Tag: klimaatverandering

  • De temperatuurstijging valt mee. Is er reden voor voorzichtig optimisme?

    De temperatuurstijging valt mee. Is er reden voor voorzichtig optimisme?

    De Amerikaanse journalist David Wallace-Wells boezemde in 2017 angst in met zijn boek De onbewoonbare aarde. Nu schrijft hij met iets meer optimisme. De voorspellingen over de opwarming van de aarde van een aantal jaar geleden vallen minder apocalyptisch uit dan gedacht. Wat betekent dat voor onze toekomst?

    Je kunt nooit echt in de toekomst kijken, je kunt er alleen over fantaseren en vervolgens proberen de nieuwe wereld te begrijpen zodra die zich aandient. Een paar jaar geleden klonken de klimaatvoorspellingen voor deze eeuw nog vrij apocalyptisch. De meeste wetenschappers waarschuwden voor een opwarming van de aarde met vier of vijf graden als de wereld op de oude voet doorging. Dat zou zo ingrijpend zijn dat er niet alleen voedselcrises, toenemende hittestress en economische en andere conflicten tussen staten werden voorspeld, maar dat we volgens sommigen afstevenden op de totale ondergang van de beschaving, einde oefening voor de mensheid. (Misschien hebt u hier zelf al eens nachtmerries over gehad of er voortekenen van ontwaard in uw nieuwsfeed.)

    Nu de aarde inmiddels al 1,2 graden is opgewarmd, schatten wetenschappers dat de opwarming deze eeuw waarschijnlijk op ergens tussen de twee en drie graden zal uitkomen. (Een schatting die wordt bevestigd in een VN-rapport dat eind oktober werd uitgebracht in de aanloop naar de klimaattop COP27 in het Egyptische Sharm-el-Sheikh.) Met wat meer gezamenlijke daadkracht kan het nog iets lager uitvallen, en met wat pech en minder daadkracht ook iets hoger. Die getallen klinken misschien abstract, maar waar het op neerkomt is dit: dankzij de verbluffende daling van de prijzen voor groene energie, een waarlijk wereldwijde politieke mobilisatie, een scherpere blik op de toekomst van onze energie en serieuze aandacht voor dit thema bij wereld-leiders zijn we er in amper vijf jaar tijd in geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren.

    In amper vijf jaar tijd zijn we erin geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren

    Decennialang werd het denken over de toekomst van het klimaat gedomineerd door enerzijds een kinderlijk naïef geloof dat we heus wel op de oude voet zouden kunnen doorleven, en anderzijds het doemdenken over een ecologische eindtijd waarin het leven of het bestaan van misschien wel miljarden mensen gevaar zou lopen. De afgelopen jaren zagen we deze twee uitersten ook terug in de klimaat-modellen. Als we de meest ambitieuze doelen van het akkoord van Parijs maar zouden halen en de opwarming onder de anderhalve graad konden houden, zo was de algemene gedachte, zou ons leven min of meer bij het oude kunnen blijven. Maar als we niet snel iets aan de uitstoot van broeikasgassen deden en de opwarming lieten stijgen tot boven de drie of zelfs vier graden, zouden we onze ondergang tegemoet gaan.

    Tragisch uitstelgedrag

    Geen van beide scenario’s lijkt nu nog erg waarschijnlijk. De meest angstaanjagende voorspellingen zijn onwaarschijnlijk geworden door de vergroening die nu al plaatsvindt, en de meest hoopvolle zijn inmiddels nauwelijks nog haalbaar door tragisch uitstelgedrag. Het aantal haalbare toekomst-scenario’s wordt snel kleiner, en dat geeft ons een duidelijker beeld van wat ons te wachten staat: een nieuwe, ernstig verstoorde wereld, met een bevolking van miljarden mensen en een klimaat dat ver afstaat van het oude normaal, maar dat gelukkig nog lang niet tot een echte apocalyps hoeft te leiden.

    De afgelopen maanden heb ik tientallen gesprekken gevoerd – met klimaatwetenschappers, economen en beleidsmakers, met opiniemakers en activisten, en met schrijvers en filosofen – over die nieuwe wereld en hoe we ons die moeten voorstellen. De meest stimulerende en ruimdenkende kijk op het vraagstuk kwam misschien wel van Kate Marvel van de NASA, een van hoofdauteurs van de vijfde National Climate Assessment [het periodieke milieurapport voor de Amerikaanse overheid]. ‘De wereld wordt wat wij ervan maken,’ zegt Marvel. Zelf kom ik steeds weer terug bij drie aanknopingspunten om de mogelijke toekomstroutes enigszins mee in kaart te brengen.

    De doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn

    Ten eerste: de doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn. Dat is ontegenzeggelijk goed nieuws en, in een tijd van wanhoop en klimaatpaniek, een ondergewaardeerd teken van de vooruitgang die al geboekt is en die van mondiaal belang is.

    Ten tweede, en dit is minstens zo belangrijk: de meest waarschijnlijke toekomstscenario’s behelzen nog steeds een mate van opwarming die lange tijd rampzalig werd geacht – een bewijs van het mondiale onvermogen om de opwarming binnen ‘veilige’ grenzen te houden. Door decennialang bijna geen maatregelen te nemen hebben we die kans verspeeld. En wat misschien nog zorgwekkender is: hoe meer we te weten komen over de mogelijke gevolgen van zelfs een relatief beperkte opwarming, des te akeliger en problematischer die lijken te zijn. In het persbericht bij het recente VN-rapport werd voorspeld dat een opwarming van meer dan twee graden zal resulteren in ‘onafzienbaar leed’.

    Ten derde heeft de mensheid nog steeds heel veel zelf in de hand: hoe warm het zal worden en hoeveel inspanningen we ons getroosten om elkaar tegen die dreigingen en verstoringen te beschermen. Als we erkennen dat een werkelijk apocalyptische opwarming van de aarde nu een stuk minder waarschijnlijk lijkt dan nog maar enkele jaren geleden, halen we de toekomst uit het domein van de mythevorming en brengen haar terug in de arena van de geschiedenis: iets waarin en waarover we strijd kunnen leveren, een verhaal van zowel welvaart als leed – al zullen die niet gelijkelijk over iedereen worden verdeeld.

    Klimaatpolitiek

    Het is niet zo gemakkelijk om dit beeld helemaal helder te krijgen. Deels omdat klimaatactie nog een open vraag blijft, deels omdat het moeilijk is de schaal van de klimaatverandering af te wegen tegen mogelijke reacties van de mens, en deels omdat we niet meer zomaar kunnen teruggrijpen op dat handige narratieve stramien van apocalyps versus het oude normaal. Maar door het hele palet aan mogelijke klimaatscenario’s te beperken, verruilen we de ene verzameling onzekerheden (over de mate van opwarming) voor een andere: die van politieke keuzes en menselijke reacties daarop. We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken. Dat begint nog steeds met het terugdringen van de broeikasgassen, maar het is niet langer redelijk om te denken dat het daarbij kan blijven. De politiek van vergroening zal zich ontwikkelen tot een politiek die ook kijkt naar wat er daarna moet gebeuren, op het vlak van klimaatadaptatie, financiering en rechtvaardige verdeling (om maar enkele kwesties te noemen). Lange tijd leek de toekomst van de wereld af te hangen van het welslagen van de vergroening, maar een duidelijk pad naar een toekomst met twee of drie graden opwarming betekent dat die toekomst nu ook afhangt van wat we gaan doen als het zover is. Met andere woorden: onze toekomst hangt af van een nieuwe en breder georiënteerde klimaatpolitiek.

    We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken

    ‘We leven in een verschrikkelijke wereld, en we leven in een prachtige wereld,’ zegt Marvel. ‘Het is een verschrikkelijke wereld die nu al meer dan één graad is opgewarmd. Maar ook een prachtige wereld waarin we beschikken over heel veel manieren om stroom op te wekken die goedkoper, rendabeler en makkelijker toepasbaar zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er verschijnen uiterst geloofwaardige artikelen in wetenschappelijke tijdschriften die betogen dat een snelle overstap naar hernieuwbare energie per saldo geen kostenpost zal zijn, maar een winstmaker,’ zegt ze, en ze schudt haar hoofd alsof ze het zelf bijna niet kan geloven. ‘Als je me dat vijf jaar geleden had verteld, had ik gedacht: wauw, dat is een wonder.’

    GettyImages 1388204699
    Bouw van de ITER-reactor in het Franse onderzoekscentrum Cadarache, waar de fusiereactie zal plaatsvinden. – © Jean-Marie Hosatte / Gamma-Rapho via Getty

    Hoe is dat zo gekomen? Om te beginnen heeft de wereld er werk van gemaakt om af te stappen van steenkool.

    Steenkoolgebruik

    In 2014 werkte klimaatwetenschapper en podcastmaker Justin Ritchie nog aan zijn proefschrift. Daarin vroeg hij zich af waarom zo veel klimaatmodellen rekenden op een grote piek in het steenkoolgebruik in de eenentwintigste eeuw. Iedereen wist wel dat de decennialange economische groei van China op steenkool dreef, maar wetenschappers die zich met de energietoekomst bezighielden, betwijfelden toen al of datzelfde model ook voor alle andere opkomende landen van kracht zou zijn, en al helemaal of de rijke landen ooit weer structureel op steenkool zouden terugvallen. 

    Alleen was dat inzicht nergens terug te vinden in de mix van economische, demografische en materiële veronderstellingen over toekomstige ontwikkelingen die als basis diende voor de talrijke modellen waarmee klimaat-wetenschappers prognoses maakten over de klimaatgevolgen, onder meer voor het VN-klimaatpanel IPCC. Het opvallendste voorbeeld was een emissievoorspelling getiteld RCP8.5, die uitging van een op z’n minst vijfvoudige groei van het steenkoolverbruik in de loop van deze eeuw. Dit was het somberste scenario, waarin de mens geen enkele maatregel nam – in de wetenschappelijke literatuur en door journalisten wel betiteld als het ‘business as usual’-scenario. Toen Ritchie en zijn promotiebegeleider in 2017 hun onderzoek publiceerden in het tijdschrift Energy Economics, gaven ze het de suggestieve ondertitel: ‘Zijn gevallen van een enorme toename in steenkoolverbruik nog aannemelijk?’ Gezien de huidige ontwikkelingen is het antwoord daarop nu simpelweg: nee. 

    Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie

    Al jaren leefden er vragen over de toekomst van steenkool, vooral bij de mensen die meenden dat in prognoses over duurzame energie de groei van wind- en zonne-energie belachelijk laag werd ingeschat. Maar de inmiddels brede scepsis over de somberste doemscenario’s voor de uitstoot van broeikasgassen is toch vooral terug te voeren op het kleine groepje mensen dat het werk van Ritchie las en daarmee Twitter op ging. Onder hen Roger Pielke Jr., een hoogleraar milieukunde die door de Republikeinen vaak als deskundige wordt opgeroepen bij hoorzittingen in het Congres over het klimaat. En ook de uitgesproken Britse investeerder Michael Liebreich, oprichter van een door Michael Bloomberg opgekocht bedrijf voor groen beleggingsadvies, die in 2019 op sociale media steeds luidkeels riep dat RCP8.5 ‘gelul’ is. En tot slot de wat ingetogener klimaatwetenschappers Zeke Hausfather en Glen Peters, die in 2020 een opiniestuk in Nature publiceerden waarin ze stelden dat ‘het “business as usual”-verhaal misleidend is’. (Ik had het jaar daarvoor een artikel gepubliceerd waarin ik hetzelfde spoor volgde.)

    Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie. Maar Hausfather schat dat het naar beneden bijstellen van die aannames verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de vastgestelde vooruitgang die we hebben geboekt, en dat alleen de andere helft te danken is aan oplossingen afkomstig van technologie, overheidsbeleid en de markt.

    Neem om te beginnen de technologie. Energienerds hoef je het niet meer te vertellen, maar buiten dat wereldje beseft bijna niemand hoe snel en drastisch de kosten van technieken voor groene energie zijn gedaald. Dat is net zo’n verbluffend en misschien ook wel net zo’n belangrijk verhaal als dat van de nieuwe mRNA-vaccins, die binnen enkele maanden werden ontwikkeld en verspreid om de wereldwijde pandemie te bestrijden.

    Zonne-energie 

    De kosten van zonne-energie en van de technologie van lithiumbatterijen zijn sinds 2010 met ruim 85 procent gedaald, en die van windenergie met ruim 55 procent. Het Internationaal Energieagentschap heeft onlangs voorspeld dat zonne-energie ‘de goedkoopste bron van elektriciteit in de geschiedenis’ zal worden. En volgens een rapport van [de onafhankelijke financiële denktank] Carbon Tracker woont 90 procent van de wereldbevolking op plaatsen waar nieuwe groene energie goedkoper zou zijn dan nieuwe vuile energie. Ter vergelijking: als de benzineprijs net zo sterk was gedaald, zou de [Amerikaanse] prijs aan de pomp, die in 2010 bijna 3 dollar per gallon bedroeg, nu gezakt zijn tot onder de 50 cent.

    De markten hebben dit ook door. Het volume aan investeringen in groene energie is dat van de investeringen in fossiele brandstoffen dit jaar voorbij-gestreefd, ondanks de stormloop op gas en het ‘terugvallen op steenkool’ als gevolg van de Russische inval in Oekraïne. Na decennia van dalingen zijn de kosten van duurzame productie nu weer een klein beetje gestegen door problemen in de toeleveringsketen, maar de algehele trend is toch met het blote oog zichtbaar: er worden wereldwijd genoeg fabrieken voor zonnepanelen gebouwd om daarmee de zonne-energie te produceren die nodig is om de opwarming onder de twee graden te houden. En het aantal zonneparken dat de VS in de planning hebben, is groter dan de totale mondiale capaciteit van dit moment. Liebreich heeft het al over een kantelpunt, waarna het toekomstplaatje van energie er volledig anders uit zal zien.

    Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid

    Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid. Vijf jaar geleden had nog bijna niemand gehoord van Greta Thunberg en de schoolstakingen van Fridays for Future, van Extinction Rebellion en de Sunrise Movement. Toen was er geen serieuze discussie over de Amerikaanse Green New Deal en de Europese Green Deal, er werd nog niet eens gefluisterd over het ‘Fit for 55’-programma [waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil terugdringen], de Inflation Reduction Act van de VS [die in feite neerkomt op een klimaatwet] of de belofte van China dat zijn uitstoot vanaf 2030 zal afnemen. Een paar prominente wereldleiders waren klimaatsceptici. Er was bijna geen land ter wereld dat serieus sprak over het elimineren van alle broeikasgassen, het gesprek ging alleen over verlaging van de emissie en veel landen hadden het daar niet eens serieus over. Inmiddels is meer dan 90 procent van het mondiale bbp en ruim 80 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen gebonden aan diverse toezeggingen te streven naar nettonuluitstoot, die elk een historisch ongekend tempo van vergroening beloven.

    Nu zijn dat grotendeels nog papieren toezeggingen, die op de korte termijn veel te vrijblijvend zijn om te kunnen doorgaan voor echte maatregelen en meer weg hebben van een minzame uitsteltactiek. Maar je kunt toch spreken van een nieuw tijdperk voor klimaatactie als de overgrote meerderheid van de wereldleiders zich genoodzaakt ziet om zulke beloften te doen – onder druk van demonstranten, van de angst bij het brede publiek en de wensen van kiezers, en ook steeds meer onder druk van de krachtige logica van nationaal eigenbelang. Wat vroeger vooral een moreel moetje leek, wordt nu steeds meer gezien als een economische kans, zozeer dat er zelfs al sprake is van geopolitieke rivaliteit. Toen Boris Johnson nog premier van het Verenigd Koninkrijk was, zei hij dat hij zijn land het ‘Saoedi-Arabië van de windenergie’ wilde maken. En de Inflation Reduction Act is vooral gericht op versterking van de Amerikaanse concurrentiepositie op het vlak van groene energie. China, dat al bijna evenveel capaciteit voor de productie van duurzame energie aan het opbouwen is als de rest van de wereld bij elkaar, maakt ook 85 procent van alle zonne-panelen ter wereld (en verkoopt bijna de helft van alle elektrische voertuigen die wereldwijd worden gekocht). Volgens een recent artikel over de energietransitie in het wetenschappelijk tijdschrift Joule kan snellere vergroening de wereld in 2050 al biljoenen dollars opleveren.

    Andere kant op

    Met voorspellingen koop je nog niets. Maar ze sturen ons wel een andere kant op. Marshall Burke, een klimaatwetenschapper aan de Stanford-universiteit die verontrustende voorspellingen heeft gedaan over de kosten van het broeikaseffect (bijvoorbeeld dat het mondiale bbp door klimaatverandering een kwart lager kan uitvallen), zegt dat hij de grafieken die hij in zijn colleges gebruikt heeft moeten aanpassen en dat hij zijn prognoses van enkele jaren terug nu al moet herzien. ‘Het klimaatprobleem is een gevolg van keuzes van de mens, en de winst die we nu boeken is daar ook een gevolg van,’ zegt hij. ‘En die keuzes moeten we toejuichen. Het is nog niet genoeg. Maar het is wel verbazingwekkend.’

    Kernfusie in Frankrijk

    Gaat het misschien in Zuid-Frankrijk gebeuren, in de gemeente Saint-Paul-lès-Durance, 30 kilometer ten noordoosten van Aix-en-Provence?

    Daar bouwen ruim dertig landen sinds 2010 aan een installatie voor kernfusie, een proces dat van nature voorkomt in de zon en de sterren, maar dat bijzonder moeilijk is na te bootsen op aarde. Mocht het lukken, dan is de winst enorm. Kernfusie belooft een vrijwel onbeperkte vorm van energie die, anders dan fossiele brandstoffen, geen broeikasgassen uitstoot en, in tegenstelling tot de huidige kernsplijting, de wereld niet opzadelt met langdurig gevaarlijk kernafval. Slechts 1 gram brandstof levert het equivalent op van 8 ton olie aan fusie-energie. Ofwel: een rendement van 8 miljoen op 1, aldus CNN .

    Experts waren altijd terughoudend over de vraag wanneer fusie-energie op grote schaal beschikbaar zal zijn. Tot februari van dit jaar. Toen berichtten Britse wetenschappers een recordhoeveelheid van 59 megajoule fusie-energie te hebben opgewekt die gedurende vijf seconden in stand te werd gehouden in een reusachtige, donutvormige machine die een ‘tokamak’ wordt genoemd. Het was slechts genoeg om één huis een dag lang van energie te voorzien, en er ging meer energie in het proces zitten dan eruit kwam. Maar het bewijs was geleverd dat kernfusie inderdaad mogelijk is op aarde. Alle ballen op Zuid-Frankrijk dus.

    Ook Matthew Huber van de Purdue-universiteit, een van de klimaatwetenschappers achter het idee dat hitte en vochtigheid een drempelwaarde kunnen bereiken die fataal is voor het menselijk voortbestaan, zegt dat hij zich tegenwoordig een stuk minder zorgen maakt dan vroeger. Al denkt hij op basis van de lange geschiedenis van onze planeet nog wel dat de aarde eerder drie dan twee graden zal opwarmen. ‘Sommige collega’s hebben bij die drie graden iets van: O nee, dat is verschrikkelijk, we doen het helemaal verkeerd!’ zegt hij. ‘En dan zegt iemand als ik: Nou ja, vroeger dachten we dat we afstevenden op vijf graden. Dan is drie graden dus al winst.’

    Wel een schrijnend soort winst. ‘Het goede nieuws is dat we beleid hebben gemaakt waarmee de voorspelde gemiddelde mondiale temperatuur significant naar beneden kan worden bijgesteld,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Katharine Hayhoe, een van de hoofdauteurs van meerdere National Climate Assessments in de VS, en een evangelisch christen met een zekere faam als een soort klimaatfluisteraar van centrumrechts. Het slechte nieuws, zegt ze, is dat we ‘de snelheid en de hoogte van de extremen systematisch hebben onderschat’. Zelfs als de temperatuurstijging beperkt blijft tot twee graden, zouden de extremen volgens haar ‘overeen kunnen komen met wat je zou hebben voorspeld bij een opwarming van vier tot vijf graden’.

    Sneller en extremer

    ‘De dingen gebeuren sneller en extremer,’ beaamt de Britse econoom Nicholas Stern, die in 2006 leiding gaf aan een belangrijk onderzoek naar klimaatrisico’s. Met groene technologie ‘hebben we het groeiverhaal van de eenentwintigste eeuw in handen,’ zegt hij. Maar hij maakt zich zorgen over de toekomst van het Amazonegebied, het smelten van de CO2-rijke permafrost in het Noordpoolgebied en de instabiliteit van de ijskappen: stuk voor stuk potentiële kantelpunten ‘die ons boven het hoofd kunnen groeien’. ‘Met elk IPCC-rapport is het weer erger dan je dacht, ook als je al dacht dat het heel erg was,’ zegt hij. ‘Een opwarming van twee graden betekent niet per se het einde van de mensheid, maar er gaan dan wel veel doden vallen, je krijgt veel migratiestromen, veel conflicten om ruimte en water.’

    bc35e149 7607 4cbf a827 581596e58be2‘We zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat al onder water’

    ‘Ik bedoel, we zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat toch al onder water?’ zegt de Nigeriaans-Amerikaanse filosoof Olufemi O. Taiwo, die de afgelopen jaren veel heeft geschreven over klimaatrechtvaardigheid in de context van herstelbetalingen voor slavernij en kolonialisme. ‘Als je kijkt naar wat we nu al zien bij nog geen twee graden opwarming: dat geeft geen enkele aanleiding tot optimisme.’

    Wat allemaal weer een heel andere kijk op de nabije toekomst oplevert, ook dat is waar. De wereld zal steeds warmer worden en het resultaat daarvan steeds schadelijker, zelfs al wordt de vergroening zodanig versneld dat we de meest ambitieuze doelstellingen halen: een halvering van de uitstoot in 2030 en twintig jaar later netto nul. ‘Die jaartallen, 2030, 2050, die zeggen helemaal niets,’ aldus Gail Bradbrook, een van de Britse oprichters van Extinction Rebellion. ‘Waar het om gaat is de totale hoeveelheid CO2 in de lucht, en die is al veel te hoog. Die jaartallen kunnen worden gebruikt als excuus om het probleem op de lange baan te schuiven. Maar het belangrijkste is dat we op dit moment schade aanrichten, en dat we absoluut zo snel mogelijk een eind moeten maken aan alle activiteiten die de situatie verergeren.’

