Onderwerpen: Technologie

  • India: van grootvervuiler tot groene supermacht?

    India: van grootvervuiler tot groene supermacht?

    Een van ’s werelds meest vervuilende landen investeert grootschalig in schone technologie. De Indiase premier Modi wil in 2030 de emissie met een miljard ton verminderen.

    India haalt bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. Het graaft en verbrandt meer van het spul dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow was het land het stinkdier op het tuinfeest en blokkeerde het pogingen om de brandstof die het meest verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde geleidelijk af te schaffen.

    Die met roet besmeurde onverzettelijkheid leidt echter af van een opmerkelijke, tegengestelde trend. Terwijl zijn ondergeschikten steenkool verdedigden, deed de Indiase premier Narendra Modi in Glasgow een reeks beloften die, als ze worden nagekomen, van zijn land een groene energiecentrale zullen maken. Zijn belofte dat India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’ van broeikasgassen (ghg’s) zal hebben, sprong het meest in het oog. Het betekent dat elke emissie die tegen die tijd nog niet is geëlimineerd, op de een of andere manier zal worden gecompenseerd.

    Modi onderbouwde zijn streven met twee strenge doelstellingen voor 2030: de emissie met een miljard ton verminderen ten opzichte van nu. Daartoe is meer dan een verdrievoudiging nodig van de niet-fossiele energieproductie (waaronder kernenergie en waterkracht, naast wind- en zonne-energie): van ruwweg 150- naar 500GW.

    Nationale missie

    India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld. Als het de doelstellingen van Modi haalt, zou het niet alleen zijn eigen energiemix radicaal hebben omgegooid, maar ook een grote impuls hebben gegeven aan de wereldwijde inspanningen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Bovendien heeft Modi het tot een ‘nationale missie’ verklaard om ‘groene waterstof’ te ontwikkelen. Dat is een schone brandstof op basis van hernieuwbare energiebronnen die industrieën die hardnekkige vervuilers blijven, kan helpen CO2-vrij te worden. Maar hoe plausibel zijn deze ambities?

    India’s totale opwekkingscapaciteit, zowel schoon als vuil, bedraagt nu slechts 400GW. Modi wil dus in slechts acht jaar tijd een compleet tweede elektriciteitsnet aan groene stroom opbouwen. Om dat doel te bereiken, moet India ongeveer 500 miljard dollar investeren in schone energie en verbeteringen aan het net, aldus een schatting van onderzoeksbureau Bloomberg New Energy Finance (BNEF). 

    Een dergelijke prestatie zou niet ongekend zijn. China ging van 44GW aan zonnecapaciteit naar 300GW in zes jaar, en in elf jaar van 50GW aan windenergie naar 330GW. Maar het werd geholpen door een enorme productiebasis in hernieuwbare energie en door een economie die excelleert in het sturen van kapitaal naar begunstigde industrieën – voordelen die India niet heeft.

    India een van de goedkoopste plekken ter wereld om zonne-energie te produceren

    Hernieuwbare energie groeit razendsnel in India. De opwekkingscapaciteit voor zonne-energie is sinds 2012 vervijftigvoudigd tot bijna 50GW eind vorig jaar. In de eerste helft van 2022 kwam daar nog eens 7,4GW aan zonne-energie bij. Wat betreft nieuwe opwekkingscapaciteit hebben hernieuwbare energiebronnen de steenkool al verdrongen. De capaciteit van nieuwe zonne-, wind- en waterkrachtcentrales die vorig jaar werden gebouwd, was bijna dubbel zo groot als die van nieuwe kolengestookte centrales (zie grafiek 1).

    Maar om de doelstellingen van Modi te halen, gaan de investeringen in hernieuwbare energiebronnen niet snel genoeg. De 11GW aan hernieuwbare capaciteit die in 2021 werd toegevoegd, is veel minder dan de vereiste jaarlijkse toename. Toch zijn er goede redenen om de nieuwe groene revolutie van India serieus te nemen.

    Om te beginnen is het terugdringen van de uitstoot niet het enige motief om het energiesysteem van India te herzien. Modi wil ook de productie aanjagen en de kosten voor geïmporteerde brandstof terugdringen. ‘Hoe lang zullen we op het gebied van energie afhankelijk blijven van anderen?’ vroeg hij tijdens zijn toespraak op Onafhankelijkheidsdag medio augustus. India besteedde vorig jaar meer dan 4 procent van het bbp aan de invoer van fossiele brandstoffen: bijzonder vervelende kosten voor een land met een aanhoudend tekort op de lopende rekening.

    Vergroening van de energievoorziening zou ook bijdragen tot vermindering van de luchtverontreiniging, een dodelijke plaag voor veel inwoners. De Wereldgezondheidsorganisatie gaat ervan uit dat de luchtverontreiniging in 93 procent van het land ver boven haar richtlijnen ligt. Het Britse medische tijdschrift The Lancet publiceerde in 2019 een studie waaruit blijkt dat jaarlijks meer dan een miljoen Indiërs sterven als gevolg van luchtverontreiniging. De verstikkende smog die vooral in deze tijd van het jaar een groot deel van Noord-India bedekt, is een eeuwig hoofdpijndossier voor de regering.

    Het mooie is dat een grote verschuiving naar hernieuwbare energiebronnen de kosten van elektriciteitsopwekking kan helpen drukken. Dankzij het zonnige klimaat en de lage arbeidskosten is India een van de goedkoopste plekken ter wereld om zonne-energie te produceren. In een analyse van het Internationaal Energieagentschap (IEA), waakhond annex denktank voor energieverbruikende landen, werd zelfs geconcludeerd dat, als de effecten van overheidssubsidies buiten beschouwing werden gelaten, alleen de Verenigde Arabische Emiraten met India kunnen wedijveren (zie grafiek 2). Dat betekent dat zonnecentrales een goedkopere optie zijn voor nieuwe elektriciteitsopwekking in India dan kolen- of gascentrales. Stroom uit windmolens is in India weliswaar niet de goedkoopste ter wereld, maar ook altijd nog minder kostbaar dan stroom uit fossiele brandstoffen.

    Bovendien komt de Indiase regering met allerlei inventieve beleidsmaatregelen om investeringen in schone energie te stimuleren. Een van de grote obstakels voor een herziening van de elektriciteitsindustrie is de erbarmelijke toestand van de bedrijven die elektriciteit distribueren (DISCOMS). Veel van die staatsbedrijven zijn zo goed als failliet en hebben een gezamenlijke schuld van zo’n 73 miljard dollar. Het lijken niet de veiligste partijen voor investeerders die schone energie willen verkopen. Daarom heeft de regering van Modi een mechanisme ingevoerd waardoor de federale regering van India in feite fungeert als financiële buffer bij nieuwe langetermijncontracten voor de levering van hernieuwbare energie aan het net. Ook wordt het zonne- en windgeneratoren toegestaan om de DISCOMS volledig te omzeilen en energie rechtstreeks te verkopen aan fabrikanten van groene waterstof.

    In augustus hield India een van ’s werelds grootste veilingen voor grootschalige batterijopslag

    Om het immer aanwezige probleem van bureaucratie en NIMBY’isme [een alles-is-best-maar-niet-hiermentaliteit; ‘not in my backyard’] in India te overwinnen, zetten ambtenaren schone-energieparken op met aansluitingen op het net zorgen ze ervoor dat de nodige vergunningen snel geleverd worden. De regering maakt ook gebruik van ‘omgekeerde’ veilingen om investeringen in hernieuwbare energie tegen de laagst mogelijke kosten te maximaliseren: ontwikkelaars geven aan welke minimumprijs zij bereid zijn te aanvaarden voor de stroom die ze opwekken, en de laagste biedingen winnen. Soortgelijke veilingen zijn gehouden voor groene stroom ‘rond de klok’, dat wil zeggen: hernieuwbare energie in combinatie met een of andere vorm van energieopslag, om de wisselvalligheid van wind en zon het hoofd te kunnen bieden.

    Het beleid werkt. Investeerders zoals Adani Group, een van India’s grootste conglomeraten, haasten zich bijvoorbeeld naar een park voor hernieuwbare energie in Kutch, een zonovergoten en winderige regio in de deelstaat Gujarat. Met een geplande productie van 30GW wordt dat het grootste gecombineerde wind- en zonnepark ter wereld.

    India zal dit jaar bij zijn veilingen voor zonne-energie waarschijnlijk aanbiedingen ontvangen voor de bouw van opwekkingscapaciteit van meer dan 25GW. Dat is ruim tien keer zoveel als in enig ander land (zie grafiek 3). In augustus hield India een van ’s werelds grootste veilingen voor grootschalige batterijopslag.

    Hardwerkende industriëlen

    Het enthousiasme van investeerders is een sterke aanwijzing dat de groene ambitie van India meer is dan gebakken lucht. Mukesh Ambani, de baas van Reliance Industries, een ander wijdvertakt conglomeraat, glunderde in zijn laatste bericht aan zijn aandeelhouders: ‘We zullen in dit decennium de meest betaalbare groene energie ter wereld hebben, en dan zullen onze oplossingen naar andere landen worden geëxporteerd.’

    Mundra, een drukke haven in Kutch ontwikkeld door Adani Group, vat de veranderde prioriteiten van de Indiase industriëlen samen. Het is een van de drukste kolenhavens ter wereld, die twee enorme kolencentrales in de buurt bedient. Maar er staat ook een nieuwe fabriek voor zonnepanelen, een proefinstallatie voor de bouw van  windturbines van 160 meter hoog op land (behorend tot de grootste ter wereld) en nieuwe gebouwen waar apparatuur voor de productie van waterstof zal worden gemaakt.

    ‘Wij heten u welkom in een toekomst die wordt aangedreven door de ZONNE-REVOLUTIE’ schreeuwt een reclamebord. Adani ‘realiseert hier de hele toeleveringsketen’ voor schone energie, zegt Arun Kumar Sharma, een senior manager.

    Gautam Adani, de oprichter en voorzitter van de groep – wiens persoonlijke fortuin van meer dan 100 miljard dollar hem tot een van de rijkste mensen ter wereld maakt – beweert dat tegen 2030 zijn bedrijven 70 miljard dollar zullen besteden aan groenvoorzieningen in India. Met bijna 5GW aan zonne-energiecapaciteit vanaf medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green als ’s werelds grootste ontwikkelaar van zonne-energie.

    Ambani laat dat niet op zich zitten en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Reliance heeft, net als Adani Group, munt geslagen uit fossiele brandstoffen. Maar nu ontwikkelt het een cluster voor schone energie in Jamnagar, een andere haven in Gujarat, waar ook het enorme petrochemische complex van het bedrijf is gevestigd. Ambani wil in 2025 20GW aan zonne-energiecapaciteit gebouwd hebben, die volledig door de groep zelf zal worden gebruikt. ‘Zodra het op schaal is bewezen,’ zegt hij, ‘zijn we bereid onze investeringen te verdubbelen.’ Investeringsbank Morgan Stanley omschrijft de strategie van Ambani als het ‘volledige spectrum’, dat zich uitstrekt van de productie van zonnepanelen en batterijen tot de ontwikkeling van apparaten om groene waterstof te maken en te gebruiken.

    Niet alleen Indiase giganten omarmen de groene visie van Modi; ook kleinere bedrijven investeren fors. Het bedrijf Greenko bijvoorbeeld, bouwt ’s werelds grootste netwerk voor grootschalige energieopslag met behulp van een technologie die pumped hydro wordt genoemd. Daarvoor wordt stroom van zonnepanelen of windmolens gebruikt om water in hoge reservoirs te pompen. Door het water naar beneden te laten stromen, kunnen turbines aan het draaien worden gebracht om stroom op te wekken wanneer er elektriciteit nodig is. Mahesh Kolli, voorzitter van Greenko, zegt dat in 2025 het bedrijf 5 miljard dollar zal investeren om 50GW aan opslagcapaciteit te bouwen.

    ArcelorMittal Nippon Steel, een Indiase joint venture van staalgiganten uit Europa en Japan, heeft onlangs een overeenkomst van 600 miljoen dollar gesloten met Greenko om een van zijn fabrieken 24 uur per dag van schone stroom te voorzien. Het bedrijf koos niet alleen voor deze optie omdat de stroom groen zal zijn, maar ook omdat het goedkoper is dan de bouw van een kolencentrale. 

    Op langere termijn ziet Kolli zijn technologie als de oplossing voor de wisselvalligheid van stroom die door windmolens en zonnepanelen wordt opgewekt. Hij wil een landelijke, op het net aangesloten ‘energiecloud’ bouwen, vergelijkbaar met de datacloud van Amazon. Als er geen wind is of het is in Gujarat bewolkt, dan kunnen de pompcentrales van het bedrijf in Andhra Pradesh, in het zuiden, via het nationale net een compenserende hoeveelheid schone stroom leveren aan aluminiumsmelterijen in Odisha, in het oosten, die worden geëxploiteerd door Hindalco Industries, een grote nieuwe klant. In tegenstelling tot Amerika, waar slechts beperkte verbindingen tussen regionale netten bestaan, heeft India een goed geïntegreerd nationaal net, waardoor een dergelijk idee haalbaar is. De IEA verwacht dat India in 2026 meer pompwaterkracht heeft dan enig ander land.

    India begint binnenlandse toeleveringsketens voor schone energie te ontwikkelen. Pune bijvoorbeeld, een stad in de deelstaat Maharashtra, waar al een cluster van fabrikanten van auto-onderdelen is gevestigd, wordt ook een centrum voor schone energie. Siddharth Mayur, inwoner en oprichter van H2E Power en homiHydrogen, ontwikkelde accu’s voor elektrische motorscooters en autoriksja’s die wanneer ze leeg zijn, snel kunnen worden vervangen door volledig opgeladen accu’s. Hij maakt nu stacks, een onderdeel van brandstofcellen (waarmee uit waterstof elektriciteit kan worden gegenereerd), en helpt de lokale productie van andere onderdelen te bevorderen. ‘Volgend jaar zal 98 procent worden gemaakt binnen een straal van 60 kilometer van waar wij zitten in Pune,’ zegt hij.

    Ravi Pandit, voorzitter van KPIT, een Indiaas softwarebedrijf dat grote, buitenlandse autofabrikanten als klant heeft, denkt dat het goedkope software- en engineeringtalent dat enkele decennia geleden India’s succes in de informatietechnologie aanwakkerde, nu ook zal helpen bij groene energie. Mede dankzij de wijdverbreide wens om de productie niet te veel in China te concentreren, wijst hij erop dat buitenlands kapitaal en technologie binnenstromen.

    Het leeuwendeel van de 500 miljard dollar die nodig is om de doelstellingen van Modi te halen, moet waarschijnlijk uit het buitenland komen

    Veel van de investeringen zijn gericht op groene waterstof, waarmee grote industrieën zoals de staal- en kunstmestindustrie hopelijk CO2-uitstoot kunnen uitbannen. India produceert daar nu nog bijna niets van, hoewel het wel ongeveer 7 miljoen ton gewone waterstof per jaar verbruikt. Die wordt met behulp van fossiele brandstoffen gemaakt. Investeerders denken dat India een goede plek is om groene waterstof te produceren, aangezien het proces veel schone energie vereist, die de Indiase zonne-industrie goedkoop kan leveren. India produceert ook weinig aardgas, dus er zijn weinig lobbyisten die campagne voeren tegen de ontwikkeling van een concurrerende industrie. De regering heeft beloofd steun te geven aan groenewaterstofbedrijven in een gedetailleerd plan dat binnenkort wordt bekendgemaakt.

