Tag: vluchtelingen

  • ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    Dit is het waargebeurde verhaal van een Koerdische vrouw die, hoogzwanger, samen met haar man en twee kinderen van Turkije naar Griekenland vlucht. De auteur maakte deel uit van dezelfde groep vluchtelingen en tekende haar verhaal op. Deel 1 van een tweeluik.

    Keuze uit ons archief

    Sinds de aardbeving in Turkije en Syrië stromen er steeds meer verhalen binnen van Syrische vluchtelingen in buurland Turkije die eerst hun huis in eigen land vernietigd zagen worden door de bommen van Assad en nu in hun nieuwe thuisland worden overvallen door natuurgeweld. Ongetwijfeld zullen veel Syrische ontheemden in beide getroffen landen nog meer reden zien om hun heil te zoeken in West-Europa – en geef ze eens ongelijk. Dit aangrijpende verhaal uit de Turkse krant Birgün

    Weeën… Hevige weeën. En dat terwijl alles net begonnen is, het maakt me bang, maar ik moet volhouden, er zit niks anders op. Toen ik aan de reis begon was ik er eigenlijk beter aan toe. Waarom moet het nu beginnen? Komt het door het heen en weer geschud tijdens de ‘reis’ in de laadruimte van de vrachtwagen? Of is het de angst, de onrust, de spanning niet te weten wat het onbekende brengt? Hoe komen we over die rivier… Mijn kinderen… Hoe moeten die deze tocht doorstaan, blijft mijn baby in leven?

    Voordat ik aan deze onzekere tocht begon, had de dokter gezegd dat ik binnen een week zou kunnen bevallen. Toch ben ik vertrokken, wij allemaal, ons hele gezin. Wat als het kind onderweg ter wereld komt, of als het de reden is dat we worden teruggestuurd? We hebben verhalen genoeg gehoord van mensen die keer op keer de overkant wisten te bereiken en vervolgens werden teruggestuurd, met geweld. Geen idee wat ons te wachten staat. Het enige waar we ons aan vast kunnen klampen is onze hoop, het enige wat we weten is dat we niet terug willen naar waar we vandaan zijn gekomen. Daarom hebben we alle hoop die we in ons hadden aangesproken. Ons nog ongeboren kind. Misschien geeft onze baby aan de overkant houvast.

    705x470 1 1

    Hazne Alviyi

    Hazne Alviyi, 37, blijft bij haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de Syrische provincie Raqqa vanwege de zes jaar durende Syrische burgeroorlog. Turkije, dat een lange grens deelt met Syrië, herbergt nu ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen – meer dan enig ander land ter wereld. Sinds de Syrische burgeroorlog meer dan zes jaar geleden begon, heeft Turkije ongeveer $ 25 miljard uitgegeven om Syrische vluchtelingen te helpen en op te vangen. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Uit de reeks Mutual life: The Syrian refugee crisis

    Mijn man, mijn twee kleine kinderen, Mizgin en Azad, en mijn nog ongeboren kind. Na een uren durende tocht in de laadruimte van een vrachtwagen, een reis kun je het nauwelijks noemen, komen we bij een grensdorp aan. De mensensmokkelaar die ons van Istanboel hierheen heeft gebracht, stapt uit, doet ons over aan een andere smokkelaar en vertrekt. Het is midden in de nacht, half november. We lopen een tijd door een akker. ‘Stop,’ zegt de smokkelaar, ‘hier blijven we wachten.’ Hij blijkt niet degene te zijn die ons meeneemt.

    We wachten in stilte. De weeën zijn hevig, ik kan nauwelijks ademhalen. Ik zak neer in het bedauwde gras, op de vochtige aarde. Een bedroefd, bezorgd, gespannen wachten in het holst van de nacht. Wat zoeken we hier?

    De auteur

    Vanwege haar kritiek op de oorlogspolitiek die meteen na de verkiezingen van 7 juni 2015 in Turkije oplaaide, ondertekende Umut Güneş (pseudodiem) de Petitie van Academici voor de Vrede. De petitie kwam in januari 2016 uit onder de titel ‘Wij willen geen deel van deze misdaad zijn’.

    Als ondertekenaar werd ze krachtens een decreet van februari 2017 ontslagen uit haar functie op de universiteit. Haar leven veranderde van de ene dag op de andere. Ze werd bedreigd, fysiek en verbaal belaagd, er werden rechtszaken tegen haar aangespannen, ze raakte haar baan kwijt, haar paspoort werd ingetrokken, er werd haar verhinderd nieuw werk te zoeken – net als de andere ondertekenaars kon ze haast geen van haar burgerrechten nog uitoefenen.

    Om een nieuw hoofdstuk te beginnen en haar laboratoriumonderzoek voort te kunnen zetten, stak ze illegaal de Maritsa over, de rivier tussen Turkije en Griekenland, en reisde naar het buitenland. Ze maakte de tocht met vluchtelingen uit verschillende landen. Wat ze meemaakte en om zich heen zag vormde de basis voor dit verhaal. Daarin beschrijft ze de gebeurtenissen door de ogen van een van haar medereizigers, een zwangere Koerdische vrouw. Ze wil haar een stem geven.

    Geen woord

    We wachten in stilte. Midden op een akker, twintig mensen die in dezelfde laadruimte van een vrachtwagen zijn vervoerd, als schapen naar de slachtbank.

    We wachten in stilte. Allerlei verschillende gezichten, verschillende talen, Kurmanci, Sorani, Arabisch, Afghaans. In de vrachtwagen klonken ze nog door elkaar, nu valt er geen woord.

    We wachten in stilte. Mijn man laat mijn hand geen moment los. Mijn hoofd kan ik nauwelijks overeind houden, het rust steeds tegen zijn borst. En dan mijn kinderen. Mijn dochter is acht, mijn zoon zeven. Maar eigenlijk zijn ze al ouder. Wanneer zijn ze zo volwassen geworden? Waarom was dit nodig? De nacht is donker, nat, koud. Nu zitten ze hier, mijn kinderen, in een land dat we niet kennen, tussen mensen die we niet kennen, in een novembernacht op een braakliggende akker bij een dorp aan de grens, doen hun best om wakker te blijven, wachten op het moment dat we op weg zullen gaan, in stilte. Wat heeft hen op deze leeftijd geleerd zo stil te zijn?

    Hoe lang we al wachten, geen idee. Uiteindelijk komt de andere smokkelaar. Hij lijkt nog een vrouw bij zich te hebben, maar zeker weet ik het niet, het is donker, de pijn zo hevig dat ik mijn ogen nauwelijks open krijg. Dan hoor ik haar stem, ze praat Turks met hem, ja, een vrouw uit Turkije.

    Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling

    In het pikkedonker worden we geteld, als vee. Een som om uit te rekenen met hoeveel stuks we zijn. Ik weet wel dat we nummers voor hen zijn, dat het niet om onze levens gaat. Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling. Alleen de cijfers tellen, een rekening voor het geld dat ze straks krijgen, ons bestaan zegt ze niks.

    We gaan verder. We zouden ongeveer een uur langs de Turkse grens lopen, was er gezegd, dan met een boot de rivier oversteken, daarna was het nog hoogstens drie, vier uur lopen tot de auto die ons naar Athene brengt. In de woorden van de smokkelaar had het heel eenvoudig geklonken. Een korte tocht zou het zijn, het had ons moed gegeven. Net als de wens te leven, die ons de moed gaf op weg te gaan. Zo eenvoudig als het allemaal was, zo menselijk was het ook.

    Dikke sokken en slippers

    Het moet een uur of drie in de nacht zijn. Naast ons een kanaal. Op de oever zijn bergen zand gestort. We lopen langs het water, over de zandhopen, tenminste, dat proberen we. Waarom? Geen idee. Misschien om niet te verdwalen. De regen heeft kuilen in de grond geslagen, de schrale wind de grond hard gemaakt. Hoe valt hier te lopen?

    De smokkelaar gaat voorop, naast hem de vrouw uit Turkije, pal achter hen de Afghanen. Ze worden gevolgd door de Irakezen en de Syriërs. Mijn twee kinderen lopen ieder aan de hand van een jonge Irakees. Jong zeg ik, maar zelf ben ik ook pas 28. Helemaal achteraan komen wij, mijn man en ik. Ik loop op dikke sokken en slippers. De weeën zijn zo hevig dat ik mijn voeten nauwelijks van de grond krijg, mijn man en ik sloffen voort. Proberen vooruit te komen. Niemand weet dat ik zwanger ben, ik weet, wij weten maar al te goed dat de smokkelaars ons anders nooit hadden meegenomen.

    stiekem geneert ze zich

    en tegelijkertijd is ze bang 

    dat ze dood zal gaan. 

    na deze winter zijn we met één ziel meer.

    lief kind, waar in mijn lijf verstop ik je?

    Ahmed Arif – Aantekeningen uit de burcht van Diyarbekir en wiegelied voor het babietje Adiloş

    Mijn man torst 26 kilo op zijn rug: een tas met onze eigen spullen en, zonder dat iemand het weet, die voor onze baby (reistas, deken, luiers, een speen). Zelf heb ik een tas diagonaal over mijn schouders, daar zit wat geld in. Ik heb mijn arm in die van mijn man gehaakt, maar in feite draagt hij mij: hij heeft zijn ene hand onder mijn arm doorgeschoven, heeft me bij mijn middel vast, probeert me zo op de been te houden. In zijn andere hand draagt hij een tweede tas, met wat eten en drinken.

    We ploeteren voort, over de bergen zand, het wordt steeds kouder. Ik loop met gebogen hoofd en toch zie ik niks, ik stap in modderpoelen. In het maanlicht lijken de glanzende plekken op de grond droog, de donkere plekken plassen, maar als ik merk dat het precies andersom is, is het al te laat. Mijn sokken zijn doorweekt.

    Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken

    Ik hoor de stem van de smokkelaar, hij is kwaad op de Irakezen omdat ze hardop praten. In de verte het licht van de militaire wachttorens. Plotseling glijdt een lange lichtstraal over het veld. Op bevel van de smokkelaar duiken we allemaal ineen, we zijn stil en doodsbang. Hebben ze ons gezien, of was het een routinecontrole? We weten het niet. We wachten een tijdje, komen dan overeind.

    De smokkelaar zegt dat de mannen de boten moeten oppompen. Kennelijk zijn we vlak bij de rivier. Twee grote rubberboten worden opgeblazen, iedere boot wordt door vier mannen gedragen, zo vervolgen we onze tocht. Wij lopen weer achteraan.

    705x470 2 1

    Hapse Guclu

    Hapse Guclu, 63, huisvest haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de provincie Raqqa in Syrië. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Even later zien we dat verderop de hele groep zijn pas inhoudt. Als we bij hen komen, blijkt ons pad afgesneden door een lang kanaal met wanden van beton. De wanden lopen schuin af, steil naar beneden. Op de bodem staat water, niet veel, maar toch. Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken. De twee smokkelaars staan te discussiëren. Nemen ze deze route dan voor het eerst, wisten ze niet van dit obstakel?

    Als duidelijk is dat we hier niet naar de overkant kunnen, gaan we naar rechts. We lopen langs het kanaal in de hoop ergens een plek te vinden waar we wel kunnen oversteken. Ze hebben het over een brug, een brug met pal daarnaast een toren. Ze zeggen dat we doodstil moeten zijn, dat we anders misschien worden opgepakt. En ze waarschuwen ons: worden we gepakt, dan doen zij alsof ze vluchtelingen zijn. Als we hen verraden ziet het er slecht voor ons uit.

    Ik ben bang, we zijn nog maar net onderweg en nu al wordt de tocht steeds langer. Eén uur hadden ze gezegd. Het is misschien al wel drie uur geleden dat we vertrokken en we zijn er nog steeds niet. We lopen bij de groep nu, vlak achter de anderen. Ik wil niet hebben dat mijn kinderen de jonge mannen loslaten die met grote stappen voor ons uit lopen, dat mag niet gebeuren, zeker niet voordat we het kanaal over zijn en die wachttoren voorbij.

    Ik dwing mezelf mijn pas te versnellen zodat ik in hun buurt blijf. Gelukkig duurt het niet lang voordat we aankomen bij wat ze een ‘brug’ noemen: een plek waar het kanaal is volgestort met aarde. De toren is vlakbij. Een angstaanjagend moment, ik probeer mijn zenuwen de baas te blijven door de hand van mijn man nog steviger vast te houden. Zo snel en stil mogelijk sluipen we langs de toren, steken het kanaal over en verdwijnen in het desolate donker.

    Bijna licht

    Nu mijn angst wat is gezakt worden de weeën heviger. Ondraaglijk bijna, ik kan niet meer vooruit. We raken steeds verder achterop. Aan het begin, vooral in de buurt van die militaire toren, hield iedereen af en toe stil om te kijken of de anderen er nog waren, maar nu de dag bijna aanbreekt en iedereen haast heeft, wordt er nauwelijks nog achterom gekeken. Wat moeten we doen, hoe halen we hen weer in?

    Mijn kinderen lopen vooraan, maar ik hou het niet meer vol, we raken achterop. Ik laat me op de grond zakken. Mijn man is bij me, hij houdt mijn hand stevig vast, ik krimp ineen van de pijn. De bevalling moet op gang aan het komen zijn. Alsjeblieft, niet nu… We moeten de rivier over. We kunnen niet hier blijven, in handen vallen van het leger, dat moet niet gebeuren. We zijn de tocht juist begonnen om weg te komen. Alsjeblieft, nu nog niet.

    volle maan en de weg is lang 

    een zilveren dolk in mijn rug 

    ik loop maar doodgaan kan ik niet

    uit de anjer druppelt bloed 

    Behçet Aysan – Gedicht van een kapot potlood 

    Het is al bijna licht en we zijn een flink eind achterop geraakt. Met een laatste krachtsinspanning sta ik op. We lopen verder, moederziel alleen, in doodse stilte – mijn sloffende voetstappen het enige dat de stilte verbreekt. Waar zijn mijn kinderen, waar zijn de anderen? Na een tijdje zien we vóór ons een paar mensen, twee Syrische vrouwen en een man, ook zij zijn achterop geraakt. We zijn dus op de goede weg.

    Opgelucht lopen we verder, maar we zien niemand, horen niks. We lopen maar, naast elkaar, en zijn zo ten einde raad dat we volledig op onszelf worden teruggeworpen, ons aan de anderen vastklampen, ons nog vermoeider voelen en nog eenzamer, totdat we daar, op die dorre grond, in dat barre veld plukken diepgroen riet onderscheiden. Water, staat dat niet voor leven? Dat is wat het riet, de lage bomen ons toeroepen. We hebben de rivier bereikt.

    Welke kant nu uit? Konden we maar naar de oever, dan zagen we de anderen vast, maar de bomen, het riet maken dat onmogelijk. Misschien zijn we verdwaald. En mijn kinderen, waar zijn mijn kinderen? Ik krijg geen adem. Mijn man probeert me te kalmeren. ‘Misschien zijn ze doorgelopen op zoek naar een plek waar ze de boten makkelijker te water kunnen laten,’ zegt hij. Hij loopt naar rechts, geen idee waarom, de anderen lopen zonder vragen achter ons aan, de rivier ligt nu links van ons.

    Ik probeer mijn krachten weer te verzamelen. We moeten harder lopen, hen zo snel mogelijk zien te vinden. De angst mijn kinderen kwijt te raken overmant me. Een hels kabaal, ik schrik. Is er iemand in het water gevallen, is in de militaire wachttorens in de verte het vuur geopend? Het kabaal houdt maar niet op, steeds hetzelfde geluid.

    Pas als we op een plek komen waar we tussen de bomen door de rivier kunnen zien, begrijpen we waar het vandaan komt. Pelikanen! Grote, spierwitte vogels. ‘Ze vangen vis,’ zegt mijn man, ‘ze waden en slaan met hun vleugels op het water, zo maken ze de vissen bang en jagen die op naar de oever.’ Het leven gaat door, ondanks alles. Een gevoel van rust daalt over me neer, heel even, dan is het weer verdwenen.

    mijn bladeren zijn weg mijn vogels gevlogen 

    mijn bergen niets dan puin

    ook de liederen die ik kende zijn verdwenen 

    in mijn stem geen echo van mijn leven

    slechts het daveren van het bos klinkt in mijn stem 

    Ahmet Telli – Vergeet, mijn hart, dit gedicht 

    De Maritsa

    Er is nog steeds niemand te zien. Misschien zijn we de verkeerde kant op gelopen. We draaien om, de rivier ligt nu rechts van ons. Links is het terrein vlak en open zover het oog reikt, de weg die we hebben afgelegd. Ik voel dat ik aan het eind van mijn krachten kom. Mijn man probeert me te bemoedigen, houdt mijn hand vast, zegt dat ik niet bang hoef te zijn, we zullen ze wel vinden. 

    We lopen en lopen. Achter ons rent iemand onze kant uit. De schrik slaat ons om het hart, maar het blijkt een van de smokkelaars te zijn die ons is komen zoeken. Ik ben dolblij. Mopperend en met snelle passen gaat hij ons voor, wij hollen achter hem aan. Als we bij de anderen aan de oever van de rivier komen, zie ik mijn twee kleintjes terug, zij aan zij in elkaar gedoken, nog kleiner, enkel kwetsbaar en fragiel, niet stil meer maar verstomd, ogen waar de angst uit stroomt, een zee van tranen. Mijn hart is verteerd van verlangen, ik omhels ze, kus ze.

    de lente heeft haar stempel gedrukt de seringen

    zijn ontloken wat als ik een kersentakje pak

    binnen in me draaft een ree

    en de papavervelden schreeuwen het uit

    Behçet Aysan – Een kersentak

    Het is ochtend. De bevalling lijkt nu niet lang meer op zich te laten wachten, hoewel ik eigenlijk nog wat tijd zou hebben. Het lange lopen en de angst om mijn kinderen hebben me uitgeput. Ik krimp ineen van de weeën, ik kan ze niet langer verborgen houden. Net nu we bij de rivier zijn, ons opmaken naar de overkant te gaan, val ik neer op de oever, de oever van een rivier die eigenlijk zo ver van ons weg is. Niet de Tigris, niet de Eufraat, maar de Maritsa, die al haar smart uitstort waar ze langs stroomt. Mijn man komt naast me zitten, neemt mijn handen tussen de zijne, onze blikken kruisen elkaar. De hemel, de wolken lijken neergedaald in zijn ogen, er ligt een sluier over zijn blik. Hij kijkt weg, omhelst me, nog steviger, om mij te bemoedigen en ook zichzelf, dat weet ik wel.

     zeg het maar mijn lief! zeg: op een notenbruine dag kom ik eraan

    Istanboel zal een wanboel zijn, mijn haren 

    een wanboel. alles een wanboel! 

    wees niet bedroefd, mijn lief! we rapen ons bijeen, samen 

    staan we op, lopen we weg, zeg dat mijn lief 

    en al heeft het leven een stalen grond met iedere stap doorboren we het!

    Küçük İskender – Zeg het maar mijn lief 

    De vrouw uit Turkije, die de hele tijd vooraan, bij de smokkelaar loopt, is de eerste die me opmerkt. Ze komt naar me toe. Nu pas, in het daglicht, kunnen we elkaars gezicht zien. Ze haalt water uit haar tas en wast mijn gezicht. Dan komt een van de Irakezen, hij zegt dat hij arts is, voelt mijn pols, mijn hartslag is heel laag. Ik ben blij te horen dat hij arts is, en in de hoop dat hij me helpt vertel ik dat ik zwanger ben.

    Tumult. De smokkelaar komt naar me toe, duwt me tegen de grond, daar lig ik, op mijn rug in de natte aarde aan de oever van de rivier. ‘Geen denken aan!’ zegt hij. ‘Zo kan ik je niet meenemen, je geeft je maar aan bij de militairen, ga naar een ziekenhuis!’

    De Irakese arts geeft hem gelijk. ‘Je moet in geen geval meegaan,’ zegt hij, ‘niet in deze toestand!’

    ‘Onmogelijk,’ zeg ik, ‘dat kunnen jullie niet doen, we hebben betaald, jullie moeten ons meenemen!’

    We kunnen niet meer terug, bovendien, waar zouden we heen moeten, onze huizen liggen in puin, onze straten ruiken naar oorlog, verder hebben we niks. De kinderen, deze kinderen moeten leven. De weeën zijn afgrijselijk, ze snijden me de adem af, ik zet mijn kiezen op elkaar en kom overeind, ik wil hen laten zien dat ik het vol kan houden, ik smeek hen, kijk hen recht aan terwijl er een brand in mijn binnenste woedt.

    Ahmet, beste jongen, waarom huilt een zakdoek 

    niet een tand, niet een nagel, een zakdoek, waarom huilt die 

    in mijn zakdoek klinkt het bloed.

    Edip Cansever – In mijn zakdoek klinkt het bloed 

    ‘Goed,’ zegt de andere smokkelaar uiteindelijk. Hij stemt in. De vrouw uit Turkije geeft me een arm, neemt de tas over die mijn man in zijn hand heeft, en wil dan ook de tas van mijn hals halen. Ik begrijp het wel, ze probeert te helpen, maar dat gaat niet. Hoe moet ik weten of ik haar kan vertrouwen? Terwijl ik het hoofd bied aan de pijn probeer ik haar angstig te doorgronden, dan zie ik haar zwarte nagellak, haar stevige laarzen, die speciaal voor de tocht lijken aangeschaft. Ze zegt iets, eerst in het Turks, dan in het Kurmanci, terwijl ze naar mijn tas reikt. Ik krijg geen woord over mijn lippen, geef haar met mijn blik te verstaan dat ik mijn tas niet kan geven. Ze begrijpt het.

    Klein lichaam

    De overkant. Een nieuw leven. Zo dichtbij en zo ver weg. Al die omgeslagen boten op zee, op rivieren. Al die mensen die er niet meer zijn. En met die kennis dan op weg gaan, met twee kleine kinderen en een baby in mijn buik. Als we bij de meest geschikte plaats aankomen worden de twee boten aan elkaar vastgebonden, misschien om zo snel mogelijk naar de overkant te kunnen, of om meer weerstand te kunnen bieden aan de sterke stroming.

    Ik weet het niet. Ik kan niet nadenken. Ik voel de pijn niet, de weeën niet. Een voor een stappen we in een boot en proberen zo te gaan zitten dat het gewicht gelijk verdeeld is. Het enige wat ik voel is angst. Enorme angst. Ik zie de beelden voor me van al die hartverscheurende gebeurtenissen waarover ik gelezen, gehoord heb, waarvan ik het meeste heb gezien, meegemaakt, gehoord van mijn naasten. Ik ben bang, bang vanwege mijn kinderen, vanwege het kind dat nog geboren moet worden.

    Mijn kinderen. Alan heette het peutertje, aan deze kant van de rivier kent men hem als Aylan Kurdi. Is er een verschil tussen die kinderen? ‘Klein lichaam ontzield aangespoeld’ luidden de koppen op 2 september 2015. Dezelfde datum in zekere zin als vandaag, nu, morgen.

    ‘Klein lichaam.’ Oppervlakkige woorden voor een ziel die is heengegaan. Het kind was nog maar klein, zijn ziel des te groter. In wat voor eenheid meet je het leven, in jaren, de leeftijd van een ziel?

    als een rivier was de mens

    zonder besef van het bloed dat hij meevoert; 

    stom bij zijn eigen lied,

    blind voor zijn eigen droom,

    doof voor zijn eigen schreeuw…

    Nihat Behram – Ali is een meisje 

    Drie jaar duurde het leven van Alan, een berg aan ervaringen, net als de levens van zijn moeder en zijn broer, die samen met hem stierven. Ze vluchtten voor de dood, precies wat ons tot deze tocht bracht, met onze kinderen in onze armen. En we wisten: ‘(…) no one puts their children in a boat / unless the water is safer than the land (…).’ (Warsan Shire – Home)

    We doffen ons op alsof we naar een feest gaan

    De smokkelaar die tot nu toe met ons was meegelopen, gaat terug. Zijn collega stapt in een van de boten, gaat voorin zitten. De Irakese arts stapt in de tweede, zij zijn degenen met een peddel. Maar de Irakese arts krijgt het niet voor elkaar, hij weet simpelweg niet wat te doen. De rivier is breed, de stroming sterk. De vrouw uit Turkije wil de peddel overnemen, maar de smokkelaar laat haar niet in de andere boot overstappen, bang dat de boot uit balans raakt.

    Kwaad probeert hij wat te verschuiven zodat hij in het midden van de twee boten zit. Hoe moet die jongen, zo’n dunne man ingaan tegen de stroming van die brede rivier? Wat als de touwen tussen de twee boten breken? Reddingsvesten hebben we niet. Het enige wat we hebben zijn de grote tassen in onze handen, op onze ruggen. Als we in het water vallen zijn we verloren, dat besef ik maar al te goed.

    We hebben al zo vaak gehoord dat op de Egeïsche Zee, hier, op de Maritsa boten omsloegen met reizigers zoals wij en tientallen mensen verdronken. Hier mogen smokkelaars de mensen misschien nog overzetten, op zee is het een heel ander verhaal. Daar laten ze de migranten zien hoe ze een rubberen vaartuig met een goedkope motor moeten besturen, daarna mogen ze het zelf uitzoeken met die ondeugdelijke boten en zwemvesten die geen enkel nut hebben.

    Al die mensen die ze zo de dood in hebben gejaagd. Alan was maar een van hen. De gedachten, de gebeurtenissen bezorgen me steken in mijn hart, maar ondertussen is de smokkelaar nog bij ons en hij krijgt het voor elkaar! Met al zijn kracht en één peddel heeft hij ons naar de overkant gebracht. 

    We stappen uit, het water in, de blubber. De boten worden meteen uit het water getrokken. We rennen naar de bomen op de oever, schuilen onder de takken, proberen onze voeten en schoenen schoon te maken, trekken droge sokken aan. Van sommigen zitten de kleren zo onder de modder dat ze hun broek uittrekken en een schone aandoen. De vrouw uit Turkije heeft een grote doos vochtige doekjes bij zich, die ze aan iedereen uitdeelt.

    Iedereen lijkt op te leven, is er wat beter aan toe, opgewekter. Kennelijk waren we allemaal vooral bang voor de rivier. We hebben het gehaald! We doffen ons op alsof we naar een feest gaan. Op de oever, onder de bomen wordt de lucht uit de boten gelaten, eentje wordt er achtergelaten – waarom weet ik niet, misschien hebben we er geen twee meer nodig. We zijn tenslotte aan de overkant, eindelijk, nu zal alles makkelijker zijn – tenminste, dat hoop ik. Misschien heeft de smokkelaar hem nodig voor de terugreis.

    Behalve die van ons liggen er nog een paar boten, en modderige broeken, sokken, talloze conservenblikken. Al die mensen die al hierlangs gekomen zijn. Net als onze voorgangers laten ook wij onze modderige spullen liggen, we wachten af tot we achter de smokkelaar aan onze tocht kunnen vervolgen. Het is licht, we kunnen niet verder, zegt hij. We moeten weg van de rivier, ons verstoppen en wachten tot het donker wordt. Urenlang wachten, hoe is het mogelijk, net nu we de grootste hindernis genomen hebben, de rivier hebben weten over te steken, onze angst is gezakt en onze hoop aangewakkerd, net op het moment dat we denken er bijna te zijn.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren

    Terwijl we de brede rivier achter ons laten en tussen de lage bomen door proberen te lopen, moet ik denken aan de mensen die in de winter hun toevlucht zochten tot het bos en in hun dunne kleren zijn bevroren. Ieder moment van deze tocht ligt de dood op de loer. De weeën worden steeds heviger, ik leg mijn hand op mijn buik, denk aan de baby. Die pijn, die hevige pijn zal me uiteindelijk met mijn kind verenigen, dat weet ik toch, zo is het eerder ook gegaan.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren – karkassen, beter gezegd. Vreemd genoeg liggen de meeste erbij zoals ze zijn neergevallen, de botten op hun plek, alles aan elkaar. Koppen verbonden met de hals, borst en ribben. Heupen aan poten. Talloze hoorns en hoeven. Wat heeft dat te betekenen, waar wijzen die onaangeroerde skeletten op? Zijn de beesten geschoten en vervolgens blijven liggen? Maar wie schiet ze dan? Jagers heb je hier niet. Militairen?

