: noch de Europese interventie in Libië noch de non-interventie in Syrië heeft de oorlogen in de buurt van Europa kunnen stoppen. Verscheurd tussen zijn morele verplichting om anderen te helpen 
die in extreme nood verkeren en de praktische onmogelijkheid om iedereen te helpen, zal Europa gedwongen zijn sommigen op te nemen en anderen uit te zetten. Het is dieptreurig om te zien dat Oost-Europese samenlevingen en regeringen beweren dat het moreel juist is om hun deuren te sluiten voor mensen die op de vlucht zijn voor de dood. Het gebrek aan compassie benadrukt de veel diepere crisis in het hart van het plan-Europa.

    Ivan Krastev

    Ivan Krastev is directeur van het Centre for Liberal Strategies in Sofia.

  • De VN: wat is er na zeventig jaar en met 500 biljoen dollar bereikt?

    De VN: wat is er na zeventig jaar en met 500 biljoen dollar bereikt?

    Zeventig jaar na de oprichting van de VN op 
24 oktober 1945 maakt de Britse kwaliteitskrant The Guardian de balans op.

    Dag Hammarskjöld, de tragisch omgekomen derde secretaris-generaal van de VN, verwoordde het trefzeker: ‘De Verenigde Naties zijn niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden.’ Welke hel 
hij in gedachten had was niet moeilijk te raden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en Hitlers vernietigingskampen, en in de schaduw van de atoombom.

    De vraag in hoeverre de VN een rol speelde bij het voorkomen van een nucleaire vernietiging verdeelt historici, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de organisatie sinds haar oprichting in oktober 1945 miljoenen mensen voor andere vormen van de hel heeft behoed. Voor diepe armoede, voor het zien sterven van kinderen aan ziekten die te genezen zijn, voor de hongerdood tijdens de vlucht voor oorlogen in de heksenketel van ideologische rivaliteiten tussen Washington en Moskou, die op de slagvelden in Afrika en Azië werden uitgevochten. Het kinderfonds Unicef voorzag in de scholing en een beter levenspad voor miljoenen kinderen, onder wie de huidige secretaris-generaal Ban Ki-moon. De ontwikkelingsprogramma’s van de VN waren bepalend bij de hulp aan landen om na de koloniale overheersing zichzelf te gaan besturen.

    Maar toch. De VN mag zijn geprezen als de grote hoop voor de toekomst van de mensheid, de organisatie is ook veroordeeld als een schandelijk hol van dictaturen, heeft woede gewekt door haar verlammende bureaucratie, als internationale dekmantel van corruptie en door de ondemocratische gang van zaken in de Veiligheidsraad. De VN trekt ten strijde in de naam van de vrede, maar heeft werkeloos toegezien bij genocide. En in zeventig jaar heeft de organisatie meer dan 500 biljoen dollar uitgegeven.

    ‘De Verenigde Naties is niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden’

    Gecorrigeerd voor inflatie zijn de jaarlijkse uitgaven van de organisatie nu veertig maal hoger dan in de jaren vijftig. De VN telt thans zeventien ge-
specialiseerde instellingen, veertien fondsen en een secretariaat met zeventien onderafdelingen en heeft alleen al in New York 41.000 mensen in dienst. De lopende begroting is in twintig jaar meer dan verdubbeld en bedraagt nu 5,4 miljard dollar per jaar. Maar dat is slechts een klein deel van de uitgaven. Vredesmissies slurpen nog eens 9 miljard per jaar op met 120.000 peacekeepers, voornamelijk in Afrika. En dan zijn er nog de vrijwillige bijdragen van sommige lidstaten voor noodhulp, ontwikkelingswerk en instellingen als Unicef.

    Maar al met al geeft de VN dit jaar niet meer uit dan de helft van de begroting van 80 miljard van de stad New York voor 2015.

