Singapore is hard op weg het Silicon Valley van de foodtech te worden. De kleine stadstaat wil vanaf 2030 30 procent van zijn voedsel lokaal produceren – met behulp van alternatieve eiwitbronnen, kweekvlees en verticale boerderijen.
Het is een warme avond in Singapore en bij restaurant 1880 aan de oever van de rivier genieten chique gasten van gerechten met intrigerende namen als ‘bosgrond’ en ‘overstroomde toekomst’. Maar de echte sterren van de avond zijn twee minder flamboyant klinkende hoofdgerechten: chicken and waffles en chicken bao.
De gebakken kip op de borden is stevig en gemakkelijk met een vork uit elkaar te trekken. Maar dit is geen gewoon kippenvlees. Het is gemaakt van stamcellen uit een kippenveer en opgekweekt in een speciale bioreactor.
De aanwezigen in het restaurant behoren tot de eerste betalende gasten die kippenvlees uit een laboratorium voorgeschoteld krijgen.
‘Ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen’
Kaimana Chee, chef-kok bij Eat Just, de in San Francisco gevestigde culinaire start-up die de kip heeft gefabriceerd, heeft geholpen bij de bereiding van het diner. ‘Ik was tot tranen toe geroerd, want ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen,’ zegt hij tegen Nikkei Asian Review.
Vanwege alle belemmerende regels en het wereldwijde wantrouwen tegenover in het laboratorium gekweekt vlees was de 43-jarige Chee ervan overtuigd dat het jaren zou duren voor er groen licht kwam. Hij dacht dat het bij Eat Just, waar hij in 2016 kwam werken, zijn missie was om inspirerende gerechten te bedenken die ‘het zaadje moesten planten voor een volgende generatie’. Dus toen Singapore in december 2020 als eerste land de verkoop van dit type eiwit goedkeurde, was Chee stomverbaasd.
Veel waarnemers in deze bedrijfstak waren minder verrast. ‘Het is geen toeval dat Singapore de eerste markt ter wereld voor kweekvlees is,’ verklaart Mirte Gosker van het non-profit Good Food Institute Asia Pacific (GFI APAC). ‘De overheid heeft geïnvesteerd in een gunstig ecosysteem voor voedselinnovatie.’
Betrouwbare voedselvoorziening
Dat Singapore zich op het terrein van laboratoriumvlees en eiwitalternatieven – gemaakt van planten, insecten, algen en schimmels – begeeft, is onderdeel van een welbewust beleid om in de toekomst veerkrachtiger te zijn als er zich schommelingen voordoen in het voedselaanbod.
De stadstaat heeft in Azië het voortouw genomen in de zoektocht naar een betrouwbare voedselvoorziening. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn in deze regio meer dan 350 miljoen mensen ondervoed, terwijl zo’n 1 miljard mensen in 2019 te kampen kregen met matige of ernstige voedselonzekerheid, waarbij het moeilijk was om aan eten te komen of ze daadwerkelijk zonder voedsel kwamen te zitten, soms dagenlang. De uitdaging is nog urgenter geworden sinds het coronavirus toesloeg, waardoor de voedselonzekerheid in Azië nog groter is geworden en overheden alarmerende voorproefjes hebben gekregen van de manier waarop een crisis de voedselvoorraden kan bedreigen.
Een van de maatregelen die Singapore heeft genomen is dat het nu voedsel importeert uit meer landen dan voorheen: ongeveer 170 landen en regio’s, zo’n 30 meer dan in 2004.
In het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn
Singapore streeft er ook naar om zelfvoorzienender te worden. In maart 2019 kondigde de stadstaat de doelstelling ‘30 in 30’ aan: in het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn, terwijl dat nu 10 procent is.
‘Veerkracht betekent het vermogen hebben om verstoringen in de voedseltoevoer op te vangen,’ zegt Paul Teng, expert op het gebied van voedselzekerheid bij de Nanyang Technological University (NTU) in Singapore.
Toen Teng en zijn collega’s rond 2005 onderzoek gingen doen naar voedselveerkracht, lag de focus vooral op voedselzekerheid. ‘Niemand luisterde toen naar ons,’ vertelt hij.
Het is een subtiel, maar belangrijk verschil. Als het om voedselzekerheid gaat, is de situatie in het rijke Singapore behoorlijk gunstig: het staat negentiende op de lijst van landen met de hoogste voedselzekerheid die in 2020 is opgesteld door de Economist Intelligence Unit – maar dat wil niet zeggen dat Singapore achterover kan leunen. ‘De strategie van de overheid was indertijd: ‘Als we ons bbp vergroten en de middelen hebben om voedsel te kopen, dan hoeven we ons geen zorgen te maken, want er zal altijd wel ergens voedsel te koop zijn,’ vertelt Teng. ‘Dat is allemaal goed en wel als er geen verstoringen plaatsvinden in de voedselproductie en in de aanvoerketen.’
Maar grote prijsschommelingen tijdens de financiële crisis van 2008, de exportstop van Maleisië op vis in 2014 en andere gebeurtenissen hebben kwetsbaarheden blootgelegd. En toen kwam de pandemie.
Buffer
‘Covid-19 heeft wereldwijd verstoringen veroorzaakt, doordat sommige exportlanden de uitvoer van bepaalde voedingswaren gingen verbieden om aan hun eigen binnenlandse behoefte te kunnen voldoen, of doordat ze in lockdown gingen,’ zegt Melvin Chow, topman bij de afdeling voedselinfrastructuur, -ontwikkeling en -management van de Singapore Food Agency. Volgens hem zou het vergroten van de voedselproductie volgens de ‘30 in 30’-strategie zorgen voor een buffer om verstoringen in het buitenland op te vangen. Maar meer voedsel kweken is gemakkelijker gezegd dan gedaan in Singapore, dat 50 bij 27 kilometer groot is. Dit op twee na dichtst bevolkte gebied ter wereld heeft maar 1 procent van zijn land beschikbaar voor landbouw.
De stadstaat, die altijd behendig heeft weten om te gaan met zijn beperkte ruimte en hulpbronnen, wil nu zijn ‘capaciteiten op het gebied van wetenschap en technologie aanwenden om innovatieve oplossingen te ontwikkelen’, zegt Chow. En daar komen Eat Just en vergelijkbare start-ups om de hoek kijken. ‘Voor eiwitten die gebaseerd zijn op planten en cellen heb je veel minder ruimte en hulpmiddelen nodig om toch evenveel voedsel te produceren als met traditionele voedselbronnen,’ zegt Bernice Tay, hoofd voedselfabricage bij Enterprise Singapore, een overheidsorganisatie die zich bezighoudt met de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven.
De overheid wil de voedseltechnologie graag stimuleren en heeft tot 2025 144 miljoen Singaporese dollar (ruim 90 miljoen euro) vrijgemaakt voor voedselgerelateerde R&D-programma’s. Enterprise Singapore is ook een samenwerking aangegaan met verscheidene mondiale investeringsmaatschappijen, waaronder Big Idea Ventures, dat een fonds van 50 miljoen dollar (ruim 42 miljoen euro) heeft voor alternatieve eiwitten.
‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech’
In april heeft Singapore de Future Ready Food Safety Hub (FRESH) opgericht, een samenwerkingsverband tussen overheid, bedrijfsleven en de academische wereld, om onderzoek te doen naar de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen en het onderzoek van de bedrijven zelf te ondersteunen. En vanaf september 2021 biedt NTU in samenwerking met GFI APAC studenten de mogelijkheid om een semester lang eiwitalternatieven te bestuderen en kennis op te doen over de commerciële mogelijkheden ervan.
Andre Menezes, medeoprichter van Next Gen Foods, een in Singapore gevestigd bedrijf dat in maart 2021 op soja gebaseerde kippendijen op de markt bracht, noemt de stad een ‘compleet ecosysteem op een heel klein, dichtbevolkt eiland’.
‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech, zegt Menezes, wiens kippendijproduct nu in meer dan 45 plaatselijke restaurants op de kaart staat. In februari haalde Next Gen Foods 10 miljoen dollar op bij een groep investeerders, waaronder de Singaporese maatschappij Temasek International. Het is het grootste investeringsbedrag tot nu toe voor een bedrijf in op planten gebaseerde voedseltechnologie. In juni opende Next Gen Foods nieuwe vestigingen in Hongkong, Macao en Kuala Lumpur.
Binnenboerderijen
Er zijn in Singapore de afgelopen twee jaar meer dan vijftien bedrijven gestart die ‘nieuwe’ eiwitten produceren. Naast Eat Just en Next Gen Foods zijn dat internationale spelers zoals de Californische producent van zuivelvervangers Perfect Day en de bedrijven Shiok Meats en Gaia Foods, die in Singapore zelf zijn opgekomen en respectievelijk werken aan de productie van gekweekte vis, schelp- en schaaldieren en gekweekt rood vlees.
Nog een pijler onder de ‘30 in 30’-doelstelling van Singapore is hightech indoorlandbouw in stedelijk gebied. Er bestaan al 31 van dergelijke ‘boerderijen’, 28 voor groenten en 3 voor vis.
Het feit dat de boerderijen binnen zijn, maakt ze ‘bestand tegen enkele van de gevolgen van klimaatverandering’, zegt Chow. Ze maken gebruik van smart technologieën die ‘het mogelijk maken om meer te verbouwen met minder’, met opbrengsten die per hectare grond tien tot vijftien keer zo hoog liggen als bij traditionele landbouw of op land gevestigde viskwekerijen.
Een van die boerderijen, Commonwealth Greens, kan jaarlijks wel honderd ton groenten oogsten, bijna 1 procent van alle bladgroenten die ter plaatse worden verbouwd. In hoge ruimtes van een groot bedrijfspand verbouwt het bedrijf rijen groene mosterdplanten, snijbiet, zuring en verschillende soorten sla in plastic bakken. Elke groeibak is ongeveer een meter lang en heeft zijn eigen strip felle ledlampen die vanaf het plafond omlaaghangen als verticale jaloezieën.
‘Met het Internet der Dingen kunnen we grote hoeveelheden data verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten’
Voor in elke ruimte liggen de ‘hersens’ van de boerderij: twee sensoren. De ene regelt luchttemperatuur, vochtigheidsgraad, koolmonoxidegehalte en zuurgraden. De andere bepaalt de hoeveelheid en de samenstelling van de vloeibare voedingsstoffen die aan de planten worden toegediend.
‘Onze technologie maakt gebruik van het Internet der Dingen, waardoor we grote hoeveelheden data kunnen verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten,’ vertelt Sven Yeo, medeoprichter en hoofd technologie van Archisen, het agritechbedrijf dat deze boerderij runt. ‘Voor elk gewas dat we verbouwen hebben we iets dat we een recept noemen.’ Dit is in wezen een reeks parameters: licht, pH, temperatuur enzovoort, die Yeo en zijn team precies afstemmen om een plant zo te laten groeien dat die ‘zijn maximale voedingswaarde en smaakprofiel haalt’.
Het op hydrocultuur gebaseerde systeem verbruikt 95 procent minder water en 85 procent minder meststoffen dan traditionele, op aarde gebaseerde systemen. Volgens voorstanders bieden indoorboerderijen en alternatieve eiwitten betere opbrengsten en schoner vlees, met minimaal of helemaal geen gebruik van de pesticiden, antibiotica of hormonen die in de tegenwoordige voedselproducten zitten.
‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten’
‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten,’ zegt Aileen Supriyadi, onderzoeker van marketingresearchbureau Euromonitor International. Met name sinds de recente coronapandemie, en nu de Afrikaanse varkensgriep de veestapels in de regio bedreigt, maken consumenten zich meer zorgen over voedselveiligheid. Toch zijn veel mensen ook sceptisch, vooral tegenover gekweekt vlees. In een YouGov Omnibus-onderzoek onder 1068 inwoners van Singapore in december 2020 zei 48 procent van de ondervraagden dat ze zulk vlees niet zouden eten. Uit een onderzoek van Euromonitor in 2020 bleek dat 36,5 procent van de consumenten in Azië/Oceanië een voorkeur had voor geheel natuurlijke producten, tegen 33,3 procent in Europa en 28,4 procent in Noord-Amerika.
Maar voor Singapore bieden de hightechboerderijen goede mogelijkheden om de voedselproductie op te voeren.
Sommige experts denken dat ook andere Aziatische landen er profijt van zouden kunnen hebben. Indoorboerderijen zijn niet nieuw. Volgens Teng van NTU bestaan er in heel Azië al zo’n vierhonderd. Maar deze compacte landbouwmethode met haar hoge opbrengsten komt vooral goed van pas in sterk verstedelijkte gebieden waar de koopkracht groot is en vastgoedprijzen hoog zijn, aldus Yeo van Archisen.
Jakarta is een goed voorbeeld, zegt Christian Prokscha, oprichter van Eden Towers, dat daar in februari een verticale boerderij begon. ‘Je kunt dingen verbouwen op de heuvels buiten Jakarta,’ zegt hij, ‘maar het probleem is dat je logistieke lijnen dan heel lang zijn.’
Voor indoorboerderijen zijn vooral de kosten van de gebouwen en de geavanceerde apparatuur een grote uitdaging, zegt Yeo. Singapore heeft de afgelopen jaren genereuze subsidies verstrekt, en lanceerde nog in april een fonds van 60 miljoen Singaporese dollar (37,5 miljoen euro), dat ondernemers die een boerderij willen beginnen helpt de eerste bouwkosten op te brengen. Maar weinig Zuidoost-Aziatische landen hebben zulke diepe zakken als Singapore.
Als het om ‘nieuwe’ eiwitten gaat vormen de hoge verkoopprijzen ook een hoge horde om te nemen. Niettemin is Azië bij uitstek geschikt om te profiteren van de verschuiving naar eiwitalternatieven, aldus Gosker van GFI APA, die wijst op de ‘vruchtbare landbouwgronden, uitgebreide infrastructuur en productiekracht, wereldvermaarde innovatiecentra en ongeëvenaarde marktvolume. Lokale producenten kunnen nu een vrijwel ongelimiteerd aantal verschillende ingrediënten krijgen, die volgens nieuwe en innovatieve methodes verwerken en zo de volgende generatie plantaardige vleesvervangers maken – allemaal op hetzelfde stukje van de wereld.’
Velen van ons zijn opgevoed met het idee dat onbekenden gevaarlijk en eng zijn. Maar wat zou er gebeuren als we dat idee loslaten en vreemden gaan zien als een mogelijke bron van troost en saamhorigheid?
Het grootste deel van haar leven heeft Nic andere mensen gemeden. Ze werd grootgebracht door een opvliegende vader en een moeder die haar eigen trauma op haar dochter projecteerde. Die combinatie heeft Nic angstig en eenzaam gemaakt. ‘Mijn primitieve brein was zo geprogrammeerd dat ik voor iedereen bang was, omdat ik had geleerd dat mensen slecht zijn en je pijn doen,’ vertelt ze me. (Nic heeft me gevraagd alleen haar voornaam te gebruiken, om haar privacy te beschermen.)
Nics angst is niet ongebruikelijk in een land waar belangrijke lessen over ‘het gevaar van onbekenden’ erin kunnen resulteren dat je iedereen die je niet kent beschouwt als een potentieel gevaar. Maar Nic zag in dat dit een ongezonde houding is en heeft stappen gezet om zich te kunnen verhouden tot de rest van de wereld. Toen ze ouder werd, ging ze reizen, op zoek naar nieuwe contacten.
Op haar zeventiende ging ze tien dagen met haar klasgenoten naar Europa en het viel haar op dat de mensen daar geregeld een praatje met haar aanknoopten. ‘Als de mensen in Europa zomaar met me wilden praten, ben ik misschien toch niet zo slecht,’ dacht ze. ‘En misschien ga ik niet per se dood als ik zelf eens iemand aanspreek.’
Ze ging vaker op reis en leerde meer mensen kennen. Ze was altijd gespannen, voelde angst en zette zich schrap voor het ergste, maar het ging telkens goed. Ze kwam erachter dat onbekenden, anders dan wat haar altijd was voorgehouden, helemaal niet eng of gevaarlijk zijn. Sterker nog, ze boden haar troost en een gevoel van saamhorigheid. Ze verruimden haar wereld.
‘Greyhound Therapy’
Nic heeft hier tegenwoordig een naam voor: ‘Greyhound Therapy’. Die term verwijst letterlijk naar gesprekjes met degene die naast je in de Greyhound-bus zit, maar is net zo goed van toepassing op gesprekken met andere onbekenden op andere plekken – in een restaurant, bij een bushalte, in een supermarkt.
Deze manier van contact maken heeft haar leven veranderd. In tijden waarin ze het moeilijk heeft zoekt ze troost bij onbekenden en probeert zo ‘de eenzaamheid op afstand te houden’, vertelt ze me.
‘En werkt dat?’ vraag ik.
‘Ik kom vaak thuis met de meest fantastische verhalen’
‘God, ja,’ zegt ze. ‘Ik kom vaak thuis met de meest fantastische verhalen – oké, ik heb niemand om ze mee te delen, maar die verhalen zelf neemt niemand me meer af.’
Nics ervaring is veelzeggend. Uit een enorme hoeveelheid onderzoek blijkt dat de kwaliteit van iemands sociale contacten van grote voorspellende waarde is voor zijn geluk en welbevinden. In de meeste van die onderzoeken is echter alleen gekeken naar hechte banden: met familie, vrienden of collega’s.
De afgelopen vijftien jaar zijn wetenschappers zich gaan afvragen of interactie met onbekenden goed voor ons is: niet als vervanging van die hechte banden, maar als aanvulling erop. De resultaten van die onderzoeken zijn opmerkelijk. Keer op keer blijkt dat we ons na een praatje met een onbekende gelukkiger voelen, meer onderdeel van de samenleving, dat we er mentaal scherper van worden, gezonder, minder eenzaam, dat het ons vertrouwen geeft en optimisme. Toch aarzelen velen van ons, net als Nic aanvankelijk deed, voor ze dergelijke interacties aangaan, al helemaal sinds het coronavirus ons sociale leven zo aan banden heeft gelegd.
‘Onderschat nooit het belang van een positieve connectie’
Tegenwoordig is Nic een succesvolle verpleegkundige die als geen ander in staat is contact te maken met haar patiënten. Ze is getrouwd met een lieve, sociale man. Ze reist nog altijd graag en probeert dan de mensen die naast haar zitten te peilen, of de mensen die in hun eentje aan een tafeltje of aan de bar zitten. Als die mensen een koptelefoon op hebben of ongeïnteresseerd lijken, laat ze hen met rust. Maar als ze ontvankelijk lijken, zegt ze: ‘Hallo, ik ben Nic’ en dan ziet ze wel hoe het verder loopt.
Ze is niet overmoedig of naïef en ze is goed in staat mensen in te schatten, voelt het snel aan als er iets niet goed zit. Maar de gesprekken verlopen meestal prima, wat haar sterkt in het idee dat er veel goeds is in de wereld en dat mensen zich verbonden kunnen voelen met anderen. Ze zegt dat deze ervaringen haar een waardevolle les hebben geleerd: ‘Onderschat nooit het belang van een positieve connectie, hoe klein ook.’
Minimale sociale interacties
In de psychologie wordt het soort uitwisselingen waar Nic het over heeft ‘minimale sociale interacties’ genoemd. Psycholoog Gillian Sandstrom ervoer zo’n tien jaar geleden een vergelijkbare openbaring. Zij was opgegroeid in Canada, bij extraverte ouders die graag een praatje aanknoopten met onbekenden. Sandstrom, die zichzelf altijd als introvert had beschouwd, realiseerde zich op een dag dat ze altijd naar de grond keek als ze over straat liep. ‘Wat stom eigenlijk, dacht ik,’ zegt ze. Dus besloot ze oogcontact met mensen te maken en ze merkte al snel dat dat eigenlijk heel prettig was. Na niet al te lange tijd begon ze ook met onbekenden te praten. Het verbaasde haar hoe makkelijk en leuk dat was.
In de metro zag ze een keer een vrouw met een doos kunstig versierde cupcakes, en daar vroeg ze iets over. ‘Ik weet niet meer precies hoe het gesprek liep, maar ik leerde van haar dat mensen op struisvogels kunnen rijden,’ zegt Sandstrom. ‘Ik was verkocht. Het was gewoon een ontzettend leuk gesprek. Dat wilde ik vaker.’ Later, tijdens een stressvolle periode in haar studie, putte Sandstrom troost uit een nog kleiner, terugkerend contactmoment: zwaaien en glimlachen naar een vrouw met een hotdogkraampje, waar ze elke dag langs kwam. ‘Ik merkte dat het me een goed gevoel gaf: ik zag haar en zij liet merken dat ze mij ook zag. Ik had echt een gevoel van: hier ben ik thuis.’
De proefpersonen die een praatje hadden gemaakt zeiden dat ze er een beter humeur van kregen
Sandstrom besloot zich in dit fenomeen te verdiepen. Samen met de begeleider van haar promotieonderzoek aan de Universiteit van Brits-Columbia vroeg ze een groep volwassenen een praatje te maken met de barista als ze ’s ochtends hun koffie haalden. De onderzoekers hadden het idee dat we onszelf een ‘verborgen bron van saamhorigheid en geluk’ ontzeggen door geen contact te leggen met de mensen achter de bar – door ze in feite niet als mensen te behandelen maar als gevoelloze servicemachines. Daar bleken ze gelijk in te hebben. De proefpersonen die een praatje hadden gemaakt met de barista zeiden dat ze er een sterker gevoel van gemeenschapszin en een beter humeur van kregen, en waren ook nog eens tevredener over de algehele ervaring van het koffie halen.
Andere onderzoekers zijn tot vergelijkbare conclusies gekomen. In een experiment dat psycholoog Nicholas Epley van de Universiteit van Chicago samen met zijn toenmalige studente Juliana Schroeder uitvoerde, kreeg een groep mensen de opdracht om in het openbaar vervoer een praatje aan te knopen met medereizigers. Ook deze mensen maakten melding van een beduidend aangenamere, positievere reis dan de groep die dat niet had gedaan. De gesprekjes duurden gemiddeld maar liefst 14,2 minuten en een overweldigende meerderheid van de deelnemers vond hun onbekende gesprekspartner aardig. Allerlei verschillende persoonlijkheidstypen hadden het naar hun zin.
De sceptici onder ons zullen nu waarschijnlijk denken wat ik ook dacht toen ik deze onderzoeken voor het eerst las: natuurlijk, een gesprekje met een onbekende kan leuk zijn als jij degene bent die het gesprek is begonnen. Maar vindt de ander het ook leuk? We hebben allemaal weleens in een kleine ruimte gezeten met iemand die onophoudelijk aan het woord is en blind is voor hints dat de ander daar niet voor in de stemming is.
Als praten met onbekenden zo prettig is, waarom doen mensen het dan niet vaker?
Om erachter te komen of beide partijen deze interacties waarderen, bedachten Epley en Schroeder een ander experiment. Deelnemers moesten kleine taken verrichten die niets met het bewuste onderzoek van doen hadden en konden tussendoor even pauzeren in een wachtkamer. Sommige deelnemers kregen te horen dat ze een praatje moesten beginnen met de ander die in de wachtkamer zat, een ander deel van de deelnemers kreeg te horen dat ze juist niet mochten praten; de mensen die al in de wachtkamer zaten, hadden geen instructies gekregen. De mensen die een praatje maakten – zowel de mensen die het gesprek waren begonnen als de mensen die werden aangesproken – meldden een duidelijk prettigere ervaring dan de mensen die hadden gezwegen.
Als praten met onbekenden zo prettig is – en zo goed voor ons – waarom doen mensen het dan niet vaker? Dat is een grote vraag, die samenhangt met kwesties als etniciteit, klasse en gender, cultuur, bevolkingsdichtheid en decennia van (soms terechte) waarschuwingen voor onbekenden. Maar in de kern lijkt het antwoord tweeledig: we gaan ervan uit dat onbekenden ons niet leuk zullen vinden, en we gaan er ook van uit dat wij hen niet leuk zullen vinden.
‘Liking gap’
In een onderzoek van Epley en Schroeder waren de deelnemers die in het openbaar vervoer met onbekenden moesten praten bang dat die onbekenden het geen leuk gesprek zouden vinden. Ze voorspelden dat gemiddeld minder dan de helft van de mensen die ze benaderden met hen zou willen praten. Ze verwachtten dat het moeilijk zou zijn om een gesprek aan te knopen. Maar in de praktijk bleken de mensen open te staan voor een gesprek, niet één van de deelnemers ving bot.
Een vergelijkbaar fenomeen – de zogeheten ‘liking gap’ – deed zich voor in Sandstroms werk met een andere groep psychologen, onder leiding van Erica Boothby. Uit dat onderzoek bleek dat de deelnemers aan het experiment (met name de verlegen deelnemers) het idee hadden dat zij de onbekende leuker vonden dan andersom. Die misvatting weerhoudt mensen ervan dit soort interacties aan te gaan, en op die manier ontzeggen ze zichzelf niet alleen de kortstondige boost van geluk en saamhorigheidsgevoel, maar ook de langetermijneffecten zoals het ontmoeten van nieuwe vrienden, geliefden of zakenpartners.
Hier speelt ook nog een diepere oorzaak. Deelnemers aan deze onderzoeken hadden zeer lage verwachtingen van het gesprekje zelf. Toen Epley en Schroeder forenzen vroegen hoe ze zich zouden voelen als ze met een onbekend iemand zouden praten, in plaats van in zichzelf gekeerd te blijven, zei vrijwel iedereen die zich daar een voorstelling van probeerde te maken dat een praatje met een onbekende de reis er bepaald niet leuker op zou maken. Die verwachting is veelzeggend. Waarom kijken we er zo van op dat een onbekende benaderbaar, aardig en interessant kan zijn?
Met name in steden hebben mensen de neiging onbekenden als een obstakel te zien
Een deel van de inspiratie voor de experimenten in de metro, vertelde Schroeder me, was de gedachte dat het ‘in feite een vorm van ontmenselijking is om te worden omringd door mensen zonder contact met hen te leggen’. Het is ontmenselijkend voor mij, omdat ik een kans misloop een sociaal wezen te zijn – wat in mijn aard zit – en het is ontmenselijkend voor de ander, omdat ik nooit meer dan een glimp opvang van zijn volledige mens-zijn. Met name in steden hebben mensen de neiging onbekenden als een obstakel te zien, aldus Schroeder, en daarom praten we niet met hen. En omdat we niet met hen praten, dringt het nooit echt tot ons door dat zij feitelijk ook mensen zijn.
Dat is het probleem van de zogeheten ‘lesser minds’, zoals Epley en psycholoog Adam Waytz het in 2010 noemden. De theorie luidt als volgt: omdat we niet kunnen zien wat er in het hoofd van een ander gebeurt, hebben we ‘de neiging, die universeel lijkt te zijn, ervan uit te gaan dat de ander in intellectueel opzicht minder ontwikkeld is en oppervlakkiger dan wijzelf’, aldus Epley in zijn boek Mindwise: How We Understand What Others Think, Believe, Feel, and Want uit 2014. Misschien verklaart dat waarom we verwachten dat het contact met onbekenden moeizaam zal verlopen: onbewust denken we dat ze gewoon niet zo veel te bieden hebben.
Praatgroepen
Sandstrom had een andere (en simpelere) verklaring voor het feit dat we niet met onbekenden praten: ze was van mening dat mensen gewoon niet weten hoe dat moet. Daarom besloot ze hun dat te leren. In samenwerking met de inmiddels ter ziele gegane Londense groep Talk to Me organiseerde Sandstrom een reeks bijeenkomsten om duidelijk te maken hoe leuk het kan zijn om met een onbekende te praten – en om meer te leren over de reden waarom mensen daarvoor terugdeinzen. Inmiddels heeft ze verschillende technieken ontwikkeld om die angsten het hoofd te bieden. Zo zegt ze bijvoorbeeld tegen mensen dat ze hun nieuwsgierigheid moeten volgen: iets opmerken, een compliment maken of een vraag stellen. Wel laat ze mensen meestal zelf een aanpak bedenken. Zodra de eerste hobbel is genomen, blijkt de rest bijna vanzelf te gaan. ‘Soms zijn ze nauwelijks meer te stuiten,’ zegt ze. ‘Op een gegeven praten ze maar door. Echt geweldig.’
Sandstrom heeft successen geboekt met deze sessies, maar in haar streven naar duurzame verandering liep ze op tegen een lastig obstakel: de sociale norm waar het gaat om praten met onbekenden, het idee dat je dat gewoon niet doet. De deelnemers aan haar experimenten hebben telkens opnieuw positieve ervaringen, maar ‘als je mensen vraagt naar het volgende gesprek, maken ze zich toch weer zorgen,’ zegt ze. Dus probeerde ze een situatie te creëren waarin praten met onbekenden, enkel en alleen door de herhaling, zo’n natuurlijke handeling wordt dat mensen het uit gewoonte gaan doen, zonder de gebruikelijke angsten. De truc, meent zij, is ‘mensen heel veel gesprekken te laten voeren’.
‘Onbekenden zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam,’ verklaarde een van de deelnemers
Met behulp van een app, GooseChase, zette Sandstrom een soort speurtocht op touw, met een lijst van heel diverse mensen met wie de deelnemers een gesprek moesten voeren: goedlachse mensen, mensen die er artistiek uitzien, mensen met hun armen vol spullen, mensen die verdrietig lijken, mensen die er aardig of modieus uitzien, mensen die een tattoo hebben of een ‘prachtige stropdas’ dragen. Ook nu logen de resultaten er niet om. De deelnemers vonden het veel makkelijker dan verwacht om een gesprek met een onbekende aan te knopen en gaande te houden, en de gesprekken duurden bovendien drie keer zo lang als verwacht. Zo’n 80 procent zei iets nieuws te hebben geleerd, 41 procent zei contactgegevens te hebben uitgewisseld. Sommige deelnemers werden vrienden, gingen samen uit, gingen samen koffiedrinken.
Zoals Sandstrom al had voorspeld, gingen de deelnemers veel minder pessimistisch aankijken tegen het idee een gesprek aan te knopen met een onbekende. Een week nadat ze alle verschillende soorten mensen op hun lijstje hadden afgevinkt, hadden de deelnemers meer vertrouwen in hun eigen gespreksvaardigheden en waren ze minder bang om afgewezen te worden. Ook hun kijk op andere mensen was veranderd. Zoals een van de deelnemers in de evaluatie schreef: ‘Onbekenden zijn over het algemeen vriendelijk en behulpzaam.’
Bij het lezen van alle evaluaties van Sandstroms onderzoek proefde ik steeds iets wat een licht gevoel van opluchting leek. Ik herkende dat gevoel, omdat ik mezelf ook al geregeld had afgevraagd waarom ik zo’n prettig licht gevoel kreeg als ik een leuk gesprekje had gevoerd met een onbekende. Toen ik Sandstrom hiernaar vroeg, zei ze iets wat me terugvoerde naar het verhaal van Nic, haar onveilige jeugd en haar ervaring met Greyhound Therapy. ‘Volgens mij komt die opluchting voort uit het feit dat we van jongs af aan de boodschap meekrijgen dat de wereld een gevaarlijke plek is. En dan voer je een gesprekje met een willekeurig iemand, en dat blijkt dan leuk te zijn, en dan heb je zoiets van: misschien is het allemaal zo erg nog niet.’
In Mexico zijn nog maar vijf gletsjers over, die zich op twee bergen bevinden: de Iztaccíhuatl en de Pico de Orizaba. In totaal gaat het om minder dan één vierkante kilometer ijs en volgens deskundigen zijn de gletsjers rond 2050 verdwenen. De oorzaak van het snelle verdwijnen van deze watervoorziening is ontegenzeggelijk de opwarming van de aarde.
In Mexico zijn nog maar vijf gletsjers over, die zich op twee bergen bevinden: de Iztaccíhuatl en de Pico de Orizaba. In totaal gaat het om minder dan één vierkante kilometer ijs en volgens deskundigen zijn de gletsjers rond 2050 verdwenen. De oorzaak van het snelle verdwijnen van deze watervoorziening is ontegenzeggelijk de opwarming van de aarde.
De gletsjertong en het firnbekken van de Ayoloco-gletsjer zijn zo goed als verdwenen. Alleen een muur van oud ijs en gletsjerkrassen in de rotsen zijn er stille getuigen van dat hier in hartje Mexico op 4700 meter hoogte, op de top van de vulkaan Iztaccíhuatl, ooit een gletsjer was. De groeven die deze ruige, 200 meter dikke ijsmassa heeft achtergelaten, zijn nog heel tastbaar. Als een bulldozer sleurde hij stenen mee op zijn weg naar beneden en deponeerde die op een grote modderige hoop onderaan de helling. En met zijn oeroude krachten overdekte hij de reusachtige bruine rotsmassa’s die hij niet in beweging kreeg met krassen [gletsjerkrassen of striaties zijn krassen in gesteente die door de schurende werking van gletsjers ontstaan].
Midden in een sneeuwstorm zijn twee onderzoekers van de Nationale Autonome Universiteit van Mexico (UNAM) bezig een metalen gedenkplaat te plaatsen in een van de oeroude geulen. Eerst smeren ze lijm op de plaat, vervolgens zetten ze hem stevig vast met schroeven, zodat hij de volgende storm zal overleven. ‘Deze plaat herinnert ons eraan dat hier ooit de Ayoloco stroomde,’ zegt glacioloog Hugo Delgado. ‘En dat die zich steeds verder terugtrok en in 2018 compleet verdween, als gevolg van de klimaatverandering door menselijk handelen.’
‘De mens had lang geleden al actie moeten ondernemen’
De geoloog wijdt zijn hele carrière al aan het bestuderen van de Mexicaanse gletsjers en benadrukt dat de mens lang geleden al actie had moeten ondernemen. Het verdwijnen van deze watervoorziening is namelijk onomkeerbaar. Het enige wat nu nog over is van de gletsjers in het Mexicaanse hooggebergte zijn kale hellingen met her en der wat stenen, die er als botten over verspreid liggen.
De Ayoloco op de Iztaccíhuatl – met zijn 5230 meter de op twee na hoogste bergtop van het land – is de laatste gletsjer die verdween. Op de berg die aan een slapende vrouw doet denken werden in 1958 nog elf gletsjers geteld. Daarvan zijn er nu nog maar drie over: de Pecho, de Panza en de Suroriental. Samen zijn die goed voor amper 0,2 vierkante kilometer ijs. In 1850, de laatste bloeiperiode tijdens de zogeheten Kleine IJstijd, was dat nog 6,23 kilometer. In 170 jaar is de berg dus ruim 95 procent van zijn gletsjermassa kwijtgeraakt.
In heel Mexico zijn nog maar twee andere gletsjers over: de Glaciar Norte en de kleinere Glaciar Noroccidental. Samen hebben ze een oppervlak van iets meer dan 0,6 vierkante kilometer. Ze bevinden zich op de Pico de Orizaba, ook wel Citlaltépetl genoemd, op de grens tussen de staten Puebla en Veracruz. Met zijn 5675 meter is dit de hoogste berg van het land. De laatste zestig jaar zijn vier van zijn gletsjers verdwenen. Ook de Norte, de laatste hoop van geologen, is op sterven na dood. Zijn gletsjertongen, acht ijstentakels die de berg af kronkelden, is hij al kwijt. ‘De rotsen zijn al te zien, de ijsdikte is minimaal,’ zegt Delgado, die tot april dit jaar directeur was van het Instituut voor Geofysica van de UNAM.
De toekomst ziet er slecht uit voor de laatste vijf Mexicaanse gletsjers. De geoloog voorspelt dat de drie gletsjers op de Iztaccíhuatl de komende vijf jaar zullen verdwijnen; die op de Pico de Orizaba geeft hij nog twee decennia. Hoe dan ook ‘zijn er in 2050 geen gletsjers meer in Mexico’.
