In 2004 werd Akbar Agha veroordeeld tot zestien jaar gevangenisstraf wegens de ontvoering van drie VN-medewerkers in Afghanistan. In 2009 kreeg hij gratie van president Hamid Karzai. Een interview met de voormalig leider van een ultraorthodoxe talibanmilitie.
Terugkeer van de taliban
Ik mei 2013 publiceerden wij een dossier over de terugkeer van de taliban. De intro luidde: ‘Op 11 mei worden in Pakistan algemene verkiezingen gehouden, en volgend jaar trekt de internationale troepenmacht zich terug uit het buurland Afghanistan. Het militair ingrijpen daar had tot doel een einde te maken aan de heerschappij van de taliban. Maar die missie is niet geslaagd: de taliban zijn overal, in Afghanistan én in Pakistan. Pakistaanse media belichten de overeenkomsten tussen de groepen en schetsen een beeld van het optreden van de “binnenlandse” taliban in de miljoenenstad Karachi.’
Nog altijd zijn de taliban overal. Dit interview toont aan hoe moeilijk onderhandeling met deze terreurorganisatie is.
Akbar Agha, geboren op de plek waar de talibanbeweging is ontstaan, is de neef van Mullah Muhammad Syed Tayyab Agha, de vroegere chef-staf van de ongrijpbare opperbevelhebber van de taliban, Mullah Omar, en op dit moment [in 2013] de belangrijkste vredesonderhandelaar van de militie. In 2004 vormde Akbar Agha de afgescheiden talibanfactie Jaish al-Muslimeen [Moslimleger], die vele aanvallen uitvoerde op NAVO-voorraden.
Akbar Agha denkt dat de Amerikanen tijdens de vredesbesprekingen alleen willen onderhandelen ‘met hun laars in de nek van de taliban’. ‘Er kunnen alleen onderhandelingen beginnen als alle internationale troepen zich terugtrekken uit Afghanistan,’ zegt hij in een exclusief interview met [Pakistaanse televisiezender] ExpressNews. Hij voegt eraan toe dat de invoering van de strikte versie van de sharia, zoals de taliban die voorstaan, ‘niet onderhandelbaar’ is. Akbar Agha draait vaak verklaringen voor de media af uit naam van de taliban.
Onlangs hadden talibanonderhandelaars een ontmoeting met Afghaanse gesprekspartners in Doha, de hoofdstad van Qatar, als onderdeel van het beginnende vredes- en verzoeningsproces dat is goedgekeurd door president Karzai – vanzelfsprekend met de zegen van de VS. Officieel ontkennen de taliban ieder contact met afgezanten van Karzai, die in hun ogen ‘een marionet van Amerika’ is. Maar de woordvoerder van de Afghaanse regering, Aimal Faizi, houdt staande dat talibanvertegenwoordigers bereid zijn besprekingen te voeren met de regering-Karzai, aangezien ze vorig jaar december naar Parijs reisden op officiële Afghaanse paspoorten om deel te nemen aan een conferentie die georganiseerd was door een Franse denktank.
Onder voogdij
Agha Akbar verwerpt die bewering. Hij zegt dat de talibanvertegenwoordigers bij die gelegenheid op dezelfde pas-poorten reisden die ze vóór de omverwerping van hun regime eind 2001 gebruikten. Hij voegt eraan toe dat de taliban geen Pakistaanse paspoorten willen gebruiken, omdat het in Afghanistan de indruk zou versterken dat zij onder voogdij van Pakistan staan.
Akbar Agha citeert de vaak herhaalde uitspraak van talibanwoordvoerder Zabihullah Mujahid dat men alleen wil praten met de VS. ‘We hebben Pakistan of Afghanistan nooit uitgenodigd om te praten. De Afghaanse taliban zijn een realiteit en we hebben er geen behoefte aan om met Pakistan rond de tafel te gaan zitten. We zullen vredesbesprekingen houden met de VS.’ ‘De Afghaanse regering kan in een later stadium aanschuiven,’ voegt hij eraan toe.
De invloedrijke Pakistaanse politiek-religieuze leider Maulana Fazlur Rehman reisde vorige maand naar de hoofdstad van Qatar om de besprekingen met de taliban vooruit te helpen, hoewel van beide zijden de ontmoeting in Doha officieel wordt ontkend. Akbar Agha heeft ook nog een goede raad voor Islamabad. ‘Pakistan moet zich niet bemoeien met de besprekingen, want de taliban worden ervan beschuldigd dat ze gesteund worden door dat land.’
Hij maakt duidelijk dat de taliban alleen zullen onderhandelen nadat de Amerikanen vertrouwen hebben opgebouwd door de gevangenen in Guantánamo vrij te laten en te garanderen dat er geen rechtszaken tegen hen worden aangespannen.
Onlangs heeft Pakistan op verzoek van de Afghaanse High Peace Council diverse kaderleden van de taliban vrijgelaten, als onderdeel van pogingen om het ontluikende vredesproces op gang te helpen. Maar Akbar Agha beweert dat het Pakistans plicht als islamitische staat is om de talibangevangenen vrij te laten en dat het een onislamitische streek was van Islamabad ‘om deze mensen, die een jihad voeren, te arresteren en ze in ruil voor geld over te dragen aan de VS’.
Hij beschuldigt Pakistan ervan de taliban te bedriegen en zegt dat Islamabad alle talibangevangenen onvoorwaardelijk vrij moet laten, Afghanistan als een broederland moet beschouwen en oprecht moet proberen de problemen op te lossen.
Hoewel hij TTP-aanslagen tegen de Pakistaanse regering door de vingers ziet, veroordeelt hij aanslagen ‘gericht tegen onschuldige burgers’
Akbar Agha vergoelijkt ook indirect de bloedige acties van de Tehrik-i-taliban Pakistan (TTP). De Pakistaanse taliban nemen alleen wraak op hun regering om hun Afghaanse naamgenoten te steunen, zei hij, en de Afghaanse taliban zullen hun altijd hulp bieden. Maar hoewel hij TTP-aanslagen tegen de Pakistaanse regering door de vingers ziet, veroordeelt hij aanslagen ‘gericht tegen onschuldige burgers’.
Hij zegt dat de Afghaanse taliban verontwaardigd zijn dat de Pakistaanse regering TTP-militanten arresteert en dwingt in te stemmen met bepaalde standpunten op verzoek van de Amerikanen. Akbar Agha voegt er echter aan toe dat de Afghaanse taliban het Pakistaanse volk niet de schuld geven van de politiek van hun regering.
Velen van ons zijn opgevoed met het idee dat onbekenden gevaarlijk en eng zijn. Maar wat zou er gebeuren als we dat idee loslaten en vreemden gaan zien als een mogelijke bron van troost en saamhorigheid?
Het grootste deel van haar leven heeft Nic andere mensen gemeden. Ze werd grootgebracht door een opvliegende vader en een moeder die haar eigen trauma op haar dochter projecteerde. Die combinatie heeft Nic angstig en eenzaam gemaakt. ‘Mijn primitieve brein was zo geprogrammeerd dat ik voor iedereen bang was, omdat ik had geleerd dat mensen slecht zijn en je pijn doen,’ vertelt ze me. (Nic heeft me gevraagd alleen haar voornaam te gebruiken, om haar privacy te beschermen.)
Nics angst is niet ongebruikelijk in een land waar belangrijke lessen over ‘het gevaar van onbekenden’ erin kunnen resulteren dat je iedereen die je niet kent beschouwt als een potentieel gevaar. Maar Nic zag in dat dit een ongezonde houding is en heeft stappen gezet om zich te kunnen verhouden tot de rest van de wereld. Toen ze ouder werd, ging ze reizen, op zoek naar nieuwe contacten.
Op haar zeventiende ging ze tien dagen met haar klasgenoten naar Europa en het viel haar op dat de mensen daar geregeld een praatje met haar aanknoopten. ‘Als de mensen in Europa zomaar met me wilden praten, ben ik misschien toch niet zo slecht,’ dacht ze. ‘En misschien ga ik niet per se dood als ik zelf eens iemand aanspreek.’
Ze ging vaker op reis en leerde meer mensen kennen. Ze was altijd gespannen, voelde angst en zette zich schrap voor het ergste, maar het ging telkens goed. Ze kwam erachter dat onbekenden, anders dan wat haar altijd was voorgehouden, helemaal niet eng of gevaarlijk zijn. Sterker nog, ze boden haar troost en een gevoel van saamhorigheid. Ze verruimden haar wereld.
‘Greyhound Therapy’
Nic heeft hier tegenwoordig een naam voor: ‘Greyhound Therapy’. Die term verwijst letterlijk naar gesprekjes met degene die naast je in de Greyhound-bus zit, maar is net zo goed van toepassing op gesprekken met andere onbekenden op andere plekken – in een restaurant, bij een bushalte, in een supermarkt.
Deze manier van contact maken heeft haar leven veranderd. In tijden waarin ze het moeilijk heeft zoekt ze troost bij onbekenden en probeert zo ‘de eenzaamheid op afstand te houden’, vertelt ze me.
‘En werkt dat?’ vraag ik.
‘Ik kom vaak thuis met de meest fantastische verhalen’
‘God, ja,’ zegt ze. ‘Ik kom vaak thuis met de meest fantastische verhalen – oké, ik heb niemand om ze mee te delen, maar die verhalen zelf neemt niemand me meer af.’
Nics ervaring is veelzeggend. Uit een enorme hoeveelheid onderzoek blijkt dat de kwaliteit van iemands sociale contacten van grote voorspellende waarde is voor zijn geluk en welbevinden. In de meeste van die onderzoeken is echter alleen gekeken naar hechte banden: met familie, vrienden of collega’s.
De afgelopen vijftien jaar zijn wetenschappers zich gaan afvragen of interactie met onbekenden goed voor ons is: niet als vervanging van die hechte banden, maar als aanvulling erop. De resultaten van die onderzoeken zijn opmerkelijk. Keer op keer blijkt dat we ons na een praatje met een onbekende gelukkiger voelen, meer onderdeel van de samenleving, dat we er mentaal scherper van worden, gezonder, minder eenzaam, dat het ons vertrouwen geeft en optimisme. Toch aarzelen velen van ons, net als Nic aanvankelijk deed, voor ze dergelijke interacties aangaan, al helemaal sinds het coronavirus ons sociale leven zo aan banden heeft gelegd.
‘Onderschat nooit het belang van een positieve connectie’
Tegenwoordig is Nic een succesvolle verpleegkundige die als geen ander in staat is contact te maken met haar patiënten. Ze is getrouwd met een lieve, sociale man. Ze reist nog altijd graag en probeert dan de mensen die naast haar zitten te peilen, of de mensen die in hun eentje aan een tafeltje of aan de bar zitten. Als die mensen een koptelefoon op hebben of ongeïnteresseerd lijken, laat ze hen met rust. Maar als ze ontvankelijk lijken, zegt ze: ‘Hallo, ik ben Nic’ en dan ziet ze wel hoe het verder loopt.
Ze is niet overmoedig of naïef en ze is goed in staat mensen in te schatten, voelt het snel aan als er iets niet goed zit. Maar de gesprekken verlopen meestal prima, wat haar sterkt in het idee dat er veel goeds is in de wereld en dat mensen zich verbonden kunnen voelen met anderen. Ze zegt dat deze ervaringen haar een waardevolle les hebben geleerd: ‘Onderschat nooit het belang van een positieve connectie, hoe klein ook.’
Minimale sociale interacties
In de psychologie wordt het soort uitwisselingen waar Nic het over heeft ‘minimale sociale interacties’ genoemd. Psycholoog Gillian Sandstrom ervoer zo’n tien jaar geleden een vergelijkbare openbaring. Zij was opgegroeid in Canada, bij extraverte ouders die graag een praatje aanknoopten met onbekenden. Sandstrom, die zichzelf altijd als introvert had beschouwd, realiseerde zich op een dag dat ze altijd naar de grond keek als ze over straat liep. ‘Wat stom eigenlijk, dacht ik,’ zegt ze. Dus besloot ze oogcontact met mensen te maken en ze merkte al snel dat dat eigenlijk heel prettig was. Na niet al te lange tijd begon ze ook met onbekenden te praten. Het verbaasde haar hoe makkelijk en leuk dat was.
In de metro zag ze een keer een vrouw met een doos kunstig versierde cupcakes, en daar vroeg ze iets over. ‘Ik weet niet meer precies hoe het gesprek liep, maar ik leerde van haar dat mensen op struisvogels kunnen rijden,’ zegt Sandstrom. ‘Ik was verkocht. Het was gewoon een ontzettend leuk gesprek. Dat wilde ik vaker.’ Later, tijdens een stressvolle periode in haar studie, putte Sandstrom troost uit een nog kleiner, terugkerend contactmoment: zwaaien en glimlachen naar een vrouw met een hotdogkraampje, waar ze elke dag langs kwam. ‘Ik merkte dat het me een goed gevoel gaf: ik zag haar en zij liet merken dat ze mij ook zag. Ik had echt een gevoel van: hier ben ik thuis.’
De proefpersonen die een praatje hadden gemaakt zeiden dat ze er een beter humeur van kregen
Sandstrom besloot zich in dit fenomeen te verdiepen. Samen met de begeleider van haar promotieonderzoek aan de Universiteit van Brits-Columbia vroeg ze een groep volwassenen een praatje te maken met de barista als ze ’s ochtends hun koffie haalden. De onderzoekers hadden het idee dat we onszelf een ‘verborgen bron van saamhorigheid en geluk’ ontzeggen door geen contact te leggen met de mensen achter de bar – door ze in feite niet als mensen te behandelen maar als gevoelloze servicemachines. Daar bleken ze gelijk in te hebben. De proefpersonen die een praatje hadden gemaakt met de barista zeiden dat ze er een sterker gevoel van gemeenschapszin en een beter humeur van kregen, en waren ook nog eens tevredener over de algehele ervaring van het koffie halen.
Andere onderzoekers zijn tot vergelijkbare conclusies gekomen. In een experiment dat psycholoog Nicholas Epley van de Universiteit van Chicago samen met zijn toenmalige studente Juliana Schroeder uitvoerde, kreeg een groep mensen de opdracht om in het openbaar vervoer een praatje aan te knopen met medereizigers. Ook deze mensen maakten melding van een beduidend aangenamere, positievere reis dan de groep die dat niet had gedaan. De gesprekjes duurden gemiddeld maar liefst 14,2 minuten en een overweldigende meerderheid van de deelnemers vond hun onbekende gesprekspartner aardig. Allerlei verschillende persoonlijkheidstypen hadden het naar hun zin.
De sceptici onder ons zullen nu waarschijnlijk denken wat ik ook dacht toen ik deze onderzoeken voor het eerst las: natuurlijk, een gesprekje met een onbekende kan leuk zijn als jij degene bent die het gesprek is begonnen. Maar vindt de ander het ook leuk? We hebben allemaal weleens in een kleine ruimte gezeten met iemand die onophoudelijk aan het woord is en blind is voor hints dat de ander daar niet voor in de stemming is.
Als praten met onbekenden zo prettig is, waarom doen mensen het dan niet vaker?
Om erachter te komen of beide partijen deze interacties waarderen, bedachten Epley en Schroeder een ander experiment. Deelnemers moesten kleine taken verrichten die niets met het bewuste onderzoek van doen hadden en konden tussendoor even pauzeren in een wachtkamer. Sommige deelnemers kregen te horen dat ze een praatje moesten beginnen met de ander die in de wachtkamer zat, een ander deel van de deelnemers kreeg te horen dat ze juist niet mochten praten; de mensen die al in de wachtkamer zaten, hadden geen instructies gekregen. De mensen die een praatje maakten – zowel de mensen die het gesprek waren begonnen als de mensen die werden aangesproken – meldden een duidelijk prettigere ervaring dan de mensen die hadden gezwegen.
Als praten met onbekenden zo prettig is – en zo goed voor ons – waarom doen mensen het dan niet vaker? Dat is een grote vraag, die samenhangt met kwesties als etniciteit, klasse en gender, cultuur, bevolkingsdichtheid en decennia van (soms terechte) waarschuwingen voor onbekenden. Maar in de kern lijkt het antwoord tweeledig: we gaan ervan uit dat onbekenden ons niet leuk zullen vinden, en we gaan er ook van uit dat wij hen niet leuk zullen vinden.
‘Liking gap’
In een onderzoek van Epley en Schroeder waren de deelnemers die in het openbaar vervoer met onbekenden moesten praten bang dat die onbekenden het geen leuk gesprek zouden vinden. Ze voorspelden dat gemiddeld minder dan de helft van de mensen die ze benaderden met hen zou willen praten. Ze verwachtten dat het moeilijk zou zijn om een gesprek aan te knopen. Maar in de praktijk bleken de mensen open te staan voor een gesprek, niet één van de deelnemers ving bot.
Een vergelijkbaar fenomeen – de zogeheten ‘liking gap’ – deed zich voor in Sandstroms werk met een andere groep psychologen, onder leiding van Erica Boothby. Uit dat onderzoek bleek dat de deelnemers aan het experiment (met name de verlegen deelnemers) het idee hadden dat zij de onbekende leuker vonden dan andersom. Die misvatting weerhoudt mensen ervan dit soort interacties aan te gaan, en op die manier ontzeggen ze zichzelf niet alleen de kortstondige boost van geluk en saamhorigheidsgevoel, maar ook de langetermijneffecten zoals het ontmoeten van nieuwe vrienden, geliefden of zakenpartners.
Hier speelt ook nog een diepere oorzaak. Deelnemers aan deze onderzoeken hadden zeer lage verwachtingen van het gesprekje zelf. Toen Epley en Schroeder forenzen vroegen hoe ze zich zouden voelen als ze met een onbekend iemand zouden praten, in plaats van in zichzelf gekeerd te blijven, zei vrijwel iedereen die zich daar een voorstelling van probeerde te maken dat een praatje met een onbekende de reis er bepaald niet leuker op zou maken. Die verwachting is veelzeggend. Waarom kijken we er zo van op dat een onbekende benaderbaar, aardig en interessant kan zijn?
Met name in steden hebben mensen de neiging onbekenden als een obstakel te zien
Een deel van de inspiratie voor de experimenten in de metro, vertelde Schroeder me, was de gedachte dat het ‘in feite een vorm van ontmenselijking is om te worden omringd door mensen zonder contact met hen te leggen’. Het is ontmenselijkend voor mij, omdat ik een kans misloop een sociaal wezen te zijn – wat in mijn aard zit – en het is ontmenselijkend voor de ander, omdat ik nooit meer dan een glimp opvang van zijn volledige mens-zijn. Met name in steden hebben mensen de neiging onbekenden als een obstakel te zien, aldus Schroeder, en daarom praten we niet met hen. En omdat we niet met hen praten, dringt het nooit echt tot ons door dat zij feitelijk ook mensen zijn.
Dat is het probleem van de zogeheten ‘lesser minds’, zoals Epley en psycholoog Adam Waytz het in 2010 noemden. De theorie luidt als volgt: omdat we niet kunnen zien wat er in het hoofd van een ander gebeurt, hebben we ‘de neiging, die universeel lijkt te zijn, ervan uit te gaan dat de ander in intellectueel opzicht minder ontwikkeld is en oppervlakkiger dan wijzelf’, aldus Epley in zijn boek Mindwise: How We Understand What Others Think, Believe, Feel, and Want uit 2014. Misschien verklaart dat waarom we verwachten dat het contact met onbekenden moeizaam zal verlopen: onbewust denken we dat ze gewoon niet zo veel te bieden hebben.
Praatgroepen
Sandstrom had een andere (en simpelere) verklaring voor het feit dat we niet met onbekenden praten: ze was van mening dat mensen gewoon niet weten hoe dat moet. Daarom besloot ze hun dat te leren. In samenwerking met de inmiddels ter ziele gegane Londense groep Talk to Me organiseerde Sandstrom een reeks bijeenkomsten om duidelijk te maken hoe leuk het kan zijn om met een onbekende te praten – en om meer te leren over de reden waarom mensen daarvoor terugdeinzen. Inmiddels heeft ze verschillende technieken ontwikkeld om die angsten het hoofd te bieden. Zo zegt ze bijvoorbeeld tegen mensen dat ze hun nieuwsgierigheid moeten volgen: iets opmerken, een compliment maken of een vraag stellen. Wel laat ze mensen meestal zelf een aanpak bedenken. Zodra de eerste hobbel is genomen, blijkt de rest bijna vanzelf te gaan. ‘Soms zijn ze nauwelijks meer te stuiten,’ zegt ze. ‘Op een gegeven praten ze maar door. Echt geweldig.’
Sandstrom heeft successen geboekt met deze sessies, maar in haar streven naar duurzame verandering liep ze op tegen een lastig obstakel: de sociale norm waar het gaat om praten met onbekenden, het idee dat je dat gewoon niet doet. De deelnemers aan haar experimenten hebben telkens opnieuw positieve ervaringen, maar ‘als je mensen vraagt naar het volgende gesprek, maken ze zich toch weer zorgen,’ zegt ze. Dus probeerde ze een situatie te creëren waarin praten met onbekenden, enkel en alleen door de herhaling, zo’n natuurlijke handeling wordt dat mensen het uit gewoonte gaan doen, zonder de gebruikelijke angsten. De truc, meent zij, is ‘mensen heel veel gesprekken te laten voeren’.
‘Onbekenden zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam,’ verklaarde een van de deelnemers
Met behulp van een app, GooseChase, zette Sandstrom een soort speurtocht op touw, met een lijst van heel diverse mensen met wie de deelnemers een gesprek moesten voeren: goedlachse mensen, mensen die er artistiek uitzien, mensen met hun armen vol spullen, mensen die verdrietig lijken, mensen die er aardig of modieus uitzien, mensen die een tattoo hebben of een ‘prachtige stropdas’ dragen. Ook nu logen de resultaten er niet om. De deelnemers vonden het veel makkelijker dan verwacht om een gesprek met een onbekende aan te knopen en gaande te houden, en de gesprekken duurden bovendien drie keer zo lang als verwacht. Zo’n 80 procent zei iets nieuws te hebben geleerd, 41 procent zei contactgegevens te hebben uitgewisseld. Sommige deelnemers werden vrienden, gingen samen uit, gingen samen koffiedrinken.
Zoals Sandstrom al had voorspeld, gingen de deelnemers veel minder pessimistisch aankijken tegen het idee een gesprek aan te knopen met een onbekende. Een week nadat ze alle verschillende soorten mensen op hun lijstje hadden afgevinkt, hadden de deelnemers meer vertrouwen in hun eigen gespreksvaardigheden en waren ze minder bang om afgewezen te worden. Ook hun kijk op andere mensen was veranderd. Zoals een van de deelnemers in de evaluatie schreef: ‘Onbekenden zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam.’
Bij het lezen van alle evaluaties van Sandstroms onderzoek proefde ik steeds iets wat een licht gevoel van opluchting leek. Ik herkende dat gevoel, omdat ik mezelf ook al geregeld had afgevraagd waarom ik zo’n prettig licht gevoel kreeg als ik een leuk gesprekje had gevoerd met een onbekende. Toen ik Sandstrom hiernaar vroeg, zei ze iets wat me terugvoerde naar het verhaal van Nic, haar onveilige jeugd en haar ervaring met Greyhound Therapy. ‘Volgens mij komt die opluchting voort uit het feit dat we van jongs af aan de boodschap meekrijgen dat de wereld een gevaarlijke plek is. En dan voer je een gesprekje met een willekeurig iemand, en dat blijkt dan leuk te zijn, en dan heb je zoiets van: misschien is het allemaal zo erg nog niet.’
Schrijver en journalist Ricardo F. Colmenero is sceptisch over het initiatief van burgemeester Ada Colau. ‘Met een therapie van twee uur per week, tien of zestien weken lang, zal Barcelona niet alleen nieuwe mannen kweken, maar ook problemen als huiselijk geweld, voortijdig schoolverlaten, oorlog en de consumptie van vet vlees de wereld uit helpen.’
Vanuit het Centro de Masculinidades [Centrum voor Nieuwe Vormen van Mannelijkheid], een initiatief van burgemeester van Barcelona Ada Colau, zullen wij mannen na maar een paar weken therapie weer naar buiten stappen met hernieuwde instincten en gedragscodes die het mogelijk maken onze gewelddadige natuur te bedwingen. We moeten, aldus de burgemeester bij de presentatie van het centrum, af van het beeld dat mannen ‘hard en zelfs agressief’ moeten zijn omdat ‘man-zijn niet te verenigen is met gevoeligheid’.
Centrum voor Nieuwe Vormen van Mannelijkheid
Om lgbti-fobie tegen te gaan heeft burgemeester Ada Colau van Barcelona een centrum aangekondigd ter ‘bevordering van positieve, open, veelvormige en heterogene mannelijkheid.’
De burgemeester van Barcelona, Ada Colau, heeft aangekondigd dat zij in oktober het zogeheten Centrum voor Nieuwe Vormen van Mannelijkheid zal openen, een school of academie ter ‘bevordering en verspreiding’ van modellen voor ‘positieve, open, veelvormige en heterogene mannelijkheid, gekant tegen ongelijke of onrechtvaardige relaties’. In het centrum, dat wordt geopend naast het Estación de Francia, worden diverse initiatieven ontplooid. Zo zal er aandacht zijn voor mannen die hun persoonlijke relatie willen verbeteren om iedere vorm van geweld tegen te gaan. Ook worden er workshops gegeven die mannen een ander perspectief aanleren, aldus de burgemeester, en hen doen inzien ‘dat mannelijkheid wel degelijk kan samengaan met gevoeligheid’. Het centrum is onderdeel van de nieuwe activiteiten die het gemeentebestuur heeft ontplooid om de lhbti-fobie tegen te gaan.
‘Binnen sommige instellingen lijken uitingen van haat en discriminatie al bijna gewoon, maar in Barcelona is daar geen ruimte voor. Vandaag zetten we een nieuwe stap in ons voornemen om waar te maken waar wij als stad trots op zijn: onze diversiteit, en om duidelijk te maken dat hier geen enkele vorm van discriminatie of agressie wordt toegestaan,’ aldus Colau.
Laura Pérez, de locoburgemeester voor Burgerrechten, Algemeen Recht, Feminisme en Lhbti-Zaken, staat aan de basis van een grootschalig project dat machogedrag en lhbti-fobie een halt moet toeroepen en de agressie waaronder de gemeenschap te lijden heeft moet tegengaan. Het plan omvat vier speerpunten: educatie, cultuur, sociale omgeving en werkomgeving.