    Blauwhelmen patrouilleren in de straten van Goma, DR Congo. – © Flickr Vision
    Blauwhelmen patrouilleren in de straten van Goma, DR Congo. – © Flickr Vision

    Helen Clark kreeg als premier van Nieuw-Zeeland voor het eerst te maken met de VN, en vond in die tijd dat de organisatie door haar omvang en middelen van groot nut was bij het verdelen van de hulpgelden die kleine landen zoals het hare beschikbaar stellen. Ze is sinds zes jaar het hoofd van het ontwikkelingsprogramma van de VN, het UNDP, en daarmee de machtigste vrouw in de organisatie. Sindsdien is ze wat minder enthousiast. ‘Toen ik hier kwam, was het UNDP net een jaar bezig met het allereerste strategische plan in zijn bestaan. Maar daarin werden zo veel doelen gesteld dat het allemaal geen enkele zin had.’

    Tien jaar geleden kwam de VN met een rapport waarin verregaande hervormingen van de versplinterde organisatie werden voorgesteld. Die zouden moeten worden doorgevoerd onder leiding van Adnan Amin, een Keniaanse ontwikkelingseconoom. Dat rapport bevatte volgens Amin ‘fundamenteel goede ideeën’, maar had niet de gevolgen die de samenstellers ervan verwachtten. ‘Het leidde tot een stroom van nieuwe rapporten binnen de VN, die volstrekt onleesbaar waren voor buitenstaanders. Er is sindsdien wel vooruitgang geboekt, maar geen fundamentele wijziging in de manier waarop de VN de zaken aanpakt.’

    Het grootste obstakel voor verandering zijn de lidstaten. Er is een tendens onder lidstaten die het grootste deel van de rekeningen betalen om de armere lidstaten af te schilderen als een struikelblok voor modernisering en vergroting van de doelmatigheid van de organisatie. Maar volgens de 
134 kleinere contribuanten, verenigd 
in de G77, is dat streven naar meer doelmatigheid een truc van de rijke landen om hun greep op de VN te verstevigen. ‘In naam van de doelmatigheid hebben de rijke landen de topposities ingenomen in het secretariaat,’ zegt de Indiase VN-ambassadeur Asoke Kumar Mukerji, de leider van de G77.

    Helen Clark, die wel wordt gezien als de toekomstige (eerste vrouwelijke) secretaris-generaal van de VN, wordt door westerse lidstaten geprezen om de hervormingen die zij in het UNDP heeft doorgevoerd. Maar de G77 ziet 
dat toch anders: er zitten in de top 
van het UNDP te weinig mensen uit 
de ontwikkelingslanden zelf. ‘En daardoor is het een organisatie geworden die het karakter niet begrijpt van de landen waarvoor zij werkt,’ werpt Mukerji tegen.
    Er wordt met een schuin oog gekeken naar de huidige secretaris-generaal, die als zwak wordt beschouwd. ‘Het zou mooi zijn om eens te zien wat een krachtige secretaris-generaal voor verschil zou maken,’ zegt een topambtenaar in New York. ‘Dat vindt iedereen. Maar die sterke man of vrouw komt er hoogstwaarschijnlijk nooit. De grote lidstaten willen een secretaris-generaal die ze kunnen beïnvloeden, kunnen sturen.’

    © Salah Malkawi / Getty
    © Salah Malkawi / Getty

    ‘Hervorm de VN’

    De Verenigde Naties, opgericht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, hebben zich niet aangepast aan de hedendaagse realiteit, meent het Russische tijdschrift voor internationale betrekkingen Rossia v globalnoj politike. In 1945 maakte de bevolking van de landen die een zetel hadden in de Veiligheidsraad 66 procent van de wereldbevolking uit, en hun bruto nationaal product was 59 procent 
van het mondiale bnp. Daarnaast waren de overwinnaars in de oorlog de enige landen die beschikten over de atoombom. In 2014 waren die cijfers gedaald tot respectievelijk 22 en 46 procent. Ten minste nog vier landen 
– India, Pakistan, Israël en Noord-Korea – beschikken nu over kernwapens en nog eens een twintigtal landen moet in staat worden geacht dergelijke wapens te produceren.

