In Myanmar is een temperatuur van 48,2 graden Celsius gemeten
Een extreme hittegolf, met temperaturen ruim boven de 40 graden, eist in Zuid- en Zuidoost-Azië zijn tol. Dat schrijft South China Morning Post. Onder meer de Filipijnen, Myanmar, Thailand en India kampen met de aanhoudende hitte.
De temperatuur in het centrum van Manilla, de hoofdstad van de Filipijnen, steeg volgens de nationale weerberichtgevers zaterdag tot 38,8 graden Celsius. Daarmee werd de hoogste temperatuur ooit gemeten (in mei 1915) overtroffen, meldde ABS-CBN News. Als reactie op het broeierige weer en de staking van het jeepneyvervoer in het hele land heeft het ministerie van Onderwijs de openbare scholen op maandag en dinsdag gesloten.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
In Thailand bereikte de vraag naar elektriciteit zaterdag een record van 36.356 megawatt, aldus het ministerie van Energie. Bangkok waarschuwde vorige week al voor de extreme hitte toen de hitte-index steeg tot een ‘zeer gevaarlijk’ niveau. Dit jaar zijn er in Thailand al 30 mensen gestorven door de hoge temperaturen, vergeleken met 37 dodelijke slachtoffers door de hitte in heel 2023.
Myanmar heeft in april de heetste temperatuur ooit gemeten, zeiden de autoriteiten maandag. Het kwik steeg zondag tot 48,2 graden in de stad Chauk in de Magway regio in het midden van Myanmar. Dit is de hoogste temperatuur in Myanmar in april sinds het begin van de metingen 56 jaar geleden.
Verwoestende gevolgen zijn ‘vooral te wijten aan achteruitgang van het milieu’
Een ware ‘stortvloed’ met enorme verwoestingen als gevolg is neergedaald in Oost-Afrika, meldt The Citizen. In Tanzania heeft het regenseizoen, verergerd door het weerfenomeen El Niño, de afgelopen weken dodelijke overstromingen en aardverschuivingen veroorzaakt, vertelde premier Kassim Majaliwa donderdag aan het parlement.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Meer dan 51.000 huizen en 200.000 mensen zijn getroffen, met 155 doden, ongeveer 236 gewonden en meer dan 10.000 huizen die in verschillende mate beschadigd zijn,’ aldus Majaliwa. De verwoestende gevolgen van de regen zijn ‘vooral te wijten aan de achteruitgang van het milieu’, voegde hij eraan toe, waarbij hij met name wees op de ontbossing.
Buurland Kenia ging donderdag door met het tellen van de slachtoffers en het zoeken naar de vermisten, als gevolg van de overstromingen in verschillende districten van de hoofdstad Nairobi en in naburige provincies. Volgens de autoriteiten staat het dodental op 13, na de ontdekking van drie lichamen in de sloppenwijk Mathare donderdag, een van de zwaarst getroffen gebieden.
Geluidsoverlast door verkeer heeft invloed op gezondheid, groei en voortplanting
Uit onderzoek is gebleken dat geluidsoverlast door verkeer de groei van babyvogels belemmert, zelfs als ze nog in het ei zitten. Dat meldt The Guardian. Pasgeboren vogels en jongen die worden blootgesteld aan lawaai van stadsverkeer ervaren op de lange termijn negatieve effecten op hun gezondheid, groei en voortplanting, zo blijkt uit de studie.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Geluid heeft een veel sterkere en directere impact op de ontwikkeling van vogels dan we voorheen wisten’, zegt dr. Mylene Mariette, expert op het gebied van vogelcommunicatie aan de Deakin University in Australië en co-auteur van de studie, gepubliceerd in het tijdschrift Science. ‘Het zou verstandig zijn om meer te werken aan het terugdringen van de geluidsoverlast.’
Uit een groeiend aantal onderzoeken blijkt dat geluidsoverlast vogels stress bezorgt en de communicatie voor hen bemoeilijkt. Maar of vogels al op jonge leeftijd last hebben van lawaai en hoe lawaai hun omgeving en ouderlijke zorg verstoort, was nog onduidelijk. Zo ontdekten de onderzoekers dat zebravinken 20 procent minder kans hebben om uit eieren te komen als ze worden blootgesteld aan geluidsoverlast.
De zachte koralen, zeespinnen en andere fauna die zich hebben aangepast aan ijskoude temperaturen, lopen het risico uit te sterven als het zeewater verder opwarmt. Tijd om een Antarctische dierentuin op te zetten om het ecosysteem te behouden, aldus bioloog Lloyd Peck.
Stel je een Antarctische dierentuin voor. Getooid met winterjassen, mutsen en handschoenen betreden bezoekers het van airconditioning voorziene vogelhuis en worden getrakteerd op het schorre geschreeuw van keizerspinguïns. Op rotswanden in de buurt van zee-ijs zijn adeliepinguïns op een komische manier steentjes aan het verzamelen terwijl sneeuwstormvogels over ze heen vliegen. Op de afdeling zeezoogdieren gaan Weddellzeehonden, gevlekte blubberige wezens, langzaam kopje onder in kristalhelder water. Een dreumes in skioverall drukt haar handjes tegen het dikke glas, een paar onzichtbare centimeters verwijderd van het Zuidpoolgebied.
Deze schepsels behoren tot zo’n andere wereld dat je als bezoeker wordt gedwongen je kijk op het leven te herzien
Ook al zijn pinguïns en zeehonden hier de grootste dieren, het zijn de bewoners van de zeebodem, de benthische fauna, die de meeste indruk maken. Deze schepsels behoren tot zo’n andere wereld dat je als bezoeker wordt gedwongen je kijk op het leven te herzien. Er zijn zeeanemonen zo groot als een emmer, twaalfarmige zeesterren die zo groot worden als deksels van vuilnisbakken en zogeheten zeespinnen – geen familie van de op aarde levende spinachtigen – met lichamen zo klein dat hun voortplantingsorganen en spijsverteringskanaal tot in hun poten reiken. En dan zijn er de vissen, waaronder zestien soorten Antarctische ‘ijsvissen’ die in water van 2 graden onder nul leven en hun organen ijsvrij houden door hun lichaam vol antivriesproteïnen te pompen.
Als bezoekers de hoofdzaal van deze gekoelde dierentuin verlaten, lopen ze onder een replica door van het skelet van een spitssnuitdolfijn, een soort waarmee de mens voor het eerst kennismaakte toen er in 1846 een schedel van aanspoelde op de kust van Nieuw-Zeeland. Er is hier geen ruimte voor zulke omvangrijke walvisachtigen, maar deze replica licht een tipje op van de sluier van de Zuidelijke Oceaan, die zo onmetelijk en zo weinig verkend is dat scholen van tien meter lange zoogdieren zich er moeiteloos kunnen schuilhouden.
Wonderen
Helaas, zo’n centrum vol Antarctische wonderen bestaat niet. Het is een visioen van Lloyd Peck, een Britse bioloog bij de British Antarctic Survey die al drie decennia onderzoek doet naar het leven in Antarctica en de omringende Zuidelijke Oceaan. Nu delen van het continent snel opwarmen, ziet hij dat dat leven er in gevaar verkeert. Dieren die voor het broeden afhankelijk zijn van zee-ijs, zoals keizers- en adeliepinguïns en Weddellzeehonden, trekken zich terug in zuidelijke richting, het geleidelijk verdwijnende ijs achterna. De tere zachte koralen, zeespinnen en andere benthische fauna die zich hebben aangepast aan ijskoude temperaturen, lopen het risico uit te sterven als het warmere water grotere metabolische eisen stelt.
Door Pecks ogen bekeken lijkt het visioen van een Antarctische dierentuin geen luchtkasteel maar pure noodzaak
Door Pecks ogen bekeken lijkt het visioen van een Antarctische dierentuin geen luchtkasteel maar pure noodzaak. Maar hoewel milieuorganisaties en overheidsinstellingen geld besteden aan het beschermen van enkele charismatische soorten, blijft de dreigende ineenstorting van een uniek ecosysteem grotendeels buiten beeld. Een dierentuin kan een kwakkelend ecosysteem in leven helpen houden en, als de menselijke CO2-emissies een halt wordt toegeroepen, bijdragen aan het herstel van Antarctica. ‘We hebben zaadbanken voor de landbouw en we hebben elders dierentuinen om de afnemende biodiversiteit op peil te houden,’ zegt Peck. ‘Maar voor Antarctica ontbreekt zoiets.’
Antarctisch dier
Pas halverwege de negentiende eeuw beschreven wetenschappers voor het eerst een Antarctisch dier. Een van de eerste was een vlokreeft, een lid van een schaaldierenfamilie waartoe ook de strandvlooien ter grootte van een tic tac behoren die op het strand onder je voeten uiteenstuiven. Maar deze, de Glyptonotus antarcticus, wordt zo groot als je hand, een gigantisme dat je vaak aantreft bij schepsels op dit continent. Hun uitzonderlijke formaat is vermoedelijk het gevolg van het hogere zuurstofniveau van koud water, waardoor dieren meer metabolische brandstof krijgen om te groeien.
Aan de manier waarop het continent is ontstaan dankt Antarctica zijn kustlijnen met een heel divers leven. Nadat de circumpolaire stroom het continent zo’n dertig miljoen jaar geleden had losgemaakt van Zuid-Amerika, vormde deze snelle en krachtige stroom in de Zuidelijke Oceaan een barrière voor vrijwel alle zeedieren, behalve de allersterkste. De circumpolaire stroom scheidde Antarctica ook van het warmere water van naburige oceanen, wat tot een geleidelijke afname van de temperatuur leidde. Zeventig miljoen jaar geleden bereikte de oppervlaktetemperatuur van de Zuidelijke Oceaan een tropische 21 graden; nu komt ze zelden boven de 1 graad uit.
Er leven naar schatting zo’n twintigduizend soorten in het diepe water dat het Antarctische continent omringt
Afkoeling was de algemene trend. Maar terwijl de aarde om haar as schommelde, waren er ook periodes van opwarming. Naargelang koude en gematigdere temperaturen elkaar afwisselden, werden zeebodems door zee-ijs en gletsjers bedekt en weer blootgelegd. Dit regelmatige sluiten en openen van habitats, zo stelt één theorie, werkte als een ‘biodiversiteitspomp’ die de benthische fauna creëerde die in beschutte hoekjes kan uitgroeien tot een onderwaterregenwoud van sponzen, zachte koralen en reusachtige zeeanemonen.
Er leven naar schatting zo’n twintigduizend soorten in het diepe water dat het Antarctische continent omringt, een mate van diversiteit die vergelijkbaar is met andere mariene omgevingen, tropische koraalriffen uitgezonderd – en daarover is maar weinig bekend. ‘Voor maar achtduizend soorten hebben we namen,’ zegt Melody Clark, moleculair bioloog bij de British Antarctic Survey. En een naam is nog maar het beginpunt van de meeste wetenschappelijke studies; van deze achtduizend soorten, aldus Clark, kennen we alleen de levenscyclus en de ecologische relaties van een handjevol van de meest voorkomende soorten die het dichtst in de buurt van onderzoekscentra leven. Het overgrote merendeel is dus nog onbekend.
Aanpassingen aan kou
Clark is met name geïnteresseerd in moleculaire aanpassingen aan kou, een verschijnsel waarvan ijsvissen een schoolvoorbeeld zijn. Anders dan alle andere gewervelde dieren hebben ijsvissen geen rode bloedcellen of hemoglobine, de eiwitten in onze bloedsomloop die voor het transport van zuurstof zorgen. Hun bloedvaten zijn een derde groter dan die van even grote vissen uit gematigder regionen, zodat de zuurstof uit hun omgeving vrijelijk door hun lichaam kan circuleren.
‘Ze zijn in biologisch opzicht unieker dan olifanten, leeuwen, tijgers, arenden, ouistiti’s en alle andere dieren die ons lief zijn,’ zegt Clark. ‘IJsvissen leven anders.’
Die andere manier van leven kan nu verloren gaan. Sinds 1950 is de lucht die rond Antarctica circuleert met 3 graden opgewarmd, vijf keer zo snel als het mondiale gemiddelde. Naar verwachting zal de temperatuur van het oppervlaktewater van de Zuidelijke Oceaan de komende vijftig jaar met 1 graad stijgen. Voor dieren die zijn aangepast aan water waarvan de temperatuur onveranderlijk onder nul is, kan zo’n kleine verhoging reusachtige gevolgen hebben. Warmer water bevat minder zuurstof; de helderbloedige ijsvissen zijn evolutionair gezien misschien ten dode opgeschreven, zegt Clark.
Volgens sommige schattingen zal het aantal landdieren op het continent met twee derde afnemen als Antarctica opwarmt en het zee-ijs terugtrekt
Hun precaire situatie is niet uniek. Volgens sommige schattingen zal het aantal landdieren op het continent met twee derde afnemen als Antarctica opwarmt en het zee-ijs terugtrekt; de prognose voor zeedieren is al even rampzalig. Uit experimenten van Peck en Clark zelf blijkt dat zelfs de geringste opwarming ertoe leidt dat mosdiertjes en borstelwormen, de belangrijkste kolonisatoren van zeebodems langs de kust, metabolische veranderingen ondergaan waardoor ze niet langer genoeg voedingsstoffen binnenkrijgen tijdens de vier maanden lange poolnacht, waarin de planktonpopulatie waarmee ze zich gewoonlijk voeden van nature afneemt.
Aanpassingsvermogen aan kou
Maar waarom zouden we proberen al die soorten te redden? Wat is de waarde van een soort? Wie ligt er wakker van als een ijsvis waarvan je nog nooit hebt gehoord in de krochten van de diepe tijd verdwijnt? Eén veelgehoord argument is dat deze dieren met hun aanpassingsvermogen aan kou ons veel kunnen leren over weefselbehoud, of over enzymen die industriële processen bij lage temperaturen mogelijk zouden maken. Vanuit een minder utilitair oogpunt beschouwd zijn deze schepsels de evolutionaire producten van een natuurlijk experiment dat waarschijnlijk nooit meer herhaald zal worden. Omdat het continent door de circumpolaire stroom van de rest van de wereld is gescheiden, biedt Antarctica plaats aan een groot aantal endemische soorten waarvan je ruwweg de helft nergens anders op aarde aantreft.
Als een endemische soort in Antarctica verloren gaat, gaat hij overal verloren. Een stukje erfgoed van de aarde verdwijnt dan. Er zijn geen populaties waardoor het misschien gereproduceerd zal worden – voorlopig niet, tenminste.
En dan kunnen we over vijfhonderd jaar misschien een ecosysteem herbouwen’
Maar zolang er vloeibare stikstof voorhanden is, kan genetische data eindeloos worden bewaard. Voordat er faciliteiten voor levende dieren worden gebouwd, zou zowel Clark als Peck graag een ‘bevroren dierentuin’ zien voor genetisch materiaal dat afkomstig is van de fauna van het continent. Dit zou niet alleen een basis leggen voor het bestuderen van de biologische grondslag van de aanpassing aan kou, maar het ook mogelijk maken, als we Pecks toekomstvisie voor de lange termijn mogen geloven, om soorten zelfs na hun uitsterving te herintroduceren. ‘Als het dan weer afkoelt, heb je tenminste de informatie om te herscheppen wat er was,’ zegt hij. ‘En dan kunnen we over vijfhonderd jaar misschien een ecosysteem herbouwen.’
Het opslaan van DNA is veel eenvoudiger dan het huisvesten van pinguïns, zeehonden en de duizenden schepsels waarvan we bijna niets afweten, maar toch zou het een enorme toer zijn. Om genoeg van hun diversiteit te conserveren zouden van alle twintigduizend Antarctische soorten minstens twintig tot vijftig individuen moeten worden verzameld. En die twintigduizend soorten staan alleen voor dieren die groot genoeg zijn om met het blote oog te worden waargenomen.
Raderdiertje
Ook de microscopisch kleine wezens van Antarctica zijn uniek en in extreme mate aangepast aan de kou; niet alleen de gewervelde dieren van Antarctica zijn bijzonder, ook het beerdiertje, het raderdiertje en de draadworm verschillen sterk van hun verwanten uit gematigder regionen. En dan zijn er nog de bacteriën die bijvoorbeeld leven op plekken waar het vaste gesteente kaal is als gevolg van bergwinden en de temperaturen tijdens de donkere winters zakken tot 55 graden onder nul. Ook die zouden gesampled moeten worden.
Hoe omvangrijk en ingewikkeld zo’n onderneming ook zou zijn, onvoorstelbaar is die niet, vooral niet omdat de kosten van DNA-sequencing elk jaar dalen. ‘Als er geld beschikbaar was, zouden we zoiets vrij makkelijk voor elkaar kunnen krijgen,’ zegt Clark. ‘Er is gewoon nog nooit een initiatief toe genomen.’
Met nog meer financiële middelen zouden er voor de Antarctische fauna ook projecten voor voortplanting in gevangenschap kunnen worden ontwikkeld; misschien niet op de enorme schaal die Pecks visioen van een gesloten ecosysteem impliceert – al zou dat er uiteindelijk wel uit kunnen voortvloeien – maar voldoende om te zorgen dat een handvol Antarctische endemische wezens de flessenhals van de klimaatverandering doorkomt. Maar om dat te laten gebeuren moet er nu wel een begin worden gemaakt.
