Onderwerpen: Geweld

  • Russisch jacht mag niet tanken

    Russisch jacht mag niet tanken

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Uber sluit vrede met gele taxi’s in New York

    » Polio duikt voor het eerst in dertig jaar op in Malawi

    Lokale olieleveranciers weigeren schip te bevoorraden

    Het 68 meter lange superjacht Ragnar van de Russische oligarch Vladimir Strzjalkovski is gestrand in het Noorse havenstadje Narvik omdat lokale olieleveranciers weigeren het schip te bevoorraden, aldus The Huffington Post. Strzjalkovski is voormalig KGB-agent, voormalig onderminister van economie en oud-medewerker van Vladimir Poetin en verdiende zijn fortuin met de winning van nikkel. Hij kreeg in 2012 een gouden handdruk van 100 miljoen dollar toen hij na vier jaar aftrad als CEO van het mijnbouwbedrijf Norilsk Nickel.

    Strzjalkovski stond niet op de Europese lijst van oligarchen die zijn gesanctioneerd als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne, maar de lokale bevolking van Narvik besloot zelf maatregelen nemen. ’Waarom zouden we ze helpen?’ antwoordde olieleverancier Sven Holmlund op vragen van de Noorse omroep NRK. ’Laten ze maar naar huis roeien. Of een zeil gebruiken.’ Noorse politici hebben aangedrongen op confiscatie van het schip, maar volgens een regeringsfunctionaris is dat wettelijk onmogelijk zonder EU-richtlijnen.

    Lees ook:

  • ‘Als ik mijn land nu zou verlaten, zou ik het verraden’

    ‘Als ik mijn land nu zou verlaten, zou ik het verraden’

    Duizenden Russen zijn de afgelopen weken hun land ontvlucht uit onvrede met het politieke klimaat of uit financiële noodzaak vanwege de zware sancties. De onafhankelijke Russische nieuwsorganisatie Meduza sprak met enkele achterblijvers. Wat zijn hun redenen om niet te vertrekken?

    Duizenden mensen zijn de afgelopen weken Rusland ontvlucht, in de hoop de binnenlandse politieke, sociale en economische gevolgen van de oorlog te ontlopen. Maar zij zijn in de minderheid: niet iedereen kan zo snel naar een nieuw land verhuizen, al zouden ze dat nog zo graag willen. Sommigen blijven in Rusland vanwege familie, anderen kunnen het zich niet veroorloven om te vertrekken, terwijl weer anderen uit principe blijven waar ze zijn.

    Screen Shot 2022 03 17 at 9.16.47 PM 1

    Kirill – Ingenieur, Moskou

    ‘Mijn familie en ik dachten erover om te emigreren maar zien dat uiteindelijk niet zitten. Wat heeft het voor zin om ergens heen te gaan waar we niet kunnen blijven? Het zou alleen maar moeilijker worden om terug te keren. Ik ben er niet klaar voor om ergens als een illegale immigrant te leven. Nog niet.

    Als we via de officiële weg ergens legaal zouden kunnen wonen, dan zou ik vertrekken. Ik denk dat dit land donkere tijden te wachten staan. Hopelijk maakt de Russische bevolking de laatste stuiptrekkingen van haar grote leider mee.’


    Tatjana – Werkt voor een IT-bedrijf, regio Perm

    ’Mijn ouders zijn bejaard en mijn partner werkt in overheidsdienst. Om die redenen kan ik niet weg. Bovendien denken we dat de Europese Unie binnenkort waarschijnlijk ook in een grote crisis zit, en dan zal het in Rusland makkelijker overleven zijn.

    Vanwege de russofobie die nu overal heerst, is het onveilig om nu buiten Rusland te wonen. Om nog maar te zwijgen over het feit dat alles duur is geworden daar. De kosten voor levensonderhoud zijn zodra de migratie begon omhoog geschoten.’


    Elizaveta – Werkt in de pr en marketing, Angarsk

    ‘Ik heb overwogen om te vertrekken, en eigenlijk wil ik dat nog steeds. Ik ben dertig jaar oud en kom uit een kleine stad in Siberië. Ik begon net echt te leven in plaats van te overleven: ik had genoeg geld om lekker te eten, mooie spullen te kopen en met mijn man reizen te maken. En nu duwt mijn land mij terug de armoede in, terug naar de tijd toen reizen naar het buitenland alleen maar in onze verbeelding bestond.

    ‘Ik wil niets te maken hebben met dit agressorland’

    Ik wil niets te maken hebben met dit agressorland. Het past niet in mijn wereldbeeld. We blijven hier omdat we de voogdij over een kind hebben, en we op dit moment niet het recht hebben haar mee het land uit te nemen. Bovendien hebben we nog niet genoeg tijd gehad om te sparen voor een verhuizing. Maar we zijn begonnen met het leren van een vreemde taal. Zo kunnen we alvast een basis leggen.’


    Meduza & 360

    360 gaat samenwerken met de onafhankelijke Russischtalige nieuwssite Meduza.
    Sinds de Russische inval in Oekraïne hebben de autoriteiten Meduza afgesloten voor Russische internetgebruikers. Ook hebben veel buitenlandse correspondenten en media het land verlaten na een controversiële mediawet die het verspreiden van ‘nepnieuws’ sanctioneert met een gevangenisstraf die kan oplopen tot vijftien jaar. 360 breekt al jaren een lans voor onafhankelijke en vrije journalistiek. Met deze samenwerking wil 360 een platform bieden aan onafhankelijke en kritische geluiden uit Rusland, zodat ook de Nederlandse nieuwsvolger op de hoogte kan blijven van wat er speelt aan de Russische kant van het front.

    Aidar – Programmeur, Kazan

    ‘Ik heb me suf gedacht, en ik zal blijven twijfelen, ofwel tot ik vertrek, ofwel voor de rest van mijn leven. Er zijn verschillende redenen waarom ik blijf. Ik ben de oudste zoon en mijn broer werkt in het buitenland. Mijn ouders kunnen niet weg, tenminste niet op korte termijn. Het was niet meer dan logisch dat de jongste zoon naar een rijker land zou gaan om te werken, en dat de oudste zoon voorlopig bij onze ouders in dit totalitaire land zou blijven.

    De andere reden is mijn vriendin, hopelijk mijn toekomstige vrouw. Het is voor mij geen optie om weg te gaan terwijl zij hier achterblijft, en er zijn geen garanties als je in het buitenland bent. Ook niet als je hier blijft, trouwens. Als deze twee factoren niet meespeelden, zou ik vertrekken, zelfs zonder spullen en met een onzekere toekomst. Ik denk dat ik het in het buitenland best zou redden als ervaren programmeur, maar diezelfde garantie kan ik mijn dierbaren niet geven. Zij hebben me hier waarschijnlijk harder nodig.

    ‘Deelnemen aan een protestactie zou te gevaarlijk zijn’

    Ik zie niet voor me dat we in Rusland een comfortabel leven kunnen leiden. Een minder comfortabel leven in het buitenland lijkt me aantrekkelijker. Bovendien voel ik me elke dag dat de oorlog voortduurt indirect verantwoordelijk voor wat er gebeurt, en misschien ben ik dat ook wel: als burger ben je maar een klein beetje verantwoordelijk, maar niettemin verantwoordelijk voor wat jouw land aan het doen is. Deelnemen aan een protestactie en een gevangenisstraf riskeren, waardoor ik mijn dierbaren niet zou kunnen helpen of het land niet zou kunnen verlaten, zou te gevaarlijk zijn.’


    Elizaveta – Accountant, Moskou

    ‘Ik dacht eraan om weg te gaan toen ik nog studeerde – mijn seksuele geaardheid speelde een rol –, maar ik had de moed niet. En nu is die kans verkeken. Mijn moeder heeft een beroerte gehad, ik heb een puppy om voor te zorgen en ik ben blut. Om nog maar te zwijgen over mijn beroep, dat niemand in het buitenland zou interesseren.

    Ik denk dat er in de toekomst veel armoede in het land zal zijn door de hoge inflatie, werkloosheid en het sluiten van bedrijven. Wie arm is, zoals ik, zou dan wel eens van honger kunnen omkomen.’


    Alija – Werkt in een galerie voor moderne kunst, Moskou

    ‘Ik wil wel weg, maar mijn man niet. Hij denkt niet dat we in het buitenland werk zullen vinden zonder de taal te spreken of speciale vaardigheden te hebben. Dan is er ook nog de kwestie van mijn ouders en mijn oude, tweeënnegentigjarige grootmoeder, voor wie ik moet zorgen. Ik ben heel bang, maar mijn familie achterlaten kan ik niet. Ik denk dat het erg uit de hand gaat lopen: tirannieke wetshandhaving, armoede, banditisme, en misschien een burgeroorlog.

    ‘Niemand zit op kunst te wachten als er oorlog is, of in de nasleep ervan’

    We hebben een vakantiehuisje in een dorp, en als alles in duigen valt, zullen we daarheen moeten verhuizen. Ik heb geen enkele mogelijkheid meer om me beroepsmatig verder te ontwikkelen en plezier te hebben in mijn werk. Dat is me afgepakt. Niemand zit op kunst te wachten als er oorlog is, of in de nasleep ervan.’


    Alisa – Werkt in de dienstensector, Krasnodar

    ‘Ik denk er vaak over na om weg te gaan. Ik doe mijn uiterste best om een manier te vinden om mijn ouders mee te krijgen. Maar hoogstwaarschijnlijk blijf ik hier om dicht bij mijn dierbaren te zijn. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze achter te laten.

    Soms denk ik terug aan de verhalen van mijn vader, die vertelde hoe moeilijk het was in de jaren negentig. Nu voorzie ik een toekomst die veel erger is dan toen: veel mensen komen zonder werk te zitten, honger wordt een ernstig probleem en de criminaliteit zal de pan uit rijzen. We zitten op de Titanic, en die heeft net de ijsberg geraakt.’


    Nastya – Verkoopt producten op een markt, Moskou

    ‘Ik popelde om naar Georgië te gaan of naar een ander GOS-land [verbond van voormalige Sovjet-Unielanden]. Maar ik ben tweeëntwintig, die stomme leeftijd waarop ik wel een spaarpotje heb maar niet genoeg om alles te laten vallen en voor onbepaalde tijd naar een land te verhuizen waar ik niet kan werken.

    ‘Ik wil gewoon niet weg. Dit is mijn land en ik ben ervan overtuigd dat we iets kunnen veranderen’

    Ik ben ook bang om mijn grootmoeder en vader achter te laten, die in de Samara-regio wonen. Ik moet mijn oma gaan helpen om de meest noodzakelijke levensbehoeften in te slaan. Ik vrees dat haar pensioen niet genoeg is, of dat er een tekort aan producten zal zijn. Bovendien wil ik gewoon niet weg. Dit is mijn land en ik ben ervan overtuigd dat we iets kunnen veranderen. Vooral nu, nu het regime in Rusland bijzonder kwetsbaar is. Als we deze crisis overleven, kunnen we een nieuw Rusland opbouwen. Ik probeer er het beste van te maken en te doen wat ik kan.’


    Oleg – Werkt op een universiteit, Jelets

    ‘Ik heb nagedacht over weggaan. Ik weet niet hoe ik op morele wijze verder kan leven. Ik denk er nog steeds over na, maar… Ik heb hier een dochter, die bij mijn ex-vrouw woont. En hier is ook het graf van mijn moeder.’


    Jevgeni – Werkt in een autozaak, Vladivostok

    ‘Vijf jaar geleden besloot ik te blijven en sindsdien ben ik niet van gedachten veranderd. Even overwoog ik te vertrekken toen mijn vrienden meteen na 24 februari begonnen te praten over emigreren. In paniek sloot ik me aan bij enkele immigratiegroepen op internet. Ik had zelfs al een vliegticket naar Istanboel, voor begin maart. Ik had het al gekocht lang voordat dit allemaal gebeurde, wat een gelukkig toeval leek. Toch ben ik uiteindelijk niet in dat vliegtuig gestapt.

    ‘Ik maak vaak het grapje dat er uiteindelijk drie mensen in dit land over zullen blijven: Navalny, Poetin en ik’

    Ik heb in mijn leven al veel in het buitenland gewoond en heb genoeg ervaring opgedaan om te begrijpen hoezeer ik mijn thuis en mijn land waardeer. Ik hou echt van Rusland en de mensen hier. Ik heb hier geleerd wat vriendschap en liefde zijn, hier ben ik geworden wie ik ben, hier heb ik mijn belangrijkste waarden en de zin van mijn leven leren kennen, en daarom zal ik blijven. Ik denk dat vrijheid het waard is om voor te vechten. Ik maak vaak het grapje met mijn therapeut dat er uiteindelijk drie mensen in dit land over zullen blijven: Navalny, Poetin en ik.’


  • Stripvorm kan historische complexiteit effectief overbrengen

    Stripvorm kan historische complexiteit effectief overbrengen

    Historicus Richard Conyngham gebruikt de visuele slagkracht van een stripverhaal om de aandacht van jonge lezers te trekken voor een veronachtzaamde en belangrijke strijd tegen de pre-apartheidsstaat in Zuid-Afrika.

    Je loopt niet zomaar een rechterlijk archief binnen. Wie historisch onderzoek doet, kent de psychologische gevaren van zulke oorden: de kille, door tl-buizen verlichte eenzaamheid, de spoken van oud onrecht, de eindeloze, tergende belofte van documentair goud dat ligt te wachten in de volgende map of op het volgende karretje. De in Mexico-Stad woonachtige Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham vond in het archief van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948, een baanbrekend historisch stripverhaal over de belangrijke strijd van arbeiders, kooplieden, wasvrouwen en boeren tegen de pre-apartheidsstaat.

    ‘Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse’

    Om deze verzetsverhalen nieuw leven in te blazen ging Conyngham op zoek naar de allerbeste kunstenaars om ze te tekenen, onder wie de broers Trantraal, Saaid Rahbeeni, Liz Clarke, Dada Khanyisa, Tumi Mamabolo en Mark Modimola. ‘Het was een geweldige uitdaging om die kunstenaars te strikken en bij te staan. Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse.’

    Het idee was om de visuele slagkracht van een stripverhaal te gebruiken om de aandacht van jonge lezers te trekken en een veronachtzaamd tijdperk uit de woelige Zuid-Afrikaanse geschiedenis aanschouwelijk te maken. ‘De rechterlijke archieven gaven een beeld van een ongelooflijk kleurrijke en explosieve periode,’ zegt Conyngham. ‘Maar van geschiedenisboeken op school of de universiteit krijg je dat idee niet.’

    Zoals [voormalig Zuid-Afrikaans rechter en advocaat] Edwin Cameron opmerkt in zijn voorwoord bij All Rise herinneren sommige verhalen eraan dat ‘de wet, indien juist toegepast, zelfs in tijden van groot onrecht tot rechtvaardige resultaten kan leiden’. Desondanks heeft hij in de annalen maar zelden een glimpje rechterlijke compassie gezien, zegt Conyngham. ‘De rechters hadden eerder respect voor de wet dan empathie met de betrokkenen,’ zegt hij. ‘Vaak komen ze over als racistisch of seksistisch, zelfs als hun oordeel in het nadeel van de staat uitvalt. Er was altijd bewegingsvrijheid en sommige rechters namen de wet zo letterlijk dat ze soms oordeelden op een manier die je niet zou verwachten. Ik denk dat Edwin als advocaat in de apartheidsjaren inderdaad heeft ervaren dat als je het goed aanpakte, je echt je voordeel kon doen met het respect van de rechter voor de wet.’

    Cover
    In de archiefkelder van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein vond de Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948 (Jacana, 2022).

    Rode draad

    Historica Hlonipha Mokoena, verbonden aan het Wits Institute for Social and Economic Research in Johannesburg, wijst in haar voorwoord op de migratie die als een rode draad door de verhalen loopt: bijna alle verdachten, of ze nu zwart, wit of Indiaas waren, waren op de een of andere manier migranten die vochten voor de rechten die (sommige) burgers genoten. Die strijd wordt nog steeds gevoerd en deze verhalen, schrijft ze, ‘zijn een bevestiging van de redenen waarom onze grondwet niet slechts een aardig juridisch detail is, maar een moreel gebod’.

    Maar sommige historici die Conyngham raadpleegde hadden niet veel op met het medium strip, zegt hij. ‘In academische kringen rust er toch een soort stigma op het genre, ook omdat sommigen zich erdoor bedreigd voelen. Gaandeweg wist ik door te dringen tot veel autoriteiten op de verschillende gebieden waarnaar ik onderzoek deed. Sommige waren heel toegankelijk en andere helemaal niet, alsof ze het genre niet serieus namen, of wilden nemen.’

    ‘We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang’

    All Rise begon met een project van hiv- en aidsactivist Zackie Achmat, door wie Conyngham in 2015 werd ingehuurd als onderzoeker. ‘Het was Zackies idee om naar het archief van de Hoge Raad van Beroep te gaan,’ zegt Conyngham, ‘omdat hij als rechten-activist een paar duistere vonnissen uit het begin van de twintigste eeuw had ontdekt, zoals “Rex vs. Detody” (1926). Dus gingen we naar Bloemfontein en maakten we een heleboel fotokopieën. We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang.’

