Onderwerpen: Geschiedenis

  • Stripvorm kan historische complexiteit effectief overbrengen

    Stripvorm kan historische complexiteit effectief overbrengen

    Historicus Richard Conyngham gebruikt de visuele slagkracht van een stripverhaal om de aandacht van jonge lezers te trekken voor een veronachtzaamde en belangrijke strijd tegen de pre-apartheidsstaat in Zuid-Afrika.

    Je loopt niet zomaar een rechterlijk archief binnen. Wie historisch onderzoek doet, kent de psychologische gevaren van zulke oorden: de kille, door tl-buizen verlichte eenzaamheid, de spoken van oud onrecht, de eindeloze, tergende belofte van documentair goud dat ligt te wachten in de volgende map of op het volgende karretje. De in Mexico-Stad woonachtige Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham vond in het archief van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948, een baanbrekend historisch stripverhaal over de belangrijke strijd van arbeiders, kooplieden, wasvrouwen en boeren tegen de pre-apartheidsstaat.

    ‘Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse’

    Om deze verzetsverhalen nieuw leven in te blazen ging Conyngham op zoek naar de allerbeste kunstenaars om ze te tekenen, onder wie de broers Trantraal, Saaid Rahbeeni, Liz Clarke, Dada Khanyisa, Tumi Mamabolo en Mark Modimola. ‘Het was een geweldige uitdaging om die kunstenaars te strikken en bij te staan. Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse.’

    Het idee was om de visuele slagkracht van een stripverhaal te gebruiken om de aandacht van jonge lezers te trekken en een veronachtzaamd tijdperk uit de woelige Zuid-Afrikaanse geschiedenis aanschouwelijk te maken. ‘De rechterlijke archieven gaven een beeld van een ongelooflijk kleurrijke en explosieve periode,’ zegt Conyngham. ‘Maar van geschiedenisboeken op school of de universiteit krijg je dat idee niet.’

    Zoals [voormalig Zuid-Afrikaans rechter en advocaat] Edwin Cameron opmerkt in zijn voorwoord bij All Rise herinneren sommige verhalen eraan dat ‘de wet, indien juist toegepast, zelfs in tijden van groot onrecht tot rechtvaardige resultaten kan leiden’. Desondanks heeft hij in de annalen maar zelden een glimpje rechterlijke compassie gezien, zegt Conyngham. ‘De rechters hadden eerder respect voor de wet dan empathie met de betrokkenen,’ zegt hij. ‘Vaak komen ze over als racistisch of seksistisch, zelfs als hun oordeel in het nadeel van de staat uitvalt. Er was altijd bewegingsvrijheid en sommige rechters namen de wet zo letterlijk dat ze soms oordeelden op een manier die je niet zou verwachten. Ik denk dat Edwin als advocaat in de apartheidsjaren inderdaad heeft ervaren dat als je het goed aanpakte, je echt je voordeel kon doen met het respect van de rechter voor de wet.’

    Cover
    In de archiefkelder van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein vond de Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948 (Jacana, 2022).

    Rode draad

    Historica Hlonipha Mokoena, verbonden aan het Wits Institute for Social and Economic Research in Johannesburg, wijst in haar voorwoord op de migratie die als een rode draad door de verhalen loopt: bijna alle verdachten, of ze nu zwart, wit of Indiaas waren, waren op de een of andere manier migranten die vochten voor de rechten die (sommige) burgers genoten. Die strijd wordt nog steeds gevoerd en deze verhalen, schrijft ze, ‘zijn een bevestiging van de redenen waarom onze grondwet niet slechts een aardig juridisch detail is, maar een moreel gebod’.

    Maar sommige historici die Conyngham raadpleegde hadden niet veel op met het medium strip, zegt hij. ‘In academische kringen rust er toch een soort stigma op het genre, ook omdat sommigen zich erdoor bedreigd voelen. Gaandeweg wist ik door te dringen tot veel autoriteiten op de verschillende gebieden waarnaar ik onderzoek deed. Sommige waren heel toegankelijk en andere helemaal niet, alsof ze het genre niet serieus namen, of wilden nemen.’

    ‘We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang’

    All Rise begon met een project van hiv- en aidsactivist Zackie Achmat, door wie Conyngham in 2015 werd ingehuurd als onderzoeker. ‘Het was Zackies idee om naar het archief van de Hoge Raad van Beroep te gaan,’ zegt Conyngham, ‘omdat hij als rechten-activist een paar duistere vonnissen uit het begin van de twintigste eeuw had ontdekt, zoals “Rex vs. Detody” (1926). Dus gingen we naar Bloemfontein en maakten we een heleboel fotokopieën. We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang.’

    Gaandeweg kwam Conyngham op het idee om een bloemlezing in stripvorm te maken in plaats van het conventionele geschiedenisboek dat ze aanvankelijk op het oog hadden. Met instemming van Achmat benaderde hij om te beginnen zijn vriend André Trantraal, een grote ster aan het Zuid-Afrikaanse stripfirmament, met wie hij al aan een ander grafisch project had samengewerkt. 

    Conyngham schreef de scripts zelf, onder strenge redactie van de kunstenaars als het aankwam op het schrappen van irrelevante details. Grafische non-fictie kan de historische complexiteit soms effectiever overbrengen dan een documentaire, vanwege de radicale vrijheid van een getrokken lijn. De boeken van bijvoorbeeld Joe Sacco, Marjane Satrapi, Art Spiegelman en Alison Bechdel doen dingen met waargebeurde verhalen die geen prozaboek voor elkaar krijgt.

    Om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen

    Maar om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen. Conyngham kreeg dat voor elkaar door veel van de historische achtergrond te verplaatsen naar subliem vormgegeven appendices aan het eind van ieder verhaal, compleet met hedendaagse foto’s van de locaties, de hoofdrolspelers en hun handgeschreven brieven. Het Zuid-Afrikaanse Nationaal Archief voorzag zelfs in haarlokken van Taffy Long, een deelnemer aan de Randopstand van 1922 die werd veroordeeld wegens het executeren van een spion. De lokken waren als bewijs gebruikt door de openbaar aanklager, die betoogde dat Long opzettelijk zijn haarkleur had veranderd met gebruikmaking van kaliumpermanganaat. Het proces tegen Long, die werd geëxecuteerd in de Centrale Gevangenis van Pretoria, is door Liz Clarke op een duistere, filmische manier tot leven gewekt in het hoofdstuk ‘Come Gallows Grim’.

    Jack Whittaker

    In het hoofdstuk ‘In the Shadow of a High Stone Wall’ behandelen de broers Nathan en André Trantraal het verhaal van Jack Whittaker, werkzaam bij de trammaatschappij van Johannesburg, die het werk neerlegde tijdens een staking in 1911. Daarin komen we ook Mary Fitzgerald tegen, de met een pikhouweel zwaaiende deelneemster aan de eerste uitingen van klassenstrijd in Johannesburg. Whittaker werd valselijk beschuldigd van het bezit van explosieven. Zijn uiteindelijke vrijspraak was een overwinning, zij het niet zo’n glorieuze als zijn latere succesvolle aanklacht tegen de staat wegens de inhumane opsluiting in afwachting van zijn proces.

    Het hoofdstuk ‘The Widow of Marabastad’, schitterend geïllustreerd door Dada Khanyisa, vertelt het verhaal van de lange strijd tegen de invoering van nachtpassen voor zwarte vrouwen in de Transvaal. Het verzet werd in 1926 geleid door wasvrouw Helena Detody. Met behulp van het Transvaal Native Congress vocht ze tot aan de Hoge Raad in Bloemfontein voor het recht op bewegingsvrijheid in de hele stad. Dankzij Detody’s overwinning konden zwarte vrouwen in de Transvaal zich twintig jaar lang vrijelijk bewegen.

    Tumi Mamabolo tekende ‘A House Divided’, over de krachtmeting tussen Bafokeng-opperhoofd August Mokgatle en zijn lekgotla, oftewel stamraad. Mokgatles raadsleden hadden zijn zwakke en grillige leiderschap verworpen, deels geïnspireerd door de democratische ideeën van de zwarte Jamaicaanse dominee Kenneth Spooner, die zich had gevestigd in Phokeng. Ondanks de vurige getuigenis van Sol Plaatje ter verdediging van de raadsleden werd de stamraad veroordeeld en verbannen, waarmee de weg werd gebaand voor Bantoestaanse marionettenregeringen en de beëindiging van prekoloniale vormen van stammendemocratie.

    Fictieve reconstructie

    In ‘Until the Ship Sails’ illustreert Saaid Rahbeeni het verhaal van Mahomed Chotabhai, een vijftienjarige Indiase jongen die niet mocht gaan werken bij zijn vader, een koopman in Johannesburg, vanwege de campagne van de regering van Jan Smuts tegen ‘vrije’ Indiase arbeiders. Het destijds ingevoerde registratiecertificaat voor Indiase arbeiders – een poging om nieuwe migranten te criminaliseren – lokte een massale verbranding van certificaten uit, en Mohandas ‘Mahatma’ Gandhi bemoeide zich persoonlijk met de zaak-Chotabhai.

    Richard Conyngham en Mark Modimola reconstrueren in ‘Here I Cross to the Other Side’ op vaardige wijze de wereld van de stakende mijnwerkers op de Reef in 1946, een staking die vakkundig de kop werd ingedrukt, evenals de vakbond van Afrikaanse mijnwerkers die haar had georganiseerd. Dit is niet zozeer een feitelijk verhaal als wel een knappe fictieve reconstructie van de eerste reis van een jonge Basotho-rekruut naar de Reef en de frontlinies van het verzet aldaar. Hoewel de staking van 1946 niet tot betere lonen en leefomstandigheden leidde, zorgde ze decennia later wel voor de wedergeboorte van vakbewegingen.

    All Rise is een aangrijpend eerbewijs aan de macht van de ogenschijnlijk machtelozen en zet op een kalme manier kanttekeningen bij de apathie en wanhoop die momenteel in Zuid-Afrika heersen. Zoals Richard Conyngham zegt: ‘Gewone mensen kunnen de wet op een moedige manier gebruiken zodat er werkelijk een blijvende, systemische verandering in gang wordt gezet. Hoewel we geneigd zijn te wachten tot een illustere figuur dat voor ons doet, laten de verhalen in dit boek zien dat we het ook zelf kunnen.’ 

    Schermafbeelding 2022 03 08 om 08.51.26
  • Waarom mogen we eigenlijk grond bezitten?

    Waarom mogen we eigenlijk grond bezitten?

    In een ver verleden is grond net als een auto of driedelig pak een verhandelbaar goed geworden. Met de gevolgen daarvan leven we nog iedere dag. ‘De geschiedenis van de mensheid is in wezen één lang gevecht om grond en ruimte.’

    Niemandsland. Perceel 1468 onderscheidt zich niet door zijn grootte. Het is een strook straat van 22 meter lang en iets meer dan 1 meter breed. Het staat als herrenlos te boek in het kadaster. Toen de vorige eigenaar in 2005 afstand deed van het stuk grond, had dat een verrassende consequentie: iedereen heeft het recht zich dit stuk grond toe te eigenen. En omdat het van niemand is, hoef je niemand te betalen. Voor ongeveer 1000 francs registratiekosten kon ik landeigenaar worden van 29 vierkante meter Nelkenweg in het Zwitserse Cham. 

    Helaas zijn er goede redenen waarom het land werd opgegeven. Het is bezwaard met recht van overpad, wat betekent dat de straat moet blijven bestaan en dat ik misschien zelfs moet betalen voor het onderhoud ervan. Maar hoe zit het met de grond eronder en het luchtruim boven de Nelkenweg? Dat zou mij ook allemaal toebehoren, toch?

    Eerste getuigenis 

    Nauwelijks had de mens het schrift uitgevonden of hij noteerde wat van wie was. Ruim vierduizend jaar geleden kerfde een schrijver in Mesopotamië op een obelisk de landaankopen van de koning: Manishtushu had 3430 hectare in Noord-Babylonië gekocht voor 7,5 talent zilver. Het is het eerste getuigenis van een vastgoedtransactie.

