De schade die klimaatverandering aan de biodiversiteit toebrengt wordt ook bijgehouden door taxonomen. Zij proberen de talloze organismen op aarde in kaart te brengen. Net als veel van de soorten die ze bestuderen, dreigen zij zelf een uitstervende groep te worden. Weten dat dit allemaal verloren gaat, is ‘alsof je een bibliotheek ziet afbranden zonder ook maar één boek te kunnen redden’.
De aarde barst van het leven. Vier miljard jaar na de eerste microben, 400 miljoen jaar nadat het leven het land bereikte, 200.000 jaar na de komst van de mens, zo’n 5000 jaar na Noach – en tweehonderd jaar nadat we dat alles systematisch zijn gaan ordenen – ontdekken we nog altijd honderden, zo niet duizenden, nieuwe soorten.
Voor taxonomen – de wetenschappers die deze eindeloze stroom aan biodiversiteit in kaart brengen – verliep de eerste week van november 2017 als elke andere. Oftewel: uitzonderlijk.
Het begon met 95 nieuwe keversoorten uit Madagaskar. Maar dat was pas het begin. In de dagen daarop volgden zeven nieuwe microvlinders uit Zuid-Amerika, tien piepkleine spinnen uit Ecuador en zeven Zuid-Afrikaanse kluizenaarsspinnen – allemaal giftig.
Een grotbewonend kreeftachtig dier uit Brazilië. Zeven soorten ondergrondse oorwormen. Vier kakkerlakken uit China. Een nachtelijke kwal uit Japan. Een blauwogige waterjuffer uit Cambodja. Dertien borstelwormen van de oceaanbodem – sommige bolvormig, andere behaard, allemaal afschrikwekkend. Acht Noord-Amerikaanse mijten, gevonden in de veren van aangereden dieren in Georgia. Drie zwarte koralen uit Bermuda. En een Andes-kikker met feloranje ogen, die zijn ontdekkers deed denken aan de Inca-zonnegod Inti.
Tot nu toe zijn er zo’n 2 miljoen soorten planten, dieren en schimmels bekend. Hoeveel er nog te ontdekken zijn, weet niemand. Sommigen schatten het aantal op nog eens 2 miljoen, anderen op meer dan 100 miljoen.
Ongrijpbaar totaal
De werkelijke omvang van de biodiversiteit is een van de grootste en lastigst te beantwoorden vragen in de wetenschap. Er is geen snelle berekening die daar uitsluitsel over geeft – alleen een gestage stroom nieuwe waarnemingen van kevers, vliegen en andere soorten, die zich langzaam opstapelen richting een vrijwel ongrijpbaar totaal.
Maar terwijl er elk jaar duizenden nieuwe soorten worden ontdekt, verdwijnen er evenveel – meegesleurd in een ecologische crisis die bekendstaat als de zesde massaextinctie.
Eerder vonden al vijf van zulke uitstervingsgolven plaats. De bekendste (en meest recente) is die aan het einde van het Krijt, 66 miljoen jaar geleden, toen de dinosauriërs uitstierven. De meest verwoestende was de Perm-extinctie, zo’n 190 miljoen jaar eerder, die de weg vrijmaakte voor de dinosauriërs.
Om vast te stellen of we ons werkelijk in een zesde massaextinctie bevinden, moeten wetenschappers zowel het huidige tempo van uitsterven bepalen als het tempo dat zonder menselijke invloed zou optreden – de zogeheten ‘achtergrondsnelheid’.
ER zijn zo’n 2 miljoen soorten planten, dieren en schimmels bekend. Hoeveel er nog te ontdekken zijn, weet niemand
In 2015 concludeerde een team van Amerikaanse en Mexicaanse onderzoekers, op basis van gegevens over alle bekende gewervelde dieren, dat diersoorten door menselijk toedoen tot wel honderd keer sneller verdwijnen dan ze van nature zouden doen – een tempo dat de uitsterving van de dinosauriërs in herinnering brengt.