    Gaandeweg kwam Conyngham op het idee om een bloemlezing in stripvorm te maken in plaats van het conventionele geschiedenisboek dat ze aanvankelijk op het oog hadden. Met instemming van Achmat benaderde hij om te beginnen zijn vriend André Trantraal, een grote ster aan het Zuid-Afrikaanse stripfirmament, met wie hij al aan een ander grafisch project had samengewerkt. 

    Conyngham schreef de scripts zelf, onder strenge redactie van de kunstenaars als het aankwam op het schrappen van irrelevante details. Grafische non-fictie kan de historische complexiteit soms effectiever overbrengen dan een documentaire, vanwege de radicale vrijheid van een getrokken lijn. De boeken van bijvoorbeeld Joe Sacco, Marjane Satrapi, Art Spiegelman en Alison Bechdel doen dingen met waargebeurde verhalen die geen prozaboek voor elkaar krijgt.

    Om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen

    Maar om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen. Conyngham kreeg dat voor elkaar door veel van de historische achtergrond te verplaatsen naar subliem vormgegeven appendices aan het eind van ieder verhaal, compleet met hedendaagse foto’s van de locaties, de hoofdrolspelers en hun handgeschreven brieven. Het Zuid-Afrikaanse Nationaal Archief voorzag zelfs in haarlokken van Taffy Long, een deelnemer aan de Randopstand van 1922 die werd veroordeeld wegens het executeren van een spion. De lokken waren als bewijs gebruikt door de openbaar aanklager, die betoogde dat Long opzettelijk zijn haarkleur had veranderd met gebruikmaking van kaliumpermanganaat. Het proces tegen Long, die werd geëxecuteerd in de Centrale Gevangenis van Pretoria, is door Liz Clarke op een duistere, filmische manier tot leven gewekt in het hoofdstuk ‘Come Gallows Grim’.

    Jack Whittaker

    In het hoofdstuk ‘In the Shadow of a High Stone Wall’ behandelen de broers Nathan en André Trantraal het verhaal van Jack Whittaker, werkzaam bij de trammaatschappij van Johannesburg, die het werk neerlegde tijdens een staking in 1911. Daarin komen we ook Mary Fitzgerald tegen, de met een pikhouweel zwaaiende deelneemster aan de eerste uitingen van klassenstrijd in Johannesburg. Whittaker werd valselijk beschuldigd van het bezit van explosieven. Zijn uiteindelijke vrijspraak was een overwinning, zij het niet zo’n glorieuze als zijn latere succesvolle aanklacht tegen de staat wegens de inhumane opsluiting in afwachting van zijn proces.

    Het hoofdstuk ‘The Widow of Marabastad’, schitterend geïllustreerd door Dada Khanyisa, vertelt het verhaal van de lange strijd tegen de invoering van nachtpassen voor zwarte vrouwen in de Transvaal. Het verzet werd in 1926 geleid door wasvrouw Helena Detody. Met behulp van het Transvaal Native Congress vocht ze tot aan de Hoge Raad in Bloemfontein voor het recht op bewegingsvrijheid in de hele stad. Dankzij Detody’s overwinning konden zwarte vrouwen in de Transvaal zich twintig jaar lang vrijelijk bewegen.

    Tumi Mamabolo tekende ‘A House Divided’, over de krachtmeting tussen Bafokeng-opperhoofd August Mokgatle en zijn lekgotla, oftewel stamraad. Mokgatles raadsleden hadden zijn zwakke en grillige leiderschap verworpen, deels geïnspireerd door de democratische ideeën van de zwarte Jamaicaanse dominee Kenneth Spooner, die zich had gevestigd in Phokeng. Ondanks de vurige getuigenis van Sol Plaatje ter verdediging van de raadsleden werd de stamraad veroordeeld en verbannen, waarmee de weg werd gebaand voor Bantoestaanse marionettenregeringen en de beëindiging van prekoloniale vormen van stammendemocratie.

    Fictieve reconstructie

    In ‘Until the Ship Sails’ illustreert Saaid Rahbeeni het verhaal van Mahomed Chotabhai, een vijftienjarige Indiase jongen die niet mocht gaan werken bij zijn vader, een koopman in Johannesburg, vanwege de campagne van de regering van Jan Smuts tegen ‘vrije’ Indiase arbeiders. Het destijds ingevoerde registratiecertificaat voor Indiase arbeiders – een poging om nieuwe migranten te criminaliseren – lokte een massale verbranding van certificaten uit, en Mohandas ‘Mahatma’ Gandhi bemoeide zich persoonlijk met de zaak-Chotabhai.

    Richard Conyngham en Mark Modimola reconstrueren in ‘Here I Cross to the Other Side’ op vaardige wijze de wereld van de stakende mijnwerkers op de Reef in 1946, een staking die vakkundig de kop werd ingedrukt, evenals de vakbond van Afrikaanse mijnwerkers die haar had georganiseerd. Dit is niet zozeer een feitelijk verhaal als wel een knappe fictieve reconstructie van de eerste reis van een jonge Basotho-rekruut naar de Reef en de frontlinies van het verzet aldaar. Hoewel de staking van 1946 niet tot betere lonen en leefomstandigheden leidde, zorgde ze decennia later wel voor de wedergeboorte van vakbewegingen.

    All Rise is een aangrijpend eerbewijs aan de macht van de ogenschijnlijk machtelozen en zet op een kalme manier kanttekeningen bij de apathie en wanhoop die momenteel in Zuid-Afrika heersen. Zoals Richard Conyngham zegt: ‘Gewone mensen kunnen de wet op een moedige manier gebruiken zodat er werkelijk een blijvende, systemische verandering in gang wordt gezet. Hoewel we geneigd zijn te wachten tot een illustere figuur dat voor ons doet, laten de verhalen in dit boek zien dat we het ook zelf kunnen.’ 

    Schermafbeelding 2022 03 08 om 08.51.26
  • Lhbt-getuigenissen uit de Arabische wereld

    Lhbt-getuigenissen uit de Arabische wereld

    Twee jaar cel kreeg de Koeweitse transgender Maha Al-Mutairi voor het dragen van vrouwenkleren, een straf die ze misschien in een mannengevangenis moet uitzitten. ‘Geen enkele wet vermeldt transgenders, maar ze gebruiken wetten inzake “openbaar fatsoen” om de lhbt-gemeenschap te belagen.’

    Al-Mutairi is bepaald niet de enige transgender in de Arabische wereld die het juridisch en maatschappelijk zwaar heeft. Ritaj, een zevenentwintigjarige Jemenitische trans vrouw, vreesde dat haar hetzelfde lot zou treffen als Al-Mutairi, totdat de Franse overheid te hulp schoot en haar in september vorig jaar asiel verleende. ‘De angst om te worden veroordeeld voor travestie heeft me mijn leven lang achtervolgd. Het is een ware obsessie geweest. Geen wonder, ik riskeerde een levenslange gevangenisstraf of honderd zweepslagen. Ik speelde voortdurend met de gedachte zelfmoord te plegen. En dat alleen maar omdat ik geboren ben in een conservatieve familie en samenleving.’

    De mensenrechtenactivist Wajih Layoun, die zichzelf ‘de eerste openlijk homoseksuele Saoedi’ noemt, zegt dat ‘de wetten in de Golfstaten transseksualiteit volledig verbieden, evenals elke indirecte steun aan de lhbt-gemeenschap’. Volgens Layoun, die is gevlucht naar de Verenigde Staten, ‘erkent de Saoedische wet geen transgenders. Ze worden vervolgd omdat ze zich als man of vrouw verkleden, of omdat men vindt dat ze de openbare zeden aantasten.’

    De Saoedische rechter heeft meer dan eens mensen veroordeeld omdat ze ‘op het andere geslacht lijken’

    De Saoedische wet zegt niets over de kwestie, maar de Saoedische rechter heeft meer dan eens mensen veroordeeld omdat ze ‘op het andere geslacht lijken’. Volgens de organisatie Human Rights Watch varieerden de vonnissen van gevangenisstraf tot geseling. Over ‘corrigerende’ chirurgische ingrepen merkt Layoun op dat die in Saoedi-Arabië uitsluitend zijn toegestaan als een kind met zowel mannelijke als vrouwelijke genitaliën wordt geboren. Drie artsen en psychologen buigen zich dan over de zaak en nemen een beslissing.

    Bahrein is de eerste Golfstaat waar voor transgenders een wettelijke verandering van de burgerlijke staat mogelijk is. Dat gebeurde in 2005 en 2008. In beide gevallen werd de zaak bepleit door de Bahreinse advocaat en activist Fawziya Mohamed Janahi. Zij zegt dat er nog steeds geen wet is in Bahrein die geslachtsverandering of corrigerende operaties toelaat. Wel wint onder rechters de opvatting terrein dat een ingreep toch noodzakelijk kan zijn bij het optreden van ‘seksuele stoornissen’. Als dit wordt bevestigd door een medisch rapport, kan de rechter instemmen met geslachtsverandering; er is namelijk wel een wet die voorziet in geslachtsverandering bij psychische of seksuele stoornissen. Op dit moment lopen er acht zaken.

    Janahi heeft ook zaken op zich genomen in buurland Saoedi-Arabië: ‘Ik volg er ongeveer veertig. Er is de hoop dat de wet transgenders accepteert wanneer een gebrek aan erkenning aantoonbaar tot aandoeningen heeft geleid.’

    Deur dicht

    De Verenigde Arabische Emiraten hebben de deur juist dichtgeslagen voor transgenders. Het lijkt onmogelijk om hen in dit land wettelijk erkend te krijgen. Slechts in zeldzame gevallen zijn corrigerende operaties er wettelijk toegestaan. Sinds 2016 mogen artsen intersekse personen opereren, maar een ingreep die leidt tot geslachtsverandering blijft illegaal. In december 2018 verwierp het Hooggerechtshof het verzoek van drie inwoners om hun burgerlijke staat te wijzigen na een operatie in de Verenigde Staten.

    In Koeweit zijn volgens de activistische advocaat Buthayna Abdelwahid Maarafi ‘verzoeken voor geslachtsverandering en verandering van burgerlijke staat gedoemd te mislukken bij de rechtbank’. Er moet, vindt zij, dringend een wet komen ‘die zorgt draagt voor deze situatie en voor het recht om verenigingen op te richten die deze bevolkingsgroepen ondersteunen en criminalisering tegengaan’.

    Koeweit volgt de sharia, net als de andere Golfstaten, en die verbiedt geslachtsverandering en travestie

    Ze zegt daarnaast dat Koeweit de sharia volgt, net als de andere Golfstaten, en die verbiedt geslachtsverandering en travestie. Wet nr. 198 van het Koeweitse Wetboek van Strafrecht bepaalt dat ’iedereen die de goede zeden schendt (…) of die zich kleedt naar het andere geslacht, op welke wijze dan ook, een celstraf van ten hoogste een jaar krijgt en/of een boete van maximaal 1000 dinar’. In de Emiraten bepaalt wet nr. 359 van het Wetboek van Strafrecht dat ‘iedere man die zich vermomt als vrouw of plaatsen betreedt die aan vrouwen zijn voorbehouden, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten hoogste één jaar en/of een boete van maximaal 10.000 dirham’.

    Het moeilijkst voor transgenders is het om een baan te vinden waar ze worden geaccepteerd, en niet gedwongen zijn zich te kleden in een zwarte abaja (een losse cape die het lichaam van hoofd tot voeten bedekt). Fouad, voorzitter van een vereniging die de lhbt-gemeenschap ondersteunt, benadrukt dat het in Tunesië onmogelijk is ‘om je rechten te eisen, want zodra een transgender een rechtszaal of een politiebureau betreedt, is hij of zij een verdachte. Zelfs ziekenhuizen weigeren in de meeste gevallen zorg te verlenen zodra ze merken dat ze met een transgender te maken hebben.’

    Jad, een Tunesische transgender, voegt eraan toe dat ‘de Tunesische samenleving neerkijkt op transgenders’ en dat geen enkele Tunesische wet hun bestaan erkent of hen beschermt. 
    Integendeel, wet nr. 226 legt iedereen die is veroordeeld voor ‘het ondermijnen van de goede zeden’ zes maanden gevangenisstraf op.

    ‘Openbaar fatsoen’

    Hetzelfde geldt in Irak, aldus Amir Ashour, voorzitter van de vereniging IraQueer: ‘Geen enkele wet vermeldt transgenders, maar ze gebruiken wetten inzake “openbaar fatsoen” om de lhbt-gemeenschap te belagen.’ Volgens hem stellen mensen die uitkomen voor hun geaardheid zich bloot aan fysiek, verbaal en seksueel geweld. ‘En dan heb ik het nog niet eens gehad over hun problemen om werk te vinden zonder te worden uitgebuit. Vaak gaat het om onveilig werk, zoals danser(es) in nachtclubs of prostituee.’

    Hoewel er in Libanon veel verenigingen zijn die op de bres staan voor de lhbt-gemeenschap, hebben transgenders er dezelfde juridische en sociale problemen als elders in het Midden-Oosten, vertelt Lea Zraika, die samenwerkt met de Arab Foundation for Freedoms and Equality. Ook in Libanon worden transgenders op grond van ambigue wetteksten gevangengezet. Bijvoorbeeld wegens ‘tegennatuurlijke vereniging’, travestie, prostitutie of ‘aansporing tot losbandigheid’.

  • Een bul in de bajes: maffiosi verlaten cum laude de gevangenis

    Een bul in de bajes: maffiosi verlaten cum laude de gevangenis

    In zwaar beveiligde gevangenisafdelingen volgen criminele die lange straffen uitzitten een studie om de tijd te doden. Zo ontstond de meest hoogopgeleide generatie maffiosi ooit.

    Er is een maffia die in niets lijkt op de maffia zoals we die kennen, te weten onbehouwen en dom: die van Bernardo Provenzano’songrammaticale en cryptische pizzini [gecodeerde briefjes waarmee maffiosi onderling communiceren], of de boerse maffia van Totò Riina, iemand die zichzelf graag aan anderen mocht voorstellen met de mededeling dat hij slechts lagere school had gehad. 

    In hun schuilplaatsen hadden ze altijd wel een Bijbel, en soms troffen degenen die voortvluchtigen opspoorden in een enkele lade exemplaren aan van I Beati Paoli [een historische roman over een middeleeuwse Siciliaanse sekte die door sommigen wordt gezien als voorloper van de maffia] of Calvello il bastardo van William Galt, alias Luigi Natoli. Voor hen heilige teksten, eerder maffialiteratuur dan literatuur óver de maffia. Andere lectuur werd niet aangetroffen.

    900x1200
    Historische roman over een middeleeuwse Siciliaanse sekte die door sommigen wordt gezien als voorloper van de maffia.

    Maar de bazen die zijn opgegroeid in de schaduw van de Corleonesi hebben geen voorbeeld genomen aan diezelfde Corleonesi. In moeilijke tijden zochten ze hun toevlucht tot scholing, en in de kwarteeuw dat ze opgesloten zaten in cellen die niet veel meer dan holen zijn, bevonden ze zich uitsluitend in het gezelschap van Fjodor Dostojevski en de gebroeders Karamazov, Lev Tolstoj, Italo Svevo, Boris Pasternak, Luigi Pirandello, Duitse filosofen, protestantse theologen, Virgilius en Immanuel Kant.

    En zo ontstond op de extra beveiligde gevangenisafdelingen de hoogstopgeleide generatie maffiosi ooit. Begerig naar kennis verslinden de zonen van het ‘41 bis-regime’ [‘hard gevangenisregime’ oftewel isolement, naar artikel 41 bis van de Italiaanse wet op het gevangenisbeheer], alles wat aan papier is toevertrouwd. Ze zijn frequente bezoekers van gevangenisbibliotheken en ze pressen hun advocaten dagelijks om aanklagers en rechters-commissarissen te bewegen hun verlof en gunsten te verlenen door universiteitsdiploma’s en studiepunten te overleggen.

    De wet heeft de deuren van hun cellen voor altijd gesloten, maar die van het onderwijs wijd geopend

    Laatste in de rij is de boss Filippo Graviano, die zijn verzoekschrift vergezeld deed gaan van zijn bul in de economie en een certificaat van deelname aan een cursus finance. Terwijl buiten steeds minder wordt gelezen, lezen ze binnen steeds meer. De mannen van de oude ‘Cupola’ [de commissie van maffiabazen] leren, verdiepen zich in de geschiedenis en de mysteries van het geloof en studeren cum laude af in de geesteswetenschappen. De wet heeft de deuren van hun cellen voor altijd gesloten, maar die van het onderwijs wijd geopend. 