Wat de educatie over gelijke rechten betreft, heeft de gemeenteraad een programma opgezet voor leerlingen tussen de zes en zestien jaar om discriminatie en geweld in de klas te voorkomen. Tot nog toe werd het programma op negenduizend leerlingen toegepast, en het gemeentebestuur wil dit aantal verder uitbreiden.
Op cultureel vlak is het de bedoeling diversiteit via audiovisueel materiaal zichtbaar te maken. Ook zal er een werkgroep ‘historisch geheugen’ worden ingesteld, zal het genderperspectief in de cultuur worden aangemoedigd en is de gemeente een campagne begonnen tegen lhbti-fobie binnen gemeentelijke instellingen, zoals het gemeentehuis of de districtskantoren, en in het openbaar vervoer.
Het Centrum voor Nieuwe Vormen van Mannelijkheid richt zich op de sociale omgeving. Hier zullen volgens Pérez ‘op positieve en diverse wijze’ verschillende denkbeelden worden bestudeerd over wat het betekent om ‘mens te zijn’. Het centrum zal ook trainingen aanbieden aan ambtenaren van de gemeente en aan jongeren. Pérez heeft het bijvoorbeeld over een meerdaagse workshop waarin specialisten uitleggen hoe je jongens opvoedt zonder hen in een hokje van mannelijkheid te stoppen.
Wat de werkvloer betreft: er komt een handleiding ter verbetering van de kansen van transgenders, bedoeld voor beroepskeuzevoorlichters, evenals een handleiding om protocollen uit te werken voor gendertransitie op de werkplaats, bedoeld voor ondernemingen.
Alfonso L. Congostrina | El País
Het is dus niet langer voldoende als je als man voor de kinderen zorgt, de vloer veegt, de wasmachine aanzet of zonder te morren een stuk minder verdient dan je vrouw. De wereld heeft mannen nodig die een zwangere vrouw niet meteen vragen naar het geslacht van de baby, die het lef hebben de g-plek in hun anus te vinden, die verstandiger eten en niet als gekken rijden zodat ze de gezondheidszorg niet langer overbelasten.
Dit zijn maar een paar punten uit een door ons geraadpleegde syllabus van zo’n tweehonderd velletjes plus een heel uitgebreide bibliografie.
Met een therapie van twee uur per week, tien of zestien weken lang, zal Barcelona niet alleen nieuwe mannen kweken, maar ook problemen als huiselijk geweld, voortijdig schoolverlaten, oorlog en de consumptie van vet vlees de wereld uit helpen.
De syllabus, die is uitgewerkt door de Servicio de Atención a Hombres para la promoción de relaciones no violentas (SAH), gespecialiseerd in ‘de bevordering van niet-gewelddadige relaties’, en de Asociación Candela para la Investigación y la Acción Comunitaria, gespecialiseerd in ‘het onderzoek en de stimulering van maatschappelijke processen’, staat vol voorbeelden van de grote voordelen die de verandering met name voor mannen zal opleveren. Zo zou je nu geen mislukte zelfmoordpoging kunnen doen zonder dat je mannelijkheid in gevaar zou komen. ‘Bij mannen lukt zelfmoord vaker, al doen ze minder pogingen; want zouden ze een poging overleven, dan betekent dat een mislukking, wat indruist tegen de mannelijke identiteit,’ zo valt te leren in het Centrum voor Nieuwe Vormen van Mannelijkheid.
Amaral, bier en deodorant
Er zijn theoretische en praktische sessies. Bij die laatste worden kwalijke verborgen boodschappen in schijnbaar onschuldige films als Grease en Aladdin blootgelegd. En ook in een enkel lied van [de Spaanse band] Amaral en praktisch alle reclames voor bier en deodorant. Deze nieuwe man zal in ons verrijzen door opdrachten uit te voeren als zeven dagen lang een (kippen)ei als een menselijk wezen te verzorgen en behandelen, waarbij je het meeneemt naar je werk en partijtjes en het voorstelt aan je vriendin en ouders.
Aanvankelijk was het initiatief bedoeld voor ambtenaren en scholieren, maar inmiddels kan iedereen in het Centrum terecht. Niet alleen wie denkt problemen te hebben met zijn mannelijkheid, of juist denkt van niet, maar ook ouders die hun zoons willen inwijden in het masculiene model van Ada Colau.
‘Positieve, gezonde, geweldloze masculiene modellen moeten worden bevorderd,’ staat op de laatste pagina van de syllabus. En ook staat er dat ‘het in twijfel trekken van de traditionele mannelijke identiteit een individuele en collectieve verantwoordelijkheid’ is. De syllabus voorziet in vijf lessen of workshops: ‘Mannen, geslacht en vorming van mannelijkheid’, ‘Eigen verzorging: mannen, geslacht en gezondheid’, ‘Vriendschapsrelaties, romantische liefde en seksualiteit’, ‘Zorg voor anderen: medeverantwoordelijkheid en vaderschap’ en ‘De leerschool tot geweld: macht en patriarchaat’.
In de loop van de cursus wordt tot vervelens toe benadrukt dat wordt gewerkt met stereotypen en dat niet alle mannen hetzelfde zijn. Begeleiders gaan uit ‘van de overtuiging dat mensen kunnen veranderen, zodat ze een positieve en hoopvolle boodschap op de cursisten kunnen overbrengen’ en ‘hen kunnen benaderen als deel van de oplossing in plaats van als het probleem’. Wel moeten ze ‘steeds hameren op de noodzaak af te zien van bepaalde privileges en machtsquota’, die als vanzelfsprekend worden beschouwd.
‘Hebben we ons ooit afgevraagd hoe het komt dat de eerste vraag bij het nieuws van een zwangerschap bijna altijd is of het een jongen of meisje wordt? Op de een of andere irrationele manier moeten we iemands geslacht kennen om te weten aan welke gedragscodes we ons moeten houden’, aldus de stelling.
Meisje koppig, jongen vasthoudend
En dat allemaal omdat we, naar het schijnt, als een meisje druk is algauw zeggen dat ze nerveus is, maar bij een jongen dat hij ondernemend is. En dat een meisje dat niet toegeeft koppig is, maar een jongen vasthoudend, en dat een gevoelig meisje kwetsbaar is, maar een jongen verwijfd. En dat een brutaal meisje grof is, maar een jongen zelfverzekerd. En zo is een introvert meisje verlegen, terwijl een stillere jongen goed over de dingen nadenkt.
‘Een man ben je niet alleen als je voldoet aan het rolgedrag dat bij een man wordt verondersteld,’ zegt Laura Pérez, burgemeester voor Burgerrechten, Algemeen Recht, Feminisme en LHBTI van het gemeentebestuur van Barcelona.
‘Jongens,’ staat onder punt 1, ‘leren hun fysieke kracht gebruiken en vatten deze op als het vermogen om de baas te spelen en anderen te domineren, waarbij ze bepaalde privileges denken te hebben, met name ten opzichte van vrouwen en van mannen die niet voldoen aan de stereotiepe kenmerken van een man’.
‘De maatschappelijke vorming van de man voltrekt zich vanuit het besef dat ze geen vrouw zijn’
Deze mannetjesputterij, die de overhand heeft en moet worden uitgeroeid (want daar is het Centrum ook voor), is de oorzaak van het machogeweld, de criminaliteit, de ongelukken op de snelwegen en op de werkvloer, voortijdig schoolverlaten, geflikflooi op school en pesten. Maar ook van geldverspilling in de gezondheidszorg, verslavingsgedrag, het vaderschap op afstand, emotioneel analfabetisme, homofobie, misogynie, ongelijkheid op de werkvloer, ongewenste intimiteiten en seksuele frustratie.
‘De maatschappelijke vorming van de man voltrekt zich vanuit het besef dat ze geen vrouw zijn,’ aldus de uitleg. Van kinds af aan ‘is de beste manier voor een man om te bewijzen dat hij geen vrouw of homo is, zichzelf te profileren als een agressieve, sterke, harde, onafhankelijke, zelfgenoegzame, rokkenjagende macho’, zo leren we.
‘De man die overeenkomstig zijn geslacht handelt’, tast in zijn gedragingen de grenzen van zijn mannelijk kunnen af, of het nu is op het werk, als hij sport, seks heeft of alcohol gebruikt. En dus zou een puber meedoen aan een gevecht om maar niet als ‘mietje’ te worden gezien. Uitdrukkingen als ‘jezelf afmatten’, ‘pijn bestaat niet’, ‘geen ballen hebben’ versterken deze houding, die haaks staat op voorzichtigheid en die ontkenning van ziekte en verwondingen in de hand werkt.
Deze mannelijkheid is een risico voor iedereen. ‘We kunnen rustig spreken van een giftige kant van het overheersende manbeeld,’ aldus de syllabus. Zo consumeren mannen meer voedsel dat rijk is aan lipoïden en suikers, dierlijke vetten en cholesterol, en lopen ze als gevolg van het gebruik van steroïden en gevaarlijke drugs meer kans op stoornissen die te maken hebben met de omvang van de spiermassa, zoals vigorexia of spiervervorming.
Gebruik van het vrouwenlichaam
Ook seksualiteit is een belangrijk thema. Mannen, heet het, ontwikkelen een seksualiteit die ‘vaak dwingend is, toegespitst op het eigen genot en zelfbevrediging via het gebruik van het vrouwenlichaam, zonder begrip voor de seksuele partner, zonder ruimte voor wederzijds plezier of een emotionele band, en waarbij het initiatief altijd moet komen van de man, die ieder moment paraat moet zijn’.
Bovendien wordt zijn seksualiteit ‘afgemeten naar drie kwantitatieve parameters, te weten: de grootte van de penis, de duur van de erectie en de penetratie, en de hoeveelheid seksuele contacten. Als je niet voldoet, ondermijn je je eigen mannelijke identiteit.’ Vandaar dat tijdens een van de oefeningen wordt geprobeerd de mythe te ontmaskeren dat anale seks is voorbehouden aan homoseksuelen: ‘Ook voor heteroseksuele mannen kan anale prikkeling heel prettig zijn bij seks. Het genot zit in de variatie.’
Wat heeft dit alles in de praktijk tot gevolg? Dat wij mannen onbeschermde seksuele contacten onderhouden met het risico iemand ongewenst zwanger te maken of aandoeningen als hiv, die via seks worden overgebracht, op te lopen of over te brengen. Om maar te zwijgen van het feit dat ‘deze moraal, die is gebaseerd op macht over de ander, makkelijk kan leiden tot ongewenste intimiteiten, seksuele misdrijven of seksuele uitbuiting’.
Het grote probleem is dat er kennelijk geen profiel van de gewelddadige man bestaat. Niemand ontsnapt de dans
Ada Colaus nieuwe man moet de ‘emotionele castratie’ of het ‘emotionele analfabetisme’, waaraan velen van nu lijden, te boven komen. ‘Een van de weinige emoties die vanuit het traditionele manbeeld zijn toegestaan, is de woede (…) Er zijn voorbeelden te over van mannen die in verdrietige of onzekere situaties met de vuist op de muur slaan en zo hun toevlucht nemen tot woede en agressiviteit, in plaats van tot adequate emoties.’ Daarom vind je aan het eind van dit deel van de syllabus oefeningen waarmee cursisten leren relaxen. ‘Iedere man die is opgegroeid in een maatschappij als de onze, heeft het in zich eventueel geweld te gebruiken tegen anderen. Daarom moeten mannen, van welke leeftijd ook, leren zich te uiten en vreedzaam, via dialoog, conflicten op te lossen, om te voorkomen dat het geweld een kans krijgt,’ luidt de conclusie.
Het grote probleem is dat er kennelijk geen profiel van de gewelddadige man bestaat. Niemand ontsnapt de dans: ‘Dat wil zeggen, het gebruik van geweld hangt niet samen met je sociale klasse of ontwikkelingsniveau (…) Het verband tussen mannelijkheid en geweld’ is het gevolg van ‘de ongelijkheid tussen de seksen, het patriarchaat, de macht en privileges’.
Liefdesrelaties zijn een voedingsbodem voor machogeweld, deels door traditionele sprookjes en deodorantreclames, heet het: ‘Mannen leren hoofdzakelijk over seks via reclames waarin vrouwen worden voorgesteld als objecten of via een commercieel soort porno waarin een seksualiteit wordt getoond die is gebaseerd op het genot van de man en de onderwerping van de vrouw.’
De heropvoeding is geen sinecure, want de man is gedurende alle fasen van zijn leven geïndoctrineerd met slechte gewoontes: ‘In de puberteit leer je dat jongens begeren en kiezen, terwijl meisjes worden begeerd. Je leert dat “nee ja betekent”, dat anticonceptie de verantwoordelijkheid van meisjes is en dat iedere vrouwelijke seksuele neiging kan worden bespot. Je leert op straat onbekende vrouwen nafluiten, je leert dat de publieke ruimte en de ruimte om te spreken zijn voorbehouden aan mannen, je leert vrouwen als objecten zien. Ook wordt het gebruik van prostitutie en porno aangemoedigd en beloond.’
En lang daarvoor gebeuren er al andere dingen: ‘We kunnen op het schoolplein zien hoe de jongens de rok van hun klasgenootjes optillen, aan hun vlechten trekken, hun polsen breken, hen uitlachen als ze menstrueren en hun borsten groter worden. Ze raken eraan gewend het lichaam, de seksualiteit en het leven van vrouwen te domineren, en dat stopt niet en zal alleen maar erger worden.’
De ongelijkheid in de wereld was al groot voor de komst van het virus en is door de pandemie alleen maar groter geworden. Maar er dient zich een brede tegenbeweging aan van vrouwelijke en mannelijke ondernemers, politici, hoogleraren en activisten – met baanbrekende ideeën die het tij kunnen keren.
Daar is hij dan. De man die Einhorn uit handen heeft gegeven, zijn onderneming, die 15 tot 20 miljoen euro waard is. Waldemar Zeiler, met karakteristieke baard en muts. Eind dertig, oprichter. Hij verontschuldigt zich dat hij er zo moe uitziet, morgen vroeg om vijf uur moet hij weer aan de slag. Hij blijft wel bij Einhorn, zijn proeftuin, zoals hij het noemt. Maar vanaf nu is niemand de baas. De medewerkers bepalen zelf hoeveel ze verdienen en nemen vrij wanneer ze willen; Einhorn maakt tenslotte winst en het bedrijf groeit.
43 vrouwen kijken naar Zeiler: architecten, musici, artsen, menigeen is zelf een bedrijf gestart. Ze zijn voor deze videoconferentie uitgenodigd door Women’s Hub, een organisatie die vrouwen bij elkaar brengt. Ze praten over ideeën en visies met betrekking tot werk, bedrijf en maatschappij, en geven elkaar feedback. Voor de pandemie vonden de bijeenkomsten plaats in Hamburg, München en Rosenheim, ten zuidoosten van München. ‘We geloven in gemeenschappelijkheid,’ zegt Maren Jopen, een van de oprichters van Women’s Hub, ‘en we willen een internationale beweging worden.’ Dat klinkt optimistisch, maar de drie oprichters zijn nuchtere zakenvrouwen. De Financial Times Deutschland keurde Jopens eerste start-up een paginagroot artikel waardig; in 2017 stapte ze uit het bedrijf, ze wilde iets nieuws opzetten, net als Zeiler. Hij richt de ene onderneming na de andere op, een van de andere voorbeelden is Rocket Internet, een wereldwijde investeringsmaatschappij en start-upincubator. Zijn helden zijn Jack Welch en Milton Friedman, de knapste koppen van het kapitalisme.
‘Stel je voor dat jullie de macht hebben om de wereld te veranderen’
Nu zit hij hier en trekt zijn muts over zijn voorhoofd. Hij stelt een gedachte-experiment voor: John Rawls’ ‘sluier van onwetendheid’. Diens Theorie van rechtvaardigheid heeft het filosofische denken van de twintigste eeuw veranderd en baant zich nu een weg door de economie van de eenentwintigste eeuw. Zeiler heeft het experiment overgenomen van Maja Göpel, politiek econoom, hoogleraar en adviseur van de Duitse regering. ‘Doe je ogen dicht,’ zegt Zeiler, ‘en stel je voor dat jullie de macht hebben om de wereld te veranderen. Onder één voorwaarde: je weet niet hoe en als wat je in de nieuwe wereld terugkomt, qua geslacht, huidskleur, status, intelligentie, gezondheid en vermogen. Als Jeff Bezos, of als dagloner in India. Hoe zouden jullie die nieuwe wereld vormgeven?’
Tegenbeweging
Het is nu al een andere wereld. Nog meer mensen dan voorheen worden achtergesteld. En nog meer mensen overlijden daardoor: de Wereldbank voorspelt dat tegen het einde van dit jaar nog eens 150 miljoen mensen door armoede met de dood worden bedreigd. Maar er bestaat een vaak over het hoofd geziene tegenbeweging. Steeds meer mensen komen in opstand tegen de ongelijkheid. Dat was vóór de pandemie al zo, maar nu zijn het er nog meer. Ook voor de goede zaak zijn ongewone tijden aangebroken.
Ik heb een videogesprek met Erica Chenoweth, hoogleraar aan Harvard, die deze ontwikkeling als een van de eersten heeft ontdekt en onderzocht. Het gerenommeerde Foreign Policy Magazine heeft haar uitgeroepen tot een van de honderd belangrijkste politieke denkers ter wereld. ‘Het is duizelingwekkend hoe snel het aantal massabewegingen groeit,’ zegt ze. Tot nog toe lag het record op zestig per decennium. Alleen al in 2019 zijn er 39 ‘revolutionaire uitbarstingen’ geweest. Geweldloos, wat ze sterker maakt: door af te zien van geweld zijn ze succesvoller. Chenoweth is benieuwd naar de getallen van 2020. Waldemar Zeiler en Maren Jopen, met hun ideeën en hun alternatieven voor het oude systeem, zijn volgens haar echt mensen van onze tijd.
‘De pandemie,’ zegt Chenoweth, ‘heeft aan het licht gebracht waar mensen zich al decennia zorgen over maken: slechte gezondheidszorg, onzekere arbeidsplaatsen, economische ongelijkheid, structurele ongelijkheid door racisme en seksisme. Nu worden veel meer mensen door deze misstanden getroffen, doordat de epidemie niet alleen een noodsituatie in de gezondheidszorg heeft veroorzaakt, maar ook een economische crisis. Wereldwijd. Dat heeft een veel grotere gemeenschap de impuls gegeven zich te mobiliseren.’
‘Ik moet gaan, de democratie heeft me nodig,’ schreef Tang aan haar collega’s bij Apple
Uit onderzoek blijkt dat mensen door rampen veranderen: de gemeenschapszin wordt versterkt en rampen leggen de kiem voor grassroots movements, bewegingen of maatschappelijke initiatieven die aan de basis ontstaan. Er ontstaan nieuwe wegen, en de mensen die die wegen al bewandelen, worden belangrijk. Zoals Audrey Tang, het brein achter het pandemiewonder van Taiwan. Toen Duitsland eind november 2020 de miljoenste besmetting meldde en de gedeeltelijke lockdown verlengde, telde Taiwan, een land van 24 miljoen inwoners, 625 besmettingen. Zonder lockdown. Een wonder dat begon met de Zonnebloembeweging.
‘Ik moet gaan, de democratie heeft me nodig,’ schreef Tang, werkzaam bij Apple, in 2014 in een chatbericht aan haar collega’s in Silicon Valley. Even later zat ze in het vliegtuig naar Taipei. De democratie, dat waren de studenten van de Zonnebloembeweging, die in opstand waren gekomen tegen een wet en tegen Taiwans toenadering tot China. Ze hadden het parlement bezet en Tang schoot hen met haar eigen middelen te hulp.
Op achtjarige leeftijd leerde ze zichzelf programmeren, met niet meer dan potlood en papier. Toen ze elf was, verhuisden haar ouders naar Dudweiler, in het Saarland. De kinderen op de basisschool vond ze net kleine volwassenen. Twee woorden zijn haar bijgebleven: stiptheid en verantwoordelijkheid. In Taiwan leerden de leraren haar antwoorden te herhalen, in Duitsland hoe ze het antwoord moest vinden. Zo ging het toen en zo gaat het misschien nog steeds. Hoewel, die stiptheid… Ze lacht.
Toen ze bij de Zonnebloemstudenten kwam, bezorgde ze hun snel internet en verspreidde ze haar gedachtengoed door het hele land. Snel daarna gingen honderdduizenden mensen de straat op en gaf de regering toe. Twee jaar later kwam er een nieuwe regering, die ook revolutionaire krachten in haar kabinet opnam, onder wie Audrey Tang, destijds 35. Ze moest Taiwan het digitale tijdperk in brengen en de democratie versterken door digitalisering, maar haar ook beschermen tegen de gevaren van hackers, nepnieuws en maatschappelijke tweedeling.
Coronawonder
Het was het begin van een tijdperk van transparantie. Tang publiceerde op internet inhoudelijke gesprekken met haar medewerkers, burgers werden bij het beleid betrokken; leerlingen en leraren verrichten bijvoorbeeld metingen naar lucht- en waterkwaliteit. Taiwan werd de meest open samenleving in Azië en legde daarmee de basis voor zijn coronawonder.
Toen een Taiwanese vrouw de viruswaarschuwing van de Chinese klokkenluider Li Wenliang deelde, nam de regering die serieus. Nog geen 24 uur later, op 31 december 2019, stonden er artsen in beschermende kleding op het vliegveld. Toen Europa nog lag te slapen, organiseerde Taiwan een crisisstaf, fabriceerde miljoenen mondkapjes en hackers bouwden een app waarop je live kon zien bij welke apotheken die beschikbaar waren. Bovendien verplichtte Taiwan – democratisch gelegitimeerd – zijn burgers een app te downloaden om daarmee de strenge quarantaine te bewaken.
Taiwan kwam het jaar goed door, en Tang denkt al na over de tijd hierna. Ze citeert Leonard Cohen: ‘There’s a crack in everything, that’s how the light gets in.’ Corona mag dan barsten in de samenleving hebben geslagen, zegt ze, maar daardoor komt ook licht naar binnen. ‘De pandemie is een grote versterker. De nieuwe wereld is voorlopig niets anders dan de versterkte oude wereld.’ In sociale landen versterkt ze het sociale, in autocratieën het autoritaire. Op de hele wereld vindt er een wedloop plaats tussen de verschillende zienswijzen. Tang verwacht dat de ideeën van degenen die de pandemie het best te lijf gaan de nieuwe wereld zullen bepalen. ‘Voor sociale vernieuwers zijn het gouden tijden.’
De pandemie heeft autocraten en populisten als Trump, Poetin, Johnson en Bolsonaro verzwakt. Op zoek naar antwoorden kijkt de hele wereld naar Taiwan en kan daar, ook los van de coronapandemie, veel van leren.
De spannendste vernieuwing die Tang introduceerde, heeft betrekking op een van de grootste problemen van onze tijd: de tweedeling van de samenleving. Met haar sociale medium Join daagt ze Facebook en diens concurrenten uit en vernieuwt ze en passant de politiek.
In onze democratie stellen partijen een programma op en gaan daarmee naar de kiezers. Tangs beleid doet het tegenovergestelde: eerst luisteren ze naar de burgers, daarna wordt het programma opgesteld. Ze past in de politiek mechanism design toe, de speltheorie waarvoor in 2007 de Nobelprijs voor Economie werd verleend: leg eerst het doel vast, pas daarna de weg (het mechanisme) ernaartoe. Basketbal is een klassiek voorbeeld: vanuit de wens het spel sneller te maken volgde de regel dat een aanval ten hoogste 24 seconden mag duren. Of een voorbeeld uit de opvoeding: als je twee kinderen tevreden wilt stellen, mag de eerste de koek delen en de tweede het eerst een stuk kiezen.
‘Wij oude democratieën denken altijd dat wij de ware democratie hebben’
Tang heeft de theorie op onze wereld toegepast zoals alleen mensen dat kunnen die zichzelf op hun achtste met papier en potlood hebben leren programmeren. Met hulp van hackers ontwikkelde ze een sociaal medium dat zich van Twitter en Facebook onderscheidt. Die leggen de nadruk op berichten die ophef veroorzaken, dus is er altijd herrie. Haar Join daarentegen legt juist de nadruk op bijdragen die, dwars door alle bubbels heen, weerklank vinden. Zo raadpleegde Taiwan zijn burgers over de taxidienst Uber. De klassieke benadering zou zijn: ja of nee? Taiwan vroeg juist naar wensen en gevoelens. Een concurrent met goede service zou mooi zijn, zeiden de ondervraagden; en Uber moest zijn chauffeurs wel sociale verzekeringen bieden. Zowel Uber als de beroepsgroep verbeterden daardoor. Of het nu gaat over maritiem beleid of de diplomatieke verhouding met de Verenigde Staten, de helft van de inwoners van Taiwan, 12 miljoen mensen, doet via Join mee.
De nieuwe spelregels verspreiden zich op dit moment over de hele wereld. Tang heeft zich aangesloten bij de beweging RadicalxChange, die politiek, economie en samenleving wil veranderen door middel van mechanism design. Voorzitter is de kunstenares Jennifer Lyn Morone, in de raad van bestuur zitten onder anderen Danielle Allen, hoogleraar ethiek aan Harvard, Vitalik Buterin, uitvinder van de cryptomunt Ethereum en Glen Weyl, adviseur van Microsoft en docent aan Princeton.
Als Weyl voor het interview de camera van zijn computer aanzet, verschijnen achter hem, keurig op een rijtje op het netjes opgemaakte bed, acht poppen. Ze doen aan de Muppets denken: Einstein, Nietzsche, Darwin, Da Vinci, Marx, Kahlo, Curie en Lovelace, de eerste vrouwelijke programmeur. ‘Wij oude democratieën denken altijd dat wij de ware democratie hebben,’ zegt Weyl, ‘maar de plaatsen waar de democratie floreert zijn Taiwan of bijvoorbeeld Estland, ook een jonge democratie die aan een autoritair systeem grenst en gedwongen is na te denken hoe ze vitaal kan blijven.’
Met RadicalxChange heeft Weyl iets geheel nieuws geschapen, iets dat links noch rechts is. Het brengt het koude kapitalisme samen met de warmte van de verzorgingsstaat. Zo heeft hij een model ontwikkeld dat, met een marktmechanisme dat links het bloed in de aderen doet stollen, exact de wereld creëert waarvan zij altijd gedroomd hebben, een wereld met beperkt privébezit. Weyl adviseert partijen over de hele wereld, de Democraten in de Verenigde Staten en de CDU in Duitsland. Met de logica van mechanism design heeft hij een kiesstelsel ontwikkeld dat kiezers in staat stelt aan de stemmen een gewicht toe te kennen, waardoor het stemrecht van minderheden wordt versterkt. In de Amerikaanse staat Colorado is in 2019 al op deze manier gestemd, geheel in de zin van Audrey Tang. ‘Mechanism design is inclusie,’ zegt ze.
