Tag: vluchtelingen

  • Syriër in het koude Noorden

    Syriër in het koude Noorden

    De Syrische schrijver en journalist Odai Al Zoubi vluchtte in 2015 via Istanboel naar Denemarken. In dit verslag vertelt hij hoe het hem vergaat in Scandinavië.

    ‘Het Noorden is een beproeving, een oord van verveling.’ – Salim Barakat, Syrisch-Koerdische dichter (tegenwoordig gevestigd in Zweden)

    Ik ben begin 2015 in Istanboel aangekomen en er aan het eind van dat jaar weer weggegaan. Ik had niet bewust gekozen om me daar te vestigen en ook niet om er weg te gaan. Het was de wil van het lot, waarop wij geen enkele greep hebben.

    We staan bij het consulaat van Denemarken in Istanboel: Irakezen, Syriërs, Arabieren en Koerden. Er zijn hier geen Turken, die vragen hun visum aan via internet. De Irakezen vertellen me over hun vrees voor Syrië, hun liefde voor Homs en Damascus. In dit rustige gesprek is de soenniet die zich verzet tegen de sjiitische milities makkelijk te onderscheiden van de sjiiet die boos is op Islamitische Staat. De slecht Arabisch sprekende Syrische Koerden in het consulaat wachten op toestemming voor gezinshereniging.

    Een oude vrouw met een hoofddoek bidt tot God en roept daarmee nog meer verwensingen op. Een meisje van acht klampt zich aan haar vast, terwijl een nog jonger jongetje achter zijn moeder aan gaat die voor het loket van een Deense employé staat te wachten. De oma zegt tegen mij dat ze uit Ayn Tarma [een voorstad van Damascus] komt en vertelt me haar verhaal: ‘Mijn oudste dochter verzoekt om gezinshereniging zodat ze naar haar man in Denemarken kan gaan.’ Als haar dochter weggaat, zal de oma hier helemaal alleen wegkwijnen; gaat ze niet, dan zullen ze hier samen met de twee kinderen wegkwijnen. ‘Mijn enige zoon is zestien jaar en hij wil ook vertrekken. Ik wil het beste voor hem, maar wat moet ik doen als hij weggaat? Uit bedelen gaan? Zou jij dat voor je moeder willen?’ Ze richt zich niet echt tot mij, en verwacht ook geen antwoord. Ze smeekt God om haar terug te brengen naar het dorp waar ze vandaan komt: ‘In Ayn Tarma heb je alles wat je wilt, niemand heeft daar honger en de mensen houden van elkaar.’

    De dochter probeert haar zoontje over te halen om weer bij zijn oma te gaan staan. ‘Anders geven de Denen ons de papieren niet, wees stil, houd je mond nu. De Denen zijn niet zo lawaaiig als wij… Dit is al de vijfde keer dat we hier zijn, we wachten al twee jaar op die papieren, hopelijk lukt het deze keer.’ De Deense medewerker wenkt de moeder naar het loket en geeft haar de papieren. ‘Mabroek!’ [‘Gefeliciteerd!’] De vrouw barst in tranen uit. Haar twee kinderen volgen haar voorbeeld. Iedereen om hen heen feliciteert de vrouw, ook de Koerden in hun gebrekkige Arabisch en de Irakezen die geroerd zijn door dit tomeloze verdriet.

    Het kleine meisje fluistert: ‘Mama, ik wil niet naar Denemarken, ze zeggen dat het daar heel erg koud is.’ De moeder drukt haar huilend tegen zich aan: ‘De hele wereld is ijskoud.’

    Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: “In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?”

    Ik probeer uit te zoeken wat ik mee wil nemen in mijn derde ballingschap en ik vind: een aantekenboekje over mijn lezingen van tien jaar geleden, een oude, stoffige koffer die niet open is geweest sinds ik in Istanboel ben aangekomen, souvenirs uit Londen en Norwich, rekeningen voor mijn Engelse mobiele telefoon waar ik niets meer aan heb, tijdelijke arbeidscontracten bij een verre universiteit, officiële papieren en loonstrookjes, belastingoverzichten, verlopen visumaanvragen, tweehonderd Syrische ponden in biljetten en dirhams van de Emiraten, kaartjes van vrienden in Engeland, een verlopen paspoort dat ik niet durf weg te gooien uit angst dat een buitenlandse instantie me er om veiligheidsredenen naar zal vragen, een kruisje dat ik uit een Armeense kerk heb gestolen tijdens een verrassingsbezoek, verschillende dvd’s met films (Buñuel, Sofia Coppola), te krappe truien die ik van het ene continent naar het andere meesleep in de hoop dat ze ooit nog om mijn buik zullen passen die sinds mijn dertigste steeds dikker wordt, de laatste dichtbundel van Mahmoud Darwish [Palestijnse dichter, 1942-2008], en een van Al-Mutanabbi [Arabische dichter uit de tiende eeuw, bekend om zijn omzwervingen], een bloemlezing van gedichten van Borges, mijn master- en doctoraaldiploma, een paar basketbalschoenen die nog vrijwel nieuw zijn, al heb ik ze meer dan vijf jaar geleden gekocht, en het gevoel van een ballingschap die permanent wordt.

    Ik heb geen enkele foto bij me, zelfs niet op mijn computer of op mijn telefoon. Ik houd er niet van om rond te zeulen met herinneringen aan een verleden dat geen band heeft met het heden. Wie heeft behoefde aan foto’s als de herinneringen in het geheugen gegrift staan?

    Op het vliegveld van Kopenhagen loop ik ineens tussen mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen. Een beetje schutterig loop ik door, de kleine dichter met het gitzwarte haar en de gedrongen gestalte. Een aankondiging waarschuwt dat mensen met een Syrische of Somalische nationaliteit geen toeristenvisum kunnen krijgen, wat ook de reden is voor hun aanvraag. Alleen gezinshereniging is mogelijk, onder financiële en administratieve voorwaarden die even draconisch zijn als vernederend. Racisme is in Denemarken niet langer verborgen, het is nu even zichtbaar als dat van de Syriërs tegenover de Somaliërs. Mijn landgenoten vragen zich verbijsterd af: ‘Echt? Somaliërs en wij? Dat is idioot. Wij zijn beschaafd, goed opgeleid, wij zijn ambachtslieden en ondernemers… niet zoals die zwarte Afrikanen.’ Zelfs onze jarenlange oorlog heeft ons niet van onze fouten genezen.

    Staand voor de medewerker van de immigratiedienst bereid ik me voor op het zoveelste verhoor over mijn relatie met Islamitische Staat en andere vreemde vragen over mijn verleden en mijn toekomst, zoals op elke luchthaven waar ik mijn verdoemde Syrische paspoort liet zien. ‘Welkom in Denemarken, uw tweede vaderland. Ik wens u een prettig verblijf.’

    Ik geloof mijn oren niet: ‘Moet ik soms ergens anders heen waar ze me willen ondervragen?’ ‘Nee hoor. We moeten ons alleen wel verontschuldigen voor het slechte weer. Ik hoop dat u daartegen kunt.’

    Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images
    Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images

    Ik ben niet gewend aan dit klimaat. Hier in dit koude Noorden kampen de mensen voortdurend met depressies, een diepe narigheid die tot in de haarvaten van hun vermoeide geest trekt. In de winter lopen ze door de straten als witte spoken bedekt met menselijk vlees dat huivert van eenzaamheid. Ze hebben haast om thuis of op hun werk te komen en laten de straten leeg achter, als mooie ruïnes, schoon en geordend. Op de weinige warme dagen vertonen ze zich in de zon, als primitieve wezens die bij de eerste zonnestralen naar buiten komen. Hun zwijgzame stemming wordt jovialer en zuidelijker. Dan glimlachen en lachen ze zoals wij, de kinderen van het warme zuiden. Ze trekken hun kleren uit en gaan in de openbare parken liggen.

    Volgens de officiële documenten van de Deense overheid ben ik nu ‘immigrant’. Twee weken na mijn aankomst heb ik een afspraak met de medewerkster die mij de komende jaren onder haar hoede heeft en mijn ‘integratie’ in de Deense samenleving zal begeleiden. Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: ‘In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?’

    Zittend achter haar computer houdt de medewerkster officiële papieren in drie talen in haar handen: Arabisch, Engels en Deens. Ik ga tegenover haar zitten, gewapend met maar één document dat geen waarde heeft maar voor mij belangrijk is: mijn verdoemde paspoort. De bijeenkomst begint met het officieel voorlezen van mijn rechten en plichten. De administratieve papierwinkel heeft me altijd afgeschrikt. Het doet me denken aan de vernederingen in Syrië, elke keer als wij ons wilden inschrijven bij de universiteit, bij de vakbond of zelfs voor het registreren van een auto. Ik buig mijn hoofd en neem de domme houding van de vluchteling aan.

    De woordenstroom stokt: ‘Luistert u wel?’

    ‘Natuurlijk,’ antwoord ik.

    Even blijft het stil. ‘Heeft u psychische problemen?’

    Een stemmetje in mij weerstaat de lust om te antwoorden: ‘Tja lieverd, zoals alle Syriërs. Ik heb geen vrienden meer. Die zijn via de ballingschap verspreid geraakt, ik heb ze al in geen vijf jaar meer gezien.’ Ik stel mijn ondervraagster gerust: ‘Nee, nee, geen psychische problemen.’

    Zij pakt haar papieren weer op. ‘Hebt u een lichamelijke of geestelijke handicap waarvan wij moeten afweten?’ Het stemmetje binnenin mij fluistert: ‘Ja, ik durf het huis niet uit. Ik kan er niet tegen als iemand me vragen stelt over Syrië. Europeanen stellen ons vragen over Syrië alsof het over een Hollywood- of Bollywoodfilm gaat. Die blik, waarmee ze dan “O” zeggen en het gebaar waarmee ze vervolgens hun hand op onze schouder leggen, als uit medeleven.’

    Hardop: ‘Nee, alles is normaal.’

    ‘Kunt u terug naar Syrië?’

    ‘Dat weet ik niet. Als Turkije de grens openstelt, zou ik naar de noordelijke gebieden kunnen, die worden beheerst door de oppositie. Ik denk niet dat ik naar de gebieden kan gaan waar het regime de baas is. Maar er is geen formele aanklacht tegen mij.’

    Weer stilte. Voor me op het bureau liggen foldertjes, bedoeld voor vrouwen, in het Turks, Pasjtoe, Farsi, Arabisch en Urdu: ‘Als uw echtgenoot, uw broer of een ander familielid u slaat of verbaal mishandelt, kunt u contact met ons opnemen en dan kunnen wij u beschermen.’ Ik pak er een en laat het in mijn zak glijden.

    De vrouw glimlacht. ‘Laten we het over uw integratie hebben.’ Inwendig overweeg ik te antwoorden: ‘Ik zal u eens heel simpel uitleggen hoe het zit: de Syriër kan nergens integreren zolang zijn land in brand staat. Dat is logisch, mevrouw. Onze families, onze vrienden, onze straten, onze herinneringen, onze toekomst, onze muziek, onze godsdienst, ons land, onze grenzen, onze bedrijven, onze tradities, onze dialecten, onze literatuur, onze overtuigingen, de stem van onze voorouders, hun foto’s en hun graven, alles op de wereld dat belangrijk voor ons is, verdwijnt alsof het nooit heeft bestaan. Zelfs te midden van de mensen voelen wij ons alleen. Laat ons in deze oorlogsjaren met rust. We willen niet integreren en zelfs al zouden we het willen, we kunnen het niet.’ Ik antwoord uiteindelijk: ‘Ja, natuurlijk, dat is belangrijk.’

    ‘Hebt u problemen met aanpassen aan de Deense samenleving?’

    ‘Ik geloof het niet.’

    ‘Weet u dat zeker? Er bestaan verscheidene programma’s om de integratie makkelijker te maken en ik zou graag willen dat u daar eens naar kijkt.’

    Ze geeft me wat folders, die ik een beetje vermoeid doorblader. Vrijwilligers die je de stad willen laten zien, andere vrijwilligers die je Deens kunnen leren. Er worden bijeenkomsten georganiseerd over Denemarken, over de cultuur van het land, de keuken. Er zijn gesprekken voor psychologische ondersteuning…

    Deense waarden

    ‘Goed, laten we het dan nu over de komende vijf jaar hebben.’

    Ik, in mezelf: ‘Mijn lieve dame, laten we het van dag tot dag bekijken. Ik zit voor twee jaar goed met mijn visum, daarna zien we wel weer verder.’ Zij vraagt me of ik het contract dat de overheid me heeft voorgelegd wel heb gelezen. Dat ben ik kwijtgeraakt, maar ik antwoord bevestigend en zeg dat ik al het heb getekend.

    Zij weer: ‘Zolang u hier bent, mag u uw vrouw, uw kinderen of iemand anders niet slaan.’

    Ik, in mezelf: ‘En mag ik dat buiten Denemarken dan wel?’

    Zij: ‘Dat hoort bij onze waarden in Denemarken.’

    Ik, weer inwendig: ‘Ik zou wel eens willen weten wat de Deense waarden onderscheidt van de Zweedse of de Europese. Zijn dat niet dezelfde als die van de Arabieren en de islamieten die in Syrië wonen? Waarden kun je niet vastleggen in een contract dat je afsluit met een denkbeeldig wezen dat “de staat” heet.’

    Zij: ‘U verplicht zich om respect te hebben voor minderheden en alle verschillen…’

    Ik, in mezelf: ‘Hoe zit het dan met de Deens volkspartij [de Dansk Folkeparti], een extreemrechtse club die bij de parlementsverkiezingen van 2015 de tweede partij van het land is geworden? Die wil uit het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens stappen en de doodstraf weer invoeren. De groep heeft het openlijk over het inperken en onderdrukken van moslims. Deelt u die waarden?’ Dan hardop: ‘Natuurlijk zal ik de Deense waarden respecteren.’

    Hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés

    De Koerdisch-Syrische dichter Salim Barakat woont ver van alles vandaan in Zweden, waar hij zich in 1999 heeft gevestigd. Ik heb overwogen om contact met hem op te nemen en er daarna weer van afgezien. Ik denk aan zijn vreemde lot. Een Arabischtalige Koerd in een ver land. Hij schrijft nog steeds. Wie zijn lezers zijn hangt af van het onderwerp waar hij het over heeft. Sommigen bewonderen zijn totale en volmaakte beheersing van het strikt letterlijke Arabisch, terwijl anderen vinden dat zijn taal absurd is en leeg, een doel op zichzelf geworden. Toch drukt de man er een heel herkenbaar stempel op zowel voor het oog als voor het oor.

    De relatie met de taal is een zwakke plek van alle Arabieren die racistische mythen over de superioriteit van hun taal herhalen. Die mythe is terug te voeren op de religieuze oorsprong van het Arabisch en de tijd van de grote veroveringen. De taal van de Koran is gewapenderhand en via bekeringen opgedrongen aan volken en staten. Op dezelfde manier bestaan in het Westen racistische legendes over de superioriteit van de westerse talen ten opzichte van die van het Oosten. Het koloniale verleden blijft leven in de denkbeelden van het volk en van de academische wereld, die van het Oosten een gebied maken dat onderontwikkeld en anders is, en waarvan de taal nooit de vrije gedachte zal kunnen uitdrukken. Toch zijn volgens de moderne linguïstiek alle talen gelijk in hun vermogen om ideeën en gevoelens te formuleren, de voortgang van de moderne wetenschap te begrijpen en een gemeenschappelijke mystiek van alle volken uit te drukken. Geen taal is beter, preciezer, mooier, poëtischer, vrijer, opener of geslotener dan een andere.

    Ik hou van het Arabisch, niet omdat het een superieure taal is, maar omdat het mijn taal is. Net als Salim Barakat wil ik in geen andere taal schrijven. Maar hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés. In ieder geval is het onmogelijk om in een land werk te vinden zonder de taal van dat land machtig te zijn. Het Deens is dus mijn toekomst. Een taal die onmogelijk is om uit te spreken, want hij mist de gutturale klanken waar mijn keel naar staat. Ik denk aan het lot van de ballingen die hun taal naar elders hebben gebracht: Nabokov, Cortázar, Ibsen, Marx of Bakoenin. Wat hebben zij met hun oorspronkelijke taal gedaan na tientallen jaren ballingschap?

    De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images
    De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images

    Ik fiets door de straten van de hoofdstad, met een waterdicht pak over mijn gewone kleren, net als de Europeanen. Kopenhagen heeft nooit oorlog of bezetting gekend, behalve die van de Duitse Führer. De stad heeft zich aan Hitler overgegeven om verwoesting te voorkomen, net als Parijs. Het centrum is rustig en veilig. Dit is de stad met het grootste percentage vrouwen in het politieke en economische leven, de beste sociale programma’s en het kleinste verschil tussen rijk en arm ter wereld. Hoe kun je níét van dit koude noordelijke landje houden?

    Ik ga in de bibliotheek zitten om _Woorden van dag en avond _van Naguib Mahfouz te lezen [Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur; dit boek is niet vertaald]. Het is onmogelijk om niet de bezorgde blikken te zien van mensen die mij, met mijn dikke zwarte baard, iets in het Arabisch zien lezen. Vanuit de verte word ik in de gaten gehouden door gewapende mannen. De bibliotheek kijkt uit op de enige synagoge in Kopenhagen. Twee jaar geleden heeft een Deen van Palestijnse afkomst, die geboren was in Kopenhagen en betrokken bij drugshandel, joden aangevallen bij de ingang van de synagoge, roepend dat hij dat deed uit naam van Palestina en de islam. Er vielen doden en gewonden. Sindsdien wordt de synagoge bewaakt.

    Dit land is lange tijd homogeen geweest. Joden kwamen er pas laat naartoe. Vervolgens heeft de overheid na de Tweede Wereldoorlog Turken en Pakistanen binnengehaald om het zware werk te doen. De Palestijnen zijn gekomen tijdens de oorlogen in Libanon [1975-1990]. Zij werden in de jaren negentig gevolgd door Somaliërs en Eritreërs, tegelijk met Oost-Europeanen na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. In diezelfde periode zijn ook de Koerden gekomen, op de vlucht voor de woede van het Turkse leger; vervolgens kwamen de Irakezen, Arabieren en Koerden die verjaagd waren door de oorlog tussen Irak en Iran en daarna door de Amerikaanse interventie. Nu zijn het de Syriërs.

    Ik kijk naar de joden met hun keppeltje. Glimlachende oude mannen die langzaam bewegen, kuis geklede vrouwen, die sterk contrasteren met de alomtegenwoordige naaktheid in dit land, verlegen jongeren die achter hun familieleden aanlopen. Niemand in deze stad lijkt zo sterk op ons als deze praktiserende joden.

    Ik ga naar buiten en loop door de straten. Geen gewapende wachters bij het parlementsgebouw. Een vredesactiviste staat hier elke dag te demonstreren tegen de regering. Ze roept leuzen tegen Amerika en voor Assad. Ik vraag haar wat ze van de chemische wapens vindt die de Syrische president volgens een rapport van de VN in het opstandige noorden van het land heeft ingezet. Ze antwoordt dat dat allemaal leugens zijn van voorstanders van Amerika en Israël. Ik loop door, verdwaald in een stad die ik nog slecht ken.

    Tranen

    In een smal straatje speelt een Egyptenaar met zijn zoon, die danst op een wijsje van Amr Diab [bekende zanger in Egypte]. Dan zet het kind het op een lopen en roept iets in het Deens, tot grote wanhoop van zijn vader: hij wil geen Arabische liedjes horen. Ik probeer vergeefs mijn tranen in te houden. Ik huil zonder reden. Mijn vrienden en geliefden zeggen dat ze voortdurend huilen. Degenen die naar Damascus gaan, huilen bij elk bezoek, zowel bij aankomst als bij vertrek. Degenen die er niet heen gaan, krijgen om het minste of geringste tranen in hun ogen, behalve om zichzelf. Wat moet je doen in een land waar Amr Diab ons aan het huilen brengt?

    Overal rijden fietsers, er hangt een gigantische poster van de Deense volkspartij met een foto van blonde en blanke Denen. Eenvormiger dan de inwoners van de hoofdstad, vertegenwoordigen zij de campagnes met een duidelijke boodschap: wij zijn de Deense familie. Onder een laagje beschaving borrelen de ergste vormen van fascisme en fanatisme. De leden van deze beweging willen dat de grenzen gesloten worden, dat vluchtelingen worden uitgezet en dat ook de islamitische immigranten het land uit worden gestuurd, net als zigeuners, of dat nu Roemenen, Polen of Bulgaren zijn. Ze beweren dat Denemarken al die armen niet kan helpen: waarom zou het land een last moeten dragen die zijn krachten te boven gaat? Iets in dit affiche blokkeert elke poging tot communicatie tussen ons en die Deense familie. De volkspartij blijft maar hameren op de superioriteit van een beschaving die twee eeuwen geleden de wereld heeft veroverd, en zo het lot van volken, landen en individuen heeft verstoord, die daarvan nog altijd niet zijn hersteld. Afrikanen, Indiërs en Inuit werden onderworpen, tot de Denen stuitten op andere Europeanen, de Engelsen.

    Nu verschijnen er partijen die nog extremistischer en gekker zijn dan de volkspartij. Een ongekende angst maakt zich meester van het land. De inwoners herkauwen even stom als nerveus het sprookje van een gelukkig land. Wij zijn superieur en gelukkig. Wij werken acht uur per dag en we houden van ons land. De rest van de wereld begrijpt niet dat wij gelukkig zijn, dat we hart hebben voor het milieu, dat wij goed zijn en open, dat we niets anders willen dat in dit land leven – alleen! Mensen staren zich blind op die zoektocht naar geluk en volmaaktheid. Niets is zo dodelijk voor het geluk als er dag en nacht naar zoeken, zonder de tijd te nemen om ervan te genieten of te denken aan het lot van je ongelukkige broeders, ver van dit ijzige en paradijselijke Noorden.

    Ik kom bij de kerk waar ik vlakbij woon. Aan de muur hangt een reusachtig affiche in regenboogkleuren, symbool van de homoseksuelen. Op een houten bankje daaronder speelt een oude Pakistaan met zijn kleinkinderen. Ergens vandaan klinkt klassieke muziek, Mozart misschien. Tientallen kinderen staan in de rij om met hun leerkrachten de straat over te steken. Het onschuldige lawaai van gelach, geschreeuw, gehuil. Straks zal mijn zoon zich bij die scholieren voegen, zonder vragen te hoeven beantwoorden zoals ik.

