Tag: EU

  • 3. Trumps beste vriend in Europa

    3. Trumps beste vriend in Europa

    De vriendschap tussen Emmanuel Macron en Donald Trump lijkt bizar, maar de twee hebben meer gemeen dan je zou denken, betoogt columnist Roger Cohen.

    Het is verleidelijk te zeggen dat je je geen onwaarschijnlijker vriendschap kunt voorstellen dan die tussen Emmanuel Macron en Donald Trump, maar dan ga je wel aan de feiten voorbij.

    Natuurlijk, ze zijn het over maar heel weinig eens. Niet over Iran. Niet over de handel. Niet over de Europese Unie. Niet over of je kritiek moet hebben op Vladimir Poetin. Niet over het belang van waardigheid, of waarheid, of de Verlichting.

    Toch hoor ik dat ze elkaar voortdurend spreken. Trump volgt Macrons arbeidsmarkthervormingen en belt om hem de feliciteren. Het eerste staatsbezoek onder zijn regering zal dat van Macron zijn, volgende maand in Washington [het bezoek vond intussen plaats], een bijzondere eer voor een ‘great guy’. De Franse president is Trumps beste vriend in Europa, en misschien ook daarbuiten. Met de Britse premier Theresa May ging het mis. En met de Duitse bondskanselier Angela Merkel werd het ook niets. Trump-Macron is het enige trans-Atlantische scharnier dat niet knarst.

    Macron, die met zijn veertig jaar Trumps zoon zou kunnen zijn, heeft het politieke midden een grandioos toneel verschaft en daarmee de centristische politiek van een nieuw elan voorzien in tijden van populistische verleiding

    Echt verrassend is dat niet. Beide mannen zijn uit het niets gekomen, buitenbeentjes die tot het hoogste ambt van hun land zijn verheven door een golf van afschuw over de gangbare politiek. Ze zijn, elk op hun eigen manier, een historische toevalligheid, op het schild gehesen tijdens de overgang naar een nieuw tijdperk. Een verlangen naar ontwrichting bracht deze twee ontwrichters voort.

    Beiden rekenden af met het politieke establishment door het politieke midden weg te vagen of in te lijven. Beiden begrepen dat stemmers zowel verveeld als boos waren, wantrouwig tegenover de liberale consensus, woedend vanwege de alles verslindende globalisering, verlangend naar grandeur, snakkend naar onomwonden taal in plaats van de plichtmatige waarschuwingen van deskundigen.

    Macron, die met zijn veertig jaar Trumps zoon zou kunnen zijn, heeft het politieke midden een grandioos toneel verschaft en daarmee de centristische politiek van een nieuw elan voorzien in tijden van populistische verleiding. Hij is streng over immigratie omdat hij weet dat zijn overleving daarvan afhangt. Het toneel van Trump is dat van de zigzaggende bullebak, van onophoudelijk en vaak nietszeggend lawaai. Voor beide mannen zijn beweeglijkheid en actie van levensbelang.

    De gaullistische pompositeit, vermeden door Macrons voorganger, is terug van weggeweest. Als die nodig is om het racistische Front National te verslaan, schuw haar dan niet. Macron vierde zijn overwinning vorig jaar met een toespraak tot het Franse volk vanuit het Louvre, verwelkomde Poetin in Versailles en keerde dit jaar terug naar het paleis van de Zonnekoning voor een ‘Choose France’-top met ceo’s van over de hele wereld om een slordige drie miljard aan buitenlandse investeringen uit te bazuinen.

    ‘Het is niet “Make France Great Again”, maar het lijkt er veel op,’ zei een Franse vriend.

    wo16 fra macron tv

    Macrons viering van 14 juli, de nationale feestdag – compleet met gardisten te paard, troepen, tanks en gevechtsvliegtuigen – maakte zo’n indruk op zijn speciale gast, Donald Trump, dat deze nu zijn eigen versie wil met veel luchtmachtvertoon (maar sans tanks) op Veterans Day, de Amerikaanse viering van het einde van de Eerste Wereldoorlog.

    Belachelijk? Als je bedenkt dat Trump zich gewoonlijk met haviken omringt, lijkt deze vriendschap me zo belangrijk dat ik bereid ben veel te slikken.

    Of liever gezegd, mogelijkerwijs belangrijk. We moeten nog maar zien wat Macron uit deze vriendschap kan peuren. We weten niet of dat iets aardigs zal zijn of iets nuttigs. De band heeft Trump er niet van weerhouden het klimaatakkoord vaarwel te zeggen of Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israël. De jury is er nog niet uit.

    Trump heeft de Europese Unie uitgezonderd van importheffingen op staal en aluminium, iets waarop de Fransen sterk hadden aangedrongen. ‘Als we over één kam worden geschoren met China zou dat een groot probleem zijn,’ vertrouwde een hoge Franse ambtenaar me toe voordat Trump zijn beslissing nam.

    Iran

    Volgende kwestie: Iran. Als Macron het ergste niet kan voorkomen, namelijk dat Trump op 12 mei besluit het nucleaire akkoord te torpederen door de sancties niet langer op te schorten, dan zijn alle kansen verkeken. Het akkoord, dat op het nippertje voorkwam dat Iran zijn nucleaire programma voor militaire doeleinden zou gebruiken, werkt. De Fransen zijn vastbesloten het van kracht te laten blijven.

    Gebeurt dat niet, dan zal de confrontatie tussen sjiieten en soennieten in het Midden-Oosten verergeren, zal Iran in allerijl een bom ontwikkelen en zal Saoedi-Arabië niet ver achterblijven. Het non-proliferatieverdrag zou dan zo goed als zinloos worden.

    De voortekenen zijn niet zo goed. Mike Pompeo, de door Trump voorgedragen nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, is een havik wat Iran betreft. John Bolton, de nieuwe nationale veiligheidsadviseur, wil het nucleaire akkoord opzeggen en het Iraanse regime ten val brengen – en dat is nog maar het begin. Totale vernietiging dreigt. De uitdaging voor Macron – en Europa – om te voorkomen dat de kwestie-Iran uit de hand loopt, is alleen maar groter geworden.

    Macrons visie van herstelde grootsheid strookt met de Franse idealen. Die van Trump verraadt de Amerikaanse

    Terwijl het gedrag van Trump alleen maar grilliger wordt, een trend die de komende maanden nog zal verergeren door het onderzoek naar Russische bemoeienis met zijn uitverkiezing, biedt de vriendschap met Macron enige garantie tegen het ergste. Anders dan Trump weet de Franse president wat hij wil en is hij in staat een coherente strategie te hanteren.

    Hij is ook een bastion tegen de destructieve neigingen van Trump: diens gedweep met etnisch nationalisme en de steeds autoritairder wordende Poetin en Xi Jinping, de afkalving van de rechtsstaat, handelsoorlogen, de militarisering van het buitenlands beleid en de ondermijning van de Europese Unie.

    Macrons visie van herstelde grootsheid strookt met de Franse idealen. Die van Trump verraadt de Amerikaanse. Dat is het verschil. Veel hangt af van wat deze vriendschap oplevert.

    Auteur: Roger Cohen
    Vertaler: Peter Bergsma

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

    Cruciale rol in Syrië

    In een interview dat hij op 15 april gaf aan de Franse BFMTV, RMC en Mediapart rechtvaardigde Emmanuel Macron de raketaanvallen op Syrië door te wijzen op de rol van Frankrijk in dit deel van de wereld. ‘Hij wilde daarmee zijn leiderschap in de kwestie-Syrië benadrukken, hoewel de Franse deelname aan de operatie in zijn eigen land werd bekritiseerd’, schrijft The Wall Street Journal. In feite, vervolgt de Amerikaanse krant, betreurt de oppositie het ‘dat Frankrijk bezig is zijn onafhankelijkheid kwijt te raken door de VS en het Verenigd Koninkrijk te volgen’.

  • Draaien

    Draaien

    We hebben in het verleden vast weleens beweerd dat we 
100 procent Rutte-vrij waren, en Wilders-vrij en misschien zelfs wel Binnenhof-vrij.

    Want met 360 willen we over onze eigen buitengrenzen kijken. Wat daarbinnen gebeurt, daar schrijven onze Nederlandse collega’s genoeg over. Maar, in 
de voetsporen van onze huidige premier, wijken ook wij weleens van een eerdere bewering af. Sterker nog, we hebben de goede man zelfs op de cover gezet. En hoe. Van heel dichtbij en met die bekende blik. Recht op die ereplaats verwierf de premier omdat hij de afgelopen weken maar liefst drie keer werd geïnterviewd in publicaties van niveau: Le Monde, Der Spiegel en Financial Times. De kernvraag was steeds dezelfde: is Rutte voorstander van meer of van minder Europa? Het antwoord was, ook onveranderlijk: minder. Althans: niet meer. Maar toch, houd die ene, gezamenlijke lijn in de gaten, 27 lidstaten. Daar moeten we allemaal op zitten.

    Rutte lijkt met enige angst, en wie weet jaloezie, te kijken naar het herstel van de as Parijs-Berlijn. Emmanuel Macron en Angela Merkel hebben het voortouw genomen in de Europese Unie, en Mark wil graag meedoen. ‘We zijn van hetzelfde politieke ras. We draaien er niet omheen, we willen vooruit met Europa.’ Te gek! Leuk! Brexit? Komt goed! Maar het klinkt niet erg zelfverzekerd: Angela zal zich toch niet het hoofd op hol hebben laten brengen door die charmante Macron? Gaan wij ook in investeren, man. Super!

    Als die Frans-Duitse machine maar niet over hem heen walst. Want het Calimerosyndroom zit diep

    Sindsdien heeft Rutte het Élysée al twee keer bezocht en zijn Franse ambtsgenoot teruggevraagd in het Catshuis. Ondertussen is hij met zeven andere landen tegen de geopperde EU-hervormingen van Macron. En draait er diplomatiek omheen als hij daar in de Franse krant naar wordt gevraagd. ‘Het niet mijn bedoeling op de voorstellen van president Macron te reageren, maar om met eigen voorstellen te komen.’ Als die Frans-Duitse machine maar niet over hem heen walst. Want het Calimerosyndroom zit diep.

    In andere ‘kleine’ lidstaten van de EU leven inmiddels nog grotere zorgen rond Brexit. De Ierse schrijver Fintan O’Toole, columnist van The Irish Times, schrijft dat nu de meeste (religieuze) tegenstellingen tussen Ierland en Engeland verdwenen zijn, een paradox overblijft: binnenkort zullen de twee landen meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er een EU-grens tussen ligt. Droomden de nationalisten vroeger over. 
En nu is er volgens O’Toole geen Ier te vinden die dat nog wil. Onder de mantel der tijd heeft alles zich fatsoenlijk geschikt.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • Mark Rutte: ‘Ik hoop dat de 
Britten in de interne markt blijven’

    Mark Rutte: ‘Ik hoop dat de 
Britten in de interne markt blijven’

    In zijn nieuwe pro-Europese rol investeert Mark Rutte ook in Emmanuel Macron. Voor diens bezoek aan Den Haag, eind maart, lichtte Rutte tegenover de Franse krant Le Monde het Nederlandse EU-standpunt toe.

    U hebt samen met zeven andere noordelijke EU-landen een brief ondertekend tegen de hervorming van de muntunie. Betekent dat een definitief ‘nee’ tegen de voorstellen van Emmanuel Macron voor een eigen EU-begroting en een Europese minister van Financiën?

    Rutte: ‘Het is niet mijn bedoeling op de voorstellen van president Macron te reageren maar om met eigen voorstellen te komen, naar oplossingen te zoeken en, misschien, verschillen te constateren. Ik ben het met president Macron eens dat we zowel op staatsniveau als op Europees niveau moeten opereren. Dat betekent dat we de criteria van Maastricht moeten respecteren, dat we moeten hervormen, de tekorten moeten wegwerken en naar een begrotingsoverschot moeten streven.’

    Die strenge boodschap is vooral aan het adres van Frankrijk gericht, nietwaar?

    ‘Ik geloof dat Frankrijk al goed bezig is. Ik ga me niet uitspreken over de politieke keuzes die worden gemaakt, maar ik ben onder de indruk van de daadkracht van de Franse president, vooral waar het zijn hervorming van de arbeidsmarkt betreft.’

    Wat moet er op Europees niveau gebeuren?

    ‘Zoals de Franse president zegt, moeten we de muntunie versterken. Met prioriteit voor een Europees stabiliteitsmechanisme en de oprichting van een Europees monetair fonds dat in laatste instantie de problemen kan oplossen van landen die in moeilijkheden verkeren. Ook moet de bankenunie verder worden versterkt om bancaire risico’s te verminderen en moet een stap worden gezet in de richting van een Europees depositogarantiestelsel. Ten slotte moet de privésector kunnen worden aangesproken als een bank in de problemen komt, zodat de belastingbetaler niet voor alles opdraait. Als dat allemaal gebeurd is, kunnen we tegen die belastingbetaler zeggen dat de belofte is nagekomen om gezamenlijk een hoog welvaartsniveau te garanderen.’

    ‘President Macron en ik denken over veel dingen hetzelfde’

    Hoe ziet u de rol van Europa?

    ‘Mijn benadering is positief: uitgaan van de kracht van de lidstaten, niet van hun zwakte. Een krachtige interne markt bouwen, wat nog maar ten dele is gerealiseerd, onze veiligheid garanderen door middel van efficiënte samenwerking, maar ook de criteria van Maastricht respecteren, die de lidstaten verplichten hun openbare financiën en hun economie op orde te brengen. Een Europa dat nuttig is voor zijn burgers en zich met name om werkgelegenheid en veiligheid bekommert. President Macron en ik denken over veel dingen hetzelfde.’

    Kunt u enkele concrete punten noemen?

    ‘De migratie en de oorzaken daarvan, de versterking en verbetering van de interne markt, veiligheid en defensie – Nederland is actief in Mali en steunt de actie van G5-Sahel. President Macrons idee over “een Europa dat beschermt” is verleidelijk. Mijn land wil ook voortvarend optreden op klimaatgebied, met als ambitieus doel een vermindering van onze CO2-uitstoot met 55 procent in 2030. Samen kunnen we aan een Europa bouwen dat de klimaatverandering het hoofd biedt.’

    Best ruimte

    Waarom bent u tegen een verhoging van de Europese begroting, zoals het Europees Parlement vraagt?

    ‘Mijn doel is modernisering te bevorderen en extra afdrachten te vermijden. Mijn prioriteiten zijn innovatie, het bewaken van de buitengrenzen en een betere aanpak van de migratie. Tegelijkertijd moeten we ook bezien op welke gebieden het wel wat minder kan. Nederland is een van de grootste netto bijdragers aan de Europese begroting en het verschil met andere landen mag niet groter worden. Het uitgavenplafond zal herzien moeten worden en, gezien het vertrek van het Verenigd Koninkrijk, moeten worden bevroren. En vervolgens zal de begroting hervormd moeten worden door middel van het vaststellen van nieuwe prioriteiten. Daarvoor is best ruimte: 70 procent van de huidige uitgaven gaat naar landbouw en structuurfondsen.’

    Moeten alleen rechtsstaten voortaan toegang krijgen tot Europese fondsen?

    ‘Daar zijn wij niet tegen, al stellen we voor die toegang vooral afhankelijk te maken van gerealiseerde hervormingen en niet van periodieke aanbevelingen van de Commissie.’

    Vreest u een breuk tussen Oost en West?

    ‘Ik heb het afgelopen jaar een aantal Oost-Europese leiders ontmoet. Als het Schengengebied functioneert, als de buitengrenzen goed worden gecontroleerd, als de Dublin-Conventie – die bepaalt dat het land waar een asielzoeker Europa is binnengekomen ook de asielaanvraag in behandeling moet nemen – wordt aangepast, geloof ik dat sommigen van hen zich wel bereid zullen tonen om vluchtelingen op te vangen, wat een verplichting blijft.’

    Is de Brexit met name zorgelijk voor een land als het uwe?

    ‘Het belangrijkst is dat de 27 landen op één lijn blijven zitten. Onder een wanordelijke Brexit zullen we allemaal lijden, ook Frankrijk. Ik zou graag zien dat de Britten in de interne markt blijven en dat we zo veel mogelijk samenwerkingsverbanden aangaan, op voorwaarde dat alle regels en de integriteit van de interne markt worden gerespecteerd.’

    Hoe denkt u over de ‘politieke’ Commissie die Jean-Claude Juncker voorstaat?

    ‘Ik heb veel respect voor voorzitter Juncker en zijn programma, maar wij zijn vierkant tegen het idee van een “politieke” Commissie. De Commissie kan initiatieven nemen en moet erop toezien dat gemaakte afspraken worden nageleefd. Het is bijvoorbeeld gênant dat ze Italië en Frankrijk op een verschillende manier heeft behandeld wat het tekort van 3 procent betreft. Daarmee schendt ze de regels, schaadt ze het uiteindelijke doel – de welvaart van de hele Unie – en maakt ze het ons moeilijk verantwoording af te leggen tegenover onze respectievelijke burgers.’

    Auteur: Jean-Pierre Stroobants
    Vertaler: Rutte Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 331.837

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Houdt een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Hoe Nederland de plaats van 
de Britten gaat overnemen

    Hoe Nederland de plaats van 
de Britten gaat overnemen

    Voor ons Nederlanders is de Brexit een uitgelezen kans, schrijft The Economist. 
Met de Britten verliezen we een machtige bondgenoot, maar we kunnen nu wel zelf het initiatief gaan pakken.

    ‘Alle volken rond de Noordzee zijn met elkaar verbonden,’ mijmert Hans de Boer, voorzitter van werkgeversvereniging VNONCW terwijl hij in Den Haag uit het raam van zijn kantoor op de twaalfde verdieping staart. Het is geen verkeerde plek voor een Nederlander om de gevolgen van de Brexit te overpeinzen. De Rotterdamse haven, de drukste van Europa, valt ternauwernood in de ochtendnevel te ontwaren. Tachtigduizend Nederlandse bedrijven doen zaken met Groot-Brittannië en elk jaar razen 162.000 vrachtwagens tussen beide landen heen en weer. De Rabobank heeft becijferd dat zelfs een zachte Brexit in 2030 tot een daling van het bbp met 3 procent zou kunnen leiden. Ierland uitgezonderd krijgt geen land het zwaarder voor de kiezen. ‘De Brexit had niet onze voorkeur,’ merkt De Boer droogjes op.

    Nederlandse regeringen uit de jaren vijftig en zestig deden hun best hun Britse vrienden over te halen om tot de Europese club toe te treden. Toen de Britten er in juni 2016 voor stemden om de Europese Unie te verlaten, vroegen sommigen zich af of Nederland in hun kielzog zou volgen. De Europese trauma’s op migratie- en economisch gebied stelden het geduld van de Nederlandse kiezer al jaren op de proef en premier Mark Rutte leek niet bereid het voor Europa op te nemen. Eurosceptische sentimenten waren koren op de molen voor Geert Wilders, die aandrong op een ‘Nexit’. Ruim een jaar geleden, met verkiezingen op komst, hielden Europeanen hun hart vast.

