Onderwerpen: Cultuur

  • Intens portret van verborgen realiteit

    Intens portret van verborgen realiteit

    Paul Huf Award voor ‘een geschiedenis van vrouwenhaat’

    FOTOGRAFIE – Er is nóg een epidemie die we kunnen bestrijden, dacht Laia Abril toen ze de vele foto’s bekeek van oorlogen en armoede: boulimia. Gedreven door haar eigen ervaring en een vermeend gebrek aan informatie wilde ze het taboe rondom de ziekte doorbreken, vertelt ze in een interview met Vice. Hiervoor fotografeerde ze onder andere selfies van een ‘pro-ana’-site, waarop meisjes met anorexia elkaar tips geven om nog dunner te worden. ‘Ik wilde laten zien hoe fotografie wordt gebruikt.’

    Met het resultaat, The Epilogue, gewijd aan Cammy Robinson, die op 26-jarige leeftijd aan de ziekte overleed, verwierf Abril internationaal bekendheid. Haar volgende, langlopende project, A History of Misogyny, leverde haar onder andere de Foam Paul Huf Award op, een prijs voor fotografen onder de 35. Tot nu toe maakte Abril de delen On Abortion (2018, over de straffen die in verschillende culturen voor abortus gelden) en On Rape (2020).

    ‘Het resultaat van haar inspanningen om deze moeilijke onderwerpen te visualiseren moet door een zo groot mogelijk publiek worden gezien’, haalt de British Journal of Photography het juryrapport aan. De Spaanse fotografiesite La Fábrica beschrijft hoe je als kijker plotseling gevangenzit in de privésfeer van anderen, zodat je jezelf moet verhouden tot ‘ongemakkelijke realiteiten die de samenleving veelal verborgen houdt’. The Guardian noemt Abrils werk intens, zelfs zo intens dat recensent Sean O’Hagan The Epilogue soms moest wegleggen. ‘Maar ik pakte het telkens weer op.’

    Het werk van Laia Abril stond voor 6 november gepland in Foam, Amsterdam. Houd voor meer informatie de website in de gaten: www.foam.org.

  • Nachtvlinders terug in eenzame cocon

    Nachtvlinders terug in eenzame cocon

    Er is in Portugal nog weinig over van het nachtleven. Behalve aan de economie brengen de gezondheidsmaatregelen ook schade toe aan de samenleving, de geestelijke gezondheid en de dynamiek van de steden. Wat zijn de gevolgen op de lange termijn? Sociologen, filosofen en nachtbrakers buigen zich over de antwoorden.

    ‘Op alle afbeeldingen waarop Socrates binnenshuis of in een tuin te zien is, is hij altijd in gesprek met anderen,’ zegt filosoof António de Castro Caeiro van de Universidade Nova de Lisboa. Hij haalt een uitspraak van Aristoteles aan, die zei dat ‘de mens een rationeel wezen’ is. Niet helemaal een correcte vertaling, volgens de filosofieprofessor, maar een voorbeeld waarmee hij wil aantonen hoe belangrijk het is dat mensen ‘met elkaar praten, ideeën uitwisselen, rationeel kunnen zijn’.

    Daarom is de mens, ‘niet alleen in filosofisch maar ook in praktisch opzicht’, bij uitstek een wezen dat ‘zich van het woord bedient, gesprekken voert, naar buiten gaat om mensen te ontmoeten’. Dit idee staat nu op gespannen voet met de maatregelen in de huidige gezondheidscrisis die het menselijke contact juist ernstig beperken. Vanwege de risico’s die samenkomsten zouden kunnen hebben worden deze oeroude sociale gewoontes en rituelen noodgedwongen doorbroken.

    Socrates liep rond op de Agora, wij hebben tegenwoordig andere publieke ruimtes waar we ideeën kunnen uitwisselen, onder andere in het sociale nachtleven. De nacht is zeer geschikt voor dergelijke ontmoetingen, maar ook voor andere behoeftes en verlangens – er wordt geconverseerd, samengeleefd, gecreëerd, geëxperimenteerd, verleid, er worden grenzen overschreden, het onverwachte kan gebeuren, nieuwe werkelijkheden dienen zich aan.

    ‘Het nachtleven stond voor seks.’ Of op zijn minst voor ‘communicatie’

    Helaas is sinds het begin van de pandemie deze democratische ontmoetingsplek niet meer dezelfde. Het nachtleven zoals we dat kenden zit op slot en, naast de negatieve economische gevolgen voor de uitgaanssector doemt er zo langzamerhand een andere vorm van schade op. Wat zijn bijvoorbeeld op de korte, middellange en lange termijn de gevolgen hiervan voor ons sociale leven, voor onze geestelijke gezondheid en de stadscultuur?

    Het is niet verwonderlijk dat het wegvallen van deze ontmoetingsruimte consequenties heeft – in feite zijn die allang merkbaar. Psycholoog Mauro Paulino, een van de redacteuren van het boek A psicologia da pandemia  [De psychologie van de pandemie], verwacht een sterke toename van het aantal psychische aandoeningen, veroorzaakt door het isolement waarin veel mensen door het ingeperkte uitgaansleven terecht zijn gekomen, vooral bij degenen die er erg actief in waren. Deze psychische problemen zullen volgens hem erg lijken op de problemen die je ziet als mensen om wat voor reden dan ook geïsoleerd raken. Toch is hij vrij optimistisch en gelooft dat de meeste mensen zich redelijk aan de nieuwe situatie kunnen aanpassen. Maar er blijven altijd individuen die er meer moeite mee hebben dan anderen.

    De academicus ziet het nachtleven als een ruimte waarin je je even helemaal kunt losmaken van de persoon die je in het dagelijks leven bent. Vaak is het dagelijkse leven zo bepalend voor het zelfbeeld dat het moeilijk is om je ervan te distantiëren, je wordt precies zoals anderen verwachten dat je bent.

    Volgens Paulino is deze ontsnappingsmogelijkheid voor veel mensen bijna een kwestie van overleven, ze gaan eraan onderdoor als ze niet zo nu en dan kunnen breken met hun dagelijkse routine. Maar als dat klopt, welke gevolgen kunnen we dan verwachten als deze ontsnappingsroute wordt afgesneden? ‘Tijdens de pandemie is toenadering in de openbare ruimte nauwelijks meer mogelijk en wordt het alledaagse leven geheel in beslag genomen door ofwel werk ofwel gedwongen rust.’

    Ontoegankelijk

    ‘De buitenwereld wordt ontoegankelijk en we zijn gedwongen om thuis te blijven; spontane gesprekken, het delen van gevoelens, of simpelweg genieten van de elementen, de zee, de natuur, dat alles is verboden of op zijn minst sterk gereguleerd. Wat overblijft is thuiszitten, met familie of alleen.’

    Natuurlijk is daarmee de behoefte om te ontsnappen aan de dagelijkse routine niet verdwenen. Deze noodzaak, die wellicht eigen is aan onze soort, maakt dat men al gauw ergens anders heen vlucht. Om te kunnen omgaan met het ‘verbod’ en de ‘leegte’ die de nachten nu beheerst, ontstaat de noodzaak om ‘een nieuwe plek te vinden waar je kunt ontspannen’, aldus Paulino.

    Alternatieven

    De horecasector zoekt naarstig naar alternatieve manieren van uitgaan, vertelt sociaal-wetenschapper Jordi Nofre van de Universidade Nova de Lisboa. Hij is oprichter van een internationaal wetenschappelijk netwerk voor onderzoek naar het nachtleven, LXNIGHTS, en vindt dat de sector te veel de dupe wordt van de coronamaatregelen.

    Behalve over de economische gevolgen maakt hij zich zorgen over de invloed van dit ‘verbod’ op het welzijn van mensen. ‘Het nachtleven wordt puur als economische activiteit gezien. Maar het is net zo goed een cultuurgoed, er wordt cultuur geproduceerd en geconsumeerd. Bovendien is het een bron van sociaal en emotioneel welbevinden, van gemeenschapszin, van onderlinge steun tussen mensen,’ zegt hij. Nofre benadrukt hoe belangrijk het is om zo snel mogelijk weer alles open te gooien, ‘helemaal na een periode van lockdown’.

    De onderzoeker denkt dat het gemak waarmee een avondklok wordt ingesteld, ook te maken heeft met het heersende idee dat het nachtleven een ‘zondige plek’ is waar zich ‘immorele’ dingen afspelen. Juist daarom wil hij wijzen op de positieve kant ervan, de ontsnapping die het biedt ‘uit het leven van alledag, met werkstress en een onzekere toekomst’. Hij vindt daarom dat bij de beslissing om het nachtleven te sluiten het risico van infectie moet worden afgewogen tegen de negatieve effecten die sluiting heeft op de geestelijke gezondheid van mensen.

    Maar wat is het alternatief? ‘Goede mondkapjes gebruiken, minder mensen toelaten, afstand houden. Maar ook onderbrekingen inlassen, bijvoorbeeld door om de twee uur schoon te maken en te desinfecteren. Festivals in de open lucht organiseren, met deejays van grote clubs.’ Hij signaleert een grote behoefte aan ‘helder beleid’, zodat het risico zo klein mogelijk wordt dat er een ‘nieuw nachtleven’ gaat komen waarin onduidelijk is ‘wie er deel van mag uitmaken’. ‘We lopen het risico dat generaties door angst worden getekend en helemaal hun huis niet meer uit komen. Terwijl het nachtleven juist moet verbinden, niet verdelen. Die belangrijke vrijheden en verworvenheden mogen we niet meer opgeven.’

    camilo jimenez 2s9z me5owy unsplash
    Volgens zanger Rui Reininho was er voor de coronapandemie in Lissabon altijd wel een café waar je ‘tot in de late uurtjes’ terecht kon ‘voor nog een fadootje, nog een glaasje, nog een quasidiepzinnig gesprek’. © Camilo Jimenez / Unsplash

    ‘Het lijkt wel of de mensen noodgedwongen afstandelijker worden,’ zegt Rui Reininho, die de laatste tijd ‘minder nachtmens’ is geworden. De zanger van de popgroep GNR was een bekend gezicht in het nachtleven van Porto. Hij baseert deze indruk op een bezoek aan Lissabon van een week eerder, en zijn observaties in zijn eigen wijk Leça de Palmeira in Porto. ‘Ik kwam om tien uur ’s avonds aan en goddank kon ik in mijn hotel nog wat te eten krijgen. Om halfelf is alles potdicht,’ vertelt hij. Maar ook in Leça is er na dat tijdstip ‘vrijwel niemand meer op straat’.

    Reininho denkt terug aan de tijd dat hij in de wijk Alfama in Lissabon woonde, waar hij vaak de fadocafés frequenteerde die openbleven ‘tot in de late uurtjes’. Hij bleef hangen ‘voor nog een fadootje, nog een glaasje, nog een quasidiepzinnig gesprek’. Er was toen ‘minder televisie en minder Netflix’ en ‘meer tijd om te filosoferen’.

    Door de pandemie zijn de mensen meer ‘op hun hoede’, vertelt Cláudia Rodrigues, die werkt aan een proefschrift met als titel ‘De nachtelijke stad: een urbane ritmografie van een partydistrict in Porto’. Naar haar overtuiging spoort die voorzichtige houding slecht met het idee van een ‘feestje’ dat hoort bij het nachtelijke bohémienleven. ‘Het gaat lijnrecht in tegen het idee van transgressie, bevrijding, lichamelijke verlangens.

    Lichamelijkheid doet ertoe en de pandemie vormt daarvoor een bedreiging,’ gaat ze verder. Ze ziet het als een heilloze weg als we elkaars ‘politieagent’ gaan spelen. ‘We moeten ervoor zorgen dat we het nieuwe normaal niet internaliseren, want dan blijven we elkaar voorgoed de maat nemen.’

    Clandestiene feesten

    De sociologe denkt dat het nachtleven sinds de opkomst van clandestiene feesten elitairder is geworden, antidemocratischer en dat er minder ruimte is voor ‘verschillende culturen en afwijkende identiteiten’. Die nieuwe werkelijkheid, waarin het nachtleven zich achter gesloten deuren afspeelt, ‘is niet wat je in een stad wilt hebben’.

    ‘Het nachtleven is de plek waar mensen kunnen zijn wie ze zijn, kunnen doen waar ze zin in hebben, en bovendien waar de stad zelf een smoel krijgt. Je kunt er grenzen overschrijden en spelen met sociale conventies, maar dat ligt nu allemaal stil. Je bent al grensoverschrijdend bezig als je alleen al de deur uitgaat, ook zonder een club in te gaan,’ zegt Rodrigues.

    Radiopresentator Álvaro Costa frequenteerde het nachtleven van Porto veertig jaar geleden, een tijd waarin het ‘niet verboden’ was, maar wel ‘verborgen’ en ‘gold als een zondige plek’. Het was, bovenal, een ‘cultuur van discotheken’. ‘Het nachtleven stond voor seks.’ Of toch op zijn minst voor ‘communicatie’. Volgens hem is alcohol bijzaak. ‘Uitgaan is behalve een cultureel en commercieel ook een politiek concept. Het was zó belangrijk voor mijn bewustwording, ik ben er een toleranter mens van geworden.’

    ‘Je vindt er aanraking, lijven, zweet, kussen, geuren, parfum. Wat ik bedoel is dat het echt een magische, vrijheidslievende plek is, onderdeel van de menselijke conditie,’ vindt hij. Door de coronamaatregelen zal het een van de sectoren zijn die het laatst weer open zullen gaan en het oude ritme zullen kunnen hervatten, verwacht hij. Costa vreest dat er een jonge generatie opstaat die een ‘tijdlang niet geleefd heeft’. ‘Een hele generatie die niet heeft meegemaakt hoe het is om samen in een gesloten ruimte te zijn, met muziek en veel mensen. Dat gaat vast psychosomatische gevolgen krijgen de komende tijd, misschien wel de komende jaren.’

    Al vóór het begin van de pandemie merkte Maria Ferreira, programmeur en dj bij Passos Manuel in Porto, een verschil in het nachtelijk gedrag van het jonge publiek. ‘Ze kwamen meer introvert op me over,’ vertelt ze. Dat uitte zich onder andere in het consumptiegedrag van sommige van de allerjongsten. ‘Ze drinken minder alcohol en nemen meer drugs’, alhoewel ze niet durft te generaliseren. Volgens haar is dat karakteristiek voor een meer gereserveerde en minder sociale houding. ‘Als ze toch al in hun bubbel zitten komen ze er daardoor nog minder uit,’ vreest ze.

    Op- en weer afbouwen

    Tot zeven maanden geleden was Ferreira dagelijks in contact met agenten en artiesten om de continuïteit van de programmering van haar bar te garanderen. Maar na het begin van de pandemie is ze meer bezig met de op- en afbouw van het terras dat ze nu noodgedwongen voor de deur uitbaat.

    Het uitgaansleven speelt zich in tegenstelling tot vroeger nu vooral buiten af, gedanst wordt er niet, aangeraakt nog veel minder, omdat iedereen afstand houdt. Wel is er in de bar aan de Passos Manuel in Porto als vanouds muziek en kun je er drinken – en sinds kort vanaf een bepaald tijdstip ook eten – maar helaas zonder de mogelijkheid om het feest binnen voort te zetten. Niet zelden is het tegen middernacht nog druk. Maar helaas beseft iedereen dan dat de zaak enkele minuten later zal moeten sluiten.

    De opties zijn dan naar huis gaan, eventueel met wat vrienden, op straat blijven rondhangen in kleine groepjes en de verplicht sociale afstand respecteren, of je melden bij een van de clandestiene feesten achter gesloten deuren, als je tenminste hoort bij de selecte groep die weet waar die zich afspelen.

    Erkenning en aandacht

    ‘Ik vind niet dat de discotheken morgen weer open zouden moeten gaan, dat is een slecht idee, maar ik vind wel dat we tenminste een beetje erkenning en aandacht verdienen,’ zegt Ferreira. Tijdens de lockdown probeerde Kosmicare, een stichting die zich bezighoudt met drugsgebruik in het nachtleven, een beeld te krijgen van waar en hoe men in de nieuwe situatie drugs consumeerde. Het doel was te begrijpen op welke manier de informele markt voor recreatief gebruik van verdovende middelen doorging met functioneren.

    De stichting startte een onderzoek met 600 respondenten, waarvan momenteel de antwoorden worden verwerkt; de resultaten zullen eind dit jaar verschijnen. Maar nu al is duidelijk dat in het algemeen de consumptie sinds het begin van de pandemie is afgenomen.

    Helena Valente, onderzoeker aan de psychologiefaculteit van de universiteit van Porto is een van de drijvende krachten achter het onderzoek. Ze kan al onthullen dat, naast de algemene afname van het gebruik, bij degene die al geregeld gebruikten, met name alcohol of cannabis, de dagelijkse dosis juist toenam. Alleen het gebruik van stimulerende middelen als cocaïne en xtc daalde. Wie weinig gebruikte en vooral in sociale situaties, is vaak gestopt omdat de drugs simpelweg niet beschikbaar zijn.

    “Nu gebruiken ze om het isolement beter te kunnen verdragen”

    Wat de kalmerende middelen alcohol en cannabis betreft, die worden volgens Valente nu vaak gebruikt om de angsten mee te onderdrukken die het isolement bij veel mensen oproept. ‘Vroeger gebruikten ze voor hun plezier, maar nu doen ze dat om hun angsten te verminderen, beter te slapen en het isolement beter te kunnen verdragen.’

    De groep die meedeed aan het onderzoek is redelijk onproblematisch, heeft een ‘gecontroleerd’ gebruikspatroon, geconcentreerd rondom het uitgaansleven, wat zou kunnen verklaren waarom het gebruik bij hen afnam. Maar ook onder hen, vervolgt de psychologe, zijn er mensen die de stichting om hulp hebben gevraagd bij het stoppen met gebruiken, omdat hun inkomsten door de pandemie scherp waren afgenomen.

    Gezien de sluiting van bars en clubs en de aard van de onderzoeksgroep, zijn de resultaten misschien weinig verrassend. Wel is Kosmicare bezorgd over de veiligheid op de clandestiene feesten. ‘Verboden op het gebruik van drugs hebben een geschiedenis van meer dan honderd jaar en het blijkt dat die het gebruik nooit hebben kunnen verhinderen,’ vertelt zij. En waar er vóór het begin van de pandemie nog ambulances en medische teams klaarstonden voor noodgevallen, is op de clandestiene feesten ‘dit laatste redmiddel niet voorhanden’.

    Besmettingsgevaar

    Uiteraard is ook het infectiegevaar niet gering. ‘Op een illegaal feest is het niet mogelijk om een veilige situatie te garanderen. In een discotheek zou je – als dansen weer wordt toegestaan – de zaak beter onder controle kunnen houden.’ Op ‘ondergrondse’ feesten of in ‘slecht geventileerde’ ruimtes is dat lastig en is het besmettingsgevaar ‘waarschijnlijk veel groter’.

    Maar door alleen oog te hebben voor het besmettingsrisico is volgens Valente het belang van ‘het sociale en culturele aspect’ op de achtergrond geraakt. De psychologe noemt als voorbeeld de lgbtiq+-gemeenschap: de leden daarvan vinden in het nachtleven vaak gelijkgestemden, kunnen relaties aanknopen en zelfs ‘gemeenschappen creëren om elkaar tot steun te zijn’.

    Nu echter is deze gemeenschap, net als die van veel andere nachtvlinders, afgesneden van een netwerk – van de steun van hun danspartners.

  • Opengeritst

    Opengeritst

    trs 2 2

    TENTOONSTELLING | The Rolling Stones – Unzipped
    T/m 28 februari 2021, Groninger Museum, Groningen, groningermuseum.nl

    Voor de deur van het Groninger Museum steekt sinds kort een mond zijn tong uit naar iedereen die langsloopt: het wereldberoemde logo van The Rolling Stones. Binnen is Unzipped te zien, een tentoonstelling over de grootste nog actieve rockband ter wereld. De expositie, eerder in Londen, de VS en Azië, toont ruim vierhonderd objecten uit het persoonlijke archief van de band, waaronder kekke outfits, oude instrumenten en dagboekfragmenten.

    Het is interessant om te zien hoe de Stones pionierden op het gebied van spectaculaire liveshows, aan de hand van schaalmodellen van de podia en een video waarin de concepten erachter worden uitgelegd. Veel van de uitgestalde parafernalia vertellen meer over de Stones als merk dan over de band zelf. Al is ook het appartement met één slaapkamer nagebouwd waar Mick Jagger en Keith Richards in 1962 woonden.

  • Een nieuwe orde

    Een nieuwe orde

    A New Order, A New Earth

    21 november 2020 t/m 17 januari 2021, Garage Rotterdam, garagerotterdam.nl

    Natuur is iets geworden wat we zien als een ‘ander’, als iets wat we kunnen (op-)gebruiken en naar onze hand kunnen zetten. Op dit moment gebruiken en vervuilen we in alarmerend tempo veel meer dan de natuur kan herstellen. De mensheid is uitgegroeid tot een kracht van geologische proporties, en dat heeft onvoorziene gevolgen. De balans is doorgeslagen, de planeet gaat ten onder – dankzij de mens.

    Met de tentoonstelling A New Order, A New Earth vraagt Garage Rotterdam zich af of het ook anders kan. Zijn we in staat ons te verplaatsen in het perspectief van de natuur en kunnen we de relatie met de natuur herstellen? In deze tentoonstelling komen beeldende kunst, wetenschap, wijsgerige tradities, sjamanistische wijsheden en kunstmatige intelligentie samen. A New Order, A New Earth laat je kennismaken met andere wereldvisies dan het dominante, westerse wetenschappelijke kader, dat de natuur tot kwantificeerbaar object maakt. Negen kunstenaars, denkers en wetenschappers creëren visies van een andere relatie tussen mens en natuur. Visies op de mens als (onderdeel van de) natuur, niet los daarvan.

  • Geheimzinnige oogziekte

    Geheimzinnige oogziekte

    Blindness

    19 t/m 22 november, Koninklijk Theater Carré, Amsterdam, carre.nl

    Op het podium waar in deze periode eigenlijk Herman van Veen had moeten staan, is nu een ingenieus lichtdecor geplaatst, bestaand uit spotjes en tl-balken, waarin een klein publiek kan plaatsnemen met een koptelefoon op, op losse stoeltjes, netjes verspreid van elkaar. In Carré is de theatrale performance Blindness te zien, en vooral te horen; een heuse ‘socially distanced sound installation’, die deze zomer werd ontwikkeld door The Donmar Warehouse in Londen.

    Blindness is gebaseerd op de roman De stad der blinden (1995) van de Portugese schrijver José Saramago, een parabel over wat er met de mensheid gebeurt tijdens een pandemie.

    In dit geval leidt dat tot extreem geweld en beestachtige taferelen. In Blindness wordt een stad, en later de hele wereld, getroffen door een geheimzinnige oogziekte; in een mum van tijd wordt iedereen blind.

    Hoe dat gaat, hoor je van de verteller, de Engelse actrice Juliet Stevenson, bekend van de tv-serie The Politician’s Wife. Die stem, te horen in 3D-geluid, komt af en toe akelig dichtbij: Stevenson rent, gilt en fluistert in je oor, alsof ze pal naast je staat. Enkele spectaculaire licht- en geluidseffecten versterken dit effect. De verteller blijkt de vrouw van een oogarts, de enige die nog kan zien, en zij neemt je mee op een gruwelijke dwaaltocht door een wereld in chaos, vol plunderende, gewelddadige mensen. En toch gloort er aan het eind hoop; ‘don’t lose yourself’ is de slotboodschap

  • Het eenzame brein

    Het eenzame brein

    Het onderzoek naar eenzaamheid van neurowetenschapper Kay Tye kan ons helpen de psychologische gevolgen van sociaal isolement beter te begrijpen. Want eenzaamheid wordt in verband gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Ook belemmert eenzaamheid het immuunsysteem en kan het leiden tot kanker, hartkwalen en alzheimer. Maar hoe ziet dat eenzame brein eruit?

    Lang voordat de wereld ooit van covid-19 had gehoord, ging Kay Tye op zoek naar een antwoord op de vraag die in het tijdperk van sociale afstand een nieuwe weerklank heeft gekregen: wanneer mensen zich eenzaam voelen, snakken ze dan op dezelfde manier naar sociale interactie als iemand die honger heeft snakt naar eten?

    Hebben zij en haar collega’s deze ‘honger’ in de neurale circuits van de hersenen kunnen ontdekken en meten? ‘Eenzaamheid is iets universeels,’ zegt Tye, neurowetenschapper bij het Salk Institute of Biological Sciences in San Diego, Californië. ‘Het lijkt redelijk om te betogen dat eenzaamheid een neurowetenschappelijk begrip zou moeten zijn. Alleen heeft niemand ooit een manier gevonden om het fenomeen te testen en in specifieke cellen te lokaliseren. Dat proberen we nu te doen.’

    De afgelopen jaren is er een stortvloed van wetenschappelijke boeken verschenen waarin eenzaamheid in verband wordt gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Er zijn zelfs steeds meer epidemiologische publicaties die aantonen dat je door eenzaamheid meer kans maakt ziek te worden: er lijkt een chronische toevloed van hormonen door ontketend te worden die een goede werking van het immuunsysteem belemmert. Biochemische veranderingen als gevolg van eenzaamheid kunnen de uitzaaiing van kanker versnellen en hartkwalen en alzheimer bespoedigen, of uiterst vitale mensen de wil ontnemen om verder te leven. Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen
    om risicogevallen te identificeren en nieuwe interventiemethoden te ontwikkelen.

    De komende maanden, zo waarschuwen velen, zullen we wereldwijd de gevolgen zien van covid-19 voor de geestelijke gezondheid. ‘Het zal niet lang meer duren voordat iedereen beseft wat de impact van sociale isolatie is op de rest van de geestelijke gezondheid,’ zegt Tye. ‘Ik denk dat die behoorlijk heftig is en snel optreedt.’

    56a83e270ec399efa4bf241b7d7ce257 1
    Een bezoeker van de Innovation for Health-conferentie, op 13 februari jl. in Rotterdam, bevoelt een opblaasbaar brein. Een belangrijk deel van het conferentieprogramma was gewijd aan dementie en alzheimer. – © Michel Porro / Getty

    Moeilijk te identificeren

    Maar het identificeren en zelfs definiëren van eenzaamheid is een moeilijk karwei. Zo moeilijk zelfs dat neurowetenschappers het onderwerp lange tijd hebben gemeden. Eenzaamheid, zegt Tye, is inherent subjectief. Een hedendaags voorbeeld: je kunt deelnemen aan een Zoom-gesprek met geliefden in een andere stad en je sterk verbonden voelen, of nog eenzamer dan vóór het gesprek. Deze ambiguïteit zou de merkwaardige resultaten kunnen verklaren die aan het licht kwamen toen Tye, voordat ze in 2016 haar eerste wetenschappelijke verhandeling over de neurowetenschappelijke kant van eenzaamheid publiceerde, onderzoek deed naar andere publicaties over het onderwerp. Hoewel ze in de psychologische literatuur studies over eenzaamheid aantrof, was er geen enkele publicatie waarin ook de woorden ‘cellen’, ‘neuronen’ en ‘hersenen’ voorkwamen.

    Hoewel de grootste geesten op het gebied van filosofie, literatuur en beeldende kunst zich al millennia over het hoe en waarom van eenzaamheid buigen, gaan neurowetenschappers er sinds lange tijd van uit dat vragen over de manier waarop het menselijk brein ermee omgaat niet in hun datagedreven labs beantwoord kunnen worden. Tye hoopt daar verandering in te brengen door een geheel nieuw terrein te ontwikkelen, gericht op het analyseren en begrijpen van de manier waarop onze zintuiglijke waarnemingen, eerdere ervaringen, genetische predisposities en levenssituaties samenwerken met onze omgeving om een concrete, meetbare toestand te creëren die we eenzaamheid noemen. En ze wil ontdekken hoe die schijnbaar ondefinieerbare ervaring eruitziet wanneer ze geactiveerd wordt in de hersenen.

    Als Tye daarin slaagt, zouden er nieuwe instrumenten kunnen worden ontwikkeld om mensen te identificeren en te volgen die het risico lopen op ziekten die door eenzaamheid worden verergerd. Ook zou het betere manieren kunnen opleveren om een mogelijke openbare gezondheidscrisis als gevolg van covid-19 aan te pakken.

    Tye heeft zich geconcentreerd op specifieke neuronenpopulaties in de hersenen van knaagdieren die met een meetbare behoefte aan sociale interactie lijken te worden geassocieerd, een honger die kan worden gemanipuleerd door die neuronen zelf rechtstreeks te stimuleren.

    Wetenschappers wisten al lange tijd dat het stimuleren van de amygdala een dier kan doen ineenkrimpen van angst. Maar door het labyrint van verbindingen te volgen dat de verschillende delen van de amygdala in en uit loopt, was Tye in staat aan te tonen dat het ‘angstcircuit’ van de hersenen zintuiglijke stimuli op een veel genuanceerdere manier kan beïnvloeden dan voorheen werd aangenomen. Zelfs moed leek door het circuit te worden gemoduleerd.

    Tegen de tijd dat Tye in 2012 haar lab had ingericht op het Massachusetts Institute of Technology (MIT), volgde ze de neurale verbindingen van de amygdala met plekken als de prefrontale cortex, die de hersenen aanstuurt, en de hippocampus, de zetel van het episodisch geheugen. Het doel was de circuits in de hersenen in kaart te brengen waarop we vertrouwen om de wereld beter te kunnen begrijpen, onze moment-tot-momentervaring te duiden en op verschillende situaties te reageren.

    Onverwachte ontdekking

    Dat ze eenzaamheid begon te bestuderen, berustte grotendeels op toeval. Bij het zoeken naar nieuwe postdocs stuitte Tye op het werk van Gillian Matthews, die als promovenda aan het Imperial College London een onverwachte ontdekking had gedaan, toen ze de muizen die ze bij haar experiment gebruikte van elkaar scheidde. Sociale isolatie, het pure feit alleen te zijn, leek de hersencellen die DRN-neuronen worden genoemd zodanig te hebben veranderd dat ze wellicht tot eenzaamheid leidden. Tye zag onmiddellijk de mogelijkheden. Ze herinnert zich nog hoe ongelooflijk ze deze ontdekking vond. Dat de tekenen van sociale isolatie naar een specifiek deel van de hersenen konden worden herleid, vond ze volstrekt logisch. ‘Maar waar zitten die tekenen en hoe zou je ze kunnen vinden? Als dit het specifieke deel was, dacht ik, dan zou dat superinteressant zijn.’ Bij al haar neuronenonderzoek, zegt Tye, ‘ben ik nooit eerder iets over sociale isolatie tegengekomen. Nooit.’

    Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen om risicogevallen te identificeren

    Tye realiseerde zich dat als zij en Matthews een kaart van een eenzaamheidscircuit zouden kunnen maken, ze in het lab precies het soort vragen zouden kunnen beantwoorden die ze hoopte te onderzoeken: hoe veroorzaken de hersenen onbedoeld sociale isolatie? Hoe en wanneer verandert de objectieve ervaring van het niet samen met anderen zijn in de subjectieve ervaring van eenzaamheid?

    De eerste stap was het doorgronden van de rol die de DRN-neuronen spelen bij deze geestesgesteldheid. Een van de eerste dingen die Tye en Matthews opmerkten, was dat wanneer ze deze neuronen stimuleerden, de dieren eerder sociale interactie met andere muizen zochten. Bij een later experiment toonden ze aan dat dieren, wanneer ze de keus hadden, doelbewust delen van hun kooi meden die bij hun binnenkomst de neuronen activeerden. Dit deed vermoeden dat hun zoeken naar sociale interactie eerder werd gemotiveerd door een verlangen om pijn te vermijden dan om plezier te genereren.

    Bij een vervolgexperiment plaatsten de onderzoekers enkele muizen 24 uur lang in eenzame opsluiting om ze vervolgens weer in sociale groepen te introduceren. Zoals te verwachten viel, besteedden de dieren toen ongewoon veel tijd aan interactie met andere dieren, alsof ze ‘eenzaam’ waren geweest. Daarna isoleerden Tye en Mattthews dezelfde muizen opnieuw, ditmaal met gebruikmaking van optogenetics om de DRN-neuronen uit te schakelen na de periode van afzondering. Nu taalden de dieren niet meer naar sociaal contact. Het was alsof de sociale isolatie niet tot hun hersenen was doorgedrongen.

    Tye en Matthews leken het equivalent te hebben gevonden van een homeostatische regulator voor de basale behoefte van knaagdieren aan sociale contacten. Volgende vraag: wat betekenen deze bevindingen voor mensen?

