Tag: Europa

  • Hoe Europa het vertrek van zijn start-ups kan (en moet) voorkomen

    Hoe Europa het vertrek van zijn start-ups kan (en moet) voorkomen

    Europa’s meest veelbelovende start-ups trekken steeds vaker naar de Verenigde Staten. Om innovatief te blijven moet de EU haar inspanningen op dit gebied opvoeren.

    Innovatieve, snelgroeiende ondernemingen trekken vanwege onze gefragmenteerde financiële en kapitaalmarkten steeds meer naar de Verenigde Staten. Europa dreigt zelfs door buitenlandse financiering een deel van zijn innovatieve potentieel te verliezen nog voordat dit tot wasdom komt. Per slot van rekening krijgt meer dan een kwart van de Europese ondernemingen die met durfkapitaal worden gefinancierd geld uit de Verenigde Staten. Voor kapitaalinjecties van meer dan 100 miljoen dollar geldt dat zelfs voor meer dan de helft. 

    Starters blijken vooral te verhuizen als ze buitenlandse investeerders hebben

    We hebben de geschiedenis van 11.000 Europese start-ups in zeventien landen onderzocht. Zes procent van de bedrijven die tussen 2000 en 2014 hun eerste financiering ontvingen, heeft het hoofdkantoor naar het buitenland verplaatst, meestal naar de Verenigde Staten. Op zich is dat geen bijzonder groot getal. Maar juist deze zes procent bleek zeer succesvol en was goed voor zeventien procent van de door start-ups in Europa gecreëerde bedrijfswaarde in termen van waarde bij beursgang of verkoop. 

    Starters blijken vooral te verhuizen als ze buitenlandse investeerders hebben, en in de regel naar de stad waar hun investeerders gevestigd zijn. De meeste arbeidsplaatsen verhuizen mee. Vestiging in de nabijheid van durfkapitalisten heeft het voordeel dat die de ondernemingen in hun portfolio optimaal kunnen ondersteunen. Meestal verplaatsen starters hun hoofdkantoor niet per se naar juridisch of fiscaal voordelige locaties als de staat Delaware in de Verenigde Staten, zelfs niet als de product- of arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft. Een andere, zij het minder gebruikelijke reden voor verhuizing naar het buitenland is de keuze voor een bepaald geografisch gebied. Een goed voorbeeld daarvan is de Amerikaanse incubator Y Combinator. 

    Te klein

    Verrassend is het moment in hun ontwikkeling waarop start-ups naar het buitenland verhuizen. Uit de discussies over onvoldoende Europees kapitaal in de groeifase en een paar bekende individuele gevallen komt naar voren dat ze emigreren wanneer ze aanzienlijke bedragen nodig hebben en de binnenlandse durfkapitaalmarkt daarvoor te klein is. Uit ons onderzoek blijkt dat die verhuizing meestal zeer vroeg plaatsvindt, gemiddeld al drie jaar na de oprichting. Dat is een jaar na de eerste financiering, die meestal in het tweede jaar plaatsvindt. En dat is lang voor een beursgang of verkoop, die in deze groep na acht tot twaalf jaar te verwachten valt. In de regel verhuizen start-ups dus niet op het moment dat ze een grote kapitaalbehoefte hebben, maar willen ze op die situatie vooruitlopen, waarbij ze ervan uitgaan dat financiering van buiten Europa moet komen. 

    Deze resultaten laten niet alleen zien hoe belangrijk het bestaan van durfkapitaal op zich is. Ze tonen ook aan hoe belangrijk het is dat voor iedere groeifase afzonderlijk voldoende durfkapitaal beschikbaar is. Momenteel belemmert het ontoereikende aanbod van grote kapitaalvolumes in Europa start-ups in alle fasen van hun ontwikkeling. Als gevolg daarvan richten mensen die een onderneming willen beginnen zich soms meteen al op het buitenland. En zo wordt de kans steeds kleiner dat succesvolle ondernemers later als business angels en durfkapitaalverstrekkers de ontwikkeling in Europa helpen stimuleren. 

    Dit geldt in het bijzonder voor innovatieve, complexe techbedrijven. In Duitsland bestaat nu eindelijk een veelbelovende, brede generatie aan nieuwe ondernemingen, bijvoorbeeld Isar Aerospace (commerciële verkenning van de ruimte), Planqc (kwantumcomputers) en Proxima (kernfusie). Deze staan allemaal voor de uitdaging zich op te schalen. Vanwege de kostbare hardware hebben ze vaak behoefte aan grotere, gedifferentieerde financiering en een intelligente begeleiding, bestaande uit technologisch experts en een netwerk van financiers, adviseurs en klanten in de desbetreffende sector. Goede fondsen hebben die dus nodig om start-ups goed te kunnen begeleiden.

    De overheid is nodig als financier, als klant en als regelgever

    In Duitsland is een verbreding van het financieringsaanbod noodzakelijk, inclusief zulke gespecialiseerde fondsen – of het nu gaat om innovatieve, complexe technologie of de defensiesector. Alleen op die manier kan de ontwikkeling van nieuwe ondernemingen effectief en op niveau worden ondersteund. En dat zal zijn weerslag vinden in de levensvatbaarheid, de waardering en de economische bijdrage van deze ondernemingen, zelfs als ze uiteindelijk in Amerika naar de beurs gaan. 

    Om Europa’s innovatievermogen veilig te stellen, zullen financiers, de industrie en de overheid nu in actie moeten komen. De overheid is nodig als financier, als klant en als regelgever. Als we deze gezamenlijke inspanning niet realiseren, zullen we straks technologiebedrijven verliezen die we ook in Europa kunnen houden en hier verder kunnen ontwikkelen. 

    Ann-Kristin Achleitner is hoogleraar economie aan de TU München en durfkapitalist. Reiner Braun is hoogleraar ondernemingsfinanciering en Stefan Weik postdoc onderzoeker aan dezelfde universiteit.

  • De 1,2 biljoen euro die de EU moet gaan redden

    De 1,2 biljoen euro die de EU moet gaan redden

    De nieuwe EU-begroting voor 2028–2034 moet het continent wapenen tegen oorlog, klimaatcrisis en de opkomst van extreemrechts. Maar de onderhandelingen beloven zwaar te worden.

    In september 2023 kreeg de voormalige Italiaanse premier Mario Draghi het verzoek van Ursula von der Leyen om zich nog één keer voor Brussel in te zetten, namelijk door Europa weer concurrerend te maken. Na enige aarzeling stemde hij toe, en half juli kwamen zijn ideeën over concurrentievermogen centraal te staan toen Von der Leyen haar blauwdruk voor de volgende zevenjarige EU-begroting presenteerde.

    Het Meerjarig Financieel Kader (MFK), zoals dit omvangrijke langetermijnplan officieel heet, zal gelden van 2028 tot 2034. Het feit dat er twee jaar is uitgetrokken voor onderhandelingen over de inhoud, laat zien dat Von der Leyen zoals gebruikelijk een zware strijd met de nationale regeringen verwacht. Deze regeringen moeten unaniem instemmen met de inhoud. 

    De inzet kan nauwelijks hoger liggen. Het MFK‑voorstel zal de EU moeten financieren voor onder meer een handelsoorlog met Donald Trumps Amerika, een echte oorlog met Vladimir Poetins Rusland, toenemende concurrentie vanuit China, conflicten in het Midden‑Oosten, klimaatverandering, internationale migratie en de opkomst van extreemrechtse bewegingen met anti‑Brusselse agenda’s. 

    ‘We zijn op het punt gekomen dat we, zonder actie, óf onze welvaart, óf ons milieu, óf onze vrijheid zullen moeten opofferen’ 

    Zoals Draghi, de gerespecteerde grootmeester van de Europese economie, zei: ‘We zijn op het punt gekomen dat we, zonder actie, óf onze welvaart, óf ons milieu, óf onze vrijheid zullen moeten opofferen.’ 

    De huidige kernbegroting van de EU bedraagt zo’n €1,2 biljoen. Dat is bepaald geen klein bedrag. Toch komt het neer op slechts ongeveer 1 procent van het totale EU-bbp, vergeleken met 48 procent van dat van Duitsland en 57 procent van dat van Frankrijk. Gezaghebbende waarnemers als Draghi stellen dat de publieke investeringen op EU-niveau bij lange na niet toereikend zijn voor de uitdagingen die het continent voor zijn kiezen krijgt. 

    De vraag is dus: hoe groot moet het Brusselse budget worden? Sommige landen willen helemaal geen verhoging, terwijl andere opperen dat het EU‑budget moet worden verdubbeld. ‘Dit is de bandbreedte: nul tot verdubbeling. Mijn inschatting is dat je met een verhoging van minder dan de helft al veel kunt bereiken,’ zegt Jan Stráský, hoofdeconoom bij de OESO, tegen POLITICO. ‘Als 20 of 30 procent’ – wat het totale budget op zo’n 1,3 procent van het Europees bbp zou brengen – ‘goed wordt besteed, kan dat een enorme verbetering zijn.’ 

    Ambitieus

    Naast een groter budget raadt de OESO in een rapport aan om bestaande EU‑fondsen te hervormen; er zou meer nadruk moeten worden gelegd op defensie en een beter geïntegreerde elektriciteitsmarkt. Dat laatste zou de stroomkosten moeten verlagen om groei te stimuleren. 

    Een groter deel van de publieke uitgaven zou volgens de denktank naar Brussel moeten gaan om grensoverschrijdende infrastructuurprojecten te coördineren, zoals elektriciteitsverbindingen en gezamenlijke defensieprojecten. 

    Andere analisten stellen dat Brussel nog veel ambitieuzer moet zijn. Volgens Zsolt Darvas, een van de auteurs van een nieuwe studie van denktank Bruegel, moet het MFK‑budget ongeveer verdubbelen om onder meer de klimaattransitie te financieren en de schulden van de coronaperiode af te lossen. 

    ‘De Europese Unie staat onder toenemende druk om problemen met een steeds duidelijker Europees karakter op te lossen,’ concludeert de studie van Bruegel. ‘Maar het belangrijkste financiële instrument van de EU, de begroting, is blijven steken in het verleden.’ 

    Darvas stelt voor het budget te verhogen tot ongeveer 2 procent van het Europees bbp. 

    Zweden wil niet zomaar meegaan in het verhaal dat we nu een grotere begroting nodig hebben omdat er nieuwe problemen zijn’

    Sommige landen, waaronder Frankrijk, zijn het ermee eens dat het EU‑budget moet groeien. Andere landen, zoals Duitsland en Nederland, willen juist geen groei. ‘Zweden wil niet zomaar meegaan in het verhaal dat we nu een grotere begroting nodig hebben omdat er nieuwe problemen zijn,’ zegt ook de Zweedse minister voor EU‑zaken Jessica Rosencrantz tegen POLITICO. ‘We zullen binnen de bestaande begroting prioriteiten moeten stellen.’ Zweden is een van de landen die willen dat het MFK zich vooral richt op defensie en veiligheid. Sommige analisten wijzen er echter op dat EU-wetgeving het blok verbiedt om via de langetermijnbegroting directe militaire uitgaven te doen. ‘Hoe dat precies moet worden geformuleerd of weergegeven in de begroting, moeten we nog nader bekijken,’ aldus minister Rosencrantz. ‘Maar ik denk dat defensie, veiligheid, steun aan Oekraïne en ook concurrentievermogen de thema’s zijn waarop een nieuwe begroting zich zou moeten richten.’

    Ook Mario Draghi pleitte voor een radicale vereenvoudiging van de EU-begroting – een voorstel dat Ursula von der Leyen overnam in haar plan om de twee grootste uitgavenposten, het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Cohesiefonds, samen te voegen tot één megafonds.

    Een tweede voorgestelde aanpassing is de oprichting van een Europees Concurrentiefonds, dat investeringscapaciteit moet creëren voor sleutel­sectoren en steun biedt aan onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast stelt het voorstel de oprichting voor van een nieuw extern fonds, waarin ontwikkelingshulp en diplomatieke uitgaven worden gebundeld.

    Woedend

    Ook zijn sommige EU‑landen en politici nu al woedend over de hervormingen en hun impact op de financiering voor Europese boeren en economisch kwetsbare regio’s. 

    Het lastigst is het waarschijnlijk om te bepalen waar het geld überhaupt vandaan moet komen. Er woedt nu al een fel debat over de vraag of nieuwe vormen van zogeheten ‘eigen middelen’ – de inkomsten van de EU – moeten worden goedgekeurd als onderdeel van de nieuwe begroting, bijvoorbeeld door Brussel een groter aandeel te geven in bestaande belastingopbrengsten.

    Een veelgenoemd argument vóór nieuwe eigen middelen is dat dit de politieke spanningen over de bijdragen van verschillende landen kan verminderen. Nettobetalers zoals Duitsland, Nederland en Zweden storten meer in de pot dan ze terugkrijgen. Dat maakt het voor deze regeringen vaak moeilijker om aan hun eigen volk te rechtvaardigen dat het totale EU-budget omhoog moet. 

    Een van de manieren om geld te besparen is door te voorkomen dat ‘ook maar één euro’ naar een land gaat dat de democratische principes van de EU schendt, zegt Rosencrantz. Dat sluit aan bij de plannen van de Commissie voor het volgende MFK. 

    ‘Als je kijkt naar de geschiedenis, zie je dat er slechts zeer beperkte veranderingen zijn doorgevoerd’

    Het team van Von der Leyen werkt momenteel aan een nieuw systeem van ‘conditionaliteit’, dat strengere financiële sancties mogelijk moet maken voor landen als Hongarije (en eerder Polen), die volgens Brussel de democratische vrijheden ondermijnen die de EU als kernwaarde beschouwt. Maar aangezien elk EU-land, ook het Hongarije van Viktor Orbán, het volledige begrotingspakket moet goedkeuren, is het allerminst zeker dat zulke bepalingen uiteindelijk in de definitieve begroting worden opgenomen.

    In essentie raakt de vraag of landen moeten worden gestraft voor het schenden van de ‘rechtsstaat’ aan dezelfde fundamentele kwestie die als een schaduw over het hele begrotingsproces hangt: waar is de Europese Unie eigenlijk voor bedoeld? Hoeveel moeten de 27 lidstaten in dit tijdperk van wereldwijde crises gezamenlijk aanpakken? Wat hoort gecoördineerd te worden vanuit de glanzende torens in Brussel, en wat zouden de lidstaten zelf moeten bepalen?