    Na een tijdje vinden we tussen de bomen en het struikgewas, ver van de rivier, een vlak stuk. Het is vochtig en koud maar toch gaan we op het gras zitten. Wachten, een gespannen wachten. We proberen allemaal te ontspannen en eten wat van onze meegebrachte etenswaren. Mizgin en Azad krijgen eerst, ze vallen om van de honger. Daarna gaat iedereen ergens liggen en probeert te slapen. De Afghanen lopen het verst weg, gaan in grote zwarte vuilniszakken liggen. Goed idee om die mee te brengen. Zo hebben ze bescherming tegen de kou, de wind, het vocht.

    Ik zit hevig te rillen. De Irakese arts, die vlak bij ons is gaan liggen, merkt het, hij haalt een regenjas uit zijn tas, trekt me die aan, doet de knopen een voor een dicht. Dan gaat hij weer liggen, maar hij kan de slaap niet vatten, schrikt iedere keer wakker.

    Ook de vrouw uit Turkije kan niet slapen, ze zit met haar rug tegen een boom te wachten. Naast haar ligt de smokkelaar, onder een laken, hij is meteen ingedut. De Syriërs liggen een eindje verderop, links van ons, naast elkaar onder een boom. Een van hen, een vrouw, heeft zich opgerold en, in een poging zich tegen de kou te beschermen, een sjaal over zich heen getrokken.

    Zwak gehuil

    Door de dunne regenjas ril ik minder, maar nu komen de weeën weer opzetten. Even later voel ik vocht tussen mijn benen lopen, zijn mijn vliezen soms gebroken? Ik vertel het mijn man, ik pak zijn hand en kom overeind, zonder iets tegen iemand te zeggen lopen we met onze kinderen verder het bos in. De vrouw uit Turkije volgt ons met haar ogen, maar ze heeft geen idee wat er aan de hand is. Mijn kind is op komst!

    Ver weg van de anderen strek ik me met moeite uit in het natte gras, mijn man houdt mijn hand stevig vast, laat me niet los, Azad en Mizgin kijken me verbaasd aan. Even zie ik Ruhat en Botan in hun ogen. Ik denk weer aan hun moeder, de mooie Muntazam. Toen ze in haar eentje thuis beviel keken haar twee kinderen ook zo verbaasd naar haar, dat vertelde ze naderhand. Zoals ze in haar eentje van haar kind was bevallen, eigenhandig de navelstreng van haar kind had doorgeknipt. Dat zou ik ook kunnen, maar ik ben niet alleen, mijn man is bij me.

    Maar nee. Dat prachtige kind, Muntazams baby. Nog geen twee maanden was het toen… Ik krijg het gewoon niet over mijn lippen.

    Ik heb iemand nodig, een vrouw. De bevalling begint, echt, het hoofdje komt al. Ik zeg tegen Mizgin dat ze de vrouw uit Turkije meteen moet gaan roepen. De twee Syrische vrouwen spreken Kurmanci en Arabisch en het is makkelijker om met hen in Sorani te communiceren ook al kennen ze die taal niet, maar dat gaat niet, ze hebben zich niet laten zien, kennelijk houdt iets hen tegen, ze zijn bevreesd.

    Serê zarok,’ roept Mizgin, ‘het hoofd van het kind’, en ze rent weg. De vrouw uit Turkije komt er meteen aan. Ze heeft een klein zakmes bij zich. Ze kijkt me geschokt aan maar herneemt zich snel, gaat bij mijn voeten zitten en trekt voorzichtig aan mijn baby. Daar is hij, in haar handen, mijn man zit bij mijn hoofd, mijn kinderen kijken naar hun nieuwe broertje – het jongetje dat nog steeds met mij verbonden is. Alleen, hij geeft geen kik, wat is er aan de hand?

    Mijn hart staat zo in brand dat ik geen woord kan uitbrengen. Dan begint de vrouw onhandig tikjes te geven tegen de billen van mijn kind. Eindelijk hoor ik een zwak gehuil.

    er stond een bloem, daar, ergens,

    te bloeien als om een fout weer recht te zetten; 

    boog zich tot vlak bij mijn lippen 

    en praatte en praatte maar.

    Cemal Süreya – Een bloem

    De vrouw vraagt iets, zegt wat tegen ons, maar we begrijpen elkaar niet. Gelukkig komt de smokkelaar op dat moment, ze vraagt hem meteen om zijn telefoon. Ze belt iemand, overlegt. Belt dan iemand anders, zet de telefoon op de luidspreker en legt hem op mijn opgeschorte rok. Aan de andere kant van de lijn legt een vrouw met een verbazingwekkende kalmte een en ander uit, haar stem geeft vertrouwen.

    De Turkse vrouw snijdt met haar zakmes de navelstreng door. Nu moet die afgebonden worden, maar er is geen draad. Mijn man laat mijn hand heel eventjes los om in de tas te zoeken. Alles voor de baby hebben we bij ons, hoe hebben we draad nou kunnen vergeten. De vrouw stuurt de smokkelaar naar de anderen in de hoop dat die iets hebben.

    Een van de Syrische vrouwen komt aangelopen met een klein stukje naaigaren. Een dun stukje naaigaren, daarmee bindt ze de dikke, harde, glibberige navelstreng af. Met wat water probeert ze de baby te wassen, geeft hem dan aan de anderen over zodat die hem aan kunnen kleden.

    Op dat moment wordt de verbinding verbroken. Onze blikken kruisen elkaar. Ik voel me gelukkig en dankbaar, op haar gezicht ligt een vage glimlach. Toch valt er angst in haar blik te lezen. Ik voel dat ze niet weet wat te doen maar me tegelijkertijd wil bemoedigen. We spreken niet dezelfde taal, maar proberen elkaar met onze blikken te steunen en moed in te spreken. Dat heeft zij net zo hard nodig als ik.

    De bevalling is nog niet voorbij. De nageboorte zit er nog. En tussen mijn benen voel ik de navelstreng, waarmee mijn kind negen maanden lang met mij was verbonden. Mijn lichaam moet dat alles nu kwijt. Zij weet ook wat er te doen staat, ze weet alleen niet hoe. Ze vraagt me iets, maar ik ben niet in staat antwoord te geven, zelfs maar te laten zien wat ze moet doen.

    Ze vraagt de smokkelaar nogmaals om zijn telefoon, zet hem op de luidspreker en geeft ook mijn man instructies, laat hem zien hoe hij met kracht op mijn buik moet duwen. Felle pijnscheuten trekken door mijn hele lijf. Terwijl mijn man op mijn buik drukt, lukt het de vrouw met haar blote handen de nageboorte uit me trekken. De pijn zakt een beetje. Ik voel me uitgeput, maar beter. Alles is voorbij, tenminste, dat hoop ik, want ik weet niet hoeveel ik ben ingescheurd, of ik veel bloed heb verloren, of de bloedingen aanhouden.

    De regenjas onder me is besmeurd met alles wat met mijn kind is meegekomen. Mijn voeten staan er midden in en trillen, ik kan het niet tegenhouden. Ik heb het ijskoud.

    Mijn man haalt mijn kleren uit de tas. De vrouw uit Turkije probeert me met vochtige doekjes schoon te wrijven. Ze stuurt de smokkelaar er nog een keer op uit, hij komt terug met een grote zwarte vuilniszak, van de Afghanen gekregen waarschijnlijk. Ze snijdt het onderste stuk van mijn regenjas en laat dat op de grond liggen – schoonmaken lukt toch niet zonder water of een fatsoenlijke doek. Samen met mijn man tilt ze me op de vuilniszak die ze naast me op de grond heeft uitgespreid.

    Dan wrijft ze me helemaal schoon, kleedt me aan. Schone sokken heb ik niet. Het enige reservepaar dat ik had, heb ik aangedaan nadat we de rivier waren overgestoken en in de modder terecht kwamen. Tijdens de bevalling heb ik er geen moment aan gedacht ze uit te trekken. Ze zegt tegen Mizgin dat die haar tas moet brengen. Ze heeft een maillot, die trekt ze me aan.

    Ik voel me wat beter, al heb heb ik het nog steeds koud en trillen mijn benen nog. Ze stuurt de smokkelaar naar de Syrische vrouw, die een korte legging bij zich heeft. Ook die trekt ze me aan. Dat scheelt, de legging verwarmt me en houdt mijn ondergoed strakker tegen mijn lijf. Na een bevalling verlies ik veel bloed, ik weet het van de geboorte van Mizgin en Azad. Ik moet er niet aan denken dat op die koude, natte wegen, te midden van al die mensen, het bloed langs mijn benen loopt. En daarbij, bloedverlies betekent je slap voelen, uitgeput, misschien niet verder kunnen lopen.

    Niet aan denken. Nu heb ik mijn baby in mijn armen. Ik sla ze nog steviger om hem heen.

    Lees hier deel 2:

  • Een nieuwe kijk op de Libanese landbouw

    Een nieuwe kijk op de Libanese landbouw

    Libanon heeft veel geïnvesteerd in de landbouw om de bevolking in voedsel te voorzien. Het aantal inwoners is flink toegenomen door de zo’n 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen die het heeft opgevangen. Vooral plaatselijke injecties in kassen en de teelt van groenten en aardappelen hebben gezorgd voor meer inkomsten en werkgelegenheid.

    Op een moment dat de corrupte en incompetente politieke elite de financiële en bancaire sector van Libanon heeft doen instorten, waardoor het land failliet is en een groot deel van de bevolking verstoken is van voedsel en de meest basale voorzieningen, heeft onderzoek naar een duurzaam economisch model de hoogste prioriteit. En een nieuwe kijk op de Libanese landbouw is daarbij van wezenlijk belang.

    Al bijna een decennium lang heeft Libanon de grootste moeite om de voedselzekerheid van zijn bevolking te waarborgen, het gevolg van twee opeenvolgende crises, die overigens verschillende implicaties hebben gehad. Om te beginnen is de vraag naar voedingsmiddelen sterk toegenomen door de crisis in Syrië, die in 2011 begon en inmiddels voor een toestroom van anderhalf miljoen vluchtelingen heeft gezorgd. Maar deze extra druk op de voedselvoorziening heeft ook een positief gevolg gehad: om aan de toenemende vraag naar voedsel te voldoen, hebben de Libanezen steeds meer in de landbouw geïnvesteerd, met name in kassen en de teelt van groenten en aardappelen. Deze plaatselijke investeringen hebben voor nieuwe inkomsten gezorgd en de Syrische vluchtelingen aan werk geholpen. Ondanks een gebrek aan planning en politieke visie (een constante sinds het eind van de burgeroorlog) heeft de Libanese landbouwsector een antwoord weten te vinden op de problemen op het gebied van voedselzekerheid, voor een zekere mate van sociale stabiliteit gezorgd en het platteland veerkracht gegeven.

    Mogelijke instorting

    De voedselveiligheid van de Libanezen en de Syrische vluchtelingen wordt onmiskenbaar bedreigd door de financiële crisis en de val van het Libanese pond, vorig jaar. Tussen oktober 2019 en oktober 2020 is de consumentenprijsindex met 140 procent gestegen, terwijl de prijzen van voedingsmiddelen met een factor vier zijn vermenigvuldigd. Toch heeft een onderzoek dat we afgelopen september deden bij een grote supermarktketen ons geleerd dat ondanks deze prijsstijging de consumptie van versproducten zoals aardappels, tomaten en komkommers stabiel is gebleven ten opzichte van 2018 en 2019, in tegenstelling tot de consumptie van verwerkte producten. Maar daar blijkt alleen uit in hoeverre de stedelijke middenklasse de crisis financieel het hoofd weet te bieden, in een land waar volgens een schatting van de Wereldbank respectievelijk 45 procent en 22 procent van de huishoudens arm en extreem arm is. Bijna een kwart van die extreem arme Libanese huishoudens slaat een maaltijd per dag over.

    In Libanon wordt veel gebruikgemaakt van vluchtelingen als goedkope arbeidskrachten. Door de leiding van de vluchtelingenkampen worden ze gekoppeld aan lokale boeren. De omstandigheden zijn zwaar, de arbeiders verdienen maximaal 8 dollar per dag en maken dagen van 15 uur
    Syrische vluchtelingen rooien aardappelen op een Libanese boerderij. In Libanon wordt veel gebruikgemaakt van vluchtelingen als goedkope arbeidskrachten. Door de leiding van de vluchtelingenkampen worden ze gekoppeld aan lokale boeren. De omstandigheden zijn zwaar, de arbeiders verdienen maximaal 8 dollar per dag en maken dagen van 15 uur. 
    © Eva Parey / Sopa Images / LightRocket / Getty

    Een ineenstorting van de lokale voedselproductie ligt op de loer. Want door de financiële crisis zijn niet alleen de voedselprijzen gestegen, maar wordt ook de Libanese voedselproductiecapaciteit bedreigd. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de leveranciers van landbouwgrondstoffen de nadruk gelegd op een productiemodel dat sterk afhankelijk is van geïmporteerde zaden en planten, kunstmest, pesticiden en irrigatiesystemen. Het model werd gesteund door de centrale bank en de bancaire sector van Libanon, die deze grondstoffenleveranciers kredieten verschaften die zij op hun beurt weer omzetten in leningen aan agrariërs. Dit systeem is nu in ingestort, met als gevolg dat de landbouwproductiecapaciteit in Libanon gevaar loopt.

    Zo zijn de productiekosten van groenten volgens onze berekeningen in 
    2020 met 40 procent toegenomen ten opzichte van 2019. Tegelijkertijd hebben de leveranciers van grondstoffen en andere landbouwproductiemiddelen een gemiddelde verkoopdaling van 40 procent gesignaleerd, wat erop duidt dat hun klanten op kosten besparen, bijvoorbeeld door af te zien van voorgenomen investeringen, hun landbouwgrond in te krimpen of over te stappen op minder kostbare gewassen als tarwe. Globaal heeft de landbouwsector de eerste klappen van de financiële crisis gedeeltelijk kunnen opvangen door de verhoogde productiekosten te compenseren met prijsverhogingen.

    Desondanks is er een groot risico dat de productie in de loop van 2021 zal instorten: wanneer de wisselkoers van het Libanese pond op het huidige niveau blijft, zullen de exploitatiekosten volgens onze berekeningen met 175 procent toenemen en die van nieuwe investeringen in de groenteproductie met 350 procent. Bovendien zouden de hoge grondstoffenprijzen de grote, op export gerichte landbouwbedrijven bevoordelen, terwijl het land vooral behoefte heeft aan kleine duurzame bedrijven, in de vorm van coöperaties, die voor de plaatselijke markten produceren.

    Coherente hervorming

    Tot dusver zijn het vooral niet-statelijke actoren, zoals de civil society en Hezbollah (de laatste via een oproep tot een ‘agrarische en industriële jihad’) die op deze situatie hebben gereageerd, al heeft het Libanese ministerie van Landbouw er afgelopen september enige aandacht aan besteed in zijn strategieplan voor de komende vijf jaar. Dit strategieplan richt zich op vijf pijlers, waarvan voedselzekerheid er voor de eerste keer één is. De andere pijlers zijn technische verbeteringen ter verhoging van de agrarische en agro-industriële productiviteit, versterking van de concurrentiepositie van de agro-alimentaire ketens, betere aanwending van natuurlijke hulpbronnen en vergroting van de sectorcapaciteit.

    De Libanese regering neigt ernaar strategieën te ontwikkelen die op donateurs zijn gericht, donateurs die kieskeurig te werk gaan bij het kiezen van hun financieringsdoelen. Terwijl de Libanese landbouw meer behoefte heeft aan een coherente en nationale wetgevende en institutionele hervormingsstrategie, met een omvang die vergelijkbaar is met die van de regering van Foead Shebab in de jaren zestig.

    Een van de belangrijkste aspecten van deze hervorming zou het uitvaardigen zijn van een wet die bedrijven op het gebied van landbouw en veeteelt een officiële status geeft, evenals het werk in die sectoren. Ongeveer 90 procent van de Libanezen – en bijna alle Syriërs – die in de landbouw werkzaam zijn, doet dat op informele basis. Agrarische arbeid is niet aan regels gebonden, en dientengevolge bestaat er geen enkele wettelijke omschrijving van agrarische beroepen of bedrijfsuitoefening, wat vooral impliceert dat werknemers in de sector geen enkele sociale bescherming genieten. De wet zou dus moeten voorzien in regels en aanvaardbare arbeidsvoorwaarden voor Libanese en buitenlandse werknemers in de agrarische sector, waaronder een zorg- en pensioenverzekering.

    De meeste landbouwgrond in Libanon is in handen van rijkste 10 procent

    Een tweede maatregel zou moeten voorzien in heldere en rechtvaardige regelingen op het gebied van het grondbezit en -gebruik. Tweederde van de landbouwgrond is momenteel in handen van de rijkste 10 procent grootgrondbezitters, die sterke politieke banden hebben. Maar de landbouwsector zelf bestaat enerzijds uit een handjevol grote bedrijven en aan de andere kant uit tienduizenden gefragmenteerde boerderijtjes met weinig kapitaal, vooral ook omdat het erfrecht verbrokkeling in de hand werkt. Dit productiepatroon heeft niet alleen bepaalde gevolgen voor schaalgrootte en productiviteit, maar ook voor het milieu, omdat het leidt tot overmatig gebruik van producten die de bodem en het water vervuilen. Een derde maatregel zou het wettelijk makkelijker moeten maken om coöperaties te vormen en voor regels moeten zorgen die de autonomie en de groei daarvan bevorderen.

    Meer in algemene zin zouden er ook structurele hervormingen moeten worden doorgevoerd die de concurrentiedynamiek in de sector versterken en een einde maken aan de kartels. Ook zouden er heldere regels moeten komen voor de verkoop van landbouwproducten wanneer die eenmaal zijn geoogst, zoals transparante prijsinformatie, prijzen die zijn gebaseerd op de kwaliteit van de producten en fytosanitaire keuring. Door dit soort hervormingen zouden de agrariërs voor hun afzet minder afhankelijk worden van commerciële partijen. Want die laatste zijn in grote mate verantwoordelijk voor wat er na de oogst met de producten gebeurt, zoals sortering, koeling, transport et cetera, en bepalen als gevolg daarvan voor een groot deel de toegevoegde waarde van de producten, zodat producenten vaak genoodzaakt zijn die in de oogsttijd, wanneer er een overmatig aanbod is, tegen een lage prijs te verkopen.

    Tot dusver heeft zowel de politiek als een deel van de civil society vooral op de huidige crisis gereageerd door de landbouw en de herwaardering van de aarde de hemel in te prijzen, vooral tijdens de lockdown. Kortom, door de burgers zelf verantwoordelijk te stellen voor hun voedselveiligheid. Dit ideaal van zelfvoorziening is niet alleen onrealistisch maar ook funest, omdat het de staat ontheft van zijn verantwoordelijkheid. Terwijl stijgende grondstoffenprijzen de kloof vergroten tussen kleine bedrijfjes en de grote, op export gerichte ondernemingen, loopt Libanon het risico dat er een nieuwe belangrijke bevolkingsgroep in de armoede wordt gestort en dat er een sector verloren gaat die heeft bewezen werkgelegenheid te scheppen en bij te dragen tot vrede onder de bevolking.

  • ‘Niet opgeven’, zei de politie. ‘De volgende keer gaat het jullie lukken’

    ‘Niet opgeven’, zei de politie. ‘De volgende keer gaat het jullie lukken’

    Sinds de anti-immigratiewet van de extreemrechtse Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken Matteo Salvini in werking trad, krijgen asielzoekers die de oversteek naar Italië wagen geen humanitaire verblijfsvergunning meer. Na aankomst wacht velen een volgende vlucht: door de besneeuwde Alpen richting Frankrijk.

    Hier en daar komt uit een restaurant de geur van versgebakken pizza. Van achter de ramen van de cafés in skidorp Montgenèvre in de Alpen zijn op deze dinsdag in februari flarden van het gejoel van vakantie vierende toeristen te horen. Niet ver hiervandaan is de sfeer heel wat minder uitgelaten: hoog op de berg die naast het dorp oprijst, trekt een groepje van acht mensen in het pikkedonker de pas over die de grens vormt tussen Italië en Frankrijk.

    Soms zakken ze tot aan hun heupen weg in de sneeuw. Dan weer glijden ze met hun gladde zolen weg over het ijzelende oppervlak van het stukje piste dat ze opklimmen, met onder zich in de diepte de lichten van een Italiaans stadje. Ze weten niet wat hun wacht aan de overzijde van de bergkam die zich aftekent tegen de maanverlichte hemel. ‘En hoe moeten we nu?’ fluistert er eentje. ‘Hierlangs?’ vraagt een ander ongeduldig. Ze verliezen elkaar uit het oog, komen elkaar verderop min of meer toevallig weer tegen, en gaan weer uiteen.

    Zo proberen migranten bijna dagelijks, in een kat-en-muisspel met de politie, langs bergpassen in de Alpen Frankrijk te bereiken. Na meer dan vijf uur lopen door de vallei van Durance komt de groep aan in Briançon, de hoogste stad van Frankrijk, op twaalf kilometer van de grens. Ruim een uur lang moesten ze een van hun maten dragen, die bevangen was geraakt door de kou omdat hij zonder muts of handschoenen en met alleen tennisschoenen aan zijn voeten aan de tocht was begonnen.

    ‘Iemand die de woestijn, de zee en de bergen is overgestoken, waar is die nog bang voor?’

    In de noodopvang van Briançon vinden ze onderdak en warmte, net als 5200 mensen in 2018 vóór hen. Het zijn Guineeërs, Ivorianen, Malinezen, Senegalezen… ‘God is groot,’ roept de 22-jarige Senegalees Demba uit als hij veilig is aangekomen. De afgelopen dagen probeerde hij het ‘al drie keer’. De eerste keer hield de Franse gendarme hem aan in Briançon. De tweede keer gebeurde hetzelfde in La Vachette, de derde in Montgenèvre. Telkens weer werd hij, samen met de twee vrienden met wie hij de tocht ondernam, teruggestuurd naar Italië.

    ‘De politie en de gendarme waren erg vriendelijk,’ verzekert Demba ons. ‘Ze zeiden “niet opgeven” en “de volgende keer gaat het jullie lukken”, maar ze zeiden ook dat de bergen erg gevaarlijk zijn.’ Het hoofd van de eerste hulp van het ziekenhuis van Briançon Yann Fillet heeft deze winter vooralsnog geen reddingsactie in de bergen op touw hoeven zetten om migranten te hulp te schieten, maar ‘we zien wel veel meer gevallen van ernstige bevriezing dan vorig jaar’. Tegen een radiator aan gedrukt in de gemeenschapszaal van de opvang laat Mohammed het oedeem zien in bijna al zijn vingers. Een deel van de huid is volledig ontkleurd, zijn nagels vallen één voor één uit. Toch droeg hij wel handschoenen toen hij een maand geleden probeerde om vanuit Clavière, de laatste Italiaanse stad voor de grens, Briançon te bereiken. Maar hij moest twaalf uur lopen en geregeld zijn vuisten in de sneeuw zetten als zijn hij er zo diep in zakte dat hij niet meer vooruit kwam.

    Op 7 februari stierf een 28-jarige Togolees aan onderkoeling langs de kant van de weg niet ver van het dorp La Vachette. Vorig jaar overleden drie mensen tijdens hun tocht door de bergen. ‘En er zijn twee mensen spoorloos,’ zegt Michel Rousseau. Hij werkt voor de actiegroep Tous Migrants, die de migranten op straat opzoekt en steun verleent. Sinds 2016 kiezen zij in groten getale de route over de Alpen uit angst om teruggestuurd te worden bij de drukke grensovergang tussen Ventimiglia en Menton.

    hh 77110136

    De bergpas tussen Bardonecchia en Briancon is gesloten en onbegaanbaar vanwege lawinegevaar. Desondanks proberen migranten via deze bergpas de Italiaans-Franse grens over te steken. Per bus trein en bus reizen migranten eerst naar het gehucht Clavière hoog in de bergen, waar ze worden opgevangen door sympathisanten die de kelder van een kerk hebben gekraakt. – © Piet den Blanken / Hollandse Hoogte

    ‘Ze doen dat met de moed der wanhoop,’ denkt Rousseau. Sinds de anti-immigratiewet, of liever: het decreet, van de extreem-rechtse Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken Salvini in werking trad, is de populatie die de oversteek waagt van karakter veranderd. De wet maakte een einde aan de humanitaire verblijfsvergunningen, die een kwart van de asielzoekers tot dan toe voor twee jaar kregen. ‘Het klimaat is veranderd. Vroeger hadden de migranten die hier aankwamen hooguit zes maanden in Italië doorgebracht. Maar degenen die nu komen, kregen geen verblijfsvergunning of hebben geen kans op verlenging,’ vertelt pastoor Davide Rostan uit de vallei van Suse, een overtuigd actievoerder. ‘Sinds Salvini er is, zijn ze bang,’ vertelt vrijwilligster Sylvia Massara, die in een opvangcentrum werkt van een religieuze orde in Oulx, een klein Italiaans dorp op een steenworp afstand van de grens.

    Zelf zat Demba bijna tweeënhalf jaar in een opvangcentrum in het dorpje Gagliano del Capo in Apulië. Hij laat trots de bewijzen zien van zijn ijver: twee diploma’s van opleidingen die hij er volgde, één in biologische bijenteelt en één in diëtiek. Maar twee maanden geleden werd zijn asielaanvraag afgewezen en werd hij het centrum uitgezet. ‘Toen heb ik voor 150 euro per maand een kleine kamer bij een boer gehuurd,’ vertelt hij. ‘Ik vond werk in een klein restaurant in Leuca, waar ik zeven dagen per week van acht uur ’s ochtends tot zeven uur ’s avonds moest werken voor maar 750 euro per maand.’ Een prettige ervaring was het niet: ‘In Zuid-Italië houden ze niet van zwarte mensen, er is veel racisme,’ zegt Demba. ‘De meeste klanten vertrokken als ik hen serveerde. Toen stuurde de eigenaar me weg.’

    Demba verliet Casamance, een gebied in Senegal, al zeven jaar geleden. Hij reisde door Libië, Tunesië, Algerije en ten slotte door Marokko, waar hij ‘meer dan tien keer’ probeerde om de hekken rondom de Spaanse enclave Ceuta over te klimmen en ‘misschien wel zeven keer’ om de straat van Gibraltar in een rubberboot over te steken. Uiteindelijk keerde hij terug naar Libië en bereikte hij Italië over zee.

    ‘Iemand die de woestijn, de zee en de bergen is overgestoken, waar is die nog bang voor?’ vraagt de 28-jarige Guineeër Ousmane, die wij in de noodopvang van Briançon ontmoeten, verbitterd. Ook zijn asielaanvraag werd afgewezen, na een verblijf van tweeënhalf jaar in een asielzoekerscentrum in Apulië. ‘Ik heb twee jaar van mijn leven verloren,’ vertelt hij. ‘We zaten met tweehonderd mensen in dat kamp. Maar één Malinees kreeg uiteindelijk na vijf jaar een verblijfsvergunning.’

    ‘Ik moest wel acht keer bij de Italiaanse immigratiedienst langskomen. Toen begreep ik dat ze me niet konden helpen’

    Naast hem zit een andere Guineeër, van 21 jaar oud, die ook Ousmane heet. Hij bracht een jaar en acht maanden door in het asielzoekerscentrum van Mineo, te midden van de Siciliaanse sinaasappelboomgaarden, een centrum dat een tijdlang de twijfelachtige eer genoot het grootste migrantencentrum van Europa te zijn. Vaak wonen er wel vierduizend mensen, in gebouwen oorspronkelijk bedoeld om soldaten van een nabije Amerikaanse basis onder te brengen. Begin dit jaar kondigde Matteo Salvini de aanstaande sluiting van het centrum aan, na een serie arrestaties volgend op schandalen met drugssmokkel en systematische verkrachtingen, georganiseerd door een Nigeriaanse maffia.

    Net als veel anderen die in Mineo hebben gezeten, beschrijft Ousmane een heel andere business, die er over de ruggen van de migranten werd bedreven, met medeweten van de kampleiding: ‘In plaats van ons de 75 euro per maand te geven die ons als asielzoekers toekwam, gaven ze ons telefoonkaarten en sigaretten, die we voor hooguit drie euro per pakje konden doorverkopen.’ In Italië heeft ‘elk kamp zijn eigen wet’, zo vatten zijn landgenoten de situatie samen. Ousmane vertrok uit Mineo, waar hij ‘enkel at en sliep’. Hij woonde een maand lang op straat in Turijn, en besloot toen om naar Frankrijk te gaan. ‘Eerst wilde ik in beroep gaan tegen de afwijzing van mijn asielaanvraag. Maar ik moest wel acht keer bij de Italiaanse immigratiedienst langskomen. Toen begreep ik dat ze me niet konden helpen.’