Maar zoals de legendarische tropisch entomoloog Terry Erwin mij vertelde, zijn die schattingen van een zesde massaextinctie ‘gebaseerd op slechts een klein deel van de biodiversiteit’.
Als het gaat om ongewervelden – slakken, krabben, wormen, spinnen, octopussen en vooral insecten, die het grootste deel van de dierensoorten vormen – tasten we grotendeels in het duister. ‘Natuurbeschermers doen wat ze kunnen, maar gegevens over insecten ontbreken grotendeels,’ aldus Erwin.
Om echt te begrijpen wat er met de biodiversiteit gebeurt, moeten ecologen meer aandacht besteden aan ongewervelden en minder aan de ‘aaibare soorten’ – zoals Terry Erwin gewervelden noemt. (Na al die verhalen over gorilla’s en bultruggen kan een verstokte insectenliefhebber daar best wat cynisch van worden.) Per slot van rekening zijn er simpelweg veel meer van hen dan van ons.
Ruggengraat
We leven in een wereld van ongewervelden. Van alle bekende diersoorten heeft minder dan 5 procent een ruggengraat, terwijl zo’n 70 procent uit insecten bestaat. Minder dan een op de tweehonderd soorten is een zoogdier, en daarvan is een groot gedeelte knaagdier. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit zijn wij zoogdieren dus niet meer dan een handvol muizen op een planeet vol kevers. Het grootste deel van die kevers zijn planteneters uit de tropen. Wie de biodiversiteit op aarde echt wil begrijpen – en het tempo waarin die verdwijnt – moet daarom nagaan hoeveel soorten kevers leven van elke soort tropische boom.
Maar voordat je soorten kunt tellen, moet je ze eerst benoemen. Daar komen taxonomen in beeld. Het begrip ‘soort’ is voor biologen berucht lastig te definiëren, vooral omdat organismen vaak in elkaar overlopen en steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn naarmate ze meer op elkaar lijken.
De meest gebruikte definitie komt van evolutionair bioloog Ernst Mayr: soorten zijn groepen dieren die zich onderling voortplanten, maar normaal gesproken niet met andere groepen. (Als je een zebra en een ezel kruist en zo een zebrel krijgt, heb je één hybride gecreëerd – maar dat betekent niet dat het geen aparte soorten zijn, omdat zo’n kruising in de natuur niet vanzelf voorkomt.)
Het begrip ‘soort’ is voor biologen berucht lastig te definiëren
Taxonomen geven niet alleen individuele soorten een naam; ze moeten ook bepalen hoe soorten onderling verwant zijn. Door de eeuwen heen hebben wetenschappers geprobeerd alle levensvormen in een logisch systeem onder te brengen, met wisselend succes. Aristoteles probeerde al het leven te ordenen op basis van essentiële kenmerken, vooral de manier waarop organismen zich voortbewegen. Stilzittende organismen bezorgden hem de meeste hoofdbrekens. Op het eiland Lesbos zou hij lang hebben nagedacht over de vraag of zeeanemonen en sponzen dieren, planten of iets daartussenin zijn.
De echte revolutie in de taxonomie komt pas in de achttiende eeuw, tijdens de Verlichting, en is grotendeels te danken aan Carl Linnaeus, die wel de Isaac Newton van de biologie wordt genoemd. Linnaeus is een opvallende figuur: briljant, eigenzinnig en ijdel, met een uitzonderlijk talent om de geslachtskenmerken van planten te onthouden. Zelf maakt hij slechts één grote expeditie – naar Lapland in het noorden van Zweden – maar daarnaast stuurt hij zeventien ‘apostelen’ de wereld in om specimens te verzamelen. Zeven van hen keren nooit terug. Op basis van al dat werk beschrijft hij zo’n 7700 plantensoorten en 4400 diersoorten.