En niet alleen hier is het aftellen begonnen. Delgado vertegenwoordigt Mexico in de internationale groep voor gletsjeronderzoek. Hij vertelt dat hij altijd plagerige grapjes moest aanhoren van collega’s uit Ecuador en Peru die opschepten over hun schitterende exemplaren. ‘Binnenkort hoef je niet meer naar onze bijeenkomsten te komen, zeiden ze dan lachend tegen me,’ vertelt hij. ‘Ze vonden de omvang van mijn gletsjers altijd een lachertje, maar maken zich tegenwoordig grote zorgen over hun eigen gletsjers, waarvan het ijs nu ook zienderogen smelt.’
Overal op aarde zie je dit drama zich voltrekken. Van de Ok in IJsland, de Pizol in Oostenrijk, de aangekondigde dood van de Spaanse gletsjers tot en met de vorming van meren in de Himalaya, overal wordt afscheid van ze genomen. Geen gletsjer ontkomt aan de opwarming van de aarde. Ze zijn een van de meest evidente en logische sensoren van klimaatverandering geworden: hoe hoger de temperatuur op aarde, hoe sneller ze krimpen. En het feit dat ze aan de lopende band verdwijnen is tekenend voor het leven dat ons op aarde te wachten staat: heter, droger, uitgeputter.
Knerpende voetstappen op de aarde, zware ademhaling en het geselen van het gras dat de hellingen van de Iztaccíhuatl als een deken heeft begroeid. Naarmate we hoger komen, kwijnt de vegetatie weg en worden de rotsen zichtbaar. Net onder de sneeuwlijn zien we op een open plek kruisen staan. Deze zijn opgericht voor Luis Rosas, een bergbeklimmer die in 1971 verongelukte, en Daniel Peralta die, nadat hij vele toppen had bedwongen, hier in 2013 eveneens om het leven kwam. Dit soort gedenkplaten ter nagedachtenis aan bevlogen alpinisten vormden de inspiratie voor een plaat voor de Ayoloco.
Popocatépetl
Plotseling wordt de stilte op het pad verstoord door een laag en aanhoudend gerommel. ‘Horen jullie dat? Dat is een gaslek, onder hoge druk. Je hoort ook wat explosies, het is de Popocatépetl,’ roept Robin Campion enthousiast. Hij is vulkanoloog aan de UNAM en vergezelt Delgado op zijn gletsjerexpedities. Vanaf de voet van de Iztaccíhuatl zie je de rookpluim van deze imposante vulkaan. De pluim tekent zich duidelijk af tegen de heldere hemel, als nadrukkelijk geheugensteuntje dat hij er ook nog is.
Ook op de Popocatépetl waren er tot het jaar 2000 gletsjers, maar die zijn na een grote vulkaanuitbarsting allemaal bedolven. ‘Er is nog een klein beetje ijs, maar dat functioneert niet meer als gletsjer, want het stroomt niet meer en groeit niet meer aan. Ironisch genoeg worden die ijsmassa’s eigenlijk in stand gehouden door vulkaanas,’ zegt Delgado. ‘Als de Popocatépetl op een dag inactief zou worden en het ijs zou niet zijn gesmolten door de temperatuurstijging, zou de gletsjer dankzij deze ijsblokken kunnen herstellen.’
Tijdens de beklimming zijn de bergbeklimmers gehuld in een dikke wolkendeken die de voeten, de knieën en de buik van de Iztaccíhuatl bedekt. Op de westelijke helling onderweg naar de Ayoloco bevindt zich het bekken waar tot ongeveer 2012 de Atzintli-gletsjer lag. Vroeger vormden deze gletsjers, als er gebrek aan water was, een belangrijke bron. Hun belang voor de bewoners aan deze kant van de berg spreekt duidelijk uit hun Nahuatl-namen ‘hart van water’ en ‘mijn water’. Nu wonen tussen de morenen hagedissen en zijn deze rotsen op 4500 meter hoogte overdekt met korstmossen.
Toen de temperaturen begonnen te stijgen, zijn beide gletsjers verdwenen doordat ze één voor één onder de zogeheten evenwichtslijn kwamen te liggen. Zo noemen geologen de zone in het hooggebergte waar de gemiddelde jaartemperatuur nul graden Celsius of lager is. Boven die lijn blijven sneeuw en hagel liggen en kan een gletsjer aangroeien. ‘Wanneer een gletsjer aangroeit, stroomt hij omlaag door de zwaartekracht. Maar wanneer hij de evenwichtslijn overschrijdt, komt hij terecht in wat de ablatiezone wordt genoemd,’ vertelt Delgado. ‘Daar ligt de temperatuur boven nul, en dat betekent dat alle neerslag wegsmelt. Gletsjers hebben een dynamiek van aangroei en smelten. Er bestaat een bepaald evenwicht waarbij ze ijsmassa behouden en kwijtraken,’ aldus de glacioloog.
Maar deze balans is in de loop der tijd op natuurlijke wijze verstoord. Ooit waren alle bergen in de Vallei van Mexico boven de 3500 meter bedekt met ijs. De Ajusco, de Sierra de la Cruces, de Nevado de Toluca en de Sierra Nevada, op alle bergen waren gletsjers. In 1958 lag de evenwichtslijn in Mexico nog op 4500 meter en nu is dat 5250 meter. Alle gletsjers op de Iztaccíhuatl zitten al onder deze grens.
Vonnis
Terwijl de onderzoekers de gedenkplaat vastzetten op de Ayoloco, valt er een dik pak sneeuw op de buik van de berg. Het regenseizoen is net begonnen en op deze hoogte sneeuwt het onophoudelijk grote vlokken. Maar grote bruine plekken blijven open. ‘De sneeuw blijft maar een paar dagen liggen, met een beetje geluk een paar weken. Maar dan is alle sneeuw gesmolten en groeien de gletsjers niet meer aan.’ De drie laatste gletsjers op de Iztaccíhuatl zitten verborgen in kraters. Daar wordt de ijsmassa beschermd door het bekken. ‘Door de geomorfologische omstandigheden zijn ze er nog, maar de kans dat ze blijven voortbestaan is eigenlijk nihil.’ Het vonnis: ‘Hun tijd is gekomen.’
Bij de Pico de Orizaba ligt dat anders. De top en de gletsjers liggen nog steeds 120 meter boven de evenwichtslijn. Maar geologen hebben een ander probleem ontdekt: een gebrek aan synchronisatie. Wanneer het sneeuwt in het regenseizoen – dat in Mexico in de zomer valt – blijft de sneeuw door de hoge temperaturen niet liggen. En als het wel koud genoeg is, valt er geen neerslag. ‘Als het zo doorgaat met de temperatuurrecords, zijn ze over een paar decennia verdwenen,’ zegt Delgado.
Afgezien van de opwarming van de aarde moeten de Mexicaanse gletsjers zien te overleven midden tussen de industriezones in de Vallei van Mexico en Puebla en overbevolkte steden als Mexico-Stad en Ciudad Nezahualcóyotl. Bovendien hebben ze te kampen met een lokale factor: wanneer gletsjerijs smelt, komen donkere rotsen tevoorschijn die de zonnestralen niet weerkaatsen maar juist absorberen. Met weer extra opwarming tot gevolg.
Ook het enige glaciologische station dat de ijsmassa’s op de Pico de Orizaba kan observeren – door blikseminslag en materiaaldiefstal heeft het station op de Iztaccíhuatl maar een paar maanden bestaan – bevestigt dat het ijs in Mexico ‘heet ijs’ is. De temperatuur ligt er zo dicht bij nul dat het ijs bij de minste stijging smelt. Bovendien hebben de gletsjers, door hun hoogte en ligging, in de droge seizoenen (ook al zijn de temperaturen dan laag) zo veel last van de zon dat het ijs sublimeert: het gaat van zijn vaste toestand direct over in gas en verdampt.
‘De werkelijke uitdaging is nu wat we eraan gaan doen’
Delgado heeft de Iztaccíhuatl in 1974 beklommen en daarbij geleerd om op sneeuw te lopen. Met hamer en ijshouweel beklom hij het schitterende Ayoloco-bekken. Om zich voor te bereiden op een expeditie naar de Himalaya leefde hij in 1979 twee weken lang in deze zeven kilometer lange siërra. Hij verloor er bovendien zijn beste vriend, die de berg wel honderd of misschien zelfs tweehonderd keer had gelopen. Delgado, die de Iztaccíhuatl als een vriendin ziet, vat de toestand van de Mexicaanse gletsjers als volgt samen: ‘Onze gletsjers zijn echte helden: ze strijden tot ze erbij neervallen.’
De onomkeerbare verdwijning van unieke Mexicaanse gletsjers op 20 graden noorderbreedte betekent het verlies van een betrouwbare sensor van klimaatverandering, maar vooral het verlies van een belangrijke watervoorziening. In dit steeds dichterbevolkte en drogere land – de laatste 34 jaar is de gemiddelde temperatuur in Mexico twee graden gestegen – zijn gletsjers in het droge seizoen een extra hulpbron voor gemeenschappen die in de buurt van de bergen wonen. Gletsjers zijn goed voor ongeveer 5 procent van de waterkringloop in die regio’s, dankzij smeltwater of doordat ze de grondwaterstand voeden. ‘Het is niet veel, maar alle kleine beetjes helpen,’ zegt Delgado.
Alle voortekenen – krimpende gletsjers, smeltende polen, leeglopende stuwmeren – wijzen in dezelfde richting: ‘Er is steeds minder water beschikbaar. Onze samenleving gaat last krijgen van waterstress. Dat probleem bestaat nu al, alleen heeft het zijn volle omvang nog niet bereikt. De werkelijke uitdaging is nu wat we eraan gaan doen.’
Voor de stervende ijsmassa’s op de bergtoppen is alle hoop vervlogen, en ook de opwarming van de aarde kan niet meer worden teruggedraaid, waarschuwt de glacioloog. Maar we kunnen wel proberen dit proces af te remmen. De uitstoot van broeikasgassen terugdringen, water besparen, ontbossing tegengaan en investeren in milieueducatie: het is allemaal hoognodig. Delgado heeft vooral vertrouwen in de volgende generaties. ‘Het gaat hier niet om de bescherming van de planeet, maar van de omgeving waarin wij als soort kunnen overleven. Ons voortbestaan staat op het spel.’
Lange tijd is de westerse wetenschap beheerst door antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats inneemt in het centrum van de wereld. Doordat dit voor Japan niet gold, ontdekten studenten hier ‘precultuur’ bij dieren. Ben Crair wilde dit zelf waarnemen en koos ervoor de Japanse sneeuwaap te bestuderen: die was het schattigst.
De Snow Monkey Expresswas bijna leeg toen ik met een paar andere toeristen van Nagano naar de laatste stop in Yamanouchi reed, een stad met 12.400 inwoners. Een spandoek verwelkomde ons in Snow Monkey Town en borden op het station toonden rode Japanse makaken die tot aan hun nek in warm bronwater zaten te weken. De apen hadden de ogen gesloten en de armen uitgestrekt terwijl stoom om hen heen opsteeg en sneeuwvlokken neerdaalden in de droge vacht op hun hoofd.
Na een lange reisdag besloot ik zelf een duik te nemen in een van de onsenbaden van de stad. Ik liet mezelf in het kokendhete zwavelhoudende water zakken en dacht aan soortgelijke ervaringen die ik op andere plaatsen had gehad: de geurige vochtige hitte van de Russische banya, het Indiase ayurvedische stoombad in de kitscherige cabine. Door de eeuwen heen hebben mensen over de hele wereld de eenvoudige praktijk van het baden op vele verschillende uitgebreide manieren beoefend. Japanse primatologen waren de eersten die zich afvroegen of ook dieren hun eigen rituelen hebben ontwikkeld.
De sneeuwapen zijn een van de vele groepen Japanse makaken die de manier waarop we dieren en onszelf zien hebben veranderd. Ze hebben ons geholpen de ware complexiteit van dierlijk gedrag te herkennen – en daarmee inzicht gegeven in de evolutionaire oorsprong van ons gedrag. Mijn plan was om verschillende van deze apentroepen door heel Japan te bezoeken en in deze Snow Monkey Town te beginnen omdat, nou ja, de apen hier het schattigst waren.
Allesbehalve zen
De volgende ochtend liep ik enkele kilometers door het bos naar het Jigokudani Monkey Park, waar een bord voor een ‘apenonsen’ over een voetgangersbrug wees. De poel stoomde op de rand van een klif boven de Yokoyu-rivier, en in het midden zat een enkele aap, een oud vrouwtje met een lange snuit en ronde amberkleurige ogen. Ze was een van de ongeveer veertig makaken die wel eens in bad gingen. Andere apen kibbelden over het graan dat arbeiders in het apenpark op de rivieroever en op de berghelling hadden uitgestrooid.
De foto’s die ik voor de reis had gezien, gaven een indruk van ontspannen kleine dieren, maar het tafereel was allesbehalve zen. Wetenschappers beschrijven Japanse makakengemeenschappen als ‘despotisch’ en ‘nepotistisch’. Elke aap binnen een bepaalde groep had een plaats in een lineaire dominantiehiërarchie, één voor mannen en één voor vrouwen, en ze verdrongen voortdurend ondergeschikten om hun rang te versterken. De apen waren waakzaam terwijl ze graan uit de sneeuw plukten, ze keken voortdurend over hun schouders om hun buren in de gaten te houden; een hogere aap zou ze aan hun been mee kunnen slepen of zijn tanden in hun nek kunnen zetten.
Toen etenstijd voorbij was, begonnen de apen elkaar te verzorgen – hun manier om niet alleen parasieten te elimineren, maar ook om een meerdere te paaien of een alliantie te vormen. Een paar juvenielen sprongen in de onsen, terwijl volwassen vrouwtjes voorzichtig het water in waadden. Ik hurkte neer voor een vrouwtjesmakaak, die met beide handen een steen vastpakte en haar achterhand onder water plaatste. Haar puberzoon hurkte achter haar terwijl haar dochtertje naast haar peddelde. De zoon kamde met zijn poot door haar vacht, eerst met zijn linkerhand en toen met zijn rechterhand, werkte door haar grijze ondervacht naar de blanke huid en at de stukjes op die hij erin vond. De moeder sloot haar blauwachtige oogleden en legde haar rode wang op de rots tussen haar handen. Haar naam was Tomiko, vertelde een parkmedewerker me. ‘Tomiko houdt erg van onsen’, verklaarde hij.
Apen zoals Tomiko begonnen bijna zestig jaar geleden te baden in de onsen in Jigokudani. ‘Ik was de eerste die ze erin zag gaan’, vertelt een gepensioneerde professor genaamd Kazuo Wada van het Primate Research Institute van de Universiteit van Kyoto. Het was 1963, en hij bestudeerde de apen in Jigokudani. Het park voorzag in die tijd een groep van 23 apen van appels, in de buurt van een onsen waar gasten van een lokale ryokan, een traditionele Japanse herberg, kwamen om te baden. De apen vermeden het water, tot op een dag een appel het bad in rolde. ‘Een aap ging erachteraan en ontdekte dat het warm was’, herinnert Wada zich. Een paar minuten later nam de aap nog een duik. Jonge apen die vanaf de rand toekeken, werden nieuwsgierig en probeerden het al snel zelf.
Zowel wetenschappers als de lokale bevolking keken al jaren naar de Jigokudani-apen, maar tot dat moment had niemand ze het water in zien gaan. Binnen een paar maanden was baden populair bij de jongere apen in de groep. Het was meer dan een rage. Hun baby’s leerden ook zwemmen. Uiteindelijk was een derde van alle apen in de troep aan het baden. In 1967 moest het park om hygiënische redenen een speciale apenonsen in de buurt bouwen zodat ze niet samen met hun gasten in het bad zouden gaan.
‘Monkey see, monkey do’ is een meestal spottend gebruikte uitdrukking voor leren middels imitatie, maar wetenschappers van Jigokudani geloofden dat ze getuige waren van iets diepgaands. Ze waren discipelen van Kinji Imanishi, een ecoloog en antropoloog die in 1967 het Primate Research Institute mede oprichtte. Terwijl westerse wetenschappers het leven als een darwinistische strijd om te overleven beschouwden, geloofde Imanishi dat in de natuur harmonie de basis vormde, en dat cultuur een uitdrukking was van deze harmonie. Hij voorspelde dat bij alle dieren die leefden in een ‘eeuwige sociale groep’ waar individuen van elkaar leerden en generaties lang bij elkaar bleven, een eenvoudige vorm van cultuur zou ontstaan. Antropologen hadden nooit aandacht besteed aan dieren, omdat de meesten van hen aannamen dat ‘cultuur’ strikt menselijk was. Vanaf de jaren vijftig ontdekten Imanishi’s studenten in Jigokudani en andere locaties in Japan dat dit niet het geval was.
Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken
Tegenwoordig zijn culturen niet alleen erkend bij apen, maar ook bij verschillende zoogdieren, vogels en zelfs vissen. Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken. De verspreiding van dit gedrag wordt bepaald door de sociale relaties tussen de dieren – degenen met wie ze tijd doorbrengen en degenen die ze mijden – en verschilt per groep. Onderzoekers hebben bijna veertig verschillende gedragingen bij chimpansees gevonden die ze als cultureel beschouwden, van een groep in Guinee die noten kraakt tot een andere in Tanzania die danst in de regen. Potviswetenschappers hebben verschillende vocale clans geïdentificeerd met hun eigen klikdialecten, waardoor wat een wetenschapper ‘multiculturele gebieden’ noemt in de zee zijn ontstaan.
Cultuur is zo belangrijk voor sommige dieren dat Andrew Whiten, een evolutionair en ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit van St. Andrews in Schotland, het een ’tweede overervingssysteem’ noemt naast genetica. En wanneer dieren verdwijnen, verdwijnen ook de culturen die ze in de loop van de generaties hebben ontwikkeld. Instandhoudingsprogramma’s kunnen soms nieuwe dieren in een leefgebied herintroduceren, maar deze nieuwkomers kennen niets van het culturele gedrag van hun voorgangers. In 2019 publiceerde het tijdschrift Science twee artikelen waarin werd betoogd dat inspanningen voor natuurbehoud de impact van menselijke activiteit op gedrags- en culturele diversiteit bij dieren altijd over het hoofd hebben gezien. De auteurs van een van de artikelen drongen aan op het creëren van ‘culturele erfgoedsites’ voor chimpansees, orang-oetans en walvissen.
De kranten maakten geen melding van Japanse makaken, die namelijk geen bedreigde diersoort zijn. Maar het voorstel van culturele erfgoedsites voor dieren deed me meteen denken aan Japan, waar Imanishi en zijn studenten in de eerste plaats dierenculturen leerden herkennen. Van Jigokudani trok ik naar mijn volgende bestemming: de meest legendarische van hun veldsites, een eiland genaamd Koshima.
‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn’
Vanuit Jigokudani reed ik met een oude bus langs de Pacifische kust door Kyushu, het meest zuidelijke van de vier belangrijkste eilanden van Japan. Kleine huizen werden door hun tuinen grotendeels aan het zicht onttrokken, bergen rezen op en omarmden het water in de ronde blauwe baaien. Deze regio was ooit populair bij Japanse pasgetrouwden, maar de gouden eeuw eindigde toen het gemakkelijk werd om naar plaatsen als Hawaï te vliegen. Ik stapte uit de bus bij het veldstation dat in 1967 was opgericht door het Primate Research Institute en nu wordt beheerd door de Universiteit van Kyoto.
Een Amerikaanse student genaamd Nelson Broche Jr. wachtte me op bij de bushalte. Hij bestudeerde acute stress bij Japanse makaken in het Koshima Field Center. ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn,’ vertelde hij me. Je kunt verschillende soorten makaken vinden in heel Azië, ook in de harten van grote steden zoals Delhi. Japanse makaken hebben zich aangepast aan bijna elke natuurlijke habitat in het land, van de besneeuwde bergen van Jigokudani tot de subtropische bossen op Kyushu.
Broche stelde me voor aan Takafumi Suzumura, die al achttien jaar voor de universiteit van Koshima werkt. We liepen naar het water en ze wezen naar Koshima, een stuk groen bos in een kalme turquoise zee. Het was zo dichtbij dat surfers erheen konden zwemmen. We betaalden een visser om ons om de rotsachtige kustlijn heen naar een verborgen inham met een strand te varen.
De apen stonden op het zand te wachten, als overlevenden van een schipbreuk. Zodra we verschenen begonnen ze te kirren en te zoemen. ‘Dat betekent: “Geef me eten”’, zei Suzumura. Het alfamannetje, Shika, stapte op Suzumura af met zijn staart in de lucht en joeg elke andere aap die te dichtbij kwam weg. In tegenstelling tot de apen in Jigokudani, die volledig onverschillig waren voor mensen, gromden sommige apen op Koshima naar me en vielen me aan als ik in de buurt kwam. Suzumura zei dat ik rustig moest blijven, oogcontact moest vermijden en me geen zorgen moest maken. ‘Ze bijten nooit,’ zei hij.
Imanishi en zijn studenten arriveerden in 1948 op hetzelfde strand. Ze waren op zoek naar bewijs van ‘precultuur’ bij dieren, een fundamenteel proces dat ook de evolutionaire grondslag zou kunnen zijn van de diverse en verfijnde samenlevingen van de mens. Hun doel was om te onderzoeken hoe ‘een eenvoudig gedragsmechanisme zich heeft ontwikkeld tot een hoger complex mechanisme’, schreef Syunzo Kawamura, een student van Imanshi. Ze begonnen hun onderzoek ergens daar in de buurt op halfwilde paarden maar schakelden over op apen nadat ze merkten hoe goed hun troep was georganiseerd. Ze ontmoetten een plaatselijke leraar, Satsue Mito genaamd, die bekend was met de apen van Koshima. In 1952 hielp zij hen om twintig apen te voorzien van graan en zoete aardappelen op bospaden en op het strand.
Het was ongebruikelijk voor onderzoekers om wilde dieren te voeren, maar er was wel meer ongebruikelijk aan het onderzoek van Imanishi. Hij moest de apen tolerant maken tegenover menselijke waarnemers, zodat ze elk individueel dier konden identificeren en gedetailleerde observaties konden doen over hun gedrag en sociale relaties gedurende meerdere generaties. Het zou nog een decennium duren voordat westerse wetenschappers zoals Jane Goodall en Dian Fossey op deze manier naar apen gingen kijken. De meeste westerse wetenschappers waren gedrild om dieren nooit te antropomorfiseren. Ze gaven ze alfanumerieke identiteiten in plaats van namen en deden niet aan langetermijnobservaties: in hun ogen waren individuele dieren uitwisselbaar en niet in staat tot complexe sociale relaties.
Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt
Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt. De moderne westerse wetenschap ontwikkelde zich in samenlevingen met ouderwetse opvattingen over de suprematie van de mens over dieren, zoals de Nederlandse primatoloog Frans de Waal opmerkte. In de religieuze tradities in Japan heeft de mens daarentegen geen speciale status. ‘De Japanse cultuur benadrukt het verschil tussen mensen en dieren niet’, schreef de Japanse primatoloog Junichiro Itani. ‘En we hebben het gevoel dat dat veel belangrijke ontdekkingen mogelijk maakte.’
Preculturele verspreiding
Nadat de apen het graan van Suzumura op Koshima hadden opgegeten, begonnen ze op het strand naar eten te zoeken. Ze ontspanden zich en namen weinig zelfbewuste houdingen aan. Sommigen ploften languit op het zand neer terwijl een metgezel zich over hen heen boog, als Orpheus die om Eurydice rouwde. Anderen gingen slap over rotsen hangen, als offerslachtoffers. Eentje keek me bedeesd over haar schouder aan; een ander bekeek me hooghartig, met de kin in de lucht. Moeders hielden hun baby’s tegen hun borst gedrukt zoals elke Madonna die ik ooit heb gezien met haar kind doet.
Terwijl ik met mijn smartphonecamera zo dicht mogelijk bij de apen probeerde te komen, verzamelde Suzumura met een paar eetstokjes fecesmonsters uit het zand. Hij hield gedetailleerde gegevens bij van elke aap op het eiland. Hij kon elk van hen identificeren en wist van alle apen de naam, leeftijd, sociale rang en status en de persoonlijkheid te vertellen. De gegevens gingen helemaal terug tot de tijd van Imanishi en volgden de levensgeschiedenis van elke individuele aap op Koshima gedurende meer dan zeventig jaar. Ze lieten zien hoe sommige apenfamilies de overhand kregen terwijl andere gaandeweg verdwenen. Imanishi en zijn studenten waren de eersten die zich realiseerden dat apen hun hele leven hechte allianties met familieleden onderhielden – en dus ‘nepotistisch’ waren. Precies het soort complexe sociale orde waaruit Imanishi voorspelde dat cultuur zou ontstaan.
Imanishi en zijn team waren al vijf jaar op Koshima toen ze op een dag zagen hoe een anderhalfjarige aap genaamd Imo een zoete aardappel pakte en deze naar de rand van een beek droeg. Ze doopte de aardappel in het water en veegde het zand van de schil. Zo smaakte hij mogelijk beter, want daarna bleef ze haar aardappelen op die manier schoonmaken. De eerste apen die Imo kopieerden, waren twee die veel tijd met haar doorbrachten: haar moeder en een speelkameraadje. Al snel probeerden haar familieleden het ook, en hun speelkameraadjes kopieerden hen weer. Het wassen van zoete aardappelen werd een rage onder jongere apen. In 1958 wasten vijftien van de negentien jonge apen hun aardappelen.
Masao Kawai, een andere student van Imanishi, beschreef deze fase als ‘preculturele verspreiding’. Imo had nieuw gedrag ontwikkeld dat zich verspreidde onder haar leeftijdsgenoten. Leeftijd en geslacht waren beide van invloed op de overdracht: jongere apen en vrouwtjes leerden zich vaker aan hun aardappelen te wassen dan volwassen apen en mannetjes. De volgende fase begon toen Imo en haar leeftijdsgenoten volwassen werden en zich voortplantten. Nu werd het gedrag overgegeven aan de volgende generatie, zowel mannetjes als vrouwtje, die het wassen van de zoete aardappelen van hun moeder leerde. Leeftijd en geslacht speelden niet langer een rol. ‘Preculturele druk werkt’, schreef Kawai. Een nieuw gedrag was vastgesteld binnen de troep.
In 1961 wasten de meeste apen hun aardappelen niet langer in de beek maar in de zee. Misschien omdat zeewater overvloediger was, hoewel sommige wetenschappers dachten dat de apen misschien de smaak van het zoute water prefereerden: sommige doopten de aardappel er na elke hap weer in.
Ik had gehoopt de huidige populatie apen op Koshima hun zoete aardappelen te zien wassen, maar Suzumura voerde ze nog slechts één of twee keer per jaar zoete aardappelen. De oorspronkelijke groep van twintig apen groeide in 1971 tot honderdtwintig. Sinds 1972 leverde het Primate Research Institute alleen nog graan. Toch was de culturele impact van het zoete aardappelen wassen nog altijd zichtbaar op Koshima.
De kieskeurige kleine Imo had nóg een nieuw gedrag ontwikkeld dat zich snel verspreidde binnen de groep: ze scheidde haar tarwe van het zand waarmee het vermengd raakte door het in het water te gooien. Het graan bleef drijven en het zand zonk. (Sommige apen wassen hun tarwe nog steeds, zei Suzumura, maar zelf zag ik het niet gebeuren.) Baby’s die tijdens het wassen van de aardappelen door hun moeder mee het water in werden gedragen, begonnen tijdens het spelen te zwemmen, iets wat hun ouders nooit hadden gedaan.
Voordat Imanishi’s team arriveerde, brachten de apen bijna al hun tijd door in het bos. Nu brachten ze ook een groot deel van hun tijd op het strand door en hadden ze een nieuw repertoire van gedragingen aangeleerd. ‘Sinds de wetenschappers voor het eerst begonnen met het voeren van de makaken op het eiland Koshima, heeft zich een geheel nieuwe levensstijl ontwikkeld’, schreven de Israëlische onderzoekers Eva Jablonka en Eytan Avital. Ze noemden dit een voorbeeld van ‘cumulatieve culturele evolutie’. Kawai was verrast door hoe snel de apen zich aanpasten aan hun nieuwe strandomgeving, gezien hun aanvankelijke afkeer van water. ‘We leren via de Koshima-troep dat zodra dat sterke traditionele conservatisme door een of andere oorzaak begon af te breken, het gemakkelijk helemaal verdween’, schreef hij.
Toen ik er was slenterden de apen enkele uren over het strand. Het was middag, de temperatuur begon al te dalen en de dieren verdwenen in het bos om te foerageren. Het lege strand stak misschien bleek af bij ‘culturele erfgoedsites’ in de mensenwereld, zoals paleizen en kathedralen. De apen hadden niets gebouwd dat op architectuur leek, zelfs geen zandkasteel. Maar wat Koshima ons liet zien, is dat cultuur geen product was. Het was een proces. Stap voor stap begon het leven van de apen in Koshima er anders uit te zien dan dat van andere apen – en begon het iets meer op het onze te lijken.
Ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd
Ik moest kiezen waar ik heen wilde na Koshima. Er waren andere sites die in aanmerking konden komen als cultureel erfgoed voor Japanse makaken. In Arashiyama bij Kyoto begonnen sommige apen in de jaren zeventig met stenen te spelen, en dat gedrag verspreidde zich in hetzelfde patroon als het wassen van zoete aardappelen in Koshima en het baden in Jigokudani: eerst horizontaal onder leeftijdsgenoten en vervolgens van de ene generatie op de andere. De wetenschapper die het gedrag voor het eerst observeerde, een Amerikaan genaamd Michael Huffman die nu verbonden is aan het Primate Research Institute, merkte dat verschillende groepen apen in de loop der tijd hun eigen manier ontwikkelden om met stenen om te gaan. In sommige groepen wreven de apen ze tegen elkaar, in andere knuffelden ze de stenen of sloegen ermee op de grond.
Maar ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd. De Japanse onderzoekers realiseerden zich ook dat het nieuwe gedrag op plaatsen als Koshima, Jigokudani en Arashiyama niet bepaald natuurlijk was. De wetenschappers zelf hadden hun ontwikkeling gestimuleerd door te voeren, waardoor de dieren in onbekende habitats terecht kwamen en tijd hadden om nieuw gedrag uit te proberen. Ook op andere plekken had het voeren invloed op het leven van de groep. ‘In de voederplaatsen waren de relaties tussen de mannetjes heel duidelijk. De ene is dominant, de andere is ondergeschikt,’ vertelde Yukimaru Sugiyama, een voormalig wetenschapper van het Primate Research Institute. Maar toen hij apen het bos in volgde, zaten jonge mannetjes vaak in de buurt van dezelfde dominante apen die ze op de voederplaats hadden vermeden.
Naarmate de interesse van onderzoekers in het natuurlijke leven van de primaten toenam, leerden ze ze beter kennen door ze simpelweg te volgen. Aanvankelijk renden de primaten weg, maar de meeste verloren uiteindelijk hun angst voor mensen. Vanaf het einde van de jaren vijftig brachten Imanishi en zijn studenten wat ze in Japan hadden geleerd naar Afrika om chimpansees, gorilla’s en andere primaten te bestuderen. Door een combinatie van veldobservatie en experimenteel werk hebben ze daar veel van wat ze van apen in Japan hadden geleerd over cultuur, kunnen verifiëren en verbeteren. Dankzij het werk van mensen als Goodall kwamen westerlingen tot hun huidige technieken en bevindingen.
Onheilspellend
Omdat ik ze niet helemaal naar Afrika kon volgen, ging ik naar een ander eiland, genaamd Yakushima. Je kan naar Yakushima vliegen of een hogesnelheidsveerboot nemen, maar ik koos voor de goedkoopste optie: een tocht van dertien uur op een nachtelijk vrachtschip vanuit Kagoshima, een stad naast een vulkaan op de zuidpunt van Kyushu. Het eiland zag er onheilspellend uit toen we de volgende ochtend de haven binnenvoeren, de bergen omringd door mist en regen. Yakushima was beroemd om zijn oude mos en oerbossen. Ook leefden er ongeveer 10.000 Japanse makaken op het eiland – ongeveer evenveel als de menselijke populatie van ongeveer 13.000. De apen leefden in groepen van minder dan vijftig, en er was geen bevoorrading. Ze zochten naar fruit, bladeren, eikels en scheuten, maar ook naar insecten en spinnen.
‘Op Yakushima houden apen van paddestoelen’, zegt Akiko Sawada, een onderzoeker van de Chubu Universitaire Academie van Opkomende Wetenschappen. De Yakushima-apen aten meer dan zestig verschillende soorten en Sawada onderzocht of ze konden ruiken of een paddestoel al dan niet giftig was. Ze dacht dat dit sociale kennis was, waarbij een jonge aap leerde welke paddestoelen hij moest eten en welke hij moest vermijden door naar zijn moeder en andere volwassenen te kijken. Het was moeilijk te zeggen of gedragingen in Yakushima cultureel waren of op een andere manier aangeleerd, zoals door instinct of gewoon door vallen en opstaan. Al deze processen werkten samen om het leven van een aap vorm te geven en konden in een volledig natuurlijke omgeving niet gemakkelijk van elkaar worden gescheiden.
Sawada nam me mee naar de rustige westkust van Yakushima, waar wetenschappers verschillende groepen hadden ondergebracht. De apen waren gemakkelijk te vinden, omdat ze onderweg graag elkaar verzorgden en zonnebaadden. Ze haastten zich uit de weg voor auto’s die snel reden, maar reageerden nauwelijks op langzaam rijdend verkeer. Het was ook paartijd en mannetjes en vrouwtjes zochten elkaar op en maakten leeftijdsgenoten op een afstand jaloers. Sawada wees erop hoe een van de oudere apen achterover leunde en naar haar armen keek terwijl ze een partner verzorgde: haar zicht werd slechter.
We volgden een grote groep vanaf de weg het bos in. Professor Sugiyama had gelijk: er waren minder conflicten, omdat de apen een groot gebied hadden om te foerageren. Sommige braken eikels met hun tanden; anderen klommen in bomen voor fruit. Een jonge vrouw ontdeed de bodem van het bos van opgekrulde dode bladeren. ‘Ik denk dat ze cocons zoekt,’ zei Sawada.
Tijdens de wandeling werden we door vier herten vergezeld. Ze waren zo klein als honden en bijna net zo vertrouwd met mensen. De apen waren rommelige eters en de herten volgden hen om hun restjes op te rapen. Er ontstond een relatie: de apen verzorgden de herten, en klommen er soms op. Op een andere onderzoekslocatie in de buurt van Osaka bestegen apen soms zelfs herten in een zeldzaam voorbeeld van seks tussen soorten. Het is mogelijk dat de herten zachtaardiger partners waren voor kleine adolescenten die routinematig werden afgewezen door het andere geslacht of fysieke schade riskeerden van agressieve volwassenen. ‘Toekomstige observaties op deze plek zullen uitwijzen of deze groepsspecifieke seksuele eigenaardigheid een kortstondige rage was of het begin van een cultureel in stand gehouden fenomeen’, schreven de onderzoekers.
Die middag liet Sawada me verschillende video’s zien die zij en haar collega’s in het bos hadden opgenomen. In één verslond een aap een gigantische duizendpoot; in een andere wreef een aap een rups tussen haar handen heen en weer om de stekende stekels te verwijderen voordat ze hem at; in een derde plukte een aap mollige witte horzellarven uit een nest. Sawada giechelde toen ze een video afspeelde van de apen die op grote hoogte leefden en bamboe aten: ze waren, om redenen die niemand echt begreep, extreem dik.
Later, toen ik in mijn eentje de berg beklom, waren er geen bamboebossen of mollige apen op de rotsachtige top. Ik keek neer op het bladerdak van het oude cederbos en over de zee, denkend aan wat de primatoloog Itani had waargenomen: dat de Japanse cultuur geen sterk onderscheid maakt tussen mensen en dieren. In het Westen lijken cultuur en wetenschap vaak gescheiden krachten, maar hier versterkten ze elkaar. De wetenschap had de makakencultuur ontcijferd en de cultuur had ons wetenschappelijke begrip van de dierenwereld verbreed.
Maciek Pożoga, gevestigd in Frankrijk, heeft voor dit verhaal twee weken lang Japanse makaken gefotografeerd. Bekijk in het originele artikel zijn werk.
Hoe moeten we betekenis geven aan de inmiddels al meer dan 4 miljoen wereldwijde coronadoden? Niall Ferguson zet die vraag in historisch perspectief. Welke rampspoed is ons in het verleden overkomen, hoe gingen we daar toen mee om, en – belangrijker nog – hoe kunnen we toekomstig onheil voorkomen?
Deze gevallen wachtmeester, de Dood, is nauwgezet in zijn aanhoudingen.
– Hamlet
We zijn allemaal gedoemd
‘We zijn gedoemd.’ Deze zin, uitgesproken door de Caledonische Cassandra van de Britse televisieserie Dad’s Army, soldaat James Frazer, was een van de terugkerende grappen uit mijn jeugd. De truc was om het te zeggen op het minst passende moment: als de melk op was of je de laatste bus naar huis had gemist. Er is een prachtige scène in een van de afleveringen (‘Uninvited Guests’) als Frazer – gespeeld door de geweldige John Laurie – de andere leden van zijn Home Guard-eenheid een bloedstollend verhaal vertelt over een vloek. Als jongeman was hij voor anker gegaan bij een eilandje in de buurt van Samoa, waar – volgens zijn vriend Jethro – de ruïne van een tempel lag, met daarin een afgodsbeeld dat versierd was met een gigantische robijn, ‘zo groot als een eendenei’. Het tweetal ging op weg om de robijn te stelen en hakte zich een weg door het dichtbegroeide bos. Maar net toen Jethro de edelsteen pakte, verscheen er ineens een medicijnman, die Jethro vervloekte met de woorden: ‘Dood! de robijn zal u de dood brengen! dooood.’
Soldaat Pike: Is de vloek uitgekomen, meneer Frazer?
Soldaat Frazer: Ja, jongen, hij is uitgekomen. Hij is gestorven… vorig jaar; hij was zesentachtig.
Schattingen voor de wereld als geheel stelden de levensverwachting tot 1900 onder de dertig jaar
We zijn allemaal gedoemd, hoewel niet noodzakelijkerwijs vervloekt. Ik zal rond 2056 sterven, op z’n laatst. Mijn resterende levensverwachting op de leeftijd van zesenvijftig jaar en twee maanden is volgens het Amerikaanse ministerie van Sociale Zaken 26,2 jaar: daardoor kom ik uit op tweeëntachtig, vier jaar minder dan Frazers vervloekte vriend. Bemoedigender is het feit dat het Britse Office of National Statistics een man van mijn leeftijd twee jaar extra geeft, met een kans van 1 op 4 om de tweeënnegentig te halen. Om te zien of ik die getallen kon verbeteren, bezocht ik de site van Living to 100 Life Expectancy Calculator, die zijn schatting baseert op een gedetailleerde vragenlijst over je leefgewoonten en je familiegeschiedenis. Living to 100 vertelde me dat ik de eeuw waarschijnlijk niet zal halen, maar dat ik een gerede kans had om nog zesendertig jaar te leven. Het zou natuurlijk heel anders liggen als ik in januari 2020 covid-19 zou krijgen, een ziekte die destijds in mijn leeftijdsgroep een sterftekans met zich meebracht van 6 procent, en misschien iets hoger als we mijn milde astma meetellen.
De auteur
De Schots-Amerikaanse historicus Niall Ferguson is momenteel verbonden aan de Stanford-universiteit. Hij leverde bijdragen aan The Daily Telegraph, Financial Times en Newsweek, en schrijft tegenwoordig een column voor Bloomberg Opinion. Fergusons bekendste boek is Het belang van geld (The Ascent of Money), waarover hij ook een documentaireserie maakte voor Channel 4 en PBS. Hij is getrouwd met de voormalige VVD-politicus Ayaan Hirsi Ali.
Op zesenvijftigjarige leeftijd sterven zou beslist een teleurstelling zijn, maar het zou een goed resultaat zijn als je het afmeet aan de meerderheid van de 107 miljard mensen die ooit geleefd hebben. In het Verenigd Koninkrijk, waar ik geboren ben, bereikte de levensverwachting vanaf de geboorte de zesenvijftig pas in 1920. Het gemiddelde lag gedurende de periode van 1543 tot 1863 net onder de veertig. En de Britten stonden bekend om hun lange levensduur. Schattingen voor de wereld als geheel stelden de levensverwachting tot 1900 onder de dertig jaar, en tot 1960 onder de vijftig jaar. De gemiddelde levensverwachting in India was in 1911 slechts tweeëndertig jaar. De Russische levensverwachting bereikte in 1920 het dieptepunt van twintig jaar. De afgelopen eeuw liet een constant stijgende trend zien – de levensverwachting bij geboorte verdubbelde ruwweg tussen 1913 en 2006 –, maar met talloze terugvallen. De levensverwachting in Somalië is vandaag de dag zesenvijftig jaar: mijn leeftijd. Die is daar deels nog steeds zo laag omdat de kindersterfte er zo hoog is. Ongeveer 12,2 procent van de in Somalië geboren kinderen sterft voordat ze de leeftijd van vijf jaar bereiken; 2,5 procent sterft tussen vijf en veertien jaar.
Als ik probeer om mijn eigen ervaring met mens-zijn in perspectief te zetten, denk ik aan de Engelse dichter John Donne (1572-1631), die negenenvijftig jaar oud is geworden. In een periode van zestien jaar schonk Anne Donne haar echtgenoot twaalf kinderen. Drie van hen – Francis, Nicholas en Mary – stierven voor hun tiende. Anne zelf stierf bij de bevalling van haar twaalfde kind, dat dood geboren werd. Nadat Lucy, zijn favoriete dochter, gestorven was en hijzelf haar bijna in het graf gevolgd was, schreef Donne zijn Devotions upon Emergent Occasions (1624), dat de mooiste van alle aansporingen bevat om mee te leven met de doden: ‘De dood van ieder mens doet afbreuk aan mij, omdat ik betrokken ben bij de Mensheid; Vraag daarom nooit voor wie de doodsklok luidt; die luidt voor u.’
Dit was het mens-zijn, teruggebracht tot de kille essentie
De Napolitaanse kunstenaar Salvator Rosa (1615-1673) schilderde misschien wel het meest ontroerende memento mori, met de eenvoudige titel L’umana fragilità (‘De menselijke breekbaarheid’). Het was geïnspireerd op een uitbraak van de builenpest, die zijn geboortestad Napels in 1655 trof: die kostte het leven aan zijn jonge zoon Rosalvo en eiste ook dat van Salvators broer, zijn zus, haar echtgenoot en vijf van hun kinderen. Met een gruwelijke grijns reikt een gevleugeld skelet vanuit het donker langs Rosa’s minnares, Lucrezia, om haar zoontje mee te nemen, dat net zijn eerste poging doet om te schrijven. De stemming van de diepbedroefde kunstenaar wordt op een onsterfelijke manier vastgelegd in de acht Latijnse woorden die de baby, geleid door de skeletfiguur, op het canvas heeft geschreven:
Conceptio culpa
Nasci pena
Labor vita
Necesse mori
‘Verwekking is zonde, geboorte is pijn, leven is hard werken, dood is onvermijdelijk.’ Ik herinner me nog steeds dat ik als door de bliksem getroffen was toen ik die woorden las bij mijn eerste bezoek aan het Fitzwilliam Museum in Cambridge. Dit was het mens-zijn, teruggebracht tot de kille essentie. Volgens de overleveringen was Rosa een opgewekt mens, die ook schreef en optrad in satirische toneelstukken en de commedia dell’arte. Rond de tijd dat zijn zoon stierf, schreef hij echter aan een vriend: ‘Deze keer heeft de hemel me op zo’n manier getroffen dat ik besef dat alle menselijke weermiddelen zinloos zijn en de minste pijn die ik voel is nog dat ik je zeg dat ik huil terwijl ik schrijf.’ Hijzelf stierf op achtenvijftigjarige leeftijd aan buikwaterzucht.
Bijna onzichtbare gebeurtenis
In de middeleeuwen en de vroegmoderne wereld was de dood alomtegenwoordig, op een manier die we ons nauwelijks kunnen voorstellen. Zoals Philippe Ariès betoogde in L’Homme devant la mort (‘Het uur van onze dood’) werd de dood ‘getemd’ door er, net als het huwelijk en zelfs de geboorte, een sociale overgangsrite van te maken, die gedeeld werd met de familie en de gemeenschap en gevolgd werd door riten van begrafenis en rouw, die een bekende vorm van troost boden aan de nabestaanden. Vanaf de zeventiende eeuw veranderde die houding echter. Terwijl het aantal sterfgevallen verbijsterende vormen aannam, begonnen de westerse samenlevingen – ondanks het feit dat de doodsoorzaken steeds beter begrepen werden – een zekere afstand te scheppen tussen de levenden en de doden. De victorianen gingen zeer ver in het sentimentaliseren en romantiseren van de dood: ze creëerden in de literatuur ‘mooie doden’, die steeds minder te maken hadden met de werkelijkheid. De twintigste eeuw ging over op de ontkenning van ‘het einde van het leven’. Sterven werd een steeds eenzamer, antisociale, bijna onzichtbare gebeurtenis. Er kwam iets op wat Aries ‘een absoluut nieuw type sterven’ noemde, wat inhield dat zieltogende mensen werden afgevoerd naar ziekenhuizen en hospices, om ervoor te zorgen dat het moment waarop ze hun laatste adem uitbliezen discreet verborgen bleef achter de schermen. Amerikanen mijden het woord ‘sterven’. Mensen ‘gaan over’. Evelyn Waugh schreef een wrede satire over de Amerikaanse omgang met de dood in The Love One (1948), geïnspireerd op een weinig verheffend verblijf in Hollywood.
De Britse omgang met de dood is echter slechts weinig beter. In Monty Pythons The Meaning of Life is de dood een enorm faux pas. De Man met de Zeis – John Cleese, gehuld in een zwarte mantel – komt aan in een pittoresk Engels buitenhuis waar drie echtparen druk bezig zijn met een etentje.
Magere Hein: Ik ben de dood.
Debbie: Nou ja, wat een toeval! We hadden het vijf minuten geleden net over de dood…
Magere Hein: Stilte! Ik ben gekomen voor jullie.
Angela: Bedoelt u… om –
Magere Hein: Om jullie mee te nemen. Dat is mijn bedoeling. Ik ben de dood.
Geoffrey: Tja, dat werpt toch wel een beetje een schaduw over de avond.
Debbie: Mag ik u iets vragen?
Magere Hein: Wat?
Debbie: Hoe kan het dat we allemaal op hetzelfde moment sterven?
Magere Hein (na een lange stilte, wijzend naar een schaal op tafel): De zalmmousse.
Geoffrey: Schat, je hebt toch geen zalm uit blik gebruikt?
Angela: Ik schaam me rot.
Het komende eschaton
Ieder jaar sterven er over de hele wereld ongeveer 59 miljoen mensen – ruwweg de gehele wereldbevolking in de tijd dat koning David regeerde over de Israëlieten. Met andere woorden, er sterven elke dag ruwweg 160.000 mensen: het equivalent van één Oxford, of drie Palo Alto’s. Ongeveer 60 procent van degenen die sterven zijn vijfenzestig jaar of ouder. In de eerste helft van 2020 stierven er wereldwijd ruwweg 510.000 mensen aan de nieuwe ziekte covid-19 [inmiddels is het dodental de 4 miljoen gepasseerd]. Elk sterfgeval is een tragedie, zoals we zullen zien. Maar zelfs als geen van die mensen toch al niet gestorven zou zijn – wat onwaarschijnlijk is, gegeven het leeftijdsprofiel van de overledenen –, dan vertegenwoordigt dat aantal slechts een bescheiden (1,8 procent) toename in het totale aantal verwachte sterfgevallen voor de eerste helft van 2020. In 2018 stierven 2,84 miljoen Amerikanen, dus stierven er ongeveer 236.000 per maand, en 7800 per dag. Driekwart van het aantal gestorvenen was vijfenzestig jaar of ouder. Verreweg de meeste doodsoorzaken waren hartaandoeningen en kanker: samen goed voor 44 procent van het totaal. In de eerste helft van 2020 waren er volgens cijfers van de Centers for Disease Control and Prevention 130.122 Amerikaanse overlijdensgevallen aangemerkt als ‘betrekking hebbend op covid-19’. De totale (bovennormale) oversterfte van alle oorzaken lag echter dicht bij 170.000. Als geen van deze mensen toch al niet overleden zou zijn – opnieuw: onwaarschijnlijk –, dan vertegenwoordigde dat aantal een toename van 11 procent in de sterfgevallen voor die periode, boven de uitgangswaarde die afgeleid was van recente gemiddelden.
We zijn dus allemaal gedoemd, zelfs als de medische wetenschappers in staat zijn om de levensverwachting nog verder te verlengen – zoals sommigen voorspellen: tot meer dan een eeuw. Ondanks de voortgaande zoektocht naar oplossingen voor het probleem dat leven een terminale aandoening is, blijft onsterfelijkheid een droom – of, zoals Jorge Luis Borges suggereerde in ‘De onsterfelijke’: een nachtmerrie. Maar zijn we collectief gedoemd, als soort? Het antwoord is: ja.
Onze moeder, een natuurkundige, werd het nooit moe om mijn zus en mij eraan te herinneren dat het leven een kosmisch toeval is; een visie die ook gedeeld wordt door bekendere fysici als Murray Gell-Mann. Ons universum begon 13,7 miljard jaar geleden met wat fysici de Big Bang noemen. Op onze planeet ontwikkelden zich met de hulp van ultraviolette stralen en bliksem de chemische bouwstenen van het leven, die 3,5 tot 4 miljard jaar geleden leidden tot de eerste levende cel. Ongeveer 2 miljard jaar geleden zorgde seksuele reproductie door eenvoudige veelcellige organismen voor golven van evolutionaire innovatie.
Tot op de dag van vandaag zijn 99,9 procent van alle soorten die de Aarde ooit bewoond hebben uitgestorven
Ongeveer 6 miljoen jaar geleden leidde een genetische mutatie bij chimpansees tot de eerste mensachtige mensapen. Homo sapiens is extreem recent verschenen, 200.000 tot 100.000 jaar geleden: deze soort domineerde andere mensentypen ongeveer 30.000 jaar geleden en had zich rond 13.000 jaar geleden over het grootste deel van de planeet verspreid. Er moesten veel dingen precies goed gaan voor ons om tot dat punt te komen. Maar de ‘Goudhaartje’-condities waarbij wij floreren kunnen niet oneindig voortduren. Tot op de dag van vandaag zijn 99,9 procent van alle soorten die de Aarde ooit bewoond hebben uitgestorven.
Met andere woorden, om Nick Bostrom en Milan M. Ćirković te citeren: ‘Het uitsterven van intelligente soorten is al voorgevallen op de Aarde, wat inhoudt dat het naïef zou zijn om te denken dat het niet nog eens zou kunnen gebeuren.’ Zelfs als we het lot van de dinosaurussen en de dodo’s weten te vermijden, zal de toenemende lichtstraling van de zon over ongeveer 3,5 miljard jaar de biosfeer van de Aarde zo goed als gesteriliseerd hebben, maar het einde van het complexe leven op de Aarde staat al veel eerder op het programma, misschien over 0,9 tot 1,5 miljard jaar, omdat de leefomstandigheden dan onverdraaglijk zullen zijn geworden voor alles wat op ons lijkt. ‘Dat is het standaardlot voor leven op onze planeet.’ Het is denkbaar dat we in staat zullen zijn om een andere bewoonbare planeet te vinden als we het probleem van intergalactisch reizen oplossen, wat het reizen over haast onvoorstelbaar grote afstanden inhoudt. Zelfs dan zullen we uiteindelijk in tijdnood komen, omdat de laatste sterren ruwweg over 100 biljoen jaar zullen uitdoven, waarna alle materie uiteen zal vallen tot haar basisbestanddelen.
De gedachte dat we, als soort, nog ongeveer 1 miljard jaar overhebben op de Aarde zou geruststellend moeten zijn. En toch lijken sommigen ernaar te verlangen dat de doemdag al veel eerder komt dan dat. De ‘eindtijd’ of eschaton (van het Griekse eschatos) komt voor in de meeste grote wereldreligies, inclusief de oudste, het zoroastrisme. De Zand-i Wahman Yasn (een middeleeuwse zoroastrische apocalyptische tekst) voorziet niet alleen in misoogsten en algeheel moreel verval, maar ook in ‘een donkere wolk die de hele lucht tot nacht maakt’ en een regen van ‘verderfelijke schepsels’. Hoewel de hindoe-eschatologie aanneemt dat er vaste tijdscycli zijn, wordt van de huidige cyclus, Kali Yuga, verwacht dat die gewelddadig eindigt als Kalki, de laatste incarnatie van Vishnu, op een wit paard aan het hoofd van een leger afdaalt om ‘rechtvaardigheid tot stand te brengen op aarde’. Ook in het boeddhisme zijn er apocalyptische scènes. Gautama Boeddha voorspelde dat zijn profetieën na 5000 jaar vergeten zouden zijn, wat leidt tot de morele degeneratie van de mens. Een bodhisattva genaamd Maitreya zal dan verschijnen en de leerstellingen van de dharma herontdekken, waarna de wereld vernietigd wordt door de dodelijke straling van zeven zonnen. De Scandinavische mythologie heeft haar Ragnarök (schemering der goden), waarin een vernietigend grote winter (Fimbulvetr) de wereld in duisternis en wanhoop zal storten. De goden zullen tot de dood strijden met de krachten van de chaos, vuurreuzen en andere magische schepsels (jötunn). Uiteindelijk zal de oceaan de hele wereld overspoelen. (Wagner-liefhebbers kunnen hier een versie van zien in zijn Götterdämmerung.)
In elk van deze religies is vernietiging de prelude van wedergeboorte. De abrahamitische religies daarentegen hebben een lineaire kosmologie: het einde der dagen is echt Het Einde. Het jodendom voorspelt een Tijdperk van de Messias, met de terugkeer naar Israël vanuit de verbanning van de Joodse Diaspora, de komst van de Messias en de wederopstanding uit de dood. Het christendom – het geloof dat gevestigd is door volgers van de man die zei deze Messias te zijn – biedt een veel rijkere versie van het eschaton. Voorafgaand aan de Tweede Komst van Christus (parousia) zal er, zoals Jezus zelf aan zijn volgelingen vertelde, een tijd komen van ‘grote beproevingen’ (Mattheüs 24:15-22), ‘verschrikkingen’ (Marcus 13:19) of ‘dagen van wraak’ (Lucas 21:10-33 geeft van alle evangeliën de meeste details). De Openbaring van Johannes biedt wellicht de meest treffende visioenen van de doemdag: van een oorlog in de hemel tussen Michaël en zijn engelen tegen Satan, een tussenperiode waarin Satan wordt neergeworpen en duizend jaar wordt vastgebonden, waarna Christus een millennium lang regeert met wederopgestane martelaren aan zijn zijde, totdat de Hoer van Babylon verschijnt, dronken van het bloed van de heiligen, rijdend op een scharlakenrood beest, en er een grote strijd wordt uitgevochten op de heuvels van de Armageddon. Daarna wordt Satan losgelaten, om vervolgens in een meer van brandende zwavel te worden gegooid. Uiteindelijk worden de doden beoordeeld door Christus en worden de onwaardigen in het vlammende meer geworpen. De beschrijving van de vier ruiters van de Apocalyps is verbijsterend:
En ik zag hoe het Lam het eerste van de zegels opende en ik hoorde een van de vier dieren met een stem als van een donderslag zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een wit paard, en Hij Die erop zat, had een boog. En Hem was een kroon gegeven en Hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen. En toen het Lam het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!
En een ander paard, dat rood was, trok uit, en aan hem die erop zat, werd macht gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en te maken dat men elkaar zou afslachten. En hem werd een groot zwaard gegeven. En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand.
En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning. En breng de olie en de wijn geen schade toe.
En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie!
En ik zag, en zie: een grauw paard en die erop zat, zijn naam was de dood, en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde. (Openbaringen 6:1-8)
De Dag der Wrake wordt aangekondigd door een geweldige aardbeving, een zonsverduistering en een bloedmaan. De sterren vallen op de aarde en de bergen en eilanden worden ‘van hun plaats verschoven’.
Een slim onderdeel van de christelijke eschaton was de onzekerheid waarin Christus zijn discipelen achterliet over de tijdsbepaling ervan: ‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.’ (Mattheüs 24:36)
De vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 door toedoen van de Romeinse legerleider (en later keizer) Titus werd door de vroege christenen geïnterpreteerd als vervulling van Jezus’ profetie dat de Tweede Tempel zou worden verwoest, maar de daaropvolgende spectaculaire gebeurtenissen die Christus had voorspeld bleven uit. Tegen de tijd van Augustinus van Hippo leek het verstandig om het millennium af te zwakken, zoals hij deed in De Stad van God (De Civitate Dei, uit het jaar 426), waarin hij het verwees naar het gebied van het onkenbare en (impliciet) de verre toekomst.
Misschien biedt het verval van het christelijke millennium een verklaring voor het revolutionaire effect van Mohammeds nieuwe religie, toen die in de zevende eeuw tevoorschijn kwam uit de Arabische woestijn. In een aantal opzichten heeft de islam gewoon de meest opwindende delen van de Openbaringen afgestoft. In Mekka leerde Mohammed zijn volgelingen dat de Dag des Oordeels voorafgegaan zou worden door de verschijning van de eenogige al-Masih ad-Dajjāl (de valse messias), met een entourage van 70.000 joden uit Isfahan. Isa (Jezus) zal dan afdalen om te triomferen over de valse messias. In de soennitisch doctrine houdt de ashrāṭ al-sā‘a – het einde der tijden – onder meer in dat er een grote zwarte rookwolk (dukhān) de aarde bedekt, dat er een aantal verzakkingen plaatsvinden in de aarde en dat Ya‘jūj en Ma‘jūj (Gog en Magog) verschijnen om de aarde te verwoesten en de gelovigen af te slachten. Nadat Allah zich heeft ontdaan van Gog en Magog, komt de zon op in het westen en verrijst de Dābbat al-Ard (het Beest van de Aarde) uit de grond; nadat de hemelse trompet geklonken heeft, verrijzen ook de doden (al-Qiyāmah) voor het laatste oordeel (Yawm al-Hisāb). Maar toen deze profetie niet vervuld werd, keerde Mohammed zich ongeduldig af van de verlossing en naar het imperialisme. Allah, zo betoogde hij in Medina, wilde dat de moslims zijn eer bewaarden door de ongelovigen te straffen; dat ze overgingen van het afwachten van de Dag des Oordeels tot de uitvoering ervan door middel van de jihad. De eschatologie van de sjiieten is in brede zin gelijk aan die van de soennieten, maar met de terugkeer van de twaalfde imam, Mohammed al-Mahdi, die wordt verwacht na een periode van afnemende moraal en eerbaarheid.
Talloze moderne cultusleiders hebben hun volgelingen ervan overtuigd dat het einde nabij was
Voor christenen waren de islamitische veroveringen in het Nabije Oosten en Noord-Afrika niet meer dan de grootste van een aantal gruwelijke dreigingen: Vikingen, Magyaren en Mongolen bedreigden het christendom ook. Deze en andere rampen werden door sommigen geïnterpreteerd als aanduidingen van de eindtijd: de christelijke eschatologie is nooit volledig op de achtergrond geraakt. Joachim van Fiore (1135-1202) verdeelde de geschiedenis in drie tijdvakken, waarvan het derde het laatste was. Op eenzelfde manier waren er in de nasleep van de Zwarte Dood in de jaren veertig van de veertiende eeuw – in termen van sterfgevallen de grootste ramp die de christenen ooit getroffen heeft – mensen die concludeerden dat het einde nabij was. In 1356 schreef een franciscaner monnik genaamd Johannes van Roquetaillade zijn Vademecum in tribulationibus, waarin hij een tijd vol problemen in Europa voorspelde, die gekenmerkt zou worden door sociale onrust, stormen, overstromingen en nog meer plagen. Vergelijkbare quasi-revolutionaire visioenen inspireerden de taborieten in Bohemen in 1420 tot hun plunderingen en de franciscaan Johann Hilten in 1485 tot zijn profetieën over de nadagen van het pausdom. Na Maarten Luthers baanbrekende aanval op de kerkelijke hiërarchie gaf het millenianisme onderling sterk verschillende sekten als de anabaptisten, de diggers en de levellers het vertrouwen om de gevestigde autoriteiten te trotseren. Hoewel de navolging van het millennium in de achttiende eeuw afnam, herleefde de belangstelling ervoor weer in de negentiende en de twintigste eeuw, toen sommige volgelingen van de zogenaamde profeet William Miller, later bekend geworden als de zevendedagsadventisten, een nieuwe kerk oprichtten met een sterke millennialistische doctrine, die het einde van de wereld voorzag in 1844. (De millerieten noemden het feit dat de mensheid dat jaar overleefde ‘De Grote Teleurstelling’.) Jehova’s getuigen en leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (mormonen) hebben allebei hun eigen kenmerkende opvattingen over de komst van het eschaton. Talloze moderne cultusleiders hebben hun volgelingen ervan overtuigd dat het einde nabij was. Een aantal van hen – met name Jim Jones, David Koresh en Marshall Applewhite – wisten plaatselijke apocalypsen te bereiken in de vorm van massazelfmoorden.
Kort gezegd: het einde van de wereld is opmerkelijk vaak teruggekomen in de vastgelegde geschiedenis.
Doemdagen
Je zou denken dat de vooruitgang van de wetenschap de mensheid uiteindelijk zou bevrijden van religieuze en pseudoreligieuze eschatologie. Dat is niet noodzakelijk zo. Zoals de socioloog James Hughes zei, zijn maar weinig mensen ‘immuun voor millenniumvooroordelen, positief of negatief, fatalistisch of messianistisch’. Iets meer dan een eeuw geleden, toen de eerste echt geïndustrialiseerde oorlog in zijn laatste fase zat – een oorlog die gevoerd werd met tanks, vliegtuigen, onderzeeërs en gifgas – waren er verschijningen van de maagd Maria in het Portugese dorp Fatima, was er een veldslag bij Armageddon (Megiddo, in wat toen Palestina was), werd er een joodse thuisbasis uitgeroepen in het Heilige Land, was er een Duits offensief dat Aartsengel Michaël heette en brak er een pandemie uit die dodelijker was dan de oorlog zelf. Een van de vele voorboden van een komende apocalyps was de opkomst van Vladimir Iljitsj Lenin, die een golf van antikerkelijk geweld en beeldenstormen ontketende in het hele Russische Rijk. Zoals The New York Times op 21 juni 1919 meldde werd Lenin door Russische boeren alom gezien als ‘niemand anders dan de antichrist die in de Schrift is voorspeld’.
Voor de in Keulen geboren politiek theoreticus Eric Voegelin was de realiteit dat het communisme, net als het nazisme dat hij in 1938 moest ontvluchten, gebaseerd was op een onjuiste interpretatie van het christendom. Voegelin definieerde ‘gnosis’ als ‘een ogenschijnlijk direct, onmiddellijk begrip of visioen van de waarheid zonder de noodzaak voor kritische reflectie; de speciale gave van een spirituele en cognitieve elite’. Gnostiek, betoogde hij, was een ‘manier van denken die aanspraak maakt op een absoluut cognitief meesterschap van de werkelijkheid’. Toen dat de vorm aannam van een politieke religie, verborg het een gevaarlijke en misleidende ambitie om ‘de eschaton in zich te herbergen’ – met andere woorden: om een hemel op aarde te creëren. Voegelins moderne gnostiek probeerde ‘de maatschappij weer te vergoddelijken (…) door massalere vormen van participatie in de goddelijkheid te vervangen door geloof in de christelijke zin’. (Voegelin speculeerde dat deze verschuiving naar ‘massale deelname’ een antwoord kon zijn op de vrijwel onmogelijke taak om een authentiek christelijk geloof in stand te houden.) Veel recenter schreef de historicus Richard Landes in dezelfde geest, toen hij dezelfde aandrang ontdekte in een breder gebied van historische en moderne millenniumbewegingen, tot en met het salafi-jihadisme en radicale milieubewegingen.
In plaats van de eschaton te verdringen, leek de wetenschap die dichterbij te brengen. Toen J. Robert Oppenheimer getuige was van de eerste kernexplosie in White Sands, New Mexico, deed hij de beroemde uitspraak dat hij dacht aan Krishna’s woorden uit de Bhagavad Gita (het ‘Lied van God’ uit de hindoecultuur): ‘Ik ben de dood geworden, de vernietiger van werelden.’ Aan het prille begin van de Koude Oorlog verzon de kunstenares Martyl Langsdorf, wier echtgenoot een van de sleutelfiguren van het Manhattan Project was, het beeld van een Doomsday Clock. Het verscheen voor het eerst in het Bulletin of the Atomic Scientists als illustratie van de angst van vele fysici – onder wie sommigen die betrokken waren geweest bij de schepping van de atoombom – dat een ‘uit technologie voortkomende catastrofe’ weleens heel nabij zou kunnen zijn. Middernacht op de Doomsday Clock betekende het nucleaire armageddon. Vele jaren lang was het de hoofdredacteur van het Bulletin, Eugene Rabinowitch, die besloot waar de wijzers van de klok stonden. Na zijn dood nam een commissie het over: die kwam tweemaal per jaar bijeen om de klok bij te stellen. Tijdens de Koude Oorlog kwam de Doomsday Clock het dichtst bij middernacht: in de jaren 1953-1959 werden de wijzers op twee minuten voor twaalf gezet. De wetenschappers dachten ook dat de jaren 1984-1987 vol gevaren waren: toen was het vier jaar lang drie minuten voor twaalf. De populaire literatuur weerspiegelde die angsten. On the Beach (1957) van Nevil Shute speelt in het jaar 1963 en de inwoners van Melbourne wachten hulpeloos op een dodelijke wolk radioactieve fall-out in de nasleep van de Derde Wereldoorlog, die – niet zo plausibel – op gang gebracht werd door een nucleaire aanval van Albanië op Italië. De keus is die tussen zwaar drinken en een door de overheid verschafte zelfmoordpil. In de graphic novel When the Wind Blows (1982) van Raymond Briggs bouwt een ouder echtpaar, Jim en Hilda Bloggs, plichtsgetrouw een atoomschuilkelder, waarbij ze doen alsof de Derde Wereldoorlog net zo goed te overleven is als eerder de Tweede Wereldoorlog.
Op de een of andere manier is de doemsdreiging van vandaag altijd beter dan die van het jaar ervoor
Toch is het nog maar de vraag hoe betrouwbaar de Doomsday Clock is. Vandaag de dag zijn historici het erover eens dat het gevaarlijkste moment in de Koude Oorlog de Cubaanse raketcrisis geweest is. Maar de Doomsday Clock stond in 1962 op zeven minuten voor middernacht en ging in het daaropvolgende jaar terug naar 23.48 uur. Dat veranderde niet toen president Lyndon B. Johnson de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam opschaalde. Opmerkelijk genoeg besloten de atoomwetenschappers in januari 2018 dat we weer twee minuten voor Armageddon zaten. Twee jaar later zetten ze de klok vooruit op 100 seconden voor middernacht, op grond van de overweging dat ‘de mensheid nog steeds te maken heeft met twee gelijktijdige existentiële gevaren: nucleaire oorlogsvoering en klimaatverandering. Die dreiging wordt vermenigvuldigd door een in cyberspace gevoerde informatieoorlog, die het voor de samenleving moeilijk maakt om te reageren. De internationale veiligheidssituatie is hachelijk, niet alleen omdat deze dreigingen bestaan, maar omdat de wereldleiders hebben toegestaan dat de internationale politieke infrastructuur om die te beheersen is uitgehold.’ Op de een of andere manier is de doemsdreiging van vandaag altijd beter dan die van het jaar ervoor.
De nachtmerrie van een atoomoorlog was niet het enige apocalyptische visioen dat de wereld tijdens de Koude Oorlog kwelde. Van de jaren zestig tot de jaren tachtig leidde de angst voor wereldwijde overbevolking tot een opeenvolging van meestal ondoordachte en vaak ronduit schadelijke pogingen om de voortplanting in de zogeheten Derde Wereld te ‘beheersen’. Stephen Enke van de rand Corporation betoogde dat arme mensen betalen om in te stemmen met sterilisatie of het inbrengen van een spiraaltje 250 keer zo effectief zou zijn om ontwikkeling te bevorderen als andere vormen van hulp. Paul Ehrlichs boek The Population Bomb (1968), geschreven in opdracht van de Sierra Club, voorspelde dat er in de jaren zeventig massasterfte zou optreden, met verwoestende hongersnoden die honderden miljoenen mensen zouden doden. Lyndon Johnson werd erdoor overtuigd, net zoals de meerderheid van de leden van het Congres, waardoor het budget voor geboorteregeling van het Amerikaanse Agentschap voor Internationale Ontwikkeling verhoogd werd met een factor twintig. Als president van de Wereldbank verklaarde Robert McNamara, de voormalige Amerikaanse minister van Defensie, in 1969 dat de bank geen gezondheidszorg zou financieren ‘tenzij die strikt gerelateerd was aan geboortebeperking, aangezien gezondheidszorg doorgaans bijdroeg aan de afname van sterftecijfers, en daarmee aan de bevolkingsexplosie’. Sommige Amerikaanse instellingen – waaronder de Ford Foundation en de door Rockefeller opgezette Population Council – speelden met het idee van onvrijwillige massasterilisatie van hele bevolkingsgroepen. Deze consequenties illustreren eens te meer dat mensen die overtuigd zijn van een denkbeeldige naderende apocalyps veel schade kunnen toebrengen. Het aanmoedigen, zo niet afdwingen, van het gebruik van spiraaltjes bij Indiase vrouwen en sterilisaties bij Indiase mannen heeft veel leed veroorzaakt. Op het hoogtepunt van de Indiase noodtoestand in het midden van de jaren zeventig liet de regering van Indira Gandhi meer dan 8 miljoen sterilisaties uitvoeren. Bijna 200.000 mensen stierven door mislukte operaties. De Verenigde Naties ondersteunden ook het door de Chinese Communistische Partij zelfs nog wreder uitgevoerde ‘éénkindbeleid’. Achteraf gezien was de oplossing voor het probleem van de bevolkingstoename niet massasterilisatie, maar de Groene Revolutie in de land bouwtechnologie, waarvan agronomen als Norman Borlaug de pioniers waren. De huidige millennialisten zijn de profeten van de catastrofale klimaatverandering. ‘Rond 2030,’ schreef de Zweedse milieuactiviste Greta Thunberg, ‘zullen we in een positie verkeren waarin een onomkeerbare kettingreactie wordt ingezet, zonder dat mensen daar invloed op kunnen uitoefenen, die zal leiden tot het einde van onze beschaving, zoals wij die kennen.’ ‘De wereld zal over twaalf jaar eindigen, als wij niets doen aan de klimaatverandering,’ voorspelde het Amerikaanse Democratische Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez in 2019.
Thunbergs verschijning als de verpersoonlijking van radicaal milieuactivisme doet denken aan eerdere vormen van eschatologie, zeker vanwege de ernst van de offers die ze eist. ‘We hebben geen “koolstofarme economie” nodig,’ verklaarde ze in januari 2020 bij het World Economic Forum. ‘We hebben niet “minder uitstoot” nodig. Onze uitstoot moet stoppen als we een kans willen hebben om onder het doel van 1,5 graad te blijven (…) Elk plan of beleid van jullie dat geen radicale uitstootbeperking bij de bron inhoudt, met ingang van vandaag, is volkomen onvoldoende.’ De nieuwe groene revolutie – of de ‘Green New Deal’ – die wordt voorgesteld door Ocasio-Cortez, Thunberg en anderen impliceert een drastische reductie van alle CO2-uitstoot, waarbij nauwelijks rekening wordt gehouden met de economische en sociale kosten. We komen later op dit onderwerp terug; op dit moment volstaat het om te zeggen dat waarschuwingen voor het komende einde van de wereld het risico lopen (net als het roepen van ‘de wolf!’ in het sprookje) door herhaling minder geloofwaardig te worden.
Al deze groepen zijn er gezamenlijk in geslaagd om niet minder dan 100 van de afgelopen 0 einden der wereld te voorspellen
Het onontkoombare feit blijft bestaan: profeten van het millennium, gnosti sche navolgers van de eschaton, wetenschappers die waarschuwen voor rampen en auteurs die zich die voorstellen: al deze groepen zijn er gezamenlijk in geslaagd om niet minder dan 100 van de afgelopen 0 einden der wereld te voorspellen. In de theaterkomedie Beyond the Fringe (1961) speelt Peter Cook de rol van Broeder Enim, een profeet die zijn volgelingen naar een bergtop leidt om de apocalyps af te wachten.
Jonathan Miller: Hoe zal het zijn, dat einde waarover u gesproken hebt, Broeder Enim?
Allen: Ja, hoe zal het zijn?
Peter Cook: Tja, het zal zijn alsof er een machtige scheuring in de lucht is, weet je, en de bergen zullen wegzinken, weet je, en de valleien zullen omhoogkomen, weet je, en groot zal het lawaai zijn dat daardoor veroorzaakt wordt.
Miller: Zal de voorhang van de tempel in tweeën gereten worden?
Cook: De voorhang van de tempel zal in tweeën gereten worden, ongeveer twee minuten voordat we het teken zullen zien dat zich openbaart als een vliegende beestenkop in de lucht.
Alan Bennett: En zal er een machtige wind waaien, Broeder Enim?
Cook: Jazeker zal er een machtige wind waaien, als we het woord van God mogen geloven…
Dudley Moore: En zal die wind zo machtig zijn dat de bergen erdoor platgelegd worden?
Cook: Nee, zo machtig zal die nu ook weer niet zijn; daarom hebben we nu juist deze berg beklommen, stomme eikel…
Miller: En wanneer komt dat einde, waarover u gesproken hebt?
Allemaal: Ja, wanneer zal het zijn, wanneer zal het zijn?
Cook: Over ongeveer dertig seconden, volgens de oude perkamentrollen uit de piramiden… en mijn Ingersoll-horloge.
De profeet en zijn volgelingen zetten zich schrap voor het einde van de wereld en tellen af:
Cook: Vijf, vier, drie, twee, één – nul!
Allemaal: (Zingend.) Nu is het Einde! De Wereld Vergaat!
Stilte.
Cook: Het was omgerekend naar deze tijdzone, toch?
Miller: Ja.
Cook: Nou ja, het is niet echt de vlammenzee waar ik op gerekend had. Geeft niet, jongens: morgen dezelfde tijd… Ooit moeten we het een keer goed hebben.
De statistieken van een calamiteit
Waar we echt bang voor moeten zijn, is een grote ramp die ons niet allemaal doodt, maar wel een groot aantal van ons. Het probleem is dat we moeite hebben om ons zowel de potentiële schaal als de waarschijnlijkheid van rampen voor te stellen. ‘Een enkele dode is een tragedie; een miljoen doden is een statistiek.’ Dat aforisme wordt meestal toegeschreven aan Stalin. Die toeschrijving kan worden teruggebracht op een column uit 1947 in The Washington Post, waarin Leonard Lyons schreef:
‘In de dagen dat Stalin de commissaris van Munitie was, werd er een vergadering gehouden met de hoogste commissarissen in rang. Het belangrijkste gespreksonderwerp was de hongersnood die toen heerste in de Oekraïne. Een van de functionarissen stond op en hield een toespraak over deze tragedie – de tragedie dat er miljoenen mensen stierven van de honger. Hij begon sterftecijfers op te sommen (…) Stalin onderbrak hem en zei: ‘Als slechts één man sterft van de honger, is dat een tragedie. Als miljoenen sterven, is het slechts statistiek.’
Lyons vermeldde geen bron, maar ofwel hij of Stalin heeft de zinsnede vrijwel zeker geleend van Kurt Tucholsky, die deze op zijn beurt toeschreef aan een Franse diplomaat. ‘Oorlog? Dat vind ik niet zo verschrikkelijk. De dood van één mens, dat is een catastrofe. Honderdduizend doden, dat is een statistiek.’ We zien ook een versie van deze mentaliteit in onze tijd, merkte Eliezer Yudkowsky op: ‘Mensen die er niet over zouden peinzen om een kind pijn te doen, horen over een existentieel risico en zeggen: “Tja, misschien verdient de mensheid het niet echt om te overleven.” (…) De uitdaging die existentiële risico’s stellen is zodanig, en de catastrofes zijn zo enorm, dat mensen in een andere denkmodus schieten. Dan is het sterven van mensen ineens niet langer slecht en vereisen gedetailleerde voorspellingen ineens geen expertise meer.’
We moeten op z’n minst proberen de statistieken begrijpelijk te maken. Rekening houdend met het grote gebrek aan historische bronnen kunnen we zeggen dat er in de gehele vastgelegde geschiedenis waarschijnlijk zeven grote pandemieën zijn geweest met een groter sterftecijfer dan 1 procent van de geschatte wereldbevolking. Daarvan hebben er vier meer dan 3 procent gedood en twee – de Pest van Justinianus en de Zwarte Dood – meer dan 30 procent, hoewel het dodental van de laatstgenoemde ziekte heel goed veel lager kan zijn geweest. Ook de beschikbare gegevens over de sterfgevallen als gevolg van oorlogshandelingen wijzen op slechts een klein aantal extreem dodelijke conflicten. Gegevens van de fysicus L.F. Richardson en de sociale wetenschapper Jack Levy wijzen – net als andere, meer recente studies – op zeven grootschalige oorlogen die meer dan 0,1 procent van de geschatte wereldbevolking doodden in de dagen dat ze uitbraken. In absolute termen waren de twee wereldoorlogen de dodelijkste conflicten in de geschiedenis. In Richardsons analyse van alle ‘dodelijke conflicten’ tussen 1820 en 1950 waren de wereldoorlogen de enige oorlogen van zwaarte: de enige met dodentallen van tientallen miljoenen. Ze waren goed voor drie vijfde deel van alle doden in zijn steekproef, waartoe behalve oorlog een moord en andere vormen van doodslag behoorden. In de Eerste en Tweede Wereldoorlog kwam respectievelijk 3 procent van de wereldbevolking van 1914 en 1939 om het leven; ook al vonden er verhoudingsgewijs misschien vernietigender conflicten plaats in eerdere perioden, vooral de oorlogen uit het tijdperk van de Drie Koninkrijken in het China van de derde eeuw, tussen de Han- en Jin-dynastieën.
Over het algemeen gezien zijn ziektekiemen aanzienlijk dodelijker geweest dan oorlogen
In relatieve termen – dat wil zeggen: naar proportie van gedode strijdkrachten – behoort de Oorlog van de Drievoudige Alliantie (1864-1870) tot de dodelijkste uit de moderne geschiedenis. Toch is dit conflict vrijwel onbekend buiten de drie landen die erin vochten: Argentinië, Brazilië en Uruguay, die samen optrokken tegen Paraguay. Over het algemeen gezien zijn ziektekiemen aanzienlijk dodelijker geweest dan oorlogen. Het is zelfs zo dat de meeste mensen die hun leven verloren tijdens de Oorlog van de Drievoudige Alliantie stierven aan een ziekte, niet door vijandige acties. Volgens schattingen van Pasquale Cirillo en Nassim Taleb ‘heeft geen enkel gewapend conflict ooit meer dan 19 procent van de wereldbevolking gedood’. De conquistadores vermoordden in verhouding minder inwoners van Midden- en Zuid-Amerika dan de ziekten die ze met zich mee brachten uit Europa, waartegen de inheemse volkeren geen weerstand hadden.
Soortgelijke exercities kunnen worden uitgevoerd voor zowel burgeroorlogen als genocides en democides – massamoorden op bevolkingsgroepen, in tegenstelling tot sterfgevallen als gevolg van oorlog tussen landen. Het totaal aantal slachtoffers van het stalinisme in de Sovjet-Unie kan hoger liggen dan 20 miljoen; een behoorlijke ‘statistiek’. Sterftecijfers van meer dan 10 procent zijn ook geschat voor Pol Pots schrikbewind in Cambodja, evenals voor de burgeroorlogen in Mexico (1910-1920) en Equatoriaal Guinee (1972-1979). In Richardsons lijst met conflicten van zwaarte 6 zijn zes van de zeven daarvan burgeroorlogen: de Taiping-opstand (1851-1864), de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), de Russische Burgeroorlog (1918-1920), de Chinese Burgeroorlog (1927-1936), de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en het totaal van de slachtpartijen die gepaard gingen met de onafhankelijkheid en opdeling van India (1946-1948). We zijn geneigd om aan te nemen dat geen enkele eeuw zo bloederig was als de twintigste. Toch wordt gezegd dat het exemplarische geweld dat gebezigd werd door de dertiende-eeuwse Mongoolse leider Dzjengis Khan de bevolkingen van Centraal-Azië en China gereduceerd heeft met meer dan 37 miljoen; een aantal dat, als het correct is, gelijkstaat met ongeveer 10 procent van de wereldbevolking op dat moment. Timurlengs laatveertiende-eeuwse veroveringen in Centraal-Azië en Noord-India waren al net zo berucht bloederig, met een geschat dodental van meer dan 10 miljoen. De Mantsjoe-verovering van China in de zeventiende eeuw kan het leven gekost hebben aan niet minder dan 25 miljoen mensen. Naast de Taiping-opstand veroorzaakten diverse andere Chinese opstanden in de periode voor 1900 een menselijk lijden op een schaal die gelijkstaat of zelfs hoger is dan wat de inwoners is aangedaan door burgeroorlogen in de twintigste eeuw. Van de achtste-eeuwse An Lushan-opstand wordt aangenomen dat die het leven kostte aan meer dan 30 miljoen mensen. Net zo vernietigend voor de provincies die erdoor getroffen werden, waren de vrijwel gelijktijdige opstanden van Nien en Miao, en de moslimopstanden in Yunnan en in het noordwesten van China. In deze gevallen moeten de dodentallen worden afgeleid van provinciale en plaatselijke volkstellingen die verricht zijn voor en na de opstanden. De bevolkingsafnamen lijken dodentallen in te houden die variëren van 40 tot 90 procent, maar ook in dit geval is het aannemelijk dat ziekten en hongersnoden net zoveel doden veroorzaakten als georganiseerd geweld, en waarschijnlijk veel meer. Ten slotte is er een reden om aan te nemen dat de sterftecijfers als gevolg van de West-Europese verovering en kolonisatie van het Amerikaanse continent en van Afrika in sommige perioden net zo hoog zijn geweest als die in de twintigste eeuw.
Het aantal doden in de Congo onder Belgisch bewind kan rond de 20 procent van de bevolking hebben gelegen
Zoals zojuist al is opgemerkt, viel de overgrote meerderheid van de slachtoffers van de Europese verovering van Noord- en Zuid-Amerika ten prooi aan ziekten, niet aan geweld. Dus wie in dit verband spreekt van ‘genocide’ tast de waarde van historische terminologie net zozeer aan als degenen die de negentiende-eeuwse hongersnoden in India ‘victoriaanse holocausts’ noemen. Niettemin vertonen de gedwongen slavernij van het Congolese volk door de Belgische kroon na 1886 en de onderdrukking van de Herero-opstand door de Duitse koloniale autoriteiten in 1904 gelijkenissen met twintigste-eeuwse georganiseerde gewelddaden. Het aantal doden in de Congo onder Belgisch bewind kan rond de 20 procent van de bevolking hebben gelegen. De geschatte sterftecijfers in de Herero-oorlog zijn nog hoger: meer dan 1 op 3. Wat dit conflict, in verhouding, tot het bloedigste in de hele twintigste eeuw maakt. Het absolute aantal doden was echter 76.000, terwijl in de Congo tussen 1886 en 1908 naar schatting 7 miljoen doden vielen. Hoewel het gebruikelijk is om gegevens te normaliseren door percentages te be rekenen, moeten we altijd bedenken dat, anders dan bij Stalin, 1 miljoen doden altijd 1 miljoen tragedies inhouden – 1 miljoen premature en pijnlijke sterfgevallen –, of de noemer nu wordt uitgedrukt in tientallen miljoenen of in miljarden, en of die nu worden uitgevoerd door twee oorlogvoerende supermachten of door 1 miljoen moordenaars. De wereldoorlogen waren goed voor ongeveer 36 miljoen doden (ongeveer 60 procent van alle ‘dodelijke conflicten’ in Richardsons onderzoeksperiode van 130 jaar). Richardson was verbaasd te merken dat de daaropvolgende categorie uit de gebeurtenissen bestond met een magnitude van 0 (conflicten waarbij één tot drie personen stierven), die verantwoordelijk waren voor 9,7 miljoen doden. Het restant van de 315 onderzochte oorlogen, gecombineerd met alle duizenden conflicten van gemiddelde grootte, was goed voor minder dan een kwart van de slachtoffers van alle dodelijke conflicten. We moeten ook rekening houden met het feit dat juist dankzij de gestegen levensverwachting een sterfgeval in de twintigste eeuw – vooral in de rijke landen van Europa en Noord-Amerika – bijna altijd een groter verlies inhield, in termen van levenskwaliteit, dan een sterfgeval in eerdere tijdvakken.
Veel van de grootste economische rampen in de geschiedenis vielen, niet toevallig, samen met de grote pandemieën en conflicten die hier besproken zijn. Maar niet allemaal. De Grote Depressie, die over het algemeen wordt gedateerd vanaf de Wall Street-crash van oktober 1929, was het gevolg van structurele wanverhoudingen in de wereldeconomie, een rigide systeem van vaste wisselkoersen, protectionisme en fouten op het gebied van monetair en fiscaal beleid. De econoom Robert Barro heeft de beste lijst opgesteld die voorhanden is met de economische rampen van de twintigste eeuw, gerangschikt op hun effect op het reële bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking en op de financiële consequenties. Van de 60 dalingen van 15 procent of meer in reëel bnp per hoofd van de bevolking waren er 38 toe te schrijven aan oorlogen en de nasleep daarvan, 16 waren het gevolg van de Grote Depressie. Van de 35 landen in zijn steekproef vonden de grootste dalingen (elk van 64 procent) plaats in Griekenland (van 1939 tot 1945) en Duitsland (van 1944 tot 1946). De ervaringen met de Tweede Wereldoorlog waren niet veel beter in de Filipijnen en Zuid-Korea: beide landen kenden een vermindering van het bnp per hoofd van de bevolking van 59 procent. Omdat het Verenigd Koninkrijk bijzonder lange historische overzichten heeft, is het mogelijk om moderne economische indicatoren van economische ontberingen vast te stellen in op z’n minst de laatste drie eeuwen, en voor Engeland zelfs tot in de late dertiende eeuw. Volgens de Bank of England blijkt het slechtste jaar in de Engelse geschiedenis 1629 te zijn geweest (toen de economie met 25 procent inkromp), met 1349 (een krimp van 23 procent) als goede tweede. (De reden voor de ernst van de krimp in 1629 ligt niet direct voor de hand: de oorlog met Spanje verliep slecht, maar de grootste militaire operaties vonden dat jaar plaats in het Caribische gebied. Het jaar is in de politieke geschiedenis vooral bekend als het begin van de elf jaar durende ‘Persoonlijke Heerschappij’ van Karel I, zonder parlement.) Het laatste jaar met een krimp van meer dan 10 procent was in 1709, toen de economische activiteiten in heel Europa ernstig werden beperkt door de ‘Grote Vorst’, de koudste winter in 500 jaar. Deze vorstperiode werd toegeschreven aan de uitzonderlijk lage zonnevlekactiviteit die bekendstaat als het Maunder Minimum, in combinatie met vulkaanuitbarstingen in de twee voorafgaande jaren van de Fuji in Japan, op het eiland Santorini en van de Vesuvius. Het ergste jaar van de twintigste eeuw was 1921 (min 10 procent), een periode van hoge naoorlogse deflatie en grote werkloosheid. Toch kan geen enkele periode van vijf jaar opwegen tegen de late jaren veertig van de veertiende eeuw, een periode waarin de Zwarte Dood het bevolkingsaantal met meer dan 40 procent reduceerde. Halverwege 2020 leek dat jaar de ergste krimp in de Britse geschiedenis te laten zien sinds 1709: eind juni voorspelde het Internationale Monetaire Fonds een teruggang van 10,2 procent in het bnp.
Onvolledige gegevens
Er zijn echter grenzen aan wat we kunnen afleiden van economische gegevens. Tijdens het schrijven van een dissertatie over de Duitse hyperinflatie van 1923, en opnieuw bij het bestuderen van de financiële gevolgen van de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, heb ik geleerd dat de tijden van de meest intense crises ook de tijden zijn waarin economische statistieken niet meer worden bijgehouden of alleen foutief worden bijgehouden. De Wereldbank heeft een omvangrijke verzameling gegevens met daarin het bnp per hoofd van de bevolking van bijna alle landen in de wereld sinds 1960. Maar als je kijkt naar de landen die in de afgelopen zestig jaar het meest te lijden hebben gehad van economische en politieke ontwrichting – Afghanistan, Cambodja, Eritrea, Irak, Jemen, Libanon, Somalië, Syrië en Venezuela –, dan zijn er in alle gevallen, weinig verrassend, gaten in de gegevens die samenvallen met de perioden van maximale ontwrichting. Wie kan precies zeggen hoe ernstig hun economische rampen geweest zijn? Het enige wat we weten is dat diezelfde landen bijna allemaal gevonden kunnen worden aan de top van de Fragile States Index, die ooit een ranglijst van ‘mislukte’ landen was. Een andere uitdaging is de (op het eerste gezicht paradoxale) constatering dat de periode 1914-1950, een tijdvak waarin twee wereldoorlogen, een depressie en een ineenstorting van de globalisering vielen, ook een periode was waarin de ontwikkeling van de mensheid – in brede zin gemeten in termen van levensverwachting, opleiding, het percentage van het nationaal inkomen dat besteed wordt aan sociale projecten en het niveau van democratie – over een breed front significant is vooruitgegaan.
Rampen zijn kortom moeilijker te kwantificeren dan je zou verwachten, zelfs in de moderne tijd van statistieken. Dodentallen zijn vaak onnauwkeurig. Om de betekenis van een ramp te begrijpen, moeten we niet alleen het absolute aantal lijken weten, maar ook de oversterfte: het aantal sterfgevallen dat anders niet zou zijn voorgekomen, in verhouding tot basisgegevens die worden berekend als een gemiddelde van recente jaren. Bij een poging om de schaal van een ramp vast te stellen, kan de keuze van een referentiepopulatie een groot verschil maken. Wat in 1943 een catastrofale hongersnood was voor sommige delen van Bengalen, lijkt al met al kleiner als het dodental wordt uitgedrukt als een percentage van de gehele Indiase bevolking, en staat in geen verhouding tot de wereldbevolking in de context van de ergste oorlog die de wereld ooit trof. Mijn doel is om de lezer in staat te stellen de verschillende soorten rampspoed te vergelijken, niet om te beweren dat alle rampen op een bepaalde manier hetzelfde zijn. Tot september 2020 had covid-19 naar schatting 0,0114 procent van de wereldbevolking gedood, waarmee het plaats 26 inneemt op de lijst van de meest rampzalige pandemieën uit de geschiedenis. De Spaanse griep van 1918-1919 was ruwweg 150 keer dodelijker. Maar voor de steden met de meeste besmettingen was covid-19 in de maanden dat ze het zwaarst getroffen werden net zo erg als de Spaanse griep, zo niet erger. In termen van oversterfte was april 2020 in de stad New York bijna 50 procent meer dan oktober 1918, en drieënhalf keer meer dan september 2001, de maand van de aanslag op het World Trade Center. In de eerste helft van 2020 werd de bevolking van Londen net zo hard getroffen door covid-19 als door de Duitse raketaanvallen in de tweede helft van 1944, waardoor de regering in beide gevallen met een vergelijkbare uitdaging geconfronteerd werd: hoe konden de mensen beschermd worden tegen een dodelijke dreiging zonder de stad te verlammen? Dit is niet bedoeld om Al-Qaida of de nazi’s te vergelijken met het virus SARS-CoV-2, maar puur om te laten zien dat een ramp, in de zin van oversterfte, diverse vormen kan aannemen en toch vergelijkbare uitdagingen kan stellen.
Ieder prematuur sterfgeval is, zoals Stalin misschien inderdaad gezegd heeft, op een bepaalde manier een tragedie; hoe jonger het slachtoffer, des te pijnlijker het sterfgeval, en des te groter de tragedie. Maar sommige rampen zijn op een authentiekere manier tragisch dan andere.
Dit artikel is een voorpublicatie uit Rampspoed (Doom) van Niall Ferguson, dat onlangs is verschenen bij uitgeverij Hollands Diep in een vertaling van Ed van Eeden en Jaap Verschoor.
Verschillende regio’s van Algerije, waaronder de hoofdstad Algiers, kampen al maanden met watertekorten. Door haperende toevoer en rantsoenering neemt de woede toe. De Algerijnse pers zoekt een schuldige.
De inwoners van de hoofdstad zijn onderworpen aan een strikt distributieschema: sommige wijken krijgen elke dag water van 08.00 uur tot 14.00 uur, andere wijken hebben slechts om de dag toegang tot water gedurende zes of acht uur, aldus de site van TSA Algerie. Bewoners van sommige wijken staan ’s nachts op om water te tanken en op die manier reserves aan te leggen, schrijft de nieuwssite.
Deze omstandigheden leiden tot woede, schrijft TSA Algeria. Zo blokkeerden inwoners van Bab Ezzouar de weg naar de internationale luchthaven van Algiers uit protest tegen het watertekort dat naar verluidt drie dagen duurde.
De prijs voor watertanks van 500 liter steeg van 50 naar 80 euro
De situatie heeft de afgelopen dagen de verkoop van plastic tonnen en watertanks in Algiers doen exploderen, merkt Algeria360op. Handelaren profiteren door de prijzen te verhogen: de prijs voor tanks van 500 liter steeg van 8.000 naar 13.000 Algerijnse dinars, ofwel van 50 naar 80 euro.
Cartoonist Hic, van de krant El-Watan, illustreert de crisis met een karikatuur van demonstrerende Algerijnse burgers die gewapend met emmers proberen de oproerpolitie uit te lokken om waterkanonnen te gebruiken. ‘Mik goed deze keer!’ roept een van de demonstranten naar de politie.
Semi-aride regio
In een artikel gepubliceerd door de staatskrant L’Expression, noemt de auteur de redenen voor de watercrisis op, nu het land ‘voor de poorten van de zomer’ staat. Hij benadrukt dat Algerije nu eenmaal ‘een semi-aride regio is’ die wordt gekenmerkt door schaarse regenval. Maar hij constateert ook dat de leidingen van het distributienet worden geteisterd door talrijke lekken.
In een interview met Channel 3, een Franstalig Algerijns publiek radiostation, legt de minister van Watervoorraden, Mustapha Kamel Mihoubi, de schuld met name bij het Franse bedrijf Suez, dat verantwoordelijk is voor het waterbeheer in de hoofdstad. Suez zou ‘zijn verplichtingen niet nakomen’ op het gebied van netwerkonderhoud, aldus de minister.
Maar TSA Algerie wijst op ‘tekortkomingen van het politieke management’. SEAAL, het bedrijf voor water en sanitaire voorzieningen van Algiers, zou naar verluidt ‘een plan hebben voorgelegd om de situatie aan te pakken, met maatregelen als het rantsoeneren van drinkwater en het verbieden van bepaalde activiteiten door watergebruikers. Maar het bedrijf kreeg geen reactie van de autoriteiten’, aldus TSA.
Al 75 jaar lang bestuderen de Amerikaanse strijdkrachten rapporten over vreemde luchtverschijnselen, schrijft de Amerikaanse site Foreign Policy. Historisch gezien zijn UFO’s en UAP’s (niet-geïdentificeerde luchtverschijnselen) altijd een integraal onderdeel geweest van oorlogvoering in de lucht, en omdat ze een bron van zorg waren voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten, waren ze onderwerp van onderzoek en studie. Deze onderzoeken gaan nog steeds door en waarnemingen en getuigenissen blijven de Amerikaanse publieke opinie nog steeds bezighouden.
De betrokkenheid van het Amerikaanse leger bij UFO’s gaat terug tot de zomer van 1947. Toen vond de waarneming die het allemaal in gang zette plaats door piloot Kenneth Arnold, de peetvader van UFO’s. Hij assisteerde bij het zoeken naar een vermist transportvliegtuig boven de Cascade Range in de staat Washington en meldde dat hij negen verschillende objecten boven de bergtoppen had zien cirkelen. Hij beschreef ze als zilver- of metaalachtig, snel en schijnbaar op intelligente wijze bestuurd. Toen hij landde, vertelde hij zijn collega’s erover. Daarna kwam de pers en dat leidde tot een golf van speculaties.
De vliegende schotels van 1947
Die gebeurtenis en de erop volgende aandacht, waren niet louter een toevalligheid van de geschiedenis, maar ze waren fundamenteel verbonden met de naoorlogse periode. De moderne UFO bracht elementen samen die kenmerkend waren voor de spanningen van 1947.
Om te beginnen vertegenwoordigden het idee van vliegende schotels uit 1947 de tot het uiterste doorgevoerde technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen van de Tweede Wereldoorlog. De wereldoorlogen, de Tweede in het bijzonder, hadden geleid tot ongekende vooruitgang in de technologie en de wetenschap rond oorlogsvoering. Het opdoemen van vreemde, potentieel dodelijke objecten in de lucht resoneerde bij het publiek in de nasleep van de V2-aanvallen op Londen en de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.
1947 markeerde het einde van de vriendschap tussen de oude bondgenoten Washington en Moskou
1947 was ook een cruciaal jaar in de ontwikkeling van de Koude Oorlog, want het markeerde het einde van de vriendschap tussen de oude bondgenoten Washington en Moskou. Dat werd in maart 1947 verwoord in de Truman-doctrine, die het communisme afschilderde als een bedreiging voor The American way of life die op geopolitiek niveau bestreden moest worden. De Amerikanen zagen zichzelf plotseling tegenover een nieuwe tegenstander geplaatst.
De bezorgdheid van het Amerikaanse militair-industriële complex over UFO’s is altijd een kwestie van nationale veiligheid geweest. Gezien het huidige tempo van de ontwikkelingen in luchtvaarttechnologie, is het geen wonder dat de Amerikaanse marine, de luchtmacht, het Pentagon en de Amerikaanse inlichtingendiensten ook in de eenentwintigste eeuw waarnemingen van vreemde luchtverschijnselen blijven bestuderen die door personeel worden gemeld. Zeker, het publieke enthousiasme voor UFO’s blijft bestaan, maar ook de strijdkrachten en inlichtingendiensten van de Verenigde Staten zijn nooit opgehouden om UFO’s en UAP’s te beschouwen als een kwestie van nationale veiligheid. In onze huidige wereld van luchtbewaking en oorlogvoering met drones, is het onwaarschijnlijk dat die houding op korte termijn zal veranderen.
Kus of geen kus, en andere dilemma’s na de versoepelingen
Nu de coronarestricties geleidelijk worden opgeheven, moeten we ons gaan afvragen: welk gedrag brengt risico’s met zich mee? Hoe uiten we genegenheid? Is het onbeleefd om een omhelzing te weigeren? Paul Taylor, een in Frankrijk gevestigde journalist en redacteur van Politicoworstelt in een persoonlijke beschouwing met deze vragen.
‘Wanneer is het onbeleefd om een ander niet de wang toe te keren?’
‘Na een jaar van door de overheid opgelegde sociale etiquette’, schrijft Taylor, ‘heeft de plotselinge opheffing van veel coronabeperkingen ons in een zenuwslopende periode van onzekerheid gebracht. De overgebleven voorzichtigheid botst nu met de wens om vriendelijk te zijn, of op zijn minst om hoffelijkheid te tonen. Wat is veilig en hoe weten we dat? Welk gebaar van genegenheid komt bij anderen over als harteloze of gevaarlijke dwang? Wanneer is het onbeleefd om een ander niet de wang toe te keren?
Ik gaf vorige week een vriend een boks tijdens de opening van een kunstgalerie. Hij verhoogde mijn bod door me een uitgestoken hand aan te bieden. Die hand niet schudden zou onhandig of onvriendelijk hebben geleken. Maar ik geef toe dat ik me ongemakkelijk voelde. Moet ik, nu ik twee keer gevaccineerd ben, nog steeds lichamelijk contact vermijden of naar desinfecterende gel grijpen?
Zenuwslopend
Wat deze beslissingen zenuwslopend maakt, is wat het navigeren door de pandemie vanaf het begin al zo moeilijk maakte: het gebrek aan zekerheid over de gevaren van infectie of de effectiviteit van tegenmaatregelen. De pandemie lijkt voorlopig af te nemen, maar het is ook mogelijk dat we in de herfst weer te maken krijgen met een vierde golf door een combinatie van roekeloos gedrag, weerzin om afstand te houden, onvoldoende vaccins voor mensen in ontwikkelingslanden en weerstand tegen vaccinatie hier.
Misschien zijn we te veel gaan vertrouwen op, of gehoorzamen aan, het oordeel van gezondheidsexperts en ministers. Vandaar het gevoel van paniek wanneer we zelf beslissingen moeten nemen. Is het echt veilig om deze week zonder mondkapje naar buiten te gaan, terwijl het vorige week nog een bedreiging voor de volksgezondheid was die bestraft werd met een boete van 135 euro? Is het gevaar echt geweken, of ligt het nog op de loer in nachtclubs en bars, of tijdens het samendrommen voor openbare tv-schermen om de wedstrijden van het EK voetbal te zien?
‘Waarom is het veilig om met zes mensen rond een tafel te zitten, maar niet met acht?’
Restaurantregels zijn al net zo verwarrend. Waarom is het veilig om met zes mensen rond een tafel te zitten, maar niet met acht? Waarom moet je een mondkapje dragen als je binnen naar een tafel wordt geleid, maar niet wanneer je buiten dicht langs tafels op een terras loopt?
Mijn kapper, laten we haar Magali noemen, is gematigd sceptisch over vaccins. Ze draagt een mondkapje als ze mijn haar knipt, maar vertelde me dat ze weigert zich te laten vaccineren omdat ze niet genoeg weet over de bijwerkingen. Ik vroeg haar of wat bekend is over de symptomen van corona en het risico op overlijden niet opweegt tegen de onzekerheid over de risico’s van de nieuwe vaccins. Ze haalde haar schouders op en zei dat ze zeker wist dat ze het virus niet zou krijgen.
Als genoeg mensen vaccinatie blijven weigeren, zoals Magali, zijn we allemaal minder veilig. Maar zij zal niet van gedachten veranderen. Zou haar houding de mijne beïnvloeden? Het had gekund, maar het is niet gebeurd.
In sommige landen beginnen de richtlijnen willekeurig te lijken omdat ze meebewegen met het aantal besmettingen. Een Belgisch vriendin vertelde me bijvoorbeeld dat ze haar geloof verloor toen de limiet voor bijeenkomsten in de buitenlucht werd verhoogd naar tien personen maar daarna snel weer daalde tot vier.
‘Geen wonder dat jonge mensen zich gedragen alsof we terug zijn in 2019’
Geen wonder dat jonge mensen, van wie de overgrote meerderheid niet is ingeënt, niet langer voorzichtig willen zijn en zich gedragen alsof we terug zijn in 2019. Het is alweer zo lang geleden in hun korte leven dat ze niet hebben kunnen feesten, kussen en dansen. Kun je het ze kwalijk nemen?
Voor mijn generatie, de babyboomers, van in de zestig en ouder, draait de angst iets te missen vooral om niet te kunnen reizen. Het plotselinge stilvallen van onze tweede jeugd doet de drang nog sterker gevoelen om de dromen van ons leven waar te maken. Voor veel mensen komt dat neer op het afwerken van een lijst met bestemmingen, iets wat nu een stuk moeilijker is geworden.
Natuurlijk is dat niet zo moeilijk als 24 uur per dag vastzitten als legbatterijkippen in een klein appartement, thuiswerkend te midden van kinderen en huisdieren. Maar voor de Europese middenklasse is de vrijheid om grenzen over te kunnen steken fundamenteel en bijna net zo gewoon als het nemen van de metro of de bus. Het recht verliezen om ergens heen te kunnen gaan, veroorzaakt frustraties die grenzen aan depressie.
Geen zin
Maar hoezeer ik er ook naar verlang om weer op reis te kunnen gaan, ik heb geen zin om me naar het vliegveld te haasten, urenlang in rijen te moeten staan die nu nog langer zijn door coronatesten en te worstelen met al het papierwerk dat benodigd is om aan boord van een vliegtuig te mogen, met boven dat alles de zware dreiging van een mogelijke quarantaine bij terugkomst.
‘Omhelzen of niet omhelzen, dat is de vraag’
Kijk maar naar de relatie tussen mijn geboorteland, Groot-Brittannië, en Frankrijk, mijn geadopteerde thuis. Het Verenigd Koninkrijk, dat meer coronasterfgevallen per hoofd van de bevolking heeft gehad dan bijna overal elders in Europa, blijft Frankrijk behandelen als een door pest geteisterde gevarenzone. En de Fransen slaan terug nu Groot-Brittannië ondanks massale vaccinaties worstelt met de Delta-variant.
Volledig gevaccineerde vrienden die deze maand van Frankrijk naar Londen moesten reizen, moesten bijna 1500 euro per stel betalen voor drie sets verplichte testen, en daarna moesten ze nog een week in quarantaine na aankomst in het Verenigd Koninkrijk. Dat maakt reizen tot een straf plus opsluiting, en niet tot een plezier.
Of ik moet blijven of moet gaan, is op dit moment niet zo’n moeilijke keuze. Maar omhelzen of niet omhelzen, dat is de vraag.’
Niet alleen in Nederland, maar ook in de VS wordt het steeds duurder om een huis te kopen. De huizenprijzen kenden in mei de grootste jaarlijkse stijging sinds ruim twee decennia, door een tekort aan onroerend goed en lage rentes op leningen die de vraag aanwakkeren, aldus The Wall Street Journal. Volgens de National Association of Realtors (NAR), de Amerikaanse makelaarsvereniging, bedroeg de gemiddelde verkoopprijs van bestaande woningen in mei voor het eerst 350.000 dollar, ruim 293.000 euro. Dat is bijna 24 procent hoger dan een jaar geleden.
Mensen die vanuit huis kunnen werken, grepen de kans om naar een goedkopere stad te verhuizen
De verkoopprijzen zijn sinds afgelopen zomer sterk gestegen, toen coronamaatregelen in het hele land werden versoepeld en veel mensen zich haastten om meer ruimte en grotere huizen te vinden. Mensen die vanuit huis kunnen werken, grepen de kans om naar een goedkopere stad te verhuizen. De prijsstijging zorgt voor vertraging in het tempo van woningverkopen. De verkoop van bestaande woningen daalde in mei met 0,9 procent ten opzichte van april, waarmee de vierde opeenvolgende maand van dalende verkopen een feit is, aldus NAR.
Veel aanmeldingen voor European Space Agency
European Space Agency (ESA) is verrast door het aantal mensen dat zich heeft aangemeld om lid te worden van het astronautenkorps, schrijf BBC. In totaal vulden 22.589 personen een online formulier in, tweeënhalf keer zoveel als bij de laatste oproep van ESA in 2008. Het aantal aanmeldingen van vrouwen steeg aanmerkelijk: 5419 aanvragen vergeleken met 1287 in 2008.
‘Het toont de interesse en het enthousiasme van mensen in Europa om astronaut te worden’
‘Meer dan 22.000 sollicitanten is nogal wat’, aldus Josef Aschbacher, directeur-generaal van ESA. ‘We zijn allemaal stomverbaasd. Het toont de interesse en het enthousiasme van mensen in Europa om astronaut te worden.’
Er zijn aan vier tot zes mensen contracten te vergeven om zich fulltime bij het astronautenkorps te voegen. Daarnaast wordt een reservebestand van maximaal 20 personen gemaakt voor het geval er zich andere kansen voordoen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat een lidstaat van ESA een ‘nationale missie’ wil vliegen buiten de afspraken die het agentschap heeft met het International Space Station (ISS).
Polen wil kernenergie
Parlementsleden van vier uiteenlopende politieke partijen in Polen vragen premier Mateusz Morawiecki in een brief om partij-overschrijdend overleg over de bouw van kerncentrales. Het is een zeldzaam vertoon van samenwerking in de verdeelde Poolse politieke arena, volgens Notes from Poland. De parlementariërs stellen dat de plannen meerdere parlementaire termijnen zullen beslaan en dus een langdurige samenwerking tussen politieke groeperingen vereist.
Volgens de officiële nucleaire strategie van de regering, die onderdeel vormt van plannen om gaandeweg over te schakelen van steenkool naar energiebronnen met lage of geen uitstoot, zal de eerste reactor van Polen tegen 2033 in bedrijf moeten zijn. In 2043 zullen er dan nog vijf kerncentrales volgen. Het ministerie van klimaat liet vorig jaar weten dat het streven is om een totale nucleaire capaciteit van ongeveer 6 tot 9 GW te hebben, tegen een geschatte kostprijs van 80 miljard zloty (17 miljard euro). Sommige experts vrezen dat de voorgestelde tijdlijn te optimistisch is.
12,833 biljoen
Door de val van de roepie daalde het aantal dollarmiljonairs in India in 2019 van 764.000 tot 698.000, bericht het Indiase nieuwsportaal YourStory. Hun cumulatieve vermogen bedroeg 12,833 biljoen dollar, een daling van 594 miljard dollar of 4,4 procent ten opzichte van het voorgaande jaar, volgens een rapport van het onderzoeksinstituut van Credit Suisse.
Argentinië hervat vleesexport
Vanwege enorme prijsstijgingen en een tekort aan aanbod stelde Argentinië medio mei een exportverbod van een maand in op rundvlees om de prijzen te verlagen. Dat verbod is nu voorbij en Argentijnse fokkers mogen weer rundvlees exporteren, meldt Der Spiegel. Tot augustus blijft het toegestane exportvolume echter wel beperkt tot 50 procent van de gemiddelde export van vorig jaar.
In 2020 exporteerde Argentinië 819.000 ton vlees en leer
Argentinië is de vierde grootste exporteur van rundvlees ter wereld. In 2020 exporteerde het land 819.000 ton vlees en leer, goed voor zo’n 2,8 miljard euro, voornamelijk naar China, Duitsland, Chili en Israël. Rundvlees maakt ongeveer 5 procent uit van de totale export van Argentinië.
Draghi is positief gestemd
Italië kan zich verheugen op een periode van sterke groei na de economische aardbeving die werd veroorzaakt door de pandemie, zo liet premier Mario Draghi woensdag aan het Italiaanse parlement weten. ‘De economische situatie in Europa en Italië verbetert enorm’, aldus Draghi. ‘Volgens de prognoses van de Europese Commissie zal Italië in 2021 en 2022 met respectievelijk 4,2 en 4,4 procent groeien, net als de rest van de EU. Veel indicatoren geven aan dat ons herstel waarschijnlijk nog duurzamer zal zijn.’
De premier zei dat een sterkere groei het mogelijk zou maken om ‘de verhouding tussen schuld en bruto binnenlands product te verlagen‘, bericht ANSA.
We staan er zelden bij stil, maar spreken is een uiterst complexe vaardigheid. Hoe beeld je een woord als leegte aan elkaar uit als je nog geen enkele referentie hebt? Onderzoekers reisden terug naar het allereerste begin van de communicatie.
‘Im Anfang war das Wort…’
Bijna vijfhonderd jaar geleden formuleerde Maarten Luther deze eerste regel van het Johannesevangelie in het Nieuwe Testament, toen hij de Griekse versie vertaalde in het Duits. Bedoeld was het goddelijke Woord aan het begin van de schepping. Maar deze regel werpt ook een fundamentele vraag op: Wat was het begin van de menselijke taal? Het woord, of iets anders?
Hoe ontwikkelde zich precies het systeem dat een reeks opeenvolgende klanken een betekenis geeft? De grammatica die ieder van ons in zijn moedertaal moeiteloos beheerst? Generaties wetenschappers hebben hun tanden stukgebeten op dit raadsel. De Berliner Akademie der Wissenschaften loofde in 1769 al een prijs uit voor de oplossing ervan. De geleerden twistten erover of de taal door mensen gemaakt of door God gegeven was. In de loop van de achttiende eeuw verhevigde het debat, daarna verdween het van de wetenschappelijke agenda en tegen het einde van de twintigste eeuw dook het weer op.
Vanuit heel verschillende invalshoeken benaderen wetenschappers de vraag hoe de mens tijdens zijn evolutie de taal heeft ontwikkeld. Onderzoekers uit Leipzig hebben gekozen voor een bijzondere aanpak. De ontwikkelingspsycholoog Manuel Bohn probeert de ontwikkeling van de taal in het laboratorium te achterhalen. Samen met zijn collega Gregor Kachel en de prominente Amerikaanse gedragsonderzoeker Michael Tomasello, bedacht hij een reeks experimenten waarin kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar de hoofdrol spelen.
Het bijbelcitaat zou moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’
De onderzoekers observeerden wat er gebeurt wanneer kinderen die geen gemeenschappelijke taal hebben elkaar ontmoeten. Voor de serie experimenten, die plaatsvond in de testruimtes van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, werden steeds twee jonge proefpersonen via een videoverbinding met elkaar in contact gebracht. Om de gemeenschappelijke taal te elimineren, stond het geluid uit.
Behalve het beeldscherm waarop elk kind het andere kon zien, stond in beide ruimtes een bord met vijf afbeeldingen. Daarop waren tekeningen te zien van alledaagse activiteiten zoals haar kammen, hameren of fietsen. Eerst vroegen de onderzoekers steeds een van de kinderen om de inhoud van een van de afbeeldingen over te brengen naar het kind in de andere ruimte, maar zonder woorden te gebruiken.
Terwijl de zesjarigen spontaan gebaren maakten, dus bijvoorbeeld de beweging van het hameren nabootsten, deden de jongeren dat pas als de begeleiders hen op die mogelijkheid wezen. Was de communicatie eenmaal op gang gekomen, dan begreep men elkaar in beide leeftijdsgroepen even goed.
‘Goed’ betekent in dit geval dat het kind dat het gebaar van zijn tegenhanger op het beeldscherm bekeek en vergeleek met de vijf afbeeldingen, vaker de juiste afbeelding aanwees dan wanneer de keuze zuiver toeval was geweest.
‘Gebaren zijn krachtig,’ zegt Manuel Bohn. ‘Ze zijn heel geschikt om je verstaanbaar te maken als je nog geen gemeenschappelijke taal hebt.’ Dat heeft iedereen wel eens meegemaakt. Als je mensen tegenkomt die jouw taal niet spreken, dan gebruik je je handen: je wenkt iemand naderbij of brengt de handen naar de mond als je ‘eten’ wilt aanduiden.
De bouw van de toren van Babel, Hendrick van Cleve III (1525-1589)
Nabootsing
Het bijbelcitaat zou dus moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’, en volgens de onderzoekers een speciaal soort gebaar. ‘De kinderen hebben spontaan een uitbeeldend gebaar gebruikt om een link met het hameren op de afbeelding te leggen,’ verklaart Bohn. Vertaald naar de klanktaal corresponderen de pantomimische gebaren met de klanknabootsende begrippen. In het Duits en ook in andere talen berusten verhoudingsgewijs maar weinig woorden op klanknabootsing. Bijvoorbeeld de werkwoorden ‘klatschen’ (klappen) of ‘tuscheln’ (fluisteren). Ze imiteren het geluid dat twee handen voortbrengen als ze op elkaar slaan of als we zo zachtjes spreken dat alleen wie vlakbij staat ons verstaat.
Klanknabootsende woorden zijn een afbeelding van het geluid dat een bepaalde bezigheid produceert, precies zoals veel gebaren een uitbeelding van die bezigheid zijn.
Het idee dat woorden door nabootsing van natuurlijke geluiden ontstonden, is niet nieuw. Ook taalfilosoof Johann Gottfried Herder, die de wedstrijd van de Berliner Akademie der Wissenschaften won, meende dat mensen de eerste taal ontwikkelden ‘uit klanken van de levende natuur’.
Natuurlijk: schapen blaten, bijen zoemen en duiven koeren. Maar kan er werkelijk sprake zijn van taal als we klanknabootsende geluiden voortbrengen? Of wanneer kinderen handbewegingen kiezen en die steeds verder ontwikkelen? Voor taalwetenschappers is daar geen twijfel aan mogelijk.
De Franse theoloog Charles-Michel de l’Epée, die in de tweede helft van de achttiende eeuw met hulp van dove mensen een Franse gebarentaal ontwikkelde, was ervan overtuigd dat gebarentalen volwaardige talen zijn, want ze blijven niet steken in afzonderlijke uitbeeldende gebaren, net zomin als de klanktalen in klanknabootsende natuurgeluiden.
‘Leegte’ of ‘niets’
‘Als je spreek over taal, moet je daarin gebarentaal altijd meedenken,’ zegt Manuel Bohn. Hoe die taal wordt uitgedrukt, in geluiden of gebaren, is van ondergeschikt belang. Doorslaggevend acht de onderzoeker de psychische voorwaarden die talige communicatie mogelijk maken: ‘Zoals de kinderen in het experiment wil ook een persoon in het communicatieproces altijd iets meedelen, en de ander iets begrijpen,’ legt Bohn uit.
Deze doelgerichte aandacht die de kinderen in het experiment opgebracht hebben voor de samen te volbrengen opdracht, is ook voor gedragsonderzoeker Michael Tomasello de voorwaarde zonder welke de taal zich niet had kunnen ontwikkelen.
‘Gezamenlijke aandacht en perspectiefwisselingen zijn voor menselijke samenwerking en sociale interactie zo doorslaggevend, dat de soort nieuwe vormen van communicatie heeft ontwikkeld die van daaruit zijn opgebouwd,’ schrijft Michael Tomasello in zijn in 2020 verschenen boek Mensch werden (Mens worden). Zo gezien is de ontwikkeling van deze competenties een grote sprong in de evolutie van de mens. Daarmee vergeleken is de nieuwe vorm van communicatie, de uitvinding van de taal, maar een kleine stap.
Maar als het gebaar of ook de klanknabootsing aan het begin stond, hoe heeft de taal zich daaruit dan precies ontwikkeld? Ook op deze vraag hebben de onderzoekers uit Leipzig in hun experimenten een antwoord gezocht. Manuel Bohn en zijn collega’s observeerden verschillende stappen in de taalontwikkeling, bijvoorbeeld de overgang van beeldende naar abstracte gebaren.
‘Wat gebeurt er wanneer de kinderen niet kunnen teruggrijpen op een concrete alledaagse ervaring als hameren of fietsen? Scheppen ze dan een abstract teken? Dat wilden we uitzoeken,’ zegt de onderzoeker. In dit experiment ‘kregen de kinderen de opdracht een abstract begrip als ‘leegte’ of ‘niets’ over te brengen. Een leeg blad papier verbeeldde dat.
Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld
Een van de kinderen probeerde eerst zich te verduidelijken met verschillende gebaren zoals het demonstratief tonen van lege handen en wees toen op verschillende witte dingen in de ruimte. Zonder succes. Ten slotte ontdekte het een witte punt op zijn T-shirt en wees er steeds opnieuw op met zijn wijsvinger.
Nu leek het andere kind te begrijpen wat er bedoeld werd en gaf te kennen dat het begrepen was doordat het naar het lege blad in zijn ruimte greep. Toen het raadspelletje met verwisselde rollen werd voortgezet, herhaalde dit kind het gebaar van zijn gesprekspartner en wees met de wijsvinger op de corresponderende plek op het eigen T-shirt – ook al was daar geen witte punt te zien.
Wat was er gebeurd? De kinderen waren het binnen een paar minuten eens geworden over een handbeweging die als symbool voor een bepaalde inhoud, een bepaalde betekenis stond. Een geweldige stap van de simpele, spontane geste naar een vast, afgesproken gebaar dat in elke willekeurige situatie benut en begrepen kan worden.
Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is daarbij willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld. Want ze berusten – anders dan de weinige klanknabootsende woorden – op een conventie.
Dat betekent dat een taalgemeenschap het op een bepaald moment erover eens is geworden dat het woord ‘hamer’ een hamer betekent, en niet een stoel. De betekenis heeft met het ding op zich niets te maken. En mocht er toch ooit een direct verband zijn geweest, dan is dat in de loop van millennia van taalontwikkeling verloren gegaan.
Grondregels
Maar talen – gesproken of in gebaren – bestaan niet alleen uit afzonderlijke symbolen, die worden ook op een bepaalde manier samengevoegd en krijgen daardoor nog meer betekenissen. Deze grammatica kan binnen bepaalde taalfamilies op elkaar lijken, zoals in de talen van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe alle Europese talen behoren (behalve Hongaars, Fins, Estisch en Baskisch), maar ook veel West- en Zuid-Aziatische talen als Armeens, Perzisch en Hindi.
Maar in elke taal zijn de regels een beetje anders. Een vraag die de taalkundige Artemis Alexiadou fascineert is of er tenminste één grondregel is die voor alle talen geldt. ‘Mijn onderzoek heeft aangetoond dat de theoretische aanname dat een werkwoord in alle talen nooit alleen voorkomt, maar altijd een subject moet hebben, klopt,’ zegt Alexiadou, plaatsvervangend directeur van het Leibniz Centrum voor Algemene Taalwetenschap in Berlijn.
Een grondregel waaraan ook de kinderen in het taalonderzoekslab in Leipzig spontaan gehoorzaamden. De onderzoekers legden hun jonge proefpersonen – deze keer waren het acht- tot tienjarigen – afbeeldingen voor waarop bijvoorbeeld een aap op een kat jaagt en vroegen hen om het gebeuren te beschrijven.
De kinderen creëerden daarop niet een enkel gebaar voor het gebeuren. Ze beeldden de scène net als in een zin woord voor woord uit: eerst de aap, vervolgens duidden ze ‘rennen’ aan, daarna imiteerden ze een kat, bijvoorbeeld door het aflikken van de poten.
Ze vormden de zinnen uit bewegingen met hun handen op een manier zoals de grammatica van bijna alle talen ter wereld voorschrijft: eerst het subject, dan het object. Maar grijpen die jeugdigen bij het op een rij zetten van de gebaren niet gewoon terug op de structuur van hun moedertaal? De taalkundige Alexiadou gelooft dat niet. Ze weet het zeker: ‘Dat het subject, dus de uitvoerder van zo’n handeling, eerst genoemd wordt, is een cognitieve beslissing, geen taalkundige.’
Deze hypothese werd bevestigd door een later experiment: de onderzoekers uit Leipzig lieten twaalfjarige kinderen afbeeldingen zien van objecten, bijvoorbeeld van een kleine hamer, een grote hamer, of een heleboel hamers. Opnieuw knoopten de kinderen twee gebaren aan elkaar. Maar deze keer varieerde de volgorde.
Kinderen zoeken actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen
Nu eens beeldden ze eerst de hamer uit en dan een gebaar voor ‘klein’ of ‘veel’. Dan weer kozen ze de omgekeerde volgorde: ‘klein hamer’ of ‘veel hamer’.
‘Hier hebben we gezien dat de kinderen geen bepaalde voorkeur hebben,’ zegt taalonderzoeker Manuel Bohn. Ze worden dus niet geleid door een moedertaal, maar door hun eigen, aangeboren denken.
Ze zoeken, zo lijkt het, actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen.
Eén ding is zeker: het begint met het uitbeelden van de wereld in gebaren of klanken en met een grote bereidwilligheid om met soortgenoten op een complexe manier samen te werken.
Maar op welke principes en denkpatronen een jong mens daarbij precies teruggrijpt, waar en wanneer die in de evolutie van onze soort zijn ontstaan – daarover zullen onderzoekers nog wel lange tijd van gedachten wisselen en het oneens zijn.
Ook de Bijbelvertalers waren het ooit oneens: kort voordat Maarten Luther aan de Duitse vertaling begon, had Erasmus van Rotterdam bij zijn vertaling van de bijbel uit het Grieks in het Latijn een woord uit de eerste zin vervangen en ervan gemaakt: ‘In den beginne was het gesprek’.
Auteur Kristina Vaillant beveelt iedereen die zich in de geschiedenis van de taal wil verdiepen het boek aan van Martin Kuckenburg: Wer sprach das erste Wort?
Het is twijfelachtig of we ooit de oorsprong van covid-19 zullen achterhalen. Maar vrijwel geen expert sluit de mogelijkheid uit dat het uit een laboratorium is ontsnapt. De eerste keer zou het namelijk allerminst zijn. ‘Het meest verontrustend is onderzoek naar het nog dodelijker maken van ziekteverwekkers.’
Keuze uit ons archief
De oorsprong van covid-19 blijft een onopgelost mysterie en tevens voer voor een verhitte discussie. Onlangs gooide FBI-baas Christopher Wray nog wat olie op het vuur in een interview met Fox News door te stellen dat het coronavirus in de wereld is gekomen nadat het ontsnapte uit een laboratorium dat mogelijk in de Chinese stad Wuhan stond. Hoewel hij geen bewijs voor zijn stelling gaf, is het niet ondenkbaar. Want over de hele wereld staan laboratoria waar met zeer dodelijke ziekteverwekkers gewerkt wordt, zoals we in dit stuk van het Amerikaanse tijdschrift Mother Jones lezen.
Dit artikel verscheen eerder in Reader 23 van 360 Magazine, juli 2020.
Maar weinig mensen hadden gehoord van het Wuhan Institute of Virology (WIV) – het streng beveiligde biolab in Wuhan, China, dat baanbrekend onderzoek doet naar coronavirussen – tot half april [2020], toen de regering-Trump begon te suggereren dat het mogelijk de bron was van SARS-CoV-2, het virus dat covid-19 veroorzaakt. Tot dusverre werd het idee enkel ondersteund door het feit dat covid-19 uitbrak in de stad waar ook het instituut staat, maar dat toeval was voldoende om voeding te geven aan allerlei wilde samenzweringstheorieën. Aanvankelijk deden deze vooral de ronde in extreemrechtse kringen, maar toen de regering onder vuur kwam te staan, begon ze de verhalen te voeden.
Biosafety Level 4-classificatie
De basis hiervoor werd gelegd toen twee berichten van functionarissen van de Amerikaanse ambassade in Beijing werden gelekt naar The Washington Post. De berichten waren in 2018 naar Washington verzonden nadat de functionarissen het Wuhan Institute of Virology hadden bezocht – het eerste laboratorium in China met een Biosafety Level 4-classificatie, wat betekent dat het met ’s werelds gevaarlijkste ziekteverwekkers werkt – en te horen kregen over veiligheidsproblemen aldaar. ‘Uit gesprekken met wetenschappers van het WIV-laboratorium maakten ze op dat het nieuwe laboratorium een ernstig tekort heeft aan goed opgeleide technici en onderzoekers om de veiligheid in dit besmettingsgevoelige laboratorium te handhaven’, stond in een van de berichten, waarin er bij de regering op aan werd gedrongen extra steun te sturen naar het laboratorium en werd benadrukt hoe belangrijk het werk van het WIV was voor de ‘voorspelling en preventie van toekomstige uitbraken van het coronavirus’.
Een tweede lek was veel gerichter. Fox News haalde niet nader benoemde insiders aan die zeiden ‘steeds meer overtuigd te zijn’ dat de uitbraak afkomstig was uit het laboratorium. Toen president Trump tijdens een persconferentie naar het rapport werd gevraagd, was zijn commentaar: ‘We horen het verhaal steeds vaker.’
In The Hugh Hewitt Show voerde staatssecretaris Mike Pompeo de druk verder op: ‘We weten dat de eerste waarnemingen van de ziekte plaatsvonden binnen enkele mijlen van het Wuhan Institute of Virology. We kennen de geschiedenis van de faciliteit – het is het eerste BSL-4-laboratorium waar hoogwaardig virusonderzoek wordt uitgevoerd. We weten dat de Communistische Partij van China, toen ze begon te bepalen wat er in Wuhan moest gebeuren, overwoog of het WIV misschien de plek was waar dit vandaan kwam. En het allerbelangrijkste: we weten dat ze niet hebben toegestaan dat wetenschappers het laboratorium binnengaan om te evalueren wat er is voorgevallen.’
De motivatie om China de schuld te geven, om de slordigheid van andere mogendheden als de ware oorzaak van de pandemie aan te wijzen, lijkt evident. De afgelopen tijd is er steeds meer afbreuk gedaan aan het argument van de regering dat ze te kort van tevoren is gewaarschuwd voor het naderende virus. Nieuwe rapporten maken steeds weer duidelijk hoe vroeg en vaak de regering werd gewaarschuwd, en volgens ABC News werd het eerste alarm zelfs al in november geslagen, toen de Amerikaanse inlichtingendienst de uitbraak oppikte via in China onderschepte communicatie en markeerde als potentieel ‘cataclysmisch’. Vandaar de noodzaak om de aandacht af te leiden van haar eigen onbekwaamheid en China tot grote vijand te bestempelen.
Misplaatst
Maar de politiek gemotiveerde pogingen van de regering-Trump om het WIV de schuld te geven, zijn nogal misplaatst. Een laboratoriumconnectie zou de Amerikaanse schuld juist vergroten, omdat het werk dat er werd gedaan deel uitmaakte van een internationaal, in de Verenigde Staten gelanceerd project – tot voor kort althans: vlak nadat Trump de theorie van de ontsnapping uit het laboratorium omarmde, eind april, werd de bijdrage aan EcoHealth Alliance, dat bijdroeg aan de financiering van het WIV-lab, stopgezet.
De gelekte berichten tonen aan hoe hecht de relatie is tussen het WIV en de Verenigde Staten. Er is geen teken dat het instituut in 2018 met Beijing contact opnam voor extra hulp; in plaats daarvan reikte het uit naar Washington, dat het verzoek afwees. Zoals de Post meldde: ‘Er is geen extra hulp aan de laboratoria verleend.’
In het onwaarschijnlijke geval dat bewezen wordt dat het virus aan het laboratorium kan worden gelinkt, kan het niet-leveren van meer ervaren personeel worden gezien als een enorme blunder van de regering-Trump. ‘In de berichten worden serieuze waarschuwingen gedaan, en je zou verwachten dat degene die ze heeft gelezen, stappen zou ondernemen om de situatie te peilen’, zei senator Chris Murphy van Connecticut onlangs tegen de Post. ‘Maar er bestaan nog altijd meer vragen dan antwoorden over de oorsprong van dit virus.’
Virussen die in zo’n onvriendelijke omgeving weten te overleven, kunnen verwoestend zijn als ze oversteken naar zoogdieren met een zwakkere verdediging
Het is twijfelachtig of we ooit de oorsprong van covid-19 zullen achterhalen. Maar ondanks het scepticisme van veel experts, durfde niemand met wie ik sprak de mogelijkheid uit te sluiten dat het per ongeluk was ontsnapt uit een laboratorium waar het werd bestudeerd. Ook kan het naar Wuhan zijn gebracht door iemand die ergens anders is besmet, of door een dier dat als tussengastheer diende. Zoals we hebben gezien, weten de meeste mensen die met SARS-CoV-2 zijn besmet niet dat ze het hebben. Het is misschien onmogelijk om zo’n ziekte tot patient zero terug te traceren.
Maar dat het WIV nu de aandacht heeft, kan ergens goed voor zijn. De meeste mensen realiseren zich niet hoe heroïsch een deel van het werk is dat er wordt verricht, en hoe belangrijk om de volgende pandemie te voorkomen. Ook is er weinig erkenning voor het gevaar dat het werk in zwaarbeveiligde biolabs over de hele wereld met zich meebrengt. Ja, de volgende pandemie zou uit een laboratorium in China voort kunnen komen. Maar de oorsprong kan net zo goed veel dichter bij huis liggen.
De afgelopen decennia zijn er vaker ziekten van dieren op mensen gesprongen, een fenomeen dat zoönose of spillover wordt genoemd, of soortoverschrijdende overdracht. Deskundigen geven de schuld aan onze toenemende inmenging in de natuurlijke wereld. Door bossen om te zetten in boerderijen en op wilde dieren te jagen, geven we virussen steeds meer kans om over te lopen.
De inspanning om dergelijke overdracht op te sporen en te voorkomen, begon nadat SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) in november 2002 in Zuid-China opdook en een aantal mensen infecteerde die banden hadden met een ‘natte markt’, waar dieren in het wild worden verkocht. SARS heeft uiteindelijk 774 mensen over de hele wereld gedood door longcellen te vernietigen en een ernstige longontsteking te veroorzaken. SARS doodde 10 procent van zijn slachtoffers, een extreem hoog percentage, maar was niet enorm besmettelijk, en in juli 2003 was het gelukt het virus te bedwingen.
Virologen identificeerden al snel een nieuw coronavirus als veroorzaker van SARS. Het leek op andere virussen die in vleermuizen werden aangetroffen, waarvan men vermoedde dat ze de oorspronkelijke gastheren waren. Vleermuizen zijn de natuurlijke dragers van veel van ’s werelds ernstigste infectieziekten, waaronder MERS en ebola, maar die virussen veroorzaken bij vleermuizen zelden problemen. Vleermuizen hebben een hyperactief immuunsysteem dat virussen weinig kans geeft. Bij de meeste zoogdieren, waaronder wijzelf, zouden dergelijke agressieve immuunreacties dodelijke ontstekingen veroorzaken (zoals de cytokinestormen waar sommige covid-19-patiënten aan overlijden), maar vleermuizen hebben bovendien unieke herstelmechanismen in hun cellen die zulke ontstekingen constant opruimen. Deze herstelmechanismen dienen om de slijtage tegen te gaan die wordt veroorzaakt door het intense metabolisme van vleermuizen – hun hart kan tijdens de vlucht duizend keer per minuut kloppen –, maar stellen vleermuizen ook in staat 24/7 een beroep te doen op hun immuunsysteem zonder zichzelf te vernietigen.
Virussen die in zo’n onvriendelijke omgeving weten te overleven, kunnen verwoestend zijn als ze oversteken naar zoogdieren met een zwakkere verdediging, een beetje als een invasieve soort die in een maagdelijke omgeving wordt gedropt.
Volgens Scientific American begon een team van WIV onder leiding van viroloog Shi Zhengli in 2004 grotten in Zuid-China te bezoeken, in de hoop de oorzaak van SARS te vinden. Ze namen vleermuizen mee en namen bloed-, speeksel- en ontlastingsmonsters, die ze in Wuhan op virussen testten. In 2009 werd het lab betrokken bij PREDICT, een nieuw programma dat werd opgezet door USAID en erop was gericht wetenschappers op te leiden en te financieren om gebieden met een hoog risico op nieuwe virussen te onderzoeken. Door onbekende virussen te identificeren voordat ze op mensen terechtkwamen – om ‘ze te vinden voordat ze ons vinden’, zoals Shi het uitdrukte –, hoopten onderzoekers een systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te kunnen zetten. Het project werd in tientallen landen uitgevoerd, maar het WIV vormde een belangrijke spil en Shi Zhengli kwam in China bekend te staan als ‘Bat Woman’.
Het team van Shi ontdekte dat de vleermuizen in Zuid-China vol virussen zaten, vooral coronavirussen
In 2013 ontdekte het WIV SARS-CoV, de oorzaak van SARS, in een grot in de provincie Yunnan. Het team van Shi ontdekte dat de vleermuizen in Zuid-China vol virussen zaten, vooral coronavirussen. Meer dan tien jaar lang verzamelde haar team in de regio meer dan tienduizend monsters van vleermuizen waarmee ze honderden nieuwe coronavirussen identificeerden, waarvan enkele in staat waren ook mensen te infecteren. Veel vleermuizen droegen meerdere virussen met zich mee en er waren alarmerende tekenen dat de virussen zich opnieuw met elkaar vermengden – ze wisselden tijdens het vermenigvuldigen stukjes genetische code uit, waardoor nieuwe virussen met nieuwe eigenschappen ontstonden.
‘Het is zeer waarschijnlijk dat toekomstige SARS- of MERS-achtige uitbraken van coronavirus afkomstig zullen zijn van vleermuizen, en er is een vergrote kans dat dit in China zal gebeuren’, schreven Shi en haar collega’s in een paper uit 2019 die nu griezelig vooruitziend overkomt. ‘Dat maakt het onderzoek naar coronavirussen van vleermuizen urgent om vroege waarschuwingssignalen te detecteren.’
SARS en SADS – een verwant virus dat in 2017 25.000 varkens doodde – braken allebei uit in Zuid-China, waar de meest zorgwekkende geslachten van coronavirussen werden gevonden en waar toekomstige uitbraken werden verwacht. Toen de autoriteiten Shi op 30 december waarschuwden dat een uitbraak van longontsteking in Wuhan werd veroorzaakt door een mysterieus nieuw coronavirus, was ze verrast. ‘Ik had nooit verwacht dat zoiets zou gebeuren in Wuhan, in Centraal-China’, vertelde ze aan Scientific American. Wuhan is een metropool van wolkenkrabbers waar 11 miljoen mensen wonen, honderden kilometers verwijderd van de vleermuisvriendelijke grotten van Zuid-China. Shi vroeg zich af: ‘Zou het uit ons lab afkomstig kunnen zijn?’
De weken die volgden beschreef ze als de meest stressvolle van haar leven. Ze doorzocht verwoed de dossiers van haar lab, op zoek naar tekenen van een ongeluk of onbedoelde vrijlating, en was pas gerustgesteld toen de genetische code van het nieuwe virus niet overeen bleek te komen met de coronavirussen in haar lab. ‘Dat haalde echt een enorme druk van mijn schouders,’ zegt ze. ‘Ik had al dagen geen oog dichtgedaan.’
De meesten van ons denken ten onrechte dat het risico op een pandemie uit een biolab oneindig klein is
Het laboratorium van Shi kan niet volledig worden vrijgepleit van mogelijke schuld totdat een onafhankelijke instantie de gegevens van het laboratorium heeft beoordeeld, en het lijkt er niet op dat de Chinese regering die wil vrijgeven. Het zou ook nog kunnen dat de bron van besmetting uit een door Centers for Disease Control and Prevention (CDC) gerund BSL-2-laboratorium in Wuhan komt, waarin naar verluidt wordt gewerkt met vleermuiscoronavirussen en dat opmerkelijk dicht bij de natte markt van de stad ligt.
Maar hoewel Shi zelf gerustgesteld was, impliceren haar woorden eigenlijk iets zeer verontrustends. De meesten van ons denken ten onrechte dat het risico op een pandemie afkomstig uit een biolab oneindig klein is. Maar het is duidelijk dat Shi niet uitsloot dat het uit haar lab zou zijn ontsnapt. En ze blijkt niet de enige te zijn die er zo over denkt. Hoewel bioveiligheidsexperts vooral de natuur als mogelijke bron van de volgende pandemie zien, maken ze zich ook grote zorgen over de laboratoria.
Media over de hele wereld namen de nattemarkttheorie over
De eerste grote cluster van covid-19-gevallen werd in december gevonden bij mensen die waren verbonden aan de Huanan Vismarkt. De markt verkocht naar verluidt levende wilde dieren. Aangezien SARS oorspronkelijk waarschijnlijk werd overgedragen door civetkatten afkomstig van een natte markt in Zuid-China, leek het niet onwaarschijnlijk dat hier de oorzaak lag. De Chinese regering verspreidde het verhaal verder. De markt werd op 1 januari gesloten en het gebied werd schoon geschrobd. ‘De oorsprong van het nieuwe coronavirus is het wild dat illegaal wordt verkocht op een vismarkt in Wuhan’, verkondigde Gao Fu, directeur van China’s CDC, in januari.
Media over de hele wereld namen de nattemarkttheorie over. Maar zelfs al in januari was het duidelijk dat de kans dat het coronavirus voor het eerst op de markt werd overgedragen verwaarloosbaar was. Er is geen bewijs dat er levende schubdieren werden verkocht, een andere mogelijke drager van coronavirussen, maar ten minste één kraam heeft mogelijk civetkatten verkocht. Ondanks uitgebreide tests van de dieren en de dierlijke onderdelen die op de markt werden verkocht, testte geen ervan positief op het virus, volgens het CDC. De enige positieve monsters kwamen ‘uit de omgeving’ en waren mogelijk afkomstig uit het riool.
Bovendien klopt de timing niet. Volgens gegevens van de Chinese overheid die zijn geanalyseerd door South China Morning Post, kunnen de vroegste gevallen in de provincie Hubei worden getraceerd tot half november, weken vóór de uitbraak op de markt. ‘Het virus kwam op die markt terecht voordat het ervandaan kwam’, zei Daniel Lucey, specialist in infectieziekten aan de Georgetown University, eind januari tegen Science. Lucey is een fel tegenstander van de theorie dat het virus uit het lab zou komen. De markt was volgens hem gewoon een versterker, een soort mini-Mardi Gras.
Maar daarmee was niet verklaard hoe een virus dat in afgelegen grotten in Zuid-China in vleermuizen was ontstaan, plotseling in het centrum van Wuhan kon opduiken. Zelfs de meest plausibele theorieën – dat het van een vleermuis naar een persoon of een ander dier was gesprongen, die het als tussengastheer naar Wuhan bracht – zou een opmerkelijke samenloop van gebeurtenissen vereisen. Het was een beetje alsof op het Zwitserse platteland buiten de CERN-deeltjesversneller plotseling een zwart gat ontstond.
‘Het virus kwam op die markt terecht voordat het ervandaan kwam’
Perfect voer voor samenzweringsgezinde dwepers als Rush Limbaugh, die de wetenschap niet kon volgen en duistere biowapenverhalen over de ‘ChiCom’-regering spon, die terecht werden veroordeeld door experts in het veld (en die hij sindsdien heeft ingetrokken). Het genoom van SARS-CoV-2 vertoonde geen enkel teken dat het niet natuurlijk zou zijn, en vijf van ’s werelds beste wetenschappers bekritiseerden in Nature Medicine de hypothese dat het uit een lab zou zijn ontsnapt. ‘Onze analyses tonen duidelijk aan dat SARS-CoV-2 geen laboratoriumconstructie of doelbewust gemanipuleerd virus is’, schreven ze.
Maar het bleef de vraag of een vleermuisgrotonderzoeker het natuurlijke virus onbewust naar Wuhan zou hebben gebracht, of in het laboratorium geïnfecteerd zou zijn geraakt. Helaas hadden de Limbaughs van de wereld op dit terrein hun invloed. Een van de weinige wetenschappers die nog publiekelijk durfde te speculeren, was de befaamde microbioloog van de Amerikaanse Rutgers Universiteit Richard Ebright. ‘De mogelijkheid dat SARS-CoV-2 op mensen is overgesprongen als een direct gevolg van de activiteiten van PREDICT – tijdens het verzamelen van vleermuizen en uitwerpselen van vleermuizen in het veld, of tijdens het onderzoek naar vleermuizen, uitwerpselen van vleermuizen of vleermuisvirussen – kan niet worden uitgesloten of verworpen,’ zei hij, en hij noemde het actief zoeken naar nieuwe virussen op afgelegen plekken om ze naar laboratoria (in dichtbevolkte gebieden) te brengen ‘met een brandende lucifer naar een gaslek zoeken’.
Ebrights focus op ontsnappingen uit het laboratorium maakte hem tot een soort paria, vooral onder experts die het publiek niet graag opstoken. Maar hij is niet de enige die deze zorgen legitimeert. ‘Het is belangrijk om op voorhand te zeggen dat we over onvoldoende bewijs beschikken om de mogelijkheid uit te sluiten dat het is ontsnapt uit een onderzoekslaboratorium’, schreef de gerespecteerde bioloog Carl Bergstrom van de Universiteit van Washington op Twitter. Hoewel hij een natuurlijke zoönose ‘veel plausibeler’ noemde, waarschuwde hij: ‘Wat de oorsprong van #SARSCoV2 ook mag zijn geweest, in de toekomst moeten we het risico van bepaalde activiteiten zorgvuldig beoordelen en controleren.’
Jonna Mazet, directeur van PREDICT, hield een pleidooi voor de veiligheidsmaatregelen van het WIV en wees op alle redenen waarom een ongeval met onderzoekers van het WIV ongelooflijk onwaarschijnlijk was. ‘Ik ben wetenschapper’, zei Mazet. ‘Ik zou nooit zeggen dat een laboratoriumongeval niet mogelijk is. Ik zeg alleen dat het veel minder waarschijnlijk is dan veel andere verklaringen.’ Onderzoekers in het veld dragen volledige Tyvek-pakken en -maskers en bevriezen monsters in vloeibare stikstof. In het laboratorium breken ze virussen in stukjes voordat ze het bestuderen, en al het werk wordt in bioveiligheidskasten verricht die zijn ontworpen om ontsnappingen te voorkomen. Om al die redenen twijfelen de meeste reguliere wetenschappers aan de laboratoriumconnectie. ‘We hebben geen enkel bewijs gevonden om de theorie te ondersteunen dat de oorsprong van SARS-CoV-2 bij mensen opzettelijk of per ongeluk in een laboratorium plaatsvond’, schreef Daniel Lucey onlangs op de blog van de Infectious Diseases Society of America.
Tot dusverre is er geen hard bewijs om welke theorie dan ook te ondersteunen die verklaart hoe SARS-CoV-2 in Wuhan terechtkwam. Het is allemaal speculatie.
Het tijdperk van vrijgekomen ziekteverwekkers
Het begin van het moderne tijdperk van vrijgekomen ziekteverwekkers kan worden vastgesteld in 1973 in Engeland, toen een laboratoriumassistent die met pokken werkte zichzelf infecteerde en drie anderen besmette, van wie er twee stierven. Vier jaar later werd pokken in het wild vrijwel officieel uitgeroeid, maar het jaar daarop stierf een medisch fotograaf aan de Birmingham Medical School op mysterieuze wijze aan de ziekte. Het bleek dat onderzoekers in een ander deel van het gebouw experimenteerden met pokken, en het virus bereikte de fotograaf hoogstwaarschijnlijk via het ventilatiesysteem.
Er is ook al een door het laboratorium veroorzaakte minipandemie geweest, in 1977, toen in China een griepvirus uitbrak en de wereld overspoelde. (Gelukkig was het een milde soort.) Griepstammen staan erom bekend dat ze constant muteren, maar deze was bijna identiek aan de soort die voor het laatst in de jaren vijftig werd gezien, wat betekent dat de stam ergens moet zijn opgeslagen. De verdenking viel op het robuuste biowapenprogramma van de Sovjet-Unie, maar onderzoekers concludeerden dat het waarschijnlijker was dat de ziekteverwekker was vrijgekomen tijdens een mislukte vaccinatieproef. Niemand is naar voren gestapt.
De Sovjets kwamen in 1979 alsnog onder vuur te liggen, toen een luchtfilter na onderhoud aan een geheim biowapenlaboratorium niet goed werd vervangen en een wolk miltvuursporen ontsnapte. De sporen hebben in de aangrenzende stad Sverdlovsk minstens 66 mensen gedood. De Sovjets ontkenden stellig, maar de Amerikaanse inlichtingendienst was niet overtuigd. Het incident werd pas in 1992, na de val van de Sovjet-Unie, bevestigd, toen president Boris Jeltsin een onafhankelijk team van wetenschappers onderzoek liet doen.
Verdedigers van biolabs wijzen er graag op dat de veiligheidsmaatregelen sinds de jaren zeventig drastisch zijn verbeterd, wat een feit is. Toch heeft ook de eenentwintigste eeuw een golf van incidenten gekend, mogelijk als gevolg van de enorme toename van labs met bioveiligheidsniveau 3 en 4. BSL-3-laboratoria behandelen zeer besmettelijke en dodelijke pathogenen zoals miltvuur, Westnijlvirus, vogelgriep, SARS en MERS. BSL-4-laboratoria behandelen de ergste slechteriken, waarvoor momenteel geen tegenmaatregelen bestaan, zoals ebola en pokken. In 2001 hadden de Verenigde Staten vijf BSL-4-laboratoria. Na 9/11 en de miltvuuraanvallen brak het tijdperk aan van bioterroronderzoek. Nu zijn er minstens negen van dergelijke laboratoria in de Verenigde Staten en meer dan vijftig over de hele wereld, waarvan zeven nog gepland of in aanbouw zijn. En er zijn nog veel meer BSL-3-labs – alleen al in de VS zijn er tweehonderd geregistreerd.
Geen smoking gun
De beste protocollen ter wereld kunnen menselijke fouten niet elimineren, en die zijn de oorzaak van de meeste ongevallen in de genoemde biolabs. Officiële incidentrapporten lezen alsof ze afkomstig zijn uit de Springfield-kerncentrale in The Simpsons. Een moersleutel raakte verstrikt in het deksel van een centrifuge en werd over een bak met ziekteverwekkers geslingerd. Een dierenkooi met beddengoed dat mogelijk besmet was met het nieuwe SARS-coronavirus, werd omvergeworpen door de deur van een vriezer, waarbij de inhoud over de vloer werd gemorst. Vloeistoffen verstuiven. Labmuggen ontsnappen. Labratten bijten. Laboranten die proefdieren proberen te injecteren, raken per ongeluk hun eigen vingers. Zoals de Laboratory-Acquired Infection Database onthult, is er meestal geen smoking gun dat aantoont hoe de onderzoeker geïnfecteerd raakte. De natuur vindt wel een manier.
Dat geldt ook voor de best geleide laboratoria. Het National Institute for Allergies and Infectious Diseases schat dat in hun laboratoria eens in de 600.000 werkuren een in het laboratorium opgelopen infectie zal optreden. Dat aantal is erg laag, en als er maar een paar wetenschappers met deze ziekteverwekkers zouden werken, zou de kans op een ongeluk ook laag blijven. Maar met honderden, misschien zelfs duizenden van dergelijke labs die zich over de hele wereld verspreiden, kunnen zelfs gebeurtenissen met een lage waarschijnlijkheid relatief vaak voorkomen.
Aan de hand van gegevens uit 2010 van het CDC schatte een deskundige dat in de Verenigde Staten ‘ongeveer twee keer per week een inbreuk op de insluiting plaatsvindt’. In sommige gevallen waren daarbij dodelijke agentia betrokken, waaronder miltvuur, vogelgriep en ebola. De meeste incidenten zijn niet ernstig, maar sommige wel. Neem twee voorbeelden in lagerisicolaboratoria: in 2009 stierf een onderzoeker aan de Universiteit van Chicago nadat hij was geïnfecteerd met een verzwakte peststam. In 2012 kreeg een postdoc in het VA Medical Center in San Francisco meningitis uit zijn laboratorium. Tijdens het avondeten met vrienden begon hij zich duizelig te voelen. De volgende dag kreeg hij huiduitslag en werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij stierf.
Soms worden per ongeluk containers met levende ziekteverwekkers gebruikt
Uit een onderzoek van USA Today, gepubliceerd in 2015, bleek dat meer dan honderd zwaarbeveiligde laboratoria in de Verenigde Staten ‘de meest flagrante veiligheids- of beveiligingsinbreuken’ hadden ondergaan. De onder druk gebrachte ‘ruimtepakken’ die door onderzoekers worden gedragen, scheurden tussen 2013 en 2014 37 keer in Amerikaanse BSL-4-laboratoria. Buiten een laboratorium van de Universiteit van Californië werden ratten aangetroffen die nesten bouwden van biohazardzakken en labbenodigdheden. Een onderzoeker van de Texas A&M Universiteit prikte zichzelf met een naald toen hij een muis met de ziekte van Lyme behandelde, en een week later (terwijl hij nog aan de antibiotica was vanwege het eerste incident) werd hij gebeten door een andere muis met dezelfde bacterie. Meerdere keren ontsnapten muizen met SARS- of Mexicaanse griep aan onderzoekers van de Universiteit van North Carolina in Chapel Hill.
Een veelvoorkomende oorzaak van ongevallen is het werken met levende agentia die dood hadden moeten zijn. BSL-4-laboratoria doden dodelijke ziekteverwekkers vaak met straling, zodat ze voor onderzoek naar minder veilige laboratoria kunnen worden gestuurd, maar soms wordt dat niet grondig genoeg gedaan, en soms ook worden gewoon per ongeluk containers met levende ziekteverwekkers gebruikt.
Dat gebeurde bijvoorbeeld in 2014, toen het CDC de verkeerde batch ebola-monsters van een BSL-4-laboratorium naar een minder goed beveiligd laboratorium stuurde dat dode ebola verwachtte. (Een grote meevaller was dat deze eveneens inactief waren.) En het overkwam Dugway Proving Ground [faciliteit van het Amerikaanse leger waar biologische en chemische wapens worden getest], dat gedurende een periode van twaalf jaar onbewust (via commerciële vervoerders) levende miltvuursporen verscheepte naar bijna tweehonderd laboratoria over de hele wereld. Wonder boven wonder ging er niemand aan dood.
Anders was het geval van Bruce Ivins, de ongelukkige wetenschapper aan het US Army Medical Research Institute of Infectious Diseases in Fort Detrick, Maryland, die verdacht werd van de aanzet tot de miltvuuraanvallen in 2001 waarbij vijf mensen omkwamen. Van ditzelfde instituut werd in 2009 een onderzoek geschorst nadat er opgeslagen ziekteverwekkers werden ontdekt die niet waren geregistreerd. (Een onderzoeker stelde destijds The New York Times gerust dat, hoewel de administratie van het instituut niet perfect op orde was, deze nog altijd beter was dan die van universiteiten die met soortgelijke ziekteverwekkers werkten.)
Wenen van berouw
En zulke problemen zijn niet iets van het verleden. De National Academy of Sciences schatte de kans op een uitbraak van mond- en klauwzeer, die rampzalig was voor de veeteelt, op 70 procent tijdens de vijftigjarige levensduur van de 580.000 vierkante meter grote National Bio- and Agro-Defense Facility, die momenteel wordt voltooid aan de rand van de Kansas State University in Manhattan, Kansas. ‘Als een of ander gruwelijk pathogeen van niveau 4 ontsnapt uit een biolab in Manhattan, zal het hele heartland wenen van berouw’, schreef een boer aan de Topeka Capital Journal. Ondanks sterke weerstand van omwonenden is het project volgens schema gepland om volgend jaar van start te gaan.
Dat was nadat de nabijgelegen biofarmaceutische fabriek in Lanzhou tijdens het maken van het Brucellavaccin ontsmettingsmiddel over datum gebruikte, waardoor de bacteriën via afvaldampen konden ontsnappen
Buiten de Verenigde Staten zijn de gegevens schaarser, maar ook hier zijn de anekdotes niet bepaald bevorderlijk voor de nachtrust. In 2004 prikte een wetenschapper van het Russische staatsonderzoekscentrum voor virologie en biotechnologie, ook bekend als VECTOR – een belangrijk onderdeel van het biowapenprogramma van de Sovjet-Unie en een faciliteit waar momenteel pokken worden opgeslagen – zichzelf per ongeluk met een naald met ebola en stierf. (VECTOR had vorig jaar ook te maken met een grote onverklaarbare explosie.) In 2014 verdwenen 2349 flesjes met SARS-monsters uit het Pasteur-instituut in Parijs in het niets.
Ook China heeft de nodige problemen gehad. Eind vorig jaar testten bijna tweehonderd onderzoekers van het Lanzhou Veterinary Research Institute in het noordwesten van China positief op antilichamen van de bacterie die de griepachtige ziekte brucellose veroorzaakt. Dat was nadat de nabijgelegen biofarmaceutische fabriek in Lanzhou tijdens het maken van het Brucellavaccin ontsmettingsmiddel over datum gebruikte, waardoor de bacteriën via afvaldampen konden ontsnappen en met de wind mee konden reizen naar het veterinaire instituut.
De oorspronkelijke SARS is sinds 2003 niet meer buiten de natuur gesignaleerd, maar wel ontsnapt uit drie verschillende laboratoria, een in Taiwan, een in Singapore en een van het Chinese National Institute of Virology (NIV) in Beijing, waar twee onderzoekers besmet raakten. De onderzoekers dachten ten onrechte dat ze met een geïnactiveerde versie van het virus werkten. Een onderzoeker van het NIV gaf de infectie door aan haar moeder, die uiteindelijk stierf, evenals een verpleegster, die de ziekte aan vijf anderen doorgaf.
Gain of function
Hoe gevaarlijk het ook is om dodelijke natuurlijke ziekteverwekkers te kweken, het meest verontrustende onderzoek betreft het nog dodelijker maken van ziekteverwekkers. Bezorgdheid over dit zogenaamde ‘gain-of-function’ (GOF)-onderzoek laaide op in 2011, toen twee verschillende teams lieten zien hoe een extreem dodelijke vorm van vogelgriep, die ongeveer zestig procent van de slachtoffers doodt maar tussen mensen niet gemakkelijk wordt overgedragen, zo werd gemuteerd dat deze via de lucht uiterst besmettelijk werd.
De wetenschappers voerden ter verdediging aan dat dergelijke experimenten ons in staat stellen te leren hoe virussen tot besmettelijker of dodelijker evolueren, en vele anderen waren het daarmee eens. Gain-of-function-onderzoek helpt ‘de pandemische paraatheid door het bepalen van de griepvaccinstrategie, van de selectie van kandidaat-vaccinvirussen (…) tot de productie van veilige vaccins voor de wereldbevolking’, schreven 23 wetenschappers in een artikel in mBio, het tijdschrift van de American Society for Microbiology.
Maar anderen waren van mening dat de risico’s niet afwogen tegen het mogelijke heil. Bioveiligheidsexpert Lynn Klotz onderzocht samen met wetenschapsjournalist Edward J. Sylvester de gegevens van het CDC over ongevallen in het laboratorium en schatte de kans dat een pandemische ziekteverwekker uit een laboratorium ontsnapt op slechts 0,3 procent per jaar, wat betekent dat er per lab gedurende 536 jaar werk een kans van 80 procent bestaat op een ontsnapping. Dat klinkt misschien nog acceptabel, maar ze telden al snel 42 laboratoria waarvan bekend was dat ze met levende SARS, influenza of pokken werken, wat zich vertaalt in een kans van 80 procent per 12,8 jaar op een ontsnapping.
En dat was in 2012, toen dit soort werk veel minder gebruikelijk was dan nu. Later schatten de twee de waarschijnlijkheid dat een ontsnapt virus ‘de pandemie die de onderzoekers beweren te willen voorkomen’ veroorzaakt ‘op maar liefst 27 procent, een risico te groot om mee te leven (…) Er is een aanzienlijke kans dat een pandemie met meer dan 100 miljoen dodelijke slachtoffers kan worden veroorzaakt door een niet-gedetecteerde lab-verworven infectie, doordat één enkele geïnfecteerde laboratoriummedewerker de ziekte in zijn omgeving verspreidt,’ aldus de wetenschappers.
Ron Fouchier, de wetenschapper die het gain-of-function-onderzoek verrichtte, bracht hiertegen in dat dergelijke schattingen geen rekening houden met de specifieke kenmerken van zijn uiterst beveiligde laboratorium. Als die in ogenschouw werden genomen, beweerde hij, daalde de kans op een in het laboratorium opgelopen infectie tot minder dan één per miljoen jaar, een getal dat veel onderzoekers, waaronder Klotz, moeilijk serieus konden nemen. Fouchier concludeerde: ‘Aangezien natuurlijke grieppandemieën zich de afgelopen eeuw gemiddeld om de dertig jaar hebben voorgedaan, is de kans dat de volgende pandemie in de natuur zal opduiken een orde van grootte groter dan dat deze uit een laboratorium komt.’
Huiveringwekkende voorafschaduwing
Jarenlang was het laboratorium van Fouchier een van de twee die dit werk deden. Nu zijn er meer. Eén experiment werd in 2015 uitgevoerd aan de Universiteit van North Carolina. In samenwerking met onderzoekers van het Wuhan Institute of Virology voegden bio-ingenieurs een nieuw spike-eiwit toe aan een wild coronavirus dat het in staat stelde menselijke cellen te infecteren – een huiveringwekkende voorafschaduwing van covid-19. De motivatie was dat we hierdoor zouden leren hoe we een nieuw SARS-achtig coronavirus moeten behandelen, maar veel waakhonden, waaronder Richard Ebright, maakten bezwaar. ‘De enige impact van dit werk is het creëren, in een laboratorium, van een nieuw, niet-natuurlijk risico,’ zei hij destijds tegen Nature.
In een artikel in het Bulletin of the Atomic Scientists uit 2014 betuigde biowapenhistoricus Martin Furmanski vurig dat onze veiligheidsmaatregelen niet in verhouding staan tot het risico. ‘Het is nauwelijks geruststellend dat, ondanks stapsgewijze technische verbeteringen in de insluitingsfaciliteiten en toegenomen beleidsvereisten voor rigoureuze bioveiligheidsprocedures bij de omgang met gevaarlijke pathogenen, er bijna dagelijks mogelijk inbreuk wordt gemaakt op de biologische insluiting. In 2010 werden 244 onbedoelde vrijlatingen gerapporteerd van selecte agentia die kandidaat waren voor biowapens. Als we het probleem pragmatisch bekijken, is de vraag niet óf dergelijke ontsnappingen zullen resulteren in een grote civiele uitbraak, maar eerder wat de ziekteverwekker zal zijn en hoe een dergelijke ontsnapping kan worden ingeperkt, of die überhaupt kan worden ingeperkt.’
Dus hoe maken we onze labs veiliger?
Dus hoe maken we onze labs veiliger? In 2014 zette het Witte Huis onder Obama een eerste stap en kondigde aan het gain-of-function-onderzoek te staken totdat duidelijk was wat het ons opleverde.
Maar in 2017, onder Trump, hief het National Institutes of Health (NIH) de onderbreking weer op. Hij ondersteunde in feite de argumentatie van Fouchier, en het werk – inclusief het project dat ze mede financierden in Wuhan – werd voortgezet. ‘GOF-onderzoek is belangrijk om snel evoluerende pathogenen die een bedreiging vormen voor de volksgezondheid te kunnen identificeren en begrijpen en om strategieën en effectieve tegenmaatregelen te ontwikkelen’, verkondigde NIH-directeur Francis Collins. Sommige wetenschappers maakten hevig bezwaar, zoals Steven Salzberg van Johns Hopkins, die schreef: ‘Ik kan niet toestaan dat dit onomstreden blijft. Dit onderzoek is zo potentieel schadelijk en biedt zo weinig voordelen voor de samenleving, dat ik vrees dat NIH het vertrouwen dat het Congres erin stelt, in gevaar zal brengen.’
Megan Palmer, een biotechnologie- en beveiligingsexpert aan de Stanford-universiteit, vertelde me dat ook zij diep bezorgd is over een deel van het onderzoek dat wordt gedaan in hoogbeveiligde biolabs, maar dat het moeilijk is om de gevaren te evalueren. ‘Het lastige is dat we in de meeste gevallen niet weten hoe riskant of gunstig het onderzoek zal zijn.’ Om hier beter zicht op te krijgen, zegt ze, hebben we ‘veel geavanceerdere systemen nodig, zodat we de risico’s kunnen begrijpen en controleren. We zouden incidenten moeten verzamelen en analyseren, die informatie moeten delen en dan proberen daaruit lessen voor verbetering te trekken.’
Ironisch genoeg zou het implementeren van een dergelijk systeem in 2018 deel uitmaken van de Nationale Biodefensiestrategie van de regering-Trump. Ook werd opgeroepen tot samenwerking met internationale partners om het risico van toekomstige pandemieën of bioterroristische aanslagen te verkleinen. Maar de regering liet het plan vallen. ‘De financiering is niet rondgekomen,’ zegt Palmer. ‘We stellen vast dat deze dingen belangrijk zijn, en doen er vervolgens niks mee.’
Eén groot cruiseschip
De beslissing van de regering om dit onderzoek te staken, maakt de wereld er niet veiliger op, en het voortdurende vinger wijzen naar China evenmin. ‘We kunnen niet voortijdig een schuldige aanwijzen,’ zegt Palmer, die een ontsnapping uit het laboratorium als de minder waarschijnlijke hypothese ziet. ‘We moeten onderzoek doen om te achterhalen hoe dit virus kan zijn ontstaan, en om toekomstige bedreigingen te voorkomen moet onze aandacht verder reiken dan alleen dit specifieke incident.’
Zoals we hebben gezien, blijven ziekteverwekkers niet zitten waar ze zijn. Om een volgende pandemie te voorkomen, zijn een buitengewoon vooruitziende blik en internationale samenwerking vereist – precies het tegenovergestelde van de aanpak van de regering-Trump tot nu toe. Andere opties zijn er niet. We zitten allemaal vast op één groot cruiseschip, en voorlopig komt er niemand vanaf.
De uittocht van Venezolanen die het regime van president Nicolás Maduro ontvluchten gaat onverminderd voort. Naar verwachting zal de hoeveelheid vluchtelingen uit Venezuela dit jaar het aantal Syriërs overstijgen dat is gevlucht vanwege de burgeroorlog, bericht El Mundo. Uit cijfers van vorige maand blijkt dat tot nu toe al 5,6 miljoen Venezolanen hun land zijn ontvlucht. Dat is een stijging van ruim 1100 procent vergeleken met 2010 en het aantal vertegenwoordigt ongeveer 17,1 procent van de totale bevolking die in Venezuela is geboren. Ongeveer 1,7 miljoen van de Venezolaanse migranten bevindt zich in Colombia.
De exodus wordt niet afgeremd door de coronapandemie; noch door de druk die het regime uitoefent om de uittocht te stoppen; noch door smeergelden die betaald moeten worden aan guerrilleros om de gesloten grenzen clandestien te kunnen oversteken. Honderden en honderden mensen steken elke dag de grenzen over om een nieuw leven te zoeken in Colombia, Ecuador, Peru, Chili, Argentinië en zelfs de Verenigde Staten.
‘In Venezuela is geen eten, veel mensen zijn ondervoed, er zijn geen middelen om te overleven’
‘We hebben een maand en zeven dagen gelopen’, vertelde de 66-jarige Hortensia López aan een journalist van de Spaanse krant, die een reportage maakte over de situatie aan de grens tussen Venezuela en Colombia. ‘Ik ga met mijn kleinkinderen naar Cali. Ik heb ze meegenomen uit Venezuela omdat de situatie daar kritiek is: er is geen eten, veel mensen zijn ondervoed, er zijn geen middelen om te overleven. We moesten wel vertrekken. De mensen hier in Colombia zijn barmhartig en verlenen veel hulp aan Venezolanen.’
Een andere vrouw, die net met haar vier kleinkinderen van elf, acht, zeven en drie jaar de grens met Colombia is overgestoken, heeft geen geld en zegt van San Juan de los Morros naar Cali te zullen gaan lopen. De twee steden liggen ruim 1700 kilometer uit elkaar.
De Golden Gate Bridge maakt te veel lawaai
Canadese aerodynamicadeskundigen zijn hard bezig met een missie die van het grootste belang is voor de oren van inwoners van San Francisco, zo schrijft The San Francisco Chronicle. Hun doel is om de Golden Gate Bridge het zwijgen op te leggen.
Tot grote ergernis van omwonenden begon de brug een jaar geleden lawaai te maken na aanpassing van de veiligheidsreling aan de westkant van de brug. Om de brug een slanker profiel te geven en veiliger te maken bij harde wind, werden de originele spijlen vervangen door twaalfduizend smallere exemplaren. Die blijken nu luid gebrom te produceren bij stevige wind. Het geluid is soms tot op zo’n vijf kilometer afstand te horen.
Mogelijk is er tegen de zomer een oplossing. ‘Het is een lastige zaak’, aldus een woordvoerder. ‘We willen er absoluut zeker van zijn dat we het goed doen. De veiligheid van de brug mag niet in het geding komend, maar we moeten ook luisteren naar de inwoners.’
Europa dumpt plastic in Turkije
Volgens een rapport dat Greenpeace in mei publiceerde, dumpt Europa op grote schaal plastic afval in Turkije. Alleen al de export van plastic afval van Groot-Brittannië naar Turkije groeide tussen 2016 en 2020 met factor 18, van 12.000 ton naar 210.000 ton. Dat betekent dat Turkije de eindbestemming was voor bijna 40 procent van het plastic afval uit Groot-Brittannië, schrijft BBC. Volgens het rapport dumpten lidstaten van de Europese Unie vorig jaar twintig keer meer plastic afval in Turkije dan in 2016. Deskundigen en internationale milieugroeperingen waarschuwen dat plastic en ander afval zich opstapelt in Turkije en dat het illegaal wordt verbrand of geloosd zonder acht te slaan op het milieu.
Er komen dagelijks vanuit Europa zo’n 240 vrachtwagenladingen met plastic afval in Turkije aan
Volgens Nihan Temiz Atas, hoofd biodiversiteitsprojecten van Greenpeace Turkije, komen er dagelijks vanuit Europa zo’n 240 vrachtwagenladingen met plastic afval in Turkije aan. ‘Het overweldigt ons. Aan de hand van gegevens zijn we Europa’s grootste stortplaats.’
Het Britse ministerie van Milieu, Voedsel en Plattelandszaken zegt in een reactie: ‘Het is duidelijk dat het VK meer van zijn afval zelf moet verwerken. We zijn vastbesloten om de export van plastic afval naar niet-OESO-landen te verbieden en de illegale uitvoer van afval naar landen als Turkije, strenger te controleren.’
Vorig jaar stuurde Maleisië 150 zeecontainers met illegaal geïmporteerd plastic afval terug naar de landen van herkomst. Milieuminister Yeo Bee Yin zei toen dat die stap bedoeld was om ervoor te zorgen dat haar land niet ‘de vuilnisbelt van de wereld’ zou worden.
Wes Anderson draait in Spanje
The French Dispatch van Wes Anderson gaat in juli in première op het filmfestival van Cannes, maar de 52-jarige Amerikaanse filmregisseur is alweer druk bezig met de voorbereidingen voor zijn volgende film. Volgens de Spaanse krant El Paísdraait hij zijn nieuwe project in juli, augustus en september in het Spaanse Chinchón ten zuidoosten van Madrid. Volgens de krant doen de sets die er worden opgebouwd denken aan een western-achtige woestijn, ook al wordt de film volgens bronnen geen western.
De burgemeester van Chinchón is blij, vertelde hij tegen El País: ‘Het is heel belangrijk voor ons. Er zijn al talloze shoots hier opgenomen, maar dat een grote Amerikaanse productie hier enkele maanden komt filmen, betekent levendigheid, prestige en publiciteit.’ In het stadje werden in het verleden films gedraaid onder regisseurs als Nicholas Ray, Orson Welles, Carlos Saura en Pedro Almodovár. Anderson, die in Frankrijk woont, draaide al zijn films de afgelopen tien jaar in Europa.
Groene oase in New York
Mediamagnaat Barry Diller en zijn vrouw, modeontwerpster Diane von Furstenberg, bedachten in 2013 een plan ter vervanging van Pier 54 in New York, die door orkaan Sandy was verwoest. Ze wilden ‘iets bouwen (…) dat meteen op het eerste gezicht oogverblindend was en iedereen die het bezoekt gelukkig maakt’, schrijft architectuurblog Dezeen. Acht jaar later was daar Little Island.
Dit park op palen van ongeveer één vierkante kilometer ligt aan Hudson River Park aan de westkant van Manhattan, nabij de wijk Chelsea, en steunt op 132 paddestoelvormige kolommen van beton die op verschillende hoogtes zijn geplaatst voor een golvend effect. De groene oase is te bereiken via de loopbruggen North Bridge en South Bridge, beide gelegen aan de Hudson River Greenway. Er zijn verschillende openbare locaties, waaronder een amfitheater, een kleiner theater en een spokenwordpodium. Sinds mei is Little Island open voor publiek.
Beurzen van Mary Beard
Mary Beard, de Britse Hoogleraar Geschiedenis aan Cambridge en populaire presentator van BBC-series over de oudheid, gaat na veertig jaar met pensioen. Om dat te vieren stelt ze twee studiebeurzen in van elk 45.000 euro, die kansarme studenten de mogelijkheid geven Klassieke Oudheid te studeren aan Cambridge.
‘Het is een manier om te laten zien dat we het bieden van gelijke kansen serieus nemen’, aldus Dame Mary tegen The Guardian. ‘Ik ben me zeer bewust van wat ik heb geleerd van de Klassieken. Niemand in mijn familie had een universitair diploma.’ Volgens Beard bieden de Klassieken een manier om ‘anders over de wereld te denken’, met inzichten over filosofie, cultuur, geslacht en ras.
De beurzen heeft ze vernoemd naar Joyce Reynolds (102), haar voormalige docent in Cambridge: een ‘fantastische strijder voor de rechten van vrouwen in wat toen een mannenwereld was’.
De auto de stad uit en alles wat je nodig hebt in je eigen buurt; dat is de stad van de toekomst. Architecten in Barcelona, Parijs en Stockholm geven het goede voorbeeld. Twee Catalaanse wetenschappers onthullen hun plannen voor een nieuwe manier van samenleven.
Met de wereldwijde pandemie zijn ‘afstand’ en ‘tijd’ actuele onderwerpen geworden in de discussie over de verbetering van ons stadsleven. Boven op het probleem van de tweedeling in de leefruimte en de disbalans in het stedelijk milieu kampen we nu ook met de gevolgen van een jaar van beperkende maatregelen die het dagelijks leven hebben verstoord.
Vanuit het urbanisme, de studie van de stedelijke leefomgeving, worden vraagtekens gezet bij de tendens tot het steeds meer op afstand zetten en opdelen van wonen, werken en recreëren. De hypermobiliteit heeft ernstige consequenties gehad voor het milieu en de leefomgeving, en ook voor onze gezondheid en ons dagelijks leven.
Andere dagindelingen, andere plekken, andere relaties en ontmoetingen – dat is het nieuwe normaal
We hebben het ritme en de planning van ons dagelijks leven onder druk gezet om aan nieuwe eisen te kunnen voldoen en gebruik te maken van de nieuwe middelen die ons ter beschikking staan. Andere dagindelingen, andere plekken, andere relaties en ontmoetingen – dat is het nieuwe normaal, waarin de virtuele en reële contacten op een paradoxale manier steeds meer door elkaar zijn gaan lopen.
Voor dit opkomende levensmodel, waar we weinig van afweten, moeten nog alternatieven worden bedacht. We kunnen de consequenties voor ons en onze omgeving nog niet overzien. Er doemen nieuwe problemen op, en ook nieuwe manieren om de stad in te richten, processen, ideeën en projecten worden versneld. En gezien de huidige mogelijkheden van onmiddellijke communicatie, zijn er al stedelijke modellen met wereldwijde impact in de maak.
Zo maken Barcelona, Parijs en Stockholm zich sterk voor de stad van nabijheid, hun plannen hebben meerdere aspecten gemeen: het beperken van de ruimte voor autoverkeer en het stimuleren van een stedelijk leven waarin nabijheid centraal staat.
‘Superblokken’
Een project dat inmiddels veel navolging krijgt zijn de ‘superblokken’ van Barcelona. Recent werd een prijsvraag uitgeschreven voor ideeën om een aantal straten in Ensanche, de negentiende-eeuwse stadsuitbreiding van Barcelona, tot ‘groene kernen’ te maken en vier grote pleinen te creëren. Het basisidee van het voorstel was om huizenblokken in groepen van drie bij drie als eenheid te nemen voor het afsluiten van doorgaand gemotoriseerd verkeer.
‘Het zijn pure buurtstraten en dus vrij van lawaai en luchtverontreiniging’
Zo omschrijft Salvador Rueda, de bedenker van het plan, het ecologisch project: ‘Een cel van 400 bij 400 meter omsloten door een netwerk van verkeersaders die door de hele stad lopen. In de binnenstraten van die cellen geldt een maximum snelheid van 10 kilometer per uur. Ze kunnen niet gebruikt worden voor doorgaand verkeer, het zijn pure buurtstraten en dus vrij van lawaai en luchtverontreiniging.’
De bedoeling is de binnenstraten te ‘pacificeren’ en de kruispunten tot pleinen te maken. Een maatregel die heel goed past in het stratenplan van Ensanche, dat heel rechthoekig is, maar dat meer problemen oplevert in wijken met een onregelmatiger structuur of grotere verschillen in dichtheid of bedrijvigheid of bestemming.
De meest recente uitrol van het model vertoont enige variaties op het beginschema. Een aantal binnenstraten worden tezamen beschouwd als uitgebreide groene kernen, die kunnen dienen om bestaande voorzieningen, toepassingen en ruimtes met elkaar te verbinden.
Ville du Quart d’Heure
De burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, heeft in de campagne voor haar tweede termijn het idee van de Ville du Quart d’Heure – ‘de 15-Minuten Stad’ – als centraal agendapunt gelanceerd. Haar adviseur stadsplanning, Carlos Moreno – urbanist en van oorsprong wiskundige – staat een ecologisch en technologisch gerichte aanpak voor.
De onderdelen van Moreno’s strategie om de Franse hoofdstad CO2-vrij te maken zijn: ‘chrono-urbanisme’, nabijheid en polycentrisme. Een vernieuwde en geactualiseerde opvatting van het idee van ‘de woonwijk als eenheid’, met moderne benaderingen, methoden en instrumenten om tot duurzamere steden te komen.
Het vormt ook een mogelijk antwoord op de uitdagingen op het gebied van gezondheid en klimaat
Efficiënt omgaan met tijd, dat is wat ten grondslag ligt aan het concept van de 15-Minuten Stad. Niet alleen zou dat het welzijn van de bewoners ten goede komen, omdat het leven in de stad er eenvoudiger op wordt, maar het vormt ook een mogelijk antwoord op de uitdagingen op het gebied van gezondheid en klimaat die ons te wachten staan.
De 15-Minuten Stad en het 30-Minuten Gebied (Territoire de la Demi-Heure) beogen een herwaardering in de stad van de korte afstand. Het streven is een netwerk van nabije stedelijke functies en plaatsen die te voet of met de fiets bereikbaar zijn.
Dat alles betekent een andere benadering van de stad, zowel bestuurlijk (beheer van de Ville du Quart d’Heure) als qua levenssfeer. De inzet is een sociale en individuele transformatie van het stadsleven.
1-Minuut Stad
In Stockholm ijvert het gemeentebestuur, net als in de rest van Zweden, voor de 1-Minuut Stad. Door middel van innovatie en bestuurlijke samenwerking bevorderen ze de transitie naar meer duurzaamheid. Ze zetten gezamenlijke projecten op om te experimenteren met oplossingen die bijdragen aan de ontwikkelingsdoelen voor 2030.
In 2020 ondertekenden negen steden het akkoord Viable Cities, gericht op de ontwikkeling en coördinatie van klimaatmaatregelen op landelijk niveau. Twee initiatieven voor een herinrichting op straatniveau springen eruit: Future Streets en Street Moves, beide in Stockholm.
Het idee is dat bewoners deelnemen aan de inrichting van hun straat
De voorstellen zijn hyperlokaal, ze hebben betrekking op de eigen woonstraat, maar kunnen ook in breder verband en verspreid over de stad worden toegepast. De kern is een verbeterde inrichting en functionering van de straten. De prototypes en pilots, waarbij bewoners werden betrokken, zijn één op één herhaalbaar. Oplossingen met nieuwe stedelijke omgevingen en situaties worden ontwikkeld en beproefd in reëel bestaande omstandigheden.
Zo heeft de Zweedse groep ArkDes een constructiekit ontwikkeld voor een nieuw gebruik van de straten in de stad.
Dan Hill, hoofd design van het Zweedse onderzoeks- en ontwikkelingsinstituut Vinnova en leider van Street Moves zegt dat ze wilden leren van het tactisch urbanisme, maar dan op een strategische manier. Het initiatief, dat het concept van de 15-Minuten Stad nog dichter bij de burgers brengt, stelt bewoners in staat installaties bij hun voordeur aan te brengen en daarmee zelf de 1-Minuut Stad aan te kleden. Het idee is dat bewoners deelnemen aan de inrichting van hun straat, zodat beter tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van de gemeenschap en de bewoners zich echt thuis voelen in hun wijk.
Care City
In het kader van het nog lopend herzieningsplan met de naam 22@Barcelona, hebben wij een voorstel uitgewerkt om in de wijk Poblenou een hogere graad van nabijheid te creëren, rekening houdend met het contrast tussen de verschillende deelomgevingen.
In deze Barcelonese wijk bestaan diverse werelden naast elkaar: historische kernen, flatgebouwen, voormalige industriële terreinen die tot stedelijk erfgoed behoren en die een herbestemming krijgen, nieuwbouw en hotels en andere elementen van de dienstensector. Daarom streven wij, uitgaande van een analyse van de verschillen, naar een nieuw evenwicht tussen de productieve en reproductieve stad, tussen werk- en zorgvoorzieningen, zodat de kwaliteit van het stadsleven gelijkelijk wordt verdeeld.
Onze strategie is: werken met wat er al is om een nieuw stramien te vormen waarin zulke verschillende ruimtes tot hun recht komen. Wij analyseren de centraliteit en de nabijheid, zowel op stedelijk als lokaal niveau, in termen van de ruimtelijke ordening en de activiteitenintensiteit, van ruimtes en randgebieden, van woonblokken en de straat- en voorzieningenomgeving.
De nadruk wordt gelegd op de rol van scholen als multifunctionele ruimtes en als centrale hubs van de wijk
In ons voorstel besteden we speciaal aandacht aan de bestaande educatieve centra en hun potentieel om te opereren als ruimtes waar verschillende mensen en functies samenkomen. Er zijn legio maatregelen en voorstellen om de relatie van scholen tot hun stedelijke omgeving te verbeteren, maar in dit initiatief wordt de nadruk gelegd op de rol van scholen als multifunctionele ruimtes en als centrale hubs van de wijk.
Deze benadering dwingt tot een heroverweging van de ruimtelijke posities van de scholen en hun onderlinge relaties, hun toepassingsmogelijkheden en hun specifiek sociale en fysieke omgeving, hun verbinding met andere gebouwen en andere stedelijke activiteiten, alsmede de andere collectieve ruimtes van de wijk. Het resultaat is een Schotse ruit, een stramien van stedelijke stroken en ruimtes, van nabijheden en een distributie van centraliteiten.
Meer dan een nieuw netwerk van straten of kernen, behelst ons voorstel een beter begrip en versterking van de dynamiek in het netwerk van relaties en bestaande patronen, van de voetgangersgebieden en de fijnmazige distributie van dagelijkse activiteiten, alsmede de relaties tussen het binnen en buiten van de woningen op straatniveau. Het leven beneden op straat van een stad die we koesteren en die ons koestert.
De stad is een geheel van verschillende omgevingen, culturen, plaatsen, activiteiten, snelheden, tijden, collectieven en individuen
In de stad zijn ‘tijd’, ‘ruimte’, ‘nabijheid’ en ‘centraliteit’ relatieve begrippen. Zoals Crasi zegt: ‘Achter de koraalachtige, homogene schijn van de stedelijke structuur schuilen overlappende, autonome systemen en contouren van de realiteit, gegenereerd door elementen die daadwerkelijk door de verschillende sociale groepen worden beleefd en gekend.’
We moeten bereid zijn om het urbanisme en de steden te zien en te begrijpen als iets wat tegelijk technisch, politiek en sociaal is, maar ook tegenstrijdig en conflicterend. Als een dynamische plek waarin verschillende fysieke relaties, gebruiken, stromingen, individuen, belangen en behoeftes, materiële en immateriële zaken op elkaar inwerken.
De stad is een geheel van verschillende omgevingen, culturen, plaatsen, activiteiten, snelheden, tijden, collectieven en individuen. We moeten haar bekijken vanuit een ecologische visie, aldus Capra: ‘in staat om de wereld te zien, niet als een verzameling geïsoleerde objecten, maar als een netwerk van fundamenteel onderling verbonden en wederzijds afhankelijke fenomenen’. Een doordachte ecologie die ‘de intrinsieke waarde van alle levende wezens erkent en de mens ziet als slechts een van de vele strengen in het web van het leven’.
Wie terugschrikt voor het onzekere is geneigd rigide te denken, voorbarige conclusies te trekken en naar een duidelijk en voorspelbaar leven te verlangen. Daartegenover staan flexibele, nieuwsgierige denkers die beter in staat zijn met diversiteit, complexiteit en verandering om te gaan. Waarom het – juist in deze tijden – loont om onze onzekerheid toe te laten.
Lexi Walker had al een verwarrend jaar achter de rug toen de pandemie uitbrak. Hoewel ze een gewoontedier is – ‘Als ik geen zekerheid heb, ga ik door het lint,’ zegt ze – had ze halverwege 2019 haar carrière als advocaat ingeruild voor een baan als fiduciair adviseur in haar woonplaats Taylors in South-Carolina. Toen overleed haar vader, en ze had hem nog niet begraven of de pandemie gooide alles overhoop. ‘Er is nu zoveel onzekerheid, en er is geen ontkomen aan,’ zegt ze. ‘Je leven kan morgen fundamenteel veranderen, je weet het gewoon niet. Je ziet algauw geen uitweg meer.’
Walker maakt zich nog steeds zorgen, maar de laatste tijd is ze zich een nieuwe vraag gaan stellen: ‘De dingen die ik altijd deed, ga ik die nu weer doen?’ Een onnodige impulsaankoop dwingt tot bezinning. En ze kijkt vooruit als nooit tevoren en maakt haar eerste vijfjarenplan. ‘Je doet in feite minder op de automatische piloot,’ zegt ze. ‘Dit is een kans om een heleboel dingen te heroverwegen die ik anders zonder nadenken zou zijn gaan doen.’ Juist in de onzekerheid die ze zo vreesde ziet ze bijna onwillekeurig een mogelijkheid.
Mensen vinden het van nature ongemakkelijk om dingen niet te weten. Om te overleven zijn we tot zoekers naar antwoorden geëvolueerd. Kennis helpt ons een oplossing te vinden. Onze afkeer van onzekerheid is zo hevig dat deelnemers aan een reeks psychologische experimenten veel gestresster bleken als ze niet wisten óf ze een elektrische schok zouden krijgen dan als ze daar zeker van waren.
‘Het voelen en ervaren van onzekerheid stelt ons in staat ons aan te passen’
Momenteel stuwt een stortvloed aan onbekende factoren – aangejaagd door onrust, recessie, branden, overstromingen en plagen – de jammerklachten over ‘deze onzekere tijden’ tot koortsachtige hoogte op. Toch zou het onverstandig zijn om op dit kritische moment voor die onzekerheid terug te schrikken. Een nieuwe golf van onderzoeken toont aan dat deze gemoedstoestand lange tijd verkeerd is begrepen maar ons denken in veranderende tijden naar een hoger plan helpt te tillen. Wanneer een probleem ondoorzichtig of nieuw is, zet onzekerheid ons ertoe aan ons oordeel uit te stellen, een eerste en vaak onjuiste overtuiging nog eens nader te bekijken en naar een béter antwoord te zoeken.
‘Het voelen en ervaren van onzekerheid stelt ons in staat ons aan te passen,’ zegt dr. Paul K.J. Han, verbonden aan het Amerikaanse National Cancer Institute en leider van een recente studie naar de mechanismen van onzekerheid. ‘We moeten haar niet onderdrukken. Maar aan de andere kant zijn we er in de meeste omstandigheden niet blij mee.’ Het paradoxale pluspunt van onzekerheid is dat we erdoor van ons stuk worden gebracht.
Op dit moment worden we met enorme uitdagingen geconfronteerd, van de verwoestende klimaatverandering en aanslagen op de democratie tot een hardnekkige pandemie. Maar deze complexe problemen kunnen alleen goed worden aangepakt als we onze voorkeur voor schijnzekerheid biedende noodoplossingen laten varen en kiezen voor de letterlijk tot nadenken stemmende gemoedsgesteldheid van het níét weten. Studies tonen aan dat de vrees voor onzekerheid ons vatbaar maakt voor starheid, bekrompenheid en angst, precies de gemoedsgesteldheden die in roerige tijden een handicap zijn.
Misvatting
Wie is de beste kandidaat? Welk vaccin is het veiligst? We weten allemaal hoe het is om onzeker te zijn, om het gevoel te hebben dat je kennis tekortschiet en dat er meer te weten valt. Maar opmerkelijk genoeg werd een onzekere gemoedsgesteldheid tot voor kort vaak als studieobject over het hoofd gezien. Psychologen zagen het als iets wat mensen zo snel mogelijk de kop in moesten drukken.
Maar de misvatting dat niet-weten een cognitief niemandsland is verliest snel terrein. Gezondheidszorg bijvoorbeeld is een discipline die vanaf diagnose tot behandeling naar zekerheid streeft. Maar dat heeft zijn prijs. Geneeskundestudenten die ambiguïteit mijden tonen zich minder geïnteresseerd in het behandelen van kansarme patiënten met vaak complexe aandoeningen. De moeite die artsen met onzekerheid hebben, is in verband gebracht met excessief testen, met het voorschrijven van te veel antibiotica en met de burn-outs en depressies die ook al voor de pandemie tot een alarmerend niveau waren gestegen. Het is absoluut noodzakelijk ‘om de ongezonde reactie van de geneeskunde op onzekerheid’ aan te pakken, schreef dr. Arabella Simpkin, wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Harvard Medical School, afgelopen april in het Britse medisch tijdschrift The BMJ. En sommigen in het vakgebied zijn daar al mee begonnen.
Een paar jaar geleden ontdekte de faculteit huisartsengeneeskunde van het Central Medical Center in Maine dat hun jonge artsen steeds meer moeite hadden met het behandelen van poliklinische patiënten met complexe en ambigue gezondheidsproblemen. Het duurde even voordat hun opleiders het probleem onderkenden: de artsen in opleiding konden slecht overweg met de onzekerheid die inherent is aan hun beroep. In 2015 voegde de faculteit een extra maand toe waarin men de poliklinische patiënten liet roteren, meer tijd uittrok voor begeleiding van de studenten, colleges over medische fouten inlaste en nieuwe nadruk legde op het idee dat ‘er niet maar één juiste manier is om een patiënt te behandelen’, zegt programmadirecteur dr. Bethany Picker. ‘We hebben het lesprogramma zodanig omgegooid dat mensen openstonden voor het niet-weten, zich daar niet langer tegen verzetten maar het juist opzochten. Toen zagen we dat er opeens lampjes gingen branden.’
Het niet-weten bleek een wezenlijke voorwaarde voor goed nadenken
Een pilotstudie uit 2018 door Picker, psycholoog Deborah Taylor, dr. Donald Woolever en anderen toonde aan dat nadat het nieuwe curriculum was toegevoegd, artsen in opleiding ambiguïteit minder snel als een dreiging ervoeren. Voordat men de poliklinische patiënten liet roteren waren de studenten het er over het algemeen van harte mee eens dat ‘een deskundige die niet met een duidelijk antwoord komt waarschijnlijk niet zoveel weet’. Naderhand, en ook nog zes maanden later, waren ze het daar sterk mee oneens. Het nieuwe curriculum had hun professionele identiteit veranderd.
‘We werden er bij herhaling op gewezen dat het oké is om te zeggen dat je het antwoord niet meteen weet of iets moet opzoeken, iets wat trouwens bijzonder moeilijk is om toe te geven,’ herinnert Nupur Nagrare zich, die in 2017 in Maine is afgestudeerd en nu praktiseert in het noorden van de staat New York. De opleiding heeft haar zelfvertrouwen – en zelfs moed – gegeven tijdens de pandemie. ‘Als je openstaat voor ambiguïteit, heb je geen tunnelvisie meer en is alles niet zo in steen gehouwen,’ zegt ze.
In het dagelijks leven varen mensen wel bij intuïtieve cognitie, het trekken van snelle conclusies op basis van eerdere ervaringen. Daardoor vermoedt een ervaren arts bijvoorbeeld dat pijn op de borst bij een patiënt op een hartaanval duidt. Maar als iets anders loopt dan verwacht of misgaat, moet onze geest de automatische piloot uitzetten en een nieuwe inschatting maken. Een fout, een tegenstrijdigheid, een discrepantie – een vals-positieve medische test, een bewustwording van sociale ongelijkheid – creëert een verwarrende kortsluiting tussen oude verwachtingen en een nieuwe realiteit.
Wat er op dat moment in ons hoofd gebeurt is een van de belangrijkste aandachtspunten in de cognitieve wetenschap. Op dat moment verbreedt de onzekerheid onze focus en versterkt het werkgeheugen. Het noodt tot het ‘trage’ denken dat nodig is om het nu ontoereikende begrip van de wereld te updaten. Onzeker zijn is zowel een signaal van gevaar als een uitdaging om te onderzoeken wat er anders is, ontbreekt of niet klopt, een proces dat ‘conflictbeheersing’ wordt genoemd. ‘Onzekerheid kan informatief zijn, en dat lijken mensen zich vaak niet te realiseren,’ zegt Sander van der Linden, die leiding geeft aan een laboratorium van de University of Cambridge dat onderzoek doet naar het nemen van sociale beslissingen. ‘Het stuurt ons in de richting van wat we níét weten.’
Niet binair
Neem een baanbrekend onderzoek dat Nils Plambeck van de HEC Paris Business School en Klaus Weber van Northwestern University deden naar 104 Duitse CEO’s die in 2004 werden geconfronteerd met een dramatische uitbreiding van de Europese Unie, met onder andere een groot aantal voormalige communistische landen. Enkele maanden voor die verandering voorspelden sommige CEO’s dat hun bedrijf daar sterker uit zou komen, terwijl anderen zeiden dat het hun vooruitzichten zou schaden. Maar volgens een derde groep kon de uitbreiding van het Europese blok zowel positief als negatief uitpakken; ze waren niet zeker van de uiteindelijke afloop.
Toen de onderzoekers meer dan een jaar later terugkeerden om te zien hoe het de CEO’s was vergaan, merkten ze tot hun verbazing dat de sterke ambivalentie niet verlammend had gewerkt maar juist het tegengestelde effect had gehad. Degenen die in tweestrijd hadden gestaan hielden rekening met een groter scala aan reacties, lieten meer uiteenlopende stemmen meewegen in hun beslissingen en namen meer innovatieve en gedurfde initiatieven. Ze beseften dat ‘er daarbuiten een realiteit bestaat die niet binair is’, aldus Weber. Maar degenen die hun vooruitzichten als goed of slecht hadden ingeschat of de situatie beter in de hand meenden te hebben, waren geneigd hun bedrijfsvoering op de oude voet voort te zetten; sommigen deden vrijwel niets.
Onzekerheid is een horzel voor de geest die ons opschrikt uit onze zelf-genoegzaamheid, als we bereid zijn de handschoen op te pakken.
‘Onzeker zijn betekent dat het me aan zelfvertrouwen ontbreekt.’ ‘Er bestaat eigenlijk geen probleem dat niet kan worden opgelost.’ Dit zijn maatstaven die worden gehanteerd bij twee psychologische tests, ‘Intolerantie voor Onzekerheid’ en ‘Tolerantie voor Ambiguïteit’, die zich in nieuwe belangstelling mogen verheugen van de geneeskunde, de klinische psychologie en de zakenwereld als instrumenten om mensen te helpen de positieve kanten van het niet-weten te ontdekken. In wezen meten de tests de mate waarin mensen onzekerheid als een uitdaging of een dreiging ervaren, een schijnbaar onschuldig verschil in houding dat desondanks van invloed is op de manier waarop we leren, argumenteren en problemen oplossen.
‘Er bestaat eigenlijk geen probleem dat niet kan worden opgelost’
Mensen die terugschrikken voor het onzekere zijn geneigd rigide te denken, voorbarige conclusies te trekken en naar een duidelijk en voorspelbaar leven te verlangen; zij zien kennis als een rots om je aan vast te klampen en te verdedigen. Aan de tegenovergelegen kant van het spectrum vinden we flexibele, nieuwsgierige denkers die beter in staat zijn met diversiteit, complexiteit en verandering om te gaan en daar zelfs naar streven. De implicaties zijn helder: tolerantie voor onzekerheid is de springplank naar cognitieve bloei.
Het vermogen om steeds beter om te gaan met onzekerheid wordt niet alleen als een voorwaarde voor kritisch denken beschouwd, maar ook voor mentaal welzijn. Veel vooraanstaande klinisch psychologen geloven dat angst voor het onbekende een belangrijke oorzaak is voor, of een ‘transdiagnostische factor’ achter, tal van geestes ziekten zoals angsten, depressies en posttraumatische stressstoornissen. Angst komt in dit licht bezien voort uit excessieve of onnodige pogingen onzekerheid op te lossen door haar uit de weg te gaan of door via piekeren de illusie te wekken dat men de zaken onder controle heeft.
Nieuwe behandelingen leren mensen met angststoornissen bijvoorbeeld meer te delegeren op hun werk, of beslissingen te nemen zonder eerst uitentreuren het internet te raadplegen. Ze leren in feite om te gaan met hun ernstigste angst, zoals iemand die bang is voor honden eerst een puppy kan leren benaderen en daarna een hond aan een riem. ‘Mensen zijn bang om kapot te gaan aan hun onzekerheid,’ zegt Kevin Alschuler, psycholoog bij de University of Washington. ‘Wij helpen hen in te zien dat ze ermee om kunnen gaan.’
Kans op een reset
In weerwil van wijdverbreide angst, wanhoop en uitputting gelooft meer dan de helft van de Amerikanen dat ‘we covid-19 moeten aangrijpen als een kans om belangrijke veranderingen in ons land door te voeren’, volgens een onderzoek van het onafhankelijke non-profitbureau More in Common. Een andere raciale benadering stimuleert de verbeeldingskracht, zei mensenrechtenactivist Opal Tometi tegen het blad The New Yorker. Leidinggevenden worden als minder competent beschouwd als ze in het openbaar een paar seconden pauzeren om na te denken. Het tempo en de visie van het technologische milieu kweekt de impliciete overtuiging dat ‘weten’ downloadbaar is, keurig en snel; na een paar minuten online zoeken zijn mensen geneigd te denken dat ze meer weten dan in feite het geval is. Het versterken van polarisering tast de persoonlijke onzekerheid aan die van wezenlijk belang is voor een compromis.
Het grootste obstakel voor een weloverwogen verandering die ons verenigt is niet het ongelijk van de andere kant of de behoefte aan een beter algoritme, maar de intolerantie voor onzekerheid die ons op gevaarlijke afstand plaatst van een genuanceerd, veelzijdig, zich ontwikkelend begrip van de werkelijkheid.
We kunnen lachen om het idee uit vervlogen tijden dat sterren en aarde aan een vaste plaats waren gebonden en dat de hersenen en de persoonlijkheid van volwassenen onveranderlijk waren. In plaats daarvan moeten we ons afvragen: welke sluier van zekerheden laat ons nu in het duister tasten over onszelf, onze wereld en elkaar? De grote, door de Verlichting geïnspireerde strijd om het niet-weten uit te roeien – wat John Dewey ‘het zoeken naar zekerheid’ noemde – loopt ten einde. Het is tijd om de ‘vijand’ te betrekken bij het oplossen van onze hedendaagse problemen.
Niet lang geleden waren mijn man en ik betrokken bij de pijnlijke ontmanteling van een huis van een familielid. Eerder was afgesproken dat de inhoud zou worden verdeeld aan de hand van keuzen van de betrokkenen en daarna door het gooien van een dobbelsteen. Alles ging goed totdat wij iets wonnen waar een andere verwant zijn zinnen op had gezet en uitgeputte familieleden begonnen te eisen dat we afstand deden van het erfstuk.
Aanvankelijk leek de keuze duidelijk: het erfstuk houden en familieleden boos maken of de vrede herstellen ten koste van de eerlijkheid. Maar toen realiseerde ik me dat we in onze collectieve haast om de zaak af te ronden verborgen aspecten van het probleem over het hoofd zagen. Misschien was het minder een win-verliessituatie dan we hadden gedacht. Misschien waren de herinneringen niet zo’n nulsomspel. Een moment van besluiteloosheid inspireerde me tot het bedenken van een derde optie: een transactie waarmee alle partijen konden leven. Het niet-weten bleek een wezenlijke voorwaarde voor goed nadenken, en niet de cognitieve nederlaag die we maar al te vaak vrezen.
In haar diepgravend onderzoek naar de voors en tegens van het coronavaccin en gebaseerd op ervaringen uit het verleden, komt deze arts met verrassende antwoorden op de veelgestelde vraag. Waarom haar ‘ja’ het uiteindelijk wint van de twijfels.
Ik wil graag vertellen waarom ik me niet 100 procent zeker voel wanneer ik mij – uiteraard – laat inenten tegen het coronavirus. Maar ook waarom die 100 procent eigenlijk niet nodig is om toch tot een juiste beslissing te komen.
Wanneer ik in mijn geheugen graaf naar het moment dat ik voor het eerst echt het belang van een vaccinatie inzag, denk ik niet aan de colleges immunologie tijdens mijn studie medicijnen; niet aan de tijd dat ik zelf mensen inentte tegen hepatitis B of mazelen en ook niet aan de interviews die ik als journalist had met deskundigen van het Robert Kochinstituut of de Ständige Impfkommission [Stiko, vaste vaccinatiecommissie in Duitsland]. Dan zie ik een jonge man in een ziekenhuisbed in Delhi voor me. Dagenlang is hij onderweg geweest om vanuit zijn dorp de kliniek te bereiken. En daarbij had hij wel een heel bijzondere uitdaging te overwinnen: hij verplaatste zich op handen en voeten.
Door het poliovaccin is het virus in vrijwel elk land op aarde uitgeroeid
Een arts vraagt de patiënt de deken op te lichten. Ik zie misvormde voeten en een onderbeen dat grotesk omhoog steekt.* ‘Not vaccinated’, niet ingeënt, legt de arts mij uit. De jonge man kampt met de gevolgen van een poliovirus. Als jongen kreeg hij kinderverlamming. Eigenlijk hebben we al sinds 1955 een vaccin tegen polio. Dat heeft ervoor gezorgd dat India inmiddels het virus heeft uitgeroeid, zoals vrijwel elk ander land op aarde ook. Maar voor velen kwam dat succes te laat.
‘In Duitsland komt zoiets vast niet meer voor,’ zegt de arts later tegen mij. Maar zelf ziet hij nog elke dag ‘de relicten’ van de strijd tegen het virus.
Bij dit inkijkje in een wereld waar inentingen nog altijd geen vanzelfsprekendheid zijn, zou het niet blijven. Wanneer ik in afgelegen dorpen met medewerkers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op pad ben, wordt de deur geopend door mensen met gele gezichten of verminkte handen. En is het niet ongebruikelijk dat een kind aan een ziekte lijdt waartegen allang immuniteit mogelijk is.
Sindsdien koester ik mijn inentingspas als een kostbare trofee*.
Zorgen om het vaccin
Maar toch. Wanneer vrienden, collega’s, familieleden me vragen ‘moet ik mij tegen corona laten inenten?’ valt een eenvoudig ‘ja’ me zwaar. Want achter die vraag gaat meestal een heel andere schuil: ‘Wat wanneer ik door zo’n vaccinatie ziek word?’ Hoewel ik beter geïnformeerd ben dan zij, maak ik me ook wel eens zorgen dat mijn partner, mijn moeder of ikzelf door een vaccin schade oplopen.
Misschien een allergische shock? Of een zeldzame bijwerking die pas maanden later aan het licht komt?
Cornelia Betsch zou wel plezier aan mij hebben beleefd, denk ik dan. Twee jaar geleden interviewde ik haar (‘Impfen! Oder etwa nicht?’, GEO nr. 03/2019). Betsch is hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Erfurt. Zij houdt zich bezig met het gedrag van antivaccers, maar nog veel belangrijker: met dat van mensen die alleen maar sceptisch zijn – mensen die geen samenzweringstheorieën aanhangen of virusontkenners zijn, maar zich gewoon zorgen maken.
Al voor de uitbraak van de coronapandemie toonden gedragsexperimenten telkens weer aan dat mensen heel slecht zijn in het inschatten van risico’s
Tijdens de pandemie heeft Cornelia Betsch en haar team het ‘Cosmo-onderzoek’ opgezet. Daarin vraagt zij de Duitsers regelmatig: ‘Zou u zich laten inenten tegen het coronavirus? In februari 2021 antwoordde exact 65 procent daarop met ‘ja’.
Al voor de uitbraak van de coronapandemie concludeerde Cornelia Betsch bij haar gedragsexperimenten telkens weer dat mensen heel slecht zijn in het inschatten van risico’s. Onbezorgd rijden we op onze fiets door druk verkeer en onbekommerd eten we zaken die ingrediënten bevatten waarvan we de naam niet eens kunnen uitspreken – maar zijn we wel bang voor bijwerkingen van een vaccin die statistisch gezien maar één ding betekenen: een getal met heel veel nullen. Zo kreeg in 2008 0,0001 procent van de gevaccineerden met een erkende bijwerking te maken. 2008, dat is al best lang geleden, zou je dan kunnen tegenwerpen. En dat is ook zo: de overheid in Duitsland verschaft geen geregeld overzicht van alle negatieve bijwerkingen als gevolg van vaccins.
Dat we toch uitspraken kunnen doen over de veiligheid van een vaccin, heb ik diverse malen bij mijn journalistiek onderzoek zelf kunnen waarnemen. Je hoeft niet elke afzonderlijke stap van een vaccinontwikkelaar te doorgronden, niet iedere gang van moleculen in een lichaam of het volledige immuunsysteem tegen infectieziektes. Beter kunnen we ‘vaccineren’ als systeem proberen te begrijpen: wat zijn vaccins eigenlijk en hoe komen ze tot stand? Wie test ze en wie adviseert erover? Als er twijfel bij mij opkomt, houd ik mezelf dat voor.
Ik heb vaccinsceptici vaak over mijn reis naar India verteld. Over het feit dat mensen met een polio-infectie tot in de jaren zestig van de vorige eeuw in een ‘ijzeren long’ moesten liggen. Of dat zelfs in Duitsland mannen nog altijd onvruchtbaar worden doordat ze niet zijn ingeënt tegen de bof. Vaak betoog ik dat het geen ‘passieve’ beslissing is wanneer je vaccinatie van jezelf of van je kind achterwege laat omdat je altijd medeverantwoordelijk bent voor de gevolgen ervan. Momenteel hoor ik vaak: ‘Dat mag wel zo zijn voor andere vaccins maar de coronavaccins zijn veel te snel op de markt toegelaten. Dan kan er iets niet in orde zijn.’
Waarom kwamen coronavaccins zo snel op de markt?
Sars-CoV-2 heeft veel weg van andere cornoavirussen, zoals het mers-virus (dat al in 20212 voor het eerst bij een patiënt werd vastgesteld). De vaccinontwikkelaars konden dus teruggrijpen op ervaringen uit het mers-onderzoek.
Er was veel geld beschikbaar. Behalve verschillende stichtingen en organisaties ondersteunden overheden de vaccinproductie met een paar miljard euro.
Bedrijven bundelden hun arbeidskracht, lieten processen parallel in plaats van volgtijdelijk lopen.
Overheden werkten duidelijk sneller. Zo begon het Europese Medicijn Agentschap (EMA) al met haar onderzoek van mogelijke vaccins voordat alle onderzoeksresultaten er ingediend waren (rolling review).
Deze spoed heeft ook mij bang gemaakt en natuurlijk heb ik me afgevraagd of die vaccins veilig zijn. En ik heb antwoorden gevonden.
Vaccinonderzoek
In oktober 2020 reisde ik naar Brazilië voor een rapportage over het vaccinonderzoek van Biontech/Pfizer en AstraZeneca (‘Impfung für die Welt’, GEO nr. 02/2021). Daarbij stuitte ik op Sue Ann Costa Clemens. Zij is arts en hoogleraar kinderinfectieziektes. Ooit was ze medeorganisator van de campagnes voor het uitroeien van polie en van onderzoek naar vaccins tegen het rotavirus. De strijd tegen covid-19 beschouwt zij als ‘de grootste uitdaging van mijn leven’.
Overal op aarde werken mensen als Sue Ann Costa Clemens, vaak zeven dagen per week. Zij doen iets dat beslissend is voor de strijd tegen Sars-CoV-2: zij organiseren al het klinische vaccinonderzoek. Bij Biontech bijvoorbeeld deden ongeveer veertigduizend mensen mee. Dat zijn er veel meer dan doorgaans bij vaccinonderzoek het geval is en dat is een belangrijke reden (naast andere; zie kader) waarom de zoektocht naar een vaccin zo snel resultaat opleverde. Want hoe groter de opzet van een onderzoek, hoe sneller zal blijken of een vaccin effectief is en veilig.
Daarvoor worden de proefpersonen opgedeeld in twee groepen: de ene groep krijgt het vaccin, de andere groep een placebo. Daarna moeten de onderzoekers wachten: in welke groep worden er meer mensen ziek? Bij covid-19 hoefden ze daarop veel korter te wachten dan bij andere ziektes. Eenvoudigweg omdat het virus in zo grote getale rondgaat. Voor het succes van een vaccinstudie kan dat een verschil uitmaken van enkele jaren.
Toen twee proefpersonen een ruggenmergontsteking kregen bleek dat een van hen al ziek was voor het onderzoek begon, de ander had een placebo gekregen
Voor het vaccin van de universiteit van Oxford (bij de productie van dit vaccin sloot AstraZeneca op een later moment aan) rekruteerde Costa Clemens in Brazilië binnen enkele weken tienduizend mensen. Duizenden mensen, dat zijn ook duizenden verhalen. Ieder heeft een andere leeftijd, lijdt wellicht aan een onderliggende ziekte of heeft last van allergieën. Het team van Costa Clemens legde elk verhaal vast, zocht naar oorzaken voor ook maar de geringste bijwerking.
Toen twee proefpersonen een ruggenmergontsteking kregen werd het onderzoek tijdelijk gestaakt – later bleek dat een van hen al ziek was voor het onderzoek begon, de ander had een placebo gekregen. Costa Clemens vertelt me dat ongeveer tweeduizend keer per dag in een van haar testcentra de telefoon overgaat, dat elke week buisjes met bloed naar Engeland worden gevlogen, waar ze volgens een standaardprocedé worden onderzocht. Als ik proefpersonen spreek, laten die mij op hun mobiele telefoon de vragen zien van de testcentra die wekelijks bij hen binnenkomen: ‘Heeft u last van nekpijn, hoofdpijn, koortsrillingen?’
In Brazilië krijgen de cijfers voor mij een gezicht. Ik zie hoeveel mensen wereldwijd hard werken om ervoor te zorgen dat onze vaccins veilig zijn. En ik kom erachter dat het bij vaccinstudies niet zozeer gaat om een heel lange duur maar vooral om de omvang van het onderzoek.
Het risico om ernstig ziek te worden als gevolg van een virusbesmetting is veel groter dan de kans op bijwerkingen
Want anders dan bij gewone medicijnen komen bijwerkingen van vaccins meestal na enkele dagen of weken aan het licht en niet na jaren zoals antivaccers beweren. De term ‘langetermijnbijwerking’ wordt vaak verkeerd gebruikt; die term betekent immers niet dat een bijwerking pas na lange tijd zichtbaar wordt, maar dat hij langdurig (soms zelfs voor altijd) aanhoudt. Weliswaar kan late zichtbaarheid ook voorkomen, maar dat gebeurt hoogst zelden. Het risico om ernstig ziek te worden als gevolg van een virusbesmetting is veel groter.
Dat bijwerkingen niet ineens na jaren optreden komt ook door de wijze waarop vaccins werken: ze bootsen een besmetting na. Daarvoor worden bijvoorbeeld inactief gemaakte virusdeeltjes geïnjecteerd. Of, zoals bij van sommige nieuwe vaccins, de genetische code voor zo’n deeltje. Het lichaam produceert dat deeltje dan zelf. Het voordeel is dat het niet eerst geproduceerd hoeft te worden, wat in een pandemie veel tijd zou kosten.
Het resultaat is voor elk procedé gelijk: wanneer ons immuunsysteem de vermeende indringer identificeert, maakt het antistoffen aan. Als een gevaccineerde later besmet raakt, zal zijn lichaam het virus herkennen en kan het zich effectiever tegen de indringer verweren.
Alle vaccins hebben één ding gemeen: het lichaam breekt ze binnen enkele dagen af. Ze blijven dus niet in het lichaam; ze worden ook niet langdurig toegediend en dus hopen ze zich niet op. Bijwerkingen komen dus meestal al in de testfase van het vaccin aan het licht en kunnen worden geanalyseerd. Zo kwam ook een zeldzame bijwerking van het BioNtech-vaccin aan het licht: een aangezichtsverlamming (deze treedt na circa 37 dagen op en gaat vanzelf weer weg). Vier testpersonen hadden hiermee te kampen. Maar of die verlammingen ook echt een gevolg waren van de vaccinatie is niet duidelijk.
Veel vaker dan zulke uitschieters kwam een onschuldige bijwerking aan het licht: 80 procent van alle gevaccineerden maakte melding van pijn op de injectieplek. Bepaalde heel zelden optredende bijwerkingen vallen pas op nadat miljoenen mensen zijn ingeënt. Zoals een allergische reactie op een bestanddeel van de entstof van BioNtech: het ging in de VS om elf op een miljoen gevaccineerden; niemand van hen overleed.
Meldsysteem
De meeste landen hebben daarom een speciaal meldsysteem zodat er ook na toelating van een vaccin niets aan de aandacht ontsnapt. In Duitsland kan iedereen die een bijwerking vermoedt dat melden bij het Paul-Ehrlich-Institut [In Nederland: bijwerkingencentrum Lareb]; artsen en farmaceutische bedrijven zie hiertoe zelfs verplicht.
Alle meldingen, ook de meest buitenissige, worden ingevoerd in een databank. Wetenschappers onderzoeken vervolgens of het gemelde symptoom mogelijk verband houdt met de vaccinatie. Ze bestuderen medische dossiers, spreken met artsen en betrokkenen, informeren naar hun medische voorgeschiedenis en woonomstandigheden. Vaak stuiten ze bij hun zoektocht op een genetisch defect of een zwak hart, op ongelukken en natuurlijke doodsoorzaken, kortom op heel andere oorzaken voor ziekte of dood.
Het ‘passieve meldingssysteem’ heeft een zwak punt: wat niet wordt gemeld, komt ook niet in de statistieken
Dit ‘passieve meldingssysteem’ van het Paul-Ehrlich-Institut heeft een zwak punt: wat niet wordt gemeld, komt ook niet in de statistieken. Daarom hoorde ik vaak van antivaccers dat niet alles boven water komt. Maar zij vertelden er niet bij dat het Duitse meldsysteem verbonden is met meldsystemen van over de gehele wereld.
Deze digitale koppeling is het eigenlijke kernstuk van onze vaccinveiligheid: zelfs als in eigen land incidenten niet gemeld worden, wordt dat door meldingen uit andere landen gecompenseerd. Mocht een vaccin echt schadelijk zijn, dan zou dit zijn opgevallen bij de bijwerkingencentra. Zij verzamelen immers gegevens van tig miljoenen mensen uit de hele wereld.
Nu in coronatijd wordt de controle op schadelijke bijwerkingen nog grootscheepser aangepakt. Zo vraagt het Paul-Ehrlich-Institut aan gevaccineerden om via een smartphone-app te laten weten hoe het hun vergaan is. Op de internetsite van het instituut kan iedereen de laatste veiligheidsrapporten nalezen (www.pei.de, vervolgens klikken op ‘Arzneimittelsicherheit’ en ‘Pharmakovigilanz’). Elke dag is er telefonisch overleg met het Europese Medicijnen Agentschap om opvallende zaken te bespreken.
Zo ontdekte het instituut bij het AstraZeneca-vaccin een toename in het aantal gevallen van hersenadertrombose. En hoewel het maar heel weinig mensen betrof (in Duitsland ongeveer vier op een miljoen gevaccineerden) stopten diverse landen met dit vaccin, ook al is het risico om ernstig ziek te worden door het virus veel groter dan het oplopen van zo’n trombose.
Illusory truth effect
Van dat alles ben ik op de hoogte en toch ben ik soms bang voor de vaccinatie. Dat komt ook door een boek dat ik al jaren voor corona heb gelezen. Het heet Impfen Pro und Contra. In circa vijfhonderd bladzijden moedigt de schrijver, een kinderarts, de lezers aan om zelf goed na te denken over al dan niet vaccineren. Diezelfde vraag steekt ook tijdens de coronapandemie telkens weer de kop op.
Het betekent dat mensen niet de adviezen van de Stiko volgen maar zich een eigen mening vormen. In het boek las ik over ‘positieve effecten’ van mazelen of dat het risico op een tetanusinfectie bij ongevaccineerden ook verminderd kan worden met behulp van desinfecteringsmiddelen. Ik las dat vaccins tot auto-immuunziektes, blindheid en soms zelf de dood kunnen leiden. Maar dat betekende natuurlijk niet dat mensen zich niet zouden moeten laten inenten, voegde de auteur er niet helemaal logisch aan toe. Hij wilde alleen informatie geven.
‘Ik vertel jullie wat er mis kan gaan, maar jullie moeten zelf beslissen’ heeft een rampzalig effect
Het team van hoogleraar psychologie Cornelia Betsch toonde ooit het rampzalige effect aan van zulk ongefilterd ‘ik vertel jullie wat er mis kan gaan, maar jullie moeten zelf beslissen’. Het voerde een experiment uit waarbij de wetenschappers hun proefpersonen eerst voorlichtten over het risico op bijwerkingen van een (fictieve) vaccinatie. Vervolgens vroegen ze de deelnemers verhalen over incidentele gevallen van zware bijwerkingen op een internetforum te lezen. Na bezoek aan dit forum schatten de proefpersonen het risico op bijwerkingen veel te hoog in, hoewel ze door het eerste deel van het experiment beter hadden kunnen weten.
Om ons onzeker te maken is het psychologisch gezien dus voldoende als we maar één keer lezen wat er allemaal mis kan gaan. Ongeacht of dat later onzin, allang weerlegd of hoogst sporadisch blijkt te zijn: het risico heeft zich in ons geheugen vastgezet. En elke keer dat we zo’n nepbericht weer horen, denken we – ook al gebeurt dat onbewust – ‘dat kan niet helemaal onzin zijn, dat heb ik immers al eens eerder ergens gelezen’.
In de psychologie wordt dit fenomeen dat ik sinds het lezen van het boek ook bij mijzelf constateerde, illusory truth effect genoemd. Bij de coronapandemie beslist dit effect mede over de vraag of mensen zich al dan niet laten inenten. Want hoewel er tegenwoordig een overvloed aan informatie beschikbaar is over functioneren en veiligheid van coronavaccins komt die informatie voor sommigen te laat omdat zij al voor de crisis sceptisch stonden tegenover vaccineren. Tientallen jaren werd er veel te weinig gedaan om desinformatie tegen te gaan met informatiecampagnes. Zo circuleren tijdens de coronacrisis angsten die zo oud zijn als het fenomeen vaccin zelf. Een daarvan: vaccinatie maakt vrouwen onvruchtbaar. Tegenstanders van vaccineren beweerden dat al bij polio of de mazelenvaccins. Maar waar is het niet.
Destijds toen ik het boek las, wist ik niet hoe gemakkelijk ik ook zelf gemanipuleerd kon worden. Na lezing ervan overwoog ik zelfs tegen mijn leidinggevenden te zeggen dat ik geen artikel over vaccins kon schrijven omdat ik geen marionet van de farmaceutische industrie wilde zijn.
Cherry picking
Nu weet ik dat de schrijver zich niet alleen onderscheidt door foutieve verbanden of bronnen die allang achterhaald zijn maar vooral ook door een methodiek die wordt aangeduid als cherry picking: uit een grote hoeveelheid wetenschappelijke publicaties pikt hij vooral datgene wat in zijn straatje past. Cherry pickers negeren resultaten die op gespannen voet staan met hun eigen opvattingen. Zij miskennen dat één enkele publicatie niet de waarheid kan vertegenwoordigen. Alleen een totaaloverzicht van het gehele veld kan dat: hoeveel onderzoekers sluiten zich bij die ene opvatting aan? Zijn er tegenargumenten? Heeft de auteur in een latere publicatie zijn eerdere conclusies wellicht gerectificeerd?
Ik zeg dat omdat daarbuiten ook tijdens corona veel ‘experts’ rondlopen. Mensen, soms gepromoveerd, die hun persoonlijke opvatting als wetenschap verkopen en ons zo besmetten met hun twijfels. Vaak spelen zulke ‘experts’ met onze angst. Zij verlangen bij een vaccin 100 procent zekerheid. Een voorwaarde die aan geen ander geneesmiddel zou worden gesteld omdat medicijnen zonder bijwerkingen nu eenmaal niet bestaan.
Als ik mezelf nu op twijfels betrap, denk ik altijd aan wat ik heb geleerd over mijn psyche. En dat een juiste beslissing geen 100 procent zekerheid vereist maar vooral correcte informatie en competente adviseurs. Als journalist raadpleeg ik daarom deskundigen. De afgelopen jaren heb ik meer dan eens het Robert Kochinstituut bezocht of met leden van de Stiko gesproken. Deze vaste vaccinatiecommissie brengt regelmatig vaccinatieaanbevelingen uit. Zo heeft iedereen de kans zich te laten helpen bij zijn of haar beslissing.
Stiko
Mij verbaast het dat vaccinsceptici zo zelden echt willen weten hoe de Stiko tot zulke aanbevelingen komt – terwijl hun methodiek toch tot de beste ter wereld behoort.
Op dit moment kent het gremium achttien leden, zoals experts voor volksgezondheid, virologen en epidemiologen. Zij worden benoemd door het ministerie van Volksgezondheid, voor hun werk ontvangen zij geen geld. Om de onafhankelijkheid van de commissie te waarborgen moet ieder lid een vragenlijst van negentien pagina’s invullen met betrekking tot mogelijke belangenconflicten. Is er sprake van betaalde lezingen? Van onderzoek in opdracht van de farmaceutische industrie? Al naar gelang de antwoorden mag het lid aan besprekingen en stemming over het betreffende vaccin niet deelnemen. Gedurende elke zitting staan er daarom altijd weer leden op om de zaal te verlaten.
Sinds 2011 werkt de Stiko volgens een ‘standaardprocedure’ (sop). In dit document is de besluitvorming tot in de kleinste details geregeld. In wezen legt het de fases vast van het werkproces, de vragen en de doelen. Deze worden door een team uit de afdeling ‘vaccinpreventie’ van het Robert Kochinstituut systematisch afgewerkt. Pas nadat een vaccin op basis van de criteria van de sop is doorgelicht, komen de achttien Stiko-leden bijeen voor een besluit.
Op het eerste gezicht lijken de standaardvragen van de sop duidelijk: om welk virus gaat het? Welke ziekte veroorzaakt het? Wat is het beoogde effect van een vaccinatie? Maar kijken we heel precies dan blijkt hoe complex een aanbeveling is. Het gaat dan om haardeffecten en leeftijdsverschuivingen; om immunogeniteitstudies en seroprevalenties. Om de vraag hoelang een vaccin werkzaam is en of het alleen een infectie of ook het doorgeven van een besmetting voorkomt. Kern van de sop is een systematisch literatuuronderzoek. Daartoe lopen de medewerkers niet alleen klinische onderzoeksresultaten na maar ook de vakliteratuur die over de vaccins of het coronavirus zelf is verschenen. In tegenstelling tot de cherry pickers zorgen zij voor een overzicht van alle belangrijke publicaties en voorzien die van een oordeel over het belang ervan. Daarbij werken altijd twee collega’s parallel aan elkaar, zonder op de hoogte te zijn van elkaars conclusies.
Ik heb besloten meer waarde te hechten aan een hele batterij wetenschappers dan aan mijn eigen angsten
Voordat de achttien Stiko-leden in december 2020 met de eerste coronavaccinatieadviezen kwamen, gaven medische vakgenootschappen feedback op de uitkomsten van de onderzoeksteams; werd er bediscussieerd met welke waarschijnlijkheid bij welke medische voorgeschiedenis gevreesd zou moeten worden voor een ernstig ziekteverloop; werden zeldzame zware bijeffecten geanalyseerd en op hun betekenis getoetst; berekende een computerprogramma welke effecten vaccinatie van bepaalde groepen zou hebben op de verspreiding van het virus. En werd er tenslotte ook nog overlegd met ethici over de vraag of de aanbevelingen moreel verantwoord waren.
En omdat dit allemaal zo snel moest, analyseert het Robert Kochinstituut ook nu nog elke dag nieuw onderzoek en komen Stiko-teams diverse keren per maand bijeen om hun aanbevelingen aan te passen aan de laatste inzichten.
Ik denk niet dat de stiko onfeilbaar is. Het is een beetje zoals ook verder in het leven: als ik een huis binnenga hoef ik niet eerst de constructietekeningen te zien. Ik heb besloten meer waarde te hechten aan een hele batterij wetenschappers dan aan mijn eigen angsten.
Bezoekverbod
En er is nog iets dat mij ertoe bewogen heeft me snel te laten inenten. Ongeveer een jaar geleden stond ik in de hal van een ziekenhuis in Bonn en hoopte ik dat de Italiaanse patiënt Elisa Ferrara (niet haar echte naam) niet in eenzaamheid zou hoeven sterven. Het was april 2020, Duitsland verkeerde in zijn eerste lockdown en ik bracht vier weken door in het Academisch Ziekenhuis van Bonn voor een rapportage over de strijd tegen het nieuwe coronavirus (‘Den Feind im Nacken’, GEO nr. 08/2020).
Het was bijna middernacht toen de artsen voor haar ziekenhuiskamer bijeen kwamen om haar situatie te bespreken. Door de deur zag ik Ferrara in bed liggen. De artsen zeiden te verwachten dat zij nog diezelfde nacht zou overlijden. Om haar familie te bereiken was het te laat. Die zat vast in Italië omdat er immers geen vluchten gingen. In hun plaats waakte een verpleegkundige aan haar bed.
En nooit zal ik de blik vergeten van een chef-arts in Bonn die elke dag telefoneerde met de echtgenoot van een ernstig zieke bejaardenverzorgster. Hij wist dat zijn stem ten tijde van het bezoekverbod het enige was dat deze man psychisch nog op de been hield.
Als ik nu hoor zeggen dat het virus toch eigenlijk wel meevalt, denk ik ook aan al die verpleegkundigen die dag in dag uit uren doorbrengen in de kamers van coronapatiënten
Als ik nu hoor zeggen dat het virus toch eigenlijk wel meevalt, denk ik ook aan al die verpleegkundigen die dag in dag uit uren doorbrengen in de kamers van deze patiënten en na afloop van hun dienst soms door vrienden worden gemeden uit angst voor besmetting. Of aan de arts die mij vertelde dat zijn dochtertje vaak ’s ochtends op zijn buik gaat liggen en weigert daar weer af te gaan – om te voorkomen dat haar vader weer naar het ziekenhuis gaat.
Misschien is de reden voor mijn vaccinatiebesluit dus veel simpeler dan al die gesprekken met deskundigen, het begrijpen van biologische mechanismes of mijn zelfbesef als verlicht persoon. Ik wil al die mensen mijn respect betonen. Zij verdienen dat.
*Als een vrouw tijdens haar zwangerschap besmet raakt met het waterpokkenvirus kan dit bij het kind in een sporadisch geval leiden tot misvorming van de handen.
Is het Indonesische Silicon Valley gedoemd te mislukken?
‘In de digitale wereld wordt God Algoritme genoemd. Zijn almacht wordt uitgedrukt in wiskundige reeksen die ons gedrag kunnen voorspellen. Misschien is dat de reden waarom de Indonesische politicus van de Democratische Partij Budiman Sudjatmiko en zijn partner, zakenman Danny Handoko, besloten een technologisch onderzoekscentrum te bouwen in Sukabumi, West-Java, dat zij Bukit Algoritma [‘Algoritmeheuvel’] noemden’, schrijft weekblad Tempo.
Bijna 1,8 biljoen Indonesische roepiah (meer dan 100 miljoen euro) is geïnvesteerd in de eerste fase van de ontwikkeling van Algorithm Hill, een onderzoekscentrum voor neurowetenschappen, nanotechnologie, kwantumtechnologie, zonneceltechnologie, landbouw, gezondheidszorg, luchtvaart- en ruimtevaarttechnologie. De twee projectontwikkelaars, die onlangs een partnerschap zijn aangegaan met het staatsbouwbedrijf PT Amarta Karya, zijn schijnbaar niet te stoppen.
‘Zelfs niet door de coronapandemie’, schrijft The Jakarta Post, ‘die juist de verschuiving van consumenten naar digitale platforms heeft versneld, onder meer in de gezondheids- en onderwijssector, als gevolg van mobiliteitsbeperkingen. Hierdoor groeide de bruto handelswaarde (GMV) van de online-economie [in Indonesië] met 11 procent, en verdubbelden de investeringen in de sector tot 2,8 miljard dollar in de eerste helft van 2020, volgens het “E-Conomy SEA 2020 Report” van Google, Temasek en Bain & Company.’
Handicaps
Maar het terrein van 888 hectare, gelegen in een bergachtig gebied op meer dan twee uur van Jakarta, aan het eind van een hobbelige weg, omgeven door palmolieplantages, heeft een slechte internetverbinding, vooral via mobiele breedband. Deze en andere handicaps kunnen gemakkelijk worden overwonnen, zegt Budiman Sudjatmiko tegen The Jakarta Post. Hij geeft aan in gesprek te zijn met een Amerikaanse investeerder die het project van kapitaal wil voorzien.
‘Zou dit megalomane project een truc zijn van de projectontwikkelaars om te profiteren van belastingvoordelen?’
‘Zou dit megalomane project een truc zijn van de projectontwikkelaars om te profiteren van belastingvoordelen?’ vraagt Tempo zich af. Bij een recente presidentiële verordening zijn buitenlandse investeringen in startende ondernemingen binnen speciale economische zones namelijk vrijgesteld van belastingen.
TheJakarta Post is zeer sceptisch over het vermogen van Algorithm Hill om Indonesische en buitenlandse wetenschappers aan te trekken: ‘Vooral omdat het aantal wetenschappers per hoofd van de bevolking in het land constant is gebleven op ongeveer 215 per 1 miljoen, volgens de gegevens van 2017 en 2018 van de UNESCO.’
Tempo schrijft dat Silicon Valley ook niet van de ene dag op de andere tot stand is gekomen, maar zich in de jaren dertig begon te ontwikkelen dankzij een professor van de Stanford-universiteit, Frederick Terman, die twee van zijn studenten, William Hewlett en Dave Packard, aanmoedigde een bedrijf in het gebied op te richten.
‘Het voordeel van Silicon Valley is het bestaan van een ecosysteem: de campus van de Stanford-universiteit, bedrijven die voortdurend miljoenen dollars injecteren in startende bedrijven, een netwerk van onderling verbonden technologiebedrijven en een reeks wetten die mobiliteit en concurrentie aanmoedigen’, analyseert Tempo.
‘Onze politici vallen al snel voor mooie woorden over technologie en IT’
Voor Algorithm Hill gaat dit niet op, aldus het weekblad: ‘Onze politici vallen al snel voor mooie woorden over technologie en IT. Zij hebben hun mond vol van Indonesiës digitale transformatie, maar niet het geduld om de kiem te leggen voor langetermijninvesteringen in een ecosysteem van onderzoek en onderwijs.’
Congolese president geeft het leger de macht in het oosten van het land
Het was een campagnebelofte van de president van de Democratische Republiek Congo (DRC), Félix Tshisekedi: een einde maken aan de onveiligheid. Terwijl de staat machteloos is geworden, zullen de provincies Noord-Kivu en Ituri vanaf 6 mei gedurende dertig dagen volledig aan het leger worden toevertrouwd. In dit wetteloze gebied rust alle hoop op deze nieuwe radicale oplossing.
‘Félix Tshisekedi is klaar om te vechten’, jubelt het Congolese dagblad La Prospérité. ‘Dertig dagen om vrede te brengen in het Oosten!’, kopt site AfricaNews.
Een staat van beleg van een maand, afgekondigd door de Congolese president Félix Tshisekedi, gaat op 6 mei van kracht in Noord-Kivu en Ituri, twee regio’s die worden omschreven als ‘broeinesten van gewapende groepen die er al jaren de scepter zwaaien’, aldus de Burkinese krant Le Pays. Het was in de regio Noord-Kivu dat de Italiaanse ambassadeur in de DRC op 22 februari 2021 werd vermoord.
‘Het doel is snel een einde te maken aan de onveiligheid die de plaatselijke bevolking dagelijks decimeert’
Concreet houdt het besluit van de Congolese president in dat de civiele autoriteiten in Noord-Kivu en Ituri volledig worden vervangen door het leger, gesteund door de Congolese Nationale Politie (PNC). Deze neemt de controle over op alle administratieve niveaus. Voor de gelegenheid werden op bevel van president Félix Tshisekedi twee militaire gouverneurs aan het hoofd van deze regio’s benoemd. Het doel is ‘snel een einde te maken aan de onveiligheid die de plaatselijke bevolking dagelijks decimeert’, aldus Radio Okapi.
De volledige overdracht van de regio aan het leger is voorgesteld als een proportioneel antwoord op de macht van de ongeveer honderd gewapende groepen die de regio teisteren. Onder hen bevinden zich de Geallieerde Democratische Strijdkrachten, Oegandese rebellen die banden hebben met de Islamitische Staat (IS); de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda, die hun toevlucht hebben gezocht in de bossen van Kivu; maar ook andere milities, aangetrokken door de rijkdommen van de mijnen.
Duitsland verzet zich tegen het vrijgeven van patenten op coronavaccins
Angela Merkel heeft donderdag (6 mei) het aanbod van de VS om de patenten op coronavaccins op te heffen, afgewezen. Een standpunt dat niet veel goeds voorspelt voor de besprekingen over dit onderwerp binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO).
Voor de Duitse regering zijn ‘de productiecapaciteit en de kwaliteitscontrole de belangrijkste belemmeringen voor een bredere toegang tot vaccins – niet de intellectuele eigendomsrechten’, schrijft Deutsche Welle.
‘De bescherming van intellectueel eigendom is een bron van innovatie en moet dat ook blijven’, aldus de Duitse regeringswoordvoerder.
Meningsverschil
Dit ‘meningsverschil’ tussen Duitsland en de Verenigde Staten – dat zich woensdag voorstander verklaarde van het vrijgeven van patenten, nadat het zich daar eerder fel tegen had verzet – is ‘het eerste grote geschil tussen de twee economische grootmachten, en dreigt de besprekingen in de WTO te blokkeren en de betrekkingen binnen de G7 te verzuren’, analyseert The Guardian, die verder schrijft dat een WTO-besluit over het eventueel opheffen van patenten unaniem moet worden genomen.
Dit weerhield de directeur-generaal van de WTO, Ngozi Okonjo-Iweala, er niet van om de aankondiging van de VS ‘van harte’ te verwelkomen, aldus Reuters.
‘We moeten dringend actie ondernemen tegen covid-19, omdat de wereld toekijkt en er mensen sterven’
‘We moeten dringend actie ondernemen tegen covid-19, omdat de wereld toekijkt en er mensen sterven’, zei Okonjo-Iweala, voordat ze India en Zuid-Afrika – de initiatiefnemers van het verzoek om vrijstelling van vaccinpatenten – opriep om ‘zo snel mogelijk’ een herziene versie van hun voorstel in te dienen, ‘zodat de onderhandelingen kunnen beginnen’.
Europese ambtenaren en diplomaten hebben gewaarschuwd dat ‘dergelijke besprekingen maanden in beslag zullen nemen en slechts zullen resulteren in het gedeeltelijk vrijgeven van de patenten, omdat de Europese Unie en de Verenigde Staten waarschijnlijk niet zullen instemmen met het afstaan van de revolutionaire mRNA-technologie [die onder andere gebruikt wordt in de vaccins van BioNtech/Pfizer en Moderna] aan China’, aldus Bloomberg.
Neurobioloog Peter Strick geloofde nooit in yoga en pilates. Tot hij ontdekte dat niet alleen je hersenen, maar ook je spieren invloed hebben op stressreacties.
Keuze uit ons archief
Door corona is er een grotere aandacht voor het immuunsysteem gekomen, maar ook voor psychische klachten die kunnen ontstaan door de onzekerheid, eenzaamheid en thuiswerkstress of -verveling. Neurobioloog Peter Strick deed onderzoek naar hoe je je lichaam en geest weerbaarder kunt maken.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 107, oktober 2016
Toptennissers hebben het unieke vermogen om na een gemaakte fout hun hoofd weer leeg te maken. Ze zetten het van zich af en spelen met frisse moed verder voor het volgende punt. Ze kunnen het zich niet veroorloven om lang bij fouten stil te staan.
Peter Strick is geen proftennisser. Deze vooraanstaande hoogleraar, hoofd van de vakgroep Neurobiologie aan het herseninstituut van de Universiteit van Pittsburgh, is zo’n man die bij elk foutje stilstaat, hoe klein het ook is. ‘Mijn kinderen zeiden: papa, ga toch pilates doen. Ga aan yoga doen,’ zegt hij. ‘Maar dan zei ik: ik zie geen wetenschappelijk bewijs dat ik daar baat bij zou hebben.’
Wel heeft deze onverbeterlijke scepticus zich aangeleerd om bij stress te kiezen voor de tennisaanpak: jezelf dwingen om stug door te gaan. Er zijn natuurlijk aanwijzingen dat yoga goed is voor je gezondheid, maar geen bewijzen van het soort dat Strick overtuigt.
Hiërarchisch beeld
Onderzoek wijst wel op een correlatie, maar hij wil een fysiologische verklaring van het mechanisme dat erachter zit. Hij heeft niet genoeg aan de vage suggestie dat yoga ‘stress vermindert’. Want hoe werkt dat dan? Doordat het je gedachten verzet?
De stressreactie wordt bij mensen opgewekt door de bijnieren. Die pompen adrenaline in ons bloed als het tijd is voor een vecht-of-vluchtreactie. In gevaarlijke omstandigheden kan zo’n stressreactie onmisbaar zijn, maar in het moderne leven, en zeker in academische kringen, hebben we er zelden behoefte aan. Meestal vormen onze lichamelijke stressreacties een soort achtergrondruis die ons continu gespannen houdt. Pas als we die ruis uitschakelen, kunnen we ontspannen.
Als onze stressreactie alleen door gebieden in de hersenschors wordt gereguleerd, hoe kan het bewegen van lichaamsdelen dan bijdragen aan het verlagen van stress?
Lange tijd ging men ervan uit dat de bijnieren werden aangestuurd via enkele zenuwbanen vanuit de hersenen. ‘Mensen zeiden dat er een of misschien twee gebieden in de hersenschors waren die het bijniermerg aanstuurden,’ zegt Strick. Volgens Randy Bruno, universitair hoofddocent Neurowetenschappen aan de Columbia-universiteit, ‘hebben mensen vaak een heel hiërarchisch beeld van de hersenschors’, namelijk dat zintuiglijke waarnemingen van het ene deel van de hersenen worden doorgegeven aan het volgende, en dan weer aan het volgende en het volgende, enzovoort. Eén lange hiërarchische keten, tot het signaal uiteindelijk in de frontale kwab belandt, die vervolgens een motorische reactie opwekt. En als onze stressreactie alleen door deze gebieden in de hersenschors wordt gereguleerd – de gebieden waar ons hoger functioneren plaatsvindt, waar onze overtuigingen en existentieel zelfbesef zetelen – hoe kan het bewegen van lichaamsdelen dan bijdragen aan het verlagen van stress?
Strick lijkt zijn eigen probleem te hebben opgelost. In het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences legt hij uit dat hij nog een heel ander uitgebreid netwerk in de hersenschors heeft gevonden dat het bijniermerg aanstuurt. De verbindingen tussen de hersenen en het bijniermerg lijken veel uitgebreider te zijn dan altijd werd aangenomen. Complexe netwerken in de primaire somatosensibele en motorische schors hebben rechtstreeks invloed op onze stressreacties. Die ontdekking veranderde zijn beeld van de relatie tussen lichaamsbeweging en gezondheid. Dus begon Strick toch maar met pilates.
‘Dit lijkt erop te wijzen dat dit proces veel decentraler is,’ zegt Randy Bruno over Stricks onderzoek, waaraan hij zelf niet heeft meegewerkt. ‘Er liggen allerlei verschillende circuits over elkaar heen, en die sturen allemaal informatie naar onze oudste en primitiefste reactiesystemen. Dit onderzoek toont echt aan dat stressreacties niet alleen door de traditionele hogere, cognitieve hersengebieden worden aangestuurd. Dat lijkt me heel belangrijk.’
Om te begrijpen wat de implicaties zijn van dit nieuwe ‘connectoom’ (zoals nieuwe neurale verbindingen in de hersenen tegenwoordig vaak worden genoemd), moet je weten hoe dit nieuwe netwerk in kaart is gebracht.
Hondsdolheid
In de juiste handen kan hondsdolheid echt een uitkomst zijn. Als je rabiës in een orgaan injecteert, zullen de zenuwen van dat orgaan het virus verder het centraal zenuwstelsel in voeren. Onderweg kaapt dat virus het replicatiemechanisme van de zenuwen in het cellichaam en de dendrieten om zichzelf te vermenigvuldigen en via de synapsen over te springen naar andere zenuwcellen. Door bij te houden hoe het virus zich verspreidt, kunnen wetenschappers de neurale verbindingen tussen het geïnjecteerde orgaan en de hersenen met ongekende precisie in kaart brengen. Voor dit onderzoek heeft het team van Strick rabiës geïnjecteerd in de bijnieren van apen.
Het verloop van rabiës is heel voorspelbaar. Elke acht à tien uur repliceert het zichzelf, zodat het zich vrij snel door het zenuwstelsel kan verspreiden en zo een netwerk blootlegt. De onderzoekers wachtten dus tot het virus de hersenen bereikte en lieten de apen dan inslapen voordat ze symptomen van de besmetting gingen vertonen.
‘Bij iemand die aan herpes is overleden, zijn de temporale kwabben één grote soep,’ legt Strick uit. In vergelijking daarmee zien de hersenen van iemand die aan rabiës is overleden er redelijk normaal uit. Het is nog steeds een open vraag hoe rabiës ons zenuwstelsel precies uitschakelt. Het kan een tijdje in een zenuwcel zitten zonder kwaad te doen – daardoor kan rabiës zich in een populatie verspreiden. Dat betekent dus, benadrukt Strick, dat de apen niet hebben geleden.
‘Bij iemand die depressief of gestrest is, zie je een andere lichaamshouding. Als je met een rechte rug staat, heeft dat invloed op hoe je jezelf presenteert en hoe je je voelt’
Als het virus de tijd heeft gehad om een bepaalde, goed voorspelbare afstand af te leggen, brengen de onderzoekers het dier onder narcose en laten het leegbloeden. Dan fixeren ze het zenuwstelsel en kijken met behulp van antilichamen hoe het virus zich verspreid heeft. Door apen op verschillende momenten te laten inslapen, konden ze de verspreiding van het virus in kaart brengen. Zodra het virus enkele synapsen is gepasseerd, levert dat enorm veel werk op: het aantal aangetaste zenuwcellen stijgt dan exponentieel. Maar toen dat werk eenmaal was voltooid, wisten de onderzoekers niet wat ze zagen.
De bijnieren bleken in verbinding te staan met de motorische gebieden in de hersenen. In de primaire motorische schors bevindt zich een afspiegeling van het hele lichaam: er zijn gebieden die corresponderen met het gezicht, de armen en benen, en ook een gebied dat de axiale spieren aanstuurt (de ‘core’, in fitnessjargon). Stricks onderzoeksteam had helemaal niet gedacht dat de primaire motorische schors het bijniermerg aanstuurde. Maar er blijken daar een heleboel zenuwcellen te zitten die dat wel doen. En die bevinden zich vooral in het gedeelte van de schors dat correspondeert met de axiale spieren.
‘De aansturing van de axiale spieren heeft op een of andere wijze invloed op stressreacties,’ redeneert Strick. ‘Er waren al veel aanwijzingen dat het versterken van die spieren invloed heeft op het stressniveau. En bij iemand die depressief of gestrest is, zie je een andere lichaamshouding. Als je met een rechte rug staat, heeft dat invloed op hoe je jezelf presenteert en hoe je je voelt. En nu blijken de spieren van de romp dus invloed te hebben op stress. Als je die spieren op een verkeerde wijze stimuleert, door een slechte houding, denk ik daarom dat het ook invloed op het stressniveau heeft.’
‘Die zenuwbanen kunnen een verklaring bieden voor ons intuïtieve gevoel dat je stress op veel verschillende manieren kunt bestrijden,’ zegt Bruno. ‘Ik vind de voorbeelden in hun artikel heel aansprekend, het idee dat yoga en pilates misschien daarom zo effectief zijn. Maar er zijn nog allerlei andere methoden waarmee mensen stress bestrijden, bijvoorbeeld met behulp van verbeeldingskracht. Dat er zo veel zenuwbanen direct verbonden zijn met het systeem dat stressreacties aanstuurt, dat is heel interessant.’
Strick heeft vooral gekeken naar lichaamsbeweging, Bruno is meer gespecialiseerd in de zintuigen. Hij kijkt dus vooral naar de resultaten die betrekking hebben op de primaire somatosensibele schors. Sommige van die hersengebieden, waar de signalen van onze tastzintuigen worden verwerkt, lijken al evenzeer met de bijnieren te communiceren. ‘Dat is ook heel nieuw en heel interessant voor mij,’ zegt Bruno. ‘Dat kan helpen verklaren waarom we bepaalde gewaarwordingen ontspannend of juist stressvol vinden.’ Ik moest meteen denken aan lekker op je rug gekrabd worden, of dat rustgevende gevoel als je je hand in een berg verse pasta steekt.
‘Als ik dit soort resultaten zie, denk ik: Hm, misschien zijn deze gebieden complexer dan we dachten’
Doordat de primaire somatosensorische en motorische gebieden in de hersenen zo’n grote rol lijken te spelen in onze innerlijke toestand, begint Bruno vraagtekens te plaatsen bij de gangbare opvatting over de aard van deze hersengebieden. ‘Door deze onderzoeksresultaten en die van mezelf begin ik te betwijfelen of dat wat wij de motorische schors noemen ook echt de motorische schors is,’ zegt hij.
‘Misschien vervult de primaire somatosensibele schors wel veel meer functies dan we altijd dachten. Als ik dit soort resultaten zie, denk ik: Hm, misschien zijn deze gebieden complexer dan we dachten.’
Psychosomatisch
En dat heeft gevolgen voor wat we nu ‘psychosomatische aandoeningen’ noemen, het idee dat onze geest invloed heeft op orgaanfuncties. De term ‘psychosomatisch’ heeft nu een negatieve bijklank. De stilzwijgende gedachte is dat het verband tussen lichaam en geest niet bestaat, dat die psychosomatische aandoeningen alleen ‘tussen de oren’ zitten. Maar het soort uitgebreide verbindingen waarvan het bestaan nu is aangetoond, kan betekenen dat die aandoeningen ook écht tussen je oren ontstaan. Het feit dat er gebieden in de hersenschors zijn die via multisynaptische verbindingen de orgaanfuncties beïnvloeden, kan de term ‘psychosomatisch’ misschien van zijn negatieve bijklank verlossen.
Bij eerder onderzoek heeft het team in Pittsburgh een virus geïnjecteerd in het hart. Toen vonden ze hersengebieden die invloed hebben op het hartritme, waarin ze een mogelijke verklaring zien voor allerlei onverwachte sterfgevallen: doordat gebeurtenissen in de hersenen, van epilepsie en hersenletsel tot sterke emotionele prikkels (zowel positieve als negatieve) een hartaanval opwekken.
En dan is er ook nog het nieuwe vakgebied van de neuro-immunologie, waarin men onderzoek doet naar de gevolgen van stress voor het immuunsysteem. Het draagt allemaal bij aan de geloofwaardigheid van gezondheidsclaims die ooit werden weggelachen door mensen zoals Strick, omdat er geen concreet mechanisme aan ten grondslag leek te liggen. In zijn woorden: ‘Onze bewegingen, gedachten en gevoelens hebben invloed op onze stressreactie dankzij échte neurale verbindingen.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.