    Om die vraag te beantwoorden werkt Tye samen met onderzoekers in het lab van Rebecca Saxe, hoogleraar cognitieve neurowetenschap van MIT en gespecialiseerd in menselijke sociale cognitie en emotie.

    ‘Behoefte aan sociaal contact en behoefte aan eten lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen’

    Sociale signalen

    De experimenten met mensen zijn veel moeilijker te ontwikkelen, omdat de voor optogenetics vereiste hersenoperaties geen optie zijn. Wel is het mogelijk eenzame mensen met beelden van vriendelijke mensen te confronteren die sociale signalen uitzenden, zoals een glimlach, en dan met behulp van een fMRI-scan de verandering in de bloedstroom naar diverse delen van de hersenen te volgen en vast te leggen. En dankzij eerdere experimenten hebben wetenschappers een goed idee van de plek waar ze in de hersenen moeten zoeken, namelijk een gebied dat analoog is aan datgene wat Matthews en Tye bij muizen hebben bestudeerd.

    Vorig jaar heeft Livia Tomova, een postdoc die het onderzoek in het lab van Saxe leidt, veertig vrijwilligers geronseld die volgens eigen zeggen een groot sociaal netwerk hadden en een zeer laag eenzaamheidsniveau. Tomova verbande haar proefpersonen naar een kamer in het lab en verbood tien uur lang iedere vorm van menselijk contact. Ter vergelijking nodigde Tomova dezelfde deelnemers opnieuw uit voor een tien uur durende sessie waar volop sociale interactie was, maar geen eten.

    Aan het eind van beide sessies kregen de proefpersonen het verzoek in een fMRI-scanner te klimmen en werden ze met verschillende beelden geconfronteerd, sommige van mensen die non-verbale sociale signalen uitzonden, andere waarop eten was te zien.

    Anders dan Tye en Matthews was Tomova niet in staat zich op individuele neuronen te richten. Wel kon ze veranderingen in de bloedstroom
    volgen binnen grotere delen van de scan, de zogeheten voxels; elke voxel toonde de veranderende activiteit van afzonderlijke populaties van enkele duizenden neuronen. Tomova concentreerde zich op de middenhersenen waarvan bekend is dat ze rijk aan neuronen zijn die worden geassocieerd met het produceren en verwerken van de neurotransmitter dopamine. Bij andere experimenten is al aangetoond dat deze gebieden verband houden met het ‘verlangen’ of ‘snakken’ naar iets. Het zijn gebieden die oplichten bij beelden van eten wanneer iemand honger heeft, of bij drugsgerelateerde afbeeldingen in het geval van mensen met een verslaving. Zouden ze hetzelfde doen bij eenzame mensen die afbeeldingen van een glimlach te zien krijgen?

    Het antwoord was duidelijk: na de sociale isolatie toonden de hersenen van de proefpersonen veel meer activiteit in het middenhersengebied wanneer ze de beelden van sociale signalen te zien kregen. Wanneer de proefpersonen honger hadden maar niet sociaal geïsoleerd waren geweest, reageerden ze even sterk op de etenssignalen, maar niet op de sociale. ‘Of het nu behoefte aan sociaal contact is of behoefte aan andere dingen zoals eten, ze lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen,’ zegt Tomova.

    Inzicht in de manier waarop de behoefte aan sociaal contact in de hersenen tot stand komt zou meer inzicht kunnen verschaffen in de rol die sociale isolatie bij sommige ziekten speelt. Het objectief meten van eenzaamheid in de hersenen, in tegenstelling tot het vragen aan mensen hoe ze zich voelen, zou bijvoorbeeld het verband tussen depressiviteit en eenzaamheid kunnen verduidelijken. Het is de kip of het ei: veroorzaakt depressiviteit eenzaamheid, of veroorzaakt eenzaamheid depressiviteit? En zou tijdige sociale interventie depressiviteit kunnen helpen bestrijden?

    Verslaving

    Inzicht in het eenzaamheidscircuit in de hersenen zou ook enig licht kunnen werpen op verslaving, waar geïsoleerde dieren volgens bepaald onderzoek vatbaarder voor zijn. Daarvoor lijkt vooral sterk bewijs te bestaan bij adolescente dieren, die gevoeliger lijken te zijn voor de effecten van sociale isolatie dan oudere of jongere soortgenoten. Bij mensen zullen vooral jongeren tussen de 16 en 24 waarschijnlijk zeggen dat ze zich eenzaam voelen, en dat is ook de leeftijd waarop zich veel storingen op het gebied van de geestelijke gezondheid beginnen te manifesteren. Is er een verband?

    Maar waar momenteel misschien wel de grootste behoefte aan is, is een reactie op de sociale afstand waartoe de covid-19-pandemie noopt. Volgens sommige onlineonderzoeken is er geen algehele toename van eenzaamheid sinds het begin van de pandemie, maar hoe zit het met mensen voor wie de kans op geestelijke gezondheidsproblemen het grootst is? Op welk moment komt hun psychologische en fysieke welzijn in gevaar wanneer ze worden geïsoleerd? Als we eenzaamheid eenmaal kunnen meten, zal het veel makkelijker worden om doelgerichte interventies te ontwikkelen.

    ‘Een belangrijke vraag voor toekomstig onderzoek is hoeveel en wat voor soorten positieve interactie volstaan om in de basisbehoefte te voorzien en daarmee de neurale verlangensrespons te elimineren,’ schreven Tomova en Tye eind maart in een voor-publicatie van hun komende verhandeling. De pandemie ‘benadrukt het belang van een beter begrip van menselijke sociale behoeften en het neurale mechanisme dat aan sociale motivatie ten grondslag ligt. Deze studie zet een eerste stap in die richting.’

    Dat is, in de bedekte termen die typerend zijn voor wetenschappelijke taal, de aankondiging van de geboorte van een heel nieuw onderzoeksterrein, waarvan je maar zelden getuige bent, laat staan dat je eraan deelneemt.

    ‘Het is voor mij zo opwindend, omdat dit allemaal begrippen zijn waarover we in de psychologie al een miljoen keer hebben horen spreken; en nu hebben we voor het eerst echt cellen in de hersenen die we aan het systeem kunnen linken,’ zegt Tye. ‘En als je eenmaal één cel hebt, kun je terugzoeken en vooruitzoeken; je kunt kijken wat er stroomopwaarts is, je kunt kijken wat alle neuronen die zich stroomopwaarts bevinden doen, en wat voor boodschappers er worden gestuurd. Nu kun je het hele circuit ontdekken, je weet waar je moet beginnen.’

  • De ‘bevrijding’ van de vulva

    De ‘bevrijding’ van de vulva

    Volgens een wereldwijd onderzoek zouden in 2016 meer dan 138.000 vrouwen over de hele wereld hun schaamlippen hebben ‘gecorrigeerd’, dat is een stijging van 45 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. Hebben we te maken met het recht van de vrouw om haar vulva te vieren, of is dit verkapte genitale verminking?

    De vulva bloeit. Tijdens protesten wordt ze gevierd met ‘Viva la Vulva!’ In damestoiletten dient ze als versiering op stickers of getekend op de deur. In strips en mediaberichten leggen vrouwelijke kunstenaars uit dat de vrouwelijke genitaliën meer zijn dan een gat of spleet, en wat een vagina precies is. Maar ook in een heel ander gebied is de vulva immens populair: bij de plastische chirurgie.

    Cosmetische chirurgie aan vrouwelijke geslachtsdelen is de afgelopen jaren dramatisch toegenomen. In 2017 identificeerde de International Society for Aesthetic and Plastic Surgery (ISAPS) labia-correcties als de snelst groeiende trend op dit gebied. Volgens een wereldwijd onderzoek zouden in 2016 meer dan 138.000 vrouwen over de hele wereld hun schaamlippen hebben gecorrigeerd, wat overeenkomt met een stijging van 45 procent ten opzichte van het voorgaande jaar. Voor 2017 bleven de cijfers voor schaamlipcorrectie stabiel, behalve dat er 23 procent meer vaginale verjongingen werden uitgevoerd; een ingreep die het aanspannen van het vaginale weefsel inhoudt.

    Vooral correcties van de binnenste schaamlippen zijn gewild. In de meeste gevallen wordt uitstekend weefsel ingekort. ‘In het verleden hadden vrouwen in deze regio geen esthetische problemen,’ zegt Mark Nussberger, voorzitter van de Swiss Society for Aesthetic Surgery, die al bijna 30 jaar in zijn eigen praktijk opereert en zelf schaamlipoperaties aanbiedt. Door de nieuwe scheertrends zijn de geslachtsdelen beter zichtbaar geworden.

    Chinese muur van de vagina

    Nussberger ziet als andere reden voor de toename het feit dat jonge vrouwen meer geconfronteerd worden met beelden uit de porno-industrie en er ook zo uit willen zien. Hij beschrijft operaties in het genitale gebied als een niche in een concurrerende markt. Met andere woorden: de industrie heeft er baat bij als de vulva een probleemgebied wordt.

    De meeste gynaecologen zijn kritisch over de trend. Al in 2011 riepen experts van de Zwitserse Vereniging voor Gynaecologie en Verloskunde op om patiënten te informeren over de diversiteit van het uiterlijk van volwassen vrouwelijke geslachtsorganen. Met de puberteit groeit niet alleen het schaamhaar, maar ook de schaamlippen.

    Een ziekenhuis van Luzern heeft voor een onderzoek de vulvae van 657 vrouwen gemeten, en ontdekten dat de grootte van de buitenste schaamlippen varieerde tussen 1,2 en 18 centimeter. ‘We wilden laten zien hoe gevarieerd het uiterlijk van de vulva is,’ zegt Andreas Günthert, het voormalige hoofd van de Luzern Women’s Clinic. Omdat vrouwelijke geslachtsdelen nog steeds taboe zijn, worden vrouwen vooral geconfronteerd met geïdealiseerde beelden uit de porno-industrie. Günthert toont zijn patiënten foto’s van de ‘Chinese muur van de vagina’, waarvoor de Britse kunstenaar Jamie McCartney gipsafgietsels maakte van talloze vulvae.

    Tot de patiënten van Günther behoorde ook een zestienjarige die van haar vader een schaamlipverkleining zou krijgen. ‘Dat is absurd, want de geslachtsdelen kunnen nog veranderen,’ zegt de dokter. In Zwitserland zijn esthetische ingrepen op geslachtsdelen toegestaan ​​met toestemming van de ouders, zelfs onder de achttien jaar.

    In 2018 riep de Zwitserse politicus Cédric Wermuth op tot een verbod op dergelijke ingrepen bij minderjarigen. Hij opperde bovendien een reclameverbod en een verplichte psychoseksuele beoordeling vóór een cosmetische ingreep in het genitale gebied.

    Sibil Tschudin, hoofdarts van de afdeling Gynaecologische Sociale Geneeskunde en Psychosomatiek van het Universitair Ziekenhuis van Basel, beschrijft het verkleinen van de schaamlippen als een ingrijpende procedure. ‘Voor een operatie moeten doktoren goed uitzoeken of het verzoek niet eigenlijk vanuit een andere wens voortkomt,’ zegt ze. ‘Het zou een uiting kunnen zijn van het feit dat een vrouw zichzelf en haar lichaam niet als geheel accepteert.’ Ze kwam in de praktijk bovendien slechte resultaten tegen, zoals littekens op de schaamlippen.

    ‘Degenen die naar mijn praktijk komen, hebben vaak een lange lijdensweg achter de rug’

    Naast esthetische wensen, die ook terug te voeren zijn op de schaarser wordende badkleding en de trend van nauwsluitende broeken, zoals leggings, zijn er altijd functionele redenen geweest om te verkleinen. Schaamlippen die aanzienlijk groter zijn dan de norm, kunnen een belemmering vormen bij sport of seks. Als de binnenste schaamlippen meer dan 5 centimeter uitsteken kan [in Zwitserland] een aanvraag worden ingediend bij de zorgverzekeraar. ‘Maar tegenwoordig vragen vrouwen al bij veel kleinere schaamlippen om een verkleining,’ zegt Tschudin.

    R. Ineichen, midden vijftig en zelfbenoemde middenklasse, dacht al jaren over een verkleining van de schaamlippen. Na de geboorte van een kind en door leeftijdsgebonden veranderingen in de buitenste schaamlippen, waren haar binnenste schaamlippen gaan uitsteken. Het stoorde haar, maar ze twijfelde lang: ‘Zo’n operatie doe je niet zo snel.’ Ze liet zich door vele doktoren informeren en onderging uiteindelijk een operatie voor 4500 frank (ca. € 4200). Onder plaatselijke verdoving werd de clitoris met een incisie dichter bij de vagina gebracht. Ineichen is tevreden met het resultaat. ‘Seks is gevoeliger geworden,’ zegt ze.

    ‘Je hebt recht op een vervuld seksleven’, leest men op de website van de Luzernekliniek van Jürg Häcki, die Ineichen met zijn speciale snijtechniek als klant wist te winnen. De cosmetisch chirurg is gespecialiseerd in intieme chirurgie en merkt een aanzienlijke toename van de vraag. Hij voert nu meer dan honderd schaamlipcorrecties per jaar uit, waarbij veel patiënten nog geen kinderen hebben en om puur esthetische redenen een operatie willen. Maar over het geheel genomen is dit nog maar een klein percentage van zijn klandizie, zegt Häcki.

    Veel vrouwen weten niet eens dat dergelijke operaties mogelijk zijn, licht hij toe. Hoewel de borst een statussymbool is, wordt er nauwelijks over de vulva gesproken. ‘Degenen die naar mijn praktijk komen, hebben vaak een lange lijdensweg achter de rug.’ Hij vindt de link met de beschikbaarheid van pornografische beelden onterecht en storend. ‘Het is oneerlijk om vrouwen in die hoek te plaatsen,’ aldus de dokter. Het voorschrijven van psychoseksuele begeleiding en het hameren op anatomische diversiteit wimpelt hij af als paternalisme.

    Bij het aanvragen van genitale chirurgie wordt vaak feministische retoriek gebruikt, zoals ‘Het is een beslissing van de vrouw’ of ‘Je lichaam is niet je lot’. In haar proefschrift onderzocht de Duitse socioloog Anna-Katharina Messmer hoe cosmetisch chirurgen ingrepen aan de vulva en vagina’s op de markt brengen. ‘De chirurgen presenteren zich als ondersteunende adviseurs in dienst van verlichte, geëmancipeerde vrouwen,’ zegt ze.

    De ideale vulva

    Op de websites is zelden een schoonheidsideaal te vinden, in plaats daarvan wordt benadrukt dat de ideale vulva niet bestaat. En toch komt volgens Messmer steeds een duidelijk en verontrustend beeld naar voren: namelijk het beeld van een broodje of Wegglis [een Zwitsers broodje], dat wil zeggen een spleet in de huid waar niets uitsteekt. Zo zag de ‘Miss World Pussy’ eruit, die een Amerikaanse fabrikant van seksspeeltjes selecteerde uit foto’s die in 2015 werden ingezonden.

    ‘De chirurgen presenteren zich als ondersteunende adviseurs in dienst van verlichte, geëmancipeerde vrouwen’

    Volgens ISAPS werden in 2015 in Duitsland 5296 schaamlipcorrecties uitgevoerd en in 2018 8743. Het ideaal van een jeugdig, onberispelijk lichaam is uitgebreid naar het genitale gebied, zegt socioloog Messmer: ‘De vulva mag geen sporen van leeftijd, seksuele ervaring of geboorten vertonen. Wees opgeruimd, gecontroleerd en discreet, is het devies.’ Tegenwoordig zouden steeds meer producten, zoals intieme deodorants of intieme make-up, daarbij moeten helpen. Dat laatste kan worden gebruikt om leeftijdsgebonden verkleuring te verbergen.

    Enerzijds vindt Messmer het goed dat dankzij feministische bewegingen de vulva zichtbaarder is geworden, en daarmee ook de diversiteit. Ook bekritiseert ze vrouwen die een operatie ondergaan niet. En toch betekenen dergelijke schoonheidspraktijken altijd onderwerping aan en bevestiging van een sociaal schoonheidsideaal, zegt ze. ‘Wel interessant is dat we dit veel sterker voelen bij intieme chirurgie dan bij andere delen van het lichaam,’ zei Messmer. Het vrouwelijke genitale gebied wordt gezien als het laatste toevluchtsoord van natuurlijkheid. ‘Als ook dit gedeelte wordt bewerkt, klinkt er protest – en vaak van mannen.’

    Als je het hebt over chirurgische ingrepen aan geslachtsorganen, kom je al snel op het gebied van vrouwelijke genitale verminking. Alle geïnterviewden zijn het erover eens: esthetische ingrepen hebben niets te maken met genitale verminking.

    Maar sociologe Dina Bader trekt dit in twijfel. ‘De scheidslijn tussen genitale verminking en esthetische chirurgie is niet zo scherp,’ zegt ze. Als onderdeel van haar proefschrift aan de Universiteit van Lausanne onderzocht ze de parlementaire discussies over het wetboek van strafrecht voor vrouwelijke genitale verminking van 2012. Een gevangenisstraf van maximaal tien jaar wordt opgelegd aan ieder die de geslachtsdelen van een vrouwelijke persoon verminkt, hun natuurlijke functie aanzienlijk en permanent aantast of deze op een andere manier beschadigt.

    Volgens het parlementaire rapport werd betwist welke formulering zou kunnen worden gebruikt om ‘ervoor te zorgen dat alleen besnijdenissen, maar niet alle verwondingen aan de vrouwelijke geslachtsorganen, worden geregistreerd’. Onder ‘alle verwondingen’ vallen bijvoorbeeld ook intieme piercings of esthetische ingrepen. Daarbij vertrouwde de commissie van de Nationale Raad er eenvoudigweg op ‘dat de wetshandhavende autoriteiten en de rechtbanken hun gezond verstand zouden gebruiken en dat er nooit een procedure voor een cosmetische operatie zou komen’.

    Vanuit juridisch oogpunt is dus onduidelijk hoe vormen van genitale verminking zo gemakkelijk kunnen worden onderscheiden van cosmetische chirurgie – ervan uitgaande dat voor beide toestemming wordt gegeven.

    ‘De scheidslijn tussen genitale verminking en esthetische chirurgie is niet zo scherp’

    Genitale verminking van vrouwen omvat verschillende praktijken, die de WHO classificeert in verschillende typen: van het verwijderen van de clitoris met of zonder besnijdenis van de schaamlippen, tot het vernauwen van de vaginale opening, tot verschillende pijnlijke ingrepen als piercings of het wegbranden van genitaal weefsel. Type II, waarbij alleen de binnenste schaamlippen gedeeltelijk worden verwijderd, lijkt volgens Bader op cosmetische chirurgie voor de ‘Barbie-look’ die vooral populair is in de VS, waarbij de binnenste schaamlippen niet mogen uitsteken.

    Niet alle verboden praktijken van genitale verminking hebben invloed op de werking van de geslachtsorganen. Het piercen van de clitoris is bijvoorbeeld minder invasief dan cosmetische chirurgie aan de vulva die in veel Europese landen wordt uitgevoerd. Bader wijst er ook op dat besnijdenis niet uitsluitend bij minderjarige meisjes gebeurt en niet uitsluitend onder expliciete dwang. ‘Sommige vrouwen uit Afrika vinden een besneden vulva mooier.’

    De socioloog wil genitale verminking niet bagatelliseren, maar benadrukt eerder dat reclame voor cosmetische chirurgie contraproductief is voor het voorkomen van genitale verminking. ‘Hoe kun je verklaren waarom een ​​operatie wel mag worden uitgevoerd op basis van een westers schoonheidsideaal, maar niet op basis van een traditionele praktijk omdat die hier als barbaars wordt beschouwd?’ vraagt ​​ze zich af.

    Verschillende maten

    Marisa Birri van de organisatie Terre des Femmes, die campagne voert tegen mensenrechtenschendingen tegen vrouwen en meisjes, erkent dit probleem. ‘Iedereen die spreekt met gemeenschappen die met genitale verminking te maken hebben, krijgt regelmatig de vraag waarom genitale verminking verboden is en plastische chirurgie niet’, zegt Birri. Het antwoord is niet eenvoudig. Bij de zelfbeschikking van vrouwen wordt met verschillende maten gemeten en wordt de afkomst van de vrouw als criterium genomen om te bepalen of zij al dan niet vrijwillig met een interventie heeft ingestemd.

    Er bestaat geen duidelijke definitie van het verschil tussen cosmetische chirurgie en genitale verminking. Hierover zei de toenmalige Nationale Raadslid Luzi Stamm in 2018 dat men onmogelijk in de juridische tekst kon opnemen: ‘Het gaat om praktijken die worden uitgevoerd van Senegal tot Somalië.’

    De mogelijkheid van legalisering voor meerderjarigen werd bij het opstellen van de strafnorm afgewezen met het argument dat het erg moeilijk is om vrijwilligheid te bewijzen in het geval van lichte genitale verminking. Birri geeft toe dat de druk om een ​​operatie voor genitale verminking te ondergaan als sociale norm niet minder hoog is dan de druk voor ‘verminking’ in lokale culturen. ‘Het maakt niet uit onder welke omstandigheden het gebeurt, als vrouwen hun geslachtsdelen moeten veranderen om aan een norm te voldoen, is dat een teken van een gebrek aan gelijkheid.’

  • Als feiten niet langer overtuigen, hoe kunnen we elkaar dan nog bereiken?

    Als feiten niet langer overtuigen, hoe kunnen we elkaar dan nog bereiken?

    In onze verschillende informatiebubbels hebben we niet alleen andere meningen, zelfs onze perceptie van wat waar is loopt uiteen. Anne Applebaum buigt zich over de vraag of we überhaupt nog tot elkaar kunnen komen. Alleen zogenaamd lachtivisme, patriotisme en een andere kijk op de geschiedenis lijken ons (en de campagne van Biden) nog te kunnen redden.

    Onlangs bezocht ik een politieke bijeenkomst op een boerenerf. De Poolse presidentskandidaat Rafał Trzaskowski was aan het woord; op de achtergrond glinsterde een gouden tarweveld in de namiddagzon. Het publiek was enthousiast – de gastheer, een plaatselijke boer, had het bezoek van de kandidaat pas de dag ervoor aangekondigd – maar de combinatie van Trzaskowski en het tarweveld was vreemd. Hij is de burgemeester van Warschau, spreekt meerdere talen, heeft een diploma in de economie en behoort tot de helft van Polen die zich identificeert als geschoold, stedelijk en Europees. Wat weet hij van tarwe?

    Maar Trzaskowski had zich kandidaat gesteld voor het presidentschap in een land waarvan de andere helft in een informatiebubbel leeft waarin ze leren wantrouwend te zijn tegenover iedereen uit Warschau die geschoold, stedelijk en Europees is. De Poolse staatstelevisie, die volledig wordt gecontroleerd door de regerende partij Recht en Rechtvaardigheid, stuurde agressieve berichten die luchtbel in, die de inzittenden waarschuwden dat Trzaskowski onbetrouwbaar was, buitenlands, in de ban van de ‘LGBT-ideologie’ – die de huidige president, Andrzej Duda, ‘erger dan het communisme’ noemde – en samenspande met Duitsers en Joden. Deze berichten, die voortdurend werden herhaald op een breed scala aan radiostations en televisiekanalen, waren bedoeld om de loyaliteit van de groep te versterken en de kiezers van Recht en Rechtvaardigheid te overtuigen dat zij ‘echte’ Polen zijn, en hun politieke tegenstander bedriegers en verraders.

    Tijdens zijn korte campagne deed Trzaskowski zijn best om ook in die bubbel te reiken. Hij stond daar bij de tarwevelden, bracht veel tijd door in kleine steden en riep in advertenties op tot een einde aan de verdeeldheid. ‘We zijn verenigd door een droom,’ zei hij in een toespraak: ‘een droom van een ander Polen’, een Polen waarin geen ‘betere’ en ‘slechtere’ burgers bestaan. Dit was een bewuste keuze: in plaats van de kiezers in zijn eigen bubbel te mobiliseren door de regerende partij aan te vallen, probeerde hij de diepe polarisatie van Polen te overbruggen door een beroep te doen op nationale eenheid.

    Met 49 procent van de stemmen kwam hij dichtbij, maar niet dichtbij genoeg. Trzaskowski’s helft van Polen was onvoldoende enthousiast, terwijl de andere helft fanatiek, boos en erg bang was voor Joden, buitenlanders en de ‘LGBT-ideologie’. De kiezers van Duda waren blij met de overheidssubsidies en de verlaagde pensioenleeftijd die zijn partij had goedgekeurd in plaats van op afstand geïnspireerd door Trzaskowski’s verhalen over solidariteit en eenheid – als ze die al te horen kregen.

    Akelig bekend

    Als ze die al te horen kregen. Klinkt dat niet akelig bekend? Want hetzelfde kan dit najaar in de Verenigde Staten gebeuren – of tijdens de volgende verkiezingen in Frankrijk, Italië of Oekraïne. De Amerikaanse politiek, de Poolse politiek, de Franse, Italiaanse, Oekraïense politiek, die allemaal zijn voortgekomen uit hun eigen geschiedenis, economie en cultuur, hebben tegenwoordig één ding gemeen: in elk van deze landen zorgt een compleet verschillende informatievoorziening voor een scherpe tweedeling van het electoraat. Sommige kiezers leven in een zogenaamde populistische bubbel, waar ze nationalistische en xenofobe boodschappen te horen krijgen, op feiten gebaseerde media en op feiten gebaseerde wetenschap leren wantrouwen, ontvankelijk worden voor complottheorieën en wantrouwend tegenover democratische instellingen. Anderen lezen en horen totaal andere media, respecteren verschillende autoriteiten en zoeken naar een ander soort nieuws. Welke voordelen deze verschillende bubbels ook mogen hebben, de heersende regels maken dat de mensen erbinnen niet in staat zijn de mensen erbuiten te begrijpen, of zelfs maar met hen te praten.

    Op sommige plaatsen, waaronder Polen en de Verenigde Staten, is het land in tweeën gedeeld. Op andere plaatsen, zoals Duitsland, liggen de verhoudingen anders, maar is de kloof tussen beide kampen net zo diep. Een paar jaar geleden nam ik deel aan een project waarin werd gekeken naar buitenlandse invloed tijdens de Duitse parlementsverkiezingen van 2017. We ontdekten onder meer dat de overgrote meerderheid van de Duitsers – links, rechts en gematigd – een mix van grote kranten, tijdschriften en televisiekanalen volgt, waaronder publieke televisie. Maar veel van de Duitsers die stemmen voor het extreemrechtse Alternatief voor Duitsland – het aantal schommelt tussen de 10 en 14 procent – halen hun nieuws uit een heel andere reeks bronnen, waaronder een flinke dosis Russisch gefinancierde Duitstalige media, zoals als Sputnik en RT. De kiezers in de extreemrechtse bubbel hebben niet alleen een andere mening dan andere Duitsers; ze hebben andere feiten, waaronder zelfs ‘feiten’ die door een heel ander land zijn verstrekt.

    Het gaat hier niet zozeer over Rusland, maar om de diepe kloof in perceptie die een tiende van de Duitse kiezers nu scheidt van de overige 90 procent. Is die kloof permanent? Moeten andere Duitse politieke partijen proberen de mensen in de populistische bubbel te bereiken? Maar hoe bereik je mensen die je niet kunnen horen? Dat is niet alleen een kwestie van iemand overtuigen, betere argumenten gebruiken of iemand van gedachten doen veranderen. Dit gaat over de vraag hoe je mensen überhaupt kunt laten luisteren. Gewoon schreeuwen over ‘feiten’ levert niets op als degenen de bronnen waarin deze staan niet vertrouwen.

    Helsinki, pornosterren, ‘Grab them by the pussy’, seksschandalen, ethische schandalen, juridische schandalen – ze zijn de afgelopen vier jaar tot één grote brei verworden

    Dit is hoe het probleem in de Verenigde Staten eruitziet: op de dag nadat Donald Trump Vladimir Poetin in 2018 in Helsinki ontmoette, bevond Sarah Longwell zich in Columbus, Ohio, waar ze sprak met een focusgroep die ze bijeen had geroepen – een kamer vol met mensen die ze omschrijft als ‘onwillige’ Trump-kiezers, mensen die op de president hadden gestemd maar zijn gaan twijfelen. Het bizarre gedrag van Trump in Helsinki zat haar dwars. De president had er bedeesd en bang uitgezien; doordat hij meeging in Poetins hardnekkige bewering dat hij zich niet met de Amerikaanse verkiezingen van 2016 had bemoeid, leek Trump partij te kiezen voor Poetin en tegen de Amerikaanse FBI. ‘DC staat erdoor in brand, ik sta erdoor in brand, ik denk dat dit een groot moment is,’ vertelde Longwell me. ‘Als ik mensen in Columbus vraag: “Wat is er gisteren in Helsinki gebeurd?”, kijken ze me uitdrukkingloos aan.’

    Longwell is een Republikeinse activist, of liever een Republikeinse activist van Never Trump – ooit een grote groep waarvan nog maar weinig leden over zijn. Ze bracht 2016 door met het zoeken naar een alternatief voor Trump. In 2017 begon ze vrienden te verliezen. Dat was het jaar van de ‘body snatchers’, zegt ze, toen ‘mensen van wie je dacht dat ze op één lijn zaten, plotseling hun standpunt begonnen te veranderen.’ In 2018 probeerde ze te bepalen wat te doen. In plaats van op te geven, zamelden zij en een andere Never Trump-Republikein, de oude journalist en activist Bill Kristol, geld in en gingen op zoek naar gelijksgezinden, niet in Washington maar in heel Amerika, en vooral in voorsteden met een Republikeinse stem.

    Hun initiatief, nu Republican Voters Against Trump (RVAT) genoemd, liep meteen tegen de informatiemuur aan. Onder de focusgroep van Longwell in Ohio werd het bizarre gedrag van Trump in Helsinki niet geregistreerd. ‘Mensen hebben er simpelweg niet over gehoord,’ herinnert Longwell zich. ‘Het kwam niet door.’ Dit kwam niet omdat de mensen in de groep niet geïnteresseerd waren in politiek. Het was ook niet omdat ze alleen Fox News keken. Integendeel, ze kregen nieuws van sociale media, via meldingen op hun telefoon, op allerlei devices. Ze kregen eerder te veel nieuws. Met als gevolg dat alle berichtgeving over Trump – de vele schandalen en de corruptiepratijken –, zo zei Longwell, ‘zo alomtegenwoordig werd, zo van alle dag, dat het veranderde in witte ruis’.

    Helsinki, pornosterren, ‘Grab them by the pussy’, Ivanka Trumps Chinese handelsmerken, belastinggeld dat naar golfclubs van Trump gaat, seksschandalen, ethische schandalen, juridische schandalen, zelfs het machtsmisbruikschandaal dat leidde tot de impeachment van Trump – ze zijn de afgelopen vier jaar tot één grote brei verworden. Een reeks onaangename nieuwsverhalen die volgen op tv-advertenties voor haarlak of mondwater, die voorafgaan aan een Facebook-bericht over de zoveelste trouwdag van een neef. Voor Longwells afvallige Trump-kiezers veranderde de afkeer van de schandalen in de afkeer van de media die over de schandalen berichtten – een enorm horzelsnest waarmee niemand in aanraking wilde komen of zelfs maar over nadenken. Tegelijkertijd werden diezelfde kiezers gebombardeerd met andere boodschappen – boodschappen die hen herinnerden aan hun groepsloyaliteit. Ze ‘zwemmen in een culturele soep van trumpisme’, zegt Longwell. Republikeins zijn maakte deel uit van hun identiteit. Ze werden omringd door afbeeldingen die verwezen naar God, patriottisme en de Republikeinse Partij. En al die beeld tezamen waren veel krachtiger dan hun afkeer van Trump.

    Ben Scott, een technologie-expert die voor het ministerie van Buitenlandse Zaken van Barack Obama meedacht over desinformatiebeleid en adviseur was van de campagne van Hillary Clinton in 2016, heeft dit fenomeen bestudeerd. Digitale media, zo vertelt hij me, hebben ‘mensen in staat gesteld om een veel hogere mate van zeer suggestieve representaties te ondergaan’ – waarmee hij het constante spervuur ​​van foto’s, video’s, commentaren en memes bedoelt van Amerika, christenen of gezinnen die worden bespot; die Trump op één lijn stellen met de kerk en het leger; die bedreigingen zien in buitenlanders, immigranten, allerlei buitenstaanders. Mensen die in deze ‘alternatieve’ nieuwsbubbel leven, zien of horen ook ‘reguliere’, op feiten gebaseerde media. Maar die verwerpen ze. Ze bestempelen ze als de vijand en leren ze te negeren. De fout van de Clinton-campagne, denkt Scott, was de aanname dat mensen binnen die bubbel konden worden overtuigd door ze te wijzen op de feiten. Dat bleek niet het geval.