Independent Living-beweging
‘Even mijn aantekeningen erbij halen,’ zegt Judith Heumann, en ze rijdt met haar rolstoel bij haar pc vandaan. Ze wordt Judy genoemd. Voor de mensenrechten is ze even belangrijk als Martin Luther King of Louise Otto-Peters. Heumann is het brein achter de wereldberoemde Independent Living-beweging en buitengewoon adviseur van Barack Obama. In de Verenigde Staten kent iedereen haar, met haar bril en haar ondeugende gezicht; 73 is ze, haar nieuwe biografie Being Heumann ligt op haar schoot.
Toen ze anderhalf jaar was, kreeg ze polio. Niet veel later stelden de artsen voor om Judy in een tehuis te laten opnemen, zodat haar ouders van de zorg voor haar bevrijd waren. Toen ze vijf was, mocht ze niet naar school omdat haar rolstoel bij brand gevaar zou opleveren. Op haar negende mocht ze naar het speciaal onderwijs; ze kwam terecht bij allemaal kinderen met een beperking, de klassenvertegenwoordigster was 21. Haar ouders lieten het er niet bij zitten. ‘Van discriminatie wisten ze alles. Ze waren Duitsers, in 1936 gevlucht, hun ouders vermoord in de Holocaust. Ze konden niet blijven zwijgen,’ zegt ze nu. Uiteindelijk mocht Judy naar high school.
Als kind bracht ze haar zomers door in een vakantiekamp voor gehandicapte jongeren. Daar maakten ze plezier en deelden ze hun woede over hoe ze werden behandeld en wat hun werd ontzegd. ‘We begonnen ons voor te stellen hoe de wereld eruit kon zien,’ vertelt Heumann. Ze organiseerde haar eerste protestdemonstraties: voor invalideningangen bij scholen en plaatsen in studentenhuizen.
‘Als iets discriminatie is, noem het dan ook discriminatie’
Bij de medische keuring ter afsluiting van haar praktijkjaar vroeg een vrouwelijk lid van de examencommissie haar of ze kon laten zien hoe ze naar de wc ging. Ze werd afgewezen. De officiële reden: verlamming van de onderste ledematen. Heumann ging in beroep, keerde zich, vervuld van angst, openlijk tegen het systeem. Toen zag ze op de rechterstoel Constance Baker Motley, de eerste Afro-Amerikaanse federale rechter. Later werd Judy Heumann lerares op een basisschool. Haar eerste regel voor gerechtigheid is: ‘Als iets discriminatie is, noem het dan ook discriminatie.’
De tweede regel: eis wettelijke maatregelen en zorg dat ze worden toegepast. Toen Richard Nixon zijn veto uitsprak over een verordening die mensen met een handicap moest beschermen tegen discriminatie door de staat, gingen activisten voor zijn kantoor op Madison Avenue zitten en legden heel New York plat. Nixon tekende alsnog. En zo demonstreerden ze van de ene wet naar de andere, net zo lang tot ook zij in 1990 burgerrechten kregen. En de strijd houdt niet op, nog steeds hebben de Verenigde Staten het VN-verdrag uit 2006 niet geratificeerd dat mensen met een handicap volledige participatie garandeert. ‘Ik ben het zat steeds te moeten vragen,’ zegt Heumann. ‘Ik heb geen tijd om te wachten tot andere mensen hebben besloten dat ik volgens hen het recht heb naar school te gaan of in mijn rolstoel in de bioscoop te zitten. En om te vragen of we een deel van de samenleving mogen zijn.’
De wereld is voor mensen met een handicap nog altijd niet zoals die zou moeten zijn, maar wat Heumann heeft bereikt, is indrukwekkend. Het belangrijkste wat ze in al die jaren heeft geleerd: zorg voor samenwerking met andere bewegingen.
Toen Seattle ooit bussen zonder rolstoelbaan kocht en Heumann daar een klacht over indiende, kwamen latino’s en zwarte mensen haar te hulp. Op haar beurt hielp Heumann hen de begroting van Seattle aan te passen. In tien steden gingen strijders voor vrouwenrechten de straat op. Ook de Black Panthers, omdat Brad Lomax, een van hun leden, in een rolstoel zat. En net als de machtige burgerrechtenbeweging stuurden ook de Teamsters, de vakbond van vrachtwagenchauffeurs, vertegenwoordigers naar Washington.
Iedere beweging die in staat was 3,5 procent van de burgers op de been te krijgen, heeft het systeem wezenlijk veranderd
Er is een behoorlijke overlap tussen al deze groepen, leerde Judy Heumann al op zomerkamp. ‘De kans dat je ooit een handicap krijgt, is groot,’ zegt ze. Blind of doof, diabetes of Parkinson, een ongeluk bij het sporten of met de auto. Mensen met een beperking kunnen zwart zijn, Joods, dakloos of wat dan ook. Er zijn duizend redenen om samen te werken.’
Hoeveel macht samenwerkende groepen kunnen hebben, blijkt uit het onderzoek van Harvard-hoogleraar Erica Chenoweth, dat resulteerde in haar ‘3,5 procent-wet’: iedere beweging die de afgelopen jaren in staat was 3,5 procent van de burgers op de been te krijgen, heeft volgens die wet het systeem wezenlijk veranderd.
3,5 procent. Maar waarom is er dan nog zo veel ongelijkheid in de wereld? Omdat de mensen denken: Ik kan er toch niets aan veranderen. En omdat ze fouten maken. Ze tolereren bijvoorbeeld veel te vaak dat aan de randen van hun organisatie geweld wordt gebruikt. Toen in Taiwan de Zonnebloembeweging begon, sprak de regering van ‘gewelddadige anarchisten’. De studenten waren zo slim zich niet in de daderrol te laten dringen.
Een tweede grote fout: ‘Ze vertrouwen te veel op massademonstraties,’ zegt Chenoweth, en demonstreren er meestal maar een beetje op los. Zonder strategie: hoe houden we de mensen blijvend in beweging? Hoe zorgen we ervoor dat we effect hebben? In elk geval niet met demonstraties waarvoor de belangstelling algauw afneemt. Met een algemene staking of burgerlijke ongehoorzaamheid breng je de economie schade toe en dwing je eerder concessies af.
Zo werden de massabewegingen, ook al nam hun aantal de afgelopen jaren sterk toe, door de pandemie verzwakt. Slechts een op de drie was een succes, omdat ze gemiddeld maar 1,3 procent van de mensen bereikten. In de jaren negentig was dat gemiddeld 2,7 procent.
‘De pandemie heeft op de resetknop gedrukt,’ zegt Chenoweth, ‘en dat was hard nodig.’ Tijdens de onderbreking zijn veel bewegingen volwassener geworden, ze hebben overheidstaken op zich genomen, zoals als voedselvoorziening en hulpfondsen. Werken voor het algemeen belang is, naast passief verzet, Gandhi’s tweede zuil van verandering. Ze hebben alternatieven gevonden voor demonstraties, massale ziekmeldingen bijvoorbeeld (‘sick-ins’), passief verzet gepleegd, ze hebben zich ontwikkeld en coalities gevormd. Earth Day, de jaarlijkse dag voor het klimaat op 22 april, heeft honderden bewegingen bij elkaar gebracht. ‘Vele daarvan zijn veel sterker uit de crisis gekomen,’ zegt Chenoweth. En er zijn meer dan tien nieuwe bewegingen ontstaan, in de Verenigde Staten, Wit-Rusland, Polen, Israël, Thailand, tegen despoten en tegen racisme, voor vrouwenrechten en voor vrijheid, even veelzijdig en machtig als de ongelijkheid waartegen ze strijden.
Ibram X. Kendi’s boek How to Be an Antiracist drukt zijn stempel op het denken over racisme.
Toen hij drie jaar geleden aan zijn boek werkte, werd bij hem darmkanker geconstateerd. De kans dat hij vijf jaar later nog in leven zou zijn, was 12 procent. Hij was midden dertig, zijn dochter was één. Hij ging door met schrijven, tegen de kanker buiten zijn lichaam, zoals hij het noemt: racisme.
Ibram X. Kendi. Die naam heeft hij zelf gekozen, kendi betekent bij de Meru-volken in Kenia ‘geliefde’. Zijn middelste naam Henry zei hij vaarwel nadat hij had gehoord over prins Henry de Zeevaarder, de Portugese ontdekkingsreiziger uit de vijftiende eeuw, die in Afrikaanse slaven handelde. In plaats daarvan koos hij Xolani, Zoeloe voor ‘vrede’.
Het gaat goed met Kendi. Hij kreeg de prestigieuze Andrew W. Mellon-leerstoel aan de Universiteit van Boston toegekend, die eerder alleen werd bekleed door Nobelprijswinnaar Elie Wiesel. Twitter-oprichter Jack Dorsey schonk 10 miljoen dollar voor deze leerstoel, Selena Gomez stelde Kendi haar Twitteraccount ter beschikking en Time Magazine zette hem op de lijst van de 100 belangrijkste mensen ter wereld. Zijn boek How to Be an Antiracist, dat kort voor de opkomst van Black Live Matters verscheen, zal de komende jaren onze blik op racisme veranderen. Het boek is (nog) niet in het Nederlands vertaald.
Kendi heeft het interview vóór zijn werkdag gepropt, geen video, alleen zijn stem, 30 minuten.
Zijn concept van antiracisme: 1. Er zijn racisten en antiracisten, daartussen zit niets. Wie zegt dat hij geen racist is, is er al een. Racisme is status quo, ongelijkheid is status quo. En als er niets tegen de status quo wordt gedaan, wat gebeurt er dan? Dan blijft die bestaan. ‘Niets doen tegen racisme betekent racistisch zijn. Het staat het racisme toe te blijven bestaan.’ 2. Racisme is niet gebonden aan personen, maar aan daden en woorden. Ieder mens is soms racist, soms antiracist. Ook hijzelf.
Kendi heeft het concept van de antiracist niet zelf bedacht. In de jaren zeventig zei Angela Davis, de grande dame van de Black Power-beweging: ‘In een racistische maatschappij is het niet voldoende om niet-racistisch te zijn. We moeten antiracistisch zijn.’ Maar de wereld was daar nog niet klaar voor. ‘De afgelopen vijf jaar,’ zegt Kendi, ‘is het bewustzijn in de westerse wereld gegroeid. Steeds meer mensen beseffen dat ongelijkheid niet wordt veroorzaakt doordat mensen niet deugen, maar doordat de politiek niet deugt. Daarom zoeken steeds meer mensen naar een oplossing.’
Deze beweging, versterkt door het racisme van Trump, de dood van George Floyd, Black Lives Matter, heeft door de pandemie een nieuwe impuls gekregen, zegt Kendi: wetenschap werd belangrijk. ‘Hetzelfde hebben we ook bij alle andere grote problemen nodig. We hebben geleerden nodig die racistische ongelijkheid in real time onderzoeken. Die op basis van onderzoek politieke oplossingen ontwikkelen die onrechtvaardigheden kunnen verminderen en er een eind aan kunnen maken. Dat willen we in ons centrum voor antiracistisch onderzoek opzetten.’
Het boek, dat hij alleen kon voltooien omdat hij dacht dat het zijn ‘laatste bericht aan de wereld’ was, is dus nu nog maar het eerste begin van zijn werk. ‘Omdat ik wil dat mijn dochter opgroeit in een rechtvaardige wereld, waar de kleur van haar huid even irrelevant is als de kleur van haar bloes.’
Educate Girls
Men is op zoek naar oriëntatie. Waar zijn de ideeën? Waar is het wondermiddel waarmee grote veranderingen kunnen worden gerealiseerd? Eén vrouw weet zeker dat ze er een heeft gevonden, en toen ze op een TED-toekomstconferentie over haar idee vertelde, leek ze ook anderen te overtuigen. 1,7 miljoen mensen hebben naar haar presentatie gekeken, ook al was ze volkomen onbekend. Haar naam is Amel Karboul, ze is 47 en komt uit Tunesië.
Karboul begon haar presentatie als volgt: ‘Ik ben het product van een moedig besluit. Toen Tunesië in 1956 onafhankelijk werd, besloot onze eerste president, Habib Bourguiba, 20 procent van de begroting in het onderwijs te investeren. Ja, 20 procent, zelfs naar huidige maatstaven aan de bovenkant van het spectrum. Mensen protesteerden. Hoe moest het dan met de infrastructuur? En met elektriciteit, wegen en stromend water? Was dat niet belangrijk? Mijn argument zou zijn dat de belangrijkste infrastructuur die we hebben goed opgeleide mensen zijn.’
Zonder president Bourguiba was Karboul niet naar school gegaan. Bij mijn vijfde poging slaag ik er eindelijk in haar in Londen aan de lijn te krijgen. Ze spreekt Duits, heeft in Duitsland gestudeerd en onlangs nog haar zus in Stuttgart bezocht. Ze is van alle markten thuis, heeft voor de Boston Consulting Group gewerkt, leiding gegeven aan ngo’s, was tijdens de Arabische Lente minister in Tunesië en wijdt zich nu met voormalig Brits premier Gordon Brown aan de wellicht meest onderschatte crisis van onze tijd.
‘En als we niets doen, zal in 2030 de helft van de kinderen en jongeren op de wereld niet leren’
‘Bij de 250 miljoen kinderen die niet naar school gaan, moeten nog 330 miljoen kinderen worden opgeteld die wel naar school gaan, maar daar niets leren,’ zegt Karboul. ‘En als we niets doen, zal in 2030 de helft van de kinderen en jongeren op de wereld, de helft van 1,6 miljard mensen, niet leren.’ Deze getallen zullen na de pandemie nog angstaanjagender klinken. Karboul: ‘Wat betekent het als er de komende 4500 dagen een miljard Afrikanen op de arbeidsmarkt komen? Worden ze werkloos? Met alle risico’s van dien? Of worden ze de leiders van morgen?’ Net als Karboul zelf dus, die met drie achterstandshindernissen tegelijk werd geconfronteerd: geslacht, afkomst en huidskleur. Ze werd niet toevallig minister in Tunesië. En niet toevallig kwam Tunesië als enige land uit de Arabische Lente tevoorschijn als democratie, waarvoor het in 2015 de Nobelprijs voor de Vrede ontving.
Zo kan een gevaar dus in een kans veranderen, misschien wel in een wondermiddel. De Wereldbank heeft uitgerekend dat het opleiden van meisjes een positief effect heeft op negen van de zeventien ontwikkelingsdoelen van de VN. En klimaatonderzoekers hebben het opleiden van meisjes op de zesde plaats gezet van hun adviezen om het klimaat te redden. Hoger dan elektrische auto’s.
Amel Karboul heeft een concept ontwikkeld dat ervoor moet zorgen dat ieder kind naar school gaat. En dat het daar ook iets leert. Hoe? Elk onderwijsstelsel leert van het beste stelsel uit zijn klasse: Tunesië van Vietnam, Duitsland van Finland. En de financiering wordt gekoppeld aan resultaten. Het pilotproject om te zien of dit concept succesvol kan zijn, is de ngo Educate Girls, waarmee de Indiase Safeena Husain meisjes naar school krijgt.
Educate Girls bereikte 7300 kinderen in 140 dorpen, hun leerniveau ging tussen 2016 en 2019 met 79 procent meer omhoog dan dat van even oude kinderen op andere scholen. Kosten: 278.000 dollar. De financiering van dit idee is totaal anders dan gebruikelijk, maar is wel de kwintessens van Karbouls leven. ‘Ik ben in de allerarmste landen geweest, heb gezien hoe boeken in de kast stonden te verstoffen; ik zag scholen zonder ramen, maar met enorme wc’s, omdat daar wel geld voor was. Driekwart van wat we doen heeft geen enkel resultaat: geen banen voor kinderen die van school komen, kinderen die na jaren nog niet kunnen lezen. Ik word er gek van. Zo veel geld. Zou u 1000 euro uitgeven voor een vlucht naar New York, als de vliegtuigmaatschappij zegt dat drie van de vier vluchten niet aankomen?’
Deel 1 van haar idee: landen en ontwikkelingshulporganisaties betalen niets meer voor boeken en wc’s, maar betalen voor een kind dat kan lezen. En voor een schoolverlater die een baan heeft. Risico: geen. Boeken en toiletten worden betaald door private investeerders, ondernemingen en privépersonen. Als ze succes hebben, verdienen ze mee: 3 tot 15 procent. De gesubsidieerden kunnen met het geld doen wat ze nodig vinden. Geen toiletten en boeken meer waar niemand wat aan heeft.
‘Wij definiëren rechtvaardigheid in termen van prestatie en behoefte’
Voor deze financieringsdriehoek heeft Karboul een fonds opgericht. De VN geloven in het concept en hebben het uitverkoren tot trustfund. Ook investeerders geloven erin, Educate Girls heeft inmiddels toezeggingen voor 100 miljoen dollar: hoop voor 1,5 miljoen meisjes. In Sierra Leone, geteisterd door burgeroorlog en ebola, dongen drie keer zoveel investeerders mee als er nodig waren. Toch krijgen ze alleen geld als hun project er beter uitkomt dan klassieke ontwikkelingshulpprojecten. Wie aarzelen, zijn de mensen van de ontwikkelingshulp. Groot-Brittannië neemt het voortouw en betaalt samen met de regering aldaar 30 miljoen dollar voor een project in Ghana. Langzaam gaat het ook daar de goede kant op. ‘Covid heeft ons een flinke push gegeven,’ zegt Karboul: de politici in Europa weten nu wat een crisis in het onderwijs betekent.
Ideeën zijn alleen een aanbod. Dat geldt voor alle ideeën hier, waarin twee dingen samenkomen. Ze verminderen de ongelijkheid en ze zijn verankerd in de realiteit, ze zijn bewezen succesvol. Niet iedereen vindt ze goed. Ook het concept van Karboul krijgt kritiek: waarom moeten ook private investeerders eraan verdienen? Leidt dat er niet toe dat landen zich zullen terugtrekken? Is onderwijs geen publiek goed?
Belangrijke vragen. De vraag waarom investeerders eraan moeten verdienen, valt te beantwoorden: omdat zij de enigen zijn die risico lopen, en het dus rechtvaardig is – althans vanuit Duits perspectief. ‘Voor de meerderheid van de Duitsers betekent rechtvaardigheid niet dat iedereen gelijk is,’ zegt Marcel Fratscher, directeur van het DIW, een Duits Instituut voor economisch onderzoek, die een boek heeft gepubliceerd over de samenleving na corona, dat werd genomineerd voor de prijs voor het beste boek over economie. ‘Wij definiëren rechtvaardigheid in termen van prestatie en behoefte. Het is rechtvaardig dat iemand die meer presteert, meer bezit. En ook dat iemand die niets heeft, hulp krijgt.’ Fratscher kan veel over rechtvaardigheid vertellen, bijvoorbeeld dat samenlevingen die hun zwakkeren beschermen, beter uit de pandemie komen. En net als Erica Chenoweth gelooft hij dat de wereld een kans heeft om door de pandemie rechtvaardiger te worden. Het blijft daarbij alleen wel onduidelijk wat rechtvaardigheid precies is. Ieder mens verstaat er iets anders onder, ook Chenoweth, Zeiler, Karboul en Weyl. Alleen Tang en Heumann zijn het met elkaar eens: rechtvaardigheid is inclusie, participatie.
De strijd van Kristina Lunz
Kristina Lunz voert actie voor vrouwenrechten in het klein en denkt erover na in het groot.
Kristina Lunz komt uit een arbeidersgezin in Franken en was in haar familie de eerste die ging studeren – haar eerste overwinning op een onrechtvaardige samenleving. In Duitsland gaat maar 27 procent van de arbeiderskinderen studeren, tegen 79 procent van de kinderen van academici. In 2014, als student, voerde ze actie tegen de Bild Zeitung, waarin elke dag een foto van een topless meisje verscheen. Het was haar eerste gevecht tegen stereotypering en seksisme. In 2018 stopte Bild Zeitung ermee. Haar volgende succes behaalde ze toen ze met andere vrouwen de campagne ‘Nee is nee’ initieerde, die resulteerde in een wet voor vrouwenrechten.
Eenmaal afgestudeerd werd Lunz door Scilla Elworthy, een activiste die driemaal is genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede, gevraagd om een organisatie voor haar op te zetten. Lunz voelde zich gevleid en richtte het Centre for Feminist Foreign Policy op.
Feministische buitenlandse politiek? Jazeker. In Zweden, Canada en Frankrijk bestaat die al. En landen als Duitsland en Finland nemen het steeds serieuzer, alleen al omdat Lunz en haar team hen adviseren. Hetzelfde deed ze tot begin 2020 bij het opzetten van het feministische netwerk Unidas van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas.
‘Wij zijn niet de eersten die feministische analyses en buitenlandse politiek bij elkaar brengen, maar we horen wel tot de veel te weinigen naar wie geluisterd wordt,’ zegt Lunz. Juist nu is haar werk van belang. Vrouwen worden door de pandemie harder geraakt dan mannen: doordat ze als verpleegkundigen meer aan het virus worden blootgesteld, doordat er minder geld wordt besteed aan anticonceptie en gezinspolitiek nu het geld naar de strijd tegen corona gaat, doordat vrouwen door discriminatie armer, zwakker en aan meer gevaren blootgesteld zijn.
In juli schreef ze met haar team in een plan van 41 pagina’s hoe vrouwen tijdens de pandemie geholpen kunnen worden. Het ging over de bezetting van de gremia die hulpgelden verdelen, via humanitaire noodhulp tot en met het opzetten van nieuwe structuren. Ideeën die Zweden in praktijk bracht toen het, naast veel andere hulp, snel 2 miljoen euro ter beschikking stelde voor voorbehoedmiddelen in ontwikkelingslanden en voor vrouwenhuizen in Sierra Leone.
RadicalxChange
Glen Weyl, oprichter van RadicalxChange, heeft eens een ongewone uitspraak gedaan. Naast zijn politieke werk is hij adviseur van Microsoft en doet hij onderzoek. Zoals zovelen ergert hij zich aan de macht van de big tech-bedrijven en ook vindt hij het onterecht dat ze ons niet betalen voor onze data, zoals werknemers worden betaald voor hun werk. De wereld heeft een datavakbond nodig. Volgens dezelfde logica heeft een ‘future team’ van Microsoft,geleid door Weyl, een app ontwikkeld die 60 cent betaalt voor iedere afbeelding die een gebruiker ter beschikking stelt, zodat een bedrijf met kunstmatige intelligentie daarmee kan oefenen om beelden te herkennen. Weyl probeert het systeem van binnenuit te veranderen.
‘Onze CEO Satya Nadella,’ zegt Weyl in die ongewone verklaring, ‘spreekt steeds vaker van een referendum over het kapitalisme dat op dit moment plaatsvindt. Dat we geloven dat het kapitalisme niet zal overleven als het niet leert dat ondernemingen niet moeten afgaan op de waarde die ze intern creëren, maar op de waarde die ze creëren voor de ecosystemen om hen heen.’ Ook in het kapitalisme is de wedloop van de ideeën begonnen. Ook Waldemar Zeiler, oprichter van Einhorn, maakt deel uit van deze beweging.
Hoe zijn rechtvaardige wereld, geschapen achter de sluier van onwetendheid, eruitziet? ‘Eh, dat weet ik nog niet,’ zegt Zeiler tegen de vraagsteller bij Women’s Hub. Hij wil, zegt hij vervolgens, gewoon de economie veranderen, dat eeuwige ‘meer en meer en meer’.
Zeven jaar geleden was hij het zat. Voor zijn toenmalige start-up had hij 3 miljoen euro opgehaald, een bewijs van de grote verwachtingen die de investeerders ervan hadden. Het liet hem koud. Hij gooide het bijltje erbij neer en ging op wereldreis. Af en toe stuurde zijn kompaan Philip hem foto’s met businessideeën. Op een dag: lelijk verpakte condooms.
Condooms? Oké, dan moest het nieuwe dus in de onderneming zelf zitten: new work, het idee dat ondernemingen levende organismen zijn die het best in staat zijn informele hiërarchieën te vormen. De baas wordt afgeschaft. Wie vragen heeft, moet ze stellen aan degene die ergens het meest van afweet. En iedereen neemt vrij wanneer hij wil. De salarissen worden gezamenlijk vastgesteld.
‘Alles weggeven, 100 procent van de winst naar het bedrijf’
Terwijl Zeiler vertelt, verschijnen er vragen op het chatscherm: hoe zit het met het ego? En met het salaris? Het geld is niet zo moeilijk, zegt hij, niemand kan zich verrijken. Maar het ego… Daar wordt nog aan gewerkt. Workshops over geweldloze communicatie, bijeenkomsten waarbij iedereen kan zeggen wat haar of hem niet bevalt.
Of ze met al dat ‘inner work’ nog wel aan werken toekomen? Als je leest, zegt Zeiler, hoeveel mensen nog permanente stiptheidsacties lijken te voeren, dan is het geld goed besteed.
Veganistisch en duurzaam: hun condooms veroverden al snel de biomarkt. Ze maakten winst, de drogisterijketen DM nam ze in het assortiment op. Veel verandering, maar het echt revolutionaire idee moest nog komen. 50 procent van de winst ging in de onderneming, 50 procent naar Philip en hemzelf, maar op een dag zeiden ze: dit klopt niet. De vrouwen bij Einhorn hebben ook menstruatieproducten ontwikkeld en daarmee de omzet verdubbeld.
Ze bespraken het fenomeen van de ongelijkheid en gingen naar een conferentie op een oud landgoed, waar ze Armin Steuernagel ontmoetten, oprichter van de Stiftung Verantwortungseigentum [Stichting Eigendom schept verantwoordelijkheid]. Steuernagel stond daar in de paardenstal en Zeiler vond hem aanvankelijk maar extreem: alles weggeven, 100 procent van de winst naar het bedrijf. Maar mettertijd wilden zij dat ook. ‘Het voelde als een revolutie, een uitbarsting, een utopie, omdat het de hebzucht uitschakelde,’ zegt Zeiler. Het tegendeel van het oprichterskapitalisme van Silicon Valley, dat volledig gericht is op het uittreden van de oprichters als de onderneming is verkocht of naar de beurs gebracht.
Tot nu toe is er voor hun model geen geschikte rechtsvorm. Verschillende ministeries kijken ernaar. Maar Zeiler en zijn medestrijders hebben wel een signaal afgegeven; zeshonderd ondernemers en honderd medestanders, vrouwen en mannen, onder wie Marcel Fratscher, sloten zich bij de ideeën aan. En steeds meer mensen voegen zich bij de beweging, ook Maren Jopen, wier volgende bedrijf Jopenau net van start is gegaan, speelt met de gedachte. Meer en meer en meer, maar op een heel andere manier.