    Calvinistisch vingertje

    Wat er vervolgens gebeurde was interessant. De VVD won de verkiezingen, hoewel het succes van PVV-leider Geert Wilders Rutte dwong tot een vierpartijencoalitie met een minieme meerderheid. In plaats van het Europese feestje te verstoren, mengde Rutte zich, aangespoord door zijn adviseurs, in het debat over Europa met een enthousiasme dat weinigen van hem kenden. Begin maart bracht hij een bezoek aan Berlijn om een gedetailleerde speech over de EU te houden, zijn eerste grote bemoeienis met de Unie sinds hij in 2010 premier werd. Niet lang daarna kwamen Nederland en zeven andere kleine landen uit Noord- en Oost-Europa (een hoge EU-ambtenaar sprak van de ‘slechtweercoalitie’) met een gezamenlijke visie op de EU.

    Vooralsnog leidt het niet tot grote beleidswijzigingen inzake Europa. De Nederlanders willen nog steeds de risico’s en de gezamenlijke uitgaven beperken en de handel binnen de EU stimuleren. Met hun calvinistische zwaaiende vingertje dringen ze er bij andere landen op aan eerst in eigen huis orde op zaken te stellen alvorens aan te kloppen voor gezamenlijke oplossingen. Maar volgens Hans de Boer is dat om de Nederlandse kiezer gerust te stellen en niet om de EU dwars te zitten. Bovendien markeert de Berlijnse toespraak een verandering van stijl van een premier die zich lange tijd niet graag in de discussie over Europa mengde. Rutte klaagde na een Europese top meestal over gebakken lucht. Nu stort hij zich vol overgave op Europa. ‘Ik heb hem nog nooit zo pro-Europees gezien,’ zegt een collega.

    Ter rechtvaardiging merkt Rutte opgewekt op dat de Brexit Nederland ertoe dwingt zijn vier eeuwen oude diplomatieke balanceeract tussen Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië te herijken. Dat betekent twee dingen. Ten eerste een onverbloemd commitment aan Europa; Nederland wil dat de EU een sterke handelsrelatie met Groot-Brittannië smeedt, maar zonder de gelederen te verbreken. Ten tweede de bereidheid om ad-hoccoalities op bepaalde onderwerpen te vormen. Rutte noemt er een paar: een met Duitsland op het gebied van migratie, handel en de euro, een met bepaalde Midden-Europese landen over de interne Europese markt en een met de Fransen als het gaat om klimaatverandering. ‘De Brexit is een wake-upcall,’ zegt Ben Knapen, voormalig staatssecretaris van Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Vond Nederland het vaak wel best dat Groot-Brittannië het voortouw nam, nu moet het zelf in het geweer komen.

    Dat is deels een strategie om zich tegen onderonsjes van de grootmachten in te dekken. De angst dat de Frans-Duitse machine over hen heen zal walsen zit diep bij Nederlandse diplomaten. Toch zijn ze voorzichtig optimistisch dat de Duitsers hen niet zullen afvallen als het gaat om kwesties als de EU-begroting of de hervorming van de eurozone. Sterker nog, de Duitsers zijn blij dat de ‘groep van acht’ de aanval kiest, want dat maakt Duitsland tot het middelpunt van de discussie. Peter Altmaier, de Duitse minister van Economische Zaken en een vertrouweling van Angela Merkel, verleent de slechtweercoalitie stilzwijgend zijn steun.

    Maar Rutte investeert ook in Emmanuel Macron. Nadat de Franse president de Nederlandse premier twee keer in Parijs had ontvangen, ging hij vorige week op bezoek in Den Haag. De onmin tussen Frankrijk en Nederland is groot, vooral als het gaat om de eurozone; Nederland wil grotere nationale buffers om crises op te vangen, terwijl Macron wars is van supranationale instituties en een forse gezamenlijke begroting. Rutte erkent de verschillen, maar doet alsof de rest van de EU vanzelf volgt als hij en Macron een deal sluiten. (Duitsland zou daar ook wel iets over te zeggen kunnen hebben.) Nederlandse diplomaten, verzot op handel, liepen de rillingen gewoonlijk over de rug bij een oproep als die van Macron tot een ‘Europa dat beschermt’. Maar nu, nerveus geworden door roofzuchtige Chinese investeringen, Russisch spierballenvertoon, terreurdreiging en de handelstarieven van Donald Trump, vragen ze zich af of hij een punt heeft.

    Eurosceptisch rechts heeft bovendien een nieuwe held in de gesoigneerde, pianospelende politieke avonturier Thierry Baudet. De gevestigde orde doet hem af als een verwaande kwast in een pak, maar zijn oproep aan de Nederlanders om uit de EU te stappen vindt gehoor

    Het is een uitgelezen moment voor de Nederlanders. De Brexit kost ze een bondgenoot, maar biedt ook een kans om het initiatief te nemen. De hernieuwing van de Frans-Duitse relatie levert een gevaar op, maar geeft Nederland ook een mogelijkheid om zijn zegje over Europa te doen. Van de overeenkomst van de EU met Turkije uit 2016, die een einde aan illegale immigratie moest maken en waar Nederland mede de hand in had, heeft Rutte geleerd dat Europees optreden nationale problemen kan helpen oplossen. Nederlandse politici erkennen dat ze nog aan die nieuwe wereld moeten wennen. Maar vooralsnog ontbreekt het hun in de Nederlandse diplomatie niet aan grootspraak. Ruttes nekharen gaan rechtovereind staan bij elke suggestie dat zijn land een ‘klein land’ is.

    Toch moet hij oppassen dat hij in eigen land geen verzet oproept, wat hem voorzichtig zal maken met wat hij zegt. Nederlandse parlementsleden – ook die van partijen die meeregeren – en de media zijn gespitst op de geringste aanwijzing dat hun land zal worden meegesleurd in een zogeheten transferunie met wel lasten maar geen lusten. Nederlanders worden moe van Oost-Europese landen die vluchtelingen weigeren maar wel Europese subsidies opslokken. Eurosceptisch rechts heeft bovendien een nieuwe held in de gesoigneerde, pianospelende politieke avonturier Thierry Baudet. De gevestigde orde doet hem af als een verwaande kwast in een pak, maar zijn oproep aan de Nederlanders om uit de EU te stappen vindt gehoor. In de peilingen schiet zijn Forum voor Democratie Wilders voorbij.

    Alleen dat dwingt Rutte er al toe om in de komende debatten over de begroting, de eurozone en de hervorming van het Europese asielbeleid een harde lijn te kiezen. Voor veel Europeanen zullen de Nederlanders de durfals onder de bangeriken blijven. Maar na zolang aan de zijlijn te hebben gestaan, doen ze nu tenminste mee.

    Vertaler: Nico Groen

    Openingsbeeld: © ANP

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.114.549

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal politiek en economisch nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

  • De Brexit schept een grens die er niet meer is

    De Brexit schept een grens die er niet meer is

    Vroeger hadden de Ieren een harde grens met Engeland toegejuicht. Maar nu de Brexit nadert vinden ze het jammer, schrijft de Ierse columnist Fintan O’Toole. ‘De tijd dat Iers-zijn het tegenovergestelde was van Engels-zijn is voorbij.’

    Die zomer hing in Londen een soort hitte die ik in Ierland nog nooit had gevoeld, zo drukkend en benauwd als je alleen in heel grote steden meemaakt. Het was 1969, ik was elf en dit was mijn eerste dag in Engeland. Samen met mijn vader en mijn broer was ik met de boot van Dublin naar Liverpool gekomen. Met de bus waren we door de Midlands gereden, een intens onbekend landschap van autowegen, benzinestations en reusachtige energiecentrales. Mijn vaders neef Vincent had ons opgewacht bij het busstation en een volgende bus bracht ons naar East End, waar we logeerden bij mijn moeders zus Brigid. Brigid was een non, dus eigenlijk logeerden we in een katholiek klooster.

    Vanwege de hitte en het vooruitzicht van drie dagen achter de kloostermuren besloot mijn vader dat hij wel een biertje kon gebruiken. Dus mijn vader en Vincent lieten mijn broer en mij met een flesje Fanta achter op een laag muurtje en verdwenen zelf de kroeg in. Ik weet nog dat ik op dat muurtje hard op mijn rietje zat te zuigen om de paniek te onderdrukken. We waren alleen in Engeland, van iedereen verlaten, op een wezensvreemde plek. ‘Engeland’ was een angstaanjagend begrip voor me.

    Uit de geschiedenislessen op school wist ik dat de Engelsen alleen maar slechte dingen tegen de Ieren hadden gedaan. En ik wist dat de kern van al die slechtigheid het protestantisme was. Er was maar één waar geloof en dat dat was natuurlijk het katholicisme, dus Engeland was in principe al abnormaal. Je wist nooit wat je van zulke mensen kon verwachten – alleen dat ze niet aardig waren.

    De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen

    Toen kwam er over de weg een enorm grote man aan in een wapperend wit gewaad, en zijn lengte werd nog geaccentueerd door een hoge muts van luipaardbont. Hij had een gevolg van vijf of zes mannen, ook in het wit, zij het minder flamboyant. Hij was kennelijk een soort hoogwaardigheidsbekleder, een koning of een stamhoofd. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag me kijken en op zijn gezicht verscheen een grote glimlach. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en zei in een voor mij onbekende taal iets tegen zijn kompanen. Hij vroeg: ‘Geniet je van je fles prik?’ ‘Prik’ was een woord dat we in Ierland niet gebruikten voor frisdrank, maar ik wist wat het betekende. Ik kende het woord uit de Britse stripverhalen die we verslonden. Het verbaasde me dat hij mijn broer en mij voor Engelsen hield. Ik wilde hem uitleggen dat hij zich vergiste, dat wij net als hij buitenlanders waren. Maar ik was te perplex om iets te kunnen zeggen en hij vervolgde majestueus zijn weg.

    Soms vraag ik me af wat ik als elfjarige tegen dat koninklijke personage zou hebben gezegd als ik in staat was geweest om mijn gevoelens uit te spreken. Stel dat hij mijn protest had weggewuifd: ‘Ik vind jou er Engels uitzien, dus wat is het probleem?’ Stel dat hij had gevraagd wat we daar überhaupt deden. Dan had ik moeten uitleggen dat mijn oom Vincent die in het café achter ons zat, uit het arbeidersmilieu in Dublin was weggegaan en erin geslaagd was om af te studeren op de universiteit van Oxford. En dat we logeerden bij mijn tante, de non, die als verpleegster in East End werkte. En dat we daarna in Maidstone zouden logeren bij mijn vaders broer Kevin die foerier was in het Britse leger en op de Tories stemde. En dat we daarna zouden logeren bij mijn moeders broer Pete en zijn vrouw in Manchester; hij was buschauffeur en zij stemden Labour.

    En dat al hun kinderen – de neven en nichten die Engels met het plaatselijke accent spraken – net zo waren als ik: we speelden dezelfde spelletjes, keken naar dezelfde tv-programma’s, luisterden naar dezelfde popmuziek en we konden meteen goed met elkaar opschieten omdat we familie waren.

    Ik weet niet of hij ervan overtuigd zou zijn dat mijn Iers-zijn iets meer was dan een kleine lokale variatie op het Engels-zijn. Het was natuurlijk veel meer – en dat is het nog steeds. Het Iers-zijn is niet iets wat je hoeft te bewijzen. Maar het ligt ook weer niet zo simpel en het is zeker niet wat ik als jongetje dacht dat het was: het tegenovergestelde van Engels-zijn.

    Meerduidig en complex

    Relaties binnen wat we nu ‘de eilanden’ noemen zijn meerduidig en complex. Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland en de Ierse Republiek vormen een soort matrix, maar die verschuift voortdurend en is nooit stabiel. De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen. Engeland was industrieel, dus Ierland moest zijn onderontwikkelde en gedeïndustrialiseerde economie tot deugd verheffen. Engeland was urbaan, dus Ierland moest een exclusief rustiek imago van zichzelf creëren. De Engelsen waren wetenschappelijke rationalisten, dus wij moesten als Ieren de mystieke dromers van dromen zijn. Zij waren Angelsaksen, dus wij waren Keltisch. Zij hadden een monarchie, dus wij een republiek. Zij ontwikkelden een welvaartstaat, dus wij vertrouwden op de genade van de liefdadigheid.

    Maar zo simpel was het leven niet. Mijn tantes en ooms waren dolblij met hun werk in de fabriek en de dienstverlening in Engelse steden. Ze emigreerden niet zozeer naar Engeland als wel naar de welvaartsstaat. De Ieren hielpen de National Health Service opbouwen en genoten van de voordelen ervan. Ze maakten gebruik van de onderwijsmogelijkheden die de Britse sociale democratie hun bood. En hoewel ze zeker wel racistische trekjes hadden, genoten ze van het leven in een multi-etnische samenleving.

    Hoewel het katholicisme een belangrijk punt van onderscheid was, gaven veel Ieren er de voorkeur aan om in Engeland te wonen omdat ze dan verlost waren van seksuele vooroordelen. Zes jaar na mijn eerste bezoek werkte ik als zeventienjarige in de zomervakantie in een bioscoop in Piccadilly Circus. Daar werd me voor het eerst gevraagd: ‘Ben je homo of hetero?’ Me bijna verontschuldigend mompelde ik dat ik hetero was – verontschuldigend omdat ik me meteen realiseerde dat bijna iedereen die daar werkte homo was. De manager was homo en hij nam homo’s in dienst om van het bedrijf een soort veilige haven te maken. Ik had de baan gekregen op basis van een verkeerde inschatting, maar ik werd getolereerd. Het was voor mij een belangrijke, zij het wat vreemde ervaring: ik kon even meemaken hoe het was om tot een seksuele minderheid te behoren.

    Op verschillende manieren betekende Engeland dat voor veel Ieren: het land leerde ons dat ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ willekeurige typeringen waren. In Ierland maakten de meesten van ons deel uit van een meerderheidscultuur; in Engeland moesten we leren wat het was om tot de weinigen te behoren in plaats van tot de velen. Dus we hadden twee verschillende ideeën over Engeland: als het tegenovergestelde van Ons en als een plek waar Wij iets veel ruimers betekende.

    Ierse kinderen in de wijk Ballymun in Dublin. – © Piet den Blanken / Hollandse Hoogte
    Ierse kinderen in de wijk Ballymun in Dublin. – © Piet den Blanken / Hollandse Hoogte

    Maar de opvatting dat Ierland en Engeland elkaars tegenovergestelde zijn is allang achterhaald. Ierland is veel minder katholiek en Engeland veel minder protestants; in elk geval speelt religie een veel minder belangrijke rol in de identiteit van beide landen dan vroeger. De historische vijandigheid heeft plaatsgemaakt voor intense samenwerking en een gedeeld belang in vrede. En wellicht het belangrijkste: Engeland en Ierland zijn niet langer de tegenovergestelde nationaliteitspolen op de ‘eilanden’ – Wales en in het bijzonder het zelfstandigere Schotland zijn veel assertievere delen van de matrix.

    Het wegvallen van deze simplistische tegenstelling is alleen maar goed. Maar de andere, positievere, kant van de oude tegenstelling is ook aan het verdwijnen, deels omdat Ierland is veranderd. De tijd is allang voorbij, bijvoorbeeld, dat Ieren de zee moesten oversteken om het leven in een multi-etnische samenleving te ervaren – de sinds de jaren negentig snel toenemende immigratie heeft ertoe geleid dat ze dat ook in hun eigen land kunnen ervaren. De strijd is ook voorbij dat LHBT-ers het gevoel hadden dat ze naar Engeland moesten om een tolerantere cultuur te vinden. Ierse vrouwen gaan nog steeds wel naar Engeland voor een abortus die ze in hun eigen land niet kunnen krijgen, maar die tijd zal ook langzaam voorbijgaan nu Ierland op het punt staat de strenge abortuswet te veranderen. Als Engeland in mindere mate een toevluchtsoord is voor Ieren, komt dat deels doordat er minder is om voor te vluchten.

    Paradox

    Als de tegenstellingen waar we aan gewend waren verdwenen zijn, blijft voor ons de paradox over: de Ierse Zee heeft nog nooit zo smal geleken en de twee kanten zijn nog nooit zo gelijk geweest. Toch zullen Ierland en Engeland binnenkort wellicht meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er dan een EU-grens tussen ligt. Er was natuurlijk een tijd dat veel Ieren van zo’n situatie zouden hebben gedroomd, dat nationalisten niets liever wilden dan dat de hoogst mogelijke barrières tussen Ierland en Engeland werden opgeworpen.

    Maar nu kom je bijna geen Ier meer tegen die het niet diep betreurt. Dat zegt op zichzelf al veel. Onder al dat politieke gedoe heeft alles zich heel fatsoenlijk geschikt, in een over het algemeen tevreden nabuurschap. Na zo veel eeuwen van verbittering is dat geen sinecure. De Engelsen en de Ieren hebben onderling geen problemen meer. En juist het feit dat er geen problemen meer zijn is nu een big deal.

    Auteur: Fintan O’Toole
    Vertaler: Paul Bruijn

    Lees ‘Brexit kan Groot-Brittannië en Ierland opnieuw verdelen’ terug in Reader # 0.

    The Irish Times
    Ierland | dagblad | oplage 61.049

    In 1859 opgericht door protestanten. Tegenwoordig staat de krant onder controle van een groep ‘trustees’, die de politieke en religieuze onafhankelijkheid bewaakt. The Irish Times heeft nog altijd een groot correspondentennetwerk en vele prominente ‘pennen’.

  • Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    De Zweedse schrijver en vertaler Ulf Peter Hallberg denkt dat de oplossing voor veel maatschappelijke malaise ligt in kunst en literatuur die openheid en begrip mogelijk maken.

    IQ: De maatschappij ziet cultuur vaak als een soort ontspanning, die niets te maken heeft met politiek. Vindt u dat ook?

    Ulf Peter Hallberg: Kunst en cultuur staan voor veel meer dan ontspanning. Wij moeten inzien dat kunst, de literatuur, de muziek, alle kunstvormen in verschillende opzichten belangrijk zijn. Dat we er armer van worden als cultuur in het leven van alledag een kleinere rol krijgt toebedeeld door de politiek, omdat die ons in staat stelt het kritisch vermogen te ontwikkelen en niet te vergeten, om verandering te bewerkstelligen.

    In mijn boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a Father schrijf ik over iemand die zijn vader heeft verloren. De vader was niet geïnteresseerd in rijkdom of macht, hij was 87 toen hij stierf, maar voelde zich 27. Waarom? Omdat hij geld zag als iets wat mensen alleen maar kan vernietigen. Hij had de belangrijkste waarden van zijn leven ontdekt in de kunst. Daar had hij belangstelling voor, hij verzamelde artikelen over kunstwerken en dacht er veel over na. Ook ik wil graag geld hebben en uitgeven, net als iedereen. Maar dat is niet het belangrijkste doel in mijn leven, of mijn grootste drijfveer.

    Natuurlijk is hier een verband te leggen met de politiek. Een voorbeeld: de Zweedse Democratische Partij zegt dat het land zich moet ontdoen van alle buitenlanders, dat Zweden blank moet zijn en één natie, een zuivere staat. Hoe je ook op dat soort ideeën reageert, het blijft retoriek. Dan kan het helpen om te bedenken dat het de literatuur of de kunst niet uitmaakt wie jij bent of waar je vandaan komt en wat de kleur van je huid is. Die principes zouden naar mijn idee de leidraad in het leven moeten zijn.