    Onkruid

    Veelzeggend is het verhaal van Giuseppe Grassonelli, opgetekend door collega Carmelo Sardo in Malerba (Onkruid), een prachtig boek over de Agrigentijnse boss van Porto Empedocle. Toen hij voor de eerste keer naar het eiland Pianosa werd gestuurd, op 15 november 1992, vond hij onder het matras van zijn brits een exemplaar van Oorlog en vrede. Hij begon het te lezen, maar begreep de woorden niet en barstte van wanhoop in tranen uit.

    81xhxJVXF0L
    De memoires van Grassonelli met als titel Malerba (onkruid) als bijnaam.

    Om te ontkomen aan de hel van zijn nooit eindigende straf begon hij te studeren. Na vijftien jaar isolement studeert hij af op ‘De Napolitaanse revolutionaire opstanden van 1799 en het “oproer” in de provincies van het Koninkrijk’. Na een eerste graad in de letteren zal Grassonelli binnenkort ook zijn tweede krijgen, in de filosofie. Het is de culturele revolutie van de Siciliaanse maffia.

    Een ander die aanvankelijk amper in staat was zijn handtekening te zetten, is de beroemde Gaspare Spatuzza, de maffioso uit Palermo die nep-spijtoptant Vincenzo Scarantino ontmaskerde en wiens bekentenis leidde tot de herziening van het proces inzake de moordaanslag op antimaffiarechter Paolo Borsellino. Tegenwoordig kleedt hij zich altijd in het zwart, als een priester, en in zijn boekenkast staan Misdaad en straf, boeken van de Italiaanse filosofen Giovanni Reale en Dario Antiseri, en de geschriften van Joe Dispenza over kwantumfysica. 

    De laatste keer dat hij buiten de gevangenis werd gezien, was in de buurt van Misilmeri, een dorp in de buurt van Palermo waar hij samen met een vriend een man had laten oplossen in zoutzuur. Zijn handlanger vertelde de rechters tot in detail over de moord en zei over Spatuzza: ‘Meteen na de moord had Gaspare honger en vroeg me om iets te gaan kopen; hij zette zijn tanden in een broodje, at met één hand en roerde met de andere.’ Dus met de ene hand hield hij zijn sandwich vast en met de andere hand roerde hij met een houten pollepel in de kuip waarin het lijk aan het oplossen was. Een macaber verleden. Volgens iedereen die bekend is met de wreedheden uit zijn vroegere leven is Gaspare een ander mens geworden. 

    Cum laude

    Calogero, een van broers van Giovanni Brusca [de maffioso die onder meer de bom tot ontploffing bracht die een einde maakte aan het leven van openbaar aanklager Giovanni Falcone], heeft zich ingeschreven bij de letterenfaculteit. Antonio Tusa, de neef van Piddu Madonia, de boss van Caltanissetta, heeft zich ingeschreven bij landbouwkunde; de maffiosi Giancarlo Giugno uit Niscemi en Carlo Marchese uit Riesi schreven zich in bij respectievelijk geneeskunde en rechten. 

    Tommaso Spadaro, de ‘koning van Kalsa’ (een wijk in Palermo), studeerde niet lang voor zijn dood op 72-jarige leeftijd af in de gevangenis van Spoleto, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat voor de moord op een onderofficier van politie. Hij was een voormalig sigarettensmokkelaar en de bazen hadden hem bij de Porta Nuova-familie gehaald vanwege zijn schepen en zijn oude contacten met de Camorra. Don Masino, oftewel Tommaso Buscetta, studeerde op een haar na cum laude af. De titel van zijn scriptie luidde: ‘Het mensbeeld in het gedachtengoed van Gandhi’. 

    Levenslange gevangenisstraf of niet, de leden van de cosa nostra zijn ervan overtuigd dat ze vroeg of laat vrij zullen komen

    Maar wat drijft maffiosi er, naast de beperkingen van het 41 bis-gevangenisregime, toe om zo waanzinnig hard te studeren? Deskundigen zeggen: levenslange gevangenisstraf of niet, de leden van de cosa nostra zijn ervan overtuigd dat ze vroeg of laat vrij zullen komen. 

    Een paar jaar geleden kwamen de kranten met het opzienbarende nieuws dat Pietro Aglieri van de Corleone-clan cum laude was geslaagd voor zijn tentamen over de geschiedenis van het christendom, en dat hij in de Rebibbia-gevangenis zelfs complimenten had gekregen van de drie professoren in de commissie. Geen al te grote opgave voor de grootste filosoof van de Siciliaanse maffia, strateeg van de ‘zachte dissociatie’ (spijtoptant zijn zonder iemand te beschuldigen) die hij de toenmalige nationale antimaffia-aanklager Pierluigi Vigna beloofde. Hij was al sinds zijn actieve leven ten prooi aan een mystieke crisis, woonde in een hol waar hij een altaar had laten bouwen en kreeg terwijl hij werd gezocht bijna dagelijks bezoek van een monnik van de Orde van Ongeschoeide Karmelieten. 

    Aglieri had laten weten dat hij, als hij zichzelf ooit zou aangeven, niet naar de politie zou stappen maar naar de aartsbisschop van Palermo, Salvatore De Giorgi. Wat had hij, in de tijd dat hij voortvluchtig was, beter kunnen lezen dan het complete oeuvre van Edith Stein, de Duitse karmelietes en filosofe die in 1942 stierf in Auschwitz? Een maffiose intellectueel avant la lettre. 

    Net als die ander, als het tenminste waar is wat hem wordt toegeschreven, de beruchte, ongrijpbare Matteo Messina Denaro, hoofdrolspeler in een indrukwekkende correspondentie met Antonino Vaccarino, voormalig burgemeester van Castelvetrano en eigenaar van een bioscoop, die werd gearresteerd voor drugshandel. In opdracht van de geheime dienst schreef burgemeester Vaccarino onder het pseudoniem Suetonius brieven aan een mysterieuze ‘Alessio’, die niemand minder was dan Matteo. 

    Hij citeerde de Aeneis, bediscussieerde Toni Negri, beschouwde Bettino Craxi als ‘de beste politicus die Italië heeft gekend’. En hij haalde, vanuit zijn optiek niet te onpas, in elke brief de woorden aan van [de Braziliaanse schrijver] Jorge Amado: ‘Er is niets lagers dan rechtspraak die twee handen op één buik is met de politiek.’

    Het is een genuanceerde manier van denken die botst met de botheid van een Totò Riina, de primitiviteit van een Leoluca Bagarella en het groteske taalgebruik van Provenzano in zijn cryptische briefjes aan vrienden: ‘Sendi, kan jij me zeggen, jouw maat, die we in de lente ontmoet hebben, hij zal het wel weten, die groente, die we cichorei noemen, als hij kan vinden waar de aarde die cichorei draagt, kan hij dan wat zaadjes voor me bewaren, voor als het ontploft?’ Enzovoort.

    Doctorandus

    Die herontdekte berichten, en zijn manie – of wellicht was het noodzaak, om dreigende telefoontaps en andere afluistermethodes te omzeilen – om velletjes papier vol te kladden, kwamen Provenzano zelfs op een sneer van Riina te staan: ‘Mijn dorpsgenoot? Een beste man, al schrijft hij te veel.’

    Maar een mens verandert niet altijd door scholing. Zo is Cesare Lupo, maffioso uit Brancaccio en zwager van de bazen Giuseppe en Filippo Graviano, tijdens zijn opsluiting in Catanzaro afgestudeerd aan de Magna Graecia-universiteit met een scriptie over ‘Afpersing’. Hij wilde zijn diploma met champagne vieren, de gevangenis-directeur gaf hem een cola. Lupo was zo’n grote kenner van afpersing dat hij kort na zijn vrijlating opnieuw voor eenzelfde misdaad werd gearresteerd door agenten van de recherche van Palermo. 

    Dertig jaar na alle bloedbaden zijn ze allemaal ‘doctorandus’

    Dertig jaar na alle bloedbaden zijn ze allemaal ‘doctorandus’, de bazen van de cosa nostra. Wie weet, misschien hebben ze de oude Luciano Liggio tot voorbeeld genomen, de eerste maffiagevangene die een paar boeken in zijn cel had. Toen hij in de jaren zeventig werd gehoord door de parlementaire antimaffiacommissie, liet Liggio zich voorstaan op zijn kennis: ‘Ik heb van alles gelezen, over geschiedenis, filosofie, pedagogiek. De klassiekers. Ik heb Charles Dickens en Benedetto Croce gelezen.’ Om vervolgens, implicerend dat hij nooit een bekentenis zou ondertekenen, geheimzinnig te fluisteren: ‘Maar wie ik het meest bewonder is Socrates, iemand die nooit iets heeft geschreven, net als ik.’ 

    GettyImages 174303425
    Arrestatie van de crimineel Luciano Leggio in Milaan, 1974. © Adriano Alecchi / Mondadori / Getty
  • Maartnummer | Grondeigendom

    Maartnummer | Grondeigendom

    » Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Ivan Krastev over culturele misverstanden, Russische twijfels en de angst van Europeanen om te verdwijnen

    » Maffiosi verlaten cum laude de cel

    » Waarom mogen we eigenlijk grond bezitten?

    » Zijn we door corona betere mensen geworden?

    Betere mensen

    Redactioneel

    Van wie is grond en waarom? Die vraag wordt gesteld in een special van het Zwitserse Neue Zürcher Zeitung en is sinds een week weer extra relevant. Want grondbezit vergroot niet alleen ongelijkheid, het vormt ook een aanleiding voor de meeste oorlogen. In feite is het absurd om een vlag te planten en te zeggen: ‘Dit is van mij’, of om een streep door een land te trekken en te bepalen wie wat krijgt. Hadden we dat ingezien toen de eerste persoon in de geschiedenis beweerde dat grond van hem was, schreef Jean-Jacques Rousseau, dan had dat ons veel nood en ellende bespaard. Ook Adam Smith, die wel de vader van het kapitalisme wordt genoemd, wilde de handel in land niet aan de vrije markt overlaten. Maar het gebeurde, en de gevolgen kennen we allemaal.

    Net als die van erfenissen. Als de Duitse journalist Barbara Vorsamer een groot bedrag als verjaardagscadeau van haar vader krijgt, realiseert ze zich dat hij ‘geld te veel’ heeft en gaat ze op onderzoek uit. Wat betekent dit voor mij? Wat betekent het voor de samenleving? Tijdens haar queeste ontdekt ze onder andere dat vrijwel niemand zichzelf rijk vindt. Iedereen noemt wel de een of andere reden waarom hij dat niet zou zijn: je werkt er toch hard voor? Of: dat huis is lang geleden gekocht, toen het nog niet zo duur was. Blijkbaar gaat met rijkdom grote schaamte gepaard, maar er zijn niet veel mensen die daarnaar handelen.

    Aan intelligentie en ambitie blijkbaar geen gebrek; waar het aan ontbrak, was het juiste milieu

    Een van de gevolgen van ongelijkheid komt naar voren in het vrolijke artikel uit de nieuwe Italiaanse krant Domani, over maffiosi die hun celtijd benutten om te studeren en cum laude de gevangenis verlaten, terwijl ze daarvoor soms niet eens konden schrijven. Aan intelligentie en ambitie blijkbaar geen gebrek; waar het aan ontbrak, was het juiste milieu.

    Tekenend voor dat verguisde kapitalisme is ook dat een op de vijf Noord-Koreanen overweegt de grens over te gaan, terug ‘hun land’ in. Los van de voorstelbare heimwee naar het vertrouwde, zijn ze gedesillusioneerd door de arrogantie en het individualisme die ze tegenkomen in Zuid-Korea. ‘Zij hebben hun leven gewaagd om hierheen te komen en riskeren het vervolgens om weer weg te gaan. Dat zou een teken aan de wand moeten zijn’, schrijft Victoria Kim – en een zoveelste teken van hoe schadelijk de verdeling van land kan zijn.

    Nu de coronarestricties in veel Europese landen zijn opgeheven, worden we alweer geconfronteerd met de volgende crisis. Hebben we van de gebeurtenissen de afgelopen twee jaar dan in ieder geval iets geleerd? Zijn we misschien zelfs betere mensen geworden? Over die vragen laat de Mexicaanse arts en auteur Arnoldo Kraus zijn licht schijnen.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    Cover LR

  • Al 25 jaar zoekt de Duitse politie ‘de stille passagier’, moordenaar van de Langendonks

    Al 25 jaar zoekt de Duitse politie ‘de stille passagier’, moordenaar van de Langendonks

    In de zomer van 1997 gaan Truus en Harry Langendonk op vakantie naar Duitsland. De reis eindigt bij een bosrand bij Traunstein. Nog altijd zoekt de politie hun moordenaar, die op klaarlichte dag zoiets als de volmaakte misdaad lijkt te hebben gepleegd. 

    En hij dacht nog: Gek, wat doet een zakenman zo laat ’s nachts bij een bushalte? Tien over twee, zo laat rijden er toch allang geen bussen meer? Op dat tijdstip heeft een manager toch geen taxi nodig, de vluchten gaan pas veel later. Rond die tijd wordt hij toch alleen gebeld door dronkelappen of verliefden die elkaar ’s avonds vinden en de volgende morgen alweer vreemden voor elkaar zullen zijn. Maar een zakenman?

    Wolfgang Stahl ziet hem al van ver. Een man in een donker pak, licht overhemd, das, halflang haar. Zeven minuten eerder had hij vanuit de telefooncel hier een taxi besteld bij de halte Löwenberger Strasse, aan de uiterste rand van Neurenberg. Stahl stopt, opent de portier aan de bijrijderskant, maar de man sluit die meteen weer en stapt achter in. Stahl draait zich om, goedenavond, waar gaan we heen? ‘En toen dacht ik, man, wat ziet die eruit! Hij had smerige handen en zijn haar was nat van het zweet.’

    De man zegt dat hij naar het Hauptbahnhof wil. Dan zegt hij niets meer en zit onbeweeglijk op de achterbank, een stille passagier. Pas na twee, drie kilometer vraagt hij of hij met Franse francs kan betalen. Geen probleem, zegt Wolfgang Stahl. Hij roept de centrale op en vraagt om de wisselkoers. Dan geen woord meer tot het station.

    Een paar dagen later zal Stahl in de krant lezen over twee lijken die in deze nacht werden verbrand, even buiten de stad. Truus en Harry Langendonk, een echtpaar uit Nederland. Hij leest over het geld dat ze bij zich hadden voor de vakantie: guldens, schillings, francs. En hij zal de politie bellen en zeggen: hoor es, er zat een man bij mij in de taxi die mij in francs wilde betalen. En dat nog nooit iemand hem in Franse francs wilde betalen. 

    De smerige handen, de haren nat van het zweet, misschien toch geen zakenman

    Wolfgang Stahl, grijze haren, een bruin shirt, rijdt nog eens de route van toen. Hij is allang met pensioen, heeft allang geen taxi meer, maar hij hoeft de bushalte maar te zien en meteen zit hij weer in die nacht in 1997. Alles staat hem meteen weer voor de geest. De smerige handen, de haren nat van het zweet, misschien toch geen zakenman. En zijn dialect, Oostenrijks.

    Het is allemaal bijna vijfentwintig jaar geleden. Vijfentwintig jaar, wat klinkt dat ontzettend lang geleden. En toch is het nog altijd alsof het gisteren was. Stahl rijdt nu naar het centraal station van Neurenberg. Een bouwplaats, wachtende auto’s. Toen was het hier veel minder druk, zegt Stahl, zeker ’s nachts. Dan blijft hij staan, wijst op een lantaarnpaal naast de ingang van het station. ‘Daar heb ik ‘m uit laten stappen.’

    100 francs

    Die nacht in juni 1997, tegen 2.30 uur. De stille passagier heeft betaald: 100 francs. Hij loopt door de hal, maar maakt na een paar meter rechtsomkeert en komt terug naar de taxi. Hij steekt zijn hoofd door het achterportier naar binnen, zegt dat hij geen Duits geld heeft en of Stahl nog eens 100 francs voor hem kan wisselen. Dat kan. Stahl geeft hem 30 mark. De man gooit het portier dicht en verdwijnt.

    Voor Wolfgang Stahl is de rit daarmee afgelopen. Maar de passagier loopt door het station, misschien kijkt hij of er nog treinen gaan, misschien denkt hij koortsachtig na, wie zal het zeggen. Zeker is alleen dat hij aan de andere kant van het station naar buiten loopt en een tweede taxi neemt. Zijn vlucht gaat verder.

    Bijna vijfentwintig jaar later is de politie nog steeds op zoek naar die man. Een man die bij een bosrand in de buurt van Traunstein twee vakantiegangers neerschiet: Truus en Harry Langendonk. Die ze bovendien nog de keel doorsnijdt, op klaarlichte dag, ze later in hun camper legt en daarmee rijdt, en blijft rijden, net zo lang tot de brandstof op is. Hoofdzaak is: wegwezen. Die de auto vlak voor Neurenberg parkeert, alles in brand steekt en dan een raadselachtige reis door de nacht begint en in de ochtendschemer weer precies daar aankomt waar hij deze bizarre misdaad beging. De politie zoekt een man die twee mensen ombrengt en daarbij zo onwaarschijnlijk veel geluk heeft dat hij bijna zoiets als de volmaakte misdaad begaat. 