    Dat grond iemands eigendom kan zijn, vinden we sindsdien zo vanzelfsprekend als een natuurwet. Terwijl we ons erover zouden moeten verbazen, want niemand heeft die grond gemaakt. Ergens in de duistere voorgeschiedenis is grond een goed geworden zoals een auto of een tuinslang. Met de gevolgen daarvan leven we nog iedere dag. Waar wij opgroeien, wie onze buren zijn, welke scholen onze kinderen bezoeken: alles heeft te maken met de lange keten van dieven, kopers en bezetters van de grond waarop onze huizen staan. Want grond heeft nog een tweede zeldzame eigenschap: niemand kan leven zonder.

    ‘Koop land, want het wordt tegenwoordig niet meer gemaakt’

    De drop-out in zijn hutje mag denken dat hij zich heeft onttrokken aan de consumptiemaatschappij, maar ook hij ontkomt niet aan zijn stukje aarde. Wie op deze planeet woont, is veroordeeld tot consumptie van ruimte. Werken, eten, slapen, bewegen: zonder ruimte kan niemand leven. Ook dat lijkt banaal, maar samen met nog twee andere eigenschappen maakt het grond tot een onvergelijkbaar goed: grond is onvernietigbaar en de voorraad ervan is beperkt. ‘Koop land, want het wordt tegenwoordig niet meer gemaakt,’ zei de schrijver Mark Twain ooit.

    Dat grond er slechts in beperkte hoeveelheden is en zich niet laat vernietigen, transporteren of vermeerderen, maakt het tot een bron van sprookjesachtige rijkdom en bittere armoede, 
    tot veroorzaker van handel en oorlogen, tot reden voor huwelijken en vetes. De geschiedenis van de mensheid is in wezen één lang gevecht om grond en ruimte. 

    ‘Dit is van mij‘

    Rousseau wist zeker dat ons veel nood en ellende bespaard was gebleven, als we de eerste die een stuk land omheinde en het in zijn hoofd haalde om ‘dit is van mij‘ te zeggen gewoon niet hadden geloofd. En zelfs de vader van het kapitalisme, Adam Smith, wilde de handel in land niet aan de vrije markt overlaten. Hij zag in dat grond het zelfcorrigerend evenwicht van vraag en aanbod buiten werking stelt. Wie een bepaald stuk grond wil bezitten, kan immers niet uit verschillende prijzen de laagste kiezen, want van elk stuk grond op aarde is er precies maar één. Als ik me dat toe-eigen, zou ik een monopolie bezitten op dit stuk aarde.

    Ook al lijkt de vraag of je land wel kunt bezitten tegenwoordig beslist, bij de rechtvaardiging ervan kom je algauw in moeilijkheden. Je kunt de redevoering die opperhoofd Seattle in 1854 
    zou hebben gehouden als romantische onzin beschouwen, of als een vervalsing. Maar de indruk dat de man op de een of andere manier gelijk had, blijft toch hangen. Een versie daarvan begint zo: ‘De president in Washington laat meedelen dat hij ons land wil kopen. Maar hoe kun je de hemel kopen of verkopen? Het land kopen of verkopen? Die gedachte is ons vreemd. Als wij de frisheid van de lucht en het glinsteren van het water niet bezitten, hoe kun je die dan kopen?’

    De onoplosbare tegenstrijdigheden die verbonden zijn met het bezit van land roepen eigenaardige vragen op: waarom heb ik bij de grote landverdeling niets gekregen? Is het bezit van grond uiteindelijk diefstal? Van wie is de wind die over mijn stuk land waait? En het zonlicht? En kan ik de imker de nectar in rekening brengen die zijn bijen op mijn grond verzamelen? Om die te beantwoorden bezoeken we belangrijkste stadia van de inbezitneming van land door mensen: een klooster, een boerderij, een grote stad en het stukje land zonder eigenaar in Cham, waar de vraag of ook de bodem eronder en het luchtruim erboven van mij kunnen zijn nog altijd onbeantwoord is.

    In de dertiende eeuw dook de leus op: ‘wie de eigenaar is van het land, die is het tot in de hemel en tot in de hel’

    Lange tijd dacht de mensheid amper na over de vraag tot hoever boven en onder iemands stuk grond zijn bezit gezien moet worden. In de dertiende eeuw dook de leus op: ‘wie de eigenaar is van het land, die is het tot in de hemel en tot in de hel’. Met de opkomst van de commerciële luchtvaart bleek echter dat deze uitspraak geen toepasbare richtlijn was. Bepaalde landeigenaren waren namelijk van mening dat vliegtuigen huisvredebreuk pleegden als ze op 10.000 meter hoogte over de grenzen van hun grond vlogen en verlangden een compensatie. Maar de rechtbanken beslisten tegen de landeigenaren.

    Welk stuk lucht precies bij een stuk grond hoort, is per land verschillend bepaald. In Zwitserland geldt de vage formulering: ‘Het eigendom van grond en bodem strekt zich naar boven en naar onder uit tot het luchtruim en het aardrijk, voor zover er voor de uitoefening van het eigendom een belang bestaat.’ Zo’n belang zou de verstoring van de privésfeer door een drone kunnen zijn. Die is in Zwitserland boven privégrond pas vanaf 300 meter hoogte toegestaan.

    En hoe ziet het eruit in de grond? Zou ik onder de Nelkenweg een kelder mogen bouwen? Maar ik zou wel een buurman moeten vragen om recht op overpad over zijn grond. Bovendien zou mijn kelder onder de riolering aangelegd moeten worden. Maar ook in de aarde geldt in Zwitserland dat de grond slechts van mij is tot op een diepte waarvoor ik een realistisch belang kan aantonen. In Frankrijk is dat anders. Daar zou ik over de Nelkenweg wandelen in de zekerheid dat de 6365 kilometer tot het middelpunt van de aarde mijn eigendom is. Mijn champignonkwekerij zou zich kunnen uitstrekken over tweeënhalf miljoen verdiepingen. Vanwege deze regeling moesten bijvoorbeeld voor de bouw van een metro in Rennes onderaardse stukken grond worden opgekocht van driehonderd landeigenaren. De prijs werd vast-gesteld op 5 euro per vierkante meter. Dat zou voor mijn 29 vierkante meter altijd nog neerkomen op 145 euro.

    Lucratiever zou het daarentegen zijn wanneer iemand in mijn bodem een schat had begraven. Die zou ik als eigenaar van de grond mogen houden, behalve als het gaat om ‘onbeheerde natuurlichamen of oudheden van wetenschappelijke waarde’. Die zijn van het kanton, dat mij dan wel een ‘proportionele vergoeding’ verschuldigd is. Ook bodemschatten als aardolie of kolen zijn in Zwitserland, zoals ook in 142 andere landen, openbare goederen en zijn eigendom van het kanton. Om ze te delven zou ik een concessie moeten aanvragen.

    ralph ravi kayden kTpfNTQ2f18 unsplash
    © Fotograaf / Agent

    Het klooster

    De ambtsaanvaarding van een nieuwe abt in het klooster Einsiedeln bestaat uit plechtige en profane gebeurtenissen. Tot de plechtigheden behoort de inzegening in de kerk, waarbij de abt het borstkruis, de abtsstaf en de mijter ontvangt. Tot de profane onderdelen behoort de gang naar het kadaster van Einsiedeln, waar de tekenbevoegdheid voor de belangen van het klooster aan de abt wordt overgedragen. Toen de huidige abt Urban Federer in 2013 het ambt overnam, vergeleek bisschop Markus Büchel het klooster Einsiedeln met de stal van Bethlehem, maar dan wel een stal met tamelijk veel bijbehorende grond. Het klooster Einsiedeln geldt als de grootste private grondeigenaar van Zwitserland.

    Zou de 41.285 vierkante kilometer aan Zwitserse grond gelijk verdeeld worden over alle inwoners, dan zou iedereen, van zuigeling tot grijsaard, 4780 vierkante meter krijgen. Dat is ongeveer twee derde van een voetbalveld. Wie feitelijk de eigenaar is van welk stuk grond is moeilijk te achterhalen. In het burgerlijk wetboek staat wel dat op ‘openbare wateren en niet-cultiveerbare grond zoals rotsen en puinhellingen, besneeuwde hellingen en gletsjers’ geen privé-eigendom bestaat. Maar zelfs daar zijn uitzonderingen op. 

    Het klooster is eigenaar van 21,4 vierkante kilometer land in vijf Zwitserse kantons en in Oostenrijk. De oorzaak van dit omvangrijke bezit ligt in een overtuiging die de Europeanen deelden met veel inheemse volken: dat je land eigenlijk helemaal niet kunt bezitten. Maar in Europa trok men daaruit andere conclusies: niet de mens bezit het land, maar God. Maar omdat die zijn rechten niet kon uitoefenen, traden keizers en koninginnen op als zijn plaatsvervangers. Zij leenden de gronden op hun beurt weer uit tegen diensten en belastingen.

    Het grootste grondbezit ter wereld vandaag de dag staat op de naam van Elizabeth II

    Dat is ook de reden waarom het grootste grondbezit ter wereld vandaag de dag op naam staat van een krasse 95-jarige dame. Elizabeth II, ‘door Gods genade koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en haar andere rijken en territoria’ is niet alleen in het bezit van heel Groot-Brittannië, maar ook van grote delen – zo niet het hele grondgebied – van 31 andere landen. Juridisch gezien bezit de Queen 27.105.844 vierkante kilometer land, een zesde van de landmassa op deze planeet. Volgens Kevin Kahill, de auteur van Who Owns the World?, bestaat er geen passage in de Canadese grondwet die de koningin ervan zou kunnen weerhouden Canada te verkopen aan de hoogstbiedende. Veel landeigenaren in Australië, Nieuw-Zeeland en Papoea-Nieuw-Guinea zijn zich er niet van bewust dat ze hun land in wezen niet bezitten, maar slechts door de koningin uitgeleend hebben gekregen. In de praktijk blijft dat meestal zonder gevolgen, maar het laat zien welke sporen het feodalisme tot op heden in de wereld heeft achtergelaten. 

    Ver na de Britse koningin volgen andere monarchen en absolute heersers: de koningen van Saoedi-Arabië, Marokko en Jordanië, die het land van God eveneens fiduciair beheren. Het grootste private grondbezit dat niet in handen is van een monarch bevindt zich in Australië. Grondstoffenmagnaat Gina Rinehart bezit er 92.000 vierkante kilometer land, een stuk zo groot als Portugal.

    Inbezitname is negen tiende van de wet

    In het recht bestaat een eeuwenoude zegswijze: ‘inbezitname is negen tiende van de wet’. Ze beschrijft het plausibele feit dat eigendom eenvoudiger te rechtvaardigen is als men het al heeft, als de goudstaaf in de eigen kluis ligt of het perceel al bezet is. Dat geldt voor de buste van koningin Nefertiti, die Egypte terugeist van Duitsland, net als voor het schiereiland de Krim, dat door Rusland bezet is: de huidige bezitter is altijd in het voordeel.

    ‘Iets behoort mij toe, omdat ik het heb.’ Deze zin drukt niet alleen onze oorspronkelijkste opvatting van eigendom uit, iets fysiek bezitten is ook een beproefde en makkelijk te toetsen regel om eigendom toe te wijzen. Niemand hoeft voortdurend de bonnetjes van de kleren die hij draagt bij zich te hebben om te bewijzen dat ze van hem zijn.

    Dat principe is zo diep verankerd in de mens dat het in veel wetten is vastgelegd. In artikel 718 van het burgerlijk wetboek van Zwitserland doe je bijvoorbeeld de verrassende ontdekking dat een onbeheerde zaak tot bezit wordt wanneer iemand het ‘met de wil er eigenaar van te worden in bezit neemt’. Huisdieren die komen aanlopen mag je bijvoorbeeld na twee maanden je eigendom noemen – met uitzondering van bijenzwermen – mits je je best hebt gedaan om de eigenaar te vinden.