    De oude Pakistani tilt zijn kleindochter op en neemt haar op een holletje mee. De schaterlach van het kleine meisje weeft een onzichtbare draad tussen de kou van het Noorden en de warmte van het Zuiden. De blijheid van een kind omspant de hele wereld.

    Auteur: Odai Al Zoubi

    Deze Syrische journalist, schrijver en dichter werd in 1981 geboren in Damascus. Hij is medewerker van een groot aantal publicaties en websites van de Syrische oppositie. Met zijn literaire stijl heeft hij in de Arabische wereld al veel prijzen gewonnen. Hij is ook de auteur van een boek dat in 2016 is verschenen: As-Sam (De stilte, niet in het Nederlands vertaald). Al Zoubi, die in Engeland een doctoraal in de filosofie heeft gehaald aan de Universiteit van East Anglia, woont momenteel in Kopenhagen.

    auteur

    Al-Jumhuriya
    Turkije | aljumhuriya.net

    Al-Jumhuriya (De Republiek) is een website voor onderzoek en discussie die in maart 2012 in Istanboel is opgericht door een groep intellectuele Syrische ballingen, onder wie Yassin al-Haj Saleh, Nayla Mansour en Yassin Swehat. De site publiceert artikelen, enquêtes en wetenschappelijk onderzoek naar de politieke, sociale en culturele transformaties in Syrië en de rest van de Arabische wereld.

  • 360 leest en selecteert

    360 leest en selecteert

    De redactie van 360 attendeert u graag op een aantal buitenlandse non-fictieboeken die in het Nederlands zijn vertaald. De auteurs, goede bekenden van 360, kunt u eerder zijn tegengekomen op de pagina’s van ons magazine. Vandaar. Dankzij een samenwerking met Veen Media kunt deze boeken nu heel eenvoudig bestellen op veenmedia.nl/360magazine.

    francesca borri

    Verslag uit hel Aleppo


    Als freelance-oorlogscorrespondent 
verslaat Francesca Borri maandenlang 
de slag om Aleppo. Collega-freelancers vertrekken naar nieuwe brandhaarden, maar Borri, de enige vrouw ter plaatse, blijft. 
Er is nog genoeg te vertellen over de alledaagse werkelijkheid in de hel van Aleppo.

    Dit dagboek is een beklemmend verslag van haar dagelijks leven aan het front, 
de druk van de concurrentie tussen 
correspondenten en haar positie als vrouw te midden van dit alles.

    Onze vrouw in Aleppo – Francesca Borri
    De Geus € 18,99

    smith swing time

    De nieuwe Zadie Smith

    Zadie Smith (1975) is een van de grootste 
en invloedrijkste schrijfsters van haar generatie. Ze schrijft regelmatig voor The New Yorker en heeft inmiddels een indrukwekkend oeuvre op haar naam staan.

    Gloednieuw is Swing Time, een verhaal over twee meisjes die naar elkaar toetrekken door een vergelijkbare achtergrond, maar uiteindelijk totaal verschillende levens tegemoet gaan. De roman speelt met moderne maatschappelijke thema’s en zal goed vallen bij liefhebbers van Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie.

    Swing Time – Zadie Smith
    Prometheus, Fictie € 19,95

    cheviron en perouse erdogan

    Eerste biografie Erdogan


    De Franse Turkijekenners Nicolas Cheviron en Jean-François Pérouse achterhalen de realiteit van de zeemanszoon die een hoofdrolspeler op het wereldtoneel werd. De auteurs, die al bijna twintig jaar de opkomst van Erdogan volgen, schreven de eerste grote biografie van de man die, met name sinds de mislukte staatsgreep van juli 2016, door de wereld met argusogen wordt bekeken. Het is een helder portret van een ongrijpbaar en omstreden politicus.

    Erdogan. Nieuwe vader van Turkije? – Nicolas Cheviron & Jean-François Pérouse
    Prometheus € 35,00

    bernie sanders

    Unieke politieke carrière 


    In editie 83 besteedde 360 uitgebreid aandacht aan Bernie Sanders, een opmerkelijk politicus die het Hillary Clinton destijds steeds moeilijker maakte in de peilingen voor het kandidaat-presidentschap.

    Zijn hele leven vocht Sanders hard tegen het bestaande politieke etablissement. Hij 
startte een succesvolle politieke beweging 
in zijn thuisstaat Vermont en veroverde een zetel in het Huis van Afgevaardigden. In dit boek geeft hij interessante inzichten in een politieke carrière die in vele opzichten uniek is voor Amerikaanse begrippen.

    Feel the Bern! – Bernie Sanders
    Lebowksi € 19,99

    >> Lees hier het artikel over Bernie Sanders uit editie 83 terug.

    HOE WERKT HET?

    Bestel nu op: veenmedia.nl/360magazine

    Bent u abonnee van 360? Dan betaalt u geen verzendkosten. 
U kunt gebruikmaken van de code die u hebt ontvangen in onze nieuwsbrief.

    Ontvangt u de nieuwsbrief niet, maar bent u wel abonnee? Stuur dan een e-mail naar marketing@360international.nl.

    Bestelt u een boek waarover eerder is geschreven in 360? Stuur een e-mail naar marketing@360international.nl en u ontvangt het betreffende nummer gratis digitaal.

  • Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

    Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

    Hoe kan het dat Canadezen de multiculturele samenleving – in tegenstelling tot de inwoners van veel andere westerse landen – wél als een succes beschouwen? Volgens Jonathan Tepperman, hoofdredacteur van het blad Foreign Affairs en auteur van het boek De oplossing (The Fix), is dat het resultaat van uitgekiend beleid, waarvan wij veel kunnen opsteken.

    Halverwege de vorige eeuw was de wereld in de greep van een ongekende onrust. De verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en de chaos na de dekolonisatie brachten miljoenen mensen op de been, die op zoek gingen naar een veiliger en welvarender thuisland. Hoe graag je je oude leven in de oude wereld ook wilde inruilen voor een beter bestaan in de nieuwe, je dacht waarschijnlijk niet aan Canada – vooral niet als je een kleurtje had. In de oorlogsjaren liet Canada weinig immigranten toe (precies 7500 in 1942) en in de daaropvolgende tien jaar namen de aantallen toe, maar de mensen die werden toegelaten waren opvallend wit. Door het ‘blank Canada’-beleid mochten alleen Europeanen en Amerikanen zich er vestigen, en men vond alle andere mensen een beetje griezelig.

    Tegenwoordig gaat het anders, en op de ochtend van 10 december 2015 was dat goed te zien. Op dat moment woedde er onder politici in de Verenigde Staten en in Europa een heftig debat over de vraag of er meer Syrische vluchtelingen moesten worden opgenomen, en veel landen begonnen hekken te bouwen aan hun grenzen. Maar in Toronto stond Justin Trudeau, de kersverse jonge premier van Canada, in de aankomsthal van het vliegveld winterjassen uit te delen aan de eerste groep van de 25.000 Syrische asielzoekers die de komende maanden naar Canada mochten komen, het dubbele van het aantal dat de VS in het hele jaar zou toelaten. ‘Hier vind je een veilig thuis,’ heette Trudeau hen welkom.

    Trudeaus gebaar mag wat theatraal zijn, het is niet uitzonderlijk voor het huidige Canada. Tegenwoordig hoeven aspirant-immigranten niet lang te aarzelen over Canada. Canada zoekt hen op, vooral als ze jong zijn en hoogopgeleid. De Canadese minister van Immigratie reist de wereld af om te promoten hoe goed het is om in zijn land te leven en werken. De regering maakt zelfs reclame in het buitenland, in 2013 bijvoorbeeld betaalde ze voor een billboard in Silicon Valley, gericht op jonge buitenlandse computernerds die in de VS geen werkvergunning kregen, met de slogan ‘H-1B een probleem? Kom naar Canada.’ Met andere woorden: waar je ook vandaan komt, de Canadese regering zit op je te wachten.

    Nieuwkomers

    De burgers ook. Canada heeft nu een van de hoogste aantallen immigranten per hoofd van de bevolking, ruim het dubbele van de Verenigde Staten. In de afgelopen twintig jaar werden er jaarlijks ongeveer 250.000 nieuwkomers toegelaten, bijna 1 procent van de bevolking, en de overheid gaat ervan uit dat de jaarlijkse instroom in 2018 337.000 personen zal bedragen. Al meer dan 20 procent van de Canadese bevolking is elders geboren – wederom twee keer zoveel als in de VS, zelfs als je de illegale inwoners meerekent – en de verwachting is dat dit in 2031 zal zijn opgelopen tot een kwart van de bevolking. De laatste jaren waren de Filipijnen, China en India de top drie van herkomstlanden van nieuwe Canadezen. Het Angelsaksische ideaal is achterhaald.

    Gewone Canadezen zijn hier heel tevreden over. Peilingen wijzen uit dat twee derde van de bevolking vindt dat immigratie een van Canada’s sterkste punten is, en hetzelfde aantal is er voor om het huidige niveau aan te houden of zelfs op te hogen. Slechts een kwart van de Canadezen beschouwt immigratie als een probleem, en dat is het laagste cijfer in de geïndustrialiseerde landen. Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, wijst erop dat Canadezen zo enthousiast zijn over immigratie dat zelfs de critici van het beleid hier grotere aantallen bepleiten dan de voorstanders in andere rijke landen.

    Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty
    Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty

    Wat is het geheim van het Hoge Noorden? Waarom vinden moderne Canadezen, anders dan hun grootouders en de rest van de moderne wereld, het prima om de deuren van hun land wijd open te zetten? Dat Canada altijd een immigratieland was is geen afdoende verklaring; het is waar, maar dat geldt ook voor de meer xenofobe Verenigde Staten. De huidige instelling van de Canadezen is ook geen vreemde genetische afwijking, ook al worden Canadezen vaak geprezen (of bespot) omdat ze zulke ongelooflijk beleefde do-gooders zijn (ze zeggen zelfs sorry als ze tegen een stoel opbotsen.) Maar hun opvallende openheid is geen aangeboren trekje. Het is het product van buitengewoon goed leiderschap. De Canadese leiders creëerden een beleid dat er op een briljante wijze in slaagde om de burgers ervan te overtuigen dat immigratie noodzakelijk en goed is. De Canadese overheid ontwikkelde dit beleid niet uit altruïsme of nobele principes. Canada omarmde immigratie omdat het moest. De Canadese deugdzaamheid ontstond uit noodzaak.

    Niemand is een beter voorbeeld van de Canadese evolutie dan de vader van de huidige leider, Pierre Elliott Trudeau, die met één korte onderbreking van 1968 tot 1984 premier was.

    Tegenwoordig denkt men terug aan Trudeau als een toonbeeld van een ontwikkelde intellectueel die staatsman werd, een flitsende, kosmopolitische filosoof-koning met grote bakkebaarden, die Plato citeerde, danste op muziek van de Beatles, aan yoga deed en die de wereld liet zien dat als de woorden ‘sexy’ en ‘Canadees’ in één zin worden genoemd het niet per se een grap hoeft te zijn.

    Maar Trudeau begon niet als een verlichte premier, en daar gaat het om in dit verhaal, want het is een belangrijk punt in de ommezwaai over immigratie die hij en zijn land later maakten. Trudeau werd geboren in Montreal in een rijk gezin. Zijn vader, Charles-Emile, was een boerenzoon die hield van drank en gokken, en die een fortuin had verdiend met benzinestations. Trudeau begon zijn politieke carrière, net als veel andere leden van de onderdrukte francofone minderheid, als een reactionaire katholiek, een Franse nationalist en een blanke chauvinist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar Canada volgens hem buiten moest blijven, hield hij een toespraak voor een menigte waarin hij verkondigde dat ‘hij banger was voor de vreedzame invasie van immigranten dan voor een gewapende vijandelijke invasie van de vijand.’

    Toen Trudeau zijn rechtenstudie had afgemaakt aan de universiteit van Montreal verliet hij het benepen Quebec. In 1944 vertrok hij naar Harvard, waar hij een bordje met de tekst ‘Pierre Trudeau, wereldburger’ op de deur van zijn studentenkamer hing en een master haalde in de economie. Hij verhuisde naar Frankrijk en daarna naar Engeland, waar hij aan de London School of Economics studeerde. Zijn studie en een jaar als backpacker de wereld rondreizen hadden de jonge Franse Canadees helemaal genezen van zijn chauvinisme; Trudeau kwam in 1949 terug naar huis met een baard en een nieuwe manier van denken. Hij werd journalist, mensenrechtenadvocaat en hoogleraar rechten, en toen hij in 1965 de politiek inging was hij een weldenkende linkse intellectueel en een overtuigde Canadese federalist. Bij zijn aantreden als premier in 1968 had hij zich ontwikkeld tot een scherpzinnige, pragmatische politicus die ‘Verstand boven gevoel’ als motto voerde.

    Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: “met voorkeur”, “zonder voorkeur” en “uitgesloten”

    Trudeau had zich ontwikkeld, maar de meesten van zijn landgenoten waren nog niet zover. Het boegbeeld van Frans Canada werd een machtig man, precies op het moment dat de onvrede onder zijn francofone achterban, toen ongeveer een derde van de bevolking, het kookpunt bereikte. De inwoners van Quebec hadden in die tijd redenen te over om zich achtergesteld te voelen. Na de Canadese onafhankelijkheid in 1867 werden zij het slachtoffer van gedwongen assimilatie, van officiële en van alledaagse discriminatie. De elite, die zijn wortels had in Engeland, zag de Franstaligen als een minderwaardig en ondergeschikt volk. Hun situatie was zo beroerd dat er tussen 1840 en 1930 ongeveer een miljoen Franse Canadezen het land ontvluchtten en naar de VS vertrokken.

    Toen Trudeau aan de macht kwam, waren de ergste vormen van onderdrukking inmiddels voorbij, maar het gemiddelde inkomen in Quebec lag nog twee derde onder het landelijk gemiddelde en de Franstaligen waren ondervertegenwoordigd in de hogere echelons van het federaal bestuur en van het bedrijfsleven. Dit betekende dat Trudeau bij zijn aantreden in 1968 twee dreigende, onderling verweven problemen het hoofd moest bieden, en dat bracht hem ertoe het immigratiebeleid om te gooien.

    Probleem één was hoe hij de woede van zijn achterban in Quebec in goede banen kon leiden en de broze en losse federatie Canada bij elkaar kon houden. Trudeau was pas de derde Franstalige premier en hij zag dit als een persoonlijke uitdaging. Zijn eerste stappen waren echter verre van succesvol.

    In 1969 voerde Trudeau de Official Languages Act (OLA) in. Door deze wet werd het Frans voor het eerst in de geschiedenis van Canada een officiële taal, gelijkwaardig aan het Engels, en de overheid werd verplicht om in het hele land te communiceren in beide talen en overal tweetalig onderwijs mogelijk te maken.

    Door de OLA verminderden de spanningen niet, integendeel: ze namen juist toe. De wet was uiteraard populair bij de francofonen, maar zeker niet bij de Engelssprekende elite. En er kwam groot verzet van de ándere minderheden in Canada, met name in westelijke provincies. Onder leiding van senator Paul Yuzyk, zoon van immigranten uit Oekraïne, begonnen deze vergeten groepen zichzelf de ‘Derde macht’ te noemen. Het waren voornamelijk Oost-Europeanen, maar ook Italianen, Armeniërs, Portugezen, Grieken en Joden. Toentertijd vormden zij 26 procent van de bevolking en ze waren een belangrijk deel van de achterban van Trudeaus liberale partij. Voor hen was noch Engels noch Frans de moedertaal, en ze wilden beslist niet dat een van beide de dominante taal zou worden. Bij monde van Yuzyk wezen ze de ola en de bedenker van de wet af.

    Multicultureel land

    Hierdoor zag Trudeau zich genoodzaakt om een bredere strategie te ontwikkelen. In plaats van weer een kleine stap te zetten, besloot hij een waagstuk te proberen: hij ging de Canadese identiteit veranderen. Eén land met twee culturen moest een multicultureel land worden.

    Op 8 oktober 1971 besteeg Trudeau het spreekgestoelte in het neogotische parlementsgebouw en stak een speech af als een donderslag: ‘Cultureel pluralisme is de essentie van de Canadese identiteit.’ Hij legde uit dat het beleid van tweetaligheid hieraan weinig bijdroeg. ‘Er kan geen apart cultuurbeleid zijn voor Canadezen van Britse en van Franse komaf, een ander voor de inheemse bevolking en weer een ander voor de overige groepen. Hoewel we twee officiële talen hebben, hebben we geen officiële cultuur en is niet één etnische groep belangrijker dan de andere. Geen enkele burger of groep burgers is iets anders dan Canadees, en iedereen moet gelijk behandeld worden.’

    Om dit zeker te stellen stelde de premier een nieuw ministerie van Multiculturalisme in, het eerste ter wereld, en de Canadese adviesraad voor Multiculturalisme. In de periode dat hij aan de macht was verhoogde Trudeau het budget van deze instellingen van 3 miljoen dollar tot 23 miljoen in 1984. In 1978 stelde hij een commissie voor mensenrechten in, die moest zorgen voor antidiscriminatiecampagnes van de federale overheid in het onderwijs en klachten over ongelijke behandeling in het bedrijfsleven moest onderzoeken.

    Trudeaus motieven waren voor een deel idealistisch van aard, zoals hij graag onderstreepte voor het publiek. ‘Als Canada blijft bestaan, kan het alleen voortbestaan door wederzijds respect, liefde en begrip voor elkaar,’ zei hij later. Conservatieven dreven de spot met zijn poging om het Canadese etnische zelfbeeld om te vormen; het was een feelgoodactie die zou blijven steken in overheidssubsidies voor ‘volksdansen, festivals en zangfeesten’. Dit was niet helemaal juist; de overheid verhoogde inderdaad de uitgaven voor cultureel erfgoed, maar bevorderde ook de integratie door de media van de verschillende bevolkingsgroepen en andere initiatieven te financieren. In Quebec echter vreesde men dat het multiculturalisme ertoe zou leiden dat, in de woorden van Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, ‘de Franse cultuur slechts een van de vele zou zijn’.

    Bovendien kreeg de multiculturele samenleving al snel een slechte reputatie in andere landen, en die is de laatste jaren voortdurend toegenomen. De laatste jaren hebben politici als de Britse premier David Cameron en de Duitse bondskanselier Angela Merkel het multiculturele beleid doodverklaard. Ook in 1971 leidde Trudeaus nieuwe beleid al tot bezorgdheid; de Toronto Star schreef dat het immigranten aanspoorde om Canada te zien als een onsamenhangende ‘keten van etnische enclaves’.


    Trudeau had hierop geanticipeerd, hij had erover nagedacht hoe hij zijn nieuwe plannen vorm kon geven en hoe hij ze kon verkopen. John English, de toonaangevende biograaf van de premier, vertelde me dat Trudeau besefte dat er ‘etnische getto’s’ konden ontstaan en daar voerde hij van meet af aan strijd tegen. In de speech waarin hij het beleid van steun voor alle culturen aankondigde, ‘niet minder voor de kleine en zwakke groepen dan voor de sterke en goed georganiseerde’, noemde hij ook de voorwaarde voor deze steun: deze groepen moesten eerst laten zien dat ‘ze zich inspanden en graag een bijdrage aan Canada wilden leveren’. De onderliggende boodschap was helder: het hoofddoel was integratie. De vernieuwing was dat volgens Trudeau integratie en behoud van de eigen cultuur elkaar niet uitsloten.

    Trudeaus nieuwe koers leek utopisch, maar hij was vooral pragmatisch. Hij zei het niet in zijn grote toespraak en ook in volgende redevoeringen vermeed hij het onderwerp, maar zijn grootste prioriteit bij het instellen van het multiculturalisme was puur praktisch van aard: hij wilde zijn pas ingestelde politiek van tweetaligheid behouden, die hij had ingevoerd om de dreiging van een afscheiding door Quebec af te remmen en om Canada bij elkaar te houden.

    De federatie bijeenhouden was maar een deel van het verhaal. Zoals gezegd had Trudeau twéé grote problemen bij zijn aantreden. De culturele kloof was één probleem. Het tweede was zeker zo dringend: dat was de vraag hoe men de vloedgolf van immigranten die op dat moment het land binnenstroomde het beste kon assimileren. Dit tweede probleem was des te urgenter omdat, voor het eerst in de Canadese geschiedenis, een groot deel van deze nieuwkomers niet blank was.

    Om deze grote, plotselinge verandering te begrijpen, moet je weten dat Canada in de jaren vijftig en zestig een merkwaardig land was, ‘een land opgebouwd tegen ieder gevoel voor geografie, geschiedenis, cultuur of gezond verstand in’, zoals Trudeau het ooit verwoordde.
    Aan de ene kant was het gigantisch groot, in omvang is het het op twee na grootste land van de wereld. Aan de andere kant was het zeer dunbevolkt: in 1960 woonden er minder dan achttien miljoen mensen, een tiende van wat toen de bevolking van de VS was. Jarenlang leidde dit gegeven tot grote bezorgdheid in de hoofdstad. Er waren twee redenen voor dit gevoel van urgentie. Ten eerste maakte de dunbevolktheid het moeilijk voor de federale overheid om het uitgestrekte gebied te controleren. Dat kwam vooral doordat het gros van de inwoners toen, net als nu, woont aan de smalle strook land aan de vierduizend mijl lange grens met de VS. Ten tweede maakte de Canadese economie een groeispurt door – tussen 1939 en 1962 schoot het bnp omhoog van 5,7 miljard dollar naar 36 miljard – en als er niet meer arbeidskrachten bij kwamen dreigde afvlakking en achteruitgang.

    Door de gelijktijdige groei in de VS was het voor Canada lastig om mensen te werven. Daarom had Ottawa een dringende behoefte aan meer Canadezen. De vraag was hoe ze die konden werven.

    Deze vraag was jarenlang niet gesteld. Vanaf de oprichting van de confederatie in 1867 hield de Canadese overheid er een expliciet discriminatoire immigratiepolitiek op na. (Om eerlijk te zijn deden de meeste landen dat toen.) Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: ‘met voorkeur’, ‘zonder voorkeur’ en ‘uitgesloten’. De eerste groep was afkomstig uit Engeland of Noord-Europa en werd actief benaderd. De tweede groep bestond uit Zuid- of Oost-Europeanen en werd schoorvoetend toegelaten in tijden van een nijpend gebrek aan arbeidskrachten. De derde groep bestond uit de rest van de wereld en zoals de naam zegt moest ze worden geweerd.

