Onderwerpen: Wetenschap

  • China: onderzoekers ontwikkelen extreem zwarte autolak

    China: onderzoekers ontwikkelen extreem zwarte autolak

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran: ayatollah Khamenei keurt de overeenkomst met de VS goed

    » Niger: aanval op luchthaven van Niamey kost 35 mensen het leven

    Sommige autokopers vinden diepzwarte lak bijzonder elegant

    Chinese onderzoekers hebben een uitzonderlijk diepzwarte kleur ontwikkeld die naar verluidt 99,9 procent van het invallende licht absorbeert. Het team onder leiding van Zhiwei Liu van de Nippon Paint Company in Shanghai denkt dat de kleur geschikt is voor autolak. De lak combineert roet als pigment met minuscule koolstofnanobuisjes, waardoor licht niet alleen wordt geabsorbeerd, maar ook meerdere malen wordt verstrooid, schrijft Der Spiegel.

    Sommige autokopers beschouwen diepzwarte lak als bijzonder elegant – volgens de onderzoekers geldt dit met name voor de Chinese markt. ‘Diepzwarte lak wordt al lange tijd beschouwd als een premium keuze en een kenmerkend element van luxe auto’s vanwege de elegante uitstraling, sterke visuele impact en luxueuze ondertoon,’ legt Liu uit.

    Het onderzoek zou geïnspireerd zijn door de Duitse autogroep BMW, die in 2019 een zeer diepzwart – het zogenaamde Vantablack – met gerichte koolstofnanobuisjes presenteerde op een conceptauto.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Liu en zijn team testten verschillende verhoudingen van roet en nanobuisjes. Ze publiceren hun resultaten nu in het tijdschrift Matter & Light. Omdat de nanobuisjes de oplossing stroperig maakten, probeerden de onderzoekers hun aandeel relatief laag te houden. Volgens Liu en zijn team kunnen koolstofzwartpigmenten maximaal 99,8 procent van het invallende licht absorberen; de rest wordt gereflecteerd. Om reflectie verder te verminderen, moeten de fijnste structuren ervoor zorgen dat het licht meerdere keren wordt verstrooid – en daarvoor dienen de nanobuisjes.

    Ze testten de kleur in een centrifuge bij vierduizend omwentelingen per minuut en stelden deze gedurende veertien dagen bloot aan een omgeving van 40 graden Celsius en 95 procent luchtvochtigheid. De kleur veranderde niet significant als gevolg van deze en andere tests, waardoor de onderzoekers denken dat het geschikt is voor autolakken.

  • Taxonomie

    Taxonomie

    De schade die klimaatverandering aan de biodiversiteit toebrengt wordt ook bijgehouden door taxonomen. Zij proberen de talloze organismen op aarde in kaart te brengen. Net als veel van de soorten die ze bestuderen, dreigen zij zelf een uitstervende groep te worden. Weten dat dit allemaal verloren gaat, is ‘alsof je een bibliotheek ziet afbranden zonder ook maar één boek te kunnen redden’.

    De aarde barst van het leven. Vier miljard jaar na de eerste microben, 400 miljoen jaar nadat het leven het land bereikte, 200.000 jaar na de komst van de mens, zo’n 5000 jaar na Noach – en tweehonderd jaar nadat we dat alles systematisch zijn gaan ordenen – ontdekken we nog altijd honderden, zo niet duizenden, nieuwe soorten.

    Voor taxonomen – de wetenschappers die deze eindeloze stroom aan biodiversiteit in kaart brengen – verliep de eerste week van november 2017 als elke andere. Oftewel: uitzonderlijk.

    Het begon met 95 nieuwe keversoorten uit Madagaskar. Maar dat was pas het begin. In de dagen daarop volgden zeven nieuwe microvlinders uit Zuid-Amerika, tien piepkleine spinnen uit Ecuador en zeven Zuid-Afrikaanse kluizenaarsspinnen – allemaal giftig.

    Een grotbewonend kreeftachtig dier uit Brazilië. Zeven soorten ondergrondse oorwormen. Vier kakkerlakken uit China. Een nachtelijke kwal uit Japan. Een blauwogige waterjuffer uit Cambodja. Dertien borstelwormen van de oceaanbodem – sommige bolvormig, andere behaard, allemaal afschrikwekkend. Acht Noord-Amerikaanse mijten, gevonden in de veren van aangereden dieren in Georgia. Drie zwarte koralen uit Bermuda. En een Andes-kikker met feloranje ogen, die zijn ontdekkers deed denken aan de Inca-zonnegod Inti.

    Tot nu toe zijn er zo’n 2 miljoen soorten planten, dieren en schimmels bekend. Hoeveel er nog te ontdekken zijn, weet niemand. Sommigen schatten het aantal op nog eens 2 miljoen, anderen op meer dan 100 miljoen.

    Ongrijpbaar totaal

    De werkelijke omvang van de biodiversiteit is een van de grootste en lastigst te beantwoorden vragen in de wetenschap. Er is geen snelle berekening die daar uitsluitsel over geeft – alleen een gestage stroom nieuwe waarnemingen van kevers, vliegen en andere soorten, die zich langzaam opstapelen richting een vrijwel ongrijpbaar totaal.

    Maar terwijl er elk jaar duizenden nieuwe soorten worden ontdekt, verdwijnen er evenveel – meegesleurd in een ecologische crisis die bekendstaat als de zesde massaextinctie.

    Eerder vonden al vijf van zulke uitstervingsgolven plaats. De bekendste (en meest recente) is die aan het einde van het Krijt, 66 miljoen jaar geleden, toen de dinosauriërs uitstierven. De meest verwoestende was de Perm-extinctie, zo’n 190 miljoen jaar eerder, die de weg vrijmaakte voor de dinosauriërs.

    Om vast te stellen of we ons werkelijk in een zesde massaextinctie bevinden, moeten wetenschappers zowel het huidige tempo van uitsterven bepalen als het tempo dat zonder menselijke invloed zou optreden – de zogeheten ‘achtergrondsnelheid’.

    ER zijn zo’n 2 miljoen soorten planten, dieren en schimmels bekend. Hoeveel er nog te ontdekken zijn, weet niemand

    In 2015 concludeerde een team van Amerikaanse en Mexicaanse onderzoekers, op basis van gegevens over alle bekende gewervelde dieren, dat diersoorten door menselijk toedoen tot wel honderd keer sneller verdwijnen dan ze van nature zouden doen – een tempo dat de uitsterving van de dinosauriërs in herinnering brengt.

    Maar zoals de legendarische tropisch entomoloog Terry Erwin mij vertelde, zijn die schattingen van een zesde massaextinctie ‘gebaseerd op slechts een klein deel van de biodiversiteit’.

    Als het gaat om ongewervelden – slakken, krabben, wormen, spinnen, octopussen en vooral insecten, die het grootste deel van de dierensoorten vormen – tasten we grotendeels in het duister. ‘Natuurbeschermers doen wat ze kunnen, maar gegevens over insecten ontbreken grotendeels,’ aldus Erwin.

    Om echt te begrijpen wat er met de biodiversiteit gebeurt, moeten ecologen meer aandacht besteden aan ongewervelden en minder aan de ‘aaibare soorten’ – zoals Terry Erwin gewervelden noemt. (Na al die verhalen over gorilla’s en bultruggen kan een verstokte insectenliefhebber daar best wat cynisch van worden.) Per slot van rekening zijn er simpelweg veel meer van hen dan van ons.

    Ruggengraat

    We leven in een wereld van ongewervelden. Van alle bekende diersoorten heeft minder dan 5 procent een ruggengraat, terwijl zo’n 70 procent uit insecten bestaat. Minder dan een op de tweehonderd soorten is een zoogdier, en daarvan is een groot gedeelte knaagdier. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit zijn wij zoogdieren dus niet meer dan een handvol muizen op een planeet vol kevers. Het grootste deel van die kevers zijn planteneters uit de tropen. Wie de biodiversiteit op aarde echt wil begrijpen – en het tempo waarin die verdwijnt – moet daarom nagaan hoeveel soorten kevers leven van elke soort tropische boom.

    Maar voordat je soorten kunt tellen, moet je ze eerst benoemen. Daar komen taxonomen in beeld. Het begrip ‘soort’ is voor biologen berucht lastig te definiëren, vooral omdat organismen vaak in elkaar overlopen en steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn naarmate ze meer op elkaar lijken.

    De meest gebruikte definitie komt van evolutionair bioloog Ernst Mayr: soorten zijn groepen dieren die zich onderling voortplanten, maar normaal gesproken niet met andere groepen. (Als je een zebra en een ezel kruist en zo een zebrel krijgt, heb je één hybride gecreëerd – maar dat betekent niet dat het geen aparte soorten zijn, omdat zo’n kruising in de natuur niet vanzelf voorkomt.)

    Het begrip ‘soort’ is voor biologen berucht lastig te definiëren

    Taxonomen geven niet alleen individuele soorten een naam; ze moeten ook bepalen hoe soorten onderling verwant zijn. Door de eeuwen heen hebben wetenschappers geprobeerd alle levensvormen in een logisch systeem onder te brengen, met wisselend succes. Aristoteles probeerde al het leven te ordenen op basis van essentiële kenmerken, vooral de manier waarop organismen zich voortbewegen. Stilzittende organismen bezorgden hem de meeste hoofdbrekens. Op het eiland Lesbos zou hij lang hebben nagedacht over de vraag of zeeanemonen en sponzen dieren, planten of iets daartussenin zijn.

    De echte revolutie in de taxonomie komt pas in de achttiende eeuw, tijdens de Verlichting, en is grotendeels te danken aan Carl Linnaeus, die wel de Isaac Newton van de biologie wordt genoemd. Linnaeus is een opvallende figuur: briljant, eigenzinnig en ijdel, met een uitzonderlijk talent om de geslachtskenmerken van planten te onthouden. Zelf maakt hij slechts één grote expeditie – naar Lapland in het noorden van Zweden – maar daarnaast stuurt hij zeventien ‘apostelen’ de wereld in om specimens te verzamelen. Zeven van hen keren nooit terug. Op basis van al dat werk beschrijft hij zo’n 7700 plantensoorten en 4400 diersoorten.

    Latere biologen hebben veel aan te merken op zijn indeling – zo plaatst hij egels en vleermuizen samen als ‘woeste dieren’ en spitsmuizen en nijlpaarden als ‘lastdieren’. Zijn blijvende verdienste ligt dan ook niet zozeer in die groepen zelf, maar in het systeem dat hij invoert om soorten te benoemen. Volgens Linnaeus krijgt elke soort een tweedelige naam: het eerste deel geeft het geslacht aan, het tweede de soortaanduiding.

    Op basis van al zijn werk beschreef Carl Linnaeus zo’n 7700 plantensoorten en 4400 diersoorten

    Dit is een zeer efficiënt systeem, zowel om soorten te benoemen als om ze te ordenen. Dankzij dit systeem zien we meteen dat wij, Homo sapiens, verwant zijn aan maar ook verschillen van onze evolutionaire verwanten Homo erectus en Homo habilis. Het levert taxonomen bovendien plezier op. Namen die verwijzen naar presidenten – zoals bushi, obamai en donaldtrumpi (een opvallend gekapte mot) – halen vaak het nieuws. Soms verwijzen soortnamen naar politieke gebeurtenissen: zo kreeg een Braziliaanse eendagsvlieg de naam tragediae, ter herinnering aan de rampzalige dambreuk in 2015. Taxonomen houden ook van woordspelingen: zo noemde Terry Gosliner een soort uit het geslacht Thurunna uit Hawaï Thurunna kahuna.

    Gosliner ontdekte zijn eerste zeenaaktslak al op de middelbare school. Sindsdien reist hij de wereld rond en heeft hij in veertig jaar meer dan driehonderd soorten beschreven. Net als bewoners van koraalriffen zijn zeenaaktslakken bijzonder gevoelig voor stijgende zeetemperaturen. Sommige wetenschappers denken dat klimaatverandering en verzuring van de oceaan riffen binnen vijftig tot honderd jaar kunnen doen verdwijnen. Gosliner is iets optimistischer en wijst op het herstelvermogen van riffen. Maar terwijl koraalriffen onder druk staan in de zee, dreigt er op het land een mogelijk nog grotere crisis: die onder insecten – waarvan de omvang nog maar net begint door te dringen tot entomologen.

    30 miljoen

    Voordat entomologen zich konden buigen over de angstaanjagende mogelijkheid van een massale insectensterfte, moesten ze inzicht krijgen in de enorme diversiteit. Daar worstelen ze nog steeds mee. Voor velen kwam het keerpunt in 1982, met een kort artikel van de jonge keverspecialist Terry Erwin.

    Erwin wilde weten hoeveel insectensoorten op 1 hectare regenwoud in Panama leven. Hij pakte het praktisch aan: hij spande plastic rond een boom en besproeide die met insecticide, waarna hij uren later duizenden dode insecten verzamelde en maandenlang sorteerde. Het resultaat was verbluffend: alleen al op die ene boom leefden 1200 soorten, waarvan meer dan honderd nergens anders voorkwamen. Op basis daarvan schatte hij dat er wereldwijd zo’n 30 miljoen insectensoorten bestaan.

    Die schatting werd beroemd, maar ook omstreden. Hoewel Erwin veel aanzien geniet binnen de entomologie, vinden veel collega’s zijn cijfers te hoog en hebben latere studies het aantal naar beneden bijgesteld. Zelf blijft hij bij zijn standpunt: volgens hem kan het werkelijke aantal zelfs oplopen tot 80 of 200 miljoen soorten – waarvan er mogelijk al veel verdwijnen zonder ooit ontdekt te zijn.

    Overal ter wereld worden ongewervelden bedreigd door klimaatverandering, invasieve soorten en verlies van leefgebied. Het aantal insecten lijkt zelfs sterk af te nemen op plekken waar hun habitat nauwelijks is veranderd. Een alarmerend rapport uit Duitsland laat bijvoorbeeld een daling van 75 procent in insectenpopulaties zien sinds 1989 – een teken dat de situatie ernstiger kan zijn dan eerder gedacht.

    Overal ter wereld worden ongewervelden bedreigd door klimaatverandering, invasieve soorten en verlies van leefgebied

    Entomologen volgen die achteruitgang met groeiende bezorgdheid. Toen Brian Fisher in 1993 naar Madagaskar ging, verwachtte hij enkele nieuwe soorten te vinden, maar de rijkdom bleek overweldigend. Inmiddels heeft hij meer dan duizend nieuwe mierensoorten beschreven, waaronder de zogenoemde ‘Dracula-mieren’, waarvan de volwassen dieren zich voeden met het bloed van hun eigen larven.

    Duizend soorten lijken veel, maar tot nu toe zijn er al zo’n 16.000 mierensoorten geïdentificeerd. Voor een leek lijken ze misschien sterk op elkaar – wat kleurverschillen daargelaten doen ze denken aan de (invasieve) Argentijnse mieren die bij regen massaal keukens binnendringen. Maar voor een expert als Fisher zijn de verschillen enorm. Onder de microscoop blijken mieren vol unieke kenmerken te zitten, van hun fijne haartjes en gelede antennes tot hun kaken, die eruitzien als kleine, duivelse snoeischaren.

    In de decennia sinds Brian Fisher zijn expedities naar Madagaskar begon, is de ontbossing sterk toegenomen. Vandaag de dag is nog slechts zo’n 10 procent van de oorspronkelijke bossen intact. Fisher vreest dat er over vijftig jaar misschien helemaal geen bos meer over is. Volgens Wendy Moore, verbonden aan de University of Arizona, heerst er onder onderzoekers een groeiend gevoel van urgentie. Omdat veel insecten afhankelijk zijn van één specifieke plantensoort, kan ontbossing een enorme kettingreactie veroorzaken: als een bepaald type bos verdwijnt, verdwijnen mogelijk ook duizenden tot honderdduizenden soorten. Zoals Erwin het stelt: ontbossing veegt miljoenen soorten weg zonder dat we ze ooit kennen.

    Als een bepaald type bos verdwijnt, verdwijnen mogelijk ook duizenden tot honderdduizenden soorten

    Hoewel we nog geen volledig beeld hebben van wat er met individuele soorten gebeurt, is er op populatieniveau duidelijk sprake van een crisis. Zelfs als er veel soorten blijven bestaan, zijn hun aantallen drastisch afgenomen.

    Het alarmerende Duitse onderzoek – dat gedurende vijfendertig jaar het aantal vliegende insecten meet – laat een scherpe daling zien en is slechts een van de vele signalen. Volgens schattingen van Claire Régnier van het Muséum national d’Histoire naturelle zijn in de afgelopen vier eeuwen mogelijk al tot 130.000 soorten ongewervelden verdwenen.

    Ook anekdotisch bewijs lijkt dit te bevestigen. De milieujournalist Michael McCarthy wijst op het verdwijnen van het zogenoemde ‘voorruitfenomeen’: waar autoritten in de zomer vroeger steevast eindigden met een voorruit vol insecten, lijkt dat beeld tegenwoordig vrijwel verdwenen.

    Zonder insecten en andere geleedpotigen, stelt E.O. Wilson, zou de mensheid slechts enkele maanden overleven

    Hoewel insecticiden vaak als oorzaak worden genoemd voor de achteruitgang in Europa, denkt Terry Erwin dat klimaatverandering de uiteindelijke boosdoener is. De plek die hij in Ecuador bestudeert, is ongerept regenwoud, zonder pesticiden of andere directe menselijke invloeden. Toch is er in de loop der jaren iets subtiels maar ingrijpends veranderd in het ecosysteem. Op basis van hun gegevens concluderen Erwin en zijn collega’s dat het Amazonewoud de afgelopen vijfendertig jaar langzaam achteruitgaat. En als het bos verdwijnt, waarschuwt hij, wordt al het leven dat ervan afhankelijk is meegesleurd.

    Als dit patroon doorzet, zijn de gevolgen enorm. Insecten bestaan al duizend keer langer dan de mens en hebben in veel opzichten de wereld gevormd zoals wij die kennen. Ze speelden een cruciale rol in het ontstaan van bloeiende planten en vormen de basis van voedselketens op land, zoals plankton dat in de oceaan doet. Zonder insecten en andere geleedpotigen, stelt E.O. Wilson, zou de mensheid slechts enkele maanden overleven. Daarna zouden ook de meeste amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren verdwijnen, evenals bloeiende planten.

    De aarde zou veranderen in een gigantische composthoop, vol dode lichamen en omgevallen bomen die niet meer vergaan. Schimmels zouden nog kortstondig floreren, maar uiteindelijk ook verdwijnen. De planeet zou terugkeren naar een toestand zoals in het Siluur, zo’n 440 miljoen jaar geleden: een stille, sponsachtige wereld met mossen en levermossen, wachtend tot het eerste nietsvermoedende garnaaltje denkt: Laat ik het land eens proberen.

    Antioch-duinen

    Het beschermen van individuele insectensoorten, zoals vaak gebeurt bij bedreigde zoogdieren, is bijzonder lastig. Niet alleen zijn het er ontelbaar veel, insecten en andere ongewervelden spreken ook veel minder tot de verbeelding dan bedreigde zoogdieren. IJsberen en bultruggen spreken mensen aan; zachte plantkevers uit de Gaoligong-bergen in Yunnan een stuk minder.

    Niet lang geleden bezocht ik het eerste natuurreservaat dat speciaal is opgericht om een bedreigd insect te beschermen: het Antioch Dunes National Wildlife Refuge, op ongeveer een uur rijden ten noordoosten van Berkeley in Californië. Het gebied is klein – slechts 55 acres – ingeklemd tussen een hek en de San Joaquin River. Eerlijk gezegd is het landschap weinig indrukwekkend: het doet denken aan een verwaarloosd stuk bouwgrond. Toen ik er was, zaten drie gieren rond het karkas van een kat, terwijl aan de overkant van de rivier windturbines traag ronddraaiden.

    Ooit waren deze duinen echter een soort mini-Sahara, met planten en dieren die nergens anders voorkwamen. Pas na decennia ontdekten biologen hoe uniek dit gebied was – en toen was het bijna te laat. Toen kolonisten zich in Californië vestigden, zagen ze de duinen vooral als grondstof. Het zand bleek ideaal voor bakstenen, en tussen de aardbeving van San Francisco in 1906 en de naoorlogse bouwgolf werd vrijwel alles afgegraven en verwerkt in gebouwen. Daarna werd het gebied grotendeels bebouwd.

    Pas in de jaren zestig drong het besef door hoe bijzonder de Antioch-duinen waren. Tegen die tijd waren nog maar drie inheemse soorten over: twee planten – de Contra Costa-muurbloem en de Antioch Dunes-teunisbloem – en één insect, de Lange’s metalmark-vlinder. Deze vlinder is piepklein, met een spanwijdte van ongeveer een vingernagel. Hij is bruin-oranje met witte stippen en een zwakke vlieger: na het uitkomen uit zijn pop leeft hij slechts zeven tot negen dagen in augustus, waarin hij maximaal zo’n 400 meter aflegt.

    Er zaten drie gieren rond het karkas van een kat, terwijl aan de overkant van de rivier windturbines traag ronddraaiden

    Na de oprichting van het reservaat in 1980 kende de vlinder kortstondig een opleving. Inmiddels gaat het weer slecht: bij de laatste telling werden nog slechts 67 exemplaren geteld. De Lange’s legt haar eitjes uitsluitend op één plant, de naaktstengelige boekweit, die momenteel wordt verdrongen door onkruid. De enige andere populatie wordt in stand gehouden via een kweekprogramma in gevangenschap aan het Moorpark College in Californië. Als daar iets misgaat, betekent dat het einde van de soort.

    In een poging de vlinder te redden is de Amerikaanse natuurbeheerder begonnen met een gedurfd experiment: grote delen van het gebied worden bedekt met een dikke laag zand. Die verstikt invasieve planten, waardoor oorspronkelijke duinsoorten weer ruimte krijgen. ‘Als we het leefgebied herstellen, kan de vlinder terugkomen,’ zei beheerder Don Brubaker. Toen ik er was, zag zijn collega een hoopvol teken: de eerste scheuten van de inheemse teunisbloem staken alweer boven het zand uit. Misschien kan dit laatste restje zich, met tijd en geduld, toch herstellen.

    Op mijn vraag of al dat werk de moeite waard is, antwoordde Brubaker simpel: ‘Waarom een soort beschermen? Waarom niet? We proberen er simpelweg voor te zorgen dat de planeet blijft functioneren.’

    Hun beperkte leefgebied maakt zulke insecten juist goed beschermbaar. Volgens Sarina Jepsen van de Xerces Society kan een klein stuk land al een groot verschil maken – veel minder dan nodig is voor bijvoorbeeld wolven of tijgers. Toch blijft het redden van zelfs één soort een enorme opgave. Het is niet genoeg om een soort in een laboratorium te bewaren; je moet een heel ecosysteem herstellen, gevormd door complexe interacties tussen planten, dieren, bodem en klimaat.

    Uiteindelijk wordt duidelijk dat het eigenlijk een schaalfout is om uitsterven alleen per soort te bekijken. Als de somberste voorspellingen uitkomen, zullen er in deze eeuw miljoenen soorten verdwijnen. Ze een voor een redden is dan als proberen een tsunami tegen te houden met een paar zandzakken.

    Uitstervende groep

    Net als veel van de soorten die ze bestuderen, dreigen ook taxonomen zelf een uitstervende groep te worden. Universitaire aanstellingen, museumfuncties en onderzoeksfinanciering nemen af, en steeds minder studenten kiezen voor het vak. Taxonomie wordt vaak weggezet als ouderwets en weinig uitdagend – de wetenschappelijke variant van postzegels verzamelen. Intussen domineert de moleculaire biologie, met haar focus op DNA en cellulaire processen, het onderwijs en de subsidies. Zoals Terry Erwin opmerkt: daar gaat het geld naartoe.

    Ondertussen blijven nieuwe soorten ontdekt worden. Terwijl ik dit schrijf, hebben de tijdschriften ZooKeys en Zootaxa alweer een reeks ontdekkingen gemeld: een pottenbakkerswesp uit Zuid-Amerika, een kever van het Tibetaans Plateau, een mot, een Andeskever, twee Koreaanse kreeftachtigen en zelfs een geheel nieuw geslacht sluipwespen (gelukkig richten die zich op bladluizen). En het is nog niet eens middag.

    Wat moet je met die constante stroom aan nieuwe soorten? Veel taxonomen erkennen dat het nauwelijks bij te houden is. Brian Fisher zegt dat onderzoekers soms simpelweg overweldigd raken door ‘de enorme omvang van wat we niet weten’. Ook Kipling Will van de University of California, Berkeley benadrukt hoe tijdrovend het werk is: het beschrijven van één soort kan jaren duren, omdat onderzoekers het insect moeten ontleden, DNA analyseren en het moeten vergelijken met verwante soorten. Daardoor duurt het vaak jaren, soms zelfs decennia, voordat ontdekte soorten officieel worden beschreven.

    Het kan vaak jaren, soms zelfs decennia duren voordat ontdekte soorten officieel worden beschreven

    Dus wat moeten we doen? En waarom zou het ons eigenlijk iets kunnen schelen? Er zijn genoeg praktische redenen om ons zorgen te maken over het lot van ongewervelden. Ze vormen een essentieel onderdeel van ecosystemen – als het ware het hart, de longen en het spijsverteringsstelsel van onze planeet. Sommige dragen in hun complexe chemie misschien wel de sleutel tot nieuwe medicijnen; stoffen uit zeenaaktslakken worden bijvoorbeeld al getest als mogelijke kankerbehandeling. Andere soorten kunnen dienen als natuurlijk alternatief voor pesticiden. Maar uiteindelijk is het de vraag of zulke argumenten op zichzelf voldoende zijn. Misschien draait het eerder om een gevoel van verwondering en verbondenheid met het leven – wat E.O. Wilson ‘biophilia’ noemde.

    Vraag je taxonomen waarom ze hun leven wijden aan één soort insect, slak of schelp, dan hoor je opvallend vaak hetzelfde woord: ‘mooi’. Hun ogen lichten op bij hun favoriete groep. Een lade vol kleine, glanzend zwarte kevers wordt omschreven als ‘indrukwekkend groot en ongelooflijk mooi’ – waarbij ‘groot’ relatief is: ze zijn ongeveer zo groot als het topje van een pink.

    Tussen potjes met piepkleine zeenaaktslakken raken onderzoekers niet uitgepraat over hun kleuren, vormen en gedrag. Amy Berkov, die ooit uit de kunstwereld kwam, koos mede daarom voor de entomologie: volgens haar is er ‘niets fascinerender dan naar insecten kijken’. Zelfs mierenspecialisten – doorgaans een nuchter gezelschap – wisselen Latijnse namen uit met een warmte die je eerder bij oude vrienden verwacht.

    Het is makkelijk om te geven om aaibare dieren. Binnenkort leven we misschien op een planeet zonder berggorilla’s of lederschildpadden, zonder tijgers of ijsberen – en dat vooruitzicht voelt direct verdrietig.

    Het is makkelijk om te geven om aaibare dieren

    Maar de dreigende uitsterving van ongewervelden confronteert ons met een ander soort verlies. Zo veel zal verdwijnen voordat we überhaupt wisten dat het bestond, voordat we het konden begrijpen. Soorten zijn niet alleen namen of plekjes in een evolutionaire stamboom; ze belichamen millennia aan interacties tussen planten en dieren, bodem en lucht. Elke soort draagt gedragingen die we nog nauwelijks hebben gezien, chemische strategieën die miljoenen jaren zijn verfijnd, complete werelden van imitatie en strijd, zorg en voortplanting. Weten dat dit allemaal verloren gaat, is alsof je een bibliotheek ziet afbranden zonder ook maar één boek te kunnen redden. Onze rol daarin voelt als een vorm van vandalisme – tegen hun geschiedenis, en tegen die van onszelf.
    Neem Strumigenys reliquia, een van de mieren waarover ik met zoveel warmte hoorde praten in de California Academy of

    Sciences. Strumigenys is een zeldzame roofmier die leeft in de ondergroei. Ze werd voor het eerst ontdekt in 1986 door Phil Ward van de University of California, Davis, op een klein bosperceel van twee hectare, niet ver van zijn kantoor. Sindsdien is ze nergens anders meer gezien. Volgens Ward is daar een reden voor.

    Ooit werden de rivieren van Californië omzoomd door uitgestrekte bossen van sterke, altijd groene eiken die bestand waren tegen overstromingen. Geologen denken dat deze rivierbossen al minstens 20 miljoen jaar bestonden. Verslagen van vroege kolonisten en ontdekkingsreizigers geven een indruk van hoe het er moet hebben uitgezien: zwermen ganzen die de lucht verduisterden, zalmen die de rivieren vulden en grizzlyberen die zich in groepen van honderden onder de eiken verzamelden om eikels te eten.

    Vandaag de dag zijn die bossen, op enkele kleine restjes na zoals in Yolo County [een gebied in de Amerikaanse staat Californië], verdwenen. Ze werden gekapt voor brandhout en omgeploegd voor landbouw – voor tomatenvelden en amandelboomgaarden. De zalmen, de ganzen en de grizzly’s zijn verdwenen. Alleen de mier is gebleven. Alleen zij herinnert het zich nog.

  • De ongelooflijke nesten van bladsnijdersmieren

    De ongelooflijke nesten van bladsnijdersmieren

    Bladsnijdersmieren tuinieren er niet alleen op los, het zijn ook meesterlijke architecten. Ze bouwen nesten met complexe tunnelnetwerken en systemen voor ventilatie en CO2-regulatie.

    Eind jaren negentig zag Marcela Cosarinsky voor het eerst een nest Atta vollenweideri-bladsnijdersmieren in de Argentijnse graslanden, waar ze termieten bestudeerde. Kinderen uit de buurt namen haar mee naar een aarden heuvel, groot genoeg om een Jeep op te parkeren, met bovenop een soort schoorsteenachtige structuren. Ze kon nauwelijks geloven dat insecten zoiets imposants konden bouwen.

    ‘Ik vond het echt een mysterie,’ zegt Cosarinsky, een gepensioneerd bioloog van de Universiteit van Buenos Aires. De nesten van bladsnijdersmieren kunnen zowel ongekend groot als zeer complex zijn, en ze bestaan uit talloze kamers en torentjes. Toch is er geen blauwdruk of ontwerp voor deze verbluffende bouwwerken, en ook is er geen genie dat het hele bouwproces overziet. ‘Deze mieren hebben geen architect,’ zegt Cosarinsky. ‘Er is geen hiërarchie waarbinnen iedereen weet wat hij moet doen.’

    Bladsnijdersmieren zijn vooral bekend vanwege de lange, krioelende groene lijnen die ze vormen wanneer ze versgesneden stukjes blad of gras door neotropische landschappen vervoeren. Ze gebruiken deze plantendeeltjes als voeding voor de schimmeltuinen die ze in hun nest hebben aangelegd. Sommige van die tuinen behoren tot de grootste en meest complexe bouwwerken in de dierenwereld.

    In een poging te begrijpen hoe deze nesten tot stand komen zocht Cosarinsky – zoals vele onderzoekers die zich bezighouden met de nesten van bladsnijdersmieren – de samenwerking met Flavio Roces. Deze gedragswetenschapper aan de Universiteit van Würzburg in Duitsland is dé internationale speurneus als het gaat om het mysterie van de afwezige architecten. Roces en zijn collega’s hebben aangetoond dat bouwmieren reageren op eenvoudige signalen bij het nemen van cruciale beslissingen. Inmiddels ontstaat er geleidelijk een beeld van hoe al die beslissingen bij elkaar leiden tot de bouw van een ware metropool.

    De eerste mierenboerderijen

    Mieren zijn al tientallen miljoenen jaren geleden begonnen met landbouw. De landbouwers van weleer hebben zich sindsdien opgedeeld in zo’n 250 verschillende soorten, waarvan de meeste hun schimmels voeden met dode planten, insectenuitwerpselen en andere overblijfselen. Eén elitetak aan de stamboom kwam tot de ontdekking dat ze de schimmels ook konden voeden met vers afgesneden stukjes van levende planten. Dit waren de eerste bladsnijders, en die innovatie stelde hun in staat op grote schaal te bouwen. Tegenwoordig zijn er zo’n vijftig soorten bladsnijders, die leven in verschillende warme streken, van Texas tot aan Argentinië.

    Het zijn altijd de koninginnen die een begin maken met het nest. Maagdelijke koninginnen vliegen en masse uit van hun geboortenest en nemen bolletjes schimmel mee in hun mondholte. In de lucht paren ze met mannetjes en vervolgens gaan ze op zoek naar een plek om te landen.

    ‘Op die dagen zie je een regen van nieuwe koninginnen neerdalen over het landschap,’ aldus evolutionair bioloog Ulrich Mueller van de Universiteit van Texas in Austin. ‘Alle kolonies in een bepaald gebied gaan synchroon te werk.’ De koningin graaft een tunnel die uitmondt in een kamer, en bij sommige soorten sluit ze zichzelf daarin op om eitjes te leggen en een begin te maken met haar schimmeltuin. Het kiezen van de juiste plek en de juiste diepte voor haar tunnel is van cruciaal belang voor het voortbestaan van haar kolonie.

    ‘Alle kolonies in een bepaald gebied gaan synchroon te werk’

    Haar dilemma is dat ze haar energie moet sparen tot haar nakomelingen oud genoeg zijn om voor haar te zorgen, terwijl ze ook een omgeving moet zien te creëren waarin de mieren en de schimmeltuintjes gedijen. Als haar eerste kamer goed genoeg is, zullen haar kinderen schimmels hebben om zich mee te voeden. Maar als de kamer ondermaats is, kan dat het einde betekenen van haar ontluikende kolonie.

    In experimenten met de soort Atta sexdens ontdekten Roces en zijn collega’s dat de meeste koninginnen stierven in de eerste negen weken nadat ze zich hadden opgesloten in het nest. En in 2022 kwam een Braziliaans team er tijdens experimenten achter dat Atta sexdens-koninginnen diepere nesten groeven en een grotere overlevingskans hadden in schaduwrijke, vochtige grond dan in een dichtere, drogere bodem.

    In een van Roces’ favoriete onderzoeken kwam hij er samen met zijn voormalige student Kerstin Fröhle achter dat koninginnen van de soort Atta vollenweideri hun beslissingen baseren op tijd en afstand. In optimale omstandigheden graven koninginnen tot een diepte van zo’n dertig centimeter. Als ze die diepte niet binnen twintig uur hebben bereikt, geven ze het op en maken ze een kamer op de diepte waar de tunnel op dat moment eindigt. Roces denkt dat ze hun tunnels meten aan de hand van hun eigen lichaamsbewegingen, zoals mensen afstanden kunnen meten aan de hand van hun eigen voetstappen.

    Zodra een kamer is voltooid, is de rol van de koningin bij de bouw van het nest uitgespeeld. Vanaf dat moment wordt de vorm van het steeds verder uitdijende nest bepaald door de beslissingen van haar nakomelingen. Om die beslissingen te begrijpen, moeten we iets meer weten over de schimmel, Leucoagaricus gongylophorus (champignonparasolzwam), een bleke, sponsachtige soort die continu verzorging nodig heeft. Hij moet warm worden gehouden, maar ook weer niet té warm, in een vochtige omgeving en beschermd tegen een te hoge concentratie CO2.

    De onvolgroeide mieren leven tussen de schimmels, dus de tuinen dienen ook als crèche

    Bladsnijdersmieren zijn bij uitstek toegerust voor deze taak: ze beschikken over het uitzonderlijke vermogen om CO2-niveaus te detecteren, en hun gevoeligheid voor temperatuur benadert die van een groefkopadder. Zodra bladsnijdersmieren voelen dat de condities niet meer optimaal zijn, verplaatsen ze hun schimmels en hun jongen. (De onvolgroeide mieren leven tussen de schimmels, dus de tuinen dienen ook als crèche.) Zo daalt bijvoorbeeld de Acromyrmex versicolor in de Sonorawoestijn in de droge seizoenen af naar dieper gelegen, vochtigere kamers, aldus Mueller.

    En sommige soorten in koudere streken van Zuid-Amerika graven niet eens nesten onder de grond. Zij leggen een schimmeltuin aan op de grond en bedekken die met een isolerende overkapping die bestaat uit plantdeeltjes. Roces en zijn collega Martin Bollazzi, een entomoloog van de Universidad de la República in Uruguay, kwam tot de conclusie dat de overkappingen het nest warmer houden dan de grond. De mieren maken gaten in de overkapping als ze voelen dat het te warm wordt, en dichten die gaten weer als het koud wordt of als de luchtvochtigheid afneemt.

    Zelfs binnen een bepaalde soort komen er verschillende nesttypen voor. Zo graven de Acromyrmex lundii-kolonies in warme omgevingen nesten onder de grond, terwijl ze overkapte nesten op de grond maken als het koud is. In een van hun eerdere gemeenschappelijke projecten ontdekten Bollazzi en Roces dat A. lundii-werkmieren het liefst graven in aarde van 25 graden Celsius, de ideale temperatuur voor de schimmels. Als de aarde warmer wordt, trekken de mieren naar een koelere plek. Zodra het kouder wordt, stoppen ze met graven.

    De bouw van de nesten

    Het onderzoek naar A. lundii heeft ook inzicht gegeven in het ontstaan van de ondergrondse structuren. De mieren graven meer tunnels naarmate de populatie groeit, maar ze maken de kamers niet groter, tenzij die kamers schimmeltuinen bevatten. Ze graven om de uitdijende schimmelmassa heen en laten precies zoveel ruimte tussen de schimmelmassa en de wanden van de kamer dat er nog een mier omheen kan lopen.

    Maar hoe ‘besluiten’ ze nou wanneer ze een nieuwe kamer moeten bouwen? Het ziet ernaar uit dat mieren schimmels en larven achterlaten op plekken waar de condities optimaal zijn. Dat kan midden in een tunnel zijn. Roces en zijn voormalige student Daniela Römer bootsten deze situatie na door A lundii-werkmieren een gevorkte tunnel aan te bieden, waar zich in een van de takken een hoopje larven bevond. De mieren groeven twee keer zoveel aarde uit de tunnel met de larven, waardoor er een ronde, kamerachtige holte ontstond.

    ‘Het is niet zo dat ze besluiten: ik ga hier een kamer bouwen,’ aldus Bollazzi, die samen met Roces in de 2026-editie van de Annual Review of Entomology gedetailleerd ingaat op de manier waarop bladsnijdersmieren hun nesten bouwen. ‘Ze graven kamers uit rondom bepaalde voorwerpen, schimmeltuinen of larven, omdat ze meer ruimte nodig hebben. En als gevolg daarvan krijg je een nest dat bestaat uit tunnels en kamers.’ 

    De mieren groeven twee keer zoveel aarde uit de tunnel met de larven, waardoor er een ronde, kamerachtige holte ontstond

    Roces denkt dat de larven de mieren naar een bepaalde plek lokken, waardoor het vervolgens druk wordt, wat aanleiding is om te gaan graven. En zelfs zonder larven of schimmels kan drukte een trigger vormen om te gaan graven, zoals Roces aantoont in een nieuw, nog niet gepubliceerd onderzoek. Toen zijn collega’s en hij opstoppingen veroorzaakten in een smal deel van een tunnel, verbreedden de Atta laevigata-werkmieren de tunnel net zo lang tot de doorgangssnelheid weer normaal was. Kennelijk reageerden ze op de frequentie waarmee ze andere mieren tegen het lijf liepen.

    De opmerkelijkste architectonische innovatie in de wereld van de bladsnijdersmieren wordt toegeschreven aan A. vollenweideri, de soort die Cosarinsky en haar jonge gidsen in Argentinië hadden gezien. Deze mieren maakten bij de tunnelopeningen boven op de heuvel een soort aanbouwtjes in de vorm van torentjes. Sommige aanbouwen zijn gevormd als een vulkaan, terwijl andere eerder doen denken aan een hutje dat is gebouwd door een moerasheks, met een ratjetoe aan ramen.

    De torentjes maken deel uit van een ventilatiesysteem, en Roces ontdekte een kwarteeuw geleden hoe dat in elkaar steekt. De wind trekt aan wanneer hij over de heuvel blaast, waardoor er aan de bovenkant onderdruk ontstaat. Daardoor wordt de lucht uit de bovenste gaten gezogen, wat weer zorgt voor een negatieve druk die lucht aanzuigt door de gaten aan de voet van de heuvel. De torentjes versterken dit effect doordat ze de hoogste openingen nog verder omhoog brengen.

    De torentjes maken deel uit van een ventilatiesysteem

    A. vollenweideri-mieren hebben goede ventilatie nodig, omdat ze hun nest bouwen in kleirijke grond die de neiging heeft gassen vast te houden. Zowel mieren als schimmels produceren CO2, en waar mieren zonder nadelige effecten lucht kunnen inademen met een hoge CO2-concentratie, tot 8 procent, geldt dat niet voor de schimmels.

    Roces heeft meerdere publicaties over A. vollenweideri-torentjes op zijn naam staan, en hij is er nog lang niet op uitgekeken. Zijn ontdekkingen geven inzicht in de vraag hoe het komt dat de torentjes zulke wonderlijke vormen aannemen: mieren besluiten hoeveel ‘ramen’ ze moeten maken op grond van de concentratie CO2 in de lucht die door de tunnel onder het torentje naar buiten stroomt.

    De CO2-concentratie is ook bepalend voor de beslissing wáár de torentjes moeten komen, zo valt op te maken uit Roces’ nieuwste project, dat nog niet is gepubliceerd. In experimenten zijn individuele mieren geneigd te bouwen rondom openingen die meer CO2 uitstoten. Ze bouwen ook graag op plekken waar de uitstromende lucht vochtiger is – tenzij ze bij een drogere opening een torentje vinden dat al in aanbouw is. In dat geval sluiten ze zich aan bij de inspanningen van hun nestgenoten.

    Het is vergelijkbaar met de manier waarop kinderen samen een zandkasteel maken, zelfs nog voordat ze kunnen praten

    ‘Dit is een vorm van indirecte communicatie via de structuren die ze bouwen,’ zegt Roces. Hij vergelijkt het met de manier waarop kinderen samen een zandkasteel maken, zelfs nog voordat ze kunnen praten.

    Bij de algoritmen die mieren gebruiken om beslissingen te nemen is er sprake van een synergie die we nog altijd niet doorgronden. Een Atta laevigata-nest kan bestaan uit meer dan zevenduizend kamers die aan de tunnels liggen, als vruchten aan een tak, tot een diepte van meer dan zes meter. Sommige kamers, die door de mieren als afvalkamer worden gebruikt, zijn zo groot dat een mens erin zou kunnen staan.

    En toch gelooft Roces niet dat de mieren een plattegrond van hun onderkomen in hun hoofd hebben. ‘Als je een mier op een willekeurig moment zou vragen: “Weet je waar je je bevindt in het nest?”, dan zal die mier waarschijnlijk zeggen: “Geen flauw idee, maar ik reageer op datgene waarop ik op het moment zelf moet reageren”,’ zegt hij. Stilstaan bij de grootsheid van het nest als geheel is vermoedelijk te veel gevraagd voor een mier. Dat is meer iets voor ons.

  • Wereldnieuws: smartphoneverbod voor tieners & meer

    Wereldnieuws: smartphoneverbod voor tieners & meer

    Bangladesh in de ban van blonde buffel

    Een albinobuffel van 700 kilo is in Bangladesh een onwaarschijnlijke mediasensatie geworden nadat hij de bijnaam ‘Donald Trump’ kreeg vanwege zijn goudkleurige hoofdhaar en lichtroze huid, meldt de Bangkok Post.

    WN koe

    Bezoekers stroomden massaal naar de boerderij net ten zuidoosten van Dhaka om het beest te fotograferen en aan te raken. Een bezoeker die eerst nog twijfelde aan de gelijkenis, gaf na aankomst toe dat het dier veel van Trump wegheeft. Volgens het boerderijpersoneel is de buffel een ‘kalm en zachtaardig’ dier.

    Het beest heeft veel aandacht getrokken in aanloop naar het islamitische offerfeest Eid al-Adha op 27 mei. Het dier is al verkocht voor 3,86 euro per kilo vlees en aan de nieuwe eigenaar afgeleverd.


    Hoe Rusland AI als wapen inzet

    Rusland gebruikt steeds meer AI-gegenereerde nepvideo’s om de indruk te wekken dat Rusland succes boekt op het slagveld in Oekraïne, aldus The Kyiv Post. Zo zijn er clips gemaakt waarin Russische vlaggen worden gehesen in Oekraïense dorpen, aldus het Institute for the Study of War (ISW). Het ISW ziet de trend als een onderdeel van de bredere Russische informatieoorlog, die sinds de winter van 2025 is geïntensiveerd. Analisten brengen de trend in verband met de trage Russische vooruitgang aan het front. Volgens de monitoringgroep DeepState heeft Rusland in april 141 km² aan Oekraïens grondgebied veroverd – een van de magerste maandresultaten in meer dan een jaar.

    Rusland voert een psychologische oorlogscampagne om de werkelijkheid te verdraaien en verschillende doelgroepen te manipuleren. Analisten waarschuwen dat het uiteindelijke doel informatiechaos is – een situatie waarin synthetische content zo wijdverspreid raakt dat zelfs echt bewijsmateriaal als nep kan worden afgedaan.


    Iers dorp verbiedt smartphones voor tieners

    Greystones, een Ierse kustplaats net ten zuiden van Dublin, heeft zich wereldwijd op de kaart gezet met het radicale initiatief It Takes a Village. Het doel daarvan is kinderen te beschermen tegen sociale media door smartphones te verbieden voor kinderen onder de twaalf jaar, meldt The Telegraph. Ouders tekenen een contract met hun basisschool waarin ze beloven hun kinderen geen mobiel te geven totdat ze rond hun dertiende naar de middelbare school gaan.

    ‘Het gaat erom dat we het moment waarop ze een smartphone krijgen, uitstellen totdat we ze de vaardigheden hebben bijgebracht die ze nodig hebben om in de online wereld te navigeren,’ aldus Rachel Harper, basisschooldirecteur in Greystones, die het initiatief heeft opgezet.

    WN kinderen compressed

    Ze bedacht het concept toen leerlingen na de covid-lockdowns weer naar school gingen. ‘Ouders vertelden me hoe hun zoon of dochter, die het op school goed deed, ’s avonds thuis helemaal de controle verloor. Kinderen hadden moeite met slapen na tot in de late uurtjes op hun telefoon te hebben gezeten. Door berichten van de avond ervoor kwamen ze dermate uitgeput of overstuur op school dat ze zich niet konden concentreren.’ Op het eerste gezicht klinkt het initiatief draconisch en onwerkbaar, maar ouders, leerkrachten en vooral de kinderen zijn er zeer over te spreken. Zo vertelt een moeder: ‘Ik zag enorm op tegen de dag dat mijn dochter thuis zou komen smeken om een smartphone, omdat iedereen er al een had. Maar dankzij dit schoolinitiatief hebben moeders zoals ik daar geen last meer van.’

    En een jongen verklaart: ‘Wat ik tot nu toe van de workshops heb geleerd, is dat socialemediaplatforms zo zijn ontworpen dat ze een eindeloze hoeveelheid content bieden, waardoor het moeilijk is er afstand van te nemen. Ze zijn verslavend en ik wil niet dat mij dat overkomt.’


    Franse filmproducent verbreekt banden met 600 filmartiesten

    De topman van Canal+, de grootste filmproducent van Frankrijk, heeft onlangs bekendgemaakt dat de groep niet langer zal samenwerken met zeshonderd professionals uit de filmindustrie die een petitie tegen de conservatieve miljardair Vincent Bolloré hebben ondertekend, aldus Le Monde. De aankondiging, gedaan tijdens het filmfestival van Cannes, zal naar verwachting voor grote opschudding zorgen in de Europese filmwereld.

    ‘Ik ervaar die petitie als een onterechte bejegening van de teams van Canal+, die zich inzetten voor de onafhankelijkheid van Canal+ en de volledige diversiteit van haar keuzes. Ik zal niet langer samenwerken met en ik wil niet langer dat Canal+ samenwerkt met de mensen die deze petitie hebben ondertekend,’ aldus CEO Maxime Saada.

    De petitie riep mensen op zich te mobiliseren tegen ‘de toenemende greep van extreemrechts’ op de filmindustrie onder invloed van Bolloré en de Canal+-groep. De agressieve expansie van Bolloré in de Franse media de afgelopen jaren wordt door conservatieven toegejuicht, omdat het volgens hen het machtsevenwicht – dat naar links doorslaat – weer in balans brengt.

    De miljardair Bolloré, een vrome katholiek die zijn fortuin verdiende in de logistieke sector, wordt door commentatoren vaak vergeleken met de in Australië geboren Amerikaanse mediamagnaat Rupert Murdoch, omdat zijn nieuwszender CNews overeenkomsten vertoont met de Amerikaanse zender Fox News.


    Toerist krijgt compensatie voor gebrek aan ligruimte

    Een Duitse toerist heeft ruim 900 euro teruggekregen omdat hij er tijdens zijn vakantie in Griekenland niet in slaagde een ligstoel te bemachtigen, aangezien alle stoelen met handdoeken waren gereserveerd. De man, die in 2024 met zijn gezin een pakketreis maakte naar het Griekse eiland Kos, zei tegen de BBC dat hij elke dag twintig minuten bezig was naar een ligstoel te zoeken, terwijl hij om 06.00 uur al wakker werd.

    WN strandstoelen compressed edited scaled

    Vervolgens klaagde hij zijn touroperator aan omdat hij het reserveringssysteem had toegestaan en gasten die ligstoelen met handdoeken reserveerden niet hierop had aangesproken. Volgens de toerist waren de ligbedden zo vaak gereserveerd dat ze onbruikbaar waren en zijn kinderen op de grond moesten liggen. De rechter stelde hem in het gelijk en oordeelde dat de familie recht had op een restitutie van 986,70 euro.


    Vogeltapijt

    Elk jaar sterven naar schatting zo’n miljard vogels in Noord-Amerika omdat ze tegen ramen aan vliegen, meldt Colossal. Dat komt volgens de vogelbescherming omdat de meeste vogels hun spiegelbeeld niet herkennen of zelfs denken dat hun rivaal recht voor ze vliegt. Kunstenaar en docent Holly Greenberg raakt gefascineerd door dit treurige fenomeen. Nadat bijna duizend vogels omkwamen in een botsing met één gebouw in Chicago, lanceerde ze een initiatief om precies 10.863 stoffen vogels te maken, het aantal dat in 2023 dood werd aangetroffen in de straten van de stad. Via meer dan 140 workshops verspreid over de VS en Canada naait een groeiende gemeenschap met de hand vogels na op basis van echte exemplaren. Uiteindelijk zullen alle vogels samen één groot tapijt vormen.

    WN vogels compressed
  • Waarom we over schapen dromen

    Waarom we over schapen dromen

    Dieren spelen de hoofdrol in onze psychische aandoeningen, hallucinaties en dromen, maar ook in kunst, verhalen en de mentale wereld van kinderen. Ze betreden de psyche op spectaculaire en soms verontrustende manieren.

    Een paar jaar geleden liep een drieënvijftigjarige man een ziekenhuis in Mumbai binnen en zei dat een kakkerlak in zijn rechteroor was gekropen en zich in zijn hoofd had gevestigd. Hij vertelde dat het insect eitjes had gelegd en dat de larven door zijn hersenen kropen. Na zes weken piekeren en slecht slapen ging hij naar het ziekenhuis om een keel-, neus- en oorarts te raadplegen. In plaats daarvan werd hij echter doorgestuurd naar een psychiater.

    De psychiater diagnosticeerde hem met parasietenwaan: het misplaatste geloof dat parasieten het lichaam hebben geïnfiltreerd. Ongeveer een op de honderdduizend mensen gelooft door deze aandoening dat er mieren, wormen, teken, mijten of andere beestjes onder hun huid kruipen. Het is, zoals de naam suggereert, een waanbeeld dat vaak samenhangt met schizofrenie of dementie. Wanneer de waan toeslaat, kan niets of niemand de patiënt ervan overtuigen dat de insecten niet echt zijn.

    Parasietenwaan is relatief zeldzaam, maar duidt op een wijdverspreid fenomeen: de aanwezigheid van dieren bij psychische stoornissen. In de medische literatuur zijn tienduizenden gevallen beschreven waarin dieren, of voorstellingen daarvan, een significante rol spelen bij mentale klachten.

    Sociogene ziekte

    In plaats van de eerdergenoemde voorbeelden had het ook kunnen gaan over een slachtoffer van seksueel kindermisbruik die opgroeide met een obsessie voor ratten; een psychotische dierenliefhebber die zich tijdens tics als een hond gedraagt; een west-Afrikaanse moeder die uit een droom ontwaakte en ervan overtuigd was dat ze door een baviaan was bezwangerd; een jonge vrouw die geloofde dat ze door haar kat werd behekst; of, dichterbij, het kind van een vriend van mij dat tijdens de coronapandemie begon te huilen als een wolf.

    Ook kunnen we een blik werpen op de lange geschiedenis van sociogene ziekte, oftewel ‘massavorming’, waarbij schijnbaar onschuldig gedrag – vaak de imitatie van dieren – zich snel en zonder duidelijke oorzaak verspreidt door een school, een religieuze gemeenschap of een andere hechte instelling. Middeleeuwse bronnen uit Frankrijk en Spanje beschrijven hoe groepen nonnen blaffend door de velden renden, de hele dag miauwden als katten of schaapachtig blaatten terwijl ze in de kerk stuiptrekkend hun sluiers verscheurden.

    Het dier is alles wat een mens niet is, de ultieme ‘ander’

    In de afgelopen eeuwen zijn wilde dieren uiteraard bijna volledig uit het dagelijks leven verdwenen. We beschouwen ze vaak als inferieur: minder bewust, minder intelligent, minder zelfrelativerend, minder rationeel. Het dier is alles wat een mens niet is, de ultieme ‘ander’. Toch spelen ze de hoofdrol in onze psychische aandoeningen, hallucinaties en dromen, maar ook in kunst, verhalen en de mentale wereld van kinderen. Ze betreden de psyche op spectaculaire en soms verontrustende manieren.

    Dat geldt vooral voor mensen met medische aandoeningen zoals blindheid, dementie of schizofrenie. Hun hallucinaties kunnen bijzonder levendig zijn. In 2019 meldden verschillende psychosepatiënten tijdens een medisch onderzoek dat ze slangen uit hun armen zagen groeien, een neushoorn de straat zagen oversteken of een koe ontwaarden die midden in een schoolgang stond.

    Dergelijke gefantaseerde dieren kunnen ook gemakkelijk verschijnen onder invloed van psychedelica als LSD of psilocybine – de werkzame stof in paddo’s. Tijdens zulke ervaringen maken dieren bijna altijd deel van de beleving. Tijdens mijn eerste – en waarschijnlijk laatste – ervaring met psilocybine bevond ik me in een wereld vol reptielachtige en parasitische narigheid, waarin slangen, hagedissen, wormen en andere pootloze wezens door een plantenrek kropen en gleden. Ze daagden me uit met groteske gezichten die deden denken aan waterspuwers van een gotische kathedraal. Het klinkt angstaanjagend, maar het wekte bij mij vooral een oprechte nieuwsgierigheid op.

    Hallucinaties

    Daarin sta ik niet alleen: psycholoog Benny Shanon, die honderden keren ayahuasca dronk als onderzoek naar het boek dat hij over de effecten ervan schreef, kwam tijdens zijn hallucinaties vooral dieren tegen. Hij kwam hagedissen en krokodillen tegen, vissen en bijen, vlinders en jaguars. Ook in dromen verschijnen regelmatig zowel gewone als mythische dieren. En hoewel het verleidelijk is om betekenis achter zulke visioenen te zoeken, zeggen ze waarschijnlijk meer over onze verhouding tot dieren dan over de dieren zelf.

    Dichter Alisan Hawthorne Deming, die in haar dromen vaak door dieren wordt bezocht, beschrijft hoe ze zelfbewust en ongebreideld haar bewustzijn binnendringen. Na een droom waarin een paard de praktijk van Sigmund Freud binnenkwam voor een behandeling, concludeerde ze dat het ‘een boodschapper uit het dierenrijk was, die ons vertelde dat wij hen gek maken – en dat zij zelf geen wetenschap hebben om zichzelf te behandelen.’

    Het blijft een mysterie waarom zulke realistische dierlijke beelden in het onbewuste blijven opduiken. Een mogelijke verklaring is dat het brein, bij gebrek aan normale prikkels, inkomende informatie ordent door er een hypothese of een eigen verhaal aan te verbinden, of door het zogeheten defaultnetwerk te activeren, een groep hersengebieden die dagdromen en introspectie mogelijk maken. Dat we eerder dieren oproepen dan levenloze objecten, kan samenhangen met het feit dat het menselijke visuele systeem is geëvolueerd om zeer gevoelig te zijn voor levende wezens.

    Hij kwam tijdens zijn hallucinaties vooral dieren tegen: hagedissen en krokodillen, vissen en bijen, vlinders en jaguars

    Tijdens de honderdduizenden jaren waarin Homo sapiens en zijn voorouders als jagers en verzamelaars leefden, hadden individuen die sneller dieren konden ontwaren in het landschap een grotere kans om te overleven en zich voort te planten. Zo werd deze vaardigheid geleidelijk geselecteerd, totdat ze een universeel geërfd kenmerk werd van het menselijk brein. We ontwikkelden, om een nieuw spreekwoord leven in te blazen, een ‘dierenverstand’: we raakten betrokken bij de omstandigheden van onze medewezens en zeer afgestemd op hun anatomische vorm en hun bewegingen.

    Archeoloog Derek Hodgson, wiens expertise ook neurowetenschap en psychologie bedraagt, oppert dat dit mechanisme waarschijnlijk bij onze voorouders is geëvolueerd als reactie op de dreiging van carnivoren en de voortdurende strijd om voedsel. Een intuïtieve emotionele reactie op de geringste mogelijkheid dat er een dier in de buurt is, vergrootte de overlevingskans aanzienlijk. ‘Ze concurreerden met roofdieren die niet alleen op hen jaagden, maar ook op de dieren die ze zelf achterna zaten,’ aldus Hodgson. ‘Als ze een fout maakten en niet reageerden, zouden ze diep in de problemen zitten. Ze moesten extreem alert zijn op dieren die zich camoufleerden, anders zouden ze achterblijven in het eindeloze verstopspel.’

    Het moderne brein draagt dit mechanisme nog altijd met zich mee. Neurowetenschappers hebben een specifiek neuraal pad gevonden dat het visuele deel van het brein (de visuele cortex) aan het emotionele deel verbindt (de amygdala). Deze ‘ventrale stroom’ roept bij het zien van een dier een onmiddellijke emotionele reactie op, waardoor we de positie ervan al opmerken voordat we ons daar actief van bewust zijn. Net als onze voorouders uit de ijstijd, blijven we dus hypergevoelig voor levende wezens.

    Dierenbrein

    Hoewel we ons ‘dierenbrein’ in het dagelijks leven niet vaak op de proef kunnen stellen, wordt het volledig geactiveerd als onze psyche wordt verstoord: tijdens psychoses, neuroses, waanbeelden, fobieën en obsessies, maar ook tijdens dromen en hallucinaties. De dieren die ons in zulke toestanden bezoeken, zijn wellicht tekenend voor de tegenstrijdige manieren waarop we over hen denken – en onze wankele gevoelens over de vraag of wij zelf ook dieren zijn.

    De Amerikaanse antropoloog Ernest Becker, prominent in het midden van de twintigste eeuw, geloofde dat onze houding tegenover dieren – en een groot deel ons gedrag en denkproces – voortkomt uit het besef dat we sterfelijk zijn. De angst om ooit tot stof te vergaan motiveert ons om gezinnen te stichten, normen en waarden te cultiveren, religies te omarmen en dingen op te bouwen die ons zullen overleven. Dieren, die we veelal zien als verkeersslachtoffer of als voedsel, herinneren ons aan onze lichamelijke, sterfelijke aard. Door ons van ze af te zonderen, proberen we een vorm van symbolische onsterfelijkheid te bereiken.

    Beckers ideeën helpen verklaren waarom we ons zo wanhopig vastklampen aan het idee dat de mens een uitzonderingsgeval is, ondanks het toenemende bewijs dat we de ervaringen en vermogens van onze medewezens ernstig onderschatten. De meeste biologen zijn het er inmiddels over eens dat alle gewervelde en veel ongewervelde dieren over een bepaald bewustzijn beschikken, en dat hun emoties net zo complex kunnen zijn als die van mensen. Onze opzettelijke uitsluiting – een geloof dat te herleiden is naar de oude Grieken – is desastreus geweest voor diersoorten. Het heeft ons toegestaan ze straffeloos te doden en hun leed op afstand te houden. En het heeft ons toegestaan om de cognitieve dissonantie te omzeilen waarbij we moeten erkennen dat we zijn wat we eten: vlees en botten.

    Het idee dat de mens een uitzonderingsgeval is, is makkelijk te koesteren als we volledig bewust zijn. Maar als we slapen, cognitief kwetsbaar zijn, onder invloed verkeren of op een andere manier uit balans zijn, worden dieren ineens onze gelijken. Wat doen deze dieren hier? Daar is moeilijk achter te komen. Ze herinneren ons er in elk geval aan dat onze relatie ouder en intiemer is dan we vaak willen erkennen.

  • Wereldnieuws: gokkers bedreigen journalisten & meer

    Wereldnieuws: gokkers bedreigen journalisten & meer

    Klimaatopwarming verlengt pollenseizoen met twee weken

    Als gevolg van klimaatverandering duurt het pollenseizoen in Europa sinds de jaren negentig één tot twee weken langer. In de periode 2015-2024 begon het voor berken, elzen en olijfbomen één tot twee weken eerder dan in de periode 1991-2000. Dat blijkt uit het meest recente onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering voor de gezondheid in Europa. Warm weer en hoge concentraties koolstofdioxide zorgen ervoor dat planten meer pollen produceren, wat allergische reacties veroorzaakt bij mensen met hooikoorts en leidt tot symptomen die variëren van lichte irritatie tot levensbedreigend, , schrijft The Guardian.

    De bevinding is misschien minder dramatisch dan de overstromingen en bosbranden die doorgaans met een opwarmende planeet worden geassocieerd, maar toch betekent ze een enorme toename van het gezamenlijke leed van tientallen miljoenen mensen, aldus de onderzoekers.

    WN pollen compressed edited scaled

    Hoe minder technologie, hoe meer concentratie

    Steeds meer scholen zetten in op digitale leermiddelen, maar dat pakt niet altijd goed uit. Toen een Amerikaanse docent alle schermen uit zijn klas verwijderde, verbeterden de concentratie en prestaties van zijn leerlingen merkbaar, schrijft The Atlantic.

    De docent besloot laptops en tablets volledig te bannen en terug te keren naar pen en papier. Binnen korte tijd merkte hij dat leerlingen alerter waren, minder afgeleid en actiever deelnamen aan de les. Ook maakten ze meer opdrachten af en werd het voor hem makkelijker om te zien waar leerlingen vastliepen.

    Volgens hem zorgen schermen er vaak voor dat leerlingen sneller afhaken of zich achter technologie verschuilen. Digitale tools kunnen handig zijn, maar leiden in de praktijk regelmatig tot multitasking en verlies van focus.

    Daarnaast maakt werken op papier het denkproces van leerlingen zichtbaarder: aantekeningen, fouten en verbeteringen zijn direct te volgen, wat gerichtere begeleiding mogelijk maakt. Dat zou niet alleen het leerproces verdiepen, maar ook de betrokkenheid vergroten.


    500.000 roze bloemen

    In het Fuji Motosuko Resort in Japan bloeien van half april tot eind mei zo’n 500.000 shibazakura, ook wel mossvlox genoemd, in oogstrelende tinten roze, paars en wit. Anders dan kersenbloesems groeien ze op de grond en vormen zo een tapijt dat wekenlang blijft liggen. My Modern Met beschrijft de bloemenvelden die ongeveer 15.000 vierkante meter beslaan, vergezeld door kunstinstallaties zoals de reflecterende Sparkling Flower Drop Mirror en het Door to Happiness-uitkijkpunt dat de Mount Fuji omlijst. De overgefotografeerde berg wordt vanaf de bekendste instagramhoek afgeschermd voor het toerisme met een groot zwart scherm.

    WN Sakura compressed edited 1

    Duitse NSDAP-zoekmachine razend populair

    Die Zeit heeft in samenwerking met Duitse en Amerikaanse archieven een online zoekmachine ontwikkeld waarmee mensen kunnen achterhalen of hun voorouders lid waren van de nazipartij. Met de tool kunnen mensen miljoenen ledenkaarten van de NSDAP doorzoeken. Sinds de lancering begin april is de zoekmachine ‘miljoenen keren geraadpleegd en duizenden keren gedeeld’, aldus Die Zeit.

    De NSDAP-ledenkaarten werden bijna vernietigd tijdens de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog, maar op het nippertje gered en aan de Amerikanen overhandigd, die ze in 1994 overdroegen aan het Duitse federale archief.

    WN Nazispeldje compressed edited

    Tot voor kort konden mensen de ledenkaarten alleen raadplegen door een formeel verzoek in te dienen bij het Duitse archief. In maart dit jaar is het Amerikaanse archief begonnen zijn archiefstukken online beschikbaar te stellen.


    Hoe de gokmarkt de vrije pers kan bedreigen

    De journalist Emanuel Fabian meldde op 10 maart op het liveblog van The Times of Israel dat er een raket was neergekomen in de Israëlische plaats Bet Shemesh en dat daarbij geen gewonden waren gevallen.

    Kort daarop kreeg Fabian meerdere berichtjes en mailtjes binnen waarin hij onder druk werd gezet om zijn nieuwsbericht aan te passen. Het betrof geen raket, maar de brokstukken van een onderschepte raket. De journalist begreep niet waarom mensen dat detail zo belangrijk vonden. Totdat hij ontdekte dat de afzenders actief waren op het gokplatform Polymarket.

    Wat was het geval? Mensen hadden geld ingezet op een weddenschap dat Iran op 10 maart een luchtaanval op Israël zou uitvoeren. Raketten en drones die onderweg werden onderschept, golden echter niet als een aanval, ook niet als ze in Israël landden of schade aanrichtten. Door bij de journalist erop aan te dringen zijn verslag te wijzigen, wilden degenen die ‘nee’ hadden gegokt alsnog hun gelijk halen en hun prijzengeld in de wacht slepen.

    De berichtjes ontaardden op den duur in doodsbedreigingen. De journalist besloot aangifte te doen bij de politie. Hoewel Fabian zijn rug recht hield, laat zijn verhaal zien onder welke druk journalisten in onze tijd soms hun werk moeten doen.


    Precieze locatie van Shakespeares huis in Londen ontdekt

    Fans van William Shakespeare weten dat de grote toneelschrijver afkomstig was uit Stratford-upon-Avon. Maar hij maakte naam in Londen – hoewel er in de Britse hoofdstad nog maar weinig sporen van hem te vinden zijn.

    Een recent ontdekte kaart uit de zeventiende eeuw werpt nieuw licht op het Londense leven van de toneelschrijver, schrijft The Independent. Voor het eerst is de exacte locatie bekend van het enige huis dat Shakespeare in de stad kocht, en waar hij mogelijk aan zijn laatste toneelstukken werkte. Volgens Shakespeare-onderzoeker Lucy Munro, die de kaart vond, voegt hij ‘extra stukjes van de puzzel’ van Shakespeares leven toe.

    Historici wisten allang dat Shakespeare in 1613 een stuk grond kocht in de buurt van het Blackfriars Theatre, maar de exacte locatie was een mysterie. Een plattegrond van het Blackfriars-complex toont echter in detail Shakespeares huis: een aanzienlijke L-vormige woning, uitgehouwen uit het voormalige middeleeuwse Dominicanenklooster.

    WN Shakespeare compressed edited

    Het is niet zeker of Shakespeare in zijn Londense woning woonde of deze alleen verhuurde. Volgens Munro suggereren de grootte van het huis en de ligging op vijf minuten loopafstand van het Blackfriars Theatre dat hij aan het einde van zijn leven mogelijk meer tijd in Londen heeft doorgebracht dan algemeen wordt aangenomen.

    Shakespeare liet het pand na aan zijn dochter Susanna, en het bleef nog een halve eeuw in de familie. In 1666 brandde het gebouw tot de grond toe af in de Grote Brand van Londen, die een groot deel van de middeleeuwse stad verwoestte.

    In dit gebied, dat nu deel uitmaakt van het financiële district van de Britse hoofdstad, zijn nog maar enkele overblijfselen van Shakespeares Londen te vinden, waaronder een fragment van een muur van het voormalige Dominicanenklooster. Vlakbij herinnert de naam Playhouse Yard eraan dat hier ooit een theater stond.

  • Biotechbedrijf wil uitgestorven antilope tot leven wekken

    Biotechbedrijf wil uitgestorven antilope tot leven wekken

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VK verhoogt het dreigingsniveau na nieuwe antisemitische aanslag

    » Brazilië: strafvermindering voor Jair Bolsonaro in zicht

    Wetenschappers zijn sceptisch over ‘de-extinctie’

    Het bedrijf Colossal Biosciences werkt aan plannen om de bluebuck, een Zuid-Afrikaanse antilope die rond 1800 uitstierf, genetisch te reconstrueren, aldus The Times. De soort geldt als het eerste grote Afrikaanse zoogdier dat in de moderne tijd verdween, mede door jacht en kolonisatie.

    Voor het project wordt DNA uit museumstukken gebruikt, dat vervolgens wordt gecombineerd met genetisch materiaal van verwante soorten. Het doel is om via genetische aanpassingen en draagmoeders een dier te creëren dat sterk lijkt op de oorspronkelijke bluebuck.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Wetenschappers plaatsen kanttekeningen bij het plan. Zij benadrukken dat het resultaat geen exacte kopie van de uitgestorven soort zal zijn, maar een genetisch aangepaste variant. Ook wijzen critici op ethische kwesties en vragen over prioriteiten in natuurbehoud, nu veel bestaande soorten met uitsterven worden bedreigd.

    De plannen passen binnen een bredere trend waarbij biotechbedrijven proberen uitgestorven dieren, zoals de mammoet, terug te brengen. Of zulke projecten daadwerkelijk bijdragen aan biodiversiteit, blijft onderwerp van debat.

  • Hoe antibacteriële architectuur ons zieker maakt

    Hoe antibacteriële architectuur ons zieker maakt

    Het ontwerp van onze huizen en steden wordt al eeuwenlang gevormd door de angst voor ziekteverwekkers. Maar volgens de auteurs van We Are Bacteria moeten we microben niet uitbannen, maar juist van ze leren.

    We The Bacteria: Notes Toward Biotic Architecture, een ‘alternatieve geschiedenis van architectuur vanuit een microbenperspectief’, bundelt het onderzoek dat voorafging aan de tentoonstelling We The Bacteria in de Triennale in Milaan vorig jaar. De tentoonstelling werd gecureerd door Colomina en Wigley en onderzocht hoe microbiële ecosystemen zich verhouden tot ruimtelijk ontwerp en gezondheidsongelijkheid.

    Het boek stelt dat microben niet alleen de wereldwijde biosfeer hebben opgebouwd, maar ook eeuwenlang de ware architecten achter onze huizen en steden waren. De angst die ze oproepen en de ziekten die ze veroorzaken hebben onze ruimtes en de manieren waarop we ze betreden mede vormgegeven.

    Ongeveer tienduizend jaar geleden begon de mensheid zich terug te trekken naar plekken die van de buitenwereld konden worden afgesloten; planten, aarde en insecten bleven grotendeels buiten. Maar microben, waaronder ziekteverwekkers, volgden de mensen naar binnen, waar ze zich aanpasten, muteerden en nieuwe ziektebeelden ontwikkelden. Naarmate we onze onderkomens in dorpen, steden en uitgestrekte landen veranderden, veranderden de microbiële ecosystemen mee.

    Microbiële uitwisseling

    De auteurs beschrijven hoe gebouwen en lichamen in een constante microbiële uitwisseling verkeren en co-evolueren tot een groot, dynamisch ecosysteem. Elk huis heeft een uniek microbioom, afhankelijk van de bewoners. Zelfs het microbioom van een regelmatig schoongemaakte ziekenhuiszaal heeft veel weg van het microbioom van de vorige patiënt en begint na vierentwintig uur al op die van een nieuwe bewoner te lijken.

    Architectuur kan niet bestaan zonder microben, en dus ook niet zonder ziekten. Hoewel schrobben, spuiten en desinfecteren de meeste micro-organismen elimineert, ontstaan hierdoor ook extremofielen: soorten die zo resistent zijn dat ze de ruimte domineren.

    Zo hebben gezondheidscrises sinds jaar en dag gebouw- en stadsontwerpen gedicteerd. Van wc’s tot ontsmettingssystemen, van de pestziekenhuizen (‘lazaretto’s’) tot sanatoria voor tuberculosepatiënten en van rioolsystemen tot stadsparken; steden zijn constant van vorm veranderd door de risico’s die ze probeerden in te perken. Architectuur werd de frontlinie in het gevecht tegen de microben.

    WET kleding compressed
    Microbiële groei in kleding, ontwerp van Martin Margiela. Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, 1997. – © Lampoon

    Colomina en Wigley noemen overgesteriliseerde omgevingen ‘antibacteriële architectuur’. Toch floreren ziekten gek genoeg in dit soort ontwerpen. Door de normale menselijke microbiële diversiteit weg te spoelen worden er resistente ziekteverwekkers gekweekt die steeds resistenter worden tegen antimicrobiële stoffen. Daardoor verzwakt ons natuurlijke verdedigingsmechanisme tegen de microben die daar gedijen. De komende 25 jaar zal het aantal sterfgevallen als gevolg van antimicrobiële resistentie naar schatting met 70 procent stijgen en mogelijk de grootste doodsoorzaak ter wereld worden.

    Maar hoewel architectuur en de bouw microben de oorlog hebben verklaard, zien wetenschappers ook de vele voordelen die ze met zich meebrengen, met name in riool- en waterreinigingssystemen. Bacteriën, schimmels en microalgen wekken elektriciteit en biomassa op in bioreactoren, ze gaan vergiftiging tegen in de grond en in het water, vangen CO2 op, verteren vervuilende stoffen, breken plastic af, helpen bij de restauratie van historische bouwwerken zoals de dom van Milaan en het Alhambra in Granada, enzovoort. Ze zijn uitgegroeid tot bondgenoten van de bouw.

    WET zakflesje compressed edited

    De negentiende-eeuwse arts Peter Dettweiler ontwikkelde de Blue Henry, een kobaltblauw glazen zakflesje dat patiënten altijd bij zich droegen om ongemerkt hun sputum in op te vangen. – © We Make Money Not Art

    Immuunsysteem

    Gezien de belangrijke rol die microben spelen in ons immuunsysteem en onze omgeving, pleiten de schrijvers voor biotische architectuur, waarbij we leren van microben in plaats van ze uit te bannen. Ze benadrukken dat bepaalde antimicrobiële maatregelen tegen ziekteverwekkers uiteraard noodzakelijk blijven. Water- en rioolsystemen, wc’s en keukens moeten nog steeds gereinigd worden, maar daarnaast moeten schoonmaaktechnieken gecontroleerde blootstelling aan microbiële diversiteit omarmen. Zo verving microbioloog Elisabetta Caselli met collega’s tijdens de coronapandemie de gebruikelijke desinfecterende middelen van zes Italiaanse ziekenhuizen door reiniging op basis van probiotica. Het resultaat was een afname van oppervlaktepathogenen tot wel 90 procent in vergelijking met conventionele chemische reiniging, plus lagere percentages ziekenhuisinfecties en antibioticaresistentie.

    We The Bacteria: Notes Toward Biotic Architecture is informatief en vermakelijk en zit vol anekdotes, archiefbeelden en fascinerende historische feiten. Daarnaast is dit het eerste boek in maanden dat mij niet alle hoop in de mensheid deed verliezen. Eindelijk is er een boek dat een visie presenteert waarbij mensen actief kunnen bijdragen aan microbiële diversiteit, samenwerken met de onzichtbare wereld om ons heen en bouwen op manieren waarmee we het milieu niet schaden, maar verzorgen.
    Régine Debatty

    WET omslag compressed
  • Uitreiking Ig Nobelprijs verhuist naar Europa wegens ‘onveilige’ VS

    Uitreiking Ig Nobelprijs verhuist naar Europa wegens ‘onveilige’ VS

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek: AI-tool helpt bij het detecteren van borstkanker

    » Onderzoek: één op drie aardbewoners belemmerd door opwarmend klimaat

    De Ig Nobelprijs is een soort parodie op de Nobelprijs

    De ludieke Ig Nobelprijzen worden dit jaar voor het eerst in Europa uitgereikt, omdat de Verenigde Staten ‘onveilig’ zijn geworden voor internationale prijswinnaars om te bezoeken, zo hebben de organisatoren bekendgemaakt, aldus Le Monde.

    De prijzen, die de meer ludieke kant van de wetenschap vieren, worden sinds 1991 uitgereikt tijdens uitbundige ceremonies op universiteiten in Massachusetts, waarbij de winnaars worden overladen met papieren vliegtuigjes. Net als de Nobelprijzen die ze op satirische wijze presenteren, komen de Ig Nobel-laureaten van over de hele wereld. Internationale academici melden echter problemen met reizen naar de VS sinds het begin van de tweede ambtstermijn van president Donald Trump begin 2025.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Het afgelopen jaar is het onveilig geworden voor onze gasten om het land te bezoeken’, aldus Ig Nobel-oprichter Marc Abrahams in een verklaring op maandag. ‘We kunnen de nieuwe winnaars noch de internationale journalisten die verslag doen van het evenement met een gerust geweten vragen om dit jaar naar de VS te reizen.’

    De 36e editie van de Ig Nobelprijzen vindt plaats op 3 september in Zürich, Zwitserland, zo heeft de organisatie bekendgemaakt. De Universiteit van Zürich en ETH Domain zullen de ceremonie hosten, waarbij prijzen worden uitgereikt aan prestaties ‘die mensen eerst aan het lachen maken en hen vervolgens aan het denken zetten’. Om dit mogelijk te maken, hebben Zürich en haar instellingen ‘in een razend tempo bergen verzet’, aldus Abrahams, geciteerd door Le Monde.

  • Wat de Arctische zeebodem zegt over de toekomst van het klimaat

    Wat de Arctische zeebodem zegt over de toekomst van het klimaat

    Dertig jaar geleden lag er ’s zomers dicht pakijs op de Noordpool. Nu het gebied relatief makkelijker bereikbaar is, wordt middels een expeditie geprobeerd de toekomst te voorspellen aan de hand van modder.

    Op de ochtend van 2 september is het druk op de brug van de Noorse ijsbreker Kronprins Haakon. Wetenschappers en bemanningsleden volgen de gps-coördinaten van het schip op de monitoren. Nog één zeemijl te gaan. Met sneeuw bedekte ijsschotsen drijven langs de ramen. Dan laat kapitein Hallgeir Johansen de misthoorn klinken: we hebben de geografische Noordpool bereikt. Voor expeditieleider Jochen Knies van de Arctic University of Norway in Tromsø is het zijn tweede bezoek aan de Noordpool. In 1996 was de geoloog aan boord van het Zweedse onderzoeksschip Oden, dat zich toen nog door dicht pakijs een weg moest banen naar 90 graden noorderbreedte. Bijna dertig jaar later is het Arctische gebied ingrijpend veranderd, merkte Knies sinds het vertrek vanaf Spitsbergen twee weken eerder. In plaats van dikke zeeijsvelden treft de expeditie nu dunne schotsen en grote zones open water aan. De Kronprins Haakon vaart met elf knopen en bereikt de pool met teruggeschroefde motoren.

    DOS Noordpool 15 compressed edited 1 scaled
    © Tim Kalvelage

    Hoewel het zeeijs in de zomer van 2025 – na een negatief winterrecord – geen nieuw dieptepunt bereikt, zien de onderzoekers tijdens hun vijf weken durende reis een zorgwekkende trend: het snelle verlies van Arctisch zeeijs door de sterke opwarming van het Noordpoolgebied. Zet die ontwikkeling door, dan zou het zeeijs in de zomer volledig kunnen verdwijnen – iets wat vermoedelijk al minstens 115.000 jaar niet is gebeurd. ‘Je moet ver terug in de tijd om klimaatomstandigheden te vinden die vergelijkbaar zijn met wat we in de toekomst in het Noordpoolgebied verwachten,’ zegt Knies.

    Dat is precies de reden waarom hij half augustus 2025 samen met een team van 26 onderzoekers richting het pakijs vertrok. Ze willen vaststellen of, en zo ja wanneer de Noordpool in het recente geologische verleden ijsvrij is geweest en bedekt werd door open oceaan. De antwoorden hopen ze te vinden op de Arctische zeebodem. De daar afgezette sedimenten fungeren als klimaatarchieven, waarin informatie ligt opgeslagen over warme perioden uit het verleden die als analogie kunnen dienen voor de richting waarin het klimaat zich nu ontwikkelt. De expeditie maakt deel uit van een EU-project van 12,5 miljoen euro, waaraan meerdere onderzoeksinstellingen deelnemen, waaronder Noorse instituten en het Duitse Alfred Wegener Instituut. De onderzoekers zoeken in het verleden naar antwoorden op urgente vragen over de toekomst van het Arctisch gebied: hoe verandert het mariene ecosysteem als het zeeijs zich verder terugtrekt? En wat zijn de gevolgen voor oceaancirculatie en het mondiale klimaat?

    In de afgelopen vijftig jaar is het Arctisch gebied met ongeveer 3 graden opgewarmd – twee keer zo veel als het wereldgemiddelde. Op veel plaatsen stijgt de temperatuur zelfs in de winter steeds vaker tot boven het vriespunt. Sinds het begin van satellietmetingen in 1979 is het zeeijsoppervlak aan het einde van de zomer met meer dan 40 procent afgenomen, samen met het leefgebied van ijs- en kouafhankelijke organismen. Het verdwijnen van het reflecterende zeeijs zorgt ervoor dat de Arctische Oceaan nog sneller opwarmt. Dat draagt bij aan extremere weersomstandigheden in Europa, zoals overstromingen en hittegolven, zoals Noorwegen die vorige zomer meemaakte. Tegelijkertijd wekt het afnemende ijs economische interesse: grondstoffen worden beter bereikbaar en nieuwe vaarroutes komen open te liggen.

    Een ‘polaire zijderoute’, twee keer zo snel

    ‘Kan één enkele zeeroute tegelijk de handelsstromen én de geopolitieke machtsverhoudingen veranderen?’ vroeg South China Morning Post zich op 20 september af, bij de opening van de eerste regelmatige vrachtverbinding tussen China en Europa via de Noordoostelijke Doorvaart – of, zoals Beijing haar liever noemt, de ‘polaire zijderoute’.
    Het was de Istanbul Bridge, met haar 4890 containers, die deze zogenoemde Arctic Express inluidde. De route verbindt in achttien dagen drie Chinese havens met vier Europese (Felixstowe, Rotterdam, Hamburg en Gdańsk), tegenover veertig dagen via het Suezkanaal.
    Voorlopig is de route alleen begaanbaar tijdens de periode van ijsafsmelting, van eind juli tot begin november.

    Volgens klimaatscenario’s zou de Arctische Oceaan tegen 2050 ’s zomers vrijwel ijsvrij kunnen zijn – mogelijk zelfs al binnen tien jaar – wat de klimaatcrisis verder zou verergeren. ‘Maar zulke projecties kennen aanzienlijke onzekerheden,’ zegt Knies aan boord van de Kronprins Haakon. Toekomstvoorspellingen zijn immers gebaseerd op computermodellen en meetgegevens. Satellieten en instrumenten volgen weliswaar voortdurend de opwarming van de oceaan en het smelten van het ijs, maar directe waarnemingen beperken zich tot het heden en het recente verleden – waarin er ’s zomers altijd zeeijs was, aldus Knies.

    Eind augustus bereikt het team de Lomonosovrug, een onderzeese bergketen die dwars door de centrale Arctische Oceaan loopt. Tijdens een flinke sneeuwbui en met een gevoelstemperatuur van -10 graden, laten de onderzoekers een twintig meter lange stalen buis van enkele tonnen gewicht via een dikke kabel naar de zeebodem zakken. In de nacht ervoor is de bodem met echopeilers in kaart gebracht, om een voldoende dikke sedimentlaag te treffen, ongeveer een kilometer onder het ijs. Twee uur later wordt de buis weer aan dek gehesen, bedekt met modder.

    De volgende dag ligt de 15 meter lange sedimentkern, in de lengte doorgesneden en in kortere segmenten verdeeld, op een tafel in het scheepslaboratorium. De kern vertoont duidelijk verschillende lagen, met variaties in kleur en korrelgrootte. Af en toe zijn er kleine steentjes te zien, die ooit in ijsbergen of ijsschotsen hebben vastgezeten en vanaf de Arctische kusten zijn meegevoerd. Voor het expeditieteam vormt het monster een venster op een ver verleden: waarschijnlijk bestrijkt het honderden duizenden jaren aardgeschiedenis.

    DOS Noordpool 19 compressed
    © Tim Kalvelage

    Sedimentkernen stellen paleoklimatologen in staat het klimaat en milieu van vroegere tijdperken te reconstrueren. Dat kan dankzij de voortdurende ‘regen’ van deeltjes vanaf het zeeoppervlak naar de diepzee. Mariene sedimenten functioneren als nauwgezette archivarissen en documenteren watertemperaturen, de sterkte van oceaanstromingen en andere parameters. Die informatie ligt opgeslagen in de chemische en fysische eigenschappen van planktonresten en verpulverd gesteente op de zeebodem.

    Tijdens hun vijf weken durende tocht willen de onderzoekers deze klimaatschatkamer ontsluiten en het Arctische archief ontcijferen. Langs de route van Spitsbergen via de Noordpool naar de noordoostkust van Groenland nemen ze talrijke bodemkernen. Terug op land worden de monsters laag voor laag geanalyseerd. Eerst bepalen de onderzoekers de ouderdom, met behulp van koolstofdatering en de oriëntatie van mineraaldeeltjes ten opzichte van het vroegere aardmagnetisch veld. Voorlopige metingen wijzen erop dat sommige sedimenten tot twee miljoen jaar oud zijn en dateren uit het Pleistoceen, een periode met afwisselende koude en warme fasen.

    Daarna willen de onderzoekers nagaan welke gevolgen klimaatveranderingen destijds hadden voor het Arctisch gebied. Zo analyseren ze biomarkermoleculen van ijsalgen, die aanwijzingen geven over de omvang van het zeeijs in het verleden.

    Verdachte investeringen?

    Van een ‘geleidelijke infiltratie van China voorbij de poolcirkel’ – zo spreekt de Taiwanese commentator Yun Cheng in een opiniestuk in de krant Ziyou Shibao in Taipei. Volgens hem is ‘Trumps bezorgdheid over Beijings ambities in Groenland niet ongegrond’. Hij wijst daarbij op ‘massale incesteringen en de aankoop van land door Chinese actoren ij IJsland en Groenland sinds de jaren 2010.’
    Ook in afgelegen delen van het Canadese Noordpoolgebied bestaat de grootste bevolkingsgroep volgens hem uit Chineessprekende arbeiders. Deze vestigingen zouden erop gericht zijn het idee te verankeren dat China een ‘quasi-Arctische staat’ is – zoals het zichzelf noemt in een witboek over zijn Arctisch beleid uit 2018.
    Dat concept is volgens Yun Cheng ‘uit de lucht gegrepen’ en daagt de internationale gemeenschap uit door China te presenteren als ‘een actieve bijdrager aan ARctische aangelegenheden in het kader van de opbouw van een gemeenschap met een gedeelde toekomst voor de mensheid’. Hij waarschuwt dat deze investeringen – in kapitaal, middelen en mensen – ‘gemakkelijk de voorhoede kunnen vormen van Chinese militaire en inlichtingenactiviteiten’.

    Adele Westgard van de Arctic University of Norway in Tromsø richt zich op organismen die in alle oceanen voorkomen, zowel aan het oppervlak als op de zeebodem. ’s Ochtends laat ze samen met een collega een planktonnet in de diepte zakken. De vangst ligt later onder de microscoop in het scheepslaboratorium. Met een fijn penseel selecteert de geochemicus tientallen eencellige organismen met kalkhoudende schelpjes: foraminiferen, zo klein als zandkorrels.

    Deze micro-organismen bouwen hun omhulsels op uit zeewater, waarna ze als fossielen in het sediment bewaard blijven. Met levende foraminiferen onderzoekt Westgard hoe temperatuur, zoutgehalte en zuurgraad de chemische samenstelling van de schelp beïnvloeden. ‘Die weerspiegelt namelijk de heersende milieuomstandigheden,’ legt ze uit. Door fossiele schelpjes uit de sedimentkern te vergelijken met hedendaagse data kan zij bijvoorbeeld vaststellen hoe warm de oceaan vroeger was – met een nauwkeurigheid tot een halve graad.

    Het is onduidelijk wanneer de Arctische Oceaan voor het laatst zo sterk opwarmde dat al het zeeijs verdween. Mogelijk gebeurde dat tijdens het Eemien, een warme periode tussen 130.000 en 115.000 jaar geleden. Toen was het in het Arctische gebied in de zomer tot 5 graden warmer dan nu. Ten noorden van Groenland lag open water, de ijskap van het eiland trok zich sterk terug en grote hoeveelheden zoet water vertraagden de Atlantische omwentelingscirculatie. Volgens klimaatmodellen zou een vergelijkbaar scenario zich in de nabije toekomst opnieuw kunnen voordoen.

    DOS Noordpool 23 compressed edited scaled
    © Tim Kalvelage

    Hard bewijs voor een volledig ijsvrije Noordpool uit die periode ontbreekt echter. ‘Tot nu toe beschikken we vooral over monsters uit de randzone van het ijs,’ zegt Knies. Die laten zien dat het gebied tijdens warme perioden in de winter altijd met zeeijs bedekt bleef. ‘Maar of het ijs in de zomer ooit volledig verdween, weten we niet.’ Juist daarom zijn de sedimentkernen van deze expeditie zo waardevol: ze moeten dat kennishiaat opvullen. Eerdere boringen in het centrale Arctische gebied leverden tegenstrijdige resultaten op, onder meer over de ouderdom van de sedimenten.

    Daarbij zijn analysemethoden de afgelopen jaren sterk verbeterd. Een relatief nieuwe techniek is de analyse van fossiel DNA in mariene sedimenten. Vooral plankton, maar ook vissen en plantaardig materiaal dat in zee terechtkomt, laat DNA-sporen achter in de diepzee. In noordelijk Groenland zijn al DNA-fragmenten van twee miljoen jaar oud gevonden in landafzettingen. ‘Maar niemand heeft dit tot nu toe onderzocht in zulke oude afzettingen van de Arctische Oceaan,’ zegt paleo-ecoloog Stijn de Schepper van de Universiteit van Bergen en onderzoeksinstituut NORCE, terwijl het schip zich door het pakijs manoeuvreert.

    Canada zet de borst vooruit

    Na de opvallende toespraak van premier Mark Carney, die in Davos de plannen van Trump met Groenland aan de kaak stelde, buigt de Canadese pers zich over de volgende stappen.
    De Canadese premier Mark Carney riep op 20 januari tijdens het World Economic Forum in Davos de ‘middelgrote mogendheden’ op zich te verenigen tegenover de supermachten om weerstand te bieden aan ‘hegemoniale’ krachten, aldus Radio-Canada. Door te wijzen op het belang van waarden als ‘territoriale integriteit van staten’ bevestigde hij opnieuw de steun van zijn land ‘voor het recht van Denemarken en Groenland om zelf de toekomst te bepalen’ van het eiland ‘waar Donald Trump zijn oog op heeft laten vallen’.
    The Globe and Mail meldt dat Ottawa overweegt een contingent troepen te sturen om zich aan te sluiten bij een groep van acht Europese landen die ‘militaire oefeningen in Groenland uitvoeren uit solidariteit met Denemarken’. Het Canadese leger zou zelfs verschillende scenario’s hebben doorgenomen om zich voor te bereiden op een mogelijke Amerikaanse invasie van het eiland. Het Canadese Noordpoolgebied beslaat 40 procent van het nati- onale grondgebied en ligt op zijn dichtstbijzijnde punt slechts 26 kilometer van Groenland. Het land beschikt in de regio over acht militaire bases.
    Mathieu Landriault, directeur van het Observatorium voor Arctisch beleid en veiligheid, zegt tegen persbureau La Presse Canadienne dat het leger zijn aanwezigheid moet uitbreiden, met name voor maritieme operaties.
    Maar volgens de leiders van de Canadese noordelijke territoria volstaat militaire aanwezigheid niet. Zij zien andere prioriteiten, merkt omroep CBC op. De premier van de Northwest Territories, R.J. Simpson, benadrukt dat ook rekening moet worden gehouden met de noordelijke bevolking: ‘Als je naar een kaart kijkt en infrastructuur, wegen en gemeenschappen ziet, dát is soevereiniteit.’ Zijn collega uit Nunavut, John Main, betuigde solidariteit met Groenland en noemt de plotselinge belangstelling voor het eiland ‘diep verontrustend’.
    ‘Canada zou het voortouw moeten nemen op het gebied van Arctische veiligheid om ervoor te zorgen dat de NAVO in staat is haar macht ten noorden van de 60e breedtegraad te projecteren’, betoogt The Toronto Star. ‘Dat impliceert dat openlijk wordt erkend dat Trumps poging om Groenland in te lijven niet alleen onaanvaardbaar is, maar ook een bedreiging vormt voor de collectieve veiligheid van de NAVO.’

    Aan boord is de grootste uitdaging het voorkomen van besmetting van de monsters met modern DNA. In het laboratorium dragen de onderzoekers daarom beschermende pakken en wegwerphandschoenen, en reinigen ze tafels en apparatuur met bleekmiddel. Het fossiele DNA wordt later in Noorwegen in een ultrazuiver laboratorium geëxtraheerd en geanalyseerd.

    Door het genetisch materiaal te bestuderen hopen de onderzoekers inzicht te krijgen in hoe het Arctische ecosysteem er tijdens eerdere warme perioden uitzag – en hoe het in de toekomst zou kunnen veranderen. ‘Als het zeeijs verdwijnt, zullen we waarschijnlijk een volledig ander ecosysteem zien ontstaan,’ zegt De Schepper. Er zullen verliezers zijn, zoals ijsalgen en poolkabeljauw die afhankelijk zijn van zeeijs, maar ook winnaars, zoals fytoplankton dat juist floreert in open water. Wat dat betekent voor de koolstofcyclus en het Arctische voedselweb weet nog niemand precies. De onderzoekers hopen dat de modder uit de diepzee daar antwoorden op zal geven.

    DOS Noordpool 24 hergecomprimeerd edited
    © Tim Kalvelage
  • De aarde warmt op en zweten volstaat niet meer

    De aarde warmt op en zweten volstaat niet meer

    Bij hoge temperaturen koelt ons lichaam af door te zweten. Maar door de opwarming van de aarde werkt deze regulering mogelijk niet meer, waarschuwt deze Japanse krant.

    Door klimaatverandering zijn de Japanse zomers niet meer zoals vroeger. Tussen eind juli en augustus liepen de temperaturen in veel delen van het land op tot boven de 40°C. De hoogste temperatuur, 41,8°C, werd op 5 augustus gemeten in Isesaki, in de prefectuur Gunma (ten noordwesten van Tokio). Dagen met temperaturen boven de 36 of 37°C – de lichaamstemperatuur van een gezond persoon – zijn geen uitzondering meer. Tijdens een hittegolf is zelfs een korte wandeling buiten al genoeg om je flink te laten zweten. In de loop van de evolutie hebben sommige niet-menselijke zoogdieren, zoals paarden en nijlpaarden, het vermogen ontwikkeld om te zweten om hun lichaamstemperatuur te reguleren (zweten kan ook andere functies hebben). Men denkt dat homo sapiens over zijn hele lichaam begon te zweten nadat hij zich had afgescheiden van een voorouder die hij deelt met andere primaten, zoals chimpansees. Verschillende wetenschappelijke studies wijzen erop dat zweten een van de sleutels tot zijn overleving werd.

    Dankzij transpiratie konden prehistorische mensen lange tijd over graslanden en savannes rennen zonder dat hun lichaamstemperatuur steeg. Dit gaf hen een voordeel bij de jacht ten opzichte van dieren die niet zweten, aldus een onderzoek uit 2024, gepubliceerd door Trent University in Canada in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Human Behaviour. Volgens de studie waren onze voorouders daardoor in staat prooien te vangen die vertraagd werden door de in hun lichaam opgebouwde warmte.

    Hoge luchtvochtigheid

    Zweten werkt als volgt. Wanneer de lichaamstemperatuur stijgt, scheiden de zweetklieren zweet af, dat voornamelijk uit water bestaat. Dit zweet verdampt bij contact met de lucht op de huid. Dat maakt dat we ons koeler voelen door de lucht als we zweten.

    Stijgende temperaturen, als gevolg van klimaatverandering, veranderen deze situatie; het lichaam kan niet langer alle warmte afvoeren door verdamping. De belangrijkste oorzaak van deze anomalie is de hoge luchtvochtigheid; de talloze watermoleculen die tussen de lucht en de huid circuleren, voorkomen dat zweet verdampt. In een droge omgeving zoals de woestijn, waar de huid minder wordt blootgesteld aan watermoleculen, droogt zweet snel op en daalt de lichaamstemperatuur. Door 100 milliliter zweet af te voeren, verlaagt een persoon van 70 kilogram zijn lichaamstemperatuur met ongeveer 1 °C.

    Omgekeerd geldt dat bij een hoge luchtvochtigheid zweet niet opdroogt en het lichaam de warmte niet kan afvoeren. De resultaten van een studie die in 2023 werd gepubliceerd door Purdue University in de Verenigde Staten in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences, tonen aan dat als de gemiddelde wereldtemperatuur met 2°C zou stijgen ten opzichte van het pre-industriële niveau, zo’n 4 miljard mensen, met name in India, China en Afrika, te maken zouden krijgen met zomerhitte die hun afvoervermogen te boven gaat.

    Hitteberoertes

    Aangezien in deze regio’s veel mensen om economische redenen geen toegang hebben tot airconditioning, zou dit aanzienlijke problemen met zich mee kunnen brengen, zoals hitteberoertes, die worden veroorzaakt door hittegolven in combinatie met een hoge luchtvochtigheid. ‘Vochtige hitte wordt een grote bedreiging,’ stelden de onderzoekers vast.

    Volgens de Copernicus Climate Change Service, het klimaatinformatieagentschap van de Europese Unie, was de gemiddelde wereldtemperatuur in 2024 1,6 °C hoger dan het pre-industriële niveau. Dat betekent dat we aan de vooravond staan van een wereld waarin transpiratie zijn verkoelende werking verliest. Bovendien belemmeren hoge temperaturen de werking van transpiratie: warmte verplaatst zich naar koelere gebieden, dus als de lucht warmer is dan het lichaam, absorbeert het lichaam de warmte.

    Op warme dagen gebruiken veel mensen een ventilator in plaats van een airconditioner. Riho Izumisawa, hoofd van het project Zero Heatstroke Goal bij de Japanse Meteorologische Vereniging, raadt dit echter af. ‘Wanneer je wordt blootgesteld aan hete, vochtige lucht die door een ventilator wordt verspreid, verdampt je zweet niet en warmt je lichaam nog meer op,’ legt ze uit. Het risico op een hitteberoerte neemt daarmee toe. Hoe kun je in zulke omstandigheden overleven? Riho Izumisawa raadt aan om de schaduw op te zoeken en rustig aan te doen, of naar plekken met airconditioning te gaan.

    In een wereld waar zweten niet langer voldoende is om ons koel te houden, is airconditioning onmisbaar geworden. Maar het verbruikt elektriciteit en de warmte die door de buitenunits wordt afgegeven, verhoogt de temperaturen nog verder, vooral in stedelijke gebieden. Al deze factoren bij elkaar maken dat het van groot belang is dat we zo snel mogelijk op zoek gaan naar een oplossing.

  • Naar Mozart luisteren maakt je niet slimmer

    Naar Mozart luisteren maakt je niet slimmer

    Laboratoria over de hele wereld probeerden met nieuwe experimenten eerdere tegenvallende resultaten te repliceren. In veel gevallen is dit niet gelukt.

    Het vakgebied psychologie maakte een grote crisis mee in de jaren 2010, toen veel algemeen geaccepteerde resultaten veel minder solide bleken te zijn dan eerder werd gedacht. Dit wordt de replicatiecrisis genoemd, het bleek in veel gevallen onmogelijk een experiment opnieuw uit te voeren met dezelfde methode om te zien of het dezelfde resultaten zou boeken (repliceerbaarheid). Met andere woorden: veel gerapporteerde psychologische effecten waren ofwel niet-bestaand – artefacten van de gebrekkige opzet van de experimentator – of zo veel zwakker dan oorspronkelijk beweerd dat ze het grootste deel van hun intellectuele glans verloren.

    De meeste resultaten in het vakgebied repliceren daadwerkelijk en het zou dus jammer zijn om het vertrouwen in het hele vakgebied te verliezen vanwege een paar rotte appels.

    Hieronder een compacte referentielijst van de meest beruchte resultaten uit de cognitieve wetenschap die niet konden worden gerepliceerd en voorlopig als vals moeten worden beschouwd.


    COGNITIEVE PRESTATIES & INTELLIGENTIE

    Mozarteffect

    Geclaimd resultaat: naar Mozart luisteren maakt je tijdelijk slimmer.
    Representatief artikel: Rauscher, Shaw, & Ky (1993)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Pietschnig, Voracek, & Formann (2010)

    Growth Mindset-interventies

    Geclaimd resultaat: leerlingen aanleren dat intelligentie veranderlijk is (niet vast) verbetert hun schoolprestaties drastisch.
    Representatief artikel: Dweck & Leggett (1988)
    Replicatiestatus: gemengde resultaten – veel mislukte replicaties, maar ook enkele succesvolle.
    Mislukte replicatie: Li & Bates 2019
    Opvallende succesvolle replicatie: Yeager et al. 2019 in Nature

    Tweetaligen zijn slimmer

    Geclaimd resultaat: tweetalig zijn brengt aanzienlijke cognitieve voordelen met zich mee op het gebied van aandacht, taak-switching en uitvoerende functies.
    Representatief artikel: Bialystok, Craik, & Luk (2012)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Lehtonen et al. 2018

    Moeilijk maakt rationeler

    Geclaimd resultaat: mensen worden voorzichtiger, analytischer en meer doordacht in het oplossen van mentale problemen wanneer ze onder druk staan; stress zou Systeem 2 activeren.
    Representatief artikel: Alter, Oppenheimer, Epley & Eyre (2007), Studie 4
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Klein et al. (2018)


    EMOTIE & GEDRAG

    Glimlachen-om-je-beter-te-voelen-effect

    Geclaimd resultaat: een pen tussen je tanden houden – waardoor je gezichtsspieren een glimlach nabootsen – maakt cartoons grappiger.
    Representatief artikel: Strack, Martin, & Stepper (1988)
    Replicatiestatus: repliceert niet.
    Bron: Wagenmakers et (54!) al. (2016)

    Honger en risicozoekend gedrag

    Geclaimd resultaat: de geur van versgebakken koekjes maakt mensen risicovoller in hun keuzes.
    Representatief artikel: Ditto et al. (2006)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Festjens, Bruyneel, & Dewitte (2018)


    SOCIALE PSYCHOLOGIE

    Stereotypebedreiging (wiskundeprestaties van vrouwen)

    Geclaimd resultaat: vrouwen presteren slechter op moeilijke wiskundetoetsen wanneer ze zich beoordeeld voelen op het stereotype dat vrouwen slechter zijn in wiskunde.
    Representatief artikel: Spencer, Steele, & Quinn (1999)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Flore & Wicherts (2015)

    Ovulatie en partnerkeuze-effect

    Geclaimd resultaat: vrouwen zouden tijdens vruchtbare dagen extra gevoelig zijn voor aantrekkelijkheid van mannen.
    Representatief artikel: Gildersleeve, Haselton, & Fales (2014)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Stern, Gerlach, & Penke (2020)


    OORDEELSVORMING & BESLUITVORMING

    Het Dunning-Kruger-effect

    Geclaimd resultaat: mensen met lage vaardigheden overschatten hun eigen kunnen systematisch.
Representatief artikel: Kruger & Dunning (1999)
    Replicatiestatus: gemengd – effect blijkt kleiner, zwakker en deels statistisch artefact
    Bronnen: Gignac & Zajenkowski (2020); Magnus & Peresetsky (2022); Lebuda et al. (2024)

    Psychologische afstand & Construal Level Theory

    Geclaimd resultaat: verre gebeurtenissen worden abstracter verwerkt, nabije concreter.
    Representatief artikel: Trope & Liberman (2010)
    Replicatiestatus: serieuze geloofwaardigheidsproblemen
    Bron: wereldwijd onderzoek in 73 labs dat de theorie doorlicht


    PARANORMAAL & CONTROVERSIEEL

    ESP / Voorspellende gaven

    Geclaimd resultaat: mensen kunnen soms toekomstige gebeurtenissen voorspellen op manieren die niet via normale redenering te verklaren zijn.
    Representatief artikel: Bem (2011)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bronnen: Galak et al. (2012); Ritchie, Wiseman & French (2012)

    Objectieve meting van vooroordelen (IAT)

    Geclaimd resultaat: aan reactietijden bij testjes kun je voorspellen of iemand racistisch is.
    Representatief artikel: Greenwald, McGhee & Schwartz (1998)
    Replicatiestatus: gemengd, effecten zijn klein
    Bronnen: Oswald et al. (2013); Cummins & Hussey (2025)

  • Marokko: ontdekking fossielen werpt nieuw licht op oorsprong mensheid

    Marokko: ontdekking fossielen werpt nieuw licht op oorsprong mensheid

    Lees ook het andere korte nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » De Trump-regering overweegt Groenland te kopen

    » VS: agent schiet vrouw dood tijdens ICE-operatie

    De fossielen zijn naar schatting 773.000 jaar oud

    De onlangs in Marokko ontdekte fossielen, die onlangs gedateerd zijn op 773.000 jaar geleden,
    zouden toebehoord hebben aan een gemeenschappelijke voorouder van Neanderthalers,
    Denisovamensen en moderne mensen. Dat concludeert een onderzoek dat woensdag in het tijdschrift Nature is gepubliceerd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Deze ontdekking in Marokko versterkt de hypothese ‘van een diep Afrikaanse oorsprong van de homo
    sapiens en spreekt de Euraziatische oorsprongsscenario’s tegen die door sommige auteurs worden
    geopperd’, legt Jean-Jacques Hublin, een van de auteurs van het onderzoek, uit aan New Scientist.
    Verschillende pogingen om deze fossielen te dateren waren eerder mislukt. Totdat in 2022 een
    methode werd gebruikt die gebaseerd is op de omkering van de magnetische polariteit van de aarde.

    773.000 jaar geleden keerde het magnetische veld van de aarde om. Gesteenten over de hele wereld
    hebben sporen van deze verandering bewaard. De Marokkaanse fossielen werden precies gevonden
    in de lagen die ontstaan zijn bij deze omkering, waardoor een ‘zeer, zeer exacte’ datering mogelijk
    was, aldus Hublin.

  • Een gen uitschakelen, repareren of vervangen

    Een gen uitschakelen, repareren of vervangen

    Gentechnologie maakt het misschien mogelijk om te voorkomen dat een soort überhaupt ooit uitsterft. Maar moeten we dat wel willen?

    Het blijkt verontrustend eenvoudig – en helemaal niet zo duur – om te knutselen aan de genetische code van een levend wezen. Voor een paar duizend dollar kun je een goede microscoop kopen, een injectieopstelling en een buisje CRISPR-Cas9: het gereedschap waarmee je het DNA van een embryo kunt herschrijven. Voeg daar een stapel petrischaaltjes aan toe, een incubator die het precies 28,5 graden houdt en een beetje hand-oogcoördinatie, en je komt een heel eind.

    Het lastigste is nog het vinden van een constante stroom vers bevruchte zebravisembryo’s. In het Marine Biological Laboratory in Woods Hole, Massachusetts, waar ik tien dagen leerde hoe je genetische editing in de praktijk toepast, is dat geen probleem. Elk uur kan het lab een nieuwe batch produceren. Ik leg tientallen eencellige embryo’s op een rij langs de rand van een glaasje. Onder de microscoop zien ze eruit als vergeelde parels. Met een piepkleine glazen naald prik ik in de cellen. Als ik mis, voelen ze aan als tapiocabolletjes in een glas bubble tea; als ik raak, spuit ik er een precies afgemeten dosis CRISPR-Cas9 in, ontworpen om een gen voor oogontwikkeling uit te schakelen.

    Onder de microscoop zien ze eruit als vergeelde parels.

    Een paar dagen later komen de larven uit hun ei. De correct geïnjecteerde dieren hebben geen ogen. Als ik ze zou laten opgroeien – wat ik niet van plan ben – zouden ze zich kunnen voortplanten met andere blinde vissen, tot ik een aquarium vol genetisch bewerkte wezens had. Het procedé is bedrieglijk simpel. De gevolgen zijn dat allerminst.

    Sinds biochemici Jennifer Doudna en Emmanuelle Charpentier een oud afweersysteem van bacteriën ombouwden tot een universeel DNA-bewerkingsinstrument, is CRISPR-Cas9 een oneindig aanpasbaar gereedschap geworden waarmee mensen de taal van het leven herschrijven. Het systeem herkent specifieke patronen in het genetisch materiaal en knipt die eruit met een enzym – Cas – dat als een moleculair scalpel werkt. Je kunt daarmee een gen uitschakelen, repareren of vervangen. Het wordt al gebruikt om landbouwgewassen productiever te maken, fruit zoeter, rijst minder dorstig. En om ongedierte uit te roeien: door onvruchtbaarheid in muggen of vleesetende maden te bouwen, kun je hele populaties laten verdwijnen. Dezelfde logica kan in de andere richting worden gebruikt. Bedrijven werken aan de ‘terugkeer’ van uitgestorven soorten door genen van hun voorouders in te bouwen in nauwe verwanten. Zo presenteerde een biotechbedrijf recent een nest ‘gede-extincteerde’ dire wolves – in feite grijze wolven waarvan slechts een paar genen voor vachtkleur, formaat en kaak zijn aangepast. De proef laat zien hoe ver we inmiddels zijn. We kunnen soorten richting uitsterven duwen, maar ook proberen hen ervoor te behoeden. En dat brengt ons bij een van de kwetsbaarste ecosystemen ter wereld: de koraalriffen.

    Onderwatersteden

    Koraalriffen beslaan minder dan 1 procent van het oceaanoppervlak, maar huisvesten een kwart van alle vissoorten. Ze beschermen kusten tegen stormen en golfslag, zorgen voor voedsel en inkomsten, en slaan grote hoeveelheden koolstof op. Zonder riffen zouden hele kuststeden en economieën instorten. Maar deze onderwatersteden staan op het punt te verdwijnen. Door opwarming en verzuring van de oceaan raken de miljoenen koraalpoliepen gestrest, werpen ze hun gekleurde symbiotische algen af en blijven er witte, ‘gebleekte’ geraamtes over. Eén bleking kunnen ze soms nog te boven komen. Maar als hittegolven elkaar snel opvolgen, sterft het rif.

    Onder de huidige opwarmingsscenario’s kan tegen 2040 zeventig procent van de Atlantische riffen dood of stervend zijn. Bij een stijging van meer dan twee graden stopt vrijwel alle koraalgroei tegen het einde van de eeuw. We zitten nu al rond de 1,3 graad en bewegen ons razendsnel in de verkeerde richting.

    Stel dat we CRISPR kunnen gebruiken om koraal genetisch beter bestand te maken tegen hitte. Dat zou koraal een grotere overlevingskans geven in een opgewarmde oceaan – en tegelijk de menselijke industrieën redden die van riffen afhankelijk zijn. Maar mogen we de natuur aanpassen om onze eigen fouten te maskeren? En als we dat doen, is het dan nog natuur?

    Voor milieufilosoof Christopher Preston is CRISPR een breekpunt. In zijn boek The Synthetic Age beschrijft hij hoe genediting, de-extinctie en klimaat-engineering ons in staat stellen de natuurlijke wereld op ongekende schaal te herontwerpen. Evolutie kan de snelheid van klimaatverandering niet bijbenen, zegt hij, dus moeten wij haar een handje helpen. ‘De vraag is,’ aldus Preston, ‘welke delen van de wereld we overlaten aan natuurlijke processen – en welke we actief gaan ontwerpen zodat ze “beter werken”.’ In sommige gevallen, vindt hij, is de urgentie zo groot dat we niet kunnen wachten. Koraalriffen, met hun enorme ecologische én economische belang, zouden zo’n geval kunnen zijn. Toch is het verschil tussen kunnen en moeten levensgroot. Niet alle genetische ingrepen zijn technisch haalbaar, en zelfs als dat zo is, is het de vraag of we ze wel willen inzetten. Juist daarom zat ik uiteindelijk boven een petrischaaltje gebogen, kijkend naar pakweg honderdvijftig zebravisembryo’s die ik net had voorzien van een nieuwe genetische instructie.

    Geen ogen

    Een dag na de injectie zag ik hoe de embryo’s zich begonnen te ontwikkelen. De dieren die ik had geraakt, hadden geen ogen; de controlegroep wel. Dat klopte precies met de theorie: het doelwitgen is goed beschreven. Maar ik zag ook iets anders. Veel larven waren kleiner dan normaal. Sommige hadden misvormde vinnen, andere zwommen in kleine cirkels. Was dat het gevolg van het uitschakelen van het ooggen, van de injectietrauma’s, of van een onverwachte bijwerking van CRISPR? Ik had geen idee.

    Voor koraal ligt alles nog ingewikkelder. Zebravissen zijn laboratoriumdieren met een tot in detail in kaart gebracht genoom. Voor de meeste koraalsoorten hebben we die kennis nog niet. Om uit te vinden wat elk gen doet, moeten onderzoekers één voor één genen uitschakelen en kijken wat er gebeurt. Dat is precies waar bioloog Phillip Cleves zich mee bezighoudt. Omdat koraal maar een paar nachten per jaar uitzet – rond het begin van de zomer, na volle maan – moest Cleves zijn lab tijdelijk verplaatsen naar het Great Barrier Reef in Australië, wachtend tot zijn Acropora millepora eindelijk ging paaien. Eenmaal zover, verzamelde hij de bevruchte eieren, legde ze in rijtjes in petrischaaltjes en injecteerde ze met CRISPR-Cas9, gericht op HSF1, een gen dat in allerlei soorten, van gist tot mensen, een rol speelt in hittestress.

    Toen de larven uitkwamen en Cleves ze aan hogere temperaturen blootstelde, stierven de exemplaren waarin HSF1 was uitgeschakeld. De rest overleefde. Met die ene ingreep had hij een sleutelgen geïdentificeerd dat iets zegt over de warmtetolerantie van koraal. In theorie zou je het gen nu kunnen aanpassen om het koraal juist beter bestand te maken tegen hitte. Maar tussen iets stukmaken en iets verfijnen gaapt een kloof. Warmteresistentie is waarschijnlijk polygeen – het resultaat van veel genen tegelijk – en verschilt tussen soorten en populaties. Slechts één gen ‘opvoeren’ zou kunnen neerkomen op een cosmetische ingreep, zoals een grijze wolf wit verven en hem dan een dire wolf noemen.

    Screenshot 2025 11 28 at 4.48.33 PM compressed
    Acropora Millepora — © Unsplash

    Ondertussen voltrekt zich in de riffen zelf een ramp. De afgelopen jaren is er in de Caraïben en de Indo-Pacifische regio een reeks blekingsgolven geweest die hele landschappen hebben weggevaagd. Moleculair ecoloog Kate Quigley, die in West-Australië in grote tanks blekingsscenario’s nabootst om te testen welke koralen de hitte doorstaan, beschrijft vooral de geur: rottende vis. ‘Je ruikt dat er dode koralen zijn nog voordat je in de tank kijkt,’ zegt ze. In haar lab worden de sterkste overlevenden gekruist, en voeren onderzoekers hun gegevens in AI-modellen om te voorspellen welke delen van het rif de beste kandidaten zijn voor toekomstige herstelprogramma’s.

    Zowel Quigley als Cleves benadrukt dat ze hun werk voorlopig binnen het lab willen houden. De noodzaak om genetisch aangepast koraal echt in zee uit te zetten zou voelen als een bekentenis van totale mislukking: dat we er niet in geslaagd zijn de uitstoot van broeikasgassen te beperken en de oceanen te beschermen zoals ze zijn. Geen enkele biotechnologische truc kan de vele andere ecosystemen vervangen die verloren zullen gaan als het klimaat blijft opwarmen.

    Genetische editing

    Koraal is uiteraard niet het enige waar CRISPR een rol in speelt. In de oostelijke Verenigde Staten proberen biologen al decennia de Amerikaanse kastanjeboom te redden, ooit een dominante soort in de bossen, maar begin vorige eeuw vrijwel uitgeroeid door een exotische schimmel. Met genetische editing ontstaat nu kans op een schimmelbestendige variant, die hele bosgebieden ecologisch zou kunnen herstellen. Andere projecten gebruiken CRISPR om planten te verbeteren die giftige metalen uit vervuilde bodems trekken, of om algen meer CO2 te laten opnemen. Sommige futurologen dromen zelfs van genetisch aangepaste fytoplankton die in een klap een groot deel van de wereldwijde uitstoot uit de atmosfeer kunnen halen.

    Maar hoe verder we opschuiven van soortbescherming naar ‘planetair dienstverlenerschap’, hoe scherper de ethische vragen worden. Het herstellen van een kastanjebos of een rif ligt nog dicht bij het klassieke natuurbeheer: we proberen iets terug te brengen dat er ooit was. De oceaan volstorten met aangepaste organismen om ons eigen gedrag te compenseren voelt anders. Dan veranderen we de natuur in een soort schoonmaakdienst. Hebben we het recht om de natuur op die manier te herschrijven, zodat wij nog even kunnen doorgaan met wat haar vernietigt?

    Daar komt bij dat CRISPR allesbehalve feilloos is. Het systeem kan genen op de verkeerde plek knippen of reparaties uitvoeren die subtiele fouten tot gevolg hebben. In de kastanjeboomprojecten blijken sommige resistente bomen struikjes te blijven of gevoelig voor andere ziekten; vermoedelijk heeft de edit ergens anders in het genoom schade aangericht. Mijn eigen blinde zebravisjes bleken vaker misvormd of gestunt dan verwacht. In het lab zijn zulke mislukkingen vervelend maar overzichtelijk. In het wild kunnen ze een kettingreactie ontketenen.

    Mijn eigen blinde zebravisjes bleken vaker misvormd of gestunt dan verwacht.

    We weten dat genetisch gemodificeerde aquariumvissen inmiddels hun weg naar Braziliaanse rivieren hebben gevonden, waar ze zich vrolijk voortplanten. Maar zelfs als een ingreep ‘werkt’, kan het resultaat problematisch zijn, zoals wanneer een superkoraalsoort die het in warm water uitstekend doet, andere soorten verdringt, waardoor het rif een kwetsbare monocultuur wordt. Om een heel rif robuuster te maken, zou je in honderden, zo niet duizenden soorten moeten ingrijpen, en bovendien rekening moeten houden met verzuring, bacteriën, vissen en al het onzichtbare leven dat riffen draaiende houdt.

    Hoe dan ook is de geest uit de fles. CRISPR-kits zijn relatief goedkoop en met behulp van AI wordt het steeds eenvoudiger om mutaties te bedenken en te plannen. Er bestaat nauwelijks regelgeving voor wat er met niet-menselijke organismen gebeurt, buiten de ethische grenzen die onderzoekers zichzelf opleggen. ‘Als we ons dan toch als goden gedragen’, schreef milieupionier Stewart Brand ooit, ‘kunnen we dat maar beter goed doen.’

    Goed worden in genetische editing betekent niet alleen efficiënter knippen en plakken, maar ook beter nadenken over het moment waarop we het überhaupt willen inzetten. Voor riffen die nog gezond zijn, klinkt genetische manipulatie als een nachtmerrie. Maar in delen van de Caraïben waar koraal nog slechts als puin op de bodem ligt, zou de tolerantie voor riskante experimenten snel kunnen toenemen. Hoezeer Quigley het idee nu ook verafschuwt, ze sluit zichzelf niet uit. ‘Ik denk dat de tolerantie van mensen voor risicovolle ondernemingen vrij snel zal veranderen zodra dingen echt hard achteruitgaan,’ zegt ze. ‘Het is nou eenmaal verschrikkelijk om je een wereld zonder koraal voor te stellen.’

  • Landkaarten zijn geen onschuldige plaatjes

    Landkaarten zijn geen onschuldige plaatjes

    De Afrikaanse Unie dringt aan op afschaffing van het vervormde klassieke wereldbeeld van de Mercatorkaart. In plaats daarvan wil ze een eerlijke weergave die recht doet aan de werkelijke afmetingen.

    ‘Een landkaart is niet alleen een handig hulpmiddel, het is ook een symbool, en symbolen zijn belangrijk. Voor ons betekent een verbetering van de landkaart ook een verbetering van het wereldwijde narratief over Afrika,‘ zegt Fara Ndiaye, medeoprichter en adjunct-directeur van Speak Up Africa, een van de organisaties achter de campagne Correct the Map. De Afrikaanse Unie (AU) heeft zich onlangs geschaard achter dit initiatief, dat regeringen en internationale onderwijsinstellingen wil laten stoppen met het gebruik van de Mercatorwereldkaart, ten gunste van een waarop de omvang van Afrika preciezer staat afgebeeld. Op de traditionele kaarten wordt het continent verkleind weergegeven.

    ‘Het lijkt misschien alleen maar een kaart, maar dat is het niet,’ verklaarde de vicevoorzitter van de AU-commissie, Selma Malika Haddadi, tegen Reuters. Ze benadrukte dat de Mercatorkaart het valse beeld versterkt dat Afrika ‘marginaal’ is, al is het qua oppervlak het een-na-grootste continent ter wereld.

    Ndiaye ziet de steun van de Afrikaanse Unie als een historische mijlpaal waar een heel krachtig politiek signaal van uitgaat. ‘Het is voor het eerst dat een pan-Afrikaanse instantie duidelijk stelling neemt over de visuele weergave van Afrika,’ zegt ze in een videogesprek met El País. Ze legt uit dat dankzij deze steun een aanvankelijk ‘culturele en maatschappelijke eis verandert in continentaal beleid, dat zich richt op de hele wereld’.

    Voetnoot in eigen geschiedenis

    Voor Carlos Lopes, professor aan de Universiteit van Kaapstad en medewerker van Africa No Filter, de andere organisatie achter het initiatief, is deze steun ‘een teken dat Afrika weigert om langer een voetnoot te zijn in zijn eigen geschiedenis’. In een e-mailuitwisseling benadrukt de hoogleraar dat het niet alleen gaat om een cartografisch debat, maar om ‘waardigheid, scholing en zelfs diplomatie’. ‘Als je huis op Google Maps almaar te klein wordt voorgesteld, zul je uiteindelijk willen dat daar iets aan gebeurt,’ zegt hij.

    Al is dit soort kritiek op de Mercatorkaart niet nieuw, met deze campagne is het debat nieuw leven ingeblazen op een moment van postkoloniale onvrede en hernieuwd bewustzijn van de eigen identiteit. Dat de vervorming zo lang kon standhouden verklaart Lopes uit het feit dat ‘een wereldbeeld dat eenmaal heeft postgevat makkelijk went’. Toch ziet hij kaarten niet als ‘onschuldige plaatjes’. Ze bepalen volgens hem hoe wij onszelf en anderen zien: ‘Als Afrika kleiner lijkt dan het is [in verhouding tot andere continenten], geldt dat ook voor het belang van Afrika in de beleving van burgers en beleidsmakers. De kaart verbeteren is geen vrijblijvend gebaar; het houdt in dat je de werkelijkheid opeist.’

    Voordelen en nadelen van traditionele projecties

    In 1569 achtte de Vlaamse cartograaf Gerard Mercator een nieuwe kaart voor de zeevaart noodzakelijk. Immers, de aarde is rond en trok je bijvoorbeeld een rechte lijn van Sevilla naar Cuba, dan kwam je verkeerd uit, vertelt de Britse historicus Jerry Brotton, schrijver van het boek Een geschiedenis van de wereld in twaalf kaarten. De oplossing waar Mercator mee kwam bevatte onvermijdelijk vervormingen, en hoe noordelijker of zuidelijker, hoe groter die vervorming was. ‘Hij maakte het formaat van Afrika niet expres kleiner,’ zegt Brotton, die herhaalt dat Mercator dit deed om de scheepvaart tussen oost en west te bevorderen.

    Cartograaf Bernhard Jenny, professor aan de Monash-universiteit in Melbourne en medeontwikkelaar van de Equal Earth-projectie, geeft een voorbeeld van zo’n vervorming. ‘Kijk je naar poolgebieden als Siberië, Noord-Canada of Groenland, dan blijken die sterk uitvergroot. Ik laat mijn studenten het formaat van Groenland en Afrika vergelijken; bij Mercator zijn beide grondoppervlaktes even groot, maar in werkelijkheid is Groenland veertien keer zo klein.’

    ‘Dit is de kaart waar we sinds de zestiende eeuw hoofdzakelijk naar hebben gekeken,’ zegt Ndiaye. ‘Ik vind het wel echt belangrijk om te zeggen dat er een specifiek doel mee gediend was, de zeevaart; de opzet was niet een waarheidsgetrouw beeld van de continenten. Maar de wereld heeft de laatste eeuwen een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Nu is het zaak onze instrumenten zo te moderniseren dat ze de werkelijkheid weergeven.’ ‘Kinderen krijgen nog steeds onderwijs aan de hand van de oude kaarten,’ merkt Lopes op. ‘Ze groeien op met het idee dat Afrika maar bescheiden van formaat is, terwijl het in werkelijkheid gigantisch is, groter dan de VS, China, India, Japan en een groot deel van Europa bij elkaar. Waarneming vertaalt zich in vertrouwen en vertrouwen in actie. Dus ja, incorrecte kaarten ondermijnen de slagvaardigheid.

    ‘Kinderen groeien op met het idee dat Afrika maar bescheiden van formaat is, terwijl het in werkelijkheid gigantisch is‘

    Ook weten we dat zo’n vervorming geopolitieke gevolgen heeft, aangezien landkaarten ons beeld versterken van welke regio’s centraal en machtig zijn en welke perifeer,’ zegt Ndiaye. ‘Wanneer op school, in de media en bij internationale organisaties buiten Afrika de juiste afbeeldingen gangbaar worden, helpt dat de verouderde hiërarchie omver te schoppen en tot een evenwichtiger wereld te komen,’ legt ze uit.

    De Mercatorprojectie wordt nog steeds gebruikt door techbedrijven, organisaties en scholen, al doet zich langzaam maar zeker een kentering voor. In 2018 verving Google Maps zijn kaart door een aardbol in 3D, al kunnen gebruikers terug naar de Mercatorprojectie als ze dat liever willen. In de mobiele app blijft die de standaard. Instanties als NASA gebruiken inmiddels projecties als Equal Earth voor klimaatkaarten en een woordvoerder van de Wereldbank bevestigde tegenover Reuters dat ze daar nu Winkel-Tripel of Equal Earth gebruiken voor gewone kaarten en geleidelijk Mercator verwijderen van hun online kaarten.

    De campagne Correct the Map zet in op de Equal Earth-projectie, die in 2018 werd ontwikkeld door Bernhard Jenny, Tom Patterson en Bojan Savric. ‘We vroegen ons af hoe het bestaat dat mensen nog steeds serieus die cartografie [van Mercator] gebruiken voor wereldkaarten. We besloten dat het tijd werd voor actie,’ aldus Jenny. Met Equal Earth willen de makers een alternatief bieden voor de traditionele projecties, in de hoop dat mensen dan beter begrijpen hoe de continenten in elkaar zitten.

    Cartografische vervorming 2

    Volgens de adjunct-directeur van Speak Up Africa speelt er meer dan een herverdeling op de wereldkaart. ‘Als je Afrika op zijn ware grootte laat zien, versterkt dat de trots en het vertrouwen onder Afrikanen, met name bij de jeugd. Daarom vind ik het ook belangrijk dat zij als eersten over de cam pagne worden aangesproken,’ aldus Ndiaye. Ze is van mening dat de verandering vanuit het continent zelf moet komen. ‘Als we precies weten wie wij zijn en wat we in de wereld voorstellen, zal dat onze relatie met anderen vergemakkelijken.’ Wat niet wil zeggen dat de verbetering van de kaart enkel een Afrikaanse kwestie is. Zo’n preciezere weergave van de wereld gaat ons allemaal aan. ‘Als niet-Afrikanen hun kennis van kinds af aan halen uit vervormde kaarten, ontwikkelen ze het valse beeld dat Afrika kleiner is en minder voorstelt dan in werkelijkheid het geval is.’

    Met hun campagne hopen de organisaties, zeker na de bijval van de Afrikaanse Unie, dat Afrikaanse ministeries van Onderwijs de Equal Earth-projectie gaan opnemen in de leerplannen. Ook bepleiten ze dat zowel Afrikaanse als internationale media preciezere kaarten gaan gebruiken bij hun publicaties. Daarnaast willen ze een wereldwijd debat op gang brengen over het beeld van Afrika in het onderwijs en in de collectieve beeldvorming. Volgens Lopes zal de aanpassing ‘niet de ongelijkheid wegnemen, maar helpen bij het corrigeren van een onbewust vooroordeel. Een betere kaart zegt: de wereld is rond, divers en van ons allemaal.’