    Met de hulp van Stiesdal, een Europees bedrijf voor schone technologie, bouwt Reliance een grote fabriek in Jamnagar om elektrolyse-apparatuur te produceren. De apparaten, aangedreven door schone elektriciteit van de geplande zonneparken van Reliance, zullen vervolgens worden gebruikt om groene waterstof te produceren. Ambani beweert dat die investeringen van India binnen tien jaar het eerste land zullen maken dat groene waterstof produceert voor 1 dollar per kilo, tegen de huidige kosten van meer dan 4 dollar per kilo. Hij wuift sceptici weg door te wijzen op zijn recente succes bij het leveren van gegevens aan mobiele telefoons voor ’s werelds laagste prijs.

    Indian Oil, een energiereus in staatshanden en de grootste verbruiker van vuile waterstof in het land, kondigde in augustus aan ook in de groenewaterstofbusiness te stappen. Het bedrijf is van plan om in 2046 25 miljard dollar te hebben geïnvesteerd in deze en andere schone technologieën, als onderdeel van de poging om in dat jaar nettonulemissies te behalen. ‘Wij maken van India een centrum voor groene waterstof,’ zegt S.M. Vaidya, voorzitter van het bedrijf. 

    Eerste elektrolytische cellen

    Ook buitenlandse investeerders zijn enthousiast. John Cockerill, een Belgisch technologiebedrijf, ging met Greenko een joint venture aan om jaarlijks voor 2GW aan elektrolyseapparatuur te produceren. Ohmium, een Amerikaanse start-up die elektrolyseert, heeft zijn enige fabriek in India staan. Het hoopt tegen het einde van dit jaar een jaarlijkse productie van 2GW te behalen. Het bedrijf exporteerde onlangs naar Amerika de eerste elektrolytische cellen die India ooit produceerde en verwacht binnenkort ook zendingen naar Spanje te gaan doen.

    De Amerikaanse investeringsbank Goldman Sachs nam een belang in ReNew Power, een bedrijf in hernieuwbare energie dat met Indian Oil samenwerkt aan de plannen voor groene waterstof. TotalEnergies, een grote Franse oliemaatschappij, kocht een kwart van een divisie van Adani Group die groene waterstof ontwikkelt.

    Indiase groenewaterstofbedrijven wagen zich zelfs in het buitenland. Acme Cleantech Solutions, een pionier op het gebied van zonne-energie, stapte over op de productie van schone brandstoffen. Samen met Scatec, een Noors bedrijf voor schone energie, investeert het meer dan 6 miljard dollar in de productie van groene ammoniak (een afgeleide van groene waterstof) in Oman. Het project is het eerste in zijn soort dat als CO2-neutraal is gecertificeerd. Het kreeg ook commerciële bevestiging toen Yara, een Noorse kunstmestgigant, in juli een langetermijncontract afsloot om de groene ammoniak te kopen.

    Rystad voorspelt dat India in 2025 meer dan 8GW aan elektrolyse-apparatuur per jaar zal produceren (ruwweg de helft van de geplande productie van wereldleider Europa). Investeringsbank Sanford C. Bernstein schat dat in 2030 de waterstofmarkt in India 15 tot 20 miljard dollar per jaar waard kan zijn. Hoewel hij niet zo optimistisch is als Ambani, denkt Bernstein dat ‘minder dan 2 dollar per kilo haalbaar lijkt tegen het einde van het decennium’.

    Niet risicoloos

    Er kan nog veel misgaan. Om te beginnen is het mogelijk dat de Indiase tycoons niet al hun grote beloften nakomen om miljarden uit te geven aan de nieuwe groene revolutie. Onderzoeksbureau CreditSights uitte zijn bezorgdheid over de hoge schuldenlast van de Adani Group. Vooral nu de rente wereldwijd stijgt, kunnen Indiase conglomeraten moeite krijgen om enorme investeringen in schone energie te financieren.

    En zelfs als de miljardairs zo gul spenderen als ze hebben beloofd, zal het leeuwendeel van de 500 miljard dollar die nodig is om de doelstellingen van Modi te halen, waarschijnlijk uit het buitenland moeten komen. Buitenlandse investeerders zien India niet als risicoloos. De roepie is in de loop der jaren gestaag in waarde gedaald, waardoor het rendement voor buitenlanders is afgenomen. Modi’s neiging om sektarische spanningen aan te wakkeren, brengt politieke risico’s met zich mee. En ook buitenlandse beleggers kunnen de pijn gaan voelen als de rente stijgt en de wereldeconomie vertraagt.

    Toch groeit de Indiase economie sneller dan die van China. De vraag naar elektriciteit stijgt zo snel dat het land in 2040 evenveel opwekkingscapaciteit gebouwd moeten hebben als de Europese Unie momenteel bezit, al dan niet groen. De ongeveer 30 miljard dollar die India volgens BNEF jaarlijks moet investeren in hernieuwbare energiebronnen om de doelstelling van Modi te halen, is weliswaar een ontzagwekkend bedrag naar lokale maatstaven maar is slechts een tiende van het geld dat vorig jaar wereldwijd in wind- en zonne-energie werd gestoken. 

    Het is nog vroeg voor India’s tweede groene revolutie, maar de eerste stappen zijn al gezet. Pandit merkt op dat het Westen een voorsprong van honderd jaar had in de conventionele automobielindustrie. Het was een lange, zware strijd voor Indiase bedrijven om hun achterstand in te halen en te kunnen concurreren. Maar op veel terreinen van schone technologie heeft India geen vergelijkbaar nadeel. Pandit voorspelt dan ook dat het land zal excelleren. ‘India gaat voor waterstof doen wat China deed voor accu’s.’

  • Hebben de Russen minder cyberskills dan gedacht, of lijkt dat maar zo?

    Hebben de Russen minder cyberskills dan gedacht, of lijkt dat maar zo?

    Sinds de oorlog in Oekraïne zijn de cyberacties van Rusland intens, maar niet altijd effectief. Hoe komt dat?

    Het slagveld naar de hand zetten. Koning Darius van Perzië deed het in 331 v. Chr. met kraaienpoten, die hij uitstrooide daar waar hij dacht dat zijn vijand Alexander de Grote zou oprukken. De geallieerden deden het in 1944, met namaakvliegtuigen en -landingsboten die het Duitse oppercommando moesten doen geloven dat de invasie van Frankrijk in Pas de Calais zou plaatsvinden in plaats van in Normandië. Ook Rusland probeerde het op 24 februari, minder dan een uur voordat Russische tanks Oekraïne binnenrolden – op weg naar Kyiv, dachten ze – toen computerhackers het satellietcommunicatiesysteem van het Amerikaanse bedrijf Viasat uitschakelden, waarop de tegenstanders van Rusland vertrouwden.

    Victor Zhora, hoofd van het Oekraïense bureau voor defensieve cyberveiligheid, zei in maart dat het resultaat ‘een enorm verlies aan communicatie in het prille begin van de oorlog’ was. Een westerse voormalige veiligheidsfunctionaris meende dat er ‘een jaar of twee van echt heel serieuze voorbereiding en inspanningen’ voor nodig waren geweest.

    Winst en verlies. De geallieerden wonnen – de D-day-landingen bleken een succes. Darius verloor de strijd en zijn troon. De opmars van Rusland naar Kyiv werd afgewend en de invasiemacht in het gebied werd verslagen. Ondanks alle inspanningen slaagde Rusland er niet in om middels cyberwarfare, ofwel: digitale oorlogsvoering, voldoende oorlogsmist te creëren. En dat is interessant. Cyberoorlog is weliswaar een zwaarbevochten en belangrijk onderdeel van dit conflict, waarin volop met deze nieuwe strijdvorm wordt geëxperimenteerd, maar tot nu toe vormde het niet de killer app die sommigen hadden verwacht.

    Proeftuin

    De aanval van Rusland op Viasat was niet de enige softwarematige verzwakking van Oekraïne in aanloop naar de invasie. In januari, en opnieuw op 23 februari, werden op honderden Oekraïense systemen zogenaamde ‘wiper’-programma’s gesignaleerd, bedoeld om gegevens te wissen. In april, toen de troepen op weg naar Kyiv op de vlucht sloegen, gebruikten hackers van Sandworm (vermoedelijk een dekmantel voor de GROe, de Russische militaire inlichtingendienst) malware met de naam Industroyer2 om het elektriciteitsnet van het land aan te vallen. 

    Dergelijke aanvallen op civiele infrastructuur zijn moeilijk stil te houden. Maar Oekraïense strijdkrachten gaven niet prijs of hun eigen netwerken werden binnengedrongen of verstoord (wat wel het geval was). Toch is het zichtbare effect ook daarvan verrassend beperkt gebleven. ‘Ik denk dat we veel grotere gevolgen hadden verwacht dan we hebben gezien,’ zei Mieke Eoyang, een hoge cyberofficier van het Pentagon, op 16 november. ‘De Russische cyberstrijdkrachten maken hun verwachtingen evenmin waar als de traditionele militaire strijdkrachten.’

    In de eerste dagen van de oorlog bleef Oekraïne grotendeels online. De lichten bleven aan, zelfs toen rond de hoofdstad gevechten woedden. De banken waren open. In tegenstelling tot 2015 en 2016, toen cyberaanvallen voor stroomuitval zorgden, bleef de elektriciteit werken. Zo bleef ook de informatiestroom op gang. De nachtelijke presidentiële televisietoespraken van Volodymyr Zelensky aan het Oekraïense volk leden niet onder Russische aanvallen. Als het doel van Rusland was om het vertrouwen van de Oekraïners in hun regering te ondermijnen en het land onbestuurbaar te maken, dan is dat niet gelukt. 

    Oekraïne is al jaren een proeftuin voor Russische cyberoperaties

    De belangrijkste reden daarvoor is de verdediging van Oekraïne. Lindy Cameron, hoofd van het Britse National Cyber Security Centre (NCSC), meent dat de charge van Rusland ‘waarschijnlijk de meest aanhoudende en intensieve cybercampagne ooit’ was. Maar zoals Sir Jeremy Fleming, haar baas bij GCHQ, de Britse inlichtingendienst waarvan het NCSC deel uitmaakt, in augustus in een essay voor The Economist opmerkte, was de reactie van Oekraïne ‘misschien wel de meest effectieve defensieve cyberactiviteit in de geschiedenis’. Oekraïne is al jaren een proeftuin voor Russische cyberoperaties. De voorganger van Industroyer2 bijvoorbeeld was de oorzaak van de blackouts in 2016. En zo kreeg de regering inzicht in de Russische operaties, en was er tijd om de infrastructuur te versterken.

    Toen de invasie begon, had het Oekraïense cybercommando dan ook een rampenplan klaarliggen. Sommige functionarissen vertrokken vanuit Kyiv naar veiliger delen van het land. Anderen verhuisden naar commandoposten in de buurt van de frontlinies. Cruciale diensten werden overgebracht naar datacentra elders in Europa, buiten het bereik van Russische raketten. De Oekraïense strijdkrachten wisten al dat satellieten verstoord konden worden, en hadden alternatieve communicatiemiddelen klaarstaan. De aanval op Viasat had uiteindelijk ‘geen tactische gevolgen voor de Oekraïense militaire communicatie en operaties’, benadrukte Zhora in september, daarmee zijn eerdere verklaring nuancerend.

    Daar zijn vrienden voor

    Ook westerse hulp was cruciaal. In de aanloop naar de oorlog versterkte de NAVO haar samenwerking met Oekraïne onder meer door toegang te verlenen tot haar bibliotheek met cyberbedreigingen, een archief met bekende malware. Groot-Brittannië bood 6 miljoen pond, bijna 7 miljoen euro, aan steun, waaronder firewalls om aanvallen te pareren en forensische capaciteit om inbraken te analyseren. De samenwerking was voor beide partijen voordelig. ‘Waarschijnlijk hebben de VS en het VK meer geleerd over Russische cybertactieken van de Oekraïners dan zij van hen,’ aldus Marcus Willett, voormalig hoofd cyberzaken van GCHQ.

    De Oekraïense veerkracht werd paradoxaal genoeg versterkt door de primitieve aard van veel van de Oekraïense industriële controlesystemen – een erfenis uit de Sovjettijd die nog niet is gemoderniseerd. Toen Industroyer in 2016 bijvoorbeeld elektrische onderstations in Kyiv trof, konden technici de systemen met handmatige omleidingen binnen een paar uur resetten [een onderstation is een elektrische installatie in het hoogspanningsnet]. Toen Industroyer2 in april een deel van het netwerk offline haalde, kon het binnen vier uur weer worden ingeschakeld. 

    Particuliere bedrijven voor cyberbeveiliging speelden eveneens een prominente rol. Volgens Zhora waren met name Microsoft en het Slowaakse bedrijf ESET belangrijk, omdat zij op Oekraïense netwerken gegevens verzamelden. ESET leverde bijvoorbeeld inlichtingen die de Oekraïense cyberteams hielpen om Industroyer2 te pareren. Volgens Microsoft heeft kunstmatige intelligentie, die sneller codes kan scannen dan een mens, het gemakkelijker gemaakt om aanvallen op te sporen. Op 3 november kondigde Microsoftvoorzitter Brad Smith aan dat zijn bedrijf tot eind 2023 technische ondersteuning aan Oekraïne zou verlenen. Microsoft steunde Oekraïne sinds februari voor meer dan 400 miljoen dollar.

    Het lijdt geen twijfel dat Oekraïne een lastig doelwit is. Maar er zijn mensen die zich afvragen of de cyberkwaliteiten van Rusland misschien zijn overschat. Russische spionnen hebben tientallen jaren ervaring met cyberspionage, maar de militaire cybermacht van het land is ‘erg jong’ in vergelijking met die van westerse rivalen, aldus Gavin Wilde, voormalig directeur Ruslandbeleid van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad. Amerika begon al tijdens de oorlogen in Haïti en Kosovo in de jaren negentig met het integreren van cyberplannen in militaire operaties, Rusland verdiept zich pas zo’n zes jaar in de mogelijkheid, volgens Wilde. 

    Amerikaanse, Europese en Oekraïense functionarissen zeggen allemaal dat er veel voorbeelden zijn van Russische cyberaanvallen die synchroon lopen met fysieke aanvallen, wat duidt op een zekere mate van coördinatie tussen die twee takken. Daarbij zijn ook onhandige fouten gemaakt. Sir Jeremy Fleming zegt bijvoorbeeld dat Russische militaire aanvallen in sommige gevallen de netwerken platlegden die hun eigen cybermacht probeerde te infecteren – en ironisch genoeg daarmee de Oekraïners dwongen om hun heil te zoeken bij veiliger communicatiemiddelen. 