‘We weten minder van het beheer van die soorten dan bij enige andere diersoort,’ zegt Peck. Van de meeste soorten reusachtige zeespinnen weten wetenschappers niet eens wat ze eten, laat staan dat ze in staat zijn ze tot paren aan te sporen of in leven te houden in gevangenschap. ‘Ook al zouden we hier nu serieus mee beginnen, dan nog zal het waarschijnlijk drie decennia duren voordat we echt goede faciliteiten hebben,’ vervolgt Peck. ‘We hebben misschien nog hooguit vijf decennia voordat we in het Zuidpoolgebied significante aantallen soorten beginnen te verliezen. Als we zo’n vorm van natuurbehoud niet op poten zetten, zullen we onvermijdelijk soorten kwijtraken.’
Maar als er geen koude gebieden zijn, wat moet je dan?
Zoals een stad zich niet alleen laat definiëren door de mensen die er wonen, zo is Antarctica meer dan zijn fauna alleen. Het is een oord van rust en onmetelijke leegte. Miljoenen jaren lang zijn enorme brokken ijs door wind en golven tot een eindeloze variëteit van flonkerende blauwe vormen gebeeldhouwd. Naast het gekraak en geknal daarvan is het uitademen van een walvis het enige andere geluid. Het is onmogelijk zo’n ruimte te simuleren.
Of hij nu levende dieren of hun DNA-sequenties bevat, een Antarctische dierentuin is een manier om een ecosysteem voor de ondergang te behoeden. Het is beslist een deprimerend vooruitzicht: een continent dat is gereduceerd tot een paar in gevangenschap levende bubbels. Een herinnering aan een wereld die verloren is gegaan. Maar toch, zou een herinnering niet beter zijn dan helemaal niets? In een ideale wereld zou de ergste klimaatverandering worden voorkomen en zou de unieke fauna van Antarctica er zonder kleerscheuren afkomen, maar nu is het tijd om ons op het ergste voor te bereiden.
‘Ik vraag vaak aan mijn studenten: als er iets opwarmt, wat verdwijnt er dan?’ zegt Peck. ‘Dat zijn de koude gebieden. Er zullen hete gebieden zijn voor hete dingen. Er zullen warme gebieden zijn voor warme dingen. Maar als er geen koude gebieden zijn, wat moet je dan?’
Haar boek werd in elf talen vertaald en kreeg in elk daarvan dezelfde, oorspronkelijke titel: Bitch. In dit werk rekent zoöloog Lucy Cooke af met alle ‘victoriaanse’ mythes over gender en seksualiteit in het dierenrijk. Lees hier het voorwoord.
Als zoölogiestudent voelde ik me een nogal trieste misfit. Niet omdat ik van spinnen hield, het leuk vond om roadkill (doodgereden dieren) open te snijden of vrolijk in dierenpoep wroette om te kijken wat hun eigenaar gegeten kon hebben. Dat soort aparte afwijkingen hadden al mijn medestudenten, dus je hoefde je nergens voor te schamen. Nee, de bron van mijn ongenoegen was mijn sekse. Mijn vrouwzijn betekende maar één ding: ik was een loser.
‘Vrouwtjes worden uitgebuit en de fundamentele evolutionaire basis voor die uitbuiting is het feit dat eitjes groter zijn dan zaadcellen,’ schreef mijn universitair docent Richard Dawkins in zijn beroemde evolutiebijbel De zelfzuchtige genen.
Volgens de wetten der zoölogie werden wij eitjesproducenten verraden door onze lijvige geslachtscellen. Onze voormoeders hadden aan het kortste eind getrokken in de oerloterij van het leven door onze genetische erfenis te investeren in een paar voedselrijke eicellen in plaats van miljoenen mobiele zaadcellen. Nu waren we voor eeuwig gedoemd om tweede viool te spelen naast de spermaspuiters, als vrouwelijke voetnoot bij het grote machogebeuren.
Ik kreeg te horen dat deze schijnbaar zo triviale ongelijkheid in onze geslachtscellen een keiharde biologische basis voor seksuele ongelijkheid vormde. ‘Het is mogelijk om alle andere verschillen tussen de seksen te interpreteren als voortvloeisels uit dit ene basale verschil,’ vertelde Dawkins ons. ‘Dit is de grondslag van vrouwelijke uitbuiting.’
Mannetjesdieren leidden avontuurlijke levens vol heroïsche worstelingen. Ze bevochten elkaar om leiderschapsposities of toegang tot vrouwtjes. Ze neukten lukraak in het rond, voortgedreven door het biologische dictaat om hun zaad wijd en zijd te verspreiden. En ze waren sociaal dominant; de mannetjes leidden, de vrouwtjes volgden gedwee. De rol van het vrouwtje was uiteraard die van de onzelfzuchtige moeder, en moederlijke daden werden gezien als één pot nat: we hadden nul concurrerende macht. Seks was eerder een plicht dan een drang.
En wat de evolutie betrof, waren het de mannetjes die de richting bepaalden. Wij vrouwtjes konden meeliften dankzij gedeeld dna zolang we beloofden ons te gedragen en onze mond te houden.
Als eitjesproducerende student van de evolutie zag ik mezelf helemaal niet weerspiegeld in de rolmodellen van deze jarenvijftigsitcom. Was ik een soort afwijking van het gangbare vrouwelijke?
Het antwoord is gelukkig nee.
De biologie is doorkneed met een seksistische mythologie die onze blik op vrouwtjesdieren vervormt. In de natuur variëren vrouwtjes enorm in uiterlijk en rol, wat een fascinerend spectrum van anatomie en gedrag oplevert. Jazeker, de liefhebbende moeder bestaat, maar ook de jacana, een vogel die haar eieren achterlaat om haar jonkies te laten grootbrengen door een harem van bedrogen mannetjes. Vrouwtjes kunnen trouw zijn, maar slechts zeven procent van alle diersoorten is seksueel monogaam, zodat er een hele hoop vreemdgaande vrouwtjes zijn die met meerdere partners de bosjes in duiken. Lang niet alle dierengemeenschappen worden gedomineerd door mannetjes; in een heel scala aan soorten zijn alfavrouwtjes geëvolueerd, en de manier waarop ze hun gezag doen gelden, varieert van goedaardig (bonobo’s) tot bijzonder hardvochtig (bijen). Vrouwtjes kunnen net zo fel met elkaar concurreren als mannetjes: lieran- tilopes leveren woeste veldslagen met hun gigantische hoorns om toegang tot de beste mannetjes te krijgen, en stokstaartjes- matriarchen zijn de meest moordzuchtige zoogdieren op aarde, aangezien ze de kleintjes van hun concurrenten vermoorden en hun voortplanting belemmeren. Dan zijn er nog de femme fa- tales: kannibalistische vrouwtjesspinnen die hun minnaars ver- orberen als post- of zelfs precoïtale snackjes, en ‘lesbische’ ha- gedissen die helemaal geen mannetjes nodig hebben en zich uitsluitend voortplanten door zichzelf te klonen.
In de afgelopen decennia heeft er een revolutie plaatsgevonden die ons meer inzicht heeft gegeven in het vrouwelijke. Dit boek gaat over die revolutie. Ik wil je voorstellen aan een waanzinnige cast van opmerkelijke vrouwtjesdieren en de wetenschappers die ze bestuderen, die samen niet alleen nieuw licht hebben geworpen op het vrouwtjesdier, maar ook op de vormende krachten achter de evolutie.
Om te begrijpen hoe deze scheve blik op de natuur is ontstaan, moeten we terug in de tijd naar het victoriaanse Engeland voor een bezoekje aan mijn wetenschappelijke idool: Charles Darwin. Darwins theorie over evolutie door natuurlijke selectie verklaarde hoe de rijke variëteit in het leven op aarde is voortgekomen uit een gezamenlijke voorouder. Organismes die beter aan hun omgeving zijn aangepast, zullen eerder overleven en de genen doorgeven die hun succes hebben bevorderd. Dit proces zorgt ervoor dat soorten mettertijd veranderen en zich afsplitsen. Dit idee, dat vaak ten onrechte ‘survival of the fittest’ wordt genoemd – een term die in omloop is gebracht door de filosoof Herbert Spencer en die Darwin alleen in de vijfde editie van Over het ontstaan van soorten (1869) liet opnemen omdat hij zich daartoe gedwongen voelde is even briljant als simpel en wordt terecht een van de grootste intellectuele doorbraken uit de geschiedenis van de mensheid genoemd.
Hoe ingenieus natuurlijke selectie ook is, het kan niet alles verklaren wat we in de natuur aantreffen. Darwins evolutietheorie vertoonde een paar gapende gaten die veroorzaakt werden door ingewikkelde kenmerken als hertengeweien of pauwenstaarten. Zulke extravaganties boden in het dagelijks leven geen enkel voordeel en zouden zelfs eerder als hinderlijk beschouwd kunnen worden. Als zodanig konden ze niet gevormd zijn door de utilistische krachten van natuurlijke selectie. Dat zag Darwin ook in en hij heeft er lange tijd flink mee in zijn maag gezeten. Hij besefte dat er een ander evolutionair mechanisme in het spel moest zijn, met een heel andere agenda. Dat, zo besefte Darwin uiteindelijk, was de jacht op seks, dus noemde hij het ‘seksuele selectie’.
Volgens Darwin verklaarde deze nieuwe evolutionaire kracht die flamboyante kenmerken: hun enige doel moest het veroveren of aantrekken van de andere sekse zijn. Ten teken van hun niet-essentiële aard noemde Darwin dit soort luxe-eigenschappen ‘secundaire geslachtskenmerken’, om ze te onderscheiden van ‘primaire geslachtskenmerken’, zoals voortplantingsorganen en geslachtsdelen, die inderdaad tamelijk onmisbaar zijn voor de voortzetting van het leven.
Een luttele tien jaar nadat hij de wereld met natuurlijke selectie had geconfronteerd, publiceerde Darwin zijn tweede grote theoretische meesterwerk: De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse (1871). Dit dikke vervolgwerk schetste zijn nieuwe theorie over seksuele selectie, die de diepgaande verschillen die hij tussen de seksen zag moest verklaren. Als natuurlijke selectie de strijd om overleving is, is seksuele selectie in wezen de strijd om voortplantingspartners. En voor zover Darwin het zag, was die competitie grotendeels het domein van de mannetjes.
‘De mannetjes van bijna alle dieren hebben hevigere hartstochten dan de wijfjes. Daarom zijn het de mannetjes die met elkaar vechten en met koppige volharding hun charmes tentoonspreiden voor de wijfjes,’ verklaart Darwin. ‘Het wijfje daarentegen is, op de zeldzaamste uitzonderingen na, minder vurig dan het mannetje. […] over het algemeen “is het nodig haar het hof te maken”; zij is terughoudend.’
In Darwins ogen breidde seksuele dimorfie zich dus ook uit tot het gedrag van beide geslachten. Deze sekserollen waren net zo voorspelbaar als fysieke kenmerken. Mannetjes nemen het evolutionaire voortouw door het gevecht aan te gaan met ‘wapens’ of ‘charmes’ die speciaal zijn geëvolueerd om het vrouwtje te ‘veroveren’ en haar te ‘bezitten’. De concurrentie is zodanig dat mannetjes enorm van elkaar verschillen in hun voortplantingssucces, en deze seksuele selectie drijft de evolutie van winnende kenmerken aan. Vrouwtjes hebben minder aanleiding tot variatie; hun rol is er een van onderwerping aan en het doorgeven van deze mannelijke kenmerken. Darwin wist niet goed waarom die ongelijkheid bestond, maar hij vermoedde dat ze terug te voeren was op de geslachtscellen en het feit dat vrouwtjes veel energie spendeerden aan hun moederlijke investeringen.
Darwin moest er dus alles aan doen om deze vrouwelijke macht te bagatelliseren
Darwin wist dat het mechanisme van seksuele selectie naast mannelijke concurrentie ook een element van vrouwelijke keuze moest bevatten. Dat was lastiger te verklaren, omdat dit het zwakke geslacht een ongemakkelijk actieve rol gaf in het modelleren van het mannetje – iets wat in het victoriaanse Engeland niet goed zou vallen en, zoals we in hoofdstuk 2 zullen ontdekken, Darwins theorie over seksuele selectie uiteindelijk onverteerbaar maakte voor het wetenschappelijke patriarchaat. Darwin moest er dus alles aan doen om deze vrouwelijke macht te bagatelliseren door te zeggen dat die op de een of andere manier op een ‘betrekkelijk passieve’ en niet-bedreigende manier werd bereikt door vrouwtjes die ‘toekijken’ bij de mannelijke bravouregevechten.
De manier waarop Darwin de seksen in de markt zette als actief (mannelijk) en passief (vrouwelijk) had niet effectiever kunnen zijn als dit verhaal was uitgedokterd door een groot marketingbedrijf met een ongelimiteerd budget. Het is precies het soort keurig nette dichotomie – zoals goed of kwaad, zwart of wit, vriend of vijand – waarin het menselijk brein zoveel genoegen schept omdat het intuïtief correct aanvoelt.
Overigens was Darwin waarschijnlijk niet de aanstichter van deze handige geslachtelijke classificatie. Waarschijnlijk heeft hij haar geleend van Aristoteles, de vader van de zoölogie. In de vierde eeuw voor Christus schreef de klassieke Griekse filosoof de eerste dierenalmanak aller tijden. Over voortplanting was zijn verhandeling over reproductie. Darwin had dit oorspronkelijke academische werk zeker gelezen, wat misschien verklaart waarom er een bijzonder vertrouwde geur opstijgt uit Aristoteles’ verdeling van de sekserollen.
‘In de dieren die […] twee geslachten hebben […] staat het mannelijke voor effectief en actief […] en het vrouwelijke […] voor het passieve.’
De stereotypen over vrouwelijke passiviteit en mannelijke vitaliteit zijn zo oud als de zoölogie. Het feit dat ze de tand des tijds zo goed doorstaan hebben, doet vermoeden dat ze ‘gevoelsmatig klopten’ voor generaties wetenschappers, maar dat wil niet zeggen dat ze ook echt kloppen. Als de wetenschap ons in elk domein één ding geleerd heeft, is het wel dat onze intuïtie ons vaak om de tuin leidt. Het voornaamste probleem met deze keurig nette binaire classificatie is dat er geen barst van klopt.
Probeer de noodzaak om passief te zijn maar eens uit te leggen aan een dominant gevlektehyenavrouwtje, dan lacht ze je recht in je gezicht uit nadat ze het er af heeft gebeten. Vrouwtjesdieren zijn net zo promiscue, competitief, agressief, dominant en dynamisch als mannetjes. Ze hebben gelijke rech- ten op het evolutionaire vlak. Het punt is alleen dat Darwin en de coterie van beschaafde zoölogen op wie hij zijn ideeën voor een deel inspireerde, ze niet zo konden en misschien ook niet wilden zien. De grootste sprong voorwaarts in de hele biolo- gie – en misschien wel de hele wetenschap – is gemaakt door een groep victoriaanse mannen in een negentiende-eeuws mi- lieu, en er werden bepaalde aannames over de aard van gender en sekse in meegesmokkeld.
Eerlijk gezegd zou Darwin zich in een eventuele tv-quiz geen groot specialist tonen op het gebied van de andere sekse. Dit was een man die met zijn nicht Emma trouwde nadat hij eerst een lijstje met huwelijkse voors en tegens had opgesteld. Deze onthullende romantische inventaris, die hij op de achterkant van een brief aan een vriend krabbelde, is tot Darwins grote schaamte bewaard gebleven en onthult zijn meest persoonlijke gedachten, zodat we daar tot in alle eeuwigheid over kunnen oordelen.
In twee korte kolommetjes – ‘trouwen’ en ‘niet trouwen’ – vocht Darwin zijn innerlijke echtelijke tweestrijd uit. Zijn voornaamste zorgen waren dat hij ‘conversaties met verstandige mannen in herenclubs’ zou missen en mogelijk zou vervallen tot ‘dikheid en ledigheid’, of erger nog, ‘verbanning en verloedering met indolent ledig dommerdje’ (wat misschien niet de manier is waarop Emma graag omschreven had willen worden door haar dierbare verloofde). Aan de andere kant zou hij wel ‘iemand voor het huishouden’ hebben en een ‘fijne zachte echtgenote op de bank’ was ‘sowieso beter dan een hond’. Dus waagde Darwin dapper de sprong.
Dat maakte de kans dat hij de evolutie niet alleen vanuit het mannelijke, maar ook vanuit het vrouwelijke perspectief zou bekijken klein
Je krijg het gevoel dat Darwin misschien meer gedreven werd door cerebrale genoegens dan vleselijke lusten, ondanks het feit dat hij tien kinderen heeft verwekt. Het zou goed kunnen dat hij niet heel vertrouwd was met of zelfs erg nieuwsgierig naar het vrouwelijke geslacht. Dat maakte de kans dat hij de evolutie niet alleen vanuit het mannelijke, maar ook vanuit het vrouwelijke perspectief zou bekijken misschien klein, de maatschappij waarin hij was geboren nog even daargelaten.
Zelfs de origineelste en meest nauwgezette wetenschappers zijn niet immuun voor de invloeden van cultuur, en Darwins androcentrische kijk op de seksen is ongetwijfeld gevormd door het heersende chauvinisme van zijn tijd. In hogere victoriaanse kringen hadden vrouwen maar één belangrijke rol in het leven: trouwen, kinderen krijgen en misschien hun man een beetje helpen met zakelijke dingen en andere belangen. Dit was een erg ondersteunende, huiselijke rol, aangezien vrouwen fysiek en intellectueel het ‘zwakkere’ geslacht werden genoemd. Ze waren in alle opzichten onderschikt aan het mannelijk gezag van vaders, echtgenoten, broers of zelfs volwassen zonen.