    Wie in Zwitserland dertig jaar lang onweersproken doet alsof een bepaald perceel hem toebehoort, bezit het daarna ook werkelijk

    Soortgelijke regels gelden voor land, zij het met wat langere termijnen. Wie in Zwitserland dertig jaar lang onweersproken doet alsof een bepaald perceel hem toebehoort, bezit het daarna ook werkelijk. Maar voordat u nu op uw zondagse wandeling een stuk land afrastert: het perceel mag nog niet geregistreerd staan in het kadaster, wat in Zwitserland slechts zeer zelden voorkomt.

    Op die manier in bezit komen heet in het jargon Ersitzung en is in veel landen mogelijk. Dat is bijvoorbeeld de reden waarom de Columbia-universiteit of het Rockefeller Center in New York eenmaal per jaar hun openbaar toegankelijke terrein voor enkele uren afsluiten. Niet vanwege onderhoudswerkzaamheden, maar omdat ze daarmee aan-tonen dat het perceel hun eigendom is en ze zo een inbezitname – hoe onwaarschijnlijk ook – voorkomen.

    Wie de geschiedenis van een stuk land nagaat, komt onvermijdelijk op enig moment uit bij de mens die als eerste de moed bezat om te beweren dat het land van hem was. Hoe beargumenteert de zakenman in De kleine prins zijn eigendom van de sterren? ‘Ik bezit de sterren, omdat niemand er voor mij ooit aan gedacht had ze te bezitten.’

    De boerderij

    Hier is het dus allemaal begonnen. Aan deze beek, die vlak naast de Oberdorfstrasse ontspringt. Glashelder water stroomt in de smalle kiezelbedding die de mensen tussen de weg en een bouwterrein hebben opengelaten voor het water. Hier moet volgens de legende in de negende eeuw de 
    Alemannische leider Uzzi zich met zijn gevolg hebben gevestigd. ‘Water, weide en bos hadden de mensen nodig om te overleven,’ zegt Barbara Kummer, een fitte tachtigjarige die mij laat zien wat er de laatste duizend jaar van Uzzi’s dorp geworden is: Utzenstorf, 10 kilometer ten zuiden van Solothurn, heeft vierduizend inwoners, een watertoren, een tattoostudio en 34 boerenbedrijven.

    Een daarvan wordt gedreven door de zoon van Barbara Kummer en zijn vrouw. Tegenwoordig hebben ze 
    paarden en verbouwen ze mais, gerst, koolzaad en tarwe, vroeger hadden ze ook nog koeien en andere dieren. De ligging van het boerenerf aan de doorgaande weg danken de Kummers aan de Alemannen, die zich links en rechts langs de beek vestigden. Later kwam de weg erheen. De Kummers bezitten 25 hectare land en 8 hectare bos; dat geldt in Zwitserland als een middelgroot bedrijf.

    Barbara Kummer is zestig jaar geleden uit Noord-Duitsland naar hier gekomen, en dat ze niet uit een boerenfamilie kwam was destijds het gesprek van de dag in het dorp. ‘De enige zoon van de Kummers trouwt met een kantoorjuffrouw,’ zeiden ze, ‘en die wil ons nu laten zien hoe je moet boeren!’ Barabara had drie kinderen en ging tegelijk naar de landbouwschool. ‘Maar hoe roder mijn geraniums werden, en hoe groter mijn kolen, hoe meer jaloezie ik opwekte.’ Ze zocht een niche voor zichzelf en wierp zich op de geschiedenis van de boerendorpen in de omgeving. Zo werd ze de officieuze dorpshistorica.

    Dat ze uitgerekend in de familie Kummer trouwde, was een gelukkig toeval. Want haar schoonvader had als veeboer niet alleen een stamboom van zijn koeien, maar ook een van zijn familie. ‘De Kummers zijn hier al sinds Adam en Eva,’ zegt Barbara als ze het enorme stuk papier uitvouwt op de tafel in de woonkamer. Wie de takken volgt tot de stam, kan twaalf generaties in de familie teruggaan. De eerste bekende Kummer is Peter, helemaal onderaan ingeschreven. Hij werd geboren in 1560.

    De grote heersers kwamen en gingen – Bourgondiërs, Zähringers, Kyburgers – de Kummers bleven

    De grote heersers kwamen en gingen – Bourgondiërs, Zähringers, Kyburgers – de Kummers bleven. Ze bewerkten hun eigen land en pachtten land van het slot Landshut en van het klooster St. Urban bij Langenthal. Elk jaar betaalden ze de tienden. In 1765 waren dat ‘13 schilling, acht maten spelt, een mud en vier maten haver, een oude en twee jonge kippen en dertig eieren’, die Hans Geörg Kummer afleverde ‘in handen van uwe Genade Schloss Landshut, als eeuwige en onaflosbare grondbelasting’. Zo staat het in een van de oudste documenten die Barbara Kummer in stapels op de tafel legt.

    Maar die grondbelasting bleek niet zo ‘eeuwig en onaflosbaar’ als de slotheren hadden aangenomen. Met de intocht van de Franse troepen in 1798 en de stichting van de Helvetische republiek werd ze afgeschaft. Er was nog wel enig getouwtrek, maar in 1847 kocht Samuel Kummer zich vrij van klooster St. Urban en sindsdien is hij bezitter van deze voorheen gepachte grond.

    Dat is de korte versie van hoe de Kummers aan hun land kwamen. Deze geschiedenis is typisch voor de manier waarop de boeren in Zwitserland grondbezitters werden. Ze bewerkten vaak generaties lang dezelfde percelen, tot ze ten slotte de verplichtingen die eraan verbonden waren konden afkopen. 

    Vergeeld papier

    Maar deze toedracht geeft geen antwoord op de fundamentele vraag: waarom kan iemand überhaupt land bezitten? Waarom accepteren we vergeeld papier dat honderden jaren geleden werd beschreven met een ganzenveer als een bewijs van eigendom? Hoe komt het dat de stamboom en de registratie in het kadaster bepalen dat iets wat er altijd al was het eigendom is van de Kummers?

    Net als bij het klooster Einsiedeln gold bij de Kummers in de eerste plaats waarschijnlijk de oorspronkelijke reden: het land is van degene die er als eerste aanspraak op maakt. Het recht van de eerste lijkt moreel ook fair: wie de moeite neemt er als eerste bij te zijn, zou daarvoor beloond moeten worden. Wie het eerst komt, het eerst maalt.

    Ook de koloniale machten rechtvaardigden hun bezitsaanspraken met het argument de eerste bezetters te zijn van niemandsland

    Zo is ook te verklaren dat delen van het Wilde Westen werden opgedeeld in een soort wedstrijd. Op 22 april 1889 vertrokken om klokslag 12 uur vijftigduizend kolonisten tegelijkertijd om in Oklahoma een stuk land te bemachtigen. Ook de koloniale machten rechtvaardigden hun bezitsaanspraken met het argument de eerste bezetters te zijn van niemandsland. De inheemse bevolking negeerden ze, of ze verordenden dat de regel van het eerste bezit alleen voor christenen gold.

    Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw stopten landen ermee inbezitname volgens de grondregel van de eerste te regelen. In 1967 verplichtten de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en andere landen zich ook in de ruimte af te zien van het recht van de eerste. Kort voor de maanlanding lieten de Amerikanen voor de zekerheid weten dat het planten van de Amerikaanse vlag naast de maanlander bedoeld was als ‘symbolische geste van nationale trots’ en niet misverstaan moest worden als ‘teken van toeëigening van het territorium’.

    Toch leeft het gebruik als provocatie voort, bijvoorbeeld toen de Russische marine in 2007 een klein vlaggetje van titanium plaatste op de bodem van neutrale wateren in het poolgebied, om aanspraak 
    te maken op de daar vermoede bodemschatten. De voorvaderen van de Kummers plantten geen vlaggen. Hun grondbezit werd gebaseerd op een andere grondregel: iets is van mij omdat het van mijn voorvaderen was. De boerderij en het land werden van de ene generatie naar de volgende doorgegeven.

    Het vererven van land had echter een groot nadeel: anders dan geld liet het land zich niet vermeerderen

    Het vererven van land had echter een groot nadeel: anders dan geld liet het land zich niet vermeerderen, al werkte een boer nog zo hard en goed. En zo werden de geërfde percelen met iedere generatie kleiner. Dit probleem hadden niet alleen de boeren, maar alle families met grondbezit. Adellijke families verhinderden de opdeling van hun landerijen doordat de titel en de grond uitsluitend aan de oudste zoon toevielen. Nog vandaag de dag bevat het grondeigendomsrecht van de boeren een reeks maatregelen die familiebedrijven begunstigen en ‘al diegenen van de grondmarkt uitsluiten die landbouwbedrijven en percelen overwegend als belegging of als speculatieobject proberen te verwerven’.

    Lange tijd gold bij het grondbezit dus het recht van de eerste en van de familie, of zoals de monniken van Einsiedeln het ervoeren; het recht van de bezetter. In de zeventiende eeuw dook een andere rechtvaardiging voor privaat grondbezit op: efficiëntie. Wie het land vrucht laat dragen door het te ontginnen, te bemesten, te beplanten en te irrigeren, die moet het ook bezitten. Kortom: het bewerken van het land leidt tot eigendom. Daaruit leidden de Europeanen een verdere rechtvaardiging af voor het feit dat de inheemse bewoners het land niet konden bezitten, hoewel ze er ongetwijfeld als eersten waren: zij leefden vaak van wat het in zijn natuurlijke toestand opbracht. Voor de Britse filosoof John Locke daarentegen was het de plicht van iedere christen het land niet alleen te bezitten, maar het ook te verbeteren: ‘Onderwerp de aarde.’

    Maar Lockes argumentatie uit het jaar 1689 was niet in eerste instantie christelijk. Hij ontwikkelde het recht op privébezit uit het recht op het eigen lichaam. Omdat ieder mens eigenaar is van zijn lichaam, behoort hem ook toe wat door het werk van zijn lichaam ontstaat, een stoel evengoed als een bewerkt stuk land. Weliswaar bezaten de mensen de aarde in haar oertoestand gezamenlijk, maar als een mens de grond aan haar natuurlijke toestand onttrekt, mengt hij die met zijn arbeid en heeft hij het recht die voor zich op te eisen. Ook bij de kolonisten in Oklahoma was het niet voldoende dat ze als eersten bij hun stuk grond aankwamen, ze moesten het ook meerdere jaren bewerken voordat het hun eigendom werd.

    De eis van efficiëntie leidde tot een ommekeer in de landbouw. Tot dan toe kon een boer niet vrij beslissen wanneer en wat hij op zijn land wilde aanplanten of oogsten. Al het land werd veeleer binnen een gemeente in drie grote velden verdeeld, waarvan er elk jaar één braak lag. Op de beide andere plantten de boeren op een afgesproken tijd de afgesproken gewassen. Deze zogenaamde ‘drieveldeneconomie’ beperkte de beslissingsvrijheid van de individuele boer op zijn privéland en verhinderde zo vernieuwing en efficiëntie. 

    De Benedictijner orde door grondbezit zelfvoorzienend

    De abdij van Einsiedeln werd gesticht in de tiende eeuw. De eerste abt, Eberhard, kreeg het enorme stuk land in het stille Finsterwald (‘donkere woud’), zoals het gebied werd genoemd, als geschenk van de Alemannische hertog Hermann I en zijn vrouw Reginlinde.
    Met het grondbezit werd de benedictijner orde zelfvoorzienend, maar er stond wel iets tegenover. In ruil voor de grond verwachtten de donoren dat de monniken zouden bidden voor hun zieleheil, en wel tot de Dag des Oordeels. Tot op de dag van vandaag bidden de monniken in Einsiedeln daarom nog regelmatig voor hun weldoeners, maar niet meer voor ieder afzonderlijk. ‘We hebben een geschiedenis van 1087 jaar, dat zou een beetje te veel worden’, vindt de huidige abt Urban.
    De afmetingen van het klooster zijn nog steeds enorm, maar de orde is ongeveer de helft van het oorspronkelijke bezit kwijtgeraakt. Dat gebeurde nadat mensen van het platteland van Schwyz zich begonnen te vestigen in bosgebieden die aan het klooster waren geschonken. Hoewel de abt een rechtszaak aanspande bij de keizer en die won, negeerden de inwoners van Schwyz het vonnis. De grenzen van het gebied schoven heen en weer, en de abdij besloot maatregelen te nemen: de inwoners van Schwyz werden geëxcommuniceerd. Die pikten dat op hun beurt niet en in 1314 vielen ze het klooster aan, wat uiteindelijk leidde tot de Slag bij Morgarten in 1315, die door het klooster en zijn bondgenoten werd verloren. Als gevolg hiervan raakte de abdij van Einsiedeln de helft van haar grondbezit kwijt.