    Anderen schilderen Rusland af als een slordige cybermacht – goed in het kapotmaken van dingen, maar luidruchtig en onnauwkeurig. In april merkte NAVO-topambtenaar David Cattler op dat Rusland meer vernietigende malware tegen Oekraïne had gebruikt ‘dan ’s werelds overige cybermachten normaal gesproken gezamenlijk in een jaar gebruiken’. Maar een cybercampagne beoordelen op basis van de hoeveelheid malware is als het beoordelen van de infanterie op basis van het aantal afgevuurde kogels. Daniel Moore, auteur van Offensive Cyber Operations, een recent boek over dit onderwerp, zegt dat elke bekende aanval van Rusland op kritieke infrastructuur – in Oekraïne en daarbuiten – voortijdig werd ontdekt, fouten bevatte of verder reikte dan het beoogde doel. Dat laatste was bijvoorbeeld het geval met NotPetya, zichzelf verspreidende ransomware uit 2017, die niet alleen Oekraïne raakte maar wereldwijd 10 miljard dollar aan schade veroorzaakte.

    Sommigen schilderen Rusland af als een slordige cybermacht – goed in het kapotmaken van dingen, maar luidruchtig en onnauwkeurig

    ‘Er is sprake van belangrijke operationele tekortkomingen in bijna elke aanval die Rusland ooit in cyberspace heeft uitgevoerd,’ aldus Moore. Ter vergelijking wijst hij op Stuxnet, een Israëlisch-Amerikaanse cyberaanval op een Iraanse nucleaire installatie, die twaalf jaar geleden voor het eerst werd ontdekt. ‘Die aanval was veel complexer dan veel van wat we vandaag van Rusland zien.’ 

    Het fysieke en het virtuele

    Sommige westerse spionnen zeggen dus dat de oorlog een kloof laat zien tussen de Amerikaanse en Russische vaardigheid in high-end cyberoperaties tegen militaire hardware. Maar anderen waarschuwen dat het nog te vroeg is om conclusies te trekken. De cybercampagne van Rusland werd mogelijk minder beperkt door onvermogen dan door de overmoed die ook de conventionele strijdkrachten kenmerkte. 

    Volgens hen faalde Rusland niet zozeer in het plannen en uitvoeren van destructieve cyberaanvallen op elektriciteit en energie omdat het daartoe niet in staat was, maar omdat het ervan uitging dat het binnenkort Oekraïne zou bezetten en diezelfde infrastructuur zou erven. Waarom zou je vernietigen wat je straks nodig hebt? Toen de oorlog zich begon voort te slepen, bleek aanpassing nodig. Maar cyberwapens zijn niet vergelijkbaar met fysieke wapens die je gewoon op een ander doel kunt richten en van munitie kunt voorzien. Ze moeten juist specifiek op bepaalde doelen worden toegesneden.

    Geavanceerde aanvallen, zoals die op Viasat, vergen een enorme voorbereiding, waaronder een nauwgezette verkenning van de doelnetwerken. In een vorig jaar gepubliceerd artikel toonde Lennart Maschmeyer van de ETH Zürich aan dat de aanval van de GROe op het Oekraïense elektriciteitsnet in 2015 ruim anderhalf jaar planning vergde, en dat de planning van die van 2016 zelfs tweeënhalf jaar in beslag nam. Het lanceren van dergelijke aanvallen onthult aan de vijand bovendien welke instrumenten (dat wil zeggen: code) en infrastructuur (servers) worden gebruikt. 

    Na de eerste week van de oorlog werden de Russische cyberaanvallen dan ook tactischer en opportunistischer naarmate de Viasat-achtige varianten waren opgebruikt. In april, toen Rusland de aandacht van Kyiv naar de Donbas verlegde, daalde het aantal cyberaanvallen sterk. In november beschreven onderzoekers van Mandiant, een cyberbeveiligingsbedrijf dat eigendom is van Alphabet, hoe de GROe vervolgens ‘randapparatuur’ zoals routers, firewalls en e-mailservers aan begon te vallen.

    ‘Wat je hier ziet is een productiefront,’ zegt John Wolfram van Mandiant. ‘Je hebt een bepaalde hoeveelheid expertise en kapitaal, en je moet beslissen of je die besteedt aan een of twee voortreffelijke speciale operaties – of aan vijftig stuks die veel goedkoper zijn.’ De keuze voor die laatste optie betekent niet dat de eerste buiten je vermogen ligt. ‘Rusland is vrijwel zeker in staat tot cyberaanvallen van grotere omvang en met grotere gevolgen dan de gebeurtenissen in Oekraïne doen vermoeden,’ merkt Cattler op. 

    De meest destructieve cyberoperaties zijn eigenlijk het nuttigst in vredestijd, wanneer er geen sprake is van wapens

    Als dat klopt, zouden die mogelijkheden alsnog kunnen worden ingezet. De sabotage van de pijpleidingen Nord Stream 1 en 2 in september en de raketaanvallen op het Oekraïense elektriciteitsnet maken duidelijk dat het Kremlin bereid is steeds meer risico’s te nemen. Ook op cybergebied zijn daar tekenen van. Een Britse functionaris zegt dat Rusland, met het NotPetya-incident in gedachten, zijn aanvallen aanvankelijk wilde beperken tot Oekraïne, om geen ruzie te krijgen met de NAVO. Maar dat kan veranderen. Eind september lanceerde Sandworm de eerste opzettelijke aanval op doelen in een NAVO-land met ‘Prestige’: ontregelende malware gericht op transport en logistiek in Polen, dat een knooppunt is voor wapenleveranties aan Oekraïne. 

    Er zijn ook mensen die geloven dat de kracht van cyberoorlogsvoering wordt overschat. Cyberoperaties zijn weliswaar ‘intens en belangrijk’ geweest, zegt Ciaran Martin, voorganger van Cameron bij het NCSC, maar de oorlog heeft ‘de ernstige beperkingen van cyber als oorlogscapaciteit’ aangetoond. Stuxnet, dat Iraanse systemen infecteerde die air gapped waren, dat wil zeggen: fysiek afgesloten van het internet, beschadigde machines van de vijand maar bleef maandenlang onopgemerkt. Het succes leidde tot een vertekend beeld van de cyberaanval als wonderwapen als vervanging van bommen en raketten. In werkelijkheid, aldus Martin, was Stuxnet de ‘maanlanding’ van offensieve cyberaanvallen; een perfecte eenmalige actie waarvoor middelen met superkracht nodig waren, en zeker geen standaardwapen voor cyberoorlogen.

    Evenmin is de cyberruimte ‘een magisch en onzichtbaar slagveld waar je dingen kunt doen waar je normaal gesproken niet mee wegkomt’, aldus Martin. Het is niet alleen moeilijk om ernstige schade toe te brengen aan goed verdedigde computernetwerken, maar dergelijke aanvallen kunnen bovendien ‘gemakkelijk worden herleid’. Cyberaanvallen zijn niet zonder gevolgen. ‘Ondanks alle hype,’ merkt Martin op, ‘heeft Poetin het Westen sinds de invasie geen enkele serieuze last bezorgd in cyberspace.’ 

    Corona

    Het beoordelen van deze standpunten en het trekken van lessen vergt tijd. Veel inbraken kunnen onopgemerkt zijn gebleven. Een aanval op de regionale militaire organisatie van Lviv werd bijvoorbeeld pas in een laat stadium ontdekt, en de Russische malware werd grotendeels niet opgemerkt door commerciële beveiligingssoftware. Het opsporen van aanvallen is geen onfeilbare wetenschap, zegt een Oekraïense functionaris voor cyberbeveiliging. Vaak is er sprake van een legitieme login op het systeem, omdat iemands wachtwoord gecompromitteerd is. Je ziet dan alleen de symptomen, niet de oorzaak. ‘Het is alsof iemand een hoestje heeft, of een laag zuurstofgehalte in het bloed. Nu pas weten we dat het corona kan zijn. Iets dergelijks geldt voor malware. We ontdekken het zelden als het een netwerk binnendringt, maar pas als we schade waarnemen. En dat duurt vaak even.’

    Een ander punt is dat de meest destructieve cyberoperaties, zoals Stuxnet, eigenlijk het nuttigst zijn in vredestijd, wanneer er geen sprake is van wapens. In oorlogstijd is het inzetten van munitie vaak gemakkelijker en goedkoper. Waarschijnlijk is de belangrijkste cyberactiviteit in oorlogstijd, aan beide kanten, eerder gericht op het verzamelen van inlichtingen of op psychologische oorlogsvoering dan op vernietiging. 

    Een Oekraïense oud-politicus met kennis van zaken bevestigt dat de meest waardevolle bijdrage van de cyberstrijdkrachten van zijn land het ontfutselen van geheimen is, zoals details over Europese bedrijven die de Amerikaanse sancties tegen Rusland schenden. ‘Er zijn nog wat andere dingen waar ik niet over kan praten, maar er wordt behoorlijk indrukwekkend werk verricht,’ zegt hij. De ontcijfering van de Duitse Enigma-codeermachines door de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog kwam pas in de jaren zeventig aan het licht. Zo ook kan de werkelijke impact van de cyberoperaties in Oekraïne nog jaren onbekend blijven. 

  • Elon Musk gaat opstappen als CEO van Twitter

    Elon Musk gaat opstappen als CEO van Twitter

    » Zelensky brengt bliksembezoek aan de VS

    » Netanyahu vormt nieuwe Israëlische regering

    Recent stemde een meerderheid op Twitter voor zijn vertrek

    Elon Musk heeft aangekondigd op te stappen als CEO van Twitter. Hoewel Musk al eerder hintte op een vertrek als topman van zijn recent aangeschafte socialemediaplatform, gaf een peiling op Twitter, waarbij een overweldigende meerderheid stemde voor zijn vertrek, wellicht de doorslag.

    Musk zegt te vertrekken zodra hij een vervanger heeft gevonden. Ik vertrek zodra ik iemand heb gevonden die gek genoeg is om deze baan aan te nemen’, schreef Musk op Twitter.  Wel zal hij als eigenaar betrokken blijven bij het bedrijf en zich meer focussen op de software die het platform gebruikt.

    Sinds de overname ter waarde van 44 miljard dollar door Musk is het bedrijf door een zeer turbulente periode gegaan. Eerst werd bijna de helft van het personeel ontslagen, vervolgens probeerde Musk de blauwe vinkjes voor geverifieerde accounts betaald te maken. Ook meldde Twitter dat men niet langer naar concurrerende socialemediaplatforms kon linken, een beleidsmaatregel die welgeteld een dag standhield.

    Lees ook:

  • Prominente journalisten geschorst van Twitter

    Prominente journalisten geschorst van Twitter

    » Rusland bereidt groot offensief tegen Oekraïne voor

    » ‘Qatargate’ in Europees Parlement dijt verder uit

    Meerdere journalisten zijn zonder uitleg van Twitter gegooid

    De Twitter-accounts van meerdere prominente journalisten zijn donderdag opgeheven. Het gaat onder meer om techjournalisten van CNN, The New York Times en The Washington Post, schrijft de TNYT zelf. Twitter zelf weigert te reageren waarom de accounts van deze journalisten zonder enige uitleg uit de lucht zijn gehaald.

    Een groot deel van deze journalisten schreef over de schorsing van een Twitteraccount dat de privéjet van Elon Musk volgde. Dit account mocht volgens de nieuwe Twitterbaas actief blijven, maar woensdag werd het account alsnog geschorst. Ook kondigde Musk aan de eigenaar van het account, een student uit de VS, te zullen aanklagen.

    Volgens Musk is het verboden de livelocatie van Twitter-gebruikers te delen. Of de geschorste journalisten, onder wie ook de onafhankelijke journalisten Aaron Rupar en Keith Olbermann en Micah Lee van The Intercept, deze regelgeving hebben overtreden, is onduidelijk. Wel toont de actie aan hoe Musk zijn eigen belofte over het naleven van de vrijheid van meningsuiting niet consequent nakomt.

    Lees ook:

  • ‘Oeps, ik heb mijn leven gedeletet’

    ‘Oeps, ik heb mijn leven gedeletet’

    Door ons vele gebruik van het internet, websites en apps speelt een deel van ons leven zich online af. Deze data is zelfs een afspiegeling van onze identiteit, ondervond Thomas Chatterton Williams. ‘Paniek bekroop me toen ik me realiseerde dat ik mijn hele inbox had gewist.’

    Een paar maanden geleden begonnen onheilspellende waarschuwingen mijn inbox binnen te stromen, maar toen negeerde ik ze nog. Vroeger waren Gmail-berichten altijd in zekere zin humoristisch of speels, maar deze e-mails waren dat totaal niet. Wel kort, en enigszins dreigend, alsof ze de alomtegenwoordige domper van financiële ineenstorting en bezuiniging probeerden te vatten. Het onderwerp: ‘Uw Gmail is bijna leeg.’ De inhoud, in mijn woorden: wij persen u af – betaal tot in de eeuwigheid voor een abonnement, want alleen dan zullen we u de toegang tot uw eigen leven en herinneringen blijven geven die we u ooit gratis en voor niets beloofden.

    De boodschap had niet zo veel weerstand bij me opgeroepen, als ik niet tegelijkertijd vanuit alle andere hoeken van mijn digitale leven precies hetzelfde te horen had gekregen. Als Apple bijvoorbeeld niet mijn zakken al had leeggeroofd om mijn immer groeiende fotoarchief te onderhouden en de ‘zorg’ voor mijn steeds duurder wordende verzameling Appleproducten te verzekeren en te financieren. Als Microsoft me niet had gedwongen een abonnement te nemen om van zijn tekstverwerkingssoftware gebruik te kunnen maken. Als zovelen van mijn getalenteerde, ondernemende vrienden en kennissen niet afhankelijk waren geweest van donaties via Substack en Patreon. Als ik mijn muziek niet had hoeven huren van Spotify in plaats van een eigen platencollectie te gebruiken. Als ik Amazon niet had hoeven betalen om mijn pakketjes met de post te ontvangen en om professioneel tennis te kijken. Als ik niet verplicht was geweest om Netflix-, Canal+- en AppleTV-accounts aan te maken zodat mijn kinderen zich in het vliegtuig koest hielden. Als Elon Musk niet had gedreigd mijn tweets onzichtbaar te maken als ik hem niet maandelijks acht dollar zou betalen. Tegen de tijd dat ik onmogelijk nog die verdomde Gmail-verzoeken kon negeren, had ik het toppunt van microbetaling al bereikt: ik verdronk in de abonnementen.

    Paniek bekroop me toen ik besefte dat ik mijn hele inbox had gewist

    Dus besloot ik dat ik duizenden onnodige berichten zou gaan verwijderen. Een eenvoudig klusje, zo dacht ik. Op een ochtend schonk ik mezelf een kop koffie in, koos een geschikte podcast uit en ik begon. Eerst leegde ik de map met concepten, daarna die met de reclame, en vervolgens de map ‘sociaal’. Zoveel berichten verwerken kost tijd. Eenmaal bij mijn inbox aangekomen, bleef ik maar klikken, op zoek naar categorieën die ik in hun geheel naar de prullenmand kon verplaatsen. Toen ging de telefoon, en ik verloor mijn concentratie. Ik weet niet wat er precies gebeurde, maar toen ik ophing, zag ik dat ik meer dan 13 van de 15 beschikbare gigabytes aan opslagruimte had vrijgemaakt. Paniek bekroop me toen ik besefte dat ik mijn hele inbox had gewist.

