Niemand staat stil bij stof, en toch is het een onontkoombaar fenomeen. Als we goed opletten, kunnen we de grootste dingen – tijd, dood en het leven zelf – waarnemen in deze kleine zwevende deeltjes. Dit is een bewerkt fragment uit Dust: The Modern World In a Trillion Particles van Jay Owens.
Twee eeuwen lang waren de gebouwen in Londen zwart. Een zwavelhoudende roetmist van verbrande steenkool – de beruchte Londense ‘erwtensoep’– legde een dun laagje koolstof over elk oppervlak in de stad. Londen was zo smerig dat men zich niet kon herinneren dat het ooit anders was geweest. Tijdens de restauratie in 1954 van Downing Street 10 [de ambtswoning van de Britse premier] bleek dat de beroemde donkere gevel oorspronkelijk helemaal niet zwart was, maar van gele baksteen. Een te grote schok voor de Britten, en het nieuwe, schone gebouw werd zwart geschilderd om het oude, vertrouwde uiterlijk te behouden.
Eind jaren tachtig en begin jaren negentig vond er een reusachtig grote schoonmaak plaats. Meer dan tien jaar lang stonden monumenten als St. Paul’s Cathedral in de steigers. Hogedrukreinigers spoten het vuil weg, waarna het in het riool verdween. Tegenwoordig zie je in de stad roodbruine, lichtgrijze, zilverglanzende en blauwgroene tinten – de kleuren van baksteen, kalksteen en glas. De vervuiling is nu polychroom: het belangrijkste residu dat zich aan gevels hecht is niet het zwarte roet van koolstof, maar de warmere bruingele kleur van organische koolwaterstoffen die in benzine en diesel voorkomen. Naarmate de uitstoot van sulfaat door het verkeer afneemt, worden de gebouwen misschien zelfs groen omdat mossen en korstmossen er weer kunnen groeien.
Toch kunnen niet zomaar alle monumenten in Londen worden schoongespoten. Westminster Hall is het oudste parlementsgebouw en werd ongeveer negenhonderd jaar geleden gebouwd door William Rufus, zoon van de Normandische veroveraar. In 2007 ontdekten restaurateurs dat de muren waren aangetast door luchtvervuiling en vocht. Volgens hen was het gebouw in tweehonderd jaar nooit schoongemaakt. Het werd wel eens tijd.
Zorgvuldig
Maar hoe doe je dat zorgvuldig, met aandacht voor het materiaal waaruit het gebouw is opgetrokken? Kalksteen is poreus en lost op als het met de hogedrukspuit onder handen wordt genomen. Gelukkig bestaan er subtielere methoden. Delicaat materiaal kan worden gereinigd met een smeersel, een soort kleimasker voor stenen, dat hardnekkige zouten en vlekken verwijdert. Dunne laagjes latex zijn een andere optie: deze worden opgebracht met een kwast of een spray. Ze absorberen het vuil van de stenen, waarna de latex met vuil en al wordt losgetrokken.
Nieuws over het grootse schoonmaakproject van Westminster Hall bereikte een New Yorkse kunstenaar, die toestemming kreeg om de latexvellen te bewaren die waren gebruikt om het steen schoon te maken. De kunstenaar, Jorge Otero-Pailos, toonde ze vervolgens op de tentoonstelling The Ethics of Dust. Toen ik in juni 2016 Westminster Hall binnenliep, stond ik voor een doorschijnend, fonkelend gordijn van vijftig meter lang en vijf meter hoog, opgehangen aan de oude dakbalken: een huidachtige lappendeken bedekt met het vuil van de hele stad.