    De Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, de dekolonisatie en Canada’s enthousiaste deelname aan de beginnende beweging voor de mensenrechten maakten het vreemd om door te gaan met zulke openlijke discriminatie. Daarnaast begon in de jaren zestig de bron van immigranten die Canada het liefste had op te drogen, omdat Europa zich herstelde van de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. Vooral vaklui waren steeds moeilijker te vinden.

    De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur

    Dus moest Ottawa zijn koers verleggen – dit keer meer uit noodzaak dan uit principe. Canada was in 1962 het eerste land dat etniciteit als selectieprincipe afschafte. In plaats daarvan werden de aanvragers beoordeeld op opleidings-, beroeps- en technische kwalificaties, een beleidswijziging die later de succesfactor zou worden van de Canadese immigratiepolitiek. Minister van Immigratie Ellen Fairclough legde uit dat met de nieuwe regels ‘iedereen met geschikte kwalificaties uit ieder deel van de wereld’ voortaan in aanmerking kwam voor toelating en dat de regering uitsluitend zou kijken naar ‘persoonlijke verdienste, zonder aanzien van ras, kleur of land van herkomst’.

    Vijf jaar later schrapte het liberale kabinet van premier Lester Pears alle resterende etnische criteria uit het immigratiesysteem. Pearson introduceerde een vernieuwend beleid, dat in grote lijnen nog steeds bestaat. Vanaf dat moment werden alle aanvragers, ongeacht geboorteland of ras, beoordeeld volgens een puntensysteem met negen criteria, zoals opleiding, leeftijd, beheersing van het Engels of het Frans, en de vraag of hun vaardigheden aansloten bij de behoeften van de Canadese economie. Wie genoeg punten scoorde kwam erin. Dat was het enige dat telde.

    Dit beleid leidde meteen tot grote veranderingen. Tussen 1946 en 1953 was 96 procent van de immigranten in Canada afkomstig uit Europa. Dat aantal daalde tussen 1968 en 1988 naar 38 procent. In 1977 bestond meer dan de helft van de jaarlijks toegelaten immigranten uit Aziaten, mensen uit het Caribisch gebied, Latijns-Amerika en Afrika, die tot 1962 werden buitengesloten.

    Zoals te verwachten viel riep deze verandering groot verzet op, met name in Quebec. Het politieke establishment had zich uit noodzaak bekeerd tot het idee van kleurenblinde immigratie, maar de meeste Canadezen niet. Aan de vooravond van Trudeaus premierschap bleek uit een enquête dat meer dan de helft van de Canadezen tegen het kleurenblinde immigratiesysteem was.

    Dit was dus het tweede probleem dat Trudeau erfde van zijn voorgangers. Volgens zijn biograaf was dit een andere belangrijke reden om in 1971 de nieuwe multiculturele politiek te lanceren.

    Trudeaus nadruk op pluralisme en de overgang naar een systeem van immigratie dat kleurenblind was en gericht op economisch voordeel, begon de manier waarop gewone Canadezen hierover dachten te veranderen. Het bleek al snel dat de twee beleidslijnen elkaar versterkten. De selectie van immigranten op basis van hun mogelijke economische bijdrage in plaats van hun uiterlijk of de vraag of ze al familie hadden in Canada, wierp zo veel financiële vruchten af dat de nog twijfelende Canadezen ervan overtuigd raakten dat iedereen profiteerde van de opendeurpolitiek, en vooral zijzelf. De riante overheidssteun voor multicultureel beleid en integratie van nieuwkomers heeft de autochtone Canadezen langzamerhand doen inzien dat de verbreding van de etnische diversiteit hun land juist méér Canadees maakt, en niet minder.

    De kabinetten na Trudeau hebben zijn beleid op beide fronten aangepast, maar meestal om de positieve impact te versterken. De laatste jaren heeft Ottawa bijvoorbeeld meer nadruk gelegd op opleiding en is het vestigingsbeleid voor ondernemers die nieuwe banen creëren makkelijker gemaakt. In 2013 werd een start-upvisaprogramma ontwikkeld dat entrepreneurs moet aantrekken door hun een onmiddellijke verblijfsvergunning te geven als ze durfkapitaal van Canadese investeerders kunnen krijgen. Ook nam de overheidssteun voor multicultureel beleid voortdurend toe. In 1982 zorgde Trudeau ervoor dat het Handvest voor Vrijheid en Recht werd aangenomen: een progressieve wet met een grote draagwijdte, die discriminatie formeel verbiedt, gelijke kansen op de arbeidsmarkt verplicht maakt en rechters instrueert om rekening te houden met multiculturele achtergronden bij de interpretatie van nationale wetgeving. De overheid gaf steeds meer geld uit aan de bevordering van pluralisme en besteedt tegenwoordig meer dan één miljard per jaar aan een breed scala van daarbij behorende programma’s. Deze lopen uiteen van pro-migratiedocumentaires op tv en leermiddelen voor het basis- en voortgezet onderwijs tot gemeentelijke integratieprogramma’s.

    Alles bij elkaar genomen bieden deze maatregelen een verklaring voor wat wetenschappers ‘de Canadese uitzondering’ noemen: het feit dat men in Canada de protesten tegen immigratie heeft kunnen voorkomen die in vrijwel alle geïndustrialiseerde landen zijn losgebarsten. Ze verklaren waarom de Index voor Integratiebeleid (een mondiaal vergelijkend onderzoek) Canada’s immigratiesysteem bij de beste van de wereld indeelt en waarom de Canadezen zelf het waarschijnlijk nog hoger inschatten. Het is geen toeval dat tegelijk met de gestage groei van de immigratie van de laatste twintig jaar ook de steun van de Canadezen voor het ruime immigratiebeleid is toegenomen.

    De economische toelatingscriteria – 65 procent van de nieuwkomers in 2015 kwam via deze weg – zijn verantwoordelijk voor een van de succesvolste immigrantenpopulaties ter wereld. De buiten Canada geboren inwoners zijn hoger opgeleid dan die in enig ander land: de helft van de nieuwe Canadezen arriveert met een universitaire opleiding, tegen 27 procent in de VS, en tweedegeneratie-Canadezen gaan vaker naar de universiteit dan hun autochtone leeftijdgenoten. Immigranten vormen 21 procent van de bevolking, maar ze leveren 35 procent van de universitaire docenten. Canadese immigranten werken hard en maken weinig gebruik van uitkeringen, de economische immigranten maken hier zelfs minder gebruik van dan autochtone Canadezen. Het aantal werkenden onder hen is het hoogste in de OESO-landen en zonder hen zou de Canadese beroepsbevolking krimpen en vergrijzen. Niet vreemd dus dat 70 procent van de Canadezen vindt dat immigratie van belang is voor de economie. Zelfs de meeste Canadese werklozen denken er zo over.

    De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters
    De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters

    Dankzij de multiculturele samenleving zien Canadezen immigratie als een belangrijke manier om hun nationale identiteit te versterken. Na Trudeaus lancering van het beleid is dit gevoel gestaag gegroeid. Bij een enquête uit 1985, waarin Canadezen werd gevraagd wat hen trots maakte op hun land, eindigde de multiculturele samenleving op de tiende plaats. In 2006 stond ze op de tweede plaats. Uit peilingen blijkt dat tegenwoordig 85 procent van de Canadezen de multiculturele samenleving beschouwt als enigszins tot zeer belangrijk voor de nationale identiteit. Dat verklaart waarom de meest patriottische Canadezen ook het meest voor immigratie zijn – anders dan Amerikanen, waar het precies andersom is. Dit betekent niet dat Canadezen vinden dat immigranten zich niet hoeven aan te passen. Het is meer zo dat, zoals Reitz stelt, het beleid van Trudeau heeft geleid tot een ‘open en tolerante’ visie – en tot meer geduld – op hoe integratie moet plaatsvinden en wat integratie inhoudt.

    De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur. Volgens Reitz maakt pluralisme deel uit van typisch Canadees politiek beleid, zoals toegankelijke gezondheidszorg, strenge controle op vuurwapens, en rechten voor homoseksuelen, die Canadezen trots maakt op wat ze zijn en op wat ze niet zijn.

    Wetenschappers denken dat ook andere factoren hebben bijgedragen aan de bijzondere openheid van Canada. Een van die factoren is dat Canada, anders dan de Verenigde Staten, Duitsland, Japan en andere geïndustrialiseerde landen, geen regelingen had voor gastarbeid. Uit overheidsstatistieken blijkt dat Canada de grootste mate van naturalisatie kent: 85 procent van de mensen die er permanent verblijven wordt Canadees burger. Dat is een belangrijk gegeven, omdat burgers meer dan gasten geneigd zijn om in hun nieuwe thuisland te investeren en ook meer worden uitgenodigd om dat te doen.

    Nog belangrijker is dat Canada geen illegale immigratie kent. Dankzij zijn geïsoleerde ligging met oceanen aan beide zijden, een ijsvlakte in het noorden en de grens met de Verenigde Staten in het zuiden, bestaat illegale immigratie, in de woorden van een wetenschapper, ‘slechts uit een kabbeling aan de Canadese kust en niet uit grote golven’. Dit verklaart zeker een deel van de opvallende openheid van de Canadezen, maar niet alles. Het Verenigd Koninkrijk ligt ook geïsoleerd en heeft ongeveer hetzelfde aantal illegale immigranten als Canada, maar de Britten staan veel vijandiger tegenover immigratie.

    Stephen Harper

    De laatste jaren kreeg dit verhaal een staartje, dat ik vermeld omdat het mijn argumentatie ondersteunt (het lijkt erop dat Canada bij zijn pragmatische aanpak blijft) en omdat het benadrukt waarom Canada een goed voorbeeld is voor landen die met hun immigratiebeleid worstelen.

    In 2006 werd de conservatief Stephen Harper gekozen tot premier. Hij was veel rechtser dan zijn conservatieve voorgangers en qua stijl veel meer een Amerikaanse republikein dan een ouderwetse Canadese tory. Harper was hard en arrogant. Hij was bekend geworden door de Reform-partij, een populistische protestbeweging uit het olierijke, linkse westen van Canada, die sceptisch stond tegenover immigratie en de multiculturele samenleving. Het partijprogramma van 1988 verklaarde dat immigratie niet ‘ingezet moet worden voor een plotselinge en radicale verandering van de etnische samenstelling van Canada, zoals dat steeds meer het geval lijkt te zijn’, en een herziene versie uit 1991 riep op tot verzet tegen ‘het huidige concept van de import-Canadees’ en wilde het ministerie van Multiculturalisme opheffen.

    Bij Harpers ambtsaanvaarding in 2006 vreesden veel Canadezen dat hij dit soort gevoelens in beleid ging omzetten, maar deze veronderstellingen werden niet bewaarheid. Harper paste het systeem hier en daar iets aan, maar hij zorgde er over het algemeen voor dat de structuur niet werd aangetast. In 2015 werd hij terecht bekritiseerd dat hij steun uit de nationalistische hoek probeerde te krijgen door een verbod voor moslima’s om een nikab te dragen bij de burgerschapsceremonie (dat onmiddellijk werd afgewezen door de rechter), maar zijn kabinet nam ook veel verrassend progressieve maatregelen op het gebied van immigratie en multiculturalisme, zoals het verlagen van de prijs voor visa, het instellen van herdenkingen van de Armeense en Oekraïense genocides en van een ‘programma voor de historische erkenning van gemeenschappen’ met een budget van 13,5 miljoen dollar dat de geschiedenis van etnische Canadezen moest vastleggen. Harper maakte zelfs excuses en stelde compensatie in voor de slachtoffers van de beruchte ‘hoofdelijke belasting’ die de Canadese regering tussen 1885 en 1923 had ingesteld om immigratie uit China tegen te gaan.

    Rekening houdend met Harpers stijl en achtergrond is er alle reden om aan te nemen dat dit meer calculerend gedrag was dan dat hij opeens het licht had gezien. Een paar jaar voor hij werd gekozen had Jason Kenney, een jonge conservatieve activist die onder Harper minister van Immigratie en Multiculturalisme werd, hem er in stilte van overtuigd dat hij populairder moest worden onder de immigranten, wilde hij ooit een meerderheid behalen. Volgens Kenney was dat niet moeilijk, aangezien zij doorgaans uit traditionele culturen komen, wat hen tot de natuurlijke achterban van een conservatieve partij maakt. Harper nam het advies ter harte en tussen 2006 en 2011 bezocht Kenney, met de zegen van Harper, een eindeloze reeks moskeeën, sikhtempels en centra voor immigranten, waar hij de menigte in het Punjabi of Mandarijn begroette.

    Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak

    Dit betaalde zich royaal terug. In de verkiezingscampagne van 2011 zetten de conservatieven meer kandidaten uit minderheden in dan de liberale of zelfs de uiterst linkse Nieuwe Democratische Partij. Ze plaatsten advertenties in een veelheid van vreemde talen. Toen de stemmen werden geteld, hadden de conservatieven voor het eerst meer kiezers onder nieuwe Canadezen dan de oude partij van Trudeau, een historische verschuiving.

    Was hun campagnestrategie een cynische truc? Misschien wel, maar dat doet er niet toe. Want zelfs als het cynisme was, dan nog hielden Harper en Kenney zich aan wat een Canadese traditie is geworden: het omarmen van doelmatig en vooruitstrevend beleid vanuit puur zakelijke motieven. Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak. Het gaat om het resultaat. En de Canadese resultaten zijn spectaculair: een klein, gesloten, etnisch homogeen land is veranderd in een levendig mondiaal power house en in een van de meest open en succesvolle multiculturele landen ter wereld. Dat is een topprestatie waar politici uit alle landen, en vooral uit de Verenigde Staten, veel van zouden kunnen leren.

    Auteur: Jonathan Tepperman
    Vertaling: Mieke de Vos en Albert Witteveen

    Jonathan Tepperman is sinds 2011 hoofdredacteur van Foreign Affairs, waar hij in 1998 begon als junior redacteur. In de tussentijd werkte hij bij Newsweek, waar hij leiding gaf aan de correspondenten in het Midden-Oosten, Azië en Latijns-Amerika.

    Dit is een voorpublicatie uit het boek De oplossing (The Fix) van Jonathan Tepperman dat op 20 oktober verschijnt bij Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum.

    Beeld bovenaan: Spanning in Vancouver tijdens een wedstrijd van het nationale ijshockeyteam. – © Chris Helgren / Reuters

    In zijn boek De oplossing geeft Jonathan Tepperman oplossingen voor de tien grootste problemen waarmee overheden wereldwijd worden geconfronteerd.

    Tepperman neemt de lezer mee naar Mexico om aan te tonen dat politieke patstellingen te doorbreken zijn. Hij reist naar Botswana om te laten zien hoe verantwoorde grondstoffenpolitiek mogelijk is. Hij toont hoe Singapore de corruptie bestrijdt. En Indonesië is volgens hem een gidsland als het gaat om het tegengaan van extremisme.

  • 2. Een Syrische ode aan de vrede

    2. Een Syrische ode aan de vrede

    De Sloveense journalist Boštjan Videmšek is aan de Grieks-Macedonische grens getuige van een onvergetelijk tafereel: een Syrische vluchteling haalt zijn viool tevoorschijn en speelt Ode an die Freude, het Europese volkslied.

    Langzaam viel de duisternis in over het savanneachtige landschap bij de grens tussen Macedonië en Griekenland. Vluchten duiven zweefden over velden met uitgedroogde en verwelkte zonnebloemen. In de verte trok een plaatselijke jager met zijn drie honden langzaam door met struikgewas overwoekerd terrein. Onder de bomen en geleund tegen de verlaten grensposten die nog steeds de grens van het vroegere Joegoslavië markeerden, zaten vermoeide groepen Syrische en Afghaanse vluchtelingen, die leken te wachten op een teken.

    In werkelijkheid wachtten ze op officiële toestemming om aan de volgende etappe van hun smartelijke odyssee naar het hart van Europa te beginnen. Bij het schrijven van dit artikel hadden dit jaar al zo’n tweehonderdduizend migranten en vluchtelingen hun bestemming bereikt, via Turkije, Griekenland, Macedonië, Servië en Hongarije, en minstens evenveel waren onderweg.

    Aan de Griekse kant van de grens sjokte groep na groep nieuw aangekomenen in de richting van het geïmproviseerde opvangcentrum bij het spoorwegstation. In een zorgvuldig gecoördineerde poging lieten de Griekse en Macedonische politie ze door de flessenhals van de ‘wilde grens’, waar alleen al in de afgelopen week meer dan drieduizend mensen doorheen waren gekomen.

    De gesprekken tussen de vluchtelingen stokten; het geschreeuw van de kinderen sloeg om in een eerbiedige stilte. Zelfs de politiemensen begonnen te glimlachen

    Bij het opvangcentrum, dat twee weken geleden was opgezet door de Macedonische autoriteiten, haalde Rami Basisah zijn viool uit zijn bundel bagage. Deze vierentwintigjarige musicus streek een paar keer zacht, bijna verliefd over zijn instrument en begon het te stemmen. En toen ging deze ogenschijnlijk verlegen en introverte Rami, eerder nog een jongen dan een man – voor de ruim zeshonderd migranten en vluchtelingen staan, die daar zaten te wachten op de speciale trein naar de Servische grens waarmee ze weer een eindje verder hoopten te komen naar wat sommigen van hen nog steeds zagen als het beloofde land.

    Rami, die muziek had gestudeerd in de Syrische stad Homs, moest even moed verzamelen om zijn viool te laten klinken. Zijn vrienden moedigden hem aan om diep adem te halen en gewoon te beginnen met spelen. De Macedonische politiemensen – van wie sommigen al dertig uur in touw waren – konden alleen maar toekijken, half bezorgd, half verward. Enkelen wisselden zwijgend een blik uit – ze vroegen zich duidelijk af of ze het instrument in beslag moesten nemen. Ze hadden een uiterst stressvolle en veeleisende taak te vervullen, waarvoor de meesten nauwelijks waren opgeleid. Maar toen gaf een van hen een simpel knikje aan Rami, als teken dat hij mocht beginnen.

    Pure liefde

    Rami verplaatste zijn gewicht een paar keer van het ene been op het andere, terwijl hij de sfeer in zich opnam. Het werd duidelijk dat hij gewoon móést spelen. Hij begon langzaam. De toon klonk zo zacht, dat het bijna een trilling was. De gesprekken tussen de vluchtelingen stokten; het geschreeuw van de kinderen sloeg om in een eerbiedige stilte. Zelfs de politiemensen begonnen te glimlachen. Zo te zien herkenden ze de melodie, een aantal van hen had hem vast eerder gehoord.

    Door deze positieve ontvangst kon de jonge Syrische musicus zich ontspannen en hij speelde met heel zijn hart. Zelfs in de meest onverschillige oren vond de melodie weerklank. Rami raakte steeds meer op dreef. Zijn zorgelijke gedachten verdwenen naar de achtergrond en het was duidelijk dat hij speelde uit pure liefde. Er verscheen een lach op zijn gezicht. Zijn hele uitdrukking werd levendig, en een beetje ironisch. De lucht in het opvangcentrum was vervuld van Beethovens Ode an die Freude. Het officiële volkslied van Europa.

    Ironie? Een grap? Een vlaag van briljante politieke analyse? Instantpsychotherapie? De politiemensen stampten nu met hun laarzen de maat. De migranten klapten enthousiast om de jongen aan te moedigen. Na het stuk van Beethoven wachtte Rami een paar seconden met spelen. Daarna zette hij een treurig, maar uiterst trots traditioneel Syrisch patriottisch lied in. Zijn vrienden, goed opgeleide, stadse jonge mannen en vrouwen die net als hij afkomstig waren uit het verwoeste Homs, begonnen te zingen. Al snel vielen steeds meer vluchtelingen in. Geharde oudere mannen die onuitsprekelijke dingen hadden gezien en doorstaan, begonnen te huilen. De vrouwen drukten hun kinderen nog wat vaster tegen zich aan. Even smolt de ijzige pijn in hun borst weg, door deze opflakkering van nieuwe hoop.

    Rami Basisah speelt, zijn landgenoten kijken toe. – © Jure Erzen
    Rami Basisah speelt, zijn landgenoten kijken toe. – © Jure Erzen

    Rami speelde maar door, hij was zich niet eens meer bewust van zijn vluchtelingenpubliek. Over de horizon daalde de schemering neer. Het verbijsterende optreden eindigde met De vier jaargetijden van Vivaldi, een voor de hand liggende, maar toch door enthousiasme ingegeven keus. Onder donderend applaus maakte Rami een onhandige buiging en borg hij zijn instrument weg.

    ‘Ik moet me verontschuldigen. Ik maakte zo veel fouten. Ik was zo zenuwachtig,’ zei de jonge musicus tegen me, nog steeds hijgend van inspanning. ‘Weet je, dit is mijn reserveviool – die is veel slechter dan de viool die in zee terecht is gekomen.’

    Rami was zo’n veertig dagen eerder uit Syrië vertrokken. Daarvóór was hij twee jaar lang op de vlucht geweest in zijn eigen land. Twee weken geleden hadden hij en zijn vrienden gekozen voor de ‘klassieke’ route van Turkije naar het Griekse eiland Kos. De zeereis was voor hen het moeilijkste, gevaarlijkste en meest bloedstollende deel van hun reis geweest. De koffer met Rami’s allereerste viool was in de Egeïsche zee verdwenen. ‘Het doet nog steeds pijn,’ zei hij met een klein stemmetje, terwijl hij een manmoedige poging deed om te glimlachen.

    De gespannen jongeman die zijn studie hoopt te kunnen voortzetten op elke Europese universiteit die hem een kans wil geven, wilde niet veel over zichzelf loslaten. Zodra hij zijn reserveviool had neergelegd, werden zijn bewegingen houterig en verscheen op zijn gezicht weer die getraumatiseerde frons. De dromerigheid was verdwenen en nu keerden de zorgen dubbel en dwars terug. ‘Mijn doel is om mijn broer te gaan helpen, die twee jaar geleden uit Homs naar Libanon is gevlucht,’ vertelde Rami me. ‘Voor hij vertrok, beloofde hij me dat hij mij zou helpen om mezelf ook in veiligheid te brengen. Hij heeft zo hard gewerkt in Libanon. Zodra hij genoeg geld had voor mijn reis naar Europa heeft hij dat aan mij gestuurd. Nu is hij zijn baan kwijt en het is mijn plicht hem te helpen. Ik heb mijn leven aan hem te danken.’