    Het is allemaal dus maar net hoe je ernaar kijkt. In de toekomst zal het klimaat er slechter aan toe zijn dan nu, maar beter dan veel mensen tot voor kort hadden gedacht. De wereld is harder op weg om te vergroenen dan we ooit voor mogelijk hielden, maar nog lang niet snel genoeg om ernstige problemen te voorkomen. Zelfs als we met gemak onder de twee graden blijven, gaan we nog een roerige toekomst tegemoet, met zodanige verstoringen van het natuurlijk evenwicht dat die een gevaar kunnen vormen voor veel maatschappelijke en politieke zeker-heden die we al generaties lang vanzelfsprekend vinden.

    Extreem weer

    Delhi telde het afgelopen voorjaar 78 dagen met temperaturen van boven de 100 graden Fahrenheit (37,8 graden Celsius), en de kans op zo’n maandenlange hittegolf is door de klimaat-verandering dertig keer zo groot geworden. Op het noordelijk halfrond is de kans op droogte twintig keer zo groot geworden. Resultaat: droge rivierbeddingen van de Yangtze en de Donau tot de Colorado. Ineens kwamen er gedumpte lijken bloot te liggen in Lake Mead, en voetafdrukken van dinosaurussen in Texas, explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en een ‘Spaans Stonehenge’ in Guadalperal. In landbouwgebieden op meerdere continenten stonden gewassen zo te stoven in de zon dat oogsten geheel of gedeeltelijk mislukten. Alleen al in de stad Phoenix stierven honderden mensen van de hitte; in Engeland, Portugal en Spanje waren het er meer dan duizend.

    Wekenlang stond een derde van Pakistan blank door overstromingen na de moessonregens, wat tientallen miljoenen mensen op de vlucht dreef en de katoen- en rijstoogst verwoestte. Allemaal factoren die meer dan bevorderlijk zijn voor het aanwakkeren van migratie, conflicten en besmettelijke ziekten in een land dat het toch al moeilijk heeft – een land dat in zijn hele industriële bestaan ongeveer evenveel CO2 heeft uitgestoten als de Verenigde Staten alleen al in dit jaar. In het Caribisch gebied en de Stille Oceaan groeiden tropische stormen in nog geen 36 uur uit tot hevige orkanen.

    Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden?

    China zuchtte maandenlang onder zo’n intense hitte dat, zoals een meteoroloog het mooi verwoordde, ‘er in de hele wereldgeschiedenis van het klimaat niets ook maar in de verte mee vergelijkbaar is’. Net als met de pandemie probeerde China de verstoringen van het dagelijks leven zo veel mogelijk te verbloemen. Maar doordat fabrieken werden stilgelegd, voelde de rest van de wereld toch de gevolgen in de toe-leveringsketens voor halfgeleiders, geneesmiddelen, zonnecellen, iPhones en Tesla’s. Allemaal productieketens die dus al in de problemen kwamen bij een opwarming van slechts 1,2 graden.

    ANP 435769929
    Fusiereactor bij het Max-Planck-Instituut voor Plasmafysica in het Duitse Garching bei München.© Christian Lunig / Science Photo Library via ANP

    Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden? Extreem weer, nog heviger en veel vaker dan nu. Verstoringen en ontwrichting op bijna alle niveaus, van bacteriologisch tot geopolitiek. Honderden miljoenen mensen die ten prooi vallen aan leed en onrecht, omdat de baten van industriële activiteit zich ophopen in die delen van de wereld die juist niet onder de ergste gevolgen lijden. Innovatie ook, waaronder nieuwe oplossingen die we ons nu nog niet kunnen voorstellen, en een beetje nieuwe welvaart, zij het minder dan als de aarde niet zou opwarmen. Gewenning aan rampen die steeds groter zullen zijn en meer schade aanrichten, en daardoor wellicht een zekere moeheid als het gaat om medeleven met de in het mondiale Zuiden aangerichte ravage, uitmondend in het soort antisociale afstandelijkheid die dit soort salondiscussies mogelijk maakt. 

    Apocalyptisch denken

    Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven – en dan met klimaatverstoringen die steeds groter en schadelijker worden, die we het hoofd zullen bieden met een nog onbekende combinatie van mislukking en succes, verdriet en nieuwe kansen.

    ‘Wat het Westen altijd parten speelt is het eindtijddenken – de zondeval, het christendom en zo,’ zegt Tim Sahay, een in Mumbai geboren klimaatexpert en medeoprichter van het nieuwe tijdschrift The Polycrisis. ‘Dat is onuitroeibaar, wij zien alleen de mogelijkheden voor doemdenken.’ De uitdagingen zijn groot en reëel, en komen voor een onevenredig deel op het bordje van de ontwikkelingslanden, zegt hij, maar de uitkomst staat niet bij voorbaat vast, althans niet per se. ‘We denderen de donkere berg af,’ zegt hij. ‘Ergens is dat natuurlijk eng, maar het kan op zoveel verschillende manieren aflopen. Ik vind het allemaal heel spannend. Wat voor steden zal Brazilië bouwen? Wat voor land wordt Indonesië?’

    Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven

    Er zijn plaatsen waar de klimaatretoriek zachter begint te klinken – of misschien moet je het juist harder noemen, omdat existentiële abstracties plaatsmaken voor keihard realisme. In 2009 zei Mohamed Nasheed als president van de Malediven op de klimaattop in Kopenhagen nog: ‘Hoe kunt u mijn land vragen om uit te sterven?’ Tegenwoordig klinkt hij pragmatischer. Hij wijst op de noodzaak van klimaat-financiering – geldelijke steun van ontwikkelingsbanken en noordelijke instituties om de groene transitie en de weerbaarheid van de lokale bevolking te stimuleren – en filosofeert over de noodzaak van lastenverlichting voor arme landen door schulden kwijt te schelden. Ook stimuleert hij wetenschappelijk onderzoek naar genetisch gemodificeerd koraal dat beter bestand is tegen het opwarmende water.

    Mia Mottley, de premier van Barbados, neemt het op tegen het IMF en de Wereldbank en spoort andere kwetsbare landen aan om het ook harder te spelen. Greta Thunberg, het onverzettelijke gezicht van het klimaat-activisme, heeft onlangs haar steun bevestigd voor het in gebruik houden van bestaande kerncentrales. En Rupert Read, ooit woordvoerder van Extinction Rebellion, roept inmiddels op tot de vorming van een ‘gematigde vleugel’ in de klimaatbeweging. De klimaatwet die de Verenigde Staten uiteindelijk kreeg, behelsde geen Green New Deal, geen zware CO2-heffing of strenge regelgeving voor vermindering van de uitstoot, maar een breed vertakt, op positieve prikkels gebaseerd vergroeningspakket dat ook steun omvat voor kernenergie en zelfs voor CO2-opslag, wat voor ‘klimaatlinks’ lange tijd taboe was.

    Problematische puinhoop

    Dit klinkt misschien alsof er nu sprake is van een groeiende consensus, en tot op zekere hoogte is dat ook zo. Maar de wereld waar dit over gaat is nog steeds een problematische puinhoop. Economisch historicus Adam Tooze heeft het afgelopen jaar het woord ‘polycrisis’ populair gemaakt als aanduiding voor de lawine aan grote uitdagingen die de fundamentele stabiliteit en continuïteit van de wereldorde bedreigen. De Franse president Macron, de belichaming van soepel neoliberaal optimisme, heeft de huidige roerige tijd al getypeerd als ‘het einde van de overvloed’. De voormalig voorzitter van het Europees Parlement Josep Borrell gebruikte ‘radicale onzekerheid’ als omschrijving voor ons tijdsgewricht, en vergeleek Europa later ook nog met een ‘tuin’ in de ‘jungle’ van de wereld, waarbij hij waarschuwde dat ‘de jungle de tuin kan binnendringen’.

    India: Industrieel eigenbelang

    Het laatste land waarvan je een energierevolutie verwacht, is wellicht India.

    Het haalt immers bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld en verbrandt meer steenkool dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow blokkeerde India voorstellen om het gebruik van steenkool af te bouwen. Maar toch deed de Indiase premier Narendra Modi op diezelfde conferentie een belofte die, als hij wordt nagekomen, van zijn land één groene energiecentrale zal maken. Volgens Modi heeft India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’. Grootspraak? Niet als het aan India’s grootste industriëlen ligt, de multimiljardairs Gautam Adani en Mukesh Ambani, schrijft The Economist.

    Adani beweert dat zijn bedrijven tegen 2030 zo’n 70 miljard dollar zullen besteden aan groene energie in India. Met bijna 5 gigawatt (GW) aan zonne-energiecapaciteit sinds medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green Power, als ’s werelds grootste ontwikkelaars van zonne-energie. Ambani laat zich ook niet onbetuigd en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Hij wil in 2025 20 GW aan zonne-energiecapaciteit hebben gebouwd, die volledig door zijn eigen bedrijven zal worden gebruikt.

    De Amerikaanse klimaatgezant John Kerry heeft, wellicht per ongeluk, erkend dat de kosten van klimaatschade in het mondiale Zuiden al in de ‘biljoenen’ lopen. Hij noemde dat bedrag niet om aan te geven hoeveel steun die regio nodig heeft, maar om te illustreren waarom de noordelijke landen die schade niet zullen vergoeden. (Hij voegde eraan toe dat hij weigert zich daar schuldig over te voelen.) Schrijver en activist Bill McKibben is bang dat de transitie, ook al wordt die nu opgevoerd tot een snelheid die voorheen ondenkbaar was, toch niet snel genoeg zal komen: ‘Het gevaar bestaat dat je straks een wereld hebt die draait op zon en wind, maar in wezen nog steeds een defecte planeet is.’ De prangendste vraag is nu of dit defect gerepareerd kan worden – of we de komende verstoringen in de hand weten te houden en de talloze miljoenen mensen die erdoor worden bedreigd weten te beschermen. Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?

    Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?

    Middelen daarvoor zijn er genoeg – een schier eindeloos aantal. Aangezien het grootste deel van de infrastructuur in de wereld berekend is op klimaatomstandigheden die nu al achter ons liggen, vergt het een mondiaal bouwproject om ons tegen klimaatverstoringen te beschermen. Met de aanleg van waterwerken tegen overstromingen bijvoorbeeld, zowel op natuurlijke wijze met mangrovebossen en wetlands als op kunstmatige wijze met dijken en dammen, zeeweringen en zeesluizen. Strengere bouwvoorschriften voor woningen, robuustere bouwmaterialen en stedenbouwkundige ontwerpen die meer rekening houden met het weer. Spoorlijnen, asfaltwegen en alle andere soorten infrastructuur die hittebestendig worden gemaakt. Betere systemen om het weer te voorspellen en voor extremen te waarschuwen. Zuiniger waterbeheer, ook in uitgestrekte landbouwgebieden zoals in het westen van de Verenigde Staten. Koelcentra, droogtebestendige gewassen en effectievere investeringen in noodhulp voor wat Juliette Kayyem, een voormalige ambtenaar van het Amerikaanse departement voor Binnenlandse Veiligheid, ons nieuwe ‘tijdperk van rampen’ noemt.

    Stormen richten steeds meer schade aan, mede doordat we maar blijven uitbreiden en bouwen in de richting van wat wel het uitdijende middelpunt van de storm wordt genoemd. Dat onrustbarende patroon zie je zowel bij opkomende stadjes langs de kust van Florida als in de delta van Bangladesh: steeds meer mensen die zich ophopen op plaatsen waar ze gevaar lopen, soms tegen beter weten in.