    53bfa398aebc44687383ded69c8bc636b79d47a9
    – © Getty

    Aanvankelijk dacht ook Longwell dat een beroep op feiten de twijfelende Trump-kiezers van gedachten zou doen veranderen. Maar toen ze video’s afspeelde waarop duidelijk te zien was dat Trump loog, haalden ze hun schouders op. Dat kwam deels doordat ze hem niet aan dezelfde normen hielden als andere politici. In plaats daarvan, denkt ze, zagen ze hem als een zakenman en een beroemdheid, iemand die was vrijgesteld van de gewone moraal. ‘Ze zeggen: “Ja, hij liegt. Maar hij is eerlijk, hij is authentiek, hij is echt,”’ zegt Longwell.

    ‘Ja, hij liegt. Maar hij is eerlijk, hij is authentiek, hij is echt’

    Maar wat ook meespeelt, en in meerdere mate, is de aantrekkingskracht van de groep. Republikeinse kiezers weten dat Trump liegt. Als ze hem vergeven, is dat omdat hun vrienden en hun families, de andere leden van hun partij, hem ook vergeven. ‘Ik ben een Republikein, mijn ouders zijn Republikeinen, al mijn vrienden zijn Republikeinen,’ zeiden de leden van de focusgroep tegen Longwell. Anders stemmen zou voor deze kiezers niet alleen een intellectuele beslissing zijn. Het zou hen losmaken van hun groep.

    Maar wat gebeurt er als die groep zelf op een andere manier over Trump begint te praten?

    Kiezers vertrouwen mensen die ze kennen, of mensen die lijken op mensen die ze kennen

    Binnen de lawaaiige, chaotische moderne informatievoorziening doet de boodschap er lang niet zo veel toe als de boodschapper. Veel mensen vertrouwen er niet langer op dat de grote mediakanalen waardevolle informatie bieden – en dat vertrouwen komt misschien wel nooit meer terug. Ze hebben ook niet langer vertrouwen in politici of groepen waarvan ze denken dat ze buiten hun eigen groep vallen, en de dagen dat een president werd gerespecteerd alleen omdat hij de president was, zullen misschien evenmin ooit terugkeren. Kiezers vertrouwen mensen die ze kennen, of mensen die lijken op mensen die ze kennen.

    Vanuit dit inzicht begonnen Longwell en Kristol te experimenteren. In plaats van alleen professionele campagnevideo’s te maken (waarvan ze er een of twee produceerden), begonnen ze amateurfilmpjes te zoeken en te verspreiden. Op de site van de ‘Republikeinse kiezers tegen Trump’ staat een van hun citaten te lezen: ‘Ik zou eerder voor een broodje tonijn stemmen dan dat ik opnieuw voor Donald Trump stem’. Ook is hier te lezen hoe je je eigen video maakt.

    Honderden mensen hebben video’s ingestuurd, en vele daarvan zijn al gepost. Er zijn filmpjes van mensen die zichzelf omschrijven als levenslange Republikeinen, als evangelische christenen of als Irak- en Afghanistan-veteranen. De video’s hebben geen script: mensen vertellen hun eigen redenen om zich gedesillusioneerd of boos te voelen, vanwege de regering die in hun ogen henzelf en hun conservatieve idealen heeft verraden. Ze zetten hun mening in hun eigen woorden uiteen. ‘Mensen weten dat in een advertentie iets wordt verkocht,’ zegt Longwell. ‘Maar als ze naar de RVAT-video’s kijken, zien ze iemand van binnen hun eigen gemeenschap en denken ze: “Ik mag deze persoon.”’

    Geruststelling

    Bij tests op focusgroepen blijken deze video’s inderdaad impact te hebben: mensen vinden ze overtuigend. Misschien komt dit doordat ze conservatieve zorgen over Trump weerspiegelen zonder de conservatieve groep te bekritiseren. De mensen in de video’s sympathiseren met het dilemma van de Republikeinse kiezers, net als Longwell zelf. ‘Tribalisme is niet alleen maar negatief,’ zegt ze. ‘Het omvat ook elementen van loyaliteit, vertrouwen en gemeenschap.’ En het is juist Trumps misbruik van die loyaliteit, dat vertrouwen en de gemeenschap dat zowel haar als de mensen in de video’s zo boos maakt. En dat gevoel van verraad dragen ze uit.

    Het inzetten van insiders om gesloten gemeenschappen te bereiken is een bekende techniek, die vaak wordt toegepast in gevoelige en complexe situaties. Sasha Havlicek, die in Londen een anti-extremistische organisatie runt, genaamd Institute for Strategic Dialogue (de groep werkte ook mee aan de Duitse verkiezingsstudie van 2017), heeft vele malen geprobeerd om geloofwaardige stemmen van binnenuit te vinden om door te dringen tot mensen die dreigen online te worden gerekruteerd, door ISIS dan wel door blanke-suprematieorganisaties. Soms vinden Havlicek en haar collega’s gedesillusioneerde voormalige leden om deze aspirant-rekruten te begeleiden, maar ze kijkt ook uit naar ‘kerkgroepen, plaatselijke werkgevers, veteranen of mensen die een alternatief gemeenschapsgevoel kan bieden’. Het belangrijkste, zegt ze, is het om mensen te vinden die geruststellen: ‘Met als boodschap: Als je bereid bent je stem of je politieke kleur te veranderen, als je breekt met wat iedereen om je heen doet, zul je niet alleen zijn.’

    Lachtivisme

    Als van het contra-extremisme iets te leren valt, geldt dat ook voor het anticommunisme. In de jaren tachtig was Polen een door de Sovjet-Unie bezet communistisch land met een volledig gesloten mediaomgeving. De Communistische Partij beheerde alle kranten evenals het enige televisienetwerk. Protest was illegaal en demonstranten werden gearresteerd. Maar een ongewone dissidente groep, het Oranje Alternatief, brak door de muur van de media van het regime heen. En dat deden ze door mensen aan het lachen te maken. De groep organiseerde ‘happenings’ die niet zozeer demonstraties waren als wel komische optredens. In 1987 hield het Oranje Alternatief een parade op de verjaardag van de bolsjewistische revolutie, met pro-communistische spandoeken en lachende menigten; een andere keer verkleedden tientallen mensen zich als kerstman en deelden snoep uit. De autoriteiten waren perplex: de optochten waren duidelijk protesten, maar de politie sloeg een vreemd figuur toen ze deelnemers begonnen te arresteren vanwege hun ‘communistische’ rode outfits of kerstmanpakken.

    Srdja Popovic, een ervaren Servische activist – die mede leiding gaf aan een jeugdbeweging die de Servische dictator Slobodan Milošević omver wierp – heeft lezingen gehouden over wat hij de ‘kracht van het lachtivisme’ noemt. ‘Humor doelt angst smelten’, zegt hij. Door een autoritaire partij of leider belachelijk te maken verander je diens aura van onaantastbaarheid, waardoor volgers bereid worden om naar alternatieven te luisteren.

    RINO’s

    In de VS is dit een van de tactieken die momenteel wordt gebruikt door het Lincoln Project. Deze groep is opgericht door een stel andere anti-Trump Republikeinen en behoeft sinds kort geen uitgebreide introductie meer, niet in de laatste plaats omdat het Project de president zo succesvol heeft getrolld. In mei maakte de groep een korte video die begon met de woorden: ‘Amerika is in rouw. Vandaag de dag zijn meer dan 60.000 Amerikanen gestorven aan een dodelijk virus dat Donald Trump negeerde.’ Er volgde sombere muziek, samen met sombere beelden: vervallen gebouwen, verlaten huizen, armoedig geklede mensen. Dan, aan het einde, een foto van het Lincoln Memorial en de Amerikaanse vlag: ‘Als er nog vier van zulke jaren volgen, zal Amerika dan überhaupt nog bestaan?’

    De video, een ruwe variant op Ronald Reagans beroemde ‘Morning in America’-commercial, was meteen een hit: binnen twee dagen na de verschijning op Twitter werd hij door meer dan 1,5 miljoen mensen bekeken. Nog meer mensen zagen hem nadat hij op Fox News in Washington verscheen. Een van de kijkers was de president, die een reeks middernachtelijke tweets afvuurde met alle bekende beledigingen: RINO’s [Republican In Name Only], loosers. Het was een ‘schande’. Het resultaat: het geld stroomde de schatkist van het Lincoln Project binnen. John Weaver, een van de oprichters van de groep, vertelt dat de video in de daaropvolgende dagen miljoenen keren op Twitter, YouTube en Facebook werd bekeken.

    Sindsdien heeft het Lincoln Project advertenties gelanceerd waarin Trump in het Russisch wordt bespot, de kennelijke moeite die het de president kost om een ​​glas water te drinken beschimpen; die zijn campagneleider belachelijk maken – die later, mogelijk om die reden, werd ontslagen –, die verschijnen binnen enkele minuten na de gebeurtenis die ze parodiëren. Een video waarin de president wordt geplaagd met zijn gewicht en schijnbare mentale achteruitgang, veroorzaakte de kortstondig trend #ImpotusAmericanus op Twitter. De soms vervelende, soms kinderlijke vrolijkheid van het Twitter-account van de groep (1,8 miljoen volgers), heeft een harde tegenaanval uitgelokt. Het Lincoln Project en zijn oprichters worden door sommige rechtsen weggezet als verkapte Democraten, die onder een valse vlag handelen; sommigen linken vallen ze af vanwege vermeende verborgen agenda’s; door anderen worden ze ervan beschuldigd zich te verlagen tot dezelfde destructieve tactieken als de president. Mijn Atlantic-collega Andrew Ferguson noemde de campagne van het Lincoln Project ‘persoonlijk beledigend, hysterisch, nodeloos schunnig’.

    Woeste stem

    De oprichters van het Lincoln Project beschouwen de aanvallen van de Republikeinse Partij als een succes, niet in de laatste plaats omdat ze de Grand Old Party afleiden van hun campagne tegen Joe Biden. Maar dringen de video’s van het Lincoln Project door tot de Republikeinse kiezers, laat staan ​​dat ze ze van gedachten doen veranderen?

    Steve Schmidt, een van de medeoprichters, stelt dat de informatieballon rond de president dienstdoet als een autocratische persoonlijkheidscultus: voordat er positieve berichten doorheen kunnen, moet de betovering worden verbroken. Om die reden is het noodzakelijk om de Republikeinse partijleiders aan te vallen. ‘Kleineer ze, bespot ze, lach ze uit,’ zegt Schmidt. ‘Sla hard terug zolang het kan.’ Ook denkt hij dat agressieve, zelfs vulgaire humor zal helpen de muur van onverschilligheid te doorbreken en afgedwaalde kiezers te overtuigen dat er iets belangrijks op het spel staat. ‘De stem die vanuit Democratische waarden argumenteert, mag niet de milde stem zijn binnen het debat,’ zegt Schmidt. ‘Het moet een woeste stem zijn’

    In het grote geheel gezien zijn beide Republikeinse Never Trump-projecten onbeduidend – als kleine speedbootjes die naast het vliegdekschip racen dat de Democratische presidentiële campagne dit najaar vormt. Weaver beschreef hun rol als de geniesoldaten die ‘bevoorradingslijnen opblazen’ terwijl de generaals hun aanval voorbereiden. Toch lopen sommige van hun inspanningen parallel met de campagnestrategie van Biden. Ook hij is op zoek naar manieren om de conservatieve bubbel binnen te treden, of deze groep op z’n minst niet te beledigen. Biden heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat hij geen uitspraken deed die Republikeinse kiezers beangstigen. Hij roept niet op tot opheffing van de politie, het openstellen van de grens of het afschaffen van alle particuliere ziektekostenverzekeringen. Hij houdt zijn retoriek gematigd, ook al blaft zijn basis naar roder vlees. Zoals Ezra Klein van Vox schreef, is het campagneteam van de Democratische kandidaat zich er terdege van bewust dat ‘mobilisatie vaak de keerzijde van polarisatie is’. De taal die zijn basis prikkelt, zal zijn tegenstanders woedend maken. En dat wil Biden voorkomen.

    De taal die zijn basis prikkelt, zal zijn tegenstanders woedend maken. En dat wil Biden voorkomen

    Het risico is natuurlijk dat Biden eindigt als Trzaskowski en oproept tot een eenheid die niemand prikkelt, zelfs zijn eigen partij niet. Maar niet iedereen in het liberale centrum stelt zich zo op. Een paar jaar geleden kwam een groep universiteitsstudenten in Zürich tot dezelfde conclusie als Schmidt – dat de ‘kant van democratische waarden’ niet saai moet zijn. Zij waren de oprichters van een initiatief genaamd Operatie Libero. Toen ze begonnen, domineerde de Zwitserse Volkspartij, een populistisch-nationalistische partij, de politiek van het land. Het had met succes een visie van Zwitserland als een gesloten enclave neergezet en een reeks referenda voorgesteld om vreemdelingenhaat aan te wakkeren, immigratie een halt toe te roepen en het vermogen van het land om buitenlandse verdragen te ondertekenen te beperken.

    De oprichters van Operatie Libero pleitten daarentegen voor een meer verwelkomende visie op de natie. Ze wezen erop dat het moment van de oprichting van Zwitserland de liberale revolutie van 1848 was, dat het land een lange geschiedenis van religieuze tolerantie en openheid kent. Operatie Libero, ook wel de ‘kinderen van 1848’ genoemd, begon grappige filmpjes te maken – een tekening van Helvetia, het nationale symbool, dat huilend omver wordt geworpen door een populistische sloopkogel – en memes. De groep creëerde teams van vrijwilligers die zouden protesteren tegen de Zwitserse variant van online alt-right, en nodigde populisten uit om in debat te gaan. Het werkte: Operatie Libero zorgde niet alleen dat haar eigen standpunt in verschillende referendumcampagnes de overhand kreeg, de leden zagen er bovendien uit alsof ze het naar hun zin hadden. Op een wijdverspreide foto waren leden van de groep te zien – waaronder een van de oprichters, Flavia Kleiner, in felroze jasje – die uitbundig juichten vanwege een verkiezingsoverwinning.

    Operatie Libero bood niet alleen vermaak; het bood ook patriottisme – een andere versie van patriottisme. ‘We bieden een positievere kijk op Zwitserland,’ zei Kleiner me een paar jaar geleden. ‘We willen niet dat het een openluchtmuseum wordt met een geïdealiseerd verleden.’ In de Verenigde Staten is er volop moeilijkheid voor Biden, en ieder die hem steunt, om sentimentele Amerikaanse symbolen en tradities te gebruiken om kiezers van alle niveaus te mobiliseren. Een campagneadvertentie van Biden van vorig jaar deed precies dat en wees op het contrast tussen de taal van de Onafhankelijkheidsverklaring (‘Alle mannen zijn gelijk geschapen’) en die van de alt-right-mars van 2017 in Charlottesville, Virginia (‘Joden zullen ons niet vervangen’). Hergebruik van Amerikaanse oprichtingsdocumenten die worden aangepast aan deze tijd is natuurlijk niets nieuws. Martin Luther King Jr. citeerde de ‘prachtige woorden van de grondwet en de onafhankelijkheidsverklaring’ en verwees naar de ‘onvervreemdbare rechten’ van ‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’.

    Gedateerd

    Maar ook hier zit een mogelijke valstrik. In dit tijdperk van informatie-overload kan de oproep tot ‘leven, vrijheid en het nastreven van geluk’, die in het verleden zo goed werkte, ineens afgezaagd klinken; erger nog, de taal van de democratie en van de oprichting van Amerika kan ineens klinken als een zoveelste reeks slogans in de informatieoorlog. De campagne van Trump lijkt hierop in te spelen. Het is precies de reden dat de president spot met de ideeën en idealen van de democratie zelf. Op sociale media heeft de president ‘Trump 2024, 2028, 2032’-memes gepost en plagende tweets over het uitstellen van de verkiezingen. Hoewel ze bij sommige van zijn aanhangers enige verontrusting veroorzaakten – het bewijs dat de regels rondom verkiezingen aan beide kanten nog altijd serieus worden genomen – hebben zijn tweets hun doel bereikt: ze lieten de bekende retoriek van democratie en een gemeenschappelijk doel ouderwets klinken, hol, gedateerd.

    Uit een ander project waar ik aan meewerkte kunnen eveneens lessen worden getrokken, hoe excentriek ze ook mogen klinken. Ook hierin werd gebruikgemaakt van focusgroepen, met als doel te begrijpen hoe Oekraïners in regio’s met onderling zeer verschillende geschiedenissen zich het verleden herinneren. West-Oekraïne maakte tot 1939 deel uit van Polen, het oosten heeft een lange geschiedenis van Russische overheersing en de twee regio’s hebben radicaal verschillende herinneringen, vooral aan de Tweede Wereldoorlog. Russische desinformatie die zich tegen Oekraïne richtte zorgde er lange tijd voor dat deze verschillen werden uitvergroot: westerse Oekraïners werden getypeerd als ‘nazi’s’ en oosterlingen werden herinnerd aan hun rol bij de overwinning van het Rode Leger. Als gevolg hiervan kon er geen enkel gesprek over de oorlog worden gevoerd zonder dat iemand (of iedereen) boos werd.

    Voor zover ik weet, heeft nog niemand een soortgelijke studie in de VS uitgevoerd. Maar ik durf wel te zeggen dat Amerikanen, net als Oekraïners, verdeeld zijn door hun verschillende historische herinneringen. Op dit moment liggen verschillende interpretaties van de burgerrechtenbeweging en zelfs van de burgeroorlog en wederopbouw aan de basis van ruzies over standbeelden, namen van militaire bases en de zuidelijke vlag. Die herinneringen zullen niet tussen nu en november verenigd worden. Maar er zijn misschien wel andere dingen waarover we kunnen praten, andere episodes in de Amerikaanse geschiedenis die sterke, verenigende gevoelens oproepen in zowel het rode als het blauwe Amerika. Het moment van nationale rouw dat volgde op 9/11? De financiële crisis van 2008? De Biden-campagne is al begonnen met het verkennen van de nationale ervaring van isolatie en lockdown. Het is niet verwonderlijk dat kamp-Trump reageerde met een desinformatiecampagne die tot doel heeft twijfel te zaaien over de vraag of die isolatie en lockdown überhaupt nodig waren. De achterliggende gedachte: alles wat banden creëert tussen rode en blauwe Amerikanen, is uit den boze.

    Op de een of andere manier moeten alle succesvolle campagnes – politieke, activistische, zelfs commerciële reclamecampagnes – rekening houden met het feit dat het publiek in verschillende informatiesferen leeft. Het tijdperk van massamedia en eenduidige campagneslogans loopt ten einde. Dit is geen nieuws: de Russische agenten die een rol speelden bij de verkiezingen van 2016 vertelden de leden van Black Lives Matter op Facebook andere dingen dan ze de anti-immigratie-activisten in Idaho voorhielden.

    Het is niet moeilijk om misverstanden te creëren tussen groepen die niet meer met elkaar praten

    Toch hebben we de betekenis hiervan nog onvoldoende tot ons door laten dringen. In dit post-massamedia-tijdperk is verdeeldheid zaaien veel gemakkelijker dan eenheid creëren, wat in het voordeel werkt van politici die proberen te winnen door zondebokken en vijanden te creëren. Gerichte reclame maakt het veel gemakkelijker om het electoraat te verdelen en het is niet moeilijk om misverstanden te creëren tussen groepen die niet meer met elkaar praten. Om al die redenen is de kans groot dat wie de uiteindelijke winnaar ook is, de campagne van 2020 Amerika nog verdeelder zal achterlaten dan het nu al is. En dat zal in de toekomst zo doorgaan.

    Zelfs als de Democratische kandidaat wint, speelt de vraag ‘Kan Biden toetreden tot de tegenovergestelde bubbel?’ niet alleen in de herfst van 2020, maar ook in de lente van 2021, de winter van 2022 en nog vele jaren in de toekomst. De noodzaak om informatieve en culturele scheidslijnen te overbruggen, zal een extra complicerende laag vormen bij de aanpak van de vele economische, medische en buitenlandse crises waar een nieuwe Biden-regering onmiddellijk mee geconfronteerd zou worden, wat het moeilijk zal maken de diepgaande hervormingen door te voeren die onze bureaucratie, democratie en ons zorgstelsel zo hard nodig hebben. Maar als Biden geen moeite doet om met zijn tegenstanders te praten, zou hij net als de kandidaat voor het Poolse tarweveld kunnen eindigen, met enkel de feiten en 49 procent van het publiek aan zijn zijde. Bidens campagne is misschien wel de laatste kans om de historische kloof tussen ons te overbruggen. Als Trump nog een termijn wint, weten we zeker dat niemand het zelfs nog maar zal proberen.

  • ‘Made in Holland’: de Nederlandse klokkenluider die de Pakistaanse bom probeerde te stoppen

    ‘Made in Holland’: de Nederlandse klokkenluider die de Pakistaanse bom probeerde te stoppen

    Frits Veerman probeerde de Nederlandse autoriteiten herhaaldelijk te waarschuwen voor de verdachte activiteiten van zijn collega Abdul Khan. Hij werd genegeerd en uiteindelijk ontslagen. In een onlangs verschenen rapport komt de ware toedracht boven tafel.

    Begin jaren zeventig deelde de Nederlandse technicus Frits Veerman een groot bureau in een lab in Amsterdam met een charmante Pakistaanse wetenschapper genaamd Abdul. Op een dag zei Veerman dat hij graag Pakistan zou willen bezoeken. Hij vroeg of hij een paar nachten bij het gezin van zijn collega mocht logeren. Abdul – wiens volledige naam Abdul Qadeer Khan luidt – antwoordde dat de Pakistaanse regering zijn reis zou betalen. Op dat moment begon Veerman te vermoeden dat Khan eropuit was Nederlandse nucleaire geheimen te stelen.

    Alles wees erop. Veermans was fotograaf en hij had ooit dagen achtereen met Khan doorgebracht om ultracentrifuges te maken, de apparaten die werden gebruikt ter verrijking van uranium. Hij had tekeningen van centrifuges en geheime rapporten in Khan’s woonkamer zien liggen. En Khan vertrouwde hem ooit toe dat zijn grote gouden ring zijn ‘zakcentje [was] voor als ik ooit snel ergens heen moet’.

    Hoe voelde Veerman zich toen hij begreep hoe het zat? ‘Bang,’ antwoordt hij. Hij is nu in de zeventig, met kort donker haar en een bril zonder montuur, en eet pasta op het terras van een restaurant in Antwerpen, België, waar we elkaar ontmoeten. Als je zijn beroep zou moeten raden, zou je zeggen: gepensioneerd technicus. Hij is een Nederlander uit de provincie, wiens leven vanwege nucleaire spionage ontspoorde.

    Als er toen of later naar hem was geluisterd, was de wereld misschien een nachtmerrie bespaard gebleven

    Veerman probeerde Khan in 1973 voor het eerst aan te geven bij de Nederlandse autoriteiten. Hij kwam niet verder dan een secretaresse. Als er toen of later naar hem was geluisterd, was de wereld misschien een nachtmerrie bespaard gebleven. Maar Khan mocht in 1975 Nederland verlaten en Europese leveranciers blijven bezoeken. Ook de Amerikaanse Central Intelligence Agency hield hem niet tegen. Khan bouwde uiteindelijk de Pakistaanse atoombom en verkocht de technologie aan Iran, Noord-Korea en Libië.

    In januari dit jaar verplaatste het Bulletin of Atomic Scientists de Doomsday Clock naar 100 seconden voor middernacht, de laatste stand sinds de oprichting in 1947. De klok symboliseert het risico dat de mens uitsterft. Het Bulletin citeerde bedreigingen, waaronder ‘een hernieuwde nucleaire wapenwedloop … de verspreiding van kernwapens en … verlaging van de barrières voor een nucleaire oorlog’, waarbij mogelijk Khans klanten Noord-Korea en Iran betrokken zouden zijn.

    Nadat Veerman de klok luidde, raakte hij zijn baan kwijt. Door een rapport van het Huis voor Klokkenluiders, de nieuwe Nederlandse autoriteit op dit gebied, werd hij begin juli eindelijk van blaam gezuiverd. Het rapport verklaart bovendien waarom hij en niet Khan werd gestraft.

    ‘Boeven en misdadigers’

    Khan is nu 84 en leeft onder onofficieel huisarrest in Pakistan, waar zijn relatie met de autoriteiten al lange tijd wisselvallig is. Tijdens zijn beperkte bewegingsvrijheid wordt hij begeleid door veiligheidsfunctionarissen, eventuele bezoekers aan zijn woning worden vooraf gescreend.

    Hij werd in 1936 geboren in Bhopal, Brits-Indië, als zoon van een islamitische hoofdonderwijzer. Als kind zag hij hoe treinen tijdens de opdeling van India in 1947 lijken vervoerden van moslims die tijdens sektarische gevechten waren omgekomen, schrijven Douglas Frantz en Catherine Collins in hun boek The Nuclear Jihadist. Khan verliet India in 1952, na het afronden van de middelbare school. Tijdens zijn eigen treinreis stal een Indiase politieagent zijn gouden pen. ‘Hindoes zijn boeven en misdadigers’, schreef de jonge Khan aan een vriend. ‘Ze dromen ervan Pakistan te vernietigen en een ​​verenigd India te creëren.’

    De Nederlanders hadden geen atoombommen en de verrijking was bedoeld voor vreedzame kernenergie

    In 1961 ging hij studeren in Berlijn, in 1963 stapte hij over naar de Nederlandse technische universiteit in Delft om metallurgie te studeren. Terugkijkend zei hij: ‘Van alles wat ik weet en heb geleerd, dank ik het meeste aan Delft.’ Na Delft promoveerde hij in Leuven, België. In 1971 verloor Pakistan een oorlog met India en werd de nieuwe staat Bangladesh uit het Pakistaanse grondgebied gehouwen. Khan huilde, volgens Frantz en Collins. Een jaar later trad hij als metallurgisch wetenschapper toe tot FDO, het lab van het industriële bedrijf VMF.

    FDO ontwierp ultracentrifuges om uranium te verrijken. De Nederlanders hadden geen atoombommen en de verrijking was bedoeld voor vreedzame kernenergie. Maar als het uranium verder werd verrijkt, was het heel geschikt om bommen van te maken.

    De FDO gaf aan dat Khan niet aan ultracentrifuges zou werken en merkte op dat de familie van zijn vrouw Nederlands was. De Nederlandse inlichtingendienst, toen nog Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) geheten, verdacht hem daarom niet van geheim werk. En zo werden Khan en Veerman – destijds technisch fotograaf – in 1972 kantoorgenoten. FDO was gevestigd in een oud pakhuis van de VOC. Veerman was onlangs uit de kelder opgedoken, waar hij vier jaar in zijn eentje had gewerkt om de details van de ultracentrifuge, die uit zes cilinders bovenop elkaar bestond, verder te perfectioneren. Het was een hele kunst om ze te laten draaien, vertelt hij liefdevol.

    b926c1dfaedce1bd372ebad335d670e648c36ecf
    Frits Veerman – © Getty

    Veerman werd in 1944 geboren in Huizen, een dorp waar iedereen elkaar al eeuwen kent. Hij woont er nog steeds: vanuit zijn tuin heeft hij uitzicht op zijn ouderlijk huis. Zijn moeder, een Duitse, verhuisde voor de oorlog naar Nederland. Door de bezetting van Hitler schaamde ze zich voor haar nationaliteit. 5 mei ‘was geen gelukkig moment in de familie Veerman’, herinnert hij zich. Zijn grootmoeder van vaderskant noemde hem ‘een rotmof’.

    Joris van Wijk, een tv-producent die aan een serie rond Veerman werkt, zegt hierover: ‘Nederland was na de oorlog een onvriendelijke plek voor kinderen met een Duitse moeder. Frits zal het moeilijk hebben gehad. Het moet de ontwikkeling van zijn sociale vaardigheden hebben beïnvloed. Hij woonde tot in de dertig bij zijn ouders.’

    Op bezoek aan de familie van zijn moeder hoorde Veerman verhalen over familieleden die vastzaten in Oost-Duitsland, en ontmoette hij anderen met een twijfelachtig oorlogsverleden. Eerder dan de meeste Nederlanders leerde hij dat er vreselijke dingen waren gebeurd. Dat maakte hem extra voorzichtig toen hij in aanraking kwam met nucleaire geheimen.

    Hij had altijd een talent voor wetenschap gehad. Als arbeidersjongen bezocht hij technische scholen. FDO was zijn droombaan, de universiteit die hij nooit had gehad, ‘een speeltuin voor hobbyisten van hoog technisch niveau’, zegt hij. Hij bouwde zijn eigen telescoop op het werk. Hij leerde graag van afgestudeerde collega’s. Maar die verwachtten meestal dat hij koffie zou zetten.

    Oer-Hollands

    Khan was anders. Abdul, zoals Veerman hem nog steeds noemt, was vriendelijk, knap, goedlachs en hij sprak goed Nederlands. Een Pakistaan was in de jaren zeventig in Nederland een exotisch wezen. Veerman bracht Khan kaas uit Huizen. Op rustige middagen speelden ze tennis op de banen van de FDO, aan de rivier. Ze bezochten elkaar thuis: Khan woonde in een oer-Hollands bakstenen rijtjeshuis, vlak bij Schiphol.

    FDO maakte ultracentrifuges voor Urenco, een bedrijf met een fabriek in Almelo, waarvan de vermeende saaiheid dankzij komiek Herman Finkers beroemd werd: ‘Een stoplicht springt op rood, een ander weer op groen. In Almelo is altijd wat te doen.’ Khan had er zeker wat te doen.

    Toen Veermans vermoedens over Khan steeds meer vorm aannamen, wist hij aanvankelijk niet wat hij moest doen. Khan was zijn meerdere. De baas van Veerman kende Khan al sinds Delft. Uiteindelijk ging Veerman naar een telefooncel in de Czaar Peterstraat in Amsterdam en belde de directeur van Ultra-Centrifuge Nederland, die toezicht hield op de Nederlandse ultracentrifuges. Zijn secretaresse antwoordde. Omdat ze Veerman niet wilde doorverbinden met de directeur, vertelde hij haar zijn vermoedens. Ze zei dat ze het zou doorgeven. Later, toen hij niets meer hoorde, belde hij opnieuw, en weer zonder succes.

    Terugkijkend mijmert hij: ‘Ik had daarheen moeten gaan en aan moeten bellen om het aan de directie te vertellen. Dan was het allemaal anders afgelopen. Maar ik was toen niet zo brutaal.’ Hij uitte zijn zorgen tegenover hooggeplaatsten bij FDO, maar ook die toonden weinig interesse.

    Ondertussen was Khan bij Urenco gaan werken, waar hij ondanks een gebrek aan de juiste veiligheidsmachtiging ongestoord door de fabriek kon dwalen. Niemand leek het erg te vinden. Het was Koude Oorlog en Nederlanders keken uit naar snuffelende Sovjets, niet naar Pakistanen.

    Maar ook op het Indisch subcontinent was al van alles gaande. In mei 1974 testte India haar eerste kernwapen. Khan schreef Pakistaanse functionarissen en bood aan om te helpen bij de bouw van de ‘islamitische bom’. In september besloot toenmalig premier Zulfikar Ali Bhutto de gok te wagen. De Pakistaanse ambassade in Den Haag nam contact op met Khan. Zijn werkgevers vroegen hem om Duitse documenten waarin een nieuwe centrifuge werd beschreven in het Nederlands te vertalen. Hij werkte voor de ‘brain box’ in Almelo, waar de meest gevoelige informatie van de fabriek werd bewaard. Hij was goed op weg.

    Maar inmiddels werd hij ook door anderen verdacht. Een Pakistaanse diplomaat die onderdelen bij leveranciers van Urenco bestelde, viel het op dat sommige bestellingen dezelfde specificaties hadden als die van Urenco. In oktober 1975 volgden Nederlandse BVD-agenten Khan op een nucleaire beurs in Basel, waar hij verkopers uithoorde over kernwapens.

    De eerste monumentale fout

    Dat is het moment waarop Khan kon worden gestopt. De BVD maakte plannen om hem toen hij op een ochtend op zijn werk kwam te arresteren, schrijven Frantz en Collins. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken ging akkoord. Maar Ruud Lubbers, toenmalig minister van Economie, was tegen: een schandaal kon de hightechsector schade toebrengen.

    De Nederlanders informeerden de CIA over Khan, zoals Lubbers in 2005 aan de Japanse tv vertelde. De Amerikanen waren tegen de nucleaire ambities van hun Pakistaanse bondgenoten. Desalniettemin heeft de CIA de BVD ervan weerhouden Khan te arresteren. De Amerikanen wilden hem in de gaten houden om de nucleaire aankopen van Pakistan en de geheime nucleaire leveranciers van Europa te volgen.