Dit sociale vooroordeel werd gemakshalve gestaafd door het wetenschappelijke denken van die tijd. De toonaangevende academische geesten van het victoriaanse tijdperk beschouwden man en vrouw als radicaal verschillende wezens, die in zekere zin elkaars absolute tegengestelden waren. Vrouwen werden beschouwd als onvolgroeid; ze leken op de jongen van hun soort doordat ze kleiner, zwakker en minder kleurrijk waren. Waar mannelijke energie in groei gestopt werd, was de vrouwelijke energie nodig om eitjes te voeden en jongen te dragen. Mannen werden vanwege hun doorgaans grotere lichaamsbouw beschouwd als complexer en variabeler dan vrouwen, en superieur in hun mentale capaciteiten. Vrouwen hadden volgens de heersende opinie allemaal een gemiddelde intelligentie, maar mannen varieerden daar enorm in en vertoonden niveaus van genialiteit die bij de andere sekse niet voor zouden komen. In wezen werden mannen beschouwd als meer geëvolueerd en ontwikkeld dan vrouwen.
Deze sentimenten verwerkte Darwin allemaal in De afstamming van de mens en selectie in relatie tot sekse, dat, zoals de titel al doet vermoeden, de menselijke evolutie en de sekseverschil- len zoals de victoriaanse samenleving die zag verklaarde aan de hand van seksuele en natuurlijke selectie.
‘Het hoofdonderscheid in de intellectuele vermogens van de twee seksen is daarin zichtbaar dat de man, wat hij ook onderneemt, een hoger niveau bereikt dan de vrouw bereiken kan – of dit nu diep nadenken, rede of fantasie vereist, of louter het gebruik van de zinnen en handen,’ verklaarde Darwin. ‘Zo is de man uiteindelijk superieur geworden aan de vrouw.’
Darwins theorie over seksuele selectie is opgekweekt uit misogynie, dus het is niet zo gek dat het vrouwtjesdier misvormd ten tonele werd gevoerd, net zo gemarginaliseerd en onbegrepen als een victoriaanse huisvrouw. Wat misschien verbazingwekkender is, en schadelijker, is hoe moeilijk het is geweest om deze seksistische vlek uit de wetenschap te wassen en hoever hij zich heeft uitgebreid.
Darwins genialiteit heeft daarbij niet geholpen. Hij heeft zo’n goddelijke reputatie verworven dat biologen die hem navolgen sinds jaar en dag lijden aan een chronisch geval van bevestigingsbias. Ze zochten naar bewijzen die het passieve vrouwelijke prototype bevestigden en zagen alleen wat ze wilden zien. Als ze geconfronteerd werden met anomalieën, zoals de wellustige promiscuïteit van de leeuwin, die in haar bronsttijd tientallen keren per dag enthousiast met meerdere mannetjes paart, keken ze weloverwogen de andere kant op. Erger nog, zoals je in hoofdstuk 3 zult ontdekken, werden onderzoeksuitslagen die niet aan de verwachting voldeden gemanipuleerd met statistische trucjes om zijdelingse steun voor het ‘correcte’ wetenschappelijke model tevoorschijn te goochelen.
Een centraal basisprincipe van de wetenschap is de wet van de spaarzaamheid, ook wel bekend als Ockhams scheermes, die wetenschappers leert dat ze op de bewijzen moeten vertrouwen
en de simpelste verklaring moeten kiezen, aangezien die waarschijnlijk de beste zal zijn. Darwins strenge sekserollen hebben een situatie geforceerd waarin dit fundamentele wetenschappelijke proces wordt opgegeven door wetenschappers die zich gedwongen zien om steeds omslachtigere uitvluchten te verzinnen als verklaring voor vrouwelijk gedrag dat afweek van het standaard stereotype.
Neem de pinyongaai, Gymnorhinus cyanocephalus. Deze kobaltblauwe leden van de kraaienfamilie leven in lawaaiige troepen van vijftig tot vijfhonderd vogels in de westelijke staten van Noord-Amerika. Hoogintelligente dieren met zo’n actief sociaal leven hebben waarschijnlijk middelen om hun drukke samenleving te ordenen – een dominantienetwerk –, anders wordt het een chaos. De ornithologen John Marzluff en Russell Balda, die de gaaien meer dan twintig jaar hebben bestudeerd en er in de jaren negentig een gezaghebbend boek over hebben gepubliceerd, waren geïnteresseerd in het ontcijferen van de sociale hiërarchie van de pinyongaaien, dus gingen ze op zoek naar het ‘alfamannetje’.
Daar was heel wat vernuft voor nodig. Het bleek dat mannelijke pinyongaaien toegewijde pacifisten zijn en zelden tot nooit vechten. De ondernemende ornithologen zetten dus voederplaatsen op die ze vulden met lekkere hapjes, zoals vette popcorn en meelwormen, om een soort territoriale oorlog te ontketenen. De gaaien weigerden echter het gevecht aan te gaan. De onderzoekers zagen zich gedwongen hun agressiegraad te baseren op een paar behoorlijk subtiele aanwijzingen, zoals scheve blikken. Als het dominante mannetje het onderworpen mannetje vuil aankeek, verliet het onderworpen mannetje de voederplaats. Het was niet bepaald Game of Thrones, maar de onderzoekers turfden vlijtig zo’n tweeënhalfduizend van deze ‘agressieve’ confrontaties.
Toen ze hun gegevens in statistieken verwerkten, raakten ze
nog meer in verwarring. Slechts veertien van de tweehonderd groepsleden kwalificeerden zich voor een plekje in het dominantienetwerk en er was geen lineaire hiërarchie. Mannetjes draaiden hun dominantie terug en ondergeschikten werden agressief tegen hun superieuren. Ondanks de verwarrende onderzoeksresultaten en een algeheel gebrek aan vijandig machogedoe verklaarden de wetenschappers nog steeds heel zelfverzekerd: ‘Er is weinig twijfel dat volwassen mannetjes agressief hun gezag handhaven.’
Het wonderlijke is dat de onderzoekers wel degelijk gaaien-gedrag hadden waargenomen dat een stuk vijandiger was dan een paar geïrriteerde blikken. Ze documenteerden vogels in dramatische luchtgevechten waarin duellerende tweetallen al vliegend de strijd met elkaar aangingen en ‘hevig klapwiekend ter aarde storten’, waar ze ‘hard naar elkaar pikken’. Deze confrontaties waren ‘het agressiefste gedrag dat in de loop van het jaar werd waargenomen’, maar ze werden niet opgenomen in een dominantienetwerk omdat de strijdende partijen niet mannelijk waren. Het waren allemaal vrouwtjes. De onderzoekers concludeerden dat dit ‘opvliegende’ vrouwelijke gedrag hormonaal gedreven moest zijn. Ze opperden het vermoeden dat een lentepiek in hun hormonen deze vrouwtjesgaaien ‘het vogel-equivalent van pms gaf, wat we pbs (prebroedsyndroom) hebben gedoopt’!
Er bestaat helemaal niet zoiets als pbs. Als Marzluff en Balda het agressieve gedrag van de vrouwtjesvogels met een open blik hadden bekeken en Ockhams scheermes hadden gebruikt om het overtollige pluis van hun gissingen te scheren, waren ze dicht bij het ontraadselen van het complexe sociale systeem van de pinyongaai gekomen. Alle aanwijzingen dat de vrouwtjes in wezen uiterst competitief zijn en een grote rol spelen in de gaaienhiërarchie staan gewoon in hun nauwkeurig vastgelegde onderzoeksgegevens, maar ze waren er blind voor. In plaats daarvan bleven ze ijzerenheinig en dogmatisch zoeken naar de ‘kroning van een nieuwe koning’, een bekroning van hun overtuiging die uiteraard nooit plaatsvond.
Er is hier geen sprake van een complot, alleen van wetenschappelijke oogkleppen
Er is hier geen sprake van een complot, alleen van wetenschappelijke oogkleppen. Marzluff en Balda illustreren hoe goede wetenschappers kunnen lijden aan slechte vooroordelen. Het ornithologenduo werd geconfronteerd met verwarrend nieuw gedrag, dat ze interpreteerden vanuit een niet-kloppend raamwerk. Ze zijn zeker niet de enigen die dit soort eerlijke vergissingen maken. De wetenschap blijkt doordrenkt van accidenteel seksisme.
Het heeft niet geholpen dat de academische wereld werd, en in veel gevallen nog steeds wordt, gedomineerd door mannen die het dierenrijk als vanzelf vanuit hun eigen standpunt bekijken; de onderzoeksvragen die gesteld worden, vloeien dus voort vanuit een mannelijk perspectief. Velen waren gewoon ook niet nieuwsgierig naar vrouwtjes. Mannetjes waren de hoofdact en werden het modelorganisme, de standaard waarvan het vrouwtje afweek, het schoolvoorbeeld waaraan de soort werd afgemeten. Vrouwtjesdieren met hun ‘lastige hormonen’ waren de buitenstaanders, afwijkingen die afleidden van het leidende narratief, en billijkten niet dezelfde mate van wetenschappelijke interesse. Hun lichaam en gedrag werden niet onderzocht. De datakloof die daaruit voortvloeit, wordt dan al snel een selffulfilling prophecy. Vrouwtjes worden beschouwd als de onveranderlijke, inerte sidekicks van het mannelijke streven, aangezien er geen gegevens zijn om ze als iets anders te verkopen.
Het gevaarlijkste aan seksistische vooroordelen is de boemerangwerking. Wat begon als een chauvinistische victoriaanse cultuur werd opgekweekt door een eeuw van wetenschap en toen de samenleving weer in gegooid als politiek wapentuig met het keurmerk van Darwin. Het gaf een handjevol, met name mannelijke aanhangers van een nieuwe wetenschap, de evolutionaire psychologie, de ideologische autoriteit om te beweren dat een hele zwik akelige mannelijke gedragingen – van verkrachting tot compulsief rokkenjagen en mannelijke suprematie – volkomen ‘natuurlijk’ was voor mensen, omdat Darwin dat had gezegd. Ze zeiden tegen vrouwen dat ze disfunctionele orgasmes hadden, dat ze nooit door het glazen plafond konden breken door een aangeboren gebrek aan ambitie en dat ze zich bij de moederrol moesten houden.
Deze evolutionaire psychoblabla van rond de eeuwwisseling werd gretig gevreten door een nieuw type mannenbladen dat deze seksistische ‘wetenschap’ naar het grote publiek doorschoof. Journalisten als Robert Wright kraaiden in bestsellers en veelgelezen columns in populaire kranten dat het feminisme gedoemd was, omdat het weigerde deze wetenschappelijke waarheden te erkennen. Wright schreef vanaf zijn ideologische voetstuk artikelen met titels als ‘Feministen, maak kennis met Mr Darwin’, gaf zijn critici ‘een dikke onvoldoende voor evolutionaire biologie’ en beweerde dat ‘geen enkele bekende feministe genoeg over modern darwinisme heeft geleerd om erover te kunnen oordelen’.
Maar dat hadden ze wel degelijk. De tweede feministische golf had laboratoriumdeuren geopend die voorheen gesloten bleven, en vrouwen liepen de collegezalen van topuniversiteiten binnen om Darwin zelf te bestuderen. Ze deden veldwerk en observeerden vrouwtjesdieren net zo nieuwsgierig als mannetjesdieren. Ze ontdekten seksueel voorlijke vrouwtjesapen en in plaats van die te negeren, zoals hun mannelijke voorgangers hadden gedaan, vroegen ze zich af waarom ze zich zo gedroegen. Ze ontwikkelden gestandaardiseerde technieken voor het meten van gedrag dat gelijke aandacht voor beide geslachten afdwong. Ze zetten nieuwe technologie in om vrouwtjesvogels te bespioneren en onthulden dat die geenszins slachtoffers van mannelijke seksuele dominantie waren, maar de show in wezen runden. En ze herhaalden experimenten die de empirische grondslag voor Darwins seksuele stereotypen hadden gevormd en ontdekten dat de uitkomsten waren verdraaid.
Er is heel wat moed voor nodig om Darwin te trotseren. Hij is niet alleen een intellectuele icoon, in het Verenigd Koninkrijk behoort hij tot het nationaal erfgoed. Zoals een oude hoogleraar me ooit onder de neus wreef, staat Darwin afvallen gelijk aan academische ketterij en dat leidde tot een uitgesproken conservatisme onder Britse evolutionaire wetenschappers. Misschien is dat de reden dat de eerste kiemzaadjes van rebellie van de andere kant van de Atlantische Oceaan kwamen, waar een paar Amerikaanse wetenschappers het op zich namen om alternatieve verhalen te genereren over evolutie, gender en seksualiteit.
Deze intellectuele krijgers zul je in dit boek tegenkomen. Ik heb er een paar ontmoet tijdens een lunch op een walnotenfarm in Californië, waar we onder andere praatten over Darwin, orgasmes en gieren. Sarah Blaffer Hrdy, Jeanne Altmann, Mary Jane West-Eberhard en Patricia Gowaty zijn de rebelse matriarchen van het moderne darwinisme die het waagden om de wetenschappelijke fallocratie te bestrijden met data en logica. Ze noemen zichzelf ‘de meiden’ en komen al drie decennia elk jaar bijeen bij Hrdy thuis om de evolutionaire stavaza door te nemen. Ik had de mazzel om een uitnodiging te bemachtigen voor hun jaarlijkse cerebrale jamboree. Deze baanbrekende hoogleraren zijn inmiddels grotendeels met pensioen, maar ze komen nog steeds bijeen om elkaar te steunen, nieuwe ideeën te bespreken en de evolutie van de evolutionaire biologie op het rechte pad te houden. Ze zijn feminist, jawel, maar ze zijn er heel duidelijk over dat dit betekent dat ze geloven in gelijke vertegenwoordiging van beide seksen en niet in de onverdiende heerschappij van één geslacht.
Darwin zag de natuur door een victoriaanse gaatjescamera
Hun wetenschap heeft een nieuwe golf van biologen in staat gesteld om de vrouwelijke soort te bekijken als een fascinerend fenomeen op zich, door vrouwelijke anatomieën en gedrag te onderzoeken en zich af te vragen hoe selectie werkt vanuit het perspectief van een dochter, zuster, moeder of concurrent. Deze wetenschappers waren bereid om door culturele normen heen te kijken en onorthodoxe ideeën te ontwikkelen over de fluïditeit van sekserollen, waarmee ze het – al dan niet onbedoelde – machismo binnen de evolutionaire biologie terug wisten te dringen. Velen van hen zijn vrouwen, maar zoals je zult ontdekken is deze wetenschappelijke muiterij niet uitsluitend een vrouwenzaak, want alle geslachten en genders spelen een rol. Je zult in dit boek heel wat mannelijke wetenschappers tegenkomen. Het pionierswerk van Frans de Waal, William Eberhard en David Crews, om er maar een paar te noemen, bewijst dat je je niet als vrouw hoeft te identificeren om een feministische wetenschapper te zijn. Nieuwe, frisse perspectieven uit de wetenschappelijke lhbtiq+-gemeenschap zijn cruciaal geweest bij het aankaarten van heteronormatieve bijziendheid en binaire dogma’s binnen de zoölogie. Biologen als Anne Fausto-Sterling en Joan Roughgarden hebben, net als anderen, de aandacht gevestigd op de verbluffende verscheidenheid van geslachtelijke expressie in het dierenrijk en de fundamentele rol van diversiteit als aanjager van de evolutie.
Het resultaat is niet alleen een onmetelijk veel rijker en levensechter portret van het vrouwtjesdier, maar ook een rijkdom aan verrassende nieuwe inzichten in het ingewikkelde mechanisme van de evolutie. Dit zijn interessante tijden voor evolutionair biologen: seksuele selectie is in een grote paradigmaverschuiving beland. Empirische onthullingen zetten algemeen aanvaarde feiten op hun kop en conceptuele veranderingen verwijzen vanouds geaccepteerde aannames naar de prullenbak. Darwin had op dit vlak niet helemaal ongelijk, dat zeker niet. Mannelijke concurrentie en vrouwelijke keuze zijn inderdaad de aanjagers van seksuele selectie, maar dat is maar een deel van het evolutionaire plaatje. Darwin zag de natuur door een victoriaanse gaatjescamera. Nieuwe inzichten in het vrouwelijke geslacht geven ons een breedbeeldkijk op het leven op aarde, in glorieuze technicolor, en het verhaal wordt er alleen maar fascinerender van.
In Bitch onderneem ik een wereldwijd avontuur om de dieren en wetenschappers te ontmoeten die een achterhaald patriarchaal beeld van de evolutie helpen herschrijven en de vrouwelijke soort herdefiniëren.
Ik ga naar het eiland Madagaskar om te kijken hoe vrouwtjes-lemuren, onze verste verwanten onder de primaten, de mannetjes fysiek en politiek gingen overheersen. In de besneeuwde bergen van Californië ontdek ik hoe een vrouwelijke waaier-hoenrobot Darwins mythe over het passieve vrouwtje van de sokken blies. Op het eiland Hawaï ontmoet ik albatrosvrouwtjes die vaste verkering met elkaar hebben en de traditionele sekserollen tarten door samen hun kuikens groot te brengen. En voor de kust van de staat Washington voel ik verwantschap met een matriarchale orka, de wijze oude leidster van haar jachtgezelschap en een van de slechts vijf bekende soorten, waaronder de mens, waarvan de vrouwtjes in de overgang raken.