    Het stadshuis

    In 1906 kochten twee jonge slagers een huis aan de Münzplatz in de oude binnenstad van Zürich, met een winkel op de begane grond. De broers Karl en Albert Niedermann kwamen uit een rijke katholieke boerenfamilie en waren een paar jaar eerder naar de stad gekomen. Het pand dat ze verwierven werd de hoeksteen van een vastgoedimperium dat al snel bestond uit tientallen panden op toplocaties. Karl Niedermann liet zijn bezittingen na aan zijn nakomelingen. Albert Niedermann had geen kinderen. Hij droeg zijn eigendommen over aan twee liefdadigheidsstichtingen. Econoom Thomas Niedermann, kleinzoon van Karl Niedermann, is de beheerder van de stichtingen van zijn oudoom Albert Niedermann. 

    ‘De vraag vandaag is wie het grootste rendement op het terrein kan behalen’, zegt Thomas Niedermann. ‘Bedrijven die afhankelijk zijn van een bijzondere locatie concurreren daardoor met elkaar.’ Dit is een geheel nieuwe situatie. Voor boeren waren de doorslaggevende kenmerken van een stuk land de vruchtbaarheid en de afstand tot de markt. In de stad daarentegen maakte het niet uit of er ook maar één aardappel op een perceel groeide.

    Het duurde even voordat economen inzagen hoe enorme prijsstijgingen tot stand konden komen, maar uiteindelijk begrepen ze dat onroerendgoedbezittingen in de stad geldmachines waren waarvan de locatie de brandstof was. Voor winkels waren makkelijk bereikbare plekken waar veel voorbijgangers langskwamen gunstig. Voor woningen waren uitzicht en rust belangrijk. Gedurende lange perioden in de geschiedenis had land geen prijs. Nu had het plotseling twee prijzen: de relatief lage waarde wanneer het als akker werd benut, en de veel hogere waarde op de vrije markt, als er op de grond gebouwd mocht worden.

    De ligging van de slagerij van de broers Niedermann was honderd jaar geleden al uitstekend, en werd alleen maar beter. In 1906 werd het huis getaxeerd op 98.000 frank, tegenwoordig zou het tussen 40 en 50 miljoen frank waard kunnen zijn. Ook als je rekening houdt met de inflatie is die waardestijging enorm. Dat het onroerend goed van de Niedermanns kostbaarder werd had niets te maken met de prestaties van beide broers, het lag eerder aan het feit dat er steeds meer mensen naar de stad kwamen. Ambtenaren, handelaren, handwerkers, ze hadden allemaal plek nodig, wilden werken, inkopen doen en zich amuseren. De broers konden de stijgende behoefte aan woningen waarnemen aan het groeiende aantal mensen in hun dienst.

    ‘Zodra alle grond van een land privé-eigendom is geworden, wensen de grondbezitters te oogsten waar ze nooit hebben gezaaid’ 

    Dat grond niet te vermeerderen is, heeft nergens een groter effect dan in de stad, waar de stijgende vraag naar ruimte botst op een onveranderlijk aanbod. Om in Zürich geld te verdienen met grond, hoefde je niet veel meer te doen dan die kopen en wachten tot anderen iets deden: tramrails leggen, winkels openen, restaurants exploiteren. Zolang niet de hele economie instortte en je geduld had, was 
    het een zekere zaak. In de kranten werden al in de tweede helft van de negentiende eeuw ongegeneerd ‘bouwterreinen, geschikt voor speculatie’ aangeprezen. Zelfs Adam Smith schreef: ‘Zodra alle grond van een land privé-eigendom is geworden, wensen de grondbezitters te oogsten waar ze nooit hebben gezaaid.’ 

    Natuurlijk weet Thomas Niedermann dat de inkomsten uit panden die alleen door de grotere vraag ontstaan uiteindelijk onverdiend zijn. Als jongeman zag hij de oplossing nog in het omverwerpen van het hele economische systeem. Maar op een dag maakte een vriend van de familie hem opmerkzaam op het klaarblijkelijke feit dat hij in een zeer conservatief land leefde. ‘Toen besefte ik dat de kans dat er tijdens mijn leven iets radicaal zou veranderen, heel klein was.’ En dus probeerde hij de tegenstrijdigheden 
    die het bezit van grond voor hem betekenden op een zinvolle manier in zijn leven te integreren.

    De twee stichtingen van zijn oudoom gaven bijvoorbeeld land met bouwvergunning uit aan de katholieke scholen of verhuurden woningen, alles onder de marktprijs. ‘Als je op de woningmarkt alleen de markt zijn gang laat gaan en steeds het hoogste rendement nastreeft, dan krijg je uiteindelijk 
    ontwikkelingen zoals in Berlijn,’ zegt Thomas Niedermann.

    Daar heeft een meerderheid van de inwoners zich namelijk uitgesproken voor onteigening van private vastgoedbedrijven in de stad. Hoewel het voornemen nauwelijks uitvoerbaar lijkt en misschien zelfs in strijd is met de grondwet, laat het zien dat land als koopwaar niet alleen tegenstrijdige eigenschappen bezit, maar ook onderworpen is aan tegenstrijdige wetten. Zo staat bijvoorbeeld in de Zwitserse grondwet dat ‘het eigendom is gewaarborgd’, en meteen daarna: ‘onteigeningen (…) worden volledig gecompenseerd’.

    ‘Grondbezit is eenvoudigweg diefstal’

    De radicale Engelse denker Tom Spencer hield de manier waarop het landbezit tot stand was gekomen al in de achttiende eeuw voor onrechtmatig. Hij wilde de grond tot een onvervreemdbaar, openbaar goed maken. Dat leverde hem een jaar gevangenisstraf op wegens ‘eigendomsvijandige activiteiten’. Voor de Franse econoom Pierre-Joseph Proudhon was grondbezit eenvoudigweg diefstal. Maar zelfs wanneer er een mogelijkheid bestond om de beschaving van de grond af opnieuw in te richten, zou het onduidelijk zijn hoe de landverdeling in de praktijk zou moeten gebeuren.

    Ondertussen is grond volledig geïntegreerd in ons economisch systeem. De aandelen van de betreffende bedrijven in Berlijn zijn na de stemming zelfs meer waard geworden. Blijkbaar geloven de beleggers niet dat het werkelijk tot onteigening zal komen.

    martin reisch 6DivtP WRYs unsplash
    © Fotograaf / Agent

    Een bundel rechten

    Een blik op de wereld laat een breed spectrum van mogelijkheden zien om met grondbezit om te gaan. Wie grond koopt, verzekert zich daarmee van wat juristen een ‘bundel rechten’ noemen. Daar horen bijvoorbeeld bij: het recht om het land te benutten, het recht op de opbrengsten ervan, het recht om 
    het te verkopen en, het bekendste van alle, het recht om een omheining te bouwen en alle anderen weg te sturen. Hoe deze rechten zijn vormgegeven verschilt sterk per land. Tot vreugde van de juristen zijn ze bovendien zo vaag geformuleerd dat ze veel interpretaties toelaten.

    Bij het benutten kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld wat er bij mijn stuk grond hoort. De planten die erop groeien zijn van mij, maar al bij de nectar die vreemde bijen halen wordt het behoorlijk ingewikkeld. Enerzijds halen ze inderdaad iets van mijn grond, anderzijds erkende het Romeinse recht al dat bijen niet domesticeerbaar zijn. Het verzamelen van nectar is dus een ‘handeling van de natuur’, en niet opeisbaar.

    Belangrijker is de vraag van wie het zonlicht is dat op mijn grond valt, en de wind die eroverheen waait

    Belangrijker is de vraag van wie het zonlicht is dat op mijn grond valt, en de wind die eroverheen waait. De boom van mijn buurman neemt namelijk ‘mijn’ zon weg. Uit zulke conflicten werden verordeningen geboren over maximaal toegestane boomhoogtes en beschaduwing. De wind daarentegen behoort tot de avant-garde in de eigendomsdiscussie. Sinds er geld te verdienen is met moderne windturbines broeden juristen inderdaad op de vraag wie het recht heeft op de wind boven een stuk grond. Als opperhoofd Seattle dat eens had geweten!

    In sommige landen is het verschil tussen eigenaren en landlozen kleiner dan in andere. In grote delen van Scandinavië bestaat bijvoorbeeld geen recht op exclusieve exploitatie. In plaats daarvan geldt het gewoonterecht dat alle mensen toestaat privégrond te betreden, zolang er een passende afstand tot woonhuizen wordt gehouden. In Zwitserland moeten volgens de grondwet bossen en weiden algemeen toegankelijk zijn. En in Engeland dwong een rechtbank zangeres Madonna om een deel van haar 5,5 vierkante kilometer grote landgoed in het zuiden van het land open te stellen voor wandelaars. Wat een verschil met de Texaanse strafwet waarin staat: ‘Een persoon heeft het recht dodelijk geweld te gebruiken tegen een ander persoon om een stuk grond (…) te beschermen.’

    In Schotland werd het recht van landeigenaren op vrije verkoop beperkt. Bij de verkoop van stukken grond heeft de lokale gemeenschap het eerste recht op koop en wordt ze door de regering gesteund met kredieten. En dan bestaat natuurlijk ook de mogelijkheid de onverdiende winsten door landbezit te belasten. Omdat elke economisch groei in laatste instantie gebaseerd is op land, stelde de econoom Henry George in de negentiende eeuw zelfs voor om alle belastingen te vervangen door één enkele grondbelasting.

    Onze geschiedenis en onze familie, ons wereldbeeld en onze persoonlijkheid drukken een stempel op onze verhouding tot grond en land

    Onze geschiedenis en onze familie, ons wereldbeeld en onze persoonlijkheid drukken een stempel op onze verhouding tot grond en land. Wanneer we de bouw van vakantiehuisjes of de verkoop van vastgoed aan buitenlanders aan banden leggen, dan ligt daar een onuitgesproken, soms ook irrationele opvatting over grond en land aan ten grondslag.

    Even irrationeel als mijn wens om eigenaar te worden van de 29 vierkante meter Nelkenweg in Cham. Hoewel ze volkomen nutteloos zijn, heeft het idee een klein stukje van deze planeet te bezitten iets magisch. Ik zou me kunnen wentelen in mijn grootmoedigheid als ik de bewoners van de wijk elke dag zou toestaan om zonder het te weten mijn rijk te betreden. 

  • Maartnummer | Grondeigendom

    Maartnummer | Grondeigendom

    » Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Ivan Krastev over culturele misverstanden, Russische twijfels en de angst van Europeanen om te verdwijnen

    » Maffiosi verlaten cum laude de cel

    » Waarom mogen we eigenlijk grond bezitten?

    » Zijn we door corona betere mensen geworden?

    Betere mensen

    Redactioneel

    Van wie is grond en waarom? Die vraag wordt gesteld in een special van het Zwitserse Neue Zürcher Zeitung en is sinds een week weer extra relevant. Want grondbezit vergroot niet alleen ongelijkheid, het vormt ook een aanleiding voor de meeste oorlogen. In feite is het absurd om een vlag te planten en te zeggen: ‘Dit is van mij’, of om een streep door een land te trekken en te bepalen wie wat krijgt. Hadden we dat ingezien toen de eerste persoon in de geschiedenis beweerde dat grond van hem was, schreef Jean-Jacques Rousseau, dan had dat ons veel nood en ellende bespaard. Ook Adam Smith, die wel de vader van het kapitalisme wordt genoemd, wilde de handel in land niet aan de vrije markt overlaten. Maar het gebeurde, en de gevolgen kennen we allemaal.