    Deze beslissing in 1975 was ‘de eerste monumentale fout’, zegt Robert Einhorn, die in de regeringen van Clinton en Obama op de non-proliferatieafdeling werkte.

    De Amerikanen verzochten de Nederlanders ‘om hen volledig te informeren, maar geen actie te ondernemen’, herinnert Lubbers zich, lachend. Hij vond het ‘een beetje raar’, zegt hij, maar hij dacht: ‘Oké, het is hun zaak.’ De wereld beschermen tegen nucleaire proliferatie voelde niet als een Nederlandse verantwoordelijkheid. Nederland was er enkel opuit om zaken te doen. De CIA hield Khan tientallen jaren in de gaten.

    Op 15 december 1975 vloog hij met zijn vrouw, dochters en blauwdrukken van centrifuges naar Pakistan

    De FDO vertelde Khan niet dat hij werd verdacht. Onder het mom van promotie kreeg hij een nieuwe baan. Zijn bezoekjes aan Almelo werden stopgezet. Misschien dat hij zich toen realiseerde dat er iets niet in de haak was. Op 15 december 1975 vloog hij met zijn vrouw, dochters en blauwdrukken van centrifuges naar Pakistan, op verlof. Kort daarna nam hij vanuit Pakistan ontslag bij de FDO.

    Lekkere kip

    Op 15 januari 1976 stuurde Khan Veerman een handgeschreven brief in het Nederlands vanuit Karachi. Het begin luidde als volgt:

    Beste Frits, Het is nu bijna een maand geleden dat we uit Nederland vertrokken en langzamerhand begin ik de lekkere kip te missen. Elke middag denk ik: laat ik Frits eens vragen of hij zin heeft om kip te eten!

    In de brief werd hem vervolgens gevraagd om Khans vrouw Henny (die vermoedelijk terug in Nederland was om de bezittingen van de familie op te halen) op zaterdagochtend te helpen de inhoud van zijn kluisje bij de FDO in een kartonnen doos te stoppen. Veerman deed dit niet. Hij wist dat het kluisje vol zat met tekeningen en onderdelen van ultracentrifuges. In zijn brief werd hij ook verzocht een ​​Pakistaans visum aan te vragen. Het leek erop dat Khan zijn hulp nodig had bij het voltooien van het Pakistaanse Project 706: de bom in handen krijgen. Tv-producent Van Wijk: ‘Ik denk dat Khan Frits’ genialiteit erkende.’

    In september 1976 organiseerde de FDO een vergadering over Khan. Veerman vertelde zijn collega’s dat hij vermoedde dat Khan een spion was. De FDO lijkt geen onderzoek te hebben gestart of maatregelen te hebben genomen, volgens het Huis voor Klokkenluiders.

    Later vertelde Veerman BVD-agenten over de acties van Khan. Maar ook daar kregen zijn verhalen geen gehoor. Binnen de FDO was men blij toen een leidinggevende van een bezoek aan ex-werknemer Khan in Pakistan terugkeerde met opdrachten. Pakistaanse technici begonnen FDO te bezoeken voor wat Veerman ‘een cursus ultracentrifuge bouwen’ noemt.

    Straf

    Klokkenluiders worden vaak gestraft. Het rapport van de Nederlandse autoriteit is vanwege de tijd die is verstreken terughoudend, maar noemt het ‘aannemelijk’ dat dit ook in Veermans geval zo was. Kort nadat hij zich had uitgesproken, degradeerde de FDO hem tot kopieerwerk. Toen hij Khan schreef, om zich hierover te beklagen en kaas te sturen, toonde Khan zich meelevend. In 1977 schreef Khan opnieuw:

    Beste Frits, Strikt vertrouwelijk, ik verzoek je om hulp. Ik heb de volgende informatie dringend nodig voor ons onderzoeksprogramma: 1. Etsen van assen (a) Potentieel hoeveel volt? 2. Lagere absorber Kun je zorgen voor een hele CNOR lagere absorber? Wil je alstjeblieft mijn hartelijke groeten overbrengen aan Frencken en proberen [er een] voor mij te bemachtigen. [Etcetera]

    Khan voegde hieraan toe dat er ‘veel fotowerk’ voor Veerman in Pakistan was, en beloofde: ‘Je zult zeker een goede tijd hebben en er geen spijt van krijgen (. . .) Schrijf alsjeblieft niet je eigen adres op de envelop als je mij schrijft. In plaats van mijn naam zet je gewoon “mevrouw Khan” of gewoon Henny erop, en dan het huisadres.’

    Veerman reageerde niet op de brief. Hij liet hem aan zijn bazen zien, die hem verzochten de brief te vernietigen. Hij bewaarde hem in zijn kluis. In 1978, op de dag dat Veerman terugkwam van zijn huwelijksreis, overhandigde een postbode hem een ​​telegram van de FDO met de mededeling dat hij ontslagen was. De opgegeven reden luidde dat het fotografiewerk was opgedroogd.

    Waarom werd Veerman echt ontslagen? Een voormalig Nederlandse veiligheidsonderzoeker, die de zaak-Khan al sinds 1979 behandelt, vertelde de klokkenluidersinstantie dat Veerman ‘geofferd’ was omdat hij niet ophield met praten. De beveiliging van de FDO was laks geweest, Nederland en de hightechsector waren in verlegenheid gebracht, de betrokkenen wilden niet dat het verhaal de media of andere landen bereikte en de junior medewerker moest zijn mond houden. Dit is wat Veerman altijd al vermoedde.

    Geen enkel ander Nederlands technologiebedrijf wilde hem nog aannemen. Is Veerman bitter? De vraag lijkt hem te verbazen. Hij heeft geen groot emotioneel vocabulaire. ‘Het is niet zo dat ik er de hele dag om huil. Er is mij een groot onrecht aangedaan, maar ik denk er niet veel over na. Als zoiets gebeurt, moet je een afweging maken en doorgaan.’

    Nu het klokkenluidersrapport er is, is Veerman van plan compensatie van de Nederlandse staat te eisen en van de huidige incarnatie van FDO’s voormalige holdingmaatschappij, VMF-Stork (FDO sloot in 1992). Het huidige Stork, dat nu uit een heel andere groep werkmaatschappijen bestaat, zegt ‘volledig te hebben meegewerkt aan het onderzoek [van het Huis voor Klokkenluiders], ook al is deze zaak van heel lang geleden. . . Het huidige Stork kan niet worden beschouwd als de werkgever van de heer Veerman, zo bevestigt het rapport van de Autoriteit.’

    ‘Het grootste geluk van mijn leven’

    Veerman bleef ondertussen lucratieve aanbiedingen ontvangen. ‘Ik had 500.000 gulden van Abdul kunnen krijgen als ik had gewild’, mijmert hij. Hij vertelt dat diplomaten uit Iran, Irak en andere landen in het Midden-Oosten hem thuis hebben gebeld en hem een ​​visum voor bezoekers hebben aangeboden. Uiteindelijk verzocht hij om een ​​geheim telefoonnummer.

    Zijn leven nam een andere wending. Toen hij een werkloosheidsuitkering aanvroeg, trof hij bij de plaatselijke socialezekerheidsdiensten een puinhoop aan. Hij vroeg naar de manager, die hem uiteindelijk een baan aanbood tegen een twee keer zo laag salaris als hij bij de FDO verdiende. Toch zegt hij: ‘Het was het grootste geluk van mijn leven dat ik daar ben beland.’ Hij bleef er tot zijn pensionering – weliswaar niet ‘de schitterende carrière waarvan ik had gedroomd’, maar hij genoot van het werk.

    In zijn eerste weken daar werd hij nog regelmatig bezocht door BVD-agenten. ‘Waar gaat dit over?’ vroeg zijn baas. ‘Nucleaire bommen,’ zei Veerman dan. Agenten bezochten ook zijn huis en ondervroegen hem ooit in zijn slaapkamer terwijl het gezin zijn verjaardag vierde. De BVD suggereerde dat hij vervolgd kon worden als Khans medeplichtige. (Veermans verzoek om inzage in zijn BVD-dossier is afgewezen.)

    Ondertussen vloog Khan regelmatig naar Brussel en reed daarna naar nabijgelegen landen om leveranciers en wetenschappers te bezoeken. De BVD ondernam geen actie, zelfs niet toen de Nederlandse zakenman Nico Zondag in 1977 meldde dat Pakistan producten zocht om een ​​atoombom te bouwen. Een Nederlandse ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken schreef in 1984 in een memo dat de export naar Pakistan doorging, ‘inclusief essentiële bomcomponenten die om welke reden dan ook niet konden worden geblokkeerd’.

    Toen hij zei dat hij zich zou blijven uitspreken, snauwde een directeur van de FDO dat hij door zijn uitspraken was ontslagen

    Khan zei in 1987 dat Europeanen enthousiaste verkopers waren: ‘Mensen achtervolgden ons met cijfers en details van apparatuur die ze hadden verkocht aan Almelo en Capenhurst [de Britse afdeling van een andere Urenco-fabriek]. Ze smeekten ons letterlijk om hun uitrusting te kopen.’ Er waren in die tijd weinig beperkingen op dergelijke export. Als een item problemen zou kunnen opleveren, was het de kunst de bestemming te verbergen door het door een onschadelijk derde land te leiden.

    In 1983 werd Veerman opgeroepen voor een bijeenkomst in de Bijlmergevangenis. Daar, zo vertelde hij later aan de klokkenluidersautoriteit, bevolen regeringsfunctionarissen hem te zwijgen over Khan ‘omdat de internationale betrekkingen en reputatie van Nederland in gevaar waren, evenals de belangen van de Nederlandse industrie’. Toen hij zei dat hij zich zou blijven uitspreken, snauwde een directeur van de FDO dat hij vanwege zijn uitspraken was ontslagen – waarmee de dekmantel van het bedrijf was ontmaskerd.

    Veerman stapte vanaf de vergadering rechtstreeks naar een Nederlandse krant, maar trok zich daarna terug in zijn baan bij de sociale zekerheid en decennialang was er in het openbaar nauwelijks iets over hem te horen. Hij werd op een internationale watchlist geplaatst en jarenlang door de autoriteiten ondervraagd wanneer hij naar het buitenland reisde. Tijdens een familievakantie in Italië werd zijn auto aangehouden door gewapende politie.

    In 1983 veroordeelde Nederland Khan tot vier jaar gevangenisstraf wegens het zoeken naar geheime informatie. Het belangrijkste bewijs waren zijn brieven aan Veerman. Khan was beledigd en klaagde volgens zijn biograaf Zahid Malik dat twee van de rechters Joods waren. Later werd zijn vonnis vernietigd omdat hij de dagvaarding niet had gekregen. De Nederlanders staakten daarna de vervolging van de ernstigste misdaad die op hun grondgebied was gepleegd sinds de Tweede Wereldoorlog. Het ministerie van Justitie gaf later toe dat het juridische dossier van Khan was verdwenen.

    Lubbers, die in 1982 premier werd, wilde dat Khan gearresteerd werd, maar kreeg te horen dat hij het ‘aan de [inlichtingen]diensten moest overlaten’. Terugkijkend zei hij tegen de Argos-radioshow: ‘Washington wist ongetwijfeld alles, hoorde alles. Er is een open lijn tussen Den Haag en Washington (…) Het was erg dom.’ Khan mocht herhaaldelijk naar Nederland terugkeren, onder meer voor een bezoek aan zijn stervende schoonvader in 1992.

    Ze beseften ook te laat dat Khan een nucleaire supermarkt geopend had en starterkits aanbood aan veel landen

    De voormalig directeur van de centrale inlichtingendienst van de CIA, George Tenet, pochte eens: ‘We waren in [Khan’s] woning, in zijn huis, in zijn kamers.’ Toch misten de Amerikanen veel, deels omdat ze verwachtten dat Pakistan een bom zou wilde die gemaakt was met plutonium in plaats van uranium. Ze beseften ook te laat dat Khan een nucleaire supermarkt geopend had en starterkits aanbood aan veel landen, waaronder Syrië en Saoedi-Arabië. Tientallen jaren na zijn vertrek uit Nederland kocht hij nog steeds Nederlandse kennis door. Hij werd rijk. In 1998 werd hij bovendien gevierd als ‘Mohsin-e-Pakistan’ (Redder van Pakistan), nadat het land op een testlocatie zes atoombommen had laten ontploffen.

    Het bewijs van de verkoop kwam naar voren in 2003, toen de Amerikaanse marine een schip onderschepte dat nucleaire technologie vervoerde van een van zijn fabrieken naar Libië. Later overhandigden de Libiërs de Amerikanen twee plastic zakken (met de namen van een kleermaker in Islamabad en een stomerij erop) met bomontwerpen. In 2004 bekende Khan live op televisie dat hij de technologie had overgedragen aan Libië, Iran en Noord-Korea. Tegen die tijd konden de VS zijn straf niet eisen, aangezien Pakistan een bondgenoot was in de ‘oorlog tegen terreur’.

    Ondertussen gaf de Nederlandse regering in 2004 toe dat er Iraanse centrifuges waren gezien die gebruikmaakten van ‘Urenco-technologie uit de jaren zeventig’. De centrifuges van Pakistan waren vergelijkbaar. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken zei tegen Financial Times: ‘Nederland hecht veel belang aan het non-proliferatieverdrag en het voorkomen van proliferatie. Nederland heeft niet actief bijgedragen aan ongewenste verspreiding van kennis.’

    Uit de gratie


    Khan trok zijn bekentenis later in. Enkele jaren kreeg een Amerikaanse documentairemaker Veerman zover om zijn oude vriend te bellen. Khan, die het vervelend vindt om als een gewone spion te worden neergezet, zei tegen hem: ‘Frits, jij bent de grootste leugenaar die er is.’ Khan is nu uit de gratie bij de Pakistaanse regering. Personeel van de veiligheidstroepen, dat in het naastgelegen huis is geïnstalleerd, verhindert hem om zijn familieleden, vrienden en advocaten te ontmoeten, klaagde hij vorige maand tijdens zijn beroep tegen het Pakistaanse Hooggerechtshof.

    Hoe ziet Veerman hem nu? Veerman denkt na en zegt dan: ‘Hij heeft zijn land geweldige diensten bewezen. Volgens mij werkte hij als spion. Dat betekent niet dat ik vijandig tegenover hem sta. Toen we samen tijd doorbrachten, vond ik hem een aardige man.’

    Over zijn eigen land oordeelt Veerman harder: ‘Als Iran er ooit in slaagt Israël te vernietigen, kunnen ze op de wapens “Made in Holland” zetten.’

  • Hoe WhatsApp samenzweringstheorieën in de hand werkt

    Hoe WhatsApp samenzweringstheorieën in de hand werkt

    Naarmate sociale media onverdraagzamer worden, neemt de aantrekkingskracht van particuliere online groepen toe. Maar die hebben hun eigen gevaren. En niet alleen voor de deelnemers zelf.

    In het voorjaar, toen het virus zich over de wereld uitspreidde en miljarden mensen werden gedwongen thuis te blijven, steeg de populariteit van één sociale-media-app in het bijzonder. Eind maart was het gebruik van WhatsApp over de hele wereld met 40 procent gegroeid. In Spanje, waar de lockdown bijzonder streng was, steeg dit zelfs met 76 procent. In die eerste maanden was WhatsApp – dat het midden houdt tussen e-mail, Facebook en sms en waar groepen tekstberichten, links en foto’s met elkaar kunnen delen – een uitstekende manier om niet alleen nieuwsberichten en memes maar ook massale angst te verspreiden.

    Aanvankelijk waren veel van de nieuwe toepassingen bemoedigend. Er ontstonden onderlinge hulpgroepen om kwetsbaren te helpen. Families en vrienden gebruikten de app om contact te houden en hun angsten en zorgen in real time met elkaar te delen. Half april werd de rol die WhatsApp in de pandemie speelde al wat duisterder. Een complottheorie over de lancering van 5G, die al lang voordat Covid-19 opdook in omloop was, luidde nu dat de ziekte werd veroorzaakt door masten voor mobiele telefoons. Overal begonnen mensen 5G-masten in brand te steken steken. Alleen al in het paasweekend werden [in het VK] twintig branden gesticht.

    WhatsApp gold, samen met Facebook en YouTube, als een belangrijk kanaal om de complottheorie te verspreiden. Er werd gevreesd dat in diezelfde groepen die in maart massaal waren opgericht, nu de 5G-theorie volop werd gedeeld. Ondertussen werden via de app nepaudioclips verspreid, zoals de opname van iemand die in de zorg zei te werken en beweerde dat er niet langer ambulances zouden worden gestuurd om mensen met ademhalingsproblemen te helpen.

    Het was niet de eerste keer dat WhatsApp in een controverse verwikkeld raakte. Hoewel de ‘nepnieuws’-schandalen rondom de verkiezingen in 2016 in het VK en de VS meer op Facebook waren gericht – dat eigenaar is van WhatsApp – waren de latere verkiezingsoverwinningen voor Jair Bolsonaro in Brazilië en Narendra Modi in India mede te danken aan opruiende WhatsApp-berichten, waarbij gretig gebruik werd gemaakt van het enorme bereik dat de app in deze landen heeft. In India waren er bovendien meldingen van rellen en vielen er minstens dertig doden als gevolg van geruchten die op WhatsApp circuleren. Het Indiase ministerie van Informatie en Media heeft naar manieren gezocht om de WhatsApp-inhoud te reguleren, maar dat leidde enkel tot een nieuwe controverse vanwege de schending van burgerlijke vrijheden door de regering.

    WhatsApp lijkt een ongewoon effectief middel te zijn om wantrouwen te wekken in openbare instellingen en procedures

    Zoals altijd bestaat het risico dat in een complexe politieke crisis te veel schuld wordt gelegd bij het euvel van een technologie. WhatsApp heeft ook enkele stappen ondernomen om het gebruik van de app als doorgeefluik voor verkeerde informatie te beperken. In maart vertelde een woordvoerder van het bedrijf aan The Washington Post dat het ‘met ministeries van Volksgezondheid over de hele wereld had samengewerkt om burgers eenvoudige manieren te bieden voor het vergaren van accurate informatie over het virus’. Maar ook los van de zichtbare ophef lijkt WhatsApp een ongewoon effectief middel te zijn om wantrouwen te wekken in openbare instellingen en procedures.

    Een WhatsApp-groep kan bestaan ​​zonder dat iemand buiten de groep op de hoogte is van zijn bestaan, wie zijn leden zijn of wat er wordt gedeeld, terwijl end-to-end-codering de groep immuun maakt voor toezicht van buitenaf. Terug in de pre-Covid-19-dagen van Groot-Brittannië, toen Brexit en Jeremy Corbyn de twee onderwerpen vormden die [in het VK] de hevigste politieke discussies veroorzaakten, waren speculatie en paranoia in zulke groepen aan de orde van de dag. Mediacommentatoren die Corbyn verdedigden, werden er vaak van beschuldigd deel uit te maken van een WhatsApp-groep van ‘outriders’, gecoördineerd vanuit Corbyns burelen, die hen zogenaamd had opgedragen hoe ze zich op moesten stellen. Ondertussen zou de pro-Brexit European Research Group van de Conservatieve partij steun krijgen van een WhatsApp-groep waarvan het lidmaatschap nooit openbaar was. Dergelijke theorieën, of ze nou waar zijn of niet, zijn weinig bevorderlijk voor het vertrouwen in de democratie.

    WhatsApp-groepen wekken niet alleen argwaan bij het publiek, maar kunnen ook hun eigen deelnemers wantrouwend maken. Zoals blijkt uit gesloten Facebook-groepen, waar verontwaardigde deelnemers elkaar soms zonder al te veel onderbouwing in de privésfeer opruien, waarna ze in het openbaar overkoken. De eigenschap van zulke groepen om verkeerde informatie en beschuldigingen te verspreiden, begint aanweziger te worden dan de eigenschap om die verspreiding tegen te gaan.

    Er ontstaat een nieuw soort ‘gezond verstand’, gebaseerd op een instinctief wantrouwen jegens de wereld buiten de groep

    De politieke dreiging van WhatsApp is de keerzijde van haar psychologische aantrekkingskracht. In tegenstelling tot zoveel andere socialemediaplatforms, is WhatsApp erop gericht de privacy te beschermen. Positief hieraan is de mogelijkheid tot intimiteit met onze dierbaren en het vermogen om vrij te spreken, maar het werkt ook een ethos van geheimhouding en van wantrouwen in de publieke sfeer in de hand. Nu Facebook, Twitter en Instagram steeds theatraler worden – elk gebaar is bedoeld om indruk te maken dan wel af te schrikken – is WhatsApp een toevluchtsoord geworden binnen een verwarrende, onbetrouwbare wereld, waar gebruikers openhartiger kunnen spreken. De groei van het vertrouwen in zulke groepen gaat ten koste van het vertrouwen in openbare instellingen en ambtenaren. Zo ontstaat een nieuw soort ‘gezond verstand’, gebaseerd op een instinctief wantrouwen jegens de wereld buiten de groep.

    De immer groeiende populariteit van WhatsApp, die ten koste gaat van zowel officiële instellingen als de open sociale media, stelt ons voor een diepgravende politieke vraag: hoe behouden openbare instellingen en discussies legitimiteit en vertrouwen als mensen eenmaal georganiseerd zijn in gesloten en onzichtbare gemeenschappen? Het risico is dat er een vicieuze cirkel ontstaat, waarin privégroepen steeds meer informatie en desinformatie verspreiden om ambtenaren en publieke informatie in diskrediet te brengen, waardoor onze vervreemding van de democratie escaleert.

    Het standaardmiddel voor digitale communicatie

    Toen WhatsApp in 2014 voor $19 miljard door Facebook werd gekocht, was dit de prijzigste technologie-acquisitie uit de geschiedenis. Destijds bracht WhatsApp 450 miljoen gebruikers met zich mee. In februari van dit jaar bereikte het aantal 2 miljard gebruikers wereldwijd – en dat was nog vóór de lockdowns – waarmee het verreweg de meest gebruikte messenger-app is en de op een na meest gebruikte app, na Facebook zelf. In veel landen is WhatsApp het standaardmiddel voor digitale communicatie en sociale coördinatie, vooral onder jongeren.

    De functies die maken dat WhatsApp zich leent als kanaal voor samenzweringstheorieën en politieke conflicten, waren geen onderdeel van sms en hebben meer gemeen met e-mail: het aanmaken van groepen en de mogelijkheid om berichten door te sturen. Die laatste mogelijkheid – die recentelijk is beperkt als reactie op Covid-19-gerelateerde desinformatie – vormt een krachtig informatief wapen. Waren groepen aanvankelijk beperkt tot 100 deelnemers, later werden dit er 256. Dat is klein genoeg om je exclusief te voelen, maar als 256 mensen een bericht doorsturen naar nog eens 256 mensen, hebben al 65.536 het ontvangen.

    Groepen ontstaan ​​voor allerlei doeleinden – een feestje, een sportevent, een gedeelde interesse – maar gaan vervolgens een eigen leven leiden. Dat kan voortkomen uit anarchistische speelsheid, aangezien iedere groep zijn eigen grappen en gewoontes heeft. In een artikel van vorig jaar uit New York Magazine, met als kop ‘Groepschats maken het internet weer leuk’, betoogde technologiecriticus Max Read dat groepen ‘een regelrechte vervanging zijn geworden voor de manier waarop we ons het afgelopen decennium sociaal organiseren: het platformgerichte, op commentaar gebaseerde sociale netwerk.’

    Het is begrijpelijk dat gebruikers alleen op hun gemak zijn als ze weten dat er niemand meekijkt – maar dat heeft ook een minder speelse kant. Als groepen worden gezien als een plek om te zeggen wat je echt denkt, waar de beperkingen van het publieke oordeel of ‘politieke correctheid’ geen rol spelen, dan volgt daaruit automatisch dat dit de plek is waar mensen veroordelingen of meer hatelijke uitingen met elkaar delen, die elders onaanvaardbaar zijn, of zelfs illegaal. Santiago Abascal, de leider van de Spaanse extreemrechtse partij Vox, heeft zich geprofileerd als iemand die bereid is te ‘verdedigen wat de Spanjaarden op WhatsApp beweren’.

    Zo verschilt een WhatsApp-groep van een andere groep waarvan de leden allemaal dezelfde dienst gebruiken, zoals een school, een woonblok of een trainingsprogramma. Negatieve solidariteit kan een rol gaan spelen, waarbij gemeenschapsgevoelens worden versterkt doordat leden zich tegen de betreffende dienst gaan keren. Groepen van dit soort beginnen doorgaans met de wens om informatie te bundelen – studenten die bijvoorbeeld contact houden over deadlines – maar kunnen snel uitmonden in een middel om de instelling waar ze samenkomen in diskrediet te brengen. Een eerste uiting van ontevredenheid kan al snel escaleren, net zolang tot de groep een identiteit heeft opgebouwd gebaseerd op wrok en vervreemding, die onmogelijk nog met tegenargumenten kan worden verdreven.

    De leider van de Spaanse extreemrechtse partij Vox heeft zich geprofileerd als iemand die bereid is te ‘verdedigen wat de Spanjaarden op WhatsApp beweren’

    Met de opkomst van nieuwe technologieën hebben officiële organisaties en verenigingen de mogelijkheid mensen op hun favoriete platform tegemoet te komen. In maart introduceerde de regering [van het VK] een op WhatsApp gebaseerde informatiedienst over Covid-19, met een geautomatiseerde chatbot. Maar deze groepen zijn niet altijd de beste manier om cruciale informatie bij mensen te krijgen. Lokale politieke organisatoren en vakbondsvertegenwoordigers merkten dat hun werkdruk ondanks de aanvankelijke efficiëntie van WhatsApp-groepen doorgaans toeneemt vanwege het groeiende aantal subgemeenschappen, die elk afzonderlijk moeten worden gecontacteerd. Scholen proberen wanhopig informatie aan ouders te verstrekken, maar ontdekken dat deze niet wordt geregistreerd, tenzij in de juiste WhatsApp-groep gedeeld. Het tijdperk van het prikbord, of het nu fysiek of digitaal is, waar informatie eenmalig wordt geplaatst voor ieder die het aangaat, is voorbij.

    De ‘broadcast list’-functie van WhatsApp, waarmee berichten kunnen worden verzonden naar meerdere ontvangers die voor elkaar onzichtbaar zijn (zoals de ‘bcc’-regel van e-mail), verlicht het probleem van groepen die een eigen leven gaan leiden enigszins. Maar ook die lijsten kunnen alleen mensen bevatten die al een contact zijn van de lijsteigenaar. Voor dergelijke instellingen is het probleem kortom dat WhatsApp vooral lijkt te worden gebruikt voor informele, privécommunicatie. Universitaire docenten zijn vaak verbijsterd door de ontdekking dat veel studenten geen e-mail lezen. Als e-mail in verval raakt, lijkt WhatsApp geen haalbaar alternatief om geverifieerde informatie zo breed en inclusief mogelijk te delen.

    Groepen zijn geweldig voor korte uitbarstingen van humor of frustratie, maar lenen zich van nature veel minder goed om de verspreiding van openbare informatie te ondersteunen. Om te begrijpen hoe dit komt, moeten we nadenken over de manier waarop individuen worden beïnvloed en meegesleept zodra ze deel gaan uitmaken van een groep.

    Faux pas

    Het internet heeft zijn eigen litanie van sociale pathologieën en bedreigingen met zich meegebracht. Trolling [iemand die berichten plaatst om emotionele reacties te veroorzaken], flaming [het plaatsen van berichten op het internet die aanvallend of beledigend zijn], doxing [het vergaren en publiceren van beledigende informatie over een individu] en pile-ons [mensen die zich massaal en vaak onrechtmatig tegen iets of iemand keren] zijn stuk voor stuk symptomen die horen bij de omgang op een enorme open ontmoetingsplek. ‘Open’ platforms als Twitter herinneren eraan dat sociale interactie gericht op een kleine en selecte gemeenschap al snel belachelijk of beschamend overkomt als ze aan een andere gemeenschap worden blootgesteld.

    Zoals iedere frequente gebruiker van WhatsApp of een gesloten Facebook-groep weet, is de morele angst die met groepen gepaard gaat weer anders. Bestaat de zorg in een open netwerk erin beoordeeld te worden door een externe waarnemer, of dat nu de baas is of een ver familielid, in een gesloten groep is dat om iets te zeggen dat indruist tegen de codes die de identiteit van de groep bepalen. Groepen kunnen snel gedomineerd worden door een bepaalde toon of een wereldbeeld dat beter niet kan worden tegengesproken en vrijwel onverwoestbaar is. Berichten die in de feed blijven hangen, wachtend op een reactie, kunnen gevoelens van faux pas opwekken.

    Dit betekent dat hoewel groepen een hoge mate van solidariteit kunnen genereren, wat in principe een krachtig politiek effect kan hebben, het ook moeilijker wordt om binnen de groep onenigheid te uiten. Als bijvoorbeeld een uitgesproken en populair lid van een WhatsApp-groep verkeerde informatie begint te verspreiden over gezondheidsrisico’s, zullen deze vanwege de algemene drang naar solidariteit waarschijnlijk met dank en instemming worden ontvangen. Als in een groep een stelling of artikel wordt gedeeld, kunnen er nog zoveel leden zijn die het beweerde in twijfel trekken, maar ze zullen het niet gauw over durven brengen. Ondertussen heeft iemand die minder kritisch is, het bericht allang doorgestuurd. Zodoende is WhatsApp een krachtige distributeur van ‘nepnieuws’ en complottheorieën.

    Net als op open sociale platforms wordt solidariteit binnen een WhatsApp-groep vooral opgebouwd door een of ander onrecht op te werpen, of een vijand die een bedreiging vormt. In het oog springende voorbeelden zijn de complottheorieën over politieke tegenstanders, bijvoorbeeld dat ze pedofiel zijn of samenspannen met buitenlandse machten. Dergelijke geruchten, die makkelijk te weerleggen zijn, gingen op verschillende platforms volop rond tijdens de succesvolle verkiezingscampagnes van Modi, Bolsonaro en Donald Trump.

    Het plotseling uitroepen van bedreigingen en onrecht in een groep verloopt vaak volgens een bepaald patroon. Het begint meestal met één deelnemer die speculeert dat de groep wordt gedupeerd of het doelwit is van een instelling of een concurrerende groep – of het nu een openbare dienst, een bedrijf of een culturele gemeenschap is. Een tweede deelnemer stemt ermee in. In deze fase wordt het voor een derde al riskant om de instelling of groep in kwestie te verdedigen, en daarmee zijn een nieuwe vijand en een nieuwe wrok in het leven geroepen. Vrijwel meteen krijgen de waarschuwingen en aanklachten die nu binnen de groep rondgaan een niveau van authenticiteit die niet kan worden weerlegd door de persoon, instelling of gemeenschap in kwestie.

    Veel groepen hebben een instinctief scepticisme ontwikkeld tegenover alles wat uit de “mainstream” komt

    Maar wat als de eerste deelnemer iets verkeerd heeft begrepen of gelezen, of een stressvolle dag heeft gehad en stoom moet afblazen? En wat als de tweede alleen maar instemt om de eerste beter te laten voelen? En wat als de andere leden te afgeleid zijn, dan wel te geremd of te moe om iets te zeggen om diens verontwaardiging tegen te gaan? Natuurlijk hoeft zo’n proces niet te leiden tot samenzweringstheorieën die rellen of brandstichtingen veroorzaken. Maar zelfs in mildere vormen maakt deze gang van zaken het verstrekken van officiële – soms levensreddende – informatie veel moeilijker dan tien jaar geleden. Informatie over openbare diensten en gezondheidsrisico’s moet in steeds grotere mate door een opeenhoping van overlappende groepen heen zien te dringen, waarvan vele bovendien een instinctief scepticisme hebben ontwikkeld tegenover alles wat uit de ‘mainstream’ komt.

    Instellingen lopen er onder andere tegen aan dat er vaak een vreemde emotionele troost zit in het gedeelde gevoel van vervreemding en passiviteit. ‘Daar zijn we nooit van op de hoogte gebracht’, ‘niemand heeft ons iets gevraagd’, ‘we worden genegeerd’. Dit zijn de heersende opvattingen van onze politieke tijdgeest. Nu nieuws en informatie steeds vaker via WhatsApp worden verspreid, dreigt er een vicieuze cirkel te ontstaan: de openbare wereld schijnt ons steeds verder weg, onpersoonlijker en onechter toe, terwijl de privégroep de plek wordt voor sympathie en authenticiteit.

    Dit is een nieuwe wending in de evolutie van het sociale internet. Sinds de jaren negentig belooft het internet connectiviteit, openheid en inclusiviteit, waarna het te maken kreeg met de onvermijdelijke bedreiging van privacy, veiligheid en identiteit. Groepen daarentegen zorgen ervoor dat mensen zich veilig en verankerd voelen, maar dragen ook bij aan de opsplitsing van het maatschappelijk middenveld in afzonderlijke, elkaar onbekende kliekjes. Dit is het resultaat van meer dan twintig jaar ideologische strijd over wat voor soort sociale ruimte het internet zou moeten zijn.