Lorenz Wagner is de afgelopen maanden op zoek geweest naar grote ideeën over gerechtigheid. Er geldt slechts één criterium: ze moeten zich al enigszins bewezen hebben. Een van die denkmodellen heeft Wagner zelf in de praktijk gebracht: als zijn twee kinderen allebei het laatste stukje van de taart willen, mag het ene het stuk delen en mag het andere kiezen welk stuk voor hem is.
Miljonairs eisen belasting
Op dit moment bezit 10 procent van de Duitsers tweederde van het nationale nettovermogen; de bovenste 1 procent heeft 35 procent in bezit. Daartegenover heeft 20 procent van de Duitsers, en volgens sommige studies zelfs 40 procent, geen reserves en mogelijk schulden.
Tijdens de coronacrisis steeg het vermogen van de rijken in Duitsland naar 20 biljoen dollar, een recordbedrag. Het aantal miljonairs groeide van 1,5 miljoen in 2019 naar 2,1 miljoen in 2021 en 2900 Duitsers bezitten nu meer dan 100 miljoen dollar.
Volgens experts blijft de vermogenskloof groeien als er niets verandert. Wie rijk is geboren, wordt nog rijker; degenen die arm beginnen, zullen hun achterstand nooit inhalen. De levensverwachting van rijken is acht tot tien jaar hoger dan die van armen. Bedroeg het salaris van een topmanager vroeger twintig of dertig keer het gemiddelde salaris, nu is dat tweehonderd, driehonderd of zelfs duizend keer.
‘Waarom betalen we zo veel meer aan mensen die voor ons geld zorgen dan aan mensen die voor onze kinderen zorgen?’, vroeg selfmade multimiljonair Ralph Suikat zich af. ‘Dat is qua prestaties niet te verklaren.’ Daarom plaatste hij in juli met collega-campagnevoerders – georganiseerd in de Movement Foundation, een fonds van tweehonderd vermogenden die gerechtigheid, ecologisch bewustzijn, democratie, vrede en ander moois willen bevorderen – de oproep #Taxmenow in Süddeutsche Zeitung en de Oostenrijkse Standard, waarin ze eisen dat de staat meer belastingen heft. De oproep werd door 36 vermogenden uit Duitsland en Oostenrijk ondertekend en ook andere Europese miljonairs sloten zich aan. ‘Corona vergroot de ongelijkheid en gezondheidsrisico’s en vermindert onderwijskansen voor armen, terwijl sommige rijke mensen en bedrijven tijdens de crisis nog rijker zijn geworden’, staat in de oproep. ‘Wij zijn welvarend en zetten ons in voor een hogere vermogensbelasting om meer kansen, participatie en toekomstige investeringen voor iedereen mogelijk te maken.’
De ondertekenaars pleiten onder meer voor herinvoering van de vermogens-belasting en strengere regels tegen belastingontduiking.
Ada Colau, de burgemeester van Barcelona, opende onlangs een centrum voor ‘nieuwe vormen van mannelijkheid’ en José Carlos Sánchez, de burgemeester van het Spaanse dorp Algar (1400 inwoners) wil de eeuwenoude gewoonte van het ‘praatje op straat’ beschermen tegen de bedreigende opmars van sociale media en televisie. Dat beide burgemeesters hun burgers willen beschermen valt onder hun plicht, maar waar ze die burgers voor uit de wind willen houden, zouden vanzelfsprekendheden moeten zijn in plaats van agendapunten.
Mannen zullen positief, open en gekant tegen ongelijke relaties het centrum verlaten
Want zeg nou zelf, er moeten dus cursussen worden ingericht voor mannen die niet beseffen dat zij geen enkel recht van spreken hebben over de integriteit van iemand anders. Deze ‘menwash’ zorgt dat de cursisten – die zich vooralsnog zelf moeten aanmelden, maar in de nabije toekomst allicht worden aangewezen – ‘positief, open, veelvormig en gekant tegen ongelijke of onrechtvaardige relaties’ het centrum zullen verlaten.
En stel dat Sánchez bot vangt op de Werelderfgoedlijst en het ‘praatje’ – of laten we zeggen: het volstrekt normale gesprek in de buitenlucht – vogelvrij blijft, dan is er een reële dreiging dat die vorm van menselijkheid bruut opzij wordt geduwd door de allesverslindende tegenhanger; de sociale media. Het is dus maar goed dat er burgervaders en -moeders zijn, in dit geval Spanjaarden, die aan de bel trekken om een aantal kwesties toch even veilig te stellen en op de barricade gaan staan voor… uh, ‘de enige vorm van menselijkheid’.
Zeggen waar het op staat, of sowieso praten met bekenden en onbekenden, is volgens het artikel uit The Atlantic goed voor de kwaliteit van iemands sociale en fysieke gezondheid. De Italiaanse journalist en auteur Roberto Saviano, die met Gomorra een röntgenfoto afleverde van de Napolitaanse maffia, doet niet anders; het is zijn taak als journalist. Normaal dus. Maar nee, hij heeft noodgedwongen zijn persoonlijke vrijheid ingeleverd door de waarheid te schrijven. Onverschrokken als Saviano is, wijst hij nu vanuit een schuilplaats naar andere maffiosi, de taliban, niet in de eerste plaats als koranstudenten die een islamitisch emiraat voorstaan, maar vooral als drugshandelaren aan het hoofd van ’s werelds grootste Cosa vostra. Zijn we zo afgedreven dat ook hij een positie op de Werelderfgoedlijst verdient?
Oorspronkelijke bewoners van Brazilië gaan de straat op
Zo’n zesduizend leden van 170 inheemse groepen, velen met verentooien op en zwaaiend met pijl en boog, marcheerden woensdag (25 augustus) naar het hoofdkwartier van het hoogste Braziliaanse gerechtshof, in de hoop druk uit te oefenen op de elf rechters die een cruciale uitspraak over hun lot zullen doen. Het hof buigt zich over de tijdelijke uitspraak die alleen de gronden die door de inheemse bevolking werden bewoond toen de grondwet in 1988 werd afgekondigd als voorouderlijke gronden erkent, meldt O Globo.
De machtige agro-industriële lobby verzet zich tegen de beschermde status van reservaten
Veel inheemse groepen zijn tijdens de verschillende machtswisselingen in de Braziliaanse geschiedenis ontheemd geraakt, met name onder het militaire regime (1964-1985). Nu zij naar hun land zijn teruggekeerd, eisen ze bescherming van de status die aan de reservaten is toegekend, waartegen de machtige Braziliaanse agro-industriële lobby zich verzet.
Westerlingen dringend verzocht luchthaven Kaboel te verlaten
De Verenigde Staten, Australië en Groot-Brittannië hebben woensdagavond hun burgers opgeroepen om luchthaven Kaboel zo snel mogelijk te verlaten, bericht BBC. Duizenden mensen verdringen zich nog steeds op de luchthaven in de hoop het land, dat aan de taliban is overgeleverd, te kunnen ontvluchten.
Volgens een diplomaat is de terreurdreiging afkomstig was van een groep gelieerd aan Islamitische Staat
Sprekend op voorwaarde van anonimiteit, vertelde een diplomaat van een NAVO-lidstaat aan persbureau Reuters dat de terreurdreiging afkomstig was van een groep gelieerd aan Islamitische Staat. De taliban-leiding heeft donderdag beloofd de veiligheid te bewaren buiten de luchthaven van Kaboel.
President Tokajev van Kazachstan werd vorige week ontvangen door president Moon Jae-in van Zuid-Korea. Met dit tweedaagse staatsbezoek was hij de eerste buitenlandse leider die het land bezocht sinds het begin van de pandemie. Kazachstan is de grootste handelspartner van Zuid-Korea in Centraal-Azië, schrijft The Korea Herald.
Het handelsvolume tussen de twee landen verdrievoudigde tussen 2017 en 2019 tot 4,2 miljard dollar, maar daalde door de pandemie vorig jaar tot 3,08 miljard dollar. ‘Ongeveer 550 Koreaanse bedrijven doen zaken in Kazachstan en onze twee landen werken nauw samen’, zo memoreerde de Kazachse president. De presidenten verklaarden hun strategische partnerschap verder uit te zullen breiden.
De burgemeester van Algar (1400 inwoners) noemt op de stoep buurten de ‘tegenhanger van sociale media’. Hij zou willen dat iedereen weer buiten ging zitten.
Het is een zomeravondritueel in grote delen van Spanje: zodra de verstikkende hitte van overdag afneemt, worden er stoelen naar de straat gesleept voor een praatje in de openlucht. Nu probeert een ondernemend dorp in Zuid-Spanje de traditie bij de Verenigde Naties aangemerkt te krijgen als cultureel erfgoed.
De bedoeling is de eeuwenoude gewoonte te beschermen tegen de bedreigende opmars van sociale media en televisie, aldus José Carlos Sánchez, de burgemeester van Algar, een dorp van zo’n 1400 inwoners. ‘Het is de tegenhanger van sociale media,’ zei hij tegen The Guardian. ‘Hier gaat het om lijfelijke gesprekken.’
Sánchez diende onlangs een verzoek in om de gewoonte bij de Unesco erkend te krijgen als immaterieel cultureel erfgoed, in de hoop dat ze een plaats verdient op een lange lijst die loopt van de kunst van het pizzabakken in Napels tot de saunacultuur in Finland en een grasmaaicompetitie in Bosnië en Herzegovina.
Saamhorigheidsgevoel
Het is een ongewone manier om aan te kijken tegen de spontane, informele bijeenkomsten die van oudsher zorgen dat je even op adem komt na de hitte, geeft de burgemeester toe. Maar elke keer dat familieleden en buren hun stoep in het pueblo blanco (witte dorp) opzoeken, ziet hij als een poging om de traditie te behouden. ‘Maar het is niet meer wat het was,’ aldus Sánchez. ‘We zouden willen dat iedereen weer buiten gaat zitten, in plaats van door Facebook te scrollen of binnen tv te kijken.’
Sánchez, die regelmatig een zoele zomeravond doorbrengt voor het huis van zijn 82-jarige moeder, somt gretig de vele voordelen op van wat bekend staat als charlas al fresco (praatjes in de buitenlucht): van de oplopende energiebesparing doordat je de airconditioning een paar uur uitzet tot het saamhorigheidsgevoel dat ontstaat als buren de dagelijkse roddels delen of de laatste nieuwtjes bespreken.
‘Mensen komen hun huis uit en voelen zich zo minder alleen’
De avondlijke conversatie dient ook als een soort psychologische uitlaatklep om de eenzaamheid op afstand te houden in een tijd waarin zorgen over de geestelijke gezondheid toenemen, zegt hij. ‘Mensen komen hun huis uit en in plaats van zich alleen te voelen ondergaan ze een therapeutische sessie,’ aldus de 38-jarige burgemeester. ‘Ze delen hun verhalen of de problemen waar ze mee zitten, en de buren doen hun best om te helpen.’
De inwoners van het dorp hebben naar zijn zeggen hartelijk gereageerd op zijn gooi naar de status als werelderfgoed. ‘Ik heb tot nu toe geen enkele negatieve reactie gehad, het was allemaal heel positief.’ Hij wacht op nieuws over vervolgstappen, maar het kon weleens lang gaan duren, denkt hij, misschien wel jaren.
Intussen heeft zijn poging om erkenning te krijgen voor het culturele belang van het gebruik van Algar wel alvast voor onverwachte reuring gezorgd: vanuit het hele land is er media-aandacht op gang gekomen, wat hem de kans geeft zijn kleine dorp, dat verscholen ligt tussen twee natuurreservaten in Zuid-Spanje, op de kaart te zetten. ‘In Madrid beginnen ze Algar te kennen. In Barcelona ook. Net als in een heleboel andere streken,’ aldus Sánchez. ‘We bezorgen de gemeente dus gratis publiciteit.’
De vraag wel of geen ananas op pizza verdeelt de wereld al sinds 1962. In een tijdperk dat zich kenmerkt door polarisatie, wordt het debat weer op het scherpst van de snede gevoerd. Waarom maken we ons zo druk over de pizza Hawaï?
Het noodlottige experiment vond plaats in 1962. Sam Panopoulos, een restauranthouder, was niet bang om risico’s te nemen. Hij had Griekenland op twintigjarige leeftijd verlaten om een nieuw leven te beginnen in Canada en werd eigenaar van een succesvol restaurant in het centrum van Chatham, Ontario. Hij stond bekend om zijn speelse gevoel voor humor. Zijn noodlottige culinaire creatie was een combinatie van deze beide elementen van zijn karakter. Tijdens het bereiden van een pizza, opende hij een blikje gesneden ananas – en deed het ondenkbare.
Zestig jaar later is de pizza Hawaï – een standaardlaag van mozzarella en tomaat belegd met ananas en ham of spek – een van de meest controversiële gerechten ooit gemaakt. In tegenstelling tot andere etenswaren waarover de meningen zo vrolijk verdeeld zijn (iemand zin in Marmite?) is het geen kwestie van deze pizza lekker vinden of niet. In een tijdperk dat zich kenmerkt door een neiging tot polarisatie, is het debat over de verdiensten (of tekortkomingen) van ananas op pizza een wereldwijd tijdverdrijf geworden. In profielen op dating-apps worden potentiële partners niet zelden geconfronteerd met een ‘voedselgevecht’; hou je van ananas op pizza? is evengoed een ijsbreker als een dealbreker. Publieke figuren hebben partij gekozen: Paris Hilton is er gek op, Gordon Ramsay windt zich erover op.
Voor de lol
Het debat over de ananaspizza is zo alomtegenwoordig dat de Amerikaanse regering in 2019 met de ‘The War on Pineapple’ kwam, een voorlichtingscampagne met als doel te laten zien hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd via online posts over kwesties die gemoederen verdelen. Waarom ontlokt de pizza Hawaï dit soort uitgesproken meningen? Panopoulos zei dat hij de ananas slechts ‘voor de lol’ op deze pizza had gedaan. Toen de controverse over zijn creatie in 2017 viraal ging, liet de pensionaris – handenwrijvend – van zich horen: ‘Wat is er met jullie aan de hand?’ vroeg hij.
De pizza Hawaï was niet altijd zo omstreden. In de jaren vijftig en zestig was pizza voor de meeste Amerikanen nog een relatieve nieuwigheid. Met de komst van huishoudelijke diepvriezers boden kant-en-klare pizzabodems een blanco canvas voor zelfexpressie. In recepten in Amerikaanse kranten werd voorgesteld om allerlei niet-traditioneel pizzabeleg uit te proberen, zoals gebakken aardappel en zure room, of zelfs om pizza als dessert te eten, met suiker, kaneel en banaan bovenop gesmolten mozzarella. De opvattingen over welk beleg aanvaardbaar was, waren nog niet verworden tot een religieus dogma.
De naoorlogse periode was in Noord-Amerika een tijd van culinaire nieuwsgierigheid en experimenteren. De Italiaanse keuken nam een hoge vlucht in de buitenwijken. Tegelijkertijd bloeide, met de terugkeer van militairen uit de Stille Zuidzee, de tikicultuur op, met de bijbehorende cocktails, hoelameisjes en ananassen [Het begrip ’tikicultuur’ ontstond rond de jaren dertig van de vorige eeuw in de VS, en is geïnspireerd op de tikisnijkunst uit de Maoricultuur]. Omgekeerde ananastaart werd een favoriet dessert. Ingeblikte ananas was een belangrijk exportproduct voor Hawaï, dat tot de jaren zestig driekwart van de wereldvoorraad produceerde. Het was dus duidelijk hoe de nieuwe fruitige pizza van Panopoulos moest gaan heten: ‘Hawaï’. Ananas was slechts een van de vele Amerikaanse belegvariaties: in Californië werd gebarbecuede kip op pizza populair en in Chicago heerste de panpizza. Populaire combinaties wisselden elkaar af, maar de pizza Hawaï bleef een van de populairste pizza’s in Amerika [en veel andere landen].
Fastfoodfenomeen
Vrijwel elk ingrediënt is ooit als pizzatopping uitgeprobeerd. Sinds het ontstaan als goedkope maaltijd voor zeelieden in Napels was de pizza al een populair en laagdrempelig voedingsmiddel. Maar toen pizza een wereldwijd fastfoodfenomeen werd, kwam ook het begrip klasse om de hoek kijken: koos je voor het ‘authentieke’ recept, of bezweek je voor een verbastering met fruit?
Puristen zagen ananas als een voorbeeld van hoe ver de pizza van zijn oorsprong was afgegleden. De tropische nieuwigheid was zo on-Italiaans als maar zijn kon. De ‘gourmet’-pizza’s in de chique Californische restaurants waren dan misschien even onecht, maar het was de pizza Hawaï die velen te ver ging.
Nationale en culturele trots laaiden het vuur verder op. Toen de pizza steeds verder veramerikaniseerd raakte, vocht het land dat het gerecht bedacht terug. ‘Wij zijn tegen de culturele en commerciële vervorming van onze pizza’, aldus Antonio Pace, oprichter van de Associazione Verace Pizza Napoletana (vereniging voor de echte Napolitaanse pizza) bij de oprichting van de organisatie in 1984. ‘We willen onze oude tradities bestendigen.’
‘Pizza met ananas? Dat is een taart’
In de jaren tachtig hadden de Italiaans-Amerikanen hun maatschappelijke achterstand ingelopen. Sommigen voelden dat hun identiteit gevaar liep. In 2002 vertelde een Italiaans-Amerikaanse pizzabakker aan The New York Times dat hij slechts één keer ananas op een pizza had gedaan: toen een klant die acht maanden zwanger was hem vertelde dat ze daar trek in had. ‘Maar dat was meteen ook de laatste keer,’ zei hij.
Zeven jaar later, toen de Napolitaanse pizza een beschermde status kreeg volgens de Europese wet, vroeg dezelfde krant een pizzaiolo in Napels naar zijn mening: ‘Pizza met ananas? Dat is een taart.’
‘Het is oké om vrouwelijk, mannelijk, homo of hetero te zijn … maar het is nooit oké om ananas op pizza te doen’
Ondanks het feit dat het een van de populairste pizza’s ter wereld is, kwam de pizza Hawaï te staan voor onechtheid, fastfood en slechte smaak. Er was maar één extra ingrediënt nodig om de controverse rondom de pizza Hawaï nog eens wereldwijd te doen toenemen: het internet.
Het afgelopen decennium hebben meningsverschillen, anekdotes en vluchtige zaken uit de echte wereld online vaak onherkenbare vormen aangenomen. Socialmediaplatforms lenen zich evengoed om kattenfoto’s te bespreken als om in konijnenholen van extremistische politiek te vallen. De malle en toegankelijke pizza Hawaï bleek perfect voer voor de mememachine van het internet.
De eigenheid van ananas leende zich uitstekend voor deze wereld waarin men het leuk vond om willekeurige en vreemde onderwerpen te vereren (of te ontheiligen). En het leukste was nog dat het om een gerecht ging dat de gemoederen deed oplaaien. Het was niet de pizza Hawaï die een meme werd, maar het debat over de pizza Hawaï. Wilde je meepraten, dan moest je een mening hebben.
In december 2009 werd een Facebookpagina gelanceerd met de naam ‘Pineapple does NOT belong on PIZZA!’ (ananas hoort niet op pizza). Volgens Know Your Meme, een database van de internetcultuur, bracht deze pagina het online gekrakeel op gang. Mensen grepen de kans om zich over te geven aan ironie en overdrijving. ‘Het is oké om vrouwelijk, mannelijk, homo of hetero te zijn … maar het is nooit oké om ananas op pizza te doen,’ aldus een meme. Anderen, die het online debat onvermijdelijk torpedeerden, stelden dat Adolf Hitler een fan was van ananas als topping. ‘Knights of Pineapple’ (ananasridders), een Reddit-groep uit 2015 met op dit moment 68.000 leden, beloofde te ‘vechten voor de erkenning van de heerlijke pizza Hawaï’.
#TeamPineapple
Het debat ontworstelde zich van de online forums. In 2017 werd de president van IJsland naar verluidt door een student gevraagd hoe hij over de pizza in kwestie dacht: ‘Ik zou hem verbieden als ik de wetgevende macht had,’ zei hij. Hetzelfde jaar kwam Justin Trudeau, premier van Canada, swingend uit voor het thuisteam: ‘Ik heb een ananas. Ik heb een pizza. En ik sta volledig achter deze heerlijke creatie uit Zuidwest-Ontario. #TeamPineapple’, tweette hij.
Tegen een achtergrond van trolling en takedowns, online echo-chambers en door social media verstoorde verkiezingen, ging het debat over de ananaspizza eigenlijk helemaal niet over eten. Het was polarisatie voor de bühne: een manier om te spotten met de kwalijke kanten van het internet. Veel onderwerpen waren inmiddels haast te beladen om te bespreken – zowel online als offline –, maar hier had je een onbeduidend onderwerp waarover iedereen kon meepraten en ruziën, zonder dat je je zorgen hoefde te maken over gevolgen in de echte wereld.
Misschien verklaart dat waarom opiniepeilers, op het verkeerde been gezet door de schokkende uitslagen van het brexit-referendum en de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016, hun toevlucht namen tot enquêtes over pizza. YouGov stelde vast dat 53 procent van de Britten in 2017 ananas als beleg goedkeurde (slechts een iets kleiner deel had gestemd voor het verlaten van de Europese Unie). Pizza is een onderwerp geworden waarover je je zogenaamd kunt opwinden zonder dat het je eigenlijk een bal kan schelen. Het gerecht, dat vaak door een groep mensen wordt besteld en genuttigd, nodigt uit tot debat en discussie – maar vriend en vijand van de ananaspizza kunnen nog steeds aan dezelfde tafel zitten. En als het erop aankomt eten de meesten van ons welk stuk ons ook maar wordt voorgeschoteld.
‘Als 2020 een pizzatopping was, zou het ananas zijn’
Er worden nog steeds berichten gepost op social media waarin het gerecht wordt aanbeden of verguisd. ‘Als 2020 een pizzatopping was, zou het ananas zijn’, is een typische klaagzang van deze tijd. Toen het Amerikaanse Cybersecurity and Infrastructure Security Agency wilde laten zien hoe buitenlandse actoren controversiële kwesties kunnen uitbuiten, zoals in 2016 gebeurde toen Russische trollen ‘meme warfare’ gebruikten om verdeeldheid te zaaien in Amerika, was het debat over de ananaspizza vanwege de herkenbaarheid een voor de hand liggend voorbeeld.
De organisatie maakte een infographic om te laten zien hoe het discours rond de ananas als topping kon worden gepolitiseerd en verhit met uitspraken als: ‘tegen ananas zijn is on-Amerikaans’ of ‘millennials verpesten de pizza’. Later, toen het cyberbeveiligingsagentschap kennelijk de smaak van fruitige pizza’s te pakken had gekregen, werkte het samen met psychologen van de Universiteit van Cambridge om een online spel te maken dat was bedoeld om spelers ‘in te enten’ tegen politieke desinformatie doordat ze de processen sneller leerden herkennen. Spelers werden uitgenodigd onenigheid te zaaien in het vreedzame Harmony Square, een buurt die bekendstaat om zijn levende standbeeld, zijn majestueuze zwaan – en zijn jaarlijkse ananaspizzafestival.
Tweespalt bleek veel dichter bij huis te worden aangewakkerd dan iemand van het cyberbeveiligingsagentschap had kunnen voorspellen. In november 2020, na weken van ophef over verkiezingsfraude, werd Chris Krebs, hoofd van Amerika’s cyberbeveiligingsagentschap, door Donald Trump ontslagen omdat hij in het openbaar de integriteit van de presidentsverkiezingen van november in twijfel had getrokken. Drie dagen later tweette Krebs: ‘Ik moet iets bekennen: Ik hou echt van ananas op pizza. Don’t @ me. #WarOnPineapple’.
De reacties waren, zoals te verwachten was, gepolariseerd. Maar voor één keer volgden ze niet de partijlijnen. De strijd om de pizza Hawaï blijft een luchthartige met een verfrissend lage inzet, en een waarvan iedereen kan genieten. Een beetje zoals de pizza dus.
Mark Rutte en ananas op pizza
Tijdens een livestream op TikTok van de VVD-campagne in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 kreeg Mark Rutte een kijkersvraag: ‘Ananas op een pizza, ja of nee?’ ‘Absoluut niet!’ antwoordde de VVD-leider met een vies gezicht. Zijn argumentatie: ‘Er is niets zo smerig, vind ik, als een combinatie van zoet en hartig. Dus ik vind dat helemaal niks.’
Rutte was zich bewust van de verdeeldheid die rondom de kwestie heerst: ‘We zijn het vaak eens in dit land, maar Nederland splijt hier.’
Toch zei Rutte dat hij op dit onderwerp geen consessies zou doen: ‘Ik behoor absoluut tot de groep die geen ananas op pizza gaat doen. Ik ga het gewoon niet doen.’
De wereld wordt seksueel gezien steeds losser en opener. En toch wordt er minder gevreeën. Seks? Ach, laten we nog maar een serie kijken. Waar dat aan kan liggen onderzocht Sebastian Hermann.
Op handen en voeten kruipen de twee vrouwen naar elkaar toe, midden op het gigantische bed komen ze bij elkaar, gaan liggen, drukken hun kruis tegen dat van de ander en bewegen ritmisch op de muziek. De Amerikaanse zangeressen Cardi B en Megan Thee Stallion dragen strakke, metalig glanzende bikini’s die sterk aan Barbarella doen denken, maar ook geschikt zijn voor een alien-party in een parenclub. Het duo zingt hun gezamenlijk rap ‘WAP’. De afkorting WAP staat voor wet ass pussy. Cardi B, een voormalige stripper, rapt: ‘Ask for a car when you ride that dick’, en: ‘Put this pussy right in your face/ Swipe your nose like a credit card’.
Je kunt zeggen dat hun song en hun show hyperseksueel zijn, of obsceen. Maar hij zit echt niet verstopt in de duistere pornohoekjes van het internet: hun optreden vond plaats op een felverlicht podium tijdens de uitreiking van de Grammy’s, tegelijk de belangrijkste en de populairste muziekprijzen. Puur mainstream.
In your face, recht voor zijn raap, seks, seks, seks. En toch halen de meeste van de miljoenen kijkers hooguit hun schouders op. Het optreden past in de recente traditie van extreme seksuele openheid. De zangeressen laten alleen iets zien wat de afgelopen jaren is gegroeid. Seks als imago, als verwachting, als prestatiedruk is al jaren overal aanwezig. Naakte lichamen zijn overal, op tv, in Game of Thrones en Bridgerton, in elk geval in de reclame en helemaal op internet.