    Stefan Stampfl is op dit moment de enige die de moordenaar van de Langendonks nog zoekt

    Maar het is beter om op de laatste dag van de Langendonks ergens anders te beginnen. Bij het middagmaal. Marquartstein, een dorp in de Chiemgau, nog geen drie uur met de auto ten zuiden van Neurenberg. Stefan Stampfl stopt voor een klein huis, stapt uit. Voor hem ligt het dal, met de kerktoren, verderweg glinstert de Chiemsee. Een omgeving die door een siersmid vormgegeven lijkt. Stampfl loopt om het huis heen, kijkt de tuin in, waar het klimop over de muur heen groeit, gaat een paar stappen terug, kijkt langs de gevel omhoog, waar de stuc afbrokkelt, het hout verweerd is. Op het balkonhek is de naam nog herkenbaar: ‘Wirtshaus Zum Schlossberg’, de letters zijn al lange tijd niet meer bijgewerkt. Aan alles in deze geschiedenis knaagt de tand des tijds.

    Stefan Stampfl, negenenveertig, is hoofdcommissaris bij de recherche in Traunstein. Een man die in alles een opgeruimde indruk maakt: in zijn kleding, zijn zinnen, zijn stemming. Hij heeft een glad gezicht, krachtige armen, en is 1 meter 95 lang. Harry Langendonk was bijna even lang.

    Stampf onderzoekt vanaf het begin de zaak. In 1997 was hij een van de dienstdoende agenten die het bos op de plek van de misdaad onderzochten. In 2003 zat hij in de speciale commissie (Soko) die nog eens met alle getuigen heeft gesproken, de taxichauffeurs, de omwonenden die de schoten en de schreeuwen gehoord hebben. In 2015 heeft hij de opsporing overgenomen. En nu? Stefan Stampfl is op dit moment de enige die de moordenaar van de Langendonks nog zoekt.

    Bovendien koopt Harry een bierglas met opdruk van het Wirtshaus. Voor thuis.

    Het overwoekerde café in Marquartstein dus. Hier hebben de twee gegeten voordat ze later met hun camper naar de bosrand zijn gereden. De plek van de misdaad. 7 juni 1997, 12.30 uur. Hoewel het buiten mooi weer is, gaan Truus en Harry Langendonk binnen aan een tafeltje zitten. Hij bestelt braadworsten en gebakken aardappeltjes. Hij drinkt er een appelsap bij. Zij eet niets, drinkt alleen een beetje zwarte thee. Ze zijn intussen negen dagen onderweg. Ze vertellen de serveerster over hun reis, zeggen dat ze Reit im Winkl graag willen bezoeken. Bovendien koopt Harry een bierglas met opdruk van het Wirtshaus. Voor thuis.

    Slechts uren later, na de moord, zal de stille passagier met een tweede taxi uit Neurenberg terugrijden. Hij zal de chauffeur lange tijd niet precies zeggen waar hij heen wil, zal zijn bestemming steeds weer veranderen, hij zal ook Marquartstein een keer noemen. Uitgerekend. Hebben de Langendonks hun moordenaar hier al ontmoet, bij het middagmaal?

    Camper

    Truus en Harry Langendonk leidden wat je een normaal, misschien wel gelukkig, leven noemt. Hun bedrijf, een remservice, hadden ze jaren geleden al verkocht. Tijdens hun pensioen wilde ze vooral reizen. Ze hadden een nieuwe camper aangeschaft, een Mercedes, type Westfalia. Het kenteken wordt later in de kranten afgedrukt, ingevoegd onder ‘Registratienummer XY… onopgelost’: VB-13-JK.

    De Langendonks woonden in Delden, twintig minuten van de Duitse grens. Truus, eenenzestig, las graag en verliet het huis nooit zonder gestifte lippen. Harry, drieënzestig, verstopte elk jaar kakelend een paar paaseieren voor zijn kleinkinderen. Ze speelden beiden piano en in hun huis stond een klok die hij als jongeman zelf had gebouwd. Met kerst. Er is een foto van hen waarop hij staat in een leren jasje, een kettinkje aan de pols, zij in een zomerjackje met kortgeknipte haren, ze proosten met elkaar en glimlachen.

    Hun vakantiegeld nemen ze contant mee: guldens, francs, marken en schillings. Ze betalen liever niet met creditcard

    In een Nederlandse reisblad lezen de Langendonks over de Duitse Alpenstrasse. Adembenemend, staat er boven het artikel. Ze besluiten de route te rijden met de camper. Hun vakantiegeld nemen ze contant mee: guldens, francs, marken en schillings. Ze betalen liever niet met creditcard. 

    Op 29 mei 1997 vertrekken ze vanuit Delden, langs de Rijn, naar de Alpen. Na een paar dagen sturen ze hun dochters een ansichtkaart uit Sigmaringen. Ze bezoeken slot Neuschwanstein en slot Linderhof, ze rijden naar Oberammergau en naar Wieskirche en maken daar overal foto’s die de politie later zal ontwikkelen. Uit Garmisch sturen ze een brief, ze schrijven dat ze in Mittenwald waren. Ze hadden een oude viool bij zich, die ze daar wilden laten taxeren. De politie zal resten daarvan terugvinden in de uitgebrande camper: snaren en werveltjes.

    Stefan Stampfl, de rechercheur, stapt weer in zijn auto, laat het overwoekerde Wirtshaus achter zich en rijdt richting Traunstein. Rechts rijzen de bergen op als stomme getuigen, links strekken de velden zich uit. De politie heeft gereconstrueerd hoe de Langendonks op de plek van de misdaad zijn gekomen. Deze weg kunnen ze genomen hebben. Bij een oud gebouw van de post in Siegsdorf, kort voor Traunstein, stopt Stampfl nog eens. Een saai gebouw, duifgrijs gestuct. In de jaren negentig stonden overal in het land nog telefooncellen, ook hier. Tegen de muur zijn de omtrekken ervan nog zichtbaar.

    Op 7 juni 1997, ergens tussen 13.30 en 14.30 uur, bellen de Langendonks een laatste keer naar huis. Ze spreken met hun schoonzoon, zeggen dat ze bij de Chiemsee zijn, en daar nog wat zullen blijven. Bij de benzinepomp aan de overkant staat een vrouw aan de kassa. Ze ziet hoe Truus Langendonk eerst alleen telefoneert, dan komt haar man erbij, ze wurmen zich met z’n tweeën in de telefooncel. Tot slot zeggen ze dat de munten op zijn. Ze bellen altijd tot de munten op zijn.

    Vanaf het tankstation is het niet ver meer, een paar kilometer die het leven scheiden van de dood

    Ongeveer een kwartier zijn de Langendonks hier geweest, ze tanken en kopen twee ijsjes bij de cassière. De politie zal haar later vragen of er nog iemand anders bij was. Zat er misschien nog iemand in de camper, stond er iemand in de buurt en stapte die ook in?

    Van het tankstation is het niet ver meer, een paar kilometer die het leven scheiden van de dood. Stefan Stampfl rijdt nog eens door Traunstein heen, de B304 op, steeds verder, dan scherp naar links een smalle veldweg in die langs de bosrand omhoog voert, sparren, struiken. Dan blijft hij staan. Bij het Litzlwalchener Hölzl. De plek van de misdaad.

    Litzlwalchen, dat zijn een paar huizen en boerderijen, verder alleen velden en bos. Een dorpje zo nietig en verloren dat het lijkt of het uit de broekzak van een reus is gevallen. Het is mogelijk dat de Langendonks juist daarom hierheen zijn gereden. Omdat het een rustig plekje is.

    Modelvliegers

    7 juni 1997 is een zaterdag. De zon schijnt uitbundig, 23 graden. In Litzlwalchen zijn verschillende modelvliegers bezig. Een echtpaar brengt de hele middag door bij de vliegplaats, recht tegenover de bosrand. In het dorp is een jonge moeder in de tuin bezig, haar man bouwt een vliegengordijn voor de terrasdeur. Een paar huizen verder kijkt een oudere dame tv.

    Tussen 15 en 16 uur. Truus en Harry Langendonk parkeren hun camper langs de bosrand. Verscheidene getuigen zien de auto daar. Ze beschrijven ook dat er een tafeltje en stoelen bij het voertuig staan. Misschien drinken de Langendonks koffie, misschien doen ze een dutje, niemand die het weet.

    Waarschijnlijk is dat ze hier uitrusten. Zeker is dat ze hier sterven.

    Waar de dader ook vandaan komt, wat hij hier ook wil, omstreeks 18 uur schiet hij

    Op enig moment zien de modelvliegers personen bij de camper, maar ze kunnen de politie later niet zeggen hoeveel het er zijn. De hut van de vliegers staat ongeveer 400 meter bij de Langendonks vandaan, hoe moeten ze weten of het er drie zijn, of vier? En waar komt de dader vandaan? Uit het bos, over de veldweg, uit het dorp?

    Waarschijnlijk is er sprake van strijd. Omwonenden melden bij hun verhoor een blaffende stem, zoals bij commando’s. Zeker is dat de dader zijn moorden pleegt aan de kant van het bos, onzichtbaar achter de camper. Waar de dader ook vandaan komt, wat hij hier ook wil, omstreeks 18 uur schiet hij. De modelvliegers horen het, de jonge moeder in de tuin hoort het en verderop in Biebing horen ze de schoten ook. Nu eens worden er twee genoemd, dan weer vier of zes.

    Waarschijnlijk verzet Harry Langendonk zich. Hij heeft op reis een tafelpoot bij zich, die niet bij de camper hoort, om zich te verdedigen, je weet maar nooit. Misschien grijpt hij er naar, hij ligt later buiten de auto, in de struiken. Zeker is dat de dader Harry dood schiet, door het hoofd. Meerdere getuigen horen een vrouw schreeuwen, krijsen, de modelvliegers horen haar, de jonge moeder hoort haar. Truus Langendonk is in paniek, ze krijgt een kogel in de borst.

    Het is waarschijnlijk dat het pistool van de dader een keer blokkeert, dat hij een keer doorlaadt, de extractor wipt een onafgevuurd projectiel uit de loop, dat blijft in het gras liggen, alles verloopt heel snel; het kan zijn dat de vrouw nog om hulp schreeuwt, het is mogelijk dat de dader daarom meer haast maakt met zijn waanzin. Zeker is dat hij Truus Langendonk doodt door haar keel door te snijden, dat doet hij ook bij haar man, de duivel mag weten waarom, Harry Langendonk is toch al dood. De duivel mag weten wat hem die dag bezielt.

    Aflevering 719

    Boven in het dorp zit de oudere dame in haar huis en kijkt tv. Ze hoort de schoten, ze hoort het schreeuwen. Ze blijft tv kijken. Op ORF 2 is het dierenprogramma Wie wil mij hebben? bezig. Aflevering 719. De politie leidt daar later het tijdstip van de misdaad uit af. Buiten schijnt de zon, binnen vraagt de presentatrice Edith Klinger om een nieuw thuis voor haar in de steek gelaten honden en katten. En beneden aan de bosrand sterven twee mensen.

    Men zegt altijd – een oude criminologische wijsheid – dat de plaats delict veel zou zeggen over de dader. Hier vertelt die zo goed als niks over hem. Wellicht omdat niet de dader, maar de slachtoffers de plek hebben uitgezocht. Stefan Stampfl zegt: ‘Het is nauwelijks voorstelbaar dat de Langendonks hierheen geloodst werden.’ Ze overnachtten alleen op campings, bij kerken of politiebureau’s. Waarom zouden ze een vreemde volgen naar het bos?

    Getuigen dachten dat er een jager had geschoten – en dat de schreeuwen van een ree waren

    Toch heeft Stampfl zich steeds opnieuw afgevraagd of ze hun moordenaar al eerder op de dag ontmoet kunnen hebben. De stille passagier. Merkt hij die twee op, met hun nieuwe camper, en blijft hij ze volgen? Biedt hij zich aan als kenner van de streek, als reisgids? Maar niets wijst daarop. De serveerster ziet de Langendonks bij het middagmaal alleen met z’n tweeën. De caissière ziet niemand anders bij de benzinepomp. ‘Daarom gaan we ervan uit dat die persoon de Hollanders inderdaad op de plaats delict is tegengekomen.’ 

    FCA8A096 DE7C 4E6E B58C CAFED87D2370
    © Friedrich Bungert/ Süddeutsche Zeitung

    Stampfl zet een paar stappen in de struiken. Het mos klimt omhoog langs de sparren, meer vooraan groeien jonge scheuten. Het bos verandert, maar de vragen blijven. Waarheen trekt de dader zich terug? Posteert hij zich ergens, kijkt hij of er iemand komt: politieauto’s of wandelaars?

    Het paar dat indertijd bij de vliegplaats zat, ziet na de schoten nog iemand bij de camper. ‘Beweging,’ zegt Stampfl, ‘daarom hebben ze er verder niet bij nagedacht.’ Tegen de rechercheurs zeggen ze later dat ze dachten dat er een jager had geschoten – en dat de schreeuwen van een ree waren.

    Mensen bellen de politie als iemand verkeerd parkeert. Mensen bellen de politie als iemand te luidruchtig barbecue’t. Mensen horen schoten, horen geschreeuw, maar de politie wordt niet gebeld. Dat is voor het onderzoek tot op heden de grootste ramp. Voor de dader is het slechts één van de vele momenten waarop hij geluk heeft gehad. Onwaarschijnlijk veel geluk.

    Die stilte

    Die stilte, zegt Tabea Block, die stilte zal ze niet vergeten. Het was een heel rustige dag, zelfs de B304, waar anders altijd auto’s langs razen, was niet te horen. Dan verscheurt een schot de lucht. ‘Een bruut gekrijs, een vrouw.’ Weer schoten, meerdere achter elkaar. Dan niets meer. ‘Ik dacht nog: wat gek.’ Als het jongelui waren die iets idioots uithaalden, dan zou het daarna toch niet stil zijn. Dan zou het pas echt beginnen. 

    Tabea Block was zesentwintig jaar, haar kinderen waren nog klein en ze was hier in de tuin bezig. Een kordate vrouw, vriendelijk, maar met een uitdagend lachje. Zij ging toen naar haar man, die in de kelder een vliegengordijn had gemaakt. Hé, had ze tegen hem gezegd, dat was raar, daarnet, dat schot, en dat geschreeuw. Hm, zei hij, ik weet het ook niet.

    Wat je niet ziet, bestaat toch niet? Of wel?

    Ze loopt nu de weg af, tot aan de velden. Dan wijst ze naar het bos. Ziet u? ‘Onmogelijk,’ zegt Block. De bomen, de hoek, de plaats delict is van hier af niet te zien. ‘Als ik iets had gezien, dan had ik de politie gebeld. Maar ik heb niets gezien. ’s Avonds dacht ze er al niet meer aan. Wat je niet ziet, bestaat toch niet? Of wel?

    Tabea Block weet nog hoe de rechercheurs voor haar deur stonden. Hoe koud ze het kreeg. IJskoud.  

    Het onderzoek werd indertijd geleid door Werner Weiss. Ruim een week na de misdaad werd hij naar Litzlwalchen geroepen; tot dat moment dacht men nog dat Truus en Harry Langendonk vermoord werden op de plek waar ze ook verbrand werden. ‘Brutale roofmoord bij Neurenberg’ stond er in de Süddeutsche Zeitung. In de Abendzeitung: ‘Nieuw spoor in de dubbelmoord van Neurenberg’. De stille passagier had het voor elkaar gekregen om de plaats delict te verhullen.

    Maar dan voert het onderzoek naar Litzlwalchen. Weiss had dienst; met een collega zocht hij de bosrand af, de veldweg, de weide. Ze vonden patroonhulzen. De bril van Truus. Vertrapt gras. Ze alarmeerden het bureau, de sporen moesten veiliggesteld worden; ze vormden een Soko, bijna zeventig man, het hele protocol.

    Werner Weiss, vierenzestig, ziet er een beetje uit zoals je je een gepensioneerde commissaris voorstelt. In jeans met overhemd, een snorbaard en een donker getinte bril. Ook hij gaat nog eens langs de plaats delict, waar eerder Stefan Stampfl liep. Weiss was hier al jaren niet meer geweest, hij draait een sigaret, rookt en kijkt rond. ‘Elke keer een heel gek gevoel.’ 

    Regen

    Alles op de plaats delict leek indertijd de politie tegen te werken. Niet alleen dat het dagen duurde voordat hij ontdekt werd. Het regende ook, steeds weer. Weiss zegt: ‘Het goot zonder ophouden.’ De hulzen en het uitgeworpen projectiel verraden tenminste nog met welk pistool de Langendonks werden doodgeschoten: een Tokarew, TT-33, kaliber 7.62. Een ordonnanswapen van het Sovjetleger. In Duitsland nogal zeldzaam, in Oost-Europa wijd verbreid. Wat zegt dat over degene die het gebruikt? Ze dachten toen alle kanten op. Eén mogelijkheid: ‘Dit wapen, en vervolgens de keel doorsnijden met een mes – heeft die dader misschien ervaring uit een burgeroorlog?’