    Net als die van erfenissen. Als de Duitse journalist Barbara Vorsamer een groot bedrag als verjaardagscadeau van haar vader krijgt, realiseert ze zich dat hij ‘geld te veel’ heeft en gaat ze op onderzoek uit. Wat betekent dit voor mij? Wat betekent het voor de samenleving? Tijdens haar queeste ontdekt ze onder andere dat vrijwel niemand zichzelf rijk vindt. Iedereen noemt wel de een of andere reden waarom hij dat niet zou zijn: je werkt er toch hard voor? Of: dat huis is lang geleden gekocht, toen het nog niet zo duur was. Blijkbaar gaat met rijkdom grote schaamte gepaard, maar er zijn niet veel mensen die daarnaar handelen.

    Aan intelligentie en ambitie blijkbaar geen gebrek; waar het aan ontbrak, was het juiste milieu

    Een van de gevolgen van ongelijkheid komt naar voren in het vrolijke artikel uit de nieuwe Italiaanse krant Domani, over maffiosi die hun celtijd benutten om te studeren en cum laude de gevangenis verlaten, terwijl ze daarvoor soms niet eens konden schrijven. Aan intelligentie en ambitie blijkbaar geen gebrek; waar het aan ontbrak, was het juiste milieu.

    Tekenend voor dat verguisde kapitalisme is ook dat een op de vijf Noord-Koreanen overweegt de grens over te gaan, terug ‘hun land’ in. Los van de voorstelbare heimwee naar het vertrouwde, zijn ze gedesillusioneerd door de arrogantie en het individualisme die ze tegenkomen in Zuid-Korea. ‘Zij hebben hun leven gewaagd om hierheen te komen en riskeren het vervolgens om weer weg te gaan. Dat zou een teken aan de wand moeten zijn’, schrijft Victoria Kim – en een zoveelste teken van hoe schadelijk de verdeling van land kan zijn.

    Nu de coronarestricties in veel Europese landen zijn opgeheven, worden we alweer geconfronteerd met de volgende crisis. Hebben we van de gebeurtenissen de afgelopen twee jaar dan in ieder geval iets geleerd? Zijn we misschien zelfs betere mensen geworden? Over die vragen laat de Mexicaanse arts en auteur Arnoldo Kraus zijn licht schijnen.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    Cover LR

  • Porselein, het best bewaarde geheim van China

    Porselein, het best bewaarde geheim van China

    Sinds de handel in de zestiende eeuw met China begon, heeft porselein Europese vorsten gefascineerd. Die fascinatie groeide uit tot een obsessieve zoektocht naar het geheime recept van het Chinese aardewerk.

    Er was een tijd dat de formule voor het maken van porselein een Chinees staatsgeheim was dat de monarchieën op het Europese continent probeerden te ontdekken, schrijft Olga Martínez in een artikel over de handel in porselein voor de de Spaanse krant La Vanguardia.

    Aanvankelijk kende alleen China het recept om porselein te fabriceren. Die kennis moet al vóór de zevende eeuw bekend zijn geweest, want de eerste stukken die bewaard zijn gebleven, stammen uit die periode. Vanaf het begin werden objecten van porselein die niet bedoeld waren voor het hof of voor de binnenlandse markt verhandeld met aangrenzende gebieden in Oost- en Zuidoost-Azië. Een klein deel van de productie kwam met transporten via de oude zijderoute terecht bij de hoven van Turkije, Perzië en India.

    Porseleinroute

    Het is bekend dat het Westen sinds de Romeinse keizer Augustus (63 v.Chr-14 n.Chr.) toegang had tot Chinees keramiek via de zijderoute. Vanaf de dertiende eeuw werd die handelsroute de ‘porseleinroute’. Maar het zou nog tot de zestiende eeuw duren voordat de eerste directe handel tussen het Westen en China plaatsvond. Dat gebeurde door de handel met Portugal.

    De Portugezen arriveerden in 1513 in de kustplaats Kanton, het huidige Guangzhou, en richtten vervolgens een rederij op voor de handel met het Oosten. Het werd de eerste Oost-Indische Compagnie, waarvan het hoofdkantoor was gevestigd op het eiland Macau. Circa een eeuw later, op 20 maart 1602, werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, en daarna volgden Spaanse, Engelse en Amerikaanse tegenhangers, die allemaal waren gevestigd in Kanton.

    Vanaf het moment dat het bestaan ervan bekend werd, raakte de wereld verblind door Chinees porselein. Er was niets wat erop leek. Het was een ondoordringbaar materiaal, zowel licht als hard, bestand tegen kalk en zuren en geschikt om voedsel in te bewaren. Het kon gebruikt worden voor elk type servies, aan tafel en in de keuken, voor toiletartikelen, voor poeders, zalfjes en vloeistoffen en het werd dan ook een populair materiaal in de farmacie en de geneeskunde. Door de import via de Oost-Indische Compagnieën verspreidde porselein zich over heel Europa.

    Marco Polo beweerde dat porselein werd verkregen uit klei die dertig jaar aan wind, regen en zon moest worden blootgesteld

    Eeuwenlang reisden westerlingen naar China in de hoop het geheim van porselein te ontrafelen. Tevergeefs. Elke nieuwe reiziger kwam weer met een andere formule terug dan de vorige en de verhalen over het maken van porselein namen soms bizarre vormen aan. Zo beweerde Marco Polo, die van eind dertiende tot begin veertiende eeuw leefde, dat porselein werd verkregen uit klei die in enorme terpen werd opgehoopt en vervolgens dertig jaar aan wind, regen en zon moest worden blootgesteld.

    Voor veel monarchieën in Europa werd het bemachtigen van de kostbare formule voor het vervaardigen van porselein een prioriteit. Niet zo verwonderlijk, want de commerciële mogelijkheden van porselein waren eindeloos en het vereiste enorme bedragen om het spul in te voeren.

    De Chinese vorsten waren niet dom en wisten wat ze in handen hadden. Kangxi, keizer van de Qing-dynastie tussen 1661 en 1722, begreep de voordelen die hij kon behalen door de productie van porselein op te voeren. De ontwikkeling van de porseleinsector werd dan ook een van de prioriteiten van zijn regering. Hij liet eerst de porseleinstad Jingdezhen herbouwen en stelde beheerders aan. Deze beambten, waarvan het merendeel bestond uit eunuchen, waren verantwoordelijk voor het bepalen van de productiestrategie en de distributie van goederen.

    Industrie

    Tot dan toe waren de mooiste stukken voorbehouden aan de vorst, maar nu werd de productie gereorganiseerd. Sommige ovens werden gebruikt om aan de behoeften van het hof te voldoen, met wat ‘keizerlijk porselein’ wordt genoemd, terwijl andere ovens het mogelijk maakten om porselein te produceren voor binnenlands gebruik en voor de export. Het werd een ware industrie.

    Alleen al in de stad Jingdezhen woonden en werkten meer dan 1 miljoen mensen die zich allemaal, direct of indirect, wijdden aan de productie van porselein. Rond de 3500 ovens stonden vierentwintig uur per dag aan en elk gezin had een specifieke taak wat betreft de productie.

    De volledige formule was slechts bij een klein aantal mensen bekend

    Het werk werd onderverdeeld in specialismen. Er waren arbeiders die verantwoordelijk waren voor de pasta, anderen voor de kleuren, het bakken, de decoratie, het controleren van de zegels, de verpakking of het transport. Door deze specialisatie was het mogelijk om het geheim van de porseleinproductie te bewaren; de volledige formule was slechts bij een klein aantal mensen bekend.

    Als de porseleinen objecten klaar waren, werd een deel via de Yangzi Jiang vervoerd naar het keizerlijk paleis, of naar het noorden van China, terwijl een ander deel naar Kanton in het zuiden werd vervoerd, vanwaar de galjoenen van de Oost-Indische Compagnieën vertrokken.

    De porseleinrage werd zo groot onder Europese aristocraten dat ze het materiaal niet alleen kochten om te gebruiken, maar ook begonnen met het aanleggen van porseleinverzamelingen van bijzondere objecten.

    In Spanje bestelde Karel V een blauw-wit Chinees porseleinen servies, en zijn zoon Filips II legde een verzameling aan van zo’n drieduizend stuks. Maar de meest obsessieve verzamelaar van zijn tijd was zonder twijfel Augustus II de Sterke, keurvorst van Saksen (1670-1733). Zijn verzameling groeide uit tot veertigduizend à vijftigduizend stuks porselein.

    Met zoveel gretigheid en interesse en met het oog op de buitensporige kosten voor de invoer van porselein, werd het voor veel Europese monarchen een obsessie om hun hoven zelf van porselein te kunnen voorzien.

    Europese productie

    Sommigen vorsten begonnen met fabrieken die waren gewijd aan onderzoek naar porselein en de vervaardiging ervan. In Spanje werd dat de Koninklijke Porseleinfabriek van het Buen Retiro-paleis in Madrid. In Italië werd in Napels de Capodimonte-fabriek gevestigd en Oostenrijk begon met productie in Palais Augarten in Wenen. Ondanks deze pogingen waren de geproduceerde stukken over het algemeen van beduidend mindere kwaliteit dan hun Chinese equivalenten, en de productiekosten ervan bleven hoger dan die van uit China geïmporteerd porselein.

    De formule om porselein te maken was niet langer een staatsgeheim

    Uiteindelijk was het de Duitse alchemist Johann Friedrich Böttger (1682-1719) die er na een reeks van beproevingen en met een forse dosis geluk als eerste in Europa in slaagde met een harde pasta porselein te maken dat de Chinese kwaliteit kon evenaren: het zogenoemde Meissen-porselein.

    Böttger was daartoe twaalf jaar lang gevangengehouden door Augustus de Sterke in verschillende kastelen in Saksen. In 1712 vond Böttger eindelijk het recept en Augustus vestigde rond die tijd de eerste porseleinwerkplaats in fort Albrechtsburg in Meissen.

    Daarmee legde hij de basis voor de Saksische porseleinindustrie en was China zijn alleenheerschappij op het gebied van porselein kwijt. De formule om porselein te maken was niet langer een staatsgeheim en raakte gaandeweg verspreid over alle andere Europese hoven.

  • Museum Smithsonian verzamelt objecten van Capitoolbestorming

    Museum Smithsonian verzamelt objecten van Capitoolbestorming

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Huawei eist schadevergoeding van Zweden wegens uitsluiting 5G-netwerk

    » Complete druk van twee nieuwe kookboeken verdwijnen op zee

    6 januari 2021 komt in het museum

    Een jaar nadat een opstandige pro-Trump-menigte met geweld het Capitool in de Amerikaanse hoofdstad Washington D.C. bestormde om goedkeuring van de uitverkiezing van Joe Biden te blokkeren, zijn de VS nog steeds bezig de gebeurtenissen te verwerken, meldt Hyperallergic. The Smithsonian Institution, het nationale museum voor Amerikaanse geschiedenis, doet dat op zijn manier door een collectie op te bouwen van materiaal dat samenhangt met die zesde januari 2021. Het afgelopen jaar werden ongeveer tachtig voorwerpen verzameld, uiteenlopend van borden en stickers, fragmenten van vlaggen en een houten paal die als wapen was gebruikt tot een beschadigd kogelvrij vest en een ‘multifunctionele‘ zweep.

    ‘Deze collectie maakt deel uit van het gecompliceerde verhaal van de contemporaine geschiedenis van het land’

    Het merendeel van deze achtergelaten objecten kon op 7 januari 2021 in en om de National Mall in Washington worden verzameld, dankzij het zogenoemde ‘snelleresponsverzamelprotocol’ van het museum. Frank Blazich, conservator militaire geschiedenis van de Smithsonian, kreeg toestemming om het gebied te doorzoeken en om historisch materiaal te verzamelen. Zo legde hij de hand op borden, flyers en folders die onder andere trouw verklaarden aan Trump, religieuze overtuigingen bezongen of de neofascistische groep Proud Boys ophemelden. Blazich zegt zich tijdens het inzamelen niet zo bewust te zijn geweest van de inhoud.