Dat seks voor het huwelijk ooit een serieus taboe was, begrijpt niemand meer
Oppervlakkig gezien heeft de grote seksuele openheid een vaste plaats in onze samenleving gekregen. Voor elk wat wils. Het belangrijkste is dat de deelnemers een hoogtepunt bereiken. Dat seks voor het huwelijk ooit een serieus taboe was, begrijpt niemand meer. Orale en anale seks zijn de kwade reuk van het abnormale kwijt. Datingapps als Tinder hebben het zoeken naar een partner fundamenteel veranderd. Vlogsters en auteurs schrijven zonder enige terughoudendheid over hun seksuele avonturen. Porno is permanent beschikbaar. We worden overspoeld met nieuws over polyamorie, open relaties en de voor niet-ingewijden inmiddels onoverzichtelijke hoeveelheid seksuele identiteiten – alloseksueel, sapioseksueel, panseksueel enzovoort – zo dol zijn de mensen erop. En in elk geval sinds het succes van de sm-kitsch Fifty Shades of Grey heeft ook het onderwerp bdsm een vaste plaats in de slaapkamers van de Vinex-wijken gekregen.
Zo lijkt het althans.
Heeft er de afgelopen twintig à dertig jaar soms een soort tweede seksuele revolutie plaatsgevonden? Als die vraag betrekking heeft op de liberalisering in het publieke domein, dan is het antwoord: ja. Maar als de vraag betrekking heeft op hoe mensen hun seksualiteit daadwerkelijk beleven, dan wordt het ingewikkelder. Dan ontstaat er opeens een vreemd en kennelijk paradoxaal beeld: de mensen lijken ondanks al die vrijheid van tegenwoordig wat minder seks en ook minder plezier in seks te hebben dan een paar jaar geleden. Alles mag, maar het gaat niet vanzelf.
Maken we een seksuele recessie mee zoals Amerikaanse media al aankondigden? ‘De teruggang die we hebben waargenomen, is niet groot, maar gezien de korte periode wel opvallend,’ zegt psychologe Juliane Burghardt. Er is geen aanleiding voor paniek. ‘Maar als een grote groep van vooral jonge mensen aangeeft niet seksueel actief te zijn, is dat op zich al opmerkelijk,’ zegt ook Elmar Brähler van de univer-siteit van Leipzig. ‘Gezien de liberalisering van de seksuele moraal zou je een andere trend verwachten.’
De wetenschap
Steeds meer jonge mensen zijn single. Vanwege het wilde, avontuurlijke leven? Wel, in een relatie heb je nog altijd de meeste seks.
Waarom dat zo is? In popmuziek of in gesprekken met bekenden zul je het antwoord niet vinden. Ondanks alle taboes die zijn gesneuveld, blijft het moeilijk om eerlijk te zijn over dit onderwerp. De een zwijgt, de ander overdrijft, of stelt het mooier voor dan het is, of jokt. Om de vraag naar de nieuwe seksuele vermoeidheid te benaderen, moeten we het terrein van de publiekelijke supererotiek en de ongeloofwaardige privéverhalen verlaten en afdalen naar de nuchterste en minst opwindende van alle werelden: de wetenschap.
De wetenschap zegt dat in de nieuwe seksuele revolutie veel meer mensen zijn achtergebleven dan je zou denken. Althans volgens de Amerikaanse psychologe Jean Twenge. In het vaktijdschrift met de fraaie naam Archives of Sexual Behaviour zetten zij en haar collega’s uiteen dat het deel van de jonge Amerikanen dat heel weinig of helemaal geen seks heeft de afgelopen jaren is gestegen. Vergeleken met oudere generaties hadden Amerikanen die in de jaren negentig zijn geboren het minst seks. In elk geval de heteroseksuele mannen en vrouwen, om wier lust en verlangens het in dit en in de hierna genoemde onderzoeken vooral gaat. Nu heeft Jean Twenge onder wetenschappers de naam haar onderzoeksresultaten nogal dramatisch te presenteren en haar bevindingen zo toe te spitsen dat ze zich goed lenen voor haar lezingen. Haar verhaal over de tanende lust vormt daarop geen uitzondering.
Maar zo makkelijk vallen haar waarnemingen niet te negeren. Juliane Burghardt van de Oostenrijkse Karl-Landsteiner-Universität en Manfred Beutel van de universiteit van Mainz en hun collega’s hebben twee rapporten gepubliceerd over seksuele activiteit en lustgevoelens van Duitse mannen en vrouwen. Daarvoor hebben ze de gegevens van meer dan duizend vrouwen en evenveel mannen vergeleken die in 2005 en in 2016 zijn geïnterviewd over hun seksleven. In 2016 gaf 73 procent van de ondervraagde mannen aan het afgelopen jaar seksueel actief te zijn geweest; in 2005 was dat percentage nog 81 procent. Bovendien zei 13 procent van de mannen dat ze geen zin in seks hadden gehad, een toename van vijf procentpunten ten opzichte van 2005. De antwoorden van de vrouwen gaven een vergelijkbaar beeld: het aandeel seksueel actieve vrouwen daalde in dezelfde periode van 67 naar 62 procent en het aantal vrouwen dat geen zin in seks had, steeg naar 26 procent (eerder 24 procent).
De data van de enquête zijn een beetje grofmazig, veel blijft onduidelijk. ‘Bent u de afgelopen twaalf maanden met iemand intiem geweest?’ luidde een van de enquêtevragen. Dat laat nogal wat speelruimte: hoe vaak heeft iemand dan seks? Met hoeveel partners? Wat verstaan de ondervraagden onder ‘intiem’? Was het in 2005 moeilijker om toe te geven dat je geen zin of een niet bestaand seksleven had dan een goede tien jaar later? En, heel belangrijk, hoe tevreden of ontevreden waren de ondervraagden daar eigenlijk over?
Zelfs in de wetenschap is seks een complex onderwerp en veel vragen blijven onbeantwoord. ‘De bevindingen op zich zijn in elk geval relatief hard,’ zegt psychiater Peer Briken, hoofd van het Institut für Sexualforschung, Sexualmedizin und Forensische Psychiatrie van het academisch ziekenhuis UKE in Hamburg. ‘Dat blijkt uit verschillende onderzoeken.’ In veel andere industrielanden zien we dezelfde resultaten. Bijna alle onderzoeken geven hetzelfde beeld: ‘Het is een generatie-effect,’ schrijven Juliane Burghardt c.s.
Generatiefenomeen
De afname in seksuele activiteit en het minder zin hebben in seks zijn het duidelijkst waarneembaar onder jonge en iets oudere mannen en vrouwen onder de veertig. En afhankelijk van het onderzoek geldt het wat meer voor mannen of wat meer voor vrouwen. Ook de in juni 2020 in het vaktijdschrift Jama gepubliceerde cijfers uit de Verenigde Staten pleiten voor een generatiefenomeen. Het aandeel van de – vrijwillig of onvrijwillig – seksueel niet-actieve mannen tussen 18 en 24 jaar lag daar tussen 2000 en 2002 nog op 18,9 procent; 15 jaar later was dat in dezelfde leeftijdscategorie 30,9 procent. Onder vrouwen steeg het aandeel van de groep zonder seks van 15,1 naar 19,1 procent.
Een van de redenen: ‘Het aandeel singles onder jonge mensen is duidelijk gestegen,’ zegt sekstherapeut Uwe Hartmann van de Medizinische Hochschule Hannover. Ze aarzelen veel meer dan hun voorgangers uit eerdere generaties om een vaste relatie aan te gaan en – pas op: cliché! – mensen met een vaste partner hebben nu eenmaal het vaakst seks. Het idee van de promiscue single die het ene avontuurtje na het andere beleeft, is een karikatuur. Dat bleek ook uit de door Burghardt, Brähler en Beutel geanalyseerde data uit 2015: daaruit bleek dat 87 procent van de ondervraagde vrouwen met partner de afgelopen twaalf maanden seks had gehad en maar 37 procent van degenen zonder vaste relatie. Bij de ondervraagde mannen waren die percentages 88 procent, respectievelijk 54 procent.
Het klinkt paradoxaal dat uitgerekend de jongens en meisjes van de Tinder-generatie met hun online datings en schijnbaar onbegrensde mogelijkheden schipbreuk lijden als het gaat om de bevrediging van hun lusten. Mogelijkheden te over en op het net wemelt het van de zoekenden. Maar misschien is dat juist het probleem. Zo heeft de Nederlandse sociaal psychologe Tila Pronk van de Universiteit Tilburg geconcludeerd dat met het aantal potentiële datingpartners ook de neiging toeneemt om zich terug te trekken en vrijwel iedereen af te wijzen. Hoe meer mogelijkheden, hoe kritischer die worden bekeken. Begrippen als Tinder fatigue en dating burn-out gonzen al over het net. Iemands tevredenheid over een beslissing neemt af naarmate er meer opties zijn, als er überhaupt al een beslissing wordt genomen.
77 procent van de singles hadden in de vier weken voor de enquête geen seks gehad
Sites als Tinder zijn nu eenmaal geen altruïstische relatiebemiddelaars: het concept is zodanig ontworpen dat gebruikers blijven en doorgaan met zoeken in plaats van met een partner in het analoge geluk te verdwijnen. Het is juist een kick om profielen van andere zoekenden door te nemen, je begeerd te voelen als een ander interesse in je heeft en bij twijfel gewoon weer verder te zoeken omdat nu eenmaal ooit je droompartner kan opduiken.
Als je je een weg baant door de sites die expliciet het faciliteren van seksuele avontuurtjes ten doel hebben, krijg je algauw de indruk dat vrouwen omkomen in de reacties en dat mannen zo ongeveer alle vrouwen aanschrijven in de vergeefse hoop eindelijk, eindelijk iemand te vinden. Veel gebruikers doen maar alsof, ze bezoeken de sites alleen om hun fantasie te prikkelen en fantasieavontuurtjes te hebben. ‘Geen sekspraatjes please’ staat er dan ook in veel profielen.
Noorse psychologen hebben bovendien geobserveerd dat op datingsites vooral de mensen succesvol zijn, die ook in de analoge wereld zonder veel moeite een scharrel of een partner vinden. ‘Het internet is vooral een speelplaats voor mensen met sociale remmingen,’ zegt Manfred Beutel. Veel onderzoekers hebben het al over ‘seksuele ongelijkheid’, die door datingsites nog zou worden versterkt. ‘Door op deze manier naar een partner te zoeken, wordt het nog belangrijker hoe iemand eruitziet,’ zegt Ruben Arslan, die zich op het Max-Planck-Institut für Bildungsforschung bezighoudt met vragen rond seksualiteit. Het uiterlijk krijgt op het net extra aandacht. Want andere eigenschappen zijn bij het vluchtig bekijken van een profiel moeilijk vast te stellen: of iemand humor heeft, hartelijk en betrouwbaar is, zie je niet zo makkelijk. Wie er op het eerste gezicht niet goed uitziet, is al afgevallen voor zijn eventuele goede karaktertrekken in beeld kunnen komen.
77 procent van de singles hadden in de vier weken voor de enquête geen seks gehad, terwijl dat bij de mensen met een relatie maar 20 procent was. Dat blijkt uit een onderzoek onder bijna 5000 personen tussen oktober 2018 en september 2019 door het Academisch ziekenhuis UKE in Hamburg.
‘Veel jonge mensen stellen tegenwoordig extreem hoge eisen’
Mannen hadden naar eigen zeggen gemiddeld 9,8 vrouwelijke sekspartners, vrouwen hadden slechts 6,1 partners. De onderzoekers van het UKE gaan ervan uit dat mannen zich eerder als seksueel actief profileren. Als vrouwen een groot aantal partners opgeven, lopen ze daarentegen nog steeds het risico negatief beoordeeld te worden en ze zijn dan ook geneigd een lager aantal partners te vermelden.
‘Veel jonge mensen stellen tegenwoordig extreem hoge eisen,’ weet Uwe Hartmann van de Medizinische Hochschule Hannover uit zijn therapeutische praktijk. Alles moet en zal kloppen. ‘Maar de juiste partner,’ zegt Hartmann, ‘staat eerder aan het eind dan aan het begin van een relatie. Je ontwikkelt je samen en groeit naar elkaar toe, maar daar is geduld voor nodig en de bereidheid compromissen te sluiten. Veel mensen zijn daar niet toe bereid.’ Hij ziet dat zelfbeschikking vaak voor alles gaat. ‘Ik, in plaats van wij.’ Een relatie aangaan impliceert verlies van individuele autonomie, dat kan nu eenmaal niet anders.
Met de hoge eisen neemt mogelijk ook de angst toe om te worden afgewezen. Een dergelijke faalangst kan jonge mensen ertoe brengen alleen te blijven – en weer naar het internet brengen, maar dan naar een ander soort sites. ‘Juist op jonge, onzekere mannen oefent seks op internet een enorme aantrekkingskracht uit,’ zegt Manfred Beutel. ‘Voor onervaren, bang aangelegde mensen is in je eentje te mastur-beren makkelijker dan het risico lopen te worden afgewezen.’ Een van zijn patiënten zat hele nachten voor het scherm om naar een vrouw te kijken die seksuele handelingen verricht, live en tegen betaling. Die vrouw verdient goed aan klanten zoals hij. De jonge patiënt heeft zich diep in de schulden gestoken, verschijnt vaak niet op zijn werk en echte intimiteit zal hij zeker niet vinden. Sommige camgirls doen zelfs alsof ze een relatie met hun klant hebben. Ze sturen elkaar WhatsAppberichtjes en creëren zo een illusie van bij elkaar zijn. En als hij zich een tijdje niet meer laat zien en niet meer voor haar internetshows betaalt, blijft ze hem achterna zitten.
Onzeker
Maar ook hier geldt: of porno je zin in seks vermindert, zoals vaak wordt verondersteld, staat wetenschappelijk niet vast. Zo blijft ook de vraag of mensen wellicht wat minder seks met hun partner hebben omdat ze in plaats daarvan seks met zichzelf hebben, dus masturberen, voorlopig niet meer dan een vermoeden. Data over de frequentie van masturbatie vertonen op zijn best grote tekortkomingen. Mannen, zeggen sommige onderzoekers, blijven de laatste decennia met ongeveer dezelfde frequentie masturberen, vrouwen doen het sinds de jaren zestig vaker. Waarbij het een open vraag is of er tegenwoordig niet gewoon makkelijker over wordt gesproken. Onder onderzoekers lijkt een zekere consensus te zijn ontstaan dat soloseks een zelfstandige vorm van seksualiteit is, die parallel aan seks met een partner kan plaatsvinden.
Om porno te kijken moet je handelingen verrichten, maar voor veel uitingen van de liberale seksuele moraal in het algemeen hoef je helemaal niets te doen. Die vinden jou wel, bijna continu en overal, wat er makkelijk toe kan leiden dat mensen zich onzeker gaan voelen. ‘De seksualisering van de publieke ruimte gaat mogelijk gepaard met ontseksualisering in het privédomein,’ vertelt Bernhard Strauβ van de universiteit van Jena. Als psycholoog en seksonderzoeker komt hij in zijn dagelijkse praktijk regelmatig patiënten tegen die over zichzelf en hun lustgevoelens twijfelen. Al die beelden en verhalen op het internet en uit andere bronnen vormen een belasting voor de mannen en vrouwen die naar de polikliniek van Strauβ komen. ‘Ze vinden zichzelf te normaal, te saai en te gewoontjes,’ zegt hij. Moet hun seksleven niet wat meer kleur en afwisseling krijgen dan het nu heeft? Moeten ze niet meer lust ervaren, net als alle anderen die kennelijk hun bdsm-fantasieën op frivole fetisjfeestjes uitleven of in als spirituele workshops vermomde tantraweekends de toppen van hun zeer persoonlijke gelukzaligheid bereiken? ‘Dat betreft typisch mensen die al jaren een vaste relatie hebben, met een routineus seksleven,’ zegt Strauβ, ‘en dan vertellen vrienden over allerlei wilde praktijken, wat ervoor zorgt dat ze gaan twijfelen en zich afvragen of ze geen saaie muts zijn en van alles missen.’
‘Overal draait het om seks, behalve in hun eigen slaapkamer’
Want uiteraard hebben anderen altijd de beste seks. Daardoor slaat hun fantasie op hol, beelden ter inspiratie zijn massaal voorhanden. ‘Overal draait het om seks, behalve in hun eigen slaapkamer,’ zegt schrijfster Susanne Wendel. Daaruit ontstaan de extreme verwachtingen waar veel individuen en stellen last van hebben. Verschillende van zulke door hun (gebrek aan) zin in seks geteisterde mensen hebben zich al bij haar gemeld. Eigenlijk heeft ze voedingsleer gestudeerd, maar in plaats van met diëten houdt ze zich nu met erotiek bezig. Ook dat weerspiegelt wellicht de tijdgeest: in plaats van de voeding wordt nu de seksualiteit geoptimaliseerd.
Sekscoach
Susanne Wendel schrijft boeken met titels als Naai je gezond in twaalf weken. Als coach en ervaren swinger adviseert ze vooral cliënten wier seksbeleving geen gelijke tred houdt met hun verwachtingen. De stellen die bij haar komen, zegt Susanne Wendel, zijn eigenlijk overwegend heel gelukkig met elkaar. ‘Ze houden van elkaar, ze zijn op elkaar gesteld, maar de seks is ingedut, en meestal zou een van de twee graag weer wat meer willen.’
Juist in deze tijd van pandemie en langdurige lockdown doet het probleem zich in gezinnen in geconcentreerde vorm voor. ‘Hoe moet je ’s avonds zin in gezamenlijke bedsport krijgen, als je al de hele dag op elkaars lip zit en ook de kinderen steeds je aandacht vragen,’ zegt Susanne Wendel. Een van haar klanten vertelde dat ze vaak opgelucht is als haar man op de bank voor de tv in slaap valt en niet meer naar haar slaapkamer komt. Dan is er in elk geval ook geen moment van twijfel of ze het nu wel of niet moesten doen, ook al had ze geen zin. ‘Om zin te hebben is afstand nodig,’ zegt Wendel. Verlangen ontstaat als je niet bij elkaar bent. Alleen als je je kunt terugtrekken, verlang je ook weer naar de lichamelijke nabijheid van je partner, met wie je misschien al jaren samenwoont en leven en bed deelt.
Soms is het al voldoende om ergens anders te zijn, naar een hotel te gaan bijvoorbeeld, zegt Wendel. Of een vaste afspraak te maken om seks te hebben. ‘Dat klinkt misschien raar en banaal, maar het werkt wel.’ Als diëtiste heeft ze daar een passend spreekwoord voor: ‘Al etende krijgt men trek.’ Stellen die bij haar komen, stuurt ze naar een studentenhotel, seksshops of, voor gevorderden, naar een parenclub of een seksfeest. In een dergelijke aanpak zit veel tijdgeest en er is wat geluk en de echte wil tot verbetering bij nodig. Daar is Susanne Wendel zich heel goed van bewust. De vraag is of dit recept succes zal hebben bij de grote massa. Kunnen alle gefrustreerde stellen zich, excusez le mot, in twaalf weken gezond of in elk geval tevreden naaien?
Als je alles kunt krijgen, kom je tot niets meer en hou je aan het eind alleen twijfel over
Sommige dingen verliezen misschien hun magie als ze expliciet besproken en georganiseerd worden. Misschien ook slachten sommige van de hunkeraars hun kip met gouden eieren: wie altijd alles wil verbeteren en hebben, strandt uiteindelijk op een innerlijk eiland van eenzaamheid en ontevredenheid. Uit psychologisch onderzoek is bekend dat een expliciete zoektocht naar meer geluk en grotere tevredenheid paradoxale resultaten oplevert. Door de focus op persoonlijk geluk wordt juist de nadruk gelegd op de omstandigheden waar dat geluk ontbreekt. Misschien gaat het met seksualiteit ook zo. De eis dat iemand zijn verlangens per se bevredigd wil zien, wordt zo belangrijk dat hij de teleurstelling al in zich draagt. Was dat nou alles, kan het niet beter, bestaat er echt geen grotere climax? Als je alles kunt krijgen, kom je tot niets meer en hou je aan het eind alleen twijfel over: niets dus.
Bovendien moet de wens van een vervuld seksleven tegenwoordig concurreren met andere verlangens. Er bestaan nog andere genoegens. ‘We hebben tegenwoordig vrijetijdsstress,’ zegt Uwe Hartmann, ‘vroeger waren er maar drie tv-programma’s en was seks een van de weinige andere vrijetijdsbestedingen.’ Nu ziet hij daarentegen een fenomeen dat hij Netflixlusteloosheid noemt. Een van de stellen uit Hartmanns praktijk leerde elkaar kennen tijdens de vakantie en had een tijd een latrelatie waarbij in het weekend seks en erotiek centraal stonden. Toen gingen ze samenwonen en zaten ze – in figuurlijke zin – steeds vaker samen lusteloos op de bank. Seks? Ach, laten we nog maar een serie kijken.
Ook carrièrestress en werkloosheid benemen je de zin in seks. En juist de jongere generatie werkt vaak noodgedwongen als kwetsbare zzp’er of met een tijdelijke aanstelling. Financiële onzekerheid, vage carrièrepaden, soms ook nog kritische ouders in je nek: het zou allemaal een deel van de lustdip van deze generatie kunnen verklaren.
Als je veel gamet, heb je geen tijd voor andere dingen
En bovenaan de lijst prijkt de usual suspect: het mobieltje. ‘Digitale media zijn zeker relevant,’ zegt Juliane Burghardt, ‘maar het zou goed kunnen dat ze een heel andere invloed hebben dan vaak wordt verondersteld.’ Een smartphone vermindert het libido niet door zijn geheimzinnige straling, veel vaker is het zo dat het de aandacht vasthoudt die anders naar je partner en haar lichaam zou kunnen uitgaan. Surfen leidt af, wat voor soort apparaat je ook gebruikt. Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben verbluffende resultaten gepubliceerd, die daarop wijzen. In de onderzochte regio’s correleerde het teruglopen van tienerzwangerschappen met het uitrollen van breedbandinternet. Waar sneller internet kwam, waren de meisjes meer bezig op internet, dan dat ze in de analoge wereld op avontuurtjes uit gingen, is de interpretatie van de onderzoekers. Voor jonge mannen daarentegen kan de teruglopende seksuele activiteit worden verklaard door computergames: als je veel gamet, heb je geen tijd voor andere dingen. Daar komt nog bij dat de consumptie van alcohol, vanouds een grote drempelverlager, lijkt terug te lopen, in het bijzonder bij jongeren, zoals sociologe Lei Lei van Rutgers University aanvoert. Als je wat gedronken hebt, spring je makkelijker over je schaduw heen en overwin je eerder je angst om afgewezen te worden.
Mannen en vrouwen tussen 18 en 35 hebben gemiddeld vijf keer per maand seks, de 36- tot 55-jarigen ongeveer vier keer. De ‘eerste keer’ is voor bijna de helft van de 18 tot 25-jarigen nog voor hun zeventiende verjaardag (44 procent van de mannen en 42 procent van de vrouwen). Deze percentages zijn de laatste jaren niet erg veranderd, aldus de onderzoekers van het UKE.
13 procent van de ondervraagde mannen in Duitsland zei geen zin in seks te hebben, een toename van ongeveer 5 procentpunten ten opzichte van 2005. Bij de vrouwen was een vergelijkbaar beeld te zien: het aantal seksueel actieve vrouwelijke ondervraagden nam af tot 62 procent (was 67 procent), het percentage vrouwen die geen zin hadden, steeg naar 26 procent (was eerder 24 procent).
Seksuele moraal
Oversexed and underfucked – misschien is het gewoon wel een naïef idee dat de liberalisering van de seksuele moraal en de seksualisering van de openbare ruimte de mensen bevrijd heeft. Seks is en blijft nu eenmaal iets machtigs, iets dat te maken heeft met controleverlies, iets dat de gevoelshuishouding ontregelt, het zelfbeeld ter discussie stelt, afgronden openbaart, het dierlijke in de mens opwekt. Iets dat, net als vroeger, met angst en schaamte te maken heeft, hoe naakt de wereld rondom ons ook mag zijn.
‘Ben ik mooi genoeg, ben ik te dik, hoe denken anderen over mij: al die twijfels heb je in een parenclub natuurlijk ook,’ vertelt een ervaren vrouwelijke swinger die op internet over haar seksuele avonturen en haar open relatie schrijft. En: ‘Het is heel, heel moeilijk voor me geweest om ook mijn onderdanige kant te laten zien,’ zegt ze, tenslotte is ze ‘door en door en feminist’. Zoals veel seksblogsters maakt ze het private (ook) publiek, om het te politiseren, net zoals dat in 1968 werd gedaan. Het gaat hun om de bevrijding van de vrouwelijke lust: zo lijkt het in elk geval. Maar vaak kan die strategie ook ter rechtvaardiging van het eigen handelen dienen. Wie zijn lust offensief ten dienste van een hoger doel stelt, voorkomt aanvallen van anderen. Want ondanks alle maatschappelijke vooruitgang stellen onderzoekers vast, dat vrouwelijke promiscuïteit nog altijd kritiek uitlokt.
‘Het is een teken van seksuele zelfbeschikking als vrouwen hardop zeggen dat ze geen zin hebben’
In elk geval staat inmiddels wel vast dat vrouwen ‘tegenwoordig een aanzienlijk hoger seksueel zelf-bewustzijn hebben,’ zegt Bernhard Strauβ van de universiteit van Jena. Zowel als ze seks willen als wanneer ze dat niet willen: ‘Het is een teken van seksuele zelfbeschikking als vrouwen zich veroorloven geen zin te hebben en dat ook hardop zeggen.’ Kortgeleden is er een boek verschenen van de paren- en seksueel therapeute Anica Plaβmann waarvan de titel dit fenomeen, geheel conform de tijdgeest, bevestigt: Sexfrei. Warum es okay ist, keine Lust zu haben [‘Seksvrij. Waarom het oké is als je geen zin hebt’ (niet in het Nederlands vertaald)]. ‘Iedereen heeft recht op geen seks!’ staat op de flaptekst.