Door nieuwe verhalen uit de periferie van de vrouwelijkheid te honoreren hoop ik een fris, divers portret van het vrouwtjesdier te schetsen en wil ik proberen te begrijpen wat die onthullingen ons eventueel over onze eigen soort kunnen vertellen.
Sinds de tijd van Aesopus bekijken mensen dieren als illustraties van en modellen voor menselijk gedrag. Velen geloven, ietwat misplaatst, dat de natuur mensengemeenschappen leert wat goed en juist is – de naturalistische denkfout. Maar overleven is een onsentimentele sport en diergedrag omvat vrouwelijke narratieven die uiteenlopen van fabelachtige empowerment tot angstaanjagende onderdrukking. Wetenschappelijke ontdekkingen over vrouwtjesdieren kunnen aan beide kanten van het feministische hek als munitie gebruikt worden; het is een gevaarlijk spelletje om dieren in te zetten als ideologische wapens. Maar meer inzicht in wat het betekent om een vrouwtjesdier te zijn kan wel helpen tegen gemakzuchtige argumenten en sleetse androcentrische stereotypen; het kan onze aannames van wat natuurlijk, normaal of zelfs mogelijk is op de proef stel- len. Als vrouwelijkheid door één ding bepaald moet worden, is het wel haar dynamische, gevarieerde aard en niet strenge, achterhaalde regels en verwachtingen.
De bitches in Bitch zullen aantonen dat vrouwelijkheid draait om de strijd om te overleven, en dan niet alleen als passieve sidekick. Darwins theorie over seksuele selectie dreef een wig tussen de seksen door te focussen op onze verschillen, maar die verschillen zijn in cultureel opzicht groter dan in biologisch opzicht. Dierenkenmerken – fysiek dan wel gedragsmatig – zijn heel verscheiden en plastisch. Ze kunnen meebewegen met de grillen van selectie, wat geslachtskenmerken fluïde en kneedbaar maakt. De kenmerken van vrouwtjesdieren kunnen niet voorspeld worden door de kristallen bol van hun sekse, want omgeving, tijd en toeval spelen allemaal belangrijke rollen in de totstandkoming daarvan. Zoals we in het eerste hoofdstuk zullen ontdekken, zijn de overeenkomsten tussen vrouwtjes en mannetjes in feite veel groter dan de verschillen. Dusdanig zelfs dat je soms nauwelijks weet waar je de grens moet trekken.
De beer viel eerder deze maand mensen aan in een Slowaakse stad
Een bruine beer, die eerder deze maand vijf mensen verwondde terwijl hij door een stad in het noorden van Slowakije rende, is gedood door de autoriteiten. Dat schrijft Deutsche Welle onder verwijzing naar het nationale ministerie van Milieu. De beer werd gevonden met drones die door de politie waren ingezet.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Door de aanval van de beer moesten een 49-jarige vrouw en een 72-jarige man in het ziekenhuis worden behandeld en drie andere slachtoffers, waaronder een 10-jarig meisje, hielden er snijwonden en kneuzingen aan over. Na de aanval kondigden autoriteiten de noodtoestand af. Mensen werden opgeroepen hun huizen niet te verlaten.
Volgens de autoriteiten werden foto’s van de beer, die met drones waren gemaakt, vergeleken met foto’s van de aanval. Op basis daarvan kon het roofdier geïdentificeerd en later afgeschoten worden. Het is volgens Slowakije voor het eerst dat deze technologie werd ingezet voor het opsporen van een dier.
In de Antarctische Weddellzee verhindert een ijsbarrière dat gletsjers terugstromen in de oceaan. Maar hoelang houdt die het nog uit? Een team van wetenschappers onderzocht het met medewerking van de bewoners van Antarctica.
Hoe onderzoek je zeestromingen op plekken waar de oceaan meestal bedekt is met zulke dikke ijsschotsen dat het zelfs voor ijsbrekers moeilijk wordt? Horst Bornemann, een dierenarts aan het Alfred Wegener Instituut voor polair en zeeonderzoek (AWI) in Bremerhaven, heeft daarvoor een blaaspijp nodig met een verdovingspijl, een minisensor van slechts 600 gram met een satellietzender en een beetje tweecomponentenlijm. Én een geschikte zeehond.
In de ochtend hebben hij en zijn collega Mia Wege van de Universiteit van Pretoria aan de hand van satellietbeelden een gebied met ijsschotsen uitgekozen dat ze nu vanuit de lucht verkennen. ‘Robben op drie uur!’ zegt Bornemann, die vooraan naast de piloot het beste uitzicht heeft op de Weddellzee. De helikopter vliegt een flauwe bocht naar rechts en kantelt licht. Op de achterbank kijkt Wege door een verrekijker om de dieren die op het ijs dutten te determineren. ‘Twee krabbeneters,’ zegt ze met een wegwerpgebaar. De meest voorkomende robbensoort van Antarctica is te klein voor de zender en blijft meestal dicht bij het wateroppervlak. De piloot draait weg en vliegt naar de volgende ijsschol.
Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen
Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen. Met hulp van dat dier willen de onderzoekers belangrijke oceanografische data verzamelen in een onderzeese kloof die het continentaal plat in de Weddellzee doorsnijdt. Achter op de kop van het dier moet een sensor geplaatst worden die tijdens de duik het zoutgehalte en de temperatuur meet en de waarden via een satelliet doorgeeft wanneer het dier bovenkomt om adem te halen. Maar vandaag is hun zoektocht niet succesvol. Na drie dozijn krabbeneters maar geen weddellrob moet de helikopter terugkeren naar het schip omdat de brandstof begint op te raken.
Kwetsbaar
Beide robbenexperts maken deel uit van een expeditie van het AWI, die in de late Antarctische zomer van 2021 met de ijsbreker Polarstern tot in de Weddellzee is doorgedrongen, de grootste zee aan de rand van de zuidelijke oceaan die Antarctica omgeeft. De centrale vraag bij deze expeditie is: hoe kwetsbaar is het zogeheten Filchner-Ronne-ijsplateau, een enorme drijvende ijsplaat in het zuiden van de Weddellzee, als gevolg van de klimaatverandering? De honderden meters dikke ijsplaat bedekt bijna 450.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Zweden, en wordt gevoed door gletsjers uit Oost- en West-Antarctica.
Tot op heden leek deze bevroren vesting onaantastbaar, dankzij zware koude watermassa’s die op het vlakke continentale plat in de Weddellzee circuleren. Die plaat is de onderzeese verlenging van de Antarctische landmassa. ‘De koude watermassa’s verhinderen dat warmer water uit de diepte van de open oceaan onder het Filchner-Ronne-ijsplateau stroomt,’ legt Hartmut Hellmer uit tijdens de vaart naar het onderzoeksgebied. Hij is fysisch oceanograaf bij het AWI en expeditieleider.
De koudwaterbarrière beschermt het ijs van de plaat voor wegsmelten en verhindert tegelijkertijd het afglijden van de aangrenzende gletsjers in de oceaan. Metingen in de regio laten echter zien dat warmer water uit de diepzee af en toe door een scheur in de diepzeebodem, de Filchner-sleuf, op het continentale plat plenst. Het warme water heeft een hoger zoutgehalte dan het oppervlaktewater en is daardoor compacter. Via die sleuf vloeit het vlak bij de bodem naar de rand van de ijsplaat toe.
Tijdelijk fenomeen
‘Wij willen uitzoeken of het een tijdelijk fenomeen is of dat er zich een trend aftekent,’ zegt Hellmer. Computersimulaties wijzen erop dat de koudwaterbarrière als gevolg van klimaatverandering op de lange termijn wel eens zou kunnen instorten en een smeltproces onder het ijs op gang zou kunnen brengen dat niet meer te stoppen zou zijn. Daardoor zou het continentale ijs van de gletsjers sneller wegvloeien en de zeespiegel verder stijgen. Bovendien zouden hierdoor een van de motoren van de mondiale circulatie in de oceanen en de opname van koolstof in de diepzee – belangrijk voor de daling van CO2 in de atmosfeer – worden afgeremd.
IJsplaten steken als platte uitlopers van de Antarctische ijsmassa, die van het binnenland naar de kust schuift, op sommige plekken honderden kilometers de zee in. Steeds weer breken daar reusachtige platte ijsbergen van af. Driekwart van het continent van Antarctica is omgeven door ijsplaten; ze maken 12 procent uit van de door gletsjers bedekte vlakte van Antarctica. Hun massa bevindt zich grotendeels onder water. Contact met de zeebodem hebben ze alleen op plekken waar de bodem zich verheft.
In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren
IJsplaten remmen de gletsjers af en daarmee het ijsverlies van de Antarctische ijskap. Tegelijkertijd zijn ze de achilleshiel ervan: als ze smelten of breken, komt er meer continentaal ijs in de oceaan. In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren, vooral aan de westelijke kant. De jaarlijkse verliescijfers zijn in dezelfde periode verdrievoudigd.
Door het verdwijnen van de ijsplaten verliest Antarctica steeds meer massa en draagt op die manier meer bij aan de stijging van de zeespiegel. Prominente voorbeelden zijn het verval van de naast elkaar gelegen Larsen-ijsplaten A (1995) en B (2002) in het oosten van het Antarctische schiereiland, evenals de aanhoudende terugtrekking van twee gletsjers die in het Amundsenmeer in West-Antarctica uitmonden: Pine Island en Thwaites. Deze zijn verantwoordelijk voor 8 procent van de zeespiegelstijging. De gletsjers worden teruggedrongen door relatief warm diepzeewater uit de Antarctische circumpolaire stroom, dat steeds vaker op het continentale plat komt. Bovendien stroomt er ook steeds warmer water onder de ijsplaten, omdat de temperaturen in de circumpolaire stroom toenemen, zoals bijna overal in de oceaan.
Kantelpunt
Wetenschappers vrezen dat delen van de ijskap van West-Antarctica in de nabije toekomst een kantelpunt kunnen bereiken en op den duur volledig wegsmelten. Een actueel onderzoek naar de stabiliteit van de ijsplaten in het vakblad The Cryosphere ziet weliswaar nog geen tekenen dat het al zover is. Maar een onomkeerbare terugtrekking van de ijskap zou al bij actuele klimaatcondities mogelijk zijn, schrijven de onderzoekers. Want het ijs ligt in West-Antarctica grotendeels onder de zeespiegel.
Bovendien loopt de ondergrond van de kust waarop veel gletsjers rusten landinwaarts af. Dat maakt ze bijzonder kwetsbaar voor warmere watermassa’s. Als die onder de ijsplaten doordringen tot waar ze contact maken met de zeebodem, dan vreten ze zich geleidelijk steeds dieper onder de gletsjers, zodat steeds meer ijs blootgesteld wordt aan warmte.
IJsplateau
Het Filchner-Ronne-ijsplateau bedekt 449.000 vierkante kilometer in de zuidelijke Weddellzee, net niet helemaal de oppervlakte van Zweden. De drijvende ijsplaat heeft na de Ross-ijsplaat de grootste oppervlakte van alle ijsplaten van Antarctica en het grootste volume. Hij is gemiddeld 700 meter dik; waar hij grenst aan het vasteland zelfs meer dan 1500 meter.
Verdeeld over Duitsland zou het ijs optorenen tot 1 kilometer hoogte. In het noorden worden het oostelijke Filchner-deel en het westelijke Ronne-deel van elkaar gescheiden door het in het ijs ingesloten Berkner-eiland. De rand van de ijsplaat, die als een steile witte wand uit de zee oprijst, strekt zich uit over ongeveer 800 kilometer: van Oost-Antarctica tot het Antarctische schiereiland.
Vervolgens trekken de gletsjers zich terug van de kust en glijden tegelijk sneller naar de oceaan. Zoals de Pine Island- en de Thwaites-gletsjer. Alleen al deze twee gletsjers zouden de wereldzeeën in de komende eeuwen meer dan een meter kunnen laten stijgen. Een soortgelijk lot zou de gletsjers achter het Filchner-Ronne-ijsplateau kunnen bedreigen, ook daar loopt de ondergrond op veel plekken landinwaarts af. Tot nu toe behoedt de koudwaterbarrière op de Weddellzeeplaat het ijs voor smelten. Maar zal deze het in de toekomst houden? Meetinstrumenten die poolonderzoekers uit Duitsland, Frankrijk en Noorwegen op de zeebodem verankerd hebben, moeten deze vragen beantwoorden.
De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest
Tijdens de expeditie met de Polarstern willen ze de instrumenten bergen om de batterijen te verwisselen en de data veilig te stellen. Maar ze moeten zich haasten: in de zuidoostelijke Weddellzee wordt tegen het einde van de zomer al nieuw zee-ijs gevormd. Binnenkort zullen de instrumenten en de schat aan gegevens door het ijs ingesloten worden.
‘De schotsen zijn hier dik, die moeten we eerst verpulveren zodat de drijflichamen aan de oppervlakte komen,’ zegt kapitein Stefan Schwarz op de brug. Waar de verankering drie jaar geleden werd aangebracht, drijft dicht pannenkoekenijs – zo noemen ze pas gevormd zee-ijs dat uit min of meer ronde schotsen bestaat. De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest.
Nadat de Polarstern meerdere rondjes heeft gevaren, stuurt een hydrofoon een akoestisch signaal naar de verankering en maakt de kabel met de instrumenten en de drijflichamen los van het ankergewicht. De onderzoekers wachten in spanning af. Maar aan de oppervlakte is niets te zien, de verankering lijkt vast te blijven zitten onder het ijs. Schwarz neemt het roer over en schuift met het schip de brokstukken opzij. De manoeuvre slaagt, even later duiken vier rode ballen van kunststof naast het schip op.
Meer dan een dozijn verankeringen staan er intussen op de zeebodem van de Weddellzeeplaat en op de helling van het continent. Op verschillende dieptes registreren ze het hele jaar door het zoutgehalte en de temperatuur, en ook stroomsnelheid en stroomrichting. De eerste werden door het AWI in 2013 geïnstalleerd in de Filchner-sleuf. De onderzoekers waren opgeschrikt door een studie die expeditieleider Hartmut Hellmer in 2012 met collega’s in het vakblad Nature had gepubliceerd: ‘We hebben toen het eerste computermodel voor heel Antarctica ontwikkeld waarin ook ijsplaten waren meegenomen,’ zegt hij. ‘In onze modelstudie schoot in een pessimistisch klimaatscenario in het jaar 2070 de smeltsnelheid onder het Filchner-Ronne-ijsplateau plotseling omhoog.’
De resultaten van die studie waren een wake-upcall, zegt Hellmer. In de computersimulaties stroomde in de tweede helft van de 21e eeuw warmer water uit de diepte door de Filchner-sleuf onder de ijsplaat. Toen in 2016 de eerste data van de verankerde instrumenten werden uitgelezen, pasten de meetwaarden bij de voorspellingen van het model: in de zomer en herfst stroomde er soms warmer water op de Weddellzeeplaat. Maar het drong slechts door op het noordelijk deel van het continentale plat, dat vrij is van plaatijs. In 2017 stroomde het warme water zelfs het hele jaar door daarheen, zoals de volgende registraties van de verankeringen lieten zien.
Weddellgyre
Het warmere water uit de diepte van de Weddellzee komt uit de Antarctische circumpolaire stroom, die Antarctica omgeeft. Die voedt de Weddellgyre, en de zuidelijke arm daarvan vormt een kuststroming langs de continentale helling. Boven de warmwaterlaag in het diepe Weddellbekken bevindt zich een dikke laag van honderden meters koud, zoutarm water die ook het continentale plat bedekt. Daarom komt het zwaardere water uit de diepte maar moeilijk over de vlakke rand van de plaat heen. Maar de Filchner-sleuf, die tot ver onder de ijsplaat loopt, biedt het water uit de diepte een toegang. De stroming vergemakkelijkt bovendien de opwarming van de oceaan, ze verschuift de grens tussen het warme en het koude water naar boven.
Dat de warmte tot op heden het Filchner-Ronne-ijsplateau in het zuiden nog niet bereikt heeft, heeft te maken met de vorming van het zee-ijs en de circulatie op het continentale plat. Samen scheppen ze een tot nu toe ondoordringbare barrière van zeer koude, zoutrijke en daardoor bijzonder zware watermassa’s vlak bij de bodem. Daar zoekt de expeditie naar. Regelmatig laten de onderzoekers op de Polarstern een meetsonde zakken in de diepte van de plaat. Op het beeldscherm kunnen ze volgen hoe de temperatuur in de onderste waterlagen afneemt en het zoutgehalte naar de bodem toe toeneemt. Soms worden ze bij hun werk vergezeld door keizerpinguins, die rond het schip jagen en uit de zee opschieten om op hun buik te landen op de ijsschotsen.
Robben
Horst Bornemann en Mia Wege rekenen bij hun onderzoek op de medewerking van de bewoners van Antarctica. Terwijl vanaf het schip instrumenten in het water zakken, vliegen zij met de helikopter naar het zee-ijs om Weddellrobben uit te rusten met zendertjes. Die moeten veranderingen van de watermassa’s helpen begrijpen. Zojuist zijn de onderzoekers na een excursie op het ijs uitgeput weer geland op de Polarstern.