    Overlevingsinstinct

    Boven de horizon kwam snel een volle maan op, die met de minuut helderder werd. Op weg naar het vlak bij de grens gelegen opvangcentrum deden de vluchtelingen en de politiejeeps wolken stof opdwarrelen en de vogels die al hun plekje voor de nacht hadden opgezocht, schrokken op. In de stilte van de gespannen verwachting klonk af en toe hondengeblaf. De vluchtelingen zaten op kartonnen matjes, soms onder een stoffig dekzeil. De plaatselijke hulpverleners, allemaal vrijwilligers, deelden voedsel, water en ingezamelde kleren uit. Ze werden geholpen door de zichtbaar uitgeputte Macedonische soldaten en politiemensen, die voor de journalisten maar één vraag hadden: ‘Wanneer houdt dit op?’

    ‘Dit’ was de eindeloze karavaan van menselijke tragedie, die op zijn lange mars naar de vrijheid was gestuurd door de aardschok van de geschiedenis en door die diepst ingewortelde van alle beweegredenen: het overlevingsinstinct.

    Vanuit het nabijgelegen Gevgelija kwam een speciale trein aangereden om de volgende lading uitgeputte en getraumatiseerde mensen naar Tabanovce aan de Servisch-Macedonische grens te brengen. De afgelopen tien dagen had het opvangcentrum ook gediend als treinstation voor de vluchtelingen. Dit was al de vierde trein vandaag, en in elke trein konden tussen de zeshonderd en zevenhonderd mensen mee. De rest van de vluchtelingen bereikte de Servische grens met behulp van speciale bussen en taxi’s. Voor de plaatselijke ‘vervoersbusiness’ waren de afgelopen weken een gouden tijd geweest, ook al was er sinds het vorige weekend, toen de stroom op zijn hevigst was, een officiële controle ingesteld om deze smerige handel tegen te gaan. Maar dat was nauwelijks een belemmering voor de oorlogseconomie, die per slot van rekening een speciale diersoort is. Officieel was dit verboden gebied, maar het wemelde in de bosjes van de lokale ‘handelaren’ die de vluchtelingen voor exorbitant hoge prijzen sigaretten, water en snacks verkochten. En als je hun vroeg hoe het met de zaken ging, spuugden ze op de grond en zeiden: ‘Man, die Afghanen, verdomme, die hebben echt geen geld meer!’

    Nog een paar dagen en het zou niet meer mogelijk zijn om de Hongaarse grens te passeren

    Aan de andere kant van de grens ging het al net zo. Daar had een plaatselijke handelaar zelfs een tot ijscokar omgebouwd bestelbusje geparkeerd. En volgens de verhalen had hij uitstekende zaken gedaan, afgelopen zondag, toen er wel honderdvijftig bussen waren gearriveerd, die zo’n zevenduizend migranten en vluchtelingen hadden afgezet.

    Met krijsende remmen kwam de trein vol vluchtelingen langzaam tot stilstand. Om chaos te voorkomen verdeelde de politie de vluchtelingen in een aantal kleinere groepen. Telkens weer zeiden de vermoeide, vuile reizigers dat ze haast hadden en vroegen ze wanneer de volgende trein nar de Servische grens zou vertrekken. In de harten en hoofden van deze uitgeputte mannen en vrouwen begon paniek op te komen. Nog een paar dagen en het zou niet meer mogelijk zijn om de Hongaarse grens te passeren. Voor de duizenden en duizenden wanhopige mensen zou dit betekenen dat ze vastzaten in Balkangebied.

    ‘Nee, ik wil niet praten over wat we hebben doorgemaakt. Het enige wat nu telt is dat we eindelijk hier zijn. Ons leven is niet langer in gevaar. We willen wat lucht krijgen en misschien even uitrusten, maar helaas gaat dat niet… We moeten vandaag vertrekken. Waar moeten we heen, wat denk jij dat de beste route is?’ vroeg een verward ogende studente uit Deir ez-Zor, een van de belangrijkste slagvelden in de Syrische oorlog, aan mij. Nadat deze zichtbaar getraumatiseerde vluchtelinge alle nodige informatie van de politie had gekregen, ging ze nog een nieuwe voorraad drinkwater halen. Daarna grepen zij en haar twee jongere broers de handvaten van de aftandse rolstoel waarin ze de hele weg vanuit Syrië hun ernstig zieke vader hadden vervoerd. ‘We gaan naar waar ze ons willen hebben. We hebben geen andere keus. We moeten voor onze vader zorgen,’ zei de jonge studente, die anoniem wilde blijven. ‘We vinden het zelfs goed om hier in Servië te blijven, zolang we maar niet buiten in de kou hoeven te slapen. Natuurlijk zouden we het liefst zo snel mogelijk terug naar huis willen, maar onze huizen zijn er niet meer.’

    Een driejarig meisje ontwaakte uit een diepe slaap. Ze zag de chaotische avondlijke taferelen van de onrustige menigte mensen, en meteen stroomden de tranen over haar wangen. De politie liet de gehandicapten, de gewonden, de ernstig zieken en de moeders met baby’s voorgaan in de lange rij mensen die stonden te wachten om de grens over te gaan. Ik hoorde hoe een van de politiemensen aan een collega vroeg waarom een bepaalde vijfenzeventigjarige man – die duidelijk ernstig ziek was en aan het eind van zijn Latijn – het zelfs maar in zijn hoofd haalde zo’n reis te gaan maken en de halve wereld door te trekken om Duitsland te bereiken.

    Ja, waarom?

    Omdat het Syrische conflict erger is dan alle conflicten die in ons opmerkelijk slechte geheugen gegrift staan. Omdat in dat conflict de afgelopen vierenhalf jaar al 260.000 mensen zijn omgekomen. Omdat 11 miljoen mensen hun huizen hebben moeten verlaten, van wie 4,5 miljoen naar een van de buurlanden zijn gevlucht. Omdat grote delen van het land totaal verwoest zijn. Omdat het heden elke mogelijkheid van een draaglijke toekomst vernietigt en – denk aan Palmyra! – elke herinnering aan het verleden uitwist. Omdat de westerse landen die deze mensen nu behandelen als radioactief afval, niets hebben gedaan om een eind aan de oorlog te maken, integendeel, zelfs veel hebben gedaan om te zorgen dat die maar door en door gaat.

    Hoop mag dan altijd leven in de menselijke borst, er is geen hoop als jij en je hele familie dood zijn.


    ‘We hebben haast. We zijn bang dat de Hongaarse grens gesloten wordt voor we daar zijn. We móéten gewoon die trein halen! We hebben geen geld voor een taxi. In Turkije zijn we beroofd door de mensensmokkelaars,’ vertelde een man die Said heette me en nerveus bijna achteraan in de rij stond. Deze zesentwintigjarige leraar Engels kwam uit de Syrische stad Latakia, het bastion van het Assad-regime aan de Middellandse Zee. Said was deze kustplaats ontvlucht omdat hij weigerde dienst te nemen in het regeringsleger. Dankzij de aanwezigheid van de regeringstroepen was de stad tot dan toe grotendeels voor gevechten behoed gebleven, maar een algehele mobilisatie werd onvermijdelijk. Said weigerde op zijn eigen landgenoten te schieten en deel te nemen aan de totale vernietiging van zijn geboorteland. Toen het zijn beurt was om naar het front te gaan, kon hij kiezen: zijn landgenoten, de vrijheidsstrijders gaan vermoorden, of wegrotten in een gevangeniscel en op gezette tijden onderworpen worden aan het soort wrede martelingen dat in het DNA van het Assad-regime zit. Said koos voor de derde mogelijkheid – vluchten.

    Zwemmen naar Kos

    ‘Een paar maanden geleden ben ik vanuit Latakia naar de heuvels daar in de buurt gevlucht, waar het Vrije Syrische Leger de macht heeft. Zij wilden dat ik met hén mee ging vechten, maar ook dat wilde ik niet. Mijn vrouw had net een baby gekregen. Ahmed is nu zeven maanden en ik wilde niet dat hij zonder vader zou opgroeien. Dus heb ik een tijdje Engels gegeven op een school in door het Vrije Syrische Leger beheerst gebied, maar toen werd het hele dorp verwoest door een luchtaanval van het regeringsleger,’ vertelde Said. De meeste van mijn buren en vrienden werden daarbij gedood. Ik was degene die wat er van hun lichaam over was moest oprapen en de stukken bij elkaar moest zoeken. Het scheelde weinig of ik was gek geworden. Er zijn geen woorden om die verschrikking te beschrijven. Zo snel ik kon haalde ik mijn vrouw en zoontje op en vluchtte naar Turkije,’ ging Said verder met zijn afgrijselijke verhaal, terwijl zijn ogen ongeduldig heen en weer schoten tussen de trein en de politie.

    Said was met zeven andere Syrische vluchtelingen zwemmend van Turkije naar Griekenland overgestoken. Nadat ze door de Turkse mensensmokkelaars waren opgelicht, hadden ze geen andere keus dan te proberen de twaalf kilometer naar het Griekse eiland Kos te zwemmen. Ze lagen zes uur in het water. Ze hadden het heel koud, maar hadden reddingsvesten te pakken weten te krijgen, waardoor ze vaak konden uitrusten. Ze hadden al hun bezittingen in een paar waterdichte zakken gestopt, die ze aan hun middel hadden bevestigd. Terwijl ze langzaam vorderden werden ze ingehaald door rubberboten met medevluchtelingen.

    ‘Ik was helemaal niet bang,’ zei Said tegen me met het optimisme van een geharde overlever. ‘Geloof je me niet? Maar het was helemaal niet zo bijzonder. Ik heb mijn hele leven vlak bij de zee gewoond. Ik kan heel goed zwemmen. Ik wist dat ik het kon halen. Ik hoefde alleen maar te denken aan mijn vrouw en mijn zoon die in Turkije waren achtergebleven. Zodra het kan, laat ik ze overkomen naar Europa. O, en de vrienden met wie ik samen zwom? Voor hen was het ook geen probleem.’

    Said en zijn medezwemmers bereikten Kos op een moment dat de chaos daar een hoogtepunt bereikte. De politie sloeg openlijk in op de migranten, die ook met elkaar slaags raakten. Op zo’n vijfhonderd meter van de kust werden de verkleumde en uitgedroogde Syrische zwemmers opgepikt door de Griekse kustwacht. ‘Zij beledigden en intimideerden ons. Toen we aan land kwamen, werden we geslagen. Het was vreselijk,’ vertelde hij. ‘We wisten niet wat we moesten doen of waar we heen moesten. Van andere vluchtelingen hoorden we dat we ons moeten laten registreren bij een politiebureau, omdat we niet verder mochten reizen zonder de noodzakelijke papieren. Na vijf dagen kregen we onze vergunning. Toen zijn we meteen op de veerboot naar Athene gestapt. Daar zijn we niet eens even gebleven – we wisten wat er bij de Hongaarse grens gaande was. We namen een bus naar Thessaloniki en vandaar verder naar de grens, waar we vanochtend om zes uur aankwamen.’

    Said vertelde me ook dat hij niet meer wist wanneer hij voor het laatst goed had geslapen. ‘Maar we mogen niet aan onze vermoeidheid toegeven. Dat zijn we verplicht aan ons gezin. Ik ben het verplicht aan mijn zoon. We zullen doorgaan en niets zal ons tegenhouden,’ besloot de langharige jongeman vastberaden en hij drukte me stevig de hand.

    Said is nu een van de verscheidene duizenden vluchtelingen die door de Hongaarse regering in het Keleti-spoorwegstation in Boedapest ‘verzameld’ worden. Hij heeft gehoord dat zijn beste vriend is omgekomen terwijl hij van Turkije naar Griekenland probeerde over te steken.

    Auteur: Boštjan Videmšek
    Vertaler: Annemie de Vries

    Boštjan Videmšek (1975) werd vooral bekend met internationale oorlogsrepor- tages. Veel van zijn werk verscheen in Sloveense media, zoals het weekblad MLADINA en het dagblad Delo. Maar hij publiceerde ook in The New York Times, The International Herald Tribune en El Periodico. Hij werd zowel in binnen- als buitenland bekroond.

    Delo
    Slovenië | dagblad, 
oplage 46.000

    Delo is een liberaal dagblad op broadsheet dat al een halve eeuw actief werkt 
aan een openbaar debat 
in Slovenië over politiek, economie en sport.

    Genomineerden in de categorie Special award – refugee crisis

    Ioannis Papadopoulos (Griekenland):
    An Aegean Journey of Despair

    Anders Fjellberg & Tomm W. Christiansen (Noorwegen):
    The Wetsuitman

    Gert van Langendonck (Nederland):
    Op naar Europa

    Daniel Nolan (Hongarije):
    Spinning the Crisis: How the Hungarian Government Played Europe’s Migrant Influx

    Amrai Coen & Henning Susse- bach (Duitsland):
    Im Gelobten Land

    Dialika Neufeld (Duitsland):
    Arme Schweine

    Boštjan Videmšek
    A Syrian ‘ode to joy’ on Europe’s border

  • Dossier – Europa: de breuk tussen Oost en West

    Dossier – Europa: de breuk tussen Oost en West

    De vluchtelingencrisis heeft een groeiende kloof aan het licht gebracht tussen de oude en nieuwe leden van de Europese Unie. Wiens schuld is dat? Had Brussel te weinig oog voor de geschiedenis, de mentaliteit en de wensen van Oost-Europa? Of leiden de Oost-Europese landen aan een slachtoffersyndroom, zoals Slavenka Drakulić schrijft?

    Het Duitse weekblad Der Spiegel trekt in elk geval een sombere conclusie: de EU-uitbreiding naar het oosten was een fout.

    1. De EU-uitbreiding naar het oosten was een fout

    2. Oorzaken voor de breuk

    3. Het slachtoffersyndroom

    Beeld bovenaan: Migranten rusten aan de Servisch-Hongaarse grens in de buurt van Morahalom. – © Laszlo Balogh / Reuters

  • 3. Het slachtoffersyndroom

    3. Het slachtoffersyndroom

    Waarom weigeren de Oost-Europese landen vluchtelingen op te vangen? Omdat ze nog steeds leiden aan een collectief trauma uit de communistische tijd, schrijft Slavenka Drakulić.

    Tot voor kort leek het erop dat de landen in Oost- en West-Europa naar elkaar toe groeiden en dat de mentaliteit in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie zich steeds meer aanpaste aan de democratische normen. Maar de vluchtelingencrisis heeft een hardnekkige kloof blootgelegd. Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije verzetten zich tegen de verdelingsquota’s, Bulgarije heeft zijn grens gesloten, ook Roemenië voelt niets voor vluchtelingenopvang en Slovenië en Kroatië zeggen dat ze te weinig opvangcapaciteit hebben. Na de laatste verkiezingen heeft Polen zich bij hen aangesloten. Solidariteit? Nee, dank u.

    In het Westen verbaast men zich over de weigering van de Oost-Europese landen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Gisteren vroegen ze nog hulp aan Europa, en die hebben ze gekregen ook. Vanwaar dan deze huidige houding? Daar zijn diverse historische redenen voor.

    Grote verwachtingen

    Op het moment dat ze zich aansloten bij de EU hadden de Oost-Europese landen grote verwachtingen, groter dan kon worden waargemaakt. Naast vrijheid, democratie en respect voor de mensenrechten hoopten de burgers op een beter leven. Voor hun verwachtingen van ‘Europa’ (of van het ‘Westen’) hadden ze verschillende argumenten. Om te beginnen het feit dat zij ook Europeanen waren, die na de Sovjet-bezetting eindelijk in het Europa werden opgenomen waar ze ontegenzeglijk bij hoorden.

    Maar het belangrijkste argument was het leed dat hun bevolking was aangedaan tijdens tientallen jaren Sovjettotalitarisme. Dit leed gaf hun de status van slachtoffers. Dat was iets wat het Westen, dat zich in deze periode had ontwikkeld en steeds rijker was geworden, nooit mocht vergeten. De Oost-Europese landen hadden niet alleen recht op deze erkenning, maar ook op een soort schadevergoeding voor alles wat ze hadden ondergaan. Zo dacht men in Oost-Europa over de hulp en de solidariteit van het Westen, waaraan sommigen niet vergaten toe te voegen dat ze ook nog eeuwenlang onder Turkse bezetting hadden geleefd.


    De psychologie van het slachtoffer heeft altijd een grote rol gespeeld in deze voormalige communistische landen, vooral omdat de slachtofferstatus materiële winst kon opleveren. Maar toen ze eenmaal onafhankelijk waren en deze status werd erkend, kwamen er plotseling nieuwe slachtoffers, die nog meer slachtoffer waren!

    Volgens de totalitaire mentaliteit hoeven slachtoffers zich niet verantwoordelijk te voelen, omdat ze niet verplicht zijn andere slachtoffers te helpen. Daar komt nog bij dat deze landen zich niet alleen solidair moeten tonen met de Europeanen, maar ook met moslimimmigranten met een andere cultuur, andere gewoonten en zelfs een andere huidskleur! De burgers van de voormalige communistische landen zijn niet alleen ondankbaar, ze zijn ook xenofoob geworden.

    Terwijl de EU steeds multicultureler werd, sloten de Oost-Europese landen zich steeds meer van de buitenwereld af

    Nog niet zo lang geleden werd er oorlog gevoerd in ex-Joegoslavië om onafhankelijke staten te creëren, en de Tsjechische Republiek en Slowakije gingen uiteen. Roemenië heeft voortdurend problemen met zijn Hongaarse en Romaminderheid. Bulgarije heeft geprobeerd zijn Turkse minderheid Slavisch te maken. De houding van Hongarije tegenover de Roma is nog schandaliger omdat er niet tegen wordt opgetreden.

    Dit alles valt te verklaren vanuit de wil van deze landen om nationale, liefst etnisch zuivere staten te stichten. Terwijl de EU steeds multicultureler werd, sloten de Oost-Europese landen zich steeds meer van de buitenwereld af.

    We mogen niet de rol vergeten die het nationale bewustzijn, de taal en de godsdienst hebben gespeeld bij de verdediging van de nationale en culturele identiteit, die door de totalitaire regimes werd bedreigd. Daarom roept het idee om vreemdelingen op te vangen en te laten integreren angsten op die de xenofobie aanwakkeren. De vraag die dan rijst is de volgende: waarom zou je oorlog hebben gevoerd met je buren en neven als je nu volstrekte vreemdelingen moet opnemen? Waarom zou je, nu je je staat hebt gesticht, omwille van solidariteit afstand moeten doen van je slachtofferstatus en je nationale homogeniteit?

    Hoogtepunt

    Deze weigerachtige houding is dus niet verbazingwekkend. ‘Ondanks alle druk zullen de Hongaren niet bereid zijn hun culturele model te veranderen, omdat ze binnen hun staat geen parallelle samenleving willen creëren, zoals het geval was toen het Westen een groot aantal migranten uit moslimlanden opving,’ heeft Viktor Orbán openlijk verklaard. Ook al is ze moreel onaanvaardbaar, zijn reactie komt niet helemaal uit de lucht vallen.

    In de huidige crisis wenden ook steeds meer West-Europese burgers zich tot conservatieve partijen. De populariteit van de conservatieve en rechts-radicale partijen beleeft een hoogtepunt. In Letland verwijt men de EU dat ze quota’s oplegt en zich gedraagt als Moskou toen dat tienduizenden Russen naar Letland en Estland stuurde. Om vooruitgang te boeken in de vluchtelingenproblematiek zullen we dus enig begrip moeten tonen voor de reacties en het collectieve trauma van de voormalig socialistische landen.

    Auteur: Slavenka Drakulić
    Vertaler: Peter Bergsma

    Slavenka Drakulić is een veel vertaald Kroatisch journalist en auteur die m.n. schrijft over feminisme, communisme en postcommunisme.

    Beeld bovenaan: Migranten rusten aan de Servisch-Hongaarse grens in de buurt van Morahalom. – © Laszlo Balogh / Reuters

    Jutarnji List
    Kroatië, dagblad, oplage 53.000
    Opgericht na de onafhankelijkheid van Kroatië in 1991. De ‘Ochtendkrant’ is de op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en biedt veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.

  • 2. Oorzaken voor de breuk

    2. Oorzaken voor de breuk

    De Europese Unie heeft zich te lang blindgestaard op economische doelstellingen, en te weinig oog gehad voor de geschiedenis, de mentaliteit en de wensen van Oost-Europa, aldus de Oostenrijkse krant Der Standard.

    Op 1 mei 2014 vierden de leiders van de belangrijkste EU-instellingen niet de Dag van de Arbeid, zoals hun burgers. Ze herdachten ‘een succesverhaal, zowel van de oude als van de nieuwe lidstaten’. Dat waren de woorden van Herman Van Rompuy, de toenmalige voorzitter van de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders. Het was de tiende verjaardag van de grootste uitbreiding in de geschiedenis van de EU, met de toetreding van onder andere Oost- en Midden-Europese landen. Tijdens bliksembezoeken aan Tsjechië en Slowakije werd Van Rompuy onderscheiden.

    Eén jaar en de grootste vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog later ziet de ‘volmaakte’ wereld van de vreedzame hereniging na de val van communistische dictaturen er ietwat anders uit. En niet alleen in Praag en Bratislava. In veel West-Europese hoofdsteden neemt de verbittering toe omdat partnerregeringen weigeren op basis van een eerlijke verdeelsleutel vluchtelingen uit Syrië op te nemen.

    De Hongaarse premier Viktor Orbán stelt zich hierbij keihard op. Hij blies de kwestie op tot een Kulturkampf om zijn christelijk-nationalistische wereldbeeld te versterken; hij, die in 1989 als student de charismatische leider van een liberale Fidesz-partij was. De Tsjechische president Milos Zeman, een oud-communist, maakte onlangs duidelijk waarom hij de immigratie van moslims afwijst: ‘Zodra ze in Europa zijn, botsen twee culturen die niet met elkaar te verenigen zijn.’

    In het hoofd van de mensen bestaat het IJzeren Gordijn nog

    De Hongaarse dominee en Europarlementariër László Tökés had deze situatie voorzien. Sinds de toetredingen tot de EU heeft er in Oost-Europa een grote ontnuchtering plaatsgevonden, zei hij een jaar geleden tegen Der Standard. ‘Mentaal, sociaal en in de structuren is er niet veel veranderd. In het hoofd van de mensen bestaat het IJzeren Gordijn nog, dus je kunt spreken van een virtuele deling van Europa.’ Hij klonk treurig. De integratie was helemaal op de economie gericht, men had zich niet bezig willen houden met de mentaliteit van samenlevingen uit een voormalige communistische dictatuur.