    Het gebrek aan representativiteit 
van de Veiligheidsraad doet het vertrouwen in dat instituut teniet. Daarom, aldus het Russische tijdschrift, moet worden geprobeerd de VN te hervormen, rekening houdend met de nieuwe werkelijkheid. Dat wordt een van de voornaamste taken van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) in de komende jaren. Maar om het aantal leden van de Veiligheidsraad niet te vergroten – die uit een compact gezelschap dient te blijven bestaan – zouden Rusland en China bijvoorbeeld, zo stelt het Russische blad zich voor, hun vetorecht bij voorkomende gelegenheid kunnen afstaan aan een van hun partners binnen de BRICS, dat wil zeggen aan Brazilië, India of Zuid-Afrika.

    gettyimages 465346096

    Strijd tegen straffeloosheid

    Een commissie met een mandaat van de VN heeft een sleutelrol gespeeld in de ontwikkelingen waarbij president Otto Pérez Molina van Guatemala zich genoodzaakt zag af te treden, analyseert de krant El Periódico. De president werd vervolgens op verdenking van betrokkenheid bij corruptie gearresteerd.

    De burgerbeweging die al weken manifesteerde tegen de president en de justitiële instanties heeft een overwinning behaald dankzij de steun van de Internationale Commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala (CIGIG), ‘een onafhankelijke organisatie die als een soort internationaal openbaar ministerie functioneert, maar onder de juridische autoriteit van Guatemala’, aldus een andere krant, El Espectador.

    De CIGIG werd 2007 door de VN in het leven geroepen op verzoek van Guatemala om de autoriteiten bij te staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, die tot in de staatsinstellingen was doorgedrongen. Andere landen, waaronder Honduras, hebben de VN inmiddels gevraagd om voor hen ook een soortgelijk instituut in het leven te roepen.

    ‘Een lichte schijn van geloofwaardigheid’

    De vredesmissie van VN-blauwhelmen in de Democratische Republiek Congo, MONUSCO, bestaat al zestien jaar. En er zit nog toekomst in, want nog altijd wordt het land verscheurd door oorlogshandelingen. Met 20.000 man is MONUSCO op dit moment de grootste VN-operatie in de wereld.

    ‘Tal van jaren heeft MONUC, later MONUSCO, niet uitgeblonken op militair gebied. Onmacht en passiviteit waren de belangrijkste trefwoorden om de acties van de VN in Congo te kenschetsen’, schrijft het blog Afrikarabia. In 2013 kwam er plotseling een einde aan de daadloosheid. De Interventiebrigade van MONUSCO werd in de strijd geworpen tegen de rebellenbeweging M23 in Noord-Kivu. De brigade had een nieuw, offensiever mandaat ontvangen en maakte een einde aan de rebellie van M23, met steun van het Congolese leger.

    ‘De Brigade heeft dus twee vliegen in één klap geslagen: M23 werd militair verslagen, en de blauwhelmen en het reguliere leger hebben weer een lichte schijn van geloofwaardigheid gekregen’, concludeert Afrikarabia.
    Seksueel geweld tijdens VN-missie

    Het hoofd van de VN-missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek heeft begin augustus op verzoek van de secretaris-generaal zijn functie neergelegd, na de zoveelste beschuldiging tegen de blauwhelmen onder zijn bevel van seksueel geweld. In de Keniaanse krant The Daily Nation schrijft de vrouwelijke commentator Rasna Warah: ‘De VN, die geen enkele tolerantie zegt te hebben voor seksueel geweld begaan door blauwhelmen, is niet in staat gebleken het kwaad in te dammen en is nog minder bereid de schuldigen voor de rechter te brengen. Erger nog: degenen die het misbruik hebben gemeld, zoals Anders Kompass [lid van de VN-missie die de zaak aan het daglicht bracht] zijn van hun functie ontheven.’

    Als volgens Warah ‘de VN de daders niet kan vervolgen, kan de organisatie op zijn minst landen waaruit de betrokken soldaten afkomstig zijn weigeren om aan toekomstige vredesmissies deel te nemen’.

