De Olympische Spelen beginnen pas op 23 juli, maar deze steeplelopers mochten op 9 mei al even proeven van de sfeer in het Nieuw Olympisch Stadion in Tokio, waar ook de openings- en sluitingsceremonie plaats zullen vinden. Of niet?
Vier vijfde van de Japanners wil dat de Spelen niet doorgaan
Vier vijfde van de Japanners wil dat de Spelen niet doorgaan, zo blijkt uit een recente opiniepeiling. In veel steden, waaronder Tokio, is door het hoge aantal besmettingen een noodtoestand van kracht. Volgens het overgrote deel van de bevolking zou het sportevenement alleen maar afleiden van de bestrijding van het virus. Maar de regering peinst er niet over de langverwachte Spelen af te gelasten, en de Japanners zullen met tegenzin de bijna 80.000 verwachte bezoekers moeten ontvangen.
Tijdens het aankomende EK voetbal heeft Hongarije als enige land aangekondigd het maximaal aantal toeschouwers in de stadions toe te laten. De Hongaarse pers is verdeeld over dit besluit.
JA
We kunnen ons niet zomaar laten beroven van onze passies
Op een herfstavond in 2020 was ik op weg naar huis, chagrijnig door de regen en de 4-1-overwinning van Juventus op Ferencváros in de groepsfase van de Champions League. In plaats van te balen, had ik van deze ervaring moeten genieten toen het nog kon. Een week later, op 11 november, gingen de coronamaatregelen van kracht en vanaf dat moment stond de wereld stil.
De pandemie heeft het vurig enthousiasme dat sport in ons aanwakkert gedoofd
De volgende dag kwalificeerde Hongarije zich in een verlaten stadion tegen IJsland voor het EK, een wedstrijd die in normale tijden uitverkocht zou zijn. De pandemie heeft het vurig enthousiasme dat sport in ons aanwakkert gedoofd. Dankzij mijn werk kon ik een paar wedstrijden bijwonen, maar de gezondheidsbubbels scheiden me van degenen met wie ik na een wedstrijd zou hebben gefeest of gehuild.
Na zes maanden stagnatie schijnt er weer licht aan het einde van de tunnel. Dankzij de vier miljoen gevaccineerden heropent Hongarije de theaters, circussen, sportscholen, ijsbanen, dierentuinen, zwembaden en speeltuinen. Dansvoorstellingen en concerten zijn weer toegankelijk voor toeschouwers [indien in het bezit van een immuniteitsbewijs]. Maar belangrijker nog: de sportevenementen! Mijn kinderen zijn al lang voorbij de speeltuinleeftijd, maar voor sport is nooit iemand te oud. We kunnen ons niet zomaar laten beroven van onze passies, waaraan we ons zelfs in de meest onhoudbare en hopeloze situaties vastklampen.
100 procent bezetting van de Puskás Aréna
In 1945 was het beleg van Boedapest nog maar net voorbij en de kanonnen klonken nog na, toen de teams van de Hongaarse hoofdstad hun rentree maakten op de voetbalvelden. In april 1919 speelden Oostenrijk en Hongarije vlak na de Eerste Wereldoorlog tegen elkaar, voor een publiek van 40.000 uitgehongerde voetbaltoeschouwers, toen er even een rustige periode was in de Spaanse griepepidemie. De ‘derde wereldoorlog’, die van de coronapandemie, is nog niet voorbij. De vijand is nog steeds onder ons. Als een sluipschutter of terrorist valt hij de burgerbevolking aan, op steeds weer onvoorspelbare wijze. We hebben weliswaar een effectief wapen om het te neutraliseren, maar sommigen besluiten de strijd aan te gaan zonder schild.
Daarom rust een grote verantwoordelijkheid bij de organisatoren van de sportevenementen die ons de komende weken te wachten staan. Zij moeten goed nadenken over openbare toegang en een goed systeem opzetten voor het controleren van immuniteitscertificaten en testen. Voor internationale bijeenkomsten geldt dat in het bijzonder. Bilbao en Dublin vielen in ongenade als speelsteden voor het EK doordat ze weigerden publiek toe te laten. München ontsnapte dat lot ternauwernood door de toezegging om 14.500 toeschouwers te ontvangen in de Allianz Arena, die 75.000 zitplaatsen heeft. Maar de Puskás Aréna accepteert de volle 100 procent van haar capaciteit. We kruisen onze vingers, op hoop van zegen.
Boedapest is de enige speelstad van het EK die zijn stadion tijdens de wedstrijden voor 100 procent wil vullen. Net als in Bakoe en St. Petersburg hoeven buitenlandse supporters niet in quarantaine bij aankomst in de Hongaarse hoofdstad als ze een negatieve PCR-test laten zien. Als alle tickets worden verkocht, zou dat betekenen dat 68.000 toeschouwers de tribunes van de Puskás Aréna zullen vullen, waar drie poulewedstrijden zullen worden gehouden en één zestiende finale. En als andere steden alsnog terugkrabbelen, worden dit er mogelijk meer.
Afstand houden tot elkaar is in het stadium onmogelijk. Bij elke wedstrijd lopen daarom 68.000 levens gevaar. Er is geen garantie dat degenen die naar het stadion komen hun buren niet zullen besmetten. De Hongaarse regering geeft enkel toegang aan supporters die zijn gevaccineerd of die al corona hebben gehad. Deze laatste vormen minder risico, want ze zijn in het bezit van een certificaat dat hun immuniteit bevestigt en zes maanden geldig is vanaf de datum van hun positieve test.
Maar gevaccineerden kunnen pas twee weken na de dag van de tweede injectie als immuun worden beschouwd. De eerste groepswedstrijd in Boedapest vindt plaats op 15 juni. In de praktijk mogen dus alleen degenen naar binnen die hun tweede prik uiterlijk 1 juni hebben gekregen. Het probleem is alleen dat veel mensen na de eerste injectie al een immuniteitscertificaat krijgen, en niet de moeite nemen om de tweede dosis te laten zetten, omdat ze het gevoel hebben al beschermd te zijn.
Als zelfs maar een paar van hen tijdens de wedstrijden besmet raken, leidt dat mogelijk tot een grootschalige ramp
Deze mensen zullen voor slechts 50 tot 70 procent beschermd zijn, afhankelijk van het type vaccin dat ze hebben ontvangen. Als zelfs maar een paar van hen tijdens de wedstrijden besmet raken, leidt dat mogelijk tot een grootschalige ramp. Hongaarse immuniteitscertificaten [plastic kaartjes die na de eerste dosis per post worden verzonden] bevatten een QR-code die aangeeft of de betrokkene werkelijk is ingeënt. Ik betwijfel echter of de bewakers bij de ingangen van het stadion die gegevens zorgvuldig zullen controleren.
Tijdens het EK van 2016, georganiseerd door Frankrijk, zorgden identiteitscontroles voor eindeloze rijen. Gezien de ernst van de gezondheidssituatie zou het beter zijn om grote groepen mensenmassa’s zowel buiten als binnen het stadion te vermijden. De Hongaarse regering speelt met mensenlevens door te beweren dat in Boedapest als enige speelstad wél volle stadions mogelijk zijn. Westerse democratieën hebben dit soort zelfrechtvaardiging, kenmerkend voor autoritaire regimes of dictaturen, niet nodig. Het voortbestaan van een natie en de legitimering van haar macht zijn niet afhankelijk van hachelijk avonturen. En dat is absoluut geen toeval.
Hoeveel sociale verandering voetballers teweeg kunnen brengen, mag nooit onderschat worden. Volgens journalist Simon Kuper snakt het Europese voetbal naar maatregelen, zoals het aanstellen van zwarte managers en bestuurders.
Keuze uit het archief
Waar de voetbalwereld zich eerst politiek afzijdig hield, is er de laatste jaren in het voetbal steeds meer aandacht gekomen voor maatschappelijke ontwikkelingen; voetballers steken hun ontevredenheid daarover soms niet langer onder stoelen of banken. Onder andere worden grote toernooien aangegrepen om politieke statements te maken. Zo heeft de Franse sterspeler Kylian Mbappé tijdens het EK, dat momenteel in volle gang is, herhaaldelijk opgeroepen om tegen extreemrechts te stemmen en benadrukte hij het belang van de stembusgang.
In dit artikel uit het Italiaanse sportmagazine Undici laat journalist Simon Kuper zien hoe topvoetballers geholpen hebben de ondergeschikte positie van zwarte voetballers en zwarte mensen in het algemeen op de agenda te zetten. Ook anno 2024 is dit onderwerp nog altijd zeer relevant en actueel.
Ik schrijf al dertig jaar over voetbal en politiek, maar tot afgelopen mei heb ik spelers vrijwel nooit op activisme kunnen betrappen. Ze reden in dikke auto’s, gingen naar nachtclubs en onderwierpen zichzelf in interviews en op sociale media aan zo’n grondige zelfcensuur dat hun clubs zich amper zorgen hoefden te maken.
Eén smartphonefilmpje uit het verre Minneapolis in de VS bracht daar verandering in. Het toonde een witte politieman die zijn knie acht minuten lang in de nek van de zwarte George Floyd drukte tot die bezweek. De historische witte minachting voor zwarte levens kon niet beter worden geïllustreerd, en overal in de VS en Europa gingen betogers de straat op. Ook voetballers spraken zich uit. Tot aan Liverpool toe maakten teams selfies waarop ze op één knie zaten, het symbool van de Black Lives Matter-beweging. Arsenal speelde zijn eerste wedstrijd na de covid-19-pauze met ‘Black Lives Matter’ op hun shirt. De Engelse international Raheem Sterling, een van de weinige voetballers die zich sinds jaar en dag tegen discriminatie verzetten, ronselde Jadon Sancho, Kevin De Bruyne, Jordan Henderson en andere topvoetballers voor een 75 seconden durend filmpje dat eindigt met de woorden: ‘Het moet anders. En wel nu.’
Apengeluiden
Dit is allemaal belangrijk. Voetballers kunnen een klein beetje doen om de maatschappij anders te maken. En ze kunnen een heleboel doen om het voetbal anders te maken.
Zwarte voetballers worden pas sinds kort als gelijkwaardige burgers erkend op het veld. Toen hun aantal in de jaren zeventig aanzienlijk groeide in Engeland, werden ze vanaf de tribunes onthaald op apengeluiden en bananen, een gewoonte die in sommige andere Europese landen nog doorwoekert.
Tot rond 1990 werd er gediscrimineerd op salarisgebied: zwarte spelers in Engeland verdienden minder dan witte van hetzelfde niveau, zoals econoom Stefan Szymanski en ik hebben aangetoond in ons boek Soccernomics. Zelfs toen de salarissen gelijk waren getrokken, kwamen zwarte spelers van jongs af aan alleen in aanmerking voor stereotiepe spelposities: ze werden betrouwbaar geacht als snelle vleugelspelers, maar minder als controlerende middenvelders of centrale verdedigers, laat staan als keepers. Als ze veel succes hadden, werden ze bespot om hun levensstijl. Sterling heeft erop gewezen dat toen zijn witte teamgenoot Phil Foden een huis kocht, een krant kopte: ‘Jeugdige sterspeler Phil Foden van Manchester City koopt huis van 2 miljoen pond voor zijn moeder.’ Boven een artikel over de zwarte speler Tosin Adarabioyo stond: ‘Jonge Manchester City-speler (20) verdient 25.000 pond per week en koopt villa van 2,25 miljoen pond hoewel hij nog nooit in de basis heeft gestaan in de Premier League.’
Achteraf bezien begon de verandering aan de andere kant van de oceaan, in het American football, in 2016. Toen liet de zwarte quarterback Colin Kaepernick van de San Francisco 49ers zich voor het eerst op één knie zakken terwijl het Amerikaanse volkslied klonk, als protest tegen het geweld jegens zwarte Amerikanen. Donald Trump, nooit te beroerd voor wat wit racisme, beschuldigde hem van minachting voor de Amerikaanse vlag. De nationale footballbond NFL koos de kant van Trump. Toen Kaepernick zijn contract bij de 49ers opzegde, wilde geen enkel ander team hem mysterieus genoeg hebben.
Toch was het veelzeggend dat nadat hij op een zijspoor was gezet, zijn sponsor Nike hem bleef steunen. In 2018 betaalde het bedrijf hem voor een optreden in een commercial waarin hij zei: ‘Geloof ergens in, ook al moet je er alles voor opofferen.’ Enkele rechtse fans verbrandden uit protest Nike-producten. Donald Trump twitterde: ‘Net als de NFL, waarvan de populariteit RAZENDSNELDAALT, gaat Nike totaal kapot aan woede en boycots.’ Het tegendeel gebeurde. De beurskoers van Nike steeg in het kielzog van de commercial tot recordhoogte. De jongere generatie bleek klaar voor activistische zwarte sporters.
Covid-19
De volgende aanleiding voor voetballers om in actie te komen was de covid-19-pandemie. De Britse regering, niet in staat om het virus te beteugelen en naarstig op zoek naar een alternatief doelwit voor de volkswoede, trok er een uit de oude doos: de overbetaalde voetballer. Minister van Volksgezondheid Matt Hancock opperde een salarisverlaging voor spelers. Ook de clubs waren daarvoor te vinden. Maar door de drie maanden durende onderbreking van de competitie hadden de voetballers alle tijd om over grotere kwesties na te denken. Spelers uit de Premier League, onder leiding van Liverpool-aanvoerder Jordan Henderson, wezen erop dat de salarisverlaging grotendeels in de zakken van de schatrijke clubeigenaars zou verdwijnen en dat de NHS, het Britse nationale gezondheidsstelsel, een flink deel van hun belastingbijdrage zou mislopen. Ze besloten in plaats daarvan grote donaties aan de NHS te doen.
Het was een doorbraak: spelers ontdekten dat ze buiten hun clubs een stem hadden. Eigenaars konden hen niet makkelijk straffen: bij voetbal draait het om talent, en als clubs getalenteerde spelers die zich activistisch opstellen vervangen door minder getalenteerde spelers die zich gedeisd houden, zullen ze meer wedstrijden verliezen.
Wat ook meespeelt, is dat dit de best opgeleide generatie Britse voetballers aller tijden is, deels omdat het onderwijsniveau in het land sinds de jaren negentig is verbeterd, deels omdat veel clubs jonge spelers tegenwoordig betalen om naar dure privéscholen te gaan. Huidige spelers zijn vaak goed op de hoogte van sociale kwesties. Ook onderkennen ze de speciale verantwoordelijkheid van het voetbal: het is bijna de enige maatschappelijke sector met een groot aantal invloedrijke zwarte stemmen.
Eén 22-jarige zwarte voetballer heeft er bijna in zijn eentje al een opmerkelijke sociale verandering doorheen gedrukt. Aanvaller Marcus Rashford van Manchester United groeide op in een arbeiderswijk in Zuid-Manchester en was voor zijn (gratis) ontbijt en lunch afhankelijk van school. Afgelopen juni drong hij er bij de Britse regering op aan 120 miljoen pond te spenderen aan gratis maaltijden voor arme leerlingen tijdens de zomervakantie. FareShare, het voedselprogramma waarvoor Rashford twintig miljoen pond bijeen heeft helpen brengen, beschikt inmiddels over voldoende middelen om drie miljoen maaltijden te verstrekken. Schoolmaaltijden zijn een sociale kwestie, maar ook een specifiek zwarte: voor zwarte kinderen in Groot-Brittannië ligt honger veel eerder op de loer dan voor witte. ‘Als arme zwarte jongen heb ik me omhoog weten te worstelen,’ zegt Rashford. ‘Nu gaat het erom de gezinnen te helpen die me het meeste nodig hebben. Het is belangrijk om een stem te hebben.’
Black Lives Matter
Toen Black Lives Matter wereldwijd bekend werd, kon steun uit de voetbalwereld niet uitblijven. De meeste Europeanen steunen de beweging sowieso. Zwarte spelers staan nu op gelijke voet met witte en hebben hun teams er warm voor weten te maken. Toen de Bundesliga in mei weer opstartte, droegen diverse spelers van Borussia Dortmund en Bayern München tijdens de warming-up shirts met protestslogans als ‘No Justice, No Peace’. Marcus Thuram, een aanvaller van Borussia Mönchengladbach, liet zich op één knie zakken na het scoren tegen Union Berlin. Marcus’ vader Lilian Thuram, de Franse recordinternational, was de prominentste zwarte activist van de vorige generatie voetballers.
In Engeland twitterde DeAndre Yedlin van Newcastle United: ‘Een paar dagen na de dood van Floyd sms’te mijn opa me dat hij blij is dat ik op dit moment niet in de VS woon omdat hij zou vrezen voor mijn leven als jonge zwarte man.’ Toen de Premier League weer begon, lieten spelers en officials zich voor de aftrap op één knie zakken. De FIFA, die iedere ‘politieke’ actie van spelers normaliter bestraft, begreep uit welke hoek de wind waaide en verklaarde niet te zullen ingrijpen.
Het belang van voetbal als sociale factor blijkt ook uit de zogeheten Democratic Football Lads Alliance, een van de krachtigste protestgroepen tégen Black Lives Matter. Deze groepering van echte en pseudohooligans zakte op 13 juni af naar Londen om dronken, wildplassend en onder het brengen van de Hitlergroet een standbeeld van Winston Churchill te ‘verdedigen’.
Bij de vraag hoeveel verandering voetballers teweeg kunnen brengen mag de ‘soft power’ van ’s werelds grootste idolen nooit onderschat worden. Ook het voetbal zelf kan veel veranderen, met name de kwestie die Sterling herhaaldelijk aan de orde heeft gesteld: het vrijwel ontbreken van zwarte managers en bestuurders. Aan het eind van het vorige seizoen telde het Engelse proefvoetbal maar 92 zwarte managers. Overal in Europa betrekken bijna alle clubs hun managers en trainers nog altijd uit een netwerk van witte ex-spelers. Maar Andrea Agnelli, voorzitter van Juventus, hoofd van de European Club Association en daarom aantoonbaar de machtigste man in het clubvoetbal, ziet het probleem niet zo. Toen ik hem een paar jaar geleden vroeg waarom er zo weinig zwarte trainers waren, antwoordde hij: ‘Ik heb geen idee. Volgens mij heeft het niets met discriminatie te maken. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan.’
Daar komt hij niet meer mee weg. Al op 24 mei, de dag voordat Floyd werd vermoord, kondigde de NFL aan zijn weinig effectieve ‘Rooney-regel’, bedoeld om teams meer zwarte trainers te laten aannemen, te zullen aanscherpen. Nu zullen teams voor trainersvacatures minstens twee minderheidskandidaten voor een gesprek moeten uitnodigen. Het Europese voetbal snakt naar dit soort maatregelen. Nu is de tijd rijp dat Sterling, Rashford en anderen die afdwingen.
Voetballand Italië beleefde de recente uitschakeling voor het WK in Rusland als een historische ramp. Mag het wat minder dramatisch, schrijft politicoloog Alessandro Campi.
Keuze uit het archief
Italië doet niet mee aan het wereldkampioenschap voetbal, dat deze zomer in de VS, Canada en Mexico wordt gehouden. Voor de derde keer op rij werd het elftal uitgeschakeld tijdens de WK-kwalificatiewedstrijden, een zware domper voor een voetballand als Italië.
Toen dat in 2017 gebeurde, heerste er in het land een heuse rouwstemming en werd de uitschakeling opgeklopt tot een nationale ramp. Politicoloog Alessandro Campi legt in dit artikel uit Il Messaggero uit wat aan deze dramatiek ten grondslag ligt en zet de lezer met beide benen op de grond. ‘Het blijft tenslotte maar een spelletje.’
Je begint je af te vragen wat een fantastisch land Italië zou zijn als zijn inwoners ook maar een tiende van de hartstocht, de mentale inspanning, de lichamelijke energie, de creativiteit en de woorden zouden spenderen aan hun maatschappelijke betrokkenheid, hun dagelijks werk, hun sociale relaties en het algemeen belang als aan voetbal – zij het vaker als toeschouwer dan als speler.
Eens te meer hebben we laten zien waartoe we in staat zijn: het Squadra Azzurra heeft zich tegenover het over het algemeen zwakke Zweden, dat zich beslist niet kan meten met onze reputatie op voetbalgebied, niet kunnen kwalificeren voor het WK 2018 in Rusland. En op het moment dat het fluitje van de scheidsrechter het einde van de wedstrijd aankondigde, en daarmee niet alleen onze nederlaag bekrachtigde maar vooral onze fysieke inferioriteit, werden we overspoeld door een stortvloed van commentaren, beschuldigingen, protesten en standpunten die grensde aan een collectief psychodrama.
Een heel land voelde zich geroepen zijn mening te geven. We eisten op hoge toon het ontslag van de verantwoordelijken – en dan vooral van één daarvan, altijd dezelfde, de trainer. We hebben de vreselijke economische gevolgen die deze uitschakeling met zich mee zal brengen schromelijk overdreven. Om een parallel te trekken met deze nederlaag op het ereveld hebben we aan de zwartste uren van onze nationale geschiedenis gerefereerd, de onlangs herdachte Slag bij Caporetto die Italië de nekslag toebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Plotseling zijn wij Italianen – gewoonlijk zo wars van iedere vorm van collectiviteitsbetoon – onszelf als een gekwetste, gewonde, diep gekrenkte gemeenschap gaan beschouwen die nu wanhopig op verlossing wacht. De woorden ‘catastrofe’, ‘tragedie’ en ‘apocalyps’ waren niet van de lucht, en ze zijn met zo veel luchtigheid en onmatigheid gedebiteerd – het blijft tenslotte maar een spelletje – dat je je kunt afvragen welke termen je moet gebruiken om een echte ramp te omschrijven.
We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt
We zijn vooral in sociologische en massapsychologische verklaringen vervallen, op een toon die aan een cafégesprek doet denken. Maar waar staat geschreven dat voetbal een metafoor is voor de maatschappij? En dat een nationaal elftal in crisis dus het product van een land in crisis moet zijn? Want als dat zo was, zouden we daaruit de even ridicule als wijdverbreide conclusie moeten trekken dat de voetbalkracht van een land bepalend is voor zijn economische kracht en zijn internationale geloofwaardigheid. Het gezond verstand zou willen dat het tegendeel het geval was. Bovendien kunnen we minstens tien landen noemen die op voetbalgebied geen deuk in een pakje boter slaan maar desondanks over grote rijkdommen beschikken en een belangrijke rol spelen. Willen we onszelf misschien wijsmaken dat we door onze uitschakeling voor het WK voortaan voor spek en bonen zullen meedoen op het internationale toneel en dat ons bbp weldra een dieptepunt zal bereiken?
Je krijgt het gevoel dat deze merkwaardige parallel tussen sport en politiek, tussen de overwinningen van de eerste en de macht van de tweede, een onbewuste erfenis is van de totalitaire traditie van de twintigste eeuw, waarin de twee gebieden opzettelijk nauw met elkaar verweven waren. Maar de geloofwaardigheid en het goed functioneren van een democratie – waarin sport als eenvoudig volksvermaak moet worden beschouwd, en niet als een dwangmiddel voor collectieve mobilisering, voor het versterken van de burgerzin en het doen vergeten van de smeerlapperij van en de vrijheidsberoving door de machthebbers – zijn niet afhankelijk van het aantal gescoorde doelpunten of gewonnen bekers.
Als we eens zouden ophouden met filosoferen over een eenvoudige nederlaag – waarvan iedereen weet dat die sportief gezien verdiend was – zouden we misschien ontdekken dat het ons aan een minimum aan voorbereiding en organisatie heeft ontbroken. We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt op het gebied van management, strategie, voorbereiding en prognostiek. Zulke dingen kunnen gebeuren. Maar als zoiets bij een bedrijf gebeurt – en het voetbalmilieu is, de oprechte hartstocht waardoor het wordt bezield even buiten beschouwing gelaten, een enorme commerciële onderneming geworden waarin alles draait om belangen, investeringen en getallen met zes nullen – stroopt men de mouwen op. En men probeert, met het oog op een glorieuzere toekomst, het goede te behouden en het slechte te verbeteren. Zeker, dat is een prozaïsche benadering, maar wel de enige serieuze en rationele.
Voor de rest is het alleen maar weliswaar vermakelijk maar onverdraaglijk geklets, waarmee de Italianen hun fouten en hun vaak zo armetierige houding graag plegen te maskeren. Zoals wanneer ze zich ware nationalisten betonen, het volkslied galmen, te vuur en te zwaard het Squadra verdedigen of zich alleen maar gedurende de negentig minuten van de wedstrijd als de trotse hoeders van een prestigieuze nationale geschiedenis ontpoppen. Om elkaar vervolgens weer te verscheuren, hun naaste of buurman de rug toe te keren, zich op te sluiten in hun individuele of regionale coconnetje, anti-Italiaanse stereotypen uit te braken of zich te verliezen in zelfdenigrering zodra het nationale elftal de drempel van de kleedkamer over is.
Dit volk moet eerst vermoeid en verbijsterd zijn voordat het zijn eenheid en solidariteit denkt te kunnen hervinden rond zoiets als een voetbal! En het wordt pas echt pathetisch als het van een verloren wedstrijd een historische ramp maakt waarvan het zich pas in de verre toekomst zal kunnen herstellen. Laten we duimen dat dat gebeurt. We zijn tenslotte Italianen, we hebben wel meer erge dingen meegemaakt en we beschikken over zo veel verborgen krachten.
Om niet de lachlust te wekken zullen we de soberheid van onze vaders moeten hervinden, die behept waren met een ware hartstocht voor de ronde bal, maar daarvan geen staatskwestie maakten. Toen we in januari 1958 een smadelijke nederlaag leden tegen Noord-Ierland, kopte La Gazetta dello Sport alleen maar: ‘Squadra Azurra uitgeschakeld voor WK’. Meer niet. Heel anders dan het moord en brand geschreeuw van tegenwoordig. Maar dat waren andere tijden, en andere Italianen.
CONTEXT: Einde van de wereld
De dag na de uitschakeling van de Azzurri kwam de Italiaanse pers dramatische bewoordingen tekort: ‘Apocalyps’, ‘EINDE’, ‘nationale schande’. De meeste kranten publiceerden foto’s van wanhopige spelers en vertwijfelde koppen. ‘Voor het eerst in zestig jaar zonder WK’, klaagde de Corriere della Sera. We zijn ‘de wereld uitgezet’, voegde Il Giornale eraan toe. Naast al het geweeklaag heeft het land snel naar zondebokken gezocht. De beschuldigende vingers gingen naar trainer Giampiero Venturo, ontslagen op 15 november, en naar bondsvoorzitter Carlo Tavecchia, die op 20 november aftrad.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.