Sinds het begin van de moderne tijd hebben mensen geklaagd over stof in de lucht, maar maatregelen ertegen kwamen pas decennia of eeuwen later, als ze al kwamen. De kolenmijnen en fabrieken die de industriële revolutie van Groot-Brittannië aandreven, maakten de kapitalistische klasse heel erg rijk, terwijl de arbeiders de prijs moesten betalen met hun lichaam, longen en bloed. Voor mij ging The Ethics of Dust over menselijke aanwezigheid die zichtbaar werd gemaakt. Het gebouw van kalksteen en glas met de houten dakconstructie werd niet zozeer beschreven in grote abstracte bewoordingen als geschiedenis, traditie en macht, maar veeleer in de vorm van de materiële sporen van miljoenen lichamen, hun arbeid en hun levensonderhoud. De expositie verbond de polis, het volk, rechtstreeks met het parlement – en keek ook naar de bron van de historische welvaart van Groot-Brittannië.
Niemand denkt normaal gesproken na over stof, over wat het kan doen of waar het naartoe zou moeten; stofdeeltjes zijn zo klein en zo volkomen alledaags dat ze buiten ons blikveld vallen. Maar als we er met aandacht naar kijken, kunnen we de wereld erin zien.
Als we met aandacht naar stof kijken, kunnen we de wereld erin zien
Stof wordt niet gedefinieerd op basis van de materiële herkomst, maar door de vorm (kleine vaste deeltjes), de transportwijze (door de lucht) en de inherente vormeloosheid. Als we precies wisten waar het van gemaakt was, zouden we het misschien geen stof noemen, maar huidschilfers, cement of pollen. Maar ‘kleine rondvliegende deeltjes’ kan volstaan als praktische startdefinitie.
Tegenwoordig wordt er elk jaar wereldwijd 8,5 miljoen ton verbrande ‘zwarte koolstof’ uitgestoten, waarvan het meeste niet van natuurlijke oorsprong is, maar afkomstig van dieselmotoren, hout gestookte kooktoestellen en gecontroleerde branden om land vrij te maken voor landbouw. Zwarte koolstof heeft een krachtige invloed op het klimaat, omdat het de warmte van de zon absorbeert en aanzienlijk bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Het is ook een belangrijk bestanddeel van fijnstofvervuiling, bekend als PM2,5 (deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer).
Deze microdeeltjes dringen tot diep in de longen door. Hun nog kleinere neefjes, de ultrafijne PM0,1’s, kunnen via de longblaasjes in de bloedbaan terechtkomen, waar ze naar elk orgaan worden getransporteerd en mogelijk schade toebrengen aan alle cellen in het menselijk lichaam. Luchtvervuiling veroorzaakt niet alleen ademhalingsaandoeningen, maar ook hartaandoeningen, kanker, onvruchtbaarheid en zelfs neurodegeneratieve ziekten zoals Alzheimer. Het is de vijfde doodsoorzaak ter wereld, goed voor 4,2 miljoen overlijdensgevallen per jaar. Als de lucht in Londen zou voldoen aan de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor PM2,5, zouden de inwoners gemiddeld 2,5 maand langer leven.
Stedelijk stof is echter veel meer dan alleen roet afkomstig van verbranding: overal is er wrijving tussen mens en milieu. Remmen van auto’s, bussen en treinen schuren tegen banden die miljoenen keren per dag tegen wegen en rails drukken, waardoor materialen worden belast en kleine stukjes metaal, rubber en asfalt afslijten.
Metro
In 2019 wees een onderzoek van Financial Times uit dat de Londense metro ‘de smerigste plek in de stad’ is; delen van de Central Line tussen Bond Street en Notting Hill Gate hebben meer dan acht keer de WHO-limiet voor PM2,5. Metrostof bevat vooral veel ijzeroxide afkomstig van metalen remmen en rails, maar er zit meer in. ‘Veel van het stof in deze omgeving komt van de passagiers zelf,’ zei Alno Lesch, operationeel manager voor reiniging van het spoor, tegen Financial Times, terwijl hij een zwart kluwen onder het perron vandaan plukte. Een pluk menselijk haar.