    Geen geld voor vluchtelingen

    Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) heeft een geldtekort. De organisatie heeft dit jaar 4,5 miljard dollar nodig, maar tot op heden is daar nog geen 40 procent van binnen. Bij gebrek aan middelen heeft het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) de rantsoenen voor de Syrische vluchtelingen al moeten inkrimpen. ‘Instellingen voor humanitaire hulp van de VN staan aan de rand van een faillissement,’ meldt The Guardian, die dat heeft vernomen van António Guterres, de hoge commissaris. In 2015 moet hij al met 10 procent minder toekomen dan het jaar ervoor, terwijl de nood nooit zo hoog is geweest.

  • Waarom de VN Syrië niet kan redden

    Waarom de VN Syrië niet kan redden

    De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.

    In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.

    De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.

    Maar zijn twijfel had ook politieke 
redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde 
diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet 
in geslaagd om een einde te maken 
aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.

    Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het 
spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.

    Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit

    Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van
 de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van 
wereldmachten als Rusland, China 
en de VS. (Omdat geen enkel land in 
de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)

    Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. 
Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.

    De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.

    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters
    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters

    Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. 
‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’

    Een van de grootste problemen van 
De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.

    Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’


    Vriendjespolitiek

    De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt 
de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. 
De opkomst van IS heeft de situatie 
nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.

    Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een 
pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed 
luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.

    Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.

    Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het 
geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.

    De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen 
je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’

    Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan 
ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.

    ‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’

    Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty

    Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de 
bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.

    Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.

    Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan 
ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde 
– al wist hij natuurlijk ook wel dat 
verklaringen alleen weinig uitrichten.

    ‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’


    Genève I en II

    Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.

    Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden 
beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.

    In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.

    Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na 
te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering 
gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle 
partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
    Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in 
Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.

    Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van 
Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in 
Genève heeft gevoerd, waren deels 
bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.


    Lokale gevechtspauzes

    In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. 
Ooit was Aleppo de trots van Syrië, 
een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.

    Maar toen de oorlog uitbrak werd 
Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.

    In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens 
de sleutel naar vrede kon zijn. Een 
bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.

    Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, 
en de stad was zowel doelwit van IS 
als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.

    En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.

    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis
    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis

    Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.

    Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden 
vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.

    Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden 
geworsteld. ‘De oppositie wilde niet 
dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’

    In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. 
De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’

    Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet 
tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.

    Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.

    Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.

    Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.

    Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. 
‘We moeten wel met ze samenwerken.’

    De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.


    Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie

    Geen formule

    Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op 
te houden met bloedvergieten.

    Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave 
te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak 
wist te forceren.

    De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ 
zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar 
dingen vóór op De Mistura, niet in 
de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het 
is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.

    Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het 
zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’

    Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.

    Janine di Giovanni

    (Foto boven: De Veiligheidsraad van de VN in New York. © Cem Ozdel / Getty)

  • De uitputtende odyssee

    De uitputtende odyssee

    Ze stromen bij duizenden Europa binnen, van alles beroofd, behalve van hun onmisbare smartphone. De weg om het Duitse ‘Beloofde Land’ te bereiken is lang en vol obstakels.

    Op het station van Gevgelija in Macedonië hangt een wirwar van verlengsnoeren uit een raam die zich zigzaggend een weg banen naar een tafeltje op het perron. Alle stopcontacten worden in beslag genomen door opladers. De vluchtelingen betalen een euro om de batterij van hun mobieltje te mogen opladen. En zonder dat mobieltje kunnen ze niet. Communicatie is van levensbelang: waar zijn familie en vrienden, wanneer en waar is de afspraak met de mensensmokkelaars, wie kan geld sturen? Sommige kwaadwillenden vragen zich af hoe 
die ‘zogenaamde vluchtelingen’ aan smartphones, spijkerbroeken en merktennisschoenen komen. Om echte vluchtelingen te lijken, hadden ze tienduizenden kilometers op hun blote voeten moeten afleggen en in lompen moeten arriveren met hun geiten.

