Onderwerpen: Maatschappij

  • Het meedogenloze perfectie-ideaal. Waarom we allemaal gelukkiger, fitter en rijker willen zijn

    Het meedogenloze perfectie-ideaal. Waarom we allemaal gelukkiger, fitter en rijker willen zijn

    De maatschappij bestookt ons met adviezen voor een beter leven. Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit. Waarom zijn we zo bang om ‘gewoon’ te zijn?

    Keuze uit het archief

    Voor veel mensen is de start van een nieuw jaar de aanleiding om goede voornemens te bedenken en in praktijk te brengen. Blijkbaar vinden veel mensen dat er altijd nog wat aan hun leven te verbeteren valt. Dit artikel van The Economist van drie jaar geleden laat zien welke gevaren er kleven aan het streven naar perfectie en dat het beter is om onze imperfectie te aanvaarden. ‘Perfect is de vijand van goed.’

    Zo’n twintig jaar geleden gaf ik, als jonge universitair docent, een college over negentiende-eeuwse Amerikaanse literatuur. Ik was dol op die periode, maar mijn studenten deelden mijn enthousiasme niet. De meesten hielden het met Moby-Dick of Ralph Waldo Emersons Essays al na een paar bladzijden voor gezien en woonden vervolgens gehuld in stilzwijgen mijn colleges bij, in de hoop dat ze geen vragen zouden krijgen.

    Roy was anders dan de anderen. Hij was uitzonderlijk belezen en hij sprak vol bezieling over de teksten, door zijn medestudenten gadegeslagen met een mengeling van verbijstering en ontzag. Aan het einde van het semester leverden de meeste studenten plichtmatige en volstrekt onleesbare essays in. Maar Roy kwam twee dagen voor de deadline naar mijn kamer met de vraag of hij uitstel kon krijgen. Ik legde uit dat ik hem geen extra tijd kon geven zonder doktersverklaring en dat het hem punten zou kosten als hij te laat inleverde. Ik zei dat hij het best naar huis kon gaan en gewoon maar moest beginnen met schrijven. Hij had er allang blijk van gegeven dat hij veel interessants had te melden. Hij had zijn essay al af, zei hij. Waarom had hij het dan nog niet ingeleverd, wilde ik weten. ‘Omdat het niet goed is,’ antwoordde hij, met een vertrokken gezicht. Hij smeekte me hem wat respijt te geven; ik hield vol dat dat niet binnen mijn vermogen lag.

    Het essay werd een dag te laat ingeleverd. Hoewel het hem vijf punten kostte, had hij nog altijd een hoog cijfer. Ook de rest van dat jaar leverde Roy zijn werk te laat in, maar desondanks was hij de ongeslagen nummer één van de groep. Het jaar daarop schreef hij zich bij mij in voor een masterprogramma. Zijn werk werd steeds indrukwekkender en zijn overschrijdingen van de deadlines steeds ingrijpender. Toen hij een week voor de inleverdatum van zijn eindscriptie naar me toe kwam, zag ik een vurige, rode uitslag op zijn voorhoofd. Geschrokken vroeg ik of het wel goed met hem ging.

    ‘Het ging om zijn afstudeerscriptie en niet om zijn levenswerk. Het hoefde niet perfect te zijn’

    ‘Niks aan de hand,’ zei hij fel. ‘Ik ga krabben als ik stress heb, dat is alles.’ Op datzelfde moment zag ik dat zijn nagels helemaal waren afgekloven en dat er opgezwollen plekken op zijn vingers zaten. Ik verwees Roy door naar de studentenpsycholoog. Eerst wilde hij daar niets van weten, maar al snel begreep hij dat hij daardoor misschien makkelijker uitstel zou kunnen krijgen. In september verstreek zijn officiële deadline, maar dankzij de psycholoog kon hij het rekken tot januari van het volgende jaar. Roy kwam vlak voor de Kerst naar me toe. Hij zag er slonzig uit en staarde wat voor zich uit. Hij kon zijn scriptie onmogelijk op tijd afkrijgen, zei hij. Maar inmiddels beheerste ik de kunst van de zachtmoedige aanpak. Het ging om zijn afstudeerscriptie, zei ik, en niet om zijn levenswerk. Het hoefde niet perfect te zijn.

    ‘Geloof me,’ zei hij met een vreugdeloos lachje, ‘het is verre van perfect. Het komt niet eens in de buurt.’ Ik vermoedde dat hij zijn hele scriptie al had geschreven, wat hij bevestigde. ‘Ik heb het allemaal nog eens overgelezen,’ voegde hij eraan toe. ‘En ik zag geen andere mogelijkheid dan alles weg te gooien.’ Met open mond vroeg ik of hij nog een kopie had bewaard. Dat was niet het geval. Hij had meer dan twintigduizend woorden gewist. ‘Ik heb te veel respect voor u om zoiets bij u in te dienen,’ zei hij.

    Het bleek de laatste keer dat ik Roy zou zien. In de anderhalf jaar daarna kreeg hij keer op keer uitstel vanwege zijn aanhoudende angsten. Toen de deadline van het laatste uitstel was verstreken, kwam hij noch met een scriptie, noch met excuses. Ik schreef hem en vroeg of hij me een voorlopige versie kon laten zien. ‘Dat zou ik u niet willen aandoen,’ luidde zijn antwoord. Daarna heb ik nooit meer iets van hem vernomen.

    Perfectionisme: Troost bij Sylvia Plath

    Creativiteit en frustrerend perfectionisme gaan vaak samen, getuige talloze kunstenaarsbiografieën.

    Het door depressies gekenmerkte en door zelfmoord beëindigde leven van de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath (1932-1963) is doordrenkt van die combinatie. In een bespreking van The Letters of Sylvia Plath, Volume 1: 1940-1956 schreef The New Yorker vier jaar geleden: ‘Ze had het temperament van een perfectionist, dat andere perfectionisten zullen herkennen: de basis is roekeloosheid, zelfs wreedheid jegens zichzelf.’

    Titels als ‘Perfection is Terrible’ en ‘The Imperfect Perfectionist’, maar wellicht het meest in het oog springend is de tekst ‘How Sylvia Plath Helped Me Overcome Depression and Embrace Uncertainty’. Daarin omschrijft ‘popcultuurjournalist’ Jeffrey Davies zichzelf als iemand die van jongs af aan was geobsedeerd door perfectie en controle. Als hij Plath begint te lezen voelt hij herkenning: ‘Net als ik begreep Sylvia niet waarom ze ooit was ondergedompeld in sprookjesfantasieën, terwijl het echte leven daar helemaal niet op leek. Net als ik begreep Sylvia niet waar ze het zelfvertrouwen vandaan moest halen om haar schrijversdromen na te jagen, laat staan hoe ze een functionerend volwassen mens moest zijn.’ 

    De ontdekking van haar werk was doorslaggevend: ‘Ik denk niet dat Sylvia Plath ooit de plek van innerlijke rust heeft kunnen vinden die ik heb gevonden, maar ik ben nog steeds dankbaar dat ze er met mij was. Voor de duisternis, en voor het licht.’

    Onoverkomelijk tekort

    Een van de teksten uit een syllabus die ik had gebruikt tijdens Roys colleges was ‘The Birth-Mark,’ een kort verhaal van Nathaniel Hawthorne uit 1843. Het is het aangrijpendste verhaal dat ik ken over de psychologie van perfectionisme. Aylmer, een jonge bètastudent, ontwikkelt een toenemende koortsige obsessie met een kleine, rode moedervlek in de hals van zijn beeldschone jonge vrouw Georgiana. Zij komt gekmakend dicht in de buurt van perfecte schoonheid en voor hem is dat onverdraaglijk. Hij ziet die moedervlek als een symbool van het ‘fatale menselijk tekort… een teken dat zonde, ellende, verval en dood ook vat kunnen krijgen op zijn vrouw’. Georgiana kijkt ook steeds meer naar zichzelf in de verwrongenheid van haar mans blik en begint zijn afschuw van de moedervlek te delen. Ze smeekt hem zijn vindingrijkheid te gebruiken om ‘de imperfectie van de natuur’ te corrigeren.

    Aylmer brengt zijn vrouw onder in een verborgen boudoir naast zijn laboratorium en dient haar verschillende alchemistische brouwsels toe. Terwijl ze daar in afzondering zit, leest Georgiana het wetenschappelijke dagboek van haar man, feitelijk een litanie van teleurstellingen: ‘Al had hij nog zo veel bewerkstelligd, de conclusie leek onontkoombaar dat zijn grootste successen vrijwel zonder uitzondering mislukkingen waren, gemeten naar het ideaal van zijn ambities.’

    Daarom maakt Georgiana zichzelf wijs dat zijn afschuw van haar imperfectie een nobele blijk van liefde is

    Georgiana is niet in staat de onvermijdelijke conclusie te trekken: de morbide obsessie van haar man met haar ‘onoverkomelijke tekort’ is een projectie van zijn teleurstelling over zichzelf. Daarom maakt Georgiana zichzelf wijs dat zijn afschuw van haar imperfectie een nobele blijk van liefde is. Aylmer distilleert een mysterieus drankje met de smaak van ‘water uit een goddelijke bron’ en Georgiana drinkt het op. De moedervlek verdwijnt, maar vrijwel meteen daarna laat Georgiana het leven.

    Deze verontrustende fantasie van een merkwaardige jonge man in een ondergronds laboratorium heeft wereldwijd tot de verbeelding gesproken van vele mannen en vrouwen. Bij het lezen van Hawthornes verhaal is het moeilijk om niet te denken aan alle verhalen over mensen die zijn overleden, of voor het leven zijn verminkt, na bezoek aan een plastisch chirurg in Turkije of de Dominicaanse Republiek. De vorm van een neus of een bovenlijf veranderen staat symbool voor de zeer begeerde maar onbereikbare droom van een perfecte toekomst. Het is slechts een van de perfectionistische fantasieën die ons consumentenbestaan teisteren. We zien perfecte bruiloften, huizen en vakantiebestemmingen op reclamezuilen, tv-schermen en sociale media. Die beelden roepen bij miljarden kijkers gevoelens op van afgunst, onvolkomenheid en verlangen.

    Zelfkastijding

    In mijn werk als psychoanalyticus zie ik geregeld mensen die in de greep zijn van een meedogenloos ideaal van professionele, romantische, fysieke of morele perfectie. Er gaat vrijwel geen dag voorbij of ik heb wel een patiënt die zich erover beklaagt, of zichzelf verwijt, dat hij niet weet te voldoen aan een bepaald doel dat hij zichzelf heeft gesteld, of aan een bepaalde standaard. Deze zelfkastijding wordt meestal versterkt door de overtuiging dat iemand die ze kennen – een collega, broer of zus, een vriend – in hun plaats wel slim genoeg zou zijn, of voldoende doorzettingsvermogen zou hebben, om te slagen.

    Aan het begin van de lockdown, in het voorjaar van 2020, kreeg ik het idee dat veel van mijn patiënten de perfectionistische eisen die ze aan zichzelf stelden een beetje konden loslaten. Instellingen en bedrijven schakelden over op thuiswerken en voor veel mensen nam de werkdruk iets af; ze werden niet voortdurend in de gaten gehouden en kregen de kans hun prioriteiten te heroverwegen. Ze ontdekten kleine genoegens – taart bakken, wandelen, lezen, praten – en leken optimistisch over de relatie met hun partner en hun familieleden.

    Ik verbaasde me vooral over de betrekkelijk nieuwe instelling van zelfacceptatie waarmee deze veranderingen gepaard gingen. ‘Ik was eigenlijk heel vrolijk nadat ik dat beleidsstuk had ingeleverd,’ zei Polly, een van mijn patiënten. ‘Het rammelde aan alle kanten.’ Nadat ze zichzelf bij onze eerste ontmoeting had getypeerd als ‘pathologisch nauwgezet’, schepte ze er nu genoegen in werk af te leveren dat ‘net door de beugel’ kon. ‘Zie het maar als een soort compensatie voor alle duizenden uren onbetaald werk van de afgelopen jaren.’

    Net als het virus

    De beperkingen hadden haar de ogen geopend voor alles wat ze al die jaren had gemist: tuinieren, fietsen met haar partner, spelletjes doen met haar kinderen. Maar na een week of zes voelde ik deze nieuwe lankmoedige houding verflauwen en zag ik oude eisen weer meedogenloos de kop opsteken. Net als het virus zelf had Polly’s perfectionisme zich aangepast aan de omstandigheden die het geleidelijk hadden geneutraliseerd. Ze meende thuis verlost te zijn van het oordeel en het toezicht van haar manager; maar inmiddels was ze zich er meer en meer van bewust dat ze in de gaten werd gehouden op [het chatprogramma] Slack. Thuiswerken bleek nieuwe ingangen te bieden om met elkaar te wedijveren: wie presteerde het best onder alle extra druk?

    Bij vrijwel al mijn patiënten zag ik deze verschuiving in enige vorm plaatsvinden: een strikter fitnessprogramma, er strenger op toezien of de kinderen hun huiswerk maakten. Mijn patiënten ergerden zich ook vaker, en sneller, aan hun partner, aan hun collega’s en soms aan mij. ‘Denkt u niet dat al die zelfreflectie daadwerkelijk handelen soms in de weg staat?’ vroeg een man me. ‘Is het soms niet beter om op te houden met mekkeren en gewoon in actie te komen?’

    Het perfectionisme was terug, even verlokkelijk en onverbiddelijk als voorheen

    Ook buiten mijn spreekkamer merkte ik deze omslag, het gevoel dat de lockdown even respijt had geboden maar dat het nu tijd was om weer serieus aan de slag te gaan. Het perfectionisme was terug, even verlokkelijk en onverbiddelijk als voorheen. Doordat het perfectionisme na een korte pauze weer zo ongenadig toesloeg, begon ik te vermoeden dat het een diepgeworteld en onlosmakelijk aspect is van ons mens-zijn. Uiteindelijk begint de Bijbel ook niet voor niets met de zondeval, waarna de door God geschapen mens sterfelijk wordt. In allerlei culturen zien we een versie van dit scheppingsverhaal. Vanuit dit perspectief is religie een extravagante manier om onze verloren perfectie te herwinnen – in ieder geval in monotheïstische godsdiensten.

    Maar het geloof heeft ook een tegengesteld – of complementair – doel. Eeuwenlang is religie de belangrijkste manier geweest om in het reine te komen met het feit dat we zondig en feilbaar zijn, imperfect dus. Het religieuze streven naar morele en spirituele verbetering gaat hand in hand met het somber stemmende besef dat perfectie is voorbehouden aan God. Stervelingen in de Bijbel of in de mythologie, zoals de architecten van de Toren van Babel, of Prometheus, die een goddelijke status proberen aan te nemen, worden terstond gestraft. In de religieuze verbeelding staat het idee van menselijke perfectie gelijk aan blasfemie.

    Autonomie

    Met de opkomst van de industriële samenleving gingen mensen iets losser om met het geloof. Nietzsche merkte op dat de burgers van de moderne, seculiere samenleving, die hadden afgerekend met God, merkten dat ze toch niet zonder hem konden. Ze verzonnen een keur aan nieuwe goden in zijn plaats: Cultuur, Wetenschap, Handel, de Staat, het Zelf.

    Van Emersons provocerende essay over onafhankelijkheid in 1841 tot aan de opkomst van de zelfhulpindustrie ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw, en niet in de laatste plaats de opkomst van onze selfiecultuur, wordt autonomie beschouwd als een groot goed, als iets nastrevenswaardigs. Een verbetering van onze onderwijskundige, esthetische en financiële positie, en de behoefte aan erkenning van anderen – het zijn allemaal elementen van de perfectionistische wind die er door onze maatschappij waait.

    Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit

    Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit. In een artikel uit 2017 schrijven twee Britse psychologen, Thomas Curran en Andrew Hill, de exponentiële toename van perfectionisme onder jonge mensen toe aan de ‘steeds veeleisendere sociale en economische parameters’ waarbinnen zij een bestaan moeten zien op te bouwen. Ook zien Curran en Hill een oorzaak in een ‘in toenemende mate angstig en controlerend ouderschap’.

    Door de krapte op de arbeidsmarkt, met name waar het gaat om goedbetaalde en creatieve banen, en door het feit dat huizen onbetaalbaar zijn geworden, gaan zowel jongeren als hun ouders steeds verder in hun pogingen een gunstige uitgangspositie te verwerven. Vandaar de zoveelste onbetaalde stage, cursus of extra klus. Door de opkomst van perfectionistische stress in verband te brengen met de sfeer van onzekerheid en competitie die de vrijemarkteconomie met zich meebrengt, waren Curran en Hill voorlopers in hun kritiek op de meritocratie, zoals die later is geuit door bijvoorbeeld de Amerikaanse filosoof Michael Sandel.

    Door sociale media wordt het gevoel niet goed genoeg te zijn nog eens versterkt

    In The Tyranny of Merit, gepubliceerd in 2020, betoogt Sandel dat het meritocratische kapitalisme heeft gezorgd voor een permanente wedijver binnen de maatschappij, een wedijver die solidariteit en het idee van een ‘algemeen belang’ ondergraaft. Dit systeem zorgt voor een tweedeling tussen winnaars en verliezers, werkt bij de eerste groep ‘hoogmoed en zelfingenomenheid’ in de hand en bij de laatste een structureel laag zelfbeeld. Binnen een dergelijke cultuur zullen jonge mensen snel ontevreden worden, zowel over wat ze hebben als over wie ze zijn. Door sociale media wordt de druk opgevoerd om een perfect beeld van jezelf neer te zetten, en wordt het gevoel niet goed genoeg te zijn nog eens versterkt.

    Zonder intrinsiek gevoel van eigenwaarde zal een perfectionist zijn eigenwaarde afmeten aan externe maatstaven: academische verdiensten, sportieve prestaties, populariteit, behaalde successen op werkgebied. Als hij niet aan de verwachtingen voldoet, zal hij zich beschaamd en vernederd voelen. De druk van maatschappelijke verwachtingen is bepaald geen nieuw fenomeen, maar de afgelopen decennia wordt die last als veel zwaarder ervaren, wellicht doordat de verwachtingen zelf zo uiteenlopend en tegenstrijdig zijn. Het perfectionisme van de jaren vijftig was geworteld in de normen en waarden van de massacultuur en vastgelegd in iconische beelden van het ideale, witte, Amerikaanse gezin – beelden die nu een parodie lijken.

    In die tijd betekende perfectionisme je naadloos voegen naar bepaalde waarden, gedragingen en conventies: robuust zelfvertrouwen voor mannen, ingetogen elegantie voor vrouwen. De perfectionist stond onder druk om er net zo uit te zien als ieder ander, maar dan nog net wat uitgesprokener. De perfectionist van nu moet zich juist onderscheiden door middel van een eigenzinnige stijl of spitsvondigheid, wil hij of zij een voet tussen de deur krijgen in onze aandachteconomie.

    Controle

    Maar perfectionisme is niet alleen een kwalijke kracht. De eis van perfectie kan weliswaar verstikkend zijn, maar perfectionisten kunnen zich soms ook juist staande houden door wat ze presteren. Als het ons allemaal te veel dreigt te worden en we ons vastbijten in onze tekortkomingen, kunnen een geweldig examenresultaat of duizend likes op Instagram ons heel even het gevoel geven dat we alles onder controle hebben.

    Het is natuurlijk wel een vluchtige sensatie, die voortdurend moet worden gevoed. Zoals Moya Sarner, een auteur die veel psychoanalytische opvattingen incorporeert in haar werk, het formuleerde: ‘Het levert een schraal bestaan op, dat niet zozeer wordt bepaald door wat er is, maar vooral door wat er níét is. Als je voortdurend probeert je leven te veranderen in het leven dat je ambieert, leef je niet het leven dat je hebt.’ In 1990 ontwikkelde de Amerikaanse psycholoog Randy Frost een lijst met 35 vragen, bedoeld om perfectionisme in kaart te brengen. Zijn ‘multidimensionale perfectionismeschaal’ maakt een onderscheid tussen drie soorten van perfectionisme.

    Het werkt een zeer motiverende, maar uiteindelijk slopende drang in de hand om een geïdealiseerde versie van jezelf te verwezenlijken

    De eerste soort is het zelfgerichte perfectionisme, een zeurderig stemmetje in je hoofd dat voortdurend zegt dat je het beter moet doen. Dat werkt een zeer motiverende, maar uiteindelijk slopende drang in de hand om een geïdealiseerde versie van jezelf te verwezenlijken: gelukkiger, gezonder, rijker (dergelijke vergelijkende adjectieven tref je vaak aan op het omslag van zelfhulpboeken). In mijn spreekkamer neemt dit vaak de vorm aan van een patiënt die zichzelf verwijt een amandelcroissant te hebben gegeten, of de hele dag politieseries te hebben gekeken, in plaats van een presentatie voor te bereiden of een kind te helpen met een geschiedenisopstel.

    De tweede soort is het sociaal wenselijke perfectionisme, waardoor we proberen te voldoen aan de verwachtingen van anderen. Dat komt vaak tot uiting in fantasieën over kritiek, als een innerlijke monoloog waarin ons te verstaan wordt gegeven hoe we zouden moeten zijn en wat we zouden moeten doen. In ons hoofd horen we hatelijke, kleinerende opmerkingen over onze lompe manier van doen, onze lelijke kleren of onze saaie gesprekken.

    Projectie

    De derde soort is perfectionisme dat is gericht op anderen. Daarbij wordt die bestraffende stem naar buiten gekeerd en verlangen we van de mensen om ons heen dat ook zij voldoen aan onze onmogelijke idealen. Dit is met name kwalijk als het wordt ingezet als machtsmiddel: de ouder die zijn kind vraagt waarom het maar negen tienen heeft, of de baas die niet begrijpt waarom een werknemer zich laat vloeren door een griepje. Op anderen gericht perfectionisme is vrijwel altijd projectie: je zoekt naar zwakten en teleurstelling bij anderen omdat je het niet kunt verdragen die bij jezelf te onderkennen, en dat maskeer je als autoritaire kritiek.

    Dit zijn interessante denkbeelden, maar zodra we met echte mensen te maken hebben is het moeilijk deze categorieën van elkaar te onderscheiden. De drang om slanker of slimmer te zijn wordt vaak gevoed door een koor van interne en externe stemmen. Het is niet zo heel moeilijk te begrijpen hoe zelfkritische gevoelens worden omgezet in kritiek op anderen.

    Perfectionisme is een lastig te vangen begrip. Klinisch gezien kan het zich uiten in een duizelingwekkende hoeveelheid symptomen: depressies en angsten, obsessieve stoornissen, narcisme van de ‘dunne huid’-soort (een geprojecteerd opgeblazen zelfbeeld verhult intense kwetsbaarheid), psychosomatische ziekten, suïcidale gedachten, een vertekend lichaamsbeeld en eetstoornissen. Perfectionisme heeft de kameleontische gave zich te voegen naar verschillende karakters en kwetsbaarheden, en misschien is dat wel de reden dat het nooit is geclassificeerd als een afzonderlijke psychische aandoening.

    Helikopterouders

    Dat betekent ook dat zeer verschillende jeugdervaringen een voedingsbodem kunnen vormen voor perfectionisme. Curran en Hill hebben gelijk dat de zogenaamde ‘helikopterouders’ – ouders die op een verstikkende manier waken over de schoolprestaties en de buitenschoolse activiteiten van hun kinderen – hebben geleid tot een toename van perfectionisme. Maar mijn eigen ervaring heeft me geleerd dat heel andere opvoedstijlen tot een vergelijkbare uitkomst kunnen leiden.

    De ouder die een respectvollere afstand bewaart tot het leven van zijn of haar kind, kan het kind een diepgeworteld verlangen naar erkenning meegeven – erkenning die het kind alleen meent te kunnen krijgen door onophoudelijk te presteren. De dochter die het gevoel heeft nooit te kunnen winnen, die het gevoel heeft dat ze nog zo haar best kan doen met rugby, schaken of cheerleaden, maar van haar ouders toch vooral kleinzielige kritiek zal krijgen, zal ook altijd het gevoel blijven houden dat ze het béter moet doen.