‘Vandaag hebben we twee Weddellrobben van zenders voorzien, een wijfje van meer dan 400 kilo en 3 meter lang en een kleiner mannetje,’ zegt Bornemann. De dieren lagen op een grote zee-ijsvlakte bij een ijsplaat in het oosten. Het was daar nogal onplezierig geweest, zegt hij, omdat er ijzige valwinden vanaf de randen van de ijsplaat over het ijs veegden.
Zeespiegelstijging
58 meter zou de zeespiegel stijgen als al het ijs op het continent Antarctica smelt. De gemiddeld 2,1 kilometer dikke ijskap van Antarctica bevat 90 procent van al het gletsjerijs op aarde. Omstreeks 14 procent daarvan in West-Antarctica, de rest in Oost-Antarctica.
Sinds het begin van de jaren negentig heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton gletsjerijs verloren – een ijsklomp van ruim 14 kilometer lengte – en de zeespiegel ongeveer een centimeter verhoogd. Prognoses voor de bijdrage van Antarctica aan de zeespiegelstijging tot het einde van de 21e eeuw variëren, afhankelijk van het scenario, van een paar centimeter tot bijna een halve meter.
Hij schiet de robben op het ijs van korte afstand een pijltje door het spek, om ze te verdoven. Zodra de verdoving werkt, ontvetten de onderzoekers de haren achter op de kop van de rob en plakken de sensor vast; bij de volgende verharing zal die eraf vallen. Tijdens de procedure houden ze de ademhaling en de lichaamstemperatuur van het dier in de gaten. Als het bijkomt is het nog een poosje suf, maar algauw waagt het zich in zee. Vandaag heeft de wijfjesrob al kort na terugkeer van de wetenschappers de eerste data over zoutgehalte en temperatuur geleverd.
Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen
Data uit de met ijs bedekte gebieden van Antarctica zijn schaars. Maar in de laatste jaren is een steeds gedetailleerder beeld ontstaan van de processen op de Weddellzeeplaat. Zo hebben wetenschappers bijvoorbeeld met heet water door honderden meters dik ijs geboord en sensoren geïnstalleerd onder het Filchner-Ronne-ijsplateau. Bovendien hebben expedities met de Polarstern de regio verkend, voor het laatst in 2018.
Daar was ook Markus Janout bij, fysisch oceanograaf van het AWI, die ook nu aan boord is. ‘In 2018 hadden we enorm veel geluk en konden we langs de hele ijsplaat varen,’ zegt hij. Gewoonlijk belemmert dik pakijs de toegang, maar een sterke zuidenwind had de schotsen weggeschoven. ‘We hadden een koude wind tot wel 50 graden onder nul. Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen.’
Metingen
Metingen tonen aan dat er tegenwoordig een stabiele circulatie van zeer koude watermassa’s bestaat op de Weddellzeeplaat – in tegenstelling tot de situatie op andere ijsplaatgebieden van Antarctica, die al van een koude naar een warme toestand gekanteld zijn. De circulatie begint met de vorming van zee-ijs. Daarbij ontstaat heel zout water, omdat het zout niet meebevriest maar als pekel door minieme kanaaltjes in het ijs de zee in sijpelt. Door een hoger soortelijk gewicht zinkt dat extra zoute water dan naar de zeebodem.
‘Dit koude, zware water stroomt op het zuidwestelijke continentale plat onder het Filchner-Ronne-ijsplateau, koelt daar verder af en wordt dan plaatijswater,’ legt Janout uit. Het plaatijswater is met minus 2,5 graden het koudste water in de oceaan. Een paar jaar later vloeit het via de Filchner-sleuf naar de rand van het plateau, waar het in de diepzee stroomt.
Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt
Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt. Eind februari, in de Antarctische zomer, bedroeg die nog maar net 1,8 miljoen vierkante kilometer, ruim een miljoen minder dan het langjarig gemiddelde.
Dat komt neer op een verlies van bijna drie keer de oppervlakte van Duitsland. Vooral aan de kust van West-Antarctica was de teruggang van het ijs dramatisch. Maar anders dan op de Noordpool, waar het zee-ijs in de zomer al tientallen jaren afneemt, bestaat er in Antarctica nog geen duidelijke trend. En de ijsbedekking in de winter is vooralsnog even groot, ook al heeft die zich dit jaar minder goed hersteld dan anders. Volgens actuele studies zou op de lange termijn ook het Antarctische zee-ijs kunnen verdwijnen, ook in de Weddellzee.
Warmer water
Een vermindering van het zee-ijs in de Weddellzee zou ernstige gevolgen kunnen hebben. Enerzijds zou er minder zwaar water ontstaan, water dat de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronneijsplateau in stand houdt. Warmer water uit de diepte zou dan makkelijker op het continentale plat kunnen komen en een zichzelf versterkend proces op gang brengen, waarbij steeds meer water uit de diepzee onder het plaatijs stroomt en het doet smelten.
Anderzijds zou de circulatie in de diepzee vertraagd kunnen worden. Want de zware, koude watermassa’s op de Weddellzeeplaat zijn een belangrijke bron voor het water van de Antarctische bodem, dat zich in alle grote oceanen verbreidt. Minder zee-ijs en tegelijk meer zoet smeltwater zouden tot gevolg hebben dat het soortelijk gewicht van het plaatwater afneemt. De aanvoer van bodemwater zou stilvallen – en daarmee een belangrijke aandrijver van de mondiale circulatie in de oceanen.
De vorming van Antarctisch bodemwater speelt nog een andere rol: voor het klimaat. Rondom Antarctica lost vanwege de kou bijzonder veel CO2 uit de atmosfeer op in het oppervlaktewater, waarin het ten slotte naar de bodem zinkt. Bovendien komt koolstof in vruchtbare plaatgebieden met neerdwarrelende planktonresten in diepere waterlagen terecht. Op lange termijn zou de koolstofopname in de Weddellzee sterk afnemen, omdat er minder zwaar plaatwater in de diepzee stroomt.
Eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter
Na zes weken op zee nadert de expeditie haar einde. De onderzoekers hebben alle verankeringen geborgen en de instrumenten, na deze te hebben nagekeken, weer uitgezet. Ook de van zenders voorziene robben verzamelen vlijtig gegevens; eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter. Een eerste verwerking van de data uit de verankerde instrumenten laat geen buitengewone toestroom van warmer diepzeewater op het continentale plat zien. Begin 2025 zullen de onderzoekers terugkeren om te zien of de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronne-ijsplateau standhoudt.
Voor de thuisreis aanvangt, is de expeditie nog getuige van een natuurspektakel: van de naburige Brunt-ijsplaat in het noordoosten van de Weddellzeeplaat is een tafelijsberg van 56 bij 33 kilometer afgebroken, die langzaam wegdrijft van de rand van de ijsplaat. De onderzoekers varen met de Polarstern de ontstane opening in. Ze willen de eenmalige gelegenheid benutten om dit eerder ontoegankelijke deel van de oceaan te verkennen.
Klimaatopwarming zorgt voor wereldwijde koraalverbleking
Het Groot Barrièrerif is in acht jaar tijd voor de vijfde keer getroffen door een ‘ongekende massale koraalverbleking’, aldus The Sydney Morning Herald. Dit is het resultaat van een zeehittegolf, ‘een nieuw teken van de verslechterende vooruitzichten voor het Australische zeewonder als gevolg van de opwarming van de aarde’, schrijft het dagblad.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Onderzoek vanuit de lucht wijst uit dat twee derde van het 2300 kilometer lange rif tekenen van verbleking vertoont, kondigden de autoriteiten vrijdag aan. De huidige verbleking volgt op vergelijkbare meldingen van aangetaste riffen over de hele wereld in de afgelopen twaalf maanden. Veel riffen op het noordelijk halfrond zijn getroffen door koraalverbleking als gevolg van hogere oceaantemperaturen die worden veroorzaakt door klimaatverandering en momenteel worden versterkt door het weerfenomeen El Niño in de Stille Oceaan.
‘In het verleden werden er veel beslissingen over ons genomen zonder ons’
De Canadese overheid heeft donderdag aan het noordelijke territorium Nunavut de verantwoordelijkheid overgedragen voor het beheer van het land en de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. Dat schrijft Toronto Star. Dit is de grootste landoverdracht in de Canadese geschiedenis. Nunavut omspant een gebied van bijna twee miljoen vierkante kilometer, waar de meeste bewoners Inuit zijn.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Deze zogeheten ‘devolutie’-overeenkomst betekent dat de macht om de uiteindelijke beslissingen te nemen over het gebied nu aan de territoriale overheid toebehoort. ‘Het betekent dat wij, de mensen die het meest geïnvesteerd hebben in het gebied, degenen zullen zijn die de natuurlijke bronnen beheren,’ zei P.J. Akeeagok, de premier van Nunavut. ‘In het verleden werden er beslissingen over ons genomen zonder ons. Met de ondertekening van deze historische overeenkomst kunnen we die besluitvorming weer naar huis halen.’
De devolutie-overeenkomst is de laatste stap in een proces dat officieel in 2008 begon met het onderhandelingsprotocol over de decentralisatie van de grond en hulpbronnen. De discussies over de overdracht zijn echter al bezig sinds de oprichting van het territorium in 1999 onder de Nunavut Act.
Bewoners van koude gebieden houden er verschillende gewoontes op na om het gebrek aan licht te verzachten en de terugkeer van de zon te vieren. In een tijd van het jaar waarin de dagen nauwelijks te onderscheiden zijn van de nachten, brengen deze tradities verwondering en troost.
Keuze uit het archief
De decembermaand is aangebroken. Dat betekent koude dagen, lange nachten en de komst van de winter. Toch hebben Nederlanders niets te klagen als je kijkt naar andere plaatsen op de wereld, waar mensen soms maandenlang de zon niet zien. Deze reportage van The Guardian noemt een aantal van deze plaatsen en legt uit hoe de lokale bewoners daar met de duisternis omgaan.
Deze lange avonden rond de jaarwisseling, wanneer de schemering al vlak na de lunch lijkt in te vallen, doen me denken aan de extreme poolnacht die ik een paar winters geleden doorbracht op een klein, rotsachtig eiland voor de westkust van Groenland. De bewoners van de Upernavik-archipel zien van eind november tot januari geen zon. In de e-mail die ik ontving als uitnodiging om te komen werken in het kunstenaarsatelier van het museum op het eiland – het meest noordelijke museum ter wereld – stond dat ik kon kiezen tussen zomer of winter. ‘Veel zuiderlingen denken dat de duisternis van de winter een vreselijk zware tijd betekent’, schreef de museumdirecteur. ‘Maar als je er eenmaal aan gewend bent geraakt, is deze heel goed geschikt om na te denken – iets wat mensen gewoonlijk veel te weinig doen.’
Dat bleek te kloppen. Toen ik eenmaal enigszins gewend was aan de voortdurende duisternis, leerde ik de nuances van het licht te waarderen: de heldere sterrenbeelden, de veranderende maan of het licht dat uit de ramen van mijn buren kwam. Andere zintuigen drongen zich op de voorgrond. Ik hoorde het gehuil van sledehonden al in de verte, het gekraak van kindervoetjes in kleine sneeuwlaarsjes. Terwijl de grote ijsbergen aan de horizon zwak glinsterden in het maanlicht op hun doortocht naar het zuiden, beleefde ik intiemere reizen in de beschutting van mijn hut en legde ik een aantal oude spoken te ruste.
Het was een les in soberheid, maar ik was niet geïsoleerd. Er waren veel festiviteiten om de boel op te vrolijken – een feest is eindeloos als de dageraad nooit aanbreekt. De manier van leven van de eilandbewoners wees me op het belang van gezelschap en de eenvoudige aandacht voor rituelen. Die rituelen lopen uiteen van de dagelijkse zorg voor jezelf, zoals het bereiden van een bewerkelijke pap als ontbijt, tot het meer sociale, dagelijkse rondje kaffemik (koffiedrinken in het ene huis na het andere, vaak vergezeld van snoep en koekjes). Kerstmis, Nieuwjaar en Valentijnsdag kwamen en gingen, maar de gebeurtenis waarnaar het meest werd uitgezien, was de terugkeer van de zon. De datum waarop een eerste zwakke gloed aan de horizon is te zien varieert langs deze kust – meestal begint die rond 13 januari in Aasiat, richting het zuiden.
Overvloed aan boeken
Waar ik was, in het noorden, keken we naar televisiereportages van wat er op de lagere breedten gebeurde. De dagen verstreken en het licht kwam steeds dichterbij. En toen kwam de dag waarop onze gemeenschap naar het hoogste punt van het eiland trok om de gouden bol boven het zee-ijs te zien uitstijgen. Schoolkinderen gingen ons voor. Ze droegen uit geel papier geknipte zonnetjes op hun sneeuwpakken en zongen een welkomstlied. De terugkeer van de zon is een moment van hoop.
In IJsland zijn de nachten en dagen duidelijker van elkaar te onderscheiden, maar ook hier bieden atmosferische verschijnselen verwondering en troost. Ik woonde in een golfplaten hut in Siglufjörður op het schiereiland Trollskagi, waar ik schreef aan mijn boekThe Library of Ice. Lezen en schrijven is een normaal binnenshuis tijdverdrijf voor IJslanders in de winter – jólabókaflóðið, ofwel ‘een overvloed aan boeken rond kerst’, is een welbekende traditie. Buitenshuis liggen meer ontastbare, elementaire vormen van vermaak op de loer. Het noorderlicht – het resultaat van geladen deeltjes die in botsing komen met de atmosfeer van de aarde – verschijnt het vaakst tussen september en april en dan vooral rond de nachtevening [het moment waarop de zon loodrecht boven de horizon staat]. Maar er is geen garantie op het fenomeen, en dat maakt het nog intrigerender.
Terwijl noorderlichtjagers in alle ernst de voorspellingen en weerberichten in de gaten hielden en in hun SUV’s dapper naar verre fjorden reden, genoot ik ervan te wachten tot de groene vuren zich veel dichterbij manifesteerden, ingekaderd door mijn raam boven een vertrouwd stuk berg. Volgens de folklore is het noorderlicht het spoor dat wordt achtergelaten door elfen, of zijn het ‘verborgen mensen’ (huldufólk) die in de donkere hemel dansen. Er zijn in Scandinavië veel mythische verklaringen voor het noorderlicht te vinden, maar misschien is het juist de ondoorgrondelijkheid die zo intrigeert, vanwege het mysterie en de onvoorspelbaarheid.
Schaduwen, waarzeggerij en het zesde zintuig zijn trouwens onlosmakelijk verbonden met winter. Deze donkere periode is ook een tijd van voorspellingen. Een nieuw jaar wordt vaak ingeluid met goede voornemens en voorspellingen. Toen ik tijdens oud en nieuw met een groep Duitse kunstenaars in Villa Concordia in Bamberg in Beieren verbleef, nam ik deel aan het zogenoemde loodgieten (Bleigießen), een gebruik waarbij gesmolten lood (tegenwoordig meestal tin of was) wordt gebruikt om de toekomst te voorspellen, zoals ook met theeblaadjes wordt gedaan.
Zodra er ijs ligt is rollen in verse sneeuw een meer dan bevredigend alternatief
Hierbij wordt een kleine hoeveelheid metaal in een pollepel boven een vlam gesmolten en dan in een kom met koud water gegoten. De organische, verwrongen vormen die het staafje lood aanneemt als het afkoelt, worden geïnterpreteerd om het komende jaar te voorspellen. Als het lood bijvoorbeeld een bal vormt, zegt men dat het geluk jouw kant op zal rollen. De vorm van een anker belooft hulp. De voorspelling is in een oogwenk gedaan, maar discussies over deze vormverandering van het element kunnen de hele nacht duren, vooral na een bocksbeutel [traditionele wijnfles] met bubbels.
Het loodgieten komt ook voor in Finland, waar het bekendstaat als tinanvalanta. Maar een nog intensere ervaring is om je bij koud weer terug te trekken in een zomerhuisje met sauna in het merengebied, om daar het oude jaar weg te stomen. In de zomer renden we vanuit de houten hut van mijn vriend naar het meer voor een verfrissende duik, maar zodra er ijs ligt is rollen in verse sneeuw een meer dan bevredigend alternatief.
Sommige internationale commerciële kuuroorden bieden zelfs kunstmatige ‘sneeuwkamers’ bij hun saunabehandelingen – een dappere poging om het rollen in pas gevallen sneeuw onder dennentakken die doorbuigen onder het gewicht van waterkristallen na te bootsen. Het oude jaar zou uitgewist kunnen worden met een paar koele slokken wodka met bosbessen, maar water is geschikter voor degenen die januari graag gezond aanvangen en willen profiteren van de heilzame effecten van de plotselinge overgang van warmte naar kou.