    Hoe is de manier waarop de samenleving, of concreter de politieke klasse, naar kunst kijkt, te verbinden met het idee van de populistische natiestaat?

    Volgens mij kunnen veel gebeurtenissen vergeleken worden met situaties die in boeken worden beschreven of in beeldende kunst worden afgebeeld. Je kunt je afvragen hoe een bepaald dilemma zou worden opgelost in een roman of een novelle. De literatuur kan in die zin een inspiratiebron zijn. Zelfs al stond het duidelijk in de wet, geen enkele persoon of groep kan alleen maar als goed of alleen maar als slecht worden bestempeld. De lijn die goed scheidt van kwaad, zwart van wit, werkt niet in de kunst.

    Politici, vooral degenen die zich laten leiden door een populistische overtuiging, willen de samenleving overtuigen van hun ideeën over gerechtigheid en gebruiken daarvoor simplistische retoriek. De Hongaarse premier Viktor Orbán en de Amerikaanse president Donald Trump zijn daar goed in.
    Toch zit het probleem niet zozeer in die retoriek zelf, maar in de middelen die worden ingezet om besluiten te kunnen nemen.

    Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld

    Wat is de invloed daarvan op de Europese Unie en haar waarden?

    Cultuur maakt veel zichtbaar. Ze zorgt voor het behoud van de gevoeligheid in de moderne wereld. De Litouwse filosoof en schrijver Leonidas Donskis en de Poolse socioloog Zygmunt Bauman hebben al eerder vastgesteld dat in de huidige samenleving de cohesie ontbreekt. Er is geen behoefte meer aan wederzijdse banden, geen verbondenheid waardoor de zaak wordt opgeschud, waardoor men wordt uitgedaagd of gedwongen de strijd in te gaan. Donskis en Bauman vonden dat Europa veranderd was en, ze hadden gelijk. Door die transformaties zijn culturele verschijnselen naar de zijlijn gedrongen. De samenleving is een machine geworden die een ‘vloeibare moderniteit’ heeft veroorzaakt, zoals de filosofen het noemen. Dat wil zeggen een plek zonder verbinding, een toneel voor machtsspelletjes. Het verlies van persoonlijkheid en individualiteit is vaak een belangrijk probleem.

    Hoe is dat te veranderen? Via de literatuur, de kunst en het theater. Mijn studenten aan de Sorbonne hebben me weleens gevraagd waarom ik hen dwong om te schrijven. Nu begrijpen ze dat schrijven niet alleen een middel is om je gedachten te uiten, maar ook om dialoog uit te lokken, contact te maken met de medemens. Dat idee brengt ons naar de Oudheid, de tijd van Plato, toen alles was geschapen naar de idee dat het leven zich in het hart van het denken bevond.

    Dat vergeten we tegenwoordig. De Europese Unie en Brussel worden mechanische apparaten met een zwak hart. In het beleid van die institutiesbestaat geen dialoog, er worden geen banden meer gesmeed. Ik denk dat de kunst en de literatuur terug moeten komen op de politieke agenda van Europa. Er moet een intellectuele blik op die Unie komen. Als er geen dialoog is met de cultuur, is de politiek ook een lege huls.

    We kunnen ons alleen tegen zo’n ontwikkeling beschermen door ons ervan bewust te zijn. Het kan soms lastig zijn om door retoriek heen te kijken, maar kritisch nadenken heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. We moeten openstaan, nieuwe ideeën toelaten in de samenleving, in je familie, niet bang zijn om vragen te stellen, en de wereld niet verdelen in goed en kwaad. Wat Europa nu nodig heeft, zijn ideeën waarmee we kunnen behouden wat we zijn en die ons beschermen tegen overheersing door de economie en fanatieke demagogen.

    Het schilderij Picasso's Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH
    Het schilderij Picasso’s Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH

    In welk opzicht is dat verbonden met de grote rol die nieuwe technologieën in het leven van alledag zijn gaan spelen?

    Ik vind het geweldig hoe het internet en de moderne technologie ons de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen, te communiceren, informatie te delen, enzovoort. Dat is een formidabel middel om verbinding te scheppen en herscheppen. Maar in mijn eigen land, Zweden, hebben de meeste mensen op Facebook alleen Zweedse vrienden. Mijn eigen netwerk bestaat voor negentig procent uit buitenlanders. En daarom zijn mijn berichten meestal in het Engels. Ik heb belangstelling voor deze communicatie, want zo komen we dichter bij het kosmopolitisme.

    Toch, in twintig jaar tijd hebben de nieuwe technologieën onze samenleving enorm veranderd. Je kunt ze verwijten dat ze geen ruimte bieden voor echte discussie en dat ze de mens veranderen in een bron van inkomsten. Die situatie kennen we allemaal. Je hoeft maar ‘Rome’ in te tikken op Google en meteen verschijnen op andere sites die je bezoekt advertenties met reisaanbiedingen naar die stad. Diee kun je allemaal negeren, maar voor mij lijkt het steeds meer op persoonlijke informatielekken.

    Daarom sta ik kritisch tegenover de sociale media. Als ik er foto’s tegenkom van kennissen die in bed zitten te ontbijten, dalen zij bij mij toch in aanzien. Ik wil dat helemaal niet zien, ergens heb ik het gevoel dat dat niet hoort. Sommige dingen moeten privé blijven, binnen de intimiteit van je eigen huis, anders worden zulke momenten minder waardevol.

    In dat opzicht bieden de literatuur en de kunst een veiliger toevluchtsoord. Studenten leer ik kritisch naar de sociale media te kijken en voorzichtiger te worden met het delen van persoonlijke informatie. Het zou mooi zijn als politici en andere mensen op machtsposities dat ook in gaan zien. Ik ben optimistisch van aard en ik denk dat uiteindelijk iedereen begrijpt wel hoe belangrijk dat is en hoe hoog de prijs zal zijn als we zo doorgaan.

    Kosmopolitisme wordt vaak in één adem genoemd met globalisering, open grenzen en vrijheid. Wat betekent het woord voor u?

    Ik zou het concept van het kosmopolitisme uitleggen door een parallel te trekken met de band die de kunstenaar onderhoudt met zijn land van herkomst, wanneer hij zich buiten de grenzen daarvan bevindt. Zo iemand gaat een innerlijke strijd aan die wordt gemarkeerd door de vreemde omgeving en zijn land van herkomst. Er zijn talloze schrijvers voor wie dat geldt. Een voorbeeld is de van oorsprong Noorse schrijver Henrik Ibsen, die decennialang in Italië heeft gewoond, maar veel over zijn geboorteland schreef.

    Deze kunstenaars krijgen creatieve impulsen doordat hun bestaan en hun identiteit door elkaar worden geschud en ter discussie gesteld. Het jaagt hun productiviteit aan. Ze hebben begrepen dat de concepten van ‘het oude land’ en ‘de natiestaat’ die in deze tijd de basis van alles zijn, niets meer betekenen. Het werk van deze kunstenaars berust op een evenwicht tussen de cultuur en de actuele situatie, op de band met de wereld om hen heen. Al die dingen is Europa nu kwijt, naar mijn idee.

    Maar in Vilnius voel ik nog steeds het omgekeerde. Ik heb deze stad drie jaar geleden ontdekt. Het is een levende stad die haar wezenlijke kenmerken heeft behouden: in de straten klinkt meertaligheid, de architectuur is multicultureel. En, niet onbelangrijk, er is genoeg ruimte voor de bewoners van deze stad, de Litouwers, de joodse bevolking en alle anderen.

    Men zegt altijd dat elk kind dat geboren wordt een vreemdeling is. Dat is zo, volgens mij. Toch is het mogelijk om banden te scheppen, die te koesteren en zo jezelf en je omgeving vorm te geven. Dat noem ik een kosmopolitische blik hebben op de wereld.

    Welk type mensen heeft zo’n kosmopolitische kijk op de wereld?

    Veel mensen denken dat het kosmopolitische wereldbeeld van kunstenaars of anderen niets anders is dan een romantische grotestadsblik. Alsof de rest van de mensheid hun ogen alleen richt op het asfalt. Maar dat klopt niet. Het kosmopolitisme onderscheidt zich door een bepaalde opvatting van ruimte en tijd. Het gaat voor kosmopolieten om een bron van creativiteit die hen beveelt om nooit stil te staan.

    Nieuwe ideeën worden gevormd op het moment dat je geconfronteerd wordt met een moeilijke of ingewikkelde situatie. Een ziekte bijvoorbeeld, een verlies of een ander probleem dat een schok veroorzaakt. Zulke situaties leren ons iets, maar die lessen vergeten we vrijwel meteen weer. In de kunst gebeurt het omgekeerde, het biedt de kans in het moment te zijn, ergens tussen de dood en het leven.

    Wat bedoelt u als u zegt dat Europa wordt geconfronteerd met het verlies van zijn waarden? Wat zijn de gevolgen daarvan?

    In mijn ogen heeft de redevoering die Winston Churchill in 1948 in Den Haag hield de basis gelegd voor de Europese beweging. Hij sprak toen over de tragedie van Europa. Hij waarschuwde dat de tijd kon opraken, dat zelfs als de strijd was opgehouden en de kanonnen zwegen, het gevaar bleef bestaan. Hij verdedigde het Europa dat gefundeerd was op de waarden van het christendom, de cultuur, de filosofie, de wetenschap en de geschiedenis. Met het vergroten van de Europese gemeenschap, in een streven naar een vrije markt, zijn veel van die waarden verloren gegaan.

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden

    De culturele waarden zijn onlosmakelijk verbonden met mensenrechten en met democratische waarden. De politiek besteedt er volgens u weinig aandacht aan. Welke lessen kunnen we daaruit leren?

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden. Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld.

    Tegenwoordig is het waardensysteem van de Europese Unie behoorlijk uitgehold. Wij kunnen het niet meer goed voelen. Elke man en elke vrouw op straat begrijpt dat. En als de waarden ons teleurstellen, nemen we er afstand van en gaan we op zoek naar nieuwe.

    Maar succes leert ons niets, mislukkingen zijn onze beste leraren. Zij stuwen ons naar voren. Daarom moeten we niet bang zijn onze mislukkingen te erkennen, er conclusies uit te trekken en nog harder ons best te doen.

    Ik denk dat de toekomst van de politiek afhankelijk is van de cultuur. Tegenwoordig is alles wat op Facebook, in de politiek of in Hollywood gebeurt identiek, veel staat in het teken van de zoektocht naar populariteit. Toch is cultuur altijd de kracht en de ware identiteit van Europa geweest. Jarenlang hebben verschillende volken naast elkaar geleefd, hadden verschillende talen en verschillende wereldbeelden elk hun eigen plaats.

    Nu moeten we veel te vaakhet Amerikaanse circus tot ons nemen, in plaats van Aristoteles, Charles Dickens, Dante en de anderen.

    Auteur: Kotryna Tamkuta
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Wolfgang Thöner, curator van de tentoonstelling Carl Fieger. Vom Bauhaus zur Bauakademie, in een opblaasbare replica van een huis van Carl Fieger. – © Klaus-Dietmar Gabbert / HH

    IQ
    Litouwen | maandblad | oplage 10.000

    IQ The Economist verschijnt sinds 2010 in samenwerking met het Britse weekblad The Economist. Het maandblad biedt veel vertaalde artikelen, maar ook journalistieke verhalen en commentaren geschreven door Litouwse persoonlijkheden. De slogan van de Litouwse editie luidt: ‘De traditie van intellectuele journalistiek’.

    hallberg peter

    Ulf Hallberg

    Schrijver Ulf Hallberg is geboren in Malmö, Zweden en woont sinds 1983 in Berlijn. Hij heeft onder anderen Georg Büchner, Bertolt Brecht en Frank Wedekind vertaald. Aan de Ateliers d’écritures van de Sorbonne doceert hij creatief schrijven en vertalen. In 2009 publiceerde hij het boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a father, dat in 2012 in Engelse vertaling verscheen.

  • 3. Laten we niet langer 
de boksbal van Europa zijn

    3. Laten we niet langer 
de boksbal van Europa zijn

    Hongarije en de andere Oost-Europese landen moeten niet langer 
het moreel ‘verrotte’ Westen volgen, maar een eigen koers kiezen, meent deze conservatieve chroniqueur.

    De verschillen die het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ Europa tegenover elkaar plaatsen zijn veel groter dan te verwachten was bij de val van het communisme of bij de uitbreiding van Europa in 2004. Het conflict dat voortkomt uit de migrantencrisis is nog maar het topje van een ijsberg die nog altijd aangroeit. Toch zijn er in de afgelopen vijfentwintig jaar legio samenwerkingsverbanden geweest en hebben de vroegere Oostbloklanden de enorme marktkansen soepel aangegrepen. Wat is er dan gebeurd? Antwoord: de voorstanders van geglobaliseerd geldverkeer hebben Europa systematisch verzwakt door de combinatie van verzorgingsstaat, nationaal bewustzijn en christelijke moraal die het fundament van Europa vormde, steeds verder aan te tasten. Het verlaten van de gouden standaard (1971) en de oliecrises van de jaren zeventig hebben een grote 
economische malaise veroorzaakt, waardoor de traditionele waarden zijn vervaagd. Zowel de ultraliberale genieters als de cultureel marxisten uit de Frankfurter Schule hebben hieraan meegewerkt.

    Nu is het Westen waar wij zo tegenop keken van binnenuit verrot en heeft het zichzelf verlamd door de traditionele waarden te offeren op het altaar van de links-liberale ideologie

    De ene groep verdedigde voortdurend de superioriteit van de markt, terwijl de andere pretendeerde de westerse mens te bevrijden van al die ‘ismes’ (dus ook van het patriottisme), in naam van een relativisme dat elk spoortje traditie en waarheid uitwiste. Het individualisme regeerde, voedde de studentenopstanden van 1968 en veranderde West-Europa voorgoed. Onze regio heeft die ontwikkeling lang als een voorbeeld gezien, maar nu is het tijd om een andere koers te kiezen, zodat we onze positie kunnen handhaven. Hoe? Door een solide eenheid te vormen, door mee te praten aan de tafel van de grote spelers en op te komen voor onze belangen. De verandering zal groot zijn, want Midden- en Oost-Europa hebben decennialang zonder morren de voorschriften van het Westen gevolgd, die ze als het evangelie beschouwden. Nu is het Westen waar wij zo tegenop keken van binnenuit verrot en heeft het zichzelf verlamd door de traditionele waarden te offeren op het altaar van de links-liberale ideologie. Die weg is niet de onze.

    Het Westen beschouwt zichzelf niet meer als katholiek, het gelooft niet meer in natiestaten en in nationale soevereiniteit. Het heeft het keynesianisme in de kerker gesmeten om achter de mooie rokken van de neoliberale economie aan te lopen en erkent niet langer het belang van een gezin dat berust op de 
verbintenis van een man en een vrouw. De landen van Midden- en Oost-Europa die lid van de EU zijn geworden of zich daarbij willen voegen, moeten de navelstreng met het Westen doorsnijden, maar zonder zich los te maken van de fundamentele zaken die het continent bijeenhouden. Er moet een federatie ontstaan die veel beter is dan het model van de 
EU met zijn constellatie van staten die onderworpen zijn aan het instituut. Zo’n federatie zou zich niet tegen het Westen keren, maar zich er juist op toeleggen de wortels van het verleden te redden. Midden-Europa kan zich inspannen om de waarden te redden die het zo belangrijk en waardevol vond in de tijd na de val van het IJzeren Gordijn, toen het zich opmaakte om de wereld 
in te gaan. Het kiest zijn eigen route, want dat is de enige manier om een gemeenschappelijk pad met het Westen te hervinden.

    screenshot 2018 03 21 14 18 38

    Uiteindelijk hebben wij er genoeg van om als tweederangs boksbal te dienen en alle mogelijke preken van bovenaf te incasseren. Deze regio neemt liever weer de rol van bemiddelaar op zich die haar op grond van haar verleden toekomt. Wij hebben altijd waardering gehad voor het Westen. Hongaarse politici weten precies hoe 
ze een gesprek moeten voeren met een Zweedse hoge piet of met een bureaucraat uit Brussel. Ze weten ook hoe ze de Duitsers tegemoet moeten treden en hoe ze kunnen omgaan met de beruchte prikkelbaarheid van mevrouw Merkel. Ze kennen en begrijpen ook de gevoelens en overwegingen van de Balkanlanden, van Oost-Europa of van Rusland, waarmee Hongarije veel historische lotgevallen en culturele kenmerken deelt. Wanneer de Servische premier Aleksandar Vucic op zijn Balkans een vurige omhelzing geeft aan Viktor Orbán, doet zijn Hongaarse collega tegenover hem hetzelfde, want hij kent de grote symbolische waarde van dat gebaar.

    Dat aanpassingsvermogen geeft deze regio des 
te meer geloofwaardigheid en verleent haar de noodzakelijke uitrusting om op te treden als gewaardeerd scheidsrechter tussen de twee 
partijen van het continent. Midden-Europa weet precies wat zijn plaats is. Het weet dat het geen keizerrijk is en al helemaal geen wereldmacht. Het weigert alleen om als boksbal te fungeren en wil eindelijk behandeld worden met het respect dat het verdient. Want vergeet niet: het is wel degelijk belangrijk. Met de tijd kunnen het Westen en het Oosten dat belang alleen maar erkennen.

    Auteur: Tamás Fricz
    Vertaling: Annemie de Vries

    Magyar Idők
    Budapest | dagblad | magyaridok.hu

    Dit dagblad, dat openlijk pro-Orbán is, werd in september 2015 opgericht door voormalige journalisten van Magyar Nemzet, Láncíd Rádió en HirTV, die het niet eens waren met het feit dat die media afstand hielden tot de gevestigde macht. Het noemt zich de voornaamste stem van de conservatieven in Hongarije, naast 
de conservatieve krant Magyar Hírlap.

  • 2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    Alleen in de postcommunistische landen van Oost-Europa verslaan de populisten bij verkiezingen geregeld de traditionele partijen, stelt deze Poolse socioloog vast.

    In zeven van de vijftien Oost-Europese landen zijn populistische partijen aan de macht, in twee maken zij deel uit van de regeringscoalitie en in drie vormen ze de belangrijkste oppositie. Haalden in 2000 de populistische partijen nog maar in twee landen 20 procent van de stemmen, nu is dat in tien landen gebeurd. In Polen haalden ze in 2000 slechts 0,1 procent van de stemmen, maar nu hebben ze de meerderheid in het parlement en regeert de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid (PiS). In Hongarije kon Fidesz, de partij van premier Viktor Orbán, op sommige momenten rekenen op een steun van meer dan 70 procent.

    Maar behalve naar de naakte cijfers moeten we ook kijken naar de sociale en politieke factoren die er de oorzaak van zijn dat het populisme in Oost-Europa zoveel sterker is geworden. Om te beginnen bestaat in deze regio niet de traditie van de scheiding der machten, die de westerse democratie lange tijd heeft weten te behouden. Anders dan Jaroslaw Kaczynski, voorzitter van de PiS en de facto leider van Polen, kan zelfs Donald Trump niet de beslissingen van de rechter negeren of de veiligheidsdiensten tegen de oppositie inzetten.