    Uiteindelijk zullen de omvang en de reikwijdte van de nieuwe EU-begroting een weerspiegeling zijn van het collectieve antwoord op die vraag. ‘Als je kijkt naar de geschiedenis van de onderhandelingen over het MFK, zie je dat er slechts zeer beperkte veranderingen zijn doorgevoerd,’ aldus Darvas, een van de auteurs van het Bruegel-rapport. Volgens hem is het grootste risico voor de EU dat de unanimiteit ‘de ruimte voor hervorming ernstig beperkt’. ‘We hebben altijd te maken gehad met grote starheid,’ voegt hij toe. ‘Ik ben er niet van overtuigd dat dat deze keer wezenlijk anders zal zijn.’

  • Europese steden moeten zich wapenen tegen extreme hitte

    Europese steden moeten zich wapenen tegen extreme hitte

    ‘Groenvoorzieningen, schaduw en zwemplekken zullen de klimaatcrisis niet oplossen, maar ze worden wel steeds belangrijker’, schrijft Alexander Hurst in The Guardian.

    In de rivier de Limmat drijven mensen in zwembanden van hun werk naar huis, sommigen nonchalant met een biertje in de hand. De Limmat, die stroomt van Zürich via Baden naar Brugg en daar samenkomt met de Reuss en de Aare, is dan ook zo helder dat hij je niet alleen bijna smeekt om erin te springen, maar ook om ervan te drinken.

    Het Canal Saint-Martin in Parijs roept minder snel dergelijke verlangen op, maar tijdens de moordende 38 graden onlangs stond voor een van de voetgangersbruggen over het kanaal eveneens een rij mensen te wachten op hun beurt om erin te springen of te duiken, een achterwaartse salto te maken of gewoon plat op hun buik op het water te ploffen.

    Ground zero

    Terwijl de klimaatcrisis ons steeds harder met onze neus op haar desastreuze gevolgen drukt, zijn steden tijdens hittegolven hun eigen ground zero. Het is geen geheim dat Parijs met een tekort aan groene ruimte en lommerrijke bomen kampt en onder aan de Green View Index van het Massachusetts Institute of Technology bungelt. De weidse groene gazons van het Parc Montsouris en naar zijn bruiswaterfontein, waar iedereen gratis uit kan drinken, zijn een uitzondering; hiervan bevinden zich zeventien in de hele stad.

    Hoe kunnen we, terwijl de trottoirs zinderen en het zweet ons tappelings van het lijf loopt, meer groene ruimtes en leefbaarder straten creëren in een dichtbevolkte stad, waar de woningen zo slecht bestand zijn tegen steeds hetere zomers?

    De beste manier lijkt door zo veel mogelijk beplanting aan te brengen en het verkeer waar mogelijk een halt toe te roepen. Een groene muur bij metrostation Sentier; struiken, bomen, bloemen en wild gras op voormalige parkeerplaatsen op de Rue de Sully; de Rue Charles Moureau in het 13e arrondissement is tot voetgangersgebied getransformeerd en honderden soortgelijke straten zullen volgen. Voor het Parijse stadhuis groeit een stadsbos, het derde in de hoofdstad tot nu toe, nadat een kaal en door de zon geteisterd stuk beton van het Place de Catalogne het veld geeft geruimd voor 470 bomen, en in het 20ste arrondissement is een voormalige ringspoorlijn omgetoverd tot een groene oase.

    Zelfpromotie of niet, er zijn Parijzenaars genoeg die popelen om een duik te nemen in de Seine

    Op zondag 6 juli jongstleden kwam de Parijse burgemeester Anne Hidalgo haar beruchte belofte na en verklaarde de Seine voor het eerst in een eeuw officieel weer geschikt om in te zwemmen. Zelfpromotie of niet, er zijn Parijzenaars genoeg die popelen om een duik te nemen.

    Hoewel geen van deze plaatselijke verbeteringen een substituut is voor grootschalige politieke actie om de klimaatcrisis aan te pakken, is het nodig alle zeilen bij te zetten om onze steden leefbaar te houden tijdens extreme hitte. Of het nu gaat om zwemvijvers of schaduwrijke plekjes, alle beetjes helpen.

    In Parijs zijn ze bijvoorbeeld bezig met het renoveren van een kruispunt, waarbij ook ruimte wordt gemaakt voor een pleintje. Tot voor kort bestond alles op die plek uit warmteabsorberend asfalt; nu is het asfalt vervangen door steen, dat de zon beter weerkaatst, en is de helft van het voorheen geasfalteerde gebied beplant. Visueel is alles er al onmiskenbaar op vooruitgegaan en over een paar jaar, wanneer de planten volgroeid zijn, zal het voormalige hitte-eiland getransformeerd zijn in een plek die koeler is, en bovendien aantrekkelijker.

    Ook het voetgangersgebied langs de Seine en het grote aantal aangelegde fietspaden sorteert het nodige effect en worden gretig gebruikt, ook al heeft Hidalgo aanvankelijk de nodige kritiek moeten incasseren. 

    Volgens Luc Berman van ‘Le réseau vélo et marche’, een collectief dat werkt aan de verbetering van de infrastructuur voor voetgangers en fietsers, is het percentage fietsritten in Parijs de afgelopen tien jaar gestegen van twee naar twaalf en het percentage autoritten verminderd van twaalf naar vier. ‘In geen enkele andere stad ter wereld van dit formaat is het zo snel gegaan,’ zegt Berman. ‘Het is een voorbeeld van wat er met politieke moed op plaatselijk niveau kan worden bereikt.’

    Niemand wil verantwoordelijk gehouden worden voor oververhitte bejaardentehuizen, scholen, metro’s of kerncentrales

    Meteen na de covidlockdowns heeft de stad schijnbaar overal betonnen barrières opgeworpen om ruimte voor fietsers te creëren en restaurants toestemming gegeven om hun terrassen naar de straat uit te breiden. Deze tijdelijke maatregelen hebben inmiddels geleid tot een permanente fietsinfrastructuur en een permanente vraag naar uitbreidingsvergunningen voor restaurantterrassen.

    Ondertussen probeert de ultrarechtse partij van Marine Le Pen van de verplichte invoering van airconditioning een cause célèbre te maken en verzet ze zich openlijk tegen het aanpakken van de oorzaak van de opwarming door het enige forum dat daarvoor belangrijk genoeg is: de EU. De andere Franse partijen zouden er goed aan doen om het thema niet aan Le Pen over te laten: niemand wil verantwoordelijk gehouden worden voor oververhitte bejaardentehuizen, scholen, metro’s of kerncentrales – allemaal plekken waar airconditioning onmisbaar is geworden. Tegelijkertijd is het in Parijs nauwelijks mogelijk om dit probleem grootschalig aan te pakken: in de talloze negentiende-eeuwse appartementsgebouwen is het technisch en bouwkundig haast onmogelijk om structureel iets aan de hitte te doen.

    Dit probleem zal in de toekomst allerminst kleiner worden. Volgens de Canadese zoöloog en klimaatactivist David Suzuki, die al decennialang pleit voor een duurzamer samenspel tussen mens en natuur, is het inmiddels onwaarschijnlijk dat we de klimaatcrisis nog volledig kunnen afwenden. Maar dat maakt verdere actie niet zinloos. Elke tiende graad temperatuurstijging die we weten te voorkomen, telt – voor ecosystemen, voor stedelijke infrastructuur, en voor de gezondheid van miljoenen mensen. In dat licht hebben ook steden de opdracht zich te blijven aanpassen aan de veranderende omstandigheden. 

  • Een race om de zeldzame metalen van Groenland 

    Een race om de zeldzame metalen van Groenland 

    De Europese Unie, voor mineralen en metalen nu nog afhankelijk van China, begint een charmeoffensief om de talrijke Groenlandse ­bodemschatten in handen te krijgen, zo blijkt uit een reportage in het Deense dagblad Politiken.

    Het lijkt misschien een cliché om te zeggen dat een bureaucratisch instituut als de Europese Commissie met een geopolitieke aardbeving te maken zou kunnen krijgen die ramen en vloeren doet schudden. Toch is dat precies wat er gebeurde toen Rusland in 2022 Oekraïne binnenviel. Het ging uiteraard allereerst om een militaire aanval op een Europees land, maar ook beseften tal van Europese landen opeens hoe afhankelijk ze waren van olie en gas uit Rusland. Ze vreesden dat als Poetin de kraan dicht zou draaien, duizenden Europese bedrijven lamgelegd ­zouden worden en miljoenen huishoudens in Europa zonder verwarming zouden komen te zitten. 

    Al snel na de invasie bleek dat de Europese landen het zonder Rusland konden stellen. Dit keer kwam Europa met de schrik vrij. Wel leerde Brussel de les dat Europa nooit meer afhankelijk zou mogen worden van dictators en autocraten.

    Momenteel dreigt zich een zelfde scenario te ontwikkelen, al gaat het nu niet meer alleen om olie en gas, maar ook om onder meer koper, lithium en magnesium. Veruit het grootste deel van de mondiale productie van mineralen en metalen die Europa in de toekomst nodig zal hebben voor de productie van windturbines en elektrische auto’s, maar ook van mobiele telefoons, computers en wapens, is vooralsnog afkomstig uit China.

    Grootmacht

    De Europese Commissie heeft daarom momenteel haar ogen gericht op Groenland [een autonoom eiland dat deel uitmaakt van EU-lidstaat Denemarken], waarvan de bodem niet minder dan 25 van de 34 mineralen en metalen bevat die de EU als de cruciaalste beschouwt voor haar technologische evolutie. ‘Groenland is een soort grootmacht als het gaat om kritieke grondstoffen,’ zei Jutta Urpilainen, voormalig Eurocommissaris voor Internationale Partnerschappen, half september tijdens haar bezoek aan de hoofdstad Nuuk.

    De EU heeft Groenland dus nodig, maar Groenland heeft kennelijk ook de EU nodig. Erik Jensen, minister van Financiën en Fiscaliteit in de Groenlandse regering, benadrukt tegenover Politiken dat het eiland zijn mijnbouwindustrie op grote schaal wil ontwikkelen. Daarmee zou de komende vijf tot tien jaar inderdaad een economische basis kunnen worden gelegd voor de onafhankelijkheid van Groenland. 

    ‘Groenland is een gigantisch land. Wij zijn er absoluut van overtuigd dat als we onze bodemschatten beter benutten, onze financiële situatie in de toekomst zal verbeteren. Het was geen grap dat Donald Trump ­tijdens zijn eerste termijn als president met het idee kwam om Groenland op te kopen,’ zegt Jensen, en hij voegt eraan toe: ‘Groenland is niet te koop, maar wel bereid om zaken te doen.’

    Verhuld dreigement

    Jensen zou graag zien dat buitenlandse bedrijven in ruil voor een deel van de toekomstige winst het risicokapitaal verstrekken dat nodig is voor de aanleg van mijnen, en dat Groenland zijn deel van de jackpot zal krijgen via vennootschaps- en inkomstenbelastingen en licentierechten. Dat zou een situatie creëren die voor alle partijen voordelig is. Maar zijn boodschap kan misschien ook worden opgevat als een verhuld dreigement. De Groenlandse regering is zich ervan bewust dat niet alleen de EU, maar de hele wereld inmiddels zit te springen om de grondstoffen die zich in de Groenlandse bodem bevinden.

    Toen de regering in Nuuk afgelopen februari haar nieuwe beleidsplannen op het gebied van buitenlandse betrekkingen, veiligheid en defensie presenteerde, sprong vooral in het oog dat Groenland van plan was zijn economie te diversifiëren. In het kader daarvan wilde het niet alleen zijn handelsrelaties met bijvoorbeeld de VS, Canada en de EU verder uitbouwen, maar ook die met China. Op een vraag naar deze nieuwe strategie antwoordt Jensen dat het de Groenlandse regering ‘niet uitmaakt of haar handelspartners blauw, geel of rood zijn’, zolang ze zich maar aan de Groenlandse wet houden. ‘Wij houden natuurlijk wel in de gaten met wie we samenwerken,’ voegt hij eraan toe. Naast zijn portefeuille als minister is Jensen voorzitter van een van de twee partijen in de Groenlandse regering, het sociaaldemocratische Siumut. 

    Noorwegen

    In Noorwegen wachten tegenstanders van de exploitatie van mineralen uit de zeebodem in spanning op de week van 13 tot 17 januari 2025. Dan zal een rechtbank in Oslo beslissen of het besluit van de centrumlinkse regering om die exploitatie toe te staan wettelijk geoorloofd is of niet. Volgens het Wereld Natuur Fonds is dat niet het geval. Het spande daarom een proces aan tegen de Noorse staat, dat in het buitenland met veel belangstelling werd gevolgd omdat het een van de eerste keren was dat er bezwaar werd aangetekend tegen exploratie van de zeebodem. Ondanks veelvuldige kritiek gaf het Noorse parlement groen licht voor dergelijke activiteiten in een enorm onderwatergebied. Maar hoe het vonnis in januari ook zal uitvallen, inmiddels heeft een parlementaire meerderheid op 1 december besloten dat er in 2025 geen exploratievergunningen zullen worden verleend aan energiemaatschappijen om in Noorwegen aan de slag te gaan. Een tegenvaller die de regeringspartijen tijdens de jongste begrotingsonderhandelingen hebben moeten incasseren.

    Naar de mening van voormalig Eurocommissaris Urpilainen heeft de EU meer te bieden dan China. Volgens een rapport van de Chinese denktank The Green Finance and Development Center heeft de regering in Beijing de afgelopen tien jaar zo’n 890 miljoen euro gestoken in de ontwikkeling van het Belt and Road Initiative, de nieuwe Zijderoute, met als doel de handelsbetrekkingen van China met de rest van de wereld uit te breiden. In het kader daarvan heeft China met name wegen, luchthavens, havens en spoorwegverbindingen gefinancierd in tal van landen die projecten van een dergelijke omvang niet zelf konden ondersteunen. Maar tegelijkertijd zijn deze investeringen aan strenge voorwaarden gebonden en wordt Beijing ervan beschuldigd dat het deze landen in Chinese marionetstaten heeft veranderd.

    De Europese Commissie kan niet rechtstreeks investeren in mijnbouwprojecten in Groenland, maar wel bankgaranties verstrekken voor de leningen die bedrijven zullen moeten afsluiten voor de aanleg van mijnen in Groenland. Ook kan de Commissie Groenland helpen om gespecialiseerde arbeidskrachten op te leiden die nodig zijn voor de exploitatie van de mijnen, zodat het land in de toekomst over genoeg competentie zal beschikken. Het idee is dat de EU op deze manier minder afhankelijk wordt van China en met nieuwe partners kan gaan samenwerken.