    Begin september. Een groep migranten is er ondanks de grensversperring in geslaagd vanuit Servië Hongarije te bereiken, en rust zo goed en zo kwaad als het gaat uit in het grensdorp Roszke. – © Pierre Crom / Getty Images
    Begin september. Een groep migranten is er ondanks de grensversperring in geslaagd vanuit Servië Hongarije te bereiken, en rust zo goed en zo kwaad als het gaat uit in het grensdorp Roszke. – © Pierre Crom / Getty Images

    In Macedonië

    Ze zijn te voet in Macedonië gearriveerd vanuit het Griekse dorpje Idomeni. De twee grensposten worden door hooguit drie kilometer gescheiden. De migranten zeggen geen Griekse grenswachters te hebben gezien en de Macedoniërs gebaarden alleen maar dat ze konden doorlopen. Af en toe krijgen ze het 
verzoek enkele uren te wachten omdat het station van Gevgelija overvol is. 
Het recente machtsvertoon van de Macedonische politie tegenover de migranten was alleen maar een ijdele poging om de toestroom te vertragen. Ze dwalen met duizenden door het 
station en de aangrenzende straten. 
Ze slapen op de perrons of in het 
naburige park.

    Voordat de Macedonische politie 
de grens voor korte tijd blokkeerde, arriveerden er tweeduizend vluchtelingen per dag op het station van 
Gevgelija. Maar er zijn te weinig treinen om hen naar Servië te vervoeren: behalve een internationale trein, van Thessaloniki naar Belgrado, zijn er een stuk of drie plaatselijke treinen zonder vaste dienstregeling. Je weet nooit hoe laat ze aankomen, en óf ze wel aankomen. Eenmaal op het perron blijven de deuren op slot en mogen reguliere reizigers eerst instappen voordat de treinen bestormd worden door vluchtelingen. Na enkele gewelddadige vechtpartijen om een plekje in de treinen 
te bemachtigen, is besloten voorrang 
te geven aan families met kleine 
kinderen. Zo heeft men enige orde in de algehele chaos weten te scheppen.

    © Pierre Crom / Getty Images
    © Pierre Crom / Getty Images

    Bovenleiding

    Artsen bezoeken het station eenmaal per dag. Er is me verteld dat vijf vrouwen de afgelopen week een miskraam 
hebben gehad. Dat komt in geen 
enkele statistiek voor. Ik hoor dat twee mensen op het dak van een wagon 
zijn geklommen met de bedoeling 
hun mobieltje aan een bovenleiding 
op te laden. Ze zijn voor tachtig procent verbrand, maar hebben het overleefd. De meest voorkomende verwondingen zijn het gevolg van knokpartijen in de rij voor de politiegrenspost. Daar wachten de immigranten op een document dat bevestigt dat ze in Macedonië zijn aangekomen en dat ze 72 uur hebben om een asielaanvraag te doen. Met andere woorden, ze hebben drie dagen om er stiekem vandoor te gaan naar Servië.

    Het document machtigt hen om alle vormen van openbaar vervoer te gebruiken. Sommigen wachten enkele dagen op het papier. De mensen hergroeperen zich op basis van etniciteit, schreeuwen, duwen elkaar opzij, dreigen, schelden elkaar uit. ‘Het ergst zijn de Pakistani’s,’ vertrouwt een Syrische Koerd me toe.

    Zo haalt Gevgelija overal ter wereld de voorpagina’s. De burgemeester van het stadje, Ivan Frangov, is er niet blij mee. Tot dan toe ontving men er alleen maar welgestelde toeristen die in de tien casino’s kwamen gokken. Frangov 
vertelt over het veiligheidsrisico voor Macedonië, over de Grieken die het probleem naar het noorden exporteren, de burgers die de straat niet meer op durven. ‘Ik heb met de vluchtelingen te doen, maar dat wil nog niet zeggen dat ons land het slachtoffer van de situatie moet worden.’

    Maar het zakeninstinct heeft de inwoners van Gevgelija niet verlaten. Op het perron hebben ze geïmproviseerde kraampjes gezet om bananen, popcorn, chips en flessen water te verkopen, 
drie keer zo duur als in de winkels tweehonderd meter verderop. Ook de taxichauffeurs profiteren ervan. Angel Stojankov legt uit dat ze de migranten niet oplichten, ze hanteren gewoon de tarieven die de taximeter aangeeft, 
100 euro voor vier passagiers tot aan 
de Servische grens. ‘We brengen ze tot de officiële doorgangspost, daarna gaan ze verder via landweggetjes.’