    Internetcafé

    Drie maanden na mijn afstuderen verhuisde ik van mijn ouderlijk huis in New Jersey naar de regenachtige postindustriële stad Lille, dertig minuten van de Belgische grens vandaan. Dat was in september 2003. Inmiddels kost het me moeite om mentaal en emotioneel terug te gaan naar die periode van de technologische ontwikkeling. Ook al is het zo kort geleden, mijn belevingswereld was toen compleet anders. In die tijd had ik een flip phone, een zogenaamde Motorola Razr, en een laptop van Compaq. Ik haalde als student altijd veel plezier – en, vooral in de vorm van gratis muziekdownloads, ook winst – uit een snelle ethernetverbinding. Maar het kwam niet eens in me op om in mijn minuscule appartement een wifinetwerk te installeren. Een of twee keer per week ging ik naar het internetcafé om de hoek om mijn e-mails te lezen en beantwoorden.

    Ik was aanvankelijk naar Frankrijk verhuisd om dichter bij een zeker meisje te zijn, maar zij had het in de zomer uitgemaakt, waardoor ik door schade en schande ondervond hoe het was om echt eenzaam te zijn. De eerste maanden bracht ik ofwel door in mijn kleine onderkomen, waar ik onder het genot van percolatorkoffie luisterde naar de MP3’s die ik had gedownload, ofwel in cafés, waar ik mijn belachelijk bescheiden inkomen in één keer uitgaf en een warm gevoel kreeg terwijl ik de regen langs de ramen zag stromen. Dat waren, zoals Junot Díaz ze noemt, mijn ‘ontdekkingsjaren’. Ik zwierf door de stad, high van het leven en altijd in de ban van allerlei dagdromen. Tussen de momenten van stierlijke verveling werd ik verheven door openbaringen, waarvan ik inmiddels weet dat ze de ware rijkdom van jonge en onervaren mensen zijn. Ik schreef alles op wat ik dacht en voelde, en deelde dat in de vorm van lange en gedetailleerde e-mails met mijn beste studievriend, die naar Rusland was verhuisd, en met mijn moeder. Zij stuurden mij op hun beurt prachtige, uitgebreide antwoorden.

    E-mail gold niet meer als mijn enige of zelfs voornaamste belangrijkste contactmiddel, en lange brieven aan mijn naasten werden sporadischer

    Veel van die uitwisselingen hadden dezelfde sentimentele lading als papieren brieven, en de hoge mate waarin ze bevlogen observaties en intense verlangens uitdrukten heb ik zelfs in mijn gepubliceerde werk zelden kunnen evenaren. Toch stonden ze, gevaarlijk genoeg, opgeslagen op de servers van Yahoo en Hotmail. Tegen de tijd dat ik het jaar daarop naar Manhattan verhuisde om langzaam uit te zoeken wat ik nu zou gaan doen, was Gmail de nieuwe grote speler. Snel genoeg belandden al die smartelijke, extatische verhalen en empathische reacties op hetzelfde digitale kerkhof waar vervallen Napsterbestanden en complete iPhotoarchieven staan die niet meer functioneren op de geüpgradede besturingssystemen. Ik rouwde om hun verlies, maar geloofde, jong en onwetend als ik was, dat mijn belangrijkste herinneringen en gesprekken nog altijd binnen handbereik zouden liggen. In elk geval was ik in 2004 nog niet bezig met wat ik verloren had, toen mijn collega Daria me zegende met een felbegeerde Gmail-uitnodiging. ‘Hoe voelt het om nu een G te zijn?’ schreef ze.

    Vanaf dat moment werd Gmail mijn belangrijkste communicatiemiddel. Wat de makers van Gmail mogelijk hadden gemaakt, voelde als buitengewoon altruïsme – een sterk verbeterde gebruikerservaring die dan wel beperkt werd door de opslaglimiet, maar die – net als de horizon – op wonderlijke wijze leek te verdwijnen naarmate je deze naderde. Ik bleef lange, digitale brieven schrijven en ontvangen, maar de uitwisselingen verliepen in steeds hoger tempo. De berichten werden korter, vluchtiger en veel talrijker. Gmail zelf werd een bestemming, en de chatfunctie bleef de hele werkdag openstaan op mijn bureaublad. Mijn vrienden en ik begonnen onze eerste chatgroepen, waarvan sommige nu nog steeds bestaan. Al snel begonnen we daarnaast sms’jes te typen op onze mobiele telefoons en berichtjes te schrijven op elkaars Myspace- en Facebookpagina’s.

    Sneeuwvlokje

    Tegen 2007, toen de iPhone op de markt kwam, waren internet en constante bereikbaarheid de norm, waardoor mijn vroegere relatie met technologie en het tempo waarin ik daarvoor had gecorrespondeerd haast onherkenbaar waren geworden. E-mail gold niet meer als mijn enige of zelfs belangrijkste contactmiddel, en lange brieven aan mijn naasten werden sporadischer. Maar nog steeds schreef ik, met veel aandacht en zorg, diepgaande stukken over conflicten, misverstanden en romantische overpeinzingen. Mijn Gmail-inbox bevatte het merendeel van mijn meest oprechte reflecties en uitlatingen.

    Toen ik begon te schrijven voor mijn levensonderhoud in plaats van voor mijn plezier, nam mijn Gmail-account (samen met de notitie-app) ook het stokje over van de papieren kladboekjes die ik altijd had volgeschreven met inzichten, berichten aan mezelf en ideeën voor de toekomst. Ik bewaarde mijn manuscripten en lopende projecten door mezelf Word-documenten te sturen. Mijn Gmail-inbox veranderde in een archief waarin niet alleen mijn persoonlijke beproevingen stonden opgeslagen, maar ook mijn professionele inspanningen en prestaties. Elke romantische relatie die ik als volwassene heb gehad, is begonnen en beëindigd – en bovendien beschreven en geanalyseerd – met een gekmakende reeks Gmail-berichten. Daartoe behoorde het jubelende verslag van mijn verliefdheid en van het huwelijk dat eruit voortkwam. Daartoe behoorden hartverscheurende ruzies en moeizame verzoeningen. Het verhaal van mijn vrijgezellenfeest, zowel mijn versie als die van mijn bruidsjonkers. De vreugde over de geboorte van mijn kinderen, inclusief foto’s. Dat alles stond zij aan zij met reisgegevens, ontvangstbewijzen, spam, zinloos geklets en vele duizenden overbodige meldingen van Twitter en Facebook. Mijn inbox was zo uniek als een sneeuwvlokje, ongeveer twee decennia in de maak en goed voor 90.000 berichten. En nu is hij weg.

    Mijn Gmail-inbox veranderde in een archief waarin niet alleen mijn persoonlijke beproevingen stonden opgeslagen, maar ook mijn professionele inspanningen en prestaties

    Die ochtend tolde mijn geest terwijl ik tevergeefs probeerde om de observaties en emoties die in de Google-servers waren vastgelegd maar nu de ether in waren verdwenen, terug te halen. Een plots rouwgevoel maakte zich van me meester, waar ik nog steeds niet overheen ben. Maar tot mijn verrassing voelde ik daarnaast nog iets anders: een verwarrend gevoel van opluchting en zelfs lichtheid. Ik zou al die e-mails nooit vrijwillig hebben gewist, maar ik kan toch ook niet helemaal ontkennen dat er een bepaalde catharsis schuilt in het afwerpen van duizenden opeengestapelde teleurstellingen en verwijten, van hartstochtelijke en zinloze ruzies en drama’s, zelfs van al die inzichten en opwellingen – van elke ingewikkelde maar vergankelijke laag van eerdere versies van mezelf. Ik begon te accepteren dat ik, als ze echt de moeite waard waren, via mijn verbeelding toegang moest krijgen tot mijn eerdere mentale toestanden. Mocht dat onmogelijk blijken, dan was het verlies te overzien. Ik deed mijn laptop dicht, wandelde naar buiten, in dat kleine stukje Frankrijk waar ik door de keuzes van al mijn vroegere zelven was beland, en werd overspoeld door een gevoel van hoop.

    Lees ook:

  • Schapen zijn de favoriete grasmaaiers van de zonne-industrie

    Schapen zijn de favoriete grasmaaiers van de zonne-industrie

    Onkruid verwijderen in velden met zonnepanelen is knap ingewikkeld. Schapen blijken hiervoor perfect: volgzaam, vraatzuchtig en precies de juiste hoogte. Zo ontstond een welkome impuls voor Amerikaanse schaapherders en hun kuddes.

    Ondanks de hitte haalt een maaiploeg in een veld met zonnepanelen in Texas zonder te klagen het gras weg. De panelen bedekken ruim 600 hectare van een zonnepark in Deport, een stad dicht bij de grens met Oklahoma. De baas van de ploeg, Ely Valdez, zorgt ervoor dat er geen prairiegras over de panelen heen groeit. Beter gezegd, zijn schapen doen het meeste werk.

    Het noodzakelijke verwijderen van de plaatselijke flora onder en rondom zonnepanelen heeft voor een onverwachte toename in werkgelegenheid gezorgd. Valdez profiteert daarvan, net als de vele andere herders die, verspreid over heel de VS, op de nieuwe fotovoltaïsche velden werken. De herder is eeuwen nadat hij door zijn rol in de Bijbel bekendheid verwierf weer in trek. Schapen, de verrassende drijfveer achter duurzame energie, genereren jaarlijks miljoenen dollars aan inkomsten door zonneboerderijen in het hele land op te schonen.

    ‘Deze ontwikkeling verandert onze levens,’ zegt Valdez, die vijfenveertig jaar oud is. Hij verwacht dat de kuddes onder zijn toezicht binnenkort jaarlijks honderdduizenden dollars aan inkomsten zullen genereren. De toenemende vraag naar zonne-energie is voor Valdez een enorme meevaller geweest. Zo heeft hij zijn huis in San Antonio kunnen afbetalen. 

    Tienduizenden hectaren

    In 2018 was het nog vijfduizend, maar volgens schattingen van mensen in de sector zijn er in de VS inmiddels tienduizenden hectaren aan zonnevelden waarop schapen worden ingezet. Kudde-eigenaren vragen tot wel vijfhonderd dollar per hectare per jaar.

    Voor deze klus in de zonne-industrie zijn er verschillende methoden uitgeprobeerd, maar een aantal veelbelovende kanshebbers voldeed niet aan de vele eisen. Zo zijn motormaaiers maar beperkt bruikbaar en kunnen ze niet gemakkelijk onder de panelen manoeuvreren, waardoor er kans is op beschadigingen.

    Schapen zijn volgzaam, vraatzuchtig en hebben precies de juiste hoogte

    Grazende dieren waren dus favoriet, maar om logistieke redenen bleek niet elk dier even geschikt. Koeien en paarden zijn te groot om onder de panelen te passen. Geiten eten graag elk schadelijk onkruid, maar kauwen ook op bedrading en klimmen op apparatuur.

    Schapen zijn daarentegen volgzaam, vraatzuchtig en hebben precies de juiste hoogte. Zo wonnen ze het gemakkelijk van de andere dieren.

    Optimistisch

    Valdez is verantwoordelijk voor de zeventienhonderd schapen die het zonnepark van Lightsource BP in Deport bevolken. Hij krijgt een deel van het geld dat aan de eigenaar van de kudde wordt betaald. Waar de schapen aan het werk zijn, overstemt geblaat het gestage gezoem van de machines die zonlicht omzetten in elektriciteit.

    Zijn eigen kudde van tweeduizend schapen is onderdeel van drie zonne-energieprojecten in de buurt van zijn huis en wordt beheerd door zijn vrouw, drie kinderen en tien werknemers. Net als de herders van vroeger leert hij het vak aan zijn kinderen. 

    Valdez, die voorheen een betonbedrijf bezat, startte zeven jaar geleden zijn herdersbedrijf. Hij was geïntrigeerd geraakt door een artikel over Europese zonnevelden en zag per toeval in een zonneveld tegenover zijn huis een gefrustreerde technicus de strijd aanbinden met planten. Hij sloot een deal van dertigduizend dollar in ruil voor zijn zevenentwintig ooien en zei de betonhandel vaarwel.

    Sommige herders zijn nu zo optimistisch dat ze leningen aangaan om hun kuddes uit te breiden

    Het inhuren van schapen voor landschapsonderhoud gebeurt al tientallen jaren. Zo had het Witte Huis tijdens de Eerste Wereldoorlog een kudde schapen om het onkruid in toom te houden. Maar vóór het begin van de zonne-industrie hadden veel schapenhouders het moeilijk. Door import uit Australië en Nieuw-Zeeland – landen die samen met China ook wereldwijd de wolmarkt domineren – is de vraag naar lams- en schapenvlees van eigen bodem gedaald.

    Sommige herders zijn nu zo optimistisch dat ze leningen aangaan om hun kuddes uit te breiden. Na Valdez en anderen in de zonne-industrie te hebben gesproken, gaf JR Howard, die al lang in het herdersvak zit, ongeveer 500.000 dollar uit. Met het geld, waarvan een deel geleend is, kocht hij genoeg schapen om een contract af te kunnen sluiten bij Lightsource BP. Vorig jaar is hij met zijn familie bijna 650 kilometer verderop gaan wonen om het werk te kunnen doen. 

    Het herdersleven

    Het herdersleven, althans op zonneparken, is niet alleen maar idyllische rust. Howard (42) is de hele dag bezig met het verplaatsen van schapen en schapenhekken naar overwoekerde velden, het vervoeren van watertanks en soms het aanvoeren van extra voer.

    Howard heeft meerdere waakhonden, waaronder Snowflake en Spark. Het zijn akbash: een eeuwenoud ras dat door Turkse herders wordt gebruikt en sterk en groot genoeg is om coyotes en andere roofdieren op afstand te houden. Het grootste deel van de tijd zijn ze bezig met het volgen van de schapen.

    Veel zonneherders besparen kosten door gebruik te maken van schapenrassen die niet geschoren hoeven te worden. Lightsource BP gebruikt zogenaamde dorper-schapen, waarvan veel een opvallende zwarte kop hebben, en katahdin, een ras dat in Maine enkele decennia geleden voor het eerst werd gefokt vanwege zijn vlees. Sommige van de dieren worden graag geaaid tijdens het grazen. 

    Geschikte technologie

    Zonne-energiebedrijven bieden hun vierpotige werknemers verschillende voordelen, zoals waterpompen en omheinde weiden waar ze comfortabel kunnen slapen. ‘Schapen zijn voor dit werk echt de geschikte technologie,’ aldus Michael Baute, vicepresident regeneratieve energie en koolstof-afvang en -opslag bij zonne-energieontwikkelaar Silicon Ranch Corp., dat gevestigd is in Nashville in Tennessee.

    Volgens Baute, die al lange tijd als boer werkzaam is, is het een uitdaging om genoeg schapen te vinden. Hij werkt als tussenpersoon voor herders en zonne-energieontwikkelaars en is dus eigenlijk een soort schapenmakelaar. Hij kwam in 2018 per toeval deze baan tegen, nadat hij een kudde had ingehuurd om het gras te verwijderen op een zonnepark van twintig hectare van Silicon Ranch.