Vuurzee
Even opwindend is een duik in het koude water van de Firth of Forth, een oude traditie op nieuwjaarsdag voor de inwoners van Edinburgh. Voor de viering van Hogmanay [Schots voor oudejaarsavond en de bijbehorende festiviteiten], is in Portobello Park is een nieuw initiatief ontstaan. Om het einde van de feestelijkheden in te luiden worden afgedankte kerstbomen op het zandstrand ‘geplant’ en vervolgens in brand gestoken. Portobello is het enige openbare park in Schotland waar je een vuurtje mag stoken en kleine vreugdevuren zijn hier het hele jaar door te vinden, maar de brandstapel voor het nieuwe jaar moet soms door de autoriteiten worden getemperd. Het is misschien niet de meest duurzame manier om je te ontdoen van hout, maar indrukwekkend is de vuurzee aan de Firth of Forth well deze doet denken aan meer gevestigde Schotse midwintervieringen met vuur, uiteenlopend van Burning the Clavie in Burghead tot de Comrie Flambeaux en van de Fireballs in Stonehaven tot Helly Aa op de Shetland-eilanden. Het meest spectaculair is de dramatische verbranding van een model van een Vikingschip in het dorpje Lerwick.
Maar de vernietigende kracht van de elementen is uiteindelijk nergens duidelijker zichtbaar dan op de ijskap van Antarctica in de winter. Op het zuidelijk halfrond valt midwinter in juni. Dan wordt op onderzoeksstations het onderzoek naar ijskernen, gletsjers en de gewoonten van pinguïns stilgelegd en bereiden wetenschappers zich voor op de lange reis naar huis. Op de meest zuidelijke Britse basis, Halley VI, heersen temperaturen van min 30 graden Celsius, gepaard met snijdende wind. De zon komt wekenlang niet op boven de futuristische rode en blauwe cabines.
Een ervaren overwinteraar vertelde me dat de oudste persoon op de basis de vlag aan het einde van het seizoen laat zakken en dat de jongste hem zal hijsen als het onderzoeksprogramma in de lente weer begint. Het is inmiddels een traditie met nieuwjaar geworden, geliefd bij de weinige overwinterende wetenschappers en het ondersteunende personeel op Halley VI: voor de zonnewende op 21 juni zendt BBC World Service zijn misschien wel meest ongebruikelijke programma uit voor het kleinst beoogde publiek. Overal ter wereld kan men afstemmen op deze hartverwarmende mix van berichten aan familie en vrienden, muziekverzoeken en boodschappen van de British Antarctic Survey. Luisteraars kunnen in hun verbeelding meereizen met degenen die onderzoek doen naar de atmosfeer en het klimaat in het verleden om meer te weten te komen over de toekomst van de planeet – ook een vorm van voorspellen en goede voornemens, uiteindelijk zelfs de belangrijkste van allemaal.
In Servië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Slovenië pikken vrouwen het niet langer hoe rivieren en bossen in hun regio worden vervuild. Een strijdbare generatie komt nu in opstand tegen de milieuverontreiniging en klimaatverandering.
Dappere vrouwen uit het Bosnische Kruščica hebben meer dan vijfhonderd dagen gewaakt bij de rivier om de bouw van miniwaterkrachtcentrales tegen te gaan. Ook in Kraljevo (Servië) strijden vrouwen voor het behoud van hun rivieren. In Kroatië werpen ze zich op voor het behoud van het milieu en de publieke ruimte tegen de exploitatie door onder andere de toeristische sector.
De vrouwen in Kruščica hadden met de mannen geruild die normaal gesproken nachtdiensten voor hun rekening namen, omdat ze verwachtten dat de politie hen niet zou aanvallen. Rond vijf uur ’s ochtends arriveerde er een speciale eenheid. ‘Ze zeiden dat we opzij moesten gaan en als we dat niet deden, ze het bevel hadden ons in het water te gooien. Een paar minuten later begonnen ze met hun schilden op ons in te slaan. Op onze armen, benen… Vreselijk. Overal gekerm, gegil,’ vertelt Amela Zukan.
Trauma’s
De trauma’s van die nacht dragen de vrouwen nog altijd met zich mee. Sommigen zijn ziek geworden en dragen hun verwondingen als een ereteken. Maar ze zijn nog even vastberaden. Natuurlijke rijkdommen zijn onze laatste verdedigingslinie, zeggen ook andere vrouwen die in Servië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Slovenië op de barricades staan voor de natuur.
‘Als de donkerste scenario’s uitkomen, krijgen we te maken met extreme droogte, watertekorten en steeds frequentere overstromingen,’ zegt Zukan, die benadrukt dat de kwetsbaren en gemarginaliseerden, de armen en zieken, mensen in ontwikkelingslanden, meer te lijden hebben onder de klimaatverandering. De bijeenkomsten van bewoners in Kruščica begonnen aanvankelijk spontaan, toen deze tweeduizend zielen tellende gemeenschap lucht kreeg van de plannen voor de bouw van een miniwaterkrachtcentrale.
Ze hebben ons misleid, bestolen, verdeeld, wat al erg genoeg is
Het protest had succes. ‘We hebben heel wat mensen wakker weten te schudden, veel mensen zagen dat we onze rivier met succes hebben verdedigd en zijn onze methode zelf gaan toepassen. Wij strijden vandaag niet alleen maar voor ónze rivier, maar voor alle rivieren in Bosnië en Herzegovina en daarbuiten, in de hele regio,’ zegt Zukan. Dat beaamt ook natuuractivist Bojana Minović uit het Servische Kraljevo, die strijdt voor het behoud van de bergrivieren in haar streek. ‘Ze hebben ons misleid, bestolen, verdeeld, wat al erg genoeg is. Deze waanzin begon al in de oorlog: de sluiting van de fabrieken, het wegvallen van verschillende sociale, maatschappelijke en economische zekerheden. En te midden van dat alles storten ze zich nu ook nog eens op onze natuurlijke rijkdommen,’ zegt ze.
Minović merkt op dat het groot kapitaal tot in alle poriën van de maatschappij is doorgedrongen. Ze omschrijft hoe alles tegenwoordig jong, flitsend en strak moet zijn. De goede oude bergrivieren voldoen niet langer aan de standaarden, ze zijn niet Instagram-waardig. De mensen zwemmen niet meer in de Ibar [een van de rivieren rondom Kraljevo], ‘maar alleen nog in zwembaden, omdat het daar mooier, toegankelijker is.’ Minović vertelt dat er langs de bergrivieren zwembaden worden opgetuigd.
‘En zo’n stomme Ibar, waar opa’s vroeger in hun socialistische onderbroek zwommen, vinden we niks meer aan’
‘Alles moet nieuw, aantrekkelijk, mooi en leuk zijn. We willen dat alles comfortabel en toegankelijk is. ‘En zo’n stomme Ibar, waar opa’s vroeger in hun socialistische onderbroek zwommen, vinden we niks meer aan.’ Het is een vorm van prestige geworden om badhuizen te bezoeken, die inmiddels de helende mineraalwaterbronnen bij Vrnjačka Banja bedreigen. De badhuizen ‘leveren namelijk mooie kiekjes op voor Instagram, net als de zwembaden dat doen: cocktails, muziek, jonge, gezonde en strakke lijven.’
In haar werk wordt Minović ook geconfronteerd met de maatschappelijke kant van de ecologische problemen. Daarbij noemt ze twee belangrijke factoren: naast de schade aan de natuur vindt er ook een verarming van de bevolking plaats. ‘Hier zegt men dat de grond rondom de bergrivieren schraal is. Armer dan arm, onbruikbaar. En dus dalen de grond en het bos in waarde. Daardoor wordt het makkelijker deze natuurlijke hulpbronnen te verkopen,’ zegt ze.
Het gaat hier om economisch achtergestelde regio’s waar de verkoop van stukken bos of welke vorm van natuurlijke hulpbronnen dan ook voor sommige mensen vaak een laatste redmiddel is. ‘Degenen die stukken bos bezaten, kapten die om hun kinderen naar school te kunnen sturen, om voor eten te zorgen, om te overleven, om hun kinderen de mogelijkheid te geven hier weg te gaan,’ zegt Minović.
Pas wanneer een investeerder de aarde helemaal omwoelt en de veiligheid zichtbaar in gevaar komt na een overstroomde weg door een lekkende dijk, of als de forel uit de rivieren verdwijnt, pas dan zien ze de gevolgen in van al die bouwprojecten in en rondom hun bergrivieren. Maar de bewoners zeggen ook dat ze hun huizen moeten verwarmen en dus het bos moeten verkopen om te kunnen leven. Ook Minović ziet de teloorgang van het ecosysteem, de klimaatverandering, de buitengewoon zachte winters, de afnemende neerslag in de steeds warmer wordende zomers.
‘Ik weet echt wel wat winter is, hoe vier jaargetijden eruitzien,’ verzucht ze. Dat klimaatverandering overal is doorgedrongen en niet meer te negeren valt, vindt ook Irena Burba, een klimaatactivist die al zestien jaar bij de Kroatische ngo Groen Istrië werkt en actief deelnam aan talloze sociale en klimaatprotesten, zoals destijds in Lungomare en Plomin. ‘In ons werk merken we dat de aanval op het publieke domein en de publieke ruimte ieder jaar intensiveert,’ zegt ze.
Baai van Lapad
Irena Woelle is een Sloveense designer en activist die actief is op het snijvlak van milieu, maatschappij en cultuur. Ze houdt zich bezig met thema’s als stedelijk tuinieren en urbane imkerijen, maar ze zet zich ook in tegen fracking, glyfosaat, jachttoerisme en de ontgroening van het stadsbeeld. In een van haar projecten, getiteld Ik ben toch niet zo gek om daarheen te gaan, legde ze de link tussen het kapitalisme en het patriarchaat, die volgens haar veel gelijkenissen vertonen en langs dezelfde lijnen opereren.
Brandpunt was de baai van Lapad, geschilderd door de uit Dubrovnik afkomstige schilder Flora Jakšić, die op haar zeventiende, tegen haar wil in, werd uitgehuwelijkt en vervolgens tien jaar in een gewelddadig huwelijk opgesloten zat.
Gedurende haarleven was Flora’s huis een toonaangevend centrum voor schilderkunst in Dubrovnik; ze liet in haar testament opnemen dat Vila Flora aan de baai van Lapad een plek moest worden waar kunstenaars konden exposeren en hun vakanties konden doorbrengen. Van de baai van Lapad is niet veel meerover: een en al beton, kitsch en asfalt. De titel van het project is ontleend aan het antwoord van een jonge moeder aan haar partner, die voorstelde om met hun kind in de snikhete, verbouwde baai van Lapad te gaan zwemmen.
Met haar initiatief om het centrum van Rijeka gezonder en leefbaarder te maken door het Matija Vlačić Flacius-plein om te dopen tot Theeplein, wilde Woelle geneeskrachtige kruiden op het plein laten planten. Daarmee hoopte ze de in vergetelheid geraakte kennis omtrent de helende werking van planten en hun gebruik bij de bestrijding van kwaaltjes nieuw leven in te blazen. ‘Publieke ruimtes worden mateloos ingepikt,’ zegt Woelle. ‘We kunnen niet eens meer een wandeling maken door onze eigen steden, omdat alles is geprivatiseerd; overal zijn cafés en restaurants die er in feite alleen maar zijn voor toeristen.’
Ook Burba benadrukt de desastreuze gevolgen van het leunen op toerisme. ‘De stranden worden op illegale wijze opgespoten en de kust wordt almaar verder ingelijfd. Hotelketens en campings dijen almaar uit. Er blijft steeds minder ruimte over voor de inwoners. Er zijn wel een miljoen winkelcentra,’ zegt ze.
‘De leefbaarheid is bij ons flink verslechterd door het grenzeloze toerisme’
De publieke ruimte raakt in het gedrang. ‘De leefbaarheid is bij ons flink verslechterd door het grenzeloze toerisme,’ zegt Burba. ‘In de zomer staan er ellenlange files, waardoor je amper toegang hebt tot bepaalde diensten, zoals de eerste hulp. We hebben een enorm afvalprobleem, de hoeveelheid afval die wordt geproduceerd kunnen we simpelweg niet op een adequate manier verwerken.’ ‘Mensen zijn vaak pas bereid te reageren als er een probleem in hun achtertuin ontstaat, maar we zagen dat er in het geval van Lungomare ook veel mensen in opstand kwamen vanwege de emotionele binding met het gebied,’ zegt Burba.
Ze zagen in dat er al zoveel is gecommercialiseerd, dat ze bereid waren te strijden voor dat laatste strookje publieke ruimte. ’Niet veel anders was het in Kruščica. Alle inwoners verdedigden de rivier ‘met hart en ziel’, aldus Zukan. Weer of geen weer. Voor ons was het net alsof we naar ons werk gingen. Iedereen was verplicht zijn eigen dienst te draaien,’ zegt ze. ‘Zonder de inwoners was de rivier allang vernietigd. Nu is het weer een prachtige plek, die alle aandacht dubbel en dwars waard was.’
Pakyi en Tamandua zijn de laatste twee bekende, geïsoleerd levende leden van het inheemse Piripkura-volk. De mannen vormen de kern van een groter vraagstuk waar Brazilië al jaren mee worstelt: wie heeft recht op het woud?
Kilometers lang is er alleen maar regenwoud. Dan stuiten de twee rijksagenten op een geïmproviseerde schuilplaats. Het vuur smeult nog na. Ze zien twee paar voetafdrukken, twee machetes en twee plekken voor hangmatten. ‘Hier was hij gewoon,’ zegt Jair Candor, een van de agenten. Het is juni en hij hurkt neer onder het bladerdak terwijl zijn collega foto’s maakt. Al vijfendertig jaar lang zoekt Candor naar een man die niet gevonden wil worden. Nu heeft hij hem op een haar na gemist.
Die man, Tamandua Piripkura, is al zijn hele leven op de vlucht. Niet voor autoriteiten of vijanden – hoewel veel mensen hem graag dood zouden zien –, maar voor de moderne tijd. Tamandua is een van de laatste drie bekende overlevenden van het Piripkura-volk, een aftakking van een grotere inheemse groep die hier ooit verspreid over een groot deel van het woud leefde. Zijn hele leven, vermoedelijk zo’n vijftig jaar, leefde hij geïsoleerd, diep in het Amazonewoud.
Hij deelde het isolement lange tijd met zijn oom Pakyi. Naakt en blootsvoets trokken ze door het woud met niet veel meer dan hun kapmessen en een zaklamp. De derde overlevende, een vrouw die Rita heet, verliet het gebied rond 1985 en trouwde met iemand van een andere stam.
Pakyi, die ouder en zwakker is, woont sinds kort vlak bij een Braziliaanse overheidsbasis, opgericht om de twee mannen in het woud te beschermen. Maar Tamandua is ervandoor gegaan – terwijl hij waarschijnlijk de enige hoop voor het voortbestaan van de Piripkura is.
De mannen vormen de kern van een groter vraagstuk waar Brazilië al jaren mee worstelt en dat gevolgen heeft voor de toekomst van het Amazonegebied en de inheemse bevolking die er al zo lang woont: wie heeft recht op het woud? De veeboeren en houthakkers die van de overheid rechten op het land hebben gekregen, of twee inheemse mannen wier voorouders hier al waren voordat Brazilië een regering had?
Milieuagenda
Toen Candor in 1989 Pakyi en Tamandua voor het eerst aantrof – in een boom, op zoek naar honing – koos Brazilië in feite de kant van de houthakkers. De volgende twee decennia deed de regering niets en konden houtkapbedrijven hun gang gaan in het woud.
In 2007 vond Candor de twee mannen terug. De linkse regering – beïnvloed door veranderende opvattingen over het behoud van de Amazone – huldigde toen andere standpunten. Bijna duizend vierkante kilometer bos, twee keer zo groot als Los Angeles, wees Brazilië aan als beschermd gebied, alleen voor Pakyi en Tamandua.
Die beschermingsmaatregel wekte woede op bij de mensen die dachten dat het land van hen was. Tientallen jaren eerder had de regering het grootste deel van het gebied voor een schijntje aan exploitanten verkocht. Het was destijds een poging om Brazilianen aan te moedigen het bos te ontginnen en de economie te laten groeien. De mensen die deze landrechten geërfd of gekocht hadden, vechten nu de beschermingsmaatregelen aan. Ze willen het land weer kunnen ontginnen en er vee weiden.
Die strijd wordt geleid door de Penço’s, een familie die de grootste kalksteenmijnen in de staat runt en bijna de helft bezit van het voor de Piripkura beschermde gebied. Pakyi en Tamandua hebben niet zoveel land nodig, beweren de Penço’s, en dat de regering hun rechten schendt, vinden ze een verhulde poging om de houtkap te stoppen.
‘Deze twee Indianen zijn slachtoffers. Ze worden misbruikt als middel om een milieuagenda door te drukken,’ zegt Francisco Penço, woordvoerder van de familie, tijdens een recent bezoek aan het woud in gezelschap van zijn advocaat. Hun nette schoenen zitten onder de modder.
Door toenemende druk in de afgelopen decennia zien regeringen zich gedwongen om inheems land te beschermen
Eeuwenlang werden inheemse volken gezien als obstakels voor de vooruitgang en overal ter wereld werden ze afgeslacht. Maar door toenemende druk in de afgelopen decennia zien regeringen zich gedwongen om inheems land te beschermen. In Brazilië zijn dergelijke reservaten een pijler geworden onder de pogingen om het Amazonegebied te behouden. Veertien procent van het land – ruwweg de grootte van Frankrijk en Spanje samen – is inmiddels inheems grondgebied.
Toch worden deze gebieden voortdurend bedreigd door indringers en sinds 2019 zijn er bijna achthonderd inheemse mensen vermoord. Na jaren van genocide en ontbossing zijn er van de meeste stammen nog maar enkele tientallen leden over. Maar volgens deskundigen is geen enkele bekende stam in Brazilië kleiner dan de Piripkura, en hun bescherming loopt nu gevaar.