Latere biologen hebben veel aan te merken op zijn indeling – zo plaatst hij egels en vleermuizen samen als ‘woeste dieren’ en spitsmuizen en nijlpaarden als ‘lastdieren’. Zijn blijvende verdienste ligt dan ook niet zozeer in die groepen zelf, maar in het systeem dat hij invoert om soorten te benoemen. Volgens Linnaeus krijgt elke soort een tweedelige naam: het eerste deel geeft het geslacht aan, het tweede de soortaanduiding.
Op basis van al zijn werk beschreef Carl Linnaeus zo’n 7700 plantensoorten en 4400 diersoorten
Dit is een zeer efficiënt systeem, zowel om soorten te benoemen als om ze te ordenen. Dankzij dit systeem zien we meteen dat wij, Homo sapiens, verwant zijn aan maar ook verschillen van onze evolutionaire verwanten Homo erectus en Homo habilis. Het levert taxonomen bovendien plezier op. Namen die verwijzen naar presidenten – zoals bushi, obamai en donaldtrumpi (een opvallend gekapte mot) – halen vaak het nieuws. Soms verwijzen soortnamen naar politieke gebeurtenissen: zo kreeg een Braziliaanse eendagsvlieg de naam tragediae, ter herinnering aan de rampzalige dambreuk in 2015. Taxonomen houden ook van woordspelingen: zo noemde Terry Gosliner een soort uit het geslacht Thurunna uit Hawaï Thurunna kahuna.
Gosliner ontdekte zijn eerste zeenaaktslak al op de middelbare school. Sindsdien reist hij de wereld rond en heeft hij in veertig jaar meer dan driehonderd soorten beschreven. Net als bewoners van koraalriffen zijn zeenaaktslakken bijzonder gevoelig voor stijgende zeetemperaturen. Sommige wetenschappers denken dat klimaatverandering en verzuring van de oceaan riffen binnen vijftig tot honderd jaar kunnen doen verdwijnen. Gosliner is iets optimistischer en wijst op het herstelvermogen van riffen. Maar terwijl koraalriffen onder druk staan in de zee, dreigt er op het land een mogelijk nog grotere crisis: die onder insecten – waarvan de omvang nog maar net begint door te dringen tot entomologen.
30 miljoen
Voordat entomologen zich konden buigen over de angstaanjagende mogelijkheid van een massale insectensterfte, moesten ze inzicht krijgen in de enorme diversiteit. Daar worstelen ze nog steeds mee. Voor velen kwam het keerpunt in 1982, met een kort artikel van de jonge keverspecialist Terry Erwin.
Erwin wilde weten hoeveel insectensoorten op 1 hectare regenwoud in Panama leven. Hij pakte het praktisch aan: hij spande plastic rond een boom en besproeide die met insecticide, waarna hij uren later duizenden dode insecten verzamelde en maandenlang sorteerde. Het resultaat was verbluffend: alleen al op die ene boom leefden 1200 soorten, waarvan meer dan honderd nergens anders voorkwamen. Op basis daarvan schatte hij dat er wereldwijd zo’n 30 miljoen insectensoorten bestaan.
Die schatting werd beroemd, maar ook omstreden. Hoewel Erwin veel aanzien geniet binnen de entomologie, vinden veel collega’s zijn cijfers te hoog en hebben latere studies het aantal naar beneden bijgesteld. Zelf blijft hij bij zijn standpunt: volgens hem kan het werkelijke aantal zelfs oplopen tot 80 of 200 miljoen soorten – waarvan er mogelijk al veel verdwijnen zonder ooit ontdekt te zijn.
Overal ter wereld worden ongewervelden bedreigd door klimaatverandering, invasieve soorten en verlies van leefgebied. Het aantal insecten lijkt zelfs sterk af te nemen op plekken waar hun habitat nauwelijks is veranderd. Een alarmerend rapport uit Duitsland laat bijvoorbeeld een daling van 75 procent in insectenpopulaties zien sinds 1989 – een teken dat de situatie ernstiger kan zijn dan eerder gedacht.