    De kuddes grazen nu op ruim 5000 hectare van de zonneparken van het bedrijf

    De zonne-energieontwikkelaar, gesteund door oliegigant Shell PLC, was zo tevreden over het resultaat dat hij het jonge schapenmakelaarsbedrijf van Baute kocht. De kuddes grazen nu op ruim 5000 hectare van de zonneparken van het bedrijf, voornamelijk in het zuidoosten.

    Ook wat herders betreft is de vraag groter dan het aanbod. De American Solar Grazing Association en scholen die verbonden zijn aan North Carolina State University en Cornell University bieden onderzoek en scholing in de techniek, maar cursussen voor beginners zijn moeilijk te vinden.

    Christy King, projectmanager bij Solv Energy, het bedrijf dat het zonne-energieproject voor Lightsource BP beheert, is dol op de nieuwe lammetjes in Harolds kuddes. Eerder dit jaar kreeg ze toestemming om er een mee naar huis te nemen. Ze noemde het Cordina, naar een collega, en gaf haar flesvoeding. King liep met Cordina aan de lijn en het lammetje sliep bij haar in bed. 

    Cordina, die uiteindelijk groter en minder schattig werd, is nu een werkend schaap. King zegt dat ze Cordina af en toe tegen het lijf loopt op het zonnepark, dat genoeg energie opwekt om ongeveer veertigduizend huizen van stroom te voorzien. King, die oorspronkelijk als technicus is opgeleid, heeft pas onlangs de fijne kneepjes van het schapenhoeden geleerd. ‘Ik heb nooit geweten dat je dit voor je werk kon doen,’ zegt ze. 

  • Sam Bankman-Fried, oprichter van ingestorte cryptobeurs, gearresteerd op de Bahama’s

    Sam Bankman-Fried, oprichter van ingestorte cryptobeurs, gearresteerd op de Bahama’s

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zeker 11.000 kinderen slachtoffer van burgeroorlog Jemen

    » Nieuwe verkiezingen in Peru na afzetting Castillo

    SBF wordt beschuldigd van onder meer fraude met klantengeld

    De oprichter van het inmiddels failliete cryptoplatform FTX Sam Bankman-Fried is gearresteerd op eilandengroep de Bahama’s. Dat schrijft persbureau Reuters. Waarom de 30-jarige miljardair is aangehouden is niet bekend. Wel is duidelijk dat de VS om zijn arrestatie hadden gevraagd en dat hij waarschijnlijk binnenkort wordt uitgeleverd.

    Cryptobeurs FTX werd vorige maand failliet verklaard en sindsdien is er steeds meer naar boven gekomen over hoe het bedrijf bestuurd werd. Zo zou Bankman-Fried investeringen van zijn eigen bedrijf Alameda hebben betaald met stiekem overgemaakt klantengeld dat op FTX stond geparkeerd. Het zou gaan om zeker tien miljard dollar dat FTX na een bankrun begin november niet kon terugbetalen.

    Het onderzoek naar Bankman-Fried loopt al enkele weken en naar verwachting wordt deze week bekendgemaakt waar de miljardair voor wordt vervolgd. Er liepen al onderzoeken voor fraude en witwassen naar de oprichter van FTX, die zelf altijd heeft gezegd onschuldig te zijn.

    Lees ook:

  • San Francisco stemt in met gebruik killerrobots

    San Francisco stemt in met gebruik killerrobots

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Frans stokbrood nu UNESCO-werelderfgoed

    » Bombrief ontploft bij Oekraïense ambassade Madrid

    De lokale politie wil de robots behangen met explosieven

    Een toezichthoudende raad in San Francisco heeft ingestemd met het gebruik van op afstand bestuurbare robots door de lokale politie. Dergelijke robots zouden in potentie dodelijk kunnen zijn, daar ze mogelijk worden behangen met explosieven, meldt persbureau AP. Met het besluit wordt San Francisco voor zover bekend de eerste stad ter wereld met lokale wetten die de inzet van killer robots door agenten rechtvaardigen.

    Het besluit kon op felle tegenstand rekenen van onder meer mensenrechtengroepen, die vrezen dat de inzet van robots de lokale politie verder militariseert. Zo zei de openbare aanklager van San Francisco dat het ‘op afstand doden’ van inwoners van San Francisco indruist tegen de progressieve waarden van de stad.

    Het politiedepartement zegt dat de robots kunnen worden ingezet ‘om gewelddadige, gewapende of gevaarlijke verdachten aan te spreken, uit te schakelen of te desoriënteren’. De politie in San Francisco heeft momenteel twaalf robots, die vooral worden gebruikt om explosieven onschadelijk te maken. Agenten die de nieuwe robots zullen gebruiken, krijgen een aparte opleiding.

    Lees ook:

  • Amazon schrapt circa 10.000 banen

    Amazon schrapt circa 10.000 banen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Trump gaat voor nieuw presidentschap

    » Zelensky bezoekt bevrijd Cherson

    In welke landen de ontslagen gaan vallen is nog niet bekend

    Het Amerikaanse bedrijf Amazon gaat circa tienduizend banen schrappen. Deze week zal bekend worden waar de meeste ontslagen vallen, maar volgens The New York Times gaat het vooral om kantoorpersoneel en de apparatenafdelingen, waar apparaten als Alexa worden ontwikkeld. In welke landen de ontslagen zullen vallen is nog niet bekend.

    De omzet van Amazon is sinds het einde van de pandemie gedaald doordat mensen niet meer zo veel online winkelen als voorheen. Andy Jassy, de nieuwe topman van het webwinkelbedrijf, is daardoor al enkele maanden bezig met bezuinigingen. In de geschiedenis van het bedrijf is het niet eerder voorgekomen dat er zoveel mensen in één keer werden ontslagen.

    De ontslagronde bij Amazon staat niet op zichzelf: meerdere grote techbedrijven in de VS zien zich de afgelopen weken genoodzaakt op grote schaal personeel te ontslaan. De nieuwe Twitter-topman Elon Musk ontsloeg de helft van zijn personeel, het moederbedrijf van Instagram en Facebook schrapte elfduizend banen en ook bij Tesla, Netflix en betaalverwerker Stripe werden veel banen geschrapt.

    Lees ook:

  • Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Bestorm dit fort! Pleidooi voor data als publiek goed

    Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.

    Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.

    Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?

    Datacentra zijn de zetel van de macht

    Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.

    Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.

    Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.

    Collectieve schat

    Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.

    Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers. 

    Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.

    In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme. 

    In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid

    Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?

    Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.

    De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.

    Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.

  • Schaken begint langzamerhand steeds meer op poker te lijken

    Schaken begint langzamerhand steeds meer op poker te lijken

    Hoezeer de computer het schaakspel heeft veranderd, bleek onlangs toen wereldkampioen Magnus Carlson zijn tegenstander Hans Niemann van vals spel beschuldigde. ‘Schakers moeten zich tegenwoordig ook bezighouden met trucjes, misleiding en andere psychologische spelletjes.’

    https://soundcloud.com/blendle/360-magazine-schaken-begint-langzamerhand-steeds-meer-op-poker-te-lijken?si=27e4c28f5fdb4d2b826f8da46cb1ea8e&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing

    Het was alsof de absolute underdog het beste team van de NBA uitschakelde. Begin september, bij het Sinquefield Cup-schaaktoernooi in St. Louis, versloeg de Amerikaanse tiener Hans Niemann wereldkampioen Magnus Carlsen. Daarmee doorbrak hij de ongeslagen reeks van drieënvijftig wedstrijden van misschien wel de beste speler aller tijden. Echte ophef ontstond echter pas de dag erna, toen Carlsen in een cryptische tweet aankondigde dat hij zich terugtrok en een video bijvoegde met de woorden ‘Als ik mijn zegje zou doen, zou ik grote problemen krijgen’. De schaakkoning leek zijn tegenstander op impliciete wijze van valsspelen te beschuldigen. De schaakwereld explodeerde.

    In de dagen daarop werd Niemann door een aantal van de grootste spelers in de schaakwereld aangevallen, terwijl anderen hem juist meteen verdedigden. Niemann heeft onlangs toegegeven dat hij in het verleden minstens twee keer heeft valsgespeeld bij online schaakpartijen, één keer toen hij twaalf en één keer toen hij zestien jaar oud was. Deze vroegere overtredingen en het feit dat hij in interviews na wedstrijden gebrekkige schaakanalyses zou geven, droegen bij aan een groeiend wantrouwen. Op Twitch en Twitter speculeerden spelers en fans over mogelijke manieren om vals te spelen: zo zou Niemann via trillingen geheime boodschappen hebben ontvangen, die ofwel uit elektronische inzetstukken in zijn schoenen ofwel uit op afstand bediende anale kralen kwamen. Er is geen concreet bewijs voor vals spel gevonden. Bovendien ontkende de negentienjarige grootmeester in St. Louis de beschuldigingen stellig en bezwoer hij een interviewer dat hij bij een liveschaakwedstrijd nooit had vals gespeeld en van zijn vroegere fouten had geleerd.

    [Schaakwebsite Chess.com publiceerde op 4 oktober een uitgebreid onderzoek, waarin het stelde dat Niemann in meer honderd online schaakwedstrijden heeft valsgespeeld, bericht The Guardian.]

    Schaakmachines hebben een andere invulling gegeven aan creativiteit binnen het schaken

    Los van wat er nu echt is gebeurd, staat vast dat het voor Niemann, of wie dan ook, niet moeilijk is om anno 2022 vals te spelen met schaken. In de afgelopen vijftien jaar zijn algemeen verkrijgbare AI-softwarepakketten, ook wel bekend als ‘chess engines’ ofwel schaakmachines, zo ver ontwikkeld dat ze gemakkelijk de beste schakers ter wereld verslaan. Het enige wat een valsspeler dus nog hoeft te doen om zich van de winst te verzekeren, is een manier vinden om het advies van een machine doorgestuurd te krijgen. Maar dat is niet de enige manier waarop computers de afgelopen jaren de vijftienhonderd jaar oude sport hebben veranderd. Menselijke spelers, zowel beginners als grootmeesters, putten tegenwoordig inspiratie uit de output van schaakprogramma’s, en trainen zichzelf door computerzetten te onthouden. Met andere woorden: schaakmachines hebben een andere invulling gegeven aan creativiteit binnen het schaken, waardoor het voor topspelers niet meer genoeg is om simpelweg het sterkst te spelen. Ze moeten zich ook bezighouden met trucjes, misleiding en andere psychologische spelletjes. In die zin laat het recente schandaal alleen maar zien hoe ook de duistere kant van het schaken langzaamaan is veranderd.

    Griekse tragedie

    Voor de meeste mensen werd vijfentwintig jaar geleden duidelijk dat computers het schaakspel zouden overnemen: toen versloeg IBM-supercomputer Deep Blue wereldkampioen Garry Kasparov. In de media werd de wedstrijd destijds een ‘Griekse tragedie’ genoemd, waarin een kunstmatige ‘hand van God’ de mensheid had verpletterd. Toch vormde 1997, ondanks de culturele impact van het moment, niet echt een keerpunt in het schaken. Deep Blue, een ruim 1350 kilo wegende supercomputer, de enige in zijn soort, kon an sich niets wezenlijks aan het spel veranderen. Zijn genialiteit leek af te hangen van een toen nog onvoorstelbare rekenkracht en van de grootmeesters die hadden geadviseerd bij zijn ontwikkeling. Naar aanleiding van die adviezen beschuldigde Kasparov IBM er na zijn verlies van vals te hebben gespeeld door van menselijke hulp gebruik te hebben gemaakt. Die dynamiek is inmiddels omgedraaid bij beschuldigingen van vals spel.

    Tegen het midden van de jaren nul werden de algoritmes van schaakmachines door verbeteringen in de software en commerciële hardware toegankelijker; in 2006 versloeg een machine op een standaarddesktopcomputer de toenmalige wereldkampioen Vladimir Kramnik. Spelers maakten al langer gebruik van schaakmachines om individuele tactieken te evalueren. Maar het verlies van Kramnik luidde een nieuw tijdperk in: de invloed van de schaakcomputer was een feit. Vanaf dat moment gebruikten zelfs topschakers software om hun eigen strategieën mee te evalueren, vertelt Matthew Sadler, een grootmeester die meerdere boeken over schaakmachines heeft geschreven.

    Veel topschakers hebben de agressievere stijl van de nieuwe schaakmachines overgenomen

    Toen schaakmachines gemeengoed werden, veranderde het spel. Voor schakers op hoog niveau was uit het hoofd leren altijd al essentieel, maar ‘de hoeveelheid dingen die je moet voorbereiden, de hoeveelheid dingen die je moet onthouden, is nu echt geëxplodeerd’, aldus Sadler. Computers kunnen mogelijke schaakzetten veel nauwkeuriger en sneller berekenen dan mensen, waardoor er nu veel meer data is die überhaupt kan worden bestudeerd. Wat ooit magisch leek, werd berekenbaar; waar men ooit nog op intuïtie kon vertrouwen, werd het nu noodzakelijk om veel meer uit het hoofd te leren en om met een machine te oefenen. Schaken, dat ooit een poëtisch en filosofisch spel was, begon steeds meer te lijken op een spellingswedstrijd: de voorbereiding en het aantal geïnvesteerde uren maken het verschil. ‘Vroeger ging het erom je geest creatief in te zetten en strategische problemen met unieke en ingewikkelde oplossingen uit te werken’, schrijft grootmeester Wesley So, de vijfde beste speler ter wereld, in een e-mail. ‘Het was toen geen test om te kijken wie er het beste uit zijn hoofd kan leren.’

    Toen computers eenmaal structureel grootmeesters gingen verslaan, werd valsspelen via een computer een serieus gevaar, aldus Emil Sutovsky, directeur van de Internationale Schaakfederatie. De federatie voerde in 2008 haar eerste maatregelen tegen valsspel in.

    In tegenstelling tot dammen is schaken niet ‘uitgespeeld’. Het is niet zo dat er voor elke positie een perfecte reeks zetten is uitgedacht; er zijn meer schaakpartijen mogelijk dan er atomen in het waarneembare universum zijn. Sadler gelooft dat ‘menselijke feilbaarheid’ – het feit dat we geen machines zijn – het schaken spannend hield: mensen vergaten soms de analyse die ze vóór de partij hadden opgesteld, konden de strategie van hun tegenstander niet voorspellen, en belandden in posities waarop ze zich niet hadden voorbereid. In deze fase waren schaakmachines erg goed in de verdediging, maar hadden ze volgens Sutovsky ook nog zwakke punten: zo konden ze slecht bepalen wat voor voordeel het offer van een stuk op de lange termijn kon opleveren.

    Carlsen zei dat hij ‘geïnspireerd’ werd toen hij AlphaZero voor het eerst zag spelen

    Maar dat alles veranderde op 5 december 2017, toen AI-onderzoekers van Alphabet AlphaZero aankondigden, een nieuw algoritme dat de beste bestaande schaakmachines versloeg na slechts vier uur lang partijen tegen zichzelf te hebben gespeeld. AlphaZero maakte gebruik van een neuraal netwerk: een vorm van kunstmatige intelligentie die het menselijk brein nabootst en een machine in zekere zin zelf laat leren. Andere schaakmachines namen deze nieuwe technologie snel over en luidden zo het huidige tijdperk in, waarin de computer totale superioriteit geniet.