Ook al hebben we het nu niet over mannen die geen zin hebben, toch zijn die er wel degelijk, zegt Uwe Hartmann. Als je die vraag aan therapeuten stelt, hoor je dat parallel aan het toegenomen seksuele bewustzijn van vrouwen, bij mannen juist de onzekerheid is toegenomen. De prestatiedruk die ze ervaren en seksuele faalangst hebben hen misschien een stille aftocht doen blazen. Liever helemaal geen lust, dan er een beetje dom bijhangen. De mannelijke seksualiteit wordt in het #MeToo-heden vooral als een duistere, destructieve kracht beschouwd. Veel mensen zien deze discussie als een maatschappelijke kans om de verhouding tussen de geslachten opnieuw te ijken. Maar op minder theoretisch vlak vergroot ze bij veel mensen ook de onzekerheid.
‘Mannen zijn hier juist enigszins in het defensief,’ zegt Manfred Beutel. Een van Hartmanns patiënten is bijvoorbeeld volkomen in paniek geraakt omdat hij bang is in de omgang met vrouwen iets te doen of te zeggen dat als seksueel geweld zou kunnen worden geïnterpreteerd. Ook in de bdsm-scene is een nieuwe terughoudendheid te bespeuren. Daar is een ‘enorm tekort aan dominante mannen,’ zegt Hartmann.
De eeuwige vraag blijft: wat gaat er mis?
Vermoedelijk ontstaat bij beide geslachten ook onzekerheid door de druk om hun eigen individuele vorm van seksualiteit te moeten definiëren. Hetero, homo, bi, aseksueel, alloseksueel, panseksueel: seksuele zelfdiagnose heeft een naam nodig. Misschien is het voor jongeren moeilijk een keus te maken uit al die identiteitssjablonen. Onderzoekers zien als tegenbeweging een terugkeer naar de traditie: het superklassieke beeld van een relatie met eerst een verloving en later een trouwdag die zo op Instagram kan.
De eeuwige vraag blijft: wat gaat er mis?
De neiging om seks te problematiseren is van alle tijden en niet afhankelijk van hoe je er tegenaan kijkt. Te veel seks? O nee, het einde der tijden nadert. Te weinig seks: O nee, het einde van de wereld zoals wij die kennen nadert! Cultuurpessimisme-light.
Maar wellicht is er helemaal geen probleem. Want veel mensen kunnen er tegenwoordig goed mee omgaan dat ze minder zin hebben, zoals Manfred Beutel in de praktijk waarneemt. Dat de seks minder was geworden, dat haar lustgevoel was ingedommeld, vertelde een patiënte hem bijvoorbeeld slechts heel terloops. In de jaren tachtig zou het een complete opstand bij zijn patiënte hebben teweeggebracht. Toen was gebrek aan lust en een ingeslapen liefdesleven nog een regelrechte catastrofe, als het überhaupt al expliciet en als zodanig werd benoemd en niet schuilging onder andere onderwerpen. Over zijn jonge patiënten die doelloos door hun singleleven dwalen zegt Beutel: ‘Bij veel van hen heb ik de indruk dat ze helemaal niet zo in seks geïnteresseerd zijn.’
‘Misschien hebben we nu wel de optimale hoeveelheid seks die we als samenleving nodig hebben,’ zegt psychologe Juliane Burghardt. Er zijn veel redenen om seks te hebben, en die zijn niet allemaal goed. De psychologen Cindy Meston en David Buss hebben jaren geleden de inmiddels klassieke studie Waarom mensen seks hebben gepubliceerd en daarin het overgesimplificeerde idee weersproken dat mensen alleen seks hebben omdat ze het lekker vinden, kinderen willen of omdat hun hormonen zich roeren. Meer dan vijfhonderd proefpersonen hebben in dat onderzoek honderden redenen gegeven om met iemand fysiek intiem te willen zijn.
Er bestaan ook slechte redenen om seks te hebben. Bijvoorbeeld om je partner plezier te doen of om haar niet teleur te stellen. Onvrijwillig seks hebben, bijvoorbeeld in combinatie met alcohol, die zoals hierboven al geschetst, niet alleen op onschadelijke wijze ontremmend werkt. Misschien is het tegenwoordig voor veel mensen wel makkelijker om nee te zeggen als ze niet willen, maar hebben ze op een of andere manier toch het gevoel dat ze het moeten doen, zegt Burghardt. Ja, misschien.
Vast staat alleen dat het ingewikkeld blijft, heel ingewikkeld. Het gaat tenslotte om seks.
Nog geen gerechtigheid een jaar na de explosies in Beiroet
Op 4 augustus 2020 werd de hoofdstad van Libanon verwoest door een dodelijke ontploffing waarbij meer dan tweehonderd mensen omkwamen en duizenden gewond raakten. Sindsdien wachten de slachtoffers nog steeds op gerechtigheid.
Het is een ‘zeer gespannen dag’ die Libanon te wachten staat op de noodlottige eerste verjaardag van de enorme explosie die een jaar geleden de hoofdstad Beiroet verwoestte, aldus de Libanese krant L’Orient-Le Jour.
Op deze dag van nationale rouw organiseren de families van de slachtoffers van de tragedie een ‘minutieus voorbereide‘ volksplechtigheid. Een stilte tocht trekt door de getroffen wijken, met een stop in de haven van Beiroet ‘om de families te steunen en om gerechtigheid te vragen’. Ook wordt er een minuut stilte gehouden om het moment van de ontploffing om 18.08 uur te markeren en een mis, terwijl anderen zich naar het Parlement begeven, beschrijft de Franstalige krant uit Beiroet.
‘Er is één element dat de loop van de dag kan veranderen: de woede van het volk’
‘Maar er is één element dat de loop van de dag kan veranderen: de woede van het volk’, schrijft L’Orient-Le Jour. De Libanese website Al-Modon vreest zelfs dat de dag ‘bloedig’ zou kunnen verlopen.
Veel Libanezen zijn woedend over de ‘criminele’ nalatigheid en straffeloosheid van de verantwoordelijken die op de hoogte waren van de enorme voorraad ammoniumnitraat die jarenlang zonder voorzorgsmaatregelen was opgeslagen in een loods in de haven, en waarvan de brand de enorme explosie veroorzaakte.
‘We proberen elke dag ons verdriet en woede om te zetten in daadkracht om het onrecht te bestrijden’, schrijft de Libanese website Daraj. Het verzoek van de rechter die met het onderzoek is belast, Tarek Bitar, om de immuniteit van bepaalde ambtenaren op te heffen, is uiteindelijk een dode letter gebleven, ondanks de intentieverklaringen van verschillende politieke leiders in het land die hebben verklaard voorstander te zijn van opheffing van de immuniteit.
Zoals Daraj in een ander artikel samenvat: ‘Er is een jaar voorbij. Het onderzoek heeft niets opgeleverd en geen enkele ambtenaar is berecht.’
Het aantal pasgeboren baby’s in China is in de eerste helft van het jaar sterk gedaald, volgens gegevens van lokale overheden. De cijfers bevestigen dat ’s werelds meest bevolkte land afstevent op een demografische crisis. China publiceert geen gegevens over de nationale bevolking op kwartaal- of halfjaarlijkse basis, maar recente cijfers uit verschillende districten, steden en provincies bieden een nieuw inzicht in de krimpende bevolking van het land, aldus South China Morning Post.
De afnemende bevolking zal volgens experts invloed hebben op de productiviteit, het pensioenstelsel en de toekomstige consumptie. ‘Negatieve bevolkingsgroei is onvermijdelijk’, aldus Li Jianxin, demograaf aan de Universiteit van Beijing, vorige week maandag op een forum in de hoofdstad, waar SCMP aanwezig was. China vergrijst ook in een ongekend tempo, deels vanwege het vroegere eenkindbeleid dat inmiddels is losgelaten. Het lage vruchtbaarheidscijfer van het land en de vergrijzende samenleving zullen waarschijnlijk van invloed zijn op de toekomstige concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en India, aldus Li.
Inwoners van Azerbeidzjan zullen binnenkort een vaccinatiebewijs moeten kunnen overleggen om de meeste openbare gebouwen te mogen betreden, bericht Eurasianet. De nieuwe regelgeving werd eind juli aangekondigd en komt feitelijk neer op een nationale vaccinatieplicht. Vanaf 1 september moeten mensen van 18 jaar en ouder een vaccinatiebewijs in een ‘covidpaspoort’ kunnen tonen om onder meer restaurants, cafés, winkelcentra en hotels te mogen betreden. In onderwijsinstellingen moeten leerlingen en studenten van 18 jaar en ouder kunnen bewijzen dat ze zijn ingeënt.
Tot nu toe is 26 procent van de Azerbeidzjanen minstens één keer gevaccineerd. Tachtig procent van de werknemers van overheidsinstanties, medische en farmaceutische bedrijven en wetenschappelijke en onderwijsinstellingen zal vanaf 1 september een eerste inenting moeten hebben en een tweede in oktober. De vaccinatieplicht leidt nu al tot wijdverbreide omkoping en een zwarte markt in valse covidpaspoorten.
Lange tijd is de westerse wetenschap beheerst door antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats inneemt in het centrum van de wereld. Doordat dit voor Japan niet gold, ontdekten studenten hier ‘precultuur’ bij dieren. Ben Crair wilde dit zelf waarnemen en koos ervoor de Japanse sneeuwaap te bestuderen: die was het schattigst.
De Snow Monkey Expresswas bijna leeg toen ik met een paar andere toeristen van Nagano naar de laatste stop in Yamanouchi reed, een stad met 12.400 inwoners. Een spandoek verwelkomde ons in Snow Monkey Town en borden op het station toonden rode Japanse makaken die tot aan hun nek in warm bronwater zaten te weken. De apen hadden de ogen gesloten en de armen uitgestrekt terwijl stoom om hen heen opsteeg en sneeuwvlokken neerdaalden in de droge vacht op hun hoofd.
Na een lange reisdag besloot ik zelf een duik te nemen in een van de onsenbaden van de stad. Ik liet mezelf in het kokendhete zwavelhoudende water zakken en dacht aan soortgelijke ervaringen die ik op andere plaatsen had gehad: de geurige vochtige hitte van de Russische banya, het Indiase ayurvedische stoombad in de kitscherige cabine. Door de eeuwen heen hebben mensen over de hele wereld de eenvoudige praktijk van het baden op vele verschillende uitgebreide manieren beoefend. Japanse primatologen waren de eersten die zich afvroegen of ook dieren hun eigen rituelen hebben ontwikkeld.
De sneeuwapen zijn een van de vele groepen Japanse makaken die de manier waarop we dieren en onszelf zien hebben veranderd. Ze hebben ons geholpen de ware complexiteit van dierlijk gedrag te herkennen – en daarmee inzicht gegeven in de evolutionaire oorsprong van ons gedrag. Mijn plan was om verschillende van deze apentroepen door heel Japan te bezoeken en in deze Snow Monkey Town te beginnen omdat, nou ja, de apen hier het schattigst waren.
Allesbehalve zen
De volgende ochtend liep ik enkele kilometers door het bos naar het Jigokudani Monkey Park, waar een bord voor een ‘apenonsen’ over een voetgangersbrug wees. De poel stoomde op de rand van een klif boven de Yokoyu-rivier, en in het midden zat een enkele aap, een oud vrouwtje met een lange snuit en ronde amberkleurige ogen. Ze was een van de ongeveer veertig makaken die wel eens in bad gingen. Andere apen kibbelden over het graan dat arbeiders in het apenpark op de rivieroever en op de berghelling hadden uitgestrooid.
De foto’s die ik voor de reis had gezien, gaven een indruk van ontspannen kleine dieren, maar het tafereel was allesbehalve zen. Wetenschappers beschrijven Japanse makakengemeenschappen als ‘despotisch’ en ‘nepotistisch’. Elke aap binnen een bepaalde groep had een plaats in een lineaire dominantiehiërarchie, één voor mannen en één voor vrouwen, en ze verdrongen voortdurend ondergeschikten om hun rang te versterken. De apen waren waakzaam terwijl ze graan uit de sneeuw plukten, ze keken voortdurend over hun schouders om hun buren in de gaten te houden; een hogere aap zou ze aan hun been mee kunnen slepen of zijn tanden in hun nek kunnen zetten.
Toen etenstijd voorbij was, begonnen de apen elkaar te verzorgen – hun manier om niet alleen parasieten te elimineren, maar ook om een meerdere te paaien of een alliantie te vormen. Een paar juvenielen sprongen in de onsen, terwijl volwassen vrouwtjes voorzichtig het water in waadden. Ik hurkte neer voor een vrouwtjesmakaak, die met beide handen een steen vastpakte en haar achterhand onder water plaatste. Haar puberzoon hurkte achter haar terwijl haar dochtertje naast haar peddelde. De zoon kamde met zijn poot door haar vacht, eerst met zijn linkerhand en toen met zijn rechterhand, werkte door haar grijze ondervacht naar de blanke huid en at de stukjes op die hij erin vond. De moeder sloot haar blauwachtige oogleden en legde haar rode wang op de rots tussen haar handen. Haar naam was Tomiko, vertelde een parkmedewerker me. ‘Tomiko houdt erg van onsen’, verklaarde hij.
Apen zoals Tomiko begonnen bijna zestig jaar geleden te baden in de onsen in Jigokudani. ‘Ik was de eerste die ze erin zag gaan’, vertelt een gepensioneerde professor genaamd Kazuo Wada van het Primate Research Institute van de Universiteit van Kyoto. Het was 1963, en hij bestudeerde de apen in Jigokudani. Het park voorzag in die tijd een groep van 23 apen van appels, in de buurt van een onsen waar gasten van een lokale ryokan, een traditionele Japanse herberg, kwamen om te baden. De apen vermeden het water, tot op een dag een appel het bad in rolde. ‘Een aap ging erachteraan en ontdekte dat het warm was’, herinnert Wada zich. Een paar minuten later nam de aap nog een duik. Jonge apen die vanaf de rand toekeken, werden nieuwsgierig en probeerden het al snel zelf.
Zowel wetenschappers als de lokale bevolking keken al jaren naar de Jigokudani-apen, maar tot dat moment had niemand ze het water in zien gaan. Binnen een paar maanden was baden populair bij de jongere apen in de groep. Het was meer dan een rage. Hun baby’s leerden ook zwemmen. Uiteindelijk was een derde van alle apen in de troep aan het baden. In 1967 moest het park om hygiënische redenen een speciale apenonsen in de buurt bouwen zodat ze niet samen met hun gasten in het bad zouden gaan.
‘Monkey see, monkey do’ is een meestal spottend gebruikte uitdrukking voor leren middels imitatie, maar wetenschappers van Jigokudani geloofden dat ze getuige waren van iets diepgaands. Ze waren discipelen van Kinji Imanishi, een ecoloog en antropoloog die in 1967 het Primate Research Institute mede oprichtte. Terwijl westerse wetenschappers het leven als een darwinistische strijd om te overleven beschouwden, geloofde Imanishi dat in de natuur harmonie de basis vormde, en dat cultuur een uitdrukking was van deze harmonie. Hij voorspelde dat bij alle dieren die leefden in een ‘eeuwige sociale groep’ waar individuen van elkaar leerden en generaties lang bij elkaar bleven, een eenvoudige vorm van cultuur zou ontstaan. Antropologen hadden nooit aandacht besteed aan dieren, omdat de meesten van hen aannamen dat ‘cultuur’ strikt menselijk was. Vanaf de jaren vijftig ontdekten Imanishi’s studenten in Jigokudani en andere locaties in Japan dat dit niet het geval was.
Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken
Tegenwoordig zijn culturen niet alleen erkend bij apen, maar ook bij verschillende zoogdieren, vogels en zelfs vissen. Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken. De verspreiding van dit gedrag wordt bepaald door de sociale relaties tussen de dieren – degenen met wie ze tijd doorbrengen en degenen die ze mijden – en verschilt per groep. Onderzoekers hebben bijna veertig verschillende gedragingen bij chimpansees gevonden die ze als cultureel beschouwden, van een groep in Guinee die noten kraakt tot een andere in Tanzania die danst in de regen. Potviswetenschappers hebben verschillende vocale clans geïdentificeerd met hun eigen klikdialecten, waardoor wat een wetenschapper ‘multiculturele gebieden’ noemt in de zee zijn ontstaan.
Cultuur is zo belangrijk voor sommige dieren dat Andrew Whiten, een evolutionair en ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit van St. Andrews in Schotland, het een ’tweede overervingssysteem’ noemt naast genetica. En wanneer dieren verdwijnen, verdwijnen ook de culturen die ze in de loop van de generaties hebben ontwikkeld. Instandhoudingsprogramma’s kunnen soms nieuwe dieren in een leefgebied herintroduceren, maar deze nieuwkomers kennen niets van het culturele gedrag van hun voorgangers. In 2019 publiceerde het tijdschrift Science twee artikelen waarin werd betoogd dat inspanningen voor natuurbehoud de impact van menselijke activiteit op gedrags- en culturele diversiteit bij dieren altijd over het hoofd hebben gezien. De auteurs van een van de artikelen drongen aan op het creëren van ‘culturele erfgoedsites’ voor chimpansees, orang-oetans en walvissen.
De kranten maakten geen melding van Japanse makaken, die namelijk geen bedreigde diersoort zijn. Maar het voorstel van culturele erfgoedsites voor dieren deed me meteen denken aan Japan, waar Imanishi en zijn studenten in de eerste plaats dierenculturen leerden herkennen. Van Jigokudani trok ik naar mijn volgende bestemming: de meest legendarische van hun veldsites, een eiland genaamd Koshima.
‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn’
Vanuit Jigokudani reed ik met een oude bus langs de Pacifische kust door Kyushu, het meest zuidelijke van de vier belangrijkste eilanden van Japan. Kleine huizen werden door hun tuinen grotendeels aan het zicht onttrokken, bergen rezen op en omarmden het water in de ronde blauwe baaien. Deze regio was ooit populair bij Japanse pasgetrouwden, maar de gouden eeuw eindigde toen het gemakkelijk werd om naar plaatsen als Hawaï te vliegen. Ik stapte uit de bus bij het veldstation dat in 1967 was opgericht door het Primate Research Institute en nu wordt beheerd door de Universiteit van Kyoto.
Een Amerikaanse student genaamd Nelson Broche Jr. wachtte me op bij de bushalte. Hij bestudeerde acute stress bij Japanse makaken in het Koshima Field Center. ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn,’ vertelde hij me. Je kunt verschillende soorten makaken vinden in heel Azië, ook in de harten van grote steden zoals Delhi. Japanse makaken hebben zich aangepast aan bijna elke natuurlijke habitat in het land, van de besneeuwde bergen van Jigokudani tot de subtropische bossen op Kyushu.
Broche stelde me voor aan Takafumi Suzumura, die al achttien jaar voor de universiteit van Koshima werkt. We liepen naar het water en ze wezen naar Koshima, een stuk groen bos in een kalme turquoise zee. Het was zo dichtbij dat surfers erheen konden zwemmen. We betaalden een visser om ons om de rotsachtige kustlijn heen naar een verborgen inham met een strand te varen.
De apen stonden op het zand te wachten, als overlevenden van een schipbreuk. Zodra we verschenen begonnen ze te kirren en te zoemen. ‘Dat betekent: “Geef me eten”’, zei Suzumura. Het alfamannetje, Shika, stapte op Suzumura af met zijn staart in de lucht en joeg elke andere aap die te dichtbij kwam weg. In tegenstelling tot de apen in Jigokudani, die volledig onverschillig waren voor mensen, gromden sommige apen op Koshima naar me en vielen me aan als ik in de buurt kwam. Suzumura zei dat ik rustig moest blijven, oogcontact moest vermijden en me geen zorgen moest maken. ‘Ze bijten nooit,’ zei hij.
Imanishi en zijn studenten arriveerden in 1948 op hetzelfde strand. Ze waren op zoek naar bewijs van ‘precultuur’ bij dieren, een fundamenteel proces dat ook de evolutionaire grondslag zou kunnen zijn van de diverse en verfijnde samenlevingen van de mens. Hun doel was om te onderzoeken hoe ‘een eenvoudig gedragsmechanisme zich heeft ontwikkeld tot een hoger complex mechanisme’, schreef Syunzo Kawamura, een student van Imanshi. Ze begonnen hun onderzoek ergens daar in de buurt op halfwilde paarden maar schakelden over op apen nadat ze merkten hoe goed hun troep was georganiseerd. Ze ontmoetten een plaatselijke leraar, Satsue Mito genaamd, die bekend was met de apen van Koshima. In 1952 hielp zij hen om twintig apen te voorzien van graan en zoete aardappelen op bospaden en op het strand.
Het was ongebruikelijk voor onderzoekers om wilde dieren te voeren, maar er was wel meer ongebruikelijk aan het onderzoek van Imanishi. Hij moest de apen tolerant maken tegenover menselijke waarnemers, zodat ze elk individueel dier konden identificeren en gedetailleerde observaties konden doen over hun gedrag en sociale relaties gedurende meerdere generaties. Het zou nog een decennium duren voordat westerse wetenschappers zoals Jane Goodall en Dian Fossey op deze manier naar apen gingen kijken. De meeste westerse wetenschappers waren gedrild om dieren nooit te antropomorfiseren. Ze gaven ze alfanumerieke identiteiten in plaats van namen en deden niet aan langetermijnobservaties: in hun ogen waren individuele dieren uitwisselbaar en niet in staat tot complexe sociale relaties.
Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt
Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt. De moderne westerse wetenschap ontwikkelde zich in samenlevingen met ouderwetse opvattingen over de suprematie van de mens over dieren, zoals de Nederlandse primatoloog Frans de Waal opmerkte. In de religieuze tradities in Japan heeft de mens daarentegen geen speciale status. ‘De Japanse cultuur benadrukt het verschil tussen mensen en dieren niet’, schreef de Japanse primatoloog Junichiro Itani. ‘En we hebben het gevoel dat dat veel belangrijke ontdekkingen mogelijk maakte.’
Preculturele verspreiding
Nadat de apen het graan van Suzumura op Koshima hadden opgegeten, begonnen ze op het strand naar eten te zoeken. Ze ontspanden zich en namen weinig zelfbewuste houdingen aan. Sommigen ploften languit op het zand neer terwijl een metgezel zich over hen heen boog, als Orpheus die om Eurydice rouwde. Anderen gingen slap over rotsen hangen, als offerslachtoffers. Eentje keek me bedeesd over haar schouder aan; een ander bekeek me hooghartig, met de kin in de lucht. Moeders hielden hun baby’s tegen hun borst gedrukt zoals elke Madonna die ik ooit heb gezien met haar kind doet.
Terwijl ik met mijn smartphonecamera zo dicht mogelijk bij de apen probeerde te komen, verzamelde Suzumura met een paar eetstokjes fecesmonsters uit het zand. Hij hield gedetailleerde gegevens bij van elke aap op het eiland. Hij kon elk van hen identificeren en wist van alle apen de naam, leeftijd, sociale rang en status en de persoonlijkheid te vertellen. De gegevens gingen helemaal terug tot de tijd van Imanishi en volgden de levensgeschiedenis van elke individuele aap op Koshima gedurende meer dan zeventig jaar. Ze lieten zien hoe sommige apenfamilies de overhand kregen terwijl andere gaandeweg verdwenen. Imanishi en zijn studenten waren de eersten die zich realiseerden dat apen hun hele leven hechte allianties met familieleden onderhielden – en dus ‘nepotistisch’ waren. Precies het soort complexe sociale orde waaruit Imanishi voorspelde dat cultuur zou ontstaan.
Imanishi en zijn team waren al vijf jaar op Koshima toen ze op een dag zagen hoe een anderhalfjarige aap genaamd Imo een zoete aardappel pakte en deze naar de rand van een beek droeg. Ze doopte de aardappel in het water en veegde het zand van de schil. Zo smaakte hij mogelijk beter, want daarna bleef ze haar aardappelen op die manier schoonmaken. De eerste apen die Imo kopieerden, waren twee die veel tijd met haar doorbrachten: haar moeder en een speelkameraadje. Al snel probeerden haar familieleden het ook, en hun speelkameraadjes kopieerden hen weer. Het wassen van zoete aardappelen werd een rage onder jongere apen. In 1958 wasten vijftien van de negentien jonge apen hun aardappelen.
Masao Kawai, een andere student van Imanishi, beschreef deze fase als ‘preculturele verspreiding’. Imo had nieuw gedrag ontwikkeld dat zich verspreidde onder haar leeftijdsgenoten. Leeftijd en geslacht waren beide van invloed op de overdracht: jongere apen en vrouwtjes leerden zich vaker aan hun aardappelen te wassen dan volwassen apen en mannetjes. De volgende fase begon toen Imo en haar leeftijdsgenoten volwassen werden en zich voortplantten. Nu werd het gedrag overgegeven aan de volgende generatie, zowel mannetjes als vrouwtje, die het wassen van de zoete aardappelen van hun moeder leerde. Leeftijd en geslacht speelden niet langer een rol. ‘Preculturele druk werkt’, schreef Kawai. Een nieuw gedrag was vastgesteld binnen de troep.
In 1961 wasten de meeste apen hun aardappelen niet langer in de beek maar in de zee. Misschien omdat zeewater overvloediger was, hoewel sommige wetenschappers dachten dat de apen misschien de smaak van het zoute water prefereerden: sommige doopten de aardappel er na elke hap weer in.
Ik had gehoopt de huidige populatie apen op Koshima hun zoete aardappelen te zien wassen, maar Suzumura voerde ze nog slechts één of twee keer per jaar zoete aardappelen. De oorspronkelijke groep van twintig apen groeide in 1971 tot honderdtwintig. Sinds 1972 leverde het Primate Research Institute alleen nog graan. Toch was de culturele impact van het zoete aardappelen wassen nog altijd zichtbaar op Koshima.
De kieskeurige kleine Imo had nóg een nieuw gedrag ontwikkeld dat zich snel verspreidde binnen de groep: ze scheidde haar tarwe van het zand waarmee het vermengd raakte door het in het water te gooien. Het graan bleef drijven en het zand zonk. (Sommige apen wassen hun tarwe nog steeds, zei Suzumura, maar zelf zag ik het niet gebeuren.) Baby’s die tijdens het wassen van de aardappelen door hun moeder mee het water in werden gedragen, begonnen tijdens het spelen te zwemmen, iets wat hun ouders nooit hadden gedaan.
Voordat Imanishi’s team arriveerde, brachten de apen bijna al hun tijd door in het bos. Nu brachten ze ook een groot deel van hun tijd op het strand door en hadden ze een nieuw repertoire van gedragingen aangeleerd. ‘Sinds de wetenschappers voor het eerst begonnen met het voeren van de makaken op het eiland Koshima, heeft zich een geheel nieuwe levensstijl ontwikkeld’, schreven de Israëlische onderzoekers Eva Jablonka en Eytan Avital. Ze noemden dit een voorbeeld van ‘cumulatieve culturele evolutie’. Kawai was verrast door hoe snel de apen zich aanpasten aan hun nieuwe strandomgeving, gezien hun aanvankelijke afkeer van water. ‘We leren via de Koshima-troep dat zodra dat sterke traditionele conservatisme door een of andere oorzaak begon af te breken, het gemakkelijk helemaal verdween’, schreef hij.