    Van Macedonië naar Servië. Of je nu een taxi, trein of bus neemt, alle wegen leiden naar Tabanovce, het laatste Macedonische dorp voor de Servische grens. De UNHCR heeft er een kamp ingericht, wat schuilplaatsen om de aangekomenen tegen zon en regen te beschermen. Niemand belet de immigranten overigens om door te reizen. Zaman, een Marokkaan, arriveert met een grote rugzak en vervolgt meteen zijn weg richting Servië.

    De transportbedrijven doen goede zaken

    Belgrado

    Om de grens over te komen, moet je gewoon geduld hebben. De Macedonische politie is nergens te bekennen, aan Servische zijde zijn maar vier agenten. Zij moeten de toestroom naar Servië doseren zodat de druk op Presevo, de Servische stad waar zich het eerste opvangkamp voor vluchtelingen bevindt, niet te hoog wordt.

    We stoppen op een parkeerplaats langs de snelweg. Daar pauzeert een bus, afgeladen met vluchtelingen. De chauffeur laat me een brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken zien waarin transportbedrijven wordt verzocht speciale busdiensten te 
openen tussen het opvangcentrum 
in Presevo en Belgrado. Ze hebben positief op het verzoek gereageerd. De prijs van een kaartje is niet omhooggegaan, 16.000 dinar [14 euro], en de bussen zijn vol. De chauffeur heeft alle passagiers op een lijst gezet, dus alles gaat volgens de regels. Ze beschikken allemaal over een Servisch document dat hun drie dagen geeft om hun asielaanvraag in te dienen. Maar niemand is van plan om van dit recht gebruik 
te maken. Ze willen maar één ding: naar Hongarije.

    Belgrado is de enige grote stad waar 
de migranten enige tijd rust houden tijdens hun Balkanreis. Het park tussen de twee busstations en een park tegenover de economische faculteit worden geheel in beslag genomen door tenten, dekzeilen en wasgoed dat te drogen hangt aan lijnen die tussen de bomen zijn gespannen. De migranten slapen onder de blote hemel, behalve als het regent. In dat geval schuilen ze in een naburige garage, waar ze tussen de auto’s slapen. De vluchtelingen weigeren met de Duitse media te praten uit vrees dat dat tegen hen wordt gebruikt op het moment dat ze asiel zullen aanvragen. ‘In Irak zijn er grote problemen met IS. Als die je te pakken krijgen, hakken ze je hoofd eraf. 
Daarom wil ik naar Duitsland,’ legt de 17-jarige Ahmad uit.

    De jeugdherbergen in de wijk zijn vol. Een plaatselijk eettentje maakt reclame voor hamburgers en ‘cevapcici’ [traditionele gehaktrolletjes], allemaal halal. De mensen passen zich aan aan de vraag van het moment. Maar de prijzen zijn niet overeenkomstig de situatie. Enkele meters verderop kun je dezelfde hamburgers kopen voor drie keer zo weinig. De zaken gaan bijzonder goed, er worden verkoopsters geworven. 
Ook de transportbedrijven doen goede zaken: er is een dozijn extra busdiensten geopend naar Subotica en Kanjiza, 
de kaartjes worden lang van tevoren verkocht.

    Dat is de kant die Mehdi op wil. Hij is Iraniër en verklaart dat hij atheïstisch is, wat problemen geeft in de sjiitische republiek. Hij heeft net een glas vruchtensap gedronken op de binnenplaats van de club Mixer, een populaire plek voor alternatieve cultuur. ’s Zomers wordt de binnenplaats van Mixer omgetoverd tot een liefdadigheidsbazaar. Er worden tafels vol kleren neergezet. De inwoners van Belgrado dragen hun steentje bij, meer dan noodzakelijk. ‘Er komen artsen om de vluchtelingen te onderzoeken,’ vertelt een vrijwilliger die helpt bij de verdeling van kleren, water en eten. Een grootmoeder heeft brood, paté en koekjes gebracht.