    ‘Ik liep op en neer om mijn auto te vullen. Werktuiglijk, in plaats van te proberen ter plekke de boodschappen en de symboliek te bevatten’, schreef hij in een blogpost van februari 2021. ‘Als conservator militaire geschiedenis vond ik dat ik het contextualiseren van deze artefacten het best kon overlaten aan mijn collega’s politieke geschiedenis.’

    Zijn collega Claire Jerry, conservator politieke geschiedenis, plaatst de gebeurtenissen van 6 januari binnen de bredere context van andere nationale verhalen, zoals de verkiezingen van 2020, de inauguratie van 2021 en de wereldwijde pandemie. ‘Deze collectie maakt deel uit van het gecompliceerde, rommelige en soms ronduit moeilijke verhaal van de contemporaine geschiedenis van dit land,’ aldus Jerry.

    Lees ook:

  • De koloniale landkaart kent zowel Bengaalse als Indiase slachtoffers

    De koloniale landkaart kent zowel Bengaalse als Indiase slachtoffers

    Zeventig jaar geleden trok een Britse advocaat een bizarre grens tussen India en Bangladesh. Wie zijn enclave verliet, moest ineens over een visum beschikken, anders was hij een illegale immigrant in een ander land.

    Abul Seikh zat drie jaar in de gevangenis omdat hij zijn dorp had verlaten. Bij de kruising voor het ziekenhuis arresteerde de grenspolitie hem. Er was geen hek, geen douane, alleen een onzichtbare lijn en toen hij die overschreed, pakte de Indiase politie hem op. ‘Ze zeiden tegen me dat ik uit Bangladesh kwam, en dat ik de gevangenis in moest,’ vertelt hij.

    Seikh werd het slachtoffer van een grens die een Britse koloniale ambtenaar meer dan zeventig jaar geleden had getrokken tussen India en Bangladesh. Die grenslijn heeft zijn dorp veranderd in een Bengaals gehucht, ingesloten door India. Want langs de grens tussen India en Bangladesh ligt een unieke lappendeken van enclaves. Door de lijn van de koloniale ambtenaar ontstonden tientallen kleine India’s in Bangladesh en tientallen kleine Bangladeshjes in India. Officieel hebben de landen in 2015 hun enclaves wel uitgewisseld, maar de mensen leven nog steeds met de gevolgen.

    Seikh is nu vierendertig jaar oud en woont in de voormalige enclave Mashal Danga. Ongeveer de helft van het jaar brengt hij als dagloner door in grote steden. Hij is een van de miljoenen arbeiders die daar op bouwplaatsen hurken, graven en slapen, tot het regenseizoen aanbreekt en alles stilligt. Seikh was zestien toen hij voor het eerst vanuit de enclave naar Delhi vertrok. Iemand had hem een baantje beloofd. Ze waren met een groep van zes tieners uit hetzelfde dorp. ‘De grenspolitie loerde op ons,’ zegt hij. De politie arresteerde ze als illegale immigranten. Maar Seikh en zijn vrienden zijn midden in India opgegroeid, al was het in een klein stukje Bangladesh.

    Enclaves

    Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook. Tot 2015 had India 111 enclaves in Bangladesh, en Bangladesh had er 51 in India. Toen werden ze opgeheven. Maar de bewoners zijn sinds tientallen jaren nog steeds gevangen in deze cartografische eigenaardigheid. Degene die de grenslijn trok tussen Bangladesh en India was Cyril Radcliffe, een Londense advocaat. Toen hij in 1947 de opdracht kreeg om Brits-Indië te verdelen, was de kolonie hem volkomen onbekend. Hij was nooit verder naar het oosten gereisd dan Parijs. Nu had hij vijf weken de tijd om het subcontinent te verdelen. Daarbij moest hij ook de grens trekken tussen India en het huidige Bangladesh.

    De gebieden die hij met de pen van elkaar scheidde, had hij nooit bezocht

    Radcliffe betrok in India een huis in Simla, de stad in de bergen waar de Britten de hete zomer doorbrachten. De kaarten die hij gebruikte waren niet up-to-date. De gebieden die hij met de pen van elkaar scheidde, had hij nooit bezocht. Op 9 augustus 1947 was hij klaar met zijn werk. Een dag later reisde hij af, nadat hij alle bescheiden had verbrand. Hij zou nooit meer naar India terugkeren en accepteerde ook het afgesproken honorarium niet. Radcliffe wist wat hij had aangericht.

    Toen de grenzen van kracht werden, volgden er weken vol geweld – moslims werden naar Pakistan verjaagd, hindoes naar India. In de chaos werd gemoord, geplunderd en verkracht. De Radcliffe-linie verdeelde niet alleen een land, maar maakte het leven in de enclaves tot een nachtmerrie.

    Vredesverdrag

    De enclaves bestonden al lang voordat Radcliffe het land opdeelde. Volgens de legende zijn ze ontstaan doordat de maharadja van het koninkrijk Cooch Behar en de maharadja van Rangpur regelmatig tegen elkaar schaakten. Inzet bij hun spel zouden kleine delen van hun rijken geweest zijn. Maar waarschijnlijk is dat alleen maar een sterk verhaal.

    Enclaves in enclaves in enclaves, in elkaar geschoven als een Russische matroesjka

    Feitelijk ontstonden de enclaves in het begin van de achttiende eeuw als gevolg van allerlei oorlogen en vredesverdragen. In elk vredesverdrag stond dat een van de heersers een stukje land aan de ander moest afstaan. In bijzonder groteske gevallen ontstonden binnen enclaves nog zogeheten contra-enclaves. Enclaves in enclaves in enclaves, in elkaar geschoven als een Russische matroesjka. De kleinste enclaves waren maar net groot genoeg voor een familie. De mensen die er woonden, stoorden zich niet aan die grenzen; hun leven ging gewoon op de oude voet door, totdat Radcliffe in 1947 zijn werk begon.

    Doordat de grenzen van de enclaves nu grenzen werden van moderne staten, leefden hun bewoners plotseling in verschillende landen. Wie zijn enclave verliet, moest ineens over een visum beschikken, anders was hij een illegale immigrant in een ander land.

    Ganesh Barman was als jongeman een sprinter. De schooldirecteur ontdekte zijn talent en overtuigde zijn vader ervan dat de jongen moest hardlopen. Hij was de snelste van zijn school en de snelste van zijn district. Persoonlijk record: 58 seconden op de 400 meter. Dat zou voldoende zijn geweest om zich te meten met de snelsten van zijn deelstaat West-Bengalen, en voor een plek bij de grenspolitie, die baantjes weggaf aan de beste sporters uit de streek. Maar Ganesh is boer geworden, en geen politieman. Hij zit in een huis van golfplaat waar hij met zijn gezin, de gezinnen van zijn twee broers en hun ouders woont. Hij verbouwt rijst zoals zovelen hier, en een beetje illegale tabak.

    Ganesh woont in Falnapur, een dorp met achthonderd inwoners. Toen hij naar school ging, stond zijn huis nog in een enclave. Daarom kon zijn droom niet in vervulling gaan. ‘Op school gaven we een ander adres op,’ zegt Ganesh. ‘Dat van het huis van mijn grootvader, dat in India stond.’ Mainland, zeggen ze hier tegen India: het vasteland, omdat de enclaves eilanden zijn. Kinderen uit Falnapur konden niet naar school; wie onderwijs wilde krijgen, moest een vals adres opgeven of een adres van familie buiten de enclave. Elke morgen stak Ganesh een landsgrens over.

    Het bedrog kwam uit omdat hij zo’n snelle sprinter was. Op een bepaald moment was het adres niet meer voldoende voor de organisatoren van de wedstrijden. Ze wilden een Indiaas identiteitsbewijs zien, en dat had Ganesh niet. Ook voor de aanstelling bij de grenspolitie zou hij zo’n document nodig gehad hebben. ‘De andere sprinters hebben ze aangenomen,’ vertelt Ganesh. Die waren langzamer dan hij.

    Rechtenloos

    Tot 2015 konden mensen geen gebruik maken van de openbare voorzieningen in de regio: de ziekenhuizen, de waterleiding, de politie. De enclaves waren een soort rechtenloze gebieden zonder infrastructuur. Toen kwamen India en Bangladesh overeen om ze uit te ruilen. Veertienduizend bewoners van de opgeheven enclaves kregen nu een Indiaas identiteitsbewijs en een kiezerspas. Maar velen weigerden om aan verkiezingen deel te nemen.

    De mensen in de enclaves zijn nog altijd geen echte Indiërs

    ‘Al meer dan zeventig jaar worden wij benadeeld,’ zegt Ganesh. Zijn zoon bezit nog steeds geen geboortebewijs, zijn vrouw en hij geen huwelijksakte – steeds klonk het: kan niet worden uitgereikt. Hun status is nu weliswaar officieel geregeld, maar in de bureaucratische jungle van India ontbreekt het hun meestal aan een bepalend document. De mensen in de enclaves zijn nog altijd geen echte Indiërs.

    In 2015 heeft de Indiase regering hun veel beloofd. De vroegere enclaves zouden waterleiding en gezondheidscentra krijgen. De landsregering zegde financiële steun toe. Maar de regering van het land en die van de deelstaat behoren tot elkaar vijandig gezinde partijen. Politici van de ene partij zeggen dat de andere partij geld heeft verduisterd. Politici van de andere partij zeggen dat pas de helft van het geld binnen is. 

    Het gebied langs de grens ziet er sappig groen uit. In de bevloeide rijstvelden zwemmen eenden en staan blauwe reigers, en de bananenbladeren hangen weelderig langs de wegen. Overal scharrelen geiten tussen de mensen. Toen Radcliffe zijn lijn trok door het oosten van India, schiep hij wat in India tegenwoordig de ‘kippenhals’ wordt genoemd: een smalle strook India tussen Bangladesh, Bhutan, Nepal en China. Die verbindt de buik van India met de kop in het noordoosten. In die kippenhals, in het sappige groen, liggen de enclaves. Langs de grens staan hoge hekken. Niemand moet het in zijn hoofd halen om die hals te breken.

    Bijobala Barman kwam vijfendertig jaar geleden de enclave Naulgram binnen, die omringd was door India. Bijobala is ongeveer vijftig jaar oud, helemaal zeker weet ze het niet. Ze bezit wel een Indisch identiteitsbewijs en een kiezerspas, maar de geboortejaren daarop komen niet overeen. Bijobala’s ouders hebben haar ooit uitgehuwelijkt naar de enclave. Haar man Hitindra is eenenzestig jaar oud. Hij werkt nu als boer, maar liever reisde hij met een harmonium langs de dorpen om volksliederen te zingen op bruiloften. Zijn vrouw was dertien of veertien toen ze hierheen kwam. ‘Ik had de tiende klas afgerond,’ zegt Bijobala, ‘maar hier waren geen wegen en de kinderen kregen geen onderwijs.’ Een weg voor de 1700 inwoners van Naulgram is er nog steeds niet.

    De grens met de enclaves mag dan officieel zijn afgeschaft, in de hoofden van de mensen bestaat hij nog steeds

    De grens met de enclaves mag dan officieel zijn afgeschaft, in de hoofden van de mensen bestaat hij nog steeds. Mannen geloven dat de beste vrouwen niet met hen willen trouwen omdat ze in voormalige enclaves wonen. En de mooiste meisjes gaan weg omdat ze hopen op een goede partij aan de andere kant van de onzichtbare grens. 

    Ook Bijobala heeft haar dochter gegeven aan een man buiten de enclave. ‘Daar heeft ze het beter. En ons kleindochtertje wordt een echte Indiase.’ De zonen zijn gebleven. Een van hen heeft gestudeerd en kan geen baan vinden. Hij zou graag voor de overheid werken, maar daar willen ze hem niet. Toen Bijobala en haar man in 2015 een Indiaas identiteitsbewijs kregen, hebben ze overwogen om te verhuizen. Toch zijn ze gebleven. Hun grond is hun waardevolste bezit, ze willen niet weer van vooraf aan beginnen.