Meer dan duizend mensen werken ’s nachts in de ondergrondse tunnels als de treinen stilstaan. Ze borstelen en stofzuigen de oppervlakken om stof te verwijderen en spuiten een fixeermiddel om wat achter is gebleven op zijn plaats te houden. Maar dat werkt niet altijd optimaal: afstoffen is tenslotte een proces waarbij deeltjes die eerst hun eigen gang gingen, worden losgemaakt. Toen Transport for London de Bakerloo-lijn schoonmaakte werd er 6,4 ton aan vuil en pluis verwijderd. Toch werd er na afloop op negen van de vijftien stations meer PM2,5 gemeten in plaats van minder.
Technische oplossingen volstaan zelden om onze rommel op te ruimen. Wat betreft stof op de wegen blijken elektrische auto’s niet schoner te zijn dan de traditionele benzinevervuilers. Elektrische auto’s produceren ongeveer 75 procent minder remstof dan benzineauto’s, maar meer bandenstof en wegslijtage, en ze woelen meer vuil van de weg los, omdat ze door hun accu’s gemiddeld zwaarder zijn. Straatstof is een belangrijke wereldwijde bron van microplastics, de minuscule plastic deeltjes van minder dan vijf millimeter groot die het afgelopen decennium een steeds groter milieuvervuilingsprobleem zijn geworden. Elk jaar wordt er ongeveer 6,1 miljoen ton aan deeltjes door bandenslijtage gegenereerd – plus nog eens een half miljoen ton deeltjes door remslijtage. Daarmee is straatstof de bron van meer dan een derde van de microplastics in onze oceanen.
Perfect afstoffen bestaat niet
En dan heb ik het nog niet eens gehad over het stof in mijn flat. Stof is ontzettend moeilijk te verwijderen. Perfect afstoffen bestaat niet. Maar wanneer en waarom gingen we onszelf deze onmogelijke taak opleggen? In Europa en de VS werd het huishoudelijke landschap aan het begin van de twintigste eeuw bepaald door hout, kolen en ouderwets poetswerk. In haar autobiografie uit 1934 schrijft de Amerikaanse auteur Edith Wharton: ‘Ik ben geboren in een wereld waarin telefoons, motoren, elektrisch licht, centrale verwarming (behalve door heteluchtovens), röntgenstralen, bioscopen, radium, vliegtuigen en draadloze telegrafie niet alleen onbekend maar grotendeels ook onvoorzien waren.’ Tegen de tijd dat ze haar memoires schreef, waren deze eens zo opzienbarende nieuwigheden gemeengoed geworden.
Maar hoe groot deze technologieën de wereld ook leken te maken – de dag werd langer, je kon je vrijer en verder verplaatsen – de gevolgen voor het leven van vrouwen waren vaak precies het tegenovergestelde. In plaats van vrouwen te bevrijden van huishoudelijke karweitjes, zorgden deze technologieën alleen maar voor meer werk in huis. Helder licht betekende dat stof en vuil nu beter zichtbaar waren en dus moest er grondiger en vaker worden schoongemaakt. Kleren moesten na een dag of twee worden gewassen; de kinderen ook.
Huisvrouwen
‘Huishoudelijk werk zoals wij dat kennen, wordt niet door de grenzen van het menselijk immuunsysteem bepaald. In feite werd het rond de eeuwwisseling uitgevonden om vrouwen uit de middenklasse iets te doen te geven,’ schrijft auteur en activist Barbara Ehrenreich in 1993. ‘Toen voedselverwerking en kledingproductie van huis naar fabriek verhuisden, vielen de huisvrouwen uit de middenklasse in een ongemakkelijk gat. Moesten ze zich dan maar aansluiten bij de feministen? De arbeidsmarkt op gaan en met mannen concurreren? “Te veel vrouwen,” schreef Ladies’ Home Journal in 1911, “zijn gevaarlijk lui.” En zo ontstonden de huishoudelijke experts, een groep dames die, mocht er een feministische hel bestaan, eeuwig gemarteld zouden worden met plumeaus. Vrouwen die er een carrière van maakten om andere vrouwen te vertellen dat ze geen carrière konden maken omdat het huishouden al een hele klus op zich was.’