    Maar het kind dat door de ouders bij elke tekening of elke medaille op het schild wordt gehesen alsof het een meesterlijke prestatie heeft geleverd, kan ook het gevoel blijven houden dat het de prestaties van zijn jonge jaren moet evenaren. Hoe je het ouderschap ook invult, de kans bestaat dat je je kind een wanhopig verlangen meegeeft om te pleasen en dat je kind de rest van zijn leven moeite zal hebben het onderscheid te maken tussen wat het zelf wil en wat jij van hem verlangt.

    De ideale plek tussen te veel en te weinig betrokkenheid is ongekend lastig te vinden.

    Dit klinkt misschien als een methode om alle schuld in de schoenen van de ouders te schuiven – wat volgens velen de essentie is van psychoanalyse. Maar je zou het ook kunnen zien als een menselijk inzicht, de erkenning dat het ongekend moeilijk is om een kind goed op te voeden. De ideale plek tussen te veel en te weinig betrokkenheid is ongekend lastig te vinden.

    Dat het zo moeilijk is om niet verstrikt te raken in de tentakels van perfectionisme, suggereert dat perfectionisme daadwerkelijk in de menselijke psyche zit ingebakken. Hoe we ook worden opgevoed, we internaliseren een ideaalbeeld van wie we zouden willen zijn. Psychoanalytici noemen dit het ego-ideaal, een beeld van het perfecte zelf dat we als klein kind zagen weerspiegeld in de adorerende blik van onze ouders of verzorgers. Maar we krijgen op dat punt in ons leven ook een superego, de geïnternaliseerde stem van een zeer kritische ouder, die veel later maar al te vaak wordt versterkt door andere volwassenen met gezag, zoals een docent of een baas. Beide personages die onze psyche bewonen, kunnen beschuldigend aanvoelen. Perfectionisme groeit uit zelfliefde en zelfvernedering.

    Sommige psychologen zijn van mening dat perfectionisme niet pathologisch hoeft te zijn

    Sommige psychologen zijn van mening dat perfectionisme niet pathologisch hoeft te zijn. In 1978 maakte D.E. Hamachek, een Amerikaanse psycholoog, onderscheid tussen normaal en neurotisch perfectionisme. De normale perfectionist kan de lat voor zichzelf heel hoog leggen zonder te vervallen in bestraffende zelfkritiek. Hij kan er zelfs plezier in scheppen om te streven naar verbetering.

    Latere onderzoekers hebben vraagtekens gezet bij Hamacheks onderscheid, met als argument dat het verlangen om perfect te zijn nooit ‘normaal’ kan zijn. Hunkeren naar iets wat intrinsiek onmogelijk is, kan alleen maar leiden tot frustratie en het gevoel tekort te schieten. Door mijn eigen ervaring met perfectionisten ben ik tot een soortgelijke conclusie gekomen. Maar hoewel perfectionisme ons gevoel van eigenwaarde kan ondermijnen, ken ik maar weinig mensen die afstand zouden willen doen van het streven jezelf te ontwikkelen en te groeien.

    Iets in ons mens-zijn zorgt ervoor dat het lastig is om te voelen dat we genoeg hebben gedaan, genoeg zijn

    Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze ambitie niet stukloopt op perfectionistische geestdrift? Er zijn geen makkelijke oplossingen. Iets in ons mens-zijn zorgt ervoor dat het lastig is om te voelen dat we genoeg hebben gedaan, genoeg zíjn. We zijn niet bereid de hoop te laten varen dat anderen op een dag zullen inzien hoe bijzonder wij zijn: het perfecte wezen dat onze ouders ooit op een voetstuk hebben geplaatst. De Franse psychoanalyticus Serge Leclaire poneerde de intrigerende stelling dat onze taak in het leven erin bestaat dit fantastische kind in metaforische zin te doden. We moeten bij voortduring afstand doen van de fantasie van het ideale zelf, en treuren om het feit dat dit een onbereikbaar ideaal is.

    Ik moet dan altijd denken aan een van mijn eerste patiënten, Lydia, een vrouw van in de twintig wier moeder onlangs was overleden aan een ernstige ziekte. Haar ouders waren gescheiden toen ze nog heel klein was; haar vader was hertrouwd en woonde met zijn nieuwe gezin in het buitenland. Lydia werd gekweld door haar eigen uiterlijk, ze postte dwangmatig selfies en telde het aantal likes, terwijl ze nauwgezet controleerde of haar huid, gebit en figuur geen smetjes vertoonden.

    Tijdens Lydia’s jeugd was haar moeder voornamelijk bezig geweest met haar carrière en had de zorg voor haar dochter uitbesteed aan verschillende au pairs. Lydia kon haar moeder niet boeien met haar verhalen over alledaagse problemen met huiswerk, vriendschappen en jongens. De enige manier waarop ze zich kon verzekeren van haar moeders aandacht was door middel van mode en make-up: make-overs, manicures en onlineshoppen. Ze herinnerde zich de liefdevolle blik van haar moeder wanneer ze mascara opdeed of haar haren borstelde. Dan zei haar moeder dat ze zo mooi was, dat de man die haar ooit zou krijgen zich gelukkig mocht prijzen. ‘En zodra ik dan probeerde met haar over een probleem met een docent of een vriendin te praten, zag ik de belangstelling bijna letterlijk van haar gezicht glijden, alsof ze dat er allemaal niet bij kon hebben.’ Lydia leerde haar eigen boontjes doppen. Maar na het overlijden van haar moeder merkte ze dat ze volledig werd beheerst door een streven naar lichamelijke perfectie.

    Kinderlijke houding

    Ik opperde dat Lydia zich misschien genoodzaakt voelde weer het schattige kind te worden dat ze weerspiegeld had gezien in de blik van haar moeder als ze samen met make-up in de weer waren. Deze opmerking triggerde een stroom van langdurig onderdrukte woede en frustratie. ‘Al had ik tegen haar geschreeuwd toen ze nog leefde, dan nog had ze me nauwelijks opgemerkt,’ zei ze met bittere tranen. ‘En nu zal ze me nooit meer horen.’

    Lydia’s woede was een vorm van uitgesteld verdriet, niet alleen om de moeder die ze was verloren maar ook om het perfecte kind dat ze zich kortstondig had gevoeld op de momenten dat ze de aandacht van haar moeder had weten vast te houden. Door te rouwen om dat kind leerde ze afrekenen met haar dwangmatige zelfkritiek. Niet lang nadat ze was gestopt met het posten van selfies, kwam Lydia een keer binnen met een glimlach om haar lippen. ‘Op weg naar buiten ving ik een blik van mezelf op in spiegel,’ zei ze. ‘En ik dacht: Jezus, ik ben eigenlijk best aantrekkelijk!’ Ze lachte weer hartelijk. ‘Maar grappig genoeg ben ik geen topmodel. En wat nog opmerkelijker is: dat wil ik ook niet eens meer worden.’

    Het lijkt soms alsof perfectionisme de weg is naar succes in ons volwassen bestaan. Maar in werkelijkheid is het een fundamenteel kinderlijke houding, die ons doordringt van de overtuiging dat het leven in feite voorbij is zodra we de hoop laten varen om de beste versie van onszelf te worden. Het tegendeel is waar, zoals ook Lydia ontdekte: het is precies het moment dat we eindelijk kunnen gaan leven.

    Pijlijk perfectionisme

    ‘Perfect is de vijand van goed’ is een aforisme dat Voltaire voor zijn Dictionnaire philosophique uit 1764 zou hebben ontleend aan de Italiaanse uitspraak Il meglio è l’inimico del bene. Eerder al, in 1726, noteerde Montesquieu: Le mieux est le mortel ennemi du bien (‘het betere is de aartsvijand van het goede’). 

    Perfectionisme is, kortom, een neiging waarvoor al eeuwenlang wordt gewaarschuwd. Tevergeefs, want het lijkt in het huidige tijdsgewricht vaker voor te komen dan ooit tevoren. ‘Maar liefst twee op de vijf kinderen en adolescenten zijn perfectionist’, zegt Katie Rasmussen, een Amerikaanse wetenschappelijk onderzoeker op het gebied van ontwikkeling en perfectionisme bij kinderen. En volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft het aantal jeugdige perfectionisten het afgelopen decennium recordniveaus bereikt.

    Is het een probleem? Cultureel gezien beschouwen we perfectionisme als een positief kenmerk. Maar er zit een fors aantal haken en ogen aan. Perfectionisme leidt tot een waslijst aan klinische problemen: van depressie, angsten en fobieën tot eetstoornissen, chronische vermoeidheid, slapeloosheid en soms zelfs zelfmoord. Volgens Sarah Egan, wetenschapper aan de Curtin University in Perth, en gespecialiseerd in perfectionisme, eetstoornissen en angst, zijn er onderzoeken die suggereren ‘dat hoe hoger het perfectionisme is, hoe meer psychische stoornissen je zult krijgen’. Oppassen daarmee dus.

    BBC, Londen

  • Zuid-Afrikanen hebben hun vertrouwen in de overheid verloren

    Zuid-Afrikanen hebben hun vertrouwen in de overheid verloren

    Zuid-Afrikaanse gemeenschappen die het vóór corona al zwaar hadden, nemen het heft in eigen handen omdat de overheid verstek laat gaan. Initiatieven worden opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk.

    Eén avond per week, als ze gaan patrouilleren in de straten van Thembokwezi, laten Natasha Msweswe en Zanele Madasi hun kinderen alleen. Pas om middernacht zijn ze weer thuis. Het is potentieel gevaarlijk, maar ze hebben weinig keus. ‘We knijpen ‘m soms wel, maar we willen onze gemeenschap beschermen,’ zegt Madasi (31). ‘We willen het verschil maken.’

    Thembokwezi is een wijk in Khayelitsha, het grootste, overbevolkte township van Kaapstad, waar bendegeweld, drugsmisbruik en werkloosheid welig tieren. De Zuid-Afrikaanse politie laat zich hier nauwelijks zien en daarom speelt een netwerk van buurtwachten een cruciale rol in de misdaadbestrijding. Thembokwezi is welvarender en veiliger dan de rest van het township, en dat willen de inwoners graag zo houden. ‘Natuurlijk werken we met de politie samen,’ zegt Phindile George, het hoofd van de buurtwacht, die vijftig vrijwilligers telt, onder wie Msweswe en Madasi. ‘Maar als we met de armen over elkaar gaan zitten wachten, krijgen bendes hier de vrije hand.’

    ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven’

    Zo nemen tienduizenden Zuid-Afrikanen, verspreid over het hele land, het heft in eigen handen. Sommigen geven les of zorgen voor een betrouwbare elektriciteitsvoorziening, anderen organiseren inentingscampagnes, repareren wegen, delen water uit of leveren beschermende kleding aan ziekenhuizen. Het zijn initiatieven die zijn opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die nu grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk. De gemene deler is een vrijwel volslagen gebrek aan vertrouwen in de Zuid-Afrikaanse overheid als probleemoplosser. ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven. Het vertrouwen is tot het nulpunt gedaald. Het is een tragedie,’ zegt William Gumede, een gerespecteerd analist, gevestigd in Johannesburg.

    Dat de overheid van het meest ontwikkelde land van het continent zich uit het dagelijkse leven heeft teruggetrokken, heeft verstrekkende gevolgen: het beïnvloedt de manier waarop mensen denken, zich gedragen en met elkaar omgaan, vooral in tijden van crisis. De dood van de alom gerespecteerde Desmond Tutu zorgde voor een moment van zowel rouw als paradoxale hoop. Na maandenlang door hachelijke omstandigheden uit elkaar te zijn gedreven, werden Zuid-Afrikanen weer even herinnerd aan wat hen onderling bindt. 

    Ontevredenheid

    De meeste Zuid-Afrikanen hadden het al zwaar voor de pandemie losbrak. De ontevredenheid over het regerende ANC, de partij die sinds de val van het racistische, repressieve apartheidsregime aan de macht is, neemt al jaren toe. De economische groei was al aan het stagneren vóór het negenjarige bewind van Jacob Zuma, de populistische president die in 2018 werd ontslagen na talloze beschuldigingen van corruptie. Ondanks de goede bedoelingen van de huidige president, oud-vakbondsleider en mijnmagnaat Cyril Ramaphosa, is er sinds diens installatie weinig te vieren geweest. De economie liep tijdens de pandemie zware klappen op. Stroomonderbrekingen hebben fabrieken en bedrijven wekenlang lamgelegd en de openbare gezondheidszorg is door wanbeheer en corruptie ernstig uitgehold. Volgens de regering zijn er negentigduizend Zuid-Afrikanen overleden aan corona, maar uit betrouwbare oversterftecijfers komt een dodental naar voren dat twee tot drie keer zo hoog ligt. Het werkloosheidspercentage ligt op een schrikbarende 46 procent. 

    Tijdens de ergste verstoring van de openbare orde in decennia werden in juli 2021 in een groot deel van Zuid-Afrika winkelcentra geplunderd, warenhuizen in brand gestoken en cruciale infrastructuur aangevallen. Het geweld leek bewust aangewakkerd door afvallige facties binnen de regerende partij, die woedend waren dat Zuma wegens minachting van de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd had gekregen, waardoor het vertrouwen in de overheid een verdere deuk opliep en een aantal Zuid-Afrikanen hun frustratie botvierden op straat.

    Buurtwacht

    De buurtwacht in Thembokwezi is bedoeld als aanvulling op de politie, maar in een ruiger deel van Khayelitsha is een gemeenschap de confrontatie met de plaatselijke autoriteiten aangegaan. Toen een strenge lockdown aan het begin van de pandemie in 2020 leidde tot grootschalige illegale ontruimingen, bezetten honderden daklozen een stuk braakliggend terrein om er houten en golfplaten huisjes te bouwen. ‘Politici houden ons al jaren voor dat ze hier huizen voor ons zullen neerzetten,’ vertelt gemeenschapsleider Mabhelandile Twani (40). ‘Ze houden zich niet aan hun beloftes, dus nu hebben we het heft in eigen handen genomen.’ 

    Ondanks pogingen om deze mensen opnieuw te verdrijven, is hun buurt tot bloei gekomen. Er wonen inmiddels meer dan vijftienduizend mensen in de rijen met krotten op de zanderige grond. Elektriciteit wordt van beter voorziene straten in de buurt afgetapt. Twani noemt het ‘volksstroom’. De wijk staat bekend als Lockdown Village. En er zijn veel meer van dit soort nederzettingen, ontstaan uit de ellende die corona heeft veroorzaakt in een land dat zich geen steunmaatregelen kan permitteren zoals in Europa of de VS. 

    In de townships stelen drugsdealers watertanks van scholen

    In Khayelitsha zijn er nu nederzettingen met namen als Sanitiser, Quarantine en Social Distance. ‘Het leven is nu zo zwaar. We krijgen geen overheidshulp. We proberen het zelf te rooien,’ zegt Nondwebi Kasba (73), die helpt bij het beheer van een gemeenschappelijke moestuin die buurtbewoners in het Illitha Park in Khayelitsha hebben opgezet om de allerarmsten te helpen. Ook Graaff-Reinet, een conservatief stadje in de Karoo-woestijn, duizend kilometer oostwaarts, kampt met tekorten aan voorzieningen die de overheid ooit bood. In de townships aan de rand van Graaff-Reinet stelen drugsdealers watertanks van scholen om de inhoud ervan naast cannabis en metamfetamine (crystal meth) te verkopen. Niemand meldt het bij de politie, ervan uitgaande dat die toch niet komt. 

    Banen zijn schaars. Opleidingsmogelijkheden waarmee jongeren aan hun situatie kunnen ontsnappen ook. Khanya Mbaile, een 31-jarige administrateur, hoopt een koffietent annex internetcafé te beginnen om de jongeren in het township waar ze woont een veilige ontmoetingsplek te bieden. Ze heeft met hulp van een ngo al zes computers aangeschaft. ‘We zijn allemaal doodop, maar er gloort een sprankje hoop,’ zegt Mbaile. De 58-jarige Louisa Masimela, een van de vele Zuid-Afrikaanse probleemoplossers, runt in een township ten zuiden van Graaff-Reinet een gemeenschapsschool voor jonge kinderen. De voormalige journaliste heeft geen vaste lokalen voor haar leerlingen, geen geld om de onderwijzers te betalen en drinkwater is ook een probleem. ‘Het valt allemaal niet mee, maar we willen onze kinderen een opleiding geven waarmee ze later kunnen uitvliegen,’ zegt Masimela. Dus heeft ze zelf oplossingen gevonden: een kerk biedt het schooltje doordeweeks ruimte aan en er zijn zeven vrijwilligers die lesgeven. 

    Water ontvangen ze van The Gift of Givers, een van de grootste ngo’s van Afrika. Die organisatie, volledig gefinancierd door particuliere donateurs, voornamelijk bedrijven, verdeelt jaarlijks 400 miljoen rand, circa 23 miljoen euro, aan hulp. In de provincie Oost-Kaap helpt de ngo ziekenhuizen door het verstrekken van broodnodige persoonlijke beschermingsmiddelen, medicijnen, zuurstofapparatuur, 
    voedsel voor de patiënten en zelfs goodiebags om het personeel te motiveren. Elders in de provincie, een van de armste van Zuid-Afrika, heeft de ngo water naar arme gemeenschappen getransporteerd, waterputten gegraven, en zaden, veevoer en voedsel voor weeshuizen geregeld. 

    ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen. Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project’ 

    ‘Er zitten een hoop goede mensen in de regering die het juiste willen doen, en ik zie dingen veranderen. Het zijn geen enorme veranderingen, maar mensen willen de problemen aanpakken,’ zegt Imtiaz Sooliman, oprichter van The Gift of Givers. ‘We moeten de gaten opvullen, maar dat neemt de spanningen niet weg. De mensen vragen waarom wij het werk van de overheid doen.’

    De recente gemeenteraadsverkiezingen zijn voor veel analisten een reden voor optimisme. Het ANC werd door de kiezers afgestraft: het verloor 8,3 procent aan stemmen en bijna duizend raadszetels. In veel kleine steden, waaronder Graaff-Reinet, werd de partij gedwongen de macht te delen en ook in steden als Johannesburg en Pretoria brokkelde haar positie verder af. In verschillende steden sloegen lokale gemeenschappen de handen ineen om politieke alternatieven te creëren die op aardig wat aanhang konden rekenen. ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen,’ zegt William Gumede. ‘Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project.’ 

    Politieke opties

    Er is een duidelijke behoefte aan politieke opties die een authentiek alternatief bieden voor het ANC, maar die ontsnappen aan de giftige erfenis van het traumatische verleden van Zuid-Afrika. Dat het ANC de nationale politiek domineert, betekent dat de belangrijkste politieke gevechten binnen de organisatie plaatsvinden. Analist Judith Februari schreef in december voor Daily Maverick: ‘Van de onlusten in juli tot de falende inlichtingendiensten, van het groeiende antivax-sentiment tot het vasthouden aan kolenbelangen: de spanningen binnen de partij komen het land niet ten goede. Ramaphosa’s greep op de macht lijkt zwak en onvast.’

    De langverwachte regen die een einde maakte aan de vijf jaar durende droogte heeft de landbouwsector geholpen om de elders geleden verliezen te compenseren, zeggen de boeren, maar de belangrijkste industrie, het toerisme, is door enorme verliezen aan omzet en werkgelegenheid zwaar getroffen door de pandemie.  ‘Het is een regelrechte ramp,’ zegt de 59-jarige Kobus Potgieter, die een bed and breakfast runt op zijn boerderij even buiten Oudtshoorn, gelegen aan de spectaculaire Route 62, de beroemde, ooit drukbezochte toeristische autoweg. Na zestien jaar overweegt hij de handdoek in de ring te gooien, of op zijn minst af te slanken.

    ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven’

    Om potentiële bezoekers ervan te overtuigen dat het dorp veilig is, zette het toeristenbureau van Franschhoek met behulp van crowdfunding en financiële steun van grote bedrijven en de plaatselijke overheid een vaccinatiecampagne op poten. In november was 85 procent van de horecamedewerkers gevaccineerd. Maar net toen de toeristen begonnen terug te keren, gooide de omikron-variant met nieuwe reisverboden roet in het eten. 

    ‘Het was een zware klap,’ zegt marketingmanager Ruth McCourt. In een van de landen met de meeste ongelijkheid ter wereld doorstaan sommigen de economische en politieke storm beter dan anderen. De inwoners van Franschhoek geven toe dat ze in een soort ‘bubbel’ leven. Dat geldt niet voor de half miljoen inwoners van Khayelitsha, die weinig bescherming genieten tegen de nieuwe coronagolf die door het land raast. ‘Het wordt een zwarte Kerst,’ zei Twani, de gemeenschapsleider in Lockdown Village, in december. ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven. De mensen zijn boos. God weet wat er nog staat te gebeuren. Het kan alle kanten opgaan.’

  • De koloniale landkaart kent zowel Bengaalse als Indiase slachtoffers

    De koloniale landkaart kent zowel Bengaalse als Indiase slachtoffers

    Zeventig jaar geleden trok een Britse advocaat een bizarre grens tussen India en Bangladesh. Wie zijn enclave verliet, moest ineens over een visum beschikken, anders was hij een illegale immigrant in een ander land.

    Abul Seikh zat drie jaar in de gevangenis omdat hij zijn dorp had verlaten. Bij de kruising voor het ziekenhuis arresteerde de grenspolitie hem. Er was geen hek, geen douane, alleen een onzichtbare lijn en toen hij die overschreed, pakte de Indiase politie hem op. ‘Ze zeiden tegen me dat ik uit Bangladesh kwam, en dat ik de gevangenis in moest,’ vertelt hij.

    Seikh werd het slachtoffer van een grens die een Britse koloniale ambtenaar meer dan zeventig jaar geleden had getrokken tussen India en Bangladesh. Die grenslijn heeft zijn dorp veranderd in een Bengaals gehucht, ingesloten door India. Want langs de grens tussen India en Bangladesh ligt een unieke lappendeken van enclaves. Door de lijn van de koloniale ambtenaar ontstonden tientallen kleine India’s in Bangladesh en tientallen kleine Bangladeshjes in India. Officieel hebben de landen in 2015 hun enclaves wel uitgewisseld, maar de mensen leven nog steeds met de gevolgen.

    Seikh is nu vierendertig jaar oud en woont in de voormalige enclave Mashal Danga. Ongeveer de helft van het jaar brengt hij als dagloner door in grote steden. Hij is een van de miljoenen arbeiders die daar op bouwplaatsen hurken, graven en slapen, tot het regenseizoen aanbreekt en alles stilligt. Seikh was zestien toen hij voor het eerst vanuit de enclave naar Delhi vertrok. Iemand had hem een baantje beloofd. Ze waren met een groep van zes tieners uit hetzelfde dorp. ‘De grenspolitie loerde op ons,’ zegt hij. De politie arresteerde ze als illegale immigranten. Maar Seikh en zijn vrienden zijn midden in India opgegroeid, al was het in een klein stukje Bangladesh.

    Enclaves

    Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook. Tot 2015 had India 111 enclaves in Bangladesh, en Bangladesh had er 51 in India. Toen werden ze opgeheven. Maar de bewoners zijn sinds tientallen jaren nog steeds gevangen in deze cartografische eigenaardigheid. Degene die de grenslijn trok tussen Bangladesh en India was Cyril Radcliffe, een Londense advocaat. Toen hij in 1947 de opdracht kreeg om Brits-Indië te verdelen, was de kolonie hem volkomen onbekend. Hij was nooit verder naar het oosten gereisd dan Parijs. Nu had hij vijf weken de tijd om het subcontinent te verdelen. Daarbij moest hij ook de grens trekken tussen India en het huidige Bangladesh.

    De gebieden die hij met de pen van elkaar scheidde, had hij nooit bezocht

    Radcliffe betrok in India een huis in Simla, de stad in de bergen waar de Britten de hete zomer doorbrachten. De kaarten die hij gebruikte waren niet up-to-date. De gebieden die hij met de pen van elkaar scheidde, had hij nooit bezocht. Op 9 augustus 1947 was hij klaar met zijn werk. Een dag later reisde hij af, nadat hij alle bescheiden had verbrand. Hij zou nooit meer naar India terugkeren en accepteerde ook het afgesproken honorarium niet. Radcliffe wist wat hij had aangericht.