    Iemand doodschieten van een of twee meter afstand, dat is één ding. Iets heel anders is het om op hem af te gaan, hem misschien zelfs beet te pakken, zijn lichaamswarmte te voelen, al is het maar een seconde, zijn paniek, razende beelden, hem dan een lemmet tegen de hals te drukken, zo strak als het kan, en dan te trekken. Wie zoiets doet – daarvan gaan de onderzoekers uit – pleegt niet zijn eerste misdaad.

    Maar van één ding zijn ze overtuigd: dat de dader bekend is met de omgeving. Dat hij hier gewoond of gewerkt heeft. Op z’n minst hier op bezoek is geweest. ‘Hij doet alles om het hier bezemschoon te maken,’ zegt Werner Weiss. Hij neemt zelfs het risico om urenlang met twee lijken door de streek te rijden – en komt dan weer terug. ‘Als die niet van hier zou zijn, wat moet die hier dan?’

    7 juni 1997, tot 20.00 uur. De dader gunt zich na de schoten lang de tijd, twee uur. Lang genoeg om tot bezinning te komen, na te denken. Ergens in deze tijdspanne besluit hij op te ruimen. Hij legt de lijken in de camper, klapt het tafeltje en de stoelen in, werpt de tafelpoot in de struiken. Wat hij vindt, laat hij verdwijnen.

    Onopgemerkt rijdt hij de vallende nacht in. Achterin de camper liggen twee lijken

    Tussen 20.00 en 20.15 uur zien meerdere getuigen de camper manoeuvreren en wegrijden van de bosrand. Het is waarschijnlijk dat de dader daarbij het opstapje over het hoofd ziet. Dat hij er ’s morgens nog eens heen gaat, kijkt of hij iets vergeten is, en het ding diep het bos in draagt, enkele honderden meters. Zeker is dat de politie het daar later vindt. Het is overreden, het blik is verbogen, het ligt onder een vermolmde boomstronk.

    De dader rijdt van de veldweg de B304 op. Stefan Stampfl, die hem tot op heden zoekt, kan slechts vermoeden dat zijn route hem dan naar de snelweg voert. Onopgemerkt rijdt hij de vallende nacht in. Achterin de camper liggen twee lijken.

    Aan een van de sparren aan de bosrand hangt een krans, rozen en klimop van plastic en ijzerdraad. De kleur is uit de bloemen verdwenen, maar ze hangen daar nog, al meer dan twintig jaar. Van de familie.

    8 juni 1997, vanaf 0.30 uur. De camper parkeert op een bosweg naast de kruising van de snelweg Neurenberg-Oost, een paar kilometer van de stad. De stille passagier is zo ver gereden als maar mogelijk was. In de tank zit nog maar drie liter diesel, het waarschuwingslichtje brandde al een hele tijd. Op de weg ligt een hoop aarde, de dader hobbelt daar wellicht tegenaan, wil misschien nog uitwijken. Hij trekt de sleutel uit het contactslot en laat hem in de camper liggen.

    Gasfles

    0.55 uur. De camper staat in lichterlaaie. De passagier benut een gasfles die hij in het voertuig aantreft, wikkelt een lapje om het ventiel en steekt alles aan. Een verwoestende hitte, de bekleding valt van het dak, van de stoelen blijven alleen staketsels over. Het vuur vernietigt alle DNA-sporen die de dader in de auto achterlaat. De lijken van Truus en Harry verbranden.

    Wanneer twee vrouwen de brand melden, is de stille passagier al onderweg in de stad. Hij vlucht bijna drie kilometer te voet; bezweet zal hij in de Löwenbergerstrasse aankomen. Het is waarschijnlijk dat de brandweer en de politie hem tegenkomen. Blauw zwaailicht, sirenes. Dat hij gestresst raakt, tussen de struiken springt, oversteekt naar de andere kant van de weg en zich verbergt achter schuttingen. Zeker is dat de politie langs de weg steeds weer voorwerpen uit de camper vindt. Dingen die de passagier eerst meeneemt, waarom dan ook – en dan weg gooit.

    De paspoorten van de slachtoffers liggen in het gras, een brillehoes, een notitieboekje. Achter een houten schutting ligt hun portemonnee vol marken en guldens. De dader kan die verloren hebben, waarom zou hij die weg gooien? Het ging hem waarschijnlijk toch om het geld? 

    Staat hij misschien op een van die foto’s?

    Ergens werpt hij het fototoestel van de Langendonks weg. Hij neemt zelfs de tijd om er twee fotorolletjes uit te trekken. Waarom? Staat hij misschien op een van die foto’s? De recherche zal nog een paar foto’s kunnen ontwikkelen: slot Neuschwannstein, Harry aan het meer, Truus in de bergen. Het belichten heeft de beelden onduidelijk gemaakt, alsof iemand er een sluier voor gehangen heeft. De dader tonen ze niet.

    Eerst maakt hij de plaats delict schoon, dan vernietigt hij de meeste van zijn sporen en blijft tot op heden onontdekt. Maar, zegt Stefan Stampfl, ‘ergens heeft hij een fout gemaakt. Misschien hebben we die alleen nog niet gevonden.’

    In Litzlwalchen volgt Stampfl nu een grindweg die het bos in loopt. Het grind knerpt, zonlicht filtert door de bomen, buiten zeilt een modelvliegtuigje boven het veld. Het ziet er bijna belachelijk onschuldig uit. Misschien was dat juist het probleem.

    Honderdveertig ordners

    Stampfl heeft het gebeurde al zo vaak doordacht, en het dossier (honderdveertig ordners) zo vaak doorgelezen. Hij kan het gedrag van de dader niet verklaren. Er zijn momenten waarop hij volledig doelgericht handelt. De afweging of hij het risico zal nemen om met twee lijken in de auto gecontroleerd te worden. ‘En dat heeft hij overwogen, want hij heeft twee uur de tijd gehad.’ Maar er zijn ook momenten waarop hij volkomen chaotisch handelt. Waarom neemt hij spullen mee die voor hem geen waarde hebben, de paspoorten, de brillenhoes, en gooit ze dan toch weg? Geen enkele aanwijzing geeft daar een antwoord op.

    Natuurlijk ook niet op de eigenlijke vraag: waarom dit alles? Stefan Stampfl zegt: ‘Ik denk dat het een toevalstreffer was. Hij ziet de camper, denkt: daar kan ik snel een paar honderd mark jatten. Hij gaat er naartoe, speelt mooi weer, kletst een beetje, peilt de situatie. Dan eist hij geld, en escaleert het.’

    Toeval. Maar waarom dan het wapen? ‘Op die dag had hij het bij zich, waarom dan ook.’ Als hij alleen was. De politie acht het nog steeds mogelijk dat er meerdere daders waren. Dat de stille passagier alleen de schoonmaker was die alles wegwerkte, terwijl de moordenaar onderdook.

    Meer dan driehonders personen hebben Stampfl en zijn collega’s al als mogelijke daders onderzocht. Steeds opnieuw hebben ze geprobeerd uit te vinden waarom de man zo’n haast had om terug te komen. Wie zou zijn ontbreken de volgende ochtend zijn opgevallen?

    Ruim tweeduizend aanwijzingen, en geen enkele voerde tot dusver naar de dader

    Ze hebben alle huizen in de buurt nagetrokken: moest hij naar zijn gezin, had hij hier een auto staan? Ze zijn alle boerderijen langs gegaan: moest hij naar de stal? Ze hebben de wegwerkers ondervraagd die in die periode aan de B304 werkten, moest hij naar zijn werk? Ze hebben de kazerne in Traunstein gecheckt en de bosbezitters, een bruiloft en alle feestjes die dat weekend gevierd werden, de krantencolporteurs en de matrassenverkopers die toen van deur tot deur gingen.

    Maar overal: niets.

    Ook doen ze onderzoek in Oostenrijk, naar een man uit de buurt van Graz. Stampfl rechercheert langzaam naar hem toe: was hij in 1997 een keer in Traunstein? Stampfl trekt het net rond hem steeds verder dicht: waar heeft hij gewoond? Nog dichter: in welke auto’s reed hij? Stampfl doet weken, maanden onderzoek. Dan is het een zaak van minuten, seconden uiteindelijk. Komt er een fax van de rederij: de man zat op een schip in Noorwegen toen de Langendonks werden vermoord.

    Ruim tweeduizend aanwijzingen, en geen enkele voerde tot dusver naar de dader. Toch weet de politie hoe hij er ongeveer uit zag. De taxichauffeurs konden hem heel goed beschrijven: de stille passagier was tussen dertig en vijfendertig jaar oud, ongeveer 1 meter 80 tot 1.85 lang en sprak Oostenrijks, misschien ook Beiers. Haar: blond, sluik, halflang. Hij leek een beetje op prins IJzerhart, een beetje de jonge Rod Stewart. In elk geval geen alledaags gezicht. Hoe kan hij zich zo lang verborgen houden?

    Frank Behring zit in het kleine park bij de zuidelijke uitgang van het Hauptbahnhof van Neurenberg. Eigenlijk heet hij anders, maar omdat zijn echte naam een beetje ongewoon is, zou de dader hem probleemloos via Google kunnen vinden. Dus moet hij hier Frank Behring heten. In de jaren negentig reed hij in de weekenden vaak een taxi, ook in die nacht in juni 1997. Hij was het die de stille passagier terug gereden heeft naar de Chiemgau. Niemand in dit verhaal heeft zoveel tijd met hem doorgebracht als Behring.

    Daar, zegt hij nu, en wijst op de postbusgrijze uitgang, daar kwam de man het station uit.

    8 juni 1997, om 2.30 uur. De stille passagier stapt in Frank Behrings taxi, gaat opnieuw achterin zitten. Ook Behring vallen meteen zijn natte haren op, het colbertjasje draagt de man intussen over de arm. Of Behring ook langere ritten doet? Zeker. Of hij met een creditkaart kan betalen? Nee. Behring heeft geen uitleesapparaat bij zich. Contant dus.

    Het grootste deel wil de passagier deze keer niet in francs betalen maar in schillings. Bovendien heeft hij nog 30 mark. Zoveel als Wolfgang Stahl, de eerste taxichauffeur, hem een paar minuten geleden heeft gewisseld.

    Notitieboekje

    Frank Behring is een pietje precies, bijna pijnlijk precies. Hij heeft zijn notitieboekje meegebracht, hij heeft alles opgeschreven, flarden herinnering, brokstukken van zinnen, alles wat hem achteraf nog te binnen geschoten is. De recherche roept hem steeds opnieuw op, confronteert hem met verdachten, hij wordt een keer onder hypnose verhoord. Ze proberen Behring uit te wringen als een spons. Als iemand hun iets over de stille passagier kon vertellen, was hij het.

    ‘Erg spraakzaam was hij niet,’ zegt Frank Behring nu op het parkbankje. ’Wat opviel aan die figuur was dat die kleren niet bij hem pasten.’ Het kan zijn dat de dader zich heeft omgekleed, misschien had hij dat pak uit de bagage van Harry Langendonk genomen. Het kan zelfs zijn dat hij een pruik op had.

    Na 2.30 uur. Behring probeert op de een of andere manier met de stille passagier in gesprek te komen. De man zegt dat hij zijn vriendin graag wil treffen. Dat hij haar is misgelopen. Maar hij weet blijkbaar helemaal niet precies waar hij heen wil. In Neurenberg heeft hij het over München. Ongeveer 30 kilometer later, ter hoogte van Hilpoltstein, vraagt hij naar het centraal station van München. Vijf minuten later wil hij naar het Noordooststation, waar dat ook is, en daarna naar de luchthaven, tot hij overschakelt naar Traunstein, naar Marquartstein. Weet hij dat zijn slachtoffers daar gegeten hebben?

    Dan een telefoontje: het DNA van een man, iemand die ze nog niet kenden

    Het lijkt haast alsof de stille passagier met de routewijzigingen in deze nacht ook steeds een paar raadsels wil opgeven, kruimels die zijn vervolgers oprapen, maar ze kunnen hem niet vinden.

    Tot op heden geven de mensen tips, elke drie, vier weken. Stefan Stampfl trekt ze allemaal na. Jaar na jaar gaat voorbij en steeds weer zijn er van die momenten waarop hij heel even euforisch wordt. In 2015 vinden ze een gespecialiseerd laboratorium in Innsbruck, waar ze de portemonnee van de Langendonks nog eens laten onderzoeken. Ze laten elke naad lostornen, elke schilfer komt onder de microscoop. Dan een telefoontje: het DNA van een man, iemand die ze nog niet kenden. ‘Toen was ons duidelijk dat de dader er met zijn vingers ingezeten had en de biljetten had gezien.’ Dan de volgende domper. Stampfl zegt: ‘een gerechtigde sporenlater.’ Iemand van de familie had de portemonnee in handen gehad.

    De dochters

    Het beeld schokt een beetje als de drie vrouwen inloggen, camera’s worden in- en uitgeschakeld, nog eens inloggen, dan verschijnen ze op het beelscherm, elk in eigen huis, met kamerplanten, keukenkastjes, hartverwarmend normaal: Monique, Ellen en Karin Langendonk. De dochters van Truus en Harry.

    Karin en Ellen zijn een tweeling, beide negenenvijftig. De ene met kortgeknipt haar, de ander met een indianenkapsel. Monique is de oudste, tweeënzestig, met een diepe stem. Vrouwen met twee levens – een voor, en een na de moord op hun ouders. Ze waren indertijd juist begin dertig – en opeens waren ze wees.

    Wat je niet ziet, dat bestaat toch niet? 

    Ze beginnen meteen te vertellen over die krankzinnige eerste maanden, die onwerkelijke tijd. Karin zegt: ‘Ik had het gevoel alsof ik in Tatort meespeelde.’ In het nieuws werden familiefoto’s getoond, cameraploegen belegerden het huis in Delden. Toen de mensen van de boulevardpers allang weer weg waren, brachten politie-genten de sieraden die hun ouders gedragen hadden.

    De drie zussen waren altijd heel close, en toch waren ze plotseling erg alleen. Ellen zegt: ‘We hebben het elk voor onszelf verwerkt.’ Een beetje zoals nu op het beeldscherm: drie gezichten, elk in haar eigen venster. Monique, de oudste, keek jarenlang naar geparkeerde auto’s. Ging door de stad en prentte zich kentekens in, zomaar. ‘Zodat ik de politie kan helpen als er iets gebeurt.’

    Karin droomde steeds weer van haar ouders, juist in de eerste maanden. Hoe konden ze dood zijn? Toen ze weg reden, leefden ze toch nog? Het punt is dat de dader hun niet alleen hun moeder en vader heeft afgenomen, maar ook het afscheid. De dochters hebben het stoffelijk overschot van hun ouders nooit gezien, ze hebben afscheid genomen van twee houten kisten. De politie heeft hun ontraden om de kisten te openen.

    Wat je niet ziet, dat bestaat toch niet? Monique Langendonk zegt: ‘Wij zullen nooit weten of ze daarin lagen. Maar het moet wel zo zijn. Ze hebben zich sindsdien nooit meer aan ons vertoond.’

    Als een pop

    8 juni 1997, voor 3.36 uur. Het blijft een vreemde rit. Het valt Frank Behring op dat de man volkomen rustig op de achterbank zit, als een pop. Later herinnert hij zich dat de passagier iets vertelde over een symfonieorkest, over klassieke muziek. De Langendonks hadden toch een viool bij zich, de wervels in de verkoolde resten, ze wilden het instrument toch laten taxeren. De rechercheurs halen half Mittenwald overhoop, spreken met de vioolbouwers, de knechten, maar niets, overal niets.

    8 juni 1997, 3.36 uur. Frank Behring slaat af bij de Raststätte Holledau. De man wilde naar Marquartstein, maar Behring weet in de Chiemgau de weg niet. Hij koopt een kaart bij het tankstation, de stille passagier blijft zitten. Op de Raststätte zijn overal camera’s, ze registreren de taxi, laten zien dat er op de achterbank iemand zit, maar de taxi blijft precies zo staan dat zijn gezicht schuilgaat achter een zuil. Was Behring maar een tiende seconde vroeger of later gestopt, dan zou de man vol in beeld zijn geweest. 

    3.41 uur. De taxi rijdt verder. Hoeveel geluk kan iemand hebben? Geluk dat niemand in Litzwalchen de politie belt. Geluk dat hij op de rit naar Neurenberg nergens gecontroleerd wordt. Geluk dat de bewakingscamera op de Raststätte hem mist. En geluk dat de regen de sporen aan de bosrand voor altijd uitwist.