    Nog een belangrijk verschil is dat mensen in Oost-Europa meer naar materialisme neigen dan West-Europeanen, die de zorgen om hun fysieke welzijn veelal achter zich hebben gelaten en zich verbonden hebben met wat [de Amerikaanse politicoloog] Ronald Ingelhart ‘postmaterialistische waarden’ noemt.

    Kwetsbaarder

    Het effect is onder andere dat de Oost-Europese samenlevingen kwetsbaarder zijn voor aanvallen op abstracte liberale instituties zoals vrijheid van meningsuiting en een onafhankelijke rechtspraak.

    Dat hoeft ons niet al te zeer te verbazen. Per slot van rekening is het liberalisme een westers importproduct. Als je de fenomenen Trump en Brexit even buiten beschouwing laat, is de cultuur van het sociale en politieke liberalisme diep geworteld in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In Oost-Europa is het maatschappelijk middenveld niet alleen zwakker, het richt zich ook sterker op terreinen als liefdadigheid, religie en ontspanning dan op politieke vraagstukken. Daar komt bij dat in het buitengewoon diverse politieke landschap van de postcommunistische staten links zeer zwak is, zo niet 
geheel ontbreekt in het politieke leven.

    De demarcatielijn ligt dus niet tussen links en rechts, maar tussen goed en kwaad. Daarmee komt Oost-Europa veel dichter bij de tweedeling ‘vriend 
of vijand’ die is geformuleerd door de Duitse antiliberale politiek filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmidt. Elk kamp ziet zichzelf als de enige ware vertegenwoordiger van de natie, en vindt dan ook dat elke oppositie onwettig is en niet alleen in verkiezingen verslagen, maar ook monddood gemaakt moet worden.

    Aanhangers van de regerende, rechtsnationalistische partij Fidesz luisteren naar een speech van premier Orban. – © Getty
    Aanhangers van de regerende, rechtsnationalistische partij Fidesz luisteren naar een speech van premier Orban. – © Getty

    En er is nog een onderscheid tussen de populisten in het Oosten en hun neven in het Westen. De eersten kunnen niet alleen rekenen op de steun van de arbeidersklasse, maar ook op die van de middenklasse. Volgens een onderzoek van de Universiteit van Warschau heeft politieke overtuiging niet te maken met wie wel of niet heeft geprofiteerd van de postcommunistische economische transformatie in het land. Onder het electoraat van de regeringspartij bevinden zich veel mensen die zich tevreden voelen over hun bestaan en bepaald niet achtergesteld zijn.

    Die kiezers voelen zich aangetrokken tot het populistische gedachtengoed omdat dat hun een raamwerk biedt waarin ze hun positieve en negatieve ervaringen een plaats kunnen geven. Hebben ze zo eenmaal een doel gevonden, dan voelen de kiezers zich sterk verbonden met de partij. In plaats van zich vanuit hun persoonlijke ervaring een mening te vormen over de rechtspraak, vluchtelingen of de oppositie, luisteren ze naar hun leider en voegen ze zich in hun mening naar diens politieke keuze.

    De arbeidersklasse wordt vooral gedreven door het verlangen om bij een gemeenschap te horen

    Het succes van de PiS valt dus niet te verklaren vanuit de economische frustratie van de kiezers. De arbeidersklasse wordt vooral gedreven door het verlangen om bij een gemeenschap te horen. Hun tegenhangers uit de middenklasse zoeken hun bevrediging niet in materiële rijkdom, maar in het uitsluiten van degenen die als minderwaardig worden gezien – of het nu gaat om vluchtelingen, de verderfelijke elite of rechters die alleen de belangen van die elite dienen. Orbán en Kaczynski weten maar al te goed munt te slaan uit dat verlangen.

    Je kunt je afvragen of het uiteindelijk niet het populisme zal zijn dat de werkelijke culturele – en vervolgens politieke – grenzen van de Europese Unie zal bepalen. Als de Poolse of Hongaarse politiek dichter bij die van Rusland blijkt te liggen dan bij die van Frankrijk of Oostenrijk, betekent dat dan dat de grenzen van de EU te ver zijn opgerekt? Kan het zijn dat hun plek aan de zijde van Rusland is, en niet aan die van West-Europa? Zijn de grenzen van de EU dan op de lange termijn niet meer te handhaven? Dit zijn netelige vragen, en alleen de Oost-Europeanen kunnen ze beantwoorden.

    Auteur: Slawomir Sierakowski
    Vertaler: Annemie de Vries

    Project Syndicate
    Tsjechië | project-syndicate.org

    Website die commentaren verzamelt. Tot de medewerkers behoren prominenten uit politiek, wetenschap en zakenleven.

  • Opening Dossier: De nasleep voor het Oostblok

    Opening Dossier: De nasleep voor het Oostblok

    Hongarije, Polen, Slowakije… herkennen zich niet in de democratische waarden van het Westen en varen een eigen koers, die pessimistisch en materialistisch is.

    De Polen kiezen voor het Chinese model, en populisten verslaan geregeld de traditionele partijen. Op de oostflank van de Europese Unie kampt men nog steeds met de nasleep van de geschiedenis.

    1. De diepste kloof is die tussen Oost en West

    2. Waarom het Oost-Europese populisme 
anders is

    3. Laten we niet langer 
de boksbal van Europa zijn

    4. De Polen kiezen voor het Chinese model

    5. De Tsjechen zijn een geval apart

    6. Context: Kroaië, Kurz, minipoetins en het IJzeren Gordijn

    Beeld: Aanhangers van de Hongaarse oppositiepartij Jobbik vieren de 170e verjaardag van de opstand tegen het Habsburgse Rijk op 15 maart 2018.
 – © Marton Monus / HH

  • Mensenjagers

    Mensenjagers

    Honderdduizenden vluchtelingen proberen uit Libië naar Europa te komen. Een miljardenbusiness voor de bendes mensensmokkelaars. Een plaatselijke krijgsheer heeft de mensensmokkelaars de oorlog verklaard: met één schip, 37 mannen en ondoorzichtige motieven.

    De boot is nog maar een paar meter van ons af als het mondingsvuur van een machinegeweer oplicht in de nacht. Schoten knallen, we laten ons op de vloer van de stuurhut vallen en drukken onze gezichten in de matten. Boven onze hoofden slaan kogels in. Vanuit onze dekking aan boord van de Tileel, een patrouilleschip van de Libische kustwacht, zien we op de golven van de Middellandse Zee een rubberboot met Afrikaanse vluchtelingen. Vlak daarnaast, nog geen dertig meter bij ons vandaan, ligt een speedboot waar mannen in camouflagepakken en met maskers op hun automatische geweren op ons leegschieten.

    Donderdag, 6 april 2017, kort na middernacht. De aanval komt als een verrassing. Commander Al Bija van de Libische kustwacht was met de Tileel naar de vluchtelingen toe gesneld, die op weg waren van Libië in Noord-Afrika naar Italië, om hen uit de woelige zee te redden. Toen we hen bijna bereikt hadden dook uit de duisternis een speedboot op die als een schaduw op ons af vloog: mensensmokkelaars, vastbesloten controle over hun menselijke waar te houden.

    Gevaarlijkste grens ter wereld

    We zijn al tien dagen onderweg langs de kust van Libië, de zuidoever van de Middellandse Zee, de gevaarlijkste grens ter wereld. Volgens de Duitse regering houden zich in Libië op dat moment bijna een miljoen vluchtelingen en migranten op, waardoor het verreweg het belangrijkste doorgangsland is op de zeeweg van Afrika naar Europa. Er zouden dat jaar wel 300.000 mensen naar de Europese kust kunnen oversteken. De EU wil hen al in Libië tegenhouden.

    Op de EU-top in februari 2017 in Malta hebben de regeringsleiders van de lidstaten een overeenkomst met Libië gesloten: de Libische kustwacht moet de Middellandse Zee afsluiten, de vluchtelingen opvangen en hen in opvangkampen in Libië onderbrengen. Die kustwacht bestaat ten westen van de hoofdstad Tripoli, waar een groot aantal bolwerken van de mensensmokkelaars ligt, uit één enkele boot en 37 man. Hun leider is commander Al Bija, een gevreesd krijgsheer.

    Al Bija, dertig jaar, heeft een verminkte hand die hij gebruikt als een klauw. ‘Ik heb een heleboel mensen moeten doden,’ zegt hij. En hij is dol op paarden. Drie jaar heeft hij in Berlijn gewoond. Voor de een is hij een held, voor de ander een misdadiger of zelfs een moordenaar. En voor de politieke leiders van Europa is hij hier in het westen van Libië, dit desolate land zonder centrale regering, leger of politie, de enige kans om een eind te maken aan het werk van de mensensmokkelaars.

    Als wij tijdens de aanval op de Tileel gehurkt op de vloer zitten, rent de commander onder een regen van kogels over het dek, schiet op de aanvallers, geeft zijn mannen dekking en schreeuwt bevelen. Om hem heen slaan de kogels van de mensensmokkelaars in de romp. Ramen gaan aan diggelen. Explosies. Geschreeuw. Mannen storten neer en blijven roerloos liggen.

    Minutenlang gaat het schieten door. Dan is het opeens stil en klotsen alleen de golfjes van de nachtelijke zee nog tegen de boot.

    Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)
    Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)

    ‘Niemand kan om ons heen,’ zegt commander Al Bija vier dagen eerder in zijn commandopost, een kleine ruimte met een groot raam dat uitziet over de haven van Zawiyah, zo’n vijftig kilometer ten westen van Tripoli. Aan de andere kant van de kademuren breken de golven van de Middellandse Zee op de okerkleurige rotsen. Al Bija − achterovergekamd haar, dichte baard, doordringende blik en een pistool in de zwartleren riem van zijn spijkerbroek − houdt een sigaret tussen de ringvinger en pink van zijn verminkte hand geklemd. Hij laat zijn aansteker klakken en zuigt de rook diep zijn longen in. Op de banken zitten zijn mannen met hun kalasjnikovs. ‘Wij zijn de enige functionerende kustwacht in het westen van Libië.’ Al bijna twee jaar controleert Al Bija met de zestien meter lange Tileel, een paar rubberboten en zijn kleine troep de kustwateren vanaf de Tunesische grens tot voorbij Janzur, vlak voor Tripoli. Een territorium bijna dertig keer zo groot als de Bodensee. ‘Onze missie,’ zegt Al Bija, ‘is vluchtelingen van de verdrinkingsdood te redden en mensensmokkelaars op te sporen en zo nodig om zeep te helpen.’

    Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht

    Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht. Alleen op 18 maart 2016 al, op één dag, hebben ze in totaal 2700 mensen uit twaalf rubberboten en een grote houten boot gered. Het Libische ministerie van Defensie bevestigt de getallen.

    Al Bija laat ons op zijn telefoon een video zien: zielsgelukkige Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die van de verdrinkingsdood zijn gered, dansen voor de commandopost in de haven van Zawiyah met zijn mannen. Op Facebook hebben ze geschreven: ‘Aan de helden van Zawiyah, zonder jullie was ik nu dood’. Of: ‘God zal het jullie duizendvoudig lonen’. Of ‘Jullie hebben mijn baby uit zee gered, mijn leven behoort jullie toe’.

    Is commander Al Bija dus de bondgenoot waar Europa zo dringend naar op zoek is? Merkels man in Libië? Ook Angela Merkel heeft er op de top in Malta mee ingestemd de Libische kustwacht aan land en op Europese oorlogsschepen te trainen in bewapende grensbewaking en de omgang met vluchtelingen. Om een eind te maken aan de handel van de mensensmokkelaars heeft Italië 200 miljoen euro beschikbaar gesteld en de Europese Commissie in de eerste fase nog eens 200 miljoen euro.

    ‘Training hebben we niet nodig,’ zegt Al Bija in zijn commandopost in de haven van Zawiyah. ‘We weten wel hoe je moet navigeren, vechten en doden.’ Wat wil hij dan? ‘Als Europa wil dat wij de rotklusjes opknappen, dan moet Europa ons daarvoor betalen.’ En de prijs van zijn diensten: ‘Een reddingsboot voor duizend mensen, speedboten, onderdelen, brandstof en soldij.’

    Hoort de commander echt tot de ‘good guys’, zoals hij zelf beweert, of speelt hij dubbel spel?

    Geen alternatief voor Europa

    Een alternatief voor Al Bija is er voor Europa op dit moment niet. Zes jaar na de val en de dood van de Libische dictator Moammar al-Gaddafi tijdens de internationale militaire ingreep in 2011, is de euforie over de Arabische Lente allang vervlogen. Bijna niemand in Libië hoopt nog op een overgang naar democratie. De volksbrigades die onder gejuich van de westerse wereld tijdens de revolutie werden opgericht, hebben na de val van Gaddafi hun wapens niet neergelegd, maar militaire arsenalen geplunderd, lege ministeries bezet en milities opgebouwd.

    De regering van nationale eenheid, waar de EU met haar plannen op steunt, heeft nauwelijks controle over Libië. Minister-president Fayez al-Sarraj, aangesteld door de Verenigde Naties en sinds 15 maart 2016 in functie, moet de nieuwe staat opbouwen. Maar het parlement, dat bijeenkomt in Tobroek, duizend kilometer oostelijk van Tripoli, heeft zijn eenheidsregering niet erkend. In het oosten van het land weigert de machtige generaal Haftar met hem samen te werken. En de terreurorganisatie Islamitische Staat heeft verschillende steden veroverd.

    Experts schatten dat in deze ondoorzichtige burgeroorlog in Libië zo’n 1700 militante groeperingen met elkaar strijden, langs grenzen van clans, stammen en geloof en in de territoria van plaatselijke krijgsheren. Rivaliserende milities controleren steden, grote wegen, raffinaderijen en olievelden. En de lucratieve handel in mensen die de Middellandse Zee willen oversteken.

    ‘Die EU-lui zitten achter hun chique bureaus allerlei prachtige dingen te verzinnen,’ zegt Al Bija terwijl hij ons zijn basis laat zien, een rotsige baai waarvan toegangen en havenmuren streng worden bewaakt. Aan boord van de Tileel zijn mannen bezig een zwaar machinegeweer te oliën. ‘De kust van West -ibië is de “moeder van alle stammen en clans”,’ verklaart Al Bija. Een wereld die afgesloten is voor buitenstaanders, zelfs voor Libiërs die hier niet vandaan komen. ‘Wie hier niet geboren en getogen is, overleeft hier niet.’

    Om de kust van mensensmokkelaars te bevrijden zijn honderden goed getrainde mannen nodig, zegt Al Bija. Maar wie moet die mannen uitkiezen? De zwakke eenheidsregering in Tripoli? De EU? ‘Ik,’ zegt de commander, ‘alleen ik ken de goeie mensen.’

    Over zijn achtergrond vertelt hij dit. Door de revolutie in 2011 moest Al Bija zijn studie aan de militaire academie in Tripoli beëindigen. Hij sloot zich aan bij de rebellen tegen Gaddafi, raakte negen keer zwaargewond en verloor bij een granaataanval twee vingers van zijn rechterhand. Hij trekt met zijn linkerbeen en zijn bekken zit scheef. Als hij denkt dat niemand het ziet, slikt hij pijnstillers.

    In de zomer van 2015 zat deze zoon van een voormalig legerofficier, die eigenlijk Abdurahman Salem Ibrahim Milad heet en Al Bija als geuzennaam voert, met zijn kameraden uit de revolutie in een café in het gebombardeerde Zawiyah. Gaddafi was al vier jaar dood, Libië een mislukte staat. Werk was er niet. Perspectief ook niet. Toen kreeg hij een idee: ‘Waarom doen we niet iets groots en nemen we de haven over?’

    Zijn vriend Mohamed Ramadan, dertig, is vergroeid met zijn machinegeweer. Ramzi Ibrahim met zijn jongensgezicht en blinkend witte tanden, zesentwintig, kan het met zijn kalasjnikov tegen iedere scherpschutter opnemen. Mohamed Erhouma, een visserszoon van dertig, kent de Libische wateren vanaf zijn vroegste jeugd en is een getalenteerd stuurman. En Mohamed Shkoundali kan met zijn magische vingers ieder apparaat weer aan de gang krijgen. Hij is met zijn vijfendertig jaar de oudste van het groepje.


    Samen hebben ze op die zachte, vroege zomerdag van 2015 hun wapens gepakt en een vijandige militie na een bloedige strijd uit de haven verdreven. Ze richtten de commandopost in en brachten de gehavende Tileel, een zestien meter lang patrouilleschip met boordgeschut op de boeg, weer in de vaart. Ze creëerden een eigen embleem, verleenden zichzelf militaire rangen, noemden zich de ‘Libische kustwacht van Zawiyah’ en voeren de Middellandse Zee op.

    Hun zelfverklaarde vijand: de mensensmokkelaars. De Verenigde Naties gaan ervan uit dat er langs de Libische kust tientallen bendes zijn die zich hebben georganiseerd in een netwerk. Ze houden vluchtelingen en migranten die geen geld voor de overtocht hebben vaak maandenlang vast in privégevangenissen, waar geslagen, verkracht, gemarteld en gemoord wordt. In een recent openbaar geworden intern rapport van de Duitse ambassade in Niger wordt gesproken van concentratiekampachtige toestanden.

    Een van de machtigste smokkelaars in het westen van Libië zou een man van nog geen dertig uit Sabratha zijn. ‘Ahmed Dabbashi, VIP-reisjes naar Europa,’ zegt Al Bija. ‘Goede schepen met sterke motoren, geëscorteerd door zijn eigen militie. Aankomst in Italië gegarandeerd.’ Het grootste schip van Dabbashi hebben ze op 5 juli 2016 tegen vier uur ’s morgens opgebracht. ‘We hebben meer dan tien man uitgeschakeld, het escorte tot zinken gebracht en zeshonderd Afrikanen teruggebracht.’ Van toen af aan wist iedereen in Libië: ‘We don’t fuck around,’ zegt Al Bija.

    Waarom riskeert Al Bija zijn leven? ’Ik heb een goed hart,’ zegt hij, terwijl hij een hand op zijn borst legt. ‘Moet ik mijn broeders soms op zee laten verdrinken?’

    En waarmee verdienen ze hun geld? Hij is paardenhandelaar, zegt Al Bija. Zijn kameraden winkelier, aannemer, monteur. ‘Een groot deel van ons inkomen gaat in onze operaties zitten.’ Later zegt hij dat ze driehonderd dagen per jaar op zee zijn.

    En hoe geeft hij zijn gezin echt te eten? ‘We nemen illegale vissersschepen uit Egypte en Tunesië in beslag, verkopen de vangst en leggen ze aan de ketting tot de eigenaars een boete hebben betaald.’

    Maar hij bestrijdt toch vooral mensensmokkelaars? Waarom? ‘Hun clans verdienen er miljoenen aan. Daar kopen ze moderne wapens, kogelvrije auto’s en tanks voor. Als wij er geen eind aan maken, zullen ze uiteindelijk ons overheersen, verdrijven en vermoorden.’