    In Briançon komen de migranten weer op krachten, voeren ze telefoongesprekken en zoeken ze informatie. Het merendeel vertrekt binnen enkele dagen. ‘We proberen te bedenken wat we kunnen doen,’ legt een van hen uit. Camara is al een maand in Briançon. De 22-jarige Guineeër bracht drie jaar door in verschillende Italiaanse centra, tot hem gevraagd werd te vertrekken. Hij probeerde al twee keer eerder om Frankrijk binnen te komen. ‘De eerste keer hield de politie ons aan,’ vertelt hij. ‘Ze verscheurden mijn geboortebewijs en mijn kaart van de bergen.’ De volgende dag lukte het hem toch om Briançon te bereiken. ‘Ik kwam hiernaartoe omdat ze zeiden dat ik niet in Italië kon blijven en omdat ik een beetje Frans spreek. Maar ik ken hier helemaal niemand.’

    Auteur: Julia Pascual
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: Migranten lopen ’s nachts over een besneeuwde pas door de Italiaanse Alpen naar Frankrijk. – © Piet den Blanken / Hollandse Hoogte

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Vluchtelingen, nee! Aziaten, ja graag!

    Vluchtelingen, nee! Aziaten, ja graag!

    Daar waar Polen net als veel andere Oost-Europese landen weigert Syrische vluchtelingen op te nemen, zijn Aziatische arbeidsmigranten er van harte welkom.

    Na de golf economische vluchtelingen uit Oekraïne komt er nu een nieuwe aan – uit het Verre Oosten. Poolse werkgevers hebben steeds meer moeite om aan Oekraïense werknemers te komen – die al even veeleisend zijn geworden als de Polen – en beginnen in exotischer oorden personeel aan te werven.

    Volgens gegevens van het ministerie van Gezin, Arbeid en Sociaal Beleid heeft Polen alleen al in 2017 bijna 30.000 werkvergunningen afgegeven aan mensen uit Nepal, India, Bangladesh, Oezbekistan, Pakistan, de Filippijnen en China. Het afgelopen jaar raakte het echt in de mode om mensen uit het Verre Oosten te rekruteren, iets wat Poolse werkgevers tot dusverre nooit hebben gedaan.

    Het aantal buitenlandse werknemers in Polen stijgt gestaag: in 2016 zijn 140.000 werkvergunningen afgegeven, een jaar later is dat aantal bijna verdubbeld. Natuurlijk bestaat de meerderheid van hen uit Oekraïners en, in iets mindere mate, Witrussen. Maar na hen worden de meeste werknemers naar Polen gehaald uit… Nepal, gevolgd door India, Moldavië, Bangladesh en Oezbekistan. ‘Qua openheid van de grenzen kunnen we stellen dat we onze verplichtingen ten opzichte van de Europese Commissie meer dan vervuld hebben,’ grapt Andrzej Kubisiak, directeur [van de dienst analyse en communicatie] bij Work Service [het grootste wervingsbureau in Polen]. ‘Maar even serieus, het menselijk potentieel aan onze oostgrens raakt uitgeput. En daarom beginnen de werkgevers en de wervingsbureaus nu andere bronnen te zoeken.’

    Een heel ander arbeidsethos

    Waarom is Azië plotseling in de mode? Bartosz Cebula, vicedirecteur van een bureau dat gespecialiseerd is in rekrutering van Aziaten, legt uit dat zijn cliënten ‘teleurgesteld zijn in het Oekraïense personeel. Ten eerste stijgen de aanwervingskosten van onze buren almaar. Oekraïners eisen vaak hetzelfde salaris als Polen, en soms meer. Ten tweede zijn Oekraïners, volgens mijn cliënten, vaak minder gemotiveerd. Indiërs en Nepalezen hebben een heel ander arbeidsethos.’

    Uit de statistieken van het ministerie blijkt dat het voornamelijk om handarbeiders gaat. In 2017 waren er op een totaal van 250.000 buitenlandse werknemers slechts 30.000 gekwalificeerde krachten, 3000 informatici en 20… artsen. Het gaat hoofdzakelijk over lichamelijke arbeid – in de bouw en de verwerkende industrie. De administratieve rompslomp en de eenmalige kosten die verbonden zijn aan de aanwerving van mensen die van het andere eind van de wereld komen, vormen geen beletsel voor werkgevers die op de salarissen willen besparen.

    Maar Bartosz Cebula is van mening dat ‘het bij ons nog steeds gemakkelijker is dan in Duitsland, waar de aanwerving van buitenlands personeel beperkt blijft tot een lijst met beroepen waarvan officieel erkend wordt dat er een tekort aan geschoold personeel bestaat, bijvoorbeeld wiskundigen, artsen of informatici. En daar wordt buitengewoon streng de hand aan gehouden. Daarom besluiten de Aziaten naar ons te komen. Voor hen is werken in de Europese Unie een droom, ze kunnen meer dan tien keer zo veel verdienen als in hun land van herkomst.’

    Het ministerie van Arbeid wil uiterlijk voor de zomervakantie de aanwervingsvoorwaarden voor buitenlandse werkkrachten liberaliseren. Evenals in Duitsland moet er een lijst van beroepen komen, maar degenen die aan de criteria voldoen kunnen dezelfde voorrechten genieten als onderdanen uit zes Oost-Europese landen (Oekraïne, Wit-Rusland, Rusland, Armenië, Georgië en Moldavië); ‘de zes’. Werkgeversorganisaties willen zelfs een tiental landen toevoegen aan de lijst met landen waarvoor gunstiger voorwaarden gelden!


    Als dit scenario zich voltrekt staat ons misschien een ware toestroom van goedkope arbeidskrachten uit heel Azië te wachten. In de Poolse wetgeving wordt bepaald dat buitenlandse werkkrachten een minimumsalaris moeten ontvangen en woonruimte moeten krijgen, maar hoe die woonruimte eruit moet zien wordt niet nader gepreciseerd. Het is dus mogelijk dat het net zo zal gaan als nu met de Oekraïners die soms met z’n tienen een appartement delen.

    In dat opzicht staat het Poolse recht aan de kant van de werkgevers. Afgezien van de ‘bevoorrechten’ uit ‘de zes’, worden de overige werknemers aangeworven voor een minimumperiode van één jaar. Maar bij voorkeur twee jaar. In die periode mogen ze alleen maar werken voor de onderneming die ze heeft aangemeld bij de arbeidsadministratie en ze mogen dus niet, zoals de Oekraïners, van werk veranderen als iets hun niet aanstaat. De werkgever die een Nepalees laat komen voor de duur van een bouwproject heeft dus de garantie dat hij gedurende het project voor een minimumsalaris voor hem zal werken. Sterker nog, hij gaat niet naar huis tijdens de feestdagen en neemt geen vakantiedagen op. Er is geen directe vlucht tussen Warschau en Kathmandu en vluchten duren met overstappen algauw meer dan twintig uur en kunnen wel vijftienhonderd euro kosten. Een Oekraïner daarentegen die in Lublin [Oost-Polen] werkt, kan voor tien euro met de bus naar zijn geboortestad Lviv.

    In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd

    Het is dus helemaal niet verbazingwekkend dat werkgevers hele ploegen Aziatische bouwvakkers laten komen. ‘Deze bouwvakkers hebben nog een voordeel,’ aldus Andrzej Kubisiak. ‘Ze hebben vaak ervaring met grote bouwprojecten omdat ze gewerkt hebben in de Arabische Emiraten of in Qatar. Ook in Azië zelf zijn er enorme bouwprojecten. Helaas kunnen Oekraïense bouwvakkers niet prat gaan op zo’n cv.’

    In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd. Vorig jaar hebben ze in Silezië (Zuid-Polen) gewerkt, terwijl ze twee jaar eerder in Ermland-Mazurië (Noord-Polen) werkzaam waren. Ze worden dus in heel Polen ingezet. Er zou dan ook niets vreemds aan geweest zijn als inmiddels algemeen bekend zou zijn dat het regime-Kim al jarenlang werknemers aan andere landen verkoopt. Vrijwel hun gehele salaris wordt ingehouden en vloeit in de Noord-Koreaanse schatkist. Tegelijkertijd zijn ze gewaarschuwd dat als ze vluchten, hun op het Koreaans schiereiland achtergebleven familieleden de consequenties ervan zullen ondervinden.

    Oekraïners en Witrussen spreken al vrij snel Pools. Vaak hebben ze al een basis als ze in Polen aankomen. Hoe communiceren hun superieuren met de Aziaten? Met een Indiër kun je Engels praten, maar het wordt al lastiger met Chinezen, Nepalezen of Filippijnen. De werkgever moet er dus voor zorgen dat iedere ploeg ten minste één persoon bevat die een gemeenschappelijke taal spreekt.

    Komt er in Polen een nieuwe boom van buitenlandse werknemers? ‘Naast een stijging van het aantal Aziatische arbeiders moet rekening worden gehouden met een toenemende immigratie uit de landen van de voormalige Sovjet-Unie,’ aldus Grzegorz Sielewicz, hoofdeconoom van Coface Midden-Europa. ‘Hoewel de Russische economie geleidelijk aantrekt, wordt de Poolse arbeidsmarkt een aantrekkelijk alternatief voor mensen uit traditionele emigratielanden als Moldavië, Georgië, Oezbekistan, Tadzjikistan of Kazachstan, die vroeger voor Rusland kozen.’

    Auteur: Karol Wasilewski
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Openinsgbeeld: De grens tussen Polen en Oekraïne. Oekraïense gastarbeiders in Polen worden steeds vaker vervangen door Aziatische. – © Phil Nijhuis /HH

    Wprost
    Polen | weekblad | oplage 85.000

    Wprost (‘Recht op het doel af’) staat in Polen vooral bekend om zijn scoops. In 2014 baarde het blad veel opzien met de publicatie van in het geheim opgenomen gesprekken tussen belangrijke politici.

  • In Myanmar help je elkaar, maar niet de moslims

    In Myanmar help je elkaar, maar niet de moslims

    De inwoners van Myanmar staan bekend om hun buitengewone solidariteit. Alleen geldt die dus niet voor de Rohingya.

    De eerste buurt in Yangon waar ik woonde had al vrijwel geen charme toen ik er aankwam. Vlak daarna raakten we het enige wat er nog leuk aan was kwijt toen de gemeenteraad de bomen langs de straat liet kappen om de weg tot zes banen te verbreden. In één klap werd de tot dan toe verwaarloosde straat een drukke verbindingsweg tussen de flats in het centrum en de buitenwijken van de stad in het oosten.

    Op een avond zag ik een auto de hoek om slingeren en een man aanrijden die langs de kant van de weg liep. In minder dan een minuut hadden vele tientallen mensen zich rond de plek van het ongeluk verzameld. Twee van hen verzorgden de gewonde man terwijl tien of vijftien anderen het verkeer gingen regelen. Omdat de politie nergens te bekennen was, haakten weer anderen de handen in elkaar om een versperring te vormen en te voorkomen dat de man achter het stuur, die duidelijk dronken was, ervandoor zou gaan. Algauw kwam er een plaatselijke ambulance, bemand door een groep vrijwilligers, die de gewonde man op een brancard van bamboe afvoerden naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.

    Zes cijfers

    Ik dacht na over die avond tijdens een recent bezoek aan Phandeeyar, een technologisch centrum in Yangon dat de drijvende kracht is achter Myanmars opkomende, digitale industrie. De afgelopen twee jaar heeft Phandeeyars ‘Accelerator’-programma met succes jonge ontwikkelaars begeleid die op apps gebaseerde bedrijven willen opzetten. In twee van de eerste start-ups worden al investeringen gedaan die tot in de zes cijfers lopen.

    Wat vooral opvallend is aan het programma is de maatschappelijke betrokkenheid van de mensen die eraan meedoen. Eén start-up werkt aan de digitalisering van medische dossiers, wat een steunpilaar kan zijn voor de gezondheidszorg in Myanmar, die onder chronische financiële tekorten lijdt. Een ander werkt aan de start van een nationaal recyclingsysteem, dat van de grond af moet worden opgebouwd. De initiatiefnemers ontlenen hun motivatie aan de treurige aanblik van al het vuil waarmee afvoeren en rivieren door het hele land verstopt raken. De oprichters van RecyGlo werken intussen samen met kantoren en privéscholen om het vuilnis in Yangon op te halen – papier wordt verkocht aan plaatselijke bedrijven terwijl andere recyclebare producten in grote hoeveelheden naar China worden verscheept.

    ‘Dit hoort eigenlijk door de staat te worden gedaan,’ zei RecyGlo’s medeoprichter Yamin Oo. ‘Maar in een ontwikkelingsland kan de staat niet zo veel doen. Daar is een ondersteunend systeem voor nodig.’

    Het technologisch centrum Phandeeyar in Yangon. – © Taylor Weidman / Getty Images
    Het technologisch centrum Phandeeyar in Yangon. – © Taylor Weidman / Getty Images

    Myanmar staat bekend als een van de meest liefdadige landen ter wereld als het om giften en vrijwilligerswerk gaat. Maar het is misschien juister om te zeggen dat de mensen hier gewend zijn geraakt een handje te helpen als de staat daar de middelen niet voor heeft. Nadat ongekende overstromingen in 2015 meer dan honderdduizend dorpelingen uit hun huis verdreven, vormden zich rondom Yangon spontaan liefdadigheidsgroepen die geld vroegen aan automobilisten om voorraden te kopen die ze later zelf naar de opvangkampen reden. Vorig jaar, na wanordelijk verlopen onderhoudswerkzaamheden aan een aantal drukke buslijnen, boden vrijwilligers gestrande reizigers een rit in hun auto aan.

    Maar dit verantwoordelijkheidsgevoel jegens de gemeenschap, dat zo vaak een voorbeeld is van Myanmar op zijn best, heeft ook een donkere keerzijde. Het afgelopen jaar heeft het land zich ingegraven als reactie op het massale geweld tegen de Rohingya-minderheid, die nog steeds buiten de grenzen van die collectieve solidariteit valt. Onlineactivisten die Aung San Suu Kyi steunen – de feitelijke leider van het land, wier regering verantwoordelijk is voor de chaotische reactie op de vluchtelingenexodus – hebben geprobeerd om buitenlandse media in diskrediet te brengen en de wereldwijde verontwaardiging over Myanmar af te doen als een samenzwering.

    In de staat Rakhine, het epicentrum van de crisis in het afgelopen jaar, hielden inwoners humanitaire hulp aan Rohingya tegen. In één stad beschuldigden inwoners een boeddhistische winkeleigenares ervan dat ze zaken deed met moslims, waarna ze haar kaalschoren en lieten rondlopen met een bord waarop ‘verrader’ stond.

    Tot nu toe heeft de regering weinig gedaan om haar burgers in het gareel te houden of om de destructievere instincten een halt toe te roepen. Maatschappelijke organisaties zeggen dat ze worden tegengewerkt. Kundige technocraten die geen banden hebben met de partij van Suu Kyi worden wantrouwig bekeken. Mensen die antimoslimagitatie veroordelen worden bedreigd en kunnen niet rekenen op hulp van de politie of steun van de staat. Of, erger nog, ze worden het doelwit van hinderlijke aanklachten.

    Een groot deel van Myanmars recente geschiedenis is een aaneenschakeling van gemiste kansen. Het is moeilijk om het gevoel af te schudden dat we weer zo’n gemiste kans voorbij zien komen.

    Auteur: Sean Gleeson
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Nikkei Asean Review
    Japan | weekblad | oplage 12.000

    In 2013 opgericht magazine over politiek, economie, zaken en internationale betrekkingen, vanuit een Aziatisch perspectief. Onderdeel van mediareus Nikkei, onder meer de eigenaar van de Financial Times.

    CONTEXT: VN-bezoek

    Myanmar gaat in beginsel akkoord met het bezoek van de ambassadeurs van de lidstaten van de Veiligheidsraad van de VN, die op dit moment wordt voorgezeten
    door Peru. De internationale vertegenwoordiging gaat op een nog niet vastgesteld tijdstip ook naar Bangladesh, naar de omgeving van Cox’s Bazar, waar zich zevenhonderd- duizend uit Birma gevluchte Rohingya’s bevinden.

    De Birmaanse regering had in februari een dergelijk bezoek nog uitgesloten. Nu, begin april, heeft ze haar toestemming gegeven, maar de details over het bezoek zijn nog niet bekend. Daarom is het onduidelijk of de VN-delegatie ook toegang krijgt tot de Birmaanse deelstaat Arakan (tegenwoordig Rakhine), het woongebied van de Rohingya’s.

  • De  duivels van het Tsjaadmeer

    De duivels van het Tsjaadmeer

    De Spaanse journalist Xavier Aldekoa reisde naar het Tsjaadmeer, de schuilplaats van Boko Haram. Het geweld van de islamitische terreurbeweging brengt miljoenen burgers in een uitzichtloze situatie.

    De naam die Djafana Ali haar vijfde kind gaf was een kleine daad van verzet, bijna een genoegdoening, geboren uit trots. De man die Djafana uit de groep vrouwen pikte om te verkrachten was minder subtiel. Luttele weken na haar ontvoering in april 2015 door de Nigeriaanse fundamentalistische terreurorganisatie Boko Haram duwde een van de jihadisten de poort van het erf open waar Djafana samen met honderden andere vrouwen en meisjes (het waren er zo’n zevenhonderd, schat ze, opgedeeld in verscheidene groepen) opgesloten zat. De man pakte haar arm vast en nam haar mee naar een bos, waar hij haar misbruikte. De Boko Haram-strijder wees haar aan als zijn vrouw en niet lang daarna raakte ze zwanger van hem.

    Een paar dagen voor haar ontvoering had Djafana haar man en kinderen achtergelaten in haar geboortedorp Melea, op het vasteland van Tsjaad, omdat haar zieke moeder, die alleen in Buduma woonde (een eiland midden in het meer van Tsjaad), haar zorg nodig had. Djafana wist maar al te goed hoe riskant de tocht was. Het labyrint van vaarwegen en de talrijke eilanden in het Tsjaadmeer, dat een natuurlijk grensgebied vormt tussen Nigeria, Kameroen, Niger en Tsjaad, is sinds een paar jaar de schuilplaats van islamitische extremisten. Maar haar moeder was ziek en daarom ging Djafana toch naar haar toe.

    Een paar uur na het weerzien met haar moeder vielen Boko Haram-strijders het eiland binnen en ontvoerden ze alle jonge vrouwen en kinderen. Over de precieze toedracht geeft Djafana geen details prijs. Ze vertelt alleen hoe ze een deur opentrokken, een vrouw pakten en die aan een van de strijders gaven. Wanneer een vrouw weigerde, dan was ze een hoer en werd ze of ter plekke vermoord, of mocht iedereen zich aan haar vergrijpen.

    Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden

    Er zaten meisjes van tien tot twaalf jaar tussen. Ook zij stonden op het keuzemenu. De drieëntertigjarige Djafana was getrouwd – in haar streek trouwen meisjes jong – maar niemand vroeg ernaar en het leek niemand iets te kunnen schelen. De moslimextremist sloot haar op in een hutje en kwam af en toe langs om zijn lusten bot te vieren. Achttien maanden lang hield de radicale terreurbeweging, die in 2015 trouw zwoer aan Islamitische Staat, haar gegijzeld. Nooit hebben Djafana en haar Boko Haram-echtgenoot ook maar een woord met elkaar gewisseld. Nooit was hij aardig tegen haar. Altijd liet hij haar honger lijden.

    Nu, vier maanden na haar ontsnapping, is ze terug in haar dorp, waar het veilig is. Op het Tsjadische vasteland is het afgelopen jaar de jihaddreiging afgenomen, op de eilanden niet.
    Djafana weigert zijn naam te noemen. Soms is het besluit van de vrouwen om de rebellen dood te zwijgen hun manier om wraak te nemen. Het is misschien wel de enige wraak die ze kúnnen nemen. Daarom heeft Djafana het bij haar verwekte kind dat nu, een jaar oud, hongerig naar haar borst hapt, Hissein genoemd, naar haar eerdere man.

    Djafana slaagde erin om samen met honderden andere vrouwen te ontsnappen toen Nigeriaanse legerhelikopters eind 2016 het eiland aanvielen dat in handen was van Boko Haram. Tijdens het zwaarste militair offensief sinds de zomer van 2015 werden de rebellen grotendeels verjaagd uit de gebieden die ze in het noorden van Nigeria in handen hadden en moesten ze zich terugtrekken in het ondoordringbare Sambisa-reservaat, dat op de grens tussen Nigeria en Kameroen ligt, en in het labyrint van eilanden en vaarwegen in het Tsjaadmeer. Daar hadden ze alleen te vrezen van aanvallen uit de lucht. Zoals op de dag dat Djafana wist te vluchten. Die ochtend stierven tientallen strijders en gegijzelde burgers door kogels en bommen, maar lukte het rond de vijfhonderd ontvoerde meisjes en vrouwen om in de chaos te ontkomen.

    Omdat er niemand was om hen op te vangen, deden de vrouwen er dagen over om de Tsjadische kust bereiken. Van eiland naar eiland liepen ze door het water, de langsten tilden de baby’s boven hun hoofd zodat ze niet zouden verdrinken. Slechts honderd vrouwen bereikten hun eindbestemming, al denkt (hoopt?) Djafana dat veel vrouwen het mogelijk wel hebben gered maar via andere routes zijn gegaan. Toen ze aankwam in haar dorp kreeg ze te horen dat haar man Hissein tijdens haar ontvoering ziek was geworden en was gestorven. Als haar jongste zoon volwassen is, zal ze niet zeggen wie zijn vader is. ‘Dat komt niet eens in mijn hoofd op, al zou het kunnen dat iemand anders dat wél doet.’

    Kulkime, aan het Tsjaad-meer, is een van de dorpen waar slachtoffers van Boko Haram worden opgevangen. – © Michael Zumstein / Agence VU
    Kulkime, aan het Tsjaad-meer, is een van de dorpen waar slachtoffers van Boko Haram worden opgevangen. – © Michael Zumstein / Agence VU

    Sinds haar vrijlating woont Djafana weer in Melea, een gehuchtje van strohutjes in the middle of nowhere op een kale vlakte. Overal waar je kijkt is zand of droog struikgewas en krabt de wind je huid open. Rond het middaguur komt het leven traag tot stilstand, de mannen, die in de schaduw bij elkaar zitten, mompelen af en toe iets, waarna ze weer terugvallen in hun lethargisch stilzwijgen. Alleen een handvol kinderen, spelend met lemen speelgoed – een koe, een pan, een radio met een draadje dat een koptelefoon moet voorstellen – zorgt voor wat leven in de brouwerij. De vrouwen zijn aan het werk: twee vermalen ritmisch het kleine beetje graan in een houten kom. Djafana woont daar vlakbij. De inrichting van haar huis is sober. Op de aangestampte zandgrond heeft ze een donkere mat gelegd, in een hoek liggen een deken met tijgerprint, twee verkreukelde stukken stof en een blauwe plastic emmer, aan de andere kant staat een zilverkleurige kom. Djafana woont daar met haar baby Hissein en haar vier andere kinderen, die tussen vier en veertien jaar oud zijn. Ze klaagt dat niemand zich om hen bekommert.

    Omdat ze niet in een vluchtelingenkamp wonen, krijgen ze geen voedsel en lijden haar kinderen honger. Ze kijkt moe uit haar ogen. Monotoon vertelt ze over het afschuwelijke dat haar is aangedaan. Ondanks haar verhalen over massale verkrachtingen en meedogenloze executies blijft Fatima, een van haar dochtertjes, dicht tegen haar aan zitten met de onschuldige en geconcentreerde blik van een kind dat naar een verhaaltje of een liedje luistert. Djafana draagt een zwart gewaad bedrukt met rode, oranje en gele figuurtjes, waarmee ze ook haar hoofd bedekt; haar gouden neusring, bij de Buduma-stam een teken dat ze getrouwd is, heeft ze afgedaan. Haar gezicht is versierd met scarificaties, in haar huid gekerfd toen ze zes was en waaraan men kan zien bij welke stam ze hoort. Het zijn niet haar enige littekens. De verse op haar armen zijn het gevolg van de luchtaanval op het eiland waarbij de jihadstrijder omkwam die een kind bij haar verwekte. Ook de kleine Hissein heeft littekens op zijn hoofd.

    De hele regio vormt een wond die maar niet sluiten wil. Het grensgebied rondom het Tsjaadmeer dat Nigeria, Tsjaad, Kameroen en Niger met elkaar delen gaat sinds acht jaar gebukt onder een enorme geweldsgolf. De opkomst van Boko Haram in het noorden van Nigeria en hun invasie van de buurlanden heeft vijftigduizend levens gekost, duizenden mensen zijn gegijzeld en op de vlucht geslagen. Volgens de Verenigde Naties zijn bijna tweeëneenhalf miljoen burgers dakloos. Het overgrote deel is weggetrokken van het platteland, waar Boko Haram meestal huishoudt, en zoekt bescherming in vluchtelingenkampen, in de steden of bij familieleden of kennissen.

    Dat Boko Haram onder druk van een multinationale strijdmacht, aangevoerd door Nigeria en Tsjaad, een groot deel van hun gebied moest inleveren – de rebellen riepen in 2014 in Noord-Nigeria het kalifaat uit – heeft niet tot een afname van succesvolle dodelijke aanslagen geleid. Naast snelle, guerrilla-achtige aanvallen waar weinig materieel voor nodig is, zet Boko Haram nu ‘zelfmoordenaars’ in om de samenleving te ontwrichten. Boko Haram heeft de afgelopen drie jaar meer dan honderd zelfmoordaanslagen gepleegd, zo blijkt uit gegevens van UNICEF en The Long War Journal, een organisatie die de geweldsdelicten van de terreurbeweging bijhoudt. Alleen al in het eerste trimester van 2017 hebben zevenentwintig meisjes zichzelf onder dwang opgeblazen.

    Op 1 januari heeft een meisje van nog geen tien jaar oud, aldus ooggetuigen, haar bomgordel laten afgaan op een markt in Maiduguri. Dat het in tachtig procent van de gevallen meisjes zijn die zelfmoordaanslagen plegen is niet toevallig. Boko Haram gebruikt de ruimvallende gewaden van meisjes en vrouwen om bomgordels te verstoppen en stuurt ze vaak gedrogeerd naar een markt of moskee om zichzelf tot ontploffing te brengen.

    Volgens de Nigeriaanse analist en veiligheidsdeskundige Fullan Nasrullah is het een effectieve militaire tactiek. ‘De strategie van de opstandelingen is onder meer om het moreel van de samenleving en de strijdmacht te breken, én om de landen te dwingen hun schaarse middelen aan te wenden ter bescherming van makkelijke doelwitten en niet te gebruiken voor de strijd.’


    Jaren van angst en de geur van kruitdampen hebben tot miljoenen lege buiken geleid. En niet alleen wie gevlucht is voor het geweld, ook de mensen die hun land niet durven te bewerken of die de gevolgen van een ingestorte economie dragen, lijden honger. Door de oorlog is handel niet meer mogelijk en zijn levensmiddelen peperduur geworden, veel mensen kunnen geen voedsel meer kopen. De omvang van deze ramp zal nieuwe slachtoffers maken: de Verenigde Naties waarschuwen dat meer dan zeven miljoen burgers urgent medische hulp nodig hebben en in de gebieden waar Boko Haram het felst tekeer gaat is al sprake van een hongersnood.

    Daarom hebben de baby’s uit het gebied rond het Tsjaadmeer koude handjes. Aan het eind van de woestijnstrook die Niger scheidt van zijn buurland Tsjaad – een stuk niemandsland waar de nabijheid van jihadstrijders een militaire escorte noodzakelijk maakt – woont Ache Gomborom, en zijn handjes zijn ijskoud. Hij heeft ook andere symptomen van ondervoeding: je kunt zijn ribben tellen, hij heeft spillebeentjes en een starende blik. Als hij in een weegschaal wordt getild, trekt er een kleine frons over zijn gezichtje. Het gezicht van de Tsjadische arts die hem behandelt spreekt boekdelen: voor zijn zeventien maanden is zijn gewicht alarmerend laag. Wanneer zijn moeder, Bakouli Maloum, hem overneemt wikkelt ze hem in een rode sjaal en kijkt naar de grond. Na een poosje is hij in slaap gevallen. Zijn moeder protesteert: ‘Op ons eiland was alles normaal, we werkten op land en visten in het meer. Nu is alles anders. Als Boko Haram je te pakken krijgt, snijden ze je keel door. Hoe kun je daar blijven?’ Bakouli, geboren op Kindjira, een klein eiland in het Tsjaadmeer, draagt twee zwarte armbanden om haar rechterpols en groene oorbellen in haar oren. Al haar andere bezittingen zijn afgepakt door de jihadstrijders.