    Web 2.0

    Aan het begin van het millennium vormden de O’Reilly Emerging Technology Conferences (of ETech) een paar jaar lang dé plek waar een nieuwe digitale wereld werd vormgegeven en besproken. Deze conferenties, gelanceerd door mediaondernemer Tim O’Reilly en jaarlijks georganiseerd in Californië, trokken een mix van nerds, goeroes, ontwerpers en ondernemers die meer door nieuwsgierigheid dan vanuit commerciële overwegingen bijeen werden gedreven. In 2005 bedacht O’Reilly de term ‘web 2.0’ om een ​​nieuwe golf van websites te beschrijven die gebruikers met elkaar verbonden, in plaats van met bestaande offline instellingen. Later dat jaar werd de domeinnaam facebook.com gekocht door een 21-jarige student van Harvard en was het tijdperk van de reusachtige socialemediaplatforms aangebroken.

    Binnen deze korte periode bestonden er concurrerende ideeën over hoe een wenselijke online community eruit zou kunnen zien. De meer idealistische techgoeroes die ETech bijwoonden, drongen erop aan dat het internet een open openbare ruimte zou blijven, zij het een waarin bepaalde gemeenschappen konden clusteren voor hun eigen specifieke doeleinden, zoals het creëren van open-source softwareprojecten of het opstellen van Wikipedia-vermeldingen. Het onbenutte potentieel van internet lag volgens hen in de bevordering van de democratie. Maar voor bedrijven als Facebook bood internet de mogelijkheid om massaal gegevens over gebruikers te verzamelen, en bood het de potentie van meer toezicht. De opkomst van de gigantische platforms vanaf 2005 suggereerde dat deze laatste opvatting had gewonnen. Toch zijn we door een vreemde wending nu ineens getuige van een heropleving van anarchistische, zelforganiserende digitale groepen – die eveneens in handen zijn van Facebook. De twee concurrerende visies zijn met elkaar in botsing gekomen.

    Om te zien hoe dat zo is ontstaan, is het interessant om terug te gaan naar 2003. Tijdens de ETech-conferentie dat jaar werd een belangrijke speech gehouden door webfanaat en schrijver Clay Shirky, nu academicus aan de New York University, die zijn publiek verraste door te verklaren dat de taak om succesvolle online communities te ontwerpen vrijwel niets met technologie te maken had. De lezing, waarin Shirky terugkeek op een van de meest vruchtbare periodes in de geschiedenis van de sociale psychologie, had als titel ‘Een groep is haar eigen ergste vijand’.

    Shirky putte uit het werk van de Britse psychoanalyticus en psycholoog Wilfred Bion, die samen met Kurt Lewin een van de pioniers was van de bestudering van ‘groepsdynamiek’ in de jaren veertig. De centrale stelling van deze school was dat groepen psychologische eigenschappen bezitten die onafhankelijk van hun individuele leden bestaan. In groepen merken mensen dat ze zich gedragen op manieren waarop ze zich nooit zouden gedragen als ze in hun eentje handelden.

    Evenals door Stanley Milgrams beruchte reeks experimenten in de vroege jaren zestig om gehoorzaamheid te testen – waarbij sommige deelnemers werden overgehaald om anderen schijnbaar pijnlijke elektrische schokken toe te dienen – groeide de bezorgdheid over de groepsdynamiek halverwege de twintigste eeuw in de schaduw van de politieke verschrikkingen van de jaren dertig en jaren veertig, die ernstige vragen hadden opgeworpen over hoe een individu afstand doet van zijn moreel besef. Lewin en Bion stelden dat groepen hun eigen persoonlijkheden bezitten, die organisch ontstaan ​​door de interactie van hun leden, ongeacht welke regels ze hebben meegekregen of wat ze normaliter rationeel zouden doen.

    Met het aanbreken van de jaren zestig, het tijdperk van meer individualistische politieke verwachtingen, begon de belangstelling van psychologen voor groepen af ​​te nemen. De veronderstelling dat individuen door conformisme worden geregeerd verloor aan kracht. Toen Shirky het werk van Bion op de O’Reilly-conferentie in 2003 opbracht, was dat controversieel. Wat hij terecht opmerkte was dat, bij gebrek aan expliciete structuren of regels, veel online gemeenschappen vochten tegen de ontwrichtende dynamiek die de psychologen van de jaren veertig fascineerde.

    Shirky benadrukte in het bijzonder één gebied van Bions werk: hoe groepen spontaan hun eigenhandig vastgestelde doelen saboteren. Het mooie van vroege online communities, zoals listservs, message boards en wiki’s, was de geest van egalitarisme, humor en informaliteit. Maar deze zelfde eigenschappen werkten hen vaak tegen als het erom ging iets constructiefs gedaan te krijgen, en konden hinderlijk en ergerniswekkend worden. Als binnen de ene groep de andere groep eenmaal werd bespot of als tegenstander beschouwd, was het heel moeilijk daarvan terug te komen.

    Net als een goed ontworpen park of straat, kan een goed ontworpen online ruimte gezonde gezelligheid bevorderen

    Bion maakte zich zorgen over de duistere impulsen van de mensheid. De visie die Shirky die dag aan zijn publiek voorlegde, was optimistischer. Als de ontwerpers van online ruimtes verstorende ‘groepsdynamiek’ zouden kunnen voorkomen, betoogde hij, dan zou het mogelijk worden om samenhangende, productieve online gemeenschappen te creëren die zowel open waren als constructief. Net als een goed ontworpen park of straat, kan een goed ontworpen online ruimte gezonde gezelligheid bevorderen zonder dat er beleid, toezicht of uitsluiting van buitenstaanders aan te pas hoeft te komen. Tussen het ene uiterste van anarchistische chaos (trollen) en het andere uiterste van strikte moderatie en regulering van de gesprekken (bij wijze van autoriteitsfiguur), hield het denken in termen van groepsdynamiek voor hem de belofte in van een sociaal web dat nog grotendeels zelforganiserend was, maar ook relatief overzichtelijk.

    Maar er diende zich nog een andere oplossing aan voor hetzelfde probleem, waarvan de gevolgen de wereld zouden veranderen: de groepsdynamiek werd vervangen door de reputatiedynamiek. Als iemand online bepaalde offline kenmerken heeft, zoals een functie, een album met getagde foto’s, een lijst met vrienden en een e-mailadres, zal diegene zich gedragen op een manier die past bij deze openbare identiteitsgegevens. Voeg steeds meer toezicht toe aan de mix, zowel door collega’s als door bedrijven, en het probleem van spontane groepsdynamiek verdwijnt. Als je openbaar zichtbaar bent is het gemakkelijker om je zelfbeheersing te bewaren en gewetensvol te zijn, zelfs tegenover vrienden, familie en collega’s.

    Voor veel van de Californische pioniers op het gebied van cybercultuur, die online gemeenschappen koesterden als een ontsnapping aan de waarden en beperkingen van de kapitalistische samenleving, betekent de overwinning van Zuckerberg een regelrechte nederlaag. Het was nooit de bedoeling dat bedrijven de controle over deze ruimte zouden krijgen. In 2005 hoopte men nog dat het sociale web zou worden opgebouwd rondom democratische principes en gemeenschappen van onderaf. Facebook heeft dat hele idee opgegeven door van internet simpelweg een multimediale telefoongids te maken.

    De laatste ETech vond plaats in 2009. Minder dan tien jaar later zou Facebook ervan worden beschuldigd de liberale democratie tot het uiterste te hebben gedreven en de waarheid zelf te hebben vernietigd. Maar nu de eisen van sociale media, waarop we allemaal een profiel hebben samengesteld en een identiteit opgebouwd, steeds zwaarder op ons drukken, is de verleiding van de autonome groep weer opgedoken. In sommige opzichten is de optimistische bezorgdheid van Shirky de pessimistische bezorgdheid van vandaag geworden. Mede dankzij WhatsApp is het ongemodereerde, zelfbesturende, amorele collectief – groter dan een gesprek, kleiner dan een publiek – een dominante en ontwrichtende politieke macht geworden in onze samenleving, zoals figuren als Bion en Lewin reeds vreesden.

    Het medium is de boodschap

    Conspiracytheorieën en paranoïde groepsdynamiek kenmerkten het politieke leven al lang voordat WhatsApp bestond. Het heeft geen zin om de app de schuld te geven van het bestaan ervan, net zo min als het logisch is om Facebook de schuld te geven van de Brexit. Maar door te kijken naar de soorten gedrag en sociale structuren die technologieën mogelijk maken en uitvergroten, krijgen we een beter beeld van bepaalde eigenschappen en kwalen van de samenleving. Wat zijn de neigingen die door WhatsApp worden versterkt?

    Allereerst is er het probleem van samenzweringen in het algemeen. WhatsApp is zonder twijfel een ongeëvenaard kanaal voor het circuleren van complottheorieën, maar we moeten ook onder ogen zien dat het een uitstekend hulpmiddel lijkt te zijn voor het faciliteren van echt samenzweringsgedrag. Een van de grote problemen bij het overwegen van een samenzweringstheorie in de wereld van vandaag is dat sommige samenzweringen waar blijken te zijn: denk aan het Libor-schandaal, het afluisteren van telefoons of de inspanningen van Labour-partijfunctionarissen om de electorale vooruitzichten van Jeremy Corbyn te dwarsbomen. Dat gebeurde allemaal echt, maar iemand die erover had gespeculeerd zou totdat het tegendeel werd bewezen als een complottheoreticus zijn weggezet.

    Een communicatiemedium dat groepen van maximaal 256 mensen verbindt, zonder enige publieke zichtbaarheid en wordt gebruikt op de telefoon in je zak, is van nature zeer geschikt om geheimhouding te ondersteunen. Uiteraard telt niet elke groepschat als een ‘samenzwering’. Maar het medium maakt dat de samenleving, wie met wie geassocieerd wordt, een kwestie wordt van speculatie – iets dat een zweem van samenzwering met zich meedraagt. In die zin is WhatsApp niet alleen een kanaal voor het verspreiden van complottheorieën, maar voedt het ze bovendien. Het medium is de boodschap.

    Het volledige politieke potentieel van WhatsApp is in het VK voor zover bekend nog niet benut. Tot op heden heeft het niet gediend als effectief instrument voor politieke campagnes, deels omdat gebruikers terughoudend lijken om zich aan te sluiten bij grote groepen mensen die ze niet kennen. De invloed – al dan niet reëel – van WhatsApp-groepen binnen Westminster en de media draagt ​​ongetwijfeld bij aan het gevoel dat het openbare leven een schijnvertoning is, waarachter onzichtbare netwerken schuilgaan die de macht coördineren. WhatsApp is een soort ‘backstage’ van het openbare leven geworden, waar mensen worden geacht onder woorden te brengen wat ze echt denken en heimelijk geloven. Dit is een kenmerk dat al lange tijd complottheorieën aanwakkert, vooral antisemitische. Onzichtbare WhatsApp-groepen kunnen in die zin dienen als een soort moderne variant op vrijmetselaarslodges of de Rothschilds.

    Binnen de veiligheid van de groep wordt het mogelijk om tegelijkertijd radicaal en orthodox te zijn, zowel sceptisch als volgzaam

    Voorbij de wereld van de partijpolitiek en nieuwsmedia, ligt een samenleving in het verschiet die een aaneenschakeling is van overlappende kliekjes, elk met hun eigen overtuigingen. Groepen zullen eerder geneigd zijn anders denken en het nemen van risico’s te ontmoedigen, en deelnemers aansporen tot conformiteit, zij het vaak aan de hand van normen die vijandig staan ​​tegenover die van de ‘mainstream’, of dat nu de media, de politiek of professionele ambtenaren zijn die gewoon hun werk doen. Binnen de veiligheid van de groep wordt het mogelijk om van beide walletjes te eten, om tegelijkertijd radicaal en orthodox te zijn, zowel sceptisch als volgzaam.

    Ondanks alle voordelen die WhatsApp biedt om mensen te helpen zich dicht bij anderen te voelen, is de snelle opkomst tegelijk een zoveelste teken van hoe een gemeenschappelijke openbare wereld – gebaseerd op geverifieerde feiten en erkende procedures – uit elkaar valt. WhatsApp is goed uitgerust om communicatie in de marge van instellingen en publieke discussie te ondersteunen: afkerigen die coups beramen, ouders die roddelen over leraren, vrienden die scherpe memes delen, journalisten die geruchten verspreiden, familieleden die onofficieel medisch advies doorsturen. Een samenleving die alleen in zulke marges eerlijk spreekt, zal het moeilijker vinden om de legitimiteit van deskundigen, ambtenaren en vertegenwoordigers die per definitie in de schijnwerpers staan, te erkennen. Ondertussen worden wantrouwen, vervreemding en samenzweringstheorieën de norm, waardoor de instellingen die ons bij elkaar zouden kunnen houden, steeds verder afbrokkelen.

  • ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    ‘Monsters bestaan – ook in onze tijd’

    Mag je massamoordenaars monsters noemen? Ja, vindt hoogleraar filosofie Stephen T. Asma. ‘Monster is een woord dat we gebruiken voor mensen van wie we gedrag, motieven, denkpatronen vrijwel niet of totaal niet kunnen begrijpen.’ 

    Keuze uit het archief

    Ook al is het in liberale samenlevingen not done om mensen te demoniseren, stelt filosoof Stephen T. Asma in dit artikel uit 2017, toch zijn er nog steeds monsters onder ons. Zoals massamoordenaar Stephen Paddock, die in 2017 zestig mensen doodschoot tijdens een countryconcert in Las Vegas. Hoe gaan we om met dit soort mensen van wie de daden buiten ons voorstellingsvermogen liggen?

    Wat is een monster eigenlijk?

    ‘Het woord komt van het Latijnse werkwoord monstrare, waarschuwen. Met name in de antieke Griekse en Romeinse cultuur werd het woord bijvoorbeeld gebruikt voor een baby die was geboren als Siamese tweeling, of die een arm of been miste, of er juist een extra had. Zo’n kind werd beschouwd als een monster. De Grieken noemden hen teratos. Ze dachten dat het een gruwelijke straf was voor immoreel gedrag – een idee dat ook de middeleeuwse christenen graag toepasten om allerlei voorspellingen te doen. Het was een teken dat er onheil dreigde voor de staat of voor de keizer van dat moment of voor een bepaalde veldslag. Een monster is een mengeling van natuurlijke rampspoed en bovennatuurlijke betekenis.’

    Zijn monsters een uiting van weerzin?

    ‘Ja, er komt ook altijd een emotioneel en affectief aspect bij kijken. Een interessante filosoof, Noël Carroll, laat zien dat monsters, vooral moderne monsters uit het horrorgenre, altijd slijm uitscheiden of extra aanhangsels en tentakels hebben. Ze hebben iets wat ingaat tegen ons gevoel voor lichaamsbarrières of lichaamsbegrenzingen. Dat veroorzaakt vaak het gevoel van walging. Daarom zijn monsters vaak politiek zo nuttig. Een beschaving die ten oorlog trekt, zal altijd de tegenstanders demoniseren of “monsteriseren”. Die worden dan neergezet als onbeschaafd en walgelijk, bijvoorbeeld als het gaat om hun seksuele hygiëne. Ze worden een mikpunt van afkeer.’

    Dus in sociologische termen zijn zij de ‘outgroup’?

    ‘Juist: jij bent anders dan wij. Vreemdelingenhaat loopt als een rode draad door de geschiedenis van monsters. Als jij anders bent dan wij, dan reageren we met walging of zijn we bang en op onze hoede. Dat zie je in de antieke wereld, in de middeleeuwen en ook nu nog in het heden, aan de manier waarop wij onze vijanden neerzetten.’

    Heeft religie een rol gespeeld in het vormen van monsters?

    ‘Religie bouwt nooit alleen maar een pantheon van goden. Die goden zijn altijd een antwoord op een dreiging die wordt gepresenteerd via een of ander monsterverhaal. Als je naar de oudste verhalen kijkt, of dat nu in de hindoeïstische, de Chinese of de Mesopotamische literatuur is, zoals de Gilgamesj, altijd kom je er wel een monsterheld of heldmonster tegen. Dit moet wel te maken hebben met een evolutionaire strategie voor het vormen van fictieve familiegroepen. Hoe zorg je dat grote aantallen mensen die geen bloedverwanten zijn toch samenwerkende groepen worden? Daarvoor heb je dit soort verhalen nodig.’

    Frankenstein.
    Frankenstein

    Hebben monsters een evolutionaire functie?

    ‘Anderen wegzetten als monsters kan een uiterst nuttige aanpassing geweest zijn voor de eigen overleving als groep. De natuur was geen warm, gezellig holletje. Zulke horrorverhalen hadden nut omdat mensen erdoor gingen oppassen voor echte vijanden – zowel voor dieren als voor menselijke vijanden. Het folkloristische weerwolfverhaal was wijdverbreid in Europa. Dat is logisch, want de wolven in Noord-Europa waren een bedreiging voor Europeanen. In de Amerika’s bestaat een weerbeerfolklore, omdat oorspronkelijke Amerikanen zich zorgen maakten over echte beren en bang waren opgegeten of aangevallen te worden door beren. Als je naar de monsters van die werelden kijkt, zie je dat ze eenzelfde transformatiefunctie hebben. Het dier dat je kunt worden, of waarvoor je bang moet zijn, is het plaatselijke roofdier.’

    U schrijft dat er nog een andere kant aan het verhaal zit. Welke is dat?

    Dat gaat om een interessant gegeven dat niet veel aandacht krijgt. Daarbij gaat het niet om xenofobie, maar om xeno-nieuwsgierigheid. Een klassiek voorbeeld is dat van Sint-Augustinus. Hij weet dat monsters geacht worden in Afrika en het Oosten te leven. Daartoe behoren ook cyclopen en cynocehali, wezens met een hondenkop, en de blemmyes, wezens zonder hoofd maar met hun gezicht op hun borst. Iedereen denkt dat deze monsters incarnaties van het kwaad zijn, de kinderen van Kaïn: doorboor hun hart en ze zijn er geweest. Maar Augustinus benadrukt de “wonderlijke” kant van deze schepsels. Hij zegt: “Deze wezens zijn griezelig, maar als we met ze kunnen praten en als dan blijkt dat ze een bepaald vermogen tot redelijk denken bezitten, kunnen ze misschien gered worden, dan kunnen ze misschien deel uitmaken van de Verlossing.”’

    ‘Volgens het moderne, liberale standpunt heeft het monster een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen’

    Hoe is deze traditie door de jaren heen overgeleverd?

    ‘Het is typisch iets voor het westerse liberale denken om de kring van tolerantie uit te willen breiden naar degenen die anders zijn dan jij. Vanuit het moderne liberale standpunt is het heel verkeerd om een afkeer te hebben van vreemdelingen. Je hoort anderen niet te monsteriseren of demoniseren, je hoort geen walging van hen te voelen. Zo kun je ook Frankenstein interpreteren. Als ze op middelbare scholen Frankenstein behandelen, gebruiken ze dat verhaal om te laten zien dat je agressie en geweld oproept door geen verschillen in je groep toe te laten. Dat is een liberale interpretatie van het monster. Het monster is niet het kwaad. Het monster heeft een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen.’

    Wanneer werd ‘monster’ een term voor een mens?

    ‘Dat is echt een interessant onderwerp. Er zijn een paar lijnen die we kunnen volgen. Een loopt naar de oude Grieken, die het verschijnsel van een monsterlijk verlangen kenden. Je kon een verlangen in je hebben dat zo overweldigend was dat het je van jezelf vervreemdde. Dat Medea haar kinderen vermoordt, dat de ene persoon de andere doodt of dat liefde je krankzinnig maakt, komt doordat Eros je monsterlijke dingen laat doen. Het was een bezetenheid van binnenuit, een psychologisch vermogen dat je niet goed had gekanaliseerd. Ik denk dat die lijn doorloopt tot Freud en het idee van een “id” dat ons ware zelf is. In ons allemaal zit iets wat zorgvuldig moet worden beheerst. Anders pleegt het psychopathologische daden. Dat zie je nu met de schutter van Las Vegas. We willen weten waarom hij het deed. Is er iets in onszelf dat ons ook iets dergelijks kan laten doen als we het niet in de hand houden?’

    Zou u Stephen Paddock, de schutter van Las Vegas, een monster noemen?

    ‘Jazeker. Daar komt de term “monster” nog steeds goed van pas. Hij verwijst naar een categorie monster dat we niet kunnen begrijpen. Zodat we zeggen “Dit gaat er bij mij echt niet in. Hier snap ik helemaal niks van.”’

    Waarom komt de term ‘monster’ dan goed van pas?

    ‘Veel mensen denken: Ach, het woord monster is niet meer van deze tijd, je moet het niet meer gebruiken; je moet mensen en hun drijfveren begrijpen. Ik ben van mening dat de term monster nog steeds goed bruikbaar is wanneer je met iemand als Stephen Paddock te maken krijgt. Een van de kenmerken van een monster is dat het niet iemand is met wie je rationeel kunt onderhandelen. Met een vijand kun je nog raakvlakken vinden, zijn er dingen die je kunt volgen. Je vijand haat je misschien. Misschien heeft het conflict een economische achtergrond. Monster is een woord dat we alleen gebruiken voor mensen met wie niet onderhandeld kan worden. Het is vrijwel, zo niet geheel onmogelijk om hun gedrag, hun motieven, hun denkpatroon te begrijpen. Ons gebruikelijke inlevingsvermogen werkt bij deze mensen niet. “Monster” roept negatieve associaties op, en daar valt over te discussiëren. Maar in dit geval is het volkomen terecht om het woord te gebruiken.’

    Moeten we ons eenvoudigweg neerleggen bij het feit dat mensen monsterlijk kunnen zijn?

    ‘Dat is een lastige vraag. Ik heb eens een rechter geïnterviewd die zich dertig jaar lang had beziggehouden met de beestachtigste misdadigers waarover wij alleen maar in de krant lezen. Hetzelfde geldt voor mijn broer, die als detective voor een advocatenkantoor werkt. Allebei zeggen ze hetzelfde: soms ondervraag je iemand die gevangenzit omdat hij zijn kinderen heeft vermoord of iets anders gruwelijks heeft gedaan, maar zodra je met zo iemand in gesprek raakt, wordt het heel moeilijk om hem als monster te blijven zien. Mijn broer vertelde me een keer over zijn gesprek met een man die algemeen gezien wordt als een monster. Na een paar uur komt het gesprek op muziek. Het blijkt dat ze dezelfde muzikale smaak hebben. Misschien roken ze samen een sigaret. Plotseling heb je met zo iemand een natuurlijke menselijke relatie. Dat verandert wel iets aan je neiging om deze persoon alleen maar als een monster te zien.

    ‘In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: ‘Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad’’

    De rechter maakte een onderscheid. Hij zei: “Ik vind hun daden monsterlijk, maar ik zie de persoon niet als een monster.” Volgens mij maakt de wet daar nog een extra onderscheid bij. In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: “Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad.” Het Amerikaanse recht kent nog een categorie mens, die wordt aangeduid met die prachtig negentiende-eeuws klinkende term: iemand die een “kwaadaardig hart” heeft. Dat is echt een juridische term, want hij maakt deel uit van de juridische definitie van malice – boze opzet – en staat in de Californische strafwet. Het betekent dat het een karakterkwestie is. Deze persoon heeft de bedoeling een ander pijn te doen, en geniet daar mogelijk van. Ik vind het interessant dat de wet erkent dat er mensen zijn die gewoon door en door slecht zijn en ingeperkt moeten worden. Het is niet zo dat ze een moment van monsterlijkheid hadden of een monsterlijke daad pleegden. Dit zíjn monsters.’

    Maar kun je een persoon scheiden van zijn of haar daden? Het is toch een en hetzelfde brein dat erachter zit.

    ‘Ja, dit zijn typeringen die voortkomen uit de folklore, neem ik aan. Maar folklore is vaak overheersend in de wet. Aan de andere kant, als je er alleen vanuit de neurowetenschap naar kijkt, kan ik me voorstellen dat je al snel naar determinisme neigt. Wat zouden we tegenkomen wanneer we in de hersens van iemand als Stephen Paddock keken? Vinden we dan een tumor? Er is nog geen ander motief opgedoken, dus neig ik in die richting. Misschien was het iets dergelijks. De zaak is nog niet afgerond. We hebben meer informatie nodig. Maar je hebt gelijk: kan een beestachtige daad worden gescheiden van de persoon, is de persoon niet de som van zijn daden? Aan de andere kant hebben we wel enig onderscheid nodig tussen iemand die iets doet terwijl hij tijdelijk de controle over zichzelf kwijt is, en iemand die bewust een gruweldaad bedenkt en tot in de details uitwerkt. Daarom is een term als “karakter” nog steeds bruikbaar in de menswetenschappen. In termen van de neurowetenschap, tja, er zal heus geen afzonderlijk mensje in de hersens zitten, maar er is misschien wel een verhaal te vertellen over het falen van het systeem dat de impulsen moet beheersen.’

    Is elk mens in staat tot monsterlijkheid?

    ‘Ik denk dat elk mens in staat is tot het plegen van monsterlijke daden, maar echte monsters zijn vrij zeldzaam. Onze darwiniaanse erfenis heeft ons allemaal evolutionair gevormde vormen van agressie meegegeven, maar onze roofdierneigingen worden getemperd door verzorging en culturele opvoeding. Bij psychopathische persoonlijkheden spelen een gebrek aan goed ouderschap en culturele opvoeding vaak een rol, in combinatie met hersenafwijkingen. Toch kunnen ook bepaalde ideologieën zoals het jihadisme of het imperialisme een normaal gesproken empathisch persoon in een monster veranderen. Slechte ideeën kunnen onze prosociale gevoelens een andere richting geven en een kwaadaardig hart scheppen.’

    Wie of wat maakt een leider monsterlijk?

    ‘De tirannieke man heeft aantrekkingskracht voor mensen die zich bedreigd voelen of voor een staat die zich bedreigt voelt. Dat zie je telkens weer. Sociologen en antropologen noemen dit het verschijnsel van de “sterke man”: een groep voelt zich bedreigd, hun basisbehoeften worden niet vervuld, en er komt een charismatische, tirannieke figuur op. Zo ging het met Hitler. Zo ging het met Stalin. Ik heb in Cambodja gewoond en weet veel over het verhaal van de Rode Khmer en Pol Pot. Maar zelfs Plato zei het al in zijn Republica. Het interessante is dat het moeilijk is kritiek op zo iemand te leveren of er tegenwicht aan te bieden, omdat de tiran of de monsterlijke leider alleen maar agressief hoeft te zijn. Dat is zijn enige taak. Jij kunt wel zeggen dat hij irrationeel is of onlogisch, of moeilijk om mee samen te werken, maar dat maakt niets uit. Dat zijn gewoon de “deugden” van een monsterlijke leider. Neem het gedoe tussen Donald Trump en “Little Rocket Man”, zoals hij Kim Jong-un tegenwoordig noemt. De aantrekkingskracht van Trump op zijn aanhangers is denk ik dat Trump nu gestoord lijkt en dat andere grote mannen, grote bazen, misschien wel een andere gestoorde man zullen erkennen en respecteren. Dit zou een afschrikkend effect kunnen hebben. Het zou deels ook kunnen verklaren waarom een monsterlijke man aan de macht blijft.’

    Wat bedoelt u als u schrijft dat monsters een morele functie hebben?

    ‘Monsters kunnen deel uitmaken van de morele verbeelding als manier om te laten zien wat we niet willen zijn. Een duidelijk voorbeeld is dat van de jihadi die een journalist onthoofdt. Maar er zijn ook subtiele vormen, zoals Ebenezer Scrooge. Onze literatuur en cultuur scheppen iconen van immoraliteit en die dragen bij aan de vorming van ons gedrag en ons denken. Veel mensen genieten van horror in bijvoorbeeld The Walking Dead, omdat het een soort generale repetitie is. Ik verwacht geen zombieapocalyps, maar ik vraag me wel af wat er zou gebeuren als het netwerk uitviel en wij geen elektriciteit hadden en er opeens voedselgebrek zou zijn. Wat zou er gebeuren als de moderne samenleving knarsend tot stilstand kwam? Veel monsterscenario’s zouden een vervangende training kunnen zijn voor wat er tussen mensen zou kunnen gebeuren.’

    Wat is uw monster? ‘Ik ben bang voor diep, donker water. Het is een bijna verlammende angst voor zeemonsters, wat een volkomen irrationele en belachelijke angst is. Daardoor ben ik me gaan afvragen hoe het nou eigenlijk zit.’

    En, hoe zit het?

    ‘Als je filosofie studeert, ben je behept met het vooroordeel van dit vakgebied tegen irrationaliteit. Zijn de knopen eenmaal ontward, dan moet rationaliteit het grote licht van de psyche zijn. Dat licht schijnt naar binnen en verklaart bovennatuurlijkheid en irrationele angsten. Je hoeft alleen maar je geest goed te trainen en dan kun je de kelder van je psyche uitruimen bij het heldere licht van de rede. Ik begon te beseffen dat dat niet klopt. De rede is niet het grote besturingssysteem. De psyche is gebaseerd op een veel groter en ouder besturingssysteem, namelijk het emotionele besturingssysteem. Uit veel onderzoek blijkt dat rationele of cognitieve gedragstherapie mensen nauwelijks helpt om over echte, verlammende fobieën heen te komen. Het lijkt er echt op dat het iets anders of diepers is.’

    Waar komt die verlammende angst dan vandaan?

    ‘Dat zullen we de komende twintig jaar nog niet precies weten, maar ik denk wel dat het werk van affectieve neurowetenschappers als Jaak Panksepp, die helaas overleden is, Antonio Damasio, Kent Berridge en Richard Davidson uiteindelijk het antwoord zal opleveren. Zij geloven dat we een aangeboren emotionele bedrading hebben die flexibel genoeg is om verschillende gebeurtenissen en ervaringen te verwerken. Ik denk dat die zienswijze juist is, al komt er nu kritiek op van mensen als [neurowetenschapper, psycholoog en auteur van het boek How Emotions Are Made] Lisa Feldman Barrett. Maar ik ben het echt niet eens met haar theorie van geconstrueerde emoties. Ik denk dat ze veel te veel bezig is met de conceptuele ruimte van de geest.’

    In haar visie zijn emoties geen kant-en-klare circuits in het brein die worden getriggerd door ervaringen. Het zijn constructies, manieren van het brein om de wereld te begrijpen.

    ‘Ja, en ik denk dat wat zij beschrijft wel klopt voor een bepaald domein van het geestelijk leven, namelijk voor een puur menselijk domein daarvan. Maar als het om de geest gaat ben ik te veel darwiniaan om te denken dat dit voor meeste emoties opgaat. De meer subtiele soorten emoties, zoals het gevoel van vrees of verveling, passen misschien goed in Barretts visie. Maar ik denk dat we homologisch gezien basale affectieve systemen gemeen hebben met andere zoogdieren. Zij ontkent dat, en daarin ben ik het dus niet met haar eens. Ze intellectualiseert emoties zo sterk – door ze als concepten te zien – dat ze dierlijke emoties of emoties van baby’s niet kan verklaren. Uiteindelijk moet het verhaal van angst, fobie en horror geworteld zijn in de oudere emotionele systemen.’

    Hoe hebben monsters u ertoe gebracht om over verbeeldingskracht te schrijven?

    ‘Ik had veel nagedacht over beelden. Lang voordat we beschikten over geschreven talen en verhalen, hadden we in ons brein al beelden als gevolg van de waarneming. We moeten ooit een communicatievorm hebben gehad met beelden en lichamelijke gebaren, voordat we taal hadden. Daardoor ging ik me afvragen hoe oud de verbeeldingskracht eigenlijk is. Is die meegekomen met de taal of konden we allang met beelden communiceren voordat we taal hadden? Volgens mij zijn er veel manieren om kennis te hebben en met anderen te communiceren, die niet linguïstisch zijn maar te maken hebben met lichaamstaal, in de vorm van dansen, of via tekenen of beeldend werk, zoals de grotschilderingen in Lascaux of Chauvet. Al vóór het propositioneel denken bestond er een hele taal van verbeeldingskracht en geestelijk leven.’

    Leeft dat oude verbeeldende leven nog steeds in ons?

    ‘Volgens mij wel, ja. Het wordt overschaduwd doordat het propositioneel denken overheerst. We zijn nu in ons brein sterk uitvoerend georganiseerd. Dat is wat je doet als je een kind opvoedt. Je legt een neocorticaal besturingssysteem over de wirwar aan meer associatieve motorische waarnemingsprocessen heen. We leren allemaal onze geest te disciplineren, zoals we leren ons gedrag te disciplineren. Maar we kunnen die neocorticale controleur het zwijgen opleggen via creatieve activiteiten, zoals kunst, en uitstapjes maken naar deze vroegere vorm van denken.’

    Wat zou u zijn als u geen hoogleraar filosofie was?

    ‘Ik twijfel tussen muziek en visuele kunst, maar hoe dan ook zou ik kunstenaar zijn. Ik bén nog steeds kunstenaar. Ik word er alleen niet meer voor betaald.’

  • Vermeer in Manhattan

    Vermeer in Manhattan

    Johannes Vermeer inspireerde de Amerikaanse dichter Michael White niet alleen tot poëzie en proza, maar bracht hem ook weer bij zinnen na een destructieve scheiding.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week maakte het Mauritshuis in Den Haag bekend dat het zich afvraagt of het nog schilderijen aan de Verenigde Staten wil uitlenen. Vanwege de bezuinigingen die de regering-Trump doorvoert in de kunstsector en Trumps kritiek op het narratief dat sommige kunstmusea verspreiden, is directeur Martine Gosselink bang dat ze de schilderijen die ze uitleent niet zo snel terug zal krijgen.
    Het zou erg jammer zijn als de Hollandse meesters niet meer in musea in de VS te zien zijn. De Amerikaanse dichter Michael White kan daarover meepraten. In dit artikel van The Paris Review uit 2015 vertelt hij wat de schilderijen van Johannes Vermeer voor hem betekenen.

    ‘Stel je voor dat je alles kwijtraakt wat voor jou werkelijk van belang is, en daarna heb je een droom, en in die droom kom je erachter dat je het niet echt bent kwijtgeraakt, omdat het je niet afgenomen kan worden. Dat gevoel geeft Vermeer me.’

    De dichter Michael White probeerde me uit te leggen hoe hij geobsedeerd was geraakt door Johannes Vermeer – met zijn psychologisch geladen interieurs en mysterieuze vrouwelijke figuren. Michaels fascinatie ontstond door een toevallige ontmoeting met het werk van de kunstenaar in Amsterdam, waar hij naartoe was gegaan om bij te komen van een scheiding die zo destructief was dat hij er totaal gedeprimeerd van was geraakt en die hem het gevoel had gegeven dat hij de rest van zijn leven alleen zou blijven.

    Hoewel ik met hem samenwerkte aan een universiteit in North Carolina, kende ik hem in die tijd niet goed genoeg om de emotionele ellende die hij doormaakte te begrijpen. Ik wist ook niet dat zijn ervaring in het Rijksmuseum met Vermeers onnadrukkelijk dubbelzinnige beelden hem ertoe had gebracht de hele wereld over te reizen om alle schilderijen van de meester te zien.

    Dat werd me allemaal pas duidelijk toen ik zijn nieuwe boek Travels in Vermeer: A Memoir las, dat deels een reisverslag is en deels bestaat uit overpeinzingen over de betekenis van kunst. Het lezen van Travels in Vermeer maakte Vermeers schilderijen in emotioneel opzicht voor mij zo levensecht, dat ik het gevoel had dat ik ze kende toen ik het boek uit had – alsof ze personages waren in een prachtige roman over verloren liefde, verlangen en genezing. Ik denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat Michael Het meisje met de parel ziet: ‘Ik voel een briesje, een rilling over mijn rug als ik binnenkom, en daarom draai ik me om… Ik kijk over mijn linker-schouder naar haar. Zij staart me rechtstreeks aan over haar eigen linker-schouder. Ze is, als een schilderij dat kan zijn, een adembenemende ontmoeting.

    Dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was

    Johannes Vermeer, Slapend meisje
    Johannes Vermeer, Slapend meisje

    Rondleiding

    ‘Liefde: hoe kan ik dat gevoel zijn vergeten? De ogenblikkelijke, gepassioneerde blik die me begrijpt en waarin beschuldiging noch vergiffenis ligt. De lieftallige genegenheid in haar lichtbruine iris, de verrukkelijke erotiek van haar lippen, haar mond.’


    Het probleem was dat ik nog nooit een Vermeer in het echt had gezien. Michael was bereid me rond te leiden langs de schilderijen die in New York hangen. Er zijn er acht: drie in de Frick Collection en vijf in het Metropolitan Museum of Art. We gingen ze allemaal bekijken. We begonnen in de Frick Gallery met De soldaat en het lachende meisje, waarop een militair in uniform en een jonge vrouw aan een kleine tafel in de hoek van een kamer bij een raam zitten. Michael legde uit dat dit waarschijnlijk bedoeld was als een tafereel in een bordeel, een genre dat populair was in de tijd van Vermeer. Hij wees op de uitgestrekte hand van de vrouw die op tafel rust, open alsof ze op betaling wacht. En toch past het schilderij niet echt in die context. De vrouw draagt een keurige, witte, linnen muts die haar haren bedekt, en haar gezicht gloeit duidelijk op in het flauwe, indirecte licht dat door het raam valt. Haar ogen zijn op de soldaat gericht en haar uitdrukking is kalm maar intens gelukkig.


    ‘Kijk haar toch,’ zei Michael. ‘Ze is verliefd.’ De soldaat is evenmin de vrolijke pierewaaier die je op een typisch schunnig schilderij zou verwachten. Hij neemt de voorgrond in beslag, zit met zijn rug naar de kijker toe en streelt met één hand over zijn kin – ingetogen en niet op zijn gemak. Hij lijkt het meisje in te schatten, of misschien schat hij zijn eigen plannen met haar in. ‘Het is bijna alsof hij een vervanger voor de kunstenaar is,’ zei Michael. ‘De kunstenaar die twijfelt aan zijn recht om de vrouw te schilderen.’ Een beeld van een bordeel dat weigert een beeld van een bordeel te zijn, emoties die niet voldoen aan de verwachtingen die we ervan hebben, die zich vermengen en ronddwarrelen – allemaal doortrokken van het meest verfijnde, donker opgloeiende licht: dit was de Vermeer die ik me herinnerde uit Michaels boek, maar dan met de vreemde kracht van een beeld dat voor je aan de muur hangt. Toen ik voor De soldaat en het lachende meisje stond, leek het me onmogelijk dat iemand, alleen met wat verf, iets kon maken dat zo lichtgevend en zo prachtig was.

    Het schilderij als een vraag gehuld in rust 
en stilte

    We liepen naar het volgende schilderij, Onderbreking van de muziek. De vrouwelijke figuur zit aan een tafel waarop een citer ligt, een luitachtig instrument. Er staat een man naast haar, met één hand op de rugleuning van haar stoel, zijn blik gericht op een brief in haar hand. Ze is met haar aandacht niet meer bij de muziek: ze kijkt de toeschouwer direct aan met een heel dubbelzinnige uitdrukking op haar gezicht waarin een of andere vorm van emotionele herkenning ligt. ‘Ze lijkt precies te begrijpen wie ik ben,’ zei Michael. ‘Maar wie is dat? Wat ben ik voor haar? Een vriend? Een minnaar? Een vertrouweling? Soms denk ik dat ik er bijna achter ben, maar nooit helemaal.’


    We verlieten de Frick en liepen over Fifth Avenue naar het Metropolitan Museum of Art, waar we alle vijf de Vermeers die er hangen bekeken. Het schilderij dat indruk op me maakte, was Slapend meisje, waarop een rijk gekleed meisje alleen aan een tafel zit met een glas wijn. Haar ogen zijn dicht, ze laat haar hoofd op haar hand rusten. Meteen achter haar leidt een halfopen deur naar een lege binnen-kamer die op een of andere manier iets raadselachtigs heeft, een gevoel dat wordt versterkt door de sleutel die in het slot steekt. ‘Er waren een man en een hond in de kamer,’ zei Michael. ‘Die heeft hij weggeschilderd.’ Die afwezigheid weergalmt en vult het schilderij, dat aanvoelt als een vraag gehuld in rust en stilte, een moment van het leven dat perfect is waargenomen, maar zich verzet tegen interpretatie. Is ze werkelijk dronken, zoals het tafereeltje suggereert? Slaapt ze wel echt? En zo ja, waarom liggen haar vingers dan zo perfect, actief gebogen op het tafelblad?


    ‘Ze zou wakker kunnen zijn,’ opperde ik. ‘Maar neerslachtig.’ ‘Of ze zou net kunnen doen of ze slaapt,’ zei Michael – misschien voor de man die niet meer bestond op het schilderij. Of voor de kijker. ‘Vermeers werk bevat allemaal fascinerende verhaallijnen, maar het blijven altijd slechts lijnen.’

    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje
    Johannes Vermeer, De soldaat en het lachende meisje

    Cupido

    De manier waarop Vermeer een verhaal tegelijkertijd suggereerde en ondergroef, was een van de bronnen van psychische geladenheid in zijn werk. Voor Michael gingen die verhalen telkens over romantisch verlies en hernieuwde hoop. Terwijl ik zwijgend naast hem stond, herinnerde ik me een passage uit Travels in Vermeer over de eerste 
keer dat hij in Amsterdam voor een Vermeer stond: ‘Plotseling begrijp ik het: Vermeers verstomde helderheid richt zich tot mij, is voor mij terwijl ik hier sta.

    Wat ik heb doorgemaakt, waar ik in mijn scheiding mee te maken heb gekregen, is absoluut verlies. Ik dacht dat ik daar alles van afwist toen mijn eerste vrouw Jackie aan kanker was gestorven – maar deze keer had ik het vertrouwen verloren. Het is niet alleen dat ik niet geloof in liefde; ik weet niet eens zeker of ik wel ergens in geloof. Maar nu ik naar deze schitterende 
doeken kijk – onbereikbaar maar toch vertrouwd – komt het weer in me op… Het is alsof die voorstellingen er zijn om me bij zinnen te brengen door me teruggehaalde beelden uit een vroeger leven te laten zien.’

    We bleven nog een poosje staan en daarna wees Michael naar de linkerbovenhoek van het doek, waar achter de vrouw een schilderij hangt. Alleen de onderkant ervan is zichtbaar, en we zien slechts het blote voetje van een kind. ‘We weten dat het schilderij aan de muur Vermeers eigendom was. Het verschijnt op nog twee doeken van hem, één halverwege zijn carrière en één aan het einde. Het is een voorstelling van Cupido, hoewel we hier alleen zijn voet zien. Het zal nog vijftien jaar duren voor we eindelijk de hele Cupido te zien krijgen, op Staande virginaalspeelster. Mijn gevoel daarbij is: ja, hij is er altijd geweest, de hele tijd, zich voorbereidend op zijn verschijning. De kracht van de liefde is altijd aanwezig, hoewel het een heel leven kan kosten om die in zijn geheel te zien.’

    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.
    Robert Anthony Siegel schreef twee romans, All the Money in the World en All Will Be Revealed. Zijn korte verhalen en essays zijn verschenen in onder meer The New York Times, de Los Angeles Times, Tin House en de Oxford American.

  • (Geen) seks in Algerije

    (Geen) seks in Algerije

    Seks vóór het huwelijk is taboe in Algerije, dankzij de islam en eeuwenoude tradities. Tegelijk is tweederde van de bevolking jonger dan 35 jaar, en wordt er steeds later getrouwd. De Franse journalist Pierre Daum ondervroeg tientallen Algerijnse jongeren over de ‘lange jaren’ tussen puberteit en huwelijk.

    De 23-jarige Rabah uit Tifelfel in het Aurèsgebergte is pas afgestudeerd in de wiskunde aan de Universiteit van Batna. Net als de meeste van zijn leeftijdsgenoten met wie we spraken over seksualiteit, begint ook hij binnen vijf minuten over religie. Hij vertelt dat hij voortdurend voor zichzelf de afweging maakt tussen hasanaat (pluspunten die je krijgt voor elke goede daad die je verricht) en sayyi’aat (minpunten). Van het verschil tussen die twee hangt af of hij naar het paradijs zal gaan. ‘Ik bid vijf keer per dag in de moskee, want daar verdien je 27 keer zoveel hasanaat mee als wanneer je thuis bidt.’

    Rabah heeft al drie vriendinnetjes gehad; de laatste heette Dhikra. ‘Ik ben anderhalf jaar met haar gegaan. Ze was erg mooi en had een rijke vader. Maar ik heb haar nooit op haar mond gezoend, alleen op haar hand of op haar wangen. We zijn nu een half jaar uit elkaar en ik hoor dat ze een nieuwe vriend heeft die ze wel op zijn mond zoent. Nu vind ik haar een hoer.’

    Vóór het huwelijk met een vrouw naar bed gaan is voor hem ‘absoluut ondenkbaar’, want in Gods ogen is dat een misdaad. Wel masturbeert hij ‘elke dag’. ‘Ik weet dat dat haram [verboden] is, maar de aandrang is te groot. Voor masturberen krijg je minder sayyi’aat dan wanneer je je door een vrouw laat strelen.’

    Met haar naar bed gaan? Nooit! Dat is tegen de islam

    We weten natuurlijk niet zeker of Rabah wel de hele waarheid vertelt. Maar aan de andere kant, tegen een buitenlandse journalist kun je tenminste openhartig zijn zonder meteen veroordeeld te worden (alle voornamen in dit stuk zijn overigens gefingeerd). Zijn verhaal lijkt bovendien erg veel op dat van de vijftig andere jongeren uit het hele land met wie wij spraken. Natuurlijk zijn er ook individuele verschillen. De 26-jarige Noureddine bijvoorbeeld, vijfdejaarsstudent in Ouargla, heeft een zeer serieuze relatie met de tweedejaarsstudente Sarah. ‘We zijn al zes jaar bij elkaar. Onze vaders kennen elkaar en we gaan trouwen, insjallah [als God het wil].

    In tegenstelling tot de meeste van zijn vrienden heeft deze jonge student een auto, zodat het stel er af en toe samen op uit kan trekken. ‘We tongzoenen met elkaar. Ik streel haar, zij streelt mij, maar er is een rode lijn waar je niet overheen mag gaan. Met haar naar bed gaan? Nooit! Dat is tegen de islam. Daarvoor respecteer ik haar ook te veel. We wandelen en kletsen eigenlijk vooral. We spelen in het park, gaan naar de dieren kijken en om zes uur breng ik haar weer terug naar de campus. Daarna hebben we contact via de mobiele telefoon.’

    Net als zijn vrienden bezit Noureddine meerdere mobiele telefoonnummers. Een voor zijn ouders, een voor zijn geliefde, met een onbeperkt aantal belminuten tussen middernacht en zes uur ’s ochtends, en nog een derde… voor zijn vriendinnetjes. ‘Ik geef toe, ik dribbel er ook naast,’ lacht hij besmuikt. ‘Maar met die anderen speel ik alleen maar een beetje, dat stelt niets voor.’

    ‘Dribbelen’ betekent flirten met meisjes die je op internet ontmoet (op Facebook, Skype etc.) of van wie je via vrienden het telefoonnummer krijgt. Soms lukt het ook om op straat met een overtuigende babbel een telefoonnummer los te krijgen. ‘Met hen is het duidelijk dat het alleen om de seks gaat.’ ‘Seks’ wil zeggen: een rustig plekje opzoeken om te zoenen, elkaars huid te strelen… ‘Soms kan het zelfs tot penetratie van achteren komen, eh, sodomie dus.’ Maar tot vaginale penetratie komt het nooit, ‘want dat is haram! En trouwens, ik wil mijn lid puur houden voor de huwelijksnacht met Sarah.’

    Jonger dan 35 jaar

    Tweederde van de bevolking is jonger dan 35 jaar. Amira is Algerijnse, draagt een hoofddoek en woont alleen in een kleine woning in het centrum, ver van de buurt van haar ouders. De 30-jarige promovenda in de archeologie is ‘uiteraard’ nog maagd. Ze is net als de meeste vrouwen van haar leeftijd niet getrouwd. ‘Maar ik krijg soms wel zin in seks, dat is waar. Dan kijk ik een pornofilm en masturbeer ik.’

    Een echte geliefde heeft de jonge academica nog niet gevonden, maar wel een goede vriend, die binnenkort bij haar op bezoek komt, ‘zonder over mij te oordelen.’ ‘Ik heb hem twee keer opgebeld, we hebben elkaar aangeraakt, dat was fijn. Maar verder zijn we natuurlijk niet gegaan.’ Niemand weet ervan. ‘Als je in Algerije wilt overleven, moet je tegen iedereen liegen, tegen je ouders, je vrienden, je vriend, soms zelfs tegen jezelf.’

    Er bestaat geen enkele studie over het liefdes- en seksleven dat jonge Algerijnen vóór het huwelijk hebben. In 2006 was voor antropoloog Abderrahman Moussaoui een klein berichtje in de Algerijnse pers aanleiding om onderzoek te gaan doen naar de hernieuwde populariteit van het ‘huwelijk bij afspraak’, waarmee een stel zich aan het islamitische verbod op seks kan onttrekken.

    Hij meldde echter niet hoe wijdverbreid het fenomeen is. Uit gesprekken met jonge Algerijnen in vijftien steden (waaronder Algiers, Oran, Annaba, Béjaïa, Tizi Ouzou, Ouargla en Chlef) komt telkens hetzelfde beeld naar voren, met minimale regionale verschillen, wat ook bevestigd wordt door onderzoekers en andere deskundigen met wie wij spraken.

    anp 4145639

    ‘Voor de meeste jonge Algerijnen is de maagdelijkheid van een meisje een grens waar je niet overheen gaat,’ beaamt Djelloul Hammouda, arts in Oran. ‘Maar verder beoefenen jonge ongehuwden elke denkbare vorm van seks.’ Dat komt onder andere omdat de afgelopen twintig jaar mensen gemiddeld veel later zijn gaan trouwen, vooral omdat het steeds moeilijker wordt om werk en een woning te vinden.

    Inmiddels ligt die leeftijd voor vrouwen op 30 jaar en voor mannen op 34. Onder studenten, van wie het aantal razendsnel groeit – het zijn er momenteel anderhalf miljoen – ligt die leeftijd nog hoger.

    In Algerije geldt een dertiger nog als ‘jong’ (en dat terwijl 66 procent van de bevolking jonger is dan 35 jaar). Het komt geregeld voor dat vrouwen tot na hun veertigste maagd blijven. Vooral onder hoogopgeleide vrouwen met goede banen zie je dat veel: zij hebben moeite om een man te vinden die hun intellectuele en financiële onafhankelijkheid accepteert.

    ‘Ik heb een eigen woning, maar ik kan er niet intrekken,’ vertelt de 43-jarige journaliste Khadija, afkomstig uit een goede familie in Annaba. ‘Omdat ik niet getrouwd ben zou iedereen dan vanzelf gaan denken dat ik thuis allerlei mannen ontvang. Dat zou ook voor mijn familie heel beschamend zijn.’

    Jongeren vervelen zich dood, er is geen georganiseerd vermaak in Algerije

    Hoe moet je gedurende al die lange jaren met je seksualiteit omgaan, vanaf het moment van je allereerste seksuele ontwaken tot aan de huwelijksdatum ver in de toekomst? Op deze vraag rust een enorm taboe: over seksualiteit praat je noch met je ouders, noch met broers en zusters, zelfs niet met je beste vrienden. Zoals de jonge Idir uit Tizi Ouzou het schertsend uitdrukt: ‘De eerste keer dat je met een meisje samen bent, komt alles wat je weet uit pornofilms.’

    Niets houdt jonge Algerijnen dan ook zozeer bezig als dit beklemmend nauw met religie verbonden onderwerp. ‘Het is het enige waar ze zich zorgen over hoeven maken,’ verduidelijkt sterjournalist Kamel Saoed van de Quotidien d’Oran. ‘Ze wonen bij hun ouders, krijgen drie maaltijden per dag en geld van de staat dankzij de olie-inkomsten.

    Maar tegelijk vervelen jongeren zich dood: er is geen georganiseerd vermaak in Algerije. Je zou in elke stad een zwembad moeten hebben, een bibliotheek, sportvelden, een bioscoop, een theater, enzovoorts. Maar er is he-le-maal niets!’

    Als zijlijntje van haar promotieonderwerp, prostitutie, begon Keltouma Aguis zich te interesseren voor het seksuele leven van haar jonge landgenoten. De promovenda aan het Onderzoekscentrum voor Sociale- en Culturele Antropologie in Oran verontschuldigt zich voor het feit dat ze de naam van haar promotor niet kan noemen: ‘Dat zou haar in de problemen kunnen brengen.’ Bij het uitleven van hun seksualiteit krijgen jonge Algerijnen met drie – perfect op elkaar afgestemde – typen van verboden te maken: een religieus, een zedelijk en een wettelijk verbod.

    Artikel 333 van het Algerijnse Wetboek van Strafrecht stelt dat ‘elke persoon die zich in het openbaar niet aan de goede zeden houdt, wordt bestraft met een gevangenisstraf van twee maanden tot twee jaar, of met een boete van 500 tot 2000 dinar [5 tot 20 euro].’ Dit wetsartikel wordt door Algerijnse rechters veelvuldig tegen jonge ongehuwden gebruikt die zijn betrapt bij het in het openbaar kussen of vrijen.

    Traditie en sociale controle

    Een buitenlander merkt het bij aankomst in Algerije meteen: de islam neemt weliswaar in de publieke ruimte een bescheiden plaats in, maar het is gespreksonderwerp nummer één, vooral wanneer het over seksualiteit gaat. De islam verbiedt namelijk elk seksueel contact vóór het huwelijk. Psychoanalist Khaled Aït Sidhoum uit Algiers (de enige in Algerije die is aangesloten bij de International Psychoanalytic Association) legt uit waarom het onderwerp de gemoederen zo bezighoudt: ‘Jonge Algerijnen, zowel mannen als vrouwen, hebben het erg moeilijk, omdat ze hun seksuele verlangens nooit echt kunnen bevredigen.

    En als ze zichzelf soms toch een seksuele escapade veroorloven, worden ze daarna verteerd door schuldgevoel. De islam biedt hun zowel de sociaal geaccepteerde rechtvaardiging van dat verbod, als ook een collectief kader om met de spanning om te gaan die het oproept. Het gaat ongeveer net zo als bij padvinders of bij voetbalsupporters.’

    Een anekdote kan dit illustreren. Een kleine groep Algerijnse activisten riep in september 2013 jonge stellen op om, naar voorbeeld van de hangslotjes aan de bruggen van Parijs, een liefdesslot aan het hekwerk van de Télemlybrug in het centrum van Algiers op te hangen. Tot dan toe stond die plek juist bekend als de ‘zelfmoordbrug’. Diezelfde avond nog kwamen er echter jonge islamisten uit de buurt naartoe, gekleed in islamitische gewaden, om de sloten er weer af te slopen. In hun ogen waren het ‘ketterse symbolen van westerse decadentie’.

    Dat lokte vervolgens weer een storm van protesten uit op de plek die daar bij uitstek geschikt voor is: sociale netwerken. ‘Wij hebben in Kabylië een spreekwoord: wie hooi in zijn buik heeft, is bang voor vuur,’ zegt Aït Sidhoum. ‘Als je iemand op zijn zwakke plek raakt, reageert hij alsof hij door een wesp is gestoken. Beide partijen hebben te maken met dezelfde erotische en agressieve driften. Het enige verschil is dat de islamitische beweging over grote sommen geld beschikt. Uiteindelijk winnen ze het daarmee altijd.’

    De Algerijnse jeugd heeft nog een ander juk te torsen: dat van de traditie en de daarmee gepaard gaande onophoudelijke sociale controle. De 24-jarige Saïd, die we spreken in een café in Béjaïa, legt uit: ‘Je kunt al die verboden niet overtreden, je kunt niet met een meisje naar bed gaan, je kunt niet schelden tegen je ouders. Dat wordt je onmogelijk gemaakt, omdat ze je dan meteen de deur uitzetten.

    Dan sta je op straat, zonder familie, zonder wat dan ook, en wat moet je dan? Het kan gewoon niet!’ In elk dorp, in elke buurt, in elke flat let iedereen op elkaar. Jonge geliefden vinden dan ook maar moeilijk een plek om elkaar te ontmoeten.

    Op het platteland of in een dorp is het sowieso ondenkbaar, maar zelfs in de stad is het knap lastig om ergens een beetje privacy te vinden. Theehuizen zijn nog de beste ontmoetingsplekken, daar kun je elkaar rustig urenlang in de ogen kijken en misschien zelfs elkaars hand vasthouden. Als je nog verder wilt gaan (knuffelen, een beetje zoenen), is er in elke stad wel een plek te vinden waar dat kan: in het centrum van Algiers in het Gallandpark of de Jardin d’Essai bijvoorbeeld, in Béjaïa de Brise de Mer, in Oran de zeeboulevard, enzovoorts.

    Maar het toppunt van romantiek is voor inwoners van Algiers toch wel een bezoekje aan de Romeinse ruïnes van Tipara. Maar pas op! Overal waar gezinnen met kinderen komen, lopen oppassers rond die liefdespaartjes dicht op de huid zitten, zelfs een kusje geldt als een ‘affront voor de familie’.

    Jonge stellen kussen vurig tussen het vuilnis, terwijl hun handen de blote huid van de ander zoeken

    Nog lastiger wordt het wanneer je een plek zoekt om nog verder te gaan dan een beetje knuffelen. Je geliefde mee naar huis nemen is ondenkbaar (er is altijd wel iemand thuis, en anders verklikken de buren het wel) en maar weinigen kennen iemand die voor een paar uurtjes een appartement te leen heeft.

    Al even onmogelijk is het om ‘het’ op een studentenkamer te doen. Campussen lijken op ommuurde vestingen en zijn niet gemengd. Een uitzondering is de campus van Béjaïa, die doorgaat voor ‘gemengd’ omdat de studentenhuizen van de vrouwen er zich op hetzelfde terrein bevinden als die van de mannen. Niet dat dat het probleem oplost: de gebouwen zelf zijn evengoed verboden terrein voor leden van het andere geslacht.

    ’s Avonds na zonsondergang ontmoeten geliefden elkaar daarom in de ‘love street’, een donker straatje achter de kleine sporthal. Daar zie je jonge stellen elkaar vurig kussen tussen het vuilnis, terwijl hun handen de blote huid van de ander zoeken, onder kleren die nooit worden uitgetrokken.

    In december 2013 vertoonde de zender Ennahar TV met een verborgen camera gefilmde opnamen van bier drinkende studentes, die na het ingaan van de avondklok achter de mannen aan gingen. De documentaire veroordeelde dit al, en de meeste Algerijnen spraken er schande van.

    Om ‘seks te hebben’, zoals Noureddine het uitdrukt, gaat er niets boven de eigen auto. Dan kun je tenminste naar een afgelegen plek rijden en in de auto je gang gaan. Wie daar geen geld voor heeft, heeft dan nog de optie om de bus te nemen naar een van de immense parken, die bekend staan om hun discrete struikgewas.

    In de buitenwijken van Algiers roept de naam Ben Aknoenpark onmiddellijk allerlei erotische associaties op. Er blijken daar inderdaad vanuit kleine zijpaadjes voortdurend koppeltjes aan te komen wandelen, de vrouwen onberispelijk gekleed in hijab, lange jas of djellaba, de overheersende kledingstijl in Algerije, tot norm geworden na de periode van islamitisch terrorisme begin jaren negentig.

    ‘Maar zowel in de auto als in parken liggen er altijd twee vijanden op de loer: de politie en dieven,’ vertelt Moerad, die we op een laan in het Ben Aknoenpark tegenkomen. ‘Als de politie je snapt, riskeer je de gevangenis of, erger voor het meisje, een agent kan haar vader bellen op om haar te komen halen.’ Ook stikt het van de dieven: ‘Ze zetten je een mes op de keel, plukken je kaal, zitten aan je vriendin en weten heel goed dat je nooit aangifte tegen ze zult doen.’

    Degenen die het zich kunnen veroorloven huren zo nu en dan een hotelkamer. Of liever gezegd, twee, want een tweepersoonskamer krijg je in geen enkel hotel in Algerije zonder trouwboekje. Prostituees zijn voor de meeste jonge mannen te duur; dat is meer iets voor getrouwde mannen. Ook bezoeken veel jongemannen van het platteland op gezette tijden een prostituee. Maar in de seksuele leerschool van de gemiddelde Algerijn spelen ze toch niet echt een rol.

    Er bestaan dan ook maar drie officiële bordelen, een in Oran, een Skikda en een in Tindoef. De prostitutie speelt zich vooral af in merkez (een soort tot bordelen getransformeerde villa’s, die in meerdere of mindere mate gedoogd worden, al naar gelang de relatie van de eigenaar met de lokale gezagsdragers), in clubs langs het strand van Oran, Algiers en Béjaïa en in sommige hotels.

    “Hoer” is een term die om de haverklap valt in Algerije

    ‘Jonge Algerijnen zijn seksueel buitengewoon gefrustreerd,’ merkt dr. Hammouda op. ‘Zelfs als ze een seksleven hebben zonder rol voor de vagina blijft het heel beperkt, en het niveau van frustratie is hier veel hoger dan in Europa.’ Een tijdlang konden de verlangens enigszins worden gereguleerd dankzij de opkomst van internet en mobiele telefonie (‘Het paradijs voor afspraakjes!’ noemt de jonge, charmante Dihya uit Béjaïa het enthousiast), maar die magische apparaten hebben ook een keerzijde.

    ‘In tegenstelling tot wat je zou verwachten, is door de opkomst van internet de frustratie van jongeren er niet minder op geworden, maar juist erger. Ze hebben een beeld gekregen van wat er allemaal mogelijk is, terwijl ze daarvóór geen idee hadden. Maar er zijn tegelijkertijd geen nieuwe mogelijkheden ontstaan om de opgewekte begeerte te bevredigen,’ stelt psychoanalyticus Aït Sidhoum.

    In het Algerije van 2014 brengen jonge Algerijnen hun tijd vooral door in ‘cyberspace’. In elke stad en in elk dorp zijn er spaarzaam ingerichte ruimtes te vinden met daarin een twintigtal computers, met het scherm naar de muur toe gericht. Ze ademen triestheid, niemand praat er met elkaar. In plaats daarvan is men ‘in gesprek’ met – vaak onbekende – ‘vrienden’, die ze via Facebook, Skype of chatruimtes hebben opgeduikeld. Of anders worden er wel ongezien een paar nieuwe pornofilmpjes gedownload. Ook zijn er steeds meer locaties die wifi aanbieden, wat jongeren in staat stelt overdag of ’s avonds een paar uur het huis te ontvluchten.

    Een van de meest in het oog springende gevolgen van de oplopende frustratie is de agressie waarmee jonge mannen in drukke straten van de grote steden meisjes nakijken of hen aanspreken. Nordine en Bachir, twee leerling-loodgieters van 22 en 23 jaar, hangen rond onder de arcades van Larbi Ben M’Hidi, de belangrijkste winkelstraat van Oran.

    Er lopen twee ‘normaal’ geklede meisjes voorbij, het hoofd bedekt met een hijab en de lichaamsvormen verhuld onder meerdere lagen: een jurk, een trui en een djellaba. Onmiddellijk beginnen de twee jongemannen hen in grove bewoordingen lastig te vallen. Wanneer ze geen antwoord krijgen, wordt het tweetal voor ‘hoer’ uitgemaakt.

    Het is een term die om de haverklap valt in Algerije, niet alleen in de zin van ‘prostituee’, maar eerder in die van ‘gemakkelijke vrouw’. Ketlouma Aguis geeft daar de volgende uitleg aan: ‘Het woord “hoer” [qahaba in het Arabisch] wordt gebruikt voor elke vrouw die zich niet conformeert aan de sociale normen, al is het maar een klein beetje. Dat kan binnenshuis zijn (weigeren het huishouden te doen of te koken) of buitenshuis, door middel van kleding, sigaretten, manier van lopen of het zich op bepaalde tijdstippen op bepaalde plekken bevinden.

    Zodra een vrouw een van die vele niet-seksuele normen overschrijdt, wordt ervan uitgegaan dat zij ook de seksuele normen wel zal overschrijden zodra de situatie zich voordoet.’ Meerdere jonge mannen die we spreken noemen desgevraagd dochters van naar Frankrijk geëmigreerde Algerijnen ‘hoeren’. ‘Tuurlijk’, zegt Mokhtar uit Oran, die het ‘obscurantisme’ van de Algerijnse maatschappij te lijf zegt te willen gaan. ‘Ze gaan uit wanneer ze maar willen, doen geen hoofddoek om, ze roken, kussen hun vriend midden op straat. Dus zijn het hoeren.’

    Voetbal en relletjes als uitlaatklep

    ‘De seksuele frustratie gaat samen met een sterke mate van latente agressie,’ vertelt klinisch psychologe Nalia Hamiche van het Bab El-Oued-ziekenhuis in Algiers. ‘De geschiedenis van Algerije is een aaneenschakeling van gewelddadige trauma’s, die nooit goed verwerkt zijn: de koloniale overheersing, de bevrijdingsoorlog en daarna de burgeroorlog van de jaren negentig. Door al die geweldstrauma’s, met daarbij opgeteld de seksuele frustraties, hebben Algerijnen hun driften niet goed onder controle. Jongens staan op straat constant op de loer, klaar voor de aanval.’

    In elke stad zijn er wel plaatsen – de meeste eigenlijk – waar een ongeschreven wet het vrouwen verbiedt om zich er na een bepaald tijdstip te wagen, meestal na zonsondergang. ‘En wee degene die zich daar niet aan houdt: dan loopt ze de kans om seksueel belaagd te worden!’ Veel van de vrouwen die we spreken zijn meermaals betast, sommigen zelfs verkracht. ‘In mijn praktijk in het ziekenhuis kom ik veel gevallen van pedofilie en incest tegen,’ vertelt Nalia Hamiche. ‘Binnen het gezin, op school, in de moskee, enzovoorts. En de slachtoffers zwijgen erover, want er wordt toch niet naar hen geluisterd.’

    Met dit seksuele leven van de Algerijnse jeugd in het achterhoofd worden veel sociale en politieke verschijnselen opeens begrijpelijker. ‘Seksuele onvolwassenheid en financiële afhankelijkheid, het is allemaal met elkaar verbonden,’ oppert psychologe Hamiche. ‘Door de oliegelden bevindt de jeugd zich in een positie van totale afhankelijkheid ten opzichte van de staat.

    Jongeren hoeven niet echt te werken, de regering biedt voorzieningen waardoor ze toch altijd wel wat geld ontvangen, zonder er iets voor te hoeven te doen. Die situatie van afhankelijkheid zie je ook terug in de familiekring. Het recht van kinderen op seksuele en politieke autonomie wordt tot aan hun dertigste, vijfendertigste of zelfs veertigste niet erkend.’

    Onze politici willen niet begrijpen hoe gevaarlijk al die spanning is

    Het grootste deel van de jongeren heeft nooit gestemd. Ze ‘walgen’ ervan dat hun elke mogelijkheid tot sociale of politieke activiteit ontzegd wordt. Wat blijft er dan nog over? Een voetbalavondje, of anders een incidentele rel in de stad. Elke dag, behalve vrijdag, gaan er wel ergens in het land mannen schreeuwend de straat op, hitsen de buren op, steken autobanden en prullenbakken in de fik, bijvoorbeeld omdat het water in hun buurt is afgesloten, de gasaansluiting op zich laat wachten, beloftes van renovatie niet worden nageleefd of het vuilnis niet wordt opgehaald. En daarna gaan ze gelaten weer naar huis.

    Volgens Aït Sidhoum vormen ‘deze relletjes een uitlaatklep om met de opgelopen spanningen om te gaan. Maar tegelijk is het onvoldoende om de beangstigend hoog opgelopen spanningen te kanaliseren. En onze politici willen maar niet begrijpen wat een gevaarlijke tijdbom al die spanning toch is.’

    Het voetbal en de uitbarstingen van uitzinnige vreugde na een overwinning van het nationale elftal op het WK fungeren ook als bliksemafleider. Hamiche vermoedt dat ‘voetbalstadions en de straat na een overwinning tot ruimtes worden waar mannen de melancholie te lijf gaan. Door zo te keer te gaan, creëren zij de illusie dat ze leven.’

    Maar zulke gelegenheden om zich uit te leven bieden zich maar zelden aan. Dan resteert alleen nog de droom om naar Frankrijk te verhuizen (het Franse consulaat kreeg in 2013 een half miljoen visa-aanvragen te verwerken, op een inwoneraantal van 38 miljoen), het eigen leven te wagen op zee om zo zelf Europa te bereiken, of in Syrië op jihad te gaan. Zelfmoordcijfers schijnen recordhoogten te bereiken, maar ook daarover geeft de staat geen gegevens vrij.

    Seksuele blokkades nestelen zich ook op plekken waar je ze het minst zou verwachten. De 34-jarige journalist en activist Mohand is lid van Barakat, een kortgeleden opgericht platform van de meest uitgesproken militanten van het land. Guitig vertelt hij: ‘Wanneer er militanten bij mij thuis komen, stuur ik mijn vrouw naar haar familie in Kabylië.’

    Waarom? ‘Ach, ziet u, we drinken, we roken, ze zou zich maar slecht op haar gemak voelen.’ Politicologe Naoual Belakhdar, die aan een Berlijnse universiteit onderzoek doet naar Algerijnse sociale bewegingen, vat het als volgt samen: ‘Pas wanneer je in Algerije demonstranten met hun vriendin, zus of moeder de straat op ziet gaan, zul je merken dat er echt iets veranderd is.’

    Auteur: Pierre Daum
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Le Monde diplomatique
    Frankrijk, maandblad, oplage 300.000
    ‘Le Diplo’ heeft een linkse blik op de internationale politiek en cultuur. Kritisch op de wereldwijde effecten van het neoliberalisme. Met tien buitenlandse edities komt het lezersaantal op 1 miljoen.

  • ‘Als je kunt schrijven, kun je alles beheersen’

    ‘Als je kunt schrijven, kun je alles beheersen’

    In de reeks Writers at Work van The Paris Review sprak Matthew Weiner, schrijver en regisseur van Mad Men en medescenarist van The Sopranos, met Semi Chellas, een van zijn scenarioschrijvers, over zijn werk en zijn dromen. Schrijven geeft hem een gevoel van controle dat hij in het dagelijks leven mist. ‘Ik ben doodsbang om wakker te worden en het niet meer te kunnen.’

    Hij in geboren in 1965, dus Matthew Weiner kan nauwelijks herinneringen hebben aan de tijd die dankzij zijn tv-serie nu bekendstaat als het _Mad Men_-tijdperk. Zijn kamer is precies zoals je verwacht bij de schepper van Don Draper: een smaakvolle mix van jarenvijftigmeubels, plus een bar met de allerbeste alcoholische dranken. Maar dan blijkt dat het meubilair bij het gebouw hoorde, dat in 1953 is ontworpen, en dat de drank, voornamelijk cadeau gekregen, niet besteed is aan Weiner, die vrijwel nooit alcohol drinkt.

    Wie hij zelf is, zie je pas als je beter kijkt. Een ingelijste foto op de set, genomen van achter de hoofden van de acteurs, zodat de crew te zien is. Een zwart-witfoto waarop Groucho Marx, Alice Cooper en Marvin Hamlisch samen staan te praten. Een zelfgemaakte vaderdagkaart van een van Weiners zoons, met daarop in rood en zwart potlood de tekst ‘Dad Men’. Een foto van Stedman (de vriend van Oprah), die hij kreeg nadat het blad Vanity Fair zijn bureau had gefotografeerd. Vlak daarvoor hadden ze dat ook bij Oprah gedaan, en hij had gevraagd wat er op háár bureau stond. Zijn boekenkast vol fictie, essays en poëzie – van Diaries of Old Manhattan tot Billy Collins tot Moby Dick.

    Als je een kind bent, helpt het om iemand te horen zeggen: “Ik weet het niet”

    Het lijkt of Weiner – die ooit de tv-quiz Jeopardy! _won en die op een keer, in plaats van actrice Jessica Paré (Megan Draper in _Mad Men) aanwijzingen te geven, opsprong en haar het liedje Zou Bisou Bisou voordanste – nooit slaapt. Ons interview vond plaats in vier sessies, verspreid over bijna achttien maanden – echte maanden. In de serie ging in diezelfde periode veel meer tijd voorbij, maar verklappen hoeveel precies zou in de wereld van Weiner de pret bederven. De gesprekken vonden laat op de avond plaats, nadat hij de hele dag druk was geweest met productievergaderingen, montage- en soundmixsessies, op de set en in de schrijversruimte. Alleen op de zeldzame avonden dat hij niet hoefde te schrijven, konden we rustig praten. Maar hoe vol zijn programma ook is, toch brengt hij elke ochtend de inspiratie met zich mee die hij heeft opgedaan uit een film die hij heeft gezien, een artikel dat hij heeft gelezen of een gedicht waar hij aan moest denken. (Ik heb het geluk dat ik een van de scenarioschrijvers bij de serie ben.) Weiner begint elk nieuw seizoen met het herlezen van het voorwoord van John Cheever bij diens Collected Stories: ‘Je kunt een schrijver onhandig pogingen zien doen om te leren lopen, zijn stropdas te knopen, de liefde te bedrijven en doperwten te eten met een vork. Hij lijkt vaak alleen en vastbesloten zichzelf iets te leren.’ Als de drijvende kracht van een tv-serie heeft hij vrijwel nooit tijd om alleen te zijn, maar Weiner lijkt altijd bezig zichzelf iets te leren.

    Weiner
    Op mijn veertiende of vijftiende kreeg ik een abonnement op The Paris Review. Ik zat altijd die interviews te lezen. Ze hebben me echt geholpen.

    Interviewer
    Hoe dan?

    Weiner
    Doordat mensen in die interviews spraken over schrijven alsof dat gewoon een baan was. En doordat ze vaak zeiden: ‘Ik weet het niet.’ Als je een kind bent, helpt het om iemand te horen zeggen: ‘Ik weet het niet.’ En ze stelden vragen die ik ook had willen stellen. Alleen zou ik het niet hebben gedurfd. Zoals ‘Op welk moment van de dag schrijf je?’

    Interviewer
    Op welk moment van de dag schrijf je?

    Weiner
    Nu ik deze baan heb, schrijf ik alleen ’s avonds, want dat kan niet anders, behalve op zondag, dan schrijf ik de hele dag en de hele avond. Als het alleen aan mij ligt, schrijf ik uiteindelijk toch laat op de avond, want ik ben nu eenmaal een uitsteller. Maar is er een deadline, dan schrijf ik dag en nacht door.

    Interviewer
    Wist je als kind al dat je later wilde gaan schrijven?

    Weiner
    Ik wilde schrijver worden, maar zoals er in mijn familie tegen schrijvers werd opgekeken, had ik net zo goed kunnen zeggen dat ik quarterback van het nationale footballteam wilde worden, of president van de Verenigde Staten. Mijn ouders bezaten de boeken die elk joods gezin in die tijd had – My name is Asher Lev [Chaim Potok], QB VII [Leon Uris], O Jerusalem! [Larry Collins] – maar ze waren ook gek op Joseph Heller, en mijn vader nam altijd Swanns Way [Du côté de chez Swann, Marcel Proust] mee op vakantie. Ik dacht altijd dat ik romanschrijver zou worden, zoals de mensen van wie ik de boeken bij ons thuis zag.

    Matthew Weiner
    Matthew Weiner

    Vanaf mijn vijftiende schreef ik dwangmatig gedichten

    Interviewer
    Heb je die boeken zelf ook gelezen?

    Weiner
    Niet echt. Ik lees heel langzaam. Ik kan goed luisteren. Als er in die tijd luisterboeken waren geweest, was ik nu de meest belezen mens ter wereld. Toen ik een verslag moest schrijven over Measure for Measure [Shakespeare], ging ik de platen van het stuk halen en luisterde naar Sir John Gielgud. Mijn vader las ons ’s avonds Mark Twain voor. Ik was dol op zijn verhalen ‘The Stolen White Elephant’ en ‘The Celebrated Jumping Frog of Calaveras County’. En zijn The Prince and the Pauper, goeie god, wat vond ik dat geweldig. Ik las wel bladen, Mad en zo, maar mijn ouders riepen altijd tegen me: ‘Je moet meer lezen! Sla toch eens een boek open!’ Op de middelbare school was ik niet echt een lezer. Nog steeds lees ik het liefst korte verhalen. Winesburg, Ohio [een reeks verhalen van Sherwood Anderson] was het eerste boek dat ik las waarin ik de mensen echt herkende. Ik kende de leraar die min of meer homo was en zijn handen niet thuis kon houden. Ik herkende iedereen in die verhalen. En toen, met John Cheever, herkende ik mezelf in de stem van de verteller. Zijn stem klonk net zoals de stem in mijn hoofd – of zoals ik wilde dat die klonk.

    Interviewer
    Wie zijn je favoriete schrijvers?

    Weiner
    Ik maak geen lijstjes of een top tien. Ik kan alleen zeggen welke schrijvers voor mij relevant zijn. Salinger houdt mijn aandacht vast. Yates houdt mijn aandacht vast. John O’Hara niet, ik weet niet waarom – het is hetzelfde milieu, maar hij boeit me niet. Cheever houdt mijn aandacht vast, meer dan welke schrijver ook. Hij is aanwezig in elk aspect van Mad Men. Don woont in Ossining op Mullet Park Road, om te beginnen, de kinderen worden genegeerd, mensen hebben talenten die ze niet kunnen verzilveren, iedereen is tot op zekere hoogte egoïstisch of op de verkeerde weg. De verhalen van Cheever werken als tv-afleveringen, waarin je geen informatie over de personages hoeft te herhalen. Hij grijpt je vanaf het eerste moment.

    Gedichten hebben altijd mijn aandacht vastgehouden, maar die zijn compacter en kleiner. Grappig, mensen zeggen altijd dat poëzie moeilijker is om te lezen. Dat vond ik niet. Echt nauwkeurig lezen, bedoel ik. Milton, Chaucer, Dante – die kon ik allemaal wel aan, maar fictie niet. Vanaf mijn vijftiende schreef ik dwangmatig gedichten. Ik dwong mezelf om vijfvoetige jamben te maken, die rijmden, want vrij dichten was vals spelen – dat kon iedereen. Maar ik was heel slecht op school, ik bakte er niets van.

    Interviewer
    Hoe kwam je bij drama terecht?

    Weiner
    Eigenlijk denk ik dat dat te maken heeft met het feit dat ik niet zo makkelijk lees. Bij een toneelstuk dat wordt opgevoerd, zie je alles voor je. Als je een kind bent dat moeite heeft met dikke boeken, is het een heel literaire ervaring om Eugene O’Neill te zien. Op de middelbare school schreef ik sketches, ik deed improvisaties, ik speelde toneel. In het laatste jaar werd ik door mijn klasgenoten uitgekozen om op de diploma-uitreiking een speech te houden. Het werden zes of zeven minuten stand-upcomedy, dat ook een eerbetoon was aan de klasgenoten met de slechtste cijfers, zoals ikzelf. Na afloop kwam de vader van een klasgenote naar me toe, Allan Burns, die The Mary Tyler Moore Show had bedacht. Hij zei: ‘Heb je ooit overwogen om voor tv te schrijven? Daar zou je goed in zijn.’

    Interviewer
    Had je daar ooit aan gedacht?

    Weiner
    Ik was min of meer opgevoed zonder tv. Ik was er dol op, mijn ouders ook, maar als kinderen mochten we er niet naar kijken. En als je dan bedenkt wat er in die jaren te zien was… M*A*S*H, The Mary Tyler Moore Show, All in the Family, Carol Burnett en Bob Newhart. Vóór die tijd was tv verschrikkelijk en daarna ook, maar toen was er veel goeds te zien. Maar ik nam heel serieus wat Allan Burns zei, omdat het voor het eerst was dat iemand zei dat ik misschien wel iets kon. Maar mijn ouders hadden een hekel aan de showbusiness. Dat hoort bij het leven in Los Angeles.

    Tijdens school gebeurde er nog iets. Een lerares Engels, mevrouw Moser, had een dichter op onze school uitgenodigd – W.S. Merwin. De club van best presterende leerlingen zou met hem gaan eten. Ik had altijd slechte cijfers maar was ook redacteur van het literaire tijdschrift op school, en de lerares zorgde ervoor dat ik mee mocht. Ze had hem zelfs over me verteld, want toen we kennismaakten zei hij: ‘Zeg me nog eens hoe je heet, want dat wil ik onthouden.’ In mijn jaarboek schreef mevrouw Moser: ‘Blijf doen wat je doet, houd je bij poëzie en verhonger.’

    Interviewer
    Dat heb je dus niet gedaan.

    Weiner
    Ik heb het wel geprobeerd. Op Wesleyan werd ik niet toegelaten tot schrijfcursussen. Ik gaf me overal voor op en werd steeds afgewezen. Je lacht er nu om, maar je had mijn ouders moeten horen. Zeshonderd studenten, al dat geld, en jij komt niet eens op een cursus? Een oudere student, die college liep bij de beroemde hoogleraar Frank Reeve, zei tegen me dat ik hem persoonlijk moest gaan vragen of hij me les wilde geven. Franklin D’Olier Reeve. Die yankee uit Vermont, die houthakkende klootzak. Hij was met Robert Frost naar Rusland geweest. Ongelooflijk knap en charismatisch – hij was de vader van Christopher Reeve. Ik fantaseerde dat hij bij de CIA zat. Dus ik ging met mijn gedichten naar zijn kamer. Hij maakte er gehakt van. Ik had een regel, die ging zo: ‘Waar verbergt het zich?’ – dit is eerstejaarspoëzie, oké? – ‘Waar verbergt het zich om het begin van de schemering zachtjes te persen tot de oranje fluistering van de ochtend.’ En hij zei: ‘Donder op met die infinitief en met die fruitpers.’ Vreselijk. Toen zei hij: ‘Wanneer beginnen we?’

    Ik heb drie semesters lang les gehad van professor Reeve, ik schreef gedichten en leverde er elke week een of twee bij hem in. Ik volgde ook veel poëziecolleges. Een paar jaar lang was The Waste Land [T.S. Eliot] voor mij het interessantste wat er in de wereld bestond. Ik vond het prachtig dat het zo persoonlijk, smerig, grof en episch tegelijkertijd was. Twee vrouwen die tegen sluitingstijd in een bar over een abortus praten, en een verhaal over Griekse goden en de Fisher King. Het hoge en het lage bij elkaar. Dat gedicht is zo belangrijk voor mijn werk als scenarioschrijver, er zit zo veel dialoog in, zo veel ritme, dat wilde ik ook bereiken. Nog steeds moet een poëtische zin zo klinken, voor mij. Mijn afstudeerscriptie voor creatief schrijven was poëzie.

    Interviewer
    Hoe waren je gedichten?

    Weiner
    Veel waren behoorlijk grappig, op een ironische manier. En een persoonlijke biecht. Eigenlijk net als wat ik nu doe bij Mad Men – ik geloof dat mensen zich niet altijd realiseren hoe persoonlijk die serie is, ook al speelt hij in het verleden. Het was alsof het toelaten van onaangename gedachten al bij mijn werk was gaan horen. Ik houd van ongemakkelijkheid. Reeve vergeleek mijn gedichten met cartoons. Hij liet me Mac Flecknoe lezen, de persiflage van Dryden op de dichter Thomas Shadwell, omdat hij wist dat ik gevoel voor humor had en belangstelling voor beroemdheden. Hij zei ook tegen me dat ik zelf even interessant moest zijn als mijn werk, wat ik doodeng vond. Ik dacht: Vergeet het maar, gast. Ik ben een heel gewoon mannetje. Ik ben middenklasse. Mijn vader is dokter. Ik had geen bijzondere persoonlijkheid. Ik wenste steeds maar dat ik een bijzondere jeugd had gehad, zodat ik een groot schrijver kon worden.

    Betty Draper, Dons eerste vrouw in Mad Men, gespeeld door January Jones.
    Betty Draper, Dons eerste vrouw in Mad Men, gespeeld door January Jones.

    Hij zei tegen me dat ik zelf even interessant moest zijn als mijn werk, wat ik doodeng vond

    Interviewer
    Misschien heeft Reeve wel een tv-schrijver van je gemaakt door je elke week een deadline te geven.

    Weiner
    Ik zeg altijd: schrijven voor tv is voor mensen die alleen zijn nog erger vinden dan schrijven. Ook toen al had ik er behoefte aan om te praten over datgene waar ik mee bezig was. Toen ik eenmaal wist dat wat ik had geschreven meteen zou worden gelezen, ook al werd het dan beoordeeld – en later, toen ik eenmaal wist dat het meteen zou worden opgenomen – was dat het enige wat voor me telde.

    Interviewer
    Kwam je daarachter toen je op de filmacademie zat?

    Weiner
    Nee, ik ging naar de filmacademie vanwege het schrijven, maar ik besefte dat als je kon schrijven, je alles kon beheersen. Al die mensen die ik bewonderde – Woody Allen, Jim Brooks, Preston Sturges – regisseerden én schreven. Regisseurs die op school kwamen vertellen over hun films, moesten uiteindelijk toch zeggen dat iemand anders die had geschreven. Voor mij was dat het geheim.

    Toen kwam ik van de filmacademie en zat drie jaar lang in een hol te schrijven. Linda, mijn vrouw, verdiende de kost, maar ik vond het heel naar. Daar was ik niet geschikt voor. Ik ben niet de schrijver die in een hutje in het bos wil wonen. Bovendien was ik de helft van de tijd bezig pogingen te doen om in de showbusiness door te dringen, een demoraliserende bezigheid en zinloos zonder voltooid werk, maar makkelijker dan schrijven.

    Interviewer
    Wat schreef je dan in die periode?

    Weiner
    Scenario’s. Ik maakte een scenario af waar ik al op de universiteit aan was begonnen. Daarna schreef ik nog een scenario over paparazzi. Vervolgens begon ik aan een Grote Film. Na de filmacademie las ik alles wat ik op de middelbare school had moeten lezen. Ik bedoel álles. Ik las Mein Kampf. Ik zat voortdurend te lezen in plaats van te schrijven. En ik las veel biografieën en kreeg belangstelling voor de Amerikaanse schelmenromanfiguur. Met schelmenroman bedoel ik niet zoiets als Candide. Ik heb het niet over een man die allerlei narigheid overkomt. Ik bedoel een man die zijn eigen toekomst bepaalt, omdat hij geen andere keuze heeft. Ik bedoel The History of Tom Jones. Dus schreef ik een film waarin het leven van een man wordt gevolgd van 1930 tot 2000. Maar ik bleef steken bij pagina 80.

    Toen besloot ik dat ik een film zou gaan máken. Een geïmproviseerde film waar ik zelf in zou spelen. Een soort komische Cassavetes-film – met acteurs die improviseren, maar wel binnen een verhaal. Dit was in de tijd van Clerks. Toen ik Clerks zag, voelde ik precies wat veel anderen ook voelden. Het was niet hetzelfde als voor de eerste keer The Beatles horen. Het was een amateurfilm in zwart-wit, maar heel inspirerend, zoals alleen iets puurs en uitzonderlijks dat kan zijn.

    En omdat ik op de filmacademie had gezeten, wist ik wat commercieel film maken was, en ik wist dat ik daar niet van hield. In de jaren negentig zaten films gevangen in de wurggreep van de formule. Mensen noemden altijd grote films zoals Chinatown als voorbeeld van hoe structuur leidt tot een groot werk. Maar naar mijn idee kwam die structuur juist voort uit dat grote werk. De individuele verhalen zijn de basis, die komen uit het hoofd van mensen. Het zou een gruwelijke vergissing zijn om te zeggen dat het verhaal over Jezus en dat over Mozes hetzelfde verhaal zijn. Gaan ze allebei over een held? Ja. Beginnen ze allebei onheilspellend en eindigen ze allebei met een ongemarkeerd graf? Ja. Daarmee is het nog niet hetzelfde verhaal. Maar de studio’s probeerden films te vangen in een waterdicht systeem, ze probeerden een gegarandeerde hit te fabriceren, wat natuurlijk krankzinnig is. In de entertainmentwereld is het heel dom om dat te proberen.

    Wat heel erg speelde toen, was dat iedereen de pest had aan een ‘episodische structuur’, zoals ze het in die tijd noemden.

    Interviewer
    Wat wil zeggen…?

    Weiner
    Ze voelden zich ongemakkelijk door een film als The Godfather of een verhaal als de Odyssee, waarin alleen de personages de gebeurtenissen bij elkaar houden. Dan heb je weer dat monster, dan weer dit obstakel, maar er is geen echte vooruitgang, de hoofdpersoon probeert alleen maar naar huis te komen. Natuurlijk, Michael Corleone begint als jonge held en eindigt als de godfather, maar de bruiloft neemt het eerste half uur van de film in beslag. Mensen hadden het graag over ‘scènewisselingen’ en ‘opgaande actie’ die naar een climax leidt, maar wat dan te denken van Apocalypse Now? Natuurlijk, er is iemand op reis, en we zijn op weg naar een climax, maar er zijn zo veel zijsprongen. Voor mij zíjn die zijsprongen het verhaal.

    Mensen zeiden wel tegen me: ‘Wat houdt het bij elkaar?’ Of: ‘Wat heeft dit moment te maken met de openingsscène, of met het probleem dat je op pagina 15 neerzet?’ Ik weet het niet. Dat is nou eenmaal waar het personage heen ging. Dat is het verhaal. Zo veel films in de jaren zeventig zijn op die manier verteld, episodisch, en die voelen meer aan als het echte leven, omdat je niet het verhaal afgedraaid ziet worden. Films als Days of Heaven – grote films die de tijd nemen om de sprinkhanen te laten zien. Is het sproeivliegtuigje in North by Northwest nodig? Nee, maar het is het meest memorabele stuk van de film. Het heeft geen essentiële functie in het verhaal. Cary Grant is al opgejaagd. Ze hebben al geprobeerd hem te vermoorden. Ze hebben hem verdoofd. Ze hebben drank door zijn keel gegoten. Weet je nog hoe Cary Grant teruggaat naar het huis waar de slechteriken hem in het begin van de film te pakken kregen en hem drank door zijn keel goten? Hij komt de volgende dag terug en zegt: ‘Hier was ik, hier goten ze me drank door mijn keel.’ Weet je nog dat hij dan de kamer ingaat waar ze drank in hem hebben gegoten, en dat er dan een andere bank staat?

    Alles wat je over schrijven moet weten, zit in _Sunset Boulevard_ en _8 1/2_

    Interviewer
    Zelfs nu staan de haren in mijn nek rechtovereind.

    Weiner
    Ze zijn zo gemeen. Ze hebben er een andere bank neergezet! Het is krankzinnig, maar prachtig. Natuurlijk, alles wat episch is, is episodisch van structuur, of het nu Lawrence of Arabia is of The Godfather, die al behandeld wordt als een kunstfilm – het grootste commerciële bioscoopsucces ter wereld wordt behandeld als een arthousefilm!

    Ik hield van de episodische structuur en ik vond dat die werkte. Dat vind ik nog steeds. Indertijd was ik vooral geïnteresseerd in Billy Wilder en Fellini. Ik vond het geweldig hoe zij de toon beheersten, hoe hun films zowel grappig als duister waren. Altijd wel ergens midden in die films ben je bang en moet je ook lachen en bijna huilen. Ik zou telkens opnieuw Sunset Boulevard en 8 1/2 kunnen zien. Alles wat je over schrijven moet weten, zit in die twee films. Hoe je een verhaal vertelt, waar je het verhaal begint, vanuit wiens gezichtspunt je het vertelt, waar je dat gezichtspunt verlaat, wanneer je een personage een eigen scène moet geven, al die dingen waar je gek van wordt wanneer je probeert iets te structureren. En dat er geen regels zijn. Dat is wat die twee films zeggen – er zijn geen regels, het publiek is niet zo star als je denkt, en zeker niet zo star als de mensen die de films financieren.

    In ieder geval, ik kwam van de filmacademie af en zei: Ze zullen mij heus niet het vliegtuig laten besturen, dus ik ga mijn eigen vliegveld bouwen. In 1995 nam ik in twaalf dagen mijn eerste film op, What Do You Do All Day? Hij kostte 12.000 dollar. Iedereen kan 12.000 dollar bij elkaar krijgen – nu zou het waarschijnlijk nog goedkoper zijn, want in die tijd bestond er geen digitale techniek.

    Rond die tijd belde mijn vriendin Daisy von Scherler Mayer me op en zei: ‘Ik heb een sitcom verkocht. Kom ook hierheen. Dan nemen we het script door en hoef jij alleen maar de grappen te bedenken.’ De serie heette Party Girl. En ik reed naar Warner Brothers en ging met al die professionele scenarioschrijvers rond de tafel zitten, en het kostte me geen moeite om te praten en grappen te maken. Niet alleen omdat ik een extravert type ben, maar ook omdat ik zelf net die film had gemaakt en wist dat die grappig was. Je hebt vast nooit gehoord van What Do You Do All Day? Het werd ook geen succes, maar toch zeg ik dat die film mijn leven heeft veranderd. Door het maken van die film veranderde ik van een gefrustreerd, bitter mens zonder controle over zijn leven in een man met grootheidswaan zonder controle over zijn leven. Ik was zo opgetogen dat ik werk had en grappen schreef en dan op de set de acteurs mijn teksten hoorde uitspreken en dat erom gelachen werd. Ik kon het niet geloven.

    Interviewer
    Dus de scenario’s die je voor die tijd had geschreven zijn nooit verfilmd?

    Weiner
    Nou, weet je nog, die schelmenroman van tachtig pagina’s waar ik mee was opgehouden? Dat bleek de basis te zijn voor Mad Men.

    Interviewer
    Echt?

    Weiner
    Vier jaar nadat ik bij de tv was komen werken, schreef ik de pilot voor Mad Men. Drie jaar later wilde AMC hem maken. Ze vroegen me: ‘Waar gaat de volgende aflevering over?’ Dus keek ik mijn aantekeningen nog eens na. Moet je voorstellen, het is 2004 – ik schrijf voor The Sopranos – en ik kijk nog eens na wat ik in 1999 heb geschreven… Maar dan stuit ik op dat onafgemaakte scenario uit 1995, en op de laatste pagina staat ‘Ossining, 1960’. Vijf jaar nadat ik met dat eerste scenario was gestopt, was ik opnieuw begonnen het te schrijven, zonder dat ik het zelf wist. Don Draper was de volwassen versie van de held in die film. En er zaten allerlei dingen in die film die onderdeel werden van de serie – Dons verleden, zijn plattelandsarmoede, mijn verhaal over de Verenigde Staten, over deze mensen. En als ik zeg ‘deze mensen’, bedoel ik mensen zoals [autotycoon] Lee Iacocca en [Walmart-oprichter] Sam Walton, zelfs Bill Clinton tot op zekere hoogte. Ik besefte dat de mensen die het land besturen allemaal een heel duistere achtergrond hebben, die ze verborgen hebben gehouden, en dat de typische, zich opwerkende Amerikaanse held, de Jay Gatsby of de talented Mr Ripley, nog steeds bestonden. Ik heb eens ergens gewerkt waar een collega zei dat hij op Harvard had gezeten. Uiteindelijk zei iemand: Jij hebt helemaal niet op Harvard gezeten. En hij had gelijk, die man had helemaal niet op Harvard gezeten! Iedereen haalde zijn schouders op, wat maakt het uit? Dat kwam in de serie terecht.

    Hoe kon het dat dat niet uitmaakte, terwijl iedereen altijd zo enorm zijn best deed om op Harvard te komen, omdat dat je leven zou veranderen? En dat je er gewoon over kon liegen? Stel je voor, hier in Amerika zeggen we dan: Goed zo! Goed dat hij dat heeft bedacht!

    Don Draper, het toonbeeld van een WASP en vertolker van het van-krantenjongen-tot-mijolnairideaal, gespeeld door Jon Hamm.
    Don Draper, het toonbeeld van een WASP en vertolker van het van-krantenjongen-tot-mijolnairideaal, gespeeld door Jon Hamm.

    Interviewer
    Eigenaardig dat Don Draper zo’n icoon van het jarenzestigestablishment is geworden, terwijl hij zich zelf zo’n buitenstaander voelt.

    Weiner
    Iedereen houdt van het van-krantenjongen-tot-miljonairverhaal. Wat mensen niet beseffen, is dat dit soort transformaties beginnen in schaamte, want armoede is iets waar je je voor schaamt. Dat zou niet moeten, maar iedereen die het zelf heeft meegemaakt, bevestigt het. Soms zeggen mensen: ‘Ik wist niet dat we arm waren.’ Don Draper weet dat hij arm is, net zoals Lee Iacocca of Bud en Sam Walton het wisten. Dat waren mannen die voortkwamen uit de Depressie, mensen van heel nederige komaf. Of zoals Conrad Hilton in de serie. Mannen die zich niet laten afschepen, die grote bedrijven opbouwen, imperia, maar in werkelijkheid komt het allemaal voort uit mislukking, onzekerheid en een identiteit die is gemodelleerd naar een abstract ideaal van blanke macht. Ik heb altijd gezegd: deze serie gaat over blank worden. Dat is de definitie van succes in Amerika – een WASP [White Anglo-Saxon Protestant] worden, een mannelijke WASP.