    Die vervloekte hoop. Eerst draagt ze je, dan laat ze je vallen

    Een paar jaar geleden was er in Beieren een amnestieregeling: een jaar lang konden de mensen illegale wapens inleveren bij de kantoren van de Landrat – ongestraft. Stefan Stampfl wilde weten of daarbij ook een of andere Tokarew opdook. Het wapen van de misdaad werd nooit gevonden, maar de verschoten munitie is een van de belangrijkste sporen, allemaal in databanken opgeslagen. Stampfl en zijn collega’s doen navraag, en inderdaad werd het model in de Landkreis Traunstein en Berchtesgadener Land meerdere malen ingeleverd. Om precies te zijn: meer dan dertig van die pistolen. De spanning stijgt.

    De pistolen worden onderzocht. Stampfl brengt ze zelf naar München, naar het laboratorium van het Landeskriminalamt. Hij kijkt over de schouder van de deskundige mee wanneer de projectielen onder een stereomicroscoop worden vergeleken. Hij denkt aan de bezoeken van de zusjes Langendonk in Traunstein. Hij denkt aan de wenskaarten die ze elk jaar met kerst sturen.

    Hij hoopt. En wordt teleurgesteld. Die vervloekte hoop. Eerst draagt ze je, dan laat ze je vallen. Steeds opnieuw. Intussen probeert Stampfl niet meer opgewonden te zijn als een spoor duidelijker wordt.

    Ellen Langendonk zegt: ‘Wij hopen niet al te zeer.’ Monique Langendonk zegt: ‘Uit zelfbescherming.’ Karin Langendonk zegt: ‘Het is gebeurd, en je moet ermee dealen. We moeten dealen met veel dingen die daar gebeurd zijn.’

    Vijfentwintig jaar

    Bijna vijfentwintig jaar is de dader al op de vlucht. 51.000 euro beloning voor de tip die tot zijn arrestatie leidt. Het grootste deel komt van de dochters. Soms belt Stampfl ze op en vraagt of ze het bedrag handhaven. Een formaliteit eigenlijk. De brekende stem aan de andere kant. De sprakeloze seconden. Ja, elke keer weer. Hoe lang de misdaad ook geleden is, ze blijft voor de betrokkenen toch steeds nabij.

    Wolfgang Stahl, de eerste taxichauffeur bekijkt sinds de moord de mensen die ’s nachts bij hem in de auto stappen met meer aandacht. Heeft zich vaker omgedraaid, om gezichten te monsteren.

    Tabea Block, de omwonende, heeft een hond aangeschaft. Van haar huis tot de plaats delict is het maar een paar minuten lopen. Ze is er nooit meer heen gegaan.

    ‘Waarom, jochie, heb je dat gedaan? Wat ging er in je om? Wat is hier gebeurd?’

    Werner Weiss, de gepensioneerde commissaris, is zelf eigenaar van een camper. Vroeger zou hij die zonder nadenken aan een bosrand parkeren. Sindsdien altijd weer die bedenkingen.

    Frank Behring, de tweede taxichauffeur, bergt tot op heden alles over de zaak op in een map: notities, foto’s, krantenartikelen. Alles netjes en accuraat, meestal zelfs met de verschijningsdatum erbij.

    Stefan Stampfl, de rechercheur, rijdt elke drie of vier maanden naar de bosrand, stapt uit en staat daar dan gewoon, met de handen in de zakken. Dan denkt hij na, zegt Stampfl. ‘Waarom, jochie, heb je dat gedaan? Wat ging er in je om? Wat is hier gebeurd?’ Dan rijdt hij verder. 

    Monique Langendonk, de oudste dochter maakt soms mee dat mensen klagen over hun zieke ouders. Over de zorg, de stress. Dan denkt ze bij zichzelf: waar klagen jullie over? Hoe graag zou zij haar ouders verzorgen.

    Omkeren

    8 juni 1997, voor 5 uur. Frank Behring rijdt met de stille passagier verder naar het zuiden, over de A8, de Bernauer berg, langs de Chiemsee, daar waren Truus en Harry Langendonk nog, ze hebben foto’s gemaakt op Herrenchiemsee. In Grabenstätt slaat Behring rechtsaf naar Marquartstein. Dan buigt de man voor het eerst naar voren en vraagt hoe laat het is. Dan wil hij opeens omkeren, meteen. De passagier verandert zijn bestemming voor de laatste keer. ‘Ik heb hem gezegd: U moet toch zo langzamerhand weten waar u heen wilt.’

    Plotseling weet de man verbazend goed de weg. Hij loodst Behring naar Traunstein, door de stad heen. Zegt: rijdt u daar langs en daar langs, verder, naar de B304, steeds verder, tot aan het bos. Behring herinnert zich dat de passagier nog eens vraagt hoe laat het is. Waarom vraagt hij steeds naar de tijd?

    Op een bepaald moment zegt de man: daarginds komt nu een bushokje, daar wil hij uitstappen. ‘Bushokje’, dat woord heeft Behring onthouden. Naar de plek waar Truus en Harry Langendonk vermoord werden is het van hier af maar een paar honderd meter. Over ongeveer twee uur valt de eerste regen.

    5.10 uur. Behring stopt midden op de weg, dat kan hier om deze tijd. De rit kost uiteindelijk 500 mark. De man geeft hem 30 mark en 3300 schilling. ‘Toen zei hij nog: zo snel zijn 500 mark weg.’ Je bent gek, denkt Frank Behring. Was dan met de trein gegaan. Dan stapt de stille passagier uit. Behring ziet hem nog in de achteruitkijkspiegel, ziet hoe hij het bos in loopt.

    En dan is hij verdwenen.

    Lees ook:

  • ‘Deze generatie meisjes pikt het niet langer’: Italiaanse school bezet vanwege seksueel geweld

    ‘Deze generatie meisjes pikt het niet langer’: Italiaanse school bezet vanwege seksueel geweld

    Terwijl in Nederland kranten en praatprogramma’s worden beheerst door nieuws over #MeToo-schandalen, is Italië in de ban van een aanrandingsschandaal op een middelbare school in Cosenza. Boze leerlingen hebben de school sinds 3 februari bezet.

    ‘Sinds een paar dagen bezetten leerlingen in Castrolibero, bij Cosenza, het Valentini-Majorana Lyceum, nadat de school niet reageerde op klachten van studenten over seksuele intimidatie, met name door één bepaalde docent.’ Zo begint nieuwszender 24 Sky Italia zijn berichtgeving ‘over een delicate kwestie waar de onderwijsinspectie en het parket van Cosenza nu onderzoek naar doen.’

    De studenten houden de school al sinds 3 februari bezet terwijl de regionale onderwijsinspectie van Calabrië een onderzoek is gestart om vast te stellen wat er precies is gebeurd. ‘Op de ochtend van 7 februari ging een ambtenaar naar het lyceum’, aldus 24 Sky Italia, ‘voor een onderzoek op basis van een rapport dat door het hoofd van de middelbare school naar de onderwijsinspectie is gestuurd. Daar was ook om gevraagd door de ouders van de leerlingen.’

    Instagram

    De journalistieke onderzoekssite Fanpage.it begint zijn artikel over het schandaal specifieker: ‘Vrouwelijke leerlingen die het doelwit zijn van seksueel getinte grappen. Leraren die intieme delen van meisjes betasten en onfatsoenlijke voorstellen doen. Zomaar een greep uit “Castrolibero-gate”, de zaak die door de leerlingen van het Valentini-Majorana Lyceum aanhangig is gemaakt, die nu al een week speelt en die er alle schijn van heeft nog lang niet afgelopen te zijn.’ 

    ‘Het begon allemaal eind januari’, vervolgt Fanpage, ‘toen een oud-leerlinge van het instituut het Instagram-profiel “Call out Valentini-Majorana” aanmaakte waarin ze vermeende wandaden, ook van een paar jaar geleden, onverbloemd aan de kaak stelde. “Moe van de fysieke en verbale intimidatie door het onderwijzend personeel dat werd getolereerd door het schoolhoofd”, schreef de leerlinge bij het profiel. Haar eerste bericht luidde: “Weg met de pedofielen van het Valentini-Majorana”.’ 

    De leerlingen van het lyceum, die nu tot het bittere einde protesteren om schorsing te eisen van de leraren die bij het schandaal betrokken zijn, zeggen dat ze herhaaldelijk voorvallen van seksuele intimidatie hebben gemeld aan het hoofd van de school, Iolanda Maletta, maar tot nog toe heeft zij alles in de doofpot gestopt of er althans niets mee gedaan heeft. En dat terwijl ze volgens de regels verplicht is dergelijke meldingen door te geven aan de onderwijsinspectie.

    ‘De veertienjarige leerlinge kreeg het aanbod om een ​​naaktfoto te sturen in ruil voor een goed cijfer’

    ‘Volgens getuigen gaat het in het bijzonder om één ​​docent die jarenlang onafgebroken meisjes zou hebben lastiggevallen’, schrijft Fanpage. De docent zou grensoverschrijdende opmerkingen hebben gemaakt over het meisje dat de zaak aan de kaak heeft gesteld. Hij zou ‘haar voor de klas hebben geroepen en opmerkingen hebben gemaakt over haar grote borsten. Bij een andere gelegenheid kreeg de toen veertienjarige leerlinge naar verluidt het aanbod om een ​​naaktfoto te sturen in ruil voor een goed cijfer.’

    Fanpage schrijft dat het meisje alles eerst thuis heeft gemeld en vervolgens bij de directeur. Maar die zou de klachten hebben genegeerd, zelfs toen, volgens de leerlingen, ‘een video van het meisje binnen de school was gaan circuleren die leraren zouden hebben bekeken waarna ze anderen aanmoedigden om deze te delen in chats.’ 

    Na de berichten van het Instagram-account, waarvan de identiteit van de eigenaar om privacyredenen anoniem wordt gehouden, maar waarachter een meisje schuilgaat waarvan de naam bij de carabinieri bekend is, volgden er tientallen klachten van andere leerlingen. Veel meisjes zouden zichzelf in het verhaal hebben herkend en op hun beurt misstanden, in sommige gevallen fysieke seksuele intimidatie, aan de kaak hebben gesteld. Een leerlinge zegt bijvoorbeeld dat een andere leraar naast haar kwam zitten en zijn hand eerst op haar rug en daarna op haar billen legde.

    E-mail

    Voor de onderzoekers is het lastige van de zaak, zoals zo vaak in dit soort gevallen, dat directe bewijzen ontbreken. Er is, zoals Fanpage het omschrijft, ‘zelfs geen klein detail dat een smoking gun kan worden.’ De broer van een van de meisjes is zich daarvan bewust, zo liet hij in een openbare brief weten, maar hij heeft in ieder geval bewijs in handen dat de school gefaald heeft: ‘Er kan niet worden gezegd dat de school er niets van wist, gezien een e-mail in mijn bezit, die de afspraak bevestigt die ik met de grootste spoed had aangevraagd vanwege de precaire psychische toestand van mijn zus.’ De mail bevestigt een afspraak met de school op 28 juni 2018. ‘Een afspraak waarbij mijn moeder en ik ons ​​prompt presenteerden voor een confrontatie met de betreffende leraar, en die, zoals blijkt, niets waard bleek te zijn.’

    In gesprek met Fanpage zei de broer: ‘De lont ging een paar weken geleden in het kruitvat toen mijn zus de leraar in kwestie tegenkwam terwijl ze door de gang van de school liep. Hij zou tegen haar hebben gezegd “Ik had je harder moeten aanpakken”. Volgens de broer van de jonge vrouw die aangifte deed van het incident, “heeft dat de wond weer opengemaakt die nooit echt geheeld was en die ontstond in de laatste dagen van juni 2018, toen zij als weerloze veertienjarige haar eerste traumatische gebeurtenis met deze leraar beleefde”.’

    ‘Ik juich de moed van deze meisjes uit Cosenza toe’

    ‘Ik juich de moed van deze meisjes uit Cosenza toe, en applaudisseer voor hun kracht om dit geweld aan de kaak te stellen.’ Dat zegt Elena Bonetti, minister voor Gelijke Kansen en Familie in de regering van Mario Draghi, in gesprek met La Repubblica. ‘Ze laten zien dat ze de weerbaarheid hebben die nodig is om intimidatie en seksisme te herkennen en af te wijzen. Nu is het aan de minister van Onderwijs Bianchi, die al een inspectie is begonnen, en aan de rechterlijke macht, om de feiten te verifiëren en ernaar te handelen. Het onderzoek moet duchtig zijn en ik weet zeker dat Bianchi tot de bodem zal gaan. Maar één ding is zeker: deze generatie meisjes pikt het niet langer’.

    Bonetti zegt geraakt te zijn door de gebeurtenissen op de school in Cosenza. ‘Ik werd getroffen door de woorden van een meisje dat zei: “Ik kon geen onderscheid maken tussen smerigheid en galanterie”. Maar uiteindelijk viel het kwartje. Daar moeten we op scholen aan werken: meisjes maar ook jongens helpen om gendergerelateerd en andere vormen van geweld te leren herkennen.’ 

    Seksistische cultuur

    In een interview dat Corrado Zunino van La Repubblica eerder deed, zegt Diana, het meisje dat als eerste een klacht indiende: ‘Van het tweede tot het vierde jaar was er constant sprake van seksueel geweld van de betreffende docent tegen mij en mijn klasgenoten. Niemand van ons, ondergedompeld als we waren in de seksistische cultuur van de school, bedacht echter dat het geweld zou kunnen zijn.’ Maar zelfs toen de meisjes zich realiseerden wat er daadwerkelijk aan de hand was en dat vervolgens aan de kaak stelden, werden hun klachten door volwassenen verworpen. 

    Als het aan Bonetti ligt is dat voor het laatst: ‘Instituten zijn er om burgers te dienen en niet om zichzelf te verdedigen.’ Dat geldt ook voor onderwijsinstellingen: ‘Studenten moeten gehoord worden.’ 

    Vooralsnog blijft het lyceum in Cosenza in ieder geval nog bezet door boze studenten.

  • Zuid-Afrikanen hebben hun vertrouwen in de overheid verloren

    Zuid-Afrikanen hebben hun vertrouwen in de overheid verloren

    Zuid-Afrikaanse gemeenschappen die het vóór corona al zwaar hadden, nemen het heft in eigen handen omdat de overheid verstek laat gaan. Initiatieven worden opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk.

    Eén avond per week, als ze gaan patrouilleren in de straten van Thembokwezi, laten Natasha Msweswe en Zanele Madasi hun kinderen alleen. Pas om middernacht zijn ze weer thuis. Het is potentieel gevaarlijk, maar ze hebben weinig keus. ‘We knijpen ‘m soms wel, maar we willen onze gemeenschap beschermen,’ zegt Madasi (31). ‘We willen het verschil maken.’

    Thembokwezi is een wijk in Khayelitsha, het grootste, overbevolkte township van Kaapstad, waar bendegeweld, drugsmisbruik en werkloosheid welig tieren. De Zuid-Afrikaanse politie laat zich hier nauwelijks zien en daarom speelt een netwerk van buurtwachten een cruciale rol in de misdaadbestrijding. Thembokwezi is welvarender en veiliger dan de rest van het township, en dat willen de inwoners graag zo houden. ‘Natuurlijk werken we met de politie samen,’ zegt Phindile George, het hoofd van de buurtwacht, die vijftig vrijwilligers telt, onder wie Msweswe en Madasi. ‘Maar als we met de armen over elkaar gaan zitten wachten, krijgen bendes hier de vrije hand.’

    ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven’

    Zo nemen tienduizenden Zuid-Afrikanen, verspreid over het hele land, het heft in eigen handen. Sommigen geven les of zorgen voor een betrouwbare elektriciteitsvoorziening, anderen organiseren inentingscampagnes, repareren wegen, delen water uit of leveren beschermende kleding aan ziekenhuizen. Het zijn initiatieven die zijn opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die nu grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk. De gemene deler is een vrijwel volslagen gebrek aan vertrouwen in de Zuid-Afrikaanse overheid als probleemoplosser. ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven. Het vertrouwen is tot het nulpunt gedaald. Het is een tragedie,’ zegt William Gumede, een gerespecteerd analist, gevestigd in Johannesburg.

    Dat de overheid van het meest ontwikkelde land van het continent zich uit het dagelijkse leven heeft teruggetrokken, heeft verstrekkende gevolgen: het beïnvloedt de manier waarop mensen denken, zich gedragen en met elkaar omgaan, vooral in tijden van crisis. De dood van de alom gerespecteerde Desmond Tutu zorgde voor een moment van zowel rouw als paradoxale hoop. Na maandenlang door hachelijke omstandigheden uit elkaar te zijn gedreven, werden Zuid-Afrikanen weer even herinnerd aan wat hen onderling bindt. 