Er verscheen een nieuwe generatie handleidingen voor huishoudelijk werk om vrouwen te instrueren in houding, gedrag en angsten die horen bij de rol van huisvrouw. Het abc van Good Housekeeping, gepubliceerd in 1949, bood de huisvrouw een werkschema van 7 uur ’s ochtends tot 7 uur ’s avonds. Om 9.30 uur begon het afstoffen, wanneer de slaapkamers moesten worden afgestoft en opgeruimd. Om 10.15 uur werden de woonkamer, eetkamer, overloop en trap geveegd en afgestoft. Tussen 11.30 en 12.30 uur en van 15.00 tot 16.00 uur kreeg de huisvrouw ‘speciale weektaken’ toegewezen, wat betekende dat vier van de zes dagen bepaalde kamers grondiger moesten worden afgestoft en schoongemaakt. Daarnaast moesten alle vloeren in huis elke dag worden geveegd of afgestoft. Tapijten moesten wekelijks worden gestofzuigd. Meubels kregen een dagelijkse afstofbeurt en werden ‘opgewreven’. Zelfs muuroppervlakken moesten wekelijks worden afgestoft.
Hun leven werd gereduceerd tot dienstbaarheid
In haar polemiek The Feminine Mystique uit 1963 beschrijft Betty Friedan hoe ‘miljoenen vrouwen hun leven modelleerden naar het beeld van die mooie foto’s van de Amerikaanse huisvrouw uit de voorsteden: hoe ze hun man gedag kussen, met hun stationcar hun kinderen op school afzetten en daarna glimlachend hun nieuwe elektrische waxer over de smetteloze keukenvloer laten glijden’. Hun leven werd gereduceerd tot dienstbaarheid, stelt ze, hun eigen ambities en belangen werden opzijgezet ten gunste van de behoeften van hun gezin. Friedan noemde het ‘een probleem zonder naam’, een zielsziekte die wordt veroorzaakt door een leven vol onbenullige taken en een sterk beperkte horizon. Denk aan Betty Draper, de perfecte blonde huisvrouw uit de televisieserie Mad Men. Haar handen worden gevoelloos van onderdrukte psychosomatische woede als ze de afwas en andere huishoudelijke klusjes moet doen. Als ze de dag ziet wegglijden in leegte, pakt ze een pistool en gaat ze de tuin in om op de duiven van de buren te schieten omdat die het lef hebben te genieten van de luchtige vrijheid die zij mist.
Critici beweren dat Friedan de benarde situatie van de wanhopige huisvrouw overdrijft. Alle vrouwen over wie ze níét schreef – vrouwen van kleur en vrouwen uit de arbeidersklasse; alleenstaande moeders, lesbiennes en alleenstaanden – voerden hun eigen strijd, die in veel gevallen veel serieuzer was dan verveling. Toch schuilt er een sterke symboliek in dit cultuurfenomeen: de perfecte witte huisvrouw uit de voorsteden die gek wordt van een beetje stof.
Interventies van negentiende-eeuwse sanitaire hervormers en de ‘huishoudkundemanie’ van rond de eeuwwisseling werden vaak gekenmerkt door klassevooroordelen. Adrian Forty, emeritus-hoogleraar architectuurgeschiedenis aan het University College in Londen, verbindt ‘de fetisj voor hygiëne’ met ‘burgerlijke angsten om sociale en politieke autoriteit kwijt te raken’. Hij schrijft: ‘Angst voor vervuiling ontstaat wanneer de buitengrenzen van een samenleving worden bedreigd.’ Verstedelijking en industrialisatie brachten de gevestigde sociale orde aan het wankelen en creëerden een nieuwe stedelijke arbeidersklasse die deelnam aan protesten, arbeidersstakingen en revoluties – in Frankrijk en Duitsland – om een eerlijk loon, betere arbeidsomstandigheden en stemrecht op te eisen.