    Toen de grenzen van kracht werden, volgden er weken vol geweld – moslims werden naar Pakistan verjaagd, hindoes naar India. In de chaos werd gemoord, geplunderd en verkracht. De Radcliffe-linie verdeelde niet alleen een land, maar maakte het leven in de enclaves tot een nachtmerrie.

    Vredesverdrag

    De enclaves bestonden al lang voordat Radcliffe het land opdeelde. Volgens de legende zijn ze ontstaan doordat de maharadja van het koninkrijk Cooch Behar en de maharadja van Rangpur regelmatig tegen elkaar schaakten. Inzet bij hun spel zouden kleine delen van hun rijken geweest zijn. Maar waarschijnlijk is dat alleen maar een sterk verhaal.

    Enclaves in enclaves in enclaves, in elkaar geschoven als een Russische matroesjka

    Feitelijk ontstonden de enclaves in het begin van de achttiende eeuw als gevolg van allerlei oorlogen en vredesverdragen. In elk vredesverdrag stond dat een van de heersers een stukje land aan de ander moest afstaan. In bijzonder groteske gevallen ontstonden binnen enclaves nog zogeheten contra-enclaves. Enclaves in enclaves in enclaves, in elkaar geschoven als een Russische matroesjka. De kleinste enclaves waren maar net groot genoeg voor een familie. De mensen die er woonden, stoorden zich niet aan die grenzen; hun leven ging gewoon op de oude voet door, totdat Radcliffe in 1947 zijn werk begon.

    Doordat de grenzen van de enclaves nu grenzen werden van moderne staten, leefden hun bewoners plotseling in verschillende landen. Wie zijn enclave verliet, moest ineens over een visum beschikken, anders was hij een illegale immigrant in een ander land.

    Ganesh Barman was als jongeman een sprinter. De schooldirecteur ontdekte zijn talent en overtuigde zijn vader ervan dat de jongen moest hardlopen. Hij was de snelste van zijn school en de snelste van zijn district. Persoonlijk record: 58 seconden op de 400 meter. Dat zou voldoende zijn geweest om zich te meten met de snelsten van zijn deelstaat West-Bengalen, en voor een plek bij de grenspolitie, die baantjes weggaf aan de beste sporters uit de streek. Maar Ganesh is boer geworden, en geen politieman. Hij zit in een huis van golfplaat waar hij met zijn gezin, de gezinnen van zijn twee broers en hun ouders woont. Hij verbouwt rijst zoals zovelen hier, en een beetje illegale tabak.

    Ganesh woont in Falnapur, een dorp met achthonderd inwoners. Toen hij naar school ging, stond zijn huis nog in een enclave. Daarom kon zijn droom niet in vervulling gaan. ‘Op school gaven we een ander adres op,’ zegt Ganesh. ‘Dat van het huis van mijn grootvader, dat in India stond.’ Mainland, zeggen ze hier tegen India: het vasteland, omdat de enclaves eilanden zijn. Kinderen uit Falnapur konden niet naar school; wie onderwijs wilde krijgen, moest een vals adres opgeven of een adres van familie buiten de enclave. Elke morgen stak Ganesh een landsgrens over.

    Het bedrog kwam uit omdat hij zo’n snelle sprinter was. Op een bepaald moment was het adres niet meer voldoende voor de organisatoren van de wedstrijden. Ze wilden een Indiaas identiteitsbewijs zien, en dat had Ganesh niet. Ook voor de aanstelling bij de grenspolitie zou hij zo’n document nodig gehad hebben. ‘De andere sprinters hebben ze aangenomen,’ vertelt Ganesh. Die waren langzamer dan hij.

    Rechtenloos

    Tot 2015 konden mensen geen gebruik maken van de openbare voorzieningen in de regio: de ziekenhuizen, de waterleiding, de politie. De enclaves waren een soort rechtenloze gebieden zonder infrastructuur. Toen kwamen India en Bangladesh overeen om ze uit te ruilen. Veertienduizend bewoners van de opgeheven enclaves kregen nu een Indiaas identiteitsbewijs en een kiezerspas. Maar velen weigerden om aan verkiezingen deel te nemen.

    De mensen in de enclaves zijn nog altijd geen echte Indiërs

    ‘Al meer dan zeventig jaar worden wij benadeeld,’ zegt Ganesh. Zijn zoon bezit nog steeds geen geboortebewijs, zijn vrouw en hij geen huwelijksakte – steeds klonk het: kan niet worden uitgereikt. Hun status is nu weliswaar officieel geregeld, maar in de bureaucratische jungle van India ontbreekt het hun meestal aan een bepalend document. De mensen in de enclaves zijn nog altijd geen echte Indiërs.

    In 2015 heeft de Indiase regering hun veel beloofd. De vroegere enclaves zouden waterleiding en gezondheidscentra krijgen. De landsregering zegde financiële steun toe. Maar de regering van het land en die van de deelstaat behoren tot elkaar vijandig gezinde partijen. Politici van de ene partij zeggen dat de andere partij geld heeft verduisterd. Politici van de andere partij zeggen dat pas de helft van het geld binnen is. 

    Het gebied langs de grens ziet er sappig groen uit. In de bevloeide rijstvelden zwemmen eenden en staan blauwe reigers, en de bananenbladeren hangen weelderig langs de wegen. Overal scharrelen geiten tussen de mensen. Toen Radcliffe zijn lijn trok door het oosten van India, schiep hij wat in India tegenwoordig de ‘kippenhals’ wordt genoemd: een smalle strook India tussen Bangladesh, Bhutan, Nepal en China. Die verbindt de buik van India met de kop in het noordoosten. In die kippenhals, in het sappige groen, liggen de enclaves. Langs de grens staan hoge hekken. Niemand moet het in zijn hoofd halen om die hals te breken.

    Bijobala Barman kwam vijfendertig jaar geleden de enclave Naulgram binnen, die omringd was door India. Bijobala is ongeveer vijftig jaar oud, helemaal zeker weet ze het niet. Ze bezit wel een Indisch identiteitsbewijs en een kiezerspas, maar de geboortejaren daarop komen niet overeen. Bijobala’s ouders hebben haar ooit uitgehuwelijkt naar de enclave. Haar man Hitindra is eenenzestig jaar oud. Hij werkt nu als boer, maar liever reisde hij met een harmonium langs de dorpen om volksliederen te zingen op bruiloften. Zijn vrouw was dertien of veertien toen ze hierheen kwam. ‘Ik had de tiende klas afgerond,’ zegt Bijobala, ‘maar hier waren geen wegen en de kinderen kregen geen onderwijs.’ Een weg voor de 1700 inwoners van Naulgram is er nog steeds niet.

    De grens met de enclaves mag dan officieel zijn afgeschaft, in de hoofden van de mensen bestaat hij nog steeds

    De grens met de enclaves mag dan officieel zijn afgeschaft, in de hoofden van de mensen bestaat hij nog steeds. Mannen geloven dat de beste vrouwen niet met hen willen trouwen omdat ze in voormalige enclaves wonen. En de mooiste meisjes gaan weg omdat ze hopen op een goede partij aan de andere kant van de onzichtbare grens. 

    Ook Bijobala heeft haar dochter gegeven aan een man buiten de enclave. ‘Daar heeft ze het beter. En ons kleindochtertje wordt een echte Indiase.’ De zonen zijn gebleven. Een van hen heeft gestudeerd en kan geen baan vinden. Hij zou graag voor de overheid werken, maar daar willen ze hem niet. Toen Bijobala en haar man in 2015 een Indiaas identiteitsbewijs kregen, hebben ze overwogen om te verhuizen. Toch zijn ze gebleven. Hun grond is hun waardevolste bezit, ze willen niet weer van vooraf aan beginnen.

    Omstreden gebied

    Grenzen hebben in Zuid-Azië een andere betekenis dan in het huidige Europa. Hier zijn het helder getrokken lijnen, in India gaat het eerder om gebieden. Degenen die ooit overeenstemming bereikten over de grenslijnen, zijn allang weg. En degenen die ze nu bewaken, zijn het er meestal niet over eens waar ze precies lopen. Dus verklaren ze het gebied links en rechts van een grens tot omstreden gebied. In de kippenhals word je soms al honderd meter voor de grens tegengehouden door een beambte. ‘Zou ik in uw land zomaar tot aan de grens kunnen lopen?’ vraagt die. Dat zou hij kunnen, maar hij lijkt het nauwelijks te begrijpen.

    Een aantal bewoners van enclaves hebben in 2015 alles opgegeven: dat zijn degenen die vanuit Bangladesh naar India zijn geëmigreerd. Na de uitruil lokte de Indiase regering ze met de belofte van een nieuw leven en financiële steun. Toen bijna duizend van hen daadwerkelijk kwamen, werden ze door de lokale politici met de nodige tamtam ontvangen. In de Indiase enclaves woonden 37.000 mensen. De meesten zijn in Bangladesh gebleven. Het is alsof ze vermoedden wat er zou gebeuren.

    In Dinhata, op een paar uur van de grens, is er een wijk voor de nieuwe Indiërs uit de voormalige enclaves. Eerst hebben ze vijf jaar in kampen gezeten. De huizen van de wijk zijn blauw-wit geschilderd, een jaar geleden waren ze klaar. Alle woningen zijn identiek en even groot, of de familie die erin woont nu vijf of vijftien leden telt. De verf bladdert al af. 

    ‘We zijn hier weliswaar een minderheid, maar in ieder geval zijn we die minderheid samen’

    Kachya Barman, vijftig jaar oud, wacht al zes jaar op wat zijn nieuwe vaderland hem heeft beloofd. Hij stapte in 2015 in Bangladesh in een bus die hem naar het noorden bracht. Hij nam zijn gezin mee. Ze wonen met zijn achten in de woning. Kachya is hindoe, de meerderheid in Bangladesh bestaat uit moslims. India, meende hij, was het land waar hij thuishoorde. Het land waar hij van afgesneden raakte toen Radcliffe zijn grenzen trok. Dus liet hij alles achter. ‘Nu vragen mijn verwanten mij: waarom ben je vertrokken? We zijn hier weliswaar een minderheid, maar in ieder geval zijn we die minderheid samen. Waren jullie maar hier gebleven.’

    Bedreigingen 

    Sinds een jaar woont Kachya met zijn gezin in het appartement in Dinhata. Als hij uit het raam kijkt, ziet hij een grasveldje op de binnenplaats. Kachya was boer, nu heeft hij wel een woning, maar geen land. Hij werkt net als de meeste mannen in de wijk als dagloner in de grote steden. Hij zegt dat de Indiase staat hem geld schuldig is. Maar dat mocht hij niet krijgen: politici vrezen sociale onrust in de stad als ze geld uitdelen aan de gezinnen uit de enclaves. Onlangs verzamelden zich buren voor de poort van de wijk en riepen bedreigingen. Ze zeiden: ‘We hebben jullie land gegeven, wat willen jullie eigenlijk nog meer?’ De mensen hier zijn arm, de buren kijken met jaloezie naar die nieuwe Indiërs, die blijkbaar alles cadeau krijgen. Kachya zou eindelijk wel eens willen hechten, maar zijn hart ligt nog steeds in Bangladesh.

    Ook deze geëmigreerde enclavebewoners zijn geen echte Indiërs geworden. Radcliffe heeft een grens getrokken en is weggegaan. En meer dan zeventig jaar later weten de mensen nog steeds niet echt waar ze nu eigenlijk bij horen.

    Waarschijnlijk zal de tijd helpen om levens, die ooit door de grenslijn van elkaar werden afgesneden, weer samen te voegen

    Kachya’s oudste zoon was zestien jaar toen de familie naar India verhuisde. Tegenwoordig werkt hij in een steengroeve. Op de Indiase school werd hij uitgelachen. Hij was de jongen uit Bangladesh. Hij zegt: ‘Ik voel me een Bengalees.’ Kachya’s jongere zoon Surjyo was veertien toen de familie naar India verhuisde. Hij voetbalt in de stad, werd een keer tot beste speler van de wedstrijd uitgeroepen en kreeg een bokaal. Binnenkort is hij klaar met de middelbare school en wil verder studeren. Hij zegt: ‘Ik voel me een Indiër.’

    Waarschijnlijk zal de tijd helpen om levens, die ooit door de grenslijn van elkaar werden afgesneden, weer samen te voegen. Maar soms helpt zelfs de tijd niet. Uit de wijk van de immigranten in Dinhata zijn in de afgelopen jaren een paar jongemannen verdwenen. Dit jaar waren het er drie. Ze zijn teruggevlucht naar Bangladesh. Daar zijn ze nu illegale immigranten in hun oude vaderland.

  • ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent’

    ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent’

    In Caïro verkopen christenen hun huizen alleen aan christenen, en moslims alleen aan moslims. Een fenomeen dat terrein wint in chique wijken van de stad. ‘Het geloof van de nieuwe eigenaar is een voorwaarde om door de bewoners te worden geaccepteerd.’

    Mariam wilde een appartement kopen. De wijk Al-Daher, hartje Caïro, waar veel kopten wonen en dus ook veel kerken te vinden zijn, leek haar wel wat. Haar vriendin Chayma, die in deze oude buurt woont, vergezelde haar naar woningen in aanbouw. Een ervan was eigendom van een christen, de bewoners en de conciërge waren dat eveneens.

    ‘Het is beter dat ik niet met je meega, want de conciërge zou kunnen denken dat ik de koper ben en de verkoop kunnen dwarsbomen omdat ik moslim ben,’ zei Chayma. ‘De moslims zijn hier een vervolgde minderheid, jij behoort tot de meerderheid.’ Dat laatste zei ze lachend, maar het is in Egypte maar al te waar, vooral in buurten met een koptische meerderheid, ook al wist Mariam daar niets van. Islamitische huizenbezitters staan erop dat alle bewoners moslim zijn; evenzo willen christelijke eigenaren van onroerend goed alleen iets te maken hebben met geloofsgenoten. Het fenomeen wint terrein in de beste buurten van Caïro. 

    ‘U zou zich toch niet op uw gemak voelen, de bewoners hier zijn allemaal moslims’

    De Egyptenaren geven graag hoog op van wijken die ze beschouwen als voorbeelden van vreedzame religieuze co-existentie, waar minaretten en kerktorenspitsen elkaar gebroederlijk flankeren. Toch wonen kopten meestal in de buurt van een kerk en moslims naast een moskee. En verder voel je in zo’n gemengde wijk wel degelijk een diepe polarisatie. 

    Chérine Chérif, een jonge koptische journalist, vertelt dat ze ooit met een makelaar een van de chicste wijken van Nieuw-Caïro in ging om er een pand te kopen. ‘Ik trof de eigenaar en zijn zus, en we werden het eens over de prijs. Diezelfde avond kreeg ik een telefoontje van de echtgenoot van de zus: ‘We kunnen u de woning niet verkopen, omdat u christen bent.’ Hij voegde eraan toe: ‘U zou zich toch niet op uw gemak voelen, de bewoners hier zijn allemaal moslims.’

    Façade 

    Majdi Sameh had besloten om een appartement te huren in de wijk Ain Al-Shams. Op het terrein stond een kruis. Bij de ingang, vlak bij de lift, waren afbeeldingen van heiligen opgehangen. ‘Nadat ik het appartement had bezocht en met de eigenaar alle bijzonderheden had nagelopen, spraken we af dat ik diezelfde avond nog het contract zou ondertekenen. Mijn verloofde kwam mee om het appartement te bekijken waar we na onze bruiloft zouden gaan wonen. De eigenaar reageerde als door een adder gebeten toen hij zag dat mijn verloofde gesluierd was, alsof ik hem voor de gek had gehouden. Hij vroeg me wat mijn achternaam precies was en toen hij hoorde dat die eindigde op ‘Hussein’, verbrak hij de huurovereenkomst. Hij zou ineens hebben besloten te verkopen.’

    Shubra is een chique buurt met een op het oog onberispelijke diversiteit, waar evenveel kopten als moslims wonen. In de straten staan kerken en moskeeën zij aan zij, restaurants en patisserieën adverteren met ‘speciale levensmiddelen voor de vasten’ – dat wil zeggen: zonder dierlijke vetten voor de kopten. Maar deze façade verbergt een heel andere werkelijkheid. ‘Het geloof van de nieuwe eigenaar is een voorwaarde om door de bewoners te worden geaccepteerd,’ zegt Nabil Hakim, makelaar in Shubra. 

    Aanslagen 

    Volgens de 86-jarige makelaar Ahmad Abdel Fattah ‘zijn de kopten begonnen zich te isoleren en te hergroeperen rond de kerken, in panden die vaak familiebezit zijn, na de religieus gemotiveerde aanslagen in 1981 in Al-Zawiya Al-Hamra. Daarbij kwamen tientallen kopten om het leven en werd een aantal gebouwen van hen verbrand. Moslims zijn zich pas gaan afzonderen na de aanslagen op het World Trade Center.’

    Assem Ad-Dassouki, hoogleraar hedendaagse geschiedenis, wijst erop dat Egypte voor de Britse kolonisatie in 1882 nooit religieuze discriminatie had gekend. ‘De Britten probeerden hetzelfde regime in te stellen als ze in India hadden gedaan tussen hindoes en moslims. Toen in 1952 de revolutie uitbrak, werd de nationale eenheid tussen alle bevolkingsgroepen bevestigd, en deze hield min of meer tot stand tot Sadat, die in 1970 aan de macht kwam, artikel 2 invoerde. Daarin werd vastgelegd dat de islam de staatsgodsdienst was en de sharia de bron van wetgeving.’

    ‘Vandaag de dag zien we ook discriminatie binnen sociale klassen en beroepsgroepen, zelfs tussen mensen met hetzelfde beroep’

    Saoussan Al-Fayed, hoogleraar sociale psychologie, zegt dat gezamenlijke ​​actie van instellingen op het gebied van onderwijs, media en cultuur essentieel zijn. ‘Vandaag de dag zien we ook discriminatie binnen sociale klassen en beroepsgroepen, zelfs tussen mensen met hetzelfde beroep.’ Volgens advocaat Hoda Nasrallah is er geen wet die een eigenaar verbiedt om een koper op grond van welke criteria dan ook uit te kiezen. De eigenaar kan wel een boete krijgen, alleen moet wel bewezen kunnen worden waarom de koop niet doorging. En dat is niet eenvoudig.

  • Indonesië presenteert naam voor nieuwe hoofdstad: Nusantara

    Indonesië presenteert naam voor nieuwe hoofdstad: Nusantara

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Armenië geeft geen toestemming voor corridor tussen Turkije en Azerbeidzjan

    » Chinese vrouw zat met blind date opgesloten door plotselinge lockdown

    Bouwkosten nieuwe hoofdstad 30 miljard

    Indonesië heeft dinsdag een wet aangenomen die de aanleg van een nieuwe hoofdstad bekrachtigt. De naam van de stad, Nusantara, die archipel betekent, is gekozen door president Joko Widodo ter onderstreping van het Indonesische motto ’eenheid in verscheidenheid’. De bouw van de stad zal zo’n 34 miljard dollar (30 miljard euro) gaan kosten, aldus South China Morning Post.

    Lees ook:

  • Het geheim van Spotify – en waarom iedereen er wil werken

    Het geheim van Spotify – en waarom iedereen er wil werken

    Spotify maakt de laatste jaren hypergroei door, met 365 miljoen gebruikers en ruwweg 70 miljoen tracks. En toch, zo wordt alom bevestigd, is het welzijn van werknemers er heilig. Wat is het geheim?

    Hoewel Spotify overal ter wereld vestigingen heeft, waarvan de grootste in New York, bevinden zijn hoofdkantoor en wortels zich nog altijd in Stockholm. En die oorsprong geeft het bedrijf een uniek karakter, waarbij ‘de mens vooropstaat’. Het bedrijf heeft in zijn groei karakteristieke Zweedse elementen proberen te behouden, zoals een vrij platte organisatiestructuur, een personeelsbeleid dat prima donna-gedrag ontmoedigt, een bedrijfscultuur waarin de nadruk ligt op openheid en teamwork – en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Waaronder enkele regelingen die in Zweden gewoon wettelijk verplicht zijn, maar elders bijna ongehoord, zoals zes maanden betaald ouderschapsverlof voor elke werknemer, man of vrouw.

    Sinds februari hanteert het bedrijf bovendien een thuiswerkbeleid (‘work from anywhere’) dat werknemers aanmoedigt te gaan wonen waar ze willen en digitaal vanuit huis te werken. Dit jaar krijgen alle werknemers de eerste week van november bovendien vrij om even bij te komen van de stress van de pandemie. Al het werkcontact – mails, zoombijeenkomsten en telefoongesprekken – wordt die week actief ontmoedigd. (Spotify blijft natuurlijk wel beschikbaar voor gebruikers, en wie moet doorwerken om het in de lucht te houden krijgt de week daarna vrij.)

    Fika

    En dan heb je de kleine dingetjes, zoals fika. Een Zweeds woord dat zoveel betekent als ‘koffiepauze’, maar dat door Zweden wordt ervaren als een deel van hun nationale identiteit: een dagelijkse herinnering aan het belang van een goede balans tussen werk en privé. Adam Winer, een Amerikaan die bij Spotify werkt als hoofd contentstrategie en analyse, zegt dat hij die fika inmiddels gebruikt bij de selectie van nieuw personeel: als onderdeel van de sollicitatie laat hij veelbelovende kandidaten altijd informeel koffiedrinken met vier of vijf Spotifiers.

    Hij geeft toe dat hij aanvankelijk een beetje sceptisch was toen hij hoorde over de cultuur van samenwerking en laagdrempelig contact met alle leidinggevenden, tot de oprichters aan toe. ‘Het is heel anders dan Amazon, waar managers geacht worden hun zwakste tien procent te ontslaan. Ik stond echt versteld van de mate van transparantie,’ zegt hij. ‘Je hoort er wel over praten, maar je kijkt er toch van op als je het echt ziet.’

    En hij voegt eraan toe: ‘Bij andere techbedrijven krijg je bij veel van die secundaire arbeidsvoorwaarden het gevoel dat ze alleen aardig voor je zijn om ervoor te zorgen dat je hard werkt, om je op kantoor te houden. Hier is het omdat ze echt om je geven als mens: “Wij zijn Zweden! Wij geloven hierin! Het zit in onze cultuur om elke zomer de boel dicht te gooien en een maand naar het strand te gaan, want in Zweden is het negen maanden van het jaar koud en donker, dus we moeten ervan genieten, en het is goed voor ieders welzijn en dat vinden we belangrijk.”’

    ‘Het is heel anders dan Amazon, waar managers geacht worden hun zwakste tien procent te ontslaan’

    Het in 2006 in Stockholm door Daniel Ek en Martin Lorentzon opgerichte Spotify heeft de muziekindustrie flink opgeschud. Het legale streamingalternatief heeft eerdere software zoals Napster verdrongen en er uiteindelijk toe geleid dat de mobiele telefoon nu het apparaat is waarop de meeste mensen muziek afspelen. Sommige grote sterren zoals Taylor Swift hebben wel geklaagd – en doen dat vaak nog steeds – dat het bedrijf zulke lage royalty’s betaalt. Maar nadat Swift haar muziek aanvankelijk van de streamingdienst af had gehaald, bereikte ze alsnog een akkoord met het bedrijf.

    Spotify zit duidelijk in de groei- en investeringsfase, met circa 365 miljoen actieve gebruikers per maand, waarvan 165 miljoen betalende abonnees. De rest accepteert advertenties om te kunnen luisteren naar Spotify’s immense muziekbibliotheek van ruwweg 70 miljoen tracks en 2,9 miljoen podcasts. Het bedrijf telt inmiddels zo’n 7000 werknemers in 79 kantoren overal ter wereld. Het maakt de laatste tijd veel werk van podcasts, waarvoor het onder meer de omstreden komiek en sportcommentator Joe Rogan heeft gestrikt, maar ook grote namen als Barack Obama en Bruce Springsteen. Het inmiddels beursgenoteerde Spotify heeft nog nooit winst gemaakt, maar de waarde wordt niettemin geschat op 46 miljoen dollar. Omzet over 2020: 9,1 miljard dollar.