Overal ter wereld worden ongewervelden bedreigd door klimaatverandering, invasieve soorten en verlies van leefgebied
Entomologen volgen die achteruitgang met groeiende bezorgdheid. Toen Brian Fisher in 1993 naar Madagaskar ging, verwachtte hij enkele nieuwe soorten te vinden, maar de rijkdom bleek overweldigend. Inmiddels heeft hij meer dan duizend nieuwe mierensoorten beschreven, waaronder de zogenoemde ‘Dracula-mieren’, waarvan de volwassen dieren zich voeden met het bloed van hun eigen larven.
Duizend soorten lijken veel, maar tot nu toe zijn er al zo’n 16.000 mierensoorten geïdentificeerd. Voor een leek lijken ze misschien sterk op elkaar – wat kleurverschillen daargelaten doen ze denken aan de (invasieve) Argentijnse mieren die bij regen massaal keukens binnendringen. Maar voor een expert als Fisher zijn de verschillen enorm. Onder de microscoop blijken mieren vol unieke kenmerken te zitten, van hun fijne haartjes en gelede antennes tot hun kaken, die eruitzien als kleine, duivelse snoeischaren.
In de decennia sinds Brian Fisher zijn expedities naar Madagaskar begon, is de ontbossing sterk toegenomen. Vandaag de dag is nog slechts zo’n 10 procent van de oorspronkelijke bossen intact. Fisher vreest dat er over vijftig jaar misschien helemaal geen bos meer over is. Volgens Wendy Moore, verbonden aan de University of Arizona, heerst er onder onderzoekers een groeiend gevoel van urgentie. Omdat veel insecten afhankelijk zijn van één specifieke plantensoort, kan ontbossing een enorme kettingreactie veroorzaken: als een bepaald type bos verdwijnt, verdwijnen mogelijk ook duizenden tot honderdduizenden soorten. Zoals Erwin het stelt: ontbossing veegt miljoenen soorten weg zonder dat we ze ooit kennen.
Als een bepaald type bos verdwijnt, verdwijnen mogelijk ook duizenden tot honderdduizenden soorten
Hoewel we nog geen volledig beeld hebben van wat er met individuele soorten gebeurt, is er op populatieniveau duidelijk sprake van een crisis. Zelfs als er veel soorten blijven bestaan, zijn hun aantallen drastisch afgenomen.
Het alarmerende Duitse onderzoek – dat gedurende vijfendertig jaar het aantal vliegende insecten meet – laat een scherpe daling zien en is slechts een van de vele signalen. Volgens schattingen van Claire Régnier van het Muséum national d’Histoire naturelle zijn in de afgelopen vier eeuwen mogelijk al tot 130.000 soorten ongewervelden verdwenen.
Ook anekdotisch bewijs lijkt dit te bevestigen. De milieujournalist Michael McCarthy wijst op het verdwijnen van het zogenoemde ‘voorruitfenomeen’: waar autoritten in de zomer vroeger steevast eindigden met een voorruit vol insecten, lijkt dat beeld tegenwoordig vrijwel verdwenen.
Zonder insecten en andere geleedpotigen, stelt E.O. Wilson, zou de mensheid slechts enkele maanden overleven
Hoewel insecticiden vaak als oorzaak worden genoemd voor de achteruitgang in Europa, denkt Terry Erwin dat klimaatverandering de uiteindelijke boosdoener is. De plek die hij in Ecuador bestudeert, is ongerept regenwoud, zonder pesticiden of andere directe menselijke invloeden. Toch is er in de loop der jaren iets subtiels maar ingrijpends veranderd in het ecosysteem. Op basis van hun gegevens concluderen Erwin en zijn collega’s dat het Amazonewoud de afgelopen vijfendertig jaar langzaam achteruitgaat. En als het bos verdwijnt, waarschuwt hij, wordt al het leven dat ervan afhankelijk is meegesleurd.