    Wat zal hij doen als de muur klaar is? ‘Dan spring ik eroverheen’

    Richting Hongarije

    Boven het dorp Backi Vinogradi geeft een hoge paal met thermische camera’s aan dat we bij de Hongaarse grens komen. Een enorme militaire truck rijdt langzaam de grens langs. Via 
versterkers klinkt Money, Money, Money, de beroemde hit van Abba. De soldaten die de afrastering moeten aanbrengen, maken grappen. Twee grote rollen prikkeldraad liggen klaar om geplaatst te worden, de bouw van de muur nadert zijn voltooiing [op 29 augustus was het zover].

    Een soldaat vraagt ons wat we komen doen. ‘Wilt u foto’s maken? Geen probleem.’ Hij legt ons beleefd uit dat de migranten hier de grens niet over komen. Denkt hij nou echt dat drie meter prikkeldraad mensen zal 
tegenhouden die niet meer naar huis kunnen? ‘Dat hopen we. Ons doel is 
om ze naar de officiële grensposten te dirigeren,’ zegt hij. Maar daar komen ze Hongarije niet in.

    © Pierre Crom / Getty Images
    © Pierre Crom / Getty Images

    Prikkeldraad

    Twintig kilometer meer naar het zuidwesten, in een verlaten steenbakkerij in de buurt van Subotica, treffen we de 27-jarige Milad. Over het afsluiten van de Hongaarse grens met prikkeldraad maakt hij zich niet al te veel zorgen. Wat hem meer zorgen baart, is dat 
‘de Pakistani’ hem niet belt. Dat is zijn smokkelaar. ‘Hij koopt politiemensen om,’ zegt Milad. De genoemde Pakistani slaagt er kennelijk in om dagelijks een twintigtal mensen van de steenbakkerij naar Duitsland te krijgen. Zijn diensten kosten Milad en diens familie 4.500 euro. Wie geen geld heeft, zal voor een andere optie moeten kiezen. Voor enkele tientallen euro’s brengen de smokkelaars hen naar plekken waar de grens makkelijker te passeren lijkt en laten hen vervolgens aan hun lot over.

    Tijdens ons bezoek aan de verlaten steenbakkerij waren er niet veel migranten. Binnen blijkt uit de overvloedige Arabische graffiti dat er daar duizenden mensen zijn gepasseerd.
‘En niemand heeft me gedood,’ grapt Tibor Varga, de breedgeschouderde dominee in camouflagebroek. Hij bezoekt de steenbakkerij al vier jaar, sinds de ‘Arabische lente’. Tibor brengt brood, eieren, tandpasta… Volgens hem is het hek van prikkeldraad een steeds terugkerend gespreksonderwerp bij 
de vluchtelingen, maar ze beschouwen het maar zelden als een onoverkomelijk obstakel. ‘Ze hebben wel andere problemen, die veel erger zijn dan een paar meter prikkeldraad,’ besluit hij.

    Dat doet me denken aan een jonge Syrische arts die ik in Gevgelija heb ontmoet. Toen hij al enkele maanden onderweg was, hoorde hij over de ‘Hongaarse muur’. Hij heeft geen geld om smokkelaars te betalen. Wat zal hij doen als de muur klaar is? ‘Dan spring ik eroverheen, ik knip hem stuk, ik zal alles doen om erdoorheen te komen,’ zegt hij. En trouwens, de kniptangen gaan als warme broodjes over de toonbank in de ijzerwinkels van Subotica.

    Nemanja Rujevic

  • Mijn geliefde vijand

    Mijn geliefde vijand

    Sinds de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 wonen honderdduizend Irakezen in de Verenigde Staten. In de webdocumentaire My beloved enemy van Claire Jeantet en Fabrice Catérini vertellen de vluchtelingen vanuit Detroit, Boston en Las Vegas over hun gedwongen vertrek en hun nieuwe leven in de Verenigde Staten.

    (_My beloved enemy _is geoptimaliseerd voor de browser Google Chrome.)