    Ofschoon Noord-Nigeria en de streek rondom het Tsjaadmeer hoofdzakelijk islamitisch zijn, zijn er maar een paar stammen, zoals de Buduma, die hun geloof in Allah belijden met traditionele rituelen. Het handjevol christenen is de streek al jaren geleden ontvlucht. Maar de fundamentalisten maken geen enkel onderscheid: wie hun radicale geloofsopvatting niet deelt, is een ongelovige die gestraft en gedood moet worden. Bakouli kent die fatale minachting maar al te goed: ‘Ze zeggen dat we christenen zijn, zo noemen ze iedereen die in hun ogen geen goede moslim is. Daarom vermoorden ze ons. Daarom snijden ze onze keel door. Ze vinden ons minderwaardig, net als dieren.’

    Voor de deuren van de winkel die dienstdoet als mobiele kliniek wacht een grote groep vrouwen en uitgeteerde kinderen op hun beurt onder de schaduw van een boom. Het zijn er zo veel dat niet iedereen een plaatsje in de schaduw kan bemachtigen, een enkeling staat in de volle zon. Vliegen zoemen om de ogen, neuzen en monden van de kinderen. Niemand probeert ze te verjagen. In de omgeving staan zo’n vijftienhonderd geïmproviseerde hutjes van takken, stro en plastic. Hier is de voorbode van de honderden kampen in de regio waar niemand naar omkijkt. Zo’n negenduizend vroegere eilandbewoners wonen nu op een lap woestijngrond, Magui gedoopt, en wachten op hulp. Er is zo onnoemelijk veel zand dat je alleen traag kunt voortbewegen, de zon prikt op je voorhoofd en de wind dwingt je met dichtgeknepen ogen te lopen.

    De Tsjadische UNICEF-voedingsdeskundige Ngandolo Kouyo strijkt de kreukels uit zijn witte doktersjas alvorens op een witte plastic stoel plaats te nemen. Of we het kort kunnen houden, is zijn verzoek. ‘Het is druk vandaag,’ zegt hij verontschuldigend, waarna hij de toekomst van zijn patiënten analyseert. Door de haast, of misschien wel de dagelijkse confrontatie met deze catastrofe, zijn zijn woorden weinig diplomatiek. ‘Deze mensen zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Als die niet komt, sterven ze bij bosjes. Allemaal. Geen twijfel mogelijk. Er is geen voedsel, er is geen water, geen toegang tot medische zorg. En als die zorg er wel is, hebben ze de middelen niet om de hulpposten te bereiken. Ergo: er gaan veel doden vallen.’ Eigenlijk verwoordt Kouyo in telegramstijl met onderkoelde onmacht de alarmkreet die negentien mensenrechtenorganisaties eind 2016 lieten horen over de crisissituatie rond het Tsjaadmeer, de grootste, door iedereen vergeten humanitaire crisis van 2016. Cijfers van de hulp die in 2017 is geboden stemmen niet vrolijk: van de 1500 miljoen dollar die de Verenigde Naties nodig denken te hebben om de voedselcrisis rond het Tsjaadmeer het hoofd te bieden, is in het eerste kwartaal van 2017 slechts 169 miljoen binnengekomen, 11 procent van het geld dat nodig is.

    Eilanden ontvlucht

    Tientallen kilometers zuidwaarts verraden de kapotte en halflege visnetten van Barkay Idriss dat je niet zo makkelijk uit deze val ontsnapt. In Tagal, een dorpje aan de oevers van het Tsjaadmeer, is het al bijna avond, maar op de bodem van zijn kano glibberen slechts een dozijn vissen. De lucht is hier fris, het groene landschap legt een zachte waas over de horizon en vanaf de oever komt de geur van tientallen vissen die op houten spijlen in de zon liggen te drogen. Gehurkt op een van de uiteinden van zijn boot bekijkt de zeventienjarige Barkay de dagvangst en schudt boos en beschaamd zijn hoofd. ‘Het visnet is oud, zodra de vissen zich een beetje uitrekken zijn ze weg.’

    Zijn vader leerde hem vissen toen hij twaalf was, hij kent alle fijne kneepjes. Je moet bijvoorbeeld ’s ochtends vroeg je visnetten uitzetten, voordat de nijlpaarden zich laten zien, want je kunt beter uit de buurt blijven van de snijtanden van deze lichtgeraakte beesten. Ook weet hij dat je in diepe, stille wateren de beste vis vangt, maar dat kan nu niet. ‘Boko Haram houd zich schuil op de eilanden, en omdat we bang zijn, vissen we allemaal dicht bij de oever. We zijn met te veel, daarom zijn er te weinig vissen.’

    De afgelopen jaren zijn duizenden burgers de eilanden ontvlucht, op zoek naar de relatieve veiligheid – vaak zit de terreurbeweging maar op een paar kilometer afstand – op het vasteland, waar meer militairen zijn en humanitaire hulporganisaties hulp kunnen bieden. De vluchtelingengolf heeft voor een demografische explosie gezorgd: de bevolking in de regio is verdriedubbeld.

    Barkay draagt een lichtblauw overhemd en een gele broek, kleding die betere tijden heeft gekend en verraadt dat het vroeger beter was. Toen hij op een van de eilanden woonde, verdiende hij met gemak veertig dollar per week, had hij een prima kano en meer dan genoeg visnetten. Nu haalt hij niet eens dertig dollar per maand en deelt hij zijn boot met twee andere vissers. Hij vertelt het met gepaste verbitterdheid, beseffend dat hij van geluk mag spreken.

    Gekrijs redde het leven van Barkay. Om drie uur ’s nachts vielen Boko Haram-strijders zijn dorp Bulari aan, op een van de Tsjadische eilanden, en namen als eerste de medicijnman van het dorp te grazen, want ‘zo gaan ze altijd te werk’. Voor de jihadisten is het geloof van de medicijnmannen in magische krachten en geesten een zonde. Ze onthoofden hem voor zijn deur. Met één simpel gebaar regen ze een van de dorpshoofden aan hun mes. ‘Ik werd wakker van zijn gegil en kon wegvluchten.’ Barkay en veel van zijn dorpsgenoten lieten noodgedwongen hun dieren en bezittingen achter, die de jihadisten meenamen als oorlogsbuit.

    Door het geweldsconflict zijn de handelsroutes met buurlanden afgesloten, wat funest is voor de economie. Naast het verbod van lokale overheden om met auto’s de grens over te steken zodat de jihadisten-strijders zich niet vrij kunnen verplaatsen, bleek een ander verbod de genadeslag voor de lokale handel. Omdat de rebellen hun activiteiten onder meer financierden met de verkoop van gestolen vee – duizenden stuks vee, die goed waren voor honderdduizenden dollars – besloot men een van de diepst gewortelde handelsactiviteiten in de streek, de handel in dieren, stil te leggen. De wereldwijde daling van de olieprijs, een van de steunpilaren van de Nigeriaanse en Tsjadische economie, en de hogere investeringen in defensie ten koste van de sociale voorzieningen heeft de wond nog verder opengereten.

    Hoe dan ook, Barkay peinst er niet over om naar huis terug te keren. ‘Wat ik daar heb gezien wil ik nooit meer zien, ik blijf hier de rest van mijn leven.’ Maar hij ziet als een berg op tegen zijn toekomst. Het liefst zou hij trouwen en een gezin stichten, maar hij heeft geld nodig voor de bruidsschat, een met de schoonfamilie afgesproken aantal koeien of geiten. Meestal, aldus Barkay, betaal je een bedrag van zo’n achthonderd dollar, al kan de prijs oplopen als het meisje gestudeerd heeft of uit een rijk gezin komt. Op dit moment en in deze situatie is dat een onmogelijk te vergaren fortuin. Evenwel, als Barkay er niet in slaagt zo veel geld bij elkaar te krijgen, is zijn eer aangetast. ‘In onze cultuur moet een man trouwen. Slaag je daar niet in, dan is dat een sociale schande.’

    ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen’

    Boko Haram heeft munt weten te slaan uit deze traditie waarin de jonge mannen klemzitten. De oprichting van de Nigeriaanse terreurgroep, de groei en de uitbreiding naar de buurlanden hangen nauw samen met de armoede en de sociale ongelijkheid in Nigeria: het rijke, ontwikkelde zuiden van Nigeria met zijn moderne steden (al is daar ook een kloof tussen arm en rijk) vormt een schril contrast met de arme, veronachtzaamde noordelijke regio’s, waar nauwelijks infrastructuur en geasfalteerde wegen zijn.

    De UNESCO schat het aantal alfabeten in het noorden van Nigeria, de bakermat van Boko Haram, in 2002 op een krappe 14,5 procent. In Lagos, Zuid-Nigeria, ligt dat percentage op 92. De opstandelingen wisten wat hen te doen stond: in 2014 begonnen ze aan een nog altijd voortdurende reeks ontvoeringen van meisjes – de bekende gijzeling van de 219 schoolmeisjes in Chibok, in het noordoosten van Nigeria, maakte deel uit van deze strategie –, waar de jonge mannen die zich bij hen aansloten voor niks mee konden trouwen. Het bleek een uiterst effectieve zet. De nieuwelingen kwamen bij bosjes. Honderden jonge mannen zagen dat ze een vrouw en kinderen konden krijgen en geen sociale vernedering hoefden door te maken omdat ze geen bruidsschat kunnen betalen.

    De zeventienjarige visser Djibirine Mbodou, die meer dan een jaar lang gevangen werd gehouden en in januari 2017 wist te ontsnappen, bevestigt deze lezing. Veilig aan de oever van het Tsjaadmeer herinnert hij zich glashelder hoe Boko Haram-strijders op een nacht zijn eiland Galoa in Tsjadische wateren aanvielen en het voltallige dorp, zo’n zevenduizend bewoners, meenamen. Meteen werden er strikte regels opgelegd: bij diefstal werd je hand afgehakt en op voetballen stond de doodstraf. Dagelijks werden ze in groepen opgedeeld om te bidden. ‘Ze schreeuwden naar ons dat we vroeger verkeerd baden.’ Nog steeds heeft hij nachtmerries, want hij zag hoe ze een veertienjarige meisje martelden omdat ze weigerde seks te hebben met een strijder en hoe mensen die probeerden te ontsnappen werden gekeeld. Een aantal van zijn vrienden en buren besloten zich vrijwillig aan te sluiten. ‘Als je in het dorp bleef, dan werd je sowieso vermoord, je kon niet anders. En een Boko Haram-strijder mag stelen. Hij krijgt eten, mag plunderen, en er zijn vrouwen om mee te trouwen.’

    Jihadist zijn stelt je bovendien in staat om in no time oude ruzies te beslechten. Eenmaal ingelijfd bij Boko Haram maak je met een kalasjnikov in je handen fluitend een eind aan een conflict met die snel gepikeerde buurman over een stuk land, vereffen je een rekening met die jongen die er ooit met je vriendinnetje vandoor ging of krijgt die rijke, gierige kennis op wie je zo jaloers was eindelijk zijn vet. De fundamentalistische terreurbeweging heeft zich aan de tijd moeten aanpassen. Initieel heette ze niet eens Boko Haram. Begin deze eeuw predikte de radicale geestelijke Mohammad Yusuf in de straten van de Nigeriaanse stad Maiduguri voor een strikt islamitische samenleving die een einde zou maken aan sociale ongelijkheid. Zijn vijand was de inefficiënte en corrupte Nigeriaanse overheid, die hij ervan beschuldigde decennialang niet naar het noorden te hebben omgekeken. In zijn preken, die steeds grotere menigten trokken, gebruikte hij in het Hausa het mantra Bokoisharam! Bokohisharam! Hij bedoelde dat het gebruik van boeken – symbool van westerse educatie dat haaks staat op het gebruik van houten plankjes op de koranscholen – een zonde was en de oorzaak van een falend systeem. Eigenlijk gebruikten ze dus niet de naam Boko Haram maar hun officiële naam: Zij die de leer van de Profeet en de jihad zullen verkondigen.

    Zijn radicale discours viel in vruchtbare aarde bij een generatie wanhopige werkloze jongeren en ontaardde in gewelddadige protestacties waarbij Nigeriaanse veiligheidsagenten en politici werden vermoord. Yusuf wilde een nationale koers varen: zijn doel was om de regering af te zetten en de sharia in te voeren. De beweging kon rekenen op machtige peetvaders. Ofschoon ze hun inkomsten later uit bankroven, afpersingen en plunderingen haalden, werden ze aanvankelijk financieel gesteund door hoge politici en geestelijken uit het noorden van Nigeria. Met de moord op Yusuf tijdens zijn gevangenschap in 2009 en de standrechtelijke executies van honderden van zijn aanhangers brak de hel los. Enkele maanden later nam Abubakar Shekau de leiding over en sloeg de terreurgroep een nog bloederiger koers in met aanslagen en moordpartijen op grote schaal en gebruikten ze het zaaien van paniek als pressiemiddel. Vanaf dat moment danken ze hun machtspositie aan het aura van geweld dat hen omringt. Alleen de naam Boko Haram al doet iedereen verstijven van schrik.

    Gevraagd naar Boko Haram laat de jonge Mbodou, die langer dan een jaar door de rebellen werd gegijzeld, zien hoezeer zijn angst is geïnternaliseerd. Hij zit op zijn knieën onder een bladerdek dat hem tegen de zon beschermt en er is er geen spoor van rancune te horen in zijn antwoord. ‘Wie de rebellen zijn? Het zijn de mannen die ’s nachts op pad gaan. Als je ze tegenkomt, snijden ze je strot door. Daar krijgen ze een kick van.’

    De verhalen die je hoort in het gebied rond het Tsjaadmeer worden gevoed door de angst voor nachtelijke verrassingsaanvallen en de ongekende wreedheid. In Baga Sola, de belangrijkste stad in het Tsjadische grensgebied, doet een afschuwelijk verhaal de ronde. Op een nacht bereikten twee Boko Haram-strijders een gehuchtje, even buiten de stad. Ze namen hun intrek in de lemen hut van een doodsbange oude man die, niet in staat om te vluchten, zijn enige overlevingskans zag in het zo gastvrij mogelijk behandelen van de twee mannen. Hij stond vroeg op om bij de put water voor de thee te halen. Hij ververste het stro in hun matrassen en bereidde zelfs een geit voor hen. Hij probeerde niet te ontsnappen. De dag voor hun vertrek zeiden ze tegen hem: ‘Je gastvrijheid en opofferingsgezindheid hebben diepe indruk op ons gemaakt. Je bent een goed man, je verdient een plek in het paradijs. Maar stervelingen zijn zwak en je loopt het risico verleid te worden en de weg kwijt te raken. Daarom, opdat Allah je toelaat tot het paradijs, gaan we je vermoorden.’ En ze sneden zijn keel door.

    Dit verhaal, bij de ene verteller met een wat langere monoloog of met iets meer nadruk op de goedheid van de oude man dan bij de ander (omdat er geen getuigen zijn is de precieze inhoud niet te verifiëren), laat zien hoe de angst zelfs is doorgedrongen tot de horrorverhalen in de streek. Voor velen is Boko Haram de duivel.

    Ook in het dorpje Dileram aan het Tsjaad-meer worden mensen opgevangen die aan Boko Haram zijn ontsnapt of hun eigen dorp ontvlucht. – © Zumstein / Agence VU
    Ook in het dorpje Dileram aan het Tsjaad-meer worden mensen opgevangen die aan Boko Haram zijn ontsnapt of hun eigen dorp ontvlucht. – © Zumstein / Agence VU

    Naast religieus-extremisme en armoede zijn er twee andere factoren die verklaren waarom een handjevol fanatiekelingen – tussen de vier -en zesduizend goed getrainde strijders, volgens de CIA – Nigeria, de belangrijkste economie van Afrika, en de buurlanden helemaal klem heeft gezet: dat ze vergeten worden en zich gekwetst voelen.

    In Dar es Salaam, het grootste vluchtelingenkamp aan de Tsjadische zijde van het meer, tekent Nasiru Saidu beide factoren met zijn vingers in het zand. Met zijn handpalm egaliseert hij de zandgrond en trekt met drie vingers een golvende baan. Aan één kant schrijft hij Doro, de naam van zijn Nigeriaanse dorp, aan de andere Tsjaadmeer. Zittend tegenover een voetbalveld waar ngo’s potjes voetbal organiseren om de kinderen hun trauma’s te laten verwerken, roept Saidu herinneringen op aan begin januari 2015, toen zijn leven als vis- en uienhandelaar voorgoed een andere wending nam. Terwijl Parijs beefde onder de fundamentalistische terreuraanslag op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo en de westerse wereld bedolven werd onder spandoeken met de tekst ‘Je suis Charlie’, pleegde Boko Haram aan de Noord-Nigeriaanse kust van het Tsjaadmeer de heftigste aanval uit hun geschiedenis. Na de verovering van een legerbasis belegerden jihadstrijders vijf dagen lang de stad Baga en zestien dorpjes zonder ook maar enige vorm van tegenstand te ondervinden. Duizenden burgers – enkele bronnen spreken van tweeduizend, maar niemand bleef achter om ze te tellen – werden vermoord, duizenden anderen staken in paniek het meer over in de richting van Tsjaad. Saidu was een van hen. ‘Toen we zagen hoe een Nigeriaanse soldaat met een schotwond op een bromfiets werd vervoerd, wisten we dat dit geen gewone aanval van Boko Haram was.’

    Een paar weken daarvoor had Saidu eindelijk na twee jaar al zijn moed verzameld om zijn dorp te bezoeken. Omdat het Tsjaadmeer nu militair grondgebied is, moest hij een omweg nemen. Hij was vier dagen onderweg en reisde mee met zes verschillende vrachtwagens. As was alles wat hij vond. ‘Alles is verlaten. Hier en daar zie je nog botten liggen.’

    Saidu is 36 jaar en heeft niets meer, behalve zijn trots. Hij spreekt rustig maar vastberaden. ‘Eerlijk gezegd hebben we banen nodig. Wachten tot er hulp komt schiet niet op. Van niks doen krijg je honger, en een hongerige man is een boze man. Wij willen niet afhankelijk zijn van humanitaire hulp.’

    Saidu is dun, maar lang en grofgebouwd. Hij draagt een lang wit hemd, zijn kortgeschoren hoofd en zwarte puntbaardje met grijze plukken accentueren zijn scherpe gelaatstrekken. Hij glimlacht aan één stuk door en boezemt vertrouwen in. Hij knoopt meteen een gesprek aan met de vrouwen die water komen halen bij een nabijgelegen put.

    Zo op het eerste gezicht lijkt Saidu uit leidershout gesneden, wellicht omdat hij helder en genuanceerd spreekt. Hij beschouwt Boko Haram-strijders niet als de duivel en hij heeft recht van spreken: hij kent er een aantal. Hij weet dat mensen zich aansloten omdat ze honger leden, omdat Boko Haram naar hun dorp kwam en een salaris en voedsel beloofde. Hij heeft vrienden die niet diepreligieus waren en nog nooit iets misdaan hadden, maar uit wraakzucht toetraden tot Boko Haram. De corruptie en het misbruik van het Nigeriaanse leger zijn evengoed debet aan de huidige situatie als de moslimextremisten. Hij vertelt hoe het leger zich ineens in hun dorp liet zien en een dozijn jongeren meenam. Niemand heeft ze ooit nog teruggezien. En niet te vergeten de zo gevreesde regel één om vijftig: ‘Het was in Baga Sola, in een wijk die Flatari heette,’ herinnert hij zich. ‘Boko Haram had een soldaat vermoord en even later kwam het Nigeriaanse leger en brandde de hele wijk plat. Zieken, ouderen, blinden, allemaal onschuldige mensen kwamen om. En de reden: iemand had een militair gedood, maar niemand wist wie de moordenaar was.’

    Geef ons je geld en maak dat je wegkomt

    Lokale organisaties klagen al jaren over de gruweldaden die het Nigeriaanse leger pleegt onder het mom van de strijd tegen het terrorisme. Ook de internationale gemeenschap is hiervan op de hoogte. Amnesty International heeft een rapport gepubliceerd met beeldmateriaal en ander bewijs van martelingen en executies van honderden burgers. Human Rights Watch beschuldigt de mensen die de voor Boko Haram gevluchte vrouwen horen te beschermen van misbruik: militairen, politieagenten en opvangkampmedewerkers verkrachten meisjes of vragen seksuele gunsten in ruil voor bescherming of voedsel.

    Djim en Abdoulhassan, Tsjadische hulpverleners van een internationale organisatie, willen alleen anoniem spreken. Djim werkte in Nigeria en wil niet terug. ‘Het leger begint meteen te schieten.’ Hun angst voor Boko Haram maakt dat zodra de situatie een beetje gespannen is hun vinger wel heel snel richting de trekker gaat. Dan zijn er nog de systematische overvallen. Djim heeft zijn lesje wel geleerd toen het op een dag iets later werd op kantoor en hij ’s avonds door de straten van Maiduguri in Noord-Nigeria liep. Hij werd tegengehouden bij een militaire controlepost. Het deed er niet toe dat hij uitlegde waar hij werkte en dat hij hulpverlener was. De militairen namen al zijn bezittingen af. ‘Het enige wat ze zeiden was: geef ons je geld en maak dat je wegkomt.’

    Op het hoogtepunt van de radicale terreurbeweging maakte de paranoia van het slecht getrainde en nog slechter betaalde Nigeriaanse leger van elke routinematige controle op gevaarlijk terrein een vorm van Russische roulette. Een kleine blauwe plek kon voldoende zijn voor een veroordeling: had de verdachte op zijn schouder iets wat leek op een geweerafdruk, dan was dat het bewijs dat hij een Boko Haram-strijder was. Er waren nog andere methodes: de teennagels bestuderen, bijvoorbeeld. Had de persoon ingegroeide teennagels dan was dat voor sommige militairen een teken dat hij urenlang met militaire kisten aan had gelopen. Het onmiddellijke vonnis: Boko Haram-strijder, de gevangenis in, als de verdachte geluk had. Soms werd er snelrecht toegepast en kreeg de verdachte ter plekke een nekschot.

    Toen eind 2015 de noodtoestand in Tsjaad werd uitgeroepen kwam het leger met een voor het volk niet mis te verstane mededeling: iedereen die zou achterblijven op de eilanden, was een Boko Haram-strijder, inclusief de dieren. De eilanden waar burgers eeuwenlang hadden geleefd werden een nog gevaarlijker plek.

    Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land

    Desondanks ontkent de hoogste lokale autoriteit van de regio Baga Sola, Dimonya Sonapébé, keihard dat er in zijn jurisdictie burgers zijn omgebracht. Gestoken in zijn mooiste kleren ontvangt hij me in het zitje van zijn kantoor en pareert elke kritische vraag. ‘In het leger noemen we dat collateral damage. Dit gebeurt overal. Welke militair schiet nu vrijwillig op zijn eigen bevolking. Onmogelijk! Soms worden er fouten gemaakt als je een hele groep wilt redden. Dan kan het voorkomen dat je per ongeluk iemand doodt, dat is betreurenswaardig.’ Als hij geconfronteerd wordt met getuigenverklaringen van bombardementen op Tsjadische dorpen vol ontvoerde vrouwen en kinderen en illegale executies op Nigeriaans grondgebied, kapt hij het gesprek af. ‘Wij hebben nergens spijt van. Wij verwijten onze veiligheidsmacht niets. Wij zeggen alleen: Bravo! Bravo! Jullie hebben de strijd gewonnen!’

    De opkomst van burgerwachten in Nigeria, Tsjaad, Niger en Kameroen is evenmin bevorderlijk voor een strikte naleving van de wet. Ongetrainde, ongedisciplineerde mannen, gewapend met huisgemaakte wapens, pijl en boog of machetes, bemannen de controleposten bij de dorpsgrenzen om Boko Haram-rebellen tegen te houden. Ze vertegenwoordigen de wet in een wetteloos land. Af en toe vonden er rechtstreekse confrontaties plaats met de terreurgroep, die de mannen vanwege hun overduidelijke inferioriteit met hun leven moesten bekopen. Het zijn vrijwilligers die hun mensen en familie proberen te beschermen in een uitzichtloze situatie.

    Abakar Salha en Souleymane Obusmaneissa voldoen op het eerste gezicht aan dit profiel. De een draagt een lilakleurige tulband, de ander een witte. Gewapend met een metaaldetector fouilleren ze elke bezoeker die de markt van Baga Sola wil betreden, inclusief de kamelen. Als ze niks verdachts vinden halen ze het over de hele breedte van de straat gespannen touw weg en mag de gefouilleerde persoon doorlopen. Vinden ze iets verdachts, dan wordt hij of zij meegenomen naar de autoriteiten. De burgerwacht en controlepost bestaan sinds oktober 2015, toen er verschillende zelfmoordacties plaatsvonden op de markt en in de buitenwijken, die aan veertig mensen het leven kostten. Ofschoon je op je vingers kunt natellen dat bij een volgende aanslag hun leven gevaar loopt, is er geen enkele aarzeling bij Salha te bespeuren.

    ‘Vreest u niet tegenover een zelfmoordenaar te komen staan?’

    ‘Nee, daarom zijn we hier, om dat te voorkomen.’

    ‘Maar als u iemand fouilleert die een bomgordel draagt, dan kunt u hem activeren.’

    ‘Wij willen alleen maar onze mensen beschermen. Als wij het niet doen, wie dan wel?’

    Auteur: Xavier Aldekoa
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    De Spaanse journalist Xavier Aldekoa is sinds 2009 Afrika-correspondent voor de krant La Vanguardia. In 2014 publiceerde hij zijn eerste boek: Ocean Africa.

    Gatopardo
    Mexico | maandblad | oplage 50.000

    Gatopardo wordt verspreid in Latijns-Amerika en in Miami. Journalisten uit verschillende landen leveren bijdragen aan dit maandblad, dat ook het werk van schrijvers als Carlos Fuentes, Ernesto Sábato of Alma Guillermoprieto publiceert.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 87: Hoe deradicaliseer je Boko Haram?
    1. 120: Experiment in Niger: amnestie voor Boko Haram

    Reader # 10: Aisha maakt jacht op Boko Haram

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


    FILM | De strijdkreet van Spielberg

    Superheldenfilm voor volwassenen

    Steven Spielberg was midden in een project toen hij het script voor The Post las, en besloot dat de film ofwel onmiddellijk moest worden gemaakt, of niet. De eerste optie werd bewaarheid: hij zette zijn project stop en binnen een halfjaar werden de scènes gedraaid. De cast bestaat uit o.a. Tom Hanks als Ben Bradlee, de legendarische hoofdredacteur van The Washington Post, volgens The Atlantic een logische keuze omdat de acteur de belichaming is geworden van Al Wat Goed Is In Amerika, en Meryl Streep als uitgever Katharine Graham, ook al een logische keuze vanwege haar speech tijdens de Golden Globes in 2017, waarin ze Trump onderuithaalde zonder zijn naam te noemen. Want dat is de reden dat Spielberg de film zo snel mogelijk wilde draaien, vertelt hij Hollywood Reporter: in dit verhaal staat de waarheid op het spel. Net als nu.

    The Post gaat over de publicatie van The Pentagon Papers in 1971, het 7000 pagina’s tellende geheime rapport over de Vietnamoorlog dat o.a. aantoonde dat de regering stelselmatig had gelogen, zowel tegen de bevolking als tegen het Congres. Veteraan Daniel Ellsberg lekte het aanvankelijk aan The New York Times (waarover straks meer). Centraal in de film staat de beslissing van Graham (Streep), die de krant na de zelfmoord van haar man in handen kreeg en in The Post een coming-of-age doormaakt; door Bradlee zijn zin te geven en de Papers te publiceren, riskeert ze de toekomst van de krant en bovendien gevangenisstraf. Maar ze strijdt voor iets hogers: democratie.

    Zoals o.a. The Globe and Mail aanmerkt, leent deze dramatische keuze zich perfect voor een Spielbergfilm. En volgens de meeste recensenten zijn er twee redenen waarom hij hier goed mee wegkomt. De eerste is dat dit ‘exact het verhaal [is] dat journalisten in deze tijd nodig hebben’; ‘Het laat zien wat we te verliezen hebben als het nieuws en de ondersteunde media verdwijnen, zoals dreigt te gebeuren met een president die op de vernieling uit lijkt te zijn. En ook al is hij hoogdravend, de film is ook zo vermakelijk dat hij niet belerend overkomt. Dit is een superheldenfilm voor volwassen’, schrijft Time. De andere reden verwoordt LA Times: ‘De boodschap is persoonlijk voor hem, en hij heeft er alles aan gedaan om hem op zijn publiek over te brengen.’