    Optimistischere klimaatwaarnemers wijzen er vaak op dat we ons dan misschien wel steeds meer blootstellen aan extreem weer, maar dat het aantal doden als gevolg van natuurrampen niet toeneemt. Sterker nog: dat is zelfs spectaculair gedaald, van gemiddeld zo’n vijfhonderdduizend doden per jaar een eeuw geleden tot ongeveer vijftigduizend nu – terwijl het aantal klimaatgerelateerde natuurrampen volgens de Wereld Meteorologische Organisatie vervijfvoudigd is.

    Trend

    Maar of deze trend zich in een wereld met twee graden opwarming zal voortzetten is niet duidelijk. Met de orkaan Ian kreeg een welvarend en goed voorbereid stukje van het mondiale Noorden dit jaar bijvoorbeeld te maken met zijn dodelijkste orkaan sinds 1935. De drastische daling in het aantal dodelijke slachtoffers van natuurgeweld vond vooral plaats tussen de jaren twintig en de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen het zakte tot net onder de honderdduizend. In de afgelopen vijftig jaar, toen de destabilisering van ons weer als gevolg van de opwarming van de aarde begon, is het veel minder scherp gedaald. En de daling was nog lager – of misschien zelfs nul, afhankelijk van de cijfers waarnaar je kijkt en hoe je die interpreteert – in de laatste drie decennia, toen de temperatuurstijging sterker werd en de wereld opgewarmd raakte tot boven de leefbare bandbreedte waarbinnen de temperatuur op aarde zich gedurende heel de geschiedenis van de mensheid had bevonden.

    Bij veel initiatieven wordt prioriteit gegeven aan kortetermijnbeperking van het klimaatrisico

    Misschien betekent dit dat de wereld het laaghangend fruit van de adaptatie al grotendeels heeft geoogst. Betere meteorologische voorspellingen en waarschuwingssystemen hebben we immers al: daardoor werd het aantal doden als gevolg van recente moessons in Bangladesh en orkanen in Florida drastisch beperkt. De mondiale kosten van de klimaatschade lopen al in de biljoenen, en in ontwikkelingslanden kan de rekening voor adaptatie in 2030 al 300 miljard dollar per jaar bedragen. In Texas is men in Galveston begonnen met de aanleg van de ‘Ike Dike’ om de haven te beschermen, à raison van 31 miljard dollar. New York denkt aan een stelsel van stormvloedkeringen. Kosten: 52 miljard. Met andere woorden, de opwarming maakt adaptatie nu al moeilijker en duurder, en het zou weleens heel moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen blijken om de in de vorige eeuw geboekte vooruitgang voort te zetten tot in de volgende.

    Het laatste IPCC-rapport, van afgelopen februari, stelt dat er ‘vooruitgang bij de planning en invoering van adaptatiemaatregelen’ is geboekt, maar waarschuwt ook dat ‘bij veel initiatieven prioriteit wordt gegeven aan onmiddellijke kortetermijnbeperking van het klimaatrisico, wat de kans op transformationele adaptatie verkleint’ – oftewel: middelen die worden besteed aan reparatie en aanpassing van bestaande structuren zijn niet meer beschikbaar voor nieuwe infrastructuur en herhuisvesting. ‘In sommige ecosystemen zijn de harde grenzen van de adaptatie al bereikt,’ stelt het IPCC: ‘met de toenemende opwarming van de aarde zullen de verliezen en de schade toenemen en zullen ook andere natuurlijke en menselijke systemen tegen de grenzen van hun adaptatievermogen aanlopen’.

    Menselijke aanpassing 

    ‘Wat we bij het huidige niveau van opwarming zien, geeft volgens mij al een indruk van waar de grenzen van de menselijke aanpassing liggen,’ zegt Fahad Saeed van Climate Analytics. Deze Pakistaanse wetenschapper uit Islamabad zag zijn land het afgelopen halfjaar ten prooi vallen aan maandenlange extreme hitte, misoogsten en overstromingen als gevolg van moessonregens waardoor een derde van het land blank stond, een miljoen huizen werd verwoest en 30 miljoen mensen ontheemd raakten. De totale schade is geraamd op minstens 40 miljard dollar: 11 procent van Pakistan bbp in 2021. ‘Je kunt je niet voorstellen wat er gaat gebeuren als de opwarming anderhalve graad bereikt,’ zegt hij. ‘Nog extremere situaties? Dan krijg je nog meer verwoesting.’

    ‘Twee graden is een stuk beter dan vier graden,’ zegt Michael Oppenheimer, een van de klimaatwetenschappers die in 1988 de inmiddels legendarische waarschuwing voor het broeikaseffect aanboden aan de Amerikaanse Senaat. ‘En anderhalve graad is nog beter dan twee graden. Maar in beide gevallen betekent dat niet dat er niets meer te doen valt.’

    Oppenheimer heeft zich de laatste jaren steeds meer beziggehouden met de vraag wat we moeten doen en waaraan we kunnen afmeten hoe het ervoor staat met onze adaptatie. ‘Hoe goed kunnen we tegenwoordig omgaan met een situatie waarin overstromingen niet eens in de honderd jaar maar vaker plaatsvinden?’ vraagt hij zich af. ‘Niet zo goed.’ Hij vindt dat we hogere eisen aan onszelf moeten stellen, dat we het niet normaal mogen gaan vinden dat een orkaan in Florida honderd levens kost. Extreme natuurrampen ontwikkelen zich nu veel sneller, en dat betekent dat ‘succes niet langer een kwestie is van hoe goed je op zo’n gebeurtenis bent voorbereid en hoe goed je die te boven komt, maar ook hoe snel’. Hij verwijst naar het IPCC-rapport uit 2019 over de oceanen, waarin stond dat overstromingen die ooit tot de categorie ‘eens in de honderd jaar’ werden gerekend, rond 2050 in veel delen van de wereld jaarlijks zouden plaatsvinden. ‘Dus je moet alles weer op orde krijgen voordat de volgende toeslaat, in een situatie waarin die volgende overstroming datzelfde jaar nog kan plaatsvinden – en in het ergste geval dezelfde maand nog. Op sommige plaatsen overstroomt het op den duur al bij hoogtij.’

    Woorden voor klimaatverdriet

    Het begon met ‘solastalgia’, een samentrekking van het Engelse solace [troost] en nostalgia [nostalgie].

    Die term werd door de Australische filosoof Glenn Albrecht bedacht voor de pijn die mensen voelen door veranderingen in hun nabije leefomgeving, zoals het verlies van een lievelingsplek. Kunstenaars Alicia Escott en Heidi Quante gingen een stap verder: met hun Bureau of Linguistical Reality bedachten ze, samen met mensen over de hele wereld, duizenden woorden om gevoelens van klimaatverdriet te beschrijven, schrijft Smithsonian Magazine.

    Hun project begon acht jaar geleden, toen ze geen woorden konden vinden om hun zorgen over de droogte in Californië te beschrijven. In 2015 reisden ze tijdens het klimaatakkoord naar Parijs, waar ze een mobiel kantoor inrichtten. Gekleed in bijpassende jumpsuits hingen ze spandoeken en borden op met de naam van hun project en begonnen ze gesprekken met iedereen die nieuwsgierig was naar hun activiteiten. Het leverde fraaie resultaten op: Yonderlonging – rouwen om een grote open ruimte waarvan je vreest dat die snel zal verdwijnen. Morbique – het morbide verlangen om naar plekken te reizen voordat ze veranderen door klimaatverandering. Shadowtime – het plotse bewustzijn van de mogelijkheid dat de nabije toekomst drastisch anders zal zijn dan het heden.

    Meer woorden vind je op hun website, waar je zelf ook bijdragen kunt leveren: bureauoflinguisticalreality.com

    ‘Dan wordt herstel iets heel anders dan waar we tegenwoordig aan denken,’ zegt Oppenheimer. ‘Dan krijg je een totaal andere leefsituatie en moet je accepteren dat sommige plekken bijna continu blank staan. Of je verwezenlijkt de droom die sommige mensen over adaptatie koesteren, dat we het leven totaal anders inrichten. De hele opzet van productie en infrastructuur, totaal anders.’

    Adaptie

    Als je maar lang genoeg over adaptatie praat, komt het gesprek vanzelf op kwesties die vrij technisch klinken. Kunnen er nieuwe dijken worden aangelegd, kunnen de kwetsbaarste gemeenschappen worden verplaatst? Kunnen landbouwgronden worden verplaatst, kunnen er nieuwe droogtebestendige zaden worden ontwikkeld? Kan een infrastructuur voor afkoeling soelaas bieden tegen de nieuwe hitterecords, en kunnen waarschuwings-systemen voorkomen dat er doden vallen door natuurrampen? Wat kunnen we verwachten van innovatie bij de aanpak van milieuproblemen die ongekend zijn in onze geschiedenis?

    Maar de fundamentelere vragen hebben misschien eerder betrekking op de verdeling van middelen. Wie krijgt die zaden? Wie kan die dijken bouwen, en wie loopt er gevaar als ze niet voldoen of niet gebouwd worden? En wat is het lot van de mensen die het zwaarst door de opwarming worden getroffen? Het politieke debat over dit soort vraagstukken wordt grofweg geschaard onder de noemer ‘klimaatrechtvaardigheid’: in hoeverre zal de klimaatverandering de nu al buitensporige ongelijkheid in de wereld versterken en verdiepen, en in hoeverre kunnen de landen in het mondiale Zuiden zich ontworstelen aan de nu al onrechtvaardige situatie die de klimaatwetenschapper Farhana Sultana ‘klimaatkolonialiteit’ noemt?

    ‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie’

    ‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie,’ zegt filosoof Taiwo. ‘In de prognoses die ik heb gezien voor ontheemding bij twee graden opwarming, zowel voor migratie binnen landen als voor migratie over grenzen heen, gaat het over tientallen zo niet honderden miljoenen. En ik denk niet dat we al een politiek discours hebben over de implicaties daarvan.’

    De schattingen hierover lopen enorm uiteen, en die verscheidenheid is een van de duidelijkste tekenen dat ondanks alle kennis die we over de toekomst van ons klimaat hebben opgebouwd, heel veel van de complexe en elkaar versterkende effecten van de opwarming nog steeds schuilgaan achter de onvermijdelijke onzekerheid die rond de reactie van de mens hangt. Op de korte termijn zal migratie volgens het IPCC waarschijnlijk vooral het gevolg zijn van sociaaleconomische omstandigheden en falend bestuur. ‘Er zal sprake zijn van een, laten we zeggen sociaal-ecologische druk op een schaal die een stuk groter is dan wat we nu zien,’ zegt Taiwo. ‘Of dat zich vertaalt in mensenstromen binnen landen en daarbuiten, of het zich vertaalt in grootschalige adaptatiestrategieën waarvoor we nog geen politiek kader hebben, of simpelweg in sterfte op een schaal waarvoor we dat ook niet hebben, of in een combinatie van al die zaken – wie het weet mag het zeggen. Misschien is er een andere mogelijke uitkomst van deze combinatie van spanningen bij twee graden opwarming. Zoals grotere weerbaarheid en duurzaamheid van lokale gemeenschappen, en innovatie op het gebied van energie en politiek, landbouw en cultuur.

    Uit kwetsbare landen hoor je al een generatie lang steeds variaties op één simpel thema: dat de rijke landen de schade moeten compenseren. ‘Het is niet alleen een kwestie van aanpassen,’ zegt de Keniaanse klimaatactivist Elizabeth Wathuti, ‘want je kunt niet van mensen vragen dat ze zich aanpassen aan het verlies van hun huis. Hun huizen worden weggespoeld, hun vee en hun kinderen worden meegesleurd. Ze gaan dood. Hoe moeten ze zich daaraan aanpassen? En misoogsten, hoe kun je je daaraan aanpassen? Hoe kun je je aanpassen aan honger? Als je twee dagen niet hebt gegeten, is dat geen kwestie van aanpassen.’