    Zullen Europese bedrijven in dat geval bereid zijn meer te betalen voor Groenlandse mineralen en metalen dan voor Chinese?

    Er zijn enkele onzekere factoren. Zo wijst Rasmus Leander Nielsen, hoofd van het Centrum voor buitenland- en veiligheidsbeleid van de Universiteit van Groenland, erop dat zijn land er tot nu toe niet in is geslaagd grote mijnbouwprojecten te realiseren. Bovendien kan de aanleg van een nieuwe mijn gemakkelijk tien tot twintig jaar vergen, omdat er eerst geologisch en ecologisch onderzoek moet worden verricht en er een hele reeks vergunningen moet worden verkregen. Om nog maar te zwijgen van de enorme investeringen. 

    Ook is het maar de vraag of mijnbouw in Groenland wel een goede zaak is. We hebben al gezien dat China in staat was de prijzen van mineralen en metalen te verlagen om onlangs geopende mijnen die buiten de zeggenschap van China vielen de loef af te steken. Op dezelfde manier heeft Beijing bijvoorbeeld de prijzen van Chinese elektrische auto’s verlaagd om zijn Europese concurrenten te verslaan. Als de mijnbouw in Groenland werkelijk doorgang vindt, is het dus voorstelbaar dat China de prijzen van grondstoffen zal verlagen. Zullen Europese bedrijven in dat geval bereid zijn meer te betalen voor Groenlandse mineralen en metalen dan voor Chinese? 

    Ten slotte werd de afgelopen jaren een groot mijnbouwproject in de buurt van Kvanefjeld in het zuiden van Groenland stilgelegd omdat de lokale bevolking bang was voor grootschalige ­uraniumvervuiling. Het is de vraag of Groenland over voldoende politieke stabiliteit beschikt om te garanderen dat de besluiten die momenteel worden genomen over vijf, tien of vijftien jaar nog steeds van kracht zijn. ‘Dat weet je maar nooit in een democratie,’ zei Urpilainen hierover. ‘Maar ik denk ook dat het hoog tijd wordt dat Groenland zijn economie gaat diversifiëren.’ 

  • Trumpvluchtelingen strijken neer in Portugal

    Trumpvluchtelingen strijken neer in Portugal

    In een tijd van groeiende politieke polarisatie in de Verenigde Staten kiezen duizenden Amerikanen ervoor om hun thuisland te verlaten. Op zoek naar rust, stabiliteit en levenskwaliteit trekken velen van hen naar Portugal.

    Tijdens de pandemie werd de situatie ondraaglijk. ‘Tijdens de verkiezingen van 2020 rukten Trumpaanhangers ons in het stemlokaal de mondkapjes van het gezicht,’ zegt Tatiana. ‘Ze schreeuwden tegen ons.’ Toen ze daarna het Capitool bestormden wisten ze: we moeten hier weg.

    Sinds de herfst van 2021 leeft Tatiana met haar man Jason en hun twee zonen in Portugal, net als volgens voorzichtige schattingen 14.000 van hun landgenoten. Precieze cijfers zijn er niet, maar wel aanwijzingen dat het aantal de laatste tijd sterk stijgt. Bijna 23.000 leden telt de Facebookgroep ‘Americans in Portugal’, meer dan 52.000 zijn het er bij ‘Americans and Friends PT’, op dit moment komen daar 150 per week bij. Paul Stannard, oprichter van ‘Portugal Pathways’, dat welgestelde emigranten helpt om zich in Portugal te vestigen, schrijft in een bericht van zijn bedrijf dat de aanvragen sinds de laatste presidentsverkiezingen in de VS zijn verdrievoudigd. Portugal is nummer 1 zijn van de Europese bestemmingen.

    ‘Wij wilden onze kinderen een bredere blik op de wereld bieden’

    Elysia Busick, die sinds 2017 met haar bedrijf Waypoint mensen uit Engelstalige gebieden helpt bij de emigratie naar Lissabon, zegt dat vroeger ruim de helft van haar klanten uit de VS kwam. ‘Momenteel is het 100 procent,’ zegt ze. De afgelopen maanden is het aantal aanvragen met ruim 60 procent gestegen. 

    Voor Amerikanen zijn er verschillende soorten visa mogelijk. Wie ten minste een half miljoen euro in Portugese effecten investeert, kan middels het ‘gouden visum’ een verblijfsvergunning aanvragen. Voor Amerikaanse staatsburgers met een ‘passief inkomen’ is er een visum dat D7 heet, voor de doelgroep van renteniers en pensionado’s. D8 is het visum voor ‘digitale nomaden’, mensen die overal ter wereld online kunnen werken.

    Al langer droomden Jason, Tatiana en hun zonen over een ander land. ‘Wij wilden onze kinderen een bredere blik op de wereld bieden,’ zeggen ze. Maar pas toen de gebeurtenissen escaleerden tijdens de pandemie, besloten ze te gaan. Ze wogen af wat ze belangrijk vonden. Voor Tatiana was veiligheid een belangrijk punt. Jason wilde vooral gematigde temperaturen. Ook een betaalbare gezondheidszorg behoorde tot de prioriteiten. ‘Niet zoals in de VS,’ zegt Tatiana. Costa Rica kwam in aanmerking. Ook Ierland. ‘Maar steeds opnieuw kwam Portugal bovendrijven,’ vertelt Jason. En dus besloten ze te kiezen voor dat land aan de westelijke rand van Europa – zonder er ooit geweest te zijn, zonder zich een proeftijd te gunnen.

    Tussen de Portugezen

    Al in de Verenigde Staten organiseerde Tatiana op professionele basis internetgemeenschappen. Ook in Portugal beheert ze nu meerdere Whatsapp- en Facebookgroepen. Een daarvan heet ‘Gezinnen die in Portugal wonen of daarheen verhuizen’. Jason laat een diagram zien met een statistiek over het aantal leden: de lijn loopt al weken steil omhoog, tot intussen bijna 13.000. 

    Een in de advisering van emigranten gespecialiseerde dienstverlener die zich Expatsi noemt ontdekte de groep en huurde Tatiana in. Nu adviseert ze Amerikanen die weg willen over het Europese onderwijssysteem.

    Met haar gezin woont ze nu op 95 vierkante meter op de eerste verdieping van een flatgebouw in het stadsdeel Alcântara in Lissabon. Hoog boven de wijk zweeft de oprit van de reusachtige ‘25 april’-brug. Hemelsbreed wonen ze maar 4 kilometer van de oude stad, en toch ver van het toeristische centrum.

    ‘Wij zijn de enige expats in dit gebouw,’ zegt Jason. De woning is veel kleiner dan het huis dat ze in de VS bewoonden, vertelt Tatiana. De makelaar wilde ze eerst in een dure buitenwijk aan zee onderbrengen, ‘maar we wilden niet tussen andere Amerikanen wonen, of in een gated community. Wij wilden ons tussen de Portugezen bevinden.’

    De Portugezen zijn ‘extremely nice’, maar toch meer een ‘gesloten groep’

    Maar de relatie met de Portugezen, dat is nog wel een dingetje. Veel Portugese vrienden hebben ze niet, zegt Jason. De autochtonen zijn vriendelijk en hulpvaardig, maar blijven het liefst onder elkaar. ‘De mensen hier kennen elkaar meestal al een leven lang,’ zegt Jason, ‘ze zitten niet te wachten op nieuwe vrienden.’ 

    ‘Toch mogen we de Portugezen graag. Het zijn de hulpvaardigste mensen die ik ooit ben tegengekomen,’ zegt Tatiana. Maar in chats van Amerikaanse expats in Portugal, bijvoorbeeld van een gemeenschap die in Setúbal ten zuiden van Lissabon woont of in de Facebookgroep Moving to Portugal, zoeken de nieuwe burgers van Portugal naast praktische adviezen, van de loodgieter tot de belastingadviseur, vooral naar sociale contacten – en vooral met landgenoten. Een man uit Arizona schrijft dat hij in de zomer Portugal wil verkennen en later met zijn vrouw erheen wil verhuizen. ‘Wij zijn geïnteresseerd in een plaats met een Amerikaanse expatgemeenschap.’ Een renteniersechtpaar kondigt op expatforum.com aan dat ze naar Frankrijk gaan verhuizen. Want Portugezen zijn ‘extremely nice’, maar toch meer een ‘gesloten groep’.

    Is de taal een barrière? ‘Daar werken we aan,’ zegt Jason. Een beetje Spaans kenden ze al, ze komen immers uit Texas. Ze hebben cursussen gedaan, ook een die door de stad werd aangeboden. Nu zijn ze van plan zich in te schrijven voor een intensieve cursus aan een taalschool die andere expats aanbevelen; elke dag drie uur. Terwijl de oudste van hun zonen inmiddels in Italië studeert, maakt de jongere op dit moment zijn middelbare school af. En hij speelt rugby bij de lokale vereniging, een paar straten verderop. ‘Vloeken kan hij al perfect in het Portugees,’ zegt Tatiana, ‘daar is ie heel bedreven in.’ 

    Cultuurclash

    Na de jaren in Portugal kijken ze anders terug op hun leven in de Verenigde Staten. ‘Pas hier heb ik gemerkt hoeveel diepvriesvoedsel wij altijd gebruikten,’ zegt Jason. ‘We moesten leren om onze eigen dressing te maken,’ zegt Tatiana. Ook hadden ze veel meer ruimte in hun huis in Texas, bijvoorbeeld een aparte kamer voor hun kleren. 

    Maar dat missen ze niet. Van Jasons pensioen na een leven als ambulanceverpleegkundige en hun advieswerk voor expats kunnen ze goed leven in Portugal. ‘Ik vind het hier fijn,’ zegt Tatiana. Ze zien er zelfs een beetje tegenop om weer naar Amerika te reizen, wat ze deze zomer van plan zijn. Veel in de VS herinnert haar intussen aan haar kinderjaren, vertelt Tatiana, die haar eerste levensjaren in de voormalige Sovjet-Unie doorbracht. Zoals dat je moet oppassen tegen wie je wat zegt.

    De politiek heeft ook de verhouding met hun ouders bemoeilijkt. Tatiana’s vader, die in Florida woont, is een schoolvoorbeeld van een Maga-aanhanger. Net als veel Amerikanen is hij ervan overtuigd dat de verkiezingen van 2020 van Trump gestolen werden. ‘Als we met hem praten, trekt hij onze bronnen in twijfel,’ zegt Tatiana. Hij heeft nu eenmaal ’andere feiten’. Ze gaan niet langer met hem in discussie.

    Zou je niet juist in moeilijke tijden daar moeten blijven en vechten voor de vrijheid?

    Zijn er ook Maga-mensen onder degenen die willen emigreren in de chatgroepen? ‘Soms ontstaan er interessante chats,’ zegt Jason, een soort dansen rond de hete brei, waarbij je probeert in te schatten waar de ander staat. ‘Je vraagt het niet rechtstreeks, maar doorzoekt het Facebookprofiel. Of je stelt indirecte vragen, bijvoorbeeld naar iemands favoriete supermarkt in de VS. Als dat Target is, is het meestal een Trumpfan. Die supermarktketen heeft haar diversiteits- en emancipatiebeleid afgeschaft toen Trump daartegen tekeer ging. Tegenstanders van Maga gaan daar vrijwel niet meer heen, volgens Tatiana. Ze klinkt niet als een activist maar als iemand die diep bezorgd is.

    Maar is het dan een oplossing om het land te verlaten? Zou je niet juist in moeilijke tijden daar moeten blijven en vechten voor de vrijheid? ‘Ik denk dat je dat op twee manieren kunt benaderen,’ zegt Jason. ‘Ofwel je blijft en probeert de dingen te herstellen, wat een mooi idee is, als je dat kunt. Of je gaat ervandoor. ‘In de jaren dertig moest je in Duitsland ook zo’n keuze maken.’

    Soms maken Tatiana en Jason zich zorgen dat Trump Portugal op de korrel neemt. Misschien wil hij op enig moment de Azoren bezetten, net als Groenland, vrezen ze. ‘En hopelijk gooit Portugal dan niet de Amerikanen het land uit,’ zegt Tatiana.

    In september volgend jaar mogen ze het Portugese staatsburgerschap aanvragen. De procedure zal een paar jaar in beslag nemen. Maar dat is het plan, zeggen Tatiana en Jason. In Portugal blijven en Portugees worden.

  • Europa moet zijn eigen koers gaan varen

    Europa moet zijn eigen koers gaan varen

    Of het nu gaat om het ontketenen van een handelsoorlog of het onder druk zetten van Groenland, de Amerikaanse politiek wordt gedreven door een diepgewortelde haat jegens Europa.

    Het ‘Signalgate’-schandaal was een bevestiging van wat Europeanen al wisten. De minachting van de regering-Trump voor Europa zit diep en de trans-Atlantische breuk is onherstelbaar. Terwijl onze leiders in het openbaar het belang bagatelliseren van de verwijdering die onmiskenbaar gaande is, klinken de meesten achter de schermen een stuk minder stellig.

    Men blijft hoop koesteren dat Europa de meest vergaande consequenties van de teloorgang van de onderlinge band zal weten te voorkomen – of dat nu een invasie van Groenland is, het terugtrekken van de Amerikaanse strijdkrachten uit de NAVO of een volledige handelsoorlog. Op dit moment is het vooral van belang dat de Europese leiders alles op alles zetten om te zorgen dat een gemeenschappelijk Europa er op de een of andere manier in zal slagen Oekraïne overeind te houden als een vrij, onafhankelijk en democratisch land, als (of misschien wanneer) de VS Kyiv voor de haaien gooien. Maar we moeten de illusie laten varen dat dit zal gebeuren in samenwerking met Washington, of zelfs maar met Washingtons stilzwijgende goedkeuring.

    Geen verrassing

    Hoewel Signalgate niet echt als een verrassing kwam, was het toch schokkend. Het was geen verrassing omdat de persoonlijke animositeit jegens de Europese landen, die overduidelijk doorklinkt in de verondersteld vertrouwelijke chatgroep van het Amerikaanse nationale veiligheidsteam, maar weinig verschilt van wat overheidsfunctionarissen in het openbaar hebben gezegd. Denk aan JD Vance op de veiligheidsconferentie in München in februari, denk aan de speciale gezant Steve Witkoff in zijn interview met Tucker Carlson, of aan Donald Trump zelf met zijn eindeloze verklaringen en berichten op sociale media. Er is een opmerkelijke consistentie in al die uitingen, zowel openbaar als privé: Europa heeft haar beste tijd gehad, is arrogant en gedraagt zich als een profiteur.