Toen ik er was slenterden de apen enkele uren over het strand. Het was middag, de temperatuur begon al te dalen en de dieren verdwenen in het bos om te foerageren. Het lege strand stak misschien bleek af bij ‘culturele erfgoedsites’ in de mensenwereld, zoals paleizen en kathedralen. De apen hadden niets gebouwd dat op architectuur leek, zelfs geen zandkasteel. Maar wat Koshima ons liet zien, is dat cultuur geen product was. Het was een proces. Stap voor stap begon het leven van de apen in Koshima er anders uit te zien dan dat van andere apen – en begon het iets meer op het onze te lijken.
Ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd
Ik moest kiezen waar ik heen wilde na Koshima. Er waren andere sites die in aanmerking konden komen als cultureel erfgoed voor Japanse makaken. In Arashiyama bij Kyoto begonnen sommige apen in de jaren zeventig met stenen te spelen, en dat gedrag verspreidde zich in hetzelfde patroon als het wassen van zoete aardappelen in Koshima en het baden in Jigokudani: eerst horizontaal onder leeftijdsgenoten en vervolgens van de ene generatie op de andere. De wetenschapper die het gedrag voor het eerst observeerde, een Amerikaan genaamd Michael Huffman die nu verbonden is aan het Primate Research Institute, merkte dat verschillende groepen apen in de loop der tijd hun eigen manier ontwikkelden om met stenen om te gaan. In sommige groepen wreven de apen ze tegen elkaar, in andere knuffelden ze de stenen of sloegen ermee op de grond.
Maar ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd. De Japanse onderzoekers realiseerden zich ook dat het nieuwe gedrag op plaatsen als Koshima, Jigokudani en Arashiyama niet bepaald natuurlijk was. De wetenschappers zelf hadden hun ontwikkeling gestimuleerd door te voeren, waardoor de dieren in onbekende habitats terecht kwamen en tijd hadden om nieuw gedrag uit te proberen. Ook op andere plekken had het voeren invloed op het leven van de groep. ‘In de voederplaatsen waren de relaties tussen de mannetjes heel duidelijk. De ene is dominant, de andere is ondergeschikt,’ vertelde Yukimaru Sugiyama, een voormalig wetenschapper van het Primate Research Institute. Maar toen hij apen het bos in volgde, zaten jonge mannetjes vaak in de buurt van dezelfde dominante apen die ze op de voederplaats hadden vermeden.
Naarmate de interesse van onderzoekers in het natuurlijke leven van de primaten toenam, leerden ze ze beter kennen door ze simpelweg te volgen. Aanvankelijk renden de primaten weg, maar de meeste verloren uiteindelijk hun angst voor mensen. Vanaf het einde van de jaren vijftig brachten Imanishi en zijn studenten wat ze in Japan hadden geleerd naar Afrika om chimpansees, gorilla’s en andere primaten te bestuderen. Door een combinatie van veldobservatie en experimenteel werk hebben ze daar veel van wat ze van apen in Japan hadden geleerd over cultuur, kunnen verifiëren en verbeteren. Dankzij het werk van mensen als Goodall kwamen westerlingen tot hun huidige technieken en bevindingen.
Onheilspellend
Omdat ik ze niet helemaal naar Afrika kon volgen, ging ik naar een ander eiland, genaamd Yakushima. Je kan naar Yakushima vliegen of een hogesnelheidsveerboot nemen, maar ik koos voor de goedkoopste optie: een tocht van dertien uur op een nachtelijk vrachtschip vanuit Kagoshima, een stad naast een vulkaan op de zuidpunt van Kyushu. Het eiland zag er onheilspellend uit toen we de volgende ochtend de haven binnenvoeren, de bergen omringd door mist en regen. Yakushima was beroemd om zijn oude mos en oerbossen. Ook leefden er ongeveer 10.000 Japanse makaken op het eiland – ongeveer evenveel als de menselijke populatie van ongeveer 13.000. De apen leefden in groepen van minder dan vijftig, en er was geen bevoorrading. Ze zochten naar fruit, bladeren, eikels en scheuten, maar ook naar insecten en spinnen.
‘Op Yakushima houden apen van paddestoelen’, zegt Akiko Sawada, een onderzoeker van de Chubu Universitaire Academie van Opkomende Wetenschappen. De Yakushima-apen aten meer dan zestig verschillende soorten en Sawada onderzocht of ze konden ruiken of een paddestoel al dan niet giftig was. Ze dacht dat dit sociale kennis was, waarbij een jonge aap leerde welke paddestoelen hij moest eten en welke hij moest vermijden door naar zijn moeder en andere volwassenen te kijken. Het was moeilijk te zeggen of gedragingen in Yakushima cultureel waren of op een andere manier aangeleerd, zoals door instinct of gewoon door vallen en opstaan. Al deze processen werkten samen om het leven van een aap vorm te geven en konden in een volledig natuurlijke omgeving niet gemakkelijk van elkaar worden gescheiden.
Sawada nam me mee naar de rustige westkust van Yakushima, waar wetenschappers verschillende groepen hadden ondergebracht. De apen waren gemakkelijk te vinden, omdat ze onderweg graag elkaar verzorgden en zonnebaadden. Ze haastten zich uit de weg voor auto’s die snel reden, maar reageerden nauwelijks op langzaam rijdend verkeer. Het was ook paartijd en mannetjes en vrouwtjes zochten elkaar op en maakten leeftijdsgenoten op een afstand jaloers. Sawada wees erop hoe een van de oudere apen achterover leunde en naar haar armen keek terwijl ze een partner verzorgde: haar zicht werd slechter.
We volgden een grote groep vanaf de weg het bos in. Professor Sugiyama had gelijk: er waren minder conflicten, omdat de apen een groot gebied hadden om te foerageren. Sommige braken eikels met hun tanden; anderen klommen in bomen voor fruit. Een jonge vrouw ontdeed de bodem van het bos van opgekrulde dode bladeren. ‘Ik denk dat ze cocons zoekt,’ zei Sawada.
Tijdens de wandeling werden we door vier herten vergezeld. Ze waren zo klein als honden en bijna net zo vertrouwd met mensen. De apen waren rommelige eters en de herten volgden hen om hun restjes op te rapen. Er ontstond een relatie: de apen verzorgden de herten, en klommen er soms op. Op een andere onderzoekslocatie in de buurt van Osaka bestegen apen soms zelfs herten in een zeldzaam voorbeeld van seks tussen soorten. Het is mogelijk dat de herten zachtaardiger partners waren voor kleine adolescenten die routinematig werden afgewezen door het andere geslacht of fysieke schade riskeerden van agressieve volwassenen. ‘Toekomstige observaties op deze plek zullen uitwijzen of deze groepsspecifieke seksuele eigenaardigheid een kortstondige rage was of het begin van een cultureel in stand gehouden fenomeen’, schreven de onderzoekers.
Die middag liet Sawada me verschillende video’s zien die zij en haar collega’s in het bos hadden opgenomen. In één verslond een aap een gigantische duizendpoot; in een andere wreef een aap een rups tussen haar handen heen en weer om de stekende stekels te verwijderen voordat ze hem at; in een derde plukte een aap mollige witte horzellarven uit een nest. Sawada giechelde toen ze een video afspeelde van de apen die op grote hoogte leefden en bamboe aten: ze waren, om redenen die niemand echt begreep, extreem dik.
Later, toen ik in mijn eentje de berg beklom, waren er geen bamboebossen of mollige apen op de rotsachtige top. Ik keek neer op het bladerdak van het oude cederbos en over de zee, denkend aan wat de primatoloog Itani had waargenomen: dat de Japanse cultuur geen sterk onderscheid maakt tussen mensen en dieren. In het Westen lijken cultuur en wetenschap vaak gescheiden krachten, maar hier versterkten ze elkaar. De wetenschap had de makakencultuur ontcijferd en de cultuur had ons wetenschappelijke begrip van de dierenwereld verbreed.
Maciek Pożoga, gevestigd in Frankrijk, heeft voor dit verhaal twee weken lang Japanse makaken gefotografeerd. Bekijk in het originele artikel zijn werk.
Dankzij een op sociale media uitgevochten ruzie tussen een zeventienjarige transgender vrouw en haar ouders, staan de Chinese correctieve ‘scholen’ ineens in het middelpunt van de belangstelling.
In maart 2018, toen Huang Xiaodi zeventien werd, drong haar familie erop aan dat ze voor haar verjaardag naar huis zou komen, in Jiangyin, in de oostelijke provincie Jiangsu. Maar nog voordat Huang de taart kon aansnijden, werd ze door haar vader, haar zus en haar zwager naar buiten gedirigeerd. ‘We gingen zogenaamd winkelen,’ vertelt Huang over die bewuste avond. ‘Ik was verbaasd. Winkelen? Op dit uur?’ Toen ze na twintig minuten de snelweg op reden, begreep Huang dat er iets niet in de haak was. ‘Waar gaan we heen?’ wilde ze weten.
‘We gaan je van je ziekte afhelpen,’ antwoordde haar vader.
Uren later, toen ze werd opgewacht door een stevige, gespierde drillinstructeur, een veertiger gehuld in een camouflage-uniform, begreep Huang pas wat dat inhield. ‘Wat moet dit voorstellen?’ protesteerde ze. ‘Wie is die griezel?’
‘Hij gaat je genezen.’ Haar vader en haar zus grepen haar bij de armen, trokken haar uit de auto en sleepten haar langs het ijzeren hekwerk naar de man die ze snel zou leren kennen, en vrezen, als Oude Zhang.
Ze concludeerden dat er geen sprake was van een genderidentiteitsstoornis, en daarmee was de kous af
De maand ervoor was Huang, geboren als jongen, van huis gelopen nadat ze zich in een handgeschreven brief aan haar familie bekend had gemaakt als transgender. Een week later werd ze in de kraag gevat door de politie. Haar vader nam haar mee naar de psychosociale afdeling van het Southwest Hospital in Chongqing, waar een geslachtsoperatie ter sprake kwam. Een enorme stap. Tijdens een uitgebreid onderzoek vroegen twee psychologen of ze ontevreden was met zichzelf, of zichzelf haatte. ‘Nee,’ antwoordde Huang in alle eerlijkheid. Ze concludeerden dat er geen sprake was van een genderidentiteitsstoornis, en daarmee was de kous af. ‘Ik had geen idee wat het gevolg was van die diagnose,’ vertelt Huang. Wat volgde was een ernstig gesprek met haar vader. ‘Hij dacht dat er maar twee geslachten bestonden, dus als ik geen vrouw wilde worden, moest ik maar een “echte man” worden.’ Daarna werd er met geen woord meer over gesproken. Huang keerde terug naar huis en vond een baan in Suzhou, op een uur reizen van Jiangyin. En nu ineens werd ze in Chongqing, duizend kilometer verderop, een oud schoolgebouw binnengesleept.
Huang herinnert zich als de dag van gisteren dat ze door die smalle, donkere gang van de Chongqing Lishi Information Engineering School liepen, langs lokalen waar kinderen in de deuropening samendromden om te zien wie er binnen werd gebracht. Sommigen groetten hen. ‘Ze zagen er zielloos uit,’ vertelt Huang. Ze werd naar een slaapzaal aan het einde van de gang gebracht, waar ze met z’n negenen sliepen: allemaal kinderen in de leeftijd van negen tot achttien jaar, kaalgeschoren en in camouflage-uniforms. Kussens en dekens voor de stapelbedden lagen op een grote stapel in de hoek, en de ramen van de kleine, vochtige doucheruimte hadden tralies.
Heropvoedingskamp
Na te hebben betaald, vertrok haar familie zonder afscheid te nemen. Niet veel later verscheen Oude Zhang in de slaapzaal om met Huang te praten. In de daaropvolgende maanden bestond de ‘behandeling’ die zij en de anderen voor hun afwijkende gedrag moesten ondergaan, uit bootcampachtige trainingen en herhaalde afranselingen. Volgens openbare bronnen is de school, een privé-instelling, in 2007 opgericht voor ‘de opleiding en opvoeding van jongeren’. Een contract vermeldt dat de school ‘psychologische crisisinterventie, militaire training, arbeidstraining en onderricht in kinderlijke dankbaarheid’ aanbiedt. In heel China zijn er dergelijke instellingen, bedoeld om het gedrag van tieners te ‘reguleren’, of ze nu homoseksueel of transgender zijn, verslaafd aan videogames of gewoon ongehoorzaam en opstandig. Feitelijk zijn het heropvoedingskampen.
Hoewel homoseksualiteit in China in 1997 gedecriminaliseerd is en in 2001 van de lijst met geestesziekten geschrapt, staat ‘genderidentiteitsstoornis’ (GIS) nog altijd vermeld in het Chinese classificatiehandboek van psychische stoornissen. Het wordt omschreven als gedrag ‘dat langer dan een half jaar aanhoudt’ waarbij personen ‘zich kleden of deelnemen aan activiteiten van het andere geslacht en hardnekkig de eigen biologische kenmerken en sociale activiteiten afwijzen’. In de nieuwe versie van de Internationale Classificatie van Ziektes van de Wereldgezondheidsorganisatie, die per 2022 van kracht wordt, is GIS van de lijst met geestesziekten geschrapt, maar in China kom je zonder GIS-diagnose van een medisch instituut vooralsnog niet in aanmerking voor een geslachtsoperatie. ‘GIS is compleet achterhaald,’ zegt Xiaomi, directeur van de in Beijing gevestigde LHBTI-jongerenorganisatie China SOGIE Youth Network. ‘Het valt onder geestesziekten, waarmee gezegd wordt dat transgenders “abnormaal” zijn, wat leidt tot medische discriminatie.’
Toen Huangs lichaam in de pubertijd begon te veranderen, zag ze ‘een monster’ als ze in de spiegel keek
Huang – zoals ze om privacyredenen wil worden genoemd – werd in het voorjaar van 2001 geboren in Chongqing. Samen met haar oudere zus en broer groeide ze op bij haar grootouders, omdat haar ouders elders in China in fabrieken werkten, net als honderdduizenden andere arbeidsmigranten. Toen Huang de schoolgaande leeftijd had bereikt, verhuisde het hele gezin naar Jiangyin, waar haar ouders vast werk hadden gevonden. Huang, die in Chongqing veel was gepest, hoopte dat ze in Jiangyin een nieuwe start kon maken, maar het pesten ging gewoon door. ‘De andere kinderen vonden dat ik me als een meisje gedroeg,’ vertelt ze. ‘Ik speelde met andere meisjes “huisje” en serveerde gras als groente in kleien kommetjes.’ Op een keer liep Huang hand in hand met een ander jongetje, zoals de meisjes in de klas altijd deden. Ze werden meteen voor homo uitgemaakt en uitgejouwd omdat ze ‘met elkaar wilden trouwen’. Toen Huangs lichaam in de pubertijd begon te veranderen, zag ze ‘een monster’ als ze in de spiegel keek.
Na haar eerste jaar op de middelbare school hield Huang het voor gezien. Ze vond een baantje in een garage en ging op zichzelf wonen. Tijdens haar zoektocht op het internet naar mensen zoals zij stuitte ze op een artikel over yaoniang, oftewel drugsmeisjes: jongens die medicijnen slikken, voornamelijk hormonen, om er vrouwelijker uit te zien. Ze volgde hun voorbeeld, en geleidelijk aan werd haar stem hoger en ontwikkelde ze borsten. Eindelijk kon Huang zichzelf weer in de spiegel aankijken. Haar ouders, die door hun werk werden opgeslokt, hadden niets in de gaten. En toen kwam die noodlottige dag in februari 2018, toen Huang besloot van huis weg te lopen en de brief achterliet waarin ze bekende dat ze hormonen slikte. ‘Jullie zullen me nooit accepteren’, schreef ze, ‘en zelfs als dat wel zo was, dan alsnog moeten jullie opboksen tegen oordelen uit de omgeving.’
Huangs ouders gaven haar als vermist op en in heel Jiangyin begon een zoektocht naar een ‘vermiste zestienjarige jongen’. Op dag zeven werd Huang door de politie uit een taxi geplukt terwijl ze onderweg weg was naar Suzhou, honderd kilometer verderop. Een paar dagen later zat ze bij de psychologen in het ziekenhuis in Chonqing, waar ze het ernstige gesprek met haar vader voerde.
‘Waarom lopen jullie niet weg?’ vroeg Huang. Ze kreeg te horen dat er nog nooit iemand was ontsnapt
Oude Zhang legde Huang de regels uit: de leerlingen aten samen en mochten geen elektronica, sieraden of make-up in hun bezit hebben. ‘Het zou om een proefperiode van een week gaan,’ vertelt ze. Die eerste nacht moest Huang het bed delen met een van de jongens. Ze lag te rillen onder het dunne dekentje. De volgende ochtend werden ze om vijf uur gewekt. De leerlingen moesten eerst hun zaal op orde maken en werden vervolgens om zes uur in de eetzaal verwacht voor een ontbijt van pap, broodjes en ingelegde groenten. Eens per week, op maandag, stonden er eieren op het menu. Na het ontbijt liet Huangs zaalgenoot Liao Zihao zien waar de uniforms lagen. ‘Deze moeten je aantrekken,’ zei hij. ‘Anders krijgen we straf.’
Het ochtendprogramma bestond uit opdrukken, verspringen en vijf kilometer hardlopen. In de middag kregen ze wiskunde, Chinees en soms psychologie. Toen Huang die eerste nacht terugkeerde op de slaapzaal, vroeg ze de andere leerlingen waarom zij hier zaten. De redenen varieerden: vanwege te veel gamen, het zetten van een tatoeage, ’s nachts niet thuiskomen, vechten… ‘Waarom lopen jullie niet weg?’ vroeg Huang. Ze kreeg te horen dat er nog nooit iemand was ontsnapt.
Mishandeling
Een docent psychologie van een van de andere locaties bezocht de school in Chongqing voor een vijf dagen durende training. ‘Ze huren psychologiedocenten in om de kinderen te begeleiden, maar dat heeft niets om het lijf,’ vertelt Lesley, een gefingeerde naam. Ze voegt eraan toe dat de meeste ouders, zelfs als er bij hun kind een bipolaire stoornis is vastgesteld, er liever hun ogen voor sluiten. ‘Ze hebben het gevoel dat zo’n diagnose gezichtsverlies betekent,’ zegt Lesley, en sommige ‘scholen’ beweren dat ze het kunnen behandelen, inspelend op de angst van de ouders en hun gebrek aan kennis over de aandoening. ‘Ze bieden natuurlijk helemaal geen psychologische begeleiding, in plaats daarvan zetten ze de psychologen voor de klas, er zijn niet eens aparte gespreksruimtes. Ik zou zeggen dat veel van de sociale problemen in China hier alleen maar worden onderstreept.’
In 2017 onthulde een oud-leerling van een corrigerende instelling in Nanchang, in de zuidelijke provincie Jiangxi, in een serie berichten op Weibo (de Chinese Twitter) dat ‘lastige’ leerlingen regelmatig worden afgerost met linealen en snoeren en in raamloze ruimtes opgesloten worden met niets anders dan een smerige handdoek, een emmer water en een kommetje rijst. De beelden schokten het land. De in 2013 opgerichte school adverteerde juist met vakken als confuciaanse filosofie, klassieke Chinese literatuur en kalligrafie, die internet- en gameverslaafden zouden ‘transformeren’. Uit de stroom mediaberichten die op de onthulling volgde, bleek dat mishandeling in zulke instellingen schering en inslag was, waarna een slepende rechtszaak op gang kwam tussen een aantal oud-leerlingen en de school. In juli 2020, zo blijkt uit openbare rechtbankverslagen die beschikbaar zijn op China Judgments Online, werden vier docenten en de voltallige schoolleiding door een lokale rechtbank veroordeeld tot gevangenisstraffen variërend van elf maanden tot meer dan twee jaar voor de illegale opsluiting van leerlingen. Maar het kwaad was al geschied. Sommige leerlingen vertelden in interviews dat ze depressief of getraumatiseerd waren geraakt, anderen wilden niet spreken over hun ervaringen, en voor velen was de relatie met hun ouders, die hadden weggekeken, voorgoed om zeep geholpen.
‘Ik prentte mezelf in dat er hoop was zolang ik leefde, en dat ik moest zien te ontsnappen’
Een paar weken nadat Huang in Chongqing was aangekomen, werden de leerlingen in het holst van de nacht gewekt door Oude Zhang en consorten. De veertienjarige Chen Hongbang had met een gestolen sleutelbos het hek geprobeerd te openen maar was gesnapt. ‘Zo’n ernstig incident is in geen tijden voorgekomen,’ blafte Oude Zhang. ‘We zullen ervoor zorgen dat jullie dit nooit meer vergeten. Alle activiteiten worden afgelast. Maak je maar op voor de hel!’ Cheng werd in een hoek van de slaapzaal door twee leerlingen tegen de grond gedrukt en door Oude Zhang afgetuigd. ‘We hoorden het gegil,’ vertelt Huang. ‘Het leek wel alsof er een varken werd geslacht. We stonden als aan de grond genageld. Niemand dacht daarna nog aan ontsnappen.’ Nu begreep ze dat er niet zoiets als een proefperiode bestond en ze besloot keihard te werken om met goede cijfers een wit voetje te halen. Vijf maanden later, in augustus 2018, werd ze tweede tijdens een sporttoernooi, na honderdvijftig push-ups in drie minuten. Hiermee had ze een ster op haar schouder verdiend, een eer die slechts vijf leerlingen op de hele school was gegund. Ze kreeg bepaalde privileges, zoals ijs. Wanneer ze werd afgeranseld, gaf ze geen kik. ‘Ik prentte mezelf in dat er hoop was zolang ik leefde, en dat ik moest zien te ontsnappen.’
Die maand verraste Oude Zhang haar op een dag met het bericht dat haar ouders op bezoek waren. Ze namen haar mee voor een Chinese fondue in een restaurant, en Huang probeerde hen ervan te overtuigen dat ze omgeturnd was en geen dag langer wilde blijven. Haar ouders zeiden dat ze haar na het Chinese Nieuwjaar zouden ophalen. ‘Gedraag je,’ drukten ze haar op het hart, ‘en werk hard.’
Na het eten stopten ze bij een avondwinkel, waar Huang met bonzend hart een paar dozen met chocolaatjes op de toonbank legde. Dit was haar kans. Nieuwjaar was pas over een half jaar, daar ging ze niet op wachten. Terwijl haar ouders hun kleingeld opdiepten, glipte ze achter de schappen langs en zette het op een lopen. Er was geen straatverlichting, ze werd tijdens haar vlucht door de heuvelachtige omgeving alleen bijgelicht door de maan. Regelmatig moest ze naar de grond duiken voor passerende auto’s. Toen vlak bij haar een busje stilhield waar twee docenten uitstapten, dook ze weg in een steeg en vluchtte van daaruit een veld in. Ze haalde haar knie open aan een hekwerk met komkommers en viel op de grond. ‘Hij gaat ervandoor,’ hoorde ze een van de mannen roepen. ‘We moeten ons verspreiden!’ De lichtbundels van de zaklampen scheerden rakelings over haar heen. Huang zette zich over haar angst heen en baande zich een weg uit het komkommerveld. Ze moest al haar krachten verzamelen om door te gaan. ‘Blijf rennen!’ sprak ze zichzelf toe. ‘Je kunt het!’ Hinkend bereikte ze een nabijgelegen brug. Ongeveer twintig minuten later had ze haar achtervolgers afgeschud en stond ze uit te hijgen op een verlicht industrieterrein. ‘Het was me gelukt!’ vertelt ze.
‘Oude Zhang heeft extra geld van mijn tante afgetroggeld om me langer hier te kunnen houden’
Met de paar yuan die ze op zak had, kocht ze een buskaartje naar het Southwest Hospital, de kliniek waar ze met haar vader de twee psychologen had bezocht. In de dagen die volgden, sliep ze in de ziekenhuisgangen, dronk ze water in de wc-ruimtes en spitte ze de afvalbakken door op zoek naar eten. Een van de schoonmaaksters wilde de politie waarschuwen, maar Huang smeekte haar dat niet te doen, en uiteindelijk drukte de vrouw haar een biljet van 20 yuan (ca. 2,50 euro) in de hand om elders hulp te zoeken. Huang probeerde werk te vinden in de nabijgelegen cafés en restaurants, maar dat lukte niet zonder identiteitsbewijs. Na een tijdje begon ze zelf te overwegen om naar de politie te stappen, maar zag daar uiteindelijk van af, uit angst dat ze een lijntje hadden met de school.
Een paar dagen later glipte ze ’s avonds na sluitingstijd de ziekenhuiskantine binnen en deed zichzelf te goed aan vleesdumplings, varkenskoteletten en eieren. De dag erna ging ze op zoek naar een mobiele telefoon. Een winkelmedewerker had met haar te doen en belde de politie. Op het bureau kon ze haar vader bellen, die zei dat ze terug moest keren naar school, een douche moest nemen en iets moest eten. Hij zou haar over een paar dagen komen ophalen. Met hangende pootjes keerde ze terug.
Er bleek een en ander veranderd sinds haar ontsnapping. Bezoekende ouders mochten niet meer met hun kinderen het terrein verlaten. Na een paar dagen begreep Huang dat haar vader en moeder haar opnieuw voor de gek hadden gehouden. Haar zaalgenoot, Liao, zei dat hij van begin af aan had geweten hoe het zou gaan. ‘Je ouders komen je echt niet halen,’ zei hij. ‘Je kunt je maar beter braaf aan de regels houden.’ Liao liep naar het raam en barstte in huilen uit. ‘Ik had hier allang weg moeten zijn, maar Oude Zhang heeft extra geld van mijn tante afgetroggeld om me langer hier te kunnen houden.’
Poging twee
Huang zon op een tweede ontsnappingspoging, maar een paar maanden later stonden haar ouders onaangekondigd op de stoep. Ze waren eindelijk overstag gegaan. En zo bracht Huang het Chinese Nieuwjaar thuis door. Ze kwam met haar ouders overeen dat ze een opleiding in Chongqing zou volgen en na de vakantie laadden ze de auto vol. Maar al snel merkte Huang dat ze de andere kant op reden, in de richting van de provincie Henan. Alweer hadden ze haar voorgelogen. Deze keer namen ze haar mee naar een kamp vlak bij het Shaolinklooster, bekend om zijn vechtkunst en pittige lichaamstraining.