    Interessant parcours

    Dominee Tökés legde zelf ook een interessant parcours af. Als lid van de Hongaarse minderheid in Roemenië werd hij vervolgd door het regime van de gevreesde dictator Nicolae Ceausescu. Maar hij zwichtte nooit voor de druk van de Securitate, de geheime dienst. Zijn diensten op zondag werden een verzamelplaats van de oppositie. In de herfst van 1989 escaleerde de situatie in Roemenië toen het regime in Timisoara op demonstranten liet schieten. Enkele weken later was dictator Ceausescu dood, neergeschoten door soldaten van zijn eigen leger, dat tijdens de revolutie een dubieuze rol speelde.

    Tökés werd een van de helden van de revolutie, en bleef in de jaren daarna altijd politiek geëngageerd. In 2007 kreeg hij na de toetreding van Roemenië tot de EU een zetel in het Europarlement als onafhankelijk lid en mensenrechtenactivist. Hij sloot zich aan bij de Europese Groene Partij, maar koos later voor de christendemocraten van de Europese Volkspartij (EVP). In mei 2014 nam hij, met een Hongaars paspoort op zak, zitting in het parlement namens Orbáns Fidesz-partij.

    Het leven van Tökés lijkt op dat van Viktor Orbán en Milos Zeman: een verhaal met meerdere facetten dat een weerspiegeling is van het heterogene ‘nieuwe Europa’ van Donald Rumsfeld [de Amerikaanse minister van Defensie onder George Bush]. Het is zeker niet eenvoudig om alle tegenstellingen en breuklijnen in Europa te begrijpen, of om alle vouwen recht te strijken. Maar toch moeten we een poging doen om te verwijdering tussen West- en Oost-Europa, die door de vluchtelingenkwestie op scherp is gesteld, te verklaren.


    Veel West-Europeanen leven al sinds jaar en dag in een postmateriële maatschappij. Ze hechten waarde aan het algemeen belang en een schoon geweten, en vinden een kopje biologische Fair Trade-koffie belangrijker dan een salarisverhoging. In de meeste Oost-Europese landen daarentegen worstelen brede lagen van de bevolking nog altijd om in het eigen levensonderhoud te voorzien en een bescheiden welvaart te bewerkstelligen.

    In Bulgarije bedroeg het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in 2014 circa 12.500 euro. Om toch nog iets van voorspoed te kunnen tonen, steken mensen zich in de schulden om statussymbolen als auto’s en smartphones te kopen, vertelt een IT-manager met wie Der Standard sprak, maar die niet met zijn naam in de krant wil. Uit onderzoek blijkt dat de postmaterialisten in India, China en Oost-Europa nog altijd een uiterst kleine minderheid vormen, terwijl er in West-Europa in de jaren negentig van de vorige eeuw op elke vier materialisten al drie postmaterialisten waren.

    Oost-Europa heeft het Holocaust-verleden nog niet verwerkt

    Net als Griekenland hebben veel Oost-Europese landen economisch het hoofd boven water gehouden met kredieten uit het buitenland. Tegelijkertijd hebben ze draconische bezuinigingen doorgevoerd, tot de massale onteigening van de eigen burgers aan toe. Zo is in 2011 in Hongarije tien miljard euro uit particuliere pensioenfondsen genationaliseerd om onder andere eerder geprivatiseerde energiebedrijven terug te kopen. Die bieden de burgers nu lage energietarieven, maar zijn daardoor nauwelijks winstgevend en moeten als de nood aan de man is zelfs door de staat worden gesubsidieerd. Door deze gang van zaken zijn de Hongaren steeds armer geworden, zodat velen zelf emigreren – over economische vluchtelingen gesproken. De website Pester Lloyd maakte laatst melding van circa 600.000 emigranten uit Hongarije (dat tien miljoen inwoners heeft) sinds de machtsovername van Viktor Orbán in 2010.

    Van communisme naar nationalisme

    De Oost-Europeanen hebben lange tijd in bezette communistische satellietstaten geleefd. Hierdoor zijn ze pas heel laat naties gaan vormen, met alle oprispingen van nationalisme van dien. In een essay met de titel ‘Het onzichtbare gordijn’ schreef cultuurwetenschapper Wolfgang Müller-Funk: ‘Tussen de claustrofobische structuur van de kleine familie en het verlangen om in een homogeen gebied met de naam “land” te wonen, bestaat een innerlijk verband, net als tussen het overleven van autoritaire communistische structuren en de “illiberale” democratie die afstevent op een eenpartijstaat, waarin de andere politieke groeperingen en partijen geen concurrenten maar vijanden zijn, die je het best eens en voor altijd kunt uitschakelen. Onze buurlanden zijn communistischer dan ze waarschijnlijk voor zichzelf willen toegeven.’

    Anders gezegd: terwijl West-Europa de moderne tijd al opgeruimd vaarwel heeft gezegd en van het voorvoegsel ‘post’ heeft voorzien, viert die in Oost-Europa hoogtij: communisme in een andere vorm, inclusief een vulgair nationalisme.


    Sommige historici denken dat veel Oost-Europese landen zich onvoldoende hebben beziggehouden met de rol die veel van hun burgers tijdens de Holocaust hebben gespeeld. De Poolse historicus Jan T. Gross schreef hierover eerder in Der Standard: ‘Alle bezette Europese samenlevingen hebben tot op zekere hoogte bijgedragen aan de inspanningen van de nazi’s om de joden uit te roeien. Iedere samenleving heeft dat weer op een andere manier gedaan, afhankelijk van de specifieke omstandigheden die in dat land onder de Duitse bezetter golden. Maar het ergst heeft de Holocaust gewoed in Oost-Europa, wat kwam door het grote aantal joden in die landen en de weergaloze wreedheid van de naziregimes. Na de oorlog had Duitsland – vanwege de denazificatie door de zegevierende mogendheden en zijn verantwoordelijkheid voor de planning en uitvoering van de Holocaust – geen andere keuze dan zich door zijn moorddadige verleden “heen te werken”. Oost-Europa moet zijn moorddadige verleden daarentegen nog verwerken. Alleen als dat gebeurt, kunnen de mensen gaan inzien dat ze de plicht hebben om anderen die voor het noodlot vluchten te redden.’

    Machismo

    Oost-Europese mannen staan gewoonlijk dichter bij het ‘macho-ideaal’ dan hun seksegenoten in West-Europa. Volgens televisiedirecteur Gerhard Zeiler bedienen in Oost-Europa mannen de afstandsbediening en in West-Europa vrouwen. Dat zou ook bijvoorbeeld de populariteit van keiharde actiefilms en vechtsportacteurs als Jean-Claude Van Damme in Oost-Europa verklaren.

    Dit leidt zo nu en dan tot ‘interessante’ percepties. Op de partijdag van Fidesz ontstond onlangs een rel omdat parlementsvoorzitter László Kövér zei: ‘Wij willen niet dat Hongarije een maatschappij wordt van vrouwen die mannen haten en verwijfde mannen die bang zijn voor vrouwen, en die in kinderen en gezinnen enkel een hindernis voor zelfverwezenlijking zien. Wij zouden blij zijn als onze dochters het als summum van zelfverwezenlijking zouden beschouwen om kleinkinderen voor ons te baren.’

    De Hongaarse zanger Ákos Kovács deed er nog een schepje bovenop. Onlangs zei hij op de Hongaarse televisie dat het niet ‘de taak van vrouwen is om evenveel geld te verdienen als mannen, (…) wij zeggen juist dat de vrouw aan iemand toebehoort, hem kinderen moet schenken.’ Magyar Telekom [de Hongaarse aanbieder van telefoon- en internetdiensten] beëindigde hierop zijn sponsorcontracten, waarop de regering in Boedapest op haar beurt contracten met Telekom ontbond, met de verwijzing naar het ‘recht op vrijheid van meningsuiting’ van Kovács. Voor de overheid was het blijkbaar een principekwestie.


    West-Europa is veel meer geseculariseerd dan Oost-Europa, ondanks de tientallen jaren communisme. In landen als Oost-Duitsland en Polen waren juist de kerken anticommunistische verzetshaarden. De in dat verzet gesocialiseerde politici bekleden nu de hoogste posities. Ze verdedigen niet meer alleen de religie, en de vrijheid die deze schonk tegenover het communisme, ze verdedigen nu ook Europa tegen de vluchtelingen. László Kiss-Rigó, de bisschop van Szeged-Csanád, ging in deze strijd zelfs recht tegen de paus in en koos de kant van Orbán. Volgens hem ‘doorziet Franciscus de situatie niet’, namelijk dat de moslims momenteel Europa proberen ‘over te nemen’.

    Moeilijke en tijdrovende democratische processen worden als teken van zwakheid opgevat

    De meeste Oost-Europese landen hebben nauwelijks tijd gehad om ervaring op te doen met democratie. En vaak werden democratische principes als oorzaak gezien van de negatieve gevolgen van de ondergang van het communisme. Voor autoritaire leiders is het relatief eenvoudig om in een dergelijke omgeving succes te boeken. Hoe verder je in de ‘Atlas van Europese waarden’ naar het oosten kijkt, hoe meer steun je vindt voor een sterke leider, die weinig belang stelt in het parlement en verkiezingen. Moeilijke en tijdrovende democratische processen worden als teken van zwakheid opgevat. Gecompliceerde constructies zoals de EU beschouwt men als nutteloos, hoewel er via de Unie elk jaar miljarden naar Oost-Europa stromen.

    Geen toeval

    Maar is dit nu allemaal alleen maar een probleem van de Oost-Europeanen? Zeker niet, zo kunnen we wel stellen na de recente successen van West-Europese rechtspopulisten als de Volkspartij in Denemarken en de FPÖ in Wenen. Net als het Front National van Marine Le Pen, dat de extreemrechtse fractie in het Europarlement aanvoert, doen deze partijen wat EU-scepsis betreft niet onder voor veel leiders in Oost-Europa. Wat ze gemeen hebben is een zekere bewondering voor de autocratische Russische president Vladimir Poetin.

    Volgens de voormalige Tsjechische minister van Buitenlandse Zaken Karl Schwarzenberg is dat geen toeval. Hij zegt dat populisten, zowel die van links als die van rechts, niets geven om een EU-handvest, maar vooral op zoek zijn naar het autoritaire. Ook een zekere Adolf Hitler koos ‘heel bewust voor de naam “nationaalsocialistische arbeiderspartij”’.

    Auteurs: Thomas Mayer en Christoph Prantner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: Migranten rusten aan de Servisch-Hongaarse grens in de buurt van Morahalom. – © Laszlo Balogh / Reuters

    Der Standard
    Oostenrijk, dagblad, 103.000
    Profileert zich als liberaal en onafhankelijk. Aanvankelijk vooral nationaal gericht, maar geeft sinds 2005 ook The New York Times International Weekly uit, met zes pagina’s internationaal nieuws.

  • 1. De EU-uitbreiding naar het oosten was een fout

    1. De EU-uitbreiding naar het oosten was een fout

    Noord-Europa heeft heel wat te stellen met de zuidelijke landen en de Britten, schrijft Der Spiegel. Maar de rechts-radicale en nationalistische partijen in het Oosten vormen een veel groter probleem.

    De ontmoeting, begin januari, tussen de Hongaarse premier Viktor Orbán en Jaroslaw Kaczynski [leider van de conservatieve Poolse partij Recht en Gerechtigheid, die sinds oktober 2015 aan de macht is], markeert het begin van de volgende crisis in de Europese Unie: een hernieuwde wig tussen oost en west. De EU kent al twee grote crises: het noorden tegenover het zuiden en Groot-Brittannië tegenover de rest. Beide dateren niet van vandaag of gisteren, alleen de omvang is veranderd.

    Vroeger waren er inkomensverschillen tussen het economisch sterkere noorden en het armere zuiden. Tegenwoordig zijn er economische onevenwichtigheden, wat niet hetzelfde is. Ook het conflict met Groot-Brittannië is al oud. Een kwart eeuw geleden onderhandelden de Britten al over een uitzonderingspositie binnen de Monetaire Unie. Dit jaar houden ze een referendum over het EU-lidmaatschap. Het oost-westconflict in deze vorm is echter nieuw.

    Het resultaat is een interessante geometrische constructie: een kloof tussen het noorden en het zuiden, tussen het westen en het oosten, en tussen het centrum en de periferie. Welkom in het nieuwe Europa.

    In West-Europa gaat de strijd tussen links en rechts, in Oost-Europa tussen rechts en extreemrechts

    Het conflict met de Britten zal dit jaar hoe dan ook worden beslecht. Het conflict tussen noord en zuid zal de EU misschien nog vijf of tien jaar verscheuren. Ik heb er steeds minder fiducie in dat Duitsland en Italië in één monetaire unie naast elkaar kunnen bestaan. Op een gegeven moment wordt de psychische druk gewoonweg te groot.

    Het oost-westconflict is daarentegen een politieke waterscheiding die zijn weerga in de EU niet kent. In West-Europa domineren normaal gesproken twee grote partijen het politieke spectrum, de ene centrumlinks, de andere centrumrechts. Maar in verscheidene Oost-Europese landen – zoals nu in Polen en Hongarije – gaat de strijd tussen rechts en extreemrechts. Van buitenaf lijkt het bijna onmogelijk Orbán nog rechts in te halen, ook al is zijn partij, Fidesz, in het Europese Parlement formeel aangesloten bij de fractie van de christendemocraten. Maar zijn gevaarlijkste tegenstander in Hongarije is de nationalistische partij Jobbik.

    Nieuw rechts in Oost-Europa veracht de liberale landen in het Westen. Vanuit hun optiek is Duitsland liberaal, en staat Merkel links van het midden. Een politiek van open grenzen voor vluchtelingen is wat hun betreft ondenkbaar. Orbán beveiligt zijn grenzen met prikkeldraad.

    Nieuw rechts in Oost-Europa is overigens niet volledig homogeen. Orbán bewondert Vladimir Poetin, Kaczynski haat de Russische president. Enkele rechtse politici, zoals de voormalige Tsjechische president Václav Klaus, zijn radicaal op het gebied van marktwerking. Kaczynski is dat bepaald niet.

    Ondemocratisch

    In Duitsland zouden Orbán en Kaczynski misschien als rechts-radicalen worden bestempeld en onder observatie van de binnenlandse veiligheidsdienst worden gesteld. Hun regeringen hebben de onafhankelijkheid van justitie, pers en zelfs de centrale banken aanzienlijk beperkt. Wat er in deze landen gebeurt, is absoluut niet verenigbaar met de democratische grondbeginselen van de EU.

    Vanuit onze optiek wekt echter nog iets anders verbazing. Hoe komt het dat in deze landen op dit moment nationalistische gevoelens bovenkomen, juist nu ze zijn toegetreden tot de EU? Als Orbán of de Kaczynski’s tien jaar eerder waren gekozen, dan was ons hun lidmaatschap bespaard gebleven. Nu is dat niet meer ongedaan te maken.

    Vergeleken met Oost-Europa zijn de Britten perfecte teamplayers

    En zelf willen ze niet uittreden, want het lidmaatschap van de EU is financieel aantrekkelijk. Dat is een belangrijk verschil met de Britten. De voorstanders van een Brexit verwachten duidelijke economische voordelen. Velen van hen zijn conservatief, maar er zitten ook veel linkse politici tussen. Als je naar Orbán en Kaczynski kijkt, zie je opeens dat we veel gemeen hebben met de Britten. Groot-Brittannië heeft weliswaar ook een rechts-conservatieve partij, UKIP, maar die is bij de laatste verkiezingen compleet geïmplodeerd. Nog meer dan bij ons bestaat politiek daar uit een klassieke strijd tussen een conservatieve en een sociaaldemocratische partij. Geschillen met EU-partners worden opgelost via onderhandelingen, niet met eenzijdige besluiten. De Britten respecteren geldend recht. Ze willen het veranderen, niet schenden.

    Het unilateralisme van het Oosten zal de volgende breuklijn zijn in de politieke geometrie van de EU. Met zo veel van die zwakke plekken moet je niet verbaasd staan als het vroeg of laat tot een echte breuk komt. Ikzelf beschouw de uitbreiding van de EU naar het Oosten achteraf als een grote fout. We hebben landen de EU binnengehaald die Europese integratie geen snars interesseert. Vergeleken met hen zijn de Britten altijd perfecte teamplayers geweest.

    Auteur: Wolfgang Münchau
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: Migranten rusten aan de Servisch-Hongaarse grens in de buurt van Morahalom. – © Laszlo Balogh / Reuters

    Der Spiegel
    Duitsland, weekblad, oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Een man van goede hoop

    Een man van goede hoop

    De Zuid-Afrikaanse auteur Jonny Steinberg kreeg alom lof voor zijn non-fictieboek A Man of Good Hope, dat binnenkort in Nederlandse vertaling verschijnt. In het boek tekent hij het levensverhaal op van de Somalische vluchteling Asad, die naar Amerika wil maar in Zuid-Afrika terechtkomt. In deze voorpublicatie beschrijft Steinberg hoe zijn samenwerking met Asad tot stand kwam.

    Asad Abdullahi zit tegenover me aan een tafel in de Compagniestuinen. Om ons heen zitten oudere blanke mannen te schaken. Mijn schrijfblok ligt open op tafel, ik heb een pen in mijn hand. Ik vraag Asad naar de wijk Kaaraan in Mogadishu, waar hij ongeveer de eerste acht jaren van zijn leven heeft doorgebracht. Hij zegt dat hij zich er maar weinig van herinnert.

    ‘Het geeft niet,’ zeg ik. ‘Probeer maar niet het je te herinneren, vertel gewoon wat in je opkomt als je aan Mogadishu denkt.’

    Er valt me nu iets heel vreemds op. Hij draagt een nauwsluitende gele sweater met capuchon en blauwe skinny jeans, en in deze strakke kleding lijkt hij niet alleen groot en dun, maar ook als het ware verlengd. Elk deel van hem – zijn neus, zijn wangen, zijn handpalmen en vingers, zijn romp – lijkt heel zorgvuldig te zijn uitgerekt. Het resultaat is elegant.

    Ineens bedenk ik dat hij precies op de plek zit waar Kaapstad is ontstaan. De tuinen om ons heen zijn bijna op de dag af 358 jaar geleden aangelegd. Hier zit Asad, op heel oude grond, terwijl hij zelf zo jong is en zo overduidelijk niet welkom.

    In zijn slanke vingers houdt hij een twijgje. Dat heeft hij waarschijnlijk gevonden toen we vanaf de bibliotheek hierheen liepen. Nu breekt hij het in tweeën en brengt het naar zijn neus.

    Hij trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op. Hij ruikt er nog eens aan.

    ‘Wat gek,’ zegt hij. ‘Vanaf het moment dat ik het op de grond zag liggen, wist ik waar de geur me aan zou doen denken.’

    Asad woont in Blikkiesdorp: de aars van Kaapstad, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben

    Hij begint te vertellen hoe hij inkt maakte. Hij was een jaar of zeven en leerling van een madrassa. Daar maakte hij het houtskoolmengsel waarin hij zijn pen zou dopen om de Koran over te schrijven. Om de inkt te binden heb je het sap van de agreeg-boom nodig. Je splijt een takje open en knijpt met je vingers het sap eruit en laat dat in de houtskool en het water druppelen. Terwijl je in het mengsel roert, breng je onwillekeurig je vingers naar je neus. Je ademt diep in. Ah!

    Op zijn gezicht verschijnt een intens weemoedige glimlach, en ik denk dat ik weet waar hij met zijn gedachten is.

    Hij weet dat ik er nog ben, dat aan de tafel naast ons mannen zitten te schaken. Maar hij is ook ergens anders en hij geniet ervan, omdat hij beseft dat het maar heel even zal duren. Hij is meer dan twintig jaar in de tijd teruggegaan. Dankzij het twijgje dat 
hij in de Compagniestuinen heeft gevonden, beleeft hij een vergeten hoogtepunt opnieuw, want uit de uitdrukking op zijn gezicht blijkt duidelijk dat het sap van de agreeg bedwelmend is.

    Ik krijg een ingeving. Ik weet dat ik als ik erover nadenk, al is het maar heel even, een reden zal vinden om het niet te doen, dus denk ik er niet over na. Een man die zomaar een twijgje opensplijt en daardoor zo levendig, zo krachtig naar een andere wereld wordt teruggevoerd, dat is een man over wie ik een boek zou moeten schrijven.

    Kinderen in Blikkiesdorp. – ©  Dan Kitwood / Getty Images
    Kinderen in Blikkiesdorp. – © Dan Kitwood / Getty Images

    Enkele weken eerder was ik naar zijn hut gereden om daar te ontbijten. Volgens mijn agenda was dat op 24 september 2010, een nationale feestdag in Zuid-Afrika. Pearlie Joubert, een journaliste die ons aan elkaar had voorgesteld, was bij me. Ik had eerst een heel ander boek in gedachten. Ik had Pearlie gevraagd me te introduceren bij mensen die in mei 2008 uit Kaapstad waren gevlucht na de geweldsuitbarsting tegen buitenlanders die in Zuid-Afrika woonden. Die periode had ik willen vergelijken met gebeurtenissen van vijftig jaar eerder.

    Asad kwam naar buiten om ons te begroeten. Hij droeg een turquoise macawi, die rond zijn middel was geknoopt en tot op zijn enkels viel. Pearlie had me verteld dat hij zevenentwintig was. Ik vond dat hij ouder leek, misschien omdat ik een macawi associeerde met iemand van middelbare leeftijd.

    Hij nodigde ons uit binnen te komen in de hut, die overal bedekt was met prachtige, geplooide stoffen. Er hingen er een stuk of tien van het plafond in de hoek bij zijn bed om het af te schermen van de rest van de kamer. Ook de blikken muren waren bedekt met stoffen. De kleuren ervan waren donker en gedempt: kastanjebruine en donkergroene tinten. Ze hulden de kamer in schaduwen, alsof het schemerde en niemand het licht had aangedaan, en ik schrok toen ik ineens zijn vrouw zag. Ze zat op een kruk in de hoek. Haar mollige gezicht staarde ons aan vanonder een hoofddoek die haar wangen bijna helemaal bedekte.

    Asad nodigde ons uit te gaan zitten en boog zich over een bunsenbrander. Hij zei dat hij voor ons het Somalische ontbijt wilde maken waar hij het over had gehad: pannenkoeken. Naast hem stond het deeg in een plastic kom, en op het fornuis stond een pan met reepjes vlees en uien en paprika’s te sissen.

    Asad Abdullahi – © Sam Barker
    Asad Abdullahi – © Sam Barker

    Asad woont in Blikkiesdorp. Het wordt soms de aars van Kaapstad genoemd, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben. Dat klopt wel zo ongeveer. Het dorp dat in 2007 door de gemeente is gebouwd, bestaat uit zestienhonderd identieke eenkamerbouwsels die in zestien identieke vierkante blokken zijn verdeeld. Het is neergezet om mensen onderdak te bieden die uit illegaal bewoonde woningen waren gezet, een dump waar de uitgestotenen van de stad op een hoop zijn gegooid. Doordat het meer dan dertig kilometer van het centrum van Kaapstad ligt, is het economische hart van de stad alleen bereikbaar via een lange, dure taxirit. Het is het ultieme getto: de bewoners zijn ingesloten door afstand, armoede en hun eigen achtergrond. Begin 2010 hebben de stad en het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen in hun gezamenlijke wijsheid besloten om vierendertig Somalische en Congolese families in Blikkiesdorp te plaatsen. Ze hadden in 2008 allemaal hun huis moeten ontvluchten met een bende Zuid-Afrikanen op hun hielen. Allemaal hadden ze het grootste deel van de afgelopen twee jaar moeten doorbrengen in geïmproviseerde vluchtelingenkampen, omdat ze te bang waren om terug te gaan naar Kaapstad. Blikkiesdorp was voor hen de plaats om te re-integreren. Ze mochten zonder huur te betalen in een eenkamerhut wonen te midden 
van de verschoppelingen van de stad, mensen die misschien niet anders konden dan hen haten.

    Twee maanden voordat ik Asad leerde kennen, ging er een gerucht door Blikkiesdorp. Het was de dag voor het einde van het wk voetbal, dat zo trots op Zuid-Afrikaanse bodem werd gehouden. Blikkiesdorp, aldus het gerucht, zou dat vieren door de daar wonende buitenlanders te vermoorden. Die avond verzamelde zich bij Asads hut een menigte, die stenen tegen de blikken wanden begon te gooien. Asad belde Pearlie, die iedereen in Kaapstad leek te kennen, onder wie iemand in de hogere rangen van de politie. Een afdeling ordepolitie haastte zich naar het strijdtoneel.

    Tijdens het ontbijt vertelde Asad ons hoe hij zijn kostje bij elkaar scharrelde.

    Elke morgen ging hij naar Mitchells Plain Town Centre, ongeveer tien kilometer verderop, een druk winkelcentrum in de grootste township van Kaapstad, dat door Somalische handelaren was overgenomen. Hij bleef daar dan rondhangen tot hij iemand vond die een chauffeur nodig had om voorraden op te halen in een van de groothandels in Kaapstad, of om enkele mensen naar een andere stad te brengen, of voor wat dan ook. Asad bood aan tegen een vergoeding te rijden.

    Hij zei dat het nauwelijks iets opleverde, dat hij een handelaar was, een zakenman, en dat hij om te overleven een winkel moest openen hier in Blikkiesdorp, maar dat hij daarvoor alleen het geld nog bijeen moest krijgen.

    Dit was geen loze praat. Ik zou de komende weken tijd van hem kopen. Hij zou me door de Somalische delen van de stad leiden, me naar de hostels en 
restaurants daar brengen en me voorstellen aan de ondernemers. Ook zou hij ontmoetingen regelen met mensen die in mei 2008 uit allerlei delen van de stad waren gevlucht. Met zijn hulp zou ik een verhaal schrijven over de ervaringen van de Somaliërs tijdens die beruchte periode van gewelddadigheden. Ik zou hem zevenduizend rand betalen voor zijn tijd, exact het bedrag dat hij nodig had om een winkel te kunnen beginnen.

    Ik zat in zijn hut en at het ontbijt dat hij had klaargemaakt, toen ik ineens bedacht dat onze overeenkomst zijn leven een stuk gevaarlijker zou maken.

    ‘Wil je hier een zaak runnen waar alleen contant 
geld in omgaat?’ vroeg ik. ‘Wat zal je buren er dan van weerhouden je neer te schieten en je dagopbrengst 
te stelen?’

    Hij lachte. Niet alleen met zijn ogen, maar met zijn hele mond. Zijn tanden waren hagelwit en volmaakt regelmatig.

    ‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer 
ik zal sterven,’ antwoordde hij. ‘Terwijl je nog in de baarmoeder zit, heeft Allah al de hele loop van je leven bepaald.’

    Hij keek me ondeugend aan. Ik had het gevoel dat hij me een privégrapje had verteld.

    Bewoners van Blikkiesdorp ten tijde van het WK Voetbal in 2010. – © Dan Kitwood / Getty Images
    Bewoners van Blikkiesdorp ten tijde van het WK Voetbal in 2010. – © Dan Kitwood / Getty Images

    Een week nadat ik hem in de Compagniestuinen had gesproken, ging ik naar hem toe in Blikkiesdorp. Hij had een gat in een van de blikken wanden gesneden en dat dichtgemaakt met een metalen draadwerk. Erachter stond een krukje en daarachter bevonden zich schappen tot aan het plafond, vol sigaretten en chips en ingeblikt eten en zakken mieliemeel.

    Aanvankelijk vertel ik hem niet waar ik op hoop. Ik bezoek hem twee keer per week in Blikkiesdorp. We zitten dan op zijn bed en praten ongeveer een uur. Daarna vertrek ik.

    Aan het einde van een van deze bezoekjes vraag ik of hij wil nadenken over het idee dat ik een boek schrijf over zijn leven. Ik zeg dat hem dit, als we het erover eens worden, veel tijd zal kosten: twee ochtenden per week en dat misschien wel een jaar lang. Ik was van plan de plaatsen te bezoeken waar hij had gewoond – of in elk geval de plaatsen waar je naartoe kon – en ik wilde mensen gaan zoeken die hem hadden gekend, de huizen zien waar hij had geslapen en door de straten lopen waar hij had gelopen. Ik beloof hem 25 procent van de royalty’s wanneer het boek uitkomt, en noem het bedrag waar het waarschijnlijk om zal gaan. Hij hoeft me niet meteen een antwoord te geven; ik vind dat hij er eerst over moet nadenken.

    Met gemengde gevoelens rij ik over de n2 terug naar Kaapstad. Ik ben opgewonden. Zodra ik terug ben op de universiteit van Kaapstad zal ik, nog voordat ik mijn kantoor binnenloop, regelrecht naar de bibliotheek gaan en er vier of vijf van de meest gezaghebbende boeken over Somalië halen en me erin verdiepen. Ik voel me ook ongemakkelijk. Dit is niet de eerste keer dat ik het zeer persoonlijke levensverhaal opteken van iemand die veel armer is dan ik. Het geeft me een bijzonder ongemakkelijk gevoel om geld te betalen voor toegang tot de privéwereld van iemand die arm is. Per slot van rekening is datgene wat ik maak een commercieel product, en het idee dat ik de enige ben die eraan verdient is onaangenaam.

    Bij eerdere gelegenheden heb ik geprobeerd het beste uit beide te halen. Ik vroeg iemands medewerking zonder hem daarvoor geld aan te bieden; zijn beweegredenen om daarmee in te stemmen waren steevast ingewikkeld en vaak ondoorgrondelijk. We werken lang samen. Ik laat hem de conceptversies zien van het manuscript dat zal worden uitgegeven. En vervolgens, zodra ik helemaal zeker ben van zijn toestemming zonder betaling, bied ik hem een deel van de royalty’s aan.

    Ik ben het beu om op deze manier te werken. Het is me gaan tegenstaan: de aanmatiging, het verzwijgen, de autoriteit die ik mezelf heb gegeven om de overeenkomst er tot de laatste druppel uit te persen. En dus bied ik Asad op voorhand een handelsartikel aan waarvan we de opbrengst zullen delen. Dat lijkt me veel zuiverder en eerlijker.

    Toch lost dit lang niet alles op. Het geld dat ik hem heb betaald om zijn winkel op te zetten, heeft hem de ruimte gegeven om met mij te praten. Je kunt van een man die elke dag om werk loopt te schooien niet verlangen dat hij twee dagen per week vrij neemt om zijn herinneringen door te spitten. De beloofde royalty’s zullen er ongetwijfeld voor zorgen dat hij zijn verplichtingen nakomt tot het einde van het project, ongeacht hoe diep ik in zijn privéleven graaf. Ik heb nog geen manier gevonden om een boek te schrijven zonder macht uit te oefenen.

    ‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer ik zal sterven’

    Uiteindelijk zorgt ons project voor een veel directer en onverwachter ongemak.

    Het begint met de vraag wat er met Asads winkel moet gebeuren in de uren die hij met mij doorbrengt. Zijn vrouw kan achter de toonbank staan wanneer hij met me praat, maar ze spreekt heel weinig Engels en geen Xhosa of Afrikaans, en dus moet Asad, die deze drie talen steeds beter beheerst, altijd in de buurt zijn. Soms ga ik met hem mee naar Mitchells Plain of naar Bellville, of naar een klusje waarvoor 
hij in het centrum van de stad moet zijn. Over het algemeen moeten we onze gesprekken echter binnen roepafstand van zijn zaak voeren.

    In het begin spreken we af in zijn hut. Ik zit op de rand van zijn bed en hij zit op een plastic stoel. Maar hij voelt zich niet op zijn gemak met deze regeling. Hij friemelt voortdurend met zijn handen. Bij het minste of geringste geluid van buiten spitst hij zijn oren. Toen we een uur bezig waren aan ons tweede gesprek, had hij er genoeg van. Hij laat me kortaf weten dat we niet meer in zijn hut kunnen afspreken en staat erop dat we naar mijn auto verkassen.

    En dat wordt dus, keer op keer, de plaats waar we elkaar treffen. Ik zit op de plaats van de bestuurder, hij op die van de passagier, mijn schrijfblok gaat telkens van mij naar hem en weer terug terwijl ik korte aantekeningen neerkrabbel van zijn verhaal en hij tekeningen maakt bij de taferelen die hij beschrijft. Ik sta evenwijdig aan zijn hut geparkeerd, niet meer dan een meter of twee van het met een metalen draadwerk afgedekte gat waardoor zijn vrouw de klanten bedient. Iedereen die iets bij hem gaat kopen, strijkt langs mijn autoportier.

    Hij zegt dat hij dit wil omdat zijn hut te klein is, maar dat is niet zo. Het is een heel prettige ruimte om te praten, in feite veel gezelliger dan een auto. Ik vraag me af wat de werkelijke reden is en waarom hij die voor me verborgen wil houden.

    Wanneer er een ritme ontstaat in de tijd die we samen doorbrengen en dat ritme betekenis begint te krijgen, dringt het langzaam tot me door. Ronduit gezegd, het dringt tot me door zodra ik me de bizarre en perverse aard van onze ontmoetingen realiseer.

    Ik ben een ingezetene van mijn land, en veel vreemdelingen om me heen weten dat. Een van hen wil misschien wel een kogel door mijn hoofd schieten, maar hij weet dat hij daarmee een hele machinerie op gang brengt en dat ze naar hem zullen zoeken. 
Ik en degenen om me heen, wij bevinden ons in dezelfde kring. We kennen allemaal de regels.

    Asad bevindt zich niet in die kring. Hij staat erbuiten, want de regels zijn niet op hem van toepassing. Zijn winkel levert elke dag contant geld op en hij weet dat zijn buren weten dat als iemand hem door zijn hoofd zou schieten en zijn geld zou stelen, de machinerie van de staat in een reflex haperend in beweging en dan tot stilstand zou komen. Het dringt langzaam tot me door dat deze wetenschap zijn leven bepaalt. Bij elke beslissing die hij neemt, botst het imperatief om vrij te zijn met het imperatief om veilig te zijn. Op zijn schouders rust de permanente last om niet vermoord te worden.

    Het is onze derde week samen. We zitten in mijn auto te praten.

    ‘Start de auto,’ zegt hij.

    Ik kijk hem aan. Een ogenblik geleden was hij nog diep verzonken in jeugdherinneringen, zijn hoofd gebogen, uit gewoonte met zijn hand over het dashboard strijkend. Nu zit hij kaarsrecht met zijn ogen strak gericht op de achteruitkijkspiegel.

    Ik draai me om.

    ‘Niet doen,’ zegt hij. ‘Start de motor nou maar.’

    Ik doe wat hij zegt. Daarna draai ik aan mijn zijspiegel om te zien wat hij ziet. Een paar honderd meter achter ons komen drie jonge mannen op ons af lopen met de capuchon van hun trui ver over hun wenkbrauwen getrokken. Ik ben niet bang. Ik weet zeker dat ze zo meteen rechtsaf of linksaf zullen gaan en een andere straat in zullen lopen. Het zijn gewoon drie inwoners van Blikkiesdorp die met hun eigen zaken bezig zijn. Iedereen onder een bepaalde leeftijd draagt immers zo’n trui met capuchon. Die van Asad ligt keurig opgevouwen bij de kleren in zijn hut.

    We wachten.

    Ik begin Asads angst te voelen.

    Alsof het een virus is, alsof het van hem is af gesprongen en in mijn huid is gedrongen en nu door mijn aderen kruipt.

    Dit moment levert heel veel op. Doordat een deel van hem in mijn bloed zit, kan ik het begrijpen. Ik weet nu waarom hij erop staat dat we elkaar in mijn auto treffen. Belangrijker nog, ik weet welke overwegingen hebben meegespeeld toen hij me toeliet in zijn leven.

    ‘Elke keer dat ik je bezoek ben je bang,’ zeg ik.

    ‘Ja,’ antwoordt hij, met zijn ogen nog steeds gericht op de mannen achter ons.

    ‘Je bent bang dat een blanke in een mooie auto 
mannen met wapens aantrekt, dat jij en je gezin minder veilig zijn als ik er ben.’

    ‘Ik maak me daar heel veel zorgen over,’ zegt hij.

    ‘Je wil ook per se dat we elkaar ’s morgens treffen, omdat de gangsters dan slapen.’

    ‘Dat klopt.’

    ‘En je wil me in de auto ontmoeten, zodat je het gevaar kunt zien aankomen.’

    ‘In de hut,’ zegt hij, ‘kun je niets zien. Het eerste wat je van ze ziet, is een wapen voor je neus.’

    De drie jonge mannen zijn ons inmiddels voorbijgelopen en we kijken hen na terwijl ze verdwijnen.

    Ik zet de motor af en pak mijn pen en schrijfblok. Ik wil hem niet vertellen wat ik nu nog meer denk te weten. Dat hardop zeggen zou gevaarlijk zijn. Het zou ons dwingen om onze regeling nader te onderzoeken in al haar naakte perversiteit; het zou het 
ons moeilijker maken door te gaan.

    Ik stel me zijn overwegingen voor. Hij wil heel graag met mij in contact blijven, want ik ben net als Pearlie iemand van de andere kant, iemand die binnen 
de baan van het recht reist. Wie weet wanneer hij 
de hulp van zo iemand nodig heeft? Misschien vanavond al.

    Maar om onze relatie in stand te houden, moet hij urenlang naast me zitten en in zijn verleden duiken. Anders verlies ik mijn belangstelling in hem en ga ik weg. Hij moet die herinneringen ophalen in de buurt van zijn woning en gezin, want hij kan zijn nieuwe zaak niet zo vaak en zo lang in de steek laten. Niettemin denkt hij dat mijn regelmatige bezoekjes waarschijnlijk mannen met wapens zullen aantrekken.

    Dus jongleert hij. De delen van mij die veiligheid brengen, haalt hij dichterbij en de delen die gevaar kunnen betekenen, probeert hij zo veel hij kan te reduceren.

    Vandaar mijn auto. Tussen oktober 2010 en september 2011 hebben we daar vele uren doorgebracht. Terwijl hij met zijn innerlijke oog naar zijn jeugd kijkt, scannen de twee ogen aan weerszijden van zijn neus de straat.

    Auteur: Jonny Steinberg

    Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
    Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
  • ‘Zou u terug willen naar het muffe Duitsland van vroeger?’

    ‘Zou u terug willen naar het muffe Duitsland van vroeger?’

    Der Spiegel sprak met de Duits-Iraanse schrijver en essayist Navid Kermani over het vluchtelingenvraagstuk. Problemen zoals in Keulen moet je volgens hem erkennen en benoemen. Maar hij blijft geloven in het nieuwe, pluriforme Duitsland.

    Der Spiegel: Meneer Kermani, we hebben kort na het bekend worden van de gebeurtenissen in Keulen met elkaar gebeld. U leek niet volkomen verrast.
    Kermani: Die bendes zijn al jaren een probleem, ook in deze wijk. Iedereen weet dat. Maar als je hier het Marokkaanse café binnenstapt, dan verbaas je je.

    Der Spiegel: Waarover?
    Kermani: Dat de mensen daar schijnbaar meer weten dan de politie. Ze weten blijkbaar wie deze jongens zijn, ze zeggen ook dat die al in Marokko crimineel en drugsverslaafd waren: straatjongens, zonder op-
voeding, zonder binding, die op eigen houtje gekomen zijn. De Marokkaanse families hier zijn, zacht uitgedrukt, niet blij met deze laatkomers.

    Der Spiegel: Wat bedoelt u?
    Kermani: Nou ja, ze praten ongeveer zoals de politici van de CSU: uitzetten, meteen!

    Der Spiegel: Ach.
    Kermani: Wat er gebeurd is, is nieuw, en verontrustend voor ons allemaal. Eigelstein is een stationsbuurt, een multicultureel stadsdeel, met alle romantiek, maar ook de problemen die zich zo duidelijk manifesteerden op Oudejaarsdag: alcohol, drugs, machogedrag, losbandigheid en die ‘haat tegen de burgerlijke samenleving’, zoals het heet.

    Der Spiegel: Zou u het zo durven noemen?
    Kermani: De lui die waarschijnlijk de harde kern daarvan vormen, lijken in elk geval niet de mensen die gekomen zijn om hier arts te worden.

    Der Spiegel: Of schrijver.
    Kermani: Of om bij Ford te werken. Die komen 
vermoedelijk omdat het hier makkelijker is: meer opbrengst, minder politie, die ook niet zo hard optreedt als de politie in Marokko.

    Der Spiegel: Nu is iedereen geshockeerd.
    Kermani: Pluriformiteit veroorzaakt problemen. Zou ik, zou u graag terug willen naar een monocultuur, of een homogene volksgemeenschap? Mij lijkt het Duitsland van nu spannender, en ook sympathieker dan, laten we zeggen, de muffe sfeer van de jaren vijftig.

    Der Spiegel: En als de problemen te groot worden?
    Kermani: Sorry, maar er komen zo veel mensen uit de meest uiteenlopende landen en sociale klassen, en met de meest uiteenlopende achtergronden. En niet alleen de Duitsers hebben ressentimenten. Moet u de Marokkanen van de eerste generatie eens horen praten over de tweede, of de Turken over de Arabieren, en dan de Iraniërs over de Turken. En de moderne Turken uit Istanboel over de vrome Anatoliërs!
    We leven in een fragiel evenwicht, en als er dan 
terreuraanslagen of dingen als in de Oudejaarsnacht in Keulen gebeuren, dan wekt dat angstgevoelens. We weten dat uit de geschiedenis, en we zien het nu in het Midden-Oosten: zelfs in vreedzame tijden wordt identiteit gevormd door zich tegen anderen 
af te zetten. En in tijden van grote onzekerheid of sociale ontbinding gaat dat vaak genoeg helemaal niet vreedzaam. Pluriformiteit is altijd in gevaar, en ja, ook gevaarlijk. Dat kan omslaan, kantelen. Op het moment dat mensen zich onzeker voelen, angstig worden, komen ze met hun vermeende identiteit 
op de proppen en zetten die in tegen de anderen. 
Dat is bijna een natuurwet. En dan de seksuele overtredingen. Dat was in Joegoslavië al zo, en nu in Irak en Syrië: vrouwen zijn altijd de eerste slachtoffers. 
De vrouwen van anderen zijn vogelvrij verklaard.

    Keulen, 4 februari. Tijdens het carnaval is de politie massaal aanwezig om een herhaling van de gebeurtenissen op Oudejaarsavond te voorkomen. – © Getty Images
    Keulen, 4 februari. Tijdens het carnaval is de politie massaal aanwezig om een herhaling van de gebeurtenissen op Oudejaarsavond te voorkomen. – © Getty Images

    Der Spiegel: Trofeeën van de haat.
    Kermani: En als iemand daar niet bang van wordt, zou ik graag willen weten in wat voor wereld die leeft. Bijna een miljoen migranten in een half jaar, dat is echt veel. Een reusachtige opgave.

    Der Spiegel: En dan laat de politie het afweten.
    Kermani: Niet voor het eerst. In Keulen heeft de NSU [Nationalsozialistischer Untergrund] twee terreuraanslagen gepleegd, waarvan een hier in de wijk: maar 200 meter hier vandaan in de Probsteigasse heeft een NSU-bom de dochter van een Iraanse 
kruidenier zwaar verwond. Mijn dochter ging vlak daarnaast naar een kinderdagverblijf. Wij kenden 
de familie, kochten daar vaak chocola of melk. Van de ene dag op de andere was de zaak dicht. De veiligheidsdiensten hebben gefaald, hebben sporen die naar het Duits-nationalistische milieu leidden uitgewist en jarenlang slachtoffers tot daders gemaakt. Of denk aan de Hogesa-protesten [Hooligans gegen Salafisten]. Het kan toch niet dat vijfduizend hooligans zomaar midden in de stad urenlang kunnen protesteren. Als het falen van de autoriteiten zich zo dramatisch herhaalt, dan moet dat aan het systeem liggen. Maar dat kunnen we ons in een multiculturele samenleving, met zo veel nieuwe migranten en gewelddadige neigingen van meerdere kanten, niet permitteren. We moeten de staat kunnen vertrouwen.

    Der Spiegel: Kan het zijn dat we ons hebben laten misleiden door de illusie van: oké, er zijn problemen in de steden, maar op zich gaat het wel?
    Kermani: Ik geloof wel dat men een zekere criminaliteit door de vingers zag. Niet iedere terreuraanslag kan voorkomen worden, maar wat er bij het Centraal Station is gebeurd, had voorkomen kunnen worden. Ik zou als surveillerend agent, tussen zeer agressieve jongelui die stijf stonden van de drugs, woedend zijn op een leiding die zelfs aangeboden versterkingen afwijst.