    Maar wat desondanks als een schok kwam, is dat Amerika Europa niet alleen ziet als een werelddeel dat op sterven na dood is, maar dat Trumps regering maar al te graag het laatste zetje wil geven. Hoe je ook tegen de Houthi-dreiging in de Rode Zee aankijkt, het Amerikaanse beleid stoelt op de gedachte dat een aanval op de pro-Iraanse milities in het belang is van de eigen nationale veiligheid. Maar zoals Vance en Pete Hegseth duidelijk maakten in de groepschat, denken de VS ook dat een aanval op de Houthi’s Europa in de kaart speelt, en dat is voldoende reden om eventueel af te zien van een aanval. Met andere woorden: het helpen van Europeanen wordt gezien als zo’n groot nadeel, dat het opweegt tegen het directe voordeel dat het uit de weg ruimen van een vermeende dreiging oplevert voor de VS zelf. Het schokkende zit hem in de diepgewortelde haat jegens Europeanen die uit deze kromme redenering spreekt.

    Het zal pijn doen, maar in dit conflict, waarin met gelijke munt wordt betaald, zal die pijn aan beide kanten worden gevoeld

    Deze diepe minachting heeft drie belangrijke consequenties voor Europa. Allereerst wat betreft de handel.

    Trump is zijn handelsoorlog begonnen tegen landen die volgens hem de Amerikaanse economie ‘een loer draaien’. De gevolgen van deze oorlog voor Amerika en Europa zullen op geen enkele manier worden verzacht door goodwill of historische banden, integendeel. Maar het is Europa’s wettelijke plicht om het handelsbelang van 27 regeringen te behartigen, en het blok heeft een gezamenlijk economisch gewicht waar de VS niet omheen kunnen. Het zal pijn doen, maar in dit conflict, waarin met gelijke munt wordt betaald, zal die pijn aan beide kanten worden gevoeld. Als de Europeanen één front vormen op het gebied van handel, en op het gebied van de regulering van technologie, zullen de VS niet al te wild tekeer kunnen gaan, al is hun haat nog zo irrationeel. Washington zal zich gedwongen zien tot een vergelijk te komen met Brussel, en uiteindelijk zal er een deal worden gesloten.

    Ten tweede: Groenland. Hier zal Amerika zich niet laten tegenhouden. Trump heeft keer op keer gezegd dat hij Groenland zal krijgen. Het provocerende reisje van Vance naar het eiland in het poolgebied en zijn snier naar Denemarken, dat de afgelopen decennia ‘slecht werk’ zou hebben verricht op het gebied van Groenlands veiligheid, maken duidelijk dat Washington de druk en de dwang alleen maar zal opvoeren.

    Maar de controverse laat ook zien dat het Europese verzet, dat in dit geval begon in Groenland zelf, effect sorteert. Na een koor van kritische stemmen werd het reisje haastig aangepast, waarbij een bezoek aan de hoofdstad Nuuk werd afgeblazen en er alleen een bezoek werd gebracht aan de troepen op een afgelegen Amerikaanse militaire basis, helemaal in het noorden. De Deense premier Mette Frederiksen, die aanvankelijk vrij ingetogen reageerde op de inmenging van de regering-Trump, spreekt zich inmiddels een stuk steviger uit en heeft Amerika beschuldigd van het uitoefenen van ‘onacceptabele druk’.

    ‘Integrale veiligheid’

    Hoe kan de nationale veiligheid worden gewaarborgd als de samenleving emotioneel vervreemd is van de staat?

    Arūnas Burinskas, docent aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Vilnius, schrijft in het Litouwse maandblad IQ dat veiligheid gewoonlijk wordt geassocieerd met het leger, grensbewaking of de NAVO. De echte verdediging van een staat begint volgens hem echter van binnenuit, met de eenheid, het vertrouwen en de betrokkenheid van de samenleving. Als een groot deel van de bevolking zich vervreemd voelt van het bestuur van het land, wordt het niet alleen moeilijker om steun te mobiliseren in crisissituaties, maar wordt een land ook een makkelijker doelwit voor manipulatie.

    Na de annexatie van de Krim in 2014 en het uitbreken van de oorlog in Oekraïne in 2022 hebben de Baltische staten hun defensiebudget aanzienlijk verhoogd – tot ruim 2 procent van het bbp. Gemoderniseerde legers, de aanwezigheid van NAVO-troepen en cyberdefensie zijn centraal komen te staan in het overheidsbeleid. Maar gaan die uitgaven voor bewapening niet ten koste van de sociale voorzieningen? Steeds meer deskundigen en politici stellen een model van ‘integrale veiligheid’ voor dat militaire, sociale, economische, ecologische en civiele aspecten combineert. Een dergelijke benadering maakt het mogelijk om niet alleen een gewapende staat op te bouwen, maar ook een staat die van binnenuit sterk is.

    De Estische Kaitseliit, de Letse Zemessardze en de vrijwillige strijdkrachten in Litouwen tonen aan dat burgers willen bijdragen aan de verdediging van het land. Een integrale defensie moet uiteraard meer omvatten dan alleen een uniform – het betekent ook het versterken van het sociaal beleid, het verminderen van economische ongelijkheid en het accepteren van taalkundige diversiteit zonder discriminatie. Het is juist democratische vermoeidheid die een bedreiging vormt voor de veiligheid, stelt Burinskas. Veiligheid en welvaart zijn geen tegenstellingen, maar principes die elkaar versterken.

    Tegen de achtergrond van alles wat we weten over de minachting die de regering Trump koestert voor Europa, is het nu aan de overige Europese leiders om zich achter Denemarken te scharen. Hoe meer Europeanen de indruk geven geen ruggengraat te hebben, hoe meer Amerika de druk zal opvoeren.

    Als laatste, maar minstens zo belangrijk, is er Oekraïne. De bereidwilligen, onder leiding van Emmanuel Macron en Keir Starmer, zijn samen met de Oekraïense president Volodymyr Zelensky plannen aan het maken om Oekraïne te steunen. Maar het wordt steeds duidelijker dat ze het zónder de VS zullen moeten doen, en misschien zelfs tégen de VS. Ze kunnen niet rekenen op Amerikaanse steun. Terwijl de belangrijkste krachten binnen Europa plannen maken voor meer economische en militaire steun voor Oekraïne, en voor een zogeheten reassurance force die de Oekraïense strijdkrachten moet trainen en steun moet bieden bij de bescherming van steden, civiele en militaire infrastructuur, zullen ze zich moeten neerleggen bij de realiteit dat er geen Amerikaanse ‘achtervang’ zal zijn.

    Ze moeten Washington natuurlijk wel blijven betrekken bij de gesprekken, met name waar het de uitwisseling van informatie en logistieke steun betreft. Maar als Washington blijft steigeren, zullen Europa en Oekraïne een manier moeten bedenken om het zonder de VS te stellen. Wat de sancties tegen Rusland aangaat, zal Europa vermoedelijk tegen de VS in moeten gaan. Het is duidelijk welk spel Poetin speelt. Om een aangekondigd staakt-het-vuren af te wenden maakt hij het afhankelijk van het stoppen van alle westerse hulp aan Oekraïne en het opheffen van de sancties tegen Rusland. Het lijkt zeer waarschijnlijk dat de Amerikaanse regering niet alleen het spelletje van het Kremlin zal meespelen, maar ook nog eens druk zal uitoefenen op Europa om dit voorbeeld te volgen. De Europeanen zullen worden gezien als een obstakel voor vrede.

    Voet bij stuk

    Tot nog toe houden de Europese regeringen voet bij stuk. De EU heeft met klem de Russische eis van de hand gewezen dat de financiële sancties tegen de agrovoedingsindustrie moeten worden opgeschort, wil er een staakt-het-vuren komen in de Zwarte Zee. Niet toegeven aan de Amerikaanse intimidatie, ongeacht of het gaat over Oekraïne, Groenland of de handel, is niet alleen een kwestie van goed beleid. De waarderingscijfers van wereldleiders die zich niet lijken te laten intimideren door Trump – van Zelensky en Canada’s Mark Carney tot Claudia Sheinbaum in Mexico en Macron en Starmer in Europa – vertonen een stijgende lijn. Europa kan het best zijn eigen koers blijven varen, met vastberadenheid, moed en goede manieren.

    Nathalie Tocci is politicoloog en directeur van de Italiaanse denktank Instituto Affari Internazionali. Ze is een autoriteit op het gebied van internationale betrekkingen en de rol van de EU. Sinds 2014 is ze adviseur binnen de Italiaanse en Europese overheid.

  • Thomas Piketty: ‘De VS zijn de controle over de wereld duidelijk aan het verliezen’

    Thomas Piketty: ‘De VS zijn de controle over de wereld duidelijk aan het verliezen’

    Trump zou willen dat de Pax Americana door de rest van de wereld met heffingen wordt gecompenseerd, zodat hij voor altijd van zijn tekorten af is. Het probleem is alleen dat zijn macht al tanende is en dat we ons moeten voorbereiden op een wereld zonder de VS, legt Piketty uit in zijn column.

    De VS zijn geen betrouwbaar land meer. Voor sommigen is dat oud nieuws. De oorlog in Irak in 2003, waarbij meer dan honderdduizend doden vielen, een regio blijvend werd gedestabiliseerd en Rusland zijn invloed herwon, confronteerde de wereld al met de kwalijke gevolgen van de Amerikaanse militaire overmoed. De huidige crisis is echter van een andere orde. Momenteel worden de economische, financiële en politieke machtsstructuren van een ontredderd land ter discussie gesteld, geleid door een onstabiele en grillige leider tegen wie geen democratisch kruid gewassen is.

    Om te bedenken hoe dit verder gaat, moeten we ons bewust zijn van de veranderingen die momenteel plaatsvinden. Dat de Trump-aanhangers zo’n bruut en wanhopig beleid voeren, komt doordat ze niet weten hoe ze moeten reageren op de economische verzwakking van het land. Uitgedrukt in koopkrachtpariteit – dat wil zeggen in reële hoeveelheid goederen, diensten en uitrusting die jaarlijks wordt geproduceerd – heeft het bbp van China dat van de VS al in 2016 overtroffen. Het ligt momenteel meer dan 30 procent hoger en zal tegen 2035 het dubbele bedragen van het Amerikaanse bbp. De realiteit is dat de Verenigde Staten de controle over de wereld aan het verliezen zijn.

    Sterker nog, de opeenhoping van Amerikaanse handelstekorten heeft ertoe geleid dat de externe publieke en private schuld van het land dit jaar een ongekende hoogte heeft bereikt van 70 procent van het bbp. Stijgende rentetarieven zouden de VS kunnen dwingen tot aanzienlijke rentebetalingen aan de rest van de wereld, waaraan ze tot dusver enkel zijn ontkomen doordat ze de touwtjes van het mondiale financiële systeem in handen hebben. In dat licht moeten we dan ook het taboedoorbrekende voorstel van de trumpistische economen zien om belasting te heffen op de rente die wordt uitbetaald aan buitenlandse houders van Amerikaanse staatsobligaties. Alsof dat nog niet genoeg is wil Trump zijn land erbovenop helpen door zich Oekraïense mineralen toe te eigenen – en Groenland en Panama op de koop toe.

    ‘Trump is in feite niets meer dan een gedwarsboomde koloniale machthebber’

    Vanuit historisch oogpunt bezien is het opmerkelijk dat het enorme Amerikaanse handelstekort, dat tussen 1995 en 2025 jaarlijks gemiddeld zo’n 3 tot 4 procent van het bbp bedroeg, maar één precedent kent voor een economie van een dergelijke omvang: het is ongeveer het gemiddelde handelstekort van de grote Europese koloniale machten (het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Nederland) tussen 1880 en 1914. Het verschil is dat deze landen over enorme buitenlandse activa beschikten, die zoveel rente en dividenden opleverden dat ze hun handelstekort ruimschoots konden financieren, terwijl ze tegelijkertijd hun buitenlandse vorderingen konden blijven uitbreiden.

    Trump is in feite niets meer dan een gedwarsboomde koloniale machthebber. Hij wil dat de Pax Americana, net als die van Europa in het verleden, door de rest van de wereld dankbaar met subsidies wordt gecompenseerd, zodat hij voor altijd van zijn tekorten af is. Het probleem is alleen dat de macht van de VS al tanende is en dat de tijd zich niet langer leent voor deze brute en ongebreidelde vorm van kolonialisme. Trump lijkt niet te beseffen dat de Verenigde Staten in 1945 wereldleider zijn geworden dankzij de breuk met de Europese koloniale orde en de invoering van een ander ontwikkelingsmodel, gebaseerd op het democratische ideaal en een aanzienlijke onderwijskundige voorsprong op de rest van de wereld. Daarmee ondermijnt hij het morele en politieke prestige waarop dat wereldleiderschap is gebouwd. 

    Een nieuwe Europese economie

    Hoe moet Europa op deze teloorgang reageren? Allereerst door zich op de zuidelijke landen te richten met het voorstel tot een nieuw sociaal en ecologisch multilateralisme te komen ter vervanging van het liberale multilateralisme, dat ten dode is opgeschreven. Europa moet zich eindelijk achter een ingrijpende bestuurshervorming van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank scharen, zodat kan worden afgestapt van het huidige censuskiesrecht en landen als Brazilië, India en Zuid-Afrika de plaats krijgen die ze toekomt. Als Europa de kant van de VS blijft kiezen in een poging dit onomkeerbare proces te stoppen, zullen de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) onvermijdelijk een parallelle internationale architectuur opbouwen, onder leiding van China en Rusland.

    Als Sub-Saharaans Afrika de afgelopen decennia van betere handelsvoorwaarden had kunnen profiteren, had het kunnen investeren in infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. In plaats daarvan behelpen de regeringen daar zich manmoedig met een schrijnend gebrek aan middelen: amper tweehonderd euro per jaar, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, voor een leerling in het lager en middelbaar onderwijs, terwijl elk kind in het Noorden op veertig tot vijftig keer meer kan rekenen (achtduizend euro in Europa, tienduizend in de VS).