    In het eerste tijdperk van de schaakmachine ontwikkelden spelers aanvalsstrategieën, die ze vervolgens verfijnden door tegen een machine te spelen. AlphaZero verpletterde deze vroegere machines door ‘extreem agressief te schaken’, aldus Sadler. De hedendaagse machines die via een neuraal netwerk functioneren, offeren gemakkelijk stukken op. Daarnaast hebben ze een sterk inzicht wat openingen, positiestructuur en langetermijnstrategie betreft. ‘Het begon wat meer op een menselijke manier van spelen te lijken,’ zegt Sutovsky over deze ontwikkeling. Misschien zelfs wel bovenmenselijk, vervolgt hij: de nieuwe schaakmachines leken inzicht te hebben in ‘directe tactische beslissingen, maar konden zich ook oriënteren op langetermijncompensatie voor materieel verlies.’

    Nagenoeg onmogelijk

    Wil je begrijpen hoe superieur schaakmachines zijn geworden, kijk dan eens naar het ‘Elo’-systeem dat ooit door een Hongaars-Amerikaanse natuurkundige is bedacht en dat wordt gebruikt om de relatieve kracht van spelers te vergelijken. De hoogste menselijke score ooit, die Carlsen in de afgelopen tien jaar tot tweemaal toe haalde, is 2882. De Elo-rating van DeepBlue was 2853. Schaakmachine Rybka was in 2007 de eerste die 3000 punten haalde. En Stockfish, vandaag de dag het sterkste programma, heeft volgens voorzichtige schattingen momenteel meer dan 3500 Elo-punten. Dat betekent dat Stockfish ongeveer 98 procent kans heeft om Carlsen in een wedstrijd te verslaan en, volgens één schatting, 2 procent kans op gelijkspel. (Een overwinning is voor Carlsen nagenoeg onmogelijk.)

    Vroeger deden schaakmachines niets anders dan menselijke strategieën evalueren. Nu genereren de nieuwe, verbeterde versies – die, zoals Stockfish, gratis online te vinden zijn – verrassende ideeën en bepalen ze wat de ideale vorm van spelen is. Het gevolg daarvan is dat menselijke prestaties worden gemeten aan de hand van zogenaamde ‘centipawns’ (honderdsten van een pion), die aangeven in hoeverre men zou hebben verloren van de strategie van een computer. Tijdens de training kan een speler de software vragen om een aantal zetten voor te stellen voor een bepaalde situatie, en dan besluiten om in plaats van de eerste optie van de computer bijvoorbeeld de zesde te kiezen. Zo hoopt de speler een menselijke concurrent te kunnen verwarren die met soortgelijke algoritmen heeft geoefend. Of de speler selecteert een zet die is afgestemd op de zwakke punten van een bepaalde tegenstander. Veel topschakers hebben de agressievere stijl van de nieuwe schaakmachines overgenomen, en de algoritmen hebben veel tactieken populair gemaakt die menselijke spelers eerder hadden onderschat.

    Veel schakers en coaches, waaronder Sutovsky en Sadler, zijn enthousiast over de komst van schaakcomputers die werken met een neuraal netwerk. Carlsen zei dat hij ‘geïnspireerd’ werd toen hij AlphaZero voor het eerst zag spelen. Computers hebben het voor amateurs gemakkelijker gemaakt om beter te worden, terwijl ze voor experts nieuwe dimensies van het spel blootleggen. Zo bezien hebben schaakmachines de creativiteit niet uitgeschakeld, maar eerder opnieuw vormgegeven.

    Mechanische bots

    Maar als computers de gouden standaard van het spel bepalen, en topspelers alleen nog maar kunnen proberen machines te evenaren, is het niet duidelijk wat mensen precies toevoegen. ‘Doordat er tegenwoordig overheersend gebruik wordt gemaakt van machines,’ zegt grootmeester So, ‘worden we aangemoedigd om alle creatieve gedachten uit te roeien en te spelen als mechanische bots. Het is zo saai. Zo beneden onze stand.’ En als topspelers geen kans maken tegen machines en in plaats daarvan alleen nog maar subtiele, onverwachte of suboptimale zetten doen en rekenen op de ‘menselijke feilbaarheid’ van hun tegenstander om te winnen, dan lijkt het moderne schaken steeds meer op een spelletje psychologische oorlogsvoering. Niet zozeer een spellingswedstrijd dus, maar eerder een potje poker.

    In die context zijn schandalen over vermeend valsspelen niets minder dan een natuurlijke stap binnen de evolutie van het schaken. De pokerwereld wordt immers al jaren geteisterd door beschuldigingen van vals spel, waaronder gevallen van spelers die ervan worden beschuldigd hulp te krijgen van kunstmatige intelligentie. Als de hoogste vorm van creativiteit enige sluwheid vereist – zoals bij poker altijd al het geval is geweest –, dan lijkt het overtreden van de regels niet meer dan logisch.

    Lees ook:

  • Elon Musk: ‘SpaceX bespreekt iPhone-satellietdiensten voor Apple’

    Elon Musk: ‘SpaceX bespreekt iPhone-satellietdiensten voor Apple’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Door droogte duikt ‘Spaanse Stonehenge’ weer op

    » Studie onthult opvallende verschillen tussen hersenen van moderne mens en neanderthaler

    Hulpdiensten oproepen in gebieden zonder mobiele ontvangst

    SpaceX heeft gesprekken gevoerd met Apple over het gebruik van Starlink-connectiviteit voor de nieuwe satellietfuncties van de iPhone-producent, aldus South China Morning Post. De bedrijven hebben ‘veelbelovende gesprekken’ gevoerd, zei SpaceX CEO Elon Musk afgelopen donderdag op Twitter, waar hij aan toevoegde dat Apple‘s iPhone-team ‘superslim’ is. Het is onduidelijk of de gesprekken nog gaande waren.

    De berichten verschenen een dag nadat Apple Emergency SOS via satelliet had aangekondigd, waarmee iPhone 14-gebruikers hulpdiensten kunnen oproepen via satellietnetwerken in gebieden zonder standaard mobiele ontvangst. Voor de dienst zou Apple een samenwerking zijn aangegaan met Globalstar Inc om de satellietinfrastructuur te ontwikkelen, aldus de netwerkprovider woensdag in een officiële verklaring.

    Lees ook:

  • Deze Deense partij wordt volledig aangestuurd door kunstmatige intelligentie

    Deze Deense partij wordt volledig aangestuurd door kunstmatige intelligentie

    Een groep Deense kunstenaars heeft de eerste politieke partij opgericht die volledig wordt aangestuurd door kunstmatige intelligentie. De Synthetische Partij heeft ter voorbereiding van de parlementsverkiezingen van 2023 zelfs een niet-virtuele vergadering gehouden.

    In de politiek pakken mensen complexe vraagstukken aan met verstand en gevoel en worden beslissingen genomen die voor de samenleving van belang zijn. Maar is er in Christiansborg [het paleis dat onder meer het Deense parlement en de kantoren van premier Mette Frederiksen huisvest] ook plek voor een politieke partij die uitsluitend door kunstmatige intelligentie wordt aangestuurd? Die vraag probeert kunstenaarscollectief Computer Lars te beantwoorden.

    In samenwerking met het technologische centrum MindFuture heeft het collectief de Synthetische Partij opgericht, die volledig wordt geleid door kunstmatige intelligentie. Het collectief, dat zich beweegt op de grens tussen kunst en politiek, neemt deze taak zeer serieus en heeft als doel een zetel in het Folketing [parlement] te veroveren.

    De kunstmatige intelligentie waarvan de Synthetische Partij gebruikmaakt is ontworpen en geprogrammeerd door Computer Lars. Deze kreeg allerlei teksten voorgelegd die op internet zijn gepubliceerd door kleine Deense partijen die niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Zo werd de Synthetische Partij een smeltkroes van politieke standpunten en ideeën over democratie, waarmee ze zich onderscheidt van de andere partijen die in Christiansborg het politieke spel spelen.

    ‘De kunstmatige intelligentie is een samensmelting van wat gewone Denen op politiek vlak denken’

    ‘We hopen dat de Synthetische Partij het gevestigde politieke systeem kan veranderen door zeer verschillende burgers en hun politieke visies te vertegenwoordigen,’ zegt Asker Bryld Staunæs, een kunstenaar en filosoof die deel uitmaakt van Computer Lars. ‘De kunstmatige intelligentie is een samensmelting van wat gewone Denen op politiek vlak denken. Individuen hebben de neiging zichzelf te matigen, terwijl kunstmatige intelligentie juist een idee geeft van de werkelijke politieke opvattingen onder de bevolking.’

    Het collectief, legt hij uit, heeft de teksten van kleine partijen gebruikt omdat die meer reflecteren op de vraag wat politiek en democratie precies inhouden en de manier waarop de politiek georganiseerd zou moeten worden. Volgens hem hebben de gevestigde partijen zulke kwesties allang achter zich gelaten.

    Interactie

    Om de Synthetische Partij concrete en interessante beleidsstandpunten te laten ontwikkelen, moet Computer Lars interactie aangaan met mensen, zegt Asker Bryld Staunæs. ‘Hoe meer mensen verschillende vragen blijven stellen en hoe meer interactie er is, hoe meer de kunstmatige intelligentie in staat zal zijn om te lezen, te schrijven en te debatteren.’

    Waar komt het idee van deze politieke toepassing vandaan? Waarom niet gewoon een kunstwerk maken dat soortgelijke ideeën over technologie kan oproepen? De vertegenwoordiger van Computer Lars vindt het antwoord simpel: de politieke kant is onontkoombaar. Hij herinnert eraan hoe de Federatie van Bewust Luie Elementen [een Deense politieke partij die in 1979 werd opgericht door de komiek Jacob Haugaard] kunst en een flinke dosis humor gebruikte om kritiek te leveren op het arbeidsethos van de moderne samenleving. Haugaard werd in de jaren negentig in het parlement gekozen, met als programmapunten onder meer wind in de rug op fietspaden en grotere kerstcadeaus voor iedereen.

    ‘Als kunstenaars zich met politiek bezighouden, is dat om zaken onder de aandacht te brengen die gewoonlijk niet worden opgepikt’

    ‘Als kunstenaars zich met politiek bezighouden, is dat om zaken onder de aandacht te brengen die gewoonlijk niet worden opgepikt. Ons project moet wel politiek zijn, want het is moeilijk om op een andere manier algoritmen ter verantwoording te roepen en vast te stellen wie zij vertegenwoordigen,’ aldus Asker Bryld Staunæs. ‘Techgiganten als Google hebben onze berichten allemaal gelezen en al onze foto’s doorzocht. Zij zijn dus op de hoogte van de gedachten en standpunten van gewone mensen. Maar omdat veel algoritmen en kunstmatige intelligentie in het geheim werken, is het lastig bepalen welke politieke onderwerpen hier concreet uit voortkomen.’

    Computer Lars zal deze verborgen algoritmen zichtbaar maken, zodat we beter inzien wat het precies inhoudt om met machines te praten in plaats van met individuen.

    Verruimd kader

    Bovendien is het kunstenaarscollectief van mening dat het politieke en democratische kader verruimd kan worden en dat bestaande meningen die niet altijd worden gehoord, directer kunnen worden geuit. ‘De Synthetische Partij systematiseert de verschillende posities die kunstmatige intelligentie aan het licht brengt niet op basis van een ideologie, maar op basis van een reeks statistische gemiddelden. De partij geeft niet duidelijk aan wat mensen denken, maar geeft veel verschillende standpunten weer. Daar kunnen we dan direct op reageren,’ legt Asker Bryld Staunæs uit.

    De eerste verkiezingsbijeenkomst van de Synthetische Partij (met het oog op de parlementsverkiezingen, waar nog geen datum voor is vastgesteld maar die uiterlijk op 4 juni 2023 zullen worden gehouden) zal plaatsvinden in het gebouw van MindFuture tijdens de Vestegnenweek – een cultureel festival dat van 8 tot 18 september wordt gehouden in verschillende buurten in de westelijke voorsteden van Kopenhagen. Geïnteresseerde kiezers kunnen dan chatten met de kunstmatige intelligentie en zo helpen om de positie van de partij verder te ontwikkelen.

    Maar stel dat de Synthetische Partij uitsluitend kwalijke meningen verkondigt? Die zijn dan blijkbaar door verschillende mensen geuit. Wie wordt daar uiteindelijk verantwoordelijk voor gehouden? ‘Computer Lars is verantwoordelijk voor het censureren van bepaalde standpunten, maar ook personen die interactie aangaan met de kunstmatige intelligentie hebben in dit opzicht een verantwoordelijkheid. Het zou spijtig zijn als mensen opzettelijk op onplezierige dingen zouden aansturen,’ aldus Asker Bryld Staunæs.

    ‘Het is niet altijd leuk om te horen wat machines zeggen, maar het kan wel veel indruk maken’

    Hij gelooft dat de wereld bijna klaar is om deze technologie te verwelkomen. De afgelopen jaren zijn wij, gewone mensen, getuige geweest van de groei van voor een bredere doelgroep toegankelijke kunstmatige intelligentie, en zijn we steeds beter gaan begrijpen hoe algoritmen te werk gaan.

    Hij geeft toe dat er nog vaak moeilijkheden ontstaan wanneer mensen en machines moeten leren samenleven, maar hij gelooft niet dat machines zich tegen ons zullen keren en de planeet zullen overnemen. Integendeel, hij en Computer Lars denken dat we veel kennis kunnen vergaren als we kunstmatige intelligentie creatief gebruiken – vooral kennis over onszelf.

    ‘Veel mensen denken dat de enige betrouwbare uitspraken die van menselijke wezens zijn. Maar kunstmatige intelligentie is een versterkte manifestatie van bepaalde tendensen in ons gemeenschappelijk cultureel erfgoed,’ zegt hij. ‘Het is niet altijd leuk om te horen wat machines zeggen, maar het kan wel veel indruk maken, en zo kunnen we echt een samenleving creëren waarin ook zij meningen en standpunten bijdragen.’

    Lees ook:

  • Geen algoritme is ook geen oplossing

    Geen algoritme is ook geen oplossing

    Polarisatie, haat, desinformatie: de formules die Facebook, TikTok en Instagram gebruiken om hun beelden, teksten en foto’s te sorteren zouden verantwoordelijk zijn voor grote veranderingen in de wereld. Was het maar zo simpel.

    Vladimir Poetin, Donald Trump en dan komt het algoritme al. Naast mannen met te veel macht en te weinig moraal worden sociale media verantwoordelijk gehouden voor alles wat misgaat in de wereld. Facebook zou samenlevingen polariseren, YouTube gebruikers radicaliseren, TikTok tieners verleiden. De boosdoener is het algoritme dat wordt gebruikt om inhoud te sorteren die platforms aan mensen voorschotelen. Als een vorm van zwarte magie zou het in staat zijn het hoofd van mensen op hol te brengen en democratieën omver te werpen. 