    Der Spiegel: U had het over de bendes die de harde kern vormden van de Oudejaarsnacht. Blijkbaar waren daar ook vluchtelingen bij.
    Kermani: Ja, al speculeert iedereen daar nog over. Het schijnt in elk geval zo geweest te zijn dat daar ook vluchtelingen stonden en dronken, en misschien op een gegeven moment dachten dat ze wel de beest uit konden hangen. En nu discussiëren we over de Arabische man in het algemeen. Dat gaat mij echt veel te ver, dat culturalisme en deels ook racisme waarin plotseling iedereen zich openlijk meent te mogen uitleven. De Arabische man, lieve help! 
Elyas M’Barek [Duitse acteur van Oostenrijks-
Tunesische afkomst] is er ook een, en Sami Khedira [voetballer van Duits-Tunesische afkomst] net zo. Worden zij ook bedoeld? Of hebben wij, dus u, die op Europese wijze onschadelijk gemaakt? Ik ben als moslim opgegroeid, en heb mijn dochter toch naar de Montessorischool gestuurd.

    ‘We hebben de immigratie gecriminaliseerd’

    Der Spiegel: Ik maak niemand onschadelijk. Aan de feministische kant van het debat wordt inderdaad de vraag gesteld of een islamitische opvoeding waarden als respect voor, en gelijkberechtiging van de vrouw kan overdragen.
    Kermani: Dat ik me niet aan vrouwen vergrijp is in elk geval niet alleen aan mijn Duitse socialisatie toe te schrijven.

    Der Spiegel: Maar wat is er dan aan de hand met die Arabische jongemannen?
    Kermani: Er zijn enorme problemen in grote delen van de Arabische wereld, speciaal onder de jonge mannen; deze problemen zijn niet te wijten aan een Arabisch gen, maar zijn benoembaar: een bevolkingsexplosie en een economische liberalisering, die heeft geleid tot een zichtbare rijkdom van zeer weinigen die steeds groter en obscener is geworden. De massa jongelui heeft zelfs met een diploma geen enkel beroepsperspectief, geen enkel uitzicht op een eigen woning en een huwelijk. En tegelijkertijd is seks buiten het huwelijk taboe. De informatietechnologie heeft de smaak van vrijheid en pornografie gebracht, 
terwijl de mogelijkheden om die vrijheid te beleven steeds kleiner zijn geworden. Dat maakt de sociale diagnose – en ik heb nu echt nog maar een van de vele aspecten genoemd – er niet ongevaarlijker op, ook niet met het oog op de toestroom van deze jonge-
mannen uit die samenlevingen. Maar als je dat goed tot je laat doordringen, begin je tenminste iets te begrijpen. Wat hebben wij eraan als we ons verschansen in onze discours van culturele superioriteit en met steeds grotesker theorieën komen, zoals vroeger over de negers of de joden, tegenwoordig over de moslim, en nu over de Arabische man? Daarmee los je geen enkel sociaal probleem op. In tegendeel: de tegenstellingen worden nog scherper, omdat dit discours uitmondt in discriminatie en leidt tot nog meer uitsluiting.

    Der Spiegel: Maar waarom zijn het vooral jongemannen die migreren, en niet meer families?
    Kermani: Omdat we de immigratie gecriminaliseerd hebben. Zo dwingen we de mensen tot een lange vluchtweg, die de fysiek sterkeren beter aankunnen.

    Der Spiegel: Nog steeds komen er veel mensen, ondanks de winter, en nog altijd hebben we geen idee wie dat zijn.
    Kermani: Nogmaals: om dit proces te kunnen 
sturen, mogen we de mensen niet in de illegaliteit dwingen.

    Der Spiegel: En hoe pakken we dat aan?
    Kermani: Daar praten we al tien jaar over. We moeten immigratie scheiden van asielverlening. Immigratie richt zich naar de behoeften van de ontvangende samenleving, asielverlening naar de nood. Zolang er nauwelijks een mogelijkheid is om voor immigratie in aanmerking te komen, probeert iedereen het via de asielprocedure. En zolang het praktisch onmogelijk is om aan een buitengrens van de EU een asielaanvraag in te dienen, moeten zowel de immigranten als de vluchtelingen hun geld, hun tijd en hun moed investeren in de smokkelindustrie in plaats van in hun opleiding en hun toekomst.

    Der Spiegel: Veel Europese staten weigeren mee te doen aan een gemeenschappelijke oplossing.
    Kermani: Ja, zoals Duitsland weigerde toen er nog niet zo veel vluchtelingen kwamen. Duitsland heeft Europa de Dublin-regeling opgedrongen en daarmee het eigen asielrecht praktisch ontlast. Je moest 
ongeveer aan een parachute boven Duitsland gedropt worden om legaal van je grondrecht gebruik te kunnen maken.

    Der Spiegel: Was het ‘Wir schaffen das’ van mevrouw Merkel en de beslissing om de grenzen te openen misschien niet zo zinvol, omdat vroeg of laat vanzelf de vraag rijst hoeveel mensen we kunnen opnemen?
    Kermani: U moet wel bedenken dat dat een noodsituatie was. De mensen zaten in Hongarije op de snelweg, uitgehongerd en door de Hongaarse autoriteiten heel slecht behandeld. Men had niets anders kunnen besluiten.

    Wie in zijn gemeente Syriërs opneemt, hun dankbaarheid ervaart, hun verhalen hoort, die is gewapend tegen vreemdelingenhaat

    Der Spiegel: Maar de mensen zomaar uitnodigen, zonder een tijdslimiet?
    Kermani: Staten als Polen en Hongarije blokkeren een oplossing. Een deel van Europa verleent geen asiel meer. Nu is er een situatie die niet eeuwig kan duren. Dat weet ook iedereen.

    Der Spiegel: En als het toch voortduurt?
    Kermani: Dan zullen er meer nachten komen 
als die in Keulen. Of dingen die misschien nog onaangenamer zijn.

    Der Spiegel: Onaangenaam is zacht uitgedrukt.
    Kermani: Het zal Duitsland in elk geval niet lukken om het probleem van het Midden-Oosten hier op 
te lossen. We hebben een Europese Unie die niet 
adequaat kan reageren op de interne en externe uitdagingen, omdat men het over de fundamentele kwesties niet eens is. Steeds meer regeringen wijzen de zogeheten Europese waarden af. Die vinden dat vrouwen en homo’s geen gelijke rechten hebben, dat de vrijheid van meningsuiting en de scheiding der machten niet meer zo belangrijk zijn. Europa heeft geen innerlijke kracht meer.

    Der Spiegel: Echt sterk is het nooit geweest.
    Kermani: Jawel. Europa was beresterk – het heeft dit gewelddadige continent niet alleen vrede gebracht, het heeft ons niet alleen unieke welvaart bezorgd en tot op zekere hoogte gezorgd voor sociale rechtvaardigheid, in elk geval heel veel meer dan er bestaat in de Verenigde Staten. Europa heeft de vrijheid bevorderd, allereerst in Duitsland, maar ook in Oost-Europa en eerder in Griekenland, in Spanje, in Portugal – het vooruitzicht bij Europa te horen heeft de democratie aan een doorbraak geholpen. Europa is niet alleen een vredesproject, maar ook een vrijheidsproject. Het is de politieke toepassing van de Verlichting.

    Der Spiegel: Dat klinkt een beetje als een zondagse preek.
    Kermani: Ik weet het. Maar onze generatie heeft de bestaansgrond van dit Europa, de Tweede Wereldoorlog, de onvrijheid, de honger, niet zelf meegemaakt.

    Der Spiegel: Nog eens terug naar Keulen: is het verkeerd om de herkomst van de daders te benoemen?
    Kermani: Helemaal niet. Maar als je echt van dik hout planken wilt zagen, dan doe je eerst alsof er een zwijgplicht bestaat, en dan gooi je het in de media. We hebben nu de paradox dat iedereen praat over de herkomst van de daders, en tegelijk het gevoel heeft dat je over de herkomst van de daders niet mag praten.

    Der Spiegel: Het debat wordt ook gekenmerkt door het gebrek aan vertrouwen dat deze samenleving lijkt te hebben in haar eigen geschiktheid voor democratie.
    Kermani: Daar ben ik niet bang voor. Ik zie toch hoe het nu op de scholen gaat. Als schrijver kom ik vaak op scholen. In Siegen was ik indertijd de enige die anders was. Nu zijn er in iedere klas veel die anders zijn. De pluriformiteit is vanzelfsprekend geworden, juist nu ook voor degenen die persoonlijke ervaring met vluchtelingen hebben opgedaan. Wie in zijn gemeente Syriërs opneemt, hun dankbaarheid ervaart, hun verhalen hoort, die is gewapend tegen vreemdelingenhaat, ook wanneer andere vreemdelingen zich schuldig maken aan erge dingen. Hij of zij zal niet zeggen: het zijn de buitenlanders, de vluchtelingen, maar zal nuanceren.

    Der Spiegel: De aanslagen in november in Parijs, het afgelasten van de interland in Hannover, de bommelding in München op Oudejaarsavond, de voorvallen in Keulen op diezelfde avond, de terreuraanslag in Istanboel, waarbij tien Duitse toeristen omkwamen: het is of iemand een afschuwelijk draaiboek aan het schrijven is.
    Kermani: En in zekere zin wordt dat draaiboek ook geschreven. Er zijn mensen die met bommen de escalatie willen uitlokken. En zoiets als bij het Keulse station is voor die lui een extra gelukje.

    ‘We moeten ons haasten om ook na de volgende aanslag onze vrijheid en openheid overeind te houden’

    Der Spiegel: En nu?
    Kermani: Er is die beroemde regel van Hölderlin: ‘Wo aber Gefahr ist, wächst das Rettende auch.’ Wat overigens niets anders betekent dan dat er sprake is van een wedloop: enerzijds de escalatie, anderzijds het rijpingsproces van een samenleving. Beide voltrekken zich tegelijkertijd, en ja, we moeten ons haasten om ook na de volgende aanslag onze vrijheid en openheid overeind te houden. De welkomcultuur was immers geen uitvinding van mevrouw Merkel. Zij heeft erop gereageerd, dat gebeurde zelfs in de CDU, in eertijds conservatieve, kerkelijke kringen. Daar waar vluchtelingenopvang moest komen, ontstonden meteen burgerinitiatieven. En wel voor de opvang.

    Der Spiegel: Zeker, maar je zou toch de indruk kunnen krijgen dat de staatsorde verbrokkelt. Aan de grenzen heerst chaos. In Berlijn functioneert de centrale registratie voor vluchtelingen nog steeds niet. In Leipzig verwoesten hooligans een alternatieve wijk [de als links bekend staande buurt Connewitz].
    Kermani: Integendeel. Het is een grote prestatie, zoals de Duitse autoriteiten de vluchtelingencrisis de baas worden, even afgezien van Berlijn. Zelfs in het vaak verguisde Beieren loopt het heel goed.

    Der Spiegel: Die doen het paradoxaal genoeg het beste.
    Kermani: Die doen het het beste. Nee, het Avondland gaat hier niet ten onder. Wij hebben geen toestanden die aan burgeroorlog doen denken, echt niet.

    Der Spiegel: En de Oudejaarsnacht in Keulen?
    Kermani: Het is aan ons, of dat nu een begin was, 
of dat wij dat opvatten als waarschuwingsschot. 
Dat hebben we zelf nog in de hand.

    Der Spiegel: Dus ‘Wir schaffen das’?
    Kermani: Geen idee. Maar laten we het toch tenminste proberen.

    Auteur: Lothar Gorris
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: © Hannelore Foerster / Getty Images

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad |oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

    Wie is Navid Kermani?

    Navid Kermani (Siegen, 1967) is een Iraans-Duitse schrijver. Hij speelt een belangrijke rol in het publieke debat in Duitsland, vooral als het gaat over de rol van de islam en de relatie tussen Oost en West. Kermani studeerde Oosterse studies, filosofie en theaterwetenschappen in Keulen, Caïro en Bonn. Hij promoveerde in 1999 op het proefschrift God is schön en werd in 2006 hoogleraar Oosterse studies aan de Universiteit van Bonn. Kermani’s productie is zeer divers: hij schreef romans, essays, reportages, een kinderboek en een boek over zanger Neil Young. Na de aanslagen van 11 september 2001 publiceerde hij Dynamit des Geistes – Martyrium, Islam und Nihilismus, over de martelaarscultuur in de islam en het christendom. In Nederland verscheen Mijn leven met de islam, een door Kermani opgetekende autobiografie van de Egyptische islamoloog Nasr Hamid Abu Zaid. In 2015 won Kermani de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse Boekhandel.


  • Voorkom een exodus van vluchtelingen, begin bij het Palestijnse conflict

    Voorkom een exodus van vluchtelingen, begin bij het Palestijnse conflict

    Het vluchtelingendebacle heeft z’n hoogtepunt nog niet bereikt. Eén nieuwe geweldsexplosie en het aantal migranten kan verdubbelen. Met meer dan vijf miljoen Palestijnen in vluchtelingenkampen is de noodzaak een politieke oplossing te vinden voor het Palestijnse conflict groter dan ooit.

    Keuze uit het archief

    Een van de hete hangijzers in de huidige politieke debatten is de vluchtelingenproblematiek, de kwestie waarover kabinet Rutte-IV in juli dit jaar viel. Iedere politieke partij die serieus een kans wil maken bij de verkiezingen in november zal zich over het onderwerp moeten uitspreken.

    Met de uitbraak van de oorlog in Israël lijkt het probleem alleen maar groter te worden. Als Europa wil voorkomen dat er nog meer migranten naar het continent komen, moet het werken aan een vreedzame oplossing van het Palestijnse conflict, zo luidt de conclusie van dit artikel van El País van begin 2016.

    ‘Ik ben hier geboren. Hier heb ik mijn hele leven doorgebracht. Maar ik kom ergens anders vandaan.’ Hatim Mighiz is 49 jaar, nooit heeft hij een voet buiten de Gazastrook gezet. En toch, als je hem vraagt waar hij vandaan komt, zal hij altijd antwoorden: Al-Jiyya, een dorp in de buurt van Ashkelon.

    Wie daar wel echt heeft gewoond is zijn vader Ibrahim, totdat in 1948 de Arabisch-Israëlische oorlog uitbrak, waarna Israël het gebied bezette en de Palestijnen verjoeg. Ibrahim werd naar het zuiden gestuurd, naar vluchtelingenkamp Beach aan de kust van Gaza. Daar sleet hij de rest van zijn dagen en daar wachten zijn nakomelingen het moment af om terug te keren.

    Voor een groot deel van de publieke opinie in Europa zijn vluchtelingen een fenomeen dat dit jaar is ontstaan, toen het geweld Syriërs met honderdduizenden tegelijk naar de Middellandse Zeegebied dreef en de vluchtelingen wereldnieuws werden. Maar voor Hatim is ‘vluchteling’ zoiets als een nationaliteit. Zo werd hij geboren. En misschien gaat hij ook zo dood.

    Toekomstdromen

    Beach lijkt niet op de vluchtelingenkampen die je op tv ziet. In ruim zes decennia veranderde het van een kamp in een dorp van beton en asfalt. Als de muren niet vol stonden met Arabische leuzen zou het net zo goed een sloppenwijk in Lima of Bogota kunnen zijn. De vluchtelingen krijgen kinderen, die op hun beurt weer kinderen krijgen – het zijn er nu al meer dan 1.300.000, zo’n twee derde van de bevolking van de Gazastrook –, maar de ruimte neemt niet als bij toverslag toe. De bevolkingsdichtheid in Gaza is een van de hoogste ter wereld.

    Toen Hatim trouwde metselde hij een scheidingsmuur in de flat van zijn ouders, en samen met zijn vrouw trok hij bij hen in. Hij werkte in een textielfabriek. Hij had toekomstdromen. Maar de loop van de geschiedenis scheurde die aan flarden. Toen zijn tweede dochter Ola werd geboren brak de tweede intifada uit. Waseem, zijn derde kind, kwam ter wereld toen Israël een muur om Gaza heen bouwde.

    Niemand mocht Gaza meer zonder toestemming in of uit. Handeldrijven werd vrijwel onmogelijk en de fabriek moest haar deuren sluiten, waardoor Hatim zijn baan verloor. Bij de geboorte van Lama, zijn vijfde kind, nam de extremistische Palestijnse Hamasbeweging met geweld de macht over in de Gazastrook en raakte het gebied nog verder geïsoleerd.

    Hatim, zijn vrouw en hun zeven kinderen wonen nu opgepropt in twee kamers. In de Gazastrook is de werkeloosheid opgelopen naar 42 procent, het hoogste percentage ter wereld. De VN voorspellen dat Gaza als gevolg van luchtvervuiling en overbevolking over vijf jaar onbewoonbaar is.

    Er wonen meer dan vijf miljoen Palestijnse vluchtelingen in dezelfde omstandigheden als Hamit in kampen in Syrië, Libanon, Jordanië en in Palestina onder de vlag van de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA). Noch Israël noch de Arabische Staten erkennen deze paria’s als burgers. Voor Palestijnse vluchtelingen komt de UNRWA nog het meest in de buurt van een staat. De organisatie voorziet in scholing, gezondheidszorg, eten, een beetje infrastructuur en doet aan sociale dienstverlening zoals het oprichten van vrouwencentra en het verstrekken van kredieten aan kleine bedrijfjes. Bovendien is het de grootste werkgever: 29.000 tot 30.000 duizend van de UNRWA-werknemers zijn zelf vluchteling.

    Het probleem is dat na 65 jaar – waarvan 15 jaar volledig isolement – het geduld opraakt en de druk toeneemt. Dat geldt niet alleen voor Gaza, op de Westelijke Jordaanoever drijft de Joodse nederzettingenpolitiek de Palestijnse bedoeïenen in het nauw. Hun gezinnen hebben geen water. Hun huizen worden systematisch gesloopt. Zodra ze buiten de almaar krimpende dorpsgrenzen komen, wordt hun vee geconfisqueerd.

    Dit moeras is een broeinest van geweld: regelmatig komen jongeren van de Westelijke Jordaanoever in opstand en gooien stenen of stokken naar de andere kant van de muur. Sommigen delen messteken uit. De Israëlische militairen antwoorden met kogelschoten.
    In twee jaar tijd is het aantal vluchtelingen dat door een kogel is geraakt met 139 procent gestegen. In 2014 stierven 53 Palestijnen aan schotwonden, 21 van hen waren vluchtelingen. En alleen al in oktober van dit jaar kwamen 71 Palestijnen en 8 Israëli’s om bij gewapende aanslagen.

    De UNRWA heeft met haar aanwezigheid een gewelddadige opstand of een exodus van de Palestijnse bevolking weten te voorkomen. Met een jaarlijks budget van zo’n 2500 miljoen dollar – vergelijkbaar met dat van een arm land – slagen ze er telkens weer in kansen te creëren, een aantal burgergrondrechten te waarborgen en de rust te bewaren. Maar het geweld in Syrië laat de status quo stilletjes aan uit zijn voegen barsten. Het geweld ontwricht de Syrische vluchtelingenkampen, waardoor er minder overblijft voor andere kampen. Dit jaar moest er een noodfonds van nog eens 420 miljoen dollar in de UNRWA worden gepompt. Volgend jaar moet er 81 miljoen dollar bij.

    Vluchteling worden is zoiets als springen uit een brandende wolkenkrabber: dat doe je alleen als achterblijven erger is

    Afgelopen zomer stonden de vluchtelingen aan de rand van de afgrond: het scheelde maar weinig of de scholen in de vluchtelingenkampen konden vanwege een tekort van 101 miljoen hun deuren niet openen. Behalve dat de toekomst van miljoenen mensen in rook zou zijn opgegaan, zouden vanwege de gesloten scholen duizenden jongeren verveeld op straat zijn gaan rondhangen, met als enig tijdverdrijf het botvieren van hun frustratie op Israëlische militairen. Of de muur over klimmen.

    Het tij werd ternauwernood gekeerd met een flinke financiële injectie van de Europese Unie, de Verenigde Staten, een aantal Europese landen die bijdroegen op persoonlijke titel en verschillende Arabische landen. Zij zorgden ervoor dat het financiële gat net op tijd werd gedicht. De scholen gingen open. Het lont werd net op tijd uit het kruitvat gehaald. Toch is een nieuwe crisis slechts een kwestie van tijd. De kosten en de druk blijven toenemen.

    Is dit een kwestie die alleen Israëli’s en Palestijnen aangaat? Is dit een probleem dat het Midden-Oosten moet oplossen? Nee. Vanaf dit jaar is het ook, en vooral, een Europees probleem.

    De grote stroom vluchtelingen die naar Europa trok bedroeg bijna een miljoen mensen. Maar in de vluchtelingenkampen van de UNRWA zitten er nog eens vijf miljoen. Als een geweldsexplosie hen dwingt te vluchten, en slechts 20 procent van hen probeert een toekomst te vinden binnen de Europese Unie, dan zal het aantal vluchtelingen in het Middellandse Zeegebied verdubbelen. De organisatie schat dat zo’n 52.000 bewoners van Syrische vluchtelingenkampen inmiddels naar het Westen geëmigreerd zijn. En daar moet je de volksverhuizingen bij op tellen die de tegen IS gerichte bombardementen veroorzaken.

    Vredesakkoord

    Vluchteling worden is zoiets als springen uit een brandende wolkenkrabber: dat doe je alleen als achterblijven erger is. In het Midden-Oosten is het onmogelijk om de vluchtelingenstroom uit de door geweld geteisterde gebieden een halt toe te roepen. Wat de internationale gemeenschap wel kan doen, is druk uitoefenen op de betrokken partijen om eindelijk een politieke oplossing te vinden voor het Palestijnse conflict. Alleen met een vredesakkoord voorkom je nieuwe geweldsescalaties en een regionale exodus. En daarmee zou je grote sommen geld een andere bestemming kunnen geven, en bijvoorbeeld in het nieuwe vluchtelingenprobleem kunnen steken.

    De familie van Hatim wacht al 65 jaar op deze oplossing. Nu heeft Europa deze oplossing ook nodig.

  • We moeten voorkomen dat Keulen een lont in het kruitvat wordt

    We moeten voorkomen dat Keulen een lont in het kruitvat wordt

    Na de massa-aanranding in Keulen is het asieldebat in Duitsland op een kookpunt beland. In een commentaar roept Der Spiegel op het hoofd koel te houden.

    Haar regering, zo zei een enigszins zelfingenomen bondskanselier in haar oudejaarstoespraak, had het het afgelopen jaar niet bij woorden gelaten. Er waren daden gevolgd om de vluchtelingen ‘onze waarden, ons rechtsbegrip, onze wetten en onze regels’ bij te brengen.

    Twee uur na later lieten in Keulen een paar honderd mannen op Merkels woorden daden volgen die insloegen als een bom. Het seksuele geweld en de criminele handtastelijkheden in Keulen, Hamburg, Stuttgart en elders kun je omschrijven als het gedrag van een losgeslagen dronken bende die het op de mobieltjes en de lichamelijke integriteit van jonge vrouwen had voorzien. Maar in het hoofd van veel Duitsers passen de kwalijke daden naadloos in een sombere kijk op de toekomst van een Duitsland dat niet meer van hen is, in een vorm van gijzeling die verder reikt dan de vrouwen bij het station.

    Een jaar eerder, Oudejaar 2014, zouden deze handtastelijkheden mogelijk (en helaas) alleen de lokale pers hebben gehaald, maar aan het einde van dit moeilijke jaar, dat de Duitsers scherp tegenover elkaar heeft gezet, had deze geweldsuitbarsting het effect van een nationale angstversneller.

    Voor iedereen die in Merkel de FDJ-troela ziet die Duitsland laat opvreten door vreemdelingen, was Oudejaarsavond een feest van heimelijke vreugde

    Voor iedereen die Merkels immigratiepolitiek steunt, betekent Oudejaarsavond 2015 het slechtst mogelijke nieuws. Zij maken terecht onderscheid tussen vluchtelingen die bij ons rust en veiligheid zoeken en criminele migranten; maar ze vrezen dat er voor zulke opvattingen steeds minder ruimte is. Voor iedereen die steeds sterker twijfelt aan Merkels ‘Wir schaffen das’ zijn de horden mannen die vrouwen hier net zo behandelen als op het Tahrirplein in Caïro vleesgeworden Pegida-propaganda.

    Voor iedereen die in Merkel de FDJ-troela [Freie Deutsche Jugend, een communistische jeugdbeweging] ziet die Duitsland laat opvreten door vreemdelingen, was Oudejaarsavond een feest van heimelijke vreugde. In één nacht werden deze mensen die eerder vluchtelingenhelpsters een Syrische verkrachter in huis toewensten, voorvechters van de lichamelijke integriteit van de Duitse vrouw.

    Dictatuur

    De grote coalitie tegen Merkel, die zich uitstrekt van Pegida en de AfD [Alternative für Deutschland, een eurosceptische partij] via de CSU tot aan de salonhitsers van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Die Welt, het opinietijdschrift Cicero en nationaal-conservatieve blogs als Tichys Einblick, ziet de kanselier als een vrouw die voortdurend het Duitse recht schendt, niet meer toerekeningsvatbaar is of een dictatuur heeft gevestigd. Ongehoorzaamheid wordt dan tot plicht. De verachting en de haat die Merkel vanuit dit deel van de burgerij ten deel vallen nemen door de gebeurtenissen op Oudejaarsavond triomfantelijke proporties aan. In het vluchtelingenvraagstuk culmineert de toekomstangst van Duitsers die terugverlangen naar het Duitsland van voor de globalisering, dat weliswaar over heel de wereld goederen exporteerde maar zich afschermde van de boze buitenwereld; met het gepeupel van Oudejaarsavond toont het kwaad zich nu dreigender nabij dan ooit tevoren.

    Hoe kan men in tijden waarin goederen en kapitaal onbegrensd de hele wereld over stromen, de stroom mensen reguleren die naar een plaats willen waar ze de oplossing van al hun problemen verwachten? Door een immigratiewet. Hoe kan men voorkomen dat met deze mensen gedrag gewoon wordt dat niet past in onze waardencanon? Door politie en justitie, door een staat en een samenleving die deze waardencanon verdedigen.


    Vijf stappen

    De veroordeling van de daders van Keulen en Hamburg kan daarom slechts een eerste stap zijn. Het wijzigen van de verblijfswetten zou het uitzetten van criminele asielzoekers eenvoudiger moeten maken.

    De tweede stap: de bondsregering moet via een duidelijke reductie van vluchtelingenaantallen de angst bij de Duitsers voor overbelasting van de samenleving wegnemen.

    Ten derde: de wijze waarop wij integratie organiseren, financieren en vormgeven, vormt de beste waarborg tegen criminele bendes en de import van primitief gedrag. Het vrouwbeeld van vele jonge moslimmannen verandert elke dag doordat hulpverleensters, politica’s en politieagentes hun laten zien welke rol vrouwen in onze samenleving spelen. Zij zijn bij uitstek degenen die voor integratie kunnen zorgen.

    Ten vierde: het moet ons lukken om 
het misbruik van vluchtelingen door politiek, media en populisten in te dammen. Niet alle moslims zijn potentiële verkrachters, net zo min als alle Duitsers potentiële brandstichters zijn.

    Ten vijfde: de eenstemmige verontwaardiging over het oudejaarsavondgeweld tegen vrouwen vormt een goede basis om het seksuele geweld tegen vrouwen in grote delen van onze samenleving 
te bestrijden. En wie als demonstrant in Dresden journalistes tegen de grond duwt, vergrijpt zich evenzeer aan onze waarden als iemand die op het centraal station van Keulen vrouwen bij de borsten pakt.

    Auteur: Cordt Schnibben

    Beeld boven: Inwoners van Keulen protesteren bij het hoofdstation tegen de aanrandingen op oudejaarsavond. – © Sascha Schuermann / Getty

    Der Spiegel
    Duitsland | oplage 976.000
    Duitslands grootste en invloedrijkste weekblad. Het ontstond op initiatief en met steun van de Britse bezettingsmacht. Lijkt qua stijl en lay-out op Amerikaanse nieuwsmagazines als Newsweek en Time, en staat onder meer bekend om de dikte en de academische manier van schrijven.

  • Kom naar Portugal

    Kom naar Portugal

    In Europa schreeuwen lidstaten om beschermde buitengrenzen, of zelfs een onneembare muur om hun land. Portugal, daarentegen, zou juist graag vluchtelingen verwelkomen. Als die tenminste willen komen.

    Eén ding is zeker: vluchtelingen komen hier niet graag naartoe. Ondanks onze befaamde rust, onze hervonden economische groei en de schijnbare vooruitgang, hebben oorlogsvluchtelingen geen zin om in Portugal een nieuw leven op te bouwen. Er zijn hogere waarden in het geding.

    Een beetje onrustbarend is het wel, dat families die in gammele bootjes hun leven hebben gewaagd op zee en nu opeengepakt zitten in vluchtelingenkampen, toch niets van Portugal willen weten wanneer ze een enkele reis Lissabon aangeboden krijgen. Het vergt psychologisch inzicht om hun beweegredenen te begrijpen: voor wie alles op het spel heeft gezet is alleen het beste genoeg. Bijna allemaal verkiezen zij een verblijf in een opvangcentrum voor asielzoekers in een Midden-Europees land. Zij nemen voor zichzelf en voor hun kinderen de slechte levensomstandigheden, die in de wintermaanden alleen nog maar slechter zullen worden, op de koop toe. Schijnbaar is dat minder erg dan om in ons milde 
en zonnige klimaat te komen wonen. In ieder geval willen ze die stap niet zetten zolang de kans niet is verkeken om in een rijker noordelijk land onderdak te vinden. De keuze tussen lekker weer en een toekomst is snel gemaakt, en Portugal trekt daarbij aan het kortste eind. Onlangs kwamen de eerste berichten binnen: ‘De overgrote meerderheid van de asielzoekers op weg door Europa wil verder reizen naar Duitsland en Zweden.’ De televisie, de radio en de kranten pikten het thema op. De Serviço de Estrangeiros e Fronteiras [Dienst Vreemdelingen en Grenzen] erkent dat het met de opname van vluchtelingen niet erg wil vlotten.

    Hooguit vijftig

    Deels komt dat door allerlei bureaucratische rompslomp, maar ook (of vooral) omdat de vluchtelingen simpelweg weigeren om naar Portugal te reizen. Begin september kondigde de regering aan dat er bijna vijfduizend opgenomen zullen worden, maar in december zullen er hooguit vijftig vanuit Griekenland en Italië hiernaartoe komen. Vluchtelingen vertellen elkaar dat er in de noordelijke landen volop werk is en dat de levenstandaard er hoog is, terwijl men over Portugal eigenlijk weinig weet. Zo weinig, dat de Portugese ambassadeur in Griekenland, Rui Alberto Treno, 
naar een vluchtelingenkamp toog om vluchtelingen voor te lichten over wat hun na de aankomst op de Lusitaanse kusten* precies te wachten staat. Als een soort ambassadeur, die nu alleen geen buitenlandse investeerders moet aantrekken maar vluchtelingen moet overhalen om voor ons land te kiezen.

    Het idee om vluchtelingen te smeken om maar alsjeblieft naar ons land te komen is minder bizar dan het lijkt

    Het idee om vluchtelingen te smeken om maar alsjeblieft naar ons land te komen is minder bizar dan het lijkt, 
als de angst voor terrorisme en andere vooroordelen even opzij worden gezet. De geschiedenis leert dat het altijd voordelig is om migranten op te nemen. De voordelen zijn zowel direct als indirect. In het huidige geval is er zelfs een financiële prikkel aan verbonden, in de vorm van monetaire steun vanuit Europa. Voor elke migrant die besluit om naar Portugal te komen, ontvangt het land onmiddellijk 6000 euro, plus verdere steun tot in 2020. Als alle potentiële immigranten akkoord gaan – Portugal heeft zich bereid verklaard om 4754 mensen op te nemen – levert dit het land een bedrag van 28 à 70 miljoen euro op. Maar nog belangrijker dan deze financiële prikkels zijn de indirecte voordelen. Sinds mensenheugenis hebben landen baat gehad bij het opnemen van migranten. De Verenigde Staten, Canada, Brazilië, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland hadden nooit kunnen worden wat ze nu zijn zonder de komst van Italiaanse, Russische, Chinese, Japanse, Portugese, Indiase, Marokkaanse en talloze andere migranten.

    Het arme, verouderde en luie Portugal, dat de handen vol heeft aan de typische sociale en economische problemen waar landen met een negatieve demografische groei en een lage productiviteit mee kampen, heeft veel te winnen bij de komst van migranten. De gebeurtenissen die deze enorme vluchtelingenstroom op gang brachten zijn verschrikkelijk – de oorlog 
in Syrië en de ontwrichting van de Maghreb zijn heuse tragedies –, maar de families die nu mogelijk naar Portugal komen zijn voor ons zeker ook een kans. Als ze tenminste wíllen komen.

    • Ironisch bedoeld: met deze dichterlijke term wordt verwezen naar het roemrijke zeevaartverleden van het land. Lusitaans is een archaïsche aanduiding voor Portugees.

    Auteur: José Manuel Diogo
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Foto boven: © Getty

    Jornal de Notícias
    Portugal | oplage 102.000

    Oudste en een van de meest gelezen kranten van Portugal. Heeft met vier regionale edities een gedifferentieerd publiek. De toon is overwegend rechts.

  • 6. Stijging zeespiegel kan 600 miljoen mensen verjagen

    6. Stijging zeespiegel kan 600 miljoen mensen verjagen

    Indien de opwarming van de aarde 4 °C zou bereiken, zou de zeespiegel met 8,9 meter stijgen en zouden gebieden overstromen waar in totaal 600 miljoen mensen wonen. Driekwart daarvan zouden Aziaten zijn.

    Bij een opwarming met 2 °C stijgt de zeespiegel 4,7 meter en worden gebieden getroffen met in totaal 280 miljoen inwoners.

    In het eerste scenario zouden 45 miljoen inwoners van steden als Hongkong, Shanghai en Tianjin moeten worden geëvacueerd, in het tweede kan dat aantal beperkt blijven tot 23,4 miljoen. Dat zijn de jongste voorspellingen van de non-profitorganisatie Climate Central, aan de vooravond van de klimaatconferentie van de VN in Parijs.
    Het stijgen van de zeespiegel voltrekt zich in beide scenario’s over een periode van 200 jaar, mogelijk langer. ‘Er is een wereld van verschil tussen beide scenario’s,’ aldus Ben Strauss van Climate Central. ‘We worden voor een heel ruime keuze gesteld.’

    Meer dan 140 landen hebben hun nationale plannen ingediend om de klimaatverandering aan te pakken, en deze inspanningen samen zouden de opwarming van de aarde beperken tot 2,7 °C, zo heeft de VN berekend. Volgens de berekeningen van Climate Central zouden bij het somberste scenario in China in totaal 145 miljoen mensen geëvacueerd moeten worden. Azië als geheel herbergt 75 procent van de wereldbevolking die nu in gebieden woont die dan niet meer als land zouden kunnen worden aangemerkt.

    Vertaler: Lambiek Berends

    South China Morning Post

    China | oplage 261.000
    Deze Engelstalige krant, die banden heeft met het zakenmilieu van de Britse oud-kolonie, geeft een goed beeld van met name Zuid-China en de economische ontwikkelingen in de regio.

  • Oceaan en muur tussen Syriërs en de VS

    Oceaan en muur tussen Syriërs en de VS

    Kwestie van politieke onwil, noemt George Packer, schrijver en journalist van de New Yorker, het beschamend lage aantal (2000) Syrische vluchtelingen dat de VS toelaten.

    In november 1979 bracht de vrouw van de toenmalige Amerikaanse president Jimmy Carter, Rosalynn Carter, een bezoek aan een vluchtelingenkamp aan de grens van Thailand met Cambodja. Zuid-Vietnam, Cambodja en Laos (tezamen Indochina) waren vier jaar eerder geteisterd door communistische guerrillabewegingen, wat drie miljoen mensen op de vlucht deed slaan: Vietnamese bootvluchtelingen die aan vervolging probeerden te ontkomen, leden van de Hmong-minderheid die de pro-communistische verzetsbeweging Pathet Lao ontliepen en Cambodjaanse slachtoffers van genocide, oorlog en hongersnood. Niemand zat op deze ontheemden te wachten. Buurlanden stuurden gammele, overvolle Vietnamese vissersboten terug en de Thaise regering weigerde de Cambodjanen als vluchtelingen te erkennen; het leger liet velen aan de grens rechtsomkeert maken, de mijnenvelden in. Westerse regeringen stuurden liever hulp dan een reddende hand te bieden.

    De VS zouden ruim één miljoen Zuid-Aziatische vluchtelingen toelaten

    De Amerikanen hadden, na hun jarenlange, nutteloze oorlog in Vietnam, toch al een zekere weerzin tegen de hele regio. Hoewel Washington onmiskenbaar een bepaalde verantwoordelijkheid droeg, wilden sommige progressieve én conservatieve politici niet dat het land midden in een economische crisis geld aan buitenlanders uitgaf. In 1975 zei de zojuist ingezworen gouverneur van Californië Jerry Brown: ‘We kunnen onze blik niet achtduizend kilometer verderop richten en tegelijkertijd de mensen hier links laten liggen.’ Nadat president Gerald Ford toestemming had gegeven om 130.000 Zuid-Aziatische vluchtelingen toe te laten, probeerde iemand uit de kring rond Brown te voorkomen dat een vliegtuig vol vluchtelingen op luchtmachtbasis Travis Air Force Base landde, nabij Sacramento. Senator Jesse Helms maakte op raciale gronden be-zwaar tegen de landing, zonder zich achteraf te verontschuldigen. ‘Door dat hele smeltkroesidee hebben we met steeds meer maatschappelijke problemen te maken,’ zei hij. ‘Er bestaat grote bezorgdheid of zo’n grote groep zich wel aan de Amerikaanse normen en waarden kan aanpassen.’ Er heerste zelfs angst voor een communistische staatgreep.

    Kinderen met Syrische vlaggen voor het Witte Huis in Washington D.C. – © Glyn Lowe / Flickr Creative Commons
    Kinderen met Syrische vlaggen voor het Witte Huis in Washington D.C. – © Glyn Lowe / Flickr Creative Commons

    Jimmy Carter was een groot strijder voor mensenrechten, maar zijn regering stond niet te trappelen om de deuren open te zetten voor Cambodjanen die op de vlucht waren voor honger en gevechten tussen het Vietnamese bezettingsleger en de Rode Khmer. Eind 1979, toen de crisis op een ramp uitdraaide, voelde Carter de druk van democratische rivaal, senator Edward Kennedy, en stuurde hij zijn vrouw naar de chaotische grenskampen. Rosalynn Carter liep tussen de uitgehongerde en stervende mensen door met honderdvijftig journalisten in haar kielzog. Ze hield een baby die bijna doodging in haar armen terwijl ze met de moeder van het kind sprak, die op de grond lag. ‘Mag ik een glimlach?’ vroeg ze een andere vrouw, die ze een kus op het voorhoofd drukte. Na afloop zei mevrouw Carter dat ze snel naar huis terugging ‘om er mijn man over te vertellen’. Doordat de schijnwerpers als gevolg van haar bezoek op de kampen waren gericht, kwamen er internationale hulpprogramma’s en opvangregelingen op gang. Uiteindelijk zouden de VS ruim één miljoen Zuid-Aziatische vluchtelingen toelaten. De meesten bleken zich aan de Amerikaanse normen en waarden te kunnen aanpassen.

    First Lady Rosalynn Carter houdt een Cambodjaans kindje vast als zij in 1979 het vluchtelingenkamp Sa Kaeo bezoekt. – © Corbis
    First Lady Rosalynn Carter houdt een Cambodjaans kindje vast als zij in 1979 het vluchtelingenkamp Sa Kaeo bezoekt. – © Corbis

    Maar al te gemakkelijk wordt vergeten dat elk genereus gebaar dat de VS naar vluchtelingen maken aanvankelijk op fel verzet stuitte, dat werd gevoed door onwetendheid. Door de geschiedenis heen blijkt het optreden van de president de doorslag te hebben gegeven. Na de Tweede Wereldoorlog nam het Amerikaanse congres een wet aan die het Joodse slachtoffers van de nazi’s moeilijker maakte zich in de VS te vestigen dan gevluchte Duitsers. De voorzitter van de senaatscommissie voor immigratie, Chapman Revercomb uit West Virginia, schreef: ‘Velen die tot dit land willen worden toegelaten, hebben nauwelijks enige notie van onze vorm van bestuur. Velen zijn afkomstig uit landen waar het communisme is ontkiemd en waar het de politieke overtuigingen en ideeën van de mensen beheerst.’ De woede en de volharding van president Harry Truman moesten eraan te pas komen om het congres zover te krijgen meer vluchtelingen 
toe te laten en discriminerende maatregelen uit te bannen.


    Vier miljoen mensen zijn op de vlucht voor de burgeroorlog in Syrië, veel meer dan het verbijsterende aantal van Indochina. Het is de grootste humanitaire crisis van na de Tweede Wereldoorlog. De afgelopen maand staken maar liefst negenduizend mensen de Middellandse Zee over, op weg naar Europa. Maar de VS nemen nog geen tweeduizend Syrische vluchtelingen op. In september kondigde president Obama aan de quota voor 2016 naar tienduizend te zullen verhogen. Dat is maar de helft van het totale aantal vluchtelingen uit Indochina dat in 1980 maandelijks naar de VS kwam. Een voorstander van een ruimhartiger vluchtelingenbeleid noemde het ‘een beschamend laag aantal’. En zelfs dat bescheiden doel wordt waarschijnlijk niet eens gehaald.

    Hindernissen

    Het kan maar liefst twee jaar duren voordat Syrische vluchtelingen de 
aanvraagprocedure hebben doorlopen. De nationale veiligheid is zogenaamd de reden voor die lange duur, maar in werkelijkheid zijn de meeste hindernissen vooral bureaucratisch van aard. In de hele regio kampen vluchtelingencentra met onderbezetting en geldgebrek. Al ruim een jaar worden intakegesprekken met vluchtelingen in Libanon – waar één miljoen Syrische vluchtelingen wonen – uitgesteld omdat de Amerikaanse ambassade wordt verbouwd. Zulke gesprekken zouden door middel van een videoconference kunnen worden gevoerd; het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zou bedrijven toestemming kunnen verlenen en kunnen opleiden om een eerste screening te doen en de overbelaste kantoren van de Verenigde Naties ter plaatse te ontzien. De regering zou ervoor kunnen zorgen dat Syriërs die familie in Amerika hebben sneller een visum kunnen krijgen. Zulke technische maatregelen zijn vrij eenvoudig te nemen. De president zou ook de humanitaire noodtoestand kunnen uitroepen en op grond van een vluchtelingenwet die in 1980 nog door Carter werd ondertekend de vluchtelingenquota tot boven de jaarlijkse limiet kunnen verhogen. Het enige wat ontbreekt is politieke wil.

    De regering-Obama laat de Atlantische Oceaan de Amerikanen tegen de humanitaire gevolgen beschermen

    Zoals de verwoesting van Cambodja een indirect gevolg was van de Vietnamoorlog, zo heeft de Irakoorlog bijgedragen aan de strijd in Syrië, al was het maar omdat daardoor ruimte kwam voor de Islamitische Staat. De regering-Obama laat de Atlantische Oceaan de Amerikanen tegen de humanitaire gevolgen beschermen, alsof ligging hetzelfde is als morele verantwoordelijkheid. Lang geleden besloot de president dat Amerikaans militair ingrijpen geen einde aan de oorlog in Syrië kon maken. Dat is geen reden om dan ook maar minder mensen toe te laten. Anders dan senator Ted Cruz noemt Obama Syrische vluchtelingen geen ‘jihadisten die hiernaartoe komen om onschuldige Amerikanen te vermoorden’. Evenmin waarschuwt hij, zoals Donald Trump, dat ‘het paard van Troje niets is vergeleken bij een stelletje vluchtelingen die van IS blijken te zijn’. Maar van de passiviteit van de regering gaat wel dezelfde boodschap uit.

    Amerikaanse programmeurs en ondernemers van Aziatische komaf. – © Danny Choo / Flickr Creative Commons
    Amerikaanse programmeurs en ondernemers van Aziatische komaf. – © Danny Choo / Flickr Creative Commons

    Half november gaat Michelle Obama naar Jordanië en Qatar om onderwijsinitiatieven voor meisjes te promoten. In de geest van Rosalynn Carter, zesendertig novembers geleden, zou ze kunnen overwegen een uitstapje te maken naar een kamp met Syrische vluchtelingen aan de grens met Jordanië, waar ze met een moeder zou kunnen praten en een kind zou kunnen vasthouden. Als dat onhaalbaar is, zou ze op bezoek kunnen gaan bij een Syrisch gezin in een opvangcentrum in Istanboel, of bij het kantoor van de VN in Beiroet. Alleen al haar aanwezigheid zou de wereld laten zien dat haar echtgenoot, en bij uitbreiding het land waarover hij regeert, zich het lot van de vluchtelingen aantrekt.

    Auteur: George Packer
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New Yorker
    Verenigde Staten, weekblad, oplage 1.043.000
    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.