    En hier, in dit schimmige rijk van krijgsheren, milities en georganiseerde mensensmokkel, wil de EU ‘grensmanagement’ bedrijven om een halt toe te roepen aan de toestroom uit Afrika. Maar is een warlord als Al Bija wel de juiste partner om, op de loonlijst van de EU, op de Middellandse Zee op vluchtelingen te jagen? Want zo veel is wel duidelijk: de commander heeft de controle over een enorm gebied, dat aan de staat is ontglipt, met wapengeweld overgenomen. Zijn macht is niet politiek gelegitimeerd, maar door de gevechtskracht van zijn troep.

    Centrum van de macht

    In een kogelvrije terreinauto, met zijn kalasjnikov naast zich op de grond, rijdt Al Bija met ons het betwiste achterland van Zawiyah in waar hij ons iets wil laten zien. We laten de door iedereen verlaten stadsrand, de kapotgeschoten gevels en de granaattrechters achter ons. Bij checkpoints patrouilleren jongemannen in bomberjacks en legerbroeken, met spiegelende zonnebrillen en machinepistolen, op hun pick-ups hebben ze luchtafweergeschut en raketwerpers gemonteerd.

    Na een halfuur bereiken we een afgelegen hoeve. Achter een ijzeren poort opent zich een andere wereld. In goedverzorgde stallen staan prachtige paarden. Twee omheinde stukken land met netjes aangeharkt zand, weilanden, een overdekte manege in aanbouw. In een kleine villa met gestucte plafonds en beschilderde muren ruikt het nog naar verf. Steeds meer gepantserde terreinwagens met schietgaten in de geblindeerde ramen komen binnengereden. Mannen met sluwe koppen, gouden kettingen en lijfwachten stappen uit. ‘Als er problemen zijn tussen clans en stammen,’ zegt Al Bija, ‘dan worden die hier geregeld.’ Nu begrijpen we het: we bevinden ons in het centrum van de macht.

    Hij trekt zijn schoenen uit, loopt op blote voeten door het zand en haalt een van zijn paarden uit de stal. Jodran, de Moedige, is een grijze hengst met welgevormde spieren. Hij wordt een paar keer per dag geroskamd. Al Bija’s ogen stralen als hij hem een rode singel en rode beenbeschermers aan doet.

    Wat kost een hengst als Jodran? ‘Vijftigduizend dollar!’ Allemaal van in beslag genomen vissersboten? Al Bija neemt het pistool uit zijn riem en geeft het aan een van zijn mannen. Dan springt hij in het zadel en rijdt weg.

    Tussen eucalyptus- en vijgenbomen, langs een verlaten weg ergens tussen de chaotische fronten van de burgeroorlog, rijden even later de vorsten van de clans stapvoets naast elkaar. Het is een demonstratie van geslotenheid naar buiten toe, een choreografie van de mistige allianties in de Libische oorlog. Dan maken ze plotseling rechtsomkeert, geven hun paard de sporen en jagen ieder voor zich de horizon tegemoet. Ver voor de anderen uit: commander Al Bija.

    Waarom laat hij ons dit allemaal zien? In de late namiddag zitten we samen in het zand. Al Bija maakt muntthee boven een open vuur. We drinken uit een glas dat de mannen elkaar doorgeven en dat steeds wordt bijgevuld. Waarom? ‘Om iets terug te doen voor de Duitsers.’ Zwaargewond tijdens de revolutie, werd hij in 2012 naar Berlijn gevlogen, waar de chirurgen in het St. Marienkrankenhaus zijn schotwonden hebben geopereerd, de wonden van huidtransplantaties hebben voorzien en aan wat er van zijn rechterhand over is de stompjes van de vingers die er door de granaten van Gaddafi waren afgerukt hebben geamputeerd. Drie jaar heeft Al Bija in Duitsland doorgebracht, en overal werd hij met respect behandeld. ‘En de Duitse vrouwen: beeldschoon,’ zegt hij. Tegen onze tolk spreekt hij Arabisch: het Duits is hij verleerd, maar één woord kent hij nog: ‘Broeders,’ noemt hij ons terwijl hij ons op de schouder slaat.

    Waarom is hij niet in zijn huisje aan de Ernst-Reuter-Platz in Berlin-Charlottenburg gebleven? Waarom is hij in de zomer van 2015 teruggegaan naar een land dat ondertussen in een burgeroorlog was terechtgekomen? ‘Vader. Moeder,’ zegt Al Bija. ‘Familie, clan, stam.’ In Libië kun je je niet gewoon terugtrekken uit de oorlog. Het gaat om meer dan je eigen leven. ‘Verantwoordelijkheid. Eer.’

    Migranten proberen van een zinkende rubberboot op een boot van de kustwacht van Libië te komen. De foto werd vrijgegeven door hulporganisatie Sea-Watch. – © Lisa Hoffmann / Sea-Watch via AP
    Migranten proberen van een zinkende rubberboot op een boot van de kustwacht van Libië te komen. De foto werd vrijgegeven door hulporganisatie Sea-Watch. – © Lisa Hoffmann / Sea-Watch via AP

    Maar er zijn zware beschuldigingen tegen Al Bija ingebracht. Als we weer terug zijn in de commandopost, lezen we voor van TRT World, een van de vooraanstaande Turkse nieuwssites in Istanboel. 22 februari 2017: ‘Al Bija is de grootste speler in de kustwachtmaffia, en hij heeft de lucratieve mensensmokkel in Zawiyah en aangrenzende kuststreken stevig in zijn greep.’

    Al Bija kijkt duister. Zijn mannen kijken op van hun telefoons. ‘Alle mensensmokkelaars ten westen van Tripoli betalen Al Bija een percentage’, zegt het artikel. Wie weigert wordt door de commander aangepakt met de Tileel.

    Experts als de Italiaanse journaliste Nancy Porsia, die al jaren verslag doet uit Libië, weten het zeker: ‘De kustwacht van de Libische marine neemt deel aan de mensenhandel.’ Kolonel Tarek Shanboor, die op het ministerie van Binnenlandse Zaken van de eenheidsregering in Tripoli werkt, moet toegeven: ‘We hebben mensensmokkelaars in onze rangen, dat is een ernstig probleem.’

    Als Europa in deze omstandigheden de Libische kustwacht zou versterken, doet het precies wat het niet moet doen, waarschuwt Frank Dörner van de Duitse hulporganisatie Sea-Watch. In plaats van mensensmokkelaars te bestrijden loopt het EU-actieplan gevaar dat het het tegendeel bewerkstelligt: ‘Het maakt een gewelddadige escalatie op het water waarschijnlijker. Daardoor wordt de situatie voor de vluchtelingen nog gevaarlijker.’ Commander Al Bija legt zijn verminkte hand op tafel. ‘Allemaal leugens die door de mensensmokkelaars de wereld in worden gebracht,’ zegt hij bedrieglijk rustig. Als zijn kustwacht uit de weg is, zouden ze vrij baan hebben met hun smerige handel.

    Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is

    Al Bija en zijn mannen brengen de Afrikanen die ze in de boten van de smokkelaars op de Middellandse Zee onderscheppen onder in speciale kampen van de door de VN gesteunde eenheidsregering. Zoals de EU ze volgens de akkoorden van Malta in de toekomst in heel Libië heeft gepland. In het kamp in Surman, met de auto een half uur ten westen van Zawiyah, zitten in een hal met roestige, getraliede ramen meer dan tweehonderd vrouwen op de grond gehurkt, veel van hen met baby’s. Met hun knieën tegen hun borst gedrukt, hun hoofddoek voor het gezicht, hun ogen strak op hun voeten gericht. Niemand durft zich te bewegen. Zelfs geen gefluister is te horen.

    Pas als de bewaker, een man in camouflage-uniform met een verwaarloosde baard, roodomrande ogen en een alcoholwalm, even naar buiten gaat, vat een jonge vrouw moed om met ons praten. Ze komt uit Nigeria en zit hier al meer dan tien maanden gevangen, zonder enig contact met de buitenwereld.

    Niemand weet waar ze zich bevindt, haar familie denkt vast dat ze dood is.

    Ze gaat op haar knieën voor ons zitten en vouwt smekend haar trillende handen. ‘Ze verkrachten ons,’ fluistert ze en laat haar armen zien, die onder de blauwe plekken zitten, je kunt de afzonderlijke vingerafdrukken zien. ‘Help ons, alstublieft.’ Ze tilt haar doek op. Tussen haar benen zit het trainingspak tot aan haar knieën onder het bloed. Wie heeft dat gedaan? ‘Allemaal. De een na de ander.’ De bewaker kom terug. Ze zwijgt en kijkt ons smekend aan. We voelen haar machteloosheid. We kunnen niets voor deze vrouwen doen. Integendeel: één verkeerd woord van ons, denken we, en ze zouden het zwaar moeten bekopen. Misschien met hun leven.

    Buiten wacht kolonel Ibrahim Ali Abdusalam, directeur van het vrouwenkamp in Surman. Officieel valt hij onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar in werkelijkheid wordt het kamp gecontroleerd door lokale milities. ‘Ziet u hoe stil ze zijn,’ zegt hij glimlachend. ‘Dat betekent dat ze het hier goed hebben.’

    Waarom houdt hij de vrouwen maandenlang onder deze verschrikkelijke omstandigheden vast? ‘Europa wil de vrouwen niet hebben,’ zegt hij rustig en zonder lang te hoeven nadenken, ‘Oké, dan houden we ze hier.’ Maar het is de hoogste tijd dat Europa eindelijk voor hen gaat betalen. ‘Mobiele toiletten en douches, schommels en glijbanen, tampons, luiers, babymelk.’

    Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is. Langzamerhand is ook tot Surman doorgedrongen dat Europa de grensbewaking naar Libië wil verplaatsen en daar op grote schaal in wil investeren. De Libische kustwacht moet de vluchtelingen en migranten die ze hebben opgevangen in de toekomst ‘in adequate opnamefaciliteiten afleveren’, zegt het actieplan van Malta. Libië moet voor deze mensen zorgen en een administratief apparaat opbouwen zodat ze conform de volkenrechtelijke procedures asiel kunnen aanvragen. Degenen die worden erkend kunnen ‘in contingenten’ over de Europese landen worden verdeeld. Degenen die worden afgewezen zal de EU bij de ‘vrijwillige terugkeer naar hun vaderland’ ondersteunen.

    De hulporganisaties lopen tegen dit plan te hoop. ‘Zolang vluchtelingen en migranten in Libië worden blootgesteld aan gevangenis, mishandeling, ontvoering en verkrachting, is de reis over de Middellandse Zee voor velen hun enige hoop om aan die hel te ontsnappen,’ verklaart Markus Beeko van Amnesty International Duitsland. ‘Aan de zware vergrijpen tegen de mensenrechten bij vluchtelingen en migranten in Libië moet een eind komen voor de EU-samenwerking een overweging kan maken.’ De organisatie PRO Asyl schrijft in een open brief aan Angela Merkel over een ‘dieptepunt in de Europese vluchtelingenpolitiek.’ Al eerder werd Libië een door Europa gefinancierde vluchtelingengevangenis, en wel in 2010, toen de EU betrokken was bij een deal tussen de Italiaanse minister-president Silvio Berlusconi en Moammar al-Gaddafi, waarbij die eerste Gaddafi, die vanwege zijn steun aan het internationale terrorisme al in de jaren zeventig vogelvrij werd verklaard, vijftig miljoen euro in het vooruitzicht stelde als hij vluchtelingen en migranten tegenhield.

    Gaddafi liet er destijds geen misverstand over bestaan: zonder hem zou Europa door de illegale migratie ‘zwart kleuren’. In opdracht van Europa liet hij de mensen die op de Middellandse Zee werden opgepakt naar Libië terugbrengen en hield hij ze voor onbepaalde tijd vast in gevangenkampen, zonder te onderzoeken of ze aanspraak konden maken op asiel. Ook toen al stelden mensenrechtenorganisaties de klappen, seksuele mishandeling en marteling aan de kaak.

    24 interneringskampen

    Volgens de Verenigde Naties exploiteert de Libische eenheidsregering vierentwintig interneringskampen voor migranten, veel ervan nog uit de tijd van Gaddafi. Europa wil van de bestaande infrastructuur gebruikmaken en er menswaardige opvangkampen van maken. Niet-acceptabele kampen moeten worden gesloten. Hoe de EU de milities ertoe wil brengen hun kampen op te geven is onduidelijk.

    ‘Ze laten ons hier wegrotten,’ fluistert een man in een cel in het kamp van Annas, dat in een voormalige bandenfabriek in Zawiyah is gevestigd. Door het piepkleine kijkgaatje in de ijzeren deur kunnen we alleen het wit van zijn ogen zien. Een bijtende stank slaat ons tegemoet. Dan wordt er een lucifer aangestoken, steeds meer doodsbange gezichten lichten op in het duister, naakte bovenlijven vol met huidziekten en wonden.

    Dicht op elkaar hurken de mannen op de grond. Omdat de cel te klein is om zich uit te kunnen strekken, slapen ze zittend. Er is geen douche, geen toilet. Ze urineren onder een deken in waterflesjes die ze eerst hebben leeggedronken. Hun stoelgang doen ze in plastic zakjes.

    De man achter het kijkgaatje van de cel heet Mohamed Moseray. Hij is vijfentwintig, een informaticastudent uit Sierra Leone. Hij draagt nog hetzelfde trainingspak, onder de zoutkorsten, dat hij aanhad toen hij weken geleden half verdronken uit de Middellandse Zee werd opgevist. De huid eronder is aangevreten door benzine die door de lekgeslagen boot stroomde. Hij vertelt dat hij zijn studie in Sierra Leone moest afbreken omdat hij er geen werk naast kon vinden en zijn familie hem niet kon onderhouden. Hij had gewoon geen toekomst meer. ‘Mijn grote droom is om af te studeren,’ zegt Moseray, hij begint te trillen en te huilen, maar vermant zich. ‘Daarom wil ik naar Italië, en dan verder naar Canada.’ Daar betaalt de regering zijn studie.

    Na een odyssee van vijf jaar dwars door West-Afrika en de Sahara, vertelt Moseray, duwden Libische smokkelaars kort na middernacht op 19 maart 2017 de rubberboot die hem naar Italië zou brengen de Middellandse Zee in. Meer dan honderdvijftig mensen moesten er van de mensensmokkelaars in. ‘Wie niet instapt, schieten we dood.’ Ze waren nog geen twee uur op zee toen de boot omsloeg.

    ‘Geschreeuw, gebeden, mensen, overal in het water, zwangere vrouwen, kinderen, baby’s. En niemand kon zwemmen!’ Hij somt zijn vrienden op: ‘Mohamed Focus Diallo, verdrinkt. Amadou Melodiba, verdrinkt. Mohamed Bah, verdrinkt.’ De een na de ander zag hij naast zich onder water verdwijnen.

    Wat daarna gebeurde, weet Mohamed Moseray niet meer. Hij herinnert zich alleen het schip dat kort na zonsopgang op hen afkwam. En de hand die zijn redder hem toestak. ‘Als een klauw,’ zegt Mohamed Moseray. ‘Hij miste een paar vingers.’

    Een detentiecentrum in Tripoli, Libië. Hier worden illegale migranten vastgehouden. – © Florian Gaertner / Photothek via Getty Images
    Een detentiecentrum in Tripoli, Libië. Hier worden illegale migranten vastgehouden. – © Florian Gaertner / Photothek via Getty Images

    Tegen tien uur ’s avonds gaan we aan boord van de Tileel, met een tiental zwaarbewapende mannen in camouflage-uniformen, de klittenbandsluitingen strak onder hun kin. Commander Al Bija heeft van zijn spionnen een tip gekregen: op het strand van Sabratha, een stad vlak in de buurt, hebben mensensmokkelaars in deze stormachtige nacht een rubberboot vol mensen op weg naar Europa gestuurd.

    De mannen drukken patronen in het magazijn van hun kalasjnikovs, leggen granaatwerpers naast zich op de bank en een patroonband in het zware machinegeweer op de boeg. Redden betekent voor hen steeds vaker vechten. Doordat ze met de Tileel langs de kust cruisen wakkeren ze de geweldspiraal aan. Want steeds meer bendes gaan ertoe over hun menselijke vracht bewapend te escorteren.

    De oversteek naar Italië kost op het ogenblik ongeveer 2500 dollar per persoon. Als je dit bedrag omrekent voor de 181.000 mensen die in 2016 naar Italië zijn overgestoken, en voor de meer dan 5000 mensen die bij hun poging zijn verdronken, dan hebben de Libische mensensmokkelaars in 2016 ongeveer 450 miljoen dollar binnengekregen.

    Het bedrag moet weliswaar van tevoren worden betaald, maar toch: als je je vracht verliest aan de Tileel, is dat slecht voor de zwaarbevochten handel. Want degenen die op zee worden opgepakt en teruggebracht naar Libië, zullen in de wijdvertakte netwerken langs de Afrikaanse migratieroutes hun smokkelaars sterk afraden. Vanuit het gezichtspunt van de laatsten is het minder erg als hun klanten in de Middellandse Zee verdwijnen. Of niet meer te identificeren zijn als ze op een strand aanspoelen.

    Zonder boordverlichting, als een spook, vaart de Tileel de haven van Zawiyah uit en iets later breekt hij door de hoge branding, de Middellandse Zee op. Schuim spat op aan de boeg. Windvlagen rukken aan de stuurhut. ‘Als we ze niet vinden, zijn ze dood,’ zegt commander Al Bija aan het roer.

    In Libië, waar het erom gaat te overleven, speelt niemand open kaart. Wat Al Bija’s agenda ook mag zijn, aan boord van de Tileel vermoeden we uiteindelijk dat wij er ook een plaatsje in hebben. Wil hij uit het verhaal dat we over hem zullen schrijven als een waardige partner van Europa naar voren komen? En ons nu bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk is?

    Al Bija vertelt dat zijn deal met de EU in volle gang is. Vlak voordat wij aankwamen heeft hij in Tunis met Engelse diplomaten gesproken. De Spaanse regering heeft hem uitgenodigd naar Madrid te komen. Waar die gesprekken over gaan? ‘Geheim!’ Toch maakt hij ons deelgenoot van een paar van zijn eisen: ‘Een levens- en ziektekostenverzekering voor mij en mijn mannen. En visa voor een relaxvakantie van twee weken in Europa.’

    Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot

    Koers Noordnoordwest. 18 knopen. De lichtjes van de kust zijn ver weg, boven het pikzwarte water staat de halve maan bijna recht boven ons als op het radarscherm iets oplicht. Gespannen dringen de mannen rond commander Al Bija. De ramen van de stuurhut beslaan van hun adem, met hun vingers gaan ze over het radarscherm alsof ze daarop kunnen voelen wat ons buiten te wachten staat. Een halfuur lang koersen we op het signaal af. Dan ziet de infraroodcamera op de boeg een boot, ongeveer 400 meter voor ons. Commander Al Bija bestudeert het silhouet op de monitor. ‘Een rubberboot,’ zegt hij tenslotte met nauwverholen triomf in zijn stem

    Al Bija kijkt veelbetekenend om naar ons. Tot aan het eind komen we er niet achter wie de commander echt is: de man die in Berlin-Charlottenburg genas om terug te gaan naar Libië en met een gekaapt schip en een paar mannen de kustwateren te veroveren. Vaststaat alleen dat hij in het door oorlog ontwrichte Libië een gaatje heeft gevonden om geld te verdienen met het redden van vluchtelingen.

    De belangrijkste pijlers onder de EU-afspraken met Libië wankelen. De kustwacht zit vol dubieuze figuren. En wat die veilige opvangkampen betreft: op dit moment zijn het niet meer dan door de milities gemanagede pakhuizen vol weerloze mensen, waardevolle assets in de oorlog om Libië en om de Europese miljoenen.

    ‘Snelle oplossingen zijn er niet,’ zegt Martin Kobler, de Duitse speciale VN-ambassadeur voor Libië. ‘We moeten doen wat we kunnen om Libië te stabiliseren.’ Dan zouden veel mensen in plaats van in boten te klimmen in het olieland blijven om daar, net als vroeger onder Gaddafi, te gaan werken. En de mensensmokkelaars zouden maar weinig klanten hebben.

    De honderdvijftig mensen die nu in het zicht van de Tileel in de volgepakte opblaasboot tegen metershoge golven vechten, hebben niets aan langetermijnoplossingen. Als we ze bijna bereikt hebben, komt uit de nacht een raceboot op ons afgesneld. De smokkelaars openen het vuur en wij laten ons op de vloer vallen.

    Commander Al Bija rent door de kogelregen, schiet terug, trekt een gewonde uit het schootsveld en kruipt naar ons toe. Met zijn verminkte hand tikt hij ons op de schouder. Leven we nog? Hij kijkt alsof het succes van zijn missie daarvan afhangt.

    Opeens is het stil. Voorzichtig tillen we ons hoofd op. Met een pikhaak trekken Al Bija en zijn mannen de raceboot dichterbij. Drie smokkelaars zijn neergeschoten, twee van hen zijn zwaargewond.

    ‘Geloven jullie ons nu?’ schreeuwt de commander. ‘Geloven jullie nu eindelijk dat wij niet bij hen horen?’ We weten het niet zeker. Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot.

    Als versteend zitten ze in het licht van onze zaklantaarns. Geen van hen lijkt gewond te zijn. De vrouwen hebben hun handen gevouwen in gebed. Huilende kinderen begraven hun hoofd in de jas van hun moeder. Het zou uren duren om ze terug te slepen naar de haven. De mensensmokkelaars hebben via hun satelliettelefoons hun basis op de hoogte gebracht. Tegen hun vloot van zwaarbewapende raceboten heeft de Tileel geen schijn van kans.

    ‘Te riskant,’ zegt commander Al Bija terwijl hij de boot met zijn voet wegduwt. Het water staat tot aan hun knieën. Waarom neemt hij niet een paar van hen aan boord? In elk geval de kinderen? In plaats van te antwoorden vaart Al Bija met volle kracht terug naar Zawiyah. De mensen in de rubberboot drijven weg en verdwijnen in de duisternis.

    Tekst: Michael Obert
    Vertaling: Izaak Hilhorst

    Michael Obert en Moises Saman zijn al vaker onder vuur komen te liggen in crisisgebieden. Maar niet midden in de nacht op een boot op de Middellandse Zee. Aan land kun je je in elk geval gecontroleerd terugtrekken, op de Tileel konden ze alleen op de vloer blijven liggen en hopen. Hun tolken Salah Almorjini en Moises Saman bleven ongedeerd, Michael Obert brak toen hij tijdens de aanval struikelde een paar ribben.

    Süddeutsche Zeitung Magazin
    Duitsland | weekblad | oplage 445.000

    Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 131: De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?
  • Macedonië, pas je naam aan en word lid van NAVO en EU

    Macedonië, pas je naam aan en word lid van NAVO en EU

    Het geschil over de naam ‘Macedonië’ vergiftigt nu al bijna dertig jaar de betrekkingen tussen Athene en Skopje. Maar volgens de Kroatische krant Jutarnji List is er een compromis in zicht.

    In de ‘namenoorlog’, waarin 
Griekenland en Macedonië tegenover elkaar staan, gebeuren soms grappige dingen. Zo heeft Griekenland Macedonië ooit gewaarschuwd voor 
‘de territoriale pretenties van Skopje’ (de naam die de Grieken gebruiken om Macedonië aan te duiden, als ze het VN-acroniem FYROM niet gebruiken: the former Yugoslav Republic of 
Macedonia). Een Macedonische minister reageerde prompt met de opmerking dat zijn land maar over een paar 
helikopters beschikt, die bovendien geschonken zijn door Griekenland, 
een NAVO-lidstaat. En met die paar helikopters wordt het land geacht 
zich te beschermen tegen een aanval.

    Een andere keer wilde een Griekse minister bij een bezoek aan het buurland niet landen in Skopje, omdat de luchthaven daar de naam ‘Alexander de Grote’ draagt. Hij landde liever op de luchthaven Adem-Jashari van Pristina, de hoofdstad van Kosovo, een staat die Griekenland niet erkent, terwijl die luchthaven de naam draagt van de stichter van het UCK (het bevrijdingsleger van Kosovo). De minister in kwestie werd vervolgens van Pristina met de auto naar Skopje gereden.

    Tijdens debatten in Brussel maken sommige leden van het Europese 
Parlement graag grapjes over het geschil rond de naam Macedonië. Ze vragen zich dan af hoe de burgers van het land Fyrom eigenlijk moeten worden genoemd. Fyromiërs? Fyromenzen? Fyromezen? Dat klinkt de Macedoniërs als een diepe belediging in de oren.

    Oplossing

    Macedonië is het enige land dat is 
ontstaan uit de voormalige Republiek Joegoslavië dat geen grensgeschil heeft met buurlanden. Maar het geschil 
tussen Skopje en Athene over de naam duurt al bijna dertig jaar. En hoewel het gaat om een geschil tussen twee staten, betaalt alleen Macedonië hiervoor een prijs. Macedonië heeft jaren verloren in het toetredingsproces tot de NAVO en de EU. Achtentwintig jaar geleden lag het land ver voor op Kroatië. Het was het eerste voormalige Joegoslavische land dat in aanmerking kwam voor EU-programma’s en een stabilisatie- en associatieovereenkomst sloot met ‘Brussel’. Het land was ook het eerste op de westelijke Balkan dat een vredespartnerschap sloot, een samenwerkingsprogramma van de NAVO. Maar inmiddels heeft Kroatië, dat vijf jaar geleden eveneens een partnerschap sloot met de EU en negen jaar geleden tot de NAVO toetrad, het land ruim ingehaald. Macedonië is zelfs ingehaald door Albanië en heeft grote achterstand opgelopen ten opzichte van Servië en Montenegro. Zonder de Griekse blokkade zou Macedonië ongetwijfeld allang zijn toegetreden tot de NAVO en de EU, en zouden de etnische problemen die verband 
houden met de status van de Albanezen in het land op de achtergrond zijn geraakt. De vertraagde Euro-Atlantische integratie heeft het ongenoegen van de Albanezen van Macedonië gevoed.

    Ruim honderdduizend Grieken demonstreerden op 4 februari in Athene tegen het gebruik 
van de naam Macedonië door de voormalige Joegoslavische republiek. (Zie ook onder dit artikel.)  – © HH
    Ruim honderdduizend Grieken demonstreerden op 4 februari in Athene tegen het gebruik 
van de naam Macedonië door de voormalige Joegoslavische republiek. (Zie ook onder dit artikel.) – © HH

    De manifestatie tegen ‘de uitverkoop van Macedonië’ die onlangs werd 
georganiseerd in Thessaloniki (er 
kwamen volgens neutrale waarnemers honderdduizend mensen op af, volgens de organisatoren een half miljoen), toonde aan hoe hoog de nationalistische gemoederen nog steeds oplopen. Het was een van de grootste demonstraties in Griekenland, groter dan de protestdemonstraties tegen de bezuinigingsmaatregelen die werden opgelegd door de EU of tegen de corruptie. Ook in Macedonië is het gemakkelijker om mensen op de been te krijgen voor het geschil over de naam van het land dan om te protesteren tegen de corruptie, de georganiseerde misdaad of de schendingen van de mensenrechten en de mediavrijheid.

    Toch heeft de manifestatie laten zien dat een oplossing van het geschil in zicht is. Natuurlijk zetten de Grieken altijd maximaal in – en als je de 
betogers mag geloven zou de enige 
aanvaardbare oplossing er een zijn waarin de naam Macedonië niet 
voorkomt. Maar omdat dit onmogelijk is, wordt er waarschijnlijk een geografisch compromis gesloten zoals ‘Noord-Macedonië’ of ‘Vardar-Macedonie’ (naar de rivier die door het land stroomt). 
Of anders ‘Nieuw-Macedonië’. De naam ‘Slavisch Macedonië’ is niet aanvaardbaar voor de Albanezen in het land, die 30 procent van de bevolking uitmaken – en geen ‘Slaven’ zijn. Door een nieuwe naam te aanvaarden voor hun land 
zouden de Macedoniërs een duidelijk signaal kunnen afgeven en toegeven dat zij niet de erfgenamen zijn van Alexander de Grote, omdat zij pas ver na de Klassieke Oudheid op de Balkan zijn gearriveerd (in de zesde en zevende eeuw).

    We kunnen de moed van Skopje en Athene om te zoeken naar een oplossing van hun geschil alleen maar 
prijzen

    We kunnen de moed van Skopje en Athene om te zoeken naar een oplossing van hun geschil alleen maar 
prijzen. Hoewel Brussel tot dusver geen druk heeft uitgeoefend op Griekenland om minder onbuigzaam te zijn in deze kwestie, is destabilisering van het buurland (en van alle andere Balkanstaten) absoluut niet in het belang 
van Athene. De spanningen dreigen weer op te lopen bij iedere nieuwe 
vertraging in het toetredingsproces van Macedonië tot de NAVO en de EU, nu het idee om Kosovo en Bosnië en 
Herzegovina op te delen weer de kop opsteekt.

    Voor de EU is het onontbeerlijk om 
het toetredingsproces van Macedonië weer op gang te brengen. Macedonië voldeed zeven jaar geleden al aan alle voorwaarden om de onderhandelingen te beginnen. In deze maand februari zal de Europese Commissie haar goedkeuring hechten aan een uitbreidingsstrategie voor de Westelijke Balkan. Voor het eerst gaat zij een tijdschema opstellen voor de toetreding van de meest gevorderde kandidaat-lidstaten, te weten Servië en Montenegro. De kans is groot dat de Commissie ook zal aanbevelen om toetredingsonderhandelingen met Albanië en Macedonië 
te beginnen.
    Zo zou Macedonië zijn 
achterstand voor een deel kunnen inlopen. Griekenland en de EU zouden er aan geloofwaardigheid mee winnen, en het zou een positief effect op de regio kunnen hebben. Nu er weer een krachtmeting dreigt tussen het 
Westen en Rusland is het van belang de Russische invloed in deze regio zo veel mogelijk te beperken.

    Auteur: Augustin Palokaj
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Openingsbeeld: Ruim honderdduizend Grieken demonstreerden op 4 februari in Athene tegen het gebruik van de naam Macedonië door de voormalige Joegoslavische republiek. De demonstratie voor het Griekse parlement was georganiseerd door de conservatieve partij Nieuwe Democratie, die momenteel in de peilingen aan kop gaat. – © HH

    Jutarnji List
    Kroatië | dagblad | oplage 53.000

    Opgericht na de onafhankelijkheid van Kroatië in 1991. De ‘Ochtendkrant’ is de op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en biedt veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.

  • Wat moeten 
we met onze pro-Russische president?

    Wat moeten 
we met onze pro-Russische president?

    De eurosceptische Tsjechische president Milos Zeman is een echte kopzorg voor de nieuwe premier Andrej Babis.

    President Milos Zeman zei 
vroeger dat er drie soorten 
politici zijn: zij die slagen, zij die mislukken en zij die belachelijk zijn. Zelf hoort hij in de eerste categorie. Qua verkiezingszeges is hij ongetwijfeld de meest geslaagde politicus 
in Tsjechië sinds 1989. Toch kun je hem ook indelen in de andere twee categorieën. Tijdens de NAVO-top in 2014 in Wales begonnen de staatshoofden en regeringsleiders aan het einde van zijn toespraak te lachen. De Amerikaanse president, de Britse premier, de 
vertegenwoordigers van Canada, 
Frankrijk, Duitsland hadden het gevoel dat Zeman de spot met hen dreef. 
De Tsjechische president had beweerd, met droge ogen, dat zich geen enkele Russische soldaat op het grondgebied van Oekraïne bevond en dat Rusland in geen geval de pro-Russische rebellen in de Donbas-regio steunde. En dat, mochten er Russische soldaten in Oekraïne strijden, dat alleen maar was omdat ze er geheel uit vrije wil, tijdens hun vakantie, even op bezoek waren. Kortom, Zeman had woordelijk de beweringen van het Kremlin herhaald. Als kers op de taart had hij het brandalarm laten afgaan in het hotel waar hij verbleef, na in zijn kamer een sigaar te hebben opgestoken, ondanks het rookverbod. De schoonmaakkosten waren natuurlijk voor de belastingbetaler.

    Betrekkingen met de EU

    Babis is ontegenzeglijk ook een politicus die slaagt. Nu hij de parlementsverkiezingen in oktober jl. ruim heeft gewonnen, heeft hij als belangrijkste doelstelling dat hij door de leiders van de Europese Unie (EU) en de NAVO wordt gerespecteerd. Hij die de EU tijdens de verkiezingscampagne zo zeer had bekritiseerd – waarbij hij zich vaak bediende van leugens – heeft sinds zijn verkiezingsoverwinning het roer omgegooid. Nu verklaart hij plotseling dat de Tsjechen ‘niet met het vuur van nationalisme en xenofobie willen spelen’. Hij heeft Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie, zelfs verzekerd dat hij voorstander 
is van ‘een sterke Unie en een 
pro-Europese Tsjechische Republiek’.

    Perfect! Als Babis begrijpt dat het 
EU-lidmaatschap van vitaal belang is voor het land, en als hij zelf in Brussel en door zijn collega’s van de andere lidstaten wil worden gezien als een achtenswaardige premier, zouden we hem moeten toejuichen. Maar stel dat het hem lukt een coalitie te vormen die de steun krijgt van het parlement, en dat hij kan gaan regeren zoals hij van plan is, dan nog loopt hij tegen een groot probleem aan dat luistert naar 
de naam Milos Zeman.

    Niet wat betreft de binnenlandse 
politiek, maar waar het gaat om de betrekkingen met de EU. Dan kan Zeman een groter probleem vormen dan de corruptiezaak-‘Het Ooievaarsnest’ waarin Babis verwikkeld is. Natuurlijk speelt die affaire hem parten wanneer hij, tijdens Europese toppen, met Angela Merkel en Emmanuel Macron moet discussiëren over de 
miljarden die de Tsjechische Republiek uit de Europese fondsen wil ontvangen, terwijl zij weten dat de Tsjechische 
politie hem beschuldigt van fraude met diezelfde Europese subsidies die hij voor zijn land tracht binnen te halen. Maar de Europese leiders vormen een club 
– zij respecteren wederzijds het 
democratische mandaat dat zij van 
hun kiezers hebben verkregen. En er 
zal heel wat water onder de brug zijn doorgestroomd voordat een rechtbank zich over de eventuele schuldigheid 
van Babis zal uitspreken.

    Een verkiezingsaffiche van Milos Zeman in Praag. – © HH
    Een verkiezingsaffiche van Milos Zeman in Praag. – © HH

    Zeman zal dus in de EU een groter stigma zijn voor de leider van de ANO-partij. In Europa weet men dat Babis hem gesteund heeft tijdens de verkiezingscampagne en dat deze steun, gezien het geringe verschil waarmee Zeman is herkozen, van doorslaggevend belang was. Een naaste medewerker van een hoge Europese politicus vertrouwde onze krant toe: ‘Wij beschouwen de Tsjechische presidentsverkiezingen als buitengewoon belangrijk. Uit de uitslag kunnen we opmaken of we op de 
Tsjechen kunnen rekenen als een volk dat de Europese normen onvoorwaardelijk steunt, of op het tegendeel: dat 
de Tsjechische Republiek afglijdt naar Polen en Hongarije.’ De politicus in kwestie had zich zeer verbaasd over de steun van Babis voor Zeman omdat hij overal waar hij komt in Europa zijn gesprekspartners verzekert dat hij niet de Tsjechische Donald Trump is.

    Laten we even in het midden laten of de Tsjechische premier serieus meent wat hij zegt, of zich eerder zal gedragen als de Hongaarse regeringsleider Viktor Orbán, die thuis iets anders doet dan hij in Europa beweert – in Brussel en in de Europese hoofdsteden weten ze heel goed dat Zeman zijn kaarten niet voor de borst houdt. Hij wordt beschouwd als een pro-Russische president die een onbegrensde bewondering koestert voor autocraten, inspeelt op de laagste instincten van de kiezers en evenals zijn naaste medewerkers bewust liegt waar het over de EU en het functioneren van de EU gaat.

    Door deze man te steunen heeft Babis zijn eigen positie in Europa verzwakt

    Door deze man te steunen heeft Babis zijn eigen positie in Europa verzwakt. Zeman herhaalt voortdurend dat hij degene wil zijn die de quota voor de opvang van vluchtelingen zal afschaffen. Natuurlijk kan hij daar als geen ander vóór hem bij de Tsjechen punten mee scoren. Maar om anderen te 
overtuigen moet je wisselgeld hebben. Babis weet dat, hij doet zijn best, zoals blijkt uit zijn recente verklaringen. Help mij, vraagt hij aan de Europese Commissie en aan de overige 
EU-lidstaten, houd niet vast aan die quota, anders wordt de aversie van de Tsjechen tegen de EU nog sterker. Dat klinkt aangenaam en vrij logisch. 
Maar Babis’ probleem is dat het voor hem moeilijk is om zijn woorden en zijn daden op elkaar af te stemmen. Zoals blijkt uit zijn steun voor de Tsjechische president die electoraal in sterke mate leunt op de verwerping van de EU.

    Auteur: Ondrej Houska
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Hospodárské Noviny
    Tsjechische Republiek | oplage 86.000

  • In Kosovo kan ook de EU geen vrede kopen

    In Kosovo kan ook de EU geen vrede kopen

    De recente moord op de Servische politicus Oliver Ivanovic bevestigt de status van de regio als het ‘zwarte gat van de Balkan’, aldus het Kroatische dagblad Jutarnji List.

    We noemen de westelijke Balkan gewoonlijk het ‘zwarte gat’ van Europa. 
En Kosovo wordt dan weer het ‘zwarte gat van de Balkan’ genoemd, en Noord-Kosovo het ‘zwarte gat van Kosovo’. Toch had het nooit zover mogen komen. Als je Brussel mag geloven, dat zich voorstaat op de succesvolle dialoog tussen Kosovo en Servië, en als je kijkt naar alle hulp die Noord-Kosovo heeft ontvangen, zou dit de meest ontwikkelde regio moeten zijn en eerder het Liechtenstein van de Balkan! Eerlijk gezegd zijn ze nogal royaal geweest voor deze kleine, dunbevolkte regio. De Europese Unie heeft speciale middelen toegekend aan de regio, de regering van Kosovo heeft specifieke projecten voor het noorden, en ook de Servische regering wijst, met toestemming van Pristina en Brussel, speciale middelen toe voor de ontwikkeling van deze regio.

    Met al dit geld en al deze projecten voor het noorden van Mitrovica en 
de aangrenzende gemeenten met in Kosovo wonende Serviërs, zou deze streek dus welvarend moeten zijn. En omdat de veiligheid van de regio een topprioriteit is van KFOR [vredeshandhavingsmissie van de NAVO in Kosovo] en Eulex [civiele missie van de Unie 
ter bevordering van de rechtsstaat], en de EU zich voorstaat op de succesvolle dialoog over het vrije verkeer in dit 
deel van het land, zou de veiligheid 
ook geen probleem mogen zijn.

    Rechteloos gebied

    Maar dat zijn maar indrukken, want de werkelijkheid is heel anders. Iedereen die in Noord-Kosovo is geweest of die er woont, of in het zuiden van Mitrovica, aan de andere kant van de brug tussen het Albanese deel en het Servische 
deel van de stad, kan ervan getuigen.

    Het is moeilijk in Europa een plek te vinden die zo sterk op een rechteloos gebied lijkt. Kosovo kan niet bogen op veel eerbied voor de wet en het functioneren van de rechtsstaat. Maar de auto’s hebben er tenminste wel nummerborden, de politie patrouilleert er, bekeurt auto’s die te hard rijden, de burgers betalen er hun water- en elektriciteitsrekening en de straatnamen worden aangeduid in het Albanees 
en het Servisch. Dat is niet het geval 
in Noord-Kosovo. De auto’s rijden er rond zonder nummerbord of met een Servisch nummerbord. De wetten van Kosovo worden er dus niet nageleefd – ondanks het ‘historische akkoord’ onder auspiciën van Brussel –, net zomin als de wetten van Servië. Feitelijk maakt Servië sinds het einde van de oorlog in 1999 de dienst uit in dit deel van Kosovo, hetzij door de aanwezigheid van zijn politie, waarin de NAVO en de EU stilzwijgend hebben toegestemd, hetzij door zijn steun aan de parallelle machtsstructuren, zoals de ‘bewakers van de brug’.

    Hoe is het mogelijk dat de EU dit heeft laten gebeuren en dat zij haar ogen sluit voor deze situatie? Als er zo slordig wordt omgesprongen met de macht, is het niet verbazingwekkend dat niemand weet wie er auto’s van politici in brand steekt, wie er gestolen auto’s verkoopt (zelfs aan de eigenaren van die gestolen auto’s), en nog minder wie er opdracht geeft voor het executeren van politici of wie deze opdrachten uitvoert.

    Zo is het waarschijnlijk ook gegaan met de moord op Oliver Ivanovic, een van de belangrijkste en opvallendste Servische politici in Kosovo. Natuurlijk, er worden ook politici vermoord in Zweden, een van de ontwikkeldste en veiligste landen ter wereld. Maar de afgelopen twintig jaar blijven er te veel moorden en aanslagen op politici en journalisten onopgehelderd in Kosovo, zowel in het noorden als in het zuiden. Dit kun je niet alleen de ‘wettelijke Kosovaarse autoriteiten’ aanrekenen, omdat ook de NAVO– en Eulex-functionarissen in Kosovo over de middelen en het juridisch mandaat beschikken om tegen dit soort zaken op te treden.

    De Servische president Aleksandar Vucic bezoekt de plek waar de Kosovaars-Servische politicus Oliver Ivanovic werd vermoord. – © HH
    De Servische president Aleksandar Vucic bezoekt de plek waar de Kosovaars-Servische politicus Oliver Ivanovic werd vermoord. – © HH

    De internationale gemeenschap heeft deze situatie in Noord-Kosovo zo lang getolereerd omdat het haar om politieke redenen goed uitkwam.
    Helaas kan de moord op Oliver Ivanovic politieke consequenties hebben. Ondanks de komst van de internationale gemeenschap en de instelling 
van een internationaal protectoraat in Kosovo heeft Belgrado Noord-Kosovo feitelijk nog steeds in zijn greep. Met als doel om het land op te delen. Aangetoond moest worden dat Pristina niet in staat was zijn autoriteit te laten gelden in Noord-Kosovo, en dat Pristina zich neer moest leggen bij deze situatie. Dankzij het akkoord van Brussel is er een bijzondere status verleend aan Noord-Kosovo – het is een afzonderlijke entiteit geworden binnen Kosovo, die meer bij Belgrado hoort dan bij 
Pristina.

    Deze situatie is koren op de molen van de criminele groeperingen die er actief zijn. De plaatselijke bevolking kan getuigen van de ‘voorbeeldige’ samenwerking tussen Serviërs en Albanezen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit. Volgens de reacties in Belgrado kan de moord op Ivanovic worden gebruikt als bewijs dat noch Pristina, noch de internationale gemeenschap in staat zijn Noord-Kosovo te controleren. En dit ondanks het feit dat Ivanovic een politieke tegenstander was van de Servische regering. Bij de Kosovaarse verkiezingen in 2017 had hij 
het opgenomen tegen de Lijst Srpska, die gesteund werd door Belgrado. Alle Serviërs die het opnamen tegen deze lijst werden beschouwd als ‘verraders’. Bij de lokale verkiezingen heeft deze Servische lijst in negen gemeenten een meerderheid behaald, waardoor ze de machtigste politieke formatie in Kosovo werd qua aantal gewonnen gemeenten – meer dan de partijen die de Albanese bevolking vertegenwoordigen, die toch in de meerderheid zijn. Belgrado heeft dit succes geïnterpreteerd als een overwinning, maar ook als een signaal aan al degenen die hun eigen lijsten of partijen hadden opgericht. Oliver Ivanovic was een van hen.

    Veel moorden in Kosovo zijn nooit opgelost. In de meeste gevallen gaat het om liquidaties van Albanese politici die zijn gepleegd 
in de eerste jaren na de oorlog. Momenteel wordt daar veel over gepraat. Sommige zaken worden aanhangig gemaakt bij het 
Kosovotribunaal dat is opgericht in Den Haag.

    Zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees 
voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen

    Tegenwoordig zijn er steeds meer getuigen die er publiekelijk voor uitkomen dat ze lid zijn geweest van criminele organisaties die na de oorlog belast werden met het elimineren van bepaalde personen, hetzij voor het geld, hetzij omdat ze gedwongen werden om de orders van machtige politici uit te voeren. Het is duidelijk dat talloze moorden of aanslagen, of ze nu gepleegd werden om etnische of andere redenen, bewust nooit zijn opgehelderd, omdat de waarheid de politieke stabiliteit dreigde te verstoren. Officieel wordt het ontkend en wordt er geschermd met een ‘gebrek aan bewijs’, maar zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees 
voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen.

    Het is duidelijk dat er ook veel gewelddadige incidenten in Noord-Kosovo in de doofpot verdwijnen om de door de EU in Brussel gestarte dialoog niet in gevaar te brengen. De moord op Ivanovic heeft een schok teweeggebracht, temeer daar Kosovo al sinds lange tijd niet te maken had gehad met etnisch gemotiveerd geweld. Deze moord zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van Kosovo als de internationale gemeenschap niet vastberaden optreedt tegen degenen die ervan zouden kunnen profiteren.

    Auteur: Augustin Palokaj
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Jutarnji List
    Kroatië | oplage 53.000

    Opgericht na de onafhankelijkheid in 1991. Op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.

    screenshot 2018 02 08 14 47 17
  • Timmermans

    Timmermans

    Een van onze best gelezen rubrieken is Lage Landen, met verhalen uit de buitenlandse pers over Nederland of Vlaanderen. Critici zullen dit wijten aan het Nederlandse calimerocomplex, maar in andere landen is het net zo. Blijkbaar vinden we het allemaal leuk om te weten wat ze over de grens van ‘ons’ vinden. Meestal gaat het in onze rubriek over innovatie of economie, want over Nederlandse politici wordt buiten 
verkiezingstijd zelden geschreven.

    Onlangs gebeurde dit bij uitzondering wel. Op de Brusselse website Politico verscheen een verhaal met de ronkende kop ‘De dovende ster van Frans Timmermans’. Auteur David 
M. Herszenhorn, voormalig verslaggever van The New York Times, zette de Nederlandse eurocommissaris neer als een politieke has-been en klusjesman van EU-voorzitter Juncker. Uiteraard werd het stuk met gejuich onthaald op weblog GeenStijl en onder de vele Timmermans-haters op Twitter. Maar wie het verhaal aandachtig leest, ziet dat het niet zozeer een afrekening is met Timmermans, als wel een verhaal over opgeklopte verwachtingen en Brusselse machtspolitiek.

    In anderhalve bladzijde schetst Kuper zo een treffend beeld van de banlieue en al het ongebruikte potentieel dat zich daar bevindt

    In dit soort goed geïnformeerde achtergrondstukken blinkt het in 2007 in de VS opgerichte Politico uit. De Brusselse tak ging in 2015 van start en gooide sindsdien heel wat stenen 
in het wat traag stromende water van de EU-verslaggeving. Waarmee nog eens werd aangetoond dat weinigen kunnen tippen aan het journalistieke vakmanschap van de Angelsaksische pers.

    Dat laatste blijkt ook uit de stukken van Simon Kuper. Deze deels in Nederland opgegroeide journalist schrijft al jaren juweeltjes van columns over sport en andere onderwerpen 
in de Financial Times. Kuper schrijft kraakhelder en goed gedocumenteerd, en kijkt net als Joris Luyendijk met een antropologische blik. In dit nummer vindt u een stuk van zijn hand over de vraag waarom er zoveel goede voetballers uit de regio Parijs komen. Talent wordt beter gescout, legt Kuper uit, ouders ruiken kansen en de overheid doet veel met sportveldjes. In anderhalve bladzijde schetst Kuper zo een treffend beeld van de banlieue en al het ongebruikte potentieel dat zich daar bevindt.

    Sociaaldemocraat en voetbalfan Timmermans zal het ongetwijfeld met plezier lezen.

    Auteur: Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

    Beeld: Balthus, Thérèse droomt.

  • Bio voor de massa

    Bio voor de massa

    De Europese markt voor biologische producten is booming. Waren deze vroeger alleen te koop in kleine biowinkels, tegenwoordig storten zelfs prijsvechters als Aldi en Lidl zich op de lucratieve groeimarkt. Pure milieuwinst, of verkwanselt de sector zo zijn idealen? Het Brusselse tijdschrift Médor ging op onderzoek uit.

    ‘Ja tegen de diversiteit van lokale bioproducten, nee tegen de macht van het grootwinkelbedrijf.’ Onder die slogan werd afgelopen zomer geprotesteerd tegen de vestiging van een Bio-Planet-supermarkt in de Waals-Brabantse stad Korbeek. En die protesten kwamen uit de biowereld zelf! Onder andere van Archenterre, een kleine producent van biologische groenten en fruit en van Bi’Ok , een van de eerste biologische winkels in Wallonië. Een intern conflict tussen bio-bedrijven – gewoon een gevecht om marktaandeel? Niet alleen. Het protest kwam ook voort uit de angst dat deze brutale nieuwkomer, onderdeel van de Colruytgroep [Belgische multinational met een omzet van 9,5 miljard euro en honderden supermarkten in België, Luxemburg en Frankrijk], met zijn in plastic verpakte en op duizenden kilometers afstand geproduceerde biologische waren het einde zou betekenen van het bio-ideaal: langzame productieprocessen en bewuste consumptie met respect voor mens en milieu.

    ‘Biologische landbouw betekent niets anders dan: geen gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, geen toevoegingen aan bewerkte voedingsmiddelen en geen kunstmest,’ brengt François de Gaultier, landbouwdeskundige en assistent-hoogleraar aan de Hogeschool van de provincie Namen, in herinnering. ‘Dat is alles. Je kunt aan “biologisch” geen eisen stellen die de term zelf niet belooft.’

    Maar voor de activisten moet ‘biologisch’ aan meer criteria voldoen dan alleen aan de officiële. ‘Er zijn twee stromingen in de biowereld,’ zegt Pauline Henrion van Bi’OK, een keten van vier winkels in Waals-Brabant. ‘Aan de ene kant de mensen die gewoon beter willen eten, en aan de andere kant de mensen die het welzijn van de wereld beogen.’ Dat geldt niet alleen voor de klanten maar ook voor de winkeliers: sommigen willen alleen maar verkopen, anderen willen een positieve bijdrage leveren aan de maatschappij.

    Aldi: ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment’

    In de wereld van het biologisch voedsel draait het tegenwoordig steeds meer om de detailhandel. Nieuwe spelers storten zich en masse op een aantrekkelijke groeimarkt. Claude Gruffat, auteur van 
Les dessous de l’alimentation bio (de achterkant van biologisch voedsel) ziet dat ook. ‘In Frankrijk staan we nu voor een verandering van schaal in de consumptie van biologische producten. De laatste tijd noemt iedereen het een markt. In Frankrijk beslaat die nu 
4 procent van de totale voedingswarenmarkt, en meestal is dat het punt waarop ook nieuwkomers zich ook in de niche willen begeven.’

    4 procent? Dat is precies het marktaandeel dat ‘bio’ heeft op de Belgische voedingsmiddelenmarkt. Een koek die steeds groter wordt, maar waarvoor zich steeds meer eters melden: Bi’OK (4 vestigingen) Bio-Planet (27), Färm (6), Al Binète (4), Sequioa Bio & Natural Market (6), Biocap (4), Biostory (3), Ekivrac (2), La Ruche qui dit oui (102) en ontelbare andere lokale winkels die we hier onmogelijk allemaal kunnen opnoemen…
    Om de schappen in al die nieuwe zaken te kunnen vullen breidt het landbouwaanbod zich uit. Sinds 2003 is het aantal biologische boeren in Wallonië vrijwel verviervoudigd: hun aantal is van 455 gecertificeerde boeren in 2003 gestegen naar 1493 in 2016, ofwel 12 procent van alle Waalse boerderijen. De hoeveelheid bouwland is meer dan verdrievoudigd: van 20.736 hectaren naar 71.289 hectaren, ofwel 10 procent van het Waalse boerenland.

    Ook de grote supermarkten nemen biologische producten nu serieus, en zelf ondervinden zij weer concurrentie van discounters als Aldi en Lidl, die nu 10 procent van de biologische producten verkopen, tegen 1,2 procent in 2008. En daarmee doen ook de prijzenoorlogen hun intrede.
    ‘Als wij voor een biologisch product niet de juiste kwaliteit en een lage prijs kunnen garanderen, nemen we het niet op in ons assortiment,’ zegt Julien Wathieu, woordvoerder van de Lidl/Aldi-groep. Ondanks dat agressieve prijsbeleid zijn biologische producten in het algemeen nog steeds duurder dan gewone. En de winstmarges zijn hoger.

    Volgens een onderzoek uit augustus 2017 door de Franse consumentenorganisatie UFC-Que choisir, verdient het grootwinkelbedrijf aanzienlijke marges op de biologische producten. De organisatie vergeleek 24 soorten fruit en groenten en ontdekte dat het groene boodschappenmandje 79 procent duurder uitkwam dan het mandje met conventionele producten. Er zijn twee verklaringen voor die hogere vraagprijs: voor een deel heeft die te maken met de hogere productiekosten in de biosector en voor het andere deel is ze te wijten aan… de extra winstmarges die 
de grote winkelketens erop leggen. Die winst is met name mogelijk doordat deze bedrijven grootschalig kunnen inkopen bij bedrijven uit heel Europa.
    ‘De grootste concurrent, biologisch of niet-biologisch, is Spanje, omdat daar de sociale normen lager zijn,’ verklaart landbouwkundige François de Gaultier. ‘De concurrentie komt ook van Nederland, waar de productie heel sterk gemoderniseerd is, met hightechkassen en geautomatiseerde teelt.’

    Een bezoek aan de Lidl van Molenbeek biedt natuurlijk maar een momentopname, maar klopt precies met het verhaal van de landbouwkundige. Op de afdeling biologische groenten en fruit komen de cocktailtomaatjes uit België, maar de wortelen, courgettes, krielaardappeltjes en citroenen hebben een reis uit Nederland of Spanje achter de rug. Wat al deze producten gemeen hebben? De laagste prijs.

    Belgisch-Mexicaanse komkommers

    De eerste Bio-Planet in Brussel ligt in een chique buurt. Al op de besloten parkeerplaats maakt deze zaak in de Brusselse deelgemeente Ukkel je duidelijk dat je hier een duurzaam gebouw binnengaat, met zo min mogelijk CO2-uitstoot, een geheel geïsoleerd gebouw, ledverlichting. Met zijn ruwhouten planken die in de verte de sfeer van een Canadese blokhut oproepen, vertelt deze supermarkt dat hier alles puur natuur is. En gecertificeerd ‘bio’.

    Achter in de zaak doet een met glas afgescheiden gedeelte dienst als koelruimte. Even daarbuiten liggen uien (uit Nederland), sjalotjes (uit Frankrijk), zoete aardappelen (uit de VS en Spanje), afgeprijsde Boni-aardappelen (uit Italië), krielaardappeltjes (uit Engeland), avocado en gember (uit Peru), knoflook (uit Spanje). De losse wortelen komen uit Nederland en de ongewassen wortelen zijn regelrecht uit Spanje gekomen. Maar de frambozen, appels, peren, komkommers en raapjes zijn Belgisch. Net als de tomaten, pompoenen, paprika’s, pepers, kerstomaatjes, sla, spinazie, peterselie, jonge uien, boontjes, radijsjes, courgettes, champignons, venkel, selderie, aubergine en kool. Een van de belangrijkste leveranciers van deze groenten is EcoVeg, een bedrijf dat in 2000 is opgericht door Krist Hamerlinck en Cindy Declercq, op de grens tussen Nederland en België. EcoVeg had in 2016 een omzet van 10 miljoen euro. De familie Hamerlinck runt ook het Luxemburgse Organic Farming Invest, dat via een eigen bedrijf in Mexico levert aan de Amerikaanse markt. Dit bedrijf voorziet de New Yorkers dus van biologische komkommers, na een reis van 4000 kilometer.

    ‘In Wallonië bestaat nog het model van het familiebedrijf met een menselijke schaal, of dat nu biologisch of conventioneel is, terwijl Vlaanderen zich meer op de intensieve landbouw richt,’ zegt Pierre Wiliquet, woordvoerder van de Waalse minister van Landbouw René Collin (cdH). Het is dan ook in Vlaanderen dat BelOrta, de grootste groentekweker van Europa, met een half miljard omzet, groot is geworden. BelOrta is nu ook bezig met de ontwikkeling van een biologische tak.

    ‘We komen nu op een punt dat de gebruikelijke consumentenstandaarden gaan gelden, denkt Claude Gruffat, directeur van de Franse keten Biocoop. ‘Biologisch voedsel was ooit een maatschappijvisie, een gedeeld ideaal, waaraan men een Europees regelement had opgehangen. Nu hebben we alleen nog die Europese regelgeving.’ Anders gezegd: de enige norm die geldt om iets ‘biologisch’ te mogen noemen is die gemeenschappelijke regelgeving.

    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm
    Een van de zes biowinkels van Färm, dat onder meer vestigingen heeft in Brussel en Louvain-la-Neuve. – © Färm

    Al brandt er nog wel ergens een ethisch lichtje in het duister van de massaconsumptie, de Europese biosector is inderdaad zijn glans kwijtgeraakt. Die sector doet nu meer dan het gebruik van pesticiden en kunstmest verbieden. Ze eist gewasrotatie, maar laat producten toe die voor 5 procent uit niet-biologische ingrediënten bestaan en tolereert producten met maximaal 0,9 procent besmetting door genetisch gemodificeerde organismen. Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid betreft biedt het label ‘bio’ geen enkele garantie. ‘We zien nu dat de oorspronkelijke waarden verdwijnen en dat er een oneerlijke concurrentie ontstaat tussen een systeem dat die waarden nog koestert en een systeem waarin alleen het geld telt. Als je het over de waarden van eerlijke landbouw hebt, van eerlijke handel, dat is allemaal verloren gegaan,’ volgens Claude Gruffat.

    De tomaten, komkommers, aubergines, courgettes van EcoVeg zijn te vinden in de schappen van Bio-Planet, maar ook bij supermarktketen Delhaize en bij verscheidene klanten van Interbio. En misschien wel bij iedereen. Want de Waalse kweker levert onder andere aan Färm, Sequoia, Bi’OK, Bio Fagnes, Biocap en aan veel biologische zaken en boerderijwinkels in Wallonië die zo hun assortiment compleet maken.

    Onder de detailhandels is Färm (met zes winkels, binnenkort zeven, in Brussel en Louvain-la-Neuve,) een geval apart. Dit bedrijf geldt als een afschrikwekkend voorbeeld in de sector, die altijd twijfelt aan de goede bedoelingen van mogelijke financiers. Färm is allereerst het verhaal van Baptiste Bataille en Alexis Descampe. Deze twee leerden elkaar kennen tijdens hun studie biologie, en openden vervolgens samen een winkeltje, The Peas, in het Brusselse Etterbeek. Hun ideaal is het verkopen van biologische, lokaal verbouwde producten. Met respect voor de gezondheid, het milieu, de mens.

    Een van hun klanten, een dertigjarige hipster op een fiets, geeft hun zijn visitekaartje. Dat leidt tot gesprekken, tot plannen en de uitvoering daarvan. Plannen om groter te worden. Heel groot. Heel héél groot. Want de fietser zit in de autobusiness. Hij heet Lionel Wauters en is lid van de familie Moorkens, een van de rijkste families van België, die haar fortuin heeft verdiend met de import en verkoop van auto’s, waaronder Mitsubishi en Toyota. Het familiebedrijf heet Alcopa en het is een zwaargewicht met meer dan 2300 medewerkers in 19 landen en een jaaromzet van 1,7 miljard. Tot 2015 was Lionel Wauters lid van de raad van aandeelhouders van het familiebedrijf, die de langetermijnvisie moest bewaken. Deze ingenieur en architect is ook CEO van Urbani, een vastgoedbedrijf dat gespecialiseerd is in ‘duurzaam en gebruiksvriendelijk vastgoed’. Het verhuurt meer dan 160 appartementen, voornamelijk in Brussel.

    De nieuwe partners laten er geen gras over groeien en praten over schaalvergroting. ‘We willen niet groeien om het groeien, maar om werkelijk gewicht in de schaal te kunnen leggen als het om maatschappelijke kwesties gaat,’ verklaarde Färm-oprichter Alexis Descampe. Maar geld telt, en Lionel Wauters wordt in 2015 bestuursvoorzitter van Färm.coop. In zijn kielzog komen zijn oom François Stoop en Olivier van Cauwelaert mee, die ook partner zijn bij Urbani en bij Scale Up, de tak van het bedrijf die duurzame projecten financiert (waaronder nu Färm en vooral Färm Louvain-la-Neuve, waarin Scale Up 750.000 euro heeft geïnvesteerd). Scale Up belooft zijn aandeelhouders een rendement van 7 procent per jaar. De drie mannen zitten nu in de raad van bestuur van Färm-coop en Alexis Descampe is CEO geworden.

    Het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger

    Baptiste Bataille is inmiddels weggewerkt. Een behoorlijke schok voor veel mensen in de biowereld. ‘Hij was de ziel van Färm,’ legt een leverancier uit. Nu echter een verdoemde ziel, die geen antwoord wilde geven op onze vragen. ‘Het vertrek van Baptiste, waarbij wij gezien werden als de schurken in het spel, heeft vooral te maken met een verandering van onze rollen bij het groter worden van Färm,’ verklaart Alexis Descampe. Directeur Olivier van Cauwelaert wijst op het verschil in ambities bij het uitbouwen van de onderneming. ‘Twee jongemannen van nog geen dertig, die een winkel hebben met zes medewerkers en een omzet van een miljoen. Nu is Färm een bedrijf met zes winkels en honderd medewerkers. De stijl van leidinggeven is veranderd. Je moet planmatiger werken, meer als management optreden. En in die ontwikkeling voelde Baptiste zich niet thuis.’ En de waarden van de biowereld, het vermenselijken van de handel, zullen die zich er wel thuis voelen? Want de uitbreiding is nog lang niet afgelopen. Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. Oftewel: een zaak per twee maanden.

    Afgelopen november kondigde de krant L’Echo aan dat de regio Brussel via de regionale investeringsmaatschappij SRIB vijfhonderdduizend euro in het Färm-avontuur zou stoppen, en de grootste aandeelhouder van het bedrijf zou worden. En de winkels zijn maar één aspect van de ontwikkeling van Färm, dat ook producent wil worden. Het idee daarachter? Investeren in de bewerking en de productie om zo een compleet bioplatform te hebben. ‘Als je niet wilt dat de klassieke grootwinkelbedrijven de biosector overnemen, moet je iets doen,’ verklaart Olivier Van Cauwelaert, de vertegenwoordiger van Scale Up. ‘We moeten onszelf niet voor de gek laten houden door het industriële bio-aanbod van Delhaize en Colruyt. Om dat soort volumes wortelen te leveren hebben ze 100 hectaren nodig. Onze producenten werken op tussen de 1 en 20 hectare, en daar verbouwen ze ook nog verschillende gewassen. Dat is een andere filosofie.’ Colruyt wordt dus afgewezen door Färm, dat zelf wordt afgewezen door de kleine biowinkels.

    Nu Färm voor zijn vleesproducten de hele keten in eigen hand heeft, kondigt Olivier Van Cauwelaert vier nieuwe productketens aan – eerlijke ketens waarvan elke schakel door Färm wordt gecertificeerd, wat meteen ook de mogelijkheid biedt om de prijs en de herkomst van de producten te controleren: groenten (met twaalf producenten in de buurt van Louvain-la-Neuve), zuivelproducten, oliehoudende producten en vis. Allemaal zullen ze worden verhandeld onder een andere merknaam dan Färm, zodat ook derden ze kunnen verkopen.

    De medewerkers van het bedrijf maken zich niet zozeer zorgen over de kwaliteit van de Färm-producten, want die staat niet ter discussie. Wel hebben ze hun twijfels over het profiel van de investeerders, hun managementmethoden, hun snelle uitbreidingsplannen en over het wegwerken van een van 
de oprichters. ‘Toen Baptiste eruit ging, hebben we vragen gesteld,’ verklaart een werknemer. ‘Hij stond meer op één lijn met ons, hij streefde naar transparantie. De bestuurders profiteren van het feit dat de medewerkers zich betrokken voelen bij biologische producten. Ze zeggen tegen ons “Jullie zijn de winkel”, hebben het over “färmers” in plaats van werknemers, over “het plan” in plaats van de onderneming. Allemaal nieuwe managementtaal. Maar het werktempo is net zo hoog als bij een supermarkt en zelfs hoger.’ Is Färm dus een onderneming als alle andere? ‘Nee,’ vindt de medewerker. ‘Je kunt nog wel rechtstreeks contact hebben met Alexis. Er zijn werkgroepen ingesteld. Er heerst wel de sfeer van een collectief.’

    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm
    Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? – © Färm

    Färm zou in een overgangsfase zitten. En dat geldt ook voor het personeel. Alexis Descampe geeft het toe: ‘Met de groei van het bedrijf hebben we een periode gehad waarin er nogal top-down werd gewerkt, maar dat was voor niemand houdbaar.’ Sindsdien zijn er werknemerscomités ingesteld (waar iedereen welkom is) waar gediscussieerd en beslist wordt over verschillende aspecten van Färm, zoals het verantwoord ondernemerschap, de uitbreiding van het plan Färm of de vraag of producten van anderen al dan niet via de website worden aangeboden. (Zo is het bier Ginette uitgesloten, sinds het is opgenomen door ABInBev). Zal het Färm lukken te groeien zonder zijn uitgangspunten te verloochenen? En zonder de diversiteit van het huidige assortiment teniet te doen? De mensen uit de biosector die we ernaar hebben gevraagd staan argwanend tegenover alle ontwikkelingen. Wanneer de top van Färm spreekt over ‘samenwerken’ horen kleinere spelers ‘overname’ en ‘standaardisatie’.

    Strohoedje voor reclame

    In de strijd tussen Bio-Planet en Färm kun je als heel kleine speler de klappen ontwijken. Sterker nog, ‘kleine’ producenten worden het hof gemaakt door de nieuwe spelers in de sector. BioPlanet, Färm, e-Farmz, Sequoia, allemaal hebben ze geprobeerd Pia Monville, biologisch boerin uit Court-Saint-Etienne, aan boord te krijgen. Pia werkt samen met haar man al acht jaar op drie hectare grond. Sinds kort voelt ze dat er ‘iets broeit’. ‘Vroeger waren onze klanten heel trouw. Nu bestaat eenderde van onze klantenkring uit “sprokkelaars”, de rest is vast. Voor mij is dat het begin van een teruggang.’ Maar ze heeft elke samenwerking met de nieuwkomers geweigerd. ‘Als ik een deel van mijn zeggenschap kwijtraak, moet ik vast mijn productie verhogen of me gaan specialiseren. Dat zou het einde zijn van wat me altijd voor ogen heeft gestaan. Het kan me niet schelen of ze me aardig vinden of niet. Ik wil goed zijn in wat ik doe. Maar zij willen me vooral een strohoedje opzetten voor hun reclame…’
    Als zo’n samenwerking wel lukt, wordt daar inderdaad overvloedig aandacht aan besteed door de partnerwinkels, die maar al te graag hun landelijkheid en authenticiteit etaleren.

    Voor Pia Monville is het duidelijk: ‘Je voelt gewoon dat de klassieke detailhandels de marketing overnemen, en zich voordoen als ons. Ze profiteren van ons imago.’

    De bio-mainstream wil alles voor zichzelf hebben, tot en met de boerin zelf. Bij de Biostory in Ottignies staan tien gezichten afgebeeld met de slogan: ‘Onze lokale producenten hebben talent’.

    ‘Die barbecue waarop ze zogenaamd hun producenten ontmoeten, is in werkelijkheid een barbecue met de groothandelaren,’ beweert Pia. Inderdaad zijn maar drie van die gezichten boeren die direct aan Biostory leveren. De anderen zijn groothandelaren uit België of Griekenland.

    Ook bij Bio-Planet schuiven ze graag de Belgische producenten naar voren. Die heten Steven Lauwers, uit Duffel (Herbio) of Lies Heyns (Provamel) en zijn te zien in het magazine of op de website van Bio-Planet. Volgens de supermarkt is het bedrijf Provamel gevestigd in het West-Vlaamse Welvegem. Maar volgens de LinkedIn-pagina van de sympathiek ogende producente Lies Heyns is zij eigenlijk ‘Senior Divisional Strategic Buyer’ bij Alpro. Dat bedrijf, dat producten op basis van soja maakt, is inderdaad gevestigd in Welvegem (maar het valt te betwijfelen of de soja uit België komt) en vermeldt een jaaromzet van 448 miljoen euro in 2016. Dat klinkt ineens heel wat minder landelijk.

    De strijd tegen de commercie is een ongelijke strijd. Maar toch kan ook een kleine producent wel uit die ruif mee-eten. ‘Wij vertellen onze klanten wat er allemaal gebeurt op het land,’ zegt Benoît Redant, van de boerderij ‘As veyou l’porê?’ in Jallet (1,5 hectare biologische groenten). ‘Op onze Facebookpagina zetten we geregeld foto’s van het leven op de boerderij, van de aardappeloogst met ons paard. We houden ook om de twee jaar een open dag, en dat is veel werk. Ik zou subsidie moeten vragen voor de voorlichting over biologisch voedsel die ik geef!’ Het resultaat: elke week komen er tweehonderd mensen boodschappen doen.

    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm
    Färm wil tussen nu en 2020 in België zestien of zeventien franchisezaken openen. – © Färm

    Voor dit artikel heeft _Médor _zo’n twintig kleine producenten gesproken. Telers uit heel Wallonië die op kleine oppervlaktes (van 1 tot 10 hectare) hun groenten verbouwen. Hoe het verder zal gaan met deze onzekere bedrijfstak begint zich af te tekenen. De landbouwers die hadden gegokt op de logica van de ‘schappen’ hebben het moeilijker dan de anderen, en over de verwachting dat biologische sector een goede toekomst biedt, ook economisch gezien, zijn de meningen verdeeld. ‘De verkoopprijs van biologische producten blijft hoger,’ zegt Ariane Beaudelot van Biowallonie, een organisatie die producenten en detailhandelaren bij elkaar brengt. ‘De producenten krijgen een hogere marge, maar dat is niet de enige factor. De prijzen van biologische producten blijven hoog omdat de vraag altijd groter is dan het aanbod.’

    Wat niet wegneemt dat de ongerustheid over de komende jaren opkomt. Wat zal er gebeuren als het aanbod de vraag overstijgt? Zal met de komst van financiers van de ‘oude wereld’, van de Lidls en de Colruyts de werkwijze van de conventionele landbouw ook doordringen in de biologische landbouw? Voor de producenten is het van levensbelang dat ze zelf de baas blijven: zelf hun prijzen kunnen vaststellen, zelf bepalen hoe en aan wie ze verkopen, om zo macht te houden tegenover de detailhandelaren. Of om het zelfs zonder hen te doen.

    Een mogelijkheid daartoe is de vorming van coöperaties. Of gebruikmaken van een platform, mogelijk gemaakt door de internettechnologie die belooft consumenten en producenten met één klik bij elkaar te brengen.

    Dat is de koers die La ruche qui dit oui! volgt, de Franse start-up die in 2013 ook in België werd gelanceerd [sinds 2016 is er ook een Nederlandse tak: Boeren en Buren]. Dit bedrijf heeft een hoge vlucht genomen, met een jaaromzet van 3,5 miljoen euro en telt nu bij ons 102 ‘ruches’ (bijenkorven) waar voor 
5 miljoen euro per jaar wordt verkocht. Het principe is eenvoudig: een ‘abeille’ (bij) kan zelf een ruche beginnen waarin hij of zij consumenten en producenten probeert te verenigen; de ene groep kan er lokaal geproduceerde (niet per se biologische) producten kopen en de andere kan er zijn koopwaar verkopen. Deze mensen ontmoeten elkaar uiteindelijk fysiek, in een gezellige ambiance, om de koop te sluiten. Het doet denken aan Airbnb of BlaBlaCar: de site houdt zich vooral bezig met het betaalplatform en promotie en zorgt voor een zeer effectieve site. En verdient 8,35 procent per transactie. Degene die de ruche heeft georganiseerd, verdient ook 8,35 procent voor zijn dienstverlening. Dit is een prima idee voor kleine producenten die graag hun klantenkring willen uitbreiden, maar niet de financiële middelen hebben om in een webshop te investeren. En het is ook verleidelijk voor consumenten die belang hechten aan ‘korte ketens’. Want zij hoeven zich nergens aan te verbinden. Maar dat is ook meteen de beperking van dit idee.

    Bij dit systeem draait het om ‘vrijheid’ en de consequentie daarvan is de afwezigheid van regels. Er bestaat wel een overeenkomst van goed gedrag tussen de drie partijen, maar die heeft geen juridische waarde. Dat bevestigt ook Hannes Van den Eeckhout, de Belgische directeur van La ruche qui dit oui! ‘We voelen er niet voor om er een juridisch kader aan te geven. We streven naar zelfregulering; in het geval van een conflict stellen we ons op als bemiddelaars, en in 90 procent van de gevallen werkt dat goed.’

    Ze moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken

    Het bedrijf benadrukt wel dat het zich niet opstelt als overkoepelende organisatie, maar als dienstverlener en dat het de bijen dus ook niet in dienst heeft. Maar de bijen die een korf beginnen, verplichten zich wel voor een schijntje tot werk dat hen ‘minstens tien uur per verkoop’ kost, volgens de bijen die wij hebben gesproken. Zij moeten zelf de marketing doen, de producenten benaderen en consumenten zoeken, kwesties over verzekeringen en professionele normen regelen en de locaties voor de verkoopbijeenkomst zoeken.

    In Frankrijk hebben enkele plaatselijke producenten al in 2014 alarm geslagen, en de organisatie bestempeld tot ‘die Parijse horzels’. Hun kritiek: Het zijn opportunisten. Ze willen meesurfen op een vraag uit de markt, door mensen op een onzekere basis voor zich te laten werken, zonder ze in dienst te nemen. La Ruche qui dit oui! rekent een marge terwijl de boeren en mensen die verantwoordelijk zijn voor de korven het werk doen. Het is gewoon de ‘UberPop van de landbouw’. Dit protest is inmiddels weggezakt, maar het toont wel aan dat de sector van het ‘bewust consumeren’, die bezig is de niche te verruilen voor de mainstream, moeite heeft om zijn oorspronkelijke waarden overeind te houden.

    Auteurs: Olivier Baily, Sandrine Warsztacki, Chloé Andries, Céline Gautier, m.m.v. Steven Vanden Bussche (Apache) en François Heinrich
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Alexis Descampe en Baptiste Bataille, de stichters van bioketen Färm, in 2013. Baptiste is intussen weg. – © HH

    Médor
    België | medor.coop

    Médor is een Belgisch Franstalig tijdschrift dat onderzoeksjournalistiek bedrijft, sinds 2014 online en vanaf eind 2015 ook op papier. Het wordt uitgegeven door een coöperatie van journalisten, waarin ook lezers kunnen participeren. Het verschijnen van het eerste nummer op papier werd vertraagd doordat het Belgische bedrijf Mithra Pharmaceuticals vooraf bezwaar maakte tegen de inhoud, die eerder online was verschenen, omdat ‘reputatieschade’ aan het bedrijf zou worden toegebracht. De rechter verwierp het gevraagde verschijningsverbod, omdat ‘dit neigt naar censuur’. Médor wisselt artikelen uit met het Nederlandstalige magazine Apache.be, dat eveneens vanuit Brussel wordt gemaakt door een groep voormalige journalisten van het dagblad De Morgen. ‘Médor is onafhankelijker dan een Vlaamse nationalist en vrijer dan een Waalse regionalist samen’, aldus een slogan.