    Omstreden gebied

    Grenzen hebben in Zuid-Azië een andere betekenis dan in het huidige Europa. Hier zijn het helder getrokken lijnen, in India gaat het eerder om gebieden. Degenen die ooit overeenstemming bereikten over de grenslijnen, zijn allang weg. En degenen die ze nu bewaken, zijn het er meestal niet over eens waar ze precies lopen. Dus verklaren ze het gebied links en rechts van een grens tot omstreden gebied. In de kippenhals word je soms al honderd meter voor de grens tegengehouden door een beambte. ‘Zou ik in uw land zomaar tot aan de grens kunnen lopen?’ vraagt die. Dat zou hij kunnen, maar hij lijkt het nauwelijks te begrijpen.

    Een aantal bewoners van enclaves hebben in 2015 alles opgegeven: dat zijn degenen die vanuit Bangladesh naar India zijn geëmigreerd. Na de uitruil lokte de Indiase regering ze met de belofte van een nieuw leven en financiële steun. Toen bijna duizend van hen daadwerkelijk kwamen, werden ze door de lokale politici met de nodige tamtam ontvangen. In de Indiase enclaves woonden 37.000 mensen. De meesten zijn in Bangladesh gebleven. Het is alsof ze vermoedden wat er zou gebeuren.

    In Dinhata, op een paar uur van de grens, is er een wijk voor de nieuwe Indiërs uit de voormalige enclaves. Eerst hebben ze vijf jaar in kampen gezeten. De huizen van de wijk zijn blauw-wit geschilderd, een jaar geleden waren ze klaar. Alle woningen zijn identiek en even groot, of de familie die erin woont nu vijf of vijftien leden telt. De verf bladdert al af. 

    ‘We zijn hier weliswaar een minderheid, maar in ieder geval zijn we die minderheid samen’

    Kachya Barman, vijftig jaar oud, wacht al zes jaar op wat zijn nieuwe vaderland hem heeft beloofd. Hij stapte in 2015 in Bangladesh in een bus die hem naar het noorden bracht. Hij nam zijn gezin mee. Ze wonen met zijn achten in de woning. Kachya is hindoe, de meerderheid in Bangladesh bestaat uit moslims. India, meende hij, was het land waar hij thuishoorde. Het land waar hij van afgesneden raakte toen Radcliffe zijn grenzen trok. Dus liet hij alles achter. ‘Nu vragen mijn verwanten mij: waarom ben je vertrokken? We zijn hier weliswaar een minderheid, maar in ieder geval zijn we die minderheid samen. Waren jullie maar hier gebleven.’

    Bedreigingen 

    Sinds een jaar woont Kachya met zijn gezin in het appartement in Dinhata. Als hij uit het raam kijkt, ziet hij een grasveldje op de binnenplaats. Kachya was boer, nu heeft hij wel een woning, maar geen land. Hij werkt net als de meeste mannen in de wijk als dagloner in de grote steden. Hij zegt dat de Indiase staat hem geld schuldig is. Maar dat mocht hij niet krijgen: politici vrezen sociale onrust in de stad als ze geld uitdelen aan de gezinnen uit de enclaves. Onlangs verzamelden zich buren voor de poort van de wijk en riepen bedreigingen. Ze zeiden: ‘We hebben jullie land gegeven, wat willen jullie eigenlijk nog meer?’ De mensen hier zijn arm, de buren kijken met jaloezie naar die nieuwe Indiërs, die blijkbaar alles cadeau krijgen. Kachya zou eindelijk wel eens willen hechten, maar zijn hart ligt nog steeds in Bangladesh.

    Ook deze geëmigreerde enclavebewoners zijn geen echte Indiërs geworden. Radcliffe heeft een grens getrokken en is weggegaan. En meer dan zeventig jaar later weten de mensen nog steeds niet echt waar ze nu eigenlijk bij horen.

    Waarschijnlijk zal de tijd helpen om levens, die ooit door de grenslijn van elkaar werden afgesneden, weer samen te voegen

    Kachya’s oudste zoon was zestien jaar toen de familie naar India verhuisde. Tegenwoordig werkt hij in een steengroeve. Op de Indiase school werd hij uitgelachen. Hij was de jongen uit Bangladesh. Hij zegt: ‘Ik voel me een Bengalees.’ Kachya’s jongere zoon Surjyo was veertien toen de familie naar India verhuisde. Hij voetbalt in de stad, werd een keer tot beste speler van de wedstrijd uitgeroepen en kreeg een bokaal. Binnenkort is hij klaar met de middelbare school en wil verder studeren. Hij zegt: ‘Ik voel me een Indiër.’

    Waarschijnlijk zal de tijd helpen om levens, die ooit door de grenslijn van elkaar werden afgesneden, weer samen te voegen. Maar soms helpt zelfs de tijd niet. Uit de wijk van de immigranten in Dinhata zijn in de afgelopen jaren een paar jongemannen verdwenen. Dit jaar waren het er drie. Ze zijn teruggevlucht naar Bangladesh. Daar zijn ze nu illegale immigranten in hun oude vaderland.

  • Hoe Italiaanse  kooplieden uit de twaalfde eeuw het idee van risico uitvonden

    Hoe Italiaanse kooplieden uit de twaalfde eeuw het idee van risico uitvonden

    In deze tijden van corona worden we misschien wel vaker geconfronteerd met het begrip ‘risico’ dan ooit tevoren. Maar waar komt dat begrip eigenlijk vandaan? Hoogleraar Italiaanse en Mediterrane studies Karla Mallette zocht het uit.

    We zijn recentelijk allemaal experts op het gebied van risicobeoordeling en risicobeheer geworden; we denken na, praten en tweeten over het risico dat we nemen als we ons bezighouden met activiteiten die ooit alledaags waren. Het is moeilijk voorstelbaar dat we zonder het begrip risico zouden leven: het is het analytische instrument waarmee we de wenselijkheid berekenen van handelingen die voordeel of verlies kunnen opleveren.

    Toen het woord risico in de twaalfde eeuw in West-Europese talen belandde, ongeveer in dezelfde periode dat ook de begrippen ‘gevaar’ en ‘toeval’ ontstonden om de bedreiging van voorspoed aan te duiden, duurde het even voordat het begrip beklijfde. Niccolò Machiavelli (1469-1527) en Francesco Guicciardini (1483-1540), de twee grote Italiaanse schrijvers uit de vijftiende en zestiende eeuw die schreven over toeval en macht terwijl alles om hen heen instortte, gebruikten het Italiaanse woord rischio in ieder geval niet in de werken waarmee ze beroemd werden, ook al waren Italianen early adopters van het begrip en van het speculatieve gedrag dat het beschrijft.

    Een plotselinge storm kon schip, bemanning en lading vernietigen en piraterij was alomtegenwoordig

    Het eerst bekende gebruik van het Latijnse woord resicum, verre voorouder van risk, rischio, risque, risico, dook op in een notariscontract dat op 26 april 1156 in Genua werd opgemaakt. De kapitein van een schip sloot een contract af met een investeerder om met het geïnvesteerde kapitaal naar Valencia te reizen. Het contract wijst het resicum toe aan de investeerder: de kapitein zou aan het einde van de reis 25 procent van de winst ontvangen en de investeerder streek de resterende 75 procent op. Dit contract laat overigens zien dat de middeleeuwse Italiaanse scheepvaart een egalitair karakter had. Het specificeert namelijk dat de reis zou kunnen worden verlengd van Valencia naar Alexandrië voordat het schip terug zou keren naar Genua, maar alleen als een meerderheid van de mannen aan boord ermee instemde.

    Resicum had in deze vroege contracten een magische werking. Het kerkelijk recht verbood de betaling van rente op leningen in middeleeuws Europa, net zoals de islamitische wet dat deed in het oostelijke en zuidelijke Middellandse Zeegebied. Om in het geval van een succesvolle voltooiing van een reis een bonus te kunnen betalen aan investeerders, durfkapitalisten en kapiteins, bood resicum de mogelijkheid om te ontsnappen aan dat verbod. En tegelijk was de kans om investeringswinst te boeken zo ook weggelegd voor degenen die niet konden reizen: een klein maar significant deel van de investeerders in deze maritieme contracten blijken gepensioneerde zeelieden of vrouwen te zijn. Het risico dat werd genomen door degenen die de reis ondernamen werd zo dus gedeeld.

    Zeevaart over de Middellandse Zee kon enorm winstgevend zijn, maar was riskant. Een plotselinge storm kon schip, bemanning en lading vernietigen en piraterij was alomtegenwoordig. Een kapitein kon op het moment dat hij vertrok niet weten wat de toestand in de haven van bestemming was. Hij zou naar Valencia kunnen gaan met de bedoeling om zijde te kopen, om er vervolgens achter te komen dat een regimewisseling of plaag de economie had verwoest en de wevers en verkopers van zijde had verjaagd. Vóór de innovatie van resicum droegen kapiteins en bemanning de risico’s van de reis: alleen zij zouden de lasten dragen en de winst in eigen zak steken. Resicum verdeelde potentiële winst en verlies over een bredere gemeenschap. Onvoorziene omstandigheden konden worden geclassificeerd en het risico gerationaliseerd.

    Al-rizq

    Waar kwam dit wonderen verrichtende begrip vandaan? Historici denken dat resicum is afgeleid van het Arabische woord al-rizq dat voorkomt in de Koran. Het verwijst naar Gods voorziening voor de schepping. Zoals in dit vers dat een zelfstandig naamwoord en een werkwoord met dezelfde lexicale stam bevat: ‘Hoeveel schepselen kunnen niet voor hun eigen voorziening [rizq] zorgen! God voorziet hen en jou: hij is de Alhorende, de Alwetende.’ In de middeleeuwen werd het woord gebruikt om de dagvergoeding voor soldaten aan te geven. In het dialect van al-Andalus, het Arabische Spanje, verwees het naar toeval of geluk. Het lijkt erop dat rizq van haven tot haven rond de Middellandse Zee reisde, totdat het begrip op de werktafel belandde van een klerk in Genua, die een strategie bedacht om de risico’s van transmediterrane handelsondernemingen te spreiden.

    Vanaf dat moment begon resicum aan een triomftocht. Want wat werkte voor de transmediterrane scheepvaart, werkte net zo goed voor een breed scala aan contracten, uiteenlopend van op premie gebaseerde schadeverzekeringen tot polissen die werden afgesloten op het leven van tot slaaf gemaakten, vooral van tot slaaf gemaakte zwangere vrouwen wier leven bijzonder precair was. Gokkers konden zelfs een resicumcontract afsluiten op de levensverwachting van beroemde mensen. Kortom, resicumcontracten die in Genua en Venetië werden opgesteld, liepen aan het einde van de veertiende eeuw uiteen van verzekeringen tot wat we nu gokken zouden noemen.

    Nadat het nieuwe woord in het Italiaans terechtkwam, toen nog een jonge taal, dook het op bij enkele schrijvers die in het Italiaans schreven. De betekenis van het begrip begint te veranderen: In de veertiende eeuw verscheen het Italiaanse woord rischio, meestal als synoniem voor gevaar, in poëzie, geschiedenissen, morele verhandelingen en in vroege wetboeken die in de nieuwe volkstaal waren geschreven. Het had toen niet meer de betekenis van een uitkering als stimulans voor investeringen in onzekere ondernemingen.

    Het begrip past goed bij de ontwikkelingen in het tijdsgewricht. De vijftiende en zestiende eeuw in Italië boden volop mogelijkheden om na te denken over gevaar en risico. De aanwezigheid van huurlingen, uitgenodigd om te vechten namens Italiaanse facties van Milaan tot Rome en de strijd tussen Anjou en Aragón om het Koninkrijk Napels in het zuiden, domineerde de eerste helft van de vijftiende eeuw. Na de Ottomaanse verovering van Constantinopel in 1453 verdreven moslims Byzantijnse christenen om de oude keizerlijke hoofdstad te claimen die de Italianen zelf in 1204 hadden veroverd, tijdens de Vierde Kruistocht. In de zestiende eeuw bestormden Franse en Spaanse legers het schiereiland en voerden ze oorlogen op Italiaanse bodem.