    Sahay, van het tijdschrift The Polycrisis, beschrijft een wereld met een door de klimaatverandering opgestookte machtsstrijd waarin allianties van minder ontwikkelde landen de rijkere mogendheden tegen elkaar uitspelen, een soort geestelijke erfgenaam van de door Indonesië aangevoerde beweging van niet-gebonden landen tijdens de Koude Oorlog. Hij noemt de opkomende alliantie van ongebonden landen rond Brazilië, Rusland, India en China (BRIC) ‘een nieuwe troefkaart’ en schetst de mogelijkheid van een nieuwe groep ‘elektrostaten’, als opvolger van de oliestaten van de vorige eeuw, die agressief zullen onderhandelen over de toegang tot hun eigen hulpbronnen. 

    ‘Westerlingen gaan er klakkeloos van uit dat mensen in het mondiale Zuiden zich wel tegen fossiele brandstoffen zullen keren als ze zwaar worden getroffen door een klimaatramp,’ zegt de Indiase romanschrijver Amitav Ghosh, die ook een aantal indringende essays over het onrecht van het broeikasprobleem op zijn naam heeft staan. ‘Maar dat is volkomen uit de lucht gegrepen. In het Zuiden beseft iedereen dat toegang tot energie het verschil bepaalt tussen armoede en geen armoede. Daar beschouwt niemand fossiele brandstoffen als het grote probleem. Daar wordt juist het veel te kwistige gebruik van fossiele brandstoffen door het Westen als het grote probleem gezien.’

    Onvoorstelbare toekomst

    ‘We leven in een onvoorstelbare toekomst,’ zegt essayist Rebecca Solnit, die zich in haar werk steeds meer richt op de politieke en sociale uitdagingen van klimaatverandering. ‘Zaken die tot voor kort nog onmogelijk, ondenkbaar of onwaarschijnlijk werden geacht, zijn inmiddels volkomen normaal.’ Tegenwoordig merkt ze dat ‘mijn hoop vooral neerkomt op radicale onzekerheid’, zegt ze. ‘Je ziet dat de wereld niet zo kan doorgaan, dat is waar. Maar dat betekent niet dat de wereld niet kan doorgaan. Het betekent dat de wereld wel zal doorgaan, niet zoals ze nu is, maar in een nu nog onvoorstelbaar veranderde gedaante.’

    Een conservatief perspectief

    Moet het Westen herstelbetalingen doen aan ontwikkelingslanden vanwege aangerichte klimaatschade?

    Niet als het aan de aartsconservatieve columnist Allison Pearson van de Britse Telegraph ligt. De recente klimaatconferentie in Sharm-el-Sheikh vindt ze ‘een gigantische oplichterstruc die door de mondiale elites wordt losgelaten op goedgelovige bevolkingsgroepen die de gedachte aan een groenere, schonere wereld mooi vinden (wie niet?), maar die nog steeds geen idee hebben van de enorme kosten en opofferingen die komen kijken bij het behalen van nul uitstoot’.

    Het Westen wordt volgens haar ’verantwoordelijk gehouden voor miljardenbetalingen aan landen waar het slecht weer is, omdat wij fabrieken hebben uitgevonden. En auto’s.’ Buigen voor dergelijke ‘emotionele chantage door ontwikkelingslanden terwijl je eigen landgenoten met enorme problemen kampen is niet alleen verkeerd, maar ook immoreel’. Vervolgens schrijft ze in een denkbeeldige brief aan de regering van Pakistan: ‘Als u volhardt in uw oneerlijke eisen voor “klimaatherstel”, stellen wij voor dat u ons royalty’s betaalt voor het volgende: de verbrandingsmotor, spinmachines, stoomkracht, asfalt, spoorwegen, auto’s, vliegtuigen, radio, televisie, computers, geneesmiddelen en het world wide web.’

    De conclusie: ‘Het is uiteraard absurd om compensatie te eisen voor alles wat het Verenigd Koninkrijk aan de wereld heeft bij- gedragen. Even absurd is het toezeggen van miljarden die we eenvoudigweg niet hebben om historische “schadeclaims” af te handelen.’

    Toen ik in 2017 terugkeek op meerdere decennia van politiek onvermogen, hield ik de politieke mobilisatie van de afgelopen vijf jaar nog niet voor mogelijk. Als je me toen had verteld over de radicale versnelling van groene technologie die ophanden was, had ik je misschien wel willen geloven, maar zou ik vooral verbaasd zijn geweest. Maar redenen voor optimisme mogen geen redenen zijn om achterover te leunen. Integendeel, want de bijgestelde verwachtingen zijn niet alleen een blijk van hoeveel er de afgelopen vijf jaar is veranderd, maar ook van hoeveel er de komende vijf, vijfentwintig en vijftig jaar nog meer kan veranderen.

    De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt

    Twee graden opwarming is niet onvermijdelijk. Het kan nog steeds zowel beter als slechter uitpakken. De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt. Er moet dus veel meer worden gedaan om dat doel te halen, en nog meer om de wereld onder de twee graden opwarming te houden, zoals in het akkoord van Parijs werd beloofd. (Doordat de benodigde maat-regelen uitbleven of te lang zijn uitgesteld, zal zelfs het IPCC-scenario dat was bedoeld om de opwarming tot anderhalve graad te beperken nu de prognose opleveren dat we die anderhalve graad al in het volgende decennium overschrijden.) En omdat de vergroening weer kan stokken en het klimaat gevoeliger kan blijken te zijn dan verwacht, is ook een uitkomst van drie graden opwarming nog steeds mogelijk, zij het iets minder waarschijnlijk dan tot voor kort werd gedacht.

    GettyImages 1388204636 1
    De bouw van de Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor (ITER) in het onderzoekscentrum Cadarache in Frankrijk. – © Jean-Marie Hosatte / Gamma-Rapho via Getty

    De totale uitstoot van broeikasgassen daalt nog steeds niet, en er is nog een hele weg te gaan om van de toekomstige piek tot nul te komen. Daardoor zijn al deze aanpassingen van de verwachtingen voorlopig nog vooral theorie – een nieuwe reeks lijnen die we naïef op een whiteboard tekenen terwijl we wachten tot ze werkelijkheid worden. Zowel dit jaar als volgend jaar zal de totale uitstoot waarschijnlijk een nieuwe recordhoogte bereiken. Dat betekent dat er op dit moment meer schade wordt toegebracht aan het toekomstige klimaat van onze planeet dan op enig ander moment in de geschiedenis. Het zal allemaal eerst erger worden voordat het zich stabiliseert.

    Maar we krijgen wel een steeds duidelijker beeld van de klimaatverandering, en hoe dreigend dat er ook uitziet, we zullen die nieuwe wereld begaanbaar moeten maken – door stappen te zetten om de schade te beperken en ons met adaptaties te beschermen tegen wat niet meer te voorkomen valt. Met vier graden opwarming lijken de gevolgen onoverkomelijk. Met twee graden opwarming ligt niet het hele voortbestaan van de mensheid in de waagschaal, maar verandert alleen het landschap waarin we onze nieuwe toekomst moeten bouwen.

    ‘We hebben al een lange weg afgelegd en we hebben nog een lange weg te gaan,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Hayhoe. ‘We zijn al halverwege de helling, het was buffelen. Rust even uit, geef jezelf een schouderklopje, en kijk dan weer omhoog: daar moeten we naartoe. Dus voorwaarts, mars.’ 

     

  • Het stoken van hout is een brandende kwestie

    Het stoken van hout is een brandende kwestie

    In de energiecrisis is het stoken van hout booming. Wat betekent dat voor de bossen, het klimaat en de gezondheid?

    Wie zich de laatste tijd met brandhout heeft ingedekt voor de winter moest dieper in de buidel tasten dan normaal. Binnen een jaar zijn de prijzen voor brandhout en pallets op sommige plekken tot 85% gestegen, zoals het Duitse bureau voor de statistiek in september liet weten. De consumentenprijzen stegen in dezelfde periode gemiddeld met 7,9%. Houtplaatjes voor verwarming met houtsnippers werden zelfs 133% duurder.

    Deze ontwikkeling is deels het gevolg van de verhoogde vraag naar hout sinds de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis, maar is al langere tijd gaande: sinds het jaar 2000 is de behoefte aan brandhout meer dan verdubbeld. Welke implicaties heeft dit?

    De bossen

    De vergunning om hout te kappen in beschermde bossen wordt meestal alleen gegeven voor ‘duurzaam’ gebruik. Maar als er veel vraag is, wordt er vaak meer uit de bossen gehaald dan goed voor ze is. In het ergste geval raakt het bos zodanig gestresst dat het afsterft wanneer daar invloeden als bijvoorbeeld hitte en droogte bovenop komen.

    Iets dergelijks geldt voor zuivere productiebossen, zoals monoculturen van sparren die aangeplant worden om in de vraag naar hout te voorzien. Zulke bossen zijn per definitie armer aan diersoorten dan gemengde bossen. Bovendien zijn ze vatbaar voor droogte, stormen of schadelijke insecten als de bastkever.

    Uit een oogpunt van soortenbescherming is het dus belangrijk om over meer ongebruikte bossen te beschikken. Daar zijn bijvoorbeeld veel meer verschillende korstmossen, paddenstoelen en kevers te vinden dan in productiebossen. Ongebruikte bossen zijn bovendien essentieel voor dieren en planten die aangewezen zijn op dood hout, dat in de productiebossen vrijwel ontbreekt.

    Het klimaat

    Op het eerste gezicht is de klimaatbalans van hout volstrekt duidelijk: een boom stoot bij verbranding alleen het CO2 uit dat het eerder uit de lucht heeft gehaald. Maar de realiteit is complexer. Bij verbranding komt de CO2 rechtstreeks in de lucht, terwijl de koolstof in de groeifase over een periode van decennia daaruit werd opgenomen. En het duurt jaren tot de boom die daarna groeit het CO2 weer terughaalt. Als hout klimaatneutraal moet zijn, moet je dus kijken naar de actuele netto balans: komt er minder biomassa bij dan er in dezelfde periode gekapt wordt, heb je een probleem. Zo leidde bijvoorbeeld het landgebruik in Finland in 2021 in eerste instantie tot extra uitstoot van CO2 doordat er gewoon te veel bomen gekapt werden.

    Maar zelfs bij een evenwichtige balans betwijfelen veel experts of houtverbranding op grote schaal goed is voor het klimaat. In veel gevallen zouden bossen waarschijnlijk meer koolstof kunnen opslaan als er minder hout geoogst werd. Of dat opweegt tegen het feit dat hout fossiele brandstoffen vervangt, is niet altijd te zeggen, te meer omdat hout relatief inefficiënt verbrandt.

    Om die reden heeft het europarlement in september voorgesteld om rechtstreeks uit het bos afkomstig hout niet meer als duurzaam te laten gelden – alleen restanten uit zagerijen mogen de ecostatus behouden, net als hout dat uit het bos gehaald wordt ter bestrijding van schadelijke insecten en als brandpreventie. De bosbouw protesteerde: waarom gelden houtresten uit de zagerij als duurzaam, maar die uit het bos niet? En hoe moeten kleine bosbezitters de dringend nodige overgang naar een klimaatbestendig mengbos financieren als ze de gekapte sparren nog maar in beperkte mate op de markt kunnen brengen? 