    Minder blij met de film was The New York Times, die hun publicaties van de Papers stopten toen ze door de rechter werden teruggeroepen

    Minder blij met de film was The New York Times, die hun publicaties van de Papers stopten toen ze door de rechter werden teruggeroepen. Ze spanden hun eigen rechtszaak aan tegen de titel, die tijdelijk in The Papers veranderde, maar weer werd teruggedraaid. Cristopher Orr merkt in The Atlantic op dat hij ook wel beledigd zou zijn als hij Nail Sheehan was, die het materiaal als eerste in handen kreeg maar geen rol heeft in de film. Anderen, zoals Slate en Vulture, maken de wrok van de Grey Lady belachelijk door een opsomming te geven van al het onderhuidse commentaar dat de krant op de film levert.

    Toch heeft ook NYT best wat goede woorden over voor het resultaat: ‘Mr. Spielberg, een sluwe entertainer die zich nogal eens tot moralisme laat verleiden (…) draagt als filmmaker steevast optimisme uit. In dit geval werkt dat. Het voelt als een strijdkreet.’

    The Post is sinds begin februari te zien in de bioscoop.

    Man Swinging Between Trees. – © Lucas Foglia
    Man Swinging Between Trees. – © Lucas Foglia

    FOTOGRAFIE | Topje van de ijsberg

    Foglia onderzoekt de verhouding tussen mens en natuur

    Lucas Foglia (1983) woonde als kind op een zelfvoorzienende boerderij zo’n vijftig kilometer van New York. Hoewel sommigen die zo opgroeien zich op latere leeftijd afzetten tegen deze levensstijl, vertelt de Amerikaanse fotograaf aan* The Guardian,* deed hij het tegenovergestelde: hij trok de natuur in op zoek naar extremere vormen. Dit bracht hem bij gemeenschappen die geld hadden afgezworen en hun water uit bergbronnen haalde, en resulteerde in 2012 in A Natural Order, volgens de Engelse krant een van de mooiste fotoboeken van dat jaar.

    De inspiratie voor Foglia’s tweede fotoserie, Human Nature, ontstond nadat orkaan Sally de boerderij van zijn ouders trof en hij zich iets realiseerde: ‘Als we als mensen het weer beïnvloeden, kun je nergens meer ontsnappen aan onze invloed.’ Opnieuw trok hij de wereld in, dit keer om de ‘steeds complexere en genuanceerdere verhouding tussen mens, natuur en zijn omgeving te onderzoeken’, zoals National Geographic, waarvoor Foglia ook fotografeert, zijn project omschrijft. Hij begon in Hawaii, waar bij de Mauna Loa-vulkaan de schoonste lucht ter wereld is gemeten, sprak met wetenschappers over het onderwerp en schoot 60.000 beelden wereldwijd, waarvan 60 in zijn boek belandden. De Italiaanse Vogue legt uit dat hij dit efficiënte editen te danken heeft aan zijn moeder, die hem als specialist in volksvertellingen leerde wat een verhaal goed maakt: het moet dwingend zijn, en toegankelijk. Wat een kunstenaar onderscheidt van een activist, haalt BJP Magazine Foglia aan, is dat hij mensen wil aanzetten tot denken en voelen zonder te vertellen wát ze moeten denken en voelen.

    The Guardian blijft na het bekijken van zijn werk dan ook met vragen zitten, o.a. over de titel van het boek. ‘Bedoelt hij dat de menselijke aard sowieso destructief is? Dat de natuur nu sowieso door de mens wordt gevormd?’ Time gebruikt een passende metafoor door zijn foto’s ‘een topje van een ijsberg’ te noemen (waarbij de berg het grotere verhaal is).

    Foglia bouwt voor ze te fotograferen een band op met zijn modellen zodat ze zich bij hem op hun gemak voelen. ‘En dat zie je’, schrijft The Guardian; op de laatste foto van het boek zijn een jongen en meisje in de idyllische natuur van Hawaii aan het vrijen. Volgens NG is dit beeld een representatie van het paradijs, wat suggereert dat Foglia de hoop nog niet heeft opgegeven.

    Voor wie na de spectaculaire beelden vooral de behoefte heeft het vliegtuig te pakken om ze met eigen ogen te zien, is achter in het boek een lijst opgenomen van boeken die wetenschappers aanraden over onze invloed op de natuur. Een toegankelijke en dwingende manier om de lezer eraan te herinneren waar het ook alweer om ging.

    Foglia’s werk is tot 15 april te zien in Foam, Amsterdam.


    LITERATUUR | ’Voor alle vluchtelingen, overal’

    De morele afrekening van een modelvluchteling

    In de ogen van de meeste Amerikanen kunnen zijzelf nooit vluchteling worden, maar vluchtelingen met een beetje mazzel wel Amerikaan, schrijft Viet Thanh Nguyen in Financial Times. Hij en zijn gezin zijn ‘modelvluchtelingen’: ‘Mijn ouders waren respectabele kooplieden, mijn broer ging zeven jaar nadat hij zonder Engels te spreken in de VS was aangekomen naar Harvard en ik won de Pulitzerprijs [met zijn debuutroman De sympathisant in 2016]. We kunnen zo op een poster die verkondigt dat vluchtelingen Amerika great maken. (…) Maar het zou niet zo’n succes moeten vereisen om verwelkomd te worden.’

    Een jaar na zijn debuut verscheen in Amerika zijn verhalenbundel The refugees, waarmee hij vooral de privileges van de witte man in twijfel wil trekken.

    De Washington Post kopt dat zijn boek ‘Niet op een beter moment had kunnen komen’, de LA Times noemt Nguyens schrijven ‘een morele afrekening. (…) Vrijwel alles aan deze gepolijste verhalen blijft hangen. Niet in de laatste plaats de opdracht: “Voor alle vluchtelingen, overal.”’ Michael Schaub van NPR beaamt dit door het boek een ‘urgente, prachtige bundel’ te noemen die ‘bewijst dat fictie meer kan zijn dan het vertellen van verhalen – het maakt ons getuigen van de levens van de mensen die we niet mogen vergeten’.

    Het drama zit hem bij Nguyen in overweldigend subtiele details, zoals de hoofdpersoon van Fatherland die zijn nieuwe kinderen in Vietnam dezelfde namen geeft als de kinderen die met zijn eerste vrouw naar de VS zijn gevlucht; volgens The Guardian een symbool voor iets wat elke vluchteling achtervolgt: dat achtergelaten leven, dat het jouwe had kunnen zijn.

    Het meest geprezen door de pers wordt het openingsverhaal Black-Eyed Women (genoemd naar de vrouwelijke verhalenvertellers die hij zich herinnert uit zijn jeugd), waarin een meisje wordt opgezocht door de geest van haar broer die op de boot waarmee ze vluchtten is omgekomen door piraten. ‘Je bent zelf ook gestorven,’ zegt hij haar. ‘Alleen weet je het nog niet.’

    Het kostte Nguyen 17 jaar en 50 versies om tot dit resultaat te komen; een gruwelijke ervaring, vertelt hij in een mooi interview met Mother Jones. ‘Ik wilde altijd meer vertellen.’ Hij stond als kind versteld van alle dingen waarover niet gepraat werd, en het invullen van die stilte, van al die in de lucht hangende verhalen, voelde als een enorme verantwoordelijkheid. Chicago Tribune prijst juist zijn dosering: ‘Nguyen gebruikt geen woord meer dan hoogst noodzakelijk om ons zijn boodschap over te brengen.’

    Een jaar later maar niet minder urgent verschijnt de bundel deze maand in vertaling van Paul Bruijn bij Uitgeverij Marmer.

    Auteur: Laura Weeda

  • 4. Afrikaanse krokodillentranen

    4. Afrikaanse krokodillentranen

    Afrikaanse leiders zijn medeschuldig aan de migratiecrisis, schrijft columnist Hamadou Gadiaga uit Burkina Faso. Zij bieden hun talentvolste burgers geen enkel perspectief.

    ‘Schokkend’, ‘walgelijk’, ‘weerzinwekkend’… De reacties lieten niet lang op zich wachten na de publicatie op 14 november van een video van de Amerikaanse zender CNN over de openbare veiling van Afrikaanse migranten, op een steenworp afstand van de Libische hoofdstad Tripoli.

    Maar hoe je het ook wendt of keert, het veelkoppige monster van de slavernij wordt niet zomaar even overwonnen met verontwaardigde verklaringen of veroordelingen in het wilde weg – ook al komen ze van staatshoofden. Dat zal toch echt moeten gebeuren door met open vizier en zonder vrees de oorzaken te bestrijden voor het feit dat duizenden jonge Afrikanen vol ambitie aan de bedenkelijke praktijken van mensensmokkelaars en mensenhandelaren ten offer vallen.

    Hoe dat te bewerkstelligen? Daar is geen hogere wiskunde voor nodig. Om te beginnen moeten we een einde maken aan de wijze waarop de leiders van de landen waar de migranten vandaan komen wegduiken voor hun verantwoordelijkheden. Doordat zij corruptie, vriendjespolitiek en cliëntelisme tot regeervorm hebben verheven, bieden zij de sterksten en de slimsten onder hun burgers geen enkel perspectief.

    Migranten gebruiken een maaltijd in een detentiecentrum in Libië. – © Manu Brabo / HH
    Migranten gebruiken een maaltijd in een detentiecentrum in Libië. – © Manu Brabo / HH

    Het toppunt is dat deze Afrikaanse leiders, gezien hun onvermogen om met relevante oplossingen te komen voor het probleem van de werkloosheid, zich opgelucht voelen door dit vrijwillige vertrek. Het bevrijdt hen van een bevolkingsgroep die in verzet tegen hen zou kunnen komen: de jeugd.

    Uit onverantwoordelijke, bekrompen berekening ontdoen leiders uit veel landen bezuiden de Sahara zich graag van hun meest competente onderdanen, in ruil voor rust in de tent en cheques naar huis van degenen die het Europese eldorado met gevaar voor eigen leven hebben weten te bereiken. Het is een houding die de onmenselijke behandeling van migranten in Libië alleen maar zal verergeren.

    Zo zal het blijven zolang onze landen door schertsfiguren worden bestuurd. Zolang Libië een vruchtbare voedingsbodem blijft voor meedogenloze smokkelaars en moderne slavenhandel vanwege de chaos in het land sinds de val van Gaddafi in 2011. En zolang westerse leiders juridische en fysieke muren blijven oprichten tegen immigratie om de publieke opinie in hun landen te sussen.

    Klaagzangen en krokodillentranen volstaan niet om de verwerpelijke verkoop van migranten in Libië tegen te gaan. Er moet een duurzame continentale strategie worden ontwikkeld om het netelige probleem van de immigratie op te lossen.

    We kunnen het niet vaak genoeg zeggen: alleen goed bestuur, gezamenlijk optreden van de diverse landen van vertrek, doorreis en bestemming, alsmede aanzienlijke financiële steun van de Europese Unie voor banenplannen, zullen soelaas brengen voor deze jongeren die bereid zijn zich over te leveren aan de gevaren van de zee, of aan racisten en andere slavendrijvers, om hun doel te bereiken.

    Auteur: Hamadou Gadiaga
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Le Pays
    Burkina Faso | dagblad | oplage 20.000

    Hoewel president Compaoré weinig waarde hecht aan een vrije pers, is er in Burkina Faso een rijke mediacultuur. Le Pays, onafhankelijk sinds 1991, is populair vanwege de scherpe commentaren op de regering.

  • 1. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is – maar ik doe het zo wéér’

    1. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is – maar ik doe het zo wéér’

    Wie als gestrande migrant niet op de slavenmarkt wordt verkocht, komt terecht als dwangarbeider in een ‘opvangkamp’, een ander voorportaal van de hel.

    Het detentiecentrum in Sorman, waar honderden wanhopige vluchtelingen worden vastgehouden, is een betonnen blok. Het staat aan een regionale weg in het westen van Libië, ongeveer zestig kilometer van Tripoli, in de buurt van Sabrata en Zawiya, twee steden die floreren dankzij de illegale oliehandel. Bij de enige toegang tot het gebouw, een deur met een simpel hangslot, staat een bewaker. Uit angst voor zijn eigen veiligheid weigert hij zijn naam te geven, maar de verslaggever en de fotograaf krijgen wel toestemming om binnen een kijkje te nemen.

    In de gevangenis zitten rond de tweehonderdvijftig vrouwen en dertig kinderen hutjemutje op de grond. Iedere vierkante centimeter is bezet. Naast elk matrasje liggen wat toiletspullen, zeep, een kam. Sommige gevangenen hebben een extra shirt. De meeste hebben niets.

    Jandra, midden twintig, ontvluchtte de armoede in Ivoorkust, hopend op een betere toekomst in Europa. Zij en honderdtwintig anderen waren al uitgevaren toen de motor van hun rubberboot het begaf. Al snel werden ze door de Libische kustwacht onderschept en gearresteerd. Eerst werd de groep naar een officieel centrum in Zawiya gebracht, waar wel twaalfhonderd gedetineerden verbleven, vertelt ze. ‘We zaten met honderd man in de cel. Het was zo vol dat we niet eens konden liggen, we moesten om beurten slapen.’

    Niemand kan zeggen hoeveel illegale centra er zijn: regeringsvertegenwoordigers vertonen zich niet in gebieden die in handen zijn van de milities omdat het er levensgevaarlijk is

    De bewakers van het detentiecentrum namen hen alles af, vertelt Jandra. Schoenen, shirts, telefoons en, natuurlijk, geld. ‘Daarna begonnen ze ons af te persen. Ze gebruikten onze telefoons om onze vrienden in Libië te bellen en geld te eisen in ruil voor onze vrijheid, of ze belden met onze familieleden en dreigden ons te vermoorden als ze niet snel met geld over de brug kwamen.’

    Jandra’s verhaal is niet het enige. Steeds meer migranten die op zoek naar een beter leven Italië proberen te bereiken, belanden uiteindelijk weer in Libië, waar ze terechtkomen in een spiraal van geweld en bedreigingen. Libië is onder migranten en vluchtelingen de populairste springplank naar Europa. In de eerste zes maanden van 2017 stierven er minstens 2030 migranten bij hun poging de Middellandse Zee over te steken. Het merendeel begon de overtocht in Libië.

    Volgens Laura Thompson van de Internationale Organisatie voor Migratie zijn er in heel Libië 31 of 32 detentiecentra, waarvan de helft onder de verantwoordelijkheid van de regering valt, of in gebieden ligt die in handen van de regering zijn. Ze zegt dat niemand weet hoeveel mensen er worden vastgehouden, en dat ‘de omstandigheden mensonterend zijn’.

    Regelrechte hel

    Maar er zijn ook illegale detentiecentra, gerund door gewapende milities die betrokken zijn bij mensenhandel en oliesmokkel, vaak in samenwerking met Libische kustwachters. Niemand kan zeggen hoeveel illegale centra er zijn: regeringsvertegenwoordigers vertonen zich niet in gebieden die in handen zijn van de milities omdat het er levensgevaarlijk is. Volgens een in februari gepubliceerd rapport van Unicef zijn de gevangenissen in handen van de milities niets meer dan ordinaire dwangarbeiderskampen waar mensen worden kaalgeplukt. Voor de duizenden migrantenvrouwen en kinderen is de gevangenis een regelrechte hel waar verkrachting, seksuele uitbuiting, mishandeling en honger aan de orde van de dag zijn.

    Ahmed, een politieman die zijn echte naam niet durft te noemen, vertelt: ‘Er zijn legio gevangenissen waar wij geen leiding over hebben, in Tripoli alleen al zijn er ten minste dertien die door gewapende milities worden gerund. Een van de machtigste milities die hier in Tripoli betrokken is bij mensenhandel en die de controle heeft over illegale detentiecentra, is de Sharikan. Wij staan volledig machteloos, we kunnen niet eens in de buurt van deze gevangenissen komen want je bent je leven niet zeker in de gebieden die zij in handen hebben.’

    In Tripoli vertelt Abdrazaq Alshneti, een agent van de speciale eenheid voor de bestrijding van illegale migratie, dat de toestand in een aantal officiële centra wegens geldgebrek onhoudbaar is. Verder wil hij niets loslaten, maar een collega wil wel een boekje opendoen, onder voorwaarde dat hij anoniem blijft. ‘Ibrahim’ vertelt dat de detentiecentra in de maanden vóór de overeenkomst tussen Europa en de door de VN gesteunde regering van premier al-Sarraj uit hun voegen barstten. ‘Als de centra overvol raken, wordt er ruimte gemaakt. Er is simpelweg geen geld om alle gedetineerden te voeden,’ vertelt Ibrahim. ‘Sommige bewakers zijn integer, maar er zitten ook corrupte tussen.’

    Met deze foto, ‘The Libyan Migrant Trap’, won fotograaf Daniel Etter een derde prijs bij de World Press Photo 2016. De foto toont twee Nigeriaanse vluchtelingen in een detentiecentrum in het Libische Sorman. – © Daniel Etter/World Press Photo/HH
    Met deze foto, ‘The Libyan Migrant Trap’, won fotograaf Daniel Etter een derde prijs bij de World Press Photo 2016. De foto toont twee Nigeriaanse vluchtelingen in een detentiecentrum in het Libische Sorman. – © Daniel Etter/World Press Photo/HH

    Hij zinspeelt op de banden tussen het gevangenispersoneel, smokkelaars, milities en mensenhandelaars, die wanhopige migranten onderling verkopen alsof ze handelswaar zijn. Bewakers overhandigen migranten tegen betaling aan mensenhandelaars. Smokkelaars waarschuwen de kustwacht wanneer hun migranten de oversteek wagen, zodat ze onderschept kunnen worden en doorverkocht aan milities. En milities arresteren migranten op straat omdat ze niet de vereiste documenten hebben. ‘Ze doen alsof ze illegale migranten in de kraag vatten en houden ze dan vast in hun centra, zonder fatsoenlijk eten of drinken, pakken hun geld af, buiten ze uit, misbruiken de vrouwen,’ zegt Ibrahim.

    Immigranten worden ook naar de omgeving rond de kustplaats Garabulli gebracht, halverwege Misrata en Tripoli, om de rubberboten vol nieuwe migranten te besturen – met medeweten van Libische kustwachters. De kustwacht ontkent met klem dat medewerkers zijn betrokken bij mensenhandel.

    Ahmed, de politieagent, vertelt dat milities in de afgelopen maanden verscheidene malen hebben geprobeerd om officiële detentiecentra met geweld in te nemen. Zo werd een officieel detentiecentrum in de omgeving van Garabulli in maart door milities in brand gestoken. Het gebouw brandde tot de grond toe af. Niemand weet wat er met de migranten is gebeurd.

    Baby’s geboren

    In het detentiecentrum in Sorman zijn er in het afgelopen half jaar zes baby’s geboren. De vrouwen, hun kinderen en de pasgeboren baby’s zijn niet door een arts bezocht. ‘Om veiligheidsredenen,’ zegt een bewaker. ‘Libië is te gevaarlijk.’ Een paar kilometer verderop ligt de Al-Nassergevangenis, het officiële detentiecentrum in Zawiya. Toen de migratie op zijn hoogtepunt was, in het begin van de zomer, zaten er meer dan 2600 mensen. Toen wij het detentiecentrum bezochten was hun aantal geslonken tot 1000. Sommige gedetineerden worden hier al acht maanden vastgehouden. De mannenafdeling is opgedeeld in kleine cellen, waar tussen de twintig tot vijftig mannen dag en nacht zijn opgesloten, behalve wanneer ze te eten krijgen. De enigen die vrij mogen rondlopen, zijn vijftig Tunesiërs die hun uitzetting afwachten.

    Een bewaker opent een van de cellen. John, uit Gambia, komt op gedempte toon met ons praten. Hij is bang dat de bewakers hem horen. Zijn landgenoot Phil komt erbij staan. ‘Ze gebruiken ons als slaven, en als ze ons niet meer nodig hebben, worden we afgedankt,’ vertelt John. ‘Soms komt de lokale bevolking brood en zeep brengen. Maar internationale hulporganisaties laten zich hier niet zien.’

    Een van de redenen waarom hulporganisaties centra als deze niet bezoeken is dat het er – net als op zoveel andere locaties in Libië – niet veilig wordt geacht. In juni werd een konvooi van UNSMIL, de VN-missie in Libië, dertig kilometer ten westen van Tripoli door milities aangevallen. Zeven medewerkers werden korte tijd vastgehouden. De kidnappers eisten de vrijlating van drie vermeende drugsdealers die in Tripoli waren gearresteerd. Ngo’s hebben om meer bescherming gevraagd tegen milities, maar of veiligheidsmaatregelen daadwerkelijk iets zullen uithalen, valt nog te bezien.

    In de vrouwenafdeling van Al-Nasser, het detentiecentrum in Zawiya, zitten ongeveer honderdvijftig vrouwen samengepakt in één ruimte. Een van hen, Princess, een Nigeriaanse, is twee weken geleden bevallen van een tweeling. Haar man wordt elders vastgehouden. Ze weet niet waar – zoals hij op zijn beurt niet weet dat hij inmiddels vader is van een tweeling. Princess brengt haar dag liggend op een matrasje door, naast haar twee baby’s. Er zijn geen luiers en er is niet genoeg drinkwater.

    Zoals vele anderen heeft ze op haar vlucht voor Boko Haram een tocht dwars door de Sahara achter de rug. Ze is vastbesloten haar kinderen een leven zonder angst te bieden, waarin ze niet voortdurend voor hun leven hoeft te vrezen. ‘Het kan me niet schelen dat de kustwacht me heeft tegengehouden, ik doe het zo weer,’ zegt ze terwijl ze naar haar pasgeboren tweeling kijkt. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is, maar in Nigeria is het ook gevaarlijk. Als je niet door de oorlog sterft, sterf je van de honger, en hier zitten we in de gevangenis, net zo’n hel. Het is de moeite waard om de oversteek nog eens te wagen.’

    Ze beseft nog niet dat ze van geluk mag spreken als ze uit Libië weet te ontsnappen.

    Auteur: Francesca Mannocchi

    Middle East Eye
    Londen | middleeasteye.net

    Middle East Eye werd in 2014 opgericht als onafhankelijke informatiesite. Dankzij een groot correspondentennet brengt de site nieuws uit 24 landen en snijdt daarbij politieke, economische en sociale onderwerpen aan.

  • Mythes en feiten over de herverdeling van vluchtelingen

    Mythes en feiten over de herverdeling van vluchtelingen

    160.000, 120.000, 98.255 of toch maar 29.144: hoe groot is het aantal vluchtelingen dat in Griekenland en Italië wacht om over Europa te worden verdeeld nu precies? Die Presse doet een poging de chaos van elkaar tegensprekende getallen te ontwarren.

    Dinsdag 26 september 2017 was de laatste dag dat vluchtelingen die in Griekenland of Italië aanlandden nog in aanmerking konden komen om naar een andere EU-lidstaat te verhuizen. Na twee jaar loopt het herverdelingsprogramma voor asielzoekers, waarover de regeringsleiders het in de crisiszomer van 2015 op voorstel van de Europese Commissie eens waren geworden, op zijn eind. Terwijl Dimitris Avramopoulos, de Europese commissaris die verantwoordelijk is voor migratievraagstukken, bij de toepassing van dit programma een ‘enorme vooruitgang’ constateerde, toont de weigering van Polen, Tsjechië en Hongarije om asielzoekers uit Italië en Griekenland op te nemen aan dat 
de grens van de vrijwillige verdeling van de vluchtelingenstroom binnen 
de Unie is bereikt.

    Maar was dit herverdelingsprogramma voor vluchtelingen echt zo’n flop als door de critici wordt beweerd? Door wat beter te kijken naar de ontwikkeling die het programma heeft doorgemaakt, zien we dat succes en mislukking erg moeilijk objectief meetbaar zijn. De doelstellingen waren van begin af aan opzettelijk hoog gesteld en stonden niet in realistische verhouding tot het daadwerkelijke aantal betrokken asielzoekers. In combinatie met de vaak slecht of helemaal niet gecoördineerde communicatie over de besluiten tussen Raad van ministers en Europese Commissie, ontstond een chaos van getallen die elkaar vaak tegenspraken.

    Bovengrens

    Laten we alles eens op een rijtje zetten. Eind juli 2015, toen de vluchtelingenstroom uit met name Irak en Syrië steeds groter werd, namen de regeringsleiders een principebesluit: 40.000 vluchtelingen die overduidelijk internationale bescherming nodig hadden (lees: die na controle van hun aanvraag aanspraak op asiel konden maken) moesten binnen twee jaar vanuit Griekenland en Italië worden verdeeld over de rest van de EU, met uitzondering van Groot-Brittannië maar inclusief de niet-EU-landen 
Noorwegen, Zweden en Liechtenstein.

    Het duurde bijna drie maanden voor de ministers van Binnenlandse Zaken de politieke opdracht hadden omgezet in EU-wetgeving, waarmee het verplicht werd. Toen was al duidelijk dat het streefgetal van 40.000 immigranten te laag was. Volgens Eurostat hadden zich tussen januari en juli 2015 alleen al in Italië 39.183 mensen gemeld voor een asielaanvraag, zo’n 27 procent meer dan in hetzelfde tijdvak van het jaar daarvoor. Samen met het aantal grensoverschrijdingen dat Frontex, het Europese agentschap voor de bewaking van de buitengrenzen, had verstrekt, waren deze cijfers de basis voor de herverdelingsbesluiten. En dus verhoogden de ministers van Binnenlandse Zaken het streefgetal: nog eens 120.000 asielzoekers met kans op erkenning van hun asielaanvraag moesten uit Italië en Griekenland worden herplaatst.

    Via de Balkanroute waren ook in de Balkanlanden tienduizenden vluchtelingen terechtgekomen. De Commissie stelde voor dat binnen twee jaar 54.000 asielzoekers uit Hongarije zouden worden herverdeeld. Maar de regering in Boedapest wilde daar niet aan meewerken.

    In deze twee besluiten ligt de bron van de verwarring waarmee het herverdelingsprogramma worstelt. Want het getal 160.000 (40.000 plus 120.000) was een puur rekenkundige bovengrens. Hoeveel asielzoekers er daadwerkelijk onder dit programma zouden vallen zou in de eerste plaats afhangen van het aantal dat de lidstaten vrijwillig opnamen, en in de tweede plaats van het werkelijke aantal vluchtelingen dat in aanmerking kwam. Niet iedereen die op de Middellandse Zee uit een opblaasboot wordt gered, kan aanspraak maken op asiel in de EU. Op voorstel van de Commissie besloten de ministers dat alleen die nationaliteiten in aanmerking kwamen die, na hun asielaanvraag, een succespercentage van minstens 75 procent hadden. Sindsdien werd de lijst van landen wier gevluchte burgers uit Italië en Griekenland konden worden herverdeeld, geactualiseerd op basis van Eurostatgegevens over toegekende asielaanvragen. En dus hadden in het begin alleen Syriërs en Eritreeërs, later ook Irakezen, tegenwoordig Irakezen niet meer maar wel Jemenieten, evenals burgers van de Bahama’s, Bhutan, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten recht om na aankomst in Italië of Griekenland naar een ander EU-land te worden overgeplaatst om daar hun asielprocedure af te sluiten.

    Het aantal nieuw aangekomenen in Griekenland nam binnen een jaar met 97 procent afnam. Ook wagen zich over de Middellandse Zeeroute tegenwoordig aanzienlijk minder migranten en vluchtelingen naar Italië

    Wat bleef er over van de 160.000? 
De stand op 22 september was 98.255 herplaatsbare asielzoekers, gebaseerd op de genoemde criteria en op de aantallen die de lidstaten die aan het programma deelnemen, hadden toegezegd te zullen opnemen. Maar ook dit getal is niet geschikt om te beoordelen in hoeverre het programma zijn doel heeft bereikt. Op 18 maart 2016 sloot de EU het beruchte akkoord met Turkije over het de facto sluiten van de Turkse grens voor vluchtelingen, waardoor het aantal nieuw aangekomenen in Griekenland binnen een jaar met 97 procent afnam. Ook wagen zich over de Middellandse Zeeroute tegenwoordig aanzienlijk minder migranten en vluchtelingen naar Italië. Dat ligt, al wil niemand in Brussel het officieel toegeven, in de eerste plaats aan de uit mensenrechtenoogpunt problematische overeenkomst tussen de Italiaanse regering en Libische milities en voormalige mensensmokkelaars.

    Duidelijk is dat tot nu toe uit Griekenland 20.066 en uit Italië 9078 asielzoekers, in totaal 29.144, zijn herverdeeld. Daar moeten we nog 2000 mensen bij optellen die in Griekenland op vertrek wachten en bovendien nog 2000 die in datzelfde land nog kunnen worden geregistreerd als ‘in aanmerking komend’. Of ze nog in het land zijn, is bij gebreke van registratie door de autoriteiten de vraag. In Italië zijn dit jaar ongeveer 7200 mensen aangekomen met kans op honorering van hun asielaanvraag die herverdeeld zouden kunnen worden. Maar de Italiaanse autoriteiten hebben maar 4000 van hen geregistreerd. Al met al zouden in het kader van het tweejarige programma dus 39.000 à 40.000 asielzoekers uit de twee Middellandse Zeelanden zijn herverdeeld. De ontvangende landen kregen daarvoor uit het EU-budget per asielzoeker 6000 euro, en Griekenland en Italië elk 500 euro transportkostenvergoeding. Er was 780 miljoen euro begroot.

    De betrokken mensen zijn hiermee zeker geholpen en ook de overvraagde autoriteiten van Griekenland en Italië zijn ontlast. Voor een principiële oplossing van de migratiecrisis was het noodprogramma slechts een fase, waarin bleek dat de Dublin-verordening − waarbij (alleen) het land van aankomst in de EU de competentie heeft een asielaanvraag te behandelen − achterhaald is. Hoe het Europese immigratie- en asielsysteem wordt gerepareerd, moet voor het einde van dit jaar blijken.

    Auteur: Oliver Grimm

    Beeld: De kust van Lampedusa aan de Middellandse Zee, het zuidelijkste deel van Italië.

    Die Presse
    Oostenrijk | dagblad | oplage 98.000

    Opgericht in 1848 en richtte zich op industriëlen in de conservatief-christelijke hoek. Nog steeds noemt Die Presse zich ‘de krant van de elite’.

  • Canadees eiland wacht op Trumpvluchtelingen

    Canadees eiland wacht op Trumpvluchtelingen

    Na de verkiezing van Donald Trump kondigden veel Amerikanen aan naar Canada te willen verhuizen. Op het ontvolkte eiland Cape Breton waren ze van harte welkom. Maar de praktijk bleek weerbarstiger dan gedacht.

    De eerste tekenen van wat Rob Calabrese is gaan zien als een op drift geraakt Amerika, dienden zich vorig jaar aan, vlak nadat Donald Trump de eerste primary had gewonnen en Calabrese een website van 28 dollar opzette, die hij in een halfuur had ontworpen. ‘Hallo Amerikanen!’ begon hij, en wat volgde was een verkooppraatje voor een eiland waar moslims in alle vrijheid konden ‘ronddwalen’, en waar de enige muren ‘de daken stutten’ van de ‘zeer betaalbare’ huizen.

    ‘Zegt het voort!’ schreef Calabrese, bij een foto van een verlaten strand aan de Atlantische Oceaan. ‘Verhuis naar Cape Breton als Donald Trump wint!’

    Het was bedoeld als grap, maar zeven uur nadat Calabrese de site had gelinkt aan de Facebookpagina van het radiostation waar hij als dj werkt, kwam er een e-mail binnen uit Amerika. ‘Ik weet niet zeker hoe serieus dit is, maar ik zeg ja.’ En even later: ‘Ik moet er niet aan denken om te vertrekken, maar dit land stevent op de afgrond af.’ Binnen vierentwintig uur had hij tachtig berichten ontvangen. Binnen een week waren dat er tweeduizend, en in veel van die berichten keerden dezelfde woorden terug: ‘gespannen’ en ‘bang’ en ‘help’.

    De mails stroomden binnen en al snel nam de toeristeninformatie op het eiland vier tijdelijke medewerkers in de arm om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie, afkomstig uit vrijwel alle Amerikaanse staten en honderden verschillende steden. Calabrese kreeg de indruk dat Amerika vooral werd bevolkt door mensen die er weg wilden. ‘Moet je dit lezen,’ zegt hij, terwijl hij door een spreadsheet scrolt met alle aanvragen. Hij stopt bij nummer 2121. ‘Ik ben een ex-marinier en ik ben twee keer uitgezonden naar Irak. En ik wil hier weg.’

    Jimmy en Cathleen

    Er zijn mails van een moleculair bioloog, een professor aan de universiteit van Oregon, een granietwerker, iemand die voor het Center for Disease Control and Prevention werkt, een vrouw die als woonplaats had ingevuld: ‘Alabama, helaas’. Er zijn inkomensverklaringen, er worden financiële gegevens verstrekt, en gegevens over seksuele voorkeur en toekomstverwachtingen voor de kinderen. Soms is er een cv bijgesloten. ‘Ik kan het niet aanzien, wat er met mijn fantastische land gebeurt,’ begint een van de mails.

    ‘Ik wil niets liever dan met mijn dochters vertrekken naar het veilige en verstandige Canada’, staat te lezen in mail nummer 3248.

    Ergens rond mail nummer 4230 wordt Trump gekozen tot president van de Verenigde Staten, en net voor zijn inauguratie komt mail nummer 4635 binnen. ‘Wil graag emigreren van Colorado naar Cape Breton,’ begint de mail. ‘Ik ben gediplomeerd juridisch assistent en mijn vrouw is advocaat.’

    Calabrese leest de mail, probeert zich een beeld te vormen van degene die hem heeft geschreven, en wacht dan op de mails die zullen volgen.

    Deze mail is geschreven door Jimmy Gantenbein en Cathleen McEwen, op hun bank in de woonkamer van hun huis in Loveland, een plaats zo’n vijfenzeventig kilometer ten noorden van Denver. Een maand later staan de meubels uit de woonkamer opgeslagen in de garage. Ze hebben contact opgenomen met een makelaar. Ze hopen binnenkort hun huis te koop te zetten.

    ‘Geef me even een spijker, wil je?’ zegt Cathleen (61), die bezig is de slaapkamer op te knappen.

    ‘Hier, Cat,’ zegt Jimmy van 54.

    Ze hebben dit huis gekocht toen ze net getrouwd waren – Jimmy’s tweede huwelijk, Cathleens derde huwelijk – en zeventien jaar later kennen ze het huis bijna net zo goed als ze elkaar kennen. Vanuit hun slaapkamer hebben ze uitzicht op de Rocky Mountains. Het late middaglicht verwarmt het kleedje waar hun oude poedel altijd zo graag mocht liggen. Twee keer rechts afslaan en een keer naar links en ze zijn bij de supermarkt. Hun huis ligt aan een doodlopende straat, met nog twee andere huizen, en Cathleen heeft een paar jaar in de gemeenteraad gezeten. Ze hebben Democraten en Republikeinen onder hun vrienden. Toen Cathleens zoon, een reservist, in 2005 terugkeerde uit Irak, kwamen er honderdvijftig mensen naar de feestelijke barbecue.

    Toen deed Donald Trump zijn intrede in hun bestaan. Hij was op tv. Hij was in hun stad, hield een bijeenkomst op vijftien kilometer van hun huis, waar drommen mensen op afkwamen. Hij was zelfs in hun buurt: in verschillende tuinen doken bordjes op met zijn naam. Tijdens de voorverkiezingen was het net alsof hij ook hun eigen tuin was binnengedrongen, toen een buurman kwam vertellen dat hij achter Trump stond. Wij stemmen op Bernie, hadden Jimmy en Cathleen gezegd, en hoewel het gesprek kort en vriendelijk was, hebben ze de buurman daarna niet meer gesproken.

    ‘We voelen ons hier buitenstaanders,’ zegt Cathleen. Ze hebben het gevoel dat Amerika het spoor bijster is, iedereen is zo ‘boos’ en ‘bekrompen’ en ‘reactionair’ dat er weinig anders op zit dan een drastische stap. ‘Ik herken het land waar ik ben geboren niet meer,’ zegt Cathleen. ‘Ik ben geboren in een bekrompen, anti-intellectueel land. Ik heb er éénenzestig jaar en één verkiezing voor nodig gehad om dat in te zien.’

    Dus nu hebben zij ook een mapje ‘Emigreren’ op hun computer, vol informatie over Panama en Belize en Costa Rica en Canada. Ze hebben de website van Cape Breton gebookmarkt en webalerts ingesteld voor onroerendgoedaanbiedingen op het eiland. Ze hebben met een immigratiejurist in Canada gepraat.

    Er moeten zoveel knopen worden doorgehakt. Moeten ze hun spullen verkopen? Moeten ze afstand doen van hun staatsburgerschap? Zullen ze de band met hun kinderen en kleinkinderen weer kunnen herstellen? En als ze naar Cape Breton gaan, zullen ze dan spijt krijgen? Ze weten dat het er koud is. Ze weten dat de huizen goedkoop zijn. Maar ze zijn er nog nooit geweest.

    ‘Het is een risico om te blijven en het is een risico om te gaan,’ zegt Cathleen.

    ‘We weten het gewoon niet,’ zegt ze.

    ‘Het is een dilemma,’ zegt hij.

    Niet lang daarna belt hun makelaar. De huizen gaan snel van de hand in Loveland. Nog acht weken en er staat een bordje ‘Te koop’ in hun tuin.

    Cape Breton dan misschien maar.

    Glace Bay, aan de oostkant van het eiland. – © Rural Communities of Nova Scotia
    Glace Bay, aan de oostkant van het eiland. – © Rural Communities of Nova Scotia

    Cape Breton dan misschien maar, en misschien ook maar het huis waar Valarie Sampson, een makelaar die door een handvol Amerikanen in de arm is genomen, nu voor staat. Aan zee. Een gerenoveerde boerderij. Zo’n zeshonderd vierkante meter land. 220 duizend Canadese dollars. Staat al meer dan drie jaar te koop.

    ‘Het is een schitterend huis voor wie overal aan wil ontsnappen,’ zegt Sampson, die in haar SUV stapt en over het eiland rijdt waar niemand meer naartoe komt, waar de mensen juist wegtrekken. Het eiland heeft ooit goed verdiend aan de kolen, maar die inkomstenbron is opgedroogd en er is nog niets anders voor in de plaats gekomen. Jaarlijks overlijden er zo’n duizend mensen, of ze trekken naar grote steden als Toronto of Halifax. Alle budgetten worden teruggeschroefd. Alleen al het afgelopen jaar zijn er tien scholen gesloten. De werkeloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Het bevolkingsaantal is teruggelopen tot 130 duizend, en op Cape Breton zie je dan ook honderden verlaten huizen, klaar voor de sloop, en nog honderden andere die te koop staan.

    Sampson weet dat de zomers er hier heel anders uitzien. Dan komen de toeristen. De kreeft- en pizzarestaurants gaan weer open. Op het meer krioelt het van de zeilbootjes. ‘De ligging is onovertroffen,’ zegt ze. ‘Welke kant je ook op gaat, een uur rijden en je bent op het strand.’

    Maar vier of vijf maanden per jaar is dit een plek met korte dagen, ijzige temperaturen en gladde stoepen, waar aan ijshockey wordt gedaan en waar de mensen elkaar opzoeken in kroegjes en donutshops. Als Sampson terugrijdt naar haar kantoor lijkt er helemaal niets te gebeuren in Sydney, de grootste stad van het eiland. Er is alleen een vergadering van vrijwilligersorganisaties, over wat er gedaan kan worden om het eiland te redden.

    ‘Als er geen mensen komen, zijn we ten dode opgeschreven,’ zegt Rankin MacSween, hoofd van een buurtcomité.

    ‘We hebben al niet zo’n grote bevolking, en hij blijft maar slinken, in hoog tempo,’ zegt een jurist. ‘Je hoeft geen wiskundig genie te zijn om uit te begrijpen dat de tijd dringt.’

    Er wordt een vijf pagina dik rapport doorgenomen, waarin staat dat het eiland jaarlijks tweeduizend mensen moet zien te trekken om levensvatbaar te blijven. Al tientallen jaren slaagt men er niet in aan de wederopbouw te werken.

    Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen

    Maar nu heeft het eiland iets nieuws – Calabreses website. Cape Breton is bekender dan ooit. ‘We krijgen duizenden mails,’ zegt iemand op de bijeenkomst. Maar dat is nog wel iets anders dan duizenden mensen die zich ook echt op het eiland vestigen. Canada heeft strenge migratiewetten. Je kunt er niet gewoon gaan wonen omdat je dat wilt. Aanvragen worden beoordeeld op criteria als leeftijd en vakkennis en de bijdrage die je kunt leveren aan de economie. Wie een mail stuurt naar Cape Breton krijgt te horen dat hij een aanvraag moet indienen bij de Canadese immigratiedienst. Hij of zij krijgt een link om een procedure in gang die zetten die zomaar een jaar kan gaan duren.

    Dus misschien dat er ooit Amerikanen zullen komen, maar nu is het nog niet zover. Naarmate Calabrese meer reacties kreeg, heeft hij de tekst op de site aangepast, zodat het allemaal iets minder politiek is – en niet langer vooral gericht op Amerikanen.

    ‘Om eerlijk te zijn,’ heeft Calabrese geschreven, ‘is iedereen welkom, ongeacht zijn of haar ideologie. Kom hierheen!’

    ‘We moeten hier goed over nadenken,’ zegt de jurist terwijl de bijeenkomst op z’n einde loopt. ‘Wat voor soort mensen willen zich hier vestigen?’

    Een antwoord op die vraag kan even verderop worden gevonden, in een huis dat helemaal kaal is gehaald en dat een jaar leeg heeft gestaan, totdat er een gezin met zeven kinderen is komen wonen, afkomstig uit Syrië. De kinderen zijn net uit school. De televisie staat aan. De kinderen zitten bij elkaar gekropen op de bank. ‘Wat ben je aan het tekenen?’ vraagt de vader, Ahmad Hamadi, van vijfendertig, aan Mohamad, zijn tienjarige zoon. ‘Een Pokemon,’ zegt Mohamad.

    Dit zijn de mensen die naar Cape Breton zijn gekomen: Syrische vluchtelingen die hun land niet alleen hebben achtergelaten, maar het zelfs hebben moeten ontvluchten. Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen, en Ahmad en zijn gezin behoren tot de laatste groep die is gearriveerd. Nadat ze uit Syrië waren gevlucht en een paar jaar in Libanon hadden gezeten, waren ze hier terecht gekomen dankzij de steun van een kerkelijke groepering op een eiland waar ze nog nooit van hadden gehoord. Ze zijn achtenveertig uur onderweg geweest: van Beiroet naar Caïro en dan door naar Toronto en vervolgens naar Cape Breton. Ze landden om halftwee ’s nachts. Ze werden in een busje gezet en toen de zon opkwam stond Ahman ineens in een huis vol meubels en eten en speelgoed. Het was allemaal van hem, terwijl niets hem vertrouwd voorkwam.

    Vergeleken met waar hij vandaan kwam was het buiten stil. Er was stroom. De kinderen gingen naar school. Ahmad hing een Canadees vlaggetje op de voordeur en elke dag dat hij de deur uit ging, was een nieuwe kans om te wennen aan een nieuw thuis.

    Hij solliciteerde op vacatures bij Value Village en een bouwmaterialenonderneming, waar een tolk hem terzijde stond bij de sollicitatiegesprekken, maar vergeefs. Hij informeerde naar werk bij een Libanees restaurant, maar de eigenaar wilde geen onervaren iemand in dienst nemen. Zo gingen er maanden voorbij. Hij haalde zijn rijbewijs. Hij ging gewichtheffen in de sportschool, tegen de stress. Hij overwoog zich aan te melden voor de late dienst bij McDonald’s, maar een van de mensen van het kerkcomité dat hem sponsorde, zei dat hij moest zorgen dat zijn Engels beter werd, zodat hij makkelijker aan werk zou kunnen komen.

    Voor de oorlog had Ahmad een winkeltje gehad, in een plaats niet ver van Damascus. Hij woonde in dezelfde straat als zijn ouders en zijn drie broers en zussen. ’s Avonds laat ging hij met zijn vrienden ergens shoarma of kip eten. Hij is vier jaar geleden gevlucht en zijn familie is uitgewaaierd over drie continenten. Van zijn vijf beste vrienden zijn er vier om het leven gekomen, denkt hij.

    ‘De ene dag had ik een auto, een huis, een leven,’ zegt Ahmad. ‘De volgende dag was ik het allemaal kwijt.’

    Het lot is Ahmad gunstiger gezind geweest dan vrijwel iedereen die hij kent, maar door de noodlottige ontwikkelingen in het land waarvan hij van houdt, is hij hier beland, kijkt hij nu uit over een tuin met dikke lagen sneeuw en een Canadese zon die al vroeg aan de einder verdwijnt.

    Huis in de verkoop

    ‘Cat, zag je dat!’

    Cathleen en Jimmy rijden tegen de schemering terug van een autoruitreparatiebedrijf wanneer een grote, witte uil vlak langs hun voorruit scheert. Niet lang daarna zitten ze thuis en praten over de uil die vroeger in hun voortuin huisde, over de eland die achter het huis rondscharrelde, en over deze tijd van het jaar, waar ze altijd zo dol op zijn geweest.

    Elk voorjaar zetten ze de ramen wijd open in hun doodlopende straat, horen de vogels in de sparren, zien de krokussen en de hyacinten uit de verse muls rond het huis schieten. De zon gaat steeds later onder. Ze kunnen weer barbecueën. Ze zullen de buren weer vaker zien. En soms maken ze een uitstapje in hun SUV: in oostelijke richting, over de vlakten richting de Ozarks, of misschien naar het westen, door de bergen tot voorbij de Continental Divide, op zoek naar meren om te vissen, stalletjes om wat vers fruit te kopen en een motelletje om de nacht door te brengen.

    ‘We hadden geen plan,’ zegt Cathleen. ‘We gingen gewoon op de bonnefooi.’

    ‘Weet je nog, de Black Canyons?’ zegt Jimmy.

    ‘Weet je die kliffen nog?’ zegt Cathleen.

    Er wordt op de deur geklopt.

    De huizeninspectie. Over twee weken zal hun huis in de verkoop gaan, en zodra het is verkocht, vertrekken ze. Eerst naar hun kinderen, en daarna zien ze wel weer.
    Misschien dat een tocht door Amerika hen in herinnering kan brengen wat ze zijn vergeten.

    De inspecteur schudt hen de hand en loopt naar binnen.

    ‘En,’ zegt hij, ‘waar gaan jullie heen?’

    Ondertussen komen in Cape Breton nog altijd mails binnen, elke dag wel een paar. ‘Ik kan hier niet langer blijven, ik kan niet meer slapen met zo’n slecht mens als onze leider’, schrijft iemand.

    ‘De geschiedenis herhaalt zich en ik zie weer een Derde Rijk opdoemen’, schrijft iemand anders.

    ‘Ik vind het hartverscheurend hoe ons land kapot wordt gemaakt… door één man, een miljardair die buiten de werkelijkheid staat’, schrijft weer iemand anders.

    ‘Help me alstublieft’, staat in een andere mail te lezen.

    Calabrese leest alle mails, woord voor woord, en terwijl hij wacht op de komst van de Amerikanen, en op de komst van mail nummer 4780, realiseert hij zich hoe gelukkig hij zich mag prijzen dat hij woont op de plek waar hij wil zijn.

    Auteur: Chico Harlan
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Huizen, zoals hier bij Capstick, zijn er genoeg op Cape Breton. – © Wikimedia

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • 71 levens

    71 levens

    Eind augustus 2015 werd een vrachtwagen aangetroffen op een parkeerplaats in Oostenrijk. In de laadruimte vond de politie de lichamen van 71 vluchtelingen. Hun dood werd het symbool van de mislukte Europese vluchtelingenpolitiek. Felix Hutt vroeg zich af: wie waren deze mensen?

    Als de beide agenten van de verkeerspolitie Potzneusiedl/Burgenland op de ochtend van 27 augustus 2015 tegen elven op de vrachtwagen af lopen, worden ze vanaf de rechterachterdeur aangestaard door een kip. ‘Ik smaak zo goed omdat ik zulk goed voer krijg’, staat op de reclamefoto boven de kop van het dier te lezen. Via de kieren van de laadruimte drupt roodachtig vocht op het asfalt. De stank slaat de agenten tegemoet. Wanneer de bergers later wordt gevraagd deze geur te beschrijven, schudden zij het hoofd en maken daarbij afwerende gebaren. Onmogelijk, zeggen ze, zoiets roken ze nog nooit.

    De koelwagen van het type Volvo FL 180 met het Hongaarse kenteken Z-12198 heeft jarenlang met slachtkippen door Slowakije gereden, tot de firma Hyza hem afdankte en naar Hongarije verkocht. Hij staat al langer dan een dag op de parkeerstrook langs de A4 richting Wenen, vlak bij de afrit Parndorf. Aangezien deze autosnelweg van Wenen naar Hongarije en Servië loopt, staat hij ook wel bekend als de Balkanroute. Er worden wel vaker oude auto’s achtergelaten. Prioriteit heeft zoiets niet. Het is ruim 30 graden, vakantietijd, een superzomer. Naar de Neusiedler See is het niet ver en in het Outlet Center naast de weg zal die avond het populaire late-night-shopping plaatsvinden. Met Furla-damestassen van € 353 voor maar € 70.

    Nahed Asker met haar dochter Tala en haar zoon Said in hun woning in Wenen. Asker verloor haar man in de koelwagen. – © Philipp Horak
    Nahed Asker met haar dochter Tala en haar zoon Said in hun woning in Wenen. Asker verloor haar man in de koelwagen. – © Philipp Horak

    Maar deze vrachtwagen kan niet langer worden genegeerd. Een onderhoudsmedewerker aan de snelweg, die in de omgeving de berm maait, heeft vanwege de stank de politie gebeld. De agenten openen de laadruimte. Deinzen achteruit. Ze zien lichamen die in staat van ontbinding verkeren, tegen elkaar leunen en in elkaar verzonken zijn, alsof ze in een overvolle metro staand in slaap gevallen zijn. De voeten steken tot aan de enkels in een mengsel van poep, urine en lijkvocht. De agenten roepen naar binnen. Er komt geen antwoord. Ze stellen de arts van dienst en het bureau op de hoogte en maken voor hun collega’s een foto die de situatie moet verduidelijken. De volgende dag zal die foto opduiken in de Kronen Zeitung. Ze sluiten de deur. Het is te veel. Om 11.25 uur sturen ze via politiesysteem SMS Pro een bericht: ‘Vrachtwagen met ca. 20 doden aangetroffen op A4 Parndorf’.

    Het zijn er 71. Eenentwintig Afghanen, negenentwintig Irakezen, vijftien Syriërs, vijf Iraniërs en één man wiens identiteit niet vastgesteld kan worden.

    Negenenvijftig mannen, acht vrouwen, vier kinderen. De jongste, Lida uit Kunduz/Afghanistan, is elf maanden. Vervolgde of vertwijfelde mensen, soennieten, sjiieten, christenen, onderwijzers, advocaten, handelaren, politieagenten, tieners, drie families, fans van Barcelona, posters op Facebook, een caleidoscoop van de mensheid. 71 doden die ons niet het plezier hebben gedaan om ergens ver weg te verdrinken in zee. 71 levens die zich door mensensmokkelaars in een veel te kleine laadruimte door Hongarije en Oostenrijk hebben laten rijden, omdat aan het einde van hun odyssee Duitsland lonkte, het beloofde land. 71 lichamen die ons hebben beroofd van de illusie dat oorlogen en problemen van anderen ons niet aangaan. Enkele dagen voordat via de Oostenrijks-Hongaarse grens bij Nickelsdorf, op nog geen 25 kilometer van de parkeerstrook bij Parndorf, vluchtelingen massaal te voet over de snelweg naar Wenen beginnen te lopen. Wir schaffen das, zegt Angela Merkel. Ze zet de deur open.

    Stern wist van de meeste mensen in de koelwagen een foto te achterhalen.

    Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).
    Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).

    Er zijn zo veel verliezers in dit verhaal. Nahed Asker (31) heeft haar man verloren. Farah Alshaikh (31) haar familie. Twee verhalen uit de vele die in de koelwagen langs de A4 samenkomen. Na de tragedie is Asker met haar kinderen haar dode man achterna gereisd, in een vluchtelingenverblijf in Oostenrijk wachten ze nu op asiel. Alshaikh woont allang in Duitsland. Ze had bij haar familie in Syrië aangedrongen om te vluchten en ook naar Duitsland te komen. Nu is iedereen dood.

    Voor de ramp kenden de twee vrouwen elkaar niet, hoewel ze beiden uit het Oost-Syrische Deir ez-Zor komen. De Eufraat stroomt door deze stad, waar de jasmijn bloeit, de aardolie borrelt, granaatappel en katoen groeien. Al vijf jaar heerst er nu oorlog. Asker en Alshaikh hebben elkaar nog niet ontmoet. Ze whatsappen en bellen. Na die 27e augustus delen beiden hun lot, maar niet hun rouw. Die laat zich niet delen. ‘Ze hebben mijn familie behandeld als kippen,’ zegt Alshaikh. ‘Mijn ziel is stuk,’ zegt Asker.

    Asker woont met haar zoon Zaid (11) en haar dochter Tala (5) in Wiener Neustadt op een kamertje in een vluchtelingenverblijf. Ze heeft drie matrassen zo naast elkaar gelegd dat ze met elkaar één groot bed vormen. Ze gaan samen slapen en worden samen wakker. Asker kijkt graag muziekvideo’s van Beyoncé, post veel op Facebook, draagt een legging en gebruikt lippenstift en mascara. Ze kookt samen met de andere Syriërs. Ze weet welke medicijnen haar kinderen nodig hebben wanneer ze ziek zijn, omdat ze in Syrië in een apotheek werkte. In Oostenrijk mag ze niet werken. Ze spreekt geen Duits en heeft asiel aangevraagd voor de gezinsleden die ze nu nog heeft. ‘Toen we elkaar voor de laatste keer zagen, zei mijn man: wat er ook met mij gebeurt, zorg altijd goed voor onze kinderen. Die wens van hem ga ik vervullen,’ zegt Asker.

    Alshaikh woont met haar man Fateh Alhamad (41) en hun zoon Omar (1) in een ruim huis in Noord-Duitsland. Ze spreken bijna accentloos Duits en hebben de Duitse nationaliteit. Zij is gynaecoloog en heeft op dit moment ouderschapsverlof. Hij werkt als internist in het ziekenhuis. Tijdens de ramadan eten en drinken ze pas na zonsondergang. Alshaikh draagt een hoofddoek, niet omdat ze dit moet, maar omdat ze dit wil. Omar heeft bruin haar en bruine ogen, hij leert net lopen en belandt daarbij meestal op zijn billen. Soms moet zijn moeder dan glimlachen. Vaak loopt ze met hem naar een speelplaatsje aan het eind van de straat en doet ze boodschappen, verder blijft ze thuis. De buren kennen haar verhaal niet.

    In november 2014 was ze in Saarbrücken tweemaal in het bureau van de vreemdelingendienst geweest. Ze woonden toen in het Saarland, werkten daar in het ziekenhuis, hadden een auto en een huis in een voorstad van Saarbrücken. Het huis had een tuin en was meer dan groot genoeg voor henzelf. Ze informeerde bij de vrouw van de vreemdelingendienst naar de aanvraag voor familiehereniging die ze een half jaar eerder had ingediend. Ze wilde haar moeder Fadila (53), haar vader Abdel (57), haar broer Almuthanna (23) en haar zus Hend (17) naar Duitsland halen, omdat er in Deir ez-Zor niet meer gewoon te leven viel. IS en regeringstroepen vochten om de stad, de situatie was onoverzichtelijk. Haar broer Almuthanna studeerde rechten. Omdat hij had gerookt, werd hij door IS gearresteerd. Haar zus Hend mocht – vlak voor haar eindexamen – niet meer naar school. De zaken van haar vader, handelaar in auto-onderdelen, werden geplunderd, de huizen van de familie verwoest. Elke dag telefoneerde Farah Alshaikh met haar moeder Fadila. Ze merkte dat haar moeder bang was, ook al sprak ze dat niet uit.

    Destijds was Alshaikh acht maanden zwanger. Ze wilde haar familie op eigen kosten laten overkomen. Maar de vrouw van de vreemdelingendienst zei: ‘Bij ouderschapsverlof ontvangt u maar 60 procent van uw salaris. Dat is te weinig om uw kind en uw familie te kunnen onderhouden.’

    ‘Dat lukt ons wel. In ons huis is plaats genoeg. We willen geen geld, echt niet,’ had Alshaikh gezegd. De ambtenaar informeerde bij haar chef. De aanvraag werd afgewezen. Een week later was ze nog eens naar de vreemdelingendienst gegaan. Om te vragen of ze dan in elk geval haar zus kon laten overkomen. Vanwege haar astma. Afgewezen.

    Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).
    Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).

    ‘Mijn vader wilde niet vluchten. Hij was bang vanwege zijn gezin en vreesde de mensensmokkelaars. Hij wilde Syrië alleen verlaten als ze ergens legaal naartoe konden,’ vertelt Alshaikh. Ze bood hem de kamers in hun huis aan. Als het niet langer uit te houden viel, moesten ze komen, hoe dan ook. ‘Ik heb aangedrongen. Misschien heb ik wel te veel aangedrongen.’

    ‘We kunnen niet meer,’ zegt haar vader begin juli 2015 aan de telefoon. Met zijn gezin en 20.000 dollar op zak verlaat hij Deir ez-Zor. Met hun Toyota rijden ze via Raqqa naar de Syrisch-Turkse grens. Daar laten ze de auto achter. Ze betalen een smokkelaar die hen door een bos brengt. Ze bereiken de Turkse stad Urfa. Daar woont een andere zus van Alshaikh. Ze blijven er een paar dagen. Alshaikhs vader Abdel wint inlichtingen in bij kennissen. Hij zoekt een smokkelaar. Hem wordt een zekere Abules aanbevolen. Een Syriër die vanuit Urfa smokkelroutes organiseert en hiervoor zowel van smokkelaars als vluchtelingen provisie opstrijkt. Abules informeert Abdel Alshaikh over route en prijs.

    Op 17 augustus 2015 zit de familie in een hotel in Izmir te wachten. Vanaf de Turkse westkust willen ze via Samos, Athene en Macedonië naar Belgrado. Daar zullen ze een zekere Afghani treffen. Hij zal de tocht via Hongarije en Oostenrijk naar Duitsland organiseren.

    De familie Alshaikh is niet alleen, hun groep bestaat uit twaalf personen, onder wie Alshaikhs oom Youssef (39), een broer van haar vader, en Hasan Al-Damen (36), de man van Nahed Asker. Hij moest dienst nemen in het Syrische leger en vechten voor Assad, die hij veracht. Als onderwijzer kan hij niet meer aan de slag. Hij wil naar Duitsland en zijn gezin later laten overkomen. Asker en de kinderen zijn in Damascus achtergebleven.

    ‘Geef jullie bagage maar aan ons. Die past niet in de rubberboot,’ zeggen de smokkelaars in Izmir. Alshaikhs zus Hend schrikt daarvan. Nu heeft ze alleen nog maar haar mobieltje en de broek en het T-shirt die ze draagt. Op de foto die ze haar zus in Duitsland via WhatsApp stuurt, waait de wind door haar zwarte krullen. Ze staat bij het water en probeert vrolijk te kijken. Maar dat gaat haar niet goed af. Ze is een echt stadsmeisje, dat met haar zeventien jaar graag op haar smartphone naar romantische Arabische popmuziek luistert en medicijnen wil studeren. Voor de zee is ze bang. Aan haar rechterhand draagt ze een zilveren trouwring van haar moeder. Die moet haar beschermen.

    Voor de overtocht naar Samos incasseren de smokkelaars € 1200 per persoon. Twee pogingen mislukken. De eerste keer worden ze gesnapt door de Turkse kustwacht die hen op het strand weer uit laat stappen en de boot tot zinken brengt. Bij de tweede poging komt er, als ze op het punt staan af te varen, een politiepatrouille langs. Pas de derde poging is raak. In de vroege ochtend van 19 augustus wordt de boot een kilometer buiten de kust van Samos opgebracht door de Griekse kustwacht.

    Moeder Fadila is blij. Ze heeft de hele nacht over moeten geven. Als ze in de EU aan land gaan, komt de zon op.

    Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim
    Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim

    In de haven van Samos krijgen ze provisorische reisdocumenten. Daarmee kunnen ze tickets kopen voor de veerboot naar Athene. In Samos slapen ze één nacht op de grond. Ze hebben er weinig te eten. De volgende dag nemen ze de veerboot naar Athene. Van daaruit bellen ze met Farah Alshaikh in Duitsland. Haar vader Abdel klinkt vermoeid, toch zegt hij: ‘We zijn oké. We gaan door.’ Haar zus Hend huilt: ‘Ik ben op, ik kan niet meer.’ Haar moeder Fadila zou het liefst teruggaan naar Syrië.

    In Athene komen weer ze op krachten. Ze gaan er Arabisch eten. Sommigen in hun groep zouden graag wat langer blijven, maar Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, dringt aan om verder te reizen. Hij denkt dat de grenzen binnenkort dichtgaan. Na een dag in Athene vertrekken ze per bus naar de Macedonische grens. Daar deelt de groep zich op. Ze proberen op verschillende plaatsen over het hek te komen. De grenspolitie slaat met stokken en sproeit de vluchtelingen traangas in het gezicht. Ze krijgen Almuthanna te pakken. Hij weet te ontsnappen en heeft alleen wat kneuzingen. Moeders worden gescheiden van kinderen, er wordt geschreeuwd, gehuild. Een uur later is de groep aan de Macedonische kant van de grens weer compleet. Het regent, hun kleren zijn kletsnat, ze rillen van de kou. Met een bus rijden ze vier uur lang door Macedonië naar de Servische grens. Ze kijken uit het raam. En hadden zich Europa heel anders voorgesteld.

    In Belgrado treffen ze mensensmokkelaar Afghani. Een Afghaan die al een hele tijd in Europa woont. Een zwartharige, magere man met een schoudertas, gekleed in T-shirt en joggingbroek. ‘Geloof me, ik regel dat jullie rechtstreeks naar Duitsland kunnen, zonder dat jullie eerst in Hongarije of Oostenrijk geregistreerd worden en vingerafdrukken achter moeten laten,’ zegt hij tegen Hasan Al-Damen en Abdel Alshaikh, die de onderhandelingen voeren. Voor het transport vraagt hij € 1600 per persoon. In deze zomer voor deze tocht een gebruikelijke prijs. De mannen gaan akkoord. Een deel van hun geld hebben ze achtergelaten bij Abules in Urfa. Hij zal het geld pas aan de smokkelaars overmaken als ze goed in Duitsland aangekomen zijn. Zo hopen ze bedrog te voorkomen.

    In de middag van maandag 24 augustus 2015 bellen de Alshaikhs vanuit een hotel in de buurt van Belgrado met Farah Alshaikh. De stemming is goed. Haar broer Almuthanna heeft uit Syrië een e-mail gekregen dat hij geslaagd is voor zijn examen. ‘Let voortaan maar goed op je woorden als je tegen me praat, ik ben nu advocaat,’ zegt hij tegen zijn zus. ‘We zijn weer wat uitgerust en hebben nieuwe kleren gekocht,’ vertelt haar moeder Fadila. ‘Ik heb een goed gevoel over de smokkelaar, hij lijkt me een man met ervaring,’ zegt haar vader Abdel. Aan haar zus belooft Alshaikh om binnenkort naar de dierentuin in Stuttgart te gaan, omdat Hend dat al heel lang wil. Het is de laatste keer dat ze haar familie spreekt.

    Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten

    ’s Avonds om zes uur komt de groep samen in het park naast het busstation in het centrum van Belgrado. Het wemelt er van vluchtelingen en smokkelaars. In die weken is Belgrado het knooppunt in de vluchtelingenroute via de Balkan. Afghani telefoneert de hele tijd, in een taal die ze niet verstaan. Zijn telefoon is oud. Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten.

    ‘Wacht in het park tot het donker wordt. Er is veel politie, we moeten voorzichtig zijn,’ zegt Afghani. De meesten proberen wat te slapen. Rond middernacht worden ze door Afghani gewekt. Ze volgen hem door het duister langs de tramrails en komen via een brug over de Sava uit bij een parkeerplaats. Vanaf de oevers dreunen de bassen in de discotheken. De jeugd van Belgrado viert feest.

    Afghani sommeert hen zich op te delen in drie groepen. In elke auto kunnen vier mensen mee. De eerste auto rijdt weg met moeder Fadila, broer Almuthanna en Al-Damen. In de tweede zit Youssef Alshaikh, als laatsten verlaten vader Abdel en zus Hend de parkeerplaats in de derde auto. ‘Jij rijdt met je moeder mee, let goed op haar,’ zegt Abdel Alshaikh tegen zijn zoon Almuthanna, die bij zijn oom Youssef wil instappen. Die beslissing kost Almuthanna het leven.

    Drie uur duurt de rit noordwaarts over de autosnelweg E75. Ze rijden door het vlakke land langs de Servisch-Hongaarse grens. Buiten vliegt het duister voorbij, alles is zwart. Verdwenen is het gevoel voor tijd en plaats.

    Farah Alshaikh kijkt naar een foto van haar familie. Ze verloor haar ouders, broer en zus, en kon de foto eerst niet aanzien. Nu staat hij in haar woonkamer. – © Lars Berg
    Farah Alshaikh kijkt naar een foto van haar familie. Ze verloor haar ouders, broer en zus, en kon de foto eerst niet aanzien. Nu staat hij in haar woonkamer. – © Lars Berg

    De smokkelaars zetten hun passagiers af in een bos bij Domaszék aan de Hongaarse kant van de grens. Nadat de eerste auto is gearriveerd, komt even later de derde aangereden. ‘Hier wachten, we komen gauw terug,’ zeggen de smokkelaars. De Alshaikhs staan in het bos. Alleen oom Youssef ontbreekt. Hij zat in de tweede auto, die na twee uur rijden ineens was gestopt. De smokkelaar had een telefoontje gekregen waar hij erg opgewonden van was geraakt. Hij gooide de vluchtelingen langs de snelweg uit zijn auto. ‘Waiting, waiting,’ riep hij, terwijl hij wegreed. Youssef Alshaikh had in Servië geen simkaart gekocht en kon niemand bereiken.

    Bij het ochtendgloren bereiken ze een dorp en rijden met een taxi terug naar Belgrado. Youssef koopt een simkaart en belt met zijn broer. Abdel Alshaikh vertelt dat ze met nog een andere groep vluchtelingen in een bos zitten te wachten. ‘We hebben honger en dorst, neem wat te eten en te drinken mee,’ zegt hij. ‘Ga niet verder mee,’ zegt Yousseff Alshaikh, ‘er klopt iets niet.’ Hij blijft in Belgrado. Zo redt hij zijn leven. De groep valt uiteen.

    Op 25 augustus 2015 krijgt Farah Alshaikh een berichtje van haar vader: ‘Zitten in het bos te wachten tot het verdergaat.’ Ze wil antwoorden, maar ineens is hij weg. Op WhatsApp ziet ze dat hij om twaalf uur voor het laatst online was. Ook de rest van de familie kan ze niet meer bereiken. Om tien uur ’s avonds krijgt Nahed Asker in Damascus het laatste bericht van haar man Hasan Al-Damen: ‘Ik zit in het bos. De smokkelaars zeggen dat we wachten moeten vanwege politiecontroles. Ik heb honger en eet appels van de bomen. Geef de kinderen een kus van mij. Nog even en alles is achter de rug.’

    De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk

    Een week daarvoor koopt een man de koelwagen bij een handelaar in tweedehandsauto’s in Keckskemét. Hij laat de vrachtwagen op zijn naam zetten en doet geen enkele moeite om zijn identiteit te verhullen. De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk. De man maakt deel uit van een groep die ruim twintig smokkeltochten organiseerde en uitvoerde. Naast de Afghaan bestaat de groep uit vier Bulgaren. Ze zijn alle vijf betrokken bij de rit van 27 augustus 2015. De lading is kostbaar, 71 × 1600 euro. Zo’n vracht doen de bazen zelf.

    Op woensdag 26 augustus 2015 rijden de smokkelaars tegen vier uur ’s ochtends de koelwagen vanuit Keckskemét naar het bos bij de grens. Keckskemét, een oude Hongaarse universiteitsstad, ligt een uurtje rijden ten noorden van Domaszék. De lucht is helder, het belooft opnieuw een mooie warme dag te worden in het zuiden van Hongarije, waar tomaten, paprika’s, aardbeien en abrikozen groeien. De 71 vluchtelingen zitten al meer dan een dag verstopt in het bos te wachten op voortzetting van hun reis.

    De familie Alshaikh uit Deir ez-Zor, Syrië. De familie Rahm uit Kundus, Afghanistan. Vader Khuda, zijn vrouw, drie kinderen onder wie de kleine Lida, en een neef. In Afghanistan werkte Rahm als politieagent. De taliban bedreigden hem en zijn familie. Muhannad Ali en zijn vrouw Lefana uit Tall Abyad, Syrië. Ze zijn pas drie maanden getrouwd en willen in Duitsland een gezin stichten. De Irakees Mahmoud Abidi, die kort tevoren tot viersterrenofficier is bevorderd en met zijn vrouw Sine Gailani uit Bagdad is gevlucht. Sine wil naar haar broer in Duitsland, omdat die daar als ingenieur een goed leven heeft. Ze haalde niet alleen haar man over om mee te gaan, maar ook haar broer Ali en zus Seineb. De Koerd Saeed Othman uit Sulaimaniyya in Noord-Irak. Hij heeft maar één nier en hoopt op medische verzorging in Duitsland omdat hij veel pijn lijdt. Mohammed Baba uit Karkur, Irak, is werkeloos en droomt over een carrière als profvoetballer. Alles wijst erop dat ze vrijwillig zijn ingestapt.

    Om vijf uur wordt de koelwagen door camera’s van het Hongaarse tolsysteem geregistreerd. Hij rijdt dan bij Domaszék op de autoweg M5 in noordwaartse richting. Ongeveer tien minuten voor de vrachtwagen uit rijdt een andere auto. Die moet de smokkelaars in de vrachtwagen waarschuwen als er onderweg politiecontrole is. En er met de chauffeurs vandoor kunnen gaan, mocht er iets misgaan.

    Om 6.03 uur passeert de vrachtwagen Kecskemét, twee uur later is hij bij Boedapest en om 9.15 uur bij Nickelsdorf aan de Oostenrijkse grens. Ongeveer twintig minuten later laten de smokkelaars hem achter op de parkeerstrook bij Parndorf. Waarom? De smokkelaars zeggen geen woord. Die dag was er op de route geen politieblokkade. Op een of andere manier moeten ze zich hebben gerealiseerd dat hun lading verloren was.

    De laadruimte van de 7,5-tonner kan van binnenuit niet worden geopend. Het koelaggregaat functioneert niet. Het heeft de lucht alleen laten circuleren, maar geen nieuwe zuurstof toegevoegd. De vluchtelingen moesten het doen met de zuurstof die aan het begin van de rit in de laadruimte aanwezig was. Om vast te stellen waar zij overleden zijn, of het een zaak is voor de Hongaarse dan wel de Oostenrijkse justitie, wordt na de vondst van de vrachtwagen een deskundigenrapport opgesteld. De inhoud van de laadruimte wordt berekend en gedeeld door het aantal personen. Op elke vierkante meter stonden ongeveer vijf vluchtelingen. Ze moeten nog voor achten in Hongarije zijn gestikt. In de laadruimte en op de lijken worden geen sporen van doodsstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat de slachtoffers flauw zijn gevallen als gevolg van zuurstofgebrek en op het moment van overlijden niet bij bewustzijn waren. Uit de positie van de lijken blijkt dat kinderen werden opgetild. De lichamen van een echtpaar lijken elkaar te hebben omarmd.

    De smokkelaars worden kort na de vondst van de vrachtwagen in Kecskemét gearresteerd. Ze staan op het punt om te vluchten, maar het kenteken van de vrachtwagen en de diverse registraties op de snelwegcamera’s zorgen ervoor dat de politie hen snel weet te vinden. Ze zitten in Kecskemét in voorarrest en zwijgen in alle talen. In september worden ze in staat van beschuldiging gesteld, begin 2017 begint het proces.

    Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).
    Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).

    De vrachtwagen wordt overgebracht van de parkeerstrook naar een koelhuis in Nickelsdorf. Forensische lijkschouwers halen de lijken eruit. Ze worden gefotografeerd en in relatie gebracht met voorwerpen, zoals paspoorten die in borstzakken steken of geld dat ingenaaid zit in mouwen of ceinturen. Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, heeft zijn onderwijzersdiploma bij zich. Hij heeft het in het Duits laten vertalen, om later werk te kunnen vinden.

    Omdat de agenten die ochtend de laadruimte hebben opengemaakt, is er lucht bij de lijken gekomen. Daardoor verloopt de ontbinding sneller. Bij de berging is de huid van de slachtoffers al zwart. Aan rugzakken en jasjes kleven flarden van lichamen. De meeste mobieltjes lijken wel in een zuurbad te hebben gelegen. Zelfs de forensische experts kunnen er niets meer mee. Langs die weg kunnen ze niets te weten komen over wat zich de laatste momenten in de vrachtwagen heeft afgespeeld.

    De lijkschouwers geven elke witte lijkzak een nummer. Naamloos liggen de doden daar. Anders dan bij een vliegtuigongeval is er geen passagierslijst die kan worden afgewerkt. De rechercheurs openen een hotline voor familieleden. Ze moeten hun DNA hebben om de doden te kunnen identificeren. Voor één man zal niemand zich melden en het duurt tot 10 december 2015 voordat alle anderen geïdentificeerd zijn.

    Op de middag van 27 augustus ziet Nahed Asker op tv een nieuwsbericht over de vrachtwagen. Ze woont met haar kinderen bij haar moeder in Damascus. Asker zegt onmiddellijk te hebben geweten dat haar man dood was. Als de tolk van de politie Burgenland die voor de identificatie verantwoordelijk is, haar enkele weken later belt, huilt ze niet. Het lichaam van haar man kan niet worden overgebracht naar Syrië. Hij wordt bijgezet op de islamitische begraafplaats van Inzersdorf in Wenen. Asker wil afscheid van hem nemen. Met haar kinderen gaat ze op weg naar Wenen. De vluchtelingenroute is open.

    Farah Alshaikh staat met Omar op haar arm bij het raam van haar huis in Saarbrücken naar de tuin te kijken, als de telefoon gaat. De paspoorten zijn gevonden. Ze laat Omar vallen.

    Begin 2016 zijn ze verhuisd naar het noorden van Duitsland. Ze konden de vragen van vrienden in Saarbrücken niet langer verdragen, waren het medeleven zat. Sinds kort staat er een foto van haar familie op de plank boven de televisie in de woonkamer. Ook de Alshaikhs zijn begraven op het kerkhof van Inzersdorf. Bij de begrafenis op 7 oktober 2015 wil Farah Alshaikh per se het gezicht van haar moeder zien. Ze laat de kist openen. Sindsdien is ze niet meer op het kerkhof geweest. Ze kan het niet.

    In het weekend na de catastrofe van Parndorf arriveren duizenden vluchtelingen op stations in Duitsland. Ze worden met applaus ontvangen, krijgen water en kleding toegestopt. De kinderen krijgen teddyberen en snoepgoed. Velen verlaten die weken de noodopvang in sportzalen. Zij beginnen een nieuw leven.

    Auteur: Felix Hutt
    Vertaler: Marten de Vries

    Openingsbeeld: De koelwagen langs de A4 richting Wenen. – © Stern

    schermafbeelding 2017 04 05 om 11 55 56 am

    Felix Hutt

    Felix Hutt is redacteur van Stern.

    Stern
    Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

    Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages. Is sinds de publicatie van de vervalste dagboeken van Hitler een beetje verbleekt.

  • Op weg naar 
een nieuw leven

    Op weg naar 
een nieuw leven

    In een Extended Stay-hotel in Miami vertelt een Cubaans echtpaar over hun odyssee van tien maanden door vier landen, op weg naar een nieuw leven in de Verenigde Staten.

    De tranen stromen Regla Monte Rey (43) over de wangen, als ze terugdenkt aan de hachelijke tocht over de nachtelijke zee die zij en haar man met hun twee tienerzoons afgelopen zomer maakten naar een onbewoond eiland voor de kust van Puerto Rico. ‘Ik bad de hele tijd tot God, om ons te helpen, en ook tot alle orisha’s [Afro-Cubaanse religieuze geesten] die er maar zijn.’

    Als wij Monte Rey, haar man German Correoso (59) en hun zoons Kevin (15) en Kendry (14) tegenkomen, zijn ze net aangekomen in Miami. Vandaar volgen we ze verder, tot ze zich uiteindelijk zullen vestigen in Lancaster, Pennsylvania. Hun verhaal is het verhaal van tienduizenden Cubaanse gezinnen die elk jaar van het communistisch bestuurde eiland vertrekken, om gebruik te maken van een zeer gulle immigratieregeling voor Cubanen in de Verenigde Staten op grond van de Cuban Adjustment Act uit 1966.

    Er klinkt steeds meer kritiek op die wet, ook uit de hoek van Cubaanse ballingen die al veel langer in Miami wonen. Volgens hen maken economische migranten van het eiland er misbruik van. De afgelopen maanden is het aantal Cubanen dat naar de VS komt om een verblijfsvergunning aan te vragen explosief gestegen: mensen zijn bang dat die wet door de regering-Trump zal worden afgeschaft.

    Volgens cijfers van de Amerikaanse douane hebben zich vorig jaar zo’n 54.000 Cubanen als migrant bij Amerikaanse grensposten gemeld. Dat is twee keer zoveel als in het jaar daarvoor. Daarnaast komen er jaarlijks nog zo’n 30.000 Cubanen via de officiële kanalen naar de VS, met een door de ambassade verstrekt visum voor gezinshereniging, via politiek asiel of dankzij het wereldwijde programma waarin visa worden verloot. In Cuba zelf veroorzaakt de wet ondertussen verscheurde families en een leegloop aan Cubaans talent, van artsen tot honkballers.

    ‘Ik mis mijn dochter en mijn kleinkinderen zo,’ zegt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero (61), die tegenover het vroegere huis van Correoso en Monte Rey woont in Vieja Linda, een arbeiderswijk met straten vol gaten aan de zuidelijke rand van Havana. ‘Hun vertrek heeft mijn leven verwoest. Ik zou ze daar heel graag willen opzoeken, maar niet om er ook te gaan wonen. Ik ben gelukkig hier in Cuba.’

    Verkeerde kant

    Toen Correoso, Monte Rey en hun twee zoons in september vorig jaar Cuba verlieten en op weg gingen naar de Verenigde Staten, hadden ze geen vastomlijnd reisplan. De twee voormalige leerkrachten hadden het geld voor de reis bij elkaar gebracht met de verkoop van al hun bezittingen, waaronder hun huis en hun auto. Gewapend met hun paspoort, wat contant geld en een koppige vasthoudendheid, begonnen ze aan de eerste etappe van hun reis: per vliegtuig over de Caribische Zee – maar wel de verkeerde kant op. In plaats van naar het noorden te vliegen, naar Miami, dat nauwelijks 300 kilometer van Havana ligt, gingen ze 3000 kilometer naar het zuiden, naar Guyana, een tropisch landje aan de noordkust van Zuid-Amerika. Dat is een van de drie landen waarvoor Cubanen geen visum nodig hebben (de andere twee zijn Trinidad en Rusland). Meteen na aankomst in de hoofdstad Georgetown stapten ze in een bus voor een rit van veertien uur door de jungle, naar de grens met Brazilië, een kleine 400 kilometer verder naar het zuiden. Eenmaal over de grens namen ze een taxi naar de stad Boa Vista en vandaar weer een vliegtuig, nu naar de hoofdstad Brasilia.

    Veel andere Cubanen ondernemen daarvandaan de gevaarlijke reis over de Amazone naar Colombia en dan door het ondoordringbare Darién-oerwoud naar Panama, maar Correoso en Monte Rey gingen liever op zoek naar andere mogelijkheden.

    ‘In Centraal-Amerika wemelde het van de Cubanen die hetzelfde wilden als wij,’ vertelt Correoso. ‘Maar dat werd steeds moeilijker toen eerst Nicaragua en daarna Costa Rica en Panama hun grenzen voor Cubanen sloten.’

    Het gezin bemachtigde een tijdelijke werkvergunning in Brazilië. De ouders werkten als bordenwasser in restaurants, de twee jongens gingen naar school. Maar in Brazilië blijven was voor hen geen optie. ‘We maakten ons grote zorgen over de veiligheid daar. Die was heel anders dan we in Cuba gewend waren,’ vertelt Monte Rey. In de negen maanden die volgden probeerden ze de volgende etappe van hun reis te regelen en uiteindelijk kozen ze voor een andere populaire smokkelaarsroute. Met hulp van vrienden en familie in de Verenigde Staten kochten ze in juli vliegtickets naar de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Daarvandaan namen ze een klein vliegtuig naar de tweede stad van Haïti, Cap-Haïtien, aan de noordkust, waar ze smokkelaars troffen die hen ’s nachts te voet de grens met de Dominicaanse Republiek over brachten.

    In hun krappe kamer, die bijna geheel in beslag wordt genomen door twee tweepersoonsbedden, zijn Correoso en Monte Rey een en al dankbaarheid voor de hulp die ze hebben gekregen, en vol ongeduld om verder te gaan met hun leven

    ‘We liepen en liepen, door de bergen en twee rivieren, terwijl we ons de hele tijd verborgen hielden. Twee gidsen hielpen ons, het was een donkere, maanloze nacht,’ vertelt Correoso.

    Ze bleven twaalf dagen in de Dominicaanse Republiek, onderweg naar het badplaatsje La Romana aan de zuidoostkust. Daar zijn smokkelaars met yolas, smalle bootjes met buitenboordmotoren, die migranten een overtocht bieden over de gevaarlijke Mona Passage, een drukke scheepvaartroute die de Dominicaanse Republiek scheidt van het Amerikaanse grondgebied van Puerto Rico. De familie wist dat de VS een natuurgebied op het eiland beheren en dat zij als Cubanen daar welkom zouden zijn.

    Ze vertrokken bij het invallen van de schemering, zestien mensen in een krappe open boot, in rijen naast elkaar, zonder de beschutting van een dek of hut. De Mona Passage is berucht om haar woelige zee en sterke stromingen. Terwijl de kust achter hen uit het zicht verdween, begonnen de golven aan de boot te rukken, zodat die heftig schommelde. ‘Dat waren de moeilijkste en gevaarlijkste acht uur die ik ooit heb doorgemaakt,’ vertelt Correoso. ‘De golven werden steeds hoger en op een gegeven moment dachten we dat we het niet zouden halen. Ik dacht dat de boot zou zinken. Mijn jongste zoon naast me klampte zich aan de bank vast, ik sloeg mijn armen om hem en zijn moeder heen; onze andere zoon lieten we op de bodem van de boot zitten, tussen onze benen.’

    Bij het krieken van de dag landden ze op het eiland Mona, op 26 juli. Uitgeput en opgelucht bleven ze op het strand zitten tot de zon opkwam, voor ze op zoek gingen naar de Amerikaanse kustwacht. Uren later, nadat ze te eten hadden gekregen, zaten ze aan boord van een Amerikaanse helikopter die hen naar San Juan vloog. De volgende halte: Miami.

    Cubaanse migranten in Costa Rica in 2015. Het land sloot onlangs de grenzen voor Cubanen. – © Getty
    Cubaanse migranten in Costa Rica in 2015. Het land sloot onlangs de grenzen voor Cubanen. – © Getty

    Wij ontmoeten Correoso, Monte Rey en de jongens drie weken na hun aankomst in Miami, in een hotel in de buurt van het vliegveld, waar ze zijn ondergebracht in het kader van een federaal programma voor Cubaanse migranten, dat onder leiding staat van kerkelijke hulporganisaties. Ze zijn in afwachting van een bericht over hun uiteindelijke verhuizing naar Lancaster in Pennsylvania, waar ze met hulp van de Church World Service, een protestantse hulporganisatie voor immigranten en vluchtelingen, een nieuwe plek hopen te vinden. Ze krijgen hulp bij het invullen van immigratieformulieren, waaronder een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning – de beroemde green card – en voor sociale voorzieningen, zoals een uitkering van drie maanden voor huisvesting en voeding. Het hotel zit vol Cubanen, sommigen zijn verbrand door de zon na hun reis over zee op een zelfgebouwd vlot naar de kust van Florida. In hun krappe kamer, die bijna geheel in beslag wordt genomen door twee tweepersoonsbedden, zijn Correoso en Monte Rey een en al dankbaarheid voor de hulp die ze hebben gekregen, en vol ongeduld om verder te gaan met hun leven.

    ‘Het was een geweldige verrassing om te merken hoeveel hulp Cubanen hier krijgen,’ zegt Monte Rey.

    Waarom zijn ze aan dit riskante avontuur begonnen? ‘De levensomstandigheden in Cuba zijn niet gemakkelijk en het werd steeds moeilijker voor ons,’ vertelt Correoso.

    Monte Rey gaf wiskunde en Correoso biologie, voordat ze een paar jaar geleden hun baan van 25 dollar per maand opgaven en op zoek gingen naar beter betaald werk. ‘We wilden iets gaan doen dat ons wat meer armslag zou geven. Dus stopten we met het onderwijs,’ vertelt Correoso. Hij vond eerst een baan als inspecteur bij het ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid, werkte daarna als directeur logistiek bij de cargoterminal op de luchthaven van Havana, en uiteindelijk als bestuurder van landbouwmarkten in zijn eigen provincie.

    ‘Een baan krijgen is niet zo moeilijk in Cuba; wat moeilijk is, is een baan krijgen die je iets oplevert. Soms voel je je een vreemdeling in je eigen land, omdat je allerlei dingen niet kunt doen die anderen zich wel kunnen veroorloven, zoals uit eten gaan in een goed restaurant of in een hotel logeren.’ Zijn vrouw voegt daaraan toe: ‘Zo is het in Cuba. Ik denk niet dat veel mensen nu om politieke redenen weggaan. Cubanen houden zich nauwelijks met politiek bezig.’ Toch zeggen ze allebei dat politiek wel een rol heeft gespeeld in hun besluit.

    ‘Misschien vluchten we voor een systeem waar we niet achter staan. Want als we één ding zeker weten, is het wel dat we geen communisten willen zijn, dat we het rare socialisme dat we daar hadden niet meer willen,’ zegt Correoso. Het tijdstip van hun vertrek had ook alles met politiek te maken, want de angst was groot dat de Cuban Adjustment Act binnenkort zou worden herroepen. ‘Veel Cubanen die naar de Verenigde Staten migreren, vrezen het ergste voor die wet,’ vertelt Monte Rey.

    ‘Iedereen beseft dat die weleens kan verdwijnen, want we hebben geen idee wat de regering-Trump gaat doen. We zien ook wel dat die wet niet eeuwig blijft bestaan.’

    Duizend dingen doorgemaakt

    De afgelopen twee jaar onder president Obama hebben er grote verschuivingen plaatsgevonden in het Amerikaanse Cubabeleid, zoals het herstel van de diplomatieke betrekkingen, maar volgens Correoso is er op straat in Cuba weinig veranderd. ‘Mensen verliezen de moed, ze zien hoe de tijd verstrijkt, er wordt niets opgelost en sommige problemen worden alleen maar nijpender.’ Nog steeds zijn er allerlei meningsverschillen tussen Cuba en de Verenigde Staten die onoverbrugbaar lijken,’ zegt hij, in een verwijzing naar het Amerikaanse economische embargo en de aanspraken van beide landen op hetzelfde grondgebied, zoals de Amerikaanse marinebasis in Guantánamo. ‘Wij gewone Cubanen zijn in dit conflict meegesleurd, we hebben het gevoel dat we in de val zitten.’

    Eind augustus hebben ze nog een keer hun spullen ingepakt, voor de verhuizing naar hun nieuwe thuis in Pennsylvania. Als ze er aankomen, krijgen ze een envelop met geld, de huissleutel en een kaart waarop belangrijke plekken staan aangegeven, zoals de plaatselijke supermarkt.

    ‘Zo heerlijk,’ zegt Monte Rey. ‘Ik heb het zo gemist om zelf te kunnen koken. Het enige wat hier nu nog ontbreekt is een dominospel, om het nog Cubaanser te maken.’ Voor hun eerste maaltijd maakt Monte Rey rijst met bonen, Correoso roostert varkensvlees – traditioneel Cubaanse kost.

    De jongens verheugen zich op hun nieuwe school – en op de winter. ‘Ik heb nog nooit sneeuw gezien. Het lijkt me fantastisch om sneeuw aan te raken,’ zegt Kendry. ‘Ik heb nog zo veel te leren,’ voegt hij eraan toe. ‘Later zal ik mijn kinderen vertellen over alles wat ik heb doorgemaakt. En op een dag ga ik naar Cuba en dan vertel ik iedereen daar, al mijn vrienden: ‘Ik heb duizend dingen doorgemaakt om te komen waar ik nu ben.’

    Terug in Havana vertelt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero, hoe leeg haar leven is nu ze weg zijn. Haar dochter heeft geheimgehouden dat ze wilden gaan emigreren en vertelde het haar pas toen ze al in Brazilië zaten, per telefoon. Guerrero kon tijdens dat telefoontje nauwelijks een woord uitbrengen tegen haar dochter. ‘Mijn keel werd dichtgeknepen en ik hing op,’ vertelt ze, in de schommelstoel op haar veranda.

    Als bescherming van het huis heeft ze een kleine smeedijzeren presse-papier in de vorm van een pijl en boog bij de drempel van haar voordeur gezet. Het is een symbool van de Afro-Cubaanse god Ochosi. Het beeldje is van Monte Rey geweest en moet ook haar beschermen. Haar naam staat op het velletje papier dat eronder ligt. Moeder en dochter zijn allebei ingewijd als heiligen in de Santería-religie van Cuba.

    In een glazen vitrine tegen een muur in de tuin staat de manshoge menselijke figuur van Sint Lazarus, die gezien wordt als een helende god [Babalú-Ayé, in de Cubaanse Yoruba-religie]. Buiten in het park spelen kinderen op kapotte, roestige schommels, terwijl anderen zich op straat van de heuvel omlaag storten op chivichanas, zelfgemaakte houten skateboards. Straatverkopers prijzen luidkeels hun waren aan. ‘Hay papas [Er zijn aardappelen],’ roept een man. Twee andere mannen zijn verdiept in een partijtje schaak in de schaduw van een palmboom, met het schaakbord wiebelend op hun knieën. Een gezin maakt een pan vers varkensvlees klaar op een houtvuur aan de kant van de weg.

    Op de plaatselijke markt denkt men met genegenheid terug aan Correoso. ‘German is een goed mens,’ zegt Humberto Martinez (46). ‘Het leven is niet gemakkelijk en we wensen hem het beste toe.’ Gema Mora (33) herinnert zich haar vroegere buren nog goed. ‘Ze verdienen het om te zijn waar ze nu zijn,’ zegt ze. ‘Ze waren de beste kameraden die ik me kon wensen.’ Correoso en Monte Rey zijn de peetouders van haar vijfjarige dochter Leancy. Het meisje lacht als ze hun namen hoort. ‘Wanneer komt het vliegtuig mij ook ophalen?’ vraagt ze.

    De reis van Regla, German en hun kinderen. – © Courrier International
    De reis van Regla, German en hun kinderen. – © Courrier International

    Guerrero denkt met weemoed terug aan de momenten dat ze van haar werk in een café thuiskwam en iets te eten klaarmaakte voor Kevin en Kendry als die uit school kwamen. Dan keken de jongens naar tekenfilms op tv tot hun ouders thuiskwamen. Na hun vertrek was ze dodelijk ongerust, want ze had al te veel verhalen gehoord van op zee verdwenen of te lang van elkaar gescheiden families. Twee keer is ze in het ziekenhuis beland als gevolg van stress en haar diabetes. Ze heeft een duidelijke mening over illegale emigratie. ‘Ik zou willen dat mensen niet op die manier vertrokken. Waarom nemen ze dat risico?’ vraagt ze in haar schommelstoel, met de hond van haar buren op schoot. ‘Het belangrijkste is dat ze leven.’ Over hun toekomst maakt ze zich niet al te veel zorgen. ‘Het zijn intelligente, goed opgeleide mensen. Ze zijn allebei leraar, dus ik denk dat ze hun draai wel zullen vinden.’

    Ze hoopt dat ze ooit bij hen op bezoek kan gaan, maar beseft dat het niet makkelijk zal zijn om een visum te krijgen, vanwege het risico dat zij ook een beroep zal doen op de speciale regeling voor Cubanen. ‘Ik hoop dat ze ons ouderen ooit zullen laten komen en gaan, zodat iedereen die dat wil op familiebezoek kan gaan. Ik zou heel graag mijn kleinkinderen willen zien, dan kan ik op de dag dat ik doodga tenminste zeggen dat ik ze nog één keer heb gezien.’

    Ook al beklaagt ze zich over haar lot, over het leven in Cuba heeft ze weinig klachten. ‘Het is hier niet zo slecht,’ zegt ze, en ze merkt op dat ze niet hoeft te betalen voor haar diabeteszorg. Van haar salaris van 16 dollar per maand blijft weinig over nadat ze de rekening voor water en elektra heeft betaald. Maar ze heeft niet veel nodig. ‘Als je in dit land niet te eten hebt, komt dat omdat je niet werkt. Er is hier werk genoeg voor mensen die hun best doen. Er zijn veel ergere plekken. Kijk naar wat er gebeurt in Brazilië en Venezuela,’ zegt ze, doelend op het geweld, de politieke onrust en beschuldigingen van corruptie in die landen.

    Ondanks alles zeggen Correoso en Monte Rey dat Cuba altijd hun thuis zal blijven. ‘We houden erg veel van ons land en we zullen Cuba nooit vergeten. We hebben ook nooit gezegd dat we niet terug zullen komen,’ zegt Correoso. ‘We willen Cubanen blijven, we willen dat onze kinderen Cubanen zijn. We willen tot onze dood Cubaans blijven. Hij zwijgt even en schraapt zijn keel. ‘Als het ooit beter wordt in Cuba en er dingen veranderen, gaan we met alle plezier terug naar ons vaderland.’

    Epiloog

    Correoso en Monte Rey werken in Lancaster nu allebei parttime voor een onlinekledingwinkel. Beiden hebben een sollicitatie lopen voor een fulltimebaan. Ze hebben geen overheidsuitkering meer en betalen nu zelf hun huur. En ze hebben een auto gekocht, een tweedehands Mitsubishi. Afgelopen weekend was het in Lancaster twaalf graden onder nul. De jongens zijn nu vijftien en zestien en hebben voor het eerst in hun leven sneeuw gezien.

    Met dank aan Ana Maria Rodriguez in Lancaster en Pablo Cozzaglio in Havana.

    Auteur: David Adams
    Vertaler: Annemie de Vries

    Univisión
    VS | univision.com/noticias

    Spaanstalige website, gericht op de latinogemeenschap in de VS. Met veel aandacht voor onderwerpen als immigratie, Latijns-Amerika en Mexico.

  • Nederland creatief met lege cellen

    Nederland creatief met lege cellen

    Het nieuws over het Nederlandse cellenoverschot heeft nu ook Amerika bereikt. The New York Times verbaast zich vooral over het inventieve hergebruik van gevangenissen.

    Nederland kampt met een probleem waar andere landen slechts van kunnen dromen: een gevangenentekort. Terwijl landen als België, Engeland, Haïti, Italië, de VS en Venezuela worstelen met overbevolkte gevangenissen, heeft Nederland een dusdanig cellenoverschot dat het een aantal penitentiaire inrichtingen aan België en Noorwegen heeft verhuurd. Andere gevangenissen zijn tot asielzoekerscentra omgedoopt.

    Volgens het ministerie van Veiligheid en Justitie staat ongeveer eenderde van het totale aantal cellen leeg. Criminologen schrijven deze situatie toe aan de teruglopende criminaliteit van de afgelopen twee decennia en een penitentiair systeem dat de nadruk legt op rehabilitatie in plaats van opsluiting. ‘Nederlanders hebben een van oudsher pragmatische kijk op wetshandhaving,’ zegt René van Swaaningen, hoogleraar Criminologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, doelend op de Nederlandse liberale opvattingen op het gebied van softdrugs en prostitutie. ‘Gevangenissen zijn erg duur. In tegenstelling tot de VS, waar men geneigd is te focussen op de morele argumenten om iemand op te sluiten, is Nederland meer gefocust op effectiviteit.’

    Herbestemming

    Volgens het Nederlandse CBS is de geregistreerde criminaliteit in de afgelopen negen jaar met ongeveer een kwart afgenomen, wat in 2021 naar verwachting drieduizend leegstaande cellen tot gevolg zal hebben. De regering heeft in de afgelopen drie jaar negentien van de zestig gevangenissen gesloten, en vorig jaar bleek uit een uitgelekt rapport dat er meer sluitingen ophanden zijn.

    Het zogenoemde gebrek aan gedetineerden heeft in Nederland tot het bedenken van creatieve oplossingen geleid. In gevangenissen die dienstdoen als asielzoekerscentra zijn voormalige cellen als gezinskamers ingericht – sommige zelfs nog met de originele celdeuren. In de voormalige Koepelgevangenis in Haarlem voetballen vluchtelingen op de grote overdekte binnenplaats. Een deel van de nieuwe opvanglocaties beschikt ook over sportzalen, keukenfaciliteiten en tuinen. In de voormalige gevangenis van Hoogeveen, in het noordoosten van het land, hebben de autoriteiten de hoge buitenmuren en het prikkeldraad laten weghalen en de celdeuren zo aangepast dat ze van binnenuit kunnen worden geopend, zodat de vluchtelingen zich er beter thuis voelen.

    Woordvoerder Jan Anholts van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers zegt dat de overheidsinstelling erop toeziet dat er geen voormalige politieke gevangenen in de cellen worden gehuisvest, behalve als ze er zelf geen bezwaar tegen hebben. ‘We willen dat mensen zich veilig voelen.’

    In de voormalige Bijlmerbajes komen asielzoekers. – © Berlinda van Dam / HH
    In de voormalige Bijlmerbajes komen asielzoekers. – © Berlinda van Dam / HH

    De regering is er in deze krappe tijden zelfs in geslaagd de leegstand te gelde te maken door lege gevangenissen te verhuren aan landen die kampen met overvolle detentiecentra. Voor gevangenis Norgerhaven in het Drentse Veenhuizen sloot Nederland twee jaar geleden een driejarige huurovereenkomst met Noorwegen, dat de Nederlandse staat jaarlijks een slordige 25 miljoen euro, oftewel 27 miljoen dollar volgens de huidige wisselkoersen, aan huur betaalt. Noorwegen heeft 242 gedetineerden in de extra beveiligde penitentiaire inrichting ondergebracht. Eerder had België al rond de vijfhonderd gedetineerden de grens over gestuurd. In Norgerhaven, waar gevangenen kippen kunnen houden en groenten verbouwen, leven de Noorse gedetineerden onder het toeziend oog van een Noorse gevangenisdirecteur en Nederlandse bewaarders. Om ruimte te maken voor de Noren moesten enkele Nederlandse langgestraften – die een exclusief clubje vormen in een land dat maar 35 levenslanggestraften zonder kans op vervroegde vrijlating kent – hun comfortabele cellen, voorzien van werkplekken en tv’s, verlaten. Ze spanden, tevergeefs, een rechtszaak aan om overplaatsing te voorkomen.

    Volgens criminologen is de herbestemming van de gevangenissen toe te schrijven aan de bouwwoede uit de jaren negentig, die resulteerde in een overvloed aan penitentiaire inrichtingen in een tijd van vergrijzing en dalende criminaliteit. Professor Van Swaaningen voert ook aan dat steeds meer twaalf- tot achttienjarigen – de groep die het meeste risico loopt ten prooi te vallen aan straatcriminaliteit – in het huidige digitale tijdperk aan de computer zitten vastgekluisterd en zo van de straat worden gehouden, en op die manier potentieel de criminaliteit terugdringen. Ook is er sprake van leegloop, zegt Van Swaaningen, omdat er vaker gebruik wordt gemaakt van andere surveillancemethoden, zoals elektronische detentie.

    Een aantal wetshandhavers stelt dat het enorme cellenoverschot niet zozeer voortvloeit uit krachtdadige misdaadbestrijding, maar eerder een symptoom is van een haperend rechtsapparaat en het feit dat er minder criminaliteit wordt gemeld

    In de jaren negentig waren de gevangenissen nog goed bezet. Inmiddels telt Nederland 61 gedetineerden per 100.000 inwoners, een verhouding die overeenkomt met die van Scandinavië, blijkt uit recente cijfers die zijn verzameld door het Institute for Criminal Policy Research, een onderzoeksinstituut van de Universiteit van Londen. In de VS ligt het aantal op 666, een van de hoogste ter wereld. In Europa zijn Albanië, België, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Macedonië en Spanje de landen met de dichtstbevolkte gevangenissen, volgens een recent rapport van de Raad van Europa.

    Toch staat in Nederland niet iedereen te juichen over de grootschalige leegstand. Naar schatting 2600 gevangenenbewaarders kunnen de komende jaren hun baan verliezen als meer gevangenissen hun deuren zullen sluiten. Bovendien stelt een aantal wetshandhavers dat het enorme cellenoverschot niet zozeer voortvloeit uit krachtdadige misdaadbestrijding, maar eerder een symptoom is van een haperend rechtsapparaat en het feit dat er minder criminaliteit wordt gemeld. FNV-bestuurder Frans Carbo zegt dat het sluiten van de gevangenissen het resultaat is van kostenbesparing en niet van een effectief beleid. ‘Als je nu gevangenissen sluit, zul je ze over een paar jaar weer moeten openen.’

    Nu het centrum-rechtse kabinet van premier Mark Rutte voor een lastige verkiezingsstrijd staat, waken rechterlijke ambtenaren ervoor het cellenoverschot te bejubelen. ‘Onze voornaamste zorg was vanaf het begin om niet te veel banen te verliezen,’ zegt Jaap Oosterveer, woordvoerder van het ministerie van Veiligheid en Justitie, die het gevangeniswezen in zijn portefeuille heeft. ‘Het grote aantal lege cellen is zowel goed als slecht nieuws.’

    Auteur: Dan Bilefsky
    Vertaler: Astrid Staartjes

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Boekwinkel in Istanboel brengt Syriërs thuis

    Boekwinkel in Istanboel brengt Syriërs thuis

    De oprichter van de eerste Arabische boekwinkel in Istanboel laat jongeren lezen in hun eigen taal en ontsnappen aan het geïsoleerde vluchtelingenbestaan.

    Weggestopt in een hoekje tegenover de Chorakerk in Istanboel is een veilige haven voor jonge Syriërs die maar één ding willen: lezen. Pages, een boekwinkel annex café, symboliseert de ambitieuze poging van één man om Syrische jongeren een beter leven te geven.

    ‘Ik ben ongelooflijk gelukkig,’ zegt Samer Al-Kadri (42), oprichter van de eerste Arabische boekwinkel in de stad. ‘Ik krijg de kans jongeren tussen de achttien en vijfentwintig jaar te ontmoeten. Deze generatie doet me versteld staan door haar begrip, haar openheid, haar dialoog.’

    In Turkije leven meer dan drie miljoen vluchtelingen, voor het overgrote deel Syrisch. Met Pages hoopt Kadri een ruimte te scheppen voor jonge Syriërs die nieuwsgierig zijn naar de wereld, die willen ontsnappen aan het geïsoleerde vluchtelingenbestaan en, heel eventjes, willen doen alsof ze terug zijn in hun vaderland.

    In het gezellige interieur klinken liedjes van de Libanese zanger Fairuz en staan rijen boeken in kasten die Kadri met zijn eigen handen heeft gebouwd, liefdewerk dat impliceert dat hij al bijna een jaar geen vakantie heeft gehad.

    Hier kunnen jongeren alle beschikbare boeken gratis komen lezen, of er zo veel lenen als ze willen, voor maar twintig lira [vijf euro] per maand. Syrische mannen en vrouwen drinken er koffie terwijl ze schrijven, studeren en lezen in het zonlicht dat door de ramen schijnt, en ’s avonds bezoeken ze muziekuitvoeringen, filmvoorstellingen, workshops en tentoonstellingen.

    ‘De Syriërs zijn uit hun schulp gekropen. Er is veel veranderd. Veel jonge mannen en vrouwen hebben op een andere manier leren denken’

    ‘Het is een plek waar we weer als Syriërs onder elkaar kunnen zijn, die ons in staat stelt te praten, elkaar te accepteren en onze mentaliteit te veranderen die alleen maar op Syrië was gericht, zodat we geen oog hadden voor de buitenwereld,’ zegt Kadri.

    Ondanks alle tragedies van de oorlog in Syrië, die in vijf jaar meer dan vierhonderdduizend mensen het leven heeft gekost en de helft van de bevolking op de vlucht heeft gejaagd, binnen of buiten hun landsgrenzen, ziet Kadri een klein lichtpuntje.

    ‘Hoe tragisch de situatie in Syrië ook is, er is één ding wat me hoopvol stemt voor de toekomst van het land,’ zegt hij. ‘De Syriërs zijn uit hun schulp gekropen. Er is veel veranderd. Veel jonge mannen en vrouwen hebben op een andere manier leren denken. Een deel van deze nieuwe generatie is eraan onderdoor gegaan, maar een ander deel is veranderd of groeit op een andere, meer open manier op. Syriërs hebben heel wat meer over de wereld geleerd.’

    Gevlucht uit Syrië

    Kadri was nog maar acht toen het leger van Hafez al-Assad, de vader van de huidige Syrische president, in 1982 zijn thuisstad Hama bestormde en binnen een maand op buitengewoon brute wijze met de grond gelijk maakte als vergelding voor een kortstondige opstand.

    Hij herinnert zich hoe de regeringstroepen een aantal mannen uit een wijk tegen een muur zette, waarna ze sommigen doodschoten en anderen lieten leven, en hoe zijn familie de stad uit sjokte terwijl de straten bezaaid lagen met lijken.

    Na de verhuizing naar Damascus volgde Kadri een opleiding tot grafisch ontwerper en richtte een reclamebureau en een kinderboekenuitgeverij op, Bright Fingers genaamd.

    Toen in 2011 de revolutie uitbrak in Syrië, sprak hij in het buitenland over de strijd van zijn volk en hun onderdrukking door het regime van Assad, zonder deel te nemen aan demonstraties.

    Toen hij in 2012 in Abu Dhabi was, hoorde hij dat de veiligheidstroepen een inval hadden gedaan in zijn uitgeverij omdat hij werd beschuldigd van het steunen van terroristische activiteiten, een gebruikelijke aanklacht tegen tegenstanders van het regime. Hij verhuisde naar Amman en werd verliefd op Istanboel toen hij een kort bezoek bracht aan die stad.

    schermafbeelding 2017 02 08 om 14 03 38

    Het bezoek van The Guardian wordt onderbroken door een groep kinderen die een rondleiding krijgen in de boekwinkel. ‘We hebben deze plek voor jullie gemaakt,’ vertelt hij hun. ‘Jullie zijn hier altijd welkom.’

    Een van de kinderen antwoordt: ‘Het voelt alsof ik in Syrië ben met al die Arabische boeken, en je mag ze allemaal gratis lezen.’ Een tiener vraagt Kadri boeken over astronomie in te slaan omdat hij een ruimteliefhebber is, en een andere vraagt om een biografie van Khalid ibn al-Walid, een van de legendarische strijders van de vroege islam die de veroveringen in Azië leidde.

    ‘Het doel van dit bezoek is om hen te laten lezen en hun te laten zien hoe belangrijk bibliotheken zijn,’ zegt Jihad Bakr, die Syrische kinderen Turks leert op een plaatselijke school en de leiding heeft tijdens het bezoek. ‘Ze moeten kennismaken met een andere kant van de samenleving en hun eigen Syrische gemeenschap vanuit een ander perspectief leren bezien. Syrië is niet alleen maar oorlog en wat hun familie hun vertelt. We hebben ook kunst en cultuur.’


    ‘Ik heb genoeg van het idee dat Syriërs aanhangers van IS zijn, dat ze moordenaars zijn of alleen maar verhongeren’

    Dat is een geliefd thema bij Kadri, die weinig hoop heeft dat hij de mentaliteit van zijn eigen generatie kan veranderen maar gelooft dat hij de jonge clientèle van Pages, waar hij zeven dagen per week elf uur werkt, een liefde voor leren kan bijbrengen en nieuwsgierig kan maken.

    Hij ziet het ook als een manier om degenen die naar Istanboel zijn gevlucht te verlossen uit het geïsoleerde vluchtelingenbestaan, om de Turken op een andere manier naar Syriërs te laten kijken (ook veel Turken en Koerden bezoeken de boekwinkel, die Turkse en Engelse boeken op voorraad heeft) en om de internationale media te laten zien dat Syriërs niet alleen maar als slachtoffers of geweldplegers moeten worden bestempeld.

    ‘Ik heb genoeg van het idee dat Syriërs aanhangers van IS zijn, dat ze moordenaars zijn of alleen maar verhongeren,’ zegt hij. ‘Er zijn een heleboel slachtoffers en mensen die verhongeren, die alles kwijt zijn. Maar er is ook een andere kant, die mensen niet willen zien. We willen dat ze over iets anders schrijven.’

    Een van de populairste boeken bij Pages is Liefde kent veertig regels van Elif Shafak, een roman over de legendarische Perzische dichter Rumi, evenals De schelp van de Syrische schrijver Mustafa Khalifa, die daarin herinneringen ophaalt aan de martelingen die hij in de beruchte gevangenis van Palmyra onderging.

    Ook vertalingen van het werk van George Orwell zijn populair, met name Animal Farm en 1984, waarvan de dystopische wereld een opvallende gelijkenis vertoont met de politiestaat van Assad.

    Kijk en observeer

    ‘Uiteindelijk is dit een reusachtige tragedie waaraan je nooit volledig kunt ontsnappen,’ zegt Kadri. ‘Je kunt niet over liefde schrijven zonder die in verband te brengen met de ramp in Syrië. Het is je dagelijks leven en neemt elk moment daarvan in beslag.’

    Kadri hoopt een filiaal te openen in Berlijn om de vluchtelingengemeenschap daar van boeken te voorzien, en hij is bezig met een nieuwe uitgeverij voor romandebuten van jonge schrijvers uit Syrië en andere Arabische landen die hij in het hele Midden-Oosten wil verkopen; daarnaast werkt hij samen met Turkse uitgeverijen om de romans in het Turks te laten vertalen. Geen van deze initiatieven levert winst op.

    Maar zijn harde werk is er vooral op gericht een nieuwe generatie te vormen. ‘Wij kunnen niet meer veranderen, maar we kunnen de volgende generatie helpen het beter te doen,’ zegt hij. ‘Mijn boodschap aan de wereld is dat de Syriërs niet op één hoop moeten worden gegooid. Je kunt een hele samenleving niet over één kam scheren. Kijk en observeer goed, en maak zelf uit hoe het werkelijk zit.’

    Auteur: Kareem Shaheen
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

    Eigenaar Samer Al-Kadri. – © Bram Janssen / HH
    Eigenaar Samer Al-Kadri. – © Bram Janssen / HH

    OPROEP AAN 360-LEZERS

    Samer Al-Kadri en zijn Pages Bookstore hebben uw steun nodig. In Istanboel heeft Al-Kadri bewezen dat hij als idealist 
en ondernemer van aanpakken weet. The Guardian is niet de enige die zich in bewondering heeft laten rondleiden langs de verschillende etages van de boekhandel annex ontmoetingsplaats. Op de sites van onder meer de Huffington Post, The New York Times of het Franse La Croix vindt u vergelijkbare reportages. Ook het Nederlandse Prins Claus Fonds was onder de indruk van het werk van Pages, en steunt projecten die in Istanboel plaatsvinden.

    Maar dat is niet de enige band tussen Samer Al-Kadri en Nederland. De Syriër wil een vestiging van Pages openen in Amsterdam.
 Met grote voortvarendheid is hij de stad aan het verkennen, op zoek naar een geschikte locatie en de juiste mensen. ‘Ik hoef niet midden in het centrum te zitten, degenen voor wie Pages bestemd is, komen er wel heen als ze horen dat het bestaat,’ weet hij op basis van zijn ervaring in Istanboel. Dat het openen van een zaak in Amsterdam anders verloopt dan in Damascus of Istanboel, is hem duidelijk. Maar hij is overtuigd van het nut en de noodzaak van zo’n ontmoetingsplek tussen Arabische en Europese literatuur, en de lezers die daarop afkomen. ‘Zodra ik een locatie heb, laat ik de boeken komen. Let maar eens op wat er dan gebeurt,’ zegt Samer Al-Kadri.

    Behalve naar betaalbare winkelruimte is hij op zoek naar een jurist en een accountant met affiniteit voor dit project. Ideeën zijn welkom op www.facebook.com/PagesBookstoreCafe

    Nadere inlichtingen ook bij Pieter van den Blink, via blink@360magazine.nl