    ‘Risicomanagement was in handen van lieden aan de onderkant van het sociale spectrum’

    Schrijvers die nauw zijn verbonden met de omwentelingen in deze eeuwen zijn Machiavelli en Guicciardini, beiden door politici aangesteld om te reflecteren op de machinerie van de politiek. Machiavelli’s Il Principe werd een van de bekendste verhandelingen over staatsmanschap tijdens de renaissance en het wordt nog steeds herdrukt en nagevolgd. Guicciardini noteerde zijn gedachten in het alledaags boek Ricordi [Herinneringen], dat pas na zijn dood werd gepubliceerd. Beide mannen staan stil bij het toeval of het lot, beiden schrijven over fortuin en over de tumultueuze veranderingen in hun tijd. Maar noch Guicciardini, noch Machiavelli gebruikten het woord risico, noch gebruikten ze de kwantitatieve analyse die destijds opkwam om het kronkelende pad van het lot te onderzoeken. Waarom?  

    Mogelijk omdat ze dachten in het Latijn, waaruit de Italiaanse woorden voor fortuin, lot en gevaar stamden die wel werden gebruikt. Maar risico, dat zijn oorsprong vond in de koran, had nog geen plaats in de wereld van Machiavelli en Guicciardini. Risico duidde toen nog op de harde onderhandelingen tussen ondernemers en zeelieden; risicomanagement was in handen van lieden aan de onderkant van het sociale spectrum. Degenen die in transmediterrane scheepvaart investeerden of resicumpolissen afsloten op het leven van de rijken en beroemdheden, waren niet de prinsen en gouverneurs naar wiens gunsten Machiavelli en Guicciardini dongen.

    Het woord en de praktijk van verzekeren, bereikten tegen het einde van de zestiende eeuw Frankrijk, Spanje, Engeland, Nederland en Duitsland. Resicum kwam zo in allerlei spellingen in alle volkstalen terecht. Risicobeoordeling- en management zouden in de loop van de volgende eeuwen rijpen, totdat, zoals de Duitse socioloog Ulrich Beck het omschreef, ‘risicomaatschappijen’ ontstonden, die waarschijnlijkheid en statistieken gebruiken om de mogelijke uitkomst van gebeurtenissen te berekenen. Inmiddels beschouwen we risicobeoordeling als een zaak van experts met tabellen en rekenmachines, die we inhuren om ons te vertellen wat er gaat gebeuren en wat het ons gaat kosten.

    Maar we hebben die experts niet nodig om te marchanderen met het lot. Risico is een verhaal dat we onszelf vertellen over de toekomst. Als ik het risico inschat om in 2021 een uitnodiging voor een sociale bijeenkomst te accepteren, denk ik graag aan die mannen en vrouwen die in 1156 hun resicum op de kade in Genua berekenden, met het ene oog op een handvol munten en het andere op de horizon.

    Lees ook:

  • Twee miljoen Hongkongers zeggen nee tegen China

    Twee miljoen Hongkongers zeggen nee tegen China

    De menigte demonstranten had gelijk om een democratisch front te vormen tegen de koppigheid van Hongkongs bestuurder Carrie Lam en de macht van Beijing, vindt columnist An Tu.

    Keuze uit het archief

    Vandaag wordt het vijfentwintigste jubileum van de overdracht van Hongkong aan China gevierd, in het bijzijn van de Chinese president Xi Jinping. In Hongkong wordt vooral de verloren vrijheid betreurd. Na maanden van protesten in 2019 – tegen toenemende invloed van Beijing – sloeg de Chinese overheid terug met de invoering van een Nationale Veiligheidswet en de hervorming van het kiessysteem. Die werden gebruikt om tegenstanders te muilkorven, en de geleidelijke democratisering van Hongkong terug te draaien. Deze journalist van een van de belangrijkste kranten van Hongkong, dat ondanks de kritische houding nog altijd bestaat, zag de ontwikkelingen drie jaar geleden al aankomen. 

    De hele bevolking van Hongkong is te hoop gelopen, de scheidslijnen tussen de verschillende groepen zijn verdwenen en daardoor heeft de beweging resultaat geboekt. De reden voor deze volkswoede is op het eerste gezicht het wetsvoorstel dat uitlevering aan China mogelijk maakt. Dit zou een duidelijke aantasting zijn van de juridische onafhankelijkheid en de autonomie van Hongkong, die juist het hart vormen van het principe ‘één land, twee systemen’ (de basis van de verhouding tussen de vroegere Britse kolonie en Beijing).

    Maar belangrijker nog: de gebeurtenissen tonen de totale mislukking van de manier waarop de verhouding tussen de regering en de bevolking van Hongkong is georganiseerd. De autoriteiten en het ‘constructieve’ (lees: pro-Beijing-) kamp houden helemaal geen rekening met de stemmen van de oppositie die in de samenleving klinken, en in het Parlement (de LegCo, oftewel Legislative Council) worden de meningen van de prodemocratische, door de bevolking gekozen vertegenwoordigers niet gerespecteerd.

    De autoritaire houding van de ‘constructieve’ kliek en de brutale arrogantie van de leider weerspiegelen het falen van de parlementaire democratie in Hongkong, die al zo beknot is. (De parlementsleden moeten aan allerlei geografische en professionele criteria voldoen en dit complexe systeem is in het nadeel van de democraten. De leider wordt benoemd door Beijing.)

    Er is geen sprake meer van normale politieke omstandigheden, de conflicten tussen de bevolking en de regering zijn niet meer te sussen, en geen bemiddelaar kan nog een verzoening tussen de twee kanten bewerkstelligen.

    In Hongkong is de parlementaire democratie in feite geen ‘gewoon’ en ‘volwassen’ politiek systeem waarin een zekere mate van ‘onderhandelen’ mogelijk is tussen de bevolking en de regering; dat is alleen maar een illusie. Nu is het ware totalitaire en autocratische karakter van het regime aan het licht gekomen; er is alleen nog maar sprake van ‘regeringsgezag’, en dat betekent onvermijdelijk het einde van de ‘politiek’.

    Massale protesten in Hongkong. – © Getty
    Massale protesten in Hongkong. – © Getty

    Dat ‘einde van de politiek’ is reden voor teleurstelling en wanhoop. We hebben geen vertegenwoordigers meer die kunnen ‘onderhandelen’ met de totalitaire regering: de opinieleiders en de volksvertegenwoordigers hebben hun leidende rol totaal verloren (vooral sinds de Paraplurevolte van 2014, die uitliep op een bezetting van 79 dagen van het centrum van Hongkong om werkelijk algemeen kiesrecht af te dwingen). De bevolking moet dus rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting.

    Zo serieus was inderdaad de grote manifestatie van 9 juni, waarbij een miljoen mensen op de been kwamen. Er heerste een sfeer van stilzwijgende woede en wanhoop in die enorme stroom mensen. Onder die miljoen demonstranten dachten maar weinigen dat ze de herziening van de uitleveringswetgeving werkelijk konden verhinderen; de meesten demonstreerden eigenlijk zonder te weten of het iets zou uithalen.

    Ze kwamen niet zozeer om politieke druk op de regering uit te oefenen, maar vooral om gehoor te geven aan een diep gevoel van onmacht (tegenover de macht in Beijing), om uit hun isolement te breken en de angst te overwinnen dat ze weer verdeeld zouden raken en individueel zouden worden vervolgd door het totalitaire regime. Ook wilden ze de wereld laten zien dat de Hongkongers nog steeds in staat waren om zich te verzetten.

    En juist die ernst rond de acties heeft bij sommigen hun twijfels over het verzet weggenomen. Daarom zag je tijdens de bloedige confrontaties en gewelddadige botsingen op 12 juni jongeren in de frontlinie, in de rug gesteund door ouderen. Het gewelddadige optreden tegen dit collectieve verzet had af en toe het bloedige karakter van een slagveld, wat bijzonder schokkend was. De discussie ‘vreedzaam blijven’ tegenover ‘je met geweld verzetten’, die in de loop van de Paraplurevolte opkwam (in 2014), is nu door de harde werkelijkheid ingehaald.

    Dankzij deze opstand tegen de mogelijkheid dat burgers worden uitgeleverd aan China, hebben wij de juistheid kunnen constateren van het principe dat ‘soldaten zonder hoop verzekerd zijn van de overwinning’. Inderdaad, omdat de bevolking zich niet druk maakte over winnen of verliezen en niemand binnen de beweging de kans kreeg om individueel de vruchten van een eventuele overwinning te plukken, kon het verzet zich verspreiden en groeide er eensgezindheid over de oude scheidslijnen heen. De mensen zijn mee komen doen aan deze ‘laatste slag’, omdat ze hun woede wilden uiten. Zo is de beweging een strijd geworden voor waarden, ideeën en identiteit.

    De bevolking moet rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting

    In feite zijn er deze keer – duidelijker dan in 2014 – twee soorten verzet opgekomen en al is de ene kant het niet per se eens met de methoden van de andere, ze begrijpen en verdragen elkaar veel beter, en soms bewonderen ze elkaar zelfs. Het is gedaan met de absurde verspilling van energie aan interne discussies uit de tijd van de Paraplurevolte.

    Onder de noemer van het vreedzaam verzet hebben zich mensen uit alle geledingen van de samenleving verzameld, met sterk verschillende beweegredenen. Scholen, universiteiten, maar ook professionele, religieuze en maatschappelijke organisaties hebben via hun netwerken een ongekende mobilisatiekracht getoond en ouders hebben zelfs hun kinderen opgeroepen tot actie. In het buitenland is door veel verschillende kanalen aandacht aan de gebeurtenissen besteed, zodat de hele wereld ervan op de hoogte raakte.

    Ook was er grote steun vanuit de diaspora; de verschillende gemeenschappen in het buitenland vonden elkaar op basis van hun Hongkongse identiteit. Mensen hebben de gelegenheid aangegrepen om hun onderlinge band te versterken en een gemeenschap te vormen van mensen die in de eerste plaats Hongkonger zijn.

    De radicalere actievoerders hebben spontane organisaties ontwikkeld (zonder veel officiële status) die heel verschillende gezichten aannamen. Hun manier van actievoeren – direct, flexibel en gevarieerd – toonde hun onverzettelijke engagement, en al degenen die belang stellen in de problemen van Hongkong, werden getroffen door hun moed en vastberadenheid. Dankzij deze groepen is voor het oog van de hele wereld de bruutheid onthuld van dit regime, dat nu zijn fluwelen handschoenen heeft uitgetrokken.

    De combinatie van deze verschillende manieren van verzet heeft uiteindelijk geleid tot een nieuw moreel pact en vooral tot een nieuwe, hybride manier van actievoeren. Zo kon het gebeuren dat activisten de hele nacht leuzen scandeerden om hun protest uit te drukken, dat bewoners video’s gemaakt door bewakingscamera’s in hun wijk uitzonden om de bewegingen van de politie te laten zien, of hoe moeders vreedzaam bijeenkwamen als teken van protest tegen het geweld van de onderdrukking.

    De verschillende manieren van actievoeren hebben een nieuwe taakverdeling opgeleverd. In de zoektocht naar middelen om de gevestigde media te omzeilen, heeft het verzet de grote diversiteit van al die deelnemers benut en hun energie gebundeld. Nu is alleen de vraag of dit pact en deze nieuwe manier om zo veel verschillende mensen op de been te brengen, blijvend zullen zijn.

    © Afdeling Planning, regering van Hongkong

    © Afdeling Planning, regering van Hongkong

    Eén land, twee systemen

    Na de machtsoverdracht in 1997 beloofde moederschoot China de ex-kolonie als Speciale Administratieve Regio (SAR) vijftig jaar lang met rust te laten. Leider Deng Xiaoping stemde er bovendien mee in dat Hongkong zijn economische, politieke en juridische systemen, zijn burgerlijke vrijheden en een vrije pers zou behouden. Die autonomie kent Hongkong inderdaad, behalve bij echt belangrijke kwesties, dan heeft de Volksrepubliek het laatste woord. Dat de Communistische Partij zich steeds meer laat gelden, veroorzaakt al jaren veel protest. Hongkongers vinden dat hun autonomie steeds verder wordt uitgehold, terwijl die tot 2047 zou zijn gegarandeerd onder de formule ‘één land, twee systemen’.