Na vijftien jaar uitstel wil de regering begin volgend jaar het onderzoek afronden naar de vraag of de Piripkura aanspraak kunnen maken op een permanent reservaat of überhaupt op bescherming. De Penço’s en andere tegenstanders stellen dat het beschermde gebied aanzienlijk kleiner moet worden of helemaal moet verdwijnen. Pakyi woont nu al dicht bij de overheidsbasis, is hun argument. Voor voorstanders van de beschermingsmaatregelen is het daarom van cruciaal belang om te bewijzen dat Tamandua nog leeft.
Dus daarom rijdt Candor, drieënzestig en met een grijze baard, in zijn met modder besmeurde overheidstruck vijf uur door het regenwoud over een onverharde weg die de Penço’s hebben aangelegd om hout te winnen. Het is juni, en Candor is op weg naar de basis om Tamandua te zoeken. Hij heeft hem nu twee jaar niet meer gezien.
Hij is nog maar net gearriveerd op de basis, of er verschijnt een figuur bij de hordeur: een man van een meter tachtig, bedekt met de rode kleurstof van een vrucht uit het Amazonegebied. Het is Pakyi. Hij komt binnen en kijkt argwanend naar de nieuwkomers: twee overheidsagenten en twee journalisten. Maar al snel toont hij een brede glimlach, schudt hun handen en trekt aan hun baarden. Hij is kleren gaan dragen toen hij zag dat anderen dat ook deden. Zijn vuile shirt heeft hij achterstevoren en is bedrukt met een tekst: ‘Niemand van ons is beter dan wij allemaal samen.’
Met plezier vertelt hij over de jachtpartijen van vroeger, maar vragen over zijn familie en zijn neef negeert hij of weigert hij te beantwoorden. De volgende dag gaat hij op een boomstam zitten en begint te praten. Tamandua is in het bos, zegt hij via een tolk, en hij wil niet gevonden worden.
Vuur
Een van de laatste keren dat Tamandua werd gezien, was in 2017. Pakyi en hij kwamen naar de overheidsbasis met een eenvoudig verzoek: steek onze fakkel aan. Candor had hen voor het laatst vuur gegeven in 1998. Hij denkt dat ze sindsdien het vuur brandend hielden door met de fakkel het kampvuur aan te steken en omgekeerd. Als het regende, wikkelden ze de sintels in bananenbladeren.
Pakyi en Tamandua maken hangmatten van schors, jagen met vallen op miereneters en bouwen schuilplaatsen met de brede palmbladeren van de babaçuboom. Toch maken ze geen vuren meer, gebruiken ze geen pijlen meer en verbouwen ze geen cassave meer.
Minder dan een eeuw geleden leefden de Piripkura in een dorp met meer dan honderd mensen – het kunnen er meer zijn, denken antropologen – met dezelfde hulpmiddelen als hun buren: vuur, wapens, aardewerk, gewassen.
Hoe de Piripkura van een compleet dorp tot slechts drie mensen zijn vervallen is onduidelijk. Antropologen hebben de geschiedenis grotendeels samengesteld op basis van verhalen van de derde overlevende, Rita, die waarschijnlijk de zus is van Pakyi. Rita zegt dat haar familie haar heeft verteld dat alles veranderde toen de witten arriveerden.
In de jaren veertig deelde de regering goedkoop land uit in het Amazonegebied. ‘Meer rubber voor de overwinning!’ vermeldde een poster van de Braziliaanse regering uit 1943, waarop mannen werden opgeroepen om rubbertapper te worden om de geallieerden bij hun oorlogsinspanningen te helpen.
Kolonisten slachtten de inheemse bevolking af. De Braziliaanse regering heeft erkend dat tijdens de militaire dictatuur van het land tussen 1964 en 1985 tenminste 8300 inheemse mensen zijn vermoord.
Bij één bloedbad werd een dorp in Piripkura gedecimeerd, vertelden familieleden aan Rita, die in de zestig is. Mannen hakten lichamen in stukken, verminkten genitaliën en lieten slachtoffers gespietst achter op boomstammen, vertelde Rita aan overheidsfunctionarissen. Toen Rita en Pakyi nog kinderen waren, telde hun groep nog maar tien tot vijftien leden. Als een van de weinige vrouwen was Rita zeer begeerd. Ze kreeg twee kinderen van een man van een andere stam en toen hij stierf aan een infectie, vroegen Pakyi en haar vader haar ten huwelijk. ‘Ben je gek?’ zei ze in een interview. ‘Trouwen met mijn vader?’
‘Het enige wat hij vroeg was of we hem niet wilden doden’
Toen kwam het moment waarop de familie uit elkaar viel: Pakyi vermoordde de twee kinderen van Rita. Eerst vermoordde hij haar oudste zoon, die vier of vijf geweest moet zijn, omdat hij huilde, volgens Rita en een overheidsrapport uit 2012. Pakyi scalpeerde de jongen en begroef zijn lichaam, aldus het rapport. Later droeg hij Rita’s dochtertje het bos in en liet haar daar achter. Pakyi heeft er nooit over gesproken, zegt Candor, en de regering heeft de moorden nooit verder onderzocht.
Rita vluchtte en rende urenlang naar een veeboerderij met de naam Change Farm waarvan ze wist dat er witte mannen woonden. De boerderij is eigendom van de Penço’s. ‘Het verbaast me dat mensen zeggen dat veeboeren de Indianen willen doden,’ zegt Penço. ‘We hebben Rita beschermd toen ze moest ontsnappen.’
Bij Change Farm kwam er een einde aan het isolement van Rita. Van 1983 tot 1985 werkte ze op de ranch, waar ze kleren begon te dragen en Portugees leerde. Volgens het rapport van een antropoloog werd ze er ook mishandeld en geslagen met een bezem. In 1985 liep ze weg en kwam uiteindelijk terecht bij specialisten van de overheid die op zoek waren naar haar stam. Ze liet hun zien waar haar familie had gewoond, maar toen ze er aankwamen waren de huizen verlaten.
In 1989 sloot ze zich aan bij een nieuwe expeditie, dit keer met Candor. Op de tweede dag, na een bezoek aan het graf van de zoon van Rita, waadden ze borstdiep door een moeras naar een eiland.
Daar zagen ze Pakyi en Tamandua, die op zoek waren naar honing. Pakyi vluchtte weg. Tamandua bleef steken in de boom. ‘Hij begon te beven,’ zegt Candor. ‘En het enige wat hij vroeg was of we hem niet wilden doden.’
Uiteindelijk namen Pakyi en Tamandua Rita en Candor mee naar hun schuilplaats. De groep bracht twee weken samen door en Candor stelde Pakyi en Tamandua steeds weer dezelfde vraag: waar zijn de anderen? ‘Ze zeiden dat ze dood waren. Maar op een ander moment zeiden ze dat ze ergens daarbuiten waren,’ zegt Candor. ‘Maar ze zeiden nooit waar of waarom of wat er gebeurd was.’
Officieel had Candor een nieuw volk ontdekt – een ontdekking die normaal gesproken zou leiden tot bescherming door de overheid. Maar eind jaren negentig liet de regering de zaak grotendeels rusten.
In 2007 vroeg een andere inheemse stam aan de regering wat er met de Piripkura was gebeurd en Candor werd opnieuw op onderzoek gestuurd. Toen hij met Rita aankwam, was de plek veranderd.
‘Overal waren houthakkers,’ zegt Candor. ‘Overal hoorde je het gejank van kettingzaken en zag je omgevallen bomen.’ Na drie maanden zoeken stonden Candor en Rita op het punt het op te geven. Toen hoorden ze het tweetal in de verte praten. Pakyi en Tamandua waren inmiddels tien jaar ouder, maar nog steeds in leven en alleen in het bos.
Spelregels
Jarenlang haalde de familie Penço hout uit het gebied, waarvan een groot deel bestemd was voor vloeren in de Verenigde Staten. De beschermingsmaatregelen die in 2008 werden uitgevaardigd, maakten abrupt een einde aan die handel. De patriarch van de familie, Celso Penço, had tientallen jaren eerder goedkope stukken regenwoud gekocht van de overheid. Toen hij in 2016 stierf, liet hij bijna tweeduizend vierkante kilometer van het Amazonegebied na aan zeven erfgenamen – een gebied dat zeker half zo groot is als Long Island. Twee derde daarvan lag binnen het voor de Piripkura beschermde gebied.
De Penço’s beweren dat de grensmarkeringen van het gebied willekeurig en verouderd zijn, en gebaseerd op sporen van schuilplaatsen die tientallen jaren geleden zijn gevonden. In plaats daarvan zouden Pakyi en Tamandua hooguit zo’n vierhonderd vierkante kilometer moeten krijgen, zeggen ze, oftewel een zesde van het huidige beschermde gebied. ‘En niet omdat we geloven dat deze twee Indianen zoveel ruimte nodig hebben,’ aldus Rodrigo Quintana, een van de advocaten van de Penço’s.
Volgens Candor daarentegen hebben de Piripkura een sterkere claim op het land dan de Penço’s. ‘Als zij recht hebben op dit alles,’ zegt hij over de Penço’s, ‘waarom hebben de jongens die hier geboren en getogen zijn en die hier hun familieleden hebben zien sterven, dat dan niet?’
Francisco Penço, de zoon van Celso Penço, zegt dat de regering de ‘spelregels’ heeft veranderd nadat het land verdeeld was. Als de regering het land wil hebben voor de Piripkura, zal ze de landeigenaren moeten betalen. Volgens zijn berekeningen heeft zijn familie dan 45 tot 70 miljoen dollar tegoed. Penço betwijfelt het of de mannen echt geïsoleerd leven en wijst erop dat moderne medicijnen hen verschillende keren in leven hebben gehouden. In één geval, in 2018, droegen Candor en een collega Tamandua uit het bos omdat hij niet kon lopen. In het ziekenhuis ontdekten artsen een bloedprop in zijn hersenen.
Pakyi en Tamandua zagen decennia lang vrijwel alleen elkaar en geloven volgens antropologen dat moderne technologie afkomstig is van een godheid boven de wolken, en wordt opgehaald door witten in vliegtuigen. Maar nu zaten ze zelf op een commerciële vlucht naar São Paulo, de grootste stad van Latijns-Amerika, voor een hersenoperatie. Op het vliegveld hadden ze bijna in het openbaar geplast. In het vliegtuig greep Pakyi naar de borsten van een vrouw.
Ze bleven anderhalve maand in São Paulo en sliepen in hangmatten die het ziekenhuis voor hen had opgehangen. ‘Ze vroegen de hele tijd of ze weg mochten,’ zegt Cleiton Gabriel da Silva, de federale agent die hen begeleidde. ‘De stad was traumatiserend.’ Vooral voor Tamandua was de ervaring erg zwaar. ‘Snijden in zijn hoofd, hem steeds opnieuw injecteren en verdoven,’ aldus Da Silva. ‘Hij begreep niet dat dit allemaal nodig was om zijn leven te redden.’
Candor denkt niet dat Pakyi, met zijn leeftijd en temperament, nazaten zal krijgen. Maar voor Tamandua geldt dat misschien wel
Kort na hun terugkeer koos Pakyi ervoor in de buurt van de overheidsbasis te verblijven. Hij kookt vogeltjes die de agenten voor hem vangen en probeert te voetballen, waarbij hij vooral zijn handen gebruikt. Hij en Rita hebben nog steeds een moeizame relatie, maar hij slaapt elke nacht met een opgezette uil die ze hem heeft gegeven. Tamandua is nog steeds spoorloos.
Dat is de reden waarom Candor in juni samen met de twee journalisten terugging naar de basis. Daar vond hij de schuilplaats en de twee paar voetafdrukken op slechts dertig minuten lopen het bos in. Voor hem het bewijs dat Tamandua nog in leven is – een vondst die cruciaal kan blijken voor de bescherming. De oprichting van een Piripkura-reservaat zou dit deel van het bos kunnen redden, maar misschien niet de Piripkura zelf.
Enkele jaren geleden bracht Candor Pakyi en Tamandua naar het dorp van een andere inheemse groep die een vergelijkbare taal spreekt. Candor hoopte dat het bezoek hen zou inspireren. Antropologen zouden eventuele nakomelingen van de twee mannen als een nieuwe Piripkura-generatie beschouwen. Candor denkt niet dat Pakyi, met zijn leeftijd en temperament, nazaten zal krijgen. Maar voor Tamandua geldt dat misschien wel.
‘Als er een vonk overspringt tussen hem en een van de meisjes daar? Zeker,’ zegt Candor. Alleen bleken de vrouwen in het dorp meer geïnteresseerd in hun smartphone. ‘Ze zijn in de ban van de nieuwe technologie,’ zegt Candor, ‘en hebben geen interesse in het leven hier, zwervend door het bos.’
Wat Rita betreft is een groot deel van het regenwoud waar haar familie ooit leefde met de grond gelijk gemaakt, net als het heilige gebied waar haar volk, inclusief zijzelf, ooit is bevallen.
Of er nog een Piripkura geboren wordt, zegt ze, hangt af van één persoon: Tamandua.
De populatie nijlpaarden zorgen voor schade aan ecosystemen
Colombia gaat proberen de populatie van meer dan honderd nijlpaarden, afkomstig uit de dierentuin van wijlen drugskoning Pablo Escobar, aanpakken. Volgens El Espectadorwil men de dieren steriliseren, ze verhuizen naar andere landen en mogelijk afschieten. Autoriteiten schatten dat er momenteel 169 nijlpaarden zijn in Colombia, vooral in en rond de Magdalenarivier, en dat als er geen maatregelen worden genomen, het er duizend kunnen zijn in 2035.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De nijlpaarden, die zich na de dood vanuit Escobar verspreidden naar nabijgelegen rivieren, hebben geen natuurlijke vijanden in Colombia en zijn uitgeroepen tot een invasieve soort die schade toebrengt aan flora en fauna. Volgens de eerste fase van het plan moeten 40 nijlpaarden per jaar gesteriliseerd worden.
Experts zeggen dat sterilisatie alleen niet genoeg is om de toename van de nijlpaarden onder controle te houden. Daarom is de regering bezig met het regelen van de overplaatsing van nijlpaarden naar andere landen. Er zou onder meer contact zijn met Mexico, India en de Filipijnen.
Klimaatactivisten van Letzte Generation – het Duitse Extinction Rebellion – vinden niet bij iedereen de steun die nodig is om de politieke blokkade op klimaatregelingen op te heffen. Volgens Simon Teune ‘verstoren ze de illusie dat je je leven kunt blijven leiden zoals voorheen’. Der Spiegel sprak met de Duitse socioloog.
Letzte Generation heeft verschillende keren haar strategieën veranderd. Eerst waren de protesten gericht tegen automobilisten, daarna tegen eigenaren van privévliegtuigen en andere rijken. Nu protesteert de groep vooral in Beieren, waar binnenkort deelstaatverkiezingen worden gehouden. Hoe verstandig is deze aanpak?
‘Het doel van de groep is een fundamenteel ander klimaatbeleid. Om dat te bereiken proberen ze verschillende strategieën uit, en het is eigenlijk moeilijk te voorspellen welke acties uiteindelijk het effectiefst zullen zijn. Het is zeker zinvol om vooral te mikken op de grootste veroorzakers van klimaatverandering. De superrijken produceren door hun levensstijl en investeringen bijzonder veel uitstoot die schadelijk is voor het klimaat.
Socioloog en promovendus Simon Teune doet aan de Technische Universiteit in Berlijn onderzoek naar protestbewegingen.
Het feit dat de activisten zich richten op een deelstaat waar in de herfst verkiezingen worden gehouden, valt te beschouwen als een poging om al bestaande publieke aandacht te gebruiken voor de eigen agenda. Het uitproberen van verschillende strategieën kun je ook opvatten als reactie op een uitputtingseffect.’
Wat bedoelt u?
‘De straatblokkades bezorgen Letzte Generation niet meer zo veel aandacht als in het begin. En ze brengen kosten met zich mee: financiële, maar vooral mentale kosten. De demonstranten hebben geld nodig voor rechtszaken en advocaten. En het is enorm belastend om tegenover boze en soms gewelddadige automobilisten te staan. Sommige demonstranten zijn getraumatiseerd door die reacties of door gewelddadig politieoptreden.’
Toch heeft Letzte Generation veel tegenstanders die eigenlijk voorstanders zouden kunnen zijn. In talrijke opiniepeilingen vindt een meerderheid van de respondenten dat klimaatverandering een van de dringendste problemen van dit moment is. Tegelijkertijd wijst een groot aantal mensen het protest af. Hoe valt dat te rijmen?
‘De kritiek op de protesten van Letzte Generation staat symbool voor hoe we als samenleving omgaan met de klimaatcrisis als geheel. De media en de politiek verklaren het klimaatprotest – en niet de klimaatcrisis – tot het probleem. We weten allemaal dat het om een enorme uitdaging gaat en dat we allemaal vrij machteloos tegenover het probleem staan. Letzte Generation maakt dat conflict zichtbaar.’
Wat wordt door dat protest dan precies zichtbaar?