    En ondanks die enorme groei zegt software-engineer Ching-Wei Chen: ‘Spotify is het grootste bedrijf waarvoor ik ooit heb gewerkt, maar het voelt als het kleinste. Wat betreft bureaucratie en hiërarchie voelt het als een klein bedrijf.’

    Naarmate het bedrijf steeds internationaler ging opereren en een culturele machtsfactor werd, was het wel steeds moeilijker om vast te houden aan die sfeer van een Zweeds bedrijf waar de mens centraal staat. ‘Dat is moeilijk,’ zegt hoofd R&D Gustav Söderström, ‘en dat hoort waarschijnlijk ook als je een goed bedrijf wilt zijn.’

    HR-manager Katarina Berg in Stockholm zegt dat het bedrijf een beetje ‘minder Zweeds’ is geworden in deze periode van ‘hypergroei’, die naar haar verwachting nog wel vier of vijf jaar zal aanhouden. ‘We brengen elke maand bijna honderdvijftig nieuwe mensen in de organisatie in,’ zegt ze. En in die sfeer van constante ‘beheerste chaos’ is een cultuurverandering onvermijdelijk: ‘Onze oprichters snappen dat een cultuur evolueert.’

    De traditionele Zweedse manier van werken behelst bijvoorbeeld een langzaam proces van discussie en overleg tot er binnen het hele bedrijf overeenstemming is bereikt over een grote stap. Bij Spotify gaat alles volgens Berg veel te snel om daaraan vast te houden, en in een bedrijf met meer dan zevenduizend werknemers verspreid over de wereld, dat in hoog tempo bedrijven opkoopt en producten toevoegt, kun je nooit ergens volledige overeenstemming over bereiken. ‘We hebben geen tijd voor politiek,’ zegt ze. Maar de traditie om dingen openlijk te bespreken, om informatie inzichtelijk en leidinggevenden aanspreekbaar te maken, die is niet veranderd. Alleen is het doel nu ‘instemming, geen toestemming’.

    ‘We willen dat een miljard mensen hiervan gaan profiteren, en dat is nog een hele opgave’

    In de woorden van Söderström: ‘Praten kost niks, zeg ik altijd, dus laten we dat maar lekker veel doen.’ Het kost in elk geval stukken minder dan talent en software-uitbreiding. ‘Overleg gaat soms langzamer,’ zegt hij. ‘Je moet meer gesprekken voeren met grotere groepen, meer mensen moeten over alles worden ingelicht.’ De paradox is volgens de leidinggevenden dat discussie en overleg aanvankelijk meer tijd kosten, maar dat Spotify-teams door het zo ontstane werknemersvertrouwen uiteindelijk sneller kunnen handelen, vanuit een gezamenlijk doel. Zoals Berg zegt: ‘Met het vertrouwen stijgt de snelheid.’

    Volgens Söderström werkt het decentrale overlegmodel veel beter dan het interne concurrentiemodel dat Amazon hanteert, of het exclusief focussen op een klein groepje kernproducten zoals bij Apple. Hij zegt dat het ook hoort bij de strategische doelstelling van Spotify om de oorspronkelijke rol als distributiekanaal voor professionele muzikanten en gevestigde labels te ontgroeien en zich te ontwikkelen tot wat hij een ‘platform’ noemt, waar allerlei mensen muziek en audio kunnen maken, waar makers en luisteraars vrij zijn om elkaar te vinden en zelfs van rol te wisselen. Het doel, zegt hij, is een enorme ‘cirkel van muziek maken en tot je nemen’. De bouw daarvan is volgens hem een ambitieuze en spannende technische en strategische uitdaging: ‘We willen dat een miljard mensen hiervan gaan profiteren, en dat is echt nog een hele opgave.’

    Geheime formule

    In de interne communicatie wordt het bedrijf vaak ‘de band’ genoemd. Dan moet je denken aan de blije Beatles van A Hard Day’s Night en niet aan de kibbelende supersterren van Let it Be. De metafoor van de popgroep heeft zijn goeie kanten, maar moet je volgens HR-chef Berg ook niet te letterlijk nemen. ‘We hebben onze Yoko Ono nog niet gevonden,’ grapt ze. ‘Het is meer het idee van vruchtbare samenwerking, een collectief waarin iedereen een unieke bijdrage levert die noodzakelijk is voor het geheel.’

    Liefde voor muziek lijkt wel een essentiële karaktertrek van de Spotify-werknemer te zijn. Zoals Chen zegt: ‘Dat is voor veel mensen hier wat hen diep raakt, het is een deel van wie ze zijn, en als je andere mensen vindt met diezelfde passie, dan werk je daar graag mee samen, het is iets wat je verbindt.’

    Spotify is net zo hard getroffen door de pandemie als andere bedrijven: mensen werden verplicht om thuis te werken en misten het alledaagse contact dat het leven zowel productiever als leuker kan maken. Het bedrijf heeft een aantal online initiatieven ontplooid om zijn kernwaarden te versterken en verfijnen, en om de werknemers met elkaar verbonden te houden. Wat zal het langetermijngevolg zijn van de veranderingen die de pandemie teweeg heeft gebracht?

    Contentstrateeg Adam Winer trad bij Spotify in dienst in New York, maar woont inmiddels in Minnesota. En zijn team van circa veertig mensen, die verspreid in het land wonen en door de pandemie niet bij elkaar konden komen, is nu zo groot dat hij meer moeite moet doen om af en toe gewoon ‘te vragen hoe het persoonlijk met ze gaat’. Het dagelijks contact op kantoor mist hij nog steeds. Maar hij denkt niet dat de pandemie iets fundamenteels heeft veranderd in de bedrijfscultuur. En wat het nieuwe thuiswerkbeleid betreft: ‘We waren al zo internationaal bezig dat het verrassend weinig verschil maakte.’

    Daarbij heeft de stress van de pandemie de aandacht voor het welzijn van de medewerkers alleen maar vergroot, zegt hij: ‘De managers wringen zich bijna in bochten om te zorgen voor een goede balans tussen werk en privé bij iedereen.’ Zo drukt hij zijn collega’s altijd op het hart, zegt hij, dat hij vaak buiten kantooruren mailt omdat hij thuis graag zit te werken als zijn kleine kinderen naar bed zijn, en zeker niet omdat hij in alle vroegte of in het weekend nog een antwoord verwacht. ‘Het laatste wat ik zou willen is dat iedereen in mijn team de laatste zes maanden zo hard gewerkt heeft dat ze uiteindelijk ontslag nemen en ik het de komende zes jaar zonder ze moet doen.’

    Chen, die ook in New York bij Spotify is begonnen, maar inmiddels in Asheville in North Carolina werkt, vindt ook niet dat de bedrijfscultuur de afgelopen twee jaar erg is veranderd. ‘Ik was blij verrast om te merken hoe hecht het bedrijf ook na corona nog steeds is. Want je weet maar nooit. Voor die tijd hadden we een heel fijn kantoor, een heel goed koffieapparaat, is dat dan wat de mensen verbindt? Maar we hebben in de pandemie de verbondenheid behouden.’ De belangrijkste reden is simpel. ‘Het is geen geheime Spotify-formule. Spotify is niet de enige plek waar je aardige mensen hebt,’ zegt hij, ‘maar ik vind dit toch wel de leukste groep mensen met wie ik in heel mijn loopbaan heb gewerkt.’

  • Lokaal verzet tegen groene energie: ‘Ik heb het recht mijn werk te beschermen’

    Lokaal verzet tegen groene energie: ‘Ik heb het recht mijn werk te beschermen’

    Groene energie stuit op dezelfde problemen als fossiele brandstoffen eerder: protesten vanuit de gemeenschap, vooral vanwege een bedreiging van de inkomsten. Wereldwijd lopen projecten hierdoor aanzienlijke vertraging op.

    Projecten voor wind- en zonne-energie vereisen grote land- en wateroppervlakken, tot ongenoegen van plaatselijke boeren en vissers. Ze stuiten in toenemende mate op protesten waarmee ook fossiele-brandstofbedrijven jarenlang zijn geconfronteerd. Franse vissers hebben onlangs geprotesteerd tegen de aanleg van een 2,5 miljard euro kostend windmolenpark voor de kust van Bretagne.

    Afgelopen juni omsingelden dertig plaatselijke vissersboten een torenhoog offshore installatieschip voor de kust van Bretagne om de aanleg tegen te houden van een 2,5 miljard euro kostend windmolenpark dat zal worden gerund door de Spaanse elektriciteitsmaatschappij Iberdrola SA. De vissers slaagden erin het schip te verjagen, wat heeft geleid tot een gerechtelijk onderzoek op last van Ailes Marines, de Franse poot van Iberdrola. De vissers zeggen dat ze zich tegen het project zullen blijven verzetten omdat het hen in hun levensonderhoud bedreigt door de verstoring van het visbestand en hun toegang daartoe.

    ‘Vissers zeggen dat de zee van hen is, maar die is van ons allemaal’

    In bredere zin onderstrepen hun protesten een wereldwijd almaar toenemend probleem voor energiemaatschappijen en regeringen die de productie van duurzame energie willen opvoeren: groene-energieprojecten vereisen grote land- en wateroppervlakken en vormen daarmee een potentiële bedreiging voor de inkomsten van boeren en vissers. Het resultaat is dat op uiteenlopende locaties als Massachusetts, Zuid-Korea en Colombia de installatie van groene-energievoorzieningen met hetzelfde soort gemeenschapsbezwaren worden geconfronteerd als vroeger de producenten van fossiele brandstoffen.

    Machtige tegenstanders

    De protesterende groeperingen hebben met een scala van machtige tegenstanders te maken. Overal ter wereld zetten regeringen zich in voor de ontwikkeling van duurzame energie om de uitstoot van CO2 te verminderen. En aandeelhouders en rechters oefenen steeds meer druk uit op bedrijven om te investeren in groene energie. Zo bepaalde afgelopen mei een Nederlandse rechter dat Shell mede verantwoordelijk is voor de klimaatverandering en kreeg het bedrijf het bevel zijn CO2-uitstoot uiterlijk in 2030 met 45 procent te verminderen ten opzichte van het niveau van 2019. Enkele uren later verwierf bij Exxon Mobil een Amerikaans hedge fund dat een klein belang in de oliegigant heeft en wil dat deze zich meer op duurzame energie richt, zetels in de raad van bestuur van het bedrijf.

    Ook hebben de protesterende groeperingen het aan de stok met milieubewegingen, die vaak enigszins controversiële projecten steunen, zoals het windmolenpark voor de kust van Bretagne. Diezelfde regio werd in 1978 geconfronteerd met het scheuren van de romp van de mammoettanker Amoco Cadiz, een van de grootste olielekken uit de geschiedenis. ‘In die tijd zag ik vanuit mijn huis de enorme olievervuiling op het strand. Dat was voor mij de druppel,’ zegt Denez L’Hostis, erevoorzitter van France Nature Environnement, een koepel van Franse milieugroeperingen. Hij is voorstander van het Bretonse windmolenpark. ‘Vissers zeggen dat de zee van hen is, maar die is van ons allemaal,’ zegt hij.

    Volgens de Bretonse vissers zal het project schadelijk zijn voor ruim zevenhonderd hectare sint-jakobsschelpgronden en kan het lawaai van het park veel vis- en schelpdiersoorten uit het gebied verdrijven. Daardoor worden volgens hen drieduizend banen bedreigd.

    Volgens een woordvoerder van Ailes Marines kan de visserij doorgang blijven vinden in het gebied van het windmolenpark en heeft het bedrijf een budget van tien miljoen euro om eventuele vangstvermindering tijdens de bouw te compenseren. Ook zal het bedrijf de windmolenparken op grotere afstand van de sint-jakobsschelpgronden plaatsen en wordt het oorspronkelijk voorziene aantal van 100 windturbines teruggebracht naar 62. Daarmee zou vangst van sint-jakobsschelpen maar met 1,5 procent afnemen ten opzichte van het huidige niveau.

    Mede-eigenaar

    Maar de vissers willen dat het plan van tafel gaat. ‘Ik ben een voorstander van duurzame energie,’ zegt Jonathan Thomas, een van de protesterende vissers. ‘Maar ik heb het recht om mijn werk te beschermen, en dit project zal funest zijn voor de zeebodem.’

    Offshore windmolenparken ondervinden overal op de wereld verzet van vissers, met verschillend resultaat. In de VS hebben vissers die vangstverlies vrezen bezwaar aangetekend tegen de bouw van het 2,8 miljard dollar kostende windmolenpark voor de kust van Martha’s Vineyard in Massachusetts. Maar in mei is er federale toestemming gegeven voor het project, dat het eerste grootschalige windmolenpark in de VS zal zijn, en de bouw zal naar verwachting binnen een jaar beginnen. Volgens een woordvoerder van de ontwikkelaar van het park, Vineyard Wind LLC, is de omvang ervan teruggebracht en is na overleg met de visserijsector geld opzijgezet voor verlies van apparatuur of inkomsten.

    In Nederland en Duitsland is in sommige regio’s soms wel 90 procent van de windmolenparken in gemeenschapshanden

    In Zuid-Korea heeft de visserij bezwaar aangetekend tegen plannen van de regering om kolencentrales door windmolenparken te vervangen. Minstens dertig projecten zijn door de protesten met vele jaren vertraagd.

    Ook op het vasteland zijn projecten op het gebied van zonne-energie en geothermie vertraagd of zelfs geschrapt na protesten van boeren en anderen. Windmolenprojecten in Colombia en Mexico zijn herhaaldelijk tegengehouden – door middel van rechtszaken, betogingen en sabotage – door plaatselijke autochtone bevolkingsgroepen die zeiden dat ze onvoldoende werden gecompenseerd voor het verlies van hun voorouderlijke land. In 2017 werd de bouw van een windmolenpark in Kenia gestaakt nadat betogers een van de windmeetmasten hadden vernield en aannemers zich om veiligheidsredenen hadden teruggetrokken.

    In veel gevallen krijgt de plaatselijke bevolking een aandeel in duurzame-energieprojecten. Zo zijn Zuid-Koreaanse boeren in regio’s waar windmolenparken zijn gebouwd in totaal voor 30 procent eigenaar van alle windmolenparken in het land, wat volgens schattingen van de regering jaarlijks maar liefst 230 miljoen euro aan dividend kan opleveren. Dit model is op meer systematische basis ingevoerd in Denemarken, waar 75 procent van alle windturbines die het land telt in particuliere handen is. In Nederland en Duitsland is in sommige regio’s soms wel 90 procent van de windmolenparken in gemeenschapshanden en vormt het dividend daarvan een aanzienlijke bijdrage aan de pensioenpot.

    ‘Onze ervaring is dat gemeenschappen zich minder snel tegen projecten zullen verzetten als ze mede-eigenaars zijn en betrokken bij het runnen ervan,’ zegt Molly Walsh, student duurzame energie bij Friends of the Earth Europe, een netwerk van Europese milieugroeperingen. ‘Wanneer ze op deze manier betrokken zijn, kunnen plaatselijke gemeenschappen zelfs zo ver gaan dat ze de projecten niet alleen accepteren maar actief steunen.’

    Lees ook:

  • Regio Berlijn investeert half miljard euro in kinderopvang

    Regio Berlijn investeert half miljard euro in kinderopvang

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ook Deense musea moeten sluiten vanwege oprukkende omikronvariant

    » Regio Berlijn investeert half miljard euro in kinderopvang

    Budget voor kinderdagverblijven stijgt naar 2,5 miljard euro

    Deelstaat Berlijn en belangenorganisaties voor kinderopvang zijn overeengekomen dat de komende vier jaar in totaal zo’n 500 miljoen euro meer beschikbaar komt voor de circa 2800 kinderdagverblijven in Berlijn, bericht Der Tagesspiegel. Daardoor zal het budget voor kinderdagverblijven, zogenaamde Kitas, in Berlijn tot aan 2025 groeien tot een jaarlijks bedrag van ongeveer 2,5 miljard euro.

    Kinderopvang in Berlijn is gratis, maar de Kitas lijden aan een groot tekort aan plaatsen. De extra financiering geeft kinderdagverblijven de ruimte om uit te breiden.

    Lees meer:

  • Canada trekt 40 miljard uit om inheemse kinderen te compenseren

    Canada trekt 40 miljard uit om inheemse kinderen te compenseren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Plasticafval Amazon is met een derde gestegen tijdens pandemie

    » NFT’s zijn populair in kunstwereld

    Kinderen uit inheemse families zijn jarenlang achtergesteld

    Dinsdag kondigde de Canadese regering een pakket aan van 40 miljard Canadese dollar (27,64 miljard euro) ten behoeve van kinderen uit inheemse families. Het bedrag zal worden gebruikt om kinderen uit inheemse families dezelfde kwaliteit van zorg en hulpverlening te bieden als kinderen uit niet-inheemse families. De regering heeft gezegd dat de helft van het geld zal worden gebruikt om kinderen en hun families te compenseren, en dat de andere helft zal worden gebruikt om het systeem te hervormen, zo meldt The Globe and Mail.

    In 2019 veroordeelde het Canadese mensenrechtentribunaal de regering tot betaling van een schadevergoeding van 40.000 Canadese dollar aan alle kinderen van de First Nations, zoals de inheemse volkeren van Canada genoemd worden, die na 2006 uit huis werden geplaatst en onder toezicht van de kinderbescherming werden gezet. Het land wordt sinds mei opgeschrikt door onthullingen over het jarenlange beleid van assimilatie van de inheemse bevolking.

    Lees meer:

  • Chinese staatspers: Partijleden zijn verplicht drie kinderen te krijgen

    Chinese staatspers: Partijleden zijn verplicht drie kinderen te krijgen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Turkije pakt oppositielid op wegens spionage voor Italië en Spanje

    » Gewapende drones geven doorslag in Ethiopische burgeroorlog

    Artikel gaat viral en verdwijnt dan

    In een hoofdredactioneel commentaar op een door de Chinese staat gecontroleerde nieuwswebsite wordt gesuggereerd dat leden van de communistische partij verplicht zijn drie kinderen te krijgen voor het welzijn van het land, dat kampt met dalende geboortecijfers, schrijft The Guardian.

    Het artikel, dat vorige maand voor het eerst werd gepubliceerd, ging deze week viral en leidde tot scherpe reacties van Chinese internetgebruikers, met miljoenen shares, views en commentaren tot gevolg. Terwijl de golf van reacties toenam, verdween het oorspronkelijke artikel van de website.

    Het stuk, gepubliceerd door een staatsmediakanaal genaamd China Reports Network, zei dat elk lid van de regerende partij – waarvan er ongeveer 95 miljoen zijn – ‘verantwoordelijk is voor de bevolkingsgroei van het land en moet handelen naar de driekindpolitiek’.

    ‘Geen enkel partijlid mag een excuus, objectief of persoonlijk, gebruiken om niet te trouwen of geen kinderen te krijgen, noch mag hij of zij een excuus gebruiken om slechts één of twee kinderen te krijgen’, aldus het artikel.

    Lees ook:

  • Gewenst of ongewenst – dat is niet (langer) de vraag

    Gewenst of ongewenst – dat is niet (langer) de vraag

    Filosoof Amia Srinivasan schreef over Elliot Rodger die in 2014 zeven mensen doodde, inclusief zichzelf. In zijn nagelaten pamflet beroept hij zich op zijn ‘recht op seks’. Dit bestaat uiteraard niet, aldus Srinivasan. Maar we moeten wel onder ogen zien dat politiek en onze verlangens onlosmakelijk verbonden zijn.

    Op 23 mei 2014 werd Elliot Rodger, een tweeëntwintigjarige schoolverlater, de beroemdste incel ter wereld. De term – een afkorting van involuntary celibate, onvrijwillig celibatair – kan in theorie zowel op mannen als op vrouwen slaan, maar wordt in de praktijk gebruikt voor niet zozeer seksloze mannen in het algemeen, als wel een bepaald soort seksloze man: het soort dat ervan overtuigd is dat hij het recht heeft op seks, en woedend is op de vrouwen die het hem ontzeggen. Rodger stak zijn twee huisgenoten, Weihan Wang en Cheng Hong, en hun vriend, George Chen, dood toen ze zijn appartement aan Seville Road in Isla Vista, Californië, binnengingen. Een paar uur later reed hij naar het studentenhuis Alpha Phi in de buurt van de campus van UC Santa Barbara. Voor de deur van het gebouw schoot hij drie vrouwen neer, waarbij hij er twee doodde: Katherine Cooper en Veronika Weiss. Vervolgens reed Rodger al schietend door Isla Vista, waarbij Christopher Michaels-Martinez, ook een student aan UCSB, in een winkel werd gedood met een kogel in de borst, en veertien anderen gewond raakten. Uiteindelijk reed hij met zijn BMW Coupé in op een geparkeerde auto, nadat hij zichzelf door het hoofd had geschoten. Hij werd door de politie dood gevonden. 

    In de uren tussen de moord op de drie mannen in zijn appartement en zijn rit naar Alpha Phi ging Rodger naar Starbucks, bestelde koffie en uploadde een video, Elliot Rodger’s Retribution, naar zijn YouTube-kanaal. Hij mailde ook een biografisch manifest van 107.000 woorden, My Twisted World: The Story of Elliot Rodger, naar een aantal mensen, onder wie zijn ouders en zijn therapeut. Samen beschrijven deze twee documenten het bloedbad dat Rodger had gepland en zijn beweegredenen. ‘Het enige wat ik wilde, was erbij horen en een gelukkig leven leiden,’ legt hij aan het begin van My Twisted World uit, ‘maar ik werd buitengesloten en afgewezen, gedwongen tot een bestaan van eenzaamheid en onzichtbaarheid, alleen maar omdat de vrouwen van de menselijke soort mij niet op waarde wisten te schatten.’ 

    Hierop volgt een beschrijving van zijn bevoorrechte en gelukkige jeugd in Engeland – Rodger was de zoon van een succesvolle Britse filmmaker –, gevolgd door zijn bevoorrechte en ongelukkige adolescentie in Los Angeles als een kleine jongen die slecht was in sport, verlegen, raar, geen vrienden had en wanhopig graag cool wilde zijn. Hij beschrijft hoe hij zijn haar blond verfde (Rodger was half blank en half Chinees-Maleisisch; blonde mensen waren ‘zoveel mooier’); hoe hij een ‘toevluchtsoord’ vond in Halo en World of Warcraft; hoe hij op zomerkamp geduwd werd door een mooi meisje (‘Dat was mijn eerste ervaring met mishandeling door een vrouw die ik heb doorstaan, en het heeft me enorm getraumatiseerd’); zich kwaad maakte over het seksleven van zijn leeftijdsgenoten (‘Hoe kan een minderwaardige, lelijke Zwarte jongen in staat zijn om een wit meisje te krijgen en ik niet? Ik ben mooi, en ik ben zelf voor de helft wit. Ik stam af van de Britse aristocratie. Hij stamt af van slaven’); van verschillende scholen af ging, vervolgens ook stopte met community college en hoe hij fantaseerde over een politieke wereldorde waarin hij de baas was en seks werd verboden (‘Vrouwen zijn de pest en moeten met zijn allen in quarantaine worden geplaatst’). Dit alles, zei Rodger, leidde vanzelf tot zijn ‘War on Women’, waarin hij ‘alle vrouwen zou straffen’ voor hun misdaad hem van seks te beroven. Zijn doelwit was de Alpha Phi-studentenclub, ‘de geilste studentenvereniging van UCSB’, omdat hier ‘de meisjes zitten die alles vertegenwoordigen wat ik haat aan het vrouwelijk geslacht (…) lekkere, mooie blonde meisjes (…) verwende, harteloze, vuile bitches’. Hij zou iedereen laten zien dat hij ‘superieur’ was. 