    Ook heeft Europa in 2024 een ernstige fout gemaakt door zich te verzetten tegen het voorstel voor fiscale rechtvaardigheid dat Brazilië bij de G20 had ingediend en door tegen een raamwerkverdrag voor eerlijke belastingheffing binnen de VN te stemmen, wederom samen met de Verenigde Staten, zodat de OESO en de kring van rijke landen de controle konden houden over kwesties die als te belangrijk werden beschouwd om aan armere landen over te laten.

    ‘Europa moet eindelijk zijn rol in het wereldwijde gebrek aan handelsevenwicht erkennen’

    Europa moet eindelijk zijn rol in het wereldwijde gebrek aan handelsevenwicht erkennen. Het is gemakkelijk om kritiek te uiten op de objectief buitensporige handelsoverschotten van China, dat – net als het Westen destijds – zijn machtspositie benut om lage prijzen te bedingen voor grondstoffen en de wereld te overspoelen met industriële goederen. Toch profiteert de Chinese bevolking hier nauwelijks van; zij zou meer gebaat zijn bij hogere lonen en een degelijke sociale zekerheid.

    Ook Europa neigt in feite naar onderbesteding en onderconsumptie binnen zijn eigen grenzen. Tussen 2014 en 2024 kende de Verenigde Staten een gemiddeld jaarlijks handelstekort (goederen en diensten) van ongeveer 800 miljard dollar. In dezelfde periode boekte Europa een gemiddeld overschot van 350 miljard dollar – bijna evenveel als China, Japan, Zuid-Korea en Taiwan samen (450 miljard). Wil Europa daadwerkelijk bijdragen aan een sociaal en ecologisch rechtvaardiger ontwikkelingsmodel, dan zal er veel meer nodig zijn dan de extra militair-budgettaire investeringen van Duitsland of de minimale CO₂-grensheffingen die momenteel worden overwogen.

  • Nieuw rapport: Europa is het snelst opwarmende continent

    Nieuw rapport: Europa is het snelst opwarmende continent

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek: gameplatform Roblox blijkt minder kindvriendelijk dan gedacht

    » Parijs: restauratie Notre-Dame naar verwachting pas in 2030 of 2035 voltooid

    2024 was het warmste jaar ooit in de historie van het continent

    Europa is het snelst opwarmende continent ter wereld en 2024 was het warmste jaar ooit in de geschiedenis van het werelddeel. Zo luidt de conclusie van het rapport dat op 15 april door de Wereld Meteorologische Organisatie en het observatieprogramma Copernicus Climate Change Service werd vrijgegeven. Meerdere landen in Europa werden vorig jaar getroffen door extreem weer en recordtemperaturen. De hevige stormen en overstromingen eisten ten minste 335 levens en raakten ongeveer 413.000 mensen, aldus het rapport, geciteerd door The Independent.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Er was een opvallend oost-westcontrast in weersomstandigheden, met extreme droogte en warmte in het oosten en warm en nat weer in het westen. De experts die aan het rapport meewerkten, ontdekten dat Europa een van de regio’s is waar het overstromingsrisico naar verwachting het grootst zal zijn. Een opwarming van 1,5°C zou kunnen leiden tot 30.000 jaarlijkse sterfgevallen in Europa als gevolg van extreme hitte.

    Verder bereikten de jaarlijkse temperaturen in bijna de helft van het continent en de temperatuur van het zeeoppervlak een recordhoogte. De gemiddelde temperatuurstijging was bijzonder sterk in de Middellandse Zee, met 1,2°C boven het gemiddelde. Daarbij neemt in heel Europa de hoeveelheid ijs af door onder andere smeltende gletsjers.

    Toch is er ook een lichtpuntje: de hoeveelheid opgewekte schone elektriciteit bereikte in 2024 een recordhoogte ten aanzien van het vorige record van 43 procent in 2023.

  • Erven wordt bijna net zo belangrijk als werken

    Erven wordt bijna net zo belangrijk als werken

    De grote vermogens van babyboomers betekenen dat ze meer geld hebben om door te geven. Een groot aantal mensen in Europa kan al comfortabel leven van een erfenis en werken is zelfs niet altijd meer nodig. Dat vormt een gevaar voor het kapitalistisch systeem en het functioneren van onze samenleving.

    Als je hard werkt, zul je succes hebben, krijgen kinderen te horen. De afgelopen decennia heeft dit advies voor de getalenteerden en ijverigen onder ons goed uitgepakt. Veel mensen hebben zelf kapitaal vergaard en zitten er warmpjes bij, ongeacht de hoeveelheid geld die ze hebben geërfd. Maar tegenwoordig groeit het belang van overgeërfde rijkdom in rijke landen, en dat is problematisch. 

    In ontwikkelde landen wordt dit jaar rond de 6 biljoen dollar aan vermogen geërfd, ongeveer 10 procent van het bbp, terwijl dat halverwege de twintigste eeuw in een aantal rijke landen gemiddeld 5 procent was. Het aandeel in de nationale productie dat gevormd wordt door geldstromen afkomstig uit erfenissen is in Frankrijk sinds de jaren zestig verdubbeld, en in Duitsland sinds de jaren zeventig bijna verdrievoudigd. Of jonge mensen het zich kunnen veroorloven om een huis te kopen en in redelijke welvaart te leven wordt bijna in even grote mate bepaald door overgeërfde rijkdom als door hun carrière. Deze verandering heeft alarmerende economische en maatschappelijke gevolgen, omdat ze niet alleen het meritocratische ideaal, maar ook het kapitalisme zelf in gevaar brengt.

    Iedereen erft meer

    De erfenisexplosie is ten dele een weerspiegeling van een rijk geworden, vergrijzende samenleving. Naarmate economieën rijker werden, vergaarden ze kapitaal per werknemer: kapitaal dat iemand moet bezitten. Maar aangezien het tempo van de economische groei is afgenomen en de huizenmarkt is ontploft, is de omvang van dit vermogen ten opzichte van de inkomsten uit arbeid snel gestegen. Nergens is deze combinatie van enorme rijkdom en aanhoudende economische stagnatie zo duidelijk als in Europa, waar de productiviteitsgroei al tijden bedroevend laag is.

    Meer vermogen betekent meer geld voor babyboomers om door te geven. En aangezien vermogen veel oneerlijker verdeeld is dan inkomen uit arbeid, zien we nu een ‘erfocratie’ ontstaan.

    Kijk maar eens naar de ontwikkeling van de vermogens van de superrijken. Tijdens een groot deel van de twintigste eeuw gingen enorme familiefortuinen vaak verloren door slechte investeringen, of door oorlog en inflatie. Zo is weleens berekend dat als de rijkste Amerikaanse families in 1900 passief hadden belegd op de beurs, per jaar 2 procent van hun vermogen hadden uitgegeven en het gangbare aantal kinderen hadden gekregen, er nu ongeveer zestienduizend oudgeldmiljardairs in Amerika zouden zijn. In werkelijkheid zijn er nog geen duizend miljardairs, en de overgrote meerderheid daarvan heeft dat vermogen zelf vergaard.

    Vandaar dat je bankiers en advocaten nu tegen elkaar ziet opbieden om de huizen van overleden taxichauffeurs te kopen

    Maar deze trend wordt nu gekeerd, misschien omdat miljardairs niet alleen rijkdom vergaren, maar ook beter worden in het behouden ervan. Volgens cijfers van investeringsbank UBS werden in 2023 drieënvijftig mensen miljardair dankzij een erfenis, niet eens zo veel minder dan de vierentachtig nieuwe miljardairs die hun kapitaal zelf bij elkaar hadden verdiend. Dat komt wellicht doordat het tegenwoordig makkelijk is om je vermogen in een indexfonds onder te brengen en doordat de principes van vermogensbeheer nu beter worden begrepen. Bovendien zijn veel regeringen zo vriendelijk geweest om de erfbelasting te verlagen.

    Maar wat nog het meest opvalt aan de erfocratie, is dat het hierbij niet alleen om de superrijken gaat. De gemiddelde erfgenaam is iemand die een gewoon huis erft, of de opbrengsten uit de verkoop daarvan, niet een superjacht of een landgoed. En de waarde van woningen is de afgelopen decennia de lucht in geschoten, vooral in steden als Londen, New York en Parijs. Degenen die het geluk hadden om onroerend goed te kopen vóór de aanhoudende stijging van de huizenprijzen, hebben daar veel aan verdiend en hun erfgenamen heel wat meegegeven. Vandaar dat je bankiers en advocaten nu tegen elkaar ziet opbieden om de huizen van overleden taxichauffeurs te kopen. Nu woonruimte in steden als New York en Londen bijna niet meer te betalen is, kun je je daar met een gemiddeld inkomen geen gemiddelde levensstijl meer permitteren. Je hebt er een behoorlijk kapitaal voor nodig – of je dat nou erft of gewoon krijgt van je ouders.

    Rentenier werken niet

    Als je dit alles in ogenschouw neemt, wordt het groeiende belang van erfenissen duidelijk. In Groot-Brittannië zal naar schatting een op de zes mensen die in de jaren zestig zijn geboren een bedrag erven dat groter is dan tien jaar het gemiddelde jaarsalaris van die generatie. Bij degenen die in de jaren tachtig zijn geboren is dat aantal een op de drie. Ondertussen zijn er schrikbarend grote verschillen in de omvang van de erfenissen die mensen krijgen. Een vijfde van de 35- tot 45-jarigen zal naar verwachting minder dan 10.000 pond erven, terwijl een kwart naar verwachting meer dan 280.000 pond zal erven.

    Voor aanhangers van het vrijemarktdenken zou de opkomst van de nieuwe erfocratie zeer verontrustend moeten zijn. Om te beginnen ontstaat op deze manier een klasse van renteniers die aan een reeks negatieve drijfveren blootstaan. Een belastingsysteem vol mazen betekent dat de rijken veel tijd besteden aan het omzeilen van de regels; die tijd zouden ze beter kunnen gebruiken om hun kapitaal in te zetten voor productievere doeleinden. Om hun bezittingen te beschermen ontpoppen huiseigenaren zich als nimby’s, die de bouw van nieuwe woningen tegenhouden en woningen onbetaalbaar maken voor degenen die niet op een erfenis kunnen rekenen. In de wetenschap dat ze kunnen terugvallen op hun erfenis zullen renteniers bovendien weinig motivatie hebben om te werken of te innoveren.

    Nog grotere zorgen baart het feit dat een erfenisloze onderklasse achterblijft – en steeds ontevredener zal worden

    Nog grotere zorgen baart het feit dat een erfenisloze onderklasse steeds verder achterblijft – en steeds ontevredener zal worden. Als het almaar moeilijker wordt om een woning te kopen en een comfortabel leven te leiden, zullen jonge mensen die zich op de arbeidsmarkt begeven steeds minder gemotiveerd zijn om zich in te spannen. En als ze het gevoel krijgen dat het systeem ze geen kansen biedt, zal hun vertrouwen in politieke middenpartijen verdampen.

    Daarom moet het probleem zo snel mogelijk worden opgelost. Het zou idioot zijn om te hopen dat vermogens worden vernietigd door inflatie en oorlog, zoals in de twintigste eeuw is gebeurd. The Economist is al lange tijd van mening dat erfbelasting de beste manier is om de erfocratie mee aan te pakken. Maar er bestaat zo veel weerstand tegen deze belasting dat regeringen allerlei mazen in de wet hebben gecreëerd, de drempel waarboven de erfbelasting geldt hebben verhoogd of de belasting maar helemaal hebben afgeschaft.

    Gelukkig zijn er andere middelen voorhanden. Op de juiste plek genoeg huizen bouwen is de allerbelangrijkste actie die regeringen kunnen ondernemen om het verband tussen werk en vermogen te herstellen. Het heffen van voldoende onroerendezaakbelasting, vooral grondwaardebelasting, zou ook helpen, omdat dit tot een verlaging van de huizenprijzen zou leiden en de kloof tussen huizenprijzen en inkomen zou verkleinen. En alles wat de in Europa zo broodnodige economische groei aanzwengelt zou de verhouding tussen het vermogen en het nationale inkomen omlaag brengen. De hoogtijdagen van de meritocratie brachten sociale mobiliteit, groei en welvaart met zich mee. Met een beetje hard werken kan die tijd terugkeren.

  • Europa moet zich vooral niet als slachtoffer gedragen

    Europa moet zich vooral niet als slachtoffer gedragen

    EU-lidstaten moeten zich niet uitsloven om in het gevlij te komen bij de nieuwe Amerikaanse president.

    In 1981 voerden de sociologen Betty Grayson en Morris Stein een inmiddels befaamd onderzoek uit naar de criteria waarop misdadigers hun slachtoffers kiezen. Eerst filmden ze in een drukke straat in New York voorbijgangers. Vervolgens vertoonden ze in een gevangenis aan de oostkust die beelden aan gedetineerden die vastzaten voor geweldsdelicten tegen mensen die ze niet kenden (roofovervallen, verkrachting, moord). De gedetineerden moesten de voorbijgangers beoordelen op een schaal van 1 tot 10, van ‘makkelijke prooi’ tot ‘niet aan beginnen, te veel gedoe’.

    De uitkomst was opvallend. Alle gedetineerden pikten precies dezelfde personen eruit als veelbelovend doelwit. Hun keuze berustte niet alleen op geslacht, huidskleur of leeftijd, zoals je zou kunnen verwachten. Oudere vrouwen en verstrooide professoren waren niet automatisch eerste keus. Andere criteria bepaalden hun keuze. De misdadigers lazen de non-verbale signalen van de voorbijgangers – hoe ze liepen, de beweging van hun hoofd en handen, het zelfvertrouwen dat ze uitstraalden – en lieten zich daardoor leiden. Ze kozen de personen die zich in hun ogen als slachtoffer gedroegen.

    Botte dreigementen

    Ik moest aan dat onderzoek denken toen ik nadacht over de strategische dilemma’s waar Europa voor staat na de regeringswisseling in de VS. De eerste stappen van Trumps team lijken erop te wijzen dat de nieuwe president zijn macht niet zozeer wil gebruiken om de confrontatie aan te gaan met Amerika’s vijanden, maar om Washingtons bondgenoten zijn wil op te leggen. Trumps uitspraken over Groenland en Canada en de tweets waarin Elon Musk oproept tot een regeringswissel in het Verenigd Koninkrijk zijn daarvan de duidelijkste tekenen. Trump hoopt blijkbaar dat botte dreigementen aan het adres van enkele bondgenoten volstaan om de rest naar zijn pijpen te laten dansen.

    De EU-lidstaten hebben alle reden om bang te zijn dat Washington in zijn benadering zal kiezen voor dezelfde koers als die de Russische oud-president Dmitri Medvedev onlangs verwoordde toen hij zei dat ‘het nodig is alle destructieve processen in Europa een handje te helpen’.

    Uit het wereldwijde opinieonderzoek dat de European Council on Foreign Relations eind 2024 liet uitvoeren komt naar voren dat de terugkeer van Trump in het Witte Huis door ‘een groot deel van de wereld wordt verwelkomd’. Europeanen en Zuid-Koreanen vinden hem een lompe brokkenmaker, maar verder gelooft het merendeel dat hij goed is voor Amerika, voor hun eigen land en voor de wereldvrede.

    Die steun voor Trump is misschien alleen een kwestie van natuurlijk enthousiasme voor een winnaar. En dat kan snel omslaan als de handelstarieven waarmee hij dreigt eenmaal hun beslag krijgen, of als hij toch geen eind kan maken aan de conflicten in Oekraïne en het Midden-Oosten.

    De VS wordt eindelijk een normale grootmacht: een land dat een hegemonie uitoefent, maar geen kruistocht voert

    Maar er is nog iets interessanters aan de hand. Velen vinden Trumps openlijke minachting voor internationale regels te verkiezen boven de onuitstaanbare hypocrisie van de vorige liberale regering. Onder Trump wordt de VS eindelijk een normale grootmacht: een land dat een hegemonie uitoefent, maar geen kruistocht voert. Een land dat zich niet langer voordoet als beter dan andere landen, maar simpelweg optreedt vanuit de gedachte dat het sterker is.

    Het onderzoek van de ECFR legt echter ook andere trends bloot, en daar liggen kansen voor Europa. De niet-westerse wereld mag Trump dan verwelkomen, toch denken velen dat eerder China dan de VS uiteindelijk de dominante supermacht zal worden.

    Trumps internationale strategie bestond er in 2016 vooral uit om een wig te drijven tussen China en Rusland. Dat lijkt niet langer realistisch. Uit de peiling van de ECFR blijkt dat in de loop van het afgelopen jaar niet alleen de leiders, maar ook de inwoners van Rusland en China elkaars land als bondgenoot zijn gaan beschouwen. Terwijl in Europa slechts een op de vijf burgers de VS nog als bondgenoot beschouwt. Dus terwijl het erop lijkt dat Amerika zijn eigen bondgenoten in de kou laat staan, hebben Moskou en Beijing de voordelen van samenwerking ontdekt.

    Hoogtepunt

    Maar al lijkt Europa door Trump te zijn afgeschreven, buiten het Westen wordt het continent nog alom als uiterst machtig beschouwd. In deze vijandige omgeving komt het er voor Europa nu op aan zich nooit als slachtoffer te gaan gedragen. Europese staten moeten zich vooral niet haasten om de nieuwe president te behagen of tegen te werken. Ze moeten de tijd nemen om zich te bezinnen op hun aanpak van Amerikaanse techgiganten en hoe ze moeten reageren op het dreigement van handelstarieven. Ze moeten Turkije en andere niet-westerse machten actief betrekken bij het gesprek over veiligheidsgaranties voor Oekraïne. Tegenover de druk van Trump moet Europa eerder verwarring zaaien dan tegendruk uitoefenen. En wat Trump vooral in verwarring zal brengen, is als Europese leiders de aandacht richten op hun eigen land en niet op de nieuwe Amerikaanse regering. De sleutel voor een Europese strategie is het besef dat 20 januari paradoxaal genoeg niet alleen het begin markeert van Trumps tweede ambtstermijn, maar ook meteen het hoogtepunt van zijn mondiale invloed. 

  • Over de kloof tussen Europa en de VS

    Over de kloof tussen Europa en de VS

    Het eenzijdige verhaal van de economische neergang van het oude continent ligt wat genuanceerder als je ook naar andere factoren kijkt, zoals de koopkrachtpariteit.

    Vergelijkingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie resulteren vaak in een pessimistische diagnose over de economie van het oude continent. De cijfers lijken dit verhaal te bevestigen: waar het Europese bbp in 2008 nog iets uitsteeg boven dat van de VS, viel het in 2022 een derde lager uit dan zijn Amerikaanse tegenhanger. Deze gegevens suggereren wat velen al vermoedden: dat de Europese economie niet in staat zou zijn het ritme van de VS bij te benen, deels vanwege haar onvermogen om dezelfde gunstige voorwaarden te scheppen voor het aanzwengelen van de productie. En dat zou best kunnen kloppen, maar je moet ook enkele andere factoren in overweging nemen.

    Bij het maken van dit soort vergelijkingen wordt doorgaans voorbijgegaan aan de koopkracht van de verschillende valuta. Om hier een beter idee van te krijgen: prijzen ontwikkelen zich niet overal hetzelfde, wat inhoudt dat eenzelfde munteenheid ergens waar de prijzen sneller stijgen minder waard is. Daarom kun je eigenlijk nooit een accurate vergelijking maken, zelfs niet als je euro’s zou omrekenen in dollars. Eigenlijk heb je een soort kunstmatige munt nodig waarin je zowel de euro als de dollar kunt omrekenen, om de koopkracht gelijk te trekken. Alleen op die manier zou je kunnen vaststellen of er tussen Amerikanen en Europeanen werkelijk een verschil bestaat wat betreft hun ­vermogen om in dezelfde behoeften te voorzien. En hierbij moet je naar zowel prijzen als wisselkoersen kijken.

    Vervormende lens

    Allereerst moet worden opgemerkt dat de euro in 2008 genoteerd stond op 1,47 dollar, terwijl die in 2022 nauwelijks boven de dollar uitsteeg. Dit fluctueren van de koers, waaraan vele oorzaken ten grondslag liggen, vertekent vergelijkingen die worden gebaseerd op het bbp uitgedrukt in dollars. De wisselkoers fungeert als een vervormende lens die de werkelijke verschillen tussen beide economieën vergroot of juist verkleint – dat is een cruciale factor om rekening mee te houden bij het analyseren van deze cijfers. Maar zoals eerder gezegd is de wisselkoers slechts een van de vele puzzelstukjes. Om de werkelijke koopkracht van respectievelijk de euro en de dollar te kunnen vergelijken, moet je de ontwikkeling van de prijzen in aanmerking nemen. En de inflatie was in de VS de afgelopen 24 jaar hoger dan in de eurozone (86,3 procent versus 69,6 procent).

    Wanneer je de wisselkoers euro/dollar corrigeert voor verschillen in prijsontwikkeling en de berekeningen per sector maakt, kun je in recente studies, zoals die van Zsolt Darvas van de Europese financiële denktank Bruegel, zien dat de EU geleidelijk is opgeschoven in de richting van de VS. In 1995 vormde het Europese bbp per hoofd van de bevolking 67 procent van dat van de VS, terwijl het in 2022 bleek te zijn gestegen tot 72 procent. Hoewel de kloof nog redelijk groot is, is die wel kleiner geworden in plaats van groter. Deze vooruitgang is des te opmerkelijker als je in aanmerking neemt dat in deze periode verschillende landen uit Oost-Europa met een aanvankelijk lager ontwikkelingsniveau tot de Unie zijn toegetreden.

    Maar je moet niet alleen rekening houden met de koopkrachtpariteit van de verschillende valuta. Verschillen in gewerkte uren vormen nóg een cruciale factor die zelden wordt meegenomen in analyses. Europeanen, vooral in het westen en noorden van het continent, werken doorgaans minder uren dan Amerikanen. In Duitsland bijvoorbeeld wordt jaarlijks per werknemer 350 uur minder gewerkt dan in de VS.

    Sommige Europese landen hebben een hogere output per uur dan de VS, hoewel hun bbp per hoofd van de bevolking lager uitvalt

    Dat is deels een weerspiegeling van andere sociale voorkeuren – een sterkere waardering voor vrije tijd en een goede balans tussen werk en gezin – maar het geeft ook aan dat de productiviteit in sommige Europese landen opvallend hoog is. Duitsland, België en Denemarken en sommige andere Europese landen hebben een hogere output per uur dan de VS, hoewel hun bbp per hoofd van de bevolking lager uitvalt vanwege het kleinere aantal gewerkte uren. Dat is een sociale keuze, die je niet noodzakelijkerwijs moet zien als een teken van economische zwakte. We verkiezen meer vrije tijd boven meer gelegenheid om geld te verdienen.

    Toch valt niet te ontkennen dat er terreinen zijn waarop Europa duidelijk de zwakkere is, zoals Enrique Feás en Judit Arnal laten zien in een recent rapport van het Real Instituto Elcano. De interne markt bijvoorbeeld werkt minder goed voor diensten dan voor goederen, waarvoor in het handelsverkeer met landen buiten Europa belangrijke regulerende barrières bestaan. Er wordt bijvoorbeeld ook significant minder geïnvesteerd in research & development dan in de VS (2,2 procent van het bbp versus 3,5 procent), en er is ook minder durfkapitaal beschikbaar voor start-ups. Dat verklaart waarom er weinig Europese ‘unicorns’ zijn en waarom de digitalisering langzamer verloopt, vooral bij mkb-bedrijven. Slechts 26 procent van de volwassenen in Europa bezit geavanceerde digitale vaardigheden, waarmee ze zeer achterlopen op de Amerikanen. En ten slotte is de gemiddelde omvang van een bedrijf in Europa veel kleiner, waardoor schaalvoordeel en innovatie lastiger te realiseren zijn. Zo lag het bbp per hoofd van de bevolking in Zuid-Europa in het eerste decennium van deze eeuw nog op 73 procent van het Amerikaanse, maar is dat gezakt naar 61 procent. Enkele oorzaken hiervan zijn een lagere productiviteit, een hogere structurele werkloosheid, zwakkere instellingen en weinig vernieuwingskracht.

    Nuancering

    Het concurrentievermogen van Europa ondervindt ook nadelen van de energiekosten, die fors hoger zijn dan in de VS, al wordt dit nadeel enigszins gecompenseerd door een grotere vooruitgang in hernieuwbare energie. Een andere hindernis vormen de complexiteit en de kosten van regulering, vooral voor middelgrote ondernemingen die willen groeien. Bovendien is het financiële systeem in Europa nog sterk gericht op het traditionele bankwezen, met minder goed ontwikkelde kapitaalmarkten dan in de VS.

    Kortom, het verhaal over de Europese neergang ten opzichte van de VS verdient enige nuancering. Hoewel er inderdaad reële uitdagingen zijn die Europa moet aanpakken, vooral op het vlak van innovatie, digitalisering en de ontwikkeling van het zuiden, heeft het continent ook laten zien naar de VS toe te bewegen. De ogenschijnlijk grote verschillen in het nominale bbp zijn in grote mate te wijten aan de invloed van de wisselkoers en de verschillende sociale voorkeuren wat werktijd betreft.

    De werkelijke uitdaging voor Europa het voortbestaan van zijn sociale model te garanderen en de transformatie van zijn economie te versnellen. Daarvoor is het van doorslaggevend belang om vooral wat diensten betreft de interne markt uit te breiden, innovatie en digitalisering te stimuleren, de groei van bedrijven te vergemakkelijken, de energiekosten te drukken, de regulering te vereenvoudigen, de kapitaalmarkten te ontwikkelen en het achterblijvende Zuid-Europa aandacht te schenken. Deze uitdagingen zijn belangrijk, maar niet ondoenlijk, als je tenminste niet het paniek zaaiende standpunt inneemt waar simplistische vergelijkingen op uitkomen. Europa heeft hervormingen nodig in plaats van drama.  

  • Hoe Europa slaapwandelt richting de vergetelheid

    Hoe Europa slaapwandelt richting de vergetelheid

    De wereld wordt herschapen naar het beeld van Silicon Valley, terwijl Europa vanaf de zijlijn toekijkt. Zonder ingrijpende veranderingen dreigt het continent achterop te raken in de race.

    Je kunt de recente geschiedenis van de Europese economie in twee cijfers uitdrukken.

    In 1992, gecorrigeerd naar koopkracht, betekende een bbp per hoofd van de bevolking van 44.933 dollar (35.530 pond) dat de gemiddelde Duitser iets beter af was dan de gemiddelde Amerikaan, met een voorsprong van 257 dollar.

    In 2024 heeft de Amerikaan bijna 12.000 dollar voorsprong. De economische mislukking van Duitsland is schokkend als je haar op zichzelf bekijkt. In het kader van de bredere stagnatie in Europa, schetst ze het verhaal van een tragisch continent.

    In 2008 was het Amerikaanse bbp per hoofd van de bevolking iets meer dan 14.000 dollar hoger dan dat van de EU. In 2023 is het bijna 20.000 dollar hoger. De VS zijn met 21 procent gegroeid; de EU, met alle voordelen van inhaalgroei over een groter gebied, met 15 procent. Ondanks het feit dat er 100 miljoen mensen meer wonen, is de economie van de EU nu kleiner in waarde dan die van de VS. De voorsprong die in 1990 nog meer dan 3 biljoen dollar bedroeg, is in 2020 verkwanseld.

    Sterfelijk

    Voor een generatie Europese politici is het concept van ‘strategische autonomie’ – het vermogen van de EU om als geheel op te treden zonder afhankelijk te zijn van andere landen – van symbolisch belang geworden.

    In de krachtige bewoordingen die we gewend zijn verklaarde de Franse president Emmanuel Macron eerder dit jaar dat ‘ons Europa sterfelijk is. Het kan sterven, en alles hangt af van onze keuzes.’ De periode waarin ‘de EU haar energie en kunstmest van Rusland kocht, haar productie aan China uitbesteedde en voor haar veiligheid afhankelijk was van de VS’, was voorbij, aldus de president.

    Maar om deze visie op onafhankelijkheid te verwezenlijken, moet Europa in staat zijn om voor zijn eigen leger te zorgen, zijn eigen industrie op te bouwen en zijn eigen concurrentievermogen op nieuwe gebieden te behouden. Europa moet niet langer simpelweg meeliften op de Verenigde Staten, die een onoverbrugbare voorsprong hebben op het gebied van de technologieën van de toekomst.

    Neem bijvoorbeeld AI. De Europese Rekenkamer heeft beweerd dat de resultaten van Europa’s inspanningen op dit gebied ‘waarschijnlijk het pad zullen bepalen van de toekomstige economische ontwikkeling van de EU’. En in de eerste helft van 2024 slaagde de EU erin om 6 procent van de 35 miljard dollar die wereldwijd in startende AI-bedrijven werd gestoken, naar zich toe te trekken.

    Haar beste onderzoekers en meest veelbelovende studenten hebben de vervelende gewoonte om naar de VS te vertrekken. En de rest van de technologiesector doet het niet veel beter.

    Europese bedrijven worden zwaar belast door de regeringen en instellingen die juist hun belangen zouden moeten beschermen. Dit begint al bij de energiekosten. Na aftrek van belastingen betalen Duitse bedrijven bijna 22 cent per kilowattuur voor elektriciteit, Franse bedrijven betalen een vergelijkbaar bedrag, terwijl Italiaanse bedrijven 26 cent per kilowattuur moeten neerleggen. Ter vergelijking: hun Amerikaanse concurrenten betalen slechts 8 cent.

    Bij deze verhoudingen maakt het niet echt uit of je een ouderwets industrieel bedrijf bent of juist in de voorhoede van de softwaresector zit. Energie is na grondstoffen de duurste input voor autofabrikanten (en op zijn beurt een belangrijke input voor de verwerking van materialen). Voor datacenters – of het nu gaat om AI-tools of klantbeheersystemen – is energie goed voor 46 à 60 procent van de bedrijfskosten.

    Sommige landen lijken totaal blind te zijn voor de omvang van het probleem

    Maar terwijl Donald Trump het heeft over het aanboren van koolwaterstoffen en het halveren van de energieprijzen, is Europa nog steeds vooral gericht op decarbonisatie en de groene economie.

    Voorstanders beweren dat de energieprijzen hierdoor zullen dalen, vooral gezien de onderbreking van de levering van Russisch gas – en hoe minder er gesproken wordt over de blunders op het gebied van buitenlands beleid die in de eerste plaats geleid hebben tot de afhankelijkheid van die levering, hoe beter. Maar terwijl het effect op groothandelsprijzen op heldere, zonnige dagen duidelijk is, lijkt het effect van plotselinge kostenpieken dat minder te zijn.

    De recente ‘dunkelflaute’ in Duitsland – een reeks windstille, sombere dagen – stuwde de elektriciteitsprijs voor een korte periode naar 800 euro per megawattuur. Voor bedrijven die niet kunnen kiezen wanneer ze hun klanten willen bedienen, of waarvoor de mogelijkheid om de productie op en af te schalen beperkt is, is dit niet ideaal.

    Bovendien lijken sommige landen totaal blind te zijn voor de omvang van het probleem. In een verbijsterende daad van zelfverwonding heeft Duitsland vorig jaar drie werkende kerncentrales gesloten. Het contrast in aanpak met Amerika, waar het energiehongerige Microsoft de heropening van stilgelegde eenheden op Three Mile Island wil financieren – de thuisbasis van het meest beruchte civiele kernongeval in de Amerikaanse geschiedenis – kan niet schriller zijn.

    Bovenop de energiekosten hebben Europese regelgevers de vervelende gewoonte om bedrijven die proberen te groeien met bureaucratische rompslomp op te zadelen. Zoals de voormalige president van de Europese Centrale Bank (en Italiaanse premier) Mario Draghi aangeeft, heeft de EU tussen 2019 en 2024 13.000 stukken wetgeving aangenomen, de wetten van de afzonderlijke lidstaten niet meegerekend. De VS daarentegen hebben er ongeveer 5500 aangenomen. Draghi merkt op dat in Denemarken, tussen Brussel en Kopenhagen, het aantal regels waar bedrijven mee te maken krijgen tussen 2001 en 2023 met 63 procent is gestegen.

    Voor startende bedrijven kunnen deze wetten bijzonder hinderlijk zijn. Vooral de nieuwe AI-wet kan een remmend effect hebben op bedrijven die producten willen ontwikkelen in de EU en bedrijven die nog winst moeten maken, opzadelen met nalevingskosten. De veel gehate GDPR is niet veel beter.

    Herschapen

    Dit alles tot grote frustratie van sommigen in Europa. Het huidige Hongaarse voorzitterschap van de Raad van de EU heeft herhaaldelijk geprobeerd om de aandacht van het blok te vestigen op het onvermogen om groei te bewerkstelligen. De Verklaring van Boedapest die eerder deze maand door de EU-leiders werd ondertekend – in navolging van het rapport van Draghi – zet een reeks stappen uiteen die erop gericht zijn om ‘bedrijven te laten bloeien zonder buitensporige regelgeving’.

    Om dit te bereiken moet de EU echter fundamenteel worden geherstructureerd. Regelgeving is vast verankerd in het zelfbeeld van de EU en sommige beleidsmakers hebben zelfs bewust het idee omarmd dat het blok een ‘supermacht op het gebied van regelgeving’ is. Door gebruik te maken van de aanzienlijke omvang van de Europese markt hopen ze bedrijven overzee over te halen om de regels uit Brussel te volgen, de belangen van het blok te behartigen en een aantal van de voordelen van economische dynamiek te bieden zonder het zware werk.

    Deze aanpak heeft gemengde resultaten opgeleverd. Sommige Europese standaarden zijn wereldwijd overgenomen en het blok is in staat geweest hoge boetes op te leggen aan Amerikaanse bedrijven die de regels zouden hebben overtreden.

    Tegelijkertijd heeft Nvidia ruwweg dezelfde beurswaarde als de achttien grootste EU-bedrijven samen, lijkt de technologiesector van het blok op sterven na dood, met uitzondering van semaglutidefabrikant Novo Nordisk, Spotify en de Nederlandse machinebouwer ASML, en wordt de wereld herschapen naar het beeld van Silicon Valley terwijl de EU vanaf de zijlijn toekijkt.

    Ondanks alle mooie woorden zal de EU geen ‘strategische autonomie’ hebben als ze eindigt als de romp van een door China gedomineerd continent of als een aanhangsel van een grotere Amerikaanse invloedssfeer – een bekoorlijk, economisch stagnerend themapark voor rijke toeristen.

    Om dat scenario te vermijden zijn binnenlandse capaciteiten nodig – in plaats van rivalen weg te laten lopen met technologische ontwikkelingen die de wereld vormgeven – en een betekenisvolle economische groei.

  • Kibbelende ministers en onhandige coalities. Wordt Europa onbestuurbaar?

    Kibbelende ministers en onhandige coalities. Wordt Europa onbestuurbaar?

    Politieke fragmentatie verlamt de grootste economieën in Europa. Regeringen struikelen vaak al over basale kwesties, laat staan dat ze overeenstemming bereiken over de meest acute problemen.

    Tijdens een recent debat had een Duitse kiezer scherpe kritiek op bondskanselier Olaf Scholz: de Duitse regering is niet in staat om te regeren en haar ministers zitten te kibbelen als kinderen. In plaats van tegengas te geven, gaf Scholz hem gelijk. ‘Om eerlijk te zijn ben ik het met u eens,’ zei hij. ‘Maar wat zou uw oplossing zijn? Ik vraag dit voor een vriend.’

    Het leidde tot weinig controverse in Europa’s grootste economie, ooit een toonbeeld van goed bestuur. Niemand kijkt er meer van op dat politici het hier over weinig eens zijn, en nog minder voor elkaar krijgen. De recente overwinning van de extreemrechtse Alternative für Deutsch­land (AfD) in de deelstaatverkiezingen heeft de wankele regering van Scholz een nieuwe klap toegebracht.

    Frankrijk, dat al decennialang samen met Duitsland geldt als de motor van de Europese Unie, bevindt zich in een soortgelijke staat van politieke verlamming, sinds het parlement bij de verkiezingen in juni werd verdeeld over een groot aantal partijen. President Emmanuel Macron vormde een centrumrechtse regering, ook al won een coalitie van linkse partijen de meeste zetels in de Assemblée Nationale. Dat maakt zijn regering kwetsbaar voor tegenwerking van Marine Le Pens extreemrechtse Rassemblement National, als die mee zou gaan in een motie van wantrouwen tegen de regering of zou weigeren Macrons begroting te steunen.

    Polarisatie

    De handen van politiek leiders zijn gebonden door fragmentatie en polarisatie; er kan alleen worden geregeerd in onhandige coalities van linkse en rechtse partijen. Regeringen hebben al moeite om het eens te worden over basale kwesties, laat staan dat ze overeenstemming bereiken over de meest acute problemen, zoals het omgaan met de groeiende aantallen immigranten, de oorlog in Oekraïne en stagnerende economieën.

    ‘Leiders zijn tegenwoordig niet in staat – en dat zullen ze voorlopig ook niet zijn – om met een meerderheid overeenstemming te bereiken. Het ontbreken van belangrijke hervormingen om de oorzaken van de populistische golf aan te pakken, zoals de zwakke economie en massale migratie, versterkt deze vicieuze cirkel,’ zegt Mujtaba Rahman, senior directeur bij advies­bureau Eurasia Group en voormalig EU-functionaris. Als gevolg daarvan kunnen de EU en de verschillende regeringen hun beloften aan kiezers niet nakomen en dreigen ze verder achterop te raken bij concurrenten zoals de VS en China. Tegelijkertijd zetten de hogere financieringskosten en de trage groei de begroting onder druk, zelfs in voormalige grootmachten als Duitsland.

    De ‘stoplichtcoalitie’ in Duitsland, met de sociaaldemocraten van Scholz, de Groenen en de liberale Vrije Democraten, is erin geslaagd het eens te worden over een aantal beleidsmaatregelen die volgens peilingen door de meeste mensen als minder urgent worden beschouwd, zoals het legaliseren van marihuana en het toestaan van vrije genderkeuze. Maar consensus bereiken over een groot aantal andere kwesties is moeilijk gebleken. 

    Georgië

    Bij de verkiezingen in Georgië van eind oktober dit jaar stond veel op het spel, schrijft Le Monde: kiezen de Georgiërs voor een toekomst met Europa of met Rusland? Van de Georgiërs wil 80 procent lid van Europa worden. Maar van wat voor Europa?

    Het Europa van Georgische Droom lijkt opvallend veel op dat van de Hongaarse leider Viktor Orbán, met wie de partij nauwe banden heeft: een Europa dat niet gedomineerd wordt door de ‘global war party’, dat Oekraïne niet langer helpt zichzelf te verdedigen en dat lhbti-minderheden hun rechten ontneemt. Ook belooft de partij oppositiepartijen te verbieden.
    De oppositie daarentegen wil weer aansturen op integratie met de EU en haar waarden, die de 27 lidstaten haar voorspiegelden toen ze Georgië in 2023 de status van kandidaat-lidstaat verleenden. Brussel bevroor dit proces echter deze zomer omdat het Georgische parlement een repressieve wet over ‘buitenlandse invloed’ had aangenomen.

    De EU staat voor een dilemma: moet ze de geopolitieke uitdaging aangaan en Georgië aan Europa vastmaken om het te beschermen tegen de invloed van Rusland? Of moet ze weigeren om compromissen te sluiten over democratische hervormingen, zelfs als dat betekent dat ze het risico loopt dat Georgië in de invloedssfeer van Moskou terechtkomt?

    Europese landen hebben moeite gehad om de wapenproductie te verhogen om aan de vraag van Oekraïne te voldoen, of om het eens te worden over een immigratiebeleid voor het hele continent. De regering-Scholz heeft haar beloften om de woningcrisis te verlichten, de bureaucratie te verminderen, de infrastructuur te verbeteren en de criminaliteit terug te dringen niet waargemaakt. Treinen zijn notoir te laat, de vennootschapsbelasting is hoger dan in vergelijkbare landen en de infrastructuur brokkelt af: vorige maand stortte in Dresden een brug in als gevolg van uitgesteld onderhoud. En ondanks Macrons beloften om te bezuinigen op de overheidsuitgaven zijn het Franse begrotingstekort en de staatsschuld tijdens zijn presidentschap juist gestegen.

    De ontevredenheid van de kiezers over de traditionele politiek heeft in Duitsland geleid tot een geleidelijke versplintering van het politieke landschap; er zijn nu zeven grotere partijen, waarvan er drie zich aan de rand van het politieke spectrum bevinden. Daardoor is, zowel op federaal niveau als in de meeste van de zestien Duitse deelstaten, een coherente coalitie bijna onmogelijk, zegt Manfred Güllner, de oprichter van Forsa, een van de grootste Duitse opiniepeilers.

    Verlamming

    De extreemrechtse AfD is nu de op een na grootste partij in de landelijke peilingen, terwijl ze in sommige oostelijke deelstaten de grootste is geworden; daardoor zien rivalen zich gedwongen ingewikkelde coalities te vormen om te voorkomen dat de AfD aan de macht komt. Tegelijkertijd heeft een nieuwe extreemlinkse partij, de BSW van Sahra Wagenknecht, die net als de AfD pro-Russisch en anti-NAVO is, bij lokale verkiezingen de grote partijen ingehaald.

    Iets soortgelijks is al langer het geval in kleinere landen zoals Zweden en Nederland, maar een dergelijke verlamming is nu een structureel kenmerk geworden van de grootste politieke stelsels in Europa, aldus Güllner. ‘We hadden altijd duidelijke meerderheden rond partijen in het centrum, maar nu is er geen plausibele meerderheid, geen verenigende kracht meer,’ zegt hij. ‘En de vooruitzichten zijn hopeloos.’

    De Duitse regering heeft al lange tijd moeite om grote veranderingen door te voeren. Dat was al het geval tijdens de zestienjarige ambtstermijn van Angela Merkel, maar haar regeringen profiteerden nog van een gestage economische groei en een relatief stabiel geopolitiek klimaat, aldus Clemens Fuest, hoofd van het Ifo-instituut in München, dat de Duitse regering adviseert. Nu, zegt Fuest, hebben interne en externe schokbewegingen het onvermogen van de regering om beleid uit te voeren blootgelegd.

    Het lukt Europa maar niet om uit de malaise te komen, zelfs niet nu er oorlog woedt in Oekraïne

    In Frankrijk werd Macron oorspronkelijk president nadat hij zijn eigen politieke partij had opgericht. Hij werd aanvankelijk gezien als een veelbelovend voortrekker van de Europese integratie, iemand die Europa en zijn eigen land zou kunnen veranderen. Macron boekte enkele successen, zoals het terugdringen van de werkloosheid en het aantrekken van buitenlandse investeringen. Maar na twee termijnen is hij een voorbeeld geworden van het verval van Frankrijk en de EU, aldus Manuel Valls, die van 2014 tot 2016 premier van Frankrijk was. In de ogen van burgers die normaal gesproken alles van de regering verwachten, maakt de Franse staat nu een legitimiteitscrisis door, zegt Valls. ‘Onze instituties en onze democratie zullen op de proef worden gesteld. We lopen het risico in een chaotische situatie te belanden; het land heeft een duidelijke richting nodig om bijvoorbeeld de overheidsfinanciën op orde te brengen en het gezag te herstellen.’ertje

    Het lukt Europa maar niet om uit de malaise te komen, zelfs niet nu er oorlog woedt in Oekraïne. In het derde jaar van de oorlog is de EU er niet in geslaagd om zoals beloofd een miljoen granaten aan Kyiv te leveren, noch om Rusland bij te benen in het uitbreiden van de wapenproductie. De militaire voorraden van Frankrijk, Duitsland en andere landen zijn bijna uitgeput en er is weinig te ­merken van de beloofde uitbreiding van hun defensiecapaciteit, aldus Ivan ­Krastev van de European Council on Foreign Relations, een denktank. ‘De militaire productie in Europa is een lachertje, zelfs nu landen een reële dreiging vanuit Rusland voelen,’ zegt Krastev. ‘Er is geen meerderheid die de belangrijkste problemen kan aanpakken. Staten ontlenen hun legitimiteit aan het vermogen om te handelen, maar daar ontbreekt het nu overduidelijk aan.’

    Autocratisch

    Sommige landen in Oost-Europa, waar de regering in staat is geweest een grote meerderheid te behalen, hebben meer succes. De Hongaarse premier Viktor Orbán, die al jaren in de clinch ligt met andere EU-leiders en naar eigen zeggen een ‘illiberale democratie’ heeft opgebouwd, heeft buitenlandse investeringen aangetrokken door belastingvoor­delen te bieden en samen te werken met China.

    Scholz en Macron hebben de afgelopen maanden bezoeken gebracht aan de Servische president Aleksandar Vučić, die door diplomaten en democratische waakhonden is bekritiseerd omdat hij te autocratisch zou zijn. Europese leiders hebben zijn hulp ingeroepen bij het oplossen van het probleem van migranten die naar Europa komen. Vučić heeft met harde hand opgetreden tegen de migratieroutes door zijn land, waardoor de toestroom naar landen zoals Duitsland tijdelijk enigszins is afgenomen.

    Europese leiders zijn ook geïnteresseerd in de grote lithiumvoorraden van Servië. Het metaal, een bestanddeel van accu’s die onder andere in elektrische auto’s worden gebruikt, is cruciaal voor Europa’s economische overgang van fossiele brandstoffen op hernieuwbare bronnen. Lithium komt ook voor in Duitsland en andere EU-landen, maar daar kan het niet worden ontgonnen, vanwege milieuregels waarover de regeringen het nog niet eens zijn geworden. ‘De Servische president mag dan licht autocratisch zijn, maar hij kan het lithium wel uitgraven als hij dat wil,’ aldus een hoge Duitse functionaris.  

  • Europa moet investeren in cleantech

    Europa moet investeren in cleantech

    Als het tij niet snel gekeerd wordt, dreigt de Europese Unie haar positie als wereldleider in klimaatgerelateerde technologieën te verliezen. Dat is niet alleen een aderlating voor de leefbaarheid op deze planeet, maar ook voor de concurrentiepositie van de EU.

    Begin dit jaar werd de financiering van het EU-platform STEP (Strategic Technologies for Europe Platform), dat opkomende cleantech-oplossingen [technologieën die bijdragen aan een schoner milieu of zorgen voor energiebesparing] moet gaan ondersteunen, teruggebracht van 10 miljard naar slechts 1,5 miljard euro. Bovendien werd een aanzienlijk deel van de resterende middelen geoormerkt voor defensieprojecten, in plaats van voor groene technologieën en klimaatgerelateerde infrastructuurinvesteringen.

    Sinds de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni hebben Europese beleidsmakers tegenstrijdige signalen afgegeven over de kans op nieuwe overheidsfinanciering voor de commercialisering en opschaling van schone technologieën. Het ‘Europese concurrentiefonds’ dat voorzitter Ursula von der Leyen van de Europese Commissie heeft toegezegd te zullen bevorderen als onderdeel van haar tweede mandaat, zou investeringen financieren in schone technologie, maar ook in kunstmatige intelligentie, ruimtevaart en andere ‘strategische technologieën’. Hoe de financiering zou worden verdeeld, blijft onbekend.

    Er is meer duidelijkheid nodig. Europa is verwikkeld in een mondiale wedloop om het leiderschap op het gebied van groene innovatie, en de concurrenten, met name de Verenigde Staten en China, hebben duidelijk laten zien dat ze willen winnen. Met de Inflation Reduction Act hebben de VS bijvoorbeeld 240 miljard dollar gestoken in de groene technologiesector, waarbij tegenover elke dollar overheidsinvestering 5,50 dollar aan particuliere uitgaven staat.

    Bedrijven verhuizen nu al naar de VS en nemen privékapitaal, talent en toekomstige toonaangevende technologie met zich mee

    Wanneer snelgroeiende start-ups in eigen land geen toegang hebben tot door de overheid gewaarborgd kapitaal, vertrekken ze. Bedrijven verhuizen nu al van Europa naar de VS en nemen privékapitaal, talent en toekomstige toonaangevende technologie met zich mee. Om deze trend te keren moet de Europese Unie grote hoeveelheden kapitaal vrijmaken om onderzoek en ontwikkeling in de groene technologieën van de toekomst te ondersteunen.

    Maar nu de wereld op de rand van een recessie balanceert en de EU-lidstaten onder enorme financiële druk staan, moet dit kapitaal worden verkregen zonder de huidige inkomsten- of financieringsstromen aan te boren. Gelukkig kan één enkele creatieve beleidswijziging een aanzienlijke hoeveelheid kapitaal vrijmaken zonder de overheidsuitgaven te hoeven verhogen. De sleutel is te vinden in het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU.

    Het ETS, dat in 2005 werd gelanceerd, werkt als een cap and trade-systeem dat het totale doelvolume aan broeikasgasemissies verdeelt in rechten, die vervolgens worden toegewezen aan bedrijven binnen het ETS-gebied. Een bedrijf dat de toegewezen emissierechten overschrijdt, moet extra emissierechten kopen, ofwel van een bedrijf dat nog emissierechten over heeft, ofwel op openbare veilingen.

    Broodnodig

    In 2022 genereerde het ETS 38,8 miljard euro aan veilingopbrengsten. De meeste van deze inkomsten vloeien terug naar de lidstaten, die dit geld vooral dienen te besteden aan klimaat- en energiegerelateerde zaken. Maar zelfs als de veilingopbrengsten naar broodnodige cleantech- en groene-infrastructuurprojecten gaan (wat niet altijd het geval is), blijven ze ontoereikend om het investeringsniveau te financieren dat vandaag nodig is.

    Maar dit gaat veranderen: naarmate de koolstofprijs stijgt, zullen ook de ETS-inkomsten de komende tien jaar aanzienlijk stijgen. De financiering van cleantech kan evenwel niet wachten; daarom hebben sommige investeerders en beleidsmakers, onder wie Europees Parlementslid Thomas Pellerin-Carlin, de EU opgeroepen om leningen aan te gaan met toekomstige ETS-inkomsten als onderpand, en zo meer kapitaal te genereren voor de groene investeringen van vandaag.

    Een soortgelijke aanpak wordt elders al toegepast. Japan kondigde afgelopen februari aan dat het van plan is de komende tien jaar twintig biljoen yen (137 miljard dollar) aan klimaattransitieobligaties uit te geven om groene investeringen te ondersteunen; daarbij gebruikt het de toekomstige inkomsten uit het eigen ETS en de heffing op fossiele brandstoffen om de schuld af te lossen. De aankondiging werd verwelkomd door de markten, de industrie en klimaatinnovatoren.

    Lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten zou de EU in staat stellen de uitstoot op de middellange termijn te verminderen

    Natuurlijk zou het implementeren van een dergelijke regeling in Europa ingewikkelder zijn, omdat de EU dan namens de lidstaten een collectieve schuld op zich zou moeten nemen. Maar dit zou lang niet zo’n groot politiek obstakel zijn als je zou denken, omdat het ETS al een regeling op EU-niveau is. Het moet dus haalbaar zijn om de Europese leiders zover te krijgen dat ze akkoord gaan met collectief lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten, vooral gezien de duidelijke, verstrekkende voordelen van een betere toegang tot kapitaal voor startende cleantech-bedrijven.

    Lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten zou de EU in staat stellen de uitstoot op de middellange termijn te verminderen, en te investeren in de vitale infrastructuur en transformatieve technologieën die nodig zijn om haar klimaatdoelstellingen te halen. Europese beleidsmakers zijn het aan innovatoren op het gebied van cleantech – en aan de Europese burgers – verplicht om dit beleid een kans te geven.

  • De geopolitieke dwerggroei van de EU

    De geopolitieke dwerggroei van de EU

    In plaats van zich bezig te houden met de overwinning van Donald Trump en de gevolgen die dat zou kunnen hebben voor de oorlog in Oekraïne, wordt er in Europa gediscussieerd over migratie, migratie en nog eens migratie.

    Als er één ding is waar de Europese Unie goed in is, is het wel met zichzelf bezig zijn. Dat bleek maar weer eens op de recente top van de 27 staatshoofden en regeringsleiders. Er was ook een gast uitgenodigd die als geen ander kan vertellen welke gevaren Europa bedreigen, namelijk de Oekraïense president Volodymyr Zelensky. En wat doen die 27? Ze praten over migratie, migratie en nog eens migratie.

    De Europese Raadsvoorzitter Charles Michel verwelkomde Zelensky in Brussel met warme woorden: ‘We delen dezelfde waarden, we staan aan jullie kant. We zullen jullie blijven steunen.’ Zelensky mocht zijn ‘overwinningsplan’ presenteren aan de verzamelde staatshoofden en regeringsleiders. Naar verluidt luisterden ze met veel sympathie, maar zonder iets concreets toe te zeggen.

    Vervolgens gaf Zelensky een persconferentie waarin hij zijn plan krachtig verdedigde en nog eens waarschuwde voor de Russische dreiging. Daarna vertrok hij weer. Waarna de 27 weer verder dachten over vragen als: hoe komen we van die mensen af die geen recht hebben om in Europa te blijven? Wat vinden we van het voorstel van de Poolse premier Donald Tusk om het asielrecht tijdelijk op te schorten? En kan het onlangs geopende Italiaanse kamp voor migranten in Albanië misschien als voorbeeld dienen?

    Ja, er zijn te veel mensen in Europa die geen recht op verblijf hebben en toch niet worden teruggezonden

    In het licht van de grootste geopolitieke crisis in Europa sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog lijken deze vragen weinig relevant. Terwijl Zelensky in Brussel meldde dat Noord-Korea volgens inlichtingendiensten voorbereidingen treft om tienduizend soldaten naar Oekraïne te sturen om aan de zijde van bondgenoot Rusland te vechten, debatteren de EU-leiders over ‘repatriëringscentra’ naar het voorbeeld van dat Italiaanse kamp in Albanië, waar onlangs de eerste migranten naartoe werden overgebracht – zestien in totaal.

    Deze geopolitieke dwerggroei van de EU heeft zo zijn redenen. In Europa zijn extreemrechtse partijen in opkomst, bijvoorbeeld in Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk, of ze zitten al in de regering, zoals in Italië en Nederland. Om deze ontwikkeling af te remmen bespreekt de EU-top juist de kwestie die extreemrechts zo sterk heeft gemaakt: migratie. Op zich is daar niets mis mee, maar doe dat dan door krachtig de hervorming van het gemeenschappelijke Europese asielstelsel (CEAS) te verdedigen, die in het voorjaar na bijna tien jaar van verhitte discussies is aangenomen. Want hoewel deze hervorming verre van perfect is, kan alleen al het bestaan ervan helpen om de broodnodige objectiviteit in het debat aan te brengen. 

    Ja, er zijn te veel mensen in Europa die geen recht op verblijf hebben en toch niet worden teruggezonden. Ja, dit ondermijnt de legitimiteit van de regeringspartijen. Maar de CEAS bestaat, moet in praktijk worden gebracht en heeft daartoe regeringsleiders nodig die de hervorming op een proactieve manier verdedigen. Dan zou er meer ruimte ontstaan om te praten over wat écht belangrijk is voor de EU: de Russische agressie, die niet enkel gericht is tegen Oekraïne, maar tegen heel Europa.

    Is Europa in staat Oekraïne te beschermen? Is de EU bereid dat te doen?

    Een debat hierover is des te urgenter omdat de kans bestaat dat Donald Trump op 5 november wordt herkozen als president van de VS. Trump zou Oekraïne weleens verdere steun kunnen ontzeggen, waarna de EU zijn gehavende buurman in zijn eentje zal moeten beschermen.

    Vladimir Poetin voert al tweeënhalf jaar een meedogenloze oorlog tegen Oekraïne. In die tijd is er veel hulp voor Oekraïne gekomen uit Europa in de vorm van geld en wapens, en is er bovendien verklaard dat Oekraïne ‘bij ons hoort’. Maar de waarheid is: zonder de VS had Poetin Oekraïne allang verslagen. Feit is ook dat het kleine Finland tot nu toe 3,2 miljard euro aan Oekraïne heeft betaald, meer dan de grote EU-lidstaten Frankrijk, Italië en Spanje. Als de EU het Russische imperialisme als een existentiële bedreiging zou erkennen, zouden Frankrijk, Italië, Spanje en veel andere landen hun hulp naar het Finse niveau tillen.

    Is Europa in staat Oekraïne te beschermen? Is de EU bereid dat te doen? Het uiterst zorgwekkende antwoord, op beide vragen, luidt: nee. Daar komt nog eens bij dat Trump, als hij president wordt, behalve de militaire steun aan Oekraïne ook die aan Europa zou kunnen intrekken. Dat leidt tot de vraag of Europa in staat is zichzelf te beschermen. Het overbekende antwoord luidt: nee.

    Het was een kleine geruststelling geweest als de EU zich op haar laatste formele top voor de Amerikaanse verkiezingen minder op zichzelf had gericht, en meer op de grote oorlog die op Europese bodem woedt. Want na 5 november dreigt Europa weg te zakken in een grote en gevaarlijke eenzaamheid.