Als dit patroon doorzet, zijn de gevolgen enorm. Insecten bestaan al duizend keer langer dan de mens en hebben in veel opzichten de wereld gevormd zoals wij die kennen. Ze speelden een cruciale rol in het ontstaan van bloeiende planten en vormen de basis van voedselketens op land, zoals plankton dat in de oceaan doet. Zonder insecten en andere geleedpotigen, stelt E.O. Wilson, zou de mensheid slechts enkele maanden overleven. Daarna zouden ook de meeste amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren verdwijnen, evenals bloeiende planten.
De aarde zou veranderen in een gigantische composthoop, vol dode lichamen en omgevallen bomen die niet meer vergaan. Schimmels zouden nog kortstondig floreren, maar uiteindelijk ook verdwijnen. De planeet zou terugkeren naar een toestand zoals in het Siluur, zo’n 440 miljoen jaar geleden: een stille, sponsachtige wereld met mossen en levermossen, wachtend tot het eerste nietsvermoedende garnaaltje denkt: Laat ik het land eens proberen.
Antioch-duinen
Het beschermen van individuele insectensoorten, zoals vaak gebeurt bij bedreigde zoogdieren, is bijzonder lastig. Niet alleen zijn het er ontelbaar veel, insecten en andere ongewervelden spreken ook veel minder tot de verbeelding dan bedreigde zoogdieren. IJsberen en bultruggen spreken mensen aan; zachte plantkevers uit de Gaoligong-bergen in Yunnan een stuk minder.
Niet lang geleden bezocht ik het eerste natuurreservaat dat speciaal is opgericht om een bedreigd insect te beschermen: het Antioch Dunes National Wildlife Refuge, op ongeveer een uur rijden ten noordoosten van Berkeley in Californië. Het gebied is klein – slechts 55 acres – ingeklemd tussen een hek en de San Joaquin River. Eerlijk gezegd is het landschap weinig indrukwekkend: het doet denken aan een verwaarloosd stuk bouwgrond. Toen ik er was, zaten drie gieren rond het karkas van een kat, terwijl aan de overkant van de rivier windturbines traag ronddraaiden.
Ooit waren deze duinen echter een soort mini-Sahara, met planten en dieren die nergens anders voorkwamen. Pas na decennia ontdekten biologen hoe uniek dit gebied was – en toen was het bijna te laat. Toen kolonisten zich in Californië vestigden, zagen ze de duinen vooral als grondstof. Het zand bleek ideaal voor bakstenen, en tussen de aardbeving van San Francisco in 1906 en de naoorlogse bouwgolf werd vrijwel alles afgegraven en verwerkt in gebouwen. Daarna werd het gebied grotendeels bebouwd.
Pas in de jaren zestig drong het besef door hoe bijzonder de Antioch-duinen waren. Tegen die tijd waren nog maar drie inheemse soorten over: twee planten – de Contra Costa-muurbloem en de Antioch Dunes-teunisbloem – en één insect, de Lange’s metalmark-vlinder. Deze vlinder is piepklein, met een spanwijdte van ongeveer een vingernagel. Hij is bruin-oranje met witte stippen en een zwakke vlieger: na het uitkomen uit zijn pop leeft hij slechts zeven tot negen dagen in augustus, waarin hij maximaal zo’n 400 meter aflegt.
Er zaten drie gieren rond het karkas van een kat, terwijl aan de overkant van de rivier windturbines traag ronddraaiden
Na de oprichting van het reservaat in 1980 kende de vlinder kortstondig een opleving. Inmiddels gaat het weer slecht: bij de laatste telling werden nog slechts 67 exemplaren geteld. De Lange’s legt haar eitjes uitsluitend op één plant, de naaktstengelige boekweit, die momenteel wordt verdrongen door onkruid. De enige andere populatie wordt in stand gehouden via een kweekprogramma in gevangenschap aan het Moorpark College in Californië. Als daar iets misgaat, betekent dat het einde van de soort.
In een poging de vlinder te redden is de Amerikaanse natuurbeheerder begonnen met een gedurfd experiment: grote delen van het gebied worden bedekt met een dikke laag zand. Die verstikt invasieve planten, waardoor oorspronkelijke duinsoorten weer ruimte krijgen. ‘Als we het leefgebied herstellen, kan de vlinder terugkomen,’ zei beheerder Don Brubaker. Toen ik er was, zag zijn collega een hoopvol teken: de eerste scheuten van de inheemse teunisbloem staken alweer boven het zand uit. Misschien kan dit laatste restje zich, met tijd en geduld, toch herstellen.
Op mijn vraag of al dat werk de moeite waard is, antwoordde Brubaker simpel: ‘Waarom een soort beschermen? Waarom niet? We proberen er simpelweg voor te zorgen dat de planeet blijft functioneren.’
Hun beperkte leefgebied maakt zulke insecten juist goed beschermbaar. Volgens Sarina Jepsen van de Xerces Society kan een klein stuk land al een groot verschil maken – veel minder dan nodig is voor bijvoorbeeld wolven of tijgers. Toch blijft het redden van zelfs één soort een enorme opgave. Het is niet genoeg om een soort in een laboratorium te bewaren; je moet een heel ecosysteem herstellen, gevormd door complexe interacties tussen planten, dieren, bodem en klimaat.
Uiteindelijk wordt duidelijk dat het eigenlijk een schaalfout is om uitsterven alleen per soort te bekijken. Als de somberste voorspellingen uitkomen, zullen er in deze eeuw miljoenen soorten verdwijnen. Ze een voor een redden is dan als proberen een tsunami tegen te houden met een paar zandzakken.
Uitstervende groep
Net als veel van de soorten die ze bestuderen, dreigen ook taxonomen zelf een uitstervende groep te worden. Universitaire aanstellingen, museumfuncties en onderzoeksfinanciering nemen af, en steeds minder studenten kiezen voor het vak. Taxonomie wordt vaak weggezet als ouderwets en weinig uitdagend – de wetenschappelijke variant van postzegels verzamelen. Intussen domineert de moleculaire biologie, met haar focus op DNA en cellulaire processen, het onderwijs en de subsidies. Zoals Terry Erwin opmerkt: daar gaat het geld naartoe.
Ondertussen blijven nieuwe soorten ontdekt worden. Terwijl ik dit schrijf, hebben de tijdschriften ZooKeys en Zootaxa alweer een reeks ontdekkingen gemeld: een pottenbakkerswesp uit Zuid-Amerika, een kever van het Tibetaans Plateau, een mot, een Andeskever, twee Koreaanse kreeftachtigen en zelfs een geheel nieuw geslacht sluipwespen (gelukkig richten die zich op bladluizen). En het is nog niet eens middag.
Wat moet je met die constante stroom aan nieuwe soorten? Veel taxonomen erkennen dat het nauwelijks bij te houden is. Brian Fisher zegt dat onderzoekers soms simpelweg overweldigd raken door ‘de enorme omvang van wat we niet weten’. Ook Kipling Will van de University of California, Berkeley benadrukt hoe tijdrovend het werk is: het beschrijven van één soort kan jaren duren, omdat onderzoekers het insect moeten ontleden, DNA analyseren en het moeten vergelijken met verwante soorten. Daardoor duurt het vaak jaren, soms zelfs decennia, voordat ontdekte soorten officieel worden beschreven.
Het kan vaak jaren, soms zelfs decennia duren voordat ontdekte soorten officieel worden beschreven
Dus wat moeten we doen? En waarom zou het ons eigenlijk iets kunnen schelen? Er zijn genoeg praktische redenen om ons zorgen te maken over het lot van ongewervelden. Ze vormen een essentieel onderdeel van ecosystemen – als het ware het hart, de longen en het spijsverteringsstelsel van onze planeet. Sommige dragen in hun complexe chemie misschien wel de sleutel tot nieuwe medicijnen; stoffen uit zeenaaktslakken worden bijvoorbeeld al getest als mogelijke kankerbehandeling. Andere soorten kunnen dienen als natuurlijk alternatief voor pesticiden. Maar uiteindelijk is het de vraag of zulke argumenten op zichzelf voldoende zijn. Misschien draait het eerder om een gevoel van verwondering en verbondenheid met het leven – wat E.O. Wilson ‘biophilia’ noemde.
Vraag je taxonomen waarom ze hun leven wijden aan één soort insect, slak of schelp, dan hoor je opvallend vaak hetzelfde woord: ‘mooi’. Hun ogen lichten op bij hun favoriete groep. Een lade vol kleine, glanzend zwarte kevers wordt omschreven als ‘indrukwekkend groot en ongelooflijk mooi’ – waarbij ‘groot’ relatief is: ze zijn ongeveer zo groot als het topje van een pink.
Tussen potjes met piepkleine zeenaaktslakken raken onderzoekers niet uitgepraat over hun kleuren, vormen en gedrag. Amy Berkov, die ooit uit de kunstwereld kwam, koos mede daarom voor de entomologie: volgens haar is er ‘niets fascinerender dan naar insecten kijken’. Zelfs mierenspecialisten – doorgaans een nuchter gezelschap – wisselen Latijnse namen uit met een warmte die je eerder bij oude vrienden verwacht.
Het is makkelijk om te geven om aaibare dieren. Binnenkort leven we misschien op een planeet zonder berggorilla’s of lederschildpadden, zonder tijgers of ijsberen – en dat vooruitzicht voelt direct verdrietig.
Het is makkelijk om te geven om aaibare dieren
Maar de dreigende uitsterving van ongewervelden confronteert ons met een ander soort verlies. Zo veel zal verdwijnen voordat we überhaupt wisten dat het bestond, voordat we het konden begrijpen. Soorten zijn niet alleen namen of plekjes in een evolutionaire stamboom; ze belichamen millennia aan interacties tussen planten en dieren, bodem en lucht. Elke soort draagt gedragingen die we nog nauwelijks hebben gezien, chemische strategieën die miljoenen jaren zijn verfijnd, complete werelden van imitatie en strijd, zorg en voortplanting. Weten dat dit allemaal verloren gaat, is alsof je een bibliotheek ziet afbranden zonder ook maar één boek te kunnen redden. Onze rol daarin voelt als een vorm van vandalisme – tegen hun geschiedenis, en tegen die van onszelf.
Neem Strumigenys reliquia, een van de mieren waarover ik met zoveel warmte hoorde praten in de California Academy of
Sciences. Strumigenys is een zeldzame roofmier die leeft in de ondergroei. Ze werd voor het eerst ontdekt in 1986 door Phil Ward van de University of California, Davis, op een klein bosperceel van twee hectare, niet ver van zijn kantoor. Sindsdien is ze nergens anders meer gezien. Volgens Ward is daar een reden voor.
Ooit werden de rivieren van Californië omzoomd door uitgestrekte bossen van sterke, altijd groene eiken die bestand waren tegen overstromingen. Geologen denken dat deze rivierbossen al minstens 20 miljoen jaar bestonden. Verslagen van vroege kolonisten en ontdekkingsreizigers geven een indruk van hoe het er moet hebben uitgezien: zwermen ganzen die de lucht verduisterden, zalmen die de rivieren vulden en grizzlyberen die zich in groepen van honderden onder de eiken verzamelden om eikels te eten.
Vandaag de dag zijn die bossen, op enkele kleine restjes na zoals in Yolo County [een gebied in de Amerikaanse staat Californië], verdwenen. Ze werden gekapt voor brandhout en omgeploegd voor landbouw – voor tomatenvelden en amandelboomgaarden. De zalmen, de ganzen en de grizzly’s zijn verdwenen. Alleen de mier is gebleven. Alleen zij herinnert het zich nog.