    Opheffing

    Eind 2017 sloot het onlinediscussieforum Reddit zijn veertigduizend leden tellende ‘incel’-ondersteuningsgroep voor mensen ‘die geen romantische relaties en seks hebben’. De opheffing volgde op het besluit van Reddit om inhoud te verbieden die ‘geweld aanmoedigt, verheerlijkt of ertoe aanzet of oproept’. Wat begon als een steungroep voor eenzame en seksueel geïsoleerde mensen, was uitgegroeid tot een forum waarop de gebruikers niet alleen tekeergingen tegen vrouwen en de ‘noncels’ en ‘normies’ die met hen naar bed gingen, maar ook vaak pleitten voor verkrachting. Een tweede incel-Reddit-groep, ‘Truecels’, werd na de beleidswijziging van de site eveneens verbannen. Hierop stonden teksten als: ‘Het aanmoedigen van of aanzetten tot geweld of andere illegale activiteiten zoals verkrachting is verboden. Maar je mag natuurlijk wel zeggen dat bijvoorbeeld verkrachting een lichtere straf moet krijgen of zelfs gelegaliseerd moet worden en dat sletterige vrouwen het verdienen te worden verkracht.’ 

    Het waren de meisjes die hem seks ontzegden, en daarom moesten de meisjes worden vernietigd

    Kort na Rodgers moorden begonnen incels op de manosphere te verkondigen dat vrouwen (en het feminisme) uiteindelijk verantwoordelijk waren voor wat er was gebeurd. Als een van die ‘vuile bitches’ Elliot Rodger gewoon zou hebben geneukt, dan had hij niemand hoeven te vermoorden. Feministische commentatoren haastten zich erop te wijzen dat uiteraard geen enkele vrouw verplicht was om seks met Rodger te hebben; dat zijn vermeende recht op seks een casestudy was binnen de patriarchale ideologie; dat zijn acties een voorspelbare, zij het extreme reactie waren op het dwarsbomen van dat recht. Ze hadden eraan toe kunnen voegen dat het feminisme in feite niet Rodgers vijand was, maar misschien wel juist de beweging die de meeste weerstand biedt aan een systeem dat hem – als kleine, onhandige, vrouwelijke, interraciale jongen – het gevoel gaf tekort te schieten. Uit zijn manifest blijkt dat het overwegend jongens waren, niet meisjes, die hem pestten: die hem in kluisjes duwden, hem een loser noemden, hem belachelijk maakten omdat hij nog maagd was. Maar het waren de meisjes die hem seks ontzegden, en daarom moesten de meisjes worden vernietigd. 

    Zou je ook kunnen zeggen dat Rodgers ‘onneukbaarheid’ een symptoom was van de internalisering van de patriarchale norm van wat mannen seksueel aantrekkelijk maakt voor vrouwen? Die vraag is om twee redenen moeilijk te beantwoorden. Ten eerste was Rodger een engerd, en kwam het op zijn minst deels door zijn eigen buitensporige nadruk op zijn esthetische, morele en raciale superioriteit, en wat het ook in hem was dat hem in staat stelde zijn huisgenoten en hun vriend in totaal 134 keer met een mes te steken, dat vrouwen bij hem uit de buurt bleven, en niet zozeer door zijn onvermogen te voldoen aan de eisen van heteromasculiniteit. Ten tweede hebben veel niet-moorddadige nerdy jongens wél seks. Een van de onrechtvaardige kanten van het patriarchaat, die door incels en andere ‘mannenrechtenactivisten’ niet wordt belicht, is dat zelfs zogenaamd onaantrekkelijke categorieën mannen aantrekkelijk worden gemaakt: geeks, nerds, onvruchtbare mannen, oude mannen, mannen met een bierbuik. Daartegenover heb je sexy schoolmeisjes en sexy docenten, Manic Pixie Dream Girls en milfs, maar deze zijn allemaal strak en sexy en vormen daarmee slechts kleine variaties op hetzelfde normatieve paradigma. (Zie je een artikel in GQ voor je waarin de vrouw met een uitgezakt lijf wordt bejubeld?) Dat gezegd hebbende, is het een feit dat het soort vrouwen waar Rodger seks mee wilde – knappe blonde dispuutsmeisjes – in de regel niet uitgaan met mannen zoals Rodger, ook niet met de niet-enge en ‑moordlustige variant – tenzij ze in Silicon Valley fortuin hebben gemaakt. Ook is het een feit dat dit te maken heeft met de rigide gendernormen die door het patriarchaat worden opgelegd: alfavrouwen willen alfamannetjes. En feit is dat Rodgers eigen verlangens – zijn erotische fixatie op de ‘verwende, verwaande, blonde slet’ – eveneens voortkomen uit het patriarchaat, net als de ‘lekkere blonde slet’ als ideaalbeeld van de vrouw. (In de manosphere werd spottend opgemerkt dat Rodger er niet eens in slaagde de vrouwen naar wie hij verlangde te vermoorden, als een definitieve bevestiging van zijn ‘omega’-status op seksueel gebied: Katherine Cooper en Veronika Weiss waren geen ‘lekkere blondjes’ van Delta Delta Delta, maar twee meisjes die toevallig langs het Alpha Phi-huis liepen.) In de feministische reacties op Elliot Rodger en het incelfenomeen in het algemeen komen het seksuele recht van mannen, objectivering en geweld uitgebreid aan de orde. Maar tot nu toe ging het nauwelijks over verlangen: de verlangens van mannen, de verlangens van vrouwen en hoe deze ideologisch worden gevormd. 

    Aanvankelijk kon je voor politieke kritiek op verlangen terecht bij het feminisme. Enkele decennia geleden stonden feministen vrijwel alleen in het denken over de manier waarop seksueel verlangen – de objecten en uitdrukkingen, fetisjen en fantasieën – wordt gevormd door onderdrukking. De radicale feministen van de late jaren zestig en zeventig keerden zich af van de freudiaanse opvatting dat seksueel verlangen, in de woorden van Catharine MacKinnon, ‘een aangeboren primaire natuurlijke prepolitieke ongeconditioneerde drang was die afhankelijk van het biologische gender werd gevormd’. In plaats daarvan, bepleitten ze, moeten we erkennen dat het patriarchaat seks heeft gegoten in de vorm die wij kennen, een vorm die wordt gekenmerkt door mannelijke overheersing en vrouwelijke onderwerping, met als belangrijkste emoties, in MacKinnons formulering, ‘vijandigheid en minachting, of de opwinding van een meester tegenover zijn slaaf, en ontzag en kwetsbaarheid, of de opwinding van een slaaf tegenover haar meester’. Dat sommige vrouwen desondanks in staat leken om onder deze omstandigheden plezier te beleven, toonde volgens de zogenaamde ‘antiseks’-feministen aan hoe slecht het wel niet ging. Voor velen van hen lag de oplossing in de weigering van seks en van een huwelijk met een man. Dit gold bijvoorbeeld voor The Feminists, een vrouwenbevrijdingsgroep die in 1969 in New York werd opgericht door Ti-Grace Atkinson, van wie niet meer dan een derde van de leden getrouwd mocht zijn of mocht samenwonen met een man. Dit quotum vertegenwoordigde de overtuiging van The Feminists dat feminisme ‘niet alleen rekening moet houden met wat vrouwen willen’, maar bovendien ‘moet veranderen wat vrouwen willen’. Cell 16, een groep uit Boston, opgericht in 1968, deed aan seksseparatisme, het celibaat en karate. De eerste opdracht voor de leden was om SCUM Manifesto van Valerie Solanas te lezen, waarin uiteen wordt gezet dat de vrouw haar zin in seks gemakkelijk – veel gemakkelijker dan ze misschien denkt – kan conditioneren, ‘waarna ze volledig koel, cerebraal en vrij zal zijn (…) wanneer de vrouw haar lichaam overstijgt (…) zal de man, wiens ego uit zijn pik bestaat, vanzelf verdwijnen’. 

    In navolging van Solanas noemt Roxanne Dunbar-Ortiz, oprichter van Cell 16, ‘degene die de hele seksscène heeft meegemaakt en dan vanuit afkeer voor een celibatair bestaan kiest, het verstandigst’. 

    Hoewel alle radicale feministen eind jaren zestig en begin jaren zeventig seks zagen als een constructie van het patriarchaat, verzetten sommige zich vanaf het begin tegen het idee dat de verlangens van vrouwen in overeenstemming moesten worden gebracht met hun politieke overtuigingen. Zoals Alice Echols beschrijft in Daring to Be Bad (1989), haar onderzoek naar radicaal feminisme in de VS, waren seks en een huwelijk met een man volgens zelfverklaarde ‘provrouw’-feministen voor de meeste vrouwen zowel een legitiem verlangen als een strategische noodzaak – een middel om politieke macht te verwerven of gewoon te overleven – in plaats van een symptoom van patriarchale indoctrinatie.

    ‘Persoonlijk solutionisme’

    Wat vrouwen nodig hadden, was niet de bevrijding van het opgelegde verlangen naar een heteroseksueel huwelijk, maar een nieuwe, gelijkwaardiger vorm van dat huwelijk. Het manifest van de radicale feministische groepering Redstockings, in 1969 opgericht door Shulamith Firestone en Ellen Willis, benadrukte dat ‘de onderwerping van vrouwen niet het resultaat is van hersenspoeling, domheid of geestesziekte, maar van de voortdurende, dagelijkse druk die mannen op ons uitoefenen. We moeten niet onszelf veranderen, maar de man.’ Daaruit volgde voor zowel de Redstockings als voor andere provrouwfeministen een afwijzing van ‘persoonlijk solutionisme’ – het idee dat de separatistische praktijken van groepen als Cell 16 en The Feminists revolutionaire verandering teweeg kon brengen. Deze groepen brachten in de ogen van provrouwfeministen onderscheid aan tussen ‘echte’ feministische vrouwen en de achterlijke vrouwen die vanwege hun relaties met mannen de revolutionaire zaak verraadden. In de ogen van provrouwfeministen deden alle vrouwen aan compromissen en onderhandeling, en vereiste echte bevrijding structurele in plaats van individuele verandering. Een prominente Redstocking zou tijdens een bijeenkomst hebben verklaard: ‘Zonder revolutie komen we niet van de plantage af!’ (Zoals de keuze van de metafoor doet vermoeden, waren de Redstockings, net als de meeste radicale feministische groepen, overwegend wit.) 

    Provrouwfeministen maakten zich ook zorgen dat antiseksfeministen, in hun ijver om het patriarchaat uit te bannen, vrouwelijke seksualiteit volledig zouden ontkennen. Die zorg was niet geheel ongegrond. Ellen Willis herinnert zich dat Ti-Grace Atkinson een bijeenkomst van de Redstockings bijwoonde en ‘nogal betuttelend’ opmerkte dat haar verlangen ‘allemaal in mijn hoofd zat’. Maar hoewel provrouwfeministen de oprechtheid van seksuele verlangens van vrouwen benadrukten, hadden ze weinig belangstelling voor het verdedigen van vrouwelijke verlangens buiten de grenzen van heteroseksualiteit. In hun ogen was het heterohuwelijk zowel praktisch noodzakelijk als intrinsiek wenselijk, en ze beschuldigden lesbiennes ervan zich terug te trekken van het ‘seksuele slagveld’ en de gemiddelde vrouw buitenspel te zetten. Een homoseksuele vrouw die de Redstockings verliet, merkte op dat de groep ‘aanzienlijk minder provrouw was als het aankwam op lesbiennes’.

    In deze neiging tot homofobie zaten provrouwfeministen bij uitzondering op één lijn met antiseksfeministen, van wie velen lesbiennes zagen als ‘door mannen gevormde’ seksuele bedreigingen voor andere vrouwen. Als reactie begonnen lesbische feministen steeds meer te pleiten voor de vereniging van hun seksuele identiteit met hun politiek, waarbij ze lesbianisme deden voorkomen als een kwestie van politieke solidariteit in plaats van als aangeboren seksuele geaardheid. Zo verklaarden The Furies, een radicaal lesbisch collectief dat in 1971 in Washington D.C. werd opgericht, dat ‘lesbianisme geen kwestie is van seksuele voorkeur, maar eerder een politieke keuze die elke vrouw moet maken als ze (…) een einde wil maken aan mannelijke overheersing’. Het antiseksfeministische pleidooi voor het celibaat werd nu dus gebruikt als argument voor (een specifiek soort) lesbianisme. Toen deze ‘politiek lesbiennes’ meer en meer werden gezien als de voorhoede van de vrouwenbevrijdingsbeweging, begonnen provrouwfeministen hen ervan te beschuldigen, zoals ze eerder bij de antiseksfeministen hadden gedaan, dat ze meer geïnteresseerd waren in individuele verandering dan in een politieke confrontatie. Op hun beurt beschuldigden politiek lesbiennes provrouwfeministen ervan de mannelijke overheersing in stand te houden. 

    Grote vijand

    De ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk kwamen grotendeels overeen met die in de VS. In 1970 vond de eerste National Women’s Liberation Movement Conference (WLM) plaats in het Ruskin College in Oxford. Vanaf het begin werd de Britse tweede feministische golf intellectueel en politiek gedomineerd door socialistische feministen zoals Juliet Mitchell, Sally Alexander en Sheila Rowbotham, voor wie de strijd tegen kapitalistische uitbuiting centraal stond in de emancipatie van vrouwen, en die in linkse mannen belangrijke – zij het niet-ideale – bondgenoten zagen. Sommige feministen waren het daar niet mee eens en richtten speciale vrouwenhuizen en ‑groepen op. Maar het duurde nog tot 1977 voordat er een ware kloof ontstond tussen socialistische feministen en de feministen die niet het kapitalisme maar mannen als de grote vijand zagen. Op de negende Women’s Liberation Movement Conference, dit keer gehouden in Londen, presenteerde Sheila Jeffreys een verhandeling met de titel The Need for Revolutionary Feminism [De noodzaak tot revolutionair feminisme], waarin ze socialistische feministen ter verantwoording riep omdat ze niet inzagen dat mannelijk geweld en niet kapitalistische uitbuiting aan de basis lag van vrouwenonderdrukking, en daarom progressieve eisen stelden als verbetering van de kinderopvang. ‘De vrouwenbevrijdingsbeweging is en moet worden gezien als een bedreiging,’ zei Jeffreys, ‘en ik zie niet in waarom we de bijeenkomsten zouden doen voorkomen als gemengde tupperwareparty’s waar de mannen voor de koffie zorgen.’ Een fanatieke minderheid van Engelse feministen sloot zich bij haar standpunten aan en vormde separatistische groepen zoals de Leeds Revolutionary Feminist Group, beroemd vanwege het pamflet ‘Political Lesbianism: The Case against Heterosexuality’. Op de conferentie het jaar daarop, in Birmingham, dienden revolutionaire feministen een voorstel in om de zes eisen af te schaffen die de WLM op eerdere conferenties had geformuleerd, omdat ‘het belachelijk is om ook maar iets te eisen van een patriarchale staat – van mannen – oftewel de vijand’. Het voorstel ontbrak op de plenaire agenda – met opzet, beweerden de revolutionaire feministen. Toen het uiteindelijk hardop werd voorgelezen, stuitte het op felle tegenstand van socialistische feministen, die de revolutionaire feministen begonnen uit te dagen door sprekers te onderbreken en te gaan zingen. Het ontaardde in een hevige strijd over de vraag of mannelijk seksueel geweld een symptoom was van ‘mannelijke suprematie’ of van andere maatschappelijke kwalen als klassenonderdrukking, en of lesbische seksualiteit al dan niet door feministen moest worden verdedigd. Naarmate de avond vorderde, kon vrijwel niemand meer boven het geschreeuw uit komen; microfoons werden uit handen gerukt; veel vrouwen vertrokken uit woede en frustratie. Dit was de tiende en laatste WLM-conferentie.

    In de loop van de jaren zeventig en tachtig verhardden de standpunten. Vanaf midden jaren zeventig richtten antiseksfeministen in de VS, en in mindere mate revolutionaire feministen in het VK, hun pijlen steeds meer op pornografie, wat sommige feministen beschouwden als symbool voor het patriarchaat als geheel. (Net als de feministische homofoben waren ook antipornofeministen over het algemeen fel gekant tegen lesbisch sadomasochisme, dat volgens hen slechts een nabootsing was van de patriarchale dynamiek.) Veel feministen, met name Ellen Willis, vonden deze focus op porno verontrustend om dezelfde reden dat provrouwfeministen bezwaar hadden gemaakt tegen het celibaat: dat zou bijdragen aan de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit. Maar veel feministen wilden ook afstand nemen van de provrouwgedachte dat het monogame heterohuwelijk de ideale uitkomst voor vrouwen was. Willis, wier overtuigingen het midden hielden tussen provrouw‑en antiseksfeminisme, liep voorop in de ontwikkeling van wat later ‘proseks-’ of ‘sekspositief’ feminisme werd genoemd. In haar beroemde essay uit 1981, ‘Lust Horizons: Is the Women’s Movement Pro-Sex?’ betoogde Willis dat zowel provrouw‑ als antiseksfeminisme het conservatieve idee versterkte dat mannen naar seks verlangen terwijl vrouwen het alleen maar verdragen, een idee waarvan de ‘belangrijkste maatschappelijke functie’ het inperken van de autonomie van vrouwen was in ruimtes buiten de slaapkamer (of het steegje). Beide vormen van feminisme, schreef Willis, verlangden van ‘vrouwen dat ze een zogenaamde morele superioriteit accepteerden als substituut voor seksueel genot, en brachten de seksuele vrijheid van mannen terug tot een substituut voor macht’. Geïnspireerd door de toenmalige lgbt-rechtenbeweging benadrukten Willis en andere proseksfeministen dat vrouwen volwaardige seksuele wezens waren, wier instemming dan wel afwijzing – ja of nee – doorslaggevend was. 

    Seks is niet langer moreel problematisch of onproblematisch: het is gewenst of niet gewenst

    Sinds Willis werd dit proseksfeminisme steeds breder gedragen, doordat het feminisme zich bewoog richting intersectionaliteit. Feministen zijn gaan nadenken over de rol die ras en klasse spelen binnen de patriarchale onderdrukking en terughoudender geworden in het opstellen van universele wetten, waaronder een universeel beleid op het gebied van seks. De eis van gelijke toegang tot de werkplek zal meer weerklank vinden bij witte vrouwen uit de middenklasse van wie wordt verwacht dat ze thuisblijven dan bij de zwarte vrouwen en vrouwen uit een arbeidersmilieu die altijd al samen met hun mannen moesten werken. Evenzo zal seksuele zelfobjectivering een andere lading hebben voor een witte vrouw die, vanwege haar huidskleur, al voldoet aan het paradigma van vrouwelijke schoonheid, dan voor een zwarte of bruine vrouw, of een trans vrouw. Feministen zijn steeds minder gaan denken in termen van vals bewustzijn, zoals de gedachte dat vrouwen die met mannen seks hebben en trouwen het patriarchaat hebben geïnternaliseerd. Het wordt nu belangrijker gevonden om vrouwen op hun woord te geloven. Als een vrouw zegt dat ze graag in de porno-industrie werkt, of graag betaald wordt voor seks met mannen, of verkrachtingsfantasieën heeft, of stiletto’s draagt – en niet alleen van deze dingen geniet, maar ze bovendien ziet als emancipatoir onderdeel van haar feministische overtuigingen – dan zijn we verplicht, vinden veel feministen, om dat van haar aan te nemen. Dit is niet alleen een epistemische bewering, vanuit de gedachte dat wanneer een vrouw iets zegt over haar eigen ervaring, dat een sterke, zij het misschien niet onfeilbare reden is om aan te nemen dat het waar is. Het is ook, misschien wel in de eerste plaats, een ethische bewering: een feminisme dat te makkelijk uitgaat van zelfbedrog, loopt het risico degenen die het wil bevrijden juist te domineren. 

    Wederzijdse instemming

    Willis’ pleidooi in ‘Lust Horizons’ is nog altijd leidend. Sinds de jaren tachtig overheerst een feminisme dat de seksuele verlangens van vrouwen niet langer moraliseert, en van mening is dat het handelen naar die verlangens alleen wordt begrensd door de voorwaarde van wederzijdse instemming. Seks is niet langer moreel problematisch of onproblematisch: het is gewenst of niet gewenst. In die zin komen de normen van seks overeen met de normen van de kapitalistische vrije uitwisseling. Het gaat er niet om onder welke omstandigheden de dynamiek van vraag en aanbod ontstaan – waarom sommige mensen hun diensten moeten verkopen en andere ze kopen –, het gaat er alleen om dat zowel koper als verkoper met de overdracht heeft ingestemd. Het zou echter te makkelijk zijn om te zeggen dat sekspositiviteit de coöptatie van het feminisme door het liberalisme vertegenwoordigt. Hele generaties van feministen en homo‑ en lesbische activisten hebben hard gevochten om seks te bevrijden van schaamte, stigma, dwang, misbruik en ongewenste pijn. Het was essentieel om te benadrukken dat er grenzen zijn aan wat van buitenaf kan worden begrepen over seks, dat seksuele handelingen niet altijd vanuit publiek perspectief kunnen worden geïnterpreteerd, dat we er soms van uit moeten gaan dat een seksuele handeling in orde is, ook als we ons daar niets bij voor kunnen stellen. Feminisme trekt dus enerzijds het liberale onderscheid tussen het publieke en het private in twijfel, maar dringt er anderzijds op aan. 

    Toch zou het onvolledig zijn om niet in te gaan op de overlap, hoe onbedoeld ook, tussen sekspositiviteit en liberalisme, in hun gedeelde weerzin te onderzoeken waar onze verlangens vandaan komen. Feministen van de derde golf hebben bijvoorbeeld gelijk in hun bewering dat sekswerk werk is, en vaak beter werk dan het ondergeschikte werk dat veel andere vrouwen verrichten. En ze hebben gelijk als ze zeggen dat sekswerkers niet zozeer moeten worden gered en gerehabiliteerd als wel juridische en materiële bescherming nodig hebben, beveiliging en een veilige omgeving. Maar om te begrijpen wat voor soort werk sekswerk is – wat voor fysieke en psychische handelingen er worden gekocht en verkocht, en waarom het overwegend vrouwen zijn die het aanbieden, en overwegend mannen die ervoor betalen – moeten we toch iets zeggen over de politieke vorming van mannelijk verlangen. En zo zal er ook iets te zeggen zijn over andere vormen van vrouwenwerk: lesgeven, verplegen, verzorgen, het moederschap. Als we beweren dat sekswerk ‘gewoon werk’ is, vergeten we dat al het werk – mannenwerk, vrouwenwerk – nooit zomaar werk is: sekse speelt altijd een rol. 

    Fundamentele vragen

    Aan het einde van ‘Lust Horizons’ zegt Willis dat het voor haar ‘vanzelf spreekt dat wederzijds instemmende partners recht hebben op hun seksuele voorkeuren, en dat autoritair moralisme geen plaats heeft’ binnen het feminisme. En toch, vervolgt ze, ‘moet een werkelijk radicale beweging verder kijken (…) dan het recht om te kiezen, en de fundamentele vragen blijven stellen. Waarom kiezen we wat we kiezen? Wat zouden we kiezen als we een echte keuze hadden?’ Hier lijkt Willis nogal een draai te maken. Nadat ze ethische argumenten heeft aangevoerd waarom onze seksuele voorkeuren, wat die ook mogen zijn, op zichzelf staan en tegen morele bemoeienis moeten worden beschermd, vertelt Willis ons dat ‘echt radicaal’ feminisme precies die vraag moet stellen die aanleiding geeft tot ‘autoritair moralisme’: hoe zouden de seksuele keuzes van vrouwen eruitzien als ze echt vrij waren? Het voelt misschien alsof Willis met de ene hand wegneemt wat ze met de andere heeft gegeven. Maar misschien ook geeft ze met beide handen. Hier, zegt ze, ligt een taak voor het feminisme: onze vrije seksuele keuzes als vanzelfsprekend behandelen, terwijl we ook inzien dat, zoals antiseks‑ en lesbische feministes altijd hebben gezegd, dergelijke keuzes onder het patriarchaat zelden vrij zijn. Wat ik suggereer is dat feministes zo gefixeerd zijn op het eerste, dat ze het laatste dreigen te vergeten. 