    De haarden

    Alleen al van maart tot juli werden werden ongeveer 700.000 kachels in Duitsland geïmporteerd, de meeste uit China, waarvan ongeveer een kwart wordt doorverkocht naar Europese landen. Deze kachels worden lang niet alleen in oudere gebouwen gebruikt; in een op de tien nieuwe woningen werd een open haard ingebouwd, meestal als secundaire verwarming.

    Emissies

    Al in 2019 waarschuwde de Nationale Wetenschapsacademie Leopoldina dat de emissies van fijnstof uit houtverbranding ‘aanzienlijk’ bijdroegen aan de ‘rechtstreekse fijnstofemissie in steden’. Daarmee worden deeltjes bedoeld met een doorsnede van minder dan 2,5 micrometer (PM2,5). Terwijl de emissies van fijnstof door het verkeer door het gebruik van uitlaatfilters gestadig verminderden, zou de uitstoot door houtverbranding stagneren of zelfs toenemen, stelt Leopoldina. Bovendien stootten de kachels in het dagelijks leven vaak duidelijk meer fijnstof uit dan werd aangegeven. Dat zou onder andere komen door minderwaardige brandstoffen, verkeerd stoken met sterke rookontwikkeling en een slecht gereguleerd verbrandingsproces. 

    De gezondheid

    Bij het verbranden van hout ontstaan ultrafijne deeltjes die diep in de longen binnendringen en zware ziektes kunnen veroorzaken. Verwarmen met hout wordt wel vergeleken met passief roken, en gezien als zeer schadelijk voor de luchthygiëne.

    Bovendien komt fijnstof van de buitenlucht ook de binnenruimte in, zegt epidemioloog Annette Peters, die bij het Helmholtz-Zentrum in München de gezondheidseffecten van luchtvervuiling onderzoekt. Bij slechte ventilatie ontstaat een aanzienlijke belasting door fijnstof in binnenruimtes als gevolg van houtverbranding.

    Maar fijnstof is niet het enige gezondheidsrisico. Bij de houtverbranding komen ook polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in de lucht, zegt milieu-epidemioloog Barbara Hoffmann. Deze stoffen gelden als kankerverwekkend.

    De producenten van houtkachels maken vaak reclame door erop te wijzen dat de verbrandingsgassen bijna volledig worden afgevoerd. ‘Onder optimale laboratoriumomstandigheden klopt het dat de nieuwste kachels een geringe emissie in de binnenruimte hebben,’ zegt Hoffmann, ‘maar wie heeft die optimale omstandigheden en de nieuwste kachel?’ Vaak is het hout niet droog genoeg, brandt het niet goed, en bij het poken in het vuur ontsnapt er dan toch een vlaag schadelijke stoffen door de open klep.

    ‘De gevolgen op korte termijn zijn dezelfde als bij de luchtvervuiling buiten: je krijgt hoofdpijn, gaat hoesten en – als je al luchtwegproblemen hebt – mogelijk astma-aanvallen met ademnood,’ aldus Hoffman. Omdat de kans op ontsteking in de bloedvaten stijgt, wordt de bloedstolling versterkt, wat het risico op hartinfarcten en beroertes verhoogt. Op lange termijn kunnen chronische bronchitis, COPD en andere longziekten ontstaan. Bij kinderen en ongeborenen zijn stoornissen in de groei en in de geestelijke ontwikkeling beschreven, en bij oude mensen wordt het verval van cognitieve vaardigheden versneld, tot dementie toe.

    Het begin

    Een van de voordelen van haardvuur is het mentale effect dat het op mensen heeft. Om het vuur zitten is een van de oudste menselijke tradities die nog bestaan. Archeologische vondsten tonen aan dat de mens al minstens een miljoen jaar geleden het vuur leerde beheersen. Het vuur bracht warmte en licht in koude perioden, bood ’s nachts bescherming tegen roofdieren en maakte de mens van prooi tot jager. Paleontoloog Charles Brain berichtte ooit over verschillende aardlagen, aangetroffen in een grot in Zuid-Afrika. In de oudste laag lagen complete botten van roofkatten en botsplinters van oermensen die blijkbaar waren opgegeten. De jongere laag daarboven bevatte sporen van vuur. Hier lagen complete menselijke beenderen en botsplinters van grote katachtigen; de mens was tot de top van de voedselketen opgeklommen.

    Onderzoekers zijn het erover eens dat het vuur de mens heeft gemaakt tot wat hij nu is. Dankzij de mogelijkheid te koken kon hij over meer voedselbronnen beschikken. Hij kon volstaan met kleinere tanden en een korter darmkanaal, had minder calorieën nodig voor de spijsvertering en hoefde minder afstanden af te leggen om voedsel te vinden. En zo kon hij des te langer rond het vuur zitten, waar werd gegeten en volop verhalen werden verteld. Dat rustgevende en huiselijke gevoel van bij het vuur te zitten ervaren we nog altijd. 

  • De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    De kinderen van nu hebben een toekomst zonder illusies

    Op welke aarde zullen de nakomelingen van generatie Y – geboren tussen 1986 en 2000 – wonen? Van de privileges die wij ouderen bezitten, kunnen zij alleen dromen.

    Een baby. Hij is pas geboren, maar lijkt wanhopig, zijn beentjes spartelend in de zomerzon, zijn mondje open. Naast de baby staan de ouders, met de gebruikelijke, belangrijke vragen. Zorgen we wel goed voor hem, waarom huilt hij, zou hij pijn hebben? En jij, als toeschouwer, vraagt je af wat hem wordt aangedaan door hem in deze wereld geboren te laten worden. Zal hij een draaglijk leven hebben, wat zouden we kunnen doen om hem te helpen?

    Het zijn de weken van de grote bosbranden en lege rivierbeddingen. Van verdorde oogsten, overal droogte en groter wordende woestijnen. Het is zomer. De zee bij Mallorca is zo warm als het water in een badkuip. De bossen smeulen en het aanrollende onweer klinkt onheilspellend. Je wilt geen doemdenker worden en niet over de oorlog in Europa of de pandemie beginnen. Maar sinds je eigen jeugd in de jaren negentig is het allemaal wel een puinhoop geworden. Wanneer heeft het ooit zo gevoeld? Je kunt maar beter geen kinderen meer op de wereld zetten, zeggen ze tegenwoordig. Zeiden ze dat vroeger ook?

    Grote verantwoordelijkheid

    Weer een generatie die openbaringen krijgt als ze kinderen krijgen, zult u misschien spottend denken. Maar dit is de generatie die pas een paar jaar geleden heeft begrepen wat een bluts in de welvaart betekent. Dat het hun kinderen zijn die hoogstwaarschijnlijk de schuld aan de planeet die zijzelf hebben opgebouwd, moeten afbetalen. De generatie die nog in de openlucht overnachtte, stage liep en in duizend toekomsten geloofde. Zeker, diep weggestopt in hun geheugen herinneren ze zich iets wat na 9/11 en vóór de grote beurskrach gebeurde: een Amerikaanse vicepresident die over de wereld rondreisde met zijn inconvenient truth, de mensen probeerde uit te leggen dat ze een grote verantwoordelijkheid droegen en hen waarschuwde dat er een ramp stond te gebeuren.

    Dat was in 2006. Terwijl de woorden van Al Gore door de klas gonsden, waren er momenten van consternatie en irritatie. Maar wat betekende dat concreet voor een stel middelbare scholieren?

    Al sinds de jaren zeventig stelt de internationale gemeenschap zich ten doel de klimaatverandering te bestrijden. Desondanks is dat doel geen stap dichterbij gekomen. Integendeel, juist in de laatste dertig jaar is de snelheid waarmee de aarde opwarmt aanzienlijk toegenomen.

    Wie nog geen dertig is zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken’

    In zijn essay What If We Stopped Pretending (2019) geeft de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen het dubieuze advies dat we moeten erkennen dat het te laat is om de planeet te redden. Wie nog geen dertig is, schrijft Franzen, zal de ‘radicale destabilisatie van het leven op aarde meemaken: misoogsten, apocalyptische branden, imploderende economieën, epische overstromingen, honderden miljoenen vluchtelingen uit regio’s die door extreme hitte of droogte onbewoonbaar zijn geworden’. Je kunt er maar beter op voorbereid zijn. Franzen beschreef waar wetenschappers allang voor waarschuwden: zodra de opwarming van de aarde meer dan twee graden bedraagt, gaat de wereld veranderen. De mensheid zal wel blijven bestaan, maar onder veel en veel slechtere omstandigheden. Het point of no return kunnen we hoogstens uitstellen. ‘Er is geen hoop. Alleen voor ons.’

    Franzen ontwierp de strategie van het koele abstractievermogen, dat tegenover de aanstormende catastrofe veel verder gaat dan denken aan je eigen kinderen; een hyperidealistische bereidheid om ondanks de totale onmogelijkheid van idealisme en ondanks alle weerstand door te gaan. Wie nog op redding hoopt, zal alleen wanhopen en bij elke nieuwe brand verstijven van angst. Wie de ramp accepteert, kan beginnen na te denken over zijn eigen speelruimte, over ‘de absolute urgentie van vrijwel elke actie om de wereld te verbeteren’.

    Die gedachte is utopisch, omdat wij de idee van onze eigen sterfelijkheid al verontwaardigd van de hand wijzen. Om nog maar te zwijgen over de sterfelijkheid van de moderne beschaving. Maar wie zou niet graag eens het grote geheel van een afstand willen bekijken? De eerste foto’s van de aarde vanuit het heelal zijn symbolen geworden van deze kijk van buitenaf, van ons besef hoe fragiel we zijn. Naar dit moment verwijst het ‘planetaire denken’. Wie claimt planetair te denken, accepteert dat de mens niet langer het middelpunt van de wereld is. Alexander von Humboldt is een van de vaders van het planetaire denken, dat zijn oorsprong vindt in de kosmologie van inheemse volkeren. Klimaatactivisten hebben het altijd over de grenzen van de planeet. Het gaat, zoals Frederic Hanusch, Claus Leggewie en Erik Meyer het in Planetary Thinking schrijven, om een poging beter naar de stem van de bezielde en onbezielde natuur te luisteren. En dat bedoelen ze geenszins esoterisch. Onopvallend, stap voor stap en zonder paniek wil het planetaire denken ons voorbereiden op de catastrofe die Franzen zo plastisch beschrijft.

    De golf voor zijn

    Dus wat heeft de natuur ons eigenlijk te zeggen? Er zitten nog geen vertegenwoordigers van rivieren, bergen en velden in het parlement, en ze hebben ook geen wettelijke status zoals de Maori. Maar de auteurs maken melding van seismische mechanismen die de stem van de natuur hoorbaar maken, en van het seismische lawaai van de mens, dat tijdens de pandemie iets minder is geworden. Ook al drukt Frederic Hanusch zich voorzichtig uit, het komt neer op de volgende boodschappen van de natuur. Ten eerste: ‘Uw daden zijn al door mijn daden bepaald.’ Om ‘de golf voor te zijn’, zoals dat in de taal van de pandemie heet, moet zo’n beetje alles veranderen. Ten tweede: ‘Dit is waarschijnlijk een van de koudste zomers van de rest van je leven.’

    Hanusch, midden dertig, doet onderzoek naar democratie en planetaire verandering en is directeur van het Panel on Planetary Thinking. Hij heeft onderzocht hoe de kwaliteit van democratieën de kwaliteit van het klimaatbeleid beïnvloedt (goed). Maar om de versnelling van de opwarming van de aarde een halt toe te roepen, moet het politieke systeem veel sneller en radicaler veranderen. Met een grondwet die tot stand is gekomen toen het begrip ‘klimaatverandering’ nog niet was uitgevonden, komen we er in elk geval niet; en radicale politieke stappen zijn tot nu toe alleen gezet na middelgrote rampen. Droogte is niet genoeg, eerst moeten binnensteden afbranden.

    Er is toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft

    Zo drastisch drukt Hanusch zich niet uit, hij is tenslotte wetenschapper. In zijn vakgebied gaat het erom grote samenhangen interdisciplinair te onderzoeken, de scheiding tussen natuur- en geesteswetenschappen op te heffen, iets wat klimaatonderzoekster en kandidaat-astronaute Insa Thiele-Eich ook op scholen wil doen, met de nadruk op de maatschappelijke uitdagingen van de klimaatverandering. Misschien is de generatie van Hanusch’ studenten al beter voorbereid op wat komen gaat dan midden-dertigers, maar hij aarzelt: ‘Dat de komende generaties wat betreft duurzaamheid per se progressiever stemmen, kan niet worden aangetoond.’ Er is eerder sprake van toenemende steun voor politici die beloven terug te keren naar een verleden dat nooit bestaan heeft.

    Het ligt aan het begrip van tijd. De generatie die nu rond de dertig is, is opgegroeid met een lineair vooruitgangsidee in het hoofd, zegt Hanusch. Met de gedachte dat er wel een technologie zal worden uitgevonden die als het kritiek wordt, alles oplost. Of, nog erger, ze heeft het idee verinnerlijkt van ‘great again’, de cyclus van opkomst, hoogtepunt, chaos, verval en nieuwe opkomst. Een door de natuur bepaald alternatief scenario is moeilijk voorstelbaar. Maar de verhalen van vooruitgang en triomf worden steeds meer overstemd door wat de planeet zelf steeds luider verkondigt.

    Complexiteit van de globale verandering

    In hun boek grijpen Hanusch en zijn collega’s terug op een gedachte van Thomas Jefferson. In 1789, te midden van allerlei ingrijpende politieke veranderingen en op de drempel van een nieuwe tijd, schreef Jefferson, een van de grondleggers van de Verenigde Staten, aan zijn collega James Madison dat hij zich zorgen maakte over het feit dat generaties van elkaar afhankelijk zijn. Volgens Jefferson zou de aarde wat betreft het vruchtgebruik moeten toebehoren aan de levenden. Ze mocht niet worden ‘opgebruikt’, maar moest tenminste in gelijkwaardige staat en vrij van schulden aan de volgende generatie worden overgedragen. Dit begin in vrijheid moest democratisch worden vastgelegd: elke generatie mocht een nieuwe grondwet maken en afschaffen wat vroeger goed en nu schadelijk was. Anders zouden de doden heersen over de levenden.

    James Madison praatte Jefferson diens idee van een contingente toekomst uit het hoofd. Maar ervan afgezien dat het te laat is om voor elke nieuwe generatie om de wereld in gelijkwaardige toestand achter te laten, heeft Jeffersons idee voor Hanusch een voordeel: het zou niet langer noodzakelijk zijn de complexiteit van de globale verandering te begrijpen. Wat je aantrof, zou je aan de volgende generatie moeten doorgeven. Er zouden minder overgeërfde schulden zijn en er zou beter worden stilgestaan bij hoe we dingen zelf willen aanpakken.

    De uitbuiting van milieu en hulpbronnen zou een nieuwe context krijgen. Wie zonder consideratie te werk gaat, vergooit zijn onafhankelijkheid, nog afgezien van de vrees dat zijn eigen kleinkinderen in de natte kelders van overstroomde steden moeten wonen. De verantwoordelijkheid voor komende generaties zou deel zijn van het politieke proces dat theoretisch tot in het oneindige zou kunnen worden gebruikt. Theoretisch.

    Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd

    Terug naar de schuldvraag en het kind. Dertigjarigen van vandaag hebben ten koste van dat kind geleefd. Het verschijnsel van de shifting base lines beschrijft hoe mensen de toestand van het milieu dat ze in hun kinderjaren aantreffen als gezond beschouwen, hoe ver dat milieu ook van zijn natuurlijke oorsprong verwijderd is. Voor vissers wier vaders twee keer zo veel vis vingen als zijzelf, is hun eigen ervaring het referentiekader: die handvol vissen in hun net. Natuurlijk zijn er de herinneringen van hun ouders en grootouders. Maar er zijn geen data over hoe de planten- en dierenwereld er destijds uitzag, steeds minder mensen hebben in hun dagelijks leven nog iets met de natuur te maken. De kennis daarvan neemt af. Iemand die er heilig van overtuigd was dat het gras altijd groen en budgetmaatschappijen altijd goedkoop zouden blijven, heeft het de laatste tijd niet makkelijk gehad. Wat dertig jaar geleden normaal leek, de onuitputtelijkheid van hulpbronnen, vormde de basis van hun perceptie van vandaag.

    Hoe kunnen we daar ons voordeel mee doen? Met het oog op de over elkaar buitelende crises spreekt socioloog Heinz Bude van een ‘terugkeer van de toekomst’. Het denkbeeld van het steeds breder wordende heden van gelijktijdigheden, dat steeds weer nieuwe, problematische, even belangrijke verledens produceert, loopt op zijn eind. In plaats daarvan registreert Bude een ‘toegenomen gerichtheid op de toekomst’. Wat komen gaat, gebeurt niet meer in zekere zin vanzelf, ‘maar vraagt dat de mensen met een zekere vastberadenheid opkomen voor zichzelf en voor wat in de toekomst belangrijk zal zijn’.

    De omstandigheden waarin je als middertiger van nu geboren bent, waren onbeschrijflijk bevoorrecht. Dat erkennen is pas de eerste stap. In de toekomst zullen we met veel tegenstrijdigheden moeten leren leven. Aan sommige kunnen we wat doen. 

  • Je schulden aflossen door aan het klimaat bij te dragen, het kan

    Je schulden aflossen door aan het klimaat bij te dragen, het kan

    Door financiële deals aan te gaan, krijgen ontwikkelingslanden mogelijk een grotere rol in de strijd tegen klimaatverandering. Met natuurbehoud kunnen landen als Belize hun schulden aflossen.

    Belize stond aan de rand van een economische afgrond. Door de pandemie belandde het land in de ergste recessie die het ooit meemaakte, waardoor de regering dreigde failliet te gaan.

    De oplossing kwam uit onverwachte hoek, toen een lokale zeebioloog aan premier Johnny Briceño een vernieuwend voorstel deed. Haar nonprofitbedrijf zou het land geld lenen waarmee het schuldeisers kon terugbetalen, zolang de regering beloofde een deel van het uitgespaarde bedrag te gebruiken om de zee te beschermen.

    In Belize vallen daaronder oceanen, bedreigde mangroves en kwetsbare koraalriffen.

    Het is een nieuw soort aanpak. Door deals als deze, die bekendstaan als blue bonds, kan een groeiend aantal ontwikkelingslanden hun schuld aflossen door in natuurbehoud te investeren. Zo krijgen ze langzaamaan een grotere rol in de strijd tegen klimaatverandering.

    ‘Nu verdwijnt ons geld niet meer in de zakken van obligatiehouders, maar werken we mee aan milieubescherming’

    ‘De deal gaf ons ademruimte,’ vertelt Briceño. ‘Nu verdwijnt ons geld niet meer in de zakken van obligatiehouders, maar werken we mee aan milieubescherming.’

    Simpel gezegd hebben blue bonds hetzelfde effect als de herfinanciering van een hypotheek. Net als vele andere landen heeft Belize de overheidsuitgaven lange tijd deels gefinancierd door internationale obligaties te verkopen. Met de obligaties, die in feite een soort schuld zijn, kan een overheid wel kapitaal aantrekken maar wordt zij vaak decennialang opgezadeld met hoge rentebetalingen.

    In concrete zin houdt de bluebondsdeal in dat de Amerikaanse non-profitorganisatie Nature Conservancy aan Belize meer dan 350 miljoen dollar leent, waarmee het internationale obligaties ter waarde van meer dan een half miljard dollar terug moet kopen.

    Nature Conservancy kon die lening financieren via Credit Suisse, een bank in Zürich, die het geld op zijn beurt ophaalde door nieuwe obligaties te verkopen aan milieubewuste klanten.

    Evenwicht

    De deal levert Βelize 200 miljoen dollar op, wat bijna een tiende is van de jaarlijkse nationale productie. Het geld kan aan allerlei zaken besteed worden, mits Belize van 30 procent van zijn wateren een beschermd gebied maakt door industrieën als visserij en de bouw in te perken. Het land heeft tevens toegezegd jaarlijks 4,2 miljoen dollar uit te geven aan het behoud van biodiversiteit in deze beschermde gebieden.

    Kleine en arme landen kampen vaak met een reeks van onderling samenhangende problemen: buitensporige schulden enerzijds en milieuaantasting anderzijds. Voorstanders van de deal hopen dat financiële en milieu-georiënteerde stimulansen dergelijke problemen kunnen tegengaan en kunnen bijdragen aan duurzame groei.

    Toch blijft de roep om milieubehoud in de knel komen met de eisen van de toerisme- en visserij-industrie, beide essentieel voor de Belizaanse economie. Milieufinanciering kent dus nog altijd een aantal grote uitdagingen.

    ‘Je kunt niet zomaar overal aan natuurbehoud gaan doen en voor ons geen werkplek overlaten,’ zegt Ian Palacio, een Belizaanse visser.

    Palacio (43) woont in het schitterende Turneffe Atoll, een groot, marien reservaat met talloze eilandjes waarop mangroven groeien. Het is sinds de deal een beschermd gebied. De eilandengroep ligt aan het grootste koraalrif van het westelijk halfrond en wemelt van de soorten vis, van kreeft  dolfijnen en zeekoeien, en er groeien zeldzame bomen.

    ‘Behoud is goed, maar we moeten de voordelen ervan wel kunnen voelen’

    ‘Behoud is goed, maar we moeten de voordelen ervan wel kunnen voelen,’ aldus Palacio.

    Vanuit eenvoudige, houten kampen tussen de mangroven varen Palacio en zijn collega’s tijdens het visseizoen dagelijks uit om kreeften te vangen. Die vormen het belangrijkste aandeel van de Belizaanse visserij.

    De vissers gebruiken technieken die door de eeuwen heen weinig zijn veranderd: ze duiken naar houten platforms die op de zeebodem liggen en grijpen daar schaaldieren. Ook gebruiken ze lange stokken om kreeftenvallen mee naar hun boten te slepen.

    Zo’n twaalf toezichthouders patrouilleren in het reservaat. Ze controleren visvergunningen en gaan de grootte van gevangen kreeften na, zodat de kreeftpopulatie op peil wordt gehouden. Naar eigen zeggen hebben ze meer benzine, personeel, portofoons en wapens nodig om het reservaat beter te kunnen beschermen. Door het tekort aan brandstof kunnen de kustwachters het zich nauwelijks veroorloven hun uitkijkpost te verlaten.

    ‘Als we de middelen eenmaal hebben, kunnen we het nodige evenwicht in het ecosysteem bereiken,’ zegt Valdemar Andrade, de beheerder van het reservaat.

    Recordtempo

    Nature Conservancy sloot in september haar derde bluebondsdeal met Barbados, een ander klein land in de Cariben, dat net als Belize grote schulden heeft en de dreiging van klimaatverandering voelt. Ook landen met grotere economieën, waaronder Ecuador en Sri Lanka, gingen soortgelijke deals aan.

    Regeringsambtenaren en milieugroeperingen hopen dat dergelijke regelingen gemeengoed worden. Zo zou klimaatverandering een belangrijke factor kunnen worden binnen de manier waarop particuliere investeerders, multilaterale organisaties zoals het Internationaal Monetair Fonds en soevereine schuldeisers zoals China, leningen van soms wel biljoenen dollars aanbieden aan en terugvorderen van armere landen.

    ‘Door de manier waarop financiën wereldwijd geregeld zijn, kunnen landen gewoon geen werkelijk voordeel behalen door in de natuur te investeren,’ aldus Slav Gatchev, hoofd van de afdeling duurzame schulden bij Nature Conservancy.

    De zogenaamde schuld-voor-klimaatruil stond lang bekend als een financiële niche. Tijdens de pandemie kwam de deal echter op de voorgrond te staan. Doordat economieën wereldwijd op instorten stonden, werden ontwikkelingslanden gedwongen in recordtempo nieuwe schulden aan te gaan. Ondertussen kregen ze steeds minder inkomsten binnen, waardoor de kans op terugbetaling afnam.

    Het idee om ontwikkelingslanden schuldverlichting te bieden in ruil voor klimaatstappen ontstond in de jaren tachtig en was hoofdzakelijk bedoeld voor de bescherming van regenwouden.

    Volgens Gatchev is het verschil dat landen in het bluebondsmodel geen bescheiden, eenmalige schuldvermindering krijgen. Sterker nog, wereldwijde financiële markten zetten hun middelen in om de financiering van natuurbehoud mogelijk te maken.

    Het eerste land dat een bluebondsdeal aanging is de Seychellen, een eilandengroep in de Indische Oceaan. Inmiddels is het land er volgens Nature Conservancy in geslaagd 30 procent van zijn wateren te beschermen, waardoor kwetsbare soorten nu een toevluchtsoord hebben. In ongeveer de helft van de beschermde gebieden is menselijke activiteit ofwel verboden ofwel sterk beperkt.

    Bij elkaar opgeteld hebben Belize en Barbados inmiddels 683 miljoen dollar aan schulden terugbetaald

    Toch zeggen economen en natuurbeschermers dat deze financiële deals slechts een fractie van de oplossing zijn voor alle dringende, wereldomvattende problemen.

    Bij elkaar opgeteld hebben Belize en Barbados inmiddels 683 miljoen dollar aan schulden terugbetaald. Volgens de Wereldbank is dat maar 0,03 procent van wat ontwikkelingslanden eind 2020 verschuldigd waren aan particuliere schuldeisers.

    En de 134 miljoen dollar die de twee landen de komende twintig jaar voor het behoud van de zee hebben uitgetrokken, is een nog kleinere fractie van de 125 biljoen dollar die volgens de Verenigde Naties wereldwijd besteed moet worden om tegen 2050 een nettonuluitstoot te bereiken en de ergste gevolgen van klimaatverandering terug te draaien.

    Aantrekkelijk

    Volgens sommige economen kan schuldverlichting geen blijvend effect hebben op kleine landen die van toerisme afhankelijk zijn, tenzij ze meer variatie aanbrengen in hun economie en de nationale productiviteit verhogen.

    Het algemene effect dat de bluebondsdeals op het klimaat hebben, is bovendien maar beperkt. Regeringen krijgen jaren de tijd om aan te tonen dat hun natuurbehoud verbeterd is en zijn niet verplicht de menselijke activiteiten in hun wateren fors in te perken.

    Toch kunnen dergelijke initiatieven wel degelijk voor klimaatactie zorgen. Volgens voorstanders zorgt milieu-georiënteerde schuldverlichting ervoor dat de financiële belangen van internationale investeerders en kleine landen op één lijn komen te liggen, waardoor regeringen meer overheidsuitgaven kunnen doen en in de richting van duurzame groei worden geduwd.

    ‘Hoe zou erosie van stranden ooit een politieke prioriteit kunnen worden als we tegelijkertijd dringend de scholings- en vaccinatiegraad moeten verhogen?’ vraagt Henry Mooney, een Caribisch econoom bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, zich af. ‘Het geld dat nu voor natuurbehoud opzij is gezet, was anders ergens anders aan besteed.’

    Volgens mensen die bluebondsdeals afsluiten, moeten landen zich wel aan de overeenkomsten houden: schuldeisers kunnen claims indienen bij internationale rechtbanken als regeringen hun financiële verplichtingen en afspraken rondom natuurbehoud niet nakomen. Dat maakt de regelingen minder riskant voor grote vermogensbeheerders en pensioenfondsen.

    De blue bonds zijn daardoor extra aantrekkelijk voor westerse investeerders die geld willen verdienen aan positieve doelen, zoals natuurbehoud.

    ‘Investeren is geen altruïstische aangelegenheid, investeerders geven niet zomaar geld weg,’ zegt Ajata Mediratta, partner van Greylock Capital Management, een Amerikaanse investeerder die betrokken was bij de Belizaanse blue bonds-deal.

    Volgens Christopher Coye, een belangrijke financiële ambtenaar in Belize, hebben de deals ervoor gezorgd dat het land zijn schuld aanzienlijk heeft kunnen verminderen en dit jaar de grootste begroting ooit heeft kunnen opstellen. De sociale uitgaven zijn weer op hetzelfde niveau als vóór de pandemie en de economie zal dit jaar naar verwachting met bijna 6 procent groeien.

    Om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen, verbood het land de eilandjes waarvan een groot deel van het koraalrif in overheidsbezit is, te verkopen. Daarnaast is er 2070 vierkante kilometer aan beschermd zeegebied bij gekomen en heeft de regering zich voorgenomen tegen 2026 een aanvullende 5000 vierkante kilometer te gaan beschermen.

    ‘Investeren is geen altruïstische aangelegenheid, investeerders geven niet zomaar geld weg’

    Natuurbehoud is er dus op vooruitgegaan. Toch zijn veel eilanden in het nieuw beschermde gebied al verkocht en veranderd in resorts of privévilla’s. Ondanks de bluebondsdeals zijn bovendien veel visgebieden grotendeels intact gelaten, wat grote schade toebrengt aan het zeelandschap.

    De grootste aanwinst van de bluebondsdeal zijn volgens Julie Robinson, inwoner van Belize en landelijk manager bij Nature Conservancy, niet alleen de financiële voordelen en het natuurbehoud, maar vooral de kans om de nationale identiteit opnieuw vorm te geven. Door de pandemie kwam de toerismesector van de ene op de andere dag stil te liggen, wat veel inwoners naar de visserij en landbouw dreef. Dat bracht de waarde en kwetsbaarheid van de natuurlijke rijkdom van Belize aan het licht, zo stelt ze.

    ‘Als Belizaan wil ik ervoor zorgen dat we als land kunnen groeien en bloeien,’ vervolgt Robinson. ‘Ik hoop dat we met deze obligatieovereenkomst een stap terug kunnen doen en kritisch nadenken over onze toekomst. Wat voor soort ontwikkeling willen we doormaken?’

  • Klimaattop COP27 van start in Egypte

    Klimaattop COP27 van start in Egypte

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Italië weigert alle migranten van schip te halen

    » Verenigde Staten maken zich op voor midterms

    Er wordt gesproken over compensaties voor arme landen

    In Egypte is zondag de VN-klimaattop COP27 van start gegaan. Vertegenwoordigers uit bijna tweehonderd landen, ngo’s en lobbyisten praten de komende dagen over wat landen gaan doen om de klimaatverandering en de opwarming van de aarde de komende decennia het hoofd te bieden, schrijft persbureau Reuters.

    Een van de belangrijkste agendapunten is de compensatieregeling voor arme landen. Volgens veel landen in Zuidoost-Azië en Afrika hebben zij veel meer te lijden onder de klimaatverandering, terwijl zij er veel minder aan hebben bijgedragen dan de veel meer geïndustrialiseerde rijke landen. Vorig jaar, op de COP26 in het Schotse Glasgow, was zo’n regeling nog onbespreekbaar voor veel rijke landen.

    Sceptici en klimaatactivisten beweren dat de COP27 slechts een momentopname is waarop rijke landen zich kunnen presenteren als pleitbezorger voor een schonere wereld, terwijl deze landen in werkelijkheid maar weinig zouden doen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Zo zou er maar weinig terechtkomen van het terugdringen van de uitstoot van fossiele brandstoffen en krijgen ontwikkelingslanden nog altijd te weinig steun van rijkere landen om hun economieën te verduurzamen.

    Lees ook:

  • Stijging temperaturen vooral hard in Europa

    Stijging temperaturen vooral hard in Europa

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ethiopië en rebellen Tigray sluiten bestand

    » Parkland-schutter veroordeeld tot levenslang

    Temperaturen in Europa stijgen harder dan elders in de wereld

    Waar temperaturen wereldwijd omhoog gaan, zijn ze de afgelopen decennia vooral hard gestegen in Europa. Dat schrijft Deutsche Welle op basis van een rapport van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), een onderzoeksorganisatie gelieerd aan de VN. Ondanks dat Europa de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk heeft verminderd, is de temperatuur op het continent in de afgelopen dertig jaar twee keer zo hard gestegen als elders in de wereld.

    Volgens de WMO stegen de temperaturen in Europa tussen 1991 en 2021 gemiddeld met 0,5 °C per decennium. Gletsjers in de Alpen zouden in dezelfde periode ruim dertig meter aan dikte hebben verloren door de opgelopen temperaturen. De organisatie wijst erop dat de extreme hittegolven van de afgelopen jaren de komende jaren nóg vaker kunnen gaan voorkomen.

    Tussen 1990 en 2020 wisten EU-landen de uitstoot van broeikasgassen wél drastisch te verminderen: met 31 procent, volgens het WMO-rapport. ‘Europa kan een sleutelrol spelen om tegen het midden van de eeuw een koolstofneutrale samenleving tot stand te brengen en zo de Overeenkomst van Parijs na te leven,’ zei secretaris-generaal van de WMO Petteri Taalas bij de presentatie van het rapport.

    Lees ook:

  • Duitsers verminderen gasverbruik dankzij warm weer

    Duitsers verminderen gasverbruik dankzij warm weer

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Lula en Bolsonaro richten zich op argwanende kiezer: evangelicals en vrouwen

    » Eerste wilde bizon geboren in VK sinds duizenden jaren

    Ondanks oorlog daalt gasverbruik Duitse huishoudens

    Volgens de Bundesnetzagentur hebben Duitse huishoudens en de lichte industrie vorige week minder gas verbruikt dan het gemiddelde voor dezelfde periode tussen 2018-2021. Ook de week daarvoor was het gasgebruik lager dan normaal, bericht Deutsche Welle. De voorzitter van de federale netwerkregulator voor elektriciteit, gas, telecommunicatie, post en spoorwegen van Duitsland, Klaus Müller, meldde dat huishoudens in kalenderweek 41 gemiddeld 608 gigawattuur (GWh) per dag verbruikten, tegenover 881 GWh/dag in voorgaande jaren – een daling van 31 procent. 

    Müller merkte op dat Duitsland momenteel in een goede positie verkeert om de winter zonder ernstige problemen door te komen, ondanks de inval van Rusland in Oekraïne en de gevolgen daarvan voor de gasvoorziening in Europa. Het Duitse agentschap noemