Onderwerpen: Economie

  • Pleidooi voor een universeel basisinkomen

    Pleidooi voor een universeel basisinkomen

    Het gevaar dreigt dat de toch al grote ongelijkheid in de wereld nog verder wordt vergroot door de coronacrisis, zegt de VN-hulporganisatie UNDP. Een basisinkomen biedt een vangnet en voorkomt sociale onrust. Hiermee worden naast de kosten ook de baten van globalisering eerlijk verdeeld.

    Regel 1 voor crisismanagement: maak de zaak niet erger dan die al is. Om de coronacrisis het hoofd te bieden overwegen veel landen grootschalige fiscale stimuli in te stellen en ruimhartig geld bij te drukken. Ze hopen daarmee twee vliegen in één klap te slaan: de pandemie bestrijden en de economische neergang temperen. 

    Zulke plannen zijn op zich niet slecht, maar ze moeten wel strategisch en houdbaar zijn. In onze ijver de crisis te bestrijden moeten we niet de kiem voor een nieuwe crisis zaaien: daarvoor staat er te veel op het spel.

    Wel wordt het tijd om aan alle genomen maatregelen een nieuw element toe te voegen, een oude bekende die we uit het oog hadden verloren: het universeel basisinkomen. Het zou onderdeel moeten worden van een breder pakket om ons door deze diepe crisis te loodsen.

    Ongelijkheid

    De – talrijke – tegenstanders van dit idee zullen aanvoeren dat geen enkel land het zich kan veroorloven geld uit te delen aan al zijn burgers. In die optiek zouden er onhoudbaar grote tekorten ontstaan die niet te financieren zijn.

    Die zorg is uiteraard terecht. Maar het alternatief is dat de toch al grote ongelijkheid in de wereld verder groeit. Bestaande maatschappelijke conflicten zouden op de spits worden gedreven, en dat kan ons nog veel duurder komen te staan.

    De pandemie verspreidde zich vanuit China over Azië, waarna ook de rest van de wereld werd getroffen. Ze legde daarmee de grote ongelijkheid in Azië bloot, maar ook de kwetsbaarheid van grote groepen mensen. Zoals die van informele arbeiders, naar schatting 1,3 miljard mensen, oftewel tweederde van de bevolking van het Aziatisch-Pacifisch gebied.

    Ook migranten hadden het zwaar: alleen al in India waren bijna honderd miljoen mensen op drift. Als een groot deel van een generatie zonder werk komt te zitten en een vangnet ontbreekt, zijn de maatschappelijke kosten onaanvaardbaar hoog. Economische instabiliteit zal het onherroepelijke gevolg zijn van opflakkerende sociale onrust.

    De vraag niet óf we de middelen wel hebben voor een sociaal vangnet, maar hoe we die kunnen vinden

    In deze tijden, nu we proberen onze economieën weer aan de praat te krijgen, is sociale stabiliteit een groot goed. Die overweging alleen al is een sterk argument voor de invoering van een universeel basisinkomen.

    Deze crisis vraagt om een nieuw sociaal contract dat de grote ongelijkheid overal ter wereld doet afnemen. Simpel gezegd is de vraag niet óf we de middelen wel hebben voor een sociaal vangnet, maar hoe we die kunnen vinden. Het universeel basisinkomen is een nuttig instrument om mensen zekerheid te geven waarop ze kunnen bouwen.

    De Verenigde Staten en Canada werken al aan zulke plannen. Alaska keert alle burgers zelfs jaarlijks een bepaald bedrag uit, in wezen een soort universeel basisinkomen. De Canadese premier Justin Trudeau zegde iedereen die door de pandemie zonder werk kwam te zitten 2000 Canadese dollar per maand toe. Deze eerste aanzetten moeten een blijvend en grootschaliger karakter krijgen; onmogelijk is dat zeker niet.

    Eerlijker

    Wel moeten we het anders aanpakken dan in het verleden. Het basisinkomen moet noch als een vrijblijvende uitkering worden gezien, noch als extraatje voor mensen die toch al niets te kort kwamen. In plaats daarvan moeten we deze dubbele crisis aangrijpen om na te gaan of we de dingen inderdaad niet ‘nog erger maken dan ze al zijn’.

    Belastingen zullen eerlijker moeten worden. Landen moeten meer gaan samenwerken, data uitwisselen, zodat mensen en bedrijven niet langer ongehinderd belasting kunnen ontduiken. Iedereen moet het zijne bijdragen. We kunnen niet met een zuiver geweten winsten privatiseren, terwijl we verliezen afwentelen op het collectief.

    Verder moeten we subsidies stopzetten, vooral die op fossiele brandstoffen. Door hun marktverstorende werking zitten die duurzame ontwikkeling in de weg, waardoor klimaatdoelen onbereikbaar worden. Dit is in ons aller belang; het levert geld op voor een basisinkomen, maar ook voor het overeind houden van olie- en gasmaatschappijen.

    Warren Buffett en Bill Gates, twee van de rijkste mensen op aarde, hebben ervoor gepleit de superrijken meer belasting te laten betalen. Nu betalen ze veel te weinig en daardoor groeien hun vermogens buitenproportioneel. Volgens het Global Wealth Report van Credit Suisse uit 2018 heeft wereldwijd de rijkste 10 procent van de mensen 85 procent van het bezit in handen.

    Ook multinationals betalen minder dan ze zouden moeten. Apple, Amazon, Google en Walmart, om er maar een paar te noemen, behalen duizelingwekkende winsten, terwijl ze door handig gebruik te maken van mazen in de wet absurd weinig belasting betalen. Als de duizend grootste bedrijven in de wereld een redelijke som belasting afdroegen, dan zou er uit de opbrengst nu al een bescheiden basisinkomen kunnen worden gefinancierd, op wereldschaal. Er klopt duidelijk iets niet als regeringen rechtmatige inkomsten mislopen waar ze idealiter een betere staat mee kunnen opbouwen.

    GettyImages 162036034
    Scholieren in Denver, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Colorado, hielden in 1981 een mars om hun steun te betuigen aan het recht op basisbehoeften zoals voedsel, huisvesting en kleding. Dit is een van de grondvesten van de VN-organisatie UNDP, die zich onder andere als doel heeft gesteld dat armoede en honger in 2030 de wereld uit moeten zijn. © – Glen Martin / The Denver Post / Getty

    Tegenstanders noemen het misschien linkse praat, maar de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waarschuwt al jaren voor de gevaren van belastingconcurrentie. Van deze mondiale organisatie zijn onder andere de VS, Canada en West-Europese landen lid. De fiscaal expert van de OESO zegt het volgende: ‘De wereldeconomie functioneert alleen naar behoren als er acceptabele spelregels bestaan waaraan zowel overheden als bedrijven zich dienen te houden. Die stellen bedrijven in staat om hun kapitaal daarheen te verplaatsen waar zij hun winsten kunnen maximaliseren, terwijl nationale overheden kunnen voldoen aan de legitieme verwachting van hun burgers om zowel in de kosten als baten van de globalisering te delen.’

    Om zulke ‘acceptabele spelregels’ en een ‘aandeel in zowel de kosten als baten’ te realiseren is mondiale samenwerking nodig. Legt slechts één land een belasting op, dan zal het uiterst wendbare kapitaal zich snel verplaatsen naar landen die dat niet doen.

    Complicaties

    Het zal zonder twijfel lastig worden om een universeel basisinkomen van de grond te krijgen. De voor- en nadelen dienen goed tegen elkaar af worden gewogen, er moet worden nagegaan waarom het niet op veel plaatsen al lang bestaat, en nader uitgewerkt welke vorm het precies kan krijgen.

    Een andere zorg, naast de hoge kosten, is het gevaar dat zo’n programma in een vacuüm terechtkomt. Het moet goed in te passen zijn in bestaande sociale programma’s en het moet die aanvullen, zowel de uitkeringen waarvoor werknemers premies hebben betaald als de werkeloosheidsuitkeringen van de staat. En natuurlijk moet worden voorkomen dat mensen meerdere uitkeringen tegelijk ontvangen.

    Je kunt alleen op een dergelijk universeel systeem overgaan als het blijft lonen om een baan te hebben. Moeilijk is dat niet: een universeel basisinkomen zou voldoende moeten zijn om in de eerste basisbehoeften te voorzien, maar meer niet, zodat er genoeg redenen blijven bestaan om te werken, sparen en investeren.

    Tot slot is het een idee om er voorwaarden aan te verbinden die het publieke belang dienen. Eisen dat kinderen gevaccineerd worden en naar school gaan, bijvoorbeeld. Zulke voorwaarden hoeven de voornaamste doelstelling, armoedebestrijding, niet in de weg te zitten. Mensen met een laag inkomen kunnen dan zelf de afweging maken en ervoor kiezen de armoede achter zich te laten.

    Het alternatief voor een universeel basisinkomen is groeiende sociale onrust, strijd, oncontroleerbare massamigratie en een wildgroei van extremistische groeperingen die garen spinnen bij sociale teleurstelling. Een weinig aanlokkelijk perspectief, en daarom moeten we het instellen van een goed doordacht universeel basisinkomen ernstig overwegen. Het zal ons beter in staat stellen toekomstige klappen op te vangen. 

  • Start-ups van vrouwen krijgen minder snel geld

    Start-ups van vrouwen krijgen minder snel geld

    Afrika heeft het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld, maar slechts 2 procent van het durfkapitaal gaat naar vrouwen. En dat geldt voor de VS ook. Terwijl vrouwen betere investeringen doen in de gemeenschap.

    Als Tokunboh Ishmael door de straten van Lagos, de economische hoofdstad van Nigeria, liep, zag ze overal waar ze keek vrouwen zaken doen. Ze dreven kraampjes waar ze donuts frituurden of vleesspiesjes roosterden. Ze toverden achter naaimachines eigen ontwerpen tevoorschijn en liepen door de beruchte Nigeriaanse verkeersopstoppingen, waar ze de gefrustreerde automobilisten luchtverfrissers of opblaasbare zwembadspeeltjes verkochten. Maar binnen, in de glanzende, airconditioned kantoren waarin zij als bankmedewerker en later als vermogensbeheerder werkte, zag ze een heel ander beeld.

    ANP 410187688 1
    Met zelfgemaakte mondkapjes op de markt in Lagos Nigeria, waar de regels versoepeld werden en het aantal besmettingen steeg. – © AP Photo/Sunday Alamba

    Afrika mag dan het hoogste aantal vrouwelijke ondernemers ter wereld hebben, er bestaat op het continent een investeringskloof van zo’n 42 miljard tussen mannelijke en vrouwelijke ondernemers, volgens cijfers van de African Development Bank. Zo ontvingen Afrikaanse startups in 2018 zo’n 725 miljoen dollar aan kapitaal van durfinvesteerders. Daarvan ging maar 2 procent naar ondernemingen van vrouwen. 

    Van en voor vrouwen

    Ishmael maakt deel uit van een groeiende groep vrouwelijke investeerders in Afrika die hierin verandering probeert te brengen door welbewust te investeren in bedrijven van en voor vrouwen. Ze is directeur van vermogensbeheerder Alitheia Capital en richtte in 2016 het Alitheia Identity Fund op, dat tot doel heeft die verandering te bewerkstelligen. Tot nu toe heeft het fonds zo’n 70 miljoen dollar binnengehaald.

    Dat is in moreel opzicht belangrijk en nodig, zeggen investeerders als Ishmael, omdat vrouwen hiermee toegang krijgen tot de bolwerken waarin de beslissingen worden genomen maar die voor hen altijd gesloten bleven. Maar het is ook gewoon een kwestie van verstandig zakendoen.

    ‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans,’ zegt Ishmael. Ze kende de cijfers: bedrijven van vrouwen groeien sneller, gaan efficiënter met geld om en maken meer winst dan bedrijven van mannen. Meer in het algemeen maakt diversiteit bedrijven creatiever en innovatiever. ‘Ik wil dat Nigeria het beste uit zichzelf haalt, en dat Afrika het beste uit zichzelf haalt, en dat lukt onmogelijk als ze het potentieel van vrouwen niet ten volle benutten.’

    Het probleem bestaat niet alleen in Afrika. In de Verenigde Staten gaat zo’n 2 procent van de financieringen door durfinvesteerders naar vrouwelijke startup-teams. In het Verenigd Koninkrijk zweeft dat getal rond de 1 procent. En het probleem speelt nog meer bij vrouwen van kleur: in de VS krijgen zwarte vrouwelijke starters maar 6 van elke miljoen geïnvesteerde dollars.

    Het probleem is volgens deskundigen dat vrouwen op geen enkel niveau toegang hebben tot investeringskapitaal, vermogensbeheer of zelfs meer traditionele vormen van lenen en investeren zoals bankleningen.

    Hordes

    ‘Financiering is geen genderneutraal terrein,’ zegt Sharon McPherson, die 
    al jaren in Afrikaanse bedrijven investeert en aan de businessschool van de universiteit van Kaapstad doceert. ‘Vrouwelijke investeerders en vrouwen met bedrijven die investeerders zoeken, begeven zich op een terrein dat nooit voor hen bedoeld was. Ze zwemmen tegen de stroom in, terwijl mannen met de stroom mee drijven.’

    Vrouwen moeten allerlei hordes nemen om in die wereld mee te kunnen doen, zegt ze. Op microniveau bekeken heeft maar 37 procent van de Afrikaanse vrouwen een bankrekening, vergeleken met 48 procent van de mannen, en die kloof wordt steeds groter, zelfs nu vrouwen meer toegang tot financiering krijgen. Vrouwen zien er vaak van af om geld te lenen, niet alleen omdat ze worden ontmoedigd door degenen die het geld uitlenen, maar ook doordat het hun ontbreekt aan financiële kennis.

    Kijk je naar het niveau van startups die financiering zoeken en gevestigde bedrijven die privaat kapitaal zoeken, dan zie je dat het vrouwen nog steeds moeite kost om serieus genomen te worden met hun ideeën, als gevolg van bewuste en onbewuste sekse-vooroordelen. Zo bleek bij een Harvard onderzoek in 2014 dat een pitchvoorstel gepresenteerd door een vrouwenstem minder kans maakte bij mogelijke investeerders dan een voorstel gepresenteerd door een mannenstem – ook al was de inhoud hetzelfde.

    ‘Wij opereren in een gebied waar geld onbenut bleef en we zagen een kans’

    Uit een ander onderzoek, in 2017, bleek dat vrouwelijke oprichters veel vaker ‘preventieve’ vragen over hun onderneming kregen, dat wil zeggen vragen over hun verlieskansen. Mannen kregen daarentegen meer ‘promotie’-vragen, over de ‘sterke kanten en winstmogelijkheden’ van hun onderneming, een type vragen dat gemiddeld zes keer zoveel aan investeringen opleverde.

    Veel investeerders komen ook uit door mannen beheerste sectoren als technologie, mijnbouw en landbouw en zijn meer geneigd om daarin te investeren dan in ondernemingen voor producten of diensten gericht op vrouwen, zoals zwangerschapszorg, menstruatieproducten of make-up. En het netwerken dat nodig is om uiteindelijk zo’n deal te krijgen speelt zich nog steeds af in informele omgevingen waar vrouwen niet bij kunnen zijn of niet voor worden uitgenodigd, zoals golfwedstrijden en borrels na het werk.

    Barrières

    ‘Vrouwen stuiten op onzichtbare barrières die mannen niet zien of waar mannen geen last van hebben,’ zegt ontwikkelingseconoom Nthabiseng Moleko, vicevoorzitter van de Commission for Gender Equality in Zuid-Afrika.

    Daar kunnen investeringsfondsen als Alitheia IDF van Ishmael een rol spelen, door te zorgen dat geld welbewust naar bedrijven van en voor vrouwen gaat. In Ghana heeft Alitheia geïnvesteerd in Innovative Microfinance, een bedrijf dat kleine leningen verstrekt aan mensen op het Ghanese platteland die geen bankrekening hebben, voornamelijk vrouwen met een klein bedrijf zoals een marktkraam. 

    En in Nigeria financierde Alitheia een door vrouwen gerunde tomatenpastafabriek, Tomato Jos. Zo’n 30 procent van de tomatenproducenten die aan het bedrijf leveren zijn nu vrouwen, volgens oprichter Mira Metha, en het bedrijf probeert dat getal omhoog te krijgen, onder andere omdat vrouwen meer zekerheid blijken te bieden.

    ‘Wij zien dat onze vrouwelijke landbouwers met hun winst grotere 
    investeringen doen in hun gemeenschap’ dan de mannen, vertelt ze. Zo gebruiken ze hun geld bijvoorbeeld voor onderwijs aan kinderen en voor medische zorg. En wat betreft het verbouwen zelf zegt Metha dat de vrouwen met wie haar bedrijf werkt altijd de beste oogsten hebben: ‘Ze doen het gewoon elke keer weer beter dan de mannen.’ 

  • Waarom we later en minder kinderen krijgen – terwijl we ze wel graag willen

    Waarom we later en minder kinderen krijgen – terwijl we ze wel graag willen

    Wereldwijd vertonen de vruchtbaarheidscijfers al enkele decennia een dalende lijn. De oorzaak moeten we zoeken in economische en sociale omstandigheden, die als onzichtbaar voorbehoedsmiddel dienen, schrijft Anna Louie Sussman. Een verklaring van de zogeheten voorplantingsmalaise.

    Keuze uit ons archief

    Nu bevolkingsrijke landen als China en India een steeds grotere middenklasse krijgen, daalt ook het wereldwijde geboortecijfer. Na het loslaten van de eenkindpolitiek in 2015, heeft China onlangs zelfs de driekindpolitiek ingevoerd om bevolkingskrimp te voorkomen. Maar zoals dit artikel van South China Morning Post stelt, zijn veel Chinese stellen door sociaal-economische factoren huiverig om een derde kind te nemen.

    Wat de grondslag achter dezelfde aarzeling in de westerse wereld om kinderen te nemen is, legt Anna Louie Sussman van The New York Times scherp bloot. Want het lage geboortecijfer ligt niet aan de afwezigheid van een kinderwens, zo schrijft Sussman, maar aan ‘het onvermogen van overheden en werkgevers om de combinatie werk en gezin mogelijk te maken; van de hele gemeenschap om de klimaatcrisis het hoofd te bieden zodat het stichten van een gezin geen onverantwoorde keuze lijkt; van de in toenemende mate ongelijke mondiale economie. In dit licht bezien is het krijgen van minder kinderen niet eens zozeer een keuze als wel een wrange consequentie van een aantal stuitende omstandigheden.’

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 175 van 360 Magazine, februari 2020.

    In het najaar van 2015 doken ineens overal in Kopenhagen posters op. Op een ervan stond met grote, roze letters, dwars over een afbeelding van eendeneieren: ‘Heeft u vandaag uw eieren al geteld?’ Op een andere poster – een blauwige close-up van menselijk sperma – stond de vraag: ‘Zwemmen ze wel hard genoeg?’

    De posters, die deel uitmaakten van een campagne van de gemeenteraad om jonge Denen te herinneren aan het gestage tikken van hun biologische klok, viel niet bij iedereen in de smaak. De campagne werd bekritiseerd omdat jonge vrouwen gelijk zouden worden gesteld aan fokvee. De timing was ook niet al te gelukkig: Denen aanmoedigen om meer kinderen te krijgen terwijl op de televisie voortdurend beelden zijn te zien van Syrische vluchtelingen die door Europa trekken, riekt onbedoeld naar nativisme.

    © Getty Images
    © Getty Images

    Als er een land bestaat waarvan je zou verwachten dat het er wemelt van de baby’s, is het Denemarken wel. Het is een van de rijkste landen van Europa. Jonge ouders krijgen twaalf maanden doorbetaald ouderschapsverlof en de kinderopvang wordt zwaar gesubsidieerd. Vrouwen onder de veertig kunnen door de overheid betaalde ivf-behandelingen krijgen. Toch houdt het Deense geboortecijfer, met 1,7 kind per vrouw, min of meer gelijke tred met dat van de Verenigde Staten. Er is sprake van een voortplantingsmalaise in dit verder zo gelukkige land.

    Het zijn niet alleen de Denen. Wereldwijd vertonen de vruchtbaarheidscijfers al enkele decennia een dalende lijn – in landen met een gemiddeld inkomen, in arme landen, maar ook, en dat wekt misschien nog wel de meeste verbazing, in rijke landen.

    Kleine gezinnen

    Economische voorspoed gaat wel vaker hand in hand met een afnemende vruchtbaarheid en dat hoeft niet per se een slechte ontwikkeling te zijn. In het gunstigste geval betekent het betere scholing en betere kansen op de arbeidsmarkt voor vrouwen, een bredere acceptatie van de keuze om kinderloos te blijven en een hogere levensstandaard.

    Maar in het ergste geval is het een blijk van onvermogen: van overheden en werkgevers om de combinatie werk en gezin mogelijk te maken; van de hele gemeenschap om de klimaatcrisis het hoofd te bieden zodat het stichten van een gezin geen onverantwoorde keuze lijkt; van de in toenemende mate ongelijke mondiale economie. In dit licht bezien is het krijgen van minder kinderen niet eens zozeer een keuze als wel een wrange consequentie van een aantal stuitende omstandigheden.

    In de VS is de kloof tussen het aantal kinderen dat mensen willen en het aantal kinderen dat ze in werkelijkheid krijgen, groter dan in de afgelopen veertig jaar

    Uit onderzoeksgegevens over enkele tientallen jaren blijkt dat mensen steeds vaker de voorkeur geven aan een klein gezin. Maar ook wordt duidelijk dat in het ene na het andere land de feitelijke vruchtbaarheidscijfers sneller dalen dan de opvattingen over de ideale gezinsgrootte rechtvaardigen.

    In de Verenigde Staten is de kloof tussen het aantal kinderen dat mensen willen en het aantal kinderen dat ze in werkelijkheid krijgen, groter dan in de afgelopen veertig jaar. De Organization for Economic Cooperation and Development heeft onderzoek gedaan in 28 verschillende landen. In 2016 wilden vrouwen gemiddeld een gezin met 2,3 kinderen en mannen wilden een gezin met 2,2 kinderen. Maar slechts weinigen wisten dat te realiseren. Iets weerhoudt ons ervan het gezin te stichten dat we willen. Maar wat is dat dan precies?

    Op die vraag zijn er net zoveel antwoorden als er mensen zijn die er al dan niet voor kiezen zich voort te planten.

    Op landelijk niveau zijn er verschillende verklaringen voor wat demografen een ‘achterblijvende vruchtbaarheid’ noemen, variërend van de opvallende afwezigheid van gezinsvriendelijk beleid in de Verenigde Staten tot genderongelijkheid in Zuid-Korea tot een hoge werkloosheid onder jongeren in heel Zuid-Europa. Dat heeft geleid tot zorgen over publieke gelden en de stabiliteit van de arbeidsmarkt en in sommige gevallen heeft het bijgedragen aan een opkomende xenofobie.

    Maar dat gaat allemaal voorbij aan het grotere plaatje.

    screenshot 2020 02 19 at 14 35 53

    ‘Laatkapitalisme’

    Onze huidige versie van het mondiale kapitalisme – waaraan maar weinig landen en individuen kunnen ontsnappen – heeft ertoe geleid dat sommige mensen stuitend rijk zijn, terwijl vele anderen met moeite het hoofd boven water weten te houden.

    Deze economische omstandigheden genereren sociale condities die niet bevorderlijk zijn voor het stichten van een gezin: onze werkweek is langer en ons inkomen is lager, waardoor we minder tijd en geld hebben om iemand te ontmoeten, diegene beter te leren kennen en verliefd te worden. Onze steeds competitievere maatschappij vereist dat kinderen veel aandacht krijgen en dure opleidingen volgen, waardoor we ons meer en meer gaan afvragen wat voor toekomst we een kind kunnen bieden. Een leven vol moderne media drijft ons juist in een andere richting: scholing, werk, reizen.

    Naast deze economische en sociale dynamiek is er nog de verslechtering van onze leefomgeving, op manieren die het krijgen van kinderen niet bepaald bevorderen: steeds meer chemicaliën en giffen sijpelen ons lichaam binnen, verstoren onze endocriene systemen. Het lijkt erop dat er altijd wel een deel van de bewoonde wereld is dat in brand staat of is ondergelopen.

    Wie zich zorgen maakt over de teruglopende geboortecijfers omdat ze het sociale vangnet dreigen te ondergraven of omdat er in de toekomst niet voldoende arbeidskrachten zullen zijn, ziet over het hoofd waar het werkelijk om gaat: de dalende geboortecijfers zijn een symptoom van iets veel ingrijpenders.

    Het lijkt duidelijk dat het ‘laatkapitalisme’, zoals wij het noemen – dus niet alleen het economische systeem, maar alle bijbehorende vormen van ongelijkheid en vernedering, kansen en absurditeiten – de voortplanting dwarsboomt. Over de hele wereld functioneren de economische en sociale omstandigheden, en het milieu, als een vrijwel onzichtbaar voorbehoedsmiddel. En ja, dat fenomeen doet zich zelfs voor in Denemarken. De Denen hebben niet te kampen met de verschrikkingen van de Amerikaanse studentenschulden, onze torenhoge ziektekostenrekeningen of het ontbreken van fatsoenlijke regelingen voor ouderschapsverlof. Studeren is gratis. De inkomensverschillen zijn relatief klein. Om kort te gaan: veel van de factoren die jonge Amerikanen ervan weerhouden een gezin te stichten spelen in Denemarken domweg geen rol.

    De sociale acceptatie van vrijwillige kinderloosheid is zonder meer een stap in de goede richting, zeker voor vrouwen

    Toch gaan ook veel Denen gebukt onder de sombere gevoelens die het laatkapitalisme zelfs in rijke, egalitaire landen met zich meebrengt. De Denen hoeven zich geen zorgen te maken over hun primaire levensbehoeften en de kansen liggen voor het oprapen, maar ondertussen hebben ze toch moeite met alle beloften en de druk van hun schier onbeperkte vrijheid, waardoor het krijgen van kinderen op de lange baan wordt geschoven, of wordt gezien als een onaangename verstoring van een leven dat een heel ander soort genoegens en beloningen biedt – een interessante carrière, esoterische hobby’s, exotische vakanties.

    Natuurlijk zijn er veel mensen die ervoor kiezen om geen kinderen te krijgen, en de sociale acceptatie van vrijwillige kinderloosheid is zonder meer een stap in de goede richting, zeker voor vrouwen. Maar de stijging van het aantal vruchtbaarheidsbehandelingen in Denemarken en enkele andere landen (zoals Finland, waar het aantal kinderen dat met behulp van vruchtbaarheidsbehandelingen ter wereld is gekomen in minder dan
    tien jaar bijna is verdubbeld; in Denemarken gaat het om ongeveer een op de tien geboorten) suggereert dat dezelfde mensen die kinderen als een belemmering zien, ze uiteindelijk toch vaak willen.

    ‘Solomors’

    Kristine Marie Foss, een netwerkspecialist en eventmanager, had bijna haar kans voorbij laten gaan om moeder te worden. Foss, een elegante vrouw van vijftig met een innemende glimlach, heeft er altijd van gedroomd om de ware te vinden, maar met geen van haar vriendjes hield het lang stand. Ze is heel lang single geweest. Toen ze in de dertig en in de veertig was, werkte ze als interieurarchitect en heeft ze verschillende sociale netwerken opgezet (waaronder eentje voor singles, toen het nog niet ‘cool was om single te zijn’). Ze is veel vriendschappen aangegaan en heeft die verdiept.

    Pas op haar negenendertigste realiseerde ze zich dat het misschien wel eens tijd werd om serieus over kinderen te gaan nadenken. Bij een routinebezoekje aan de gynaecoloog dacht ze ineens tot haar eigen verbazing: ‘Als ik straks vijftig of zestig ben en ik heb geen kinderen, zal ik mezelf dat nooit vergeven,’ aldus Foss, die inmiddels moeder is van twee kinderen, van negen en zes, met behulp van een spermadonor. Foss maakt nu onderdeel uit van wat de Denen ‘solomors’ noemen, moeders die bewust single zijn, een groep die steeds groter is geworden sinds 2007, toen de Deense regering besloot ivf-behandelingen voor alleenstaande moeders te vergoeden.

    Er zijn mensen die de schuld voor de afnemende vruchtbaarheid op de een of andere manier bij de vrouwen proberen te leggen – omdat ze een egoïstische keuze zouden maken door het moederschap te schuwen, of omdat ze zich scharen achter een feministische visie die zich verzet tegen de beperkte rol van de vrouw. Maar het instinct om te onderzoeken hoe het leven eruitziet zonder kinderen, is niet voorbehouden aan vrouwen. In Denemarken zal een op de vijf mannen nooit vader worden, een percentage dat vergelijkbaar is met de Verenigde Staten.

    Anders Krarup is een 43-jarige softwareontwikkelaar uit Kopenhagen die onlangs zijn liefde voor vissen heeft herontdekt. In het weekend rijdt hij vaak naar de kust van Seeland, waar hij op zeeforel vist. Als hij niet met zijn start-up bezig is, gaat hij met vrienden naar een concert. Een gezin hoeft van hem niet zo nodig. ‘Ik ben heel tevreden met het leven dat ik nu leid,’ zegt hij.

    Zijn al deze keuzemogelijkheden niet precies wat het kapitalisme ons voorhield? We kregen voorgespiegeld dat we met de juiste opleiding, het juiste arbeidsethos en de juiste visie beroepsmatig succes konden behalen en een inkomen zouden kunnen vergaren dat we konden gebruiken om uit te groeien tot de meest interessante, cultureel ontwikkelde, uitgebalanceerde versie van onszelf. Ons werd te verstaan gegeven dat dit alles – leren, werken, creëren en reizen – belangrijk was en voldoening zou schenken.

    Trent MacNamara, verbonden aan de geschiedenisfaculteit van de Texas A&M University, houdt zich al een jaar of tien bezig met de opvattingen over vruchtbaarheid en het gezin. Economische omstandigheden zijn slechts een deel van het plaatje, merkt hij op. Wat misschien wel veel belangrijker is, zijn ‘de kleine morele signalen die we elkaar geven’, schrijft hij in een artikel dat nog moet uitkomen. Het gaat om ‘signalen die hun wortels vinden in bredere opvattingen over waardigheid, identiteit, transcendentie en betekenis’. In de moderne maatschappij hebben we andere manieren gevonden om betekenis te geven, identiteiten te vormen en ons te verhouden tot transcendentie.

    ’Binnen deze context’, aldus MacNamara, lijkt het krijgen van kinderen misschien niet veel meer dan een ‘wat wereldvreemde lifestylekeuze’, bij gebrek aan sociale signalen die het idee uitdragen dat het ouderschap mensen verbindt met ‘iets wat op een unieke manier waardig, waardevol en transcendent is’. Die signalen zijn steeds lastiger op te pikken of uit te zenden in een seculiere wereld waarin een kapitalistische ethiek – onttrekken, produceren, optimaliseren, verdienen, bereiken, groeien – de boventoon voert. Op plekken waar een ander waardesysteem prevaleert, kunnen nog altijd veel kinderen worden geboren. In de Verenigde Staten zie je bijvoorbeeld dat in gemeenschappen van orthodoxe of chassidische joden, mormonen en mennonieten, het geboortecijfer veel hoger is dan het landelijk gemiddelde.

    screenshot 2020 02 19 at 14 36 14

    Zingeving

    Lyman Stone, een econoom die onderzoek doet naar populaties, wijst op twee karakteristieken van het moderne bestaan die verband houden met lage geboortecijfers: het opkomende workism – een term die is gemunt door Derek Thompson, een schrijver van The Atlantic – en de afnemende religiositeit. ‘Mensen hebben een verlangen naar zingeving,’ aldus Stone. Zonder religie gaan mensen op zoek naar externe bevestiging, bijvoorbeeld in werk, dat ‘inherent nadelig is voor de vruchtbaarheid’ wanneer het een dominante culturele waarde wordt.

    Denemarken is geen land van workaholics, zegt hij, maar het land is wel in hoge mate seculier. In Oost-Azië, waar het vruchtbaarheidscijfer tot een van de laagste ter wereld behoort, geldt het allebei. In Zuid-Korea heeft de regering belastingmaatregelen ingevoerd om het krijgen van kinderen te stimuleren en men heeft de kinderopvang toegankelijker gemaakt. Maar door de combinatie van ‘excessief workism’ en het vasthouden aan de traditionele rolverdeling is het ouderschap er niet makkelijker op geworden, en het is met name een onaantrekkelijk perspectief voor vrouwen, die thuis een tweede baan wacht.

    Er is een enorm verschil tussen het leven in het kleine Denemarken, met de goede sociale voorzieningen en een grote mate van gendergelijkheid, en het leven in China, waar het sociale vangnet niet zo sterk is en vrouwen stelselmatig worden gediscrimineerd. Toch hebben beide landen een geboortecijfer dat de bevolking steeds meer doet krimpen.

    Denemarken laat zien hoe de kapitalistische waarden van individualisme en zelfverwezenlijking ook voet aan de grond kunnen krijgen in een land waar de ergste gevolgen ervan zijn afgevlakt. China daarentegen is een voorbeeld van een land waar diezelfde waarden de concurrentiestrijd zodanig aanwakkeren dat ouders het water aan de lippen voelen staan en termen gebruiken als ‘winnen vanaf de start’, waarmee wordt bedoeld dat ze hun kinderen al op zo vroeg mogelijke leeftijd zo veel mogelijk kansen willen geven. (Dat kan ver gaan: een onderzoeker vertelde me dat er zelfs ouders zijn die de bevruchting timen vanwege de toelating tot bepaalde scholen.)

    Het instinct om te onderzoeken hoe het leven eruitziet zonder kinderen is niet voorbehouden aan vrouwen

    Na tientallen jaren een eenkindpolitiek te hebben gevoerd heeft de Chinese regering in 2015 laten weten dat elk echtpaar twee kinderen mag krijgen. Ondanks deze maatregel is het geboortecijfer nauwelijks gestegen. In 2018 was het geboortecijfer in China 1,6.

    De Chinese overheid heeft lang gezocht naar manieren om de bevolking te sturen, om de kwantiteit te verkleinen teneinde de ‘kwaliteit’ te vergroten. Deze inspanningen richten zich meer en meer op wat Susan Greenhalgh, die aan Harvard onderzoek doet naar de Chinese samenleving, ‘het cultiveren van wereldburgers’ noemt, door middel van scholing en opleiding, als middel voor de Chinese bevolking en het land als geheel om een belangrijke rol te spelen in de mondiale economie.

    In de jaren tachtig van de vorige eeuw, zegt Greenhalgh, werd het opvoeden van kinderen in China meer en meer geprofessionaliseerd, volgens richtlijnen die werden opgesteld door experts op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en pedagogiek. Vandaag de dag is het grootbrengen van een kwaliteitskind niet langer alleen een kwestie van de nieuwste opvoedadviezen volgen; het gaat ook om de bereidheid er zoveel geld in te steken als maar nodig is.

    screenshot 2020 02 19 at 14 36 46

    Kwaliteitskind

    ‘Dit concept van het kwaliteitskind, een kwaliteitsmens, is doorgedrongen in de taal van de markt,’ zegt ze. ‘Het laat zich vertalen als: “Wat kunnen we voor het kind kopen? We moeten een piano in huis halen, we moeten dansles betalen, we moeten een Amerikaanse uitwisseling bekostigen.”’

    In gesprekken met jonge Chinezen die veel baat hebben gehad bij alles wat hun ouders in hen hebben geïnvesteerd, hoorde ik de woorden doorklinken van hun Deense leeftijdsgenoten. Wie over de juiste diploma’s beschikt, heeft de afgelopen decennia kansen gekregen waar zijn of haar ouders nooit van hadden kunnen dromen, en in vergelijking daarmee lijkt het krijgen van kinderen een zware last.

    ‘Ik heb het gevoel alsof ik nog maar net ben afgestudeerd, alsof ik nog maar net ben begonnen met werken,’ zegt Joyce Yuan, een 27-jarige tolk uit Beijing, die graag een MBA-opleiding wil gaan volgen buiten China. ‘Ik heb nog steeds het gevoel dat ik aan het begin van mijn leven sta.’

    De factoren die een negatieve invloed hebben op de vruchtbaarheid doen zich in het hele land gelden: op het platteland, waar nog altijd 41 procent van de bijna 1,4 miljard Chinezen woont, staat men niet te popelen om een tweede kind te nemen, en beleidsmakers lijken daar weinig tegen te kunnen uitrichten. Nadat de centrale overheid in 2013 besloot dat echtparen in het geval dat een van beide partners zelf enig kind was dispensatie konden krijgen om twee kinderen op de wereld te zetten, dienden in de hele provincie Xuanwei – een gebied met zo’n 1,25 miljoen inwoners – in de eerste drie maanden slechts 36 mensen daartoe een aanvraag in. ‘De ambtenaren die zijn belast met gezinsplanning wijten dit aan de economische druk die jonge mensen voelen,’ valt te lezen in een onderzoek naar China en vruchtbaarheid.

    In stedelijke omgevingen zijn veel scholings- en carrièremogelijkheden, en er heerst dan ook een veel competitievere sfeer. Maar overal in het land reageren echtparen op de druk van de hyperkapitalistische Chinese economie, waar mensen hun hele leven op z’n kop moeten zetten wanneer ze een kind krijgen en dat kind op het juiste pad willen zetten – het verkeerde pad betekent een moeizaam bestaan vol onzekerheid.

    Mijn eigen ervaring als Amerikaanse is in bepaalde opzichten Deens, in andere opzichten Chinees. Ik ben een van de gelukkigen: dankzij beurzen en de ongekende offers die mijn moeder heeft gebracht, heb ik kunnen studeren zonder een schuld op te bouwen. Tot ongeveer mijn dertigste heb ik in die zin redelijk onbekommerd kunnen werken en in het buitenland kunnen studeren. Ondertussen heb ik twee masters gehaald en een mooie, zij het niet echt rendabele carrière opgebouwd. Toen ik tegen de dertig liep, hoorde ik over de mogelijkheid eitjes te laten invriezen. Het leek een geheim wapen, waarmee ik de beslissing voor me uit kon schuiven óf en wanneer ik kinderen wilde – een soort absolutie voor al die jaren die ik in het buitenland had gezeten zonder al te veel moeite te doen een partner te vinden.

    Tientallen jaren lang zijn mensen die net zoveel geluk hebben gehad als ik betrekkelijk ongevoelig geweest voor de zorgen van de jongeren van nu. Maar ineens worden we geconfronteerd met veel van de problemen waar vrouwen uit de arbeidersklasse, en met name vrouwen van kleur, al veel langer mee hebben te kampen. Deze vrouwen hadden vaak verschillende baantjes zonder enige vorm van zekerheid, zonder sociaal vangnet, en ze hebben kinderen moeten grootbrengen in gemeenschappen met vervuild drinkwater of met scholen die onvoldoende budget hadden. Ook vandaag de dag hebben ouders uit de middenklasse een structureel tijdgebrek, worden ze geweerd uit de buurten met de betere scholen en maken ze zich zorgen over plastic en milieuverontreiniging.

    artboard 1

    In de jaren negentig van de vorige eeuw ontwikkelden zwarte feministen die met bovenstaande omstandigheden werden geconfronteerd, het analytische kader dat bekend is komen te staan als reproductive justice (reproductieve rechtvaardigheid), een benadering die verder gaat dan de reproductieve rechten zoals die gewoonlijk worden begrepen – het recht op abortus en voorbehoedsmiddelen. Reproductive justice omvat ook het recht om op een humane wijze kinderen te krijgen: om ‘kinderen te krijgen, of geen kinderen te krijgen, en de kinderen die we hebben in een veilige en stabiele omgeving groot te brengen’, om de woorden te gebruiken van het collectief SisterSong.

    Het concept reproductive justice werd niet altijd helemaal begrepen, of toegejuicht, door mainstreamgroeperingen die zich bezighouden met reproductieve rechten (Loretta Ross, een van de oprichters van de beweging, zei dat een focusgroep uit de begindagen meende dat het iets van doen had met een eerlijke beloning voor kopieerbedrijven). Maar doordat er steeds meer sprake is van reproductieve onrechtvaardigheid zou de beweging wel eens aan kracht kunnen gaan winnen. ‘Wit Amerika ervaart nu de gevolgen van het neoliberale kapitalisme die de rest van Amerika altijd al heeft gevoeld,’ aldus Ross.

    Er ligt een voortplantingscrisis op de loer, en wie goed kijkt ziet overal de tekenen. Je ziet het aan de geboortecijfers die elk jaar weer een nieuw dieptepunt bereiken. Je ziet het aan de aanhoudende stroom onderzoeken die aantonen dat er een verband is tussen enerzijds onvruchtbaarheid en lage geboortecijfers en anderzijds vrijwel alle facetten van het moderne bestaan – fastfoodverpakkingen, luchtvervuiling, bestrijdingsmiddelen. Je ziet het aan de verlangende blik in de ogen van je vrienden die naar hun eerste kind kijken dat zoet zit te spelen in hun te kleine appartement, en zeggen: ‘We zouden er dolgraag nog eentje willen, maar…’ Je ziet het aan al die mensen die de top proberen te bereiken en tot de pijnlijke constatering komen dat de lat te hoog ligt.

    Vanuit dit perspectief bezien zou het debat over voortplanting even prangend kunnen – of moeten – zijn als het debat over klimaatverandering. We realiseren ons pas hoe machtig de natuur is nu het te laat is, we hebben pas oog voor de unieke schoonheid van de natuur nu ze in brand staat.

    ‘Ik zie veel parallellen tussen het kantelpunt dat mensen in hun eigen leven ervaren waar het gaat om de vraag of ze zich willen voortplanten in deze kapitalistische maatschappij en het lot van de aarde in deze kapitalistische wereld, zoals dat in bredere, meer existentiële gesprekken terugkomt,’ aldus Sara Matthiesen, een historica verbonden aan de George Washington University. Binnenkort verschijnt er een boek van haar hand over het stichten van een gezin in de tijd na Roe versus Wade (de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof, in 1973, die abortus in de VS legaliseerde). Het lijkt erop dat steeds meer mensen in de hoek worden gedrukt van: ‘Oké, dit normen-en-waardenstelsel wordt letterlijk onze dood.’

    Individualisme

    De klimaatcrisis heeft het verraderlijke debat over geboortebeperking nieuw leven ingeblazen, maar tegelijkertijd ook geleid tot een nieuwe golf van activisme, geboren uit het besef dat er sprake is van een innige verstrengeling van deze twee wezenlijke componenten van het leven – voortplanting en de gezondheid van onze planeet – en dat gezamenlijk optreden is vereist om beide te waarborgen.

    De eerste stap is afstand nemen van het individualisme dat het kapitalisme zo hoog in het vaandel heeft staan, en inzien dat we van elkaar afhankelijk zijn willen we op lange termijn overleven. We rekenen erop dat ons drinkwater schoon is, en onze rivieren rekenen erop dat wij ze niet verontreinigen. We vragen onze buren om voor onze hond en de planten te zorgen als we op vakantie gaan, en bieden aan om dat ook voor hen te doen. We huren onbekenden in om onze kinderen of onze bejaarde ouders te verzorgen en we vertrouwen erop dat die onbekenden competent en zorgzaam zijn. We betalen belasting en hopen dat de politici die wij kiezen dat geld gebruiken om te zorgen dat de wegen worden onderhouden, de scholen openblijven en de nationale parken worden beschermd.

    Al deze betrekkingen – tussen mensen onderling en tussen mens en natuur – zijn het bewijs van de onderlinge afhankelijkheid die de kapitalistische logica ons wil laten loochenen.

    Voortplanting is de ultieme erkenning van onderlinge afhankelijkheid. Er zijn tenminste twee mensen voor nodig. We worden voldragen in het lichaam van een ander mens en we komen ter wereld met hulp van artsen of vroedvrouwen of familieleden. We groeien op in omgevingen en gemeenschappen die bepalend zijn voor onze gezondheid, onze veiligheid en onze normen en waarden. We moeten concrete manieren zien te vinden om deze onderlinge afhankelijkheid te erkennen en we moeten alles op alles zetten om die te versterken. 

    Schermafbeelding 2021 06 04 om 11.18.51 1
  • ‘Toeristen zijn als roofkevers die alle mooie plekjes aanvreten.’ Is er een oplossing voor overtoerisme?

    ‘Toeristen zijn als roofkevers die alle mooie plekjes aanvreten.’ Is er een oplossing voor overtoerisme?

    Voor het eerst ziet de reisindustrie zich geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad: de oorspronkelijke bewoners, die meer dan ooit klagen dat ze hun stad niet meer terug kennen. Eindelijk worden er maatregelen genomen om de aantallen toeristen in te perken.

    Keuze uit het archief

    Hoewel de klimaatverandering de nodige invloed zal hebben op het toerisme, dat zich bijvoorbeeld steeds vaker naar het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen zal verplaatsen, zullen de meesten zich er niet van laten weerhouden te reizen. De velen die afhankelijk zijn van de toeristenindustrie zijn daar blij mee, maar voor de meeste anders ‘locals’ geldt dit niet, zoals te lezen is in dit stuk uit 2018.

    Het duurt niet lang of de mevrouw van de hotelreceptie haalt de stadsplattegrond van Porto tevoorschijn. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘dit is de binnenstad met de Douro, daar is de haven en hier … (nu klinkt er trots door in haar stem)… de mooiste boekhandel ter wereld: Livraria Lello!’

    Dat klinkt fantastisch en het ziet er op de foto’s ook fantastisch uit. Een pand van twee verdiepingen in neogotische stijl. Veel donker hout, veel oude boeken, ornamenten en gekleurd glas, en een monumentale trap in het midden. De boekhandel, geopend in 1906, is een kathedraal vol boeken, 
een droom voor leergierigen uit de hele wereld. Een plek met een magische aantrekkingskracht. Op reis wil je toch op zoek naar schoonheid, die eerder in het verleden dan in het heden te vinden is. Misschien wil je zelfs ook een boek kopen, vakantielectuur voor ’s avonds aan de Atlantische Oceaan. J.K. Rowling zou vaak in de Livraria zijn geweest toen ze begin jaren negentig in Porto woonde, waar ze Engels doceerde en ook Harry Potter bedacht.

    Porto is geen grote stad, telt maar iets meer dan 200.000 inwoners en de binnenstad is compact. Het eerste dat er van Livraria Lello te zien is, zijn de lange rijen mensen voor de deur. Jonge Japanse meisjes, Scandinavische backpackers, gezinnen uit Frankrijk, stelletjes uit China, Amerikanen en ook Duitsers. Uiteraard.

    Roofkever

    Een imposante portier bewaakt de 
toegang. Alleen zij die in de winkel ernaast voor 5 euro een voucher hebben gekocht, met daarop een portret van Fernando Pessoa, de beroemdste Portugese dichter, mogen naar binnen. Ook voor die winkel staat 
een rij, tussen afzetbanden als bij de incheckbalie op een luchthaven. Het publiek schuifelt er langs rekken met souvenirs, ansichtkaarten en sleutelhangers, het gebruikelijke assortiment.

    De boekhandel zelf is in werkelijkheid al even mooi als op de foto’s. Ook al is het eigenlijk helemaal geen boekhandel meer. Nauwelijks iemand bladert en snuffelt er in de boeken, iedereen heeft de smartphone in de hand om foto’s te maken. Foto’s die er net zo 
uitzien als de meer dan zevenduizend plaatjes die al op TripAdvisor zijn gezet, de grootste toeristensite ter wereld, die de Livraria als een van de topbezienswaardigheden van de stad opvoert.

    Vier jaar geleden nog dreigde Livraria Lello failliet te gaan, zoals dat eigenlijk voor het hele land gold na de financiële crisis. De boekhandel werd toen al goed bezocht, maar boeken werden steeds minder verkocht. Iemand opperde op een dag om dan maar gewoon 5 euro entree te gaan heffen. Dat klonk idioot, maar inmiddels komen er gemiddeld vierduizend mensen per dag binnen, en in de zomermaanden zelfs vijfduizend. In 2017 bedroeg het totale aantal bezoekers van Livraria Lello 1,2 miljoen en beliep de omzet ruim 7 miljoen euro.

    Wie een boek wil kopen – want ook 
dat schijnt voor te komen – vindt hier de Portugese klassiekers in vertaling en natuurlijk ook Harry Potter. De 
voucher wordt op het aankoopbedrag in mindering gebracht. Livraria Lello zou model hebben gestaan voor Klieder & Vlek, de boekhandel waar Harry Potter zijn toverboeken koopt. Een museum, een decor, maar als plek met een magische aantrekkingskracht duidelijk ontsproten aan een rijke fantasie. En een symbool voor het moderne toerisme dat als een roofkever alle mooie plekjes aanvreet. Maar voor de inwoners van Porto staat de boekhandel symbool voor de opleving van een land dat een paar jaar geleden nog tot de crisisgebieden van Europa behoorde.

    Wanneer zou er eigenlijk voor 
het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?

    Dat herstel heeft Portugal mede te danken aan het toerisme, dat met dubbele cijfers groeit, ook in het vroegere arme noorden rond Porto. Ryanair en EasyJet vliegen al jaren op de stad, die allang is uitgegroeid tot nieuwe hotspot van het stedentoerisme. Afgelopen jaar kwamen er ongeveer 2,5 miljoen buitenlandse toeristen naar 
deze streek, van wie een op de twee 
een bezoek bracht aan Livraria Lello. 
Porto is nog niet zo ver als Barcelona 
of Amsterdam, steden waarvan de bewoners zich inmiddels teweerstellen tegen de toeristen die de stad overnemen, maar er is allang een Porto van 
de toeristen en een Porto van de bewoners. Wanneer zou er eigenlijk voor 
het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?

    Er zijn tijden geweest dat de reusachtige toeristenhotels nabij de stranden van Benidorm, El Arenal op Mallorca en aan de Adriatische kust in Italië symbool stonden voor de lelijkheid van het moderne massatoerisme. Achteraf beschouwd waren dat rustige tijden. Benidorm en El Arenal zijn steden ‘uit de reageerbuis’, gebouwd zodat Europa in de zomermaanden aan het strand kon liggen. Kunstmatige reservaten, niet mooi, maar doelmatig, toeristenfabrieken die men vroeg of laat ook weer had kunnen ontmantelen.

    Tegenwoordig zijn die reservaten niet meer toereikend. Handdoek aan handdoek verdringen zich de zonaanbidders op de stranden van Zuid-Europa. De kleine baaien van Mallorca zouden vanwege overbezetting eigenlijk 
gesloten moeten worden. Ook aan de Noord- en Oostzee, op Sylt, op Rügen, zijn hotels en pensions volgeboekt.

    Toch maken strandgangers nog 
maar nauwelijks de helft uit van het moderne toerisme in Europa – de andere helft wordt gevormd door cruisevaarders en stedentrippers. Al lange tijd wordt het beeld in de mooie, bijzondere steden van Europa meer door toeristen bepaald dan door de 
oorspronkelijke bewoners. Steden 
veranderen in musea en amusementsparken, ontwikkelen speciale zones voor toeristen, waar de stedelingen niet wonen maar alleen werken. In de traditionele restaurants zitten toeristen, die geringschattend toekijken hoe andere toeristen wachten tot er iets gaat gebeuren. Staren is er de belangrijkste bezigheid en gezelligheid is 
ver te zoeken. Het is als een overval. 
Ze komen, ze blijven maar even en dan zijn ze weer weg – maar ze doen in tussentijd alsof de stad die ze bezoeken van hen is.

    © Nan Palmero
    © Nan Palmero

    Reizen is van luxe tot gemeengoed geworden, het snel stijgende aanbod van goedkope reizen via internet heeft nieuwe klantenlagen aangeboord voor de toeristische sector: wie een paar dagen in Palma, in Barcelona of op het strand wil doorbrengen, vindt met een paar muisklikken een geschikte vlucht en onderdak. En vaak nog voor een spotprijs ook.

    De infrastructuur ter plaatse kan de toestroom van reizigers echter niet meer aan, zowel op de bestemmingen als in het land van herkomst. Op de Duitse luchthavens ontstonden er 
deze warme zomer soms chaotische toestanden. Mensen verdrongen zich zenuwachtig voor de beeldschermen met vluchtinformatie. Het aantal uitgevallen vluchten was in het eerste halfjaar met 146 procent gestegen, het aantal vertraagde vluchten met 31 procent. In München en Frankfurt kwam in een tijdsbestek van enkele dagen het hele vliegverkeer tot stilstand, omdat nog niet gecontroleerde passagiers door een veiligheidssluis waren gelopen.

    Overbelaste infrastructuur, overvolle steden en stranden: de reisbranche lijkt aan het eigen succes ten onder 
te gaan. Naar schatting 670 miljoen mensen waren afgelopen jaar in Europa op pad. Alleen al in deze zomermaanden reisden er waarschijnlijk bijna 200 miljoen toeristen over het continent. Niet alleen Europeanen die elkaars landen verkennen, maar ook 
de winnaars van de globalisering en vertegenwoordigers van de nieuw ontstane middenklassen in Rusland, het Verre Oosten en de Arabische landen zorgen voor de groei van het mondiale toerisme.

    En voor groeiende problemen, want de sterke toename kent ook verliezers. En die komen steeds vaker in verzet, zoals onlangs de piloten van Ryanair, wier werkgever dankzij hun slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen een prijsvechtersstrategie kan voeren.

    Verliezers, dat voelen zich vooral ook de inwoners van de steden en regio’s die de stroom van bezoekers nog maar nauwelijks aan kunnen. Mensen die uit hun woning worden verdrongen, omdat het voor de eigenaar veel lucratiever is om die ruimte per dag of per week aan toeristen te verhuren. Mensen die zich in overvolle vervoermiddelen moeten persen, omdat toeristen bezit hebben genomen van bussen en treinen. Mensen die zich niet meer thuis voelen in hun wijk, omdat ze in hun vertrouwde cafés en restaurants tot een minderheid behoren. Áls ze daar al een plekje kunnen vinden – en zich de stijgende prijzen nog kunnen veroorloven.

    Private winsten en maatschappelijke verliezen

    De toeristenindustrie ziet zich plotseling geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad. Ze had steeds oog voor 
de gasten en was de gastgevers simpelweg vergeten. ‘Het toerisme is een fenomeen met veel private winsten en veel maatschappelijke verliezen,’ zegt Christian Laesser, hoogleraar toerisme aan de universiteit van het Zwitserse Sankt Gallen.

    De winsten komen vaak ten gunste 
van enkelen, de verhuurders en hoteleigenaren; slechts een gering deel 
gaat naar de vaak slechtbetaalde werknemers in de reissector. De grote rest wordt opgescheept met alleen het lawaai, de rommel, de hoge huren en het gevoel een vreemde in eigen land te zijn, een figurant in een soort Disney World voor toeristen.

    Dat gevoel is op veel plekken omgeslagen in openlijke vijandigheid: ‘Tourists go home’, spuiten activisten in veel toeristenbolwerken op de muren, en 
op Mallorca hebben ze een ‘summer of action’ uitgeroepen, met protestacties op de luchthaven en in hotels. In Palma worden toeristen met paardenvijgen bekogeld, in Barcelona worden ze van hun fiets geduwd en in cafés lastiggevallen, in Venetië hebben zelfbenoemde piraten de toegang tot cruiseschepen geblokkeerd.

    De reisindustrie heeft inmiddels ingezien dat het eigen succes het fundament van het businessmodel steeds meer aan het uithollen is. ‘Overtoerisme’ is de leus die momenteel de 
congressen van de branche beheerst. Besproken wordt hoe de toeristenstromen zodanig kunnen worden gespreid dat ze niet meer als een bedreiging worden ervaren.

    Maar hoe doe je dat als tegelijkertijd het aantal toeristen blijft toenemen? 
In de opkomende landen in Azië treden jaar in jaar uit miljoenen mensen toe tot de nieuwe middenklasse. Zij kunnen het zich plotseling veroorloven om verre reizen te maken. En dat doen ze dan ook. Volgens schattingen van 
de branche zal het aantal toeristen 
tot 2030 wereldwijd toenemen met 500 miljoen, van wie de helft Chinezen. Velen van hen zullen ook Europa en de bezienswaardigheden daar bezoeken.

    Toerisme is op dit moment waarschijnlijk de belangrijkste bedrijfstak ter wereld, veel groter dan de olie-industrie en de automobielbranche. 
De omvang wordt geschat op circa 7000 miljard euro per jaar, 10 procent van het bruto mondiaal product. Bij 
dit enorme bedrag inbegrepen zijn behalve de directe omzetten ook die van aanverwante bedrijfstakken als het hotelwezen, het transportwezen met al zijn vliegtuigen, cruiseschepen en touringcars, en de souvenir- en de reisbureaubranche.

    ‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt’

    In vakantieland Spanje draagt de reisindustrie zelfs 14,9 procent bij aan het bruto binnenlands product. In veel landen is het aantal bezoekers groter dan het aantal inwoners, zoals in Griekenland, Portugal, Spanje, Frankrijk 
en Tsjechië. Dat creëert banen en een bescheiden welvaart, maar maakt ook afhankelijk – en dat is gevaarlijk zodra reizigers wegblijven, zoals de afgelopen jaren het geval was in Turkije en Egypte. Beide landen zien evenwel geleidelijk aan een terugkeer van de toeristen, omdat dat grotendeels vergeetachtige wezens zijn die gevaren als terreuraanslagen verdringen en schendingen van mensenrechten negeren – als het weer maar goed is 
en de prijs laag.

    Goedkoop moet het zijn en goedkoop is reizen geworden, vooral dankzij de digitalisering. Reisportals als Expedia, Trivago en Booking.com hebben de gevestigde reisbureaus gemarginaliseerd en bedreigen ook concerns als TUI en Thomas Cook, die tot nog toe de markt beheersten. Doorlopend bieden ze vluchten en overnachtingen tegen bodemprijzen.

    Anders dan de vakantieaanbieders uit het catalogustijdperk runnen de digitale concurrenten geen eigen hotels 
en hebben ze geen vliegtuigen, cruiseschepen en reisbureaus, maar verdienen ze alleen aan de bemiddeling bij diensten van anderen. Ze kunnen via hun platforms prijzen nagenoeg ‘realtime’ bijsturen en optimaliseren doorlopend hun algoritmen om winst te genereren. Doelgericht verzamelen ze gegevens over de voorkeuren van klanten, en inmiddels krijgen ze het zelfs voor elkaar om op het optimale moment op maat gesneden aanbiedingen te sturen.

    Reizen is dankzij de goedkope vliegtickets een soort allemansrecht geworden, zoals goedkope T-shirts en winkelen bij een discounter. Een weekendje Berlijn of Barcelona was opeens een alternatief voor een uitstapje in eigen land, met dramatische gevolgen voor de verschillende bestemmingen. 
Barcelona heeft zich bijvoorbeeld ontwikkeld van geheimtip tot massabestemming; het marktaandeel van de prijsvechters is daar bijna 70 procent. Op de luchthaven Berlijn-Schönefeld zijn die goed voor bijna 90 procent van de vliegbewegingen. Alleen al in de voorbije tien jaar is het aantal vertrekkende passagiers daar verdubbeld, van circa 6 naar bijna 13 miljoen.

    De Duitse hoofdstad is een favoriete bestemming in Europa geworden en moet alleen nog Londen en Parijs voor laten gaan in populariteit. ’s Avonds en in het weekeinde trekken honderden op feest beluste jongeren uit heel Europa door het stadsdeel Mitte. Ze laten meestal niet veel geld achter in de stad, maar wel een hoop afval en lege bierflessen.

    Jarenlang zag het ernaar uit dat het traditionele overstap- en het prijsvechtersverkeer onverminderd naast elkaar verder konden groeien. Maar deze zomer loopt dit model voor het eerst tegen grenzen aan. Geannuleerde vluchten, vertragingen en omboekingen zijn aan de orde van de dag. Volgens berekeningen van de wereldluchtvaartorganisatie IATA zijn de vertragingen in het luchtverkeer boven Europa alleen al in het eerste halfjaar van 2018 toegenomen met 133 procent. Sommige luchthavens, zoals Frankfurt, Düsseldorf en Berlijn, verzoeken de reizigers inmiddels dringend om drie uur voor vertrek op de luchthaven aanwezig te zijn om de mensenmassa te kunnen verwerken.

    Dat reizen een bezigheid vol stress is geworden, ergert de toeristen, maar het schrikt ze niet af. Paolo Giuntarelli, socioloog, weet ook waarom: ‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt.’ Giuntarelli 
is manager van het verkeersbureau van de Italiaanse regio Lazio. Zijn kantoor bevindt zich in Rome. Hij houdt daar tamelijk eenzaam de wacht, want veel Romeinen zijn deze weken naar het platteland getrokken omdat het hun in de stad te warm werd.

    Maar de bezoekers van Rome laten zich niet afschrikken door de temperatuur.

    Venetianen verzamelen zich op bootjes bij de Rialtobrug als protest tegen het groeiende aantal cruiseschepen in de stad. – © Getty
    Venetianen verzamelen zich op bootjes bij de Rialtobrug als protest tegen het groeiende aantal cruiseschepen in de stad. – © Getty

    Er zijn weken dat Rome compleet onder de voet wordt gelopen. Zoals eind juli, toen 60.000 misdienaars 
uit heel Europa de stad binnentrokken, van wie 50.000 uit Duitsland. Het motto van hun pelgrimsreis was: ‘Zoek de vrede en jaag haar na!’ Maar wat ze vooral najoegen, waren de bezienswaardigheden.

    Op dinsdagavond waren de altaarjongens bij de paus. Toen tegen achten de audiëntie ten einde liep, was het Sint-Pietersplein bezaaid met plastic flesjes, A4-tjes met liedteksten, lege Haribozakjes en bananenschillen. Hetzelfde gold voor het aangrenzende Piazza Papa Pio XII. De vuilniszakken in de houders langs de straat puilden allang uit, of waren gescheurd. Ook vrome mensen produceren afval.

    Rome: dat zijn lange avonden op de piazza’s, met pasta, rode wijn en vrolijke liedjes. Later op de avond moeten de toeristen het inmiddels doen zonder wijn en bier, want sinds 2017 mag er 
in Rome na tienen buiten geen alcohol meer worden gedronken. Het verbod, uitgevaardigd door burgemeester 
Virginia Raggi, is van juli tot oktober van kracht.

    In 2017 schuifelden 14,7 miljoen bezoekers door de straatjes van Rome, oftewel een op de vier bezoekers van Italië. Wie in de stad overnacht, blijft gemiddeld tweeënhalve dag, en dat is vergelijkbaar met andere Europese metropolen.

    Lazio

    In Frascati, Tivoli of andere steden in de regio Lazio raken de bezoekers maar zelden verzeild. Giuntarelli zou de toeristenstroom graag willen laten afbuigen, de regio in, naar een van de kleinere plaatsen. Daar zouden ze kennis kunnen maken met de Italiaanse manier van leven, ‘goed eten, goede wijn’. Of het Franciscuspad kunnen lopen dat door Lazio voert.

    In krantenadvertenties en radiospots prijst Giuntarelli Lazio aan, op vakantiebeurzen deelt hij folders uit. Een daarvan presenteert Lazio als trouwlocatie, een andere maakt reclame voor de warmwaterbaden van de regio. Ook als golfbestemming wil Giuntarelli de regio groot maken – ‘we werken eraan’.

    Omdat Lazio niet alleen staat met zijn problemen, heeft de regio zich aangesloten bij NecsTour, een netwerk van 
37 Europese regio’s die zich verplichten tot duurzaam toerisme, een vorm van reizen die vakantiegangers en economie gelukkig maakt zonder schadelijk te zijn voor het milieu. Dus ongeveer het tegenovergestelde van cruises. 
‘Dat is niet het toerisme dat we willen stimuleren,’ zegt Giuntarelli.

    De reusachtige schepen stoten massaal smerigheid uit en leveren de regionale handel en horeca nauwelijks iets op. 
De passagiers zijn maar een paar uurtjes in de stad, overnachten aan boord en nemen bij het passagieren vaak zelf proviand mee. Ze laten nauwelijks geld achter, maar wel veel afval. ‘Cruisetoerisme is alleen goed voor de aanbieders van cruises,’ zegt Giuntarelli met een laatdunkend glimlachje.

    In het Kroatische Dubrovnik geven cruisepassagiers gemiddeld slechts 24 euro per dag uit, andere gasten daarentegen ongeveer 160 euro. De stad heeft bijzonder te lijden onder 
de toestroom van toeristen. Sinds de schilderachtige binnenstad het decor was van de serie Game of Thrones, zijn 
de bezoekersaantallen exponentieel gestegen. Maar daarvan komen er 
jaarlijks 800.000 met de boot.

    Het aantal bezoekers van Dubrovnik moet worden teruggedrongen naar achtduizend per dag

    Dubrovnik heeft 42.000 inwoners, die het liefst thuisblijven als de cruiseschepen binnenvaren. Niet alleen de inwoners hebben te lijden, maar ook het middeleeuwse centrum van de stad, en daarom moet het aantal bezoekers worden teruggedrongen naar achtduizend per dag. Anders, zo heeft Unesco gedreigd, raakt de stad zijn status als cultureel werelderfgoed kwijt.

    ‘Er is een herbezinning gaande – weg van het eenzijdige groeidenken dat het toerismebeleid in de meeste steden tot nog toe heeft gekenmerkt,’ zegt planoloog Johannes Novy, die op dit moment aan de Universiteit van Westminster in Londen onderzoek doet naar stadsontwikkeling en toerisme. ‘Te lang ging het alleen maar om de vraag: hoe krijgen we meer toeristen in de stad? Andere doelen werden niet besproken, en ook niet hoe je negatieve gevolgen zou kunnen tegengaan.’ Niet altijd is het toerisme als zodanig overigens het probleem, zegt Novy, soms zijn het bepaalde verschijningsvormen ervan, ‘zoals het in veel steden om zich heen grijpende partytoerisme, of de lange tijd ongebreidelde stijging van het aanbod van vakantiewoningen’.

    Steeds vaker doen de verantwoordelijken hun best om de ‘groeipijnen’ van het toenemende aantal reizigers te bestrijden: ze willen de stroom van toeristen laten afbuigen, zoals in Rome, of zelfs aan banden leggen, zoals in Dubrovnik. Barcelona geeft geen toestemming meer voor nieuwe hotels, Parijs heeft Airbnb en andere woningbemiddelaars sterk gereguleerd, Palma de Mallorca heeft de 
verhuur van vakantiewoningen via 
dat platform zelfs helemaal verboden. Maar er is geen stad die zo rigoureus optreedt tegen het overtoerisme als Amsterdam.

    En toch zijn ze er nog, de plaatsen en regio’s waar toeristen welkom zijn die elders niet meer zo graag gezien zijn en waar niemand zich opwindt over langdurige party’s en zuiprituelen. Daniel Stefanov staat op een podium, ingeklemd tussen de weg en het strand, en kijkt hoe de menigte in 
het schuim verdwijnt. Er staan twee sneeuwkanonnen op de dansvloer van Megapark Dolphin, een reusachtig 
partycomplex dat Stefanov samen 
met zakenpartners is begonnen in het Bulgaarse Zlatni Pjasatsi (Goudstrand), een vakantieoord aan de Zwarte Zee. Uit het ene kanon daalt het schuim 
als vlokken taartdeeg op de feestende vakantiegangers neer, uit het andere regent het fijne wolkjes zeepsop. De menigte juicht en staat tot kniehoogte in het schuim. Daniel Stefanov is weer een stuk dichter bij zijn doel gekomen om van Goudstrand een vaste bestemming van Duitse feesttoeristen te maken, als alternatief voor El Arenal 
en Playa de Palma.

    Zon, strand en zuipen

    Vijftien jaar geleden openden Stefanov en zijn 44-jarige partner Sava Daritkov in Zlatni Pjasatsi de openluchtdiscotheek Megapark Dolphin, een zwemparadijs met aangrenzende dansvloer. Acht jaar geleden kwam daar de Partystadl bij, waar schlagers worden gedraaid en een halve liter bier omgerekend 2 euro kost.

    Stefanov en Daritkov hebben veel geïnvesteerd in hun droom. Ze importeerden witbier uit Duitsland, huurden zangers in die anders in de Bierkönig en de Oberbayern op Mallorca optraden en gingen schuimparty’s organiseren. Sindsdien krijg je hier op dinsdag en zaterdag voor 20 euro entree een uur lang cocktails naar keuze en schuim uit het kanon.

    De eigenaren draaien het beste seizoen ooit. Allereerst kwamen aan het begin van de zomer de eindexamenkandidaten uit Duitsland, vervolgens de voetbalverenigingen en kegelclubs, en daarna de vrouwen, maar vooral mannen van begin tot midden twintig, die naar eigen zeggen voor vakantiegeluk maar drie dingen nodig hebben: ‘zon, strand en zuipen’. Het seizoen zou weleens tot eind september kunnen doorgaan, denkt Daritkov. En er is nog iets wat hij per se kwijt wil: ‘Wij zijn blij met onze gasten.’

    Het is een zinnetje dat een nieuwe betekenis heeft gekregen sinds de 
‘Ballermann’ [strandbar Balneario 6 
op Mallorca] niet meer zo goed uit de voeten kan met de feestende massa’s. Mallorca wil geen feesteiland meer zijn en heeft de nachtelijke zuippartijen en seks op het strand verboden. Goudstrand, zo luidt de boodschap, is niet alleen de goedkopere, maar ook de ‘betere Ballermann’.

    Niklas, Marvin en Marcel staan aan 
de bar in Megapark Dolphin met in 
de hand een glas vodka peach en een felgroen shirt aan met het motto van hun trip van vorig jaar: ‘Malle 2017. Einer für alle. Alle für Malle’. Daar [Mallorca] zijn ze met zo’n tien vrienden geweest. De nieuwe verordeningen op het eiland zijn een van de redenen dat ze deze zomer naar Bulgarije zijn gegaan, zegt de 24-jarige vrachtwagenmonteur Niklas. In El Arenal hebben ze gezien hoe de Spaanse politie met drie auto’s kwam aanscheuren toen er ondanks het verbod een emmer sangria op het strand verzeild was geraakt. Dat vonden ze wel een beetje overdreven.

    Op Goudstrand is dat anders. Omwonenden zouden hun beklag kunnen doen over de drukte. Maar omwonenden zijn er hier niet.

    Dit dossier werd samengesteld door Der Spiegel -redacteuren Dinah Deckstein, Lothar Gorris, Sebastian Hammelehle, Nils Klawitter, Alexander Kühn, Armin Mahler, Martin U. Müller, Ann-Kathrin Nezik, Raniah Salloum en Robin Wille.


  • Olie houdt Maduro op de been

    Olie houdt Maduro op de been

    Als de olieproductie in Venezuela verder verslechtert, zal de regering-Maduro vroeg of laat vallen, schrijft de Nicaraguaanse politiek analist Adolfo Miranda Sáenz. ‘De olie-industrie is de ruggengraat van de Venezolaanse economie.’

    Keuze uit het archief

    De Verenigde Staten vielen afgelopen week opnieuw een schip uit Venezuela aan, omdat het vaartuig drugs zou vervoeren. Zes mensen kwamen om het leven. Een dag later verklaarde Trump grondoperaties tegen drugskartels in Venezuela te overwegen. De Venezolaanse president Nicolás Maduro beschuldigde Trump ervan zijn regime omver te willen werpen. Uit het feit dat de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado de Nobelprijs voor de Vrede aan Trump opdroeg, blijkt dat ze de Amerikaanse president als een belangrijke medestander ziet in haar strijd tegen het dictatoriale regime van Maduro.
    In dit artikel van El Nuevo Diario uit 2018 legt de politiek commentator Adolfo Miranda Sáenz, die dit jaar overleed, uit hoe de VS het snelst een machtswissel in Venezuela tot stand kunnen brengen: de olie-import stopzetten. Maar dat kunnen de VS zich om economische redenen niet veroorloven, aldus Sáenz.

    In oliestaat Venezuela heeft het beleid van Hugo Chávez en zijn opvolger Nicolás Maduro voor een braindrain gezorgd. Hooggekwalificeerde werknemers en techneuten hebben het land verlaten omdat de Venezolaanse regering hun geen waardig bestaan kan bieden waarin ze hun gerechtvaardigde ambities kunnen verwezenlijken. De weggelopen vakmensen en technici van de olieboorputten en olieraffinaderijen zijn vervangen door personeel dat niet goed genoeg is opgeleid om de machines 
te bedienen en te onderhouden. Op de stoel van de vroegere managers zitten nu inefficiënte functionarissen. Een groot deel van de infrastructuur van de Venezolaanse olie-industrie blijft onbenut.

    Onlangs constateerde het Internationaal Energie Agentschap dat de olieproductie in Venezuela is gedaald van 3,4 miljoen vaten per dag in 1998 naar 1,5 miljoen vaten per dag in juni 2018. Met andere woorden, er worden 1,9 miljoen vaten minder per dag geproduceerd.

    Aangezien de olie-industrie de ruggengraat is van de Venezolaanse economie, is de terugloop in de olieproductie de belangrijkste oorzaak van de grote armoede, schaarste en ellende waar het Venezolaanse volk onder zucht. Bronnen bij Unopetrol (Honduras) en Puma (Zwitserland), oliemaatschappijen die in Nicaragua actief zijn, melden dat Venezuela nauwelijks meer profiteert van de speciale handelsvoorwaarden van de ALBA (Bolivariaanse Alliantie voor de Volkeren van Ons Amerika). De afspraak om 50 procent van de rekening binnen zestig dagen te voldoen en de resterende 50 procent uit te smeren over vijfentwintig jaar heeft geen enkel nut voor Venezuela. Nicaragua importeert nauwelijks meer ruwe olie
uit Venezuela en koopt vooral brandstoffen in de Verenigde Staten. Het samenwerkingsverband tussen Venezuela en een aantal landen in het Caribisch gebied, Petrocaribe genaamd, waarbij tot 40 procent van de olielevering voor één tot twee jaar wordt voorgefinancierd en een deel in natura kan worden betaald, blijft evenwel bestaan.

    Contant afrekenen

    Venezuela is het land met de grootste olievoorraden ter wereld, maar gezien de drastische daling in de olie-export doet het liever zaken met landen die contant afrekenen: de Verenigde Staten, India en China (die de rekening vooraf voldoen). Volgens gegevens van de EIA kopen de VS gemiddeld 790 miljoen vaten olie per dag van Venezuela, meer dan de helft van de totale productie. Venezuela is op twee na de grootste leverancier van olie aan de VS. Vanwege het disfunctioneren van de Venezolaanse raffinaderijen betrekt het land tegenwoordig een deel van zijn brandstof bij Amerikaanse raffinaderijen, en net als Nicaragua exporteert het land mais naar Costa Rica, dat het vervolgens weer terugkoopt in de vorm van Corn Flakes. Het Venezolaanse staatsoliebedrijf PDVSA
is eigenaar van CITGO, een belangrijke Amerikaanse oliemaatschappij met zetel in Houston, Texas, dat beschikt over drie raffinaderijen, achtenveertig outlets, zesduizend servicestations, met een totale jaaromzet van 400 miljoen dollar (www.citgo.com).

    Al produceert Venezuela dus weinig ruwe olie, toch ontvangt Maduro nog genoeg Amerikaanse oliedollars om in dit failliete land aan de macht te blijven. Met het oliegeld kan hij samen met zijn familie en zijn functionarissen een luxeleventje leiden en bovendien de militairen tevreden houden. Stel dat de Amerikaanse regering besluit om gedurende enkele maanden de olie-import uit Venezuela stil te leggen en de verkoop van petrochemische producten en de activa van CITGO te bevriezen. Dat zou de economische doodsteek zijn voor de regering-Maduro, die dan zou moeten aftreden. Maar dat zou de Verenigde Staten vele miljoenen dollars kosten omdat olie importeren uit bijvoorbeeld Saudi-Arabië een gigantische verhoging van de transportkosten zou betekenen en er inflatie zou optreden. Olie in Mexico kopen zou kwaliteitsvermindering en hogere kosten betekenen omdat er in Mexicaanse olie veel zwavel zit, waardoor het octaangehalte in de benzine daalt. Daarbij komt dat CITGO 3700 vaste arbeidsplaatsen en ontelbare indirecte banen oplevert, en miljoenen aan belasting betaalt. Bovendien zou het veroorzaken van een substantiële daling in het Venezolaanse olieaanbod de olieprijs internationaal opdrijven en dat zou zijn weerslag hebben op de Amerikaanse economie. Door de miljoenenstroom Amerikaanse oliedollars naar Venezuela is de politieke situatie van Maduro in de ogen van de Amerikanen niet te vergelijken met die van dictators die geen oliebronnen of iets vergelijkbaar bezitten.

    Dit zijn de redenen waarom beide landen, in weerwil van de politieke veroordelingen en sancties tegen de Venezolaanse dictatuur, belangrijke handelspartners blijven. Sommige analisten zeggen dat de Amerikanen dit doen om het particulier bedrijfsleven te ontzien, maar die overweging is in het verleden voor de VS nooit een hinderpaal geweest om andere landen economische sancties en andere belemmeringen op te leggen als ze dat nodig achtten.

    De Verenigde Staten – zoals alle landen – begrijpen dat zij de belangen van het eigen volk voorop dienen te stellen. En zowel Obama als Trump hebben de moed getoond om in het geval van Venezuela eerst
te kijken naar de effecten van bepaalde maatregelen op hun binnenlandse economie. Er moeten immers banen komen en op inflatie zit niemand te wachten. Ik probeer alleen maar uit te leggen hoe de vork in 
de steel zit, zodat we kunnen begrijpen dat dictators als Maduro zich vergissen als ze denken dat ze weerstand kunnen bieden aan de druk van de VS en kunnen blijven zitten waar ze zitten. Als de olieproductie in Venezuela verder verslechtert zal Maduro’s regering vroeg of laat vallen, ook al maakt de geldstroom van de VS naar Venezuela de positie van Maduro in de ogen van de VS onvergelijkbaar met welke andere dictatuur ook.

  • Het nieuwe Duitslandgevoel. ‘We zijn een ontzettend goed volk’

    Het nieuwe Duitslandgevoel. ‘We zijn een ontzettend goed volk’

    Was de briljante 7-1-overwinning van het Duitse voetbalelftal op de Brazilianen een afspiegeling van het Duitsland van nu? Niet helemaal misschien, maar dat onze oosterburen in een goede flow zitten, staat buiten kijf. ‘We mogen weer trots zijn op ons land, zonder die bijsmaak.’

    Keuze uit het archief

    Na een glorieuze voetbaloverwinning op Brazilië in 2014, schreef Der Spiegel een jubelend stuk over ‘het Duitslandgevoel’; Duitsland was weer trots op zichzelf, en met recht. Acht jaar later, als de in dit artikel tevens gevierde Merkel inmiddels is vervangen door kanselier Olaf Scholz, bevindt het land zich in een lastige spagaat tussen een van oudsher loyale houding tegenover de Russen, en de morele verplichting Oekraïne aan wapens te helpen. Toen voormalig Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd ook hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Hoort deze houding eveneens bij dat nieuwe Duitslandgevoel?

    De 61-jarige Christine Meier ligt in bikini op een strandbedje op het eiland Sylt. Ze heeft op drie na alle wedstrijden van het WK voetbal gezien, de meeste in haar volkstuin in Berlijn. ‘We dragen kettingen en hoedjes in de Duitse kleuren, sommigen schminken zich ook, er zijn gebakjes, antipasti, of ik maak een zwart-rood-gele pastasalade.’ Ze is trots op het succes van het Duitse elftal. ‘De mensen in het buitenland kijken naar ons. Ze willen nu weten hoe we leven, wie we zijn.’ Duitsland presenteert zich als een fair land, zegt ze. ‘We zijn een ontzettend goed volk.’

    Dat was twee dagen na de 7-1-overwinning van Duitsland op Brazilië [op 8 juli 2014]. De oude voetbaltovenaars waren van hun magische krachten ontdaan en de Duitsers moesten zich afvragen of ze echt zo lichtvoetig waren als de wedstrijd deed vermoeden en zo geweldig als de uitslag suggereerde. Christine Meier vindt van wel.

    Het was maar een van de zeven wedstrijden op het WK, de andere liepen niet zo geweldig. Maar vaak zijn het juist op zichzelf staande gebeurtenissen, momenten in het bestaan van landen waarop mensen de oren spitsen en zich afvragen: is dat hoe we zijn?

    Voetbal heeft de Duitsers dat soort momenten bezorgd. Tot 2006 zagen ze zichzelf vooral als tobberige natie. Maar in dat jaar vierden ze een vrolijk WK-feest in eigen land. Tot 2010 zagen ze zichzelf vooral als onbeholpen natie, wat zich ook weerspiegelde in het voetbal. Maar in dat jaar speelden de Duitse voetballers op het WK in Zuid-Afrika bij tijd en wijle als dartele veulens. Duitsland bezorgde de wereld momenten van schoonheid, en de wereld verbaasde zich en beleefde plezier aan de Duitsers. De halve finale van 2014 borduurde daarop voort. De Mannschaft speelde gedecideerd, ongedwongen en volwassen.

    hetnieuweduitslandgevoel02

    Klaus Hollweger en zijn vrouw Helga zitten op de delicatessenafdeling van het Berlijnse warenhuis KaDeWe naar de mensen te kijken die langs de schappen lopen. Kaviaar, doorregen steaks. De 78-jarige Hollweger woont in Thüringen.

    Als Hollweger over het Duitse voetbal praat, spert hij zijn ogen wijd open achter zijn bril en vormt hij zijn mond tot een rondje. ‘Oooh,’ zegt hij, ‘voor mij laat het WK zien hoe mooi het is in een verenigd land te leven. Nu kunnen we samen trots zijn op ons nationale elftal.’ Hij is ontroerd. ‘Het gaat zo goed met ons land, het is hier allemaal zo mooi en nieuw, net als bij ons thuis in Weimar,’ zegt Klaus Hollweger.

    Toni Kroos was op dit WK het brein van het elftal. Weet iemand waar hij vandaan komt? Maakt dat wat uit? Kroos is geboren in Greifswald, hij is Oost-Duitser, maar dat speelt geen rol. Toen Michael Ballack in 2004 aanvoerder van het nationale elftal werd, werd daar nog een punt van gemaakt. Een Oost-Duitser, nou ja zeg. Kroos is daarentegen een Duitser uit Greifswald.

    In de politiek zijn er ook dat soort momenten van reflectie. Op 6 juni van dit jaar was bondskanselier Angela Merkel aanwezig bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de landing in Normandië. De staatshoofden en regeringsleiders van de voormalige geallieerden hadden haar uitgenodigd. Hun landen waren destijds de overwinnaars, de Duitsers waren teruggedrongen en West-Europa kon worden bevrijd.

    Maar wie stond er in het middelpunt op die jubileumdag? Angela Merkel. Vanaf maart was de crisis in Oekraïne aan het escaleren en de wereld keek naar haar. Zou zij erin slagen Vladimir Poetin tot rede te brengen? Niet echt, maar desondanks kwam Merkel bijna zeventig jaar na het einde van de oorlog over als een wereldleider. De mensen wreven zich de ogen uit.

    Het Duitsland van 2014 is een heel ander Duitsland dan dat van 1984, een ander Duitsland dan dat van 1994, een ander Duitsland dan dat van 2004. Twee relatief nieuwe indrukken komen samen: ongedwongenheid en gewicht.

    Anders gezegd: er is een nieuw Duitslandgevoel.

    De gesteldheid van een natie blijkt uit twee componenten: de situatie in het binnenland en de verhouding met andere landen. Normaal gesproken vloeit het tweede voort uit het eerste. Daarom zouden we ons moeten afvragen: waar komt die ongedwongenheid vandaan? En hoe presenteren de Duitsers zich aan de wereld? We vragen het hunzelf, in de dagen na de 7-1-overwinning.

    Toni Kroos was het brein op het WK, dat hij Oost-Duitser is speelt geen rol

    De Duitsers waren lange tijd verkrampt omdat hun land in tweeën was gedeeld. Ze wisten niet eens wie ze waren. Duitsers? Ergens wel, maar andere Duitsers dan die achter de Muur? West-Duitsers, Oost-Duitsers, DDR-burgers. West-Duitsers zeiden ook bewust: Europeanen.

    De Bondsrepubliek en de DDR waren zeldzaam definitieve provisoria. Vrijwel iedereen ging ervan uit dat de deling permanent zou zijn, maar de conservatieven in het westen moesten wel benadrukken dat het doel van eenheid niet zou worden opgegeven, absoluut niet, nooit. En de linkse partijen moesten wel zeggen dat er geen eenheid mocht komen, want dan zouden de Duitsers een Derde Wereldoorlog ontketenen, zeker weten, onherroepelijk.

    Zo beet men zich vast in een virtueel debat, en toen kwam plotseling de eenheid en beet men zich nog steviger vast. De Duitsers bouwden een Muur in hun hoofd. Oost-Duitsers klaagden over het verdwijnen van arbeidsplaatsen, veiligheid, gemeenschappelijkheid. West-Duitsers klaagden over het wegvloeien van miljarden voor de opbouw van het Oosten.

    Nu ziet dat er anders uit. Natuurlijk valt er nog altijd wel iets te klagen, maar over het geheel genomen is de eenwording geslaagd. De Derde Wereldoorlog is niet uitgebroken, steden als Leipzig, Dresden en Jena bloeien, en zelfs met Mecklenburg-Vorpommern gaat het de goede kant op. Sommige ouderen verlangen misschien nog wel terug naar de knusheid van de DDR of West-Duitsland, maar de jongeren leven heel vanzelfsprekend in hun vaderland.

    De Duitsers zijn een volk geworden, zijn Duitsers geworden. Voorvoegsels kunnen worden weggelaten. Dat maakt ze een stuk losser.

    Immigratieland

    De 47-jarige Bajram Avdijaj is 22 jaar geleden vanuit Albanië naar Duitsland geëmigreerd. Nu staat hij achter een kraam met groente en fruit op de Viktualienmarkt in München, de meest internationale plek van de stad.

    Avdijaj zegt dat hij niets met sport heeft, net zoals hij ook helemaal zonder religie is opgevoed. Een patriot is hij ook niet echt, maar hij merkt wel hoe de mensen om hem heen veranderen. ‘Maar dat mag toch ook, of niet?’

    Hij is half Albanees, half Duitser, ‘vanuit het gevoel,’ zegt hij. Hoewel, sinds die avond van de halve finale is hij misschien een beetje meer Duitser dan Albanees. ‘Desondanks ben ik voor Argentinië. Ik weet niet, Messi is gewoon de beste, geniaal. Maar die Argentijnen slaan altijd zo veel kruisjes, vier, vijf keer achter elkaar, daar moet je van houden, zoiets hebben de Duitsers gewoon niet. Die doen wat er gedaan moet worden. Er wordt niet gebeden op het veld. Dat helpt uiteindelijk ook niet. Je moet zien wat er gebeurt, dat is het. Dat is Duits. Dat ligt me meer.’

    ‘Duitsland ontwikkelt zich meer en meer tot een modern immigratieland,’ schreef de Neue Zürcher Zeitung in juni. Ook daarin is iets wezenlijks veranderd.

    Wie is Duitser? Wie mag er Duitser zijn? Dubbel paspoort of niet, greencard? Deze onaangename discussies zijn decennia lang gevoerd. De Bondsrepubliek maakte het mensen die geen ‘Duits bloed’ hadden moeilijk om hiernaartoe te komen of zelfs Duitser te worden. Als je anders bent dan ik, dan hoor je er niet bij. Een enorm krampachtig gedoe.

    De acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen

    En nu: immigratieland. Volgens cijfers van de OESO stond Duitsland in 2012 op plaats twee voor wat betreft duurzame immigratie, na de VS. Circa 400.000 mensen wilden zich voor langere tijd in Duitsland vestigen. En dat mogen ze, de drempels zijn verlaagd. ‘De islam hoort inmiddels ook bij Duitsland,’ zei de toenmalige Bondspresident Christian Wulff in 2010, en na die uitspraak gaat er niemand meer terug.

    Immigratie en integratie blijven evenwel lastige onderwerpen. Die Union [CDU/CSU] is nog steeds niet aan de gedachte gewend dat Duitsland een immigratieland is, en met vluchtelingen zou je bovendien wat liberaler kunnen omgaan. Aan de andere kant zou menige migrant beter zijn best kunnen doen om te integreren.

    hetnieuweduitslandgevoel03

    Maar men beweegt naar elkaar toe. In een studie van het Berlin-Institut für Bevölkerung und Entwicklung met de titel ‘Nieuw potentieel – Over de toestand van de integratie in Duitsland’ staat dat de maatschappelijke acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen. En deze passen op hun beurt hun leefwijze langzamerhand aan die van autochtone Duitsers aan.

    Onlangs nam het gymnasium Graues Kloster in Berlijn afscheid van zijn geslaagden. De vertegenwoordigster van de ouders maakte zich in haar toespraak sterk voor een ‘Buntes’ [kleurrijk] Kloster, omdat er op deze school vrijwel geen kinderen van immigranten zijn. Zelfs in dat bolwerk van homogeniteit is iets gaande. Ene Otto von Bismarck ging hier ooit naar school. In 1871 stichtte hij het Duitse Rijk.

    Dus we zijn een volk, en wel een kleurrijk volk. Ook dat maakt losser. Voor het Duitse elftal zijn migranten toch al onmisbaar.

    Burkhard Kieker stond paf toen hij afgelopen dinsdag de Grand Khaan in het centrum van Ulaanbaatar binnenliep. Het was tegen vier uur ’s nachts, maar desondanks verdrongen zich honderden Mongolen voor de beeldschermen in de kroeg. De meesten hadden hun wangen zwart-rood-geel geverfd. Na het eindsignaal vielen ze Kieker en zijn gezelschap om de hals en gaven een rondje. ‘We waren de sterren van de avond,’ aldus Kieker. ‘Vroeger werden Duitse voetballers hier beschouwd als tanks die linea recta op hun doel af rolden, tegenwoordig worden ze gevierd als een soort kunstenaars.’

    Kieker is vertrouwd met juichverhalen. Als hoofd Toerisme van Berlijn heeft hij een van de leukste banen ter wereld. Hij moet zijn stad in andere landen verkopen, maar dwepen is daarbij niet nodig. Van Berlijn hoeft hij niemand te overtuigen.

    Berlijn is de metropool van het lossere Duitsland. Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn. Dat is verbazingwekkend, want de Berlijner staat nu niet bepaald bekend als wereldburger.

    Maar hier heeft Duitsland zichzelf in de vroege jaren negentig genegeerd en een sprong in het coole diepe gewaagd.

    Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn

    Na de val van de Muur was het oosten van de stad enige tijd vrijwel niet aan regels gebonden. Veel jonge West-Duitsers waagden de stap en verwierven er samen met jonge Oost-Duitsers nieuwe vrijheden. Er werd niet gevraagd naar vergunningen of huurovereenkomsten, je ging gewoon wonen en dansen waar je wilde. Het was goedkoop, er was veel ruimte. Men stond open voor het andere en anderen, een openheid die de hele wereld omvatte. En die kwam dan ook.

    Vooral de feestvierders kwamen, en Berlijn werd de partyhoofdstad van de wereld. Dat trok kunstenaars en steeds meer toeristen, die niet allemaal langs de portiers van technoclub Berghain komen, maar in Berlijn willen zijn geweest en zich huppelend en springend voor de Brandenburger Tor laten fotograferen. Ze ervaren Berlijn als een stad van ongedwongenheid.

    Dat geldt ook voor de Duitsers. Berlijn straalt af op mensen. Ook Bielefelders en Würzburgers nemen iets van het levensgevoel van de metropool met zich mee naar huis. De oorspronkelijke ongeregeldheid is weliswaar verdwenen en gecommercialiseerd, maar er is nog een beetje van over, op nieuwe, snel wisselende plekken. Berlijn is een belangrijk onderdeel van het nieuwe Duitslandgevoel.

    En wie een heel bijzondere vorm van de Duitse ongedwongenheid wil ervaren, moet eveneens naar Berlijn reizen. Het liefst met het vliegtuig over Schönefeld, want dan is vanuit de lucht een mooi groot luchthavengebouw te zien, fonkelnieuw en leeg. Al ruim twee jaar geleden stond de opening ervan gepland. Falende ingenieurs, een hoofd technische dienst dat wordt verdacht van corruptie, verspilling van miljarden. Is dat hoe we zijn? Ja, zo zijn we ook.

    Adolf Hitler

    Klaus Richter zit in de SchillerGarten in Dresden. Naast een gaslantaarn onder de kastanjebomen staat een groot beeldscherm; in de miezerregen zitten een paar mensen zich te vervelen bij de halve finale Nederland-Argentinië. Vroeger was Friedrich Schiller hier stamgast. Het Schiller-Institut beschrijft zijn houding tegenover de wereld als volgt: in zijn werken maakte hij duidelijk ‘dat de mens hogere plichten heeft dan zijn persoonlijke voorkeuren, dat hij patriot moet zijn en wereldburger, wat geen contradictie is omdat het belang van een natie nooit mag indruisen tegen het belang van de wereld’.

    Is Klaus Richter een patriot? Peinzend staart hij in zijn bier. Natuurlijk is hij blij als de Duitsers in de finale staan, zegt hij. Maar hij zou nooit gaan rondrijden met vlaggetjes op zijn auto. ‘Je kunt in Duitsland niet zo ontspannen omgaan met de symbolen van het land als in de VS of andere landen.’ De geschiedenis van het land is daarvoor te ambivalent, vindt hij.

    Daar is hij weer. Adolf Hitler wandelt door Duitse straten, belt aan bij mensen of slentert over de Fanmeile en heeft het met Duitse supporters over de kansen op een ‘Endsieg’. Hij draagt het bekende uniform en heeft natuurlijk een klein snorretje. In werkelijkheid is het een acteur. Hij speelt Hitler in de verfilming van de bestseller Er ist wieder da, waarin Hitler terugkeert naar de Duitsers.

    Was hij ooit weg dan? De Duitse bedruktheid had voor een groot deel te maken met het naziverleden. Geen enkel ander volk heeft de wereld zulke gruwelijkheden aangedaan, geen enkel ander volk heeft zich zo schuldbewust en intensief met de geschiedenis van zijn misdaden beziggehouden. Dat was nodig om te begrijpen wat er Duits aan was en dus opnieuw zou kunnen gebeuren. Dat was nodig om signalen af te geven aan de wereld dat men het heeft begrepen. Maar het zorgde ook voor een zelfverduistering, die niet alleen voor Duitsers moeilijk te verdragen was. Soms ook voor anderen.

    Deze debatten worden nog altijd gevoerd. Niets houdt Duitsers méér bezig dan een terugkeer van Hitler, in welke vorm dan ook. Een hakenkruis op de huid van een Russische zanger in Bayreuth: groot debat. Een roeister van de Duitsland Acht die een relatie heeft met een neonazi: groot debat. Een regelrecht schandaal is het dat de Nationalsozialistischer Untergrund (NSU) jarenlang migranten kon vermoorden zonder de aandacht te trekken van politie en justitie.

    Ook anderen houden ons graag gevangen in onze geschiedenis. Zelfs de halve finale tegen Brazilië, dat feest van schoonheid en ongedwongenheid, bewoog mensen ertoe de nazitijd in herinnering te roepen. ‘De Duitsers zijn een vreemd land binnengetrokken en hebben het commando overgenomen. Hoe verrassend’, twitterde ene Binyamin Appelbaum. Rob Delaney schreef: ‘Duitsland, ontspan. Het zijn geen Polen.’

    Hitler is geen grap, maar je kunt er wel weer een paar over hem maken. Ook als Duitser, zoals Timur Vermes, wiens boek Er ist wieder da een bestseller is.

    Herinneren betekent vandaag de dag niet: niet lachen, niet vrolijk kunnen zijn. De Duitsers hebben zich voor een groot deel bevrijd van de zelfverduistering. Dat was voor het eerst goed zichtbaar tijdens het WK 2006 in Duitsland, toen ze de wereld een heerlijk voetbalfeest voorschotelden. Herinneren gaat nu gepaard met ontzetting en droefheid, maar zonder totaal te verkrampen.

    De 28-jarige Philipp Stültgens werkt als kok op Sylt. Op zijn vrije woensdagavond is hij met vrienden naar de haven gekomen om voetbal te kijken. Het succes van het Duitse elftal maakt hem trots, zegt Stültgens. ‘Op ons elftal en op ons land.’ Typisch Duits betekent voor hem: veel inzet tonen, de wil om naar voren te gaan. ‘We zijn niet voor niets wereldkampioen export.’ Of hij zichzelf typisch Duits vindt? ‘Nou ja, ijverig ben ik wel.’

    Ook Duitse deugden dragen bij aan de Duitse ongedwongenheid. Dankzij ijver, discipline en volgzaamheid groeit de welvaart, die op zijn beurt het leven licht maakt en het humeur bevordert.

    Duitsland beleeft een klein wirtschaftswunder in de zomer van 2014. Meer dan 42 miljoen werkenden, nog nooit hadden zo veel mensen een baan. De lonen zijn sterk gestegen en vanwege de lage rente is het niet lonend om het geld op een spaarrekening te laten verkommeren. De Duitsers gaan winkelen tot hun armen uitrekken van de zware tassen. En winkelen kan gelukkig maken.

    Doorlopend stellen de economische voorspellers hun prognoses naar boven bij: dit en komend jaar zou de economie met meer dan 2 procent kunnen groeien. Voor een gevestigde volkseconomie is dat een goed cijfer.

    Duitsland profiteert ervan dat het land al rond de millenniumwisseling de update voor de eenentwintigste eeuw heeft geïnstalleerd. Het model van het gezapige kapitalisme, waarbij de winkels op zaterdag al om twee uur ’s middags sloten en je het op zondag zonder verse broodjes moest doen, is verleden tijd.

    De economie en de maatschappij hebben zich aangepast, wat vooral betekent: geflexibiliseerd. De bedrijven hebben hun processen ingesteld op efficiëntie en hun productengamma aangepast op de behoeften van de opkomende industrielanden.

    ‘Ook de Hartz-hervormingen en het gezond verstand van de sociale partners hebben bijgedragen aan de positieve ontwikkeling,’ zegt Clemens Fuest, leider van het Zentrum für Europäische Wirtschaftsforschung. Voor veel werknemers was een zekere arbeidsplaats belangrijker dan sterke loonstijgingen met de kans op ontslag. Jarenlang stegen de reële lonen in geen enkel Europees land zo bescheiden als in de Bondsrepubliek.

    Duitsland lijkt zo tevreden met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen

    In 2003 doorbrak bondskanselier Gerhard Schröder de sociale consensus. Tot dan toe gaf de staat aan zijn burgers, en wat hij eenmaal had gegeven, nam hij niet terug. Schröder was de eerste die werklozen flink liet inleveren. Dat zorgde voor een slechte sfeer in het land, maar tegelijkertijd bleek dat Duitsland te hervormen was. De mensen volgden hun vakbonden, volgden Schröder, zij het morrend. Een grote opstand bleef uit.

    Zijn opvolgster heeft het nu goed. De groei geeft Angela Merkel de mogelijkheid cadeautjes uit te delen. Dat doet ze dan ook kwistig: extra pensioenverhogingen, oudertoeslag, geld voor kinderzorg, pensioen vanaf 63 jaar, pensioenopbouw tijdens de zorg voor een kind. Er is geen economische reden om daar zorgelijk over te doen, althans nu niet. Toekomstige generaties zullen ervoor moeten opdraaien.

    Andere redenen zijn er wel, maar alleen voor mensen die vinden dat democratie levendig moet zijn en leeft van de strijd tussen standpunten. Merkel ziet dat anders, zij heeft althans de spanning uit de Duitse democratie gehaald. Ze probeert in alle rust met haar coalitie te regeren, zorgt niet voor opwinding met onredelijke politieke of economische eisen en krijgt daarvoor veel waardering van de Duitsers.

    Ze worden niet gehinderd door de politiek en maken zich hooguit regionaal druk omdat er een station wordt gebouwd of een elektriciteitsmast wordt geplaatst. Duitsland wekt momenteel de indruk dat het zo tevreden is met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen. Geen nieuwe infrastructuur, geen nieuwe kanselier en zo min mogelijk politiek. Een nieuwe biedermeiertijd lijkt te zijn aangebroken.

    Soevereine staat

    De 47-jarige Dagmar Donabauer zit op woensdagavond om half tien ’s avonds in muziekcafé Spectacel in Inning am Ammersee, vlak voor het begin van de tweede halve finale. Ze is personeelsconsulente in Gilching. Ze heeft het over ‘wij’ en ‘ons’ als ze over het nationale elftal praat.

    Voor Donabauer is ‘in 2006 plotseling alles veranderd, tijdens het WK. Toen begonnen de mensen, en ook ik, pas echt door te krijgen dat ze trots mochten zijn op hun land, zonder die bijsmaak. Toen konden we de vlag laten zien, dat was de ommekeer, en de wereld vond het prima dat we met onze vlaggen zwaaiden, men zag het niet langer als nationalistisch.’ Het taboe ‘om openlijk blij te zijn voor Duitsland was doorbroken,’ zegt ze.

    Dagmar Donabauer is Oostenrijkse. Er moet echt een hoop zijn veranderd aan de rol van Duitsland in de wereld dat Oostenrijkers zo enthousiast kunnen raken over het Duitse voetbal.

    Helmut Kohl heeft ooit in één zin de verhouding tussen Duitsland en de Europese Unie gedefinieerd: ‘Elke voor Europa uitgegeven mark is goed besteed geld.’ Angela Merkel is daar niet zo euforisch over.

    Kohl en zijn voorgangers zagen de Bondsrepubliek niet in de eerste plaats als individueel land, maar als onderdeel van bondgenootschappen. De vroegere kanseliers moesten de voormalige paria van de wereld eerst terugleiden naar de wereldgemeenschap, en dat deden ze via Europa en de NAVO. De West-Duitsers hadden belang bij een versmelting met het Westen, en tegelijkertijd bij een goede relatie met de landen van het Warschaupact. Dit alles gebeurde onder toezicht en de nucleaire paraplu van de Amerikanen. Tot 3 oktober 1990 was de Bondsrepubliek niet echt een soevereine staat.

    Angela Merkel heeft een heel ander Duitslandgevoel. Er is eenheid en daarmee soevereiniteit. Er is economische bloei, waarbij Frankrijk en de zuidelijke partners van de EU een slecht figuur slaan. De nazitijd, die zij zelf niet heeft meegemaakt, is weer een paar jaar langer geleden. Het Duitse imago in de wereld is verbeterd, wat ook te maken heeft met de voetbalfeesten sinds 2006.

    De Duitse ongedwongenheid gaat gepaard met een sterker zelfbewustzijn. We tellen weer mee, deel 2. Deel 1 werd gemarkeerd door de Duitse overwinning op het WK van 1954 en het Wirtschaftswunder. Nu zijn de Duitsers ook politiek zelfbewust. Wat doen ze daarmee?

    Merkel voert in Brussel een politiek van nationaal belang en haar Duitsers vinden dat goed. Nationaal belang betekent in dit geval: de eigen welvaart behouden en uitbouwen. Ze denkt bovendien expansief. Ze wil dat de andere Europeanen hun economie even efficiënt en effectief inrichten als de Duitsers. Ze spoort hen aan tot hervormingen, opdat Europa als geheel een sterke positie in de wereldeconomie zal gaan innemen. Daaruit vloeit politieke invloed voort, die Merkel weer voor de Duitsers en hun exportmogelijkheden wil gebruiken. Want in Europa mag de Bondsrepubliek groot zijn, wereldwijd is het land klein.

    Een Duitse kanselier die expansief denkt? Ook op dat punt is er een hoop veranderd. Het is alleen mogelijk omdat Merkel haar doelen in stilte en met terughoudendheid nastreeft. Anders zouden haar collega’s in Europa zich heviger verzetten dan tot nog toe. Ze streeft een nuchter nationalisme na, zonder pathos, zonder symboliek, zonder doordrammen, maar wel nadrukkelijk.

    Veiligheid

    Hendrik Groβe Lefert zit de dag voor de wedstrijd tegen Brazilië in de lobby van het hotel in Belo Horizonte waar de Mannschaft verblijft. Het hoofd Veiligheid van de Duitse voetbalbond DFB is afgetraind en heeft zijn donkere overhemd wijd openstaan. Hij heeft veel zorgen op dit WK. Zo kon de Duitse selectie het basiskamp alleen per veerboot bereiken. Groβe Lefert heeft er samen met de lokale autoriteiten in Porto Seguro voor gezorgd dat duikers van de Braziliaanse politie voor elke tocht van de veerboot het water op bommen afzochten. Er is niets gevonden.

    In de eerste week van het toernooi was hem gemeld dat iemand op het strand een drone wilde laten opstijgen, vertelt het hoofd Veiligheid. Later bleek dat een reclamebureau er een schip mee wilde fotograferen.

    Veiligheid is een bijzonder thema voor Duitsers. Sinds de eenwording en sinds de wereld hen weer vertrouwt, verwachten de VN, de NAVO, de Amerikanen en de Fransen dat ze ook wat betreft veiligheid verplichtingen op zich nemen, zo mogelijk met het leger. Maar op dat gebied willen de Duitsers geen leidende rol spelen, Merkel noch de burgers.

    Bondspresident Joachim Gauck werd voor “walgelijke oorlogshitser” uitgemaakt

    De inzet in Afghanistan is al te veel gevraagd, in Libië wilden ze niet actief zijn, in Mali en in de Centraal-Afrikaanse Republiek nemen ze taken op zich waarbij Duitse soldaten nauwelijks iets hoeven te riskeren. De Duitsers hebben genoeg van oorlog.

    Ze zijn er ook niet meer zo zeker van of ze wel volledig bij het Westen willen horen. Bij een recente enquête van de Körber-Stiftung vond 56 procent van de Duitsers dat in de toekomst meer met de Amerikanen zou moeten worden samengewerkt. Maar 53 procent zei hetzelfde over de Russen.

    Tijdens de crisis in Oekraïne heeft de Duitse regering goed nagedacht over wat men zou doen als de Russen een van de Baltische NAVO-landen zouden aanvallen. Een van de opties was zich op militair vlak afzijdig houden, ondanks het bondgenootschap. Daarmee zou de westerse alliantie op losse schroeven komen te staan. Waar natuurlijk vrijwel niemand daadwerkelijk op uit is.

    De Amerikanen maken het de Duitsers echter moeilijk om aan hun kant te staan. Twee vermoedelijke spionnen zijn onlangs ontmaskerd: een brutaliteit van de Amerikanen, die daarmee een bondgenoot vernederen.

    Het politieke profiel van Duitsland ziet er momenteel als volgt uit. Wat de binnenlandse politiek betreft zijn de Duitsers buitengewoon tevreden. Ze worden in de watten gelegd door de coalitie van Merkel en zien vrijwel geen reden om ruzie met elkaar te maken. Op het gebied van de buitenlandse politiek ontbreekt de oriëntatie en daarom is alles omstreden. Vroeger speelde de Bondsrepubliek de rol van de beste Europeaan en de beste vriend van de VS. Dat is verleden tijd. Maar hoe het nu verder gaat?

    Toen Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Veel Duitsers zouden het liefst een pijnontwijkende houding aannemen, het geld in eigen zak houden, de eigen soldaten ontzien. Zo kan de ongedwongenheid worden behouden. Maar egoïstisch is het ook.

    Nieuwe biedermeiertijd, nuchter nationalisme, egoïstische houding: wat geeft dat voor een totaalbeeld? Geen 7-1, dus niet de pure schoonheid. Van een ontspannen Duitse natie is nog geen sprake, eerder van een lossere natie. Ze wordt langzamerhand zichzelf, maar heeft nog moeite met haar plaats in de wereld. Moet het een stil hoekje zijn? Of een leidende positie, passend bij de omvang en de welvaart van het land? Hier ontbreekt een bondscoach die een duidelijke lijn uitstippelt.

    De 50-jarige Markus Werner werkt al 28 jaar als reddingszwemmer in Westerland op Sylt. Hij ontmoet zijn landgenoten tijdens de weken dat ze erg ontspannen zouden moeten zijn, maar hij vindt ze niet ontspannen. Nu eens komt de wind uit de verkeerde richting, dan weer is het zand niet fijn of het water niet warm genoeg. Maar dat verandert allemaal tijdens een WK, zegt Werner. De mensen hebben dan ‘een reden om de mondhoeken omhoog te trekken’. Eigenlijk, vindt Markus Werner, zou er twee keer per jaar een WK moeten zijn.

    Goed idee.