Status
Hygiëne werd een middel om de ‘goede’, ‘respectabele’ armen te onderscheiden van het gespuis. Degenen die de regels van de maatschappelijk werkers voor de volksgezondheid naleefden, zouden een nieuw onderkomen kunnen krijgen als hun sloppenwijk met de grond gelijk werd gemaakt; degenen die minder volgzaam waren, werden uitgezet. De onfortuinlijken verbleven letterlijk op de vuilnisbelt, de grote, Londense vuilnisbelten, waar ze moesten zien rond te komen van wat er werd weggegooid. En de middenklasse moest op haar beurt een show van huishoudelijke netheid opvoeren om zichzelf te onderscheiden van degenen die ‘vuil werk’ deden.
Stof – of liever: de afwezigheid ervan – bleef in het midden van de twintigste eeuw een teken van status en respect voor arbeidersgemeenschappen in het Verenigd Koninkrijk. Vrouwen in rijtjeshuizen in de binnenstad schrobden dagelijks of wekelijks hun stoepje, ze poetsten de treden voor hun voordeur op met rode boenwas en wreven tot ze blonken. Zelfs de straat werd geveegd om stof en vuil tegen te houden (belangrijk in industriegebieden) en over het trottoir werd een emmer zeepsop uitgegoten. ‘Zo liet je zien dat je keurig was,’ vertelde Margaret Halton, (destijds 85) in 1997 aan Lancashire Telegraph. ‘Je kon zien wie er proper was en wie niet, gewoon door naar de stoep te kijken.’ In deze smalle straatjes en hechte gemeenschappen waren alle ogen op jou gericht. Onder moeilijke omstandigheden onberispelijke netheid handhaven, was de manier om je trots te tonen.
In Londen kan het je onmogelijk ontgaan dat de meerderheid van de schoonmakers in huizen en kantoren mensen van kleur zijn. De geschiedenis van de twintigste-eeuwse reinheid is niet alleen een geschiedenis van gender- en klassenonderscheid, maar ook van raciale ongelijkheid.
Vrouwen in rijtjeshuizen in de binnenstad schrobden dagelijks of wekelijks hun stoepje
Properheid is zelden gewoon properheid, zelden het praktische, functionele proces van het stofzuigen van tapijten en het wassen van je handen met zeep. Het is altijd beladen met extra betekenis. De ogenschijnlijk vanzelfsprekende voordelen van reinheid raken vertroebeld als je beseft dat het begrip al te vaak wordt gebruikt om onderscheid aan te brengen tussen mensen: de deugdzame burger tegenover de gemarginaliseerde. Vooral vrouwen worden terechtgewezen met woorden als ‘slet’, ‘slons’ en ‘sloddervos’ – begrippen die seksuele immoraliteit koppelen aan zaken als vuilheid en slordigheid. ‘Goede vrouw’ is nog altijd synoniem van ‘schone’, oppassende huisvrouw.
Maar blijf alsjeblieft stofzuigen. Huisstofmijt veroorzaakt astma en de hormoonontregelende, brandvertragende chemicaliën die uit je bank vrijkomen naarmate deze ouder wordt, zijn nadelig voor de gezondheid. Weldoeners op het gebied van de sanitaire hervormingen uit de negentiende eeuw hebben daadwerkelijk iets goeds gedaan voor de volksgezondheid. Maar kunnen we ooit de morele verschrikkingen van stof wegnemen?
Stof is tegelijkertijd een symbool van tijd, van verval en van dood, maar het is ook het residu van het leven. De betekenis is nooit zwart of wit, maar grijs en wat vaag. Leven met stof – en dat moeten we – is een langzame les in het omarmen van tegenstrijdigheden: schoonmaken, maar je niet identificeren met reinheid; de materiële behoefte aan hygiëne respecteren, terwijl je deze als sociale metafoor diep wantrouwt.