    De belangrijkste vraag achter de serie is: wie zijn wij? Als we ‘wij’ zeggen, wie is dat dan? In de pilot zegt personage Peter Campbell: ‘Geld en een opleiding halen niet de ruwe kantjes van mensen af.’ Geraffineerd antisemitisme. Ik heb die zin eens horen vallen toen ik zelf lesgaf. Degene die het zei, wist natuurlijk niet dat er een jood bij was. Ik was een geest. Sommige mannelijke kunstenaars doen zich graag voor als feminist, om een meisje te krijgen. Dat heb ik altijd pooierachtig gevonden. Ik sympathiseer met het feminisme, zoals ik me identificeer met homoseksuele mensen en met gekleurde mensen, omdat ik weet wat het is om over een schutting te kijken en er dan overheen te klimmen en te merken dat je er niet bij hoort, of er op het ongelukkigste moment aan herinnerd te worden dat je er niet bij hoort.

    Neem Rachel Menken, de erfgename van de warenhuisketen in het eerste seizoen van Mad Men. Zij hoort bij wat ik de nosejobgeneratie noem. Ze is geassimileerd. Ze houdt zich waarschijnlijk niet aan de sabbat of aan al die andere dingen waar haar ouders wel aan deden. Die generatie had het moeilijk, omdat ze wanhopig probeerden gedistingeerd en conventioneel te zijn, type corpsstudent en – dit is de generatie van mijn ouders – zo blank mogelijk. Ze schaamden zich voor hun ouders. Die assimilatie, dat is het verhaal van Amerika. Want, stel je voor: dat type, die Don Draper, heeft dezelfde problemen. Hij verbergt zijn identiteit ook. Daarom begrijpt Rachel Menken hem, omdat ze allebei wanhopig hun best doen om een blanke Amerikaanse man te zijn.

    Van alle personages hou ik het meest van Peggy. Ik herken me in haar worsteling. Ze is zo serieus, zelfingenomen, talentvol en intelligent, maar dom als het om persoonlijke dingen gaat. Zij denkt dat ze het leven van ‘wij’ leeft. Maar dat is niet zo. En elke keer als ze een hoek omslaat, zegt iemand: ‘Jij hoort niet bij “ons”.’ ‘Maar laatst zeiden jullie allemaal “wij”.’ ‘Ja, maar we bedoelden “wij blanke mannen”.’

    Interviewer
    Vreemd dat je Mad Men, een drama van een uur, schreef toen je net succes had als scenarioschrijver van sitcoms van een half uur.

    Weiner
    Ik zag geen toekomst in situation comedy. Er was geen ruimte meer voor series als M*A*S*H, een komische serie met sentimentele momenten waarbij je ineens tranen in je ogen kreeg.
    Toen ik begon, was er niet veel drama op tv. Dat was niet meer in de mode. Er waren vier nieuwsprogramma’s per week en er was Who Wants to Marry a Multi-Millionaire? of zoiets, en dan had je nog de crimi’s en de spelletjesprogramma’s. Reality-tv bestond nog niet. In de tijd dat ik met sitcoms bezig was, veranderde dat van de lucratiefste en opwindendste plek in de televisiewereld waar je maar kon zijn in een uitstervend genre. Al die dingen van televisie waar mensen een hekel aan hebben, begonnen zakelijk te mislukken en nog steeds vroegen de networks: ‘Hoe kunnen we de nieuwe Friends maken?’

    Toen ik de pilot voor Mad Men schreef, was de markt opgedroogd. Survivor kwam toen ik aan de sitcom Becker schreef. Survivor, The Sopranos, en Lost kwamen allemaal binnen een paar jaar uit. Tegen die tijd was drama echt groot geworden. En toen nam David Chase me aan voor The Sopranos, vanwege mijn script voor Mad Men.

    Interviewer
    Je hebt aan drie seizoenen van The Sopranos gewerkt, voordat je terugkeerde naar je pilot voor Mad Men. Heeft dat je kijk op de serie beïnvloed?

    Weiner
    Zonder The Sopranos zou Mad Men een soort grappige, soapachtige versie van The West Wing zijn geworden. Peggy zou een streber zijn geweest. Alles wat mensen verwachtten dat er zou gebeuren, zou ook gebeurd zijn. De pilot zelf had al wel een duistere, vreemde kwaliteit, maar ik wist toen niet dat dat juist het goede eraan was. Ik zocht alleen maar een excuus om mijn demonen uit te drijven, om een verhaal te schrijven over iemand van 35 die alles heeft en ongelukkig is.

    Voor mij was het belangrijkste dat ik hoorde hoe David Chase het onderbewuste aansprak. Ik heb geleerd om niet aan de communicatieve kracht daarvan te twijfelen. Als je iemand door een donkere gang ziet lopen, weet je dat hij bang is. We hoeven niet uit te leggen dat het eng is. Waarom loopt die man door een donkere gang, op weg naar de school van zijn kind? Omdat hij bang is dat iemand hem iets ergs gaat vertellen over zijn kinderen. Hij maakt zich zorgen dat hij iets gaat horen waardoor de manier waarop hij zijn kinderen opvoedt in een kwaad daglicht komt te staan. Dat gaat terug tot zijn eigen kindertijd. Al die verklaringen voor van alles, we hadden het er niet eens over. En ik probeer het er bij onze serie ook niet over te hebben. Waarom is dat gebeurd? Waarom denk je? Als je mensen vertelt wat er gaande is, bederf je de pret, want dan genieten ze er niet meer van, ook al zeggen ze dat ze het wel willen weten.

    Ik zeg tegen jou ook wel eens: ‘Waarom doe je niet X?’ en dan zeg jij: ‘Dat wilde ik ook doen.’ Dat heb ik geleerd bij The Sopranos. Zulke aanwijzingen probeer ik iedereen te geven die bij ons schrijft. Neem het risico om het extreme te doen, het gênante, dat wat in je onderbewuste zit. Vóór The Sopranos wist ik niet wat het betekende als iemand zei: ‘Maak het dieper.’ Of eigenlijk, in mijn onderbuik wist ik het wel – maar ik wist ook dat ik dat nou net niet zou doen. Dat Peggy het kantoor van Don binnenkomt nadat hij die baby heeft gekregen, en om salarisverhoging vraagt, wat afgewezen wordt, en naar de babycadeautjes kijkt, zodat wij weten dat ze aan haar eigen baby denkt die ze heeft afgestaan – en haar dan tegen Don laten zeggen: ‘Jij hebt alles, en ook nog zo veel van alles.’ Dat heeft iets gênants. Een scène die eigenlijk alleen ging over het feit dat ze haar salarisverhoging niet krijgt, wordt een scène over haar hele leven. Dat soort dingen heb ik van David Chase geleerd.

    Nog iets wat er gebeurde toen ik voor The Sopranos ging schrijven, was dat ik merkte dat mensen me altijd anekdotes vertelden. Dan gooiden ze er een regel dialoog uit die ze iemand hadden horen zeggen, of die iemand tegen hen had gezegd – en dat wás het verhaal. Ik wist niet hoe belangrijk dat was. Er is een aflevering waarin Beansie en Paulie herinneringen zitten op te halen, en Tony afwijzend zegt: ‘Weet je nog wel is de laagste vorm van conversatie.’ En dat is vernietigend. David Chase was er zelf bij toen iemand dat zei. Nu heb ik stapels van dat soort dingen, die ik heb bewaard. Dingen die mensen tegen me hebben gezegd, die bondig zijn en vernietigend en een moment in hun leven beschrijven. Als ik zit te praten met een vrouw in een vliegtuig en zij zegt: ‘Ik vind het leuk om stout te zijn, en dan naar huis te gaan en weer lief te zijn’, dan kan ik dat gebruiken.

    Interviewer
    Heb je je geheugen getraind voor dat soort momenten?

    Weiner
    Ik heb daar altijd een geheugen voor gehad, ik wist alleen niet dat er waarde in school. Op een keer hadden we een telefoongesprek als research voor The Sopranos. Het was een conference call die twee uur duurde, met een man die over noodmedicatie vertelde. Aan het eind van het gesprek had de assistent van de scenarioschrijvers, die aantekeningen maakte, een heleboel medische feiten, maar wij, de scenarioschrijvers, hadden allemaal dezelfde twee ideeën opgeschreven. Allemaal. Alleen maar die twee ideeën in een gesprek van twee uur.

    Interviewer
    Wat waren het voor ideeën?

    Weiner
    Hij zei dat iedereen met een verzekering een vip is. En hij gebruikte de uitdrukking ‘portemonneebiopsie’. Ik denk dat ze voor zich zelf spreken. Maar daar gaat het om als je scenarioschrijver bent. Ik weet niet wat iets tot een verhaal maakt, maar ik herken een verhaal als ik het hoor. Mad Men was een serie die ik wilde zien. Ik wilde heel graag een verhaal vertellen over die tijd. Die vond ik sexy. Ik wilde er zelf een beetje in leven, en ik wilde mensen eraan herinneren dat ze een verkeerde kijk hebben op het verleden, op elk verleden.

    Interviewer
    Wat voor verkeerde kijk?

    Weiner
    Zoals in Reds, als ze de getuige ondervragen en Henry Miller zegt: ‘Mensen denken tegenwoordig dat zij het neuken hebben uitgevonden.’ Dat soort dingen. De oude mensen die je ziet, die zijn misschien wel nog liederlijker geweest dan wij, dronkener, minder verantwoordelijk, gewelddadiger. Film noir gaat zo vaak over soldaten die een plek moeten vinden in de maatschappij; de privédetective die wordt achtervolgd door de wetenschap dat hij in de oorlog mensen heeft gedood. En dan heb ik het nog niet eens over The Best Years of Our Lives. De verhuizing naar de suburbs, de hang naar privacy, het conservatisme van de jaren vijftig – dat is allemaal veroorzaakt door mannen die twee jaar lang niet ongestoord naar de wc konden. Ik ben niet de eerste tv-maker die geïntrigeerd en gefascineerd is door de jaren vijftig. De twee grootste series van de jaren zeventig zijn M*A*S*H en Happy Days. Dat is duidelijk een tijd waaraan cultuur wordt afgemeten. Is Hawkeye niet verwant met Don Draper? Het is een alcoholische padvinder die zich voortdurend misdraagt. Ik wilde teruggaan naar die tijd en nog eens kijken hoe het was.

    Dus ik kocht voor veel geld videobanden om films uit die tijd te kunnen bekijken. Ik nam iemand in dienst om research voor me te doen. En omdat ik de hele dag aan het werk was, kwam ik op het idee om te dicteren. Ik merkte dat ik voortdurend dialogen bedacht en die niet snel genoeg kon opschrijven. Later heb ik gehoord dat Billy Wilder ook zo werkte. Hij liep rond met een rijzweepje terwijl zijn medewerkers zaten te typen. Joseph Conrad deed het ook. En Henry James. Ik heb het uitgezocht, omdat sommige scenarioschrijvers die ik ken vinden dat het vals spelen is. En het is moeilijk te geloven dat je even welbespraakt kunt zijn als je personages, maar dat kun je wel, als je weet waar het over gaat en jij degene bent die ze aanstuurt. Dan kun je het later bijschaven. Dat werkt veel beter dan achter je bureau zitten treuzelen, een stuk beschrijving te schrijven en zoeken naar de perfecte zin.

    Don Draper met zijn nieuwe vrouw Megan (Jessica Paré).
    Don Draper met zijn nieuwe vrouw Megan (Jessica Paré).

    Interviewer
    Beschrijf eens hoe je nu aan de serie werkt?

    Weiner
    Aan het begin van het seizoen dicteer ik veel aanwijzingen over verhalen die ik interessant vind. Dan beginnen we voor elke aflevering met een door de hele groep geschreven verhaal, een outline. Als ik zo’n outline lees, krijg ik maar zelden echt een beeld van het verhaal. Het moet me verteld worden. Dan ga ik met een assistent in een kamer zitten en dicteer ik de scènes, het hele script, pagina voor pagina.

    Interviewer
    Ik heb je zo hele scènes zien doen, zonder pauze.

    Weiner
    Ik zie het voor me in mijn hoofd. En ik kijk niet naar de gedicteerde tekst, ik probeer het in mijn hoofd te houden. Daarom word ik er ook heel moe van. En daarom is het zo belangrijk om de juiste assistent te hebben. Er moet chemie zijn, zij moeten een beetje mijn gedachten kunnen lezen, zodat ze weten wanneer ik een eerdere persoon weer iets laat zeggen, of wie er aan het woord is – want soms houd ik op met aangeven wie er iets zegt. Na een tijdje ga ik met verschillende stemmen praten. Ik weet zelf niet eens wat ik doe terwijl ik rondloop en die scènes bedenk. Maar mijn toneelstuk heb ik op dezelfde manier geschreven, en mijn tweede film, You Are Here, ook. Als je zo schrijft, houdt dat in dat alle dialogen uitgesproken kunnen worden. Op een keer hadden John Slattery en ik een meningsverschil over de tweede aflevering, waarin een beetje een tongbreker zat. Hij moest zeggen: ‘Coop is going to want a carbon with your hand-picked team for Nixon on it. And I warn you right now, it includes Pete Campbell.’ [‘Coop wil een kopie van het team dat jij eigenhandig hebt uitgekozen voor Nixon. En ik waarschuw je maar meteen: Pete Campbell staat er ook op.’] Volgens hem was het onmogelijk om dat uit te spreken, maar ik wist dat het wel kon, want ik had het ook uitgesproken. Dus ratelde ik het er zo voor hem uit. Hij moest lachen, en zei die tekst en alle andere teksten die ik voor hem had geschreven. Ik begon meer tongbrekers voor John te schrijven. Mijn favoriet was: ‘He knows what that nut means to Utz and what Utz means to us.’ [‘Hij weet wat die gek betekent voor Utz en wat Utz betekent voor ons.’]

    Interviewer
    Wat is het grootste verschil tussen schrijven voor de serie van een ander en schrijven voor je eigen serie?

    Weiner
    Horen hoe Tony Soprano jouw dialoog zegt is één ding. Dat is belachelijk. Dat is een volkomen surrealistische ervaring. Maar een hele omgeving creëren en zelf op de set dat nepkantoor uit een ander tijdperk binnenlopen en daar Peggy zien met haar paardenstaart, en Joan die eruitziet als Joan. Dat was mooier dan ik had durven dromen. Ik ben degene die alles beheerst. Normaal sta ik op gespannen voet met de wereld, en net als de meeste andere mensen heb ik geen controle over wat er zal gebeuren – ik heb alleen maar wensen en dromen. Als je dan in een wereld bent waar jij uitmaakt hoe de dingen zullen uitpakken, wie er gaat winnen, wat ze gaan leren en wie met wie zoent…

    Interviewer
    En dan maak je ook nog aflevering na aflevering, seizoen na seizoen. Je hebt een keer tegen mij gezegd: ‘Ik heb honderden en honderden scènes geschreven met twee mensen erin. Je moet weten wat voor soort scène het is.’ Wat bedoelde je daarmee?

    Weiner
    Toen ik net begon, leerde een scenarioschrijver me wat de basisingrediënten van de situation comedy zijn. Bijvoorbeeld, een scène waarin de ene man denkt dat hij over het ene praat en de andere man denkt dat ze het over iets anders hebben. Het klinkt als een groot cliché. Maar weet je, dat is comedy. De vraag is: kun je dat goed? Ik heb zelf een paar van de grootste clichéscènes geschreven voor Mad Men.

    Interviewer
    Welke bijvoorbeeld?

    Weiner
    In het eerste seizoen bijvoorbeeld, als Pete die chip & dip-set gaat terugbrengen naar de winkel. Hij probeert het bemoeizieke meisje achter de balie te versieren en zij wijst hem af; dan komt die andere vent binnen en die probeert haar ook te versieren, en dat vindt ze heerlijk. Dat zou overal ter wereld een scène in een comedy kunnen zijn, compleet met het in de rij staan. Voor mij is in de rij staan een van de grappigste dingen die er bestaan.

    Of denk aan de eerste aflevering van seizoen 3 van Mad Men, waarin Ken en Pete allebei tot account manager worden gepromoveerd. Ik zette ze samen in de lift, zodat ze allebei grootmoedig de verliezer konden feliciteren. Ik wilde kijken hoelang we de dramatische ironie konden vasthouden. Toen ik bij The Sopranos kwam, besefte ik dat ik er een hekel aan had als het ene personage er alleen maar is om het andere door de scène te helpen: ‘Ik moet je iets vertellen.’ ‘Ja, nou, wat moet je me dan vertellen?’ ‘Het is nogal lastig om het te zeggen, Ron.’ ‘Nou, ik luister.’ Ik weet niet hoe anderen daarover denken, maar ik merk altijd dat als ik echt iets wil zeggen, er altijd een obstakel in de weg zit. Behalve in dit interview.

    Interviewer
    En hoe zit het met de scènes die je schrijft met vier, vijf of zes mensen erin? Of meer? Al die werkbesprekingen, al die vergaderingen met partners?

    Weiner
    Die zijn zwaar, en het moeilijkste van mijn werk is omgaan met ‘expositie’ [het vertellen wat er buiten beeld is gebeurd]. Dus als je veel personages bij elkaar op zo’n vergadering zet, heb je dat meteen verholpen. Maar ik merk dat het me beter lukt om ze in mijn hoofd te laten praten als ik elk personage een eigen doel geef in de scène. En zo’n vergadering is meestal wel de plek met het meeste drama. In de loop van het verhaal krijgen personages die eerst een persoonlijk probleem hadden een publiek probleem, ook al liegen ze erover. Wat, neem ik aan, een ingewikkelde definitie is van dramatische ironie. Neem die vergadering in de aflevering ‘Hands and Knees’. Don is bijna gearresteerd door de overheid. Pete moet North American Aviation afwijzen en voor Don liegen, anders moet die naar de gevangenis. Pete weet ook dat Don met dr. Faye naar bed gaat. Lane is door zijn vader geslagen met een wandelstok. Roger heeft hun grootste klant verspeeld en Joan in haar eentje naar de abortuskliniek gestuurd. Joan heeft geen abortus laten plegen. En Cooper is er alleen maar bij – hij weet nergens van. Dus er zijn daar in die kamer zes geheimen. Toen ik die scène schreef, was het het moeilijkst om de personages te dwingen ergens over te praten. Gelukkig hadden we de structuur van een andere zwijgende vergadering nog. Het publiek heeft zo veel informatie en de personages weten niets.

    Naast het schrijven ga ik vaak naar vergaderingen, waar ik altijd erg om moet lachen – de vaste agenda, old business, new business [citaat van Groucho Marx in Duck Soup], dat is niet alleen iets van de Marx Brothers. Maar weet je, ik vind eigenlijk elke scène komisch.

    De mannen van reclamebureau Sterling Cooper in bespreking.
    De mannen van reclamebureau Sterling Cooper in bespreking.

    Veel keuzes werden trouwens, zoals zo veel goede keuzes, ingegeven door financiële noodzaak

    Interviewer
    De eerste keer dat ik op de set kwam, zag ik een stapel post liggen op het bureau van de secretaresse. Elke brief was geadresseerd aan een personage uit de serie, van een cliënt die hij of zij heeft in de serie, compleet met postzegel en poststempel van 1965. Hoe krijg je het zo echt, zo gedetailleerd?

    Weiner
    We hebben een heleboel mensen die het heerlijk vinden om die tastbare realiteit te herscheppen. Maar bij het schrijven doe ik niet speciaal mijn best om ‘in de tijdgeest’ te schrijven. Ik probeer realistisch te zijn, maar de personages zijn slimmer en praten makkelijker dan gewone mensen. Dat is een van de redenen waarom ik ze zo langzaam laat praten – of eigenlijk, zo veel laat luisteren: omdat ik niet wil dat er steeds dingen worden herhaald of dat de dialoog al te flitsend is, zodat het niet echt klinkt. Ik wil dat er echte dingen gebeuren, dat mensen ‘Wat?’ zeggen als ze iets niet begrijpen, of hoesten, dat soort dingen. De regisseur van de pilot wilde dat het er ‘jaren vijftig’ uitzag. Hij wilde het zelfs in zwart-wit opnemen. Toen zei hij dat er sneller moest worden gepraat.

    Maar als je te snel praat, moet je de informatie steeds herhalen. Dat wilde ik niet. Ik wilde zelfs niet dat de personages elkaar bij hun naam aanspraken, want dat voelde onecht aan. En na twee seizoenen van de serie was Roger Sterling voor mensen ‘die man met het witte haar’.

    Waar we het wel over eens waren, was dat we een commerciële stijl van filmen zochten. We waren geïnteresseerd in de plafonds, in de lage hoeken. De cameraman, de regisseur, de artdirector en ikzelf hadden allemaal North by Northwest als referentiekader. Ook dat is een verhaal over een reclameman. Ook al is alles in die film erg gestileerd, is het een thriller en speelt Cary Grant erin, hij is gemaakt in 1958, een paar jaar voor de tijd waarin onze pilot speelde, en wij lieten ons beïnvloeden door die stijl van fotograferen.

    Veel keuzes werden trouwens, zoals zoveel goede keuzes, ingegeven door financiële noodzaak. In de pilot schreef ik een shot van bovenaf, waarin mannen het Sterling Cooper-gebouw binnengaan, want ik wist dat dat de goedkoopste manier was om de sfeer van die tijd neer te zetten. Recht naar beneden kijkend zie je de zijkant van het gebouw – en die gebouwen waren niet erg verouderd – en je ziet de bovenkant van de hoeden die de mannen droegen – dus hadden ze geen compleet kostuum nodig – en wat auto’s, en dan heb je het juiste tijdsbeeld. Toen we de flashbacks bedachten, het doorkijkje naar de kindertijd van Dick Whitman, herinnerde ik me hoe ze in Death of a Salesman de flashbacks in het gewone decor lieten spelen, en ik dacht: Waarom doen we het niet gewoon in de eetkamer van Don? We situeren het in een soort theatraal niemandsland.

    Interviewer
    Jij zegt vaak: ‘Dat klopt gewoon niet met die tijd.’ En dan gaat iemand het uitzoeken, en blijkt dat je gelijk hebt. Hoe kan het dat je zo veel gevoel hebt voor een periode die je zelf alleen als klein kind hebt meegemaakt?

    Weiner
    Ik heb alle zegswijzen geschrapt die me niet natuurlijk voorkwamen. Zelfs als kind hoor je bepaalde uitdrukkingen, en dan hoor je ze ineens niet meer. Ik heb mensen ‘make a hash of it’ [‘er een rommeltje van maken’] horen zeggen. Dat wordt niet meer gezegd. En ik heb intuïtief acteurs gecast die iets formeels over zich hadden. Later bleek dat zij bijna allemaal uit het Midwesten komen. Die hebben ouderwetse manieren.

    Maar weet je, al die vragen over het zo getrouw mogelijk nabootsen van de waarheid hebben te maken met camerastandpunten en editing. De oorspronkelijke regisseur, Alan Taylor is een groot fan van Wong Kar-wai, en dat ben ik ook. Wong Kar-wai laat scènes zich voor je ogen ontwikkelen. Tijdens een gesprek zie je in de point-of-view shots [waarin je ziet wat een personage ziet] een stuk van iemands schouder of hoofd. Zijn manier van filmen doet recht aan de ruimte, plaatst de mensen in de ruimte, plaatst het publiek in de ruimte. Ook muziek en enscenering spelen een rol, maar de manier van editen is het belangrijkst. We gebruiken geen dialoog die elkaar overlapt. Meestal, als je een scène tussen twee mensen die met elkaar praten snijdt, schakel je steeds naar de persoon die luistert. Daardoor kun je materiaal van verschillende takes gebruiken. Het is ook bedoeld om de aandacht van het publiek vast te houden. Maar deze acteurs waren zo goed, zij kregen die overgangen voor onze ogen voor elkaar, waarom dan overschakelen? Dus ik bleef bij ze terwijl ze spraken. Dan konden ze helemaal uitpraten en dan was er een pauze aan de ene of aan de andere kant, zodat het andere personage kon reageren. Dat schept voor mij op magische wijze het gevoel dat je erbij bent, al is dit allemaal niet zo beredeneerd. Dat is min of meer hoe ik de wereld ervaar. Het voelt normaal aan voor mij.

    Pete Campbell (Vincent Kartheiser) en zijn vrouw Trudy (Alison Brie Schermerhorn).
    Pete Campbell (Vincent Kartheiser) en zijn vrouw Trudy (Alison Brie Schermerhorn).

    Ik houd me verre van internet

    Interviewer
    Veranderde de manier waarop je schreef toen je eenmaal zelf had geregisseerd?

    Weiner
    Ik probeer nu elk script te schrijven alsof ik het zelf moet regisseren. Ik laat geen enkele onduidelijkheid bestaan over houdingen of gebaren. Ik laat geen onduidelijkheden bestaan over de set. Ik probeer te specificeren wie de personages zijn. Het is een blauwdruk. Ik zal altijd visuele aanwijzingen geven. En dan heb ik het niet alleen over de props, maar over alles wat je ziet. Of mensen zitten of staan. Dat soort dingen schrijf ik in het script. Dat hoef je niet te doen en ik deed het vroeger ook niet. Betty gaat in de keuken zitten. Dat is een van mijn dingen. Je moeder heeft een plek waar ze zit, als ze zit. Dankzij het regisseren schrijf ik niet meer van die onmogelijke onzin als dat iemand ‘neerploft in een stoel’ of ‘bloedrood wordt’ of ‘zijn ogen ten hemel slaat’. ‘Zo heeft hij zich nooit eerder gevoeld.’ ‘Hij doet haar denken aan zijn vader.’ Je kunt niet schrijven hoe iemand zich voelt, je moet het in de scène laten zien.

    Het wonder dat je opschrijft dat Jon Hamm op de trap zit, aan het eind van het eerste seizoen, en dat je dan, terwijl de camera wegdraait, ziet hoe zijn gezicht fysiek verandert, op een manier die… Dat was geweldig. Zo veel emotie. Ik ben zelf veel te geremd om dat ooit te kunnen. Ik snap niet hoe acteurs dat doen.

    Interviewer
    In een scène zoek jij altijd naar een verrassende manier om een moment binnen te komen, of een manier waarop dat moment onverwacht kan veranderen.

    Weiner
    Ken je die scène in Rebecca, waarin Joan Fontaine rondkijkt in die kamer waar overal het monogram van Rebecca op staat, en George Sanders in het raam verschijnt? Het is een kamer op de begane grond en hij zit in het raam. Hij zwaait gewoon zijn been over de vensterbank en loopt de kamer binnen. En je denkt, die vent had ook door de voordeur binnen kunnen komen. Maar ik weet zo veel over hem, juist omdat hij door het raam kwam. We zijn allemaal dol op dat soort momenten.

    Hoe vaak wordt er niet aan het begin van een verhaal gezegd dat het personage zich verveelt, en dan wordt er verteld hoe saai alles voor hem is – hij doet dit, en hij gaat naar het huis van zijn moeder, en zij praat maar door, en hij staart naar buiten; dan ga je naar zijn werk, en daar is elke dag hetzelfde. Maar eigenlijk heb je maar één shot nodig om de kijkers te laten zien dat het personage zich verveelt. Dat hebben ze gedaan in The Sopranos. Tony hoefde een tijdje niets te doen, en ze lieten gewoon een shot van hem zien op de roltrap in een winkelcentrum.

    Het verhaal is niet: wij hebben deze geweldige brug gebouwd, laten we nou kijken hoe mensen de brug oversteken. Het verhaal is: de brug is buiten werking, de brug is kapot. Ik ga proberen er een te bouwen. En dan wordt hij opgeblazen vlak voordat ik ermee klaar ben.

    Interviewer
    Lees je de recensies over Mad Men wel eens?

    Weiner
    Ik houd me verre van internet.

    Interviewer
    Nu bedoel je.

    Weiner
    Ja, ik kon er niet tegen. Het is alsof je terechtstaat voor een misdaad die je niet hebt begaan en naar de getuigenissen moet luisteren met een prop in je mond. Maar ik heb wel geleerd dat wat iets voor mij betekent, voor anderen iets anders kan betekenen. Dat is prima. Het is eigenlijk prachtig.

    Interviewer
    Je hebt vorig jaar een film geregisseerd. Je schrijft toneelstukken en gedichten. Wat vind je ervan dat je wordt gezien als tv-schrijver?

    Weiner
    Ik snap niet eens wat dat is. Over tien jaar lacht iedereen daarom, want dan zie je alles op hetzelfde scherm. De filmindustrie klampt zich vast aan de rol die ze denkt te hebben als de belangrijkste cultuurvorm, maar weet je, ik las net een interview van eind jaren vijftig met Stanley Kubrick, waarin hij zegt dat als films nog iets in de melk te brokkelen willen hebben, ze meer zoals televisie moeten worden, of beter. Hij had het over de tv-kunstenaars uit die tijd, onder wie Woody Allen, Larry Gelbart, Neil Simon, Rod Serling, Paddy Chayefsky, Reginald Rose – en de regisseurs die daarbij hoorden – John Frankenheimer, Sidney Lumet, Derbert Mann. In de tien jaar daarna zijn die allemaal overgestapt naar de film. De film nam het over. Maar echt, de jaren vijftig waren de gouden eeuw van de televisie.

    Interviewer
    Hoe kwam dat?

    Weiner
    Door sociaal bewustzijn en respect voor het publiek. Het was de tijd van de zwarte lijst [van Hollywood], dus er was veel rebellie. Er was poëzie, er waren geweldige toespraken, ongelooflijke welsprekendheid in die vroege voor tv gemaakte drama’s, maar ze gaan over het echte leven. Er spelen acteurs in die niet knap zijn. Er komen herkenbare milieus in voor, zoals automatieken. Vóór de jaren vijftig zou zoiets als 12 Angry Men geen goed onderwerp hebben geleken voor een Hollywoodfilm. Het moest eerst een tv-drama van negentig minuten worden. Maar zo gaat het. Amerikanen zijn rebels en ze gebruiken hun amusement om dat te uiten. Dus gelukkig heeft rebels amusement uiteindelijk succes.

    Interviewer
    Ben je wel eens bang dat je je gevoel voor dit vak kwijtraakt?

    Weiner
    In de showbusiness wordt een carrière altijd gezien in termen van succes of mislukking. Dat interesseert me niet. Dat is afhankelijk van de buitenwereld. Ben je in de mode of ben je niet in de mode? Mijn kinderen hebben geen Faulkner op hun boekenlijst staan. Thomas Wolfe – helemaal weg. Je weet nooit wat zal verdwijnen en wat zal blijven. Maar creatief gezien ben je ofwel nat ofwel droog. Dat is wat een scenarioschrijver zichzelf afvraagt. Droog ik op? Het herhalen, dat is het lastigst. Dat weet jij ook, jij hebt daar elke dag mee te maken. Jij ziet hoe ik worstel om niet op heterdaad betrapt te worden als ik iets doe wat ik al heb gedaan. Weet je nog wat ik je vertelde over Allan Burns, bij mijn diploma-uitreiking op de middelbare school? Nou, na mijn eerste jaar op de universiteit ging ik een keer met hem lunchen. Ik vroeg hem: ‘Hoe schrijf jij?’ Hij zei: ‘Mijn regel is: stoppen als ik goed op stoom ben. Zit ik ergens midden in, is het goed en weet ik waar het heen moet, dan stop ik. Want als ik dan morgen terugkom, kan ik op dat punt verder gaan.’ Daar zat natuurlijk zijn angst achter om morgen wakker te worden en dan niet meer te kunnen schrijven. Daar ben ik ook doodsbang voor.

    Interviewer
    Ben je verder nog bijgelovig waar het je werk betreft?

    Weiner
    Ik heb een pen die ik gebruik om aantallen te controleren in het script. Die pen gebruik ik al sinds Becker. Ik leen soms ook het bijgeloof van anderen. Maar ik ben vooral bijgelovig al het om overmoed gaat. Ik ben doodsbang dat ik dingen kwijtraak als ik me eindelijk ontspan. Toen ik de pilot van Mad Men schreef, zei ik: ‘Ik ben al succesvol, waarom ben ik niet gelukkig?’ Nu is dat veranderd in: je wist niet eens wat succes was, stel nou dat je dromen zijn uitgekomen?

    Auteur: Semi Chellas
    Vertaler: Annemie de Vries

    The Paris Review
    Verenigde Staten, driemaandelijks, oplage onbekend

    Gevestigd in New York maar opgericht in Parijs, 1953, met het doel de focus te verleggen van literatuurkritiek naar literatuur zelf. Grote schrijvers als Philip Roth, V.S. Naipaul, Mona Simpson, Rick Moody, Samuel Beckett, Jack Kerouac, Italo Calvino, Nadine Gordimer publiceerden voor het eerst dan wel aan het begin van hun carrière voor dit stijlvol vormgegeven blad, waarvan onder meer de reeksen interviews met schrijvers over ‘de kunst van het schrijven’ beroemd zijn.