    Ontevredenheid

    De meeste Zuid-Afrikanen hadden het al zwaar voor de pandemie losbrak. De ontevredenheid over het regerende ANC, de partij die sinds de val van het racistische, repressieve apartheidsregime aan de macht is, neemt al jaren toe. De economische groei was al aan het stagneren vóór het negenjarige bewind van Jacob Zuma, de populistische president die in 2018 werd ontslagen na talloze beschuldigingen van corruptie. Ondanks de goede bedoelingen van de huidige president, oud-vakbondsleider en mijnmagnaat Cyril Ramaphosa, is er sinds diens installatie weinig te vieren geweest. De economie liep tijdens de pandemie zware klappen op. Stroomonderbrekingen hebben fabrieken en bedrijven wekenlang lamgelegd en de openbare gezondheidszorg is door wanbeheer en corruptie ernstig uitgehold. Volgens de regering zijn er negentigduizend Zuid-Afrikanen overleden aan corona, maar uit betrouwbare oversterftecijfers komt een dodental naar voren dat twee tot drie keer zo hoog ligt. Het werkloosheidspercentage ligt op een schrikbarende 46 procent. 

    Tijdens de ergste verstoring van de openbare orde in decennia werden in juli 2021 in een groot deel van Zuid-Afrika winkelcentra geplunderd, warenhuizen in brand gestoken en cruciale infrastructuur aangevallen. Het geweld leek bewust aangewakkerd door afvallige facties binnen de regerende partij, die woedend waren dat Zuma wegens minachting van de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd had gekregen, waardoor het vertrouwen in de overheid een verdere deuk opliep en een aantal Zuid-Afrikanen hun frustratie botvierden op straat.

    Buurtwacht

    De buurtwacht in Thembokwezi is bedoeld als aanvulling op de politie, maar in een ruiger deel van Khayelitsha is een gemeenschap de confrontatie met de plaatselijke autoriteiten aangegaan. Toen een strenge lockdown aan het begin van de pandemie in 2020 leidde tot grootschalige illegale ontruimingen, bezetten honderden daklozen een stuk braakliggend terrein om er houten en golfplaten huisjes te bouwen. ‘Politici houden ons al jaren voor dat ze hier huizen voor ons zullen neerzetten,’ vertelt gemeenschapsleider Mabhelandile Twani (40). ‘Ze houden zich niet aan hun beloftes, dus nu hebben we het heft in eigen handen genomen.’ 

    Ondanks pogingen om deze mensen opnieuw te verdrijven, is hun buurt tot bloei gekomen. Er wonen inmiddels meer dan vijftienduizend mensen in de rijen met krotten op de zanderige grond. Elektriciteit wordt van beter voorziene straten in de buurt afgetapt. Twani noemt het ‘volksstroom’. De wijk staat bekend als Lockdown Village. En er zijn veel meer van dit soort nederzettingen, ontstaan uit de ellende die corona heeft veroorzaakt in een land dat zich geen steunmaatregelen kan permitteren zoals in Europa of de VS. 

    In de townships stelen drugsdealers watertanks van scholen

    In Khayelitsha zijn er nu nederzettingen met namen als Sanitiser, Quarantine en Social Distance. ‘Het leven is nu zo zwaar. We krijgen geen overheidshulp. We proberen het zelf te rooien,’ zegt Nondwebi Kasba (73), die helpt bij het beheer van een gemeenschappelijke moestuin die buurtbewoners in het Illitha Park in Khayelitsha hebben opgezet om de allerarmsten te helpen. Ook Graaff-Reinet, een conservatief stadje in de Karoo-woestijn, duizend kilometer oostwaarts, kampt met tekorten aan voorzieningen die de overheid ooit bood. In de townships aan de rand van Graaff-Reinet stelen drugsdealers watertanks van scholen om de inhoud ervan naast cannabis en metamfetamine (crystal meth) te verkopen. Niemand meldt het bij de politie, ervan uitgaande dat die toch niet komt. 

    Banen zijn schaars. Opleidingsmogelijkheden waarmee jongeren aan hun situatie kunnen ontsnappen ook. Khanya Mbaile, een 31-jarige administrateur, hoopt een koffietent annex internetcafé te beginnen om de jongeren in het township waar ze woont een veilige ontmoetingsplek te bieden. Ze heeft met hulp van een ngo al zes computers aangeschaft. ‘We zijn allemaal doodop, maar er gloort een sprankje hoop,’ zegt Mbaile. De 58-jarige Louisa Masimela, een van de vele Zuid-Afrikaanse probleemoplossers, runt in een township ten zuiden van Graaff-Reinet een gemeenschapsschool voor jonge kinderen. De voormalige journaliste heeft geen vaste lokalen voor haar leerlingen, geen geld om de onderwijzers te betalen en drinkwater is ook een probleem. ‘Het valt allemaal niet mee, maar we willen onze kinderen een opleiding geven waarmee ze later kunnen uitvliegen,’ zegt Masimela. Dus heeft ze zelf oplossingen gevonden: een kerk biedt het schooltje doordeweeks ruimte aan en er zijn zeven vrijwilligers die lesgeven. 

    Water ontvangen ze van The Gift of Givers, een van de grootste ngo’s van Afrika. Die organisatie, volledig gefinancierd door particuliere donateurs, voornamelijk bedrijven, verdeelt jaarlijks 400 miljoen rand, circa 23 miljoen euro, aan hulp. In de provincie Oost-Kaap helpt de ngo ziekenhuizen door het verstrekken van broodnodige persoonlijke beschermingsmiddelen, medicijnen, zuurstofapparatuur, 
    voedsel voor de patiënten en zelfs goodiebags om het personeel te motiveren. Elders in de provincie, een van de armste van Zuid-Afrika, heeft de ngo water naar arme gemeenschappen getransporteerd, waterputten gegraven, en zaden, veevoer en voedsel voor weeshuizen geregeld. 

    ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen. Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project’ 

    ‘Er zitten een hoop goede mensen in de regering die het juiste willen doen, en ik zie dingen veranderen. Het zijn geen enorme veranderingen, maar mensen willen de problemen aanpakken,’ zegt Imtiaz Sooliman, oprichter van The Gift of Givers. ‘We moeten de gaten opvullen, maar dat neemt de spanningen niet weg. De mensen vragen waarom wij het werk van de overheid doen.’

    De recente gemeenteraadsverkiezingen zijn voor veel analisten een reden voor optimisme. Het ANC werd door de kiezers afgestraft: het verloor 8,3 procent aan stemmen en bijna duizend raadszetels. In veel kleine steden, waaronder Graaff-Reinet, werd de partij gedwongen de macht te delen en ook in steden als Johannesburg en Pretoria brokkelde haar positie verder af. In verschillende steden sloegen lokale gemeenschappen de handen ineen om politieke alternatieven te creëren die op aardig wat aanhang konden rekenen. ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen,’ zegt William Gumede. ‘Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project.’ 

    Politieke opties

    Er is een duidelijke behoefte aan politieke opties die een authentiek alternatief bieden voor het ANC, maar die ontsnappen aan de giftige erfenis van het traumatische verleden van Zuid-Afrika. Dat het ANC de nationale politiek domineert, betekent dat de belangrijkste politieke gevechten binnen de organisatie plaatsvinden. Analist Judith Februari schreef in december voor Daily Maverick: ‘Van de onlusten in juli tot de falende inlichtingendiensten, van het groeiende antivax-sentiment tot het vasthouden aan kolenbelangen: de spanningen binnen de partij komen het land niet ten goede. Ramaphosa’s greep op de macht lijkt zwak en onvast.’

    De langverwachte regen die een einde maakte aan de vijf jaar durende droogte heeft de landbouwsector geholpen om de elders geleden verliezen te compenseren, zeggen de boeren, maar de belangrijkste industrie, het toerisme, is door enorme verliezen aan omzet en werkgelegenheid zwaar getroffen door de pandemie.  ‘Het is een regelrechte ramp,’ zegt de 59-jarige Kobus Potgieter, die een bed and breakfast runt op zijn boerderij even buiten Oudtshoorn, gelegen aan de spectaculaire Route 62, de beroemde, ooit drukbezochte toeristische autoweg. Na zestien jaar overweegt hij de handdoek in de ring te gooien, of op zijn minst af te slanken.

    ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven’

    Om potentiële bezoekers ervan te overtuigen dat het dorp veilig is, zette het toeristenbureau van Franschhoek met behulp van crowdfunding en financiële steun van grote bedrijven en de plaatselijke overheid een vaccinatiecampagne op poten. In november was 85 procent van de horecamedewerkers gevaccineerd. Maar net toen de toeristen begonnen terug te keren, gooide de omikron-variant met nieuwe reisverboden roet in het eten. 

    ‘Het was een zware klap,’ zegt marketingmanager Ruth McCourt. In een van de landen met de meeste ongelijkheid ter wereld doorstaan sommigen de economische en politieke storm beter dan anderen. De inwoners van Franschhoek geven toe dat ze in een soort ‘bubbel’ leven. Dat geldt niet voor de half miljoen inwoners van Khayelitsha, die weinig bescherming genieten tegen de nieuwe coronagolf die door het land raast. ‘Het wordt een zwarte Kerst,’ zei Twani, de gemeenschapsleider in Lockdown Village, in december. ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven. De mensen zijn boos. God weet wat er nog staat te gebeuren. Het kan alle kanten opgaan.’

  • Na staatsgreep in Burkina Faso vragen demonstranten Rusland om hulp

    Na staatsgreep in Burkina Faso vragen demonstranten Rusland om hulp

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duitsland: gezamenlijke coming out van katholieke lhbti’ers

    » Schrijver Maya Angelou is eerste zwarte vrouw op Amerikaanse munt

    Het leger heeft de macht gegrepen in Burkina Faso


    ‘De ochtend na de staatsgreep in Burkina Faso had een menigte feestvierders die de militaire machtsovername vierden op het stoffige hoofdplein van de hoofdstad, twee boodschappen voor de buitenwereld: nee tegen Frankrijk, en ja tegen Rusland’, schrijft The New York Times.

    Maandag vond er in het West-Afrikaanse land een coup plaats waarbij het leger de burgerregering afzette en de president gevangenzette. Sympathisanten van de staatsgreep zijn het beu dat hun regering en Frankrijk er niet in slagen het geweld van islamitische militanten te stoppen en roepen nu Rusland op om in te grijpen.

    Sinds 2016 zijn er door het geweld 1,4 miljoen mensen op de vlucht geraakt, dat tweeduizend mensen het leven heeft gekost en twee derde van het land heeft gedestabiliseerd.

    ‘Veel deelnemers aan het protest zeiden dat ze geïnspireerd waren door de Russische interventie in de Centraal-Afrikaanse Republiek, waar Russen de president bewaken, Russische bedrijven diamanten delven en Russische huurlingen vorig jaar een islamistisch offensief afsloegen’, aldus NYT. Recenter verleenden de Russen bovendien militaire steun aan Mali, het land ten noorden van Burkina Faso.

    Het is vooralsnog onduidelijk of het militaire bewind de hulp van Rusland zal inroepen.

    Lees ook:

  • ‘Ontvoering is Nigeria’s snelst groeiende markt.’ Hoe de lokale bevolking lijdt onder bendegeweld

    ‘Ontvoering is Nigeria’s snelst groeiende markt.’ Hoe de lokale bevolking lijdt onder bendegeweld

    Nigeria was vorige week opnieuw getuige van dodelijke aanvallen door gewapende bendes in de noordwestelijke staat Zamfara. De regering heeft grote moeite met het stoppen van de herhaaldelijke aanslagen die de bevolking terroriseren, aldus de internationale pers.

    Bij verschillende aanvallen door gewapende bendes in de staat Zamfara zijn vorige week zeker tweehonderd mensen om het leven gekomen. Dit liet een woordvoerster van Sadiya Umar Farouq, de Nigeriaanse minister van Humanitaire Zaken, dit weekend weten, aldus Al Jazeera. Grote aantallen bandieten op motoren gingen dagenlang tekeer in lokale gemeenschappen, waarbij mensen werden neergeschoten en huizen in brand werden gestoken.

    Daarmee was het ‘een van de dodelijkste’ aanslagen in het noordwesten van Nigeria tot nu toe, volgens Voice of America. De aanvallen die plaatsvonden in negen verschillende dorpen, begonnen vorige week dinsdag en duurden tot donderdag. De autoriteiten lieten weten dat er naast de tweehonderd slachtoffers nog veel dorpelingen worden vermist.

    Terroristen

    De bijna tienduizend mensen die het geweld inmiddels zijn ontvlucht, zijn volgens de autoriteiten bang om naar huis terug te keren, meldt Voice of America. Overlevenden bevestigden aan BBC dat ‘motorbendes dorp na dorp aanvielen en zonder onderscheid op de bevolking schoten’.

    Enkele dagen voor de aanvallen had de regering de bandieten officieel tot terroristen bestempeld, waardoor veiligheidstroepen zwaardere sancties konden opleggen aan de bendes en hun aanhangers.

    Dat resulteerde in militaire luchtaanvallen rond de schuilplaatsen van de gewapende bendes, waarbij volgens de autoriteiten meer dan honderd bandieten werden gedood, waaronder twee van hun leiders. Inwoners van de staat Zamfara beschouwen de aanvallen op hun dorpen als een vergelding voor deze militaire acties.

    De bendes maken deel uit van geavanceerde netwerken van criminelen die opereren in een heel groot gebied en die zich vaak bezighouden met veediefstal, ontvoeringen voor losgeld en het doden van degenen die zich tegen hen verzetten.

    Ook BBC beschouwt de aanslagen als een reactie op de militaire luchtaanvallen, die enkele criminele bendes ertoe dwongen hun schuilplaatsen in het bos te verlaten. ‘Deze groepen kwellen de Zamfara-regio en de aangrenzende staten al jaren’, aldus de BBC.

    ‘Ontvoering is de snelst groeiende markt in Nigeria’

    Volgens Al Jazeera vindt het geweld zijn oorsprong in botsingen tussen nomadische herders en sedentaire boeren die strijden om natuurlijke hulpbronnen en land. In de loop van de tijd zijn bepaalde groepen overgestapt op de georganiseerde misdaad.

    Sinds eind 2020 richten bendes zich ook op scholen, en ontvoeringen van meer dan veertienhonderd scholieren zorgden voor grote internationale verontwaardiging. ‘Ontvoering is de snelst groeiende markt in Nigeria’, zegt Ahmed Idris, de correspondent van Al Jazeera in Abuja, ‘vooral in de gebieden in het noordwesten van het land waar waar weinig of geen overheidstoezicht is.’

    ‘Het conflict wordt steeds dodelijker naarmate de veiligheidstroepen worstelen om het probleem aan te pakken’, aldus Idris, die eraan toevoegde dat de middelen steeds schaarser worden nu het leger moet worden ingezet bij crises die woeden in vierendertig van de zesendertig Nigeriaanse staten.

    Volgens Yusuf Anka, een veiligheidsanalist in de regio die werd geïnterviewd door The Guardian, zijn de acties van het leger tegen de bendes een bron van zorg voor de lokale bevolking, die represailles vreest. De geschiedenis laat namelijk zien dat bandieten na dergelijke operaties de neiging hebben om hun woede af te reageren op lokale gemeenschappen, aldus Anka.

    ‘De soldaten komen en vertrekken weer binnen enkele weken‘

    Hij ziet dat ook als reden waarom de bevolking uiteindelijk de hoop verliest. ‘De soldaten komen en vertrekken weer binnen enkele weken, maar de lokale bevolking betaalt de prijs‘, is zijn analyse. De luchtaanvallen zijn vaak te beperkt om effectief te zijn, omdat bandieten kans zien om op de vlucht slaan en naar andere delen van de regio trekken.

    Wat het leger moet doen, volgens Anka, is operaties lanceren in de gehele regio, zodat bandieten niet zo makkelijk van de ene plek naar de andere kunnen gaan. Hij pleit ervoor om ‘passende bescherming te installeren’, bijvoorbeeld door grootschalige operaties te op te zetten en zo te voorkomen dat de bendes de tijd en de vrijheid vinden om van schuilplaats te veranderen.

    Lees ook:

  • GitHub sluit Indiase website die moslima’s ‘ter veiling’ aanbiedt

    GitHub sluit Indiase website die moslima’s ‘ter veiling’ aanbiedt

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Polen en Hongarije kochten Pegasus-spyware kort na bezoek Netanyahu

    » Tesla bekritiseerd om openen showroom in Chinese regio Xinjiang

    Indiase moslima’s vaker slachtoffer van misbruik en geweld

    Quratulain Rehbar, een journalist in India, trof onlangs een profiel van zichzelf aan op nepveilingwebsite Bulli Bai, die zijn naam ontleent aan een scheldwoord voor moslima’s. Rehbar werd daar ‘ter veiling’ aangeboden, evenals tientallen andere moslima’s, waaronder beroemde vrouwen zoals Nobelprijswinnaar Malala Yousafzai, schrijft The Washington Post. Veel van deze vrouwen bekritiseren het hindoenationalisme en de behandeling van etnische en religieuze minderheden in India door premier Narendra Modi en zijn rechtse Bharatiya Janata-partij (BJP).