‘Het onthult de beangstigende stilstand in de politiek over een kwestie die cruciaal is om te overleven. Het wekt de indruk dat delen van de huidige rood-geel-groene coalitie en de oppositie een duurzaam klimaatbeleid zo lang mogelijk willen uitstellen, terwijl de wetenschap duidelijk zegt dat er nog maar weinig tijd is om de klimaatcrisis met effectieve maatregelen te verzachten. De liberale FDP is zelfs tegen minimale oplossingen zoals een snelheidslimiet. De bondskanselier toont geen leiderschap en maakt ook niet duidelijk dat we moeten overschakelen op de crisismodus. Een brede parlementaire meerderheid steunt nog steeds subsidies voor fossiele energie.
‘Het feit dat de regering wegkijkt is moeilijk te accepteren, en dat komt tot uiting in de protesten van Letzte Generation’
Als de regering eerlijk zou zijn, zou ze mensen moeten voorbereiden op het feit dat we niet kunnen doorgaan met leven zoals we tot nu toe hebben gedaan. We zien nu al dat klimaatverandering leidt tot conflicten over water en land, tot honger en vluchtelingenstromen. Een consistent klimaatbeleid zou betekenen dat we een gemeenschappelijk perspectief ontwikkelen voor een noodzakelijke transformatie, waardoor we ook anders gaan praten over nieuwe manieren van verwarming, of over verbrandingsmotoren. Het feit dat de regering wegkijkt is moeilijk te accepteren, en dat komt tot uiting in de protesten van Letzte Generation.’
Maar je ziet nu al dat veel mensen de verplichting om op middellange termijn een nieuw verwarmingssysteem te installeren erg ingrijpend vinden – de veranderingen gaan voor hen te snel.
‘ Ik denk dat dat maar ten dele waar is. Er is een maatschappelijke meerderheid voor een beter klimaatbeleid. De suggestie dat het voor mensen ‘te snel’ zou gaan, is ook een strategie om dingen te vertragen. Maar ook hier ligt de verantwoordelijkheid bij de overheid. Zij moet eerlijker communiceren dat wat nu nog een onredelijke eis lijkt, een kans is om een catastrofale ontwikkeling in de nabije toekomst te voorkomen.’
In hoeverre zijn mensen volgens u bereid om hun eigen leven te veranderen?
‘De demonstranten verstoren de illusie dat je uiteindelijk op de een of andere manier je leven kunt blijven leiden zoals voorheen, namelijk zonder extra beperkingen. Dat gevoel van verstoring is bedreigend, en verklaart ook de scherpte van het debat. Het komt niet vaak voor dat demonstranten worden beledigd of aangevallen. Ondertussen gebeurt dat wel vaak met leden van Letzte Generation.
‘Ze worden geschopt en van straat getrokken omdat ze velen een spiegel voorhouden’
Ze worden geschopt en van straat getrokken omdat ze velen een spiegel voorhouden en hun eigen dilemma laten zien. Want veel mensen weten heel goed dat hun leven moet veranderen omdat ze parasiteren op de toekomst. We geven niet toe aan de bijbehorende gevoelens van schuld en schaamte. Het is gemakkelijker om ons af te reageren op degenen die ons herinneren aan onze eigen tekortkomingen.’
Vergeleken met sommige acties vorig jaar, toen er aardappelpuree naar een schilderij werd gegooid, zijn de protesten ook intenser geworden. Minister van Binnenlandse Zaken Nancy Faeser zei in juni dat sinds begin 2022 maar liefst 580 strafbare feiten zijn toegeschreven aan Letzte Generation. Is het protest aan het radicaliseren?
‘Ik zie geen tendensen tot radicalisering. Letzte Generation heeft verschillende vormen van protest uitgeprobeerd die ontwrichtend zijn en die niet genegeerd kunnen worden. De demonstranten richten hun pijlen op democratisch gekozen instellingen. Hoewel ze een radicaal ander klimaatbeleid en een fundamenteel andere manier van zakendoen eisen, is het protest niet gewelddadig en vormt het geen bedreiging voor de democratie, noch staat het buiten de grondwet. Integendeel, de klimaatbeweging is juist positief over de grondwet.
Het populaire begrip ‘klimaat-RAF’ is een verdraaiing van de werkelijkheid
Het populaire begrip ‘klimaat-RAF’ is een verdraaiing van de werkelijkheid. Er zijn geen delen van de klimaatbeweging die vinden dat leden van de regering met geweld uit de weg geruimd moeten worden – in tegenstelling overigens tot bewegingen aan de rechterflank. Maar de klimaatbeweging verschilt ook van andere sociale groeperingen omdat de dynamiek in de klimaatcrisis snel gaat. Als deze regering met deelname van de Groenen nu al niet in staat is om adequaat op de crisis te reageren, kan dat ertoe leiden dat klimaatactivisten op een gegeven moment fundamenteel beginnen te twijfelen aan democratische instellingen.’
Zijn protesten zoals die van Letzte Generation überhaupt een effectief middel om politieke druk te genereren?
‘Je kunt Letzte Generation bekritiseren omdat ze een te simpele voorstelling van politiek uitdragen. De veronderstelling dat je politieke beslissingen min of meer direct kunt beïnvloeden door de druk op te voeren, is te eenvoudig. Maar de protesten vervullen zeker een belangrijke functie, in die zin dat ze de ‘business as usual’-houding verstoren. Het feit dat dit soort wanhopige protesten überhaupt tot stand komt, heeft te maken met een gebrek aan politiek leiderschap in het klimaatbeleid. De vergiftigde atmosfeer die hierdoor is ontstaan maakt het moeilijk om de crisis democratisch aan te pakken.’
Bedoelt u dat de geschillen over het klimaatbeleid de democratie in gevaar brengen?
‘De behandeling van Letzte Generation is een schoolvoorbeeld van wat in de academische wereld ‘morele paniek’ wordt genoemd: sommige media en ook sommige politici wekken de indruk dat een bepaalde groep de morele orde van de samenleving bedreigt. Letzte Generation is misschien lastig of vervelend, maar door ze te criminaliseren of als potentiële staatsvijanden neer te zetten, wordt de ruimte voor maatschappelijk debat kleiner. Dat is problematisch voor een democratie.’
Een van de beschuldigingen van de kant van critici is dat de protesten illegaal zijn omdat ze niet worden aangemeld als echte demonstraties.
‘: Dat is precies de logica van burgerlijke ongehoorzaamheid in een liberale rechtsstaat: iemand heeft een politieke, moreel gerechtvaardigde zorg die niet wordt aangepakt binnen de bestaande instellingen, en is bereid om in beperkte mate regels te overtreden om daar aandacht voor te vragen. En is ook bereid om de straf voor deze overtredingen te accepteren. Democratieën zijn voortgekomen uit burgerlijke ongehoorzaamheid. De grote verworvenheden van de arbeidersbeweging, zoals eerlijkere lonen, zijn tot stand gekomen door illegale stakingen; ook vrouwenkiesrecht werd met militante middelen verworven. Maar protest is altijd ongemakkelijk.’
De klimaatbeweging Fridays for Future heeft zich herhaaldelijk gedistantieerd van de acties van Letzte Generation. Waarom zijn zij – en andere klimaatactivisten – niet solidairder met Letzte Generation? Ze strijden tenslotte voor hetzelfde doel.
‘Er is solidariteit, maar ook een strategische afstand. Op dit moment kan niemand die de kant van Letzte Generation kiest op een positieve reactie rekenen. Het is op dit moment sowieso moeilijk om mensen te mobiliseren. De klimaatbeweging heeft veel bereikt: een groot deel van de mensen erkent nu de uitdaging van de klimaatcrisis en ook organisaties als de kerken en de vakbonden pleiten openlijk voor verandering.
‘Tegelijkertijd worden klimaatprotesten gecriminaliseerd. Dat frustreert veel mensen enorm’
Maar de Duitse regering heeft op de klimaatstakingen van Fridays for Future – die tot de grootste protesten in de geschiedenis van de Bondsrepubliek behoren – gereageerd met een ontoereikende klimaatbeschermingswet. Tegelijkertijd worden klimaatprotesten gecriminaliseerd. Dat frustreert veel mensen enorm.’
Welke mogelijkheden zijn er dan nog over om politieke druk uit te oefenen?
‘Er zal nog steeds druk van de straat komen, met massaprotesten en spectaculaire acties. Daarnaast blijft de klimaatbeweging werken aan verbreding van de discussie. Als verenigingen en organisaties die politiek dicht bij de FDP of de CDU en CSU staan zich zouden uitspreken voor een ander klimaatbeleid, zou het beeld aanzienlijk veranderen.’
Zou dat bijvoorbeeld de Federatie van Duitse Industrieën kunnen zijn?
‘Als in die gelederen het besef zou doordringen dat ook hun economische modellen worden bedreigd door de klimaatcrisis, is er een kans dat de politieke blokkade in het klimaatbeleid wordt opgeheven. Het is geen voor de hand liggende gedachte, maar de klimaatcrisis heeft tot nu toe al voor heel wat verrassingen gezorgd. In Frankrijk waren er in maart gewelddadige betogingen rond de aanleg van bassins voor grondwater – een andere vitale hulpbron die al lange tijd wordt bedreigd door onze manier van leven. Nog maar een paar jaar geleden hadden weinigen verwacht dat er hier in Europa om water gevochten zou kunnen worden.’
Welvarende landen zouden lagelonenlanden substantiële financiering moeten aanbieden om af te stappen van fossiele brandstoffen. De Keniaanse president William Ruto stelde een nieuwe ‘groene wereldbank’ voor, een doordacht plan dat vraagt om zorgvuldige bestudering.
In een interview met Financial Times tijdens de Top voor een Nieuw Mondiaal Financieringspact, afgelopen juni in Parijs, deed de Keniaanse president William Ruto een oproep om een ‘groene wereldbank’ op te richten die ontwikkelingslanden zou helpen de gevolgen van de klimaatverandering te verzachten, zonder de toch al onhoudbare schuldenlast nog verder te verzwaren. Als rijke landen serieus van plan zijn klimaatverandering aan te pakken en vrede en welvaart te bevorderen in Afrika en de rest van de ontwikkelingswereld, moeten ze dit doordachte en belangrijke voorstel in overweging nemen.
Tot voor kort waren de overvloedige natuurlijke hulpbronnen en goedkope arbeidskrachten van ontwikkelingslanden hun enige onderhandelingstroeven. Maar de klimaatverandering heeft lagelonenlanden een betere onderhandelingspositie gegeven en de dynamiek van de relaties tussen Noord en Zuid veranderd. Ontwikkelingslanden laten zich niet langer dwingen enorme schulden aan te gaan voor de financiering van hun vergroening, vooral niet wanneer er goedkopere alternatieven voorhanden zijn.
Hypocrisie
De voortdurende pogingen van welvarende landen om lagelonenlanden ertoe over te halen een hogere waarde toe te kennen aan duurzame energiebronnen dan zijzelf hebben gedaan, zijn tot mislukken gedoemd. Hoewel de aansporingen in enkele gevallen succes hebben gehad, mede dankzij de dalende kosten van zonne- en windenergie, vinden ontwikkelingslanden het vaak veel rendabeler om in de voetsporen van geavanceerdere landen te treden en in te zetten op fossielebrandstoftechnologieën.
De oorlog in Oekraïne heeft de hypocrisie van de rijke landen blootgelegd
De oorlog in Oekraïne heeft de hypocrisie van de rijke landen blootgelegd. Jarenlang hebben zij ontwikkelingslanden het gebruik van fossiele brandstoffen ontraden en leningen voor de ontwikkeling van gas- en olieprojecten onthouden, vooral als die bestemd waren voor binnenlands gebruik. Maar sinds de Russische invasie zetten Europese leiders Afrikaanse landen onder druk om de productie van gas te verhogen, zodat het in de vorm van vloeibaar aardgas naar Europa kan worden verscheept. Duitsland heeft zelfs zijn kolencentrales heropend. Bovendien hebben Europese huishoudens en bedrijven precies hetzelfde soort enorme energiesubsidies gekregen waarvoor Afrikaanse landen in onder meer het jaarrapport over 2022 van het Internationaal Energieagentschap op de vingers werden getikt.
Aanklacht tegen oliebedrijven
Californië is niet alleen een belangrijke producent van olie en gas, maar wordt ook geteisterd door de gevolgen van klimaatverandering, met bosbranden, overstromingen, verzengende hitte en tropische stormen. Volgens The New York Times vindt de staat het nu welletjes. In navolging van zeven andere staten heeft de openbaar aanklager op 15 september een rechtszaak aangespannen tegen vijf van ’s werelds grootste oliemaatschappijen: Exxon Mobil, Shell, BP, ConocoPhillips en Chevron.
Zij worden verantwoordelijk gehouden voor tientallen miljarden dollars aan schade, en misleiding van het publiek door de risico’s van fossiele brandstoffen te bagatelliseren. Het OM van Californië wil dat de beklaagden een fonds oprichten waaruit toekomstige schade door klimaatgerelateerde rampen kan worden betaald.
Terwijl Europese regeringen deze initiatieven beschouwen als een gerechtvaardigde reactie op buitengewone omstandigheden, zijn ze voor ontwikkelingslanden, waar elektriciteitsrantsoenering zelfs in vredestijd de regel is, moeilijk te verteren. De Verenigde Staten brengen het er niet veel beter van af. Toen de benzineprijzen de pan uit rezen als gevolg van de oorlog in Oekraïne, verzekerde de Amerikaanse president Joe Biden dat hij alles in het werk zou stellen om de prijzen te laten dalen. Biden deed zelfs een beroep op Saoedi-Arabië om meer olie op te pompen, ondanks de eerdere bedenkingen van zijn regering tegen dat land en de leider ervan, kroonprins Mohammed bin Salman.
Naast Ruto’s voorstel voor een groene bank zijn er ook andere manieren geopperd om ontwikkelingslanden te voorzien van de financiële middelen die nodig zijn om de overstap op schone energie te kunnen voltooien. Een voorbeeld daarvan is het voorstel van diverse gezaghebbende figuren om buitenlandse investeerders minder kwetsbaar te maken voor wisselkoersrisico’s in ontwikkelingslanden. Dit voorstel is echter ondoordacht.
Prioriteit
Gezien het feit dat een groot deel van het wisselkoersrisico een soeverein kredietrisico behelst, kan het niet alleen met financiële instrumenten worden weggenomen. De belangrijkste dreiging voor wisselkoersen is tenslotte de sterke prikkel voor regeringen die krap bij kas zitten om de schuld door inflatie te laten wegsmelten. Het subsidiëren van een enorme schuldenstijging in ontwikkelingslanden is geen oplossing voor de opwarming van de aarde, maar een recept voor een nieuwe schuldencrisis. Bij klimaatfinanciering voor lagelonenlanden moeten schenkingen de prioriteit krijgen, en niet leningen.
Hoewel instellingen die volgens het systeem van Bretton Woods werken een belangrijk doel dienen, zijn hun financiële en bestuurlijke structuur, evenals hun bestaande middelen, ontoereikend. Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank verschaffen voornamelijk leningen en niet de onvoorwaardelijke schenkingen die ontwikkelingslanden nodig hebben. Bovendien zijn de bestuursmechanismen van deze instellingen ingesteld op het bevoordelen van rijke landen die leningen verstrekken. Om ontwikkelingslanden over te halen de strijd tegen klimaatverandering aan te gaan, moeten ze een grotere rol krijgen in het formuleren van een mondiaal beleid. Ook moet de voorgestelde financiering omvangrijk zijn.
Wereldbank
Een andere oplossing die ik de afgelopen jaren heb bepleit, is de oprichting van een wereldbank voor CO2-beprijzing die technologische transitie kan ondersteunen, onbevooroordeelde rapporten kan publiceren over de opwarming per land (bijvoorbeeld door het monitoren van CO2-compensatieprogramma’s) en grootschalige hulp kan financieren. In een recent artikel heb ik voorgesteld deze nieuwe instelling te financieren door het onherroepelijk doneren van tienjarige obligaties. Maar vlieg- en transportbelastingen, zoals voorgesteld door Ruto, zijn een alternatief dat zeker kan worden onderzocht .
Om effectief te zijn zou een mondiale CO2-bank zich uitsluitend op vergroening moeten richten
Om effectief te zijn zou een mondiale CO2-bank zich uitsluitend op vergroening moeten richten. Idealiter wordt hij zodanig gestructureerd dat hij in belangrijke mate onafhankelijk kan opereren, een van de redenen waarom het schenken van obligaties door rijke landen een aantrekkelijke financieringsoptie zou zijn.
Hoewel organisaties als de U.S. International Development Finance Corporation enkele klimaatprojecten hebben gelanceerd, zijn die te gering van omvang om de opwarming effectief aan te pakken. Over het algemeen hebben rijke landen hun bestaande klimaatfinancieringstoezeggingen bij lange na niet gehaald, en ze lijken niet erg warm te lopen voor het faciliteren van nog meer technologische transitie. Bovendien nemen de zorgen over de haalbaarheid van een goede oplossing toe vanwege de kans dat voormalig president Trump, een berucht klimaatontkenner, in 2024 opnieuw in het Witte Huis belandt. (Aan de andere kant mogen we niet vergeten dat vóór 1972 maar weinigen hadden voorzien dat de fervente anticommunist Richard Nixon een bezoek aan China zou brengen.)
Veel te lang hebben rijke landen ontwikkelingslanden de les gelezen over klimaatverandering, terwijl ze hun advies zelf in de wind sloegen. Hopelijk leiden innovatieve voorstellen als Ruto’s groene wereldbank tot een constructiever, rechtvaardiger debat.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.