    Als ethisch verantwoorde seks enkel zou worden begrensd door wederzijdse instemming, moeten we seksuele voorkeur als iets natuurlijks beschouwen, waarmee de verkrachtingsfantasie een oergegeven wordt in plaats van een politiek gevormd verschijnsel. En niet alleen de verkrachtingsfantasie. Denk aan de ultieme neukbaarheid van ‘lekkere blonde sletten’ en Oost-Aziatische vrouwen, de relatieve onneukbaarheid van zwarte vrouwen en Aziatische mannen, de fetisjisering van en angst voor zwarte mannelijke seksualiteit, de seksuele afkeer van gehandicapte, trans en dikke lichamen. Deze gegevens van wie ‘neukbaar’ is – niet wiens/wier lichaam wordt gezien als seksueel beschikbaar (in die zin zijn zwarte vrouwen, trans vrouwen en gehandicapte vrouwen maar al te neukbaar), maar wiens/wier lichaam status verleent aan degenen die er seks mee hebben – zijn politieke feiten. Het zijn feiten die we serieus moeten nemen om tot een volledig intersectioneel feminisme te komen. De sekspositieve kijk die zich niets aantrekt van Willis’ oproep tot ambivalentie, dreigt deze feiten als prepolitiek te beschouwen. Met andere woorden, de sekspositieve blik dreigt niet alleen vrouwenhaat te verdoezelen, maar ook racisme, validisme, transfobie en elk ander onderdrukkend systeem dat onder het schijnbaar onschuldige voorwendsel van ‘persoonlijke voorkeur’ zijn weg vindt naar de slaapkamer. 

    ‘De mooie torso’s op Grindr zijn meestal van Aziatische mannen die hun gezicht verbergen,’ zei een homoseksuele vriend tegen me. De volgende dag zag ik op Facebook dat Grindr een webserie is begonnen genaamd ‘What the Flip?’. In de eerste aflevering van drie minuten wisselen een mooie, Oost-Aziatische man met blauw haar en een goed verzorgde, knappe witte man van Grindr-profiel. De resultaten zijn jammerlijk voorspelbaar. De witte man, die nu het profiel van de Aziatische man gebruikt, wordt nauwelijks benaderd, en degenen die hem wel benaderen zeggen ‘Rice Queens’ te zijn en van Aziatische mannen te houden omdat ze ‘zich goed kunnen onderwerpen’. Als hij niet reageert, krijgt hij een beledigende opmerking. Ondertussen wordt de inbox van de Aziatische man overspoeld met bewonderaars. In hun gesprekje achteraf zien we bij de witte man ontsteltenis, bij de Aziatische jongen vrolijke berusting. ‘Je bent misschien niet ieders type, maar je zult zeker iemand vinden,’ merkt de witte man uiteindelijk zwakjes op, waarna ze elkaar omhelzen. In de volgende aflevering wisselt een afgetraind, Ryan Gosling-achtig type van profiel met een mollige kerel met een mooi gezicht. In weer een andere aflevering ruilt een vrouwelijke man met een mannelijke man. De resultaten zijn steeds weer even voorspelbaar. 

    De overduidelijke ironie van ‘What the Flip?’ is dat Grindr zijn gebruikers aanmoedigt om de wereld aan de hand van identiteitskenmerken te verdelen in degenen die wel en degenen die geen acceptabele seksuele objecten zijn – om te denken in termen van seksuele ‘dealbreakers’ en ‘vereisten’. En zo verdiept Grindr de discriminerende groeven waarlangs onze seksuele verlangens zich toch al bewegen. Bij online daten – en vooral op de geabstraheerde interfaces van Tinder en Grindr, die aantrekkingskracht tot de essentie herleiden: gezicht, lengte, gewicht, leeftijd, ras, geestige slogan – worden de slechtste kanten van de huidige staat van seksualiteit op onze schermen geïnstitutionaliseerd. 

    ‘Lichaamsfascistisch’

    Een vooronderstelling van ‘What the Flip?’ is dat dit vooral een homoseksueel probleem is: dat de homoseksuele mannengemeenschap te oppervlakkig is, te lichaamsfascistisch, te keurend. De homoseksuele mannen in mijn leven beamen dit voortdurend; ze voelen zich er allemaal slecht over, zowel de daders als de slachtoffers (de meeste zien zichzelf als beide). Ik ben niet overtuigd. Kunnen we ons voorstellen dat een datingapp die vooral door hetero’s wordt gebruikt, zoals Bumble of Tinder, een webserie maakt die de hetero-’gemeenschap’ aanmoedigt om haar seksuele racisme of vetfobie onder ogen te zien? Als dat onwaarschijnlijk klinkt, is de reden niet dat hetero’s geen lichaams‑ of seksueel racisten zijn. Het is omdat hetero’s – of, beter gezegd, witte, gezonde cishetero’s – niet geneigd zijn te denken dat er iets mis is met de manier waarop ze seks hebben. Daarentegen weten homoseksuele mannen – zelfs de mooie, witte, rijke, gezonde – dat het een politieke kwestie is met wie ze seks hebben en hoe. 

    Niemand is verplicht om seks met iemand anders te hebben

    Uiteraard is het niet zonder risico om onze seksuele voorkeuren aan politiek toezicht te onderwerpen. We willen dat het feminisme de oorsprong van verlangen kan ondervragen, maar zonder slutshaming, preutsheid of zelfverloochening te bewerkstelligen: zonder individuele vrouwen te vertellen dat ze eigenlijk niet weten wat ze willen, of niet mogen genieten van wat ze willen (zolang er sprake is van wederzijdse instemming). Sommige feministen denken dat dit onmogelijk is en dat kritiek op verlangen onvermijdelijk leidt tot autoritair moralisme. (Deze feministen kunnen we vergelijken met vrouwen die pleiten voor een soort ‘sekspositiviteit uit angst’, zoals Judith Shklar ooit pleitte voor een ‘liberalisme uit angst’ – de keuze voor liberalisme vanuit de angst voor autoritaire alternatieven.) Maar het ‘herpolitiseren’ van verlangen kan ook een discours van ‘seksueel recht’ in de hand werken. Wanneer je het hebt over mensen die onterecht seksueel worden gemarginaliseerd of uitgesloten, kan dat de weg vrijmaken voor de gedachte dat deze mensen recht hebben op seks, een recht dat wordt geschonden door degenen die weigeren seks met hen te hebben. Die opvatting is bijzonder kwalijk: niemand is verplicht om seks met iemand anders te hebben. Ook dit is een vanzelfsprekendheid. En dit is natuurlijk wat Elliot Rodger, net als de vele boze incels die hem als martelaar vereren, weigerde in te zien. In de inmiddels opgeheven Reddit-groep was een bericht verspreid met als titel ‘Het zou legaal moeten zijn voor incels om vrouwen te verkrachten’, waarin stond dat ‘geen uitgehongerde man naar de gevangenis zou hoeven gaan voor het stelen van voedsel, en geen seksueel uitgehongerde man naar de gevangenis zou hoeven gaan voor het verkrachten van een vrouw’. Het is een misselijkmakende vergelijking, die de gewelddadige misvatting belicht die ten grondslag ligt aan het patriarchaat. Sommige mannen worden om politiek dubieuze redenen uitgesloten van het seksuele domein – waaronder mogelijk enkelen van de mannen die hun wanhoop uiten op anonieme fora – maar op het moment dat hun frustratie zich omzet in woede ten opzichte van de vrouwen die hun seks ‘ontzeggen’, in plaats van woede op de systemen die verlangens vormen (van henzelf en van anderen), overschrijden ze de grens naar morele verwarring en verwerpelijkheid. 

    In haar scherpzinnige essay ‘Men Explain Lolita to Me’ wijst Rebecca Solnit ons erop dat ‘je geen seks met iemand mag hebben tenzij diegene seks met jou wil’, zoals ‘je niet met iemand een boterham kan delen, tenzij diegene die boterham met jou wil delen’. Geen hap van iemands boterham krijgen is ‘evenmin een vorm van onderdrukking’, aldus Solnit. Maar de analogie werkt even verwarrend als verhelderend. Stel dat je kind thuiskomt uit school en vertelt dat de andere kinderen hun boterhammen met elkaar delen, maar niet met haar. En stel dat je kind bruin is, of dik, of gehandicapt, of niet zo goed Engels spreekt, en dat je vermoedt dat dit de reden is dat de andere kinderen geen boterham met haar delen. Dan is de uitleg dat geen van de andere kinderen verplicht is om iets met je kind te delen, hoe waar ook, niet langer bevredigend. 

    Seks is geen boterham. Hoewel je kind niet wil dat er uit medelijden met haar wordt gedeeld – zoals niemand een wip uit medelijden wil, en zeker niet van een racist of een transfoob – zouden we het niet autoritair vinden als de leraar de andere leerlingen zou aanmoedigen ook met jouw dochter te delen, of een beleid voor gelijke verdeling zou invoeren. Maar een staat die zich op soortgelijke wijze zou bemoeien met de seksuele voorkeur en praktijken van zijn burgers – die ons zou aanmoedigen om seks gelijk te ‘verdelen’ – zou waarschijnlijk als buitengewoon autoritair worden beschouwd. (De utopische socialist Charles Fourier stelde een gegarandeerd ‘seksueel minimum’ voor, vergelijkbaar met een gegarandeerd basisinkomen, voor elke man en vrouw, ongeacht leeftijd of invaliditeit; pas als seksuele deprivatie zou zijn opgeheven, kunnen romantische relaties echt vrij zijn, zo meende Fourier. Deze maatschappelijke dienst zou worden verleend door een ‘amoureuze adel’ die, aldus Fourier, ‘in staat is liefde ondergeschikt te maken aan gevoelens van eer’.) Het maakt natuurlijk uit hoe bemoeienis eruit zou zien: activisten op het gebied van functiebeperking roepen bijvoorbeeld al lange tijd op tot meer inclusieve seksuele voorlichting op scholen, en velen pleiten voor regelgeving die diversiteit in reclame en media garandeert. Maar het zou naïef zijn om te denken dat dergelijke maatregelen voldoende zijn om onze seksuele verlangens te veranderen, om ze volledig van de groeven van discriminatie te bevrijden. En terwijl je in alle redelijkheid kunt eisen dat een groep kinderen hun boterham ‘inclusief’ deelt, is dat met seks simpelweg onmogelijk. Wat in het ene geval werkt, werkt in het andere niet. Seks is niet met een boterham te vergelijken, en ook niet met iets anders. Niets is tegelijkertijd zo met politiek verweven en toch zo onschendbaar persoonlijk. We moeten een manier zien te vinden om seks op zichzelf te zien. 

    Binnen het hedendaagse feminisme komen zulke kwesties veel aan bod in relatie tot trans vrouwen, die vaak worden geconfronteerd met seksuele uitsluiting door lesbische cisvrouwen, terwijl deze tegelijkertijd beweren hen serieus te nemen als vrouw. Dit fenomeen werd door trans pornoactrice en activiste Drew DeVeaux de ‘cotton ceiling’, het katoenen plafond, genoemd, waarbij ‘katoen’ verwijst naar ondergoed. Zoals veel trans vrouwen hebben opgemerkt, is de term uiterst ongelukkig gekozen. Terwijl het ‘glazen plafond’ de schending impliceert van het recht van een vrouw op een carrière, verwijst ‘katoenen plafond’ naar een gebrek aan iets wat niemand verplicht is te geven. Maar als je simpelweg tegen een trans vrouw, of een gehandicapte vrouw, of een Aziatische man zou zeggen: ‘Niemand is verplicht om seks met je te hebben’, zie je iets cruciaals over het hoofd. Er bestaat geen recht op seks, en iedereen heeft het recht om te willen wat ze willen, maar persoonlijke voorkeuren – GEEN LULLEN, GEEN FEMS, GEEN DIKZAKKEN, GEEN ZWARTEN, GEEN ARABIEREN, NO RICE NO SPICE, MASC FOR MASC – zijn zelden uitsluitend persoonlijk. 

    In 2018 betoogde de feministische en trans auteur Andrea Long Chu in een stuk voor n+1 dat de transervaring, niet zoals we geneigd zijn te denken ‘een ware identiteit uitdrukt, maar de kracht van een verlangen’. Trans zijn, zegt ze, is ‘niet een kwestie van wie je bent, maar van wat je wilt’.

    Ze vervolgt: 

    ‘Ik ben overgestapt vanwege de roddels en complimentjes, lippenstift en mascara, om te kunnen huilen in de bioscoop, om iemands vriendin te zijn, haar de rekening te laten betalen of mijn koffers te laten dragen, vanwege de neerbuigende vriendelijkheid van bankbedienden en telefonistes, de intimiteit van een telefoongesprek met een vriendin, het bijwerken van mijn make-up op het toilet, als Christus aan beide kanten geflankeerd door een zondaar, voor de seksspeeltjes, om me sexy te voelen, geslagen te worden door butches, voor de geheime inzichten in welke potten je in de gaten moet houden, voor Daisy Dukes, bikinitopjes, jurken en, mijn god, voor de borsten. Nu wordt wel duidelijk wat het probleem is met verlangen: we willen zelden wat we zouden moeten willen.’ 

    Deze verklaring dreigt, zoals Chu goed weet, het argument van antitransfeministen te versterken: dat trans vrouwen vrouwelijkheid gelijkstellen en verwarren met wat traditioneel wordt geassocieerd met vrouwelijkheid, waardoor het patriarchaat enkel wordt versterkt. Veel trans vrouwen reageren op deze beschuldiging door vol te houden dat trans zijn gaat over identiteit en niet over verlangen: dat ze al vrouw zijn, en niet vrouw willen worden. (Zodra trans vrouwen worden erkend als vrouwen, klinkt de klacht dat ze genderstereotypen versterken ineens idioot, aangezien je aanzienlijk minder klachten hoort over ‘buitensporige vrouwelijkheid’ onder cisvrouwen.) Chu benadrukt daarentegen dat trans vrouwen worden gevormd door een verlangen naar iets wat ze missen: ze willen niet alleen deel uitmaken van de metafysische categorie ‘vrouw’, maar verlangen naar de specifieke kenmerken van een cultureel geconstrueerde en beteugelende vrouwelijkheid – Daisy Dukes, bikinitopjes en ‘neerbuigende vriendelijkheid’. Volgens Chu moet de wens van trans vrouwen niet alleen gerespecteerd, maar ook materieel ondersteund worden, omdat ‘het geen enkele zin heeft om verlangen te conformeren aan politieke principes’. Dit, zegt ze, is ‘de ware les van het mislukte project van het politiek lesbianisme’. Om tot een werkelijk bevrijdend feminisme te komen, zou de radicaalfeministische behoefte om verlangens onder een politieke loep te leggen dus volledig moeten worden uitgebannen.

    Dit is om twee redenen problematisch. Als alle verlangens moeten worden afgeschermd van politieke kritiek, dan geldt dat ook voor de verlangens die maken dat trans vrouwen gemarginaliseerd en buitenspel gezet worden: zowel het erotische verlangen naar een bepaald soort lichaam als het verlangen om het vrouw-zijn niet te delen met de ‘verkeerde’ soorten vrouwen. Identiteit en verlangen zijn inderdaad, zoals Chu suggereert, niet volledig los van elkaar te zien, en de rechten van transgenders mogen niet afhangen van dit onderscheid, net zoals de rechten van homo’s niet mogen afhangen van de vraag of homoseksualiteit aangeboren is dan wel een keuze. Maar een feminisme dat de politieke kritiek op verlangen volledig afzweert, neemt geen stelling tegen de onrechtvaardige behandeling en uitsluiting van juist die vrouwen die het feminisme het hardst nodig hebben. 

    De vraag is dan hoe we omgaan met de ambivalentie dat niemand verplicht is om naar iemand anders te verlangen, dat niemand het recht heeft om begeerd te worden, maar dat wie begeerd wordt en wie niet tegelijkertijd een politieke kwestie is en wordt bepaald door algemene patronen van overheersing en uitsluiting. Het is opvallend, hoewel niet verrassend, dat mannen die met seksuele marginalisering te maken hebben vaak vinden dat ze recht hebben op een vrouwenlichaam, terwijl vrouwen in deze positie het doorgaans niet over rechten hebben, maar over empowerment. Wanneer ze het wel over rechten hebben, gaat het over het recht op respect, niet op andermans lichaam. Aan de andere kant vragen radicale zelfliefdebewegingen onder zwarte of dikke vrouwen en vrouwen met een functiebeperking ons om onze seksuele voorkeuren niet als een vaststaand gegeven te zien. ‘Zwart is mooi’ en ‘Big is beautiful’ zijn niet alleen slogans van empowerment, ze suggereren een herwaardering van onze waarden. Lindy West beschrijft hoe ze zich bij het bestuderen van foto’s van dikke vrouwen afvraagt hoe het zou zijn om deze lichamen – lichamen die haar voorheen met schaamte en zelfhaat vervulden – als objectief mooi te zien. Dit, zegt ze, is geen theoretische kwestie, maar een perceptuele: het gaat om de manier waarop je naar bepaalde lichamen – van jezelf en van anderen – kijkt, uitnodigend, zodat afkeer in bewondering kan omslaan. De vraag die radicale zelfliefdebewegingen stellen, is niet of het recht op seks bestaat (wat niet zo is), maar of het een plicht is om onze verlangens zo goed mogelijk te transformeren. 

    Om deze vraag serieus te nemen, moeten we erkennen dat het hele idee van een vaste seksuele voorkeur politiek van aard is en niet metafysisch. Diplomatiek als we zijn behandelen we de voorkeuren van anderen als heilig: we zijn terecht terughoudend om ons uit te spreken over wat mensen echt willen, of wat een geïdealiseerde versie van hen zou willen. We weten dat dit binnen een autoritair systeem bedrieglijk is. Dit geldt in het bijzonder voor seks, waar echte of ideale verlangens lange tijd werden opgevoerd als excuus om vrouwen en homoseksuele mannen te verkrachten. Maar feit is dat onze seksuele voorkeuren kunnen veranderen, soms onder invloed van onze eigen wil – niet automatisch, maar onmogelijk is het niet. Bovendien komen seksuele verlangens niet altijd overeen met ons eigen idee erover, zoals generaties homoseksuele mannen en vrouwen kunnen bevestigen. Verlangens kunnen ons verrassen, ons ergens heen leiden waar we nooit hadden gedacht te belanden, naar iemand naar wie we nooit hadden gedacht te verlangen, naar iemand van wie we nooit hadden gedacht te zullen houden. In de allerbeste gevallen, de gevallen die misschien de meeste hoop bieden, kunnen verlangens zich losmaken van wat de politiek voor ons heeft gekozen, en hun eigen keuze maken. 

  • Decembernummer | Vechten voor vrede

    Decembernummer | Vechten voor vrede

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Mannelijke Staat: de akeligste online actiegroep van Rusland

    » Aan ‘Made in Xinjiang’ kleeft inmiddels een smet

    » Wordt Nobelprijswinnaar Gurnah nu wereldwijd herontdekt?

    » Grayson Perry: ‘Het leven is zinloos, prima’

    De Ander

    Redactioneel

    Berichten waarin ‘meisjes worden aangepakt’ deden het spectaculair goed op het Russische sociale-mediakanaal Telegram, waar 360 eerder een uitgebreid profiel van publiceerde. Dat die meisjes over het algemeen volwassen vrouwen zijn die niet (meer) over zich heen laten lopen, kreeg de bende online suckers pas in de gaten toen bleek dat hun Mannelijke Staat – zoals hun groep op Telegram heet – een staat van ontbinding had bereikt. Helaas is het uitgerekend met die drek goed gooien.

    Laten we hopen dat het de laatste stuiptrekkingen zijn van een uitstervende stam en er geen nieuwe meer opstaat. Het nationaal patriarchaat dat zij in ere willen herstellen heeft wereldwijd genoeg problemen opgeleverd. Dat vindt het Russische Mannenlegioen natuurlijk niet, en daarom zoeken zij met Mannelijke Kracht op hun Mannelijke Pad naar volgelingen die ‘instinctief bij een leider of een dominant iemand willen zijn, niet bij een gelijke’. In hun optiek kunnen dat enkel vrouwen zijn. Maar voor een patriarchaat zijn juist al die minderheden nodig, alleen met die drie M’en blijft het een mager bolwerk.

    Vetes worden beslecht, opgekropte woede geuit

    Ook buiten de waard gerekend heeft justitie in Belarus. De actiegroep Moeders 328 (naar een artikel in het wetboek van strafrecht) doet er alles aan om de exorbitant hoge straffen voor drugsbezit te veranderen (p. 24). Ze komen uit Minsk, Brest, Lida, Vitebsk en Homel, ontmoeten elkaar thuis, in cafés, schrijven petities en gaan in hongerstaking. Het onderhoud met de chef (een vrouw) van het kabinet van Loekasjenka bleek vooralsnog een wassen neus, maar onderschat de Vrouwelijke Kracht van een moeder in nood niet.

    In de Peruviaanse Andes krijgen de bergdorpen elk jaar de kans om hun agressie tegen De Ander bot te vieren tijdens het Takanakuy-festival. Vetes worden beslecht, opgekropte woede geuit. Daarna is er weer een heel jaar de tijd om de lege tank bij te vullen.

    Over de Grote Ander, zoals psychoanalyticus Jacques Lacan ‘de gedeelde ruimte’ noemde ‘van publieke waarden waarin alleen onze verschillen en identiteiten kunnen gedijen’, schreef de vermaarde Sloveense filosoof Slavoj Zizek een scherp essay. De huidige disintegratie van die gedeelde ruimte, op grond van ‘zelfwetgeving’, ontneemt een samenleving de mogelijkheid een common ground te vinden waarover in debat kan worden gegaan. Of op de vuist, alleen met kerst.

    Katrien Gottlieb

    gottlieb@360international.nl

    INT 21202 1 150 1 1
  • Antiwoke-universiteit of noodzakelijke onderwijsvernieuwing?

    Antiwoke-universiteit of noodzakelijke onderwijsvernieuwing?

    De nieuwste universiteit van de VS was nog geen tien dagen oud of ze moest al in de verdediging. De instelling zou een uiterst rechts bastion zijn in plaats van een neutrale leerplek. Spraakmakende adviseurs van het eerste uur Steven Pinker en Robert Zimmer verlieten de raad van adviseurs, waar ze intellectuele steun gaven aan het idee van een op ‘vrij onderzoek’ gerichte plek.

    ‘We kunnen niet wachten tot universiteiten zichzelf herstellen. Dus beginnen we een nieuwe. Ik heb mijn positie als president van St. John’s College in Annapolis opgegeven om een universiteit in Austin te starten die is gewijd aan het onbevreesd nastreven van de waarheid.’ Zo kondigde Pano Kanelos op 8 november van dit jaar de oprichting aan van een splinternieuwe universiteit in Amerika, de ‘UATX’, University of Austin, Texas.

    Over de noodzaak voor deze nieuwe universiteit schreef hij: ‘Kunnen we echt beweren dat het nastreven van de waarheid – ooit het centrale doel van de universiteit – nog steeds de hoogste deugd is? Geloven we oprecht dat de cruciale middelen daarvoor, vrijheid van onderzoek en een open discours, nog de overhand hebben terwijl illiberalisme een alomtegenwoordig kenmerk van het universitair klimaat is geworden?’

    ‘Onze democratie hapert voor een belangrijk deel, omdat ons onderwijssysteem illiberaal is geworden’

    ‘De realiteit is dat veel universiteiten niet langer worden aangespoord een omgeving te creëren waarin intellectuele afwijkende meningen worden beschermd en modieuze meningen scherp worden bevraagd. Onze meest prestigieuze scholen dienen vooral als eindopleiding voor de aankomende nationale en mondiale elite. Te midden van baksteen en klimop houden deze studenten zich met steeds ontoegankelijkere theorieën bezig.’

    En dat is een groot probleem, aldus Kanelos. ‘Niet alleen worden studenten als individuen hiermee benadeeld; we laten de natie in de steek. Onze democratie hapert voor een belangrijk deel, omdat ons onderwijssysteem illiberaal is geworden.‘

    ‘Universiteiten zijn plekken waar de samenleving denkt, waar de gewoonten en zeden van onze burgers worden gevormd. Als deze instellingen niet open en pluralistisch zijn, als ze uitspraken beperken en degenen met onpopulaire standpunten verbannen, als ze wetenschappers ertoe brengen complete onderwerpen te mijden uit angst, als ze voorrang geven aan emotionele troost boven het vaak ongemakkelijke streven naar de waarheid, wie is er dan nog over om het discours vorm te geven dat nodig is om vrijheid in een zelfsturende samenleving in stand te houden?’