Vrijwel onmiddellijk begon Huang te broeden op een plan om te ontsnappen. Een paar dagen later klom ze met de hulp van een klasgenoot over de hoge ommuring en ging ervandoor. Ze liep honderden kilometers, sliep onder bruggen en at groente uit de omliggende velden: ui, kool, paksoi. Toen ze echt niet meer kon besloot ze om verder te liften: zo’n vijfhonderd kilometer naar Xuzhou, in noordwestelijk Jiangsu. Daar werd ze op een bouwplaats door een oude man ontdekt, die haar verhaal verbijsterd aanhoorde. ‘Mijn kind, hoe heb je dit allemaal volgehouden?’ zei hij. ‘Je kunt nauwelijks nog op je benen staan en je hebt helemaal ingevallen wangetjes!’ Hij belde haar vader, die haar de volgende ochtend kwam ophalen. ‘Ik zal je nergens meer toe dwingen,’ zei hij tegen haar. ‘Je kunt doen wat je wilt.’
Aangifte
Zhang Yunyi zat in 2019, niet lang nadat Huang was ontsnapt, op de school in Chongqing. Toen hij in juni vrijkwam, probeerde hij aangifte te doen bij de politie, maar die verwees hem door naar een politiebureau in de buurt van de school. ‘Daar durfde ik niet heen,’ vertelt Zhang. ‘Straks zouden ze me uitleveren. Oude Zhang heeft overal connecties.’ In plaats daarvan schreef hij naar de onderwijscommissie van de gemeente Chongqing. Hij ontving geen reactie. Vervolgens deed hij zich voor als ouder, belde de school en maakte een opname van het gesprek, waarin de receptionist opschepte hoe goed de leerlingen werden gedrild. Ook postte hij een paar filmpjes waarin hij zijn ervaringen deelde, maar die werden maar matig bekeken. Hij oogstte ongeloof en medeleven, meer leverde het niet op.
Er zijn geen officiële cijfers van het aantal correctieve instellingen in China. In 2016 schatte de staatsradio, China National Radio, dat minstens driehonderd organisaties zich online afficheerden als ‘afkickcentra’ voor ‘kinderen met verslavingen, die rebels zijn, niet naar school willen, vroege relaties aangaan en van huis weglopen’. Media- en onlineberichten over mishandeling in zulke centra halen doorgaans weinig uit. In augustus 2020 zag Zhang dat de school in Chongqing weer kinderen wierf via onlineadvertenties. ‘Het deprimeerde me,’ vertelt hij, ‘want het betekent dat anderen dezelfde lijdensweg moeten doorstaan.’
‘We zijn geen monsters,’ zegt ze. ‘We zijn meisjes bij wie een en ander moet worden rechtgezet’
Na de tweede ontsnapping nam Huangs vaders haar mee voor verder onderzoek, eerst in een plaatselijk ziekenhuis, daarna in het Shanghal Mental Health Centre, waar officieel de diagnose genderidentiteitsstoornis werd vastgesteld. ‘Ik was toen bijna zeventien en kreeg voor het eerst te horen wat een genderidentiteitsstoornis inhield,’ zegt Huang. ‘Als ik het eerder had geweten, had me dat een hoop ellende bespaard.’ Na de diagnose vond Huang troost in het idee dat ze in het verkeerde lichaam was geboren en ze wilde graag een geslachtsverandering ondergaan. Ze bleef benadrukken dat het geen keuze was om vrouw te worden; ‘het is een corrigerende operatie die ervoor zorgt dat ik word hoe ik had moeten zijn’. Ze vond het vreselijk dat de media tot in detail hadden beschreven dat ze zichzelf op jongere leeftijd met hormonen had ingespoten. ‘We zijn geen monsters,’ zegt ze. ‘We zijn meisjes bij wie een en ander moet worden rechtgezet. Door woorden te gebruiken als “drugsmeisjes” worden we afgeschilderd als perverselingen die vrouw willen worden door drugs te gebruiken.’
Sinds ze berichten over haar ervaringen post, is er meer begrip, merkt Huang. Na de diagnose, in januari 2020, keerde ze terug naar Suzhou om werk te zoeken. Ze werd meermaals afgewezen wanneer werkgevers op haar ID-bewijs ‘man’ zagen staan. Dit bevestigde voor Huang alleen maar dat ze zich moest laten opereren. Via een ngo kwam ze in contact met mensen die in het buitenland een geslachtsoperatie hadden ondergaan, en ze maakte voor oktober een afspraak bij een kliniek in Thailand. Nu moest ze alleen nog genoeg geld bij elkaar zien te krijgen en toestemming regelen van haar ouders.
Maar toen sloeg corona toe.
Huang begon in mei 2020 over haar ervaringen te schrijven op Weibo en ze lanceerde een crowdfundingcampagne voor de financiering van haar operatie. In een paar maanden tijd stroomde er meer dan 12.000 yuan (ca. 1560 euro) binnen, maar daarna droogden de donaties op, zodat ze de benodigde 100.000 yuan (13.000 euro) nog lang niet niet bij elkaar heeft.
Toen ik haar een jaar geleden opzocht, droeg Huang een donker T-shirt en een wijdvallende broek. Ze zag eruit als een vrouw en werd in het openbaar door mannen met dajie aangesproken; grote zus. Ze had eindelijk werk gevonden in een kiprestaurant, waar ze twaalf uur per dag achter de frituurpan stond. Ze had uitgerekend hoeveel ze van haar loon kon sparen: ze was 500 yuan kwijt aan huur, een paar yuan aan eten. Ze had in geen maanden nieuwe kleren gekocht en droeg een grijs T-shirt vol vetvlekken. Al met al kon ze niet meer dan een paar duizend yuan per maand opzijleggen. Maar ze was allang blij dat ze een baan had, en hoewel de eigenaar van haar verleden af wist, spoorde hij haar aan om ‘zichzelf te zijn’. Met haar familie was ze niet veel verder gekomen. Hoewel ze een ongemakkelijke consensus hadden bereikt en haar ouders haar niet meer probeerde te bekeren, voelde ze zich niet echt geaccepteerd.
Doodzwijgen
Ik benaderde haar moeder via WeChat maar kreeg geen reactie. Huang vertelde dat ze de laatste tijd weinig contact hadden en dat haar eigen berichten meestal ook niet werden beantwoord. ‘Het is een strategie,’ zegt ze. ‘Ze zwijgen me dood en weigeren de toestemmingspapieren voor de operatie te tekenen.’ Ze had hen niet kunnen overhalen om haar naar Thailand te begeleiden. In 2019 hadden haar ouders zich eenmalig laten interviewen door het Chinese nieuwsportaal The Paper, maar sindsdien hielden ze zich stil. In het artikel zegt haar moeder, die zich Liu Fang noemt, dat het allemaal erg verwarrend en stressvol is, en dat ze best zou kunnen accepteren als haar zoon zich als vrouw kleedt, maar dat het idee van de operatie haar tegenstaat, omdat Huang dan ‘niet meer terug kan’.
Op een dag in juli spuwde Liu haar gal in een WeChat-groep [WeChat is vergelijkbaar met een combinatie van Twitter, Facebook en WhatsApp]. Nadat Huang had geklaagd dat haar ouders haar niet accepteerden, schreef Liu: ‘Achter onze rug zit je ons altijd zwart te maken, je zegt dat wij hebben geprobeerd je om te turnen, je hebben laten opsluiten. Je hebt jezelf aangepraat dat wij jou haten. Maar wij hadden alleen maar het beste met je voor. (…) Vroeger was je altijd zo lief en gehoorzaam.’
‘Ik ben hier het slachtoffer,’ reageerde Huang. ‘Ik haat jullie helemaal niet, ik heb mijn ervaringen opgeschreven om de school aan te klagen en te zorgen dat er niet nog meer onschuldige slachtoffers vallen.’ Zonder haar dochter direct aan te spreken ratelde Liu verder over de sociale druk waar zij en haar man onder gebukt gingen. Sinds Huang online haar verhaal had gedaan, was het echtpaar in veel reacties met de grond gelijk gemaakt. Haar echtgenoot had Huang uit zijn WeChat gewist, maar zij chatte nog wel af en toe met haar kind. Maar ze begreep niet waarom Huang zich zo ‘blindstaarde’ op een operatie.
‘Maar je had toch gewoon een leuke jongen kunnen zijn?’
‘Waarom luister je naar wat andere mensen zeggen?” vroeg Huang haar op WeChat. ‘Waarom luister je niet naar je eigen hart?’
‘Maar je had toch gewoon een leuke jongen kunnen zijn?’ jammerde haar moeder. ‘Wat hebben we toch verkeerd gedaan?’
Voordat Huang kon antwoorden, ging Liu verder: ‘Had ik maar niet het verkeerde kind gebaard. Als ik nou maar gewoon een meisje had gebaard dan was er niks aan de hand geweest.’
‘Je hebt helemaal niks verkeerd gedaan,’ reageerde Huang. ‘En ik ook niet. We zijn allebei slachtoffer.’ Toen vroeg ze haar moeder of ze de papieren wilde ondertekenen voor de operatie. Liu antwoordde: ‘Ik heb het nu te druk op mijn werk.’
In maart 2020 postte Liu op WeChat een foto van Huang, genomen op de school in Chongqin. Ze staat met een kaalgeschoren hoofd in camouflage-uniform op de binnenplaats, haar blik gericht op de horizon, ergens ver voorbij het ijzeren hekwerk.
Liu had de foto ook geliket. ‘Mijn knappe jongen’, schreef ze eronder.
De ex-vrouw van de Russische oligarch Farchad Achmedov, die in 2016 van het Britse hooggerechtshof een echtscheidingsuitkering van 525 miljoen euro kreeg toegewezen, de hoogste ooit in Groot-Brittannië, gaat akkoord met een schikking van ‘slechts’ 174 miljoen euro, bericht Daily Mail. Tatjana Achmedova heeft de strijd opgegeven om het vonnis van het hooggerechtshof ten uitvoer te brengen en accepteert nu een schikking in contanten en kunst van ongeveer een derde van het toegewezen bedrag. Daarvan moet Achmedova overigens ruim 86 miljoen euro betalen aan Burford Capital dat haar juridische strijd financierde.
‘Burford en zij hebben miljoenen uitgegeven aan een kostbare wereldwijde tournee’
Achmedova claimde ook het superjacht Luna van 260 miljoen als onderdeel van de 525 miljoen, maar die eis werd in latere rechtszaken afgewezen. Volgens een woordvoerder van haar ex-man levert de zaak haar uiteindelijk weinig op vanwege de betrokkenheid van Burford. ‘Burford en zij hebben miljoenen uitgegeven aan een kostbare wereldwijde tournee langs verschillende jurisdicties om Luna te verkrijgen. Dat is mislukt.’
Verzoening elf jaar na Ivoriaanse burgeroorlog
De Ivoriaanse president Alassane Ouattara en zijn voorganger Laurent Gbagbo hebben dinsdag in Abidjan hun verzoening bezegeld, tijdens hun eerste ontmoeting sinds de burgeroorlog van 2010. ‘Het conflict werd uitgelokt door de weigering van Gbagbo om zijn nederlaag in de presidentsverkiezingen te aanvaarden’, aldus BBC. Het geweld heeft drieduizend mensenlevens gekost.
Twee doden bij explosie in Duitsland
Dikke zwarte rook heeft dinsdag de Duitse stad Leverkusen bedekt na een explosie in een afvalverwerkingsinstallatie in een chemisch industriepark. Inwoners van de stad werd verteld ‘naar huis te gaan en deuren en ramen af te sluiten’, meldde Deutsche Welle.
Bij de explosie, waarvan de oorzaak onbekend is, vielen twee doden, 31 gewonden en raakten vijf mensen vermist.
Turnster Simone Biles trekt zich terug
Tot ieders verbazing heeft het Amerikaanse gymnastiekwonder Simone Biles zich dinsdag op de Olympische Spelen van Tokio teruggetrokken uit de meerkampwedstrijd voor teams. Ze vertelde verslaggevers dat ze ‘demonen in haar hoofd’ had en leed aan een gebrek aan ‘vertrouwen’ in zichzelf, volgens The New York Times. Haar teamgenoten wonnen de zilveren medaille.
Een dik jaar pandemie heeft een van de pathologische trekken van de westerse samenleving blootgelegd: de pijnfobie van een geïnfantiliseerde burgerij. Nu de noodtoestand voorbij is, ontstaat er nieuwe onrust: zullen we in staat zijn deze fase onbevreesd het hoofd te bieden?
Dat een jeukende wond duidt op genezing weten we omdat het ons als kind almaar is voorgehouden. En ook dat je de korst er niet af moet krabben maar hem moet laten zitten tot hij vanzelf losraakt, want dan ontstaat gezonde littekenvorming. Maar tegenwoordig klinkt zelfs het woord korst al een beetje obsceen, een beetje lelijk, of eigenlijk niet op zijn plaatst. De korst valt niet af want hij krijgt de kans niet eens om zich te vormen, en dus kun je niet langer op het schoolplein opscheppen dat de dreun die je tijdens het spel opliep geheeld is en je weer helemaal in vorm bent.
We zijn verleerd spontaan te praten over pijn en tegenslag en reageren verontrust op pijn ‘nu de mortuaria zijn veranderd in supermarkten’, ‘nu we de vierde golf in India op televisie meemaken zonder de onze te hebben gezien’, ‘nu we de morele plicht hebben positief te zijn en in de sociale media een geslaagd leven uit te venten, of dat nu reëel is of niet, dat maakt niet uit’. Toch is pijn een van de grote leermeesters, misschien wel de enige, want op den duur helpt de sensatie ons om een inzichtelijker bestaan te leiden.
Het mandaat van het geluk
Lijden, en het vermogen het als iets onvermijdelijks tegemoet te treden en te leven zonder er zo ontzettend bang voor te zijn, heeft aan prioriteit ingeboet in het raderwerk dat onze identiteit uitmaakt. De citaten hierboven komen van diverse denkers uit de hele wereld die hun licht hebben laten schijnen op het laatste boek van een van de opzienbarendste filosofen sinds tijden.
De Koreaanse filosoof Byung-Chul Han noemde onze samenleving een decennium geleden al die van ‘vermoeidheid en transparantie’. Nu, nog midden in een pandemie, waarschuwt hij ons dat we ook De palliatieve samenleving (uitgeverij Herder) zijn, een samenleving die pijn afzwakt en uit de weg gaat, die bang is haar zogenaamde comfortzone kwijt te raken en is gezwicht voor het mandaat van het geluk en het rendement, die niets wil weten van de lering – welke lering? – die je uit echte tegenslag kunt trekken.
Je wordt er met wat goede wil beslist wijzer van. ‘Pijn scherpt je waarneming. Pijn profileert het ik en geeft het contouren’, schrijft Han. Intussen stelt deze intellectueel dat ‘overal’, van de huiselijke kring tot op het dorpsplein, ‘de pijnvrees, de pijnfobie, een algehele angst voor lijden heerst’.
Op emotioneel vlak ‘is zelfs liefdesverdriet verdacht’
Op emotioneel vlak ‘is zelfs liefdesverdriet verdacht’. Op het politieke ‘neemt de druk om schikkingen te treffen toe’. We voegen ons in palliatieve zones die ons onze vitaliteit ontnemen. We leven maar half. Of, zoals Byung-Chul-Han zegt: ‘Het leven wordt opgeofferd in ruil voor aangenaam overleven.’
Nu er een einde is gekomen aan de noodtoestand, brengt dat weer een nieuwe onzekerheid met zich mee: zullen we de nieuwe fase ingaan zonder de angst om te lijden?
Een kleine revolutie
‘Niet pijn is zinloos, maar overleven om leven te vermijden,’ stelt de schrijver Fabrizio Andreella vanuit Italië, waar de Koreaanse denker een kleine revolutie heeft veroorzaakt. ‘Als je pijn afwijst, wijs je het leven af, dan leef je zo min mogelijk om maar niet het risico te lopen dat je op pijn stuit.’ Andreella heeft het over een zekere ‘agressie van het goede, het geluk en het positivisme die ons, doordat we de keerzij ontkennen, afsnijdt van iets heel belangrijks, te weten pijn.’
Zijn we eenmaal gewend aan de oppervlakte te leven, dan ‘sterven ook het avontuur en de ontdekkingslust’, wat Han betitelt als ‘sterk verminderd gevoel te leven’, een houding die de psycholoog José Carrión, lid van het psychologisch lab Cinteco in Madrid, als volgt beschrijft: ‘We kijken van opzij naar de werkelijkheid. Maar wanneer we er frontaal naar kijken of zij klopt op onze deur, wordt alles gecompliceerd. Dan komt het gebeurde extra hard aan, omdat we geen idee hadden dat het nog bestond en zo bedreigend was. We dachten dat de pijn ver weg was, dat de pijn in de verte was opgelost…’
‘In tijden van pandemie,’ lees je in De palliatieve samenleving, ‘lijkt het lijden van de anderen ons nog verder weg. Het valt uiteen in een aantal gevallen. De mensen sterven eenzaam op de IC’s, verstoken van alle persoonlijke genegenheid. Nabijheid betekent besmetting. De sociale afstand verscherpt het verlies aan empathie.’
‘We consumeren pijn als nooit tevoren, maar als een soort schouwspel, als vermaak, alsof het om een serie gaat’
Een bestaan als zombie, zijdelings, zonder je ergens in te willen verdiepen maar alles eruit flappend via TikTok of Instagram. ‘Eerder dan verdoofd, zijn we een frivole, weinig fiere samenleving, en het lukt ons maar niet de nodige pijn te accepteren die hoort bij de commerciële wereld, de gevoelswereld, de rechtskundige, de academische…’ betoogt Javier Moscoso, als onderzoeker en docent Geschiedenis en Filosofie verbonden aan de Hoge Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek (CSIC).
In 2011 publiceerde hij al een van de grootste handboeken over de kwestie: Culturele geschiedenis van de pijn (uitgeverij Taurus). Inmiddels is Moscoso van mening dat het idee van pijn als iets vreemds en als iets wat zich ver weg afspeelt, een nog ernstiger scenario verhult: ‘We consumeren pijn als nooit tevoren, maar als een soort schouwspel, als vermaak, alsof het om een serie gaat, terwijl we met de eigen pijn een heel andere relatie hebben, de drempel ligt elders. We consumeren onbeschaamd andermans pijn, als een soort pornomisère, wat bijna een terugkeer naar de middeleeuwse esthetiek betekent.’
Hij geeft een actueel voorbeeld: ‘Wat nu in India gebeurt met de vierde golf en waarvan hier nog niets in het nieuws is doorgedrongen.’ Nog een: ‘De verhalen over pijn, in de journalistiek bijvoorbeeld, worden verteld door een getuige wie niets is overkomen, die op het punt stond een bepaald vliegtuig te nemen of op het punt stond het slachtoffer te worden van een aanslag maar overleefde.’ Dat impliceert een visie die feitelijk tegengesteld is aan pijn, een waarbij we ‘ons inleven in de ander om ons te verheugen over onze eigen overleving’.
Veerkracht als kernwoord
De professor stelt dat wij met name het idee van fysieke pijn niet verdragen: ‘Wij achten het ons recht om niet te lijden, wij zijn overgegaan van een wereld waarin men van opvatting was dat je je moest stalen tegen de ergste pijn, de middeleeuwse, naar de wereld van de negentiende eeuw, waarin pijn een functie en een nobel doel had, ook al was men uit op zo min mogelijk noodzakelijke pijn, naar een wereld, die van nu, waarin men zo weinig mogelijk pijn wil lijden.’
Alle drie, Han, Andreella en Moscoso, zijn overigens van mening dat veerkracht hier fungeert als kernwoord. Het idee is dat we sterker uit een tegenslag tevoorschijn komen. Voor Han is het een ‘kapitalistisch mandaat’, voor Andreella ‘een modewoord dat onze relatie met pijn symboliseert’ en voor Mocoso ‘een van de merkwaardigste verschijnselen die zich in het Spanje van de laatste tijden heeft voorgedaan’.
‘De rehabilitatie van de veerkracht in Spanje heet verzet, denk aan het #saldremosmasfuertes (we komen hier sterker uit) van de regering. Pedro Sánchez schrijft zijn memoires en noemt ze Handboek van het verzet, het pandemielied was ‘Resisteré’… (Ik zal me verzetten). Camilo José Cela zei het al om Spanje te kenschetsen: ‘Wie zich verzet, wint’. We krijgen te horen: ‘Verzet je nu maar, want er zit niets anders op’.
‘Tegenwoordig huilt iedereen. Er is geen nuchterheid. Er is geen schaamte. Volgens de regels van de sociale etiquette voel je niet als je niet huilt’
Deze ‘pijnfobie’ en ‘lofrede op het verzet’ worden gestut door andere fenomenen van onze tijd: ‘Als je de werkelijkheid ziet als conflictueus dualisme tussen goed en kwaad, zoals we in de westerse cultuur deden, is het logisch dat men er vroeg of laat toe komt het bestaan van pijn te ontkennen of af te zwakken. Voeg hieraan toe het narcisme en de genotscultus, niet om te genieten van het leven maar als vlucht, en de pijnvrees wordt evident.’
Moscoso wijst ook op ‘een zekere onbeschaamdheid en overdaad aan expressiviteit’. ‘Daarom ben ik het maar deels eens met Byung-Chul Hans idee dat we een verdoofde samenleving zijn, want de ontlading van emoties gaat alle perken te buiten. Tegenwoordig huilt iedereen. Er is geen nuchterheid. Er is geen schaamte. Volgens de regels van de sociale etiquette voel je niet als je niet huilt.’
Psycholoog Carrión is milder: ‘De term veerkracht behoeft verfijning. In de middeleeuwen begroef je een dode met dezelfde spa waarmee je aardappels rooide. Honger, kou en armoede waren normaal. Ook nu moeten we ziekte accepteren, omdat de malaise deel uitmaakt van het herstel. We moeten rekening houden met pijn als iets dat mogelijk is, en zorgen dat de angst ons niet verlamt.’
Baas over ons leven
Het zijn gevoelens die sterk leven sinds in maart 2020 de noodtoestand intrad. Lucía Fernández, eveneens psycholoog, zegt dat het laatste jaar het aantal personen, met name jongeren, dat therapeutische hulp zoekt is toegenomen. ‘In een moeilijke, eentonige situatie ontstaat vanzelf het diepe verlangen om op te knappen, te overleven, om alles te doen wat nodig is om de negatieve ervaring zin te geven.’
Moscoso pleit er daarentegen voor ‘de noodzakelijke pijn, die bij het leven hoort, [te] accepteren, de niet-noodzakelijke [te] bestrijden.
Hij wijst er ten slotte op dat ‘uitmaken welke pijn noodzakelijk is en welke niet een politiek, filosofisch en economisch vraagstuk vormt’. ‘Een van de politieke hoofdvragen van de twintigste eeuw was of degenen die klagen ook recht hebben om te klagen, of ze zich aanstellen of echt zorg nodig hebben. En daar hebben we nog altijd mee te maken.’
De Britse premier zit tot 26 juli in quarantaine nadat hij contact heeft gehad met minister Sajid Javid van Volksgezondheid, die zaterdag bekendmaakte dat hij positief had getest op covid-19. Boris Johnson had aanvankelijk geprobeerd aan de quarantaine te ontkomen door te zeggen dat hij zou deelnemen aan een proef met dagelijkse tests als alternatief voor isolatie. Maar vanwege de daarover ontstane ‘golf van woede’, werd hij uiteindelijk ‘gedwongen tot een vernederende ommezwaai’, aldus The Independent.
In een zondag vrijgegeven video riep de premier op tot ‘voorzichtigheid’ aan de vooravond van de opheffing van coronabeperkingen in Engeland, terwijl het land kampt met een groeiend aantal besmettingen. Hij verzekerde niettemin dat het ‘het juiste moment’ was om door te gaan met deze belangrijke stap in het afbouwen van de maatregelen, omgedoopt tot ‘Freedom Day’. Een groep invloedrijke internationale wetenschappers heeft vrijdag de regering opgeroepen op haar besluit terug te komen, dat ‘de inspanningen om de pandemie onder controle te krijgen dreigt te ondermijnen, niet alleen in het VK maar ook in andere landen’.
Volgens het Amerikaanse National Center for Health Statistics stierven in 2020 ruim 93.000 mensen in de VS aan een overdosis van medicijnen en drugs als opioïde pijnstillers, amfetamine en cocaïne, bericht CNN. Dat komt neer op één sterfgeval per 5,6 minuten. Het aantal steeg met 29,4 procent ten opzichte van 2019, toen 72.151 mensen stierven aan een overdosis.
Zes activisten vrijgelaten in Egypte na internationale kritiek
Zaterdag werden zes Egyptische activisten uit de gevangenis vrijgelaten, waaronder journalist en blogger Esraa Abdel-Fattah, een van de symbolen van de revolutie van 2011, meldt Al-Jazeera. Zij was in oktober 2019 gearresteerd en zat bijna 22 maanden vast wegens ‘verspreiding van nepnieuws’ en ‘collaboratie met een terroristische groepering’.
Analisten zeggen dat de vrijlating van de activisten een manier is om de internationale gemeenschap tegemoet te komen, nadat de VS de arrestaties veroordeelden en zeiden dat de onderhandelingen over wapenverkoop tussen de twee geallieerde landen hierdoor zouden worden beïnvloed.
De Egyptische regering van generaal Sisi heeft de afgelopen jaren op grote schaal opgetreden tegen dissidenten en duizenden mensen gevangengezet. Ook journalisten zijn het doelwit geweest: tientallen zijn in de gevangenis beland en sommige buitenlandse journalisten zijn het land uitgezet. Volgens het Committee to Protect Journalists is Egypte het land waar de meeste journalisten worden gevangengezet, samen met Turkije en China, schrijft Al-Jazeera.
Deense Mohammed-cartoonist overleden
Kurt Westergaard is op 86-jarige leeftijd in zijn slaap na een lang ziekbed overleden, zo heeft zijn familie aan Berlingske laten weten. De tekenaar was verantwoordelijk voor de beroemdste van de twaalf tekeningen die op 30 september 2005 door het conservatieve Deense dagblad Jyllands-Posten werden gepubliceerd onder de titel ‘Het gezicht van Mohammed’. Zijn bijdrage toonde de Profeet met een bomvormige tulband.
De spotprent leidde in februari 2006 tot anti-Deense demonstraties in de moslimwereld, die in Denemarken werden gezien als de ernstigste crisis in het buitenlands beleid van het land sinds de Tweede Wereldoorlog. Het geweld bereikte in 2015 een hoogtepunt met de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs, dat de cartoons in 2012 had heruitgegeven.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.