    Dit is niet geheel onwaar, maar het is slechts een deel van de waarheid. Deze visie reduceert de realiteit tot een paar veronderstelde oorzakelijke verbanden. Rechtspopulisme en complottheorieën zouden ook zonder sociale media bestaan. Als alle platforms zich van hun algoritmes zouden ontdoen, zouden mensen niet vreedzamer zijn, de wereld niet harmonieuzer. Concerns zouden niet minder verantwoordelijkheid hebben. Algoritmes vormen niet het enige en niet het grootste probleem, maar ze zijn een probleem. Om hier verandering in te brengen zijn transparantie en regulering nodig. Platforms moeten zich openstellen voor onderzoekers en hun aanbevelingslogica kritisch laten bekijken. Aangezien ze zich tot nu toe verzetten, zijn er blijkbaar nieuwe wetten nodig. Bovendien moeten meer mensen begrijpen wat algoritmes zijn, waarom ze een bepaalde inhoud voorgeschoteld krijgen en hoe ze zelf invloed uit kunnen oefenen. Een verheldering in vijf hoofdstukken.

    1. Een leven zonder algoritmes is onmogelijk

    Algoritmes zijn overal, zelfs in een kookrecept: giet het water af als de pasta al dente is. Algoritmes geven machines of mensen duidelijke instructies over wat ze wanneer moeten doen. Als Amira een foto van Hakan met een ‘like’ beloont, laat Amira dan meer foto’s van Hakan zien. Om van beetgare pasta een maaltijd te bereiden zijn verdere stappen nodig: meng de pasta met pesto en Parmezaanse kaas. Om met Hakans foto’s een sociaal netwerk tot stand te brengen zijn vele miljoenen regels programmacode nodig. Er is niet één Instagram-algoritme, verschillende algoritmes nemen samen een belangrijke beslissing: wat ziet Amira als ze de app opent?

    Facebook of Google lezen op veel websites en apps mee

    In fracties van een seconde evalueren machines duizenden datapunten. Dit omvat het gedrag op het platform zelf, likes en commentaren, kliks en directe berichten. Maar de beheerders halen hun informatie bijna overal vandaan. Het web zit vol met verborgen bugs, Facebook of Google lezen op veel websites en apps mee. Techbedrijven creëren persoonlijkheidsprofielen op basis waarvan algoritmes voorspellen in welke inhoud gebruikers geïnteresseerd zijn.

    Algoritmes geven niet alleen vorm aan tijdlijnen op sociale netwerken, maar aan de hele samenleving. Zij beslissen wie een lening krijgt, helpen ondernemers bij de selectie van vrouwelijke sollicitanten of doen voorspellingen over welke delinquenten zouden kunnen recidiveren. Hoe ingewikkelder de taken zijn die de algoritmische systemen moeten oplossen, hoe ingewikkelder hun code wordt. En hoe moeilijker het is ze onafhankelijk te verifiëren.

    2. Algoritmes zijn machtig, maar niet magisch

    Welke foto’s Amira ziet, lijkt van weinig invloed op de wereldgebeurtenissen. Veel algoritmische beslissingen werken niet op individueel niveau. Maar Meta, het moederconcern van Facebook en Instagram, verbindt drieënhalf miljard mensen met elkaar. De kleinste gedragsveranderingen hebben dan ook grote invloed. Als Facebook mensen aanmoedigt te gaan stemmen, kan dat een verkiezingsuitslag beïnvloeden. Als een Russische propagandavideo zich op TikTok viraal verspreidt, realiseert misschien een groot gedeelte van de gebruikers zich dat het om desinformatie gaat – maar niet iedereen.

    Computers zijn niet slecht, maar ze hebben geen geweten

    Veel algoritmes ontwikkelen zich zelfstandig verder. Ze worden gevoed met data en passen hun gedrag aan. Dit machinale leren kan helpen bij het opsporen van kanker en het eerlijker toewijzen van plaatsen in de kinderopvang, maar het kan ook structurele discriminatie en systematisch racisme versterken. Algoritmes internaliseren en reproduceren vooroordelen. Het web was lange tijd een World White Web, waarop zwarte mensen overwegend in een negatieve context opduiken. Ook vrouwen kunnen door algoritmische systemen benadeeld worden, doordat trainingsdata de machtsverdeling in de westerse wereld weergeven: wit en mannelijk. 

    Dit wordt pas gevaarlijk wanneer mensen uitsluitend vertrouwen op de veronderstelde intelligentie van machines. Computers zijn niet slecht, maar ze hebben geen geweten. Ze voeren bevelen uit, ze herkennen geen ongewenste bijwerkingen. Algoritmes zijn geen magie, maar technologie die door en voor mensen werd gemaakt – en door mensen kan worden veranderd, als ze dat willen.

    3. Geen algoritme is ook geen oplossing

    Mensen hebben weinig nodig om gelukkig te zijn: wereldvrede en een chronologische tijdlijn. Die indruk kun je krijgen wanneer je de opvattingen over het zogenaamd kwaadaardige algoritme bekijkt. Facebook heeft meermaals steekproefsgewijs getest wat er gebeurt als inhoud strikt wordt gesorteerd op het tijdstip van verzending in plaats van op andere, ondoorzichtiger criteria: gebruikers verborgen significant meer berichten. Volgens een intern document nam het aandeel niet-serieuze en ongewenste inhoud ‘explosief toe’. Hoewel de controlegroep minder tijd doorbracht op Facebook, verdiende het concern meer geld. Mensen moesten langer scrollen om bijdragen te vinden die hen interesseerden en zagen daardoor meer advertenties. Deze experimenten zijn enkele jaren oud, hun methodes voldoen niet aan wetenschappelijke normen en de uitkomsten roepen nieuwe vragen op, zoals: wat zou er gebeuren als Facebook de nieuwsfeed een langere periode chronologisch zou sorteren? Al dertien jaar lang sorteren algoritmes de inhoud, gebruikers zijn eraan gewend geraakt. Als Facebook hun de tijd en de juiste tools geeft, kunnen ze misschien leren hun eigen tijdlijn zelf samen te stellen.

    Maar de experimenten leiden ook tot één heldere conclusie: het probleem ligt niet bij de algoritmes zelf, maar bij de metriek op grond waarvan de platforms hun systemen optimaliseren. Mensen moeten de apps regelmatig openen en hun smartphone het liefst helemaal constant in handen houden. Alleen dan zien ze de advertenties, waarop het businessmodel van de concerns is gebaseerd. Dit is niet het enige criterium, maar wel het belangrijkste. Mensen reageren het meest op inhoud die gevoelens oproept, zoals woede, angst en verontwaardiging. Met hun kliks en commentaren vragen ze de algoritmes om meer. En die leveren bereidwillig, zonder bij de gevolgen stil te staan.

    4. Andere algoritmes zouden een oplossing kunnen zijn 

    Na de Amerikaanse verkiezingen van 2020 nam Facebook ongebruikelijke maatregelen. Trump probeerde met leugens twijfel te zaaien over het resultaat, het land werd bedreigd door onrust en geweld. Dus paste Facebook zijn algoritmes aan. Serieuze media kregen meer gewicht, dubieuze bronnen en desinformatie verloren bereik. Later vroegen ontwikkelaars of het mogelijk was om deze ‘genuanceerdere nieuwsfeed’ permanent te behouden. Dat kon niet, kort na de verkiezingen keerde Facebook terug naar de oude weging.

    De afgelopen jaren hebben medewerkers van Facebook meerdere malen geprobeerd de aanbevelingslogica fundamenteel te hervormen. Ze vroegen zich af hoe polariserende inhoud, haatdragende commentaren en desinformatie kunnen worden beteugeld. Maar ze stuitten op interne weerstand: hun voorstellen vormden een bedreiging voor de groei, en groei is heilig voor Meta. ‘Misschien is het goed voor de wereld, maar niet voor ons’, schreef Zuckerberg in een intern bericht. Hiermee verwees hij weliswaar niet naar algoritmes, maar de zin onthult hoe hij denkt. Het belangrijkste voor Meta is Meta. Platforms als TikTok opereren op een soortgelijke manier.

    5. Algoritmes dienen de mens

    Het is niet mogelijk om alle risico’s en bijwerkingen van sociale media met één druk op de knop te doen verdwijnen. Algoritmische systemen zijn complexe ontwerpen, zelfs de ontwikkelaars kunnen niet precies voorspellen welke effecten veranderingen teweeg zullen brengen. Om te beginnen moeten concerns worden verplicht de wetenschap en het publiek inzicht te geven. Onafhankelijke onderzoekers proberen al jaren tevergeefs de algoritmes van platforms te onderzoeken. Media bouwen technische instrumenten en werken met vrijwillige testers om op zijn minst enig licht in de duisternis te werpen – maar krijgen geen enkele toegang. De noodzakelijke regulering moet zich richten op twee vragen: waarom wordt inhoud aanbevolen? Maar ook: welke inhoud wordt aanbevolen? De huidige voorstellen in de Europese Unie en de Verenigde Staten zijn gefocust op de eerste vraag. Ze zijn bedoeld om platforms te verplichten delen van hun algoritmes openbaar te maken. Algoritmische systemen bestaan echter niet alleen uit formules, maar ook uit input en output. Tot nu toe kan iedere gebruiker zien wat er in zijn tijdlijn verschijnt, maar het is bijna onmogelijk te achterhalen welke resultaten algoritmes bij anderen opleveren. Dit is echter essentieel om in een tweede stap suggesties te kunnen doen over hoe aanbevelingssystemen die het algemeen belang dienen eruit zouden kunnen zien. 

    Tot het zover is, zijn gebruikers van algoritmes niet hulpeloos overgeleverd aan algoritmes. De belangrijkste factor voor de output is de input, en die heeft men zelf in de hand. Wie minder slechte grappen van zijn voetbalmaatje wil zien, kan zich een like uit beleefdheid beter besparen. In plaats van te klikken op sensatiebeluste koppen en vervolgens boos te worden over het lage peil van de inhoud, kun je beter snel verder scrollen en daarmee je desinteresse overbrengen. Je kunt onbeschofte mensen blokkeren, saaie accounts ontvolgen en specifieke berichten verbergen.

    Als dat allemaal niet helpt, dan kun je nog altijd cold turkey stoppen met algoritmes. Op Facebook en Twitter kan de inhoud ook strikt chronologisch gesorteerd worden. Instagram is onlangs begonnen met de invoering van deze mogelijkheid, die binnenkort voor alle gebruikers beschikbaar moet zijn. Een leven zonder algoritmes is onmogelijk – maar op sociale media kun je er tenminste nog omheen.

    Lees ook:

  • Waar simulatie ophoudt en de realiteit begint

    Waar simulatie ophoudt en de realiteit begint

    We weten dat ons beeld van de werkelijkheid in de hersenen wordt samengesteld: gefilterd door onze eigen waarneming. Filosoof David Chalmers verdiepte zich in hoe ‘een klont organisch materiaal in staat is de ervaring van zelfbewustzijn te creëren’. En is die ervaring even waarachtig als de virtuele werkelijkheid?

    ‘Kun je me zien?’ In het tijdperk van videogesprekken is dit inmiddels een vaak gestelde vraag. Maar stel je die vraag aan filosoof David Chalmers, dan krijgt hij een diepere betekenis. Als het gaat om de elementaire versie van virtual reality (VR) waarin wij dit gesprek voeren, denkt hij dat ‘sommige uiterst conservatieve filosofen zouden zeggen: nee, ik zie alleen een patroon van pixels op een scherm, zonder jou erachter’. Maar zelf ziet Chalmers dat toch anders. ‘Ja, ik zie je heel goed,’ zegt hij, en dat heeft een dubbele lading. Zijn ogenschijnlijk eenvoudige bewering slaat niet alleen op wat VR kan doen, maar ook op het denken over wat werkelijkheid is.

    Chalmers is een van de bekendste filosofen van deze eeuw. Zijn nieuwste boek Reality+ is weliswaar het eerste dat hij bewust voor een breed publiek heeft geschreven, maar eerder had hij zich al bij dat publiek in de kijker gespeeld, vooral met zijn essay ‘The Matrix as Metaphysics’, dat hij in 2003 schreef voor de officiële website van die film. Zijn werk inspireerde [de Britse toneelschrijver] Tom Stoppard tot diens toneelstuk over bewustzijn, The Hard Problem. Met zijn ontspannen manier van praten, zijn afgedragen kleding en zijn onverzorgde, jarenlang niet geknipte haar is het niet gek dat hij het etiket van ‘popster-filosoof’ kreeg opgeplakt.

    Het makkelijke vraagstuk is hoe we in kaart kunnen brengen welke hersenactiviteiten gelinkt zijn aan bepaalde stemmingen

    Zijn reputatie berust niet zozeer op zijn eigen theorieën als wel op de kernachtige omschrijvingen die hij weet te geven van wat wel wordt gezien als het grootste actuele vraagstuk in de filosofie. Chalmers maakt onderscheid tussen de ‘makkelijke’ en de ‘lastige’ vragen rond bewustzijn. Het makkelijke vraagstuk is hoe we in kaart kunnen brengen welke hersenactiviteiten gelinkt zijn aan bepaalde stemmingen; dat is alleen makkelijk in de zin dat het geen diepgaande filosofische vragen oproept. Het lastige vraagstuk met betrekking tot bewustzijn is hoe een klont organisch materiaal, complex of niet, in staat is de ervaring van zelfbewustzijn te creëren. Dat staat nu bekend als ‘Chalmers’ lastige probleem’, al bestond de vraag al voordat hij er zijn naam aan gaf.

    Woordenlijst

    Vier sleutelbegrippen om de kluts niet kwijt te raken:

    Virtual reality (virtuele werkelijkheid), aanvankelijk ontwikkeld naar het voorbeeld van computergames, staat voor een technologie waarbij met behulp van software en vaak een bril de fysieke aanwezigheid van andere mensen of een bepaalde omgeving wordt gesimuleerd. Op die manier kun je een driedimensionaal virtueel universum waarnemen en je daarin bewegen.

    Augmented reality (aangevulde werkelijkheid), ook afkomstig uit de gamewereld, maakt het mogelijk een scherm (vooral dat van een smartphone) als venster op onze reële wereld te gebruiken, waar virtuele, digitale elementen overheen worden geprojecteerd. Het populairste voorbeeld is het spel Pokémon Go, maar er zijn een heleboel andere toepassingen, variërend van gps-navigatie tot rondleidingen door musea.

    Het multiversum , dat zowel fictieve als wetenschappelijke toepassingen kent, veronderstelt dat er nog andere parallelle en gelijktijdige universums bestaan naast het onze. Dit verschijnsel kan vele vormen aannemen en roept tal van vragen op, zoals: hebben wij parallelle ‘ikken’? Wat doen die dan? Zijn de grenzen tussen universums poreus?

    Als we Facebookbaas Mark Zuckerberg mogen geloven, is de metaverse de volgende etappe in de ontwikkeling van het mobiele internet. Dankzij de virtuele werkelijkheid zouden gebruikers fysiek door een 3D-wereld kunnen navigeren en avatars kunnen gebruiken om in virtuele winkels te shoppen of virtuele werkvergaderingen te houden. Zelf wil Zuckerberg graag de grote baas van de metaverse worden, wat toch enigszins dubieus overkomt.

    In zijn nieuwe boek richt Chalmers zich op de vraag of een perfecte virtualrealityomgeving, waarin je jezelf werkelijk totaal kunt onderdompelen – noem het ‘Full VR’ – een echte werkelijkheid genoemd zou mogen worden of altijd alleen een alternatief voor de werkelijkheid blijft. Zijn boek komt als geroepen: in oktober 2021 kondigde Mark Zuckerberg aan dat Facebook werkt aan de bouw van de metaverse, een ‘alomvattend, alomaanwezig internet’, waarin je via je eigen avatar in een 3D-omgeving online kunt vergaderen of met vrienden kunt eten.

    Virtuele utopie

    Zuckerberg ziet het als een virtuele utopie, anderen als de totale ontmenselijking en het einde van de werkelijkheid. Wie er gelijk heeft, hangt grotendeels af van het antwoord op een oude filosofische vraag: wat is werkelijkheid? Het nieuwe van de ‘technofilosofie’, zoals Chalmers zijn benadering in Reality+ noemt, is ten eerste dat filosofie daarin wordt toegepast op nieuwe technologieën. En ten tweede dat die technologieën worden gebruikt om anders tegen eeuwenoude filosofische kwesties aan te kijken. Technofilosofie is goeie ouwe metafysica in een nieuw jasje.

    Neem de vraag waarmee ik begon: kun je me zien? Als je vindt dat je iemand niet ziet als je er een Zoom-gesprek mee voert, dan betekent dat dat we elkaar eigenlijk nóóit zien, zo redeneert Chalmers. De naïeve gedachte dat we de dingen direct en ongefilterd waarnemen hebben we allang achter ons gelaten. We weten dat alles via onze zintuigen binnenkomt en dat ons uiteindelijke beeld van de werkelijkheid in onze hersenen wordt samengesteld: alle perceptie wordt door onze waarneming gefilterd. Dus de enige betekenisvolle mate waarin ik je echt zie of hoor, ook in het echte leven, is in hoeverre de signalen die ik zie en hoor oorzakelijk op jou teruggaan.

    Nieuwe technologie kan veranderingen aanbrengen in die keten van oorzakelijkheid. Maar zolang de essentiële verbanden intact blijven, is het resultaat nog steeds dat ik echte personen en dingen waarneem. Neem een telefoongesprek. ‘De allereerste keer dat mensen een telefoon gebruikten, zeiden ze misschien nog: ik hoor de ander niet direct, ik hoor een projectie van zijn stem,’ zegt Chalmers. ‘Maar zodra de telefoon zijn intrede deed in het dagelijks leven, zeiden mensen zonder er verder bij stil te staan: ik hoor je. Met het voortschrijden van de techniek blijken zulke begrippen als vanzelf mee te groeien.’

    ‘Waar je in dit debat staat, hangt sterk af van hoe je ‘echt’ definieert’

    Chalmers denkt dat dit nu weer plaatsvindt. Zelfs met de primitieve vorm van VR die we op dit moment hebben, is het al ‘heel gewoon om te zeggen dat je virtuele voorwerpen in een virtuele werkelijkheid ziet’. Daar valt natuurlijk tegen in te brengen dat wat je in de virtuele werkelijkheid ziet per definitie niet echt is. Een virtuele kat is geen echte kat. Tot op zekere hoogte is Chalmers het daarmee eens. Het is geen biologische, organische kat van vlees en bloed. Maar het is wel een echte virtuele kat. Dat is geen semantische haarkloverij. Denk maar aan hoe de wetenschap ons inzicht heeft veranderd in de verhouding tussen wat we zien en de onderliggende werkelijkheid. De kwantumfysica heeft aangetoond dat de grondslag van alle schijnbaar vaste objecten in onze wereld grotendeels uit lege ruimte bestaat. Het is niet zo dat katten en tafels niet bestaan, maar hun uiterlijke verschijning zegt niets over hun diepste aard. In een virtuele wereld zouden virtuele objecten op die manier ook echt zijn, zelfs al zijn ze ten diepste niet meer dan bits en bytes.

    Waar je in dit debat staat, hangt sterk af van hoe je ‘echt’ definieert. Als we zeggen dat iets echt is, kan dat volgens Chalmers vijf betekenissen hebben: het bestaat, het heeft causale krachten, het is onafhankelijk van onze hersenactiviteit, het is niet illusoir en het is een echte representant van dat waar wij het voor verslijten. Een werkelijk immersieve VR die van binnenuit niet van het echte leven te onderscheiden is, zou volgens hem aan minstens vier van deze vijf criteria moeten voldoen.

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 3 RGB
    – © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Een digitale hond

    Neem een digitale hond. Wat je daar ook van denkt, op een bepaalde manier bestaan digitale honden zeker. Ten tweede heeft zo’n virtuele hond in Full VR ook causale krachten: als hij bijt, doet het pijn. Ten derde heeft de hond een bestaan buiten jouw geest om: als je de virtuele wereld verlaat, blijft die hond daar rondsnuffelen.

    Minder voor de hand ligt de conclusie dat zo’n digitale hond niet illusoir is of althans niet hoeft te zijn. Je denkt misschien dat VR per definitie een illusie is, aangezien het hele idee van VR is dat digitale dingen daarin echt lijken. Maar met een beroep op het begrip ‘cognitieve penetratie’ stelt Chalmers dat dit niet per se opgaat. Als je in de achteruitkijkspiegel van je auto kijkt, zie je wat je daarin ziet dan voor je of achter je? Strikt genomen zie je het voor je. Daarom benadert een dier iets wat het in de spiegel ziet altijd alsof dat zich achter het glas bevindt. Omdat wij weten dat het een reflectie is en we daaraan gewend zijn, weten wij dat we in die spiegel zien wat zich achter ons bevindt.

    Chalmers denkt dat deze gewenning ook in de virtuele wereld kan optreden. Toen hij in een VR-lab op een plank stond die over de Grand Canyon was gelegd en hij werd verzocht van die plank af te stappen, ‘tikte ik eerst even met mijn voet op de grond, gewoon voor de zekerheid’. Maar ‘je raakt heel snel gewend aan wat er kan. Dan stap je eraf en loop je naar de overkant van de kloof. Je loopt gewoon in de lucht, dat went.’ Na verloop van tijd wordt de virtuele aard van zo’n wereld iets ‘wat gewoon ingebakken raakt in je perceptie van de werkelijkheid’. Dan voelt het op den duur net zo min als een illusie als onze ervaring dat de zon opkomt terwijl we weten dat het alleen de aarde zelf is die beweegt.

    ‘Vergelijk het met havermelk: die is wel echt, maar het is geen echte melk’

    Het enige criterium waar Full VR volgens Chalmers niet aan zal kunnen voldoen, is dat een digitale hond wel echt is, maar geen echte hond, want echte honden zijn biologische wezens. Vergelijk het met havermelk: die is wel echt, maar het is geen echte melk.

    Omdat Full VR aan vier van zijn vijf criteria voldoet, kunnen we volgens hem stellen dat het ‘ten minste 80 procent echt is’. Maar die vlieger gaat niet per se op. Als ik voldoe aan vier van de vijf vereiste criteria om arts te zijn, ben ik niet voor 80 procent arts, dan ben ik helemaal geen arts. Dus er hangt heel veel af van het belang van dat ene onderscheid, tussen gewone echte dingen en echte digitale dingen.

    Leven in een simulatie

    Veel mensen zullen Reality+ willen lezen vanwege het tegen onze intuïtie indruisende pleidooi dat wij zonder het te weten misschien al in een simulatie leven, of dat we onszelf in de toekomst misschien wel kunnen uploaden naar een VR-wereld die dan net zo echt en net zo aangenaam zal zijn als ons biologische leven nu. Zelf vind ik Chalmers’ redeneringen op dat punt veel te sterk afhangen van onzekerheden in de toekomst. Zullen we ooit over genoeg machinale rekenkracht en genoeg elektriciteit beschikken om een virtuele wereld te creëren die net zo rijk en alomvattend is als onze huidige fysieke wereld? Zoiets simpels als de cryptomunt Bitcoin verbruikt nu bijvoorbeeld al 0,5 procent van alle stroom in de wereld.

    Chalmers neemt dit probleem serieus, maar schat de kans toch op fiftyfifty dat we Full VR zullen realiseren. Als het gaat om de energie die dat zou vergen, wijst hij erop dat fundamentele fysieke grenzen weliswaar betekenen dat ‘geen eindig universum in staat is zichzelf tot in elk detail perfect te simuleren’, maar dat dit niet erg is omdat Full VR dat ook niet hoeft te doen. ‘Universa hoeven alleen een eenvoudiger en kleiner universum te simuleren. Misschien kan bijvoorbeeld een deel van de energie van een verre ster worden gebruikt om te simuleren wat er allemaal op en rond de aarde gebeurt.’

    ‘Maar nee, ze hebben een wereld ontworpen met kanker, MS en ebola, om van marteling en verkrachting nog maar te zwijgen’

    Een oneindig universum zou volgens Chalmers in staat zijn een eindig universum zoals het onze perfect te simuleren. En als ons universum zo’n perfecte simulatie was, dan zouden wij daar nooit achter kunnen komen. Veel mensen nemen deze mogelijkheid serieus. Maar als onze wereld zo’n simulatie is, vraag ik me toch af: waarom is die wereld dan zo vreselijk? Als de wereld het product is van evolutie, dan vallen armoede, ziekte en menselijke wreedheid te verwachten. Als de wereld het product is van intelligent ontwerp, dan moeten de ontwerpers niet alleen ongelooflijk slim maar ook ongelooflijk sadistisch zijn. Dan hadden ze ook wel een wereld van overvloed en veiligheid kunnen ontwerpen. Maar nee, ze hebben een wereld ontworpen met kanker, MS en ebola, om van marteling en verkrachting nog maar te zwijgen.

    ‘Ik heb de Dreamachine voor u getest’

    ‘Het is een gratis reis door uw eigen hoofd’, verzekert The Guardian.

    Een journalist van de Londense krant heeft de ‘Dreamachine’ getest, geïnspireerd op een vinding uit de jaren zestig. Het is een experiment op basis van witte lichtflitsen, vergelijkbaar met de hallucinatiemachine van de Britse neurowetenschapper Anil Seth. De Dreamachine werd aan het Britse publiek gepresenteerd op de afgelopen editie van het rondreizende lentefestival Unboxed.

    De deelnemers, die comfortabel onder een deken lagen, werden uitgenodigd om zich te ontspannen. ‘Het volume van de ritmische muziek wordt geleidelijk opgevoerd, terwijl wij met onze ogen dicht liggen en de ruimte die we door onze oogleden waarnemen verduistert,’ vertelt de journalist. ‘Dan begint het allemaal: voor me zie ik een grote purperen wolk steeds dikker worden en een donkerrode nevel vult te leegte. Het ritme en de intensiteit van de knipperende lichten variëren (vermoed ik) en ik word verblind door een feloranje hemel, de kleur van marmelade. Het is niet echt een hemel, maar eerder een muur van kleuren, elektrisch en verblindend, die zich binnen in mij bevindt.’ Iedereen geniet op zijn eigen manier van de psychedelische ervaringen. En er komen gegarandeerd geen verboden middelen aan te pas. ‘Het schijnt niet verslavend te zijn. Maar wanneer mag ik weer?’

    Chalmers heeft wel oog voor deze nieuwe variant op een oud argument tegen het bestaan van God, en voor andere vragen rond wat wel ‘simulatietheologie’ wordt genoemd, maar hij gaat er niet in mee. ‘Dat hangt helemaal af van de aard en de motieven van de ontwerper, en die kan duizenden verschillende motieven hebben,’ zegt hij. ‘Onze wereld is niet alleen maar slecht. Die bevat zowel afschuwelijke als mooie dingen. Misschien waren de ontwerpers van mening dat het al de moeite waard is om de wereld te scheppen als de balans per saldo tenminste positief uitslaat. Uiteindelijk denk ik dat er geen bijzondere reden is om te denken dat de ontwerpers van onze simulatie ethisch onfeilbaar zouden moeten zijn. Ze kunnen net zo ethisch feilbaar zijn als wij.’

    Risico nomen

    Zelfs al zou Full VR tot de mogelijkheden behoren, moeten we dan het risico nemen om zo’n wereld te maken? Techno-utopisten hebben de neiging radicaal te overschatten in welke mate wij in staat zijn de fundamenten van ons gedrag en onze samenleving te herprogrammeren. Die angst begrijpt Chalmers wel. ‘Als je de sociale media nu al problematisch vindt omdat Facebook bepaalt wat er op je tijdlijn verschijnt, maak dan je borst maar nat voor het moment waarop die socialemediagiganten ons dagelijks leven in de virtuele wereld aansturen.’ Maar hij ziet het niet al te somber in. ‘Bij elke technologie heb je overmoedige utopisten,’ zegt hij. ‘Elke technologie heeft zowel een utopisch als een dystopisch potentieel, en ik kan niet voorspellen welke kant het opgaat. We eindigen hoogstwaarschijnlijk met een mengeling van beide. Ik vergelijk het graag met het internet. Dat had tenslotte een utopisch potentieel, en een deel daarvan is ook ingelost. Maar het heeft ook aardig wat afschuwelijke gevolgen gehad.’

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 1 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Bij de suggestie van een virtueel leven zal de eerste reactie bij veel mensen zijn dat we dat niet zien zitten omdat het onweerlegbaar kunstmatig is en we toch in contact willen blijven met de natuur. Chalmers vindt dat ‘een redelijk argument, maar wel een keuze. Ik woon in New York: weinig natuurlijks aan, maar daarom nog geen minder zinvol leven.’

    Hij wil in zijn boek niet voorspellen hoe snel hij de komst van Full VR verwacht. ‘Over het algemeen overschatten mensen de snelheid van toekomstige veranderingen op de korte termijn, maar onderschatten ze die op de lange termijn,’ zegt hij. ‘Dus ik vermoed dat we op de korte termijn nog tegen een hoop hindernissen, vertragingen en defecten gaan aanlopen.’ En hij voegt eraan toe: ‘Het zou mij niet verbazen als het nog twintig of dertig jaar duurt voor we een werkelijk rimpelloze virtuele werkelijkheid hebben die voor iedereen heel gewoon is.’

    ‘Deze technologie zal filosofische vragen blijven oproepen. En die verdwijnen niet zomaar’

    En de mate waarin je denkt dat een goed leven in VR mogelijk is, hangt misschien meer af van je leeftijd dan van de kracht van zijn argumenten. ‘Dit is een generatieding. Wij worden allebei een dagje ouder, maar neem de jongste tieners van nu. Voor hen is het doodnormaal om met elkaar om te gaan in een digitale wereld en dat als werkelijkheid te beschouwen, en als je in die situatie opgroeit is het idee dat de werkelijkheid een simulatie is misschien lang niet zo buitenissig als het voor jou en mij kan voelen.’

    Nog niet zo lang geleden zouden de scenario’s die Chalmers in zijn boek bespreekt van de hand zijn gedaan als speculatieve sciencefiction of leuke gedachte-experimenten zonder praktisch nut. Maar in het tijdperk van de metaverse kunnen we het ons niet meer veroorloven om ze te negeren. ‘Deze technologie zal filosofische vragen blijven oproepen. En die verdwijnen niet zomaar.’