    Ayaan Hirsi Ali

    Kanelos introduceerde een lijst met namen van docenten, betrokkenen en adviseurs. De rechtse tot uiterst rechtse signatuur die hieruit naar voren kwam, leidde in de Amerikaanse universitaire en journalistieke wereld tot opgetrokken wenkbrauwen.

    ‘Ons project begon met een kleine bijeenkomst van degenen die zich zorgen maakten over de staat van het hoger onderwijs’, schreef Kanelos. ‘Niall Ferguson, Bari Weiss, Heather Heying, Joe Lonsdale, Arthur Brooks en ik, en sindsdien hebben ook vele anderen zich aangesloten, zoals de dappere professoren Kathleen Stock, Dorian Abt en Peter Boghossian. Maar ook universiteitsvoorzitters: Robert Zimmer, Larry Summers, John Nunes en Gordon Gee, en vooraanstaande academici, zoals Steven Pinker, Deirdre McCloskey, Leon Kass, Jonathan Haidt, Glenn Loury, Joshua Katz, Vickie Sullivan, Geoffrey Stone, Bill McClay en Tyler Cowen.

    We worden ook vergezeld door journalisten, kunstenaars, filantropen, onderzoekers en publieke intellectuelen, waaronder Lex Fridman, Andrew Sullivan, Rob Henderson, Caitlin Flanagan, David Mamet, Ayaan Hirsi Ali, Sohrab Ahmari, Stacy Hock, Jonathan Rauch en Nadine Strossen.

    Aan die politieke diversiteit van de nieuwe universiteit wordt ernstig getwijfeld

    Wij zijn een toegewijd team dat met de dag groeit. Onze achtergronden en ervaringen zijn divers; onze politieke opvattingen verschillen.’

    En precies over dat laatste ontstond een polemiek in de pers en de universitaire wereld, want aan die politieke diversiteit wordt ernstig getwijfeld.

    Zo schreef columnist Will Bunch in The Philadelphia Inquirer: ‘De echte reden voor het creëren van hun nieuwe bastion van hoger onderwijs is “wokeness”, waarvan zij beweren dat die het intellectuele debat verstikt. Volgens een van de bondgenoten, de conservatieve Ayaan Hirsi Ali: “Ons onderwijssysteem faalt: in plaats van een plek om te leren, zijn universiteiten getransformeerd in plekken van angst”, waarbij ze verwijst naar wat ze beschrijft als obsessies met “micro-agressies” rond huidskleur, geslacht of seksualiteit, de zogenaamde “cancelcultuur”, of het gebruik van de juiste voornaamwoorden.’

    ‘Zeker’, schrijft Bunch, ‘er zijn serieuze problemen rond vrijheid van meningsuiting op de campussen, maar dat ligt veel genuanceerder en gecompliceerder dan ze doen voorkomen. Ze zouden eens een paar dagen op een echte universiteit moeten doorbrengen, in plaats van alleen maar te lezen over de selectieve Breitbart/Fox News-“campus snowflake”-verontwaardiging van de dag.‘

    Onafhankelijkheid

    Voor Politico ging Derek Robertson verder op de zaak in met het artikel ‘Het is de university of Austin tegen iedereen – inclusief zichzelf’. Hij plaatst vraagtekens bij de neutraliteit en onafhankelijkheid die de nieuwe universiteit zegt na te streven.

    ‘Toen UATX begin november werd gelanceerd‘, aldus Robertson, ‘zei oprichter Pano Kanelos, dat “de betekenis van oldskool motto’s terug zouden keren. Licht. Waarheid. De wind van vrijheid” tegenover “universiteiten die er buitengewoon goed in zijn om studenten alles te bieden wat ze nodig hebben… behalve intellectuele durf”. Het was zowel een uitleg van zijn missie als een impliciete kritiek: de University of Austin zal “fel onafhankelijk” zijn, in tegenstelling tot het academische establishment dat hopeloos gevangen wordt gehouden door progressieve, censurerende ideologen.

    De oprichtingsaankondiging ging gepaard met klinkende namen om het project intellectuele glans te geven, zoals historicus Niall Ferguson van de Hoover Institution in Stanford – een van de oprichters van UATX – en voorts voormalig minister van Financiën en voormalig Harvard-voorzitter Larry Summers en econoom Tyler Cowen.

    Steven Pinker van Harvard zwijgt over waarom hij zijn deelname aan UATX heeft beëindigd, maar Robert Zimmer van de Universiteit van Chicago was er duidelijk over: hij is absoluut voor vrije meningsuiting, maar staat niet achter de directe aanval op het bestaande hoger onderwijs. In een verklaring zegt hij dat “de nieuwe universiteit een aantal uitspraken deed over het hoger onderwijs in het algemeen, het merendeel behoorlijk kritisch, die heel sterk afwijken van mijn eigen opvattingen”.

    ‘Het bijna onmogelijk om het project als iets anders te zien dan als politiek’

    Gordon Gee, president van de West Virginia University, een andere adviseur, blijft wel betrokken, maar was nog directer: “Ik ben het er niet mee eens dat andere universiteiten niet langer de waarheid zouden zoeken en ik heb ook niet het gevoel dat het hoger onderwijs onherstelbaar beschadigd is.”

    Al deze onenigheid weerspiegelt de ongemakkelijke tegenstelling in het hart van het ambitieuze project: ondanks de claim van onafhankelijkheid van de University of Austin in het politieke mijnenveld dat hoger onderwijs in 2021 is, is het bijna onmogelijk om het project als iets anders te zien dan als politiek op zich.

    Kanelos, de voormalige president van het St. John’s College, kondigde de lancering aan via de Substack-nieuwsbrief van Bari Weiss, een medeoprichter die geen academicus is, maar een journalist gespecialiseerd in het prikken in de liberale consensus. Medeoprichter en trustee Joe Lonsdale, tevens met Peter Thiel medeoprichter van het data-analysebedrijf Palantir, verdedigde het project in de conservatieve New York Post, en Ferguson schreef zuur bij Bloomberg dat ‘academische vrijheid sterft in wokeness’.

    De expliciet uitgesproken ideologische toewijding van de University of Austin is gericht op een pluralistische, klassiek liberale vrijheid van meningsuiting. Maar, zoals Zimmer en anderen hebben opgemerkt, berust het project van de universiteit in haar huidige vorm op een inherent politieke kritiek op bestaande instellingen. Voor een intellectueel vehikel dat zo toegewijd is aan diversiteit van denken dat het niet eens zou kunnen bestaan ​​in het huidige academische landschap, vormen de erbij aangesloten denkers zelf bijna een monocultuur: het zijn bijna allemaal iconen van hetzelfde confronterende, niet-vooruitstrevende liberale rationalisme.’

    Morele superioriteit

    ‘Het claimen van een open blik en van meritocratische, rationele vrijheid van ideologische dogma’s, is in de Amerikaanse politiek hetzelfde als morele superioriteit claimen’, vervolgt Robertson zijn artikel. ‘Door precies dat te doen, heeft UATX ongewild de kritiek bevestigd van de meeste linkse cultuurcritici die luidkeels opperen dat waarheid of objectiviteit niet bestaat. Op basis van haar huidige intellectuele kliek lijkt de zelfverklaarde “onafhankelijkheid” van UATX veel op een poging de dominantie van de eigen waarden van haar betrokkenen opnieuw te onderstrepen.

    Je hoeft je niet volledig over te geven aan relativisme om te erkennen dat morele superioriteit meer een doel of aspiratie is dan een toestand die je ooit echt kunt bereiken. Wanneer conservatieve figuren zoals senatoren Ted Cruz of Josh Hawley roepen dat Amerikaanse instellingen ideologisch gevangen zijn genomen en moeten terugkeren naar een of ander Eden-achtig, pre-woke ideaal, of wanneer progressieve opiniemakers zoals Nikole Hannah-Jones een objectieve feitelijke basis denken te kunnen claimen voor een project dat fundamenteel ideologisch is, dan verdraaien ze idealen voor hun eigen politieke doeleinden. Dat alles maakt deel uit van de slingerbeweging van het Amerikaanse intellectuele leven. Maar door te beweren daar buiten te staan, leggen UATX en zijn pleitbezorgers de lat onmogelijk hoog voor hun project.

    ‘Wat het project het meest kwetsbaar maakt voor kritiek in dit vroege stadium, is wie er niet bij betrokken zijn’

    Dat wil niet zeggen dat de structurele of ideologische kritiek op de academische wereld inherent verkeerd is; het zal moeilijk zijn om iemand te vinden (die geen goedbetaalde universiteitsbestuurder is) die zal beweren dat het huidige systeem perfect werkt. Maar de lancering van UATX, en de luidruchtige reacties die daarop volgden, kunnen worden gezien als een waarschuwing over de notie van objectiviteit in het moderne Amerikaanse intellectuele leven; over hoe verleidelijk het is aanspraak te maken op neutraliteit, en hoe een krachtig maar gevaarlijk gereedschap dat is geworden in de gereedschapskist van de cultuuroorlog.

    Ook al zijn de oprichtingsadviseurs van de universiteit uniform in hun oppositie tegen een bepaald soort progressieve retoriek, het is wel een beetje een lastig te plaatsen club. Tegenover alle gal die Ferguson verzamelde in zijn Bloomberg-opiniestuk, is er de omzichtigheid van iemand als Cowen; tegenover de zwaarwichtigheid van eikenhouten lambriseringen die een figuur als Gordon Gee omgeeft, is er het blotevuistengepolemiseer van Andrew Sullivan. Dan heb je nog een toneelschrijver, Trump-aanhanger David Mamet, en een geofysicus; Dorian Abbot, die meeschreef aan een opiniestuk waarin positieve discriminatie wordt bekritiseerd en wiens uitnodiging voor een prestigieuze MIT-lezing vervolgens werd afgezegd.

    Wat het project echter het meest kwetsbaar maakt voor kritiek in dit vroege stadium, is wie er niet bij betrokken zijn, namelijk iedereen van progressief links waarvan ze geloven dat die vrijheid van meningsuiting in de academische wereld zouden bedreigen. In een e-mail zei woordvoerder Hillel Ofek dat UATX ”geen enkele politieke of ideologische toegangstest zal doen. Wij zijn van mening dat het een fundamenteel onderdeel is van liberaal onderwijs om rigoureus om te gaan met radicaal alternatieve opvattingen en ideeën, inclusief die welke de vrijheid van meningsuiting in twijfel trekken. We zouden zeker iemand verwelkomen die een criticus is van de vrijheid van meningsuiting van links of rechts, zolang ze zich aan onze universitaire principes van open onderzoek en open en eerlijk debat houden.”’

    Vehikel tegen ‘wokeness’

    ‘Maar wat verklaart dan de rechtse signatuur van al die adviseurs van het eerste uur?’ vraagt Robertson zich af. ‘De meest barmhartige opmerking van critici zou kunnen zijn dat de oprichters van de universiteit progressieve censuur vrezen als een te grote bedreiging of belemmering (zie: Karl Poppers “paradox van tolerantie”). Maar, om Ockhams scheermes te gebruiken: het is veel gemakkelijker voor te stellen dat niemand ter linkerzijde, zeker niet in de moordende wereld van het hoger onderwijs waar reputatie goud waard is, bereid is om zich aan te melden voor een project dat door vakgenoten onvermijdelijk zal worden afgedaan als reactionair.

    “Ik betwijfel of iemand die, bij gebrek aan een betere terminologie, ‘progressief’ is, de kans zou verwelkomen om deel uit te maken van de raad van adviseurs”, denkt ook Nadine Strossen, professor aan de New York Law School en voormalig president van burgerrechtenorganisatie ACLU, die gelooft dat robuuste bescherming van de vrijheid van meningsuiting van het grootste belang is, niet alleen voor de bloei van het liberalisme, maar ook voor raciale rechtvaardigheid op zich.

    Strossen, een UATX-adviseur, zegt lange gesprekken te hebben gevoerd met universiteitsvoorzitter Pano Kanelos. “Ik twijfel er absoluut niet aan dat hij advies zou verwelkomen van iemand die zich uitspreekt en kritisch zou zijn over alles, inclusief de fundamentele missie.”

    En er is inderdaad iemand die de fundamentele missie van vrij onderzoek wil bekritiseren. Maar dat is geen criticus van links; het is Sohrab Ahmari, de aartsconservatieve katholiek die zichzelf omschreef als “postliberaal”. In een essay voor The American Conservative schreef Ahmari dat UATX het vooruitzicht verwelkomde van een traditionalistische interne dissident aan de tafel. “Ik denk dat het gewoon tijd wordt dat wij orthodoxe gelovigen de honneurs moeten gunnen aan liberale instellingen en onze aanwezigheid moeten gebruiken als een test van hun liberalisme, op grond van hun eigen principes.”

    Goedkeuring van iemand als Ahmari – bewonderaar van Viktor Orbans “illiberale democratie”, die ooit schreef dat conservatieve christenen “moeten proberen de waarden van beleefdheid en fatsoen te gebruiken om onze orde en orthodoxie af te dwingen, en nooit moeten doen alsof ze ooit neutraal kunnen zijn”  – is een vrij grimmig bewijs van de bewering van de school dat geen enkel idee te gevaarlijk is om niet ontgonnen te worden in de klas. Maar bij gebrek aan theoretische tegenhangers ter linkerzijde, maakt het van de universiteit ook een gemakkelijke schietschijf als niets meer dan een vehikel voor grieven tegen “wokeness”.’

    Neutraliteit

    ‘In 2018 schreef historicus David Greenberg voor Politico over “het einde van neutraliteit”, met het argument dat “als we niet kunnen vertrouwen op de regering en andere neutrale instanties om betrouwbare informatie te verstrekken en eerlijk te oordelen over verschillende standpunten, we het risico lopen een van de grootste deugden van onze democratie te verliezen, namelijk het vermogen om onze debatten vrij en controversieel te voeren, wetende dat de meesten van ons de uitkomsten uiteindelijk als legitiem zullen accepteren”’, schrijft Robertson tot slot.

    ‘Sommige grondleggers van de University of Austin proberen het type instelling te reconstrueren dat Greenberg beschrijft, maar dan wel naar hun eigen beeld, met alle inherente vooroordelen die dat met zich meebrengt, en met het uitgesproken streven om ze te bestrijden. En dat is uiteindelijk de reden waarom het project zoveel woede opwekt: in een wereld waar iedereen rationele en morele superioriteit claimt in dienst van hun ideologische verplichtingen, is het aannemen van een scheidsrechtersrol meer dan alleen overdreven hybris. Het is bedreigend.

    Daarom is het ook enigszins begrijpelijk dat links het project zoveel meer als een belediging ziet dan rechts. Iedereen houdt van vrijheid van meningsuiting totdat een eigen persoonlijke grens wordt overschreden, en bij afwezigheid van links in Austin heeft de beschuldiging van een intrarechtscentristisch feestje in ieder geval de schijn van waarheid.

    Maar voorlopig bestaat de University of Austin voornamelijk als een idee. Op een gegeven moment zal toewijding aan de kernmissie worden getest, zoals dat ook voor elke andere universiteit geldt, en het is onmogelijk te voorspellen of de verantwoordelijken dat zullen doen met de eerlijkheid en intellectuele gelijkmoedigheid die de oprichters zeggen na te streven.

    Als ze slagen, en daarmee bewijzen dat critici ongelijk hebben, zullen ze iets authentieks en nieuws hebben neergezet in het Amerikaanse intellectuele leven en met terugwerkende kracht het lawaai en de woede rond de aankondiging van de oprichting hebben gerechtvaardigd.’

  • Patrick J. Deneen: ‘De nieuwe aristocratie verbloemt haar bevoorrechte positie’

    Patrick J. Deneen: ‘De nieuwe aristocratie verbloemt haar bevoorrechte positie’

    De huidige elite houdt zich opzettelijk blind voor haar bevoorrechte positie en bekommert zich daarom niet meer om lagere klassen, stelt politicoloog Patrick J. Deneen. Zijn studenten geloven – net als Marx – dat lageropgeleiden vatbaarder zijn voor een ‘vals bewustzijn’.

    Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘

    ‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven? 

    Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.

    Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De derde in de reeks is Patrick J. Deneen, universitair hoofddocent Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Notre Dame.

    Tijdens een van de verfoeilijkste momenten in Plato’s De Staat suggereert Socrates dat de ideale stad een stichtingsmythe nodig heeft – wat hij een ‘nobele leugen’ noemt – om zich van succes te verzekeren. De mythe bestaat uit twee delen. Volgens het eerste deel stamt iedereen in de stad af van dezelfde moeder, waarmee het geloof wordt aangemoedigd dat alle inwoners van de stad een gemeenschappelijke oorsprong hebben en familie van elkaar zijn. Volgens het tweede behoort iedereen al bij de geboorte tot een bepaalde klasse op grond van zijn of haar talenten en bekwaamheden, die worden aangeduid door een metaal dat iedere ziel bij de geboorte is toebedeeld: de heersende klasse goud; ministers, soldaten en hoge ambtenaren zilver; arbeiders brons en ijzer.

    Socrates betoogt dat om de stad succesvol te laten zijn, alle burgers beide delen van de mythe moeten geloven. De mythe probeert tegelijkertijd te verenigen en te differentiëren, te verklaren wat gemeenschappelijk en verschillend is, en ondanks aanzienlijke verschillen burgerlijk patriottisme te kweken. Het eerste deel moedigt burgerlijke betrokkenheid, gemeenschappelijke opofferingsgezindheid en het geloof in een algemeen welzijn aan. Het tweede rechtvaardigt het bestaan van ongelijkheid als een permanent kenmerk van de menselijke samenleving.

    Socrates aarzelt zelfs om hardop over de mythe te spreken, omdat hij beseft hoezeer die zijn gehoor vermoedelijk tegen de borst zal stuiten. Bovendien erkent hij dat er veel overtuigingskracht nodig zal zijn – vermoedelijk generaties lang – voordat de mythe door de stedelingen wordt geaccepteerd, en ook dan zal de heersende klasse zich er vermoedelijk niet door laten overtuigen. Als er één bevolkingsgroep is die de mythe waarschijnlijk zal accepteren, oppert hij, dan is het de ongeschoolde werkende klasse.

    Bedrog

    Wanneer ik de nobele leugen tijdens mijn colleges aan mijn studenten voorleg, valt hij niet in goede aarde, zoals Socrates al had voorspeld. Zij hebben moeite met het idee dat een rechtvaardig bestel op bedrog moet zijn gegrondvest. Maar wat hun nog meer ergert is de suggestie dat de rechtvaardige stad op ongelijkheid moet zijn gegrondvest. Als goede progressieve democratische burgers verafschuwen ze de suggestie dat ongelijkheid kan worden bestendigd als een geboorterecht, en ze vereenzelvigen zich met het onrecht dat de zwaksten in de samenleving wordt aangedaan. Van de twintig jaar die ik college gaf aan Princeton, Georgetown en Notre Dame kan ik me geen enkele student herinneren die geen moeite met de mythe had. De meesten vonden hem ronduit weerzinwekkend.

    Op de vraag waarom het moeilijker zal zijn de heersende klasse van de waarheid van de nobele leugen te overtuigen, zeggen de meeste studenten te geloven dat de heersende klasse door haar hogere opleiding en grotere intelligentie beter bestand is tegen propaganda, terwijl de eenvoudige werkende klasse vermoedelijk ten prooi valt aan bedrog omdat ze haar eigen belangen onvoldoende onderkent. Door te geloven dat lageropgeleiden vatbaarder zijn voor een ‘vals bewustzijn’ kiezen mijn studenten impliciet de kant van Marx.

    Lees ook het artikel van een van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:

    Plato wil dat wij de mythe anders begrijpen. Anders dan Marx geloofde hij niet dat de leden van de lagere klasse vermoedelijk hun eigen belangen niet zouden onderkennen. De lagere klasse zal de mythe vermoedelijk accepteren omdat ze beseft dat die in haar voordeel werkt. Haar leden zijn zich er scherp van bewust dat er ongelijkheid bestaat. Dat deel van de ‘leugen’ komt hun nauwelijks als onwaar voor. Wat nieuw is, en wat in hun voordeel werkt, is het idee dat zowel de lagere als de heersende klasse gebaat is bij ongelijkheid. Dat wil zeggen, het werk van leden met edele metalen in hun ziel moet ten goede komen aan iedereen, ook aan degenen wier ziel het met onedele metalen moet stellen. Leden van de heersende klasse daarentegen zullen de mythe vermoedelijk niet geloven uit eigenbelang. Zij schrikken terug voor de bewering dat iedereen, ongeacht rang of stand, tot dezelfde familie behoort. Ze willen niet dat de voordelen die wellicht alleen hun klasse ten goede zullen komen ten bate van het geheel zullen worden aangewend.

    Alleen als iedere groep ieder deel van de ‘leugen’ accepteert, legt Socrates uit, komt er een soort sociaal contract tot stand

    Alleen als iedere groep ieder deel van de ‘leugen’ accepteert, legt Socrates uit, komt er een soort sociaal contract tot stand. Zowel de elite als de gewone man accepteert het deel van de mythe dat hun niet aanspreekt omwille van het deel dat dat wel doet. De elite geniet aanzien in een samenleving die ongelijkheid rechtvaardigt; de gewone man is het beste af in een samenleving die afdwingt dat de elite zich in dienst stelt van het geheel. In plaats van te werk te gaan als strijdende partijen, zetten beide kanten zich in voor het algemeen nut.

    Zo’n compromis is moeilijk te bereiken. Een groot deel van de rest van De Staat gaat over de vraag hoe de heersende klasse kan worden overreed, of zelfs gedwongen, haar lot aan de rest van de stad te verbinden, in plaats van de anderen simpelweg te domineren of te negeren. Omdat ongelijkheid een onmiskenbaar feit is, ziet Plato het als een grote uitdaging voor de politiek om de bevoordeelden ervan te overtuigen dat zij zichzelf als deel van het geheel moeten beschouwen.

    Vergelijk de reactie op deze ‘nobele leugen’ die Socrates van de heersende klasse verwachtte eens met de typische reactie van studenten aan elite-universiteiten. De huidige elitestudenten vinden de mythe vooral verwerpelijk omdat deze uitgaat van eeuwige ongelijkheid door de generaties heen. De onderlinge verwantschap lijkt weinig problematisch en zelfs oninteressant. Wat verklaart dat de heersende klasse van onze tijd kennelijk heel andere dingen als schandalig ervaart en zich daartegen verzet?

    Activisme

    Campussen van elite-universiteiten zijn broeinesten van activisme tegen ongelijkheid, vooral op het gebied van huidskleur, geslacht, invaliditeit en seksuele geaardheid. De afgelopen jaren hebben studenten van UC Berkeley tot Reed College geprotesteerd tegen voorbeelden van vermeende vooringenomenheid, maar weinig incidenten hebben zoveel opzien gebaard als het protest waaronder de socioloog Charles Murray op 2 maart 2017 werd bedolven op Middlebury College in Vermont. Voordat hij een woord had kunnen uitbrengen werd Murray getrakteerd op twintig minuten boegeroep van honderden studenten in zijn gehoor. Om het geplande gesprek toch nog te kunnen voeren moesten hij en zijn gastheer, professor Allison Stanger, de collegezaal verruilen voor een privévertrek. Studenten volgden hen en sloegen op de muren en ramen. Toen ze ten slotte naar buiten kwamen, ging de menigte Murray en Stanger te lijf, waarbij Stanger nekletsel en een hersenschudding opliep.

    Murray was uitgenodigd om over zijn boek Coming Apart te komen praten, een studie over de toenemende ongelijkheid tussen rijke en arme witte Amerikanen tussen 1960 en 2010. Murrays boek concentreert zich op twee fenomenen. Ten eerste wijst hij erop dat Amerikanen in afzonderlijke geografische enclaves zijn opgedeeld op grond van rijkdom, klasse en opleiding. Ten tweede wijst hij op de ongekend hoge sociale problematiek bij arme en laagopgeleide Amerikanen, zoals echtscheidingen, buitenechtelijke kinderen, misdaad, drugsverslaving, werkloosheid, faillissementen, isolatie en wetteloosheid.

    De studenten die Murray het spreken beletten komen voornamelijk uit wat Murray de ‘HPY-bubbel’ noemt, Harvard, Princeton en Yale, universiteiten waar een opmerkelijke ideologische, economische en sociale homogeniteit heerst. Een diploma van een opleiding als Middlebury College is het paspoort om in de HPY-bubbel te geraken. Je komt er niet zomaar binnen. Volgens het U.S. News and World Report bezet Middlebury samen met Pomona College de zesde plaats op de ranglijst van Amerikaanse alfa-colleges, na Williams, Amherst, Bowdoin, Swarthmore en Wellesley. In 2017 werd maar zeventien procent van de aanmeldingen geaccepteerd. Studenten moeten een gemiddelde studiepuntenscore van 1450 van de 1600 hebben. De kosten van onderwijs plus kost en inwoning bedragen ruim 64.000 dollar per jaar.

    Het gevolg was dat de elitestudenten zelfvoldaan konden volharden in hun demonstratieve steun aan het gelijkheidsbeginsel

    Je zou denken dat studenten van zo’n opleiding zeer geïnteresseerd zouden zijn in een lezing over de grondslagen en implicaties van economische en klassenverschillen in het huidige Amerika. Je zou zelfs verwachten dat als de studenten aanstoot namen aan ongelijkheid, ze zich door Murray zouden hebben laten inspireren om hun onlustgevoelens op Middlebury College bot te vieren als bestendiger van klassenverschillen of zelfs op zichzelf als gewillige deelnemers aan die bestendiging. Je zou op zijn minst hebben gedacht dat ze geïnteresseerd zouden zijn in een analyse van de rol die opleidingsinstituten spelen bij het creëren en handhaven van ongelijkheid. In plaats daarvan joelden ze, uit naam van de ongelijkheid zelf, de man uit die met hen kwam spreken over hun rol bij de bestendiging van die ongelijkheid.

    Natuurlijk was het niet het onderwerp van Murrays lezing waartegen werd geprotesteerd, maar het feit dat hij in zijn boek The Bell Curve uit 1994 statistische IQ-verschillen tussen verschillende etniciteiten ter sprake had gebracht. Maar het belangrijkste thema van dat boek was de zorg dat sociale selectie de klassenverschillen in Amerika zou vergroten, precies het soort selectie dat door eliteopleidingen als Middlebury wordt bevorderd. Het prettige gevolg van de heftige protesten tegen Murray was dat er geen verder onderzoek hoefde te worden gedaan naar de wijdverbreide klassenverschillen in het huidige Amerika, en dat de elitestudenten van de eliteopleiding Middlebury zelfvoldaan konden volharden in hun demonstratieve steun aan het gelijkheidsbeginsel.

    Eigenbelang

    Zoals veel demonstraties tegen ongelijkheid op campussen van elite-universiteiten was het protest tegen Murray een echo van het verzet van de heersende klasse tegen de nobele leugen. De heersende klasse ontkent dat ze eigenlijk een zichzelf bestendigende elite is die niet alleen bepaalde vooroordelen heeft geërfd maar die ook wil doorgeven. Om dat te maskeren omschrijven ze zichzelf als de voorhoede van het streven naar gelijkheid, waarbij ze hun hogere status in feite ontkennen, evenals het feit dat ze door het handhaven van de klassenscheiding hun minder fortuinlijke landgenoten in een erbarmelijke en gevaarlijke situatie brengen. Je komt zelfs in de verleiding te concluderen dat hun hardnekkige verdediging van het gelijkheidsbeginsel een manier is om zich te ontdoen van werkelijke verplichtingen tegenover de lagere klasse die steeds verder uit hun geografische zicht en hun denkwereld verdwijnt. Omdat ze ongelijkheid verfoeien, hoeven ze zichzelf niet bewust als een heersende klasse te beschouwen. Door te ontkennen dat het zeer in hun eigenbelang is om hun elitepositie te handhaven, gaan ze er moeiteloos vanuit dat ze in onderlinge verwantschap geloven, zolang dat hun positie maar niet bedreigt. Het deel van de nobele leugen dat de elite ooit de stuipen op het lijf zou hebben gejaagd, namelijk de aanspraak op onderlinge verwantschap, is inmiddels irrelevant; in plaats daarvan verzetten ze zich tegen het niet-egalitaire deel van de mythe dat destijds, net als nu, voor zowel de elite als de lagere klasse vanzelfsprekend zou zijn geweest. De huidige lagere klasse zal haar ongelijkheid vermoedelijk evenzeer herkennen als die van Plato. Het is de elite die vatbaar lijkt voor een ‘vals bewustzijn’.

    ‘Wanneer de kloof tussen ideaal en realiteit te groot wordt, bezwijkt het systeem’

    Het domein van de nieuwe elite is al lange tijd voorspeld en het meest overtuigend besproken door maatschappijcritici als Michael Young, C. Wright Mills en Christopher Lasch. Tot de kundigste chroniqueurs van de nieuwe elite behoort columnist David Brooks van de New York Times, die in april 2001 een essay publiceerde, ‘The Organization Kid’ getiteld, waarin hij beschreef hoe de witte Amerikaanse aristocratie werd vervangen door een meritocratie. Nadat hij verscheidene weken onder studenten op de campus van Princeton had verkeerd, concludeerde Brooks dat er aan deze regimeverandering bepaalde voordelen kleefden maar beslist ook nadelen. Een nadeel was in zijn ogen de teloorgang van het ‘noblesse oblige’, de zorg van de heersende klasse voor mensen die minder fortuinlijk waren omdat ze het minder getroffen hadden met hun geboorte en afkomst. Brooks stelde dit tegenover het oude ideaal van de witte aristocratie dat op burgerlijke, militaire en protestantse waarden was gebaseerd: ‘Het Princeton uit die dagen had tot doel geprivilegieerde mannen uit hun prominente familie te halen en hen weerbaar te maken, hun een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid bij te brengen dat was gebaseerd op de code van de gentleman en noblesse oblige. Kortom, het had tot doel hun ridderlijkheid bij te brengen.’ Noblesse oblige verschafte de oude aristocratische orde een zekere mate van legitimiteit. Het stelde de heersende klasse in staat te beweren dat hun handelen niet uitsluitend door eigenbelang werd ingegeven, maar de hele gemeenschap ten goede kwam, vooral de amen en machtelozen. Het beeld van de dolende ridder die de jonkvrouw in nood te hulp schiet was een romantische en dramatische weergave van een veel bredere ethiek, namelijk die van de sterke die de zwakke beschermt. Het ancien régime, gebaseerd op bestuur door een erfelijke aristocratie die het belang van de hele gemeenschap voor ogen had, werd omvergeworpen omdat de meeste mensen niet langer in het idee ervan geloofden. Het vleiende zelfportret dat het régime schilderde van een paternalistische en zorgzame bovenklasse werd steeds meer gezien als een door eigenbelang ingegeven rationalisering en een vorm van maatschappelijk zelfbedrog ten dienste van de status quo. Barbara Tuchman beschreef de legitimiteitscrisis van de riddercode in haar boek A Distant Mirror:

    ‘Het ideaal was handhaving van de orde door de strijdende klasse naar het voorbeeld van de Ronde Tafel, de volmaaktste vorm in de natuur. De ridders van koning Arthur namen het op tegen draken, tovenaars en goddelozen om orde te scheppen in een woeste wereld. Dus hun levende tegenhangers werden in theorie geacht te fungeren als verdedigers van het geloof, handhavers van het recht en beschermers van de onderdrukten. In werkelijkheid waren zijzelf de onderdrukkers, en in de veertiende eeuw waren geweld en de wetteloosheid van de mannen van het zwaard een belangrijke oorzaak voor wanorde geworden. Wanneer de kloof tussen ideaal en realiteit te groot wordt, bezwijkt het systeem. Uit de legendes en verhalen blijkt dit keer op keer: in de Arthurromans wordt de Ronde Tafel van binnenuit vernietigd.’

    We kunnen het er snel over eens zijn dat er een kloof bestond tussen de zelfverklaarde ethiek van het noblesse oblige en de feitelijke daden van de adelstand van het ancien régime. Maar net als degenen die het politieke bestel gedurende de middeleeuwen veelal als een vanzelfsprekend natuurlijk gegeven beschouwden, beziet de huidige elite haar meritocratische rechtvaardiging van haar status en positie maar zelden met een sceptische blik.

    Oogkleppen

    Waar de elite zich wellicht opzettelijk blind houdt voor de aard van haar positie, ziet de rest van de samenleving duidelijk waar ze mee bezig is. De opstand van de arbeidersklasse overal in het ontwikkelde Westen komt voort uit een idee van onrechtmatigheid, van een kloof tussen de aanspraken van de heersende klasse en de realiteit die wordt ervaren door degenen over wie wordt geheerst. Het is geen toeval dat het socialistisch links en autoritair rechts zijn die in opstand komen, twee stromingen die zich nu beide verzetten tegen staatskapitalisme, een heersende klasse van managers, de financialisering van de economie en globalisering. De populistische opstand daagt de liberale orde zelf uit.

    Onze heersende klasse heeft grotere oogkleppen op dan die van het ancien régime. Anders dan de oude aristocraten houden ze vol dat hun exclusieve instellingen uitsluitend door voorstanders van gelijkheid worden bevolkt. Ze gaan luidkeels prat op hun eigen deugdzaamheid en zetten zich dubbel zo hard in voor diversiteit en inclusie. Ze schilderen fanatieke ultraconservatieven af als de grote belemmering voor volstrekte gelijkheid, en niet de elite-instellingen waarvan zijzelf profiteren. De instellingen die verantwoordelijk zijn voor het scheiden van de sociale en economische winnaars van de verliezers zijn grotendeels doof voor kritiek en lopen te koop met hun onafgebroken inzet voor het gelijkheidsbeginsel. De meritocratische ideologie verbloemt de rol die de heersende klasse zelf speelt bij het laten voortbestaan van de ongelijkheid en cultiveert zelfs een bredere sociale ecologie waarbinnen degenen die niet tot de heersende klasse behoren te kampen hebben met tal van sociale en economische kwalen die steeds kenmerkender worden voor de Amerikaanse lagere klasse. Om de realiteit onder ogen te zien zouden er dringende vragen moeten worden gesteld over de agenda die aan de inzet voor ‘diversiteit en inclusie’ ten grondslag ligt. Dat is wel het minste wat je van onze zelfverklaarde toewijding aan ‘kritisch denken’ zou mogen verwachten, maar de kans is groot dat zulke vragen zullen worden weggewimpeld, soms op een gewelddadige manier, op de hedendaagse campussen.

    Lees ook het artikel van een van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:

    Uit gelijkheidscampagnes die zich eerder op de inclusie van identiteitsgroepen richten dan op een onderzoek naar de klassenscheiding blijkt een ontstellend gebrek aan nieuwsgierigheid naar de medeplichtigheid aan een systeem dat de status van de elite generaties lang heeft veiliggesteld. Aandacht voor diversiteit en inclusie op grond van ‘ascriptieve’ kenmerken als ras, geslacht, invaliditeit of seksuele geaardheid stelt de heersende klasse in staat de klassenverschillen over het hoofd te zien en zich te concentreren op ongekozen vormen van identiteit. Diversiteit en inclusie passen keurig in de meritocratische structuur en houden de structuur van de nieuwe aristocratische orde stevig in het zadel.

    Harvard heeft mooi praten met haar verzet tegen uitsluiting: in 2017 werd maar vijf procent van de aanmeldingen gehonoreerd

    Dit verklaart mede de merkwaardige en vaak hysterische nadruk die de meeste elitaire en exclusieve instellingen in de VS op het gelijkheidsbeginsel leggen. Het meest recente absurde voorbeeld was de officiële poging van Harvard University om, in de woorden van haar bestuursvoorzitter, gezelligheidsverenigingen op te heffen vanwege hun rol ‘in het handhaven van vormen van bevoorrechting en uitsluiting die strijdig zijn met onze diepste waarden’. Harvard heeft mooi praten met haar verzet tegen uitsluiting: in 2017 werd vijf procent van de aanmeldingen (2056 van de 40.000) door de universiteit gehonoreerd. Het ontkennen van bevoorrechting en uitsluiting lijkt gelijke tred te houden met de exclusiviteit van de instelling.

    De veelgeprezen inzet voor gelijkheid, inclusie en diversiteit is niet alleen een denkmantel voor institutioneel elitarisme. Hij impliceert ook dat iedereen die desondanks buiten de boot valt zijn lagere status verdient. Als de elite haar sociale status, rijkdom en positie voornamelijk als het resultaat van haar eigen inspanning en werk beschouwt (en zeker niet van geboorte of erfenis), dan hebben zij die in de lagere klasse blijven hangen daar volgens diezelfde logica zelf voor gekozen. Dit geringschattende standpunt wordt ingenomen door prominente stemmen aan zowel de rechter- als de linkerzijde van het politieke spectrum. Zo zei James Stimson, hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de University of North Carolina, onlangs tegen de New York Times:

    ‘Als we kijken naar het gedrag van mensen die in behoeftige buurten wonen, dan zien we niet het effect van economische achteruitgang op de arbeidersklasse, we zien een uiterst selectieve groep mensen die met economische tegenspoed is geconfronteerd en ervoor heeft gekozen thuis te blijven en die te accepteren, terwijl anderen elders hun heil hebben gezocht en gevonden. (…) Degenen die angstig zijn, conservatief in maatschappelijke zin, en ambitie ontberen, blijven waar ze zijn en accepteren de achteruitgang.’

    Om een samenleving te laten functioneren moeten er tegelijkertijd twee schijnbaar tegenstrijdige overtuigingen worden gehuldigd: wij zijn radicaal verschillend en radicaal gelijk

    Met andere woorden, het is hun eigen schuld. Ze verdienen het om te verliezen, zoals de meritocraten van Harvard het verdienen om te winnen.

    Dat de heersende klasse van tegenwoordig eerder geneigd is ongelijkheid te veroordelen vanaf haar gemanicuurde campus dan dat ze naar buiten treedt om haar geloof in een gemeenschappelijk burgerbestaan uit te dragen is geen teken van grotere verlichting en vooruitgang, maar toont aan dat er een nieuwe aristocratie is ontstaan die zich niet bewust is van haar eigen positie en de verantwoordelijkheden die daarbij horen. Ze laat zich misleiden door een geüpdatete ‘nobele’ leugen.

    Nu, bijna vijfentwintighonderd jaar later, lijkt Plato’s nobele leugen toch zo onwaar nog niet. Om een samenleving te laten functioneren moeten er tegelijkertijd twee schijnbaar tegenstrijdige overtuigingen worden gehuldigd: wij zijn radicaal verschillend en radicaal gelijk. We zijn uiterst gedifferentieerd maar met elkaar verbonden. We zijn vaak tot radicaal verschillende taken geroepen, maar die taken zijn bedoeld om het geheel ten goede te komen. Plato dacht dat mensen het ‘feitelijke verschil’ gemakkelijk zouden kunnen onderkennen, omdat het zo vanzelfsprekend is voor onze zintuigen, zij het niet altijd gemakkelijk te accepteren voor mensen met een lagere status. De uitdaging was het kweken van een geloof in een gemeenschappelijke oorsprong en onderlinge verwantschap. De Staat van Plato was één poging om deze uitdaging te beantwoorden, zij het een nogal absurde en ongeloofwaardige (zoals Socrates meteen toegaf). Vandaag de dag hebben we twee mogelijke antwoorden.

    Liberale samenleving

    Zolang Amerika als natie bestaat, is het Amerikaanse credo altijd aan verwarde en uiteenlopende invloeden onderhevig geweest. De eerste was die van het politiek liberalisme. Dat legt de nadruk op individuele rechten en vrijheden en belooft dat als we ons gezamenlijk inzetten voor de totstandkoming van een liberale samenleving, onze uitgesproken en vaak onverzoenlijke verschillen beschermd zullen worden. Het liberalisme propageert politieke eenheid als een manier om onze persoonlijke verschillen veilig te stellen.

    De andere invloed was die van het christendom. Dat benadert de vraag vanuit het tegenovergestelde perspectief, met begrip voor onze verschillen om een sterkere eenheid te kweken. Dit is de krachtige boodschap van Paulus in 1 Korintiërs 12 en 13, waarin hij de kibbelende christenen van Korinthe vraagt te begrijpen dat hun gaven niet ter meerdere glorie van een bepaalde persoon of een bepaald slag mensen zijn, maar van het lichaam als geheel. John Winthrop herhaalde deze leerstelling in zijn zelden gelezen, vaak verkeerd geciteerde preek ‘A Model of Christian Charity’, die hij hield aan boord van de Arbella. Winthrop begint met de vaststelling dat mensen overal en altijd in lagere en hogere standen worden geboren; de armen zijn altijd onder ons, zoals Christus opmerkte. Dit onderscheid werd echter niet toegestaan om de eersten af te vallen en de tweeden te prijzen, maar ter meerdere glorie van God, opdat allen weten dat zij elkaar nodig hebben en verantwoordelijk zijn voor het delen van bepaalde gaven tot nut van het algemeen. Verschillen in talent en omstandigheden bestaan om een sterkere eenheid te bevorderen.

    Een samenleving die alleen is gebaseerd op een gemeenschappelijk geloof in individuele verschillen zal uitlopen op een totale oorlog

    Zolang het liberalisme niet volledig zichzelf was, zolang het werd gecorrigeerd en zelfs gestuurd door het christendom, was een werkend sociaal contract mogelijk. In het christendom wordt verschil tot eenheid geordend. In het liberalisme wordt eenheid gewaardeerd zolang het verschil bevordert. Het Amerikaanse experiment vermengde en verwarde deze twee begrippen, maar alleen net genoeg om er een blijvende bron van zorg van te maken. De balans was nooit perfect omdat er altijd te veel ontbrak, slingerde altijd heen en weer tussen een quasi-theologische verkondiging van eenheid en ontworteld individualisme. Maar er bleek bijna tweehonderdvijftig jaar lang mee te leven. De recente sterke afname van gelovigheid en christelijke morele normen wordt door velen als een triomf van het liberalisme beschouwd, en dat is het in zekere zin ook. Tegenwoordig wordt onze eenheid vrijwel volledig in het licht van onze verschillen gezien. We komen bijeen… om diversiteit te vieren. En tegenwoordig fungeert de viering van diversiteit ten slotte altijd als masker voor macht en ongelijkheid.

    In deze opzet vigeert de taal van het recht. Maar zoals Simone Weil decennia geleden al opmerkte, is de taal van het recht uiteindelijk niet in staat een gemeenschappelijk leven op te bouwen, of zelfs maar in stand te houden:

    ‘Als je tegen iemand met oren om te horen zegt: “Wat je me aandoet is onjuist,” dan wakker je aandacht en liefde aan in hun meest oorspronkelijke vorm. Maar dat geldt niet voor woorden als “ik heb het recht…” of “jij hebt het recht niet om…”. Die lokken een latente oorlog uit en wakkeren tweespalt aan. Door van het rechtenidee het middelpunt van sociale conflicten te maken wordt beide kanten iedere aandrang tot naastenliefde ontnomen.’

    Weil voorspelde wat we nu meemaken. Na meer dan twee eeuwen kunnen we niet langer stellen dat christendom en liberalisme met elkaar verenigbaar zijn. Het liberalisme is in opkomst, maar het zal een pyrrusoverwinning behalen. Een samenleving die alleen is gebaseerd op een gemeenschappelijk geloof in individuele verschillen zal uitlopen op een totale oorlog. De natuurlijke staat ligt niet in een denkbeeldig verleden; hij is duidelijk zichtbaar in een nabije en maar al te reële toekomst.

    De nieuwe aristocraten denken dat we de behoefte aan het christendom, dat ze als een even leugenachtige mythe beschouwen als de nobele leugen van Plato, zijn ontstegen. Ze geloven dat ze door het verwerpen van de oude mythen de voorhoede van een nog gelijkwaardiger samenleving kunnen worden. Ze hebben geen oog voor het feit dat deze aanspraak een vorm van statushandhaving is, zodat ze een sterkere gemeenschappelijke band met degenen die ze als achterlijk beschouwen kunnen ontkennen. De elite verfoeit populisten maar ontkent dat zijzelf een klassenoorlog heeft ontketend. Ze hekelt de afstotelijkheid van Donald Trump en is zich totaal niet bewust van haar medeplichtigheid aan zijn opkomst.

    We bevinden ons in een gebied dat nog niet in kaart is gebracht. Het liberalisme heeft gedurende zijn hele geschiedenis gecoëxisteerd met het christendom, waarbij het christendom de harde kantjes van de heersende politieke filosofie afschaafde en de elite verplichtte haar bevoorrechte positie te erkennen, evenals de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden en verplichtingen jegens de minder fortuinlijken. De volstrekte minachting van de hedendaagse elite voor de arbeidersklasse is een weerspiegeling van onze pas ontdekte ‘verlichting’, zoals de overtuiging van de lagere klasse dat alleen een sterke en even minachtende leider de elite in bedwang zal kunnen houden dat ook is. Het liberalisme is erin geslaagd de oude goden van het openbare plein te verwijderen, zodat het een onguur strijdperk is geworden voor ongelijken die niets gemeenschappelijks meer bij elkaar herkennen. Of dat plein weer gevuld kan worden met opnieuw vertelde oude verhalen over een gemeenschappelijke oorsprong en bestemming, of dat het gewoon gedomineerd moet worden door degene die de sterkste blijkt, is de uitdaging voor ons tijdperk.

    Patrick J. Deneen

    Patrick J. Deneen is een internationaal gerenommeerd politiek denker en universitair hoofddocent Politieke Wetenschappen aan de universiteit van Notre Dame. Hij publiceerde over democratie, Amerikaanse politieke filosofie, politieke theologie, religie en Amerikaans liberalisme, en literatuur en politiek.

    Deneen schreef meerdere boeken, waaronder Why Liberalism Failed (2018), dat werd vertaald in vijftien talen. Het boek werd een veelbesproken titel en heeft nog steeds grote invloed op het denken over liberalisme. President Barack Obama liet zich lovend uit over Deneens boek en schreef dat ‘het de lezer dieper inzicht verschaft in het verlies van gemeenschapszin die velen in het Westen voelen, en de onderkenning van de waarde ervan in liberale democratieën’.

  • Amerikaans dorp lokt thuiswerkers met gratis oppas

    Amerikaans dorp lokt thuiswerkers met gratis oppas

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Afrikaanse kinderen verkopen wifiwachtwoorden voor lunchgeld

    » Pandora Papers: Chileense president ontsnapt aan impeachment

    Greensburg, Indiana, biedt gratis oppasopa‘s en -oma’s aan

    Greensburg, een Amerikaanse plattelandsgemeente in het zuidoosten van Indiana, op zo’n 80 kilometer van Indianapolis, heeft de interesse weten te wekken van honderden gezinnen die nu overwegen erheen te verhuizen. De gemeente biedt namelijk ‘grootouders’ aan om op kinderen te passen, als onderdeel van een stimuleringsprogramma dat beoogt om mensen aan te trekken die thuis werken. Greensburg biedt deze gratis service de komende zes tot twaalf maanden aan als onderdeel van een programma dat ‘Grandparents on Demand’ is genoemd, aldus ABC News.

    Slechts twee weken na de lancering van het initiatief zijn er al meer dan duizend aanmeldingen binnengekomen, volgens Evan Hock, medeoprichter van MakeMyMove, een online bedrijf dat thuiswerkers in het hele land in contact brengt met dergelijke lokkertjes. Volgens Hock heeft het unieke aanbod een ‘belangrijke bijdrage’ geleverd aan de grote interesse. Nu al wordt overwogen om het Greensburg-programma op te schalen, afhankelijk van de beschikbaarheid van woningen.