    Modi en de BJP voeren een agenda die de nadruk legt op het primaat van hindoes in het land. De afgelopen maanden laaide een golf van religieus geweld op tussen hindoes en moslims, waarbij critici van de BJP worden aangevallen door bendes. Online en soms offline misbruik en geweld zijn vooral wijdverbreid tegen vrouwelijke tegenstanders van het hindoenationalisme.

    De website, gebouwd op het populaire Amerikaanse coderingsplatform GitHub, werd overigens direct door GitHub gesloten na een stroom van online protesten.

    Lees ook:

  • Waarom de hel van Squid Game bij Koreaanse kijkers veel minder afgrijzen wekt

    Waarom de hel van Squid Game bij Koreaanse kijkers veel minder afgrijzen wekt

    De Zuid-Koreaanse politiek filosoof Park Lee Dae-seung stelt dat de hitserie Squid Game van Netflix veel realistischer is dan zij lijkt. En die neiging tot ‘anti-fantasy’ is kenmerkend voor de Zuid-Koreaanse populaire cultuur.

    Een van de geheimen van de populariteit van Squid Game ligt in de speciale relatie met de realiteit. De serie is waarachtiger dan je zou denken. Het idee dat een machtig en mysterieus wezen mensen insluit om hun dodelijke spelletjes op te leggen, is al eerder verbeeld, maar dan vooral in het fantasygenre. Het geweld in deze serie daarentegen, hoe extreem ook, is realistisch, waardoor het geheel meer thriller dan horror is.

    Een van de schokkendste scènes is die waarin de gastheren van het spel hun maskers afzetten. Het blijken geen almachtige wezens te zijn, maar gewone mensen, net als de gamers. Achter het geweld waarbij bloed in het rond spatte en inwendige organen zijn gemutileerd, zit niet een transcendent wezen, maar zitten echte mensen met een gezicht.‘

    Opvallend is dat de Zuid-Koreaanse pers minder aandacht heeft besteed aan de inhoud van de serie dan aan de grote zegetocht van de nationale culturele industrie die Squid Game belichaamt. Misschien is de hel die in de serie wordt weergegeven niet heel schokkend of vreemd voor Koreaanse kijkers, maar de buitenlandse pers kijkt er gefascineerd en met afgrijzen naar.

    De wereldwijde rage die de serie heeft ontketend, toont de breedgedragen angst dat zo’n hel bestaat of dat die ons in de toekomst misschien wacht. Invloedrijke internationale media als The New York TimesThe GuardianLe Monde en Der Spiegel publiceerden artikelen waarin de ongelijkheden en het geweld in de Zuid-Koreaanse samenleving worden belicht. En dat heeft Koreaanse kijkers op hun beurt perplex doen staan. Ze zijn er niet meer zo zeker van of ze het wereldwijde succes van dit nationale product moeten vieren of dat ze hun wenkbrauwen moeten optrekken omdat de serie hun samenleving als een hel neerzet.

    ‘Squid Game is een allegorie van de Koreaanse samenleving, en die is op haar beurt een allegorie van het mondiale kapitalisme’

    Die neiging tot ‘anti-fantasy’ is kenmerkend voor de Zuid-Koreaanse populaire cultuur. Scheppers uit Hollywood of Japan geven eerder de voorkeur aan een andere planeet of een verre toekomst om eenvoudig en schaamteloos een metafoor voor sociaal geweld neer te zetten, omdat dat geweld in het echte leven vaak verborgen is. Sommige waarheden kunnen ze niet anders weergeven dan door middel van dystopische of apocalyptische fictie.

    Koreaanse kunstenaars daarentegen blinken juist uit door zich te richten op de realiteit. Het kelderappartement in de film Parasite van Bong Joon-ho uit 2019 werkt beter om sociale ongelijkheid te illustreren dan de laatste treinwagon die kriskras over een verwoeste planeet rijdt in Snowpiercer, een film van de Koreaanse regisseur uit 2013. Aangezien het verleden en het heden van Zuid-Korea er zelf van getuigen hoe sociaal geweld werkt, is het niet nodig is om toevlucht te zoeken in het fantasygenre.

    Het is lastig om een andere samenleving dan Zuid-Korea te vinden die zo duidelijk laat zien hoe het kapitalisme sociaal geweld reproduceert. Mensen in de toekomst hoeven alleen maar naar de geschiedenis van het land te kijken om het kapitalisme van de eenentwintigste eeuw te begrijpen, vooral als ze willen weten hoe mensen louter als object worden behandeld. Squid Game is een allegorie van de Koreaanse samenleving, en die is op haar beurt een allegorie van het mondiale kapitalisme.

    De personages Gi-hun (gespeeld door Lee Jung-jae) en Sang-woo (Park Hae-soo) nemen niet deel aan de games omdat ze arm zijn. Ze worden niet gedreven door een zucht naar rijkdom, maar hopen op een waardig leven zodra hun schulden zijn afbetaald. De spelleider belooft de winnaar niet zomaar winst, maar een morele beloning, namelijk teruggave van de menselijke waardigheid. Maar daarmee stelt hij de deelnemers voor het dilemma of ze bereid zijn te moorden om hun waardigheid terug te krijgen. Het morele gebod om schulden af te lossen drijft hen tot extreem geweld en verandert hen in moordenaars.

    Schuld of geen schuld

    Armoede en grote schuldenlast liggen in elkaars verlengde, maar veroorzaken op verschillende manieren ongelijkheid en geweld. Veel van de tragedies die zich in arme landen hebben voorgedaan, ontstonden door hun schulden aan westerse landen. Het sociale geweld dat ontstond in Zuid-Korea na de economische crisis van 1997 was niet te wijten aan de armoede van de staat, maar aan de schuldenlast. Het huidige kapitalisme is niets anders dan een mondiaal systeem van schulden waarin het financiële kapitaal heerst, dankzij het lenen van geld.

    Het verschil tussen schuld of geen schuld is niet hetzelfde als het verschil tussen arm en rijk, want ook iemand die rijk is kan in de schulden komen. Sterker, schrijft hij, je kunt alleen maar rijk worden door schulden aan te gaan. Want een ‘rijke’ is niet alleen iemand met veel geld, maar ook iemand die grote schulden aankan.

    Het daadwerkelijke probleem schuilt niet in de enorme kloof tussen arm en rijk, maar in de ongelijkheid tussen degenen die steeds meer verdienen aan schulden en degenen die verpletterd worden onder een schuldenberg. Het meest extreme geweld begint niet wanneer een kapitalist de armen uitbuit, maar wanneer financiers geld lenen aan de armen. Het verschil tussen ‘uitbuiting’ en te betalen ‘rente’ is net zo groot als het verschil tussen arbeider en slaaf.

    ‘De publieke opinie richt haar aandacht en woede ondertussen niet op sociale ongelijkheid, maar op de kloof tussen degenen die de jackpot hebben gewonnen en degenen met een enorme schuldenlast’

    En dit alles wordt weerspiegeld in Zuid-Korea. Ongelijkheid op de arbeidsmarkt, een groot aantal kleine tot zeer kleine ondernemingen, stijgende vastgoedprijzen, een bbp dat een ontwikkeld land waardig is en de drang naar financieel gewin hebben gezamenlijk investeringen en het aangaan van leningen aangejaagd. Reclame moedigt dit nog eens aan.

    Online zijn tal van verhalen te vinden over mensen die te veel schulden hebben gemaakt. De publieke opinie richt haar aandacht en woede ondertussen niet op sociale ongelijkheid, maar op de kloof tussen degenen die de jackpot hebben gewonnen en degenen met een enorme schuldenlast, als het gaat om onroerend goed, de aandelenmarkt of bitcoin.

    Falen betekent dat je niet opnieuw kunt beginnen, maar dat je in de afgrond van schulden wordt gestort. In Squid Game is Gi-hun het slachtoffer van een bedrijfsreorganisatie. Hij gaat ondernemen met een lening, faalt en leent opnieuw om de vorige lening af te betalen, enzovoort. Kapitaalverschaffers staan niet toe dat een verslagene bewegingloos en inactief blijft. Zolang hij nog kracht over heeft, zijn ze bereid hem terug te brengen in het economische systeem. Leningen zijn het instrument waarmee het kapitalisme de mens het meest effectief kan vangen.

    Financieel kapitalisme wordt vaak omschreven als een occult systeem dat het begrip van gewone mensen te boven gaat; als een geheim dat alleen kan worden onthuld met statistische formules die zijn bedacht door een wiskundige op Wall Street. Maar als je de aard ervan wilt begrijpen, hoef je alleen maar de route te bekijken die de kleine ondernemer in deze Koreaanse serie aflegt om hoe dan ook van zijn schulden af te komen: ziedaar het sociale wezen dat het kapitalisme heeft gefabriceerd uit schulden.

    Lees ook:

  • Oorverdovende stilte in de Chinese media rondom tennisster Peng Shuai

    Oorverdovende stilte in de Chinese media rondom tennisster Peng Shuai

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Europees landbouwbeleid: een ‘mislukte’ groene hervorming

    » VS: Droogte zorgt voor andere kijk op waterzuivering

    Chinese media berichten niet over de #MeToo-zaak

    Hoe reageren Chinese media op de verdwijning van Peng Shuai, kort nadat zij een voormalige hoge regeringsfunctionaris had beschuldigd van verkrachting? De Hongkongse journalist en schrijver Ou Jialing probeerde een antwoord te vinden op deze vraag. ‘Hoeveel artikelen over Peng Shuai zijn er in de Chineestalige pers verschenen sinds haar verdwijning meer dan twee weken geleden? Het antwoord is nul’, aldus de journalist in zijn column in de Hongkongse krant Ming Pao werd gepubliceerd.

    Hoewel Ou Jialing niet verbaasd is over de censuur in China, is hij wel verbaasd over de reactie van de pers in zijn woonplaats Hongkong. Volgens de columnist is Ming Pao een van de weinige publicaties die de zaak volgen, afgezien van sporadische berichten op de website van zakenkranten. ‘De gedrukte edities van andere Chineestalige kranten geven het geen ruimte.’

    ‘Dit is een ernstige beschuldiging die eenzijdig door Peng Shuai is geuit’

    Veel Chineestalige kranten beroepen zich op ‘journalistieke codes’. ‘Dit is een ernstige beschuldiging die eenzijdig door Peng Shuai is geuit.’

    Op Weibo, een van de twee belangrijkste sociale netwerken van het land, is het enige bericht over de veiligheidssituatie van Peng Shuai dat niet meteen is verwijderd van de Franse ambassade in China. In het bericht van 22 november verklaart Frankrijk dat het bezorgd is over de veiligheid van Pen Shuai en schrijft het: ‘We roepen de Chinese regering op om haar toezeggingen in de strijd tegen geweld tegen vrouwen na te komen.’

    Het bericht wordt op grote schaal becommentarieerd en gedeeld door Chinese Weibo-gebruikers. De post was woensdagochtend meer dan elfduizend keer geliket.

    Lees ook:

  • In Japan is onder rokjes gluren ‘een verslaving’

    In Japan is onder rokjes gluren ‘een verslaving’

    In een interview met het Japanse dagblad Asahi Shimbun geeft een ggz-medewerker antwoordt op de vraag waarom veel Japanse mannen verslaafd zijn aan ‘upskirting’. Hij benadrukt het belang van medische zorg voor deze daders. ‘Te veel mensen vatten het fenomeen te licht op, omdat ze het niet als zedenmisdrijf zien.’

    In het Engels wordt het ‘upskirting’ genoemd, het filmen onder de rokken van vrouwen zonder hun medeweten. In Japan is het een echte plaag, aldus de Asahi Shimbun. Alleen al in 2019 meldde de Japanse politie vierduizend gevallen en dat aantal is slechts het topje van de ijsberg, volgens Yoshiaki Saito, werkzaam in de geestelijke gezondheidszorg.

    Saito zegde een interview aan Asahi Shimbun toe om de omvang van het probleem in de Japanse samenleving toe te lichten. Nadat hij tussen 2006 en 2020 521 daders had behandeld, merkte hij op dat het helemaal niet om ‘kleine’ misdaad gaat die in een opwelling wordt gepleegd, zoals soms wordt gedacht, en hij pleit er dan ook voor om het als een speciaal zedendelict te gaan benoemen.

    Asahi Shimbun: Wat zijn de profielen van de daders die u behandelt?

    Yoshiaki Saito: ‘Twee derde van hen ging naar de universiteit of volgt hoger onderwijs. Meer dan de helft is werkzaam in een bedrijf en 15 procent heeft een gespecialiseerd beroep, zoals leraar of arts. Zestig procent is getrouwd of is getrouwd geweest. De meesten verrichten hun daden in treinstations en de gemiddelde leeftijd bij het eerste consult is vrij laag, rond de achtentwintig jaar. Er liggen echter jaren, gemiddeld zo’n zeven jaar, tussen het eerste vergrijp en het eerste klinische consult.

    Volgens onze gegevens hebben recidivisten een hogere sociale status dan chikans, zoals mannen die vrouwen ongewenst aanraken in het openbaar vervoer worden genoemd. Ze hebben ook een uitgebreidere cv.

    In het geval van ‘upskirting’ is het gemakkelijker om het misdrijf te verrichten, omdat er geen fysiek contact met het slachtoffer vereist is. Slachtoffers die vinden dat er sprake is van seksueel misbruik zijn zeldzaam, en daardoor zijn misbruikers “succesvoller” in hun handelen. Het rechtvaardigt ook hun daad: in hun ogen is het normaal om hun verlangens te bevredigen zonder dat ze er iemand pijn mee doen.’

    Maar als ze worden gearresteerd, lopen ze het risico hun sociale status te verliezen. Waarom doen ze het toch?

    ‘Of het nu “upskirters” of chikans zijn, ze zijn behoorlijk bedreven op dit gebied. Ze weten bijvoorbeeld dat twee of drie arrestaties niet per se tot een veroordeling leiden en dat ze in de meeste gevallen buiten de rechtbank om iets kunnen regelen met hun slachtoffers. Aangezien het indienen van een klacht tijd kost, gaan sommige slachtoffers akkoord met excuses en verwijdering van het beeldmateriaal, in de veronderstelling dat ze uiteindelijk niet echt fysiek zijn lastiggevallen.’

    Waarom is het afschrikkende effect van arrestatie zo mager?

    ‘Ook als ze uit pure nieuwsgierigheid beginnen met het filmen onder vrouwenrokken, verliezen ze gaandeweg de controle en gaan ze door. In eerste instantie is hun doel masturbatie, maar dat verandert geleidelijk van aard. Na een tijdje wordt het filmen om het filmen.

    De spanning voor de handeling en het gevoel van voldoening erna zorgen voor een teveel aan dopamine in de hersenen. Ze raken verslaafd aan dat gevoel. Zozeer zelfs dat ze zonder hulp van buitenaf niet kunnen stoppen. Upskirting is dus een verslaving.’

    Waarin verschillen wij van deze agressors?

    ‘Ik denk dat mensen die zich bewust zijn van de gewelddadigheid die gepaard gaat met het nemen van zulke foto’s zonder toestemming, een dergelijke daad niet zouden verrichten. Aangezien dit een vorm van seksueel geweld is, is de kwestie van instemming cruciaal. De daders delen het patriarchale idee dat vrouwen objecten zijn of een wezen dat inferieur is aan mannen en dat hun superioriteit bevestigt.’

    Hoe behandelt u hen?

    ‘De meeste daders gebruiken hun mobiele telefoon. Er zijn dus drie methoden: 1. Blokkeer de camera van hun smartphone door de toegang te beperken met een code. 2. Beschadig de lens om fotograferen onmogelijk te maken. 3. Verwijder de camerafunctie van hun mobiele telefoon.

    Kortom, als ze niet over hun spullen kunnen beschikken, ondernemen ze geen actie. De samenleving moet zich ook realiseren dat daders van seksuele misdrijven zoals upskirting en ongewenste seksuele aanrakingen, in staat zijn om hun daden te stoppen met wetenschappelijk onderbouwde behandelingen.’

    Momenteel debatteert een commissie van het ministerie van Justitie over een hervorming van het strafwetboek inzake seksueel geweld. Voyeurisme tot misdrijf verklaren is een van de mogelijkheden. Zou dat helpen om het aantal slachtoffers te verminderen?

    ‘Dat is een afschrikmiddel voor mensen die beginnen met upskirting. Desondanks zal wetgeving echter te beperkt zijn voor recidivisten die verslaafd zijn en voor plegers van andere seksuele misdrijven. Voor hen is het noodzakelijk om strafrechtelijke sancties te combineren met passende behandeling.

    Hervorming van de wet zou de samenleving bewust kunnen maken van upskirting. Te veel mensen vatten het fenomeen te licht op, omdat ze het niet als zedenmisdrijf zien. Als het Wetboek van Strafrecht zou veranderen en dat ertoe zou leiden dat meer mensen upskirting als een op zichzelf staande seksuele misdaad erkennen, zou de toegang tot behandeling gemakkelijker zijn. Dit zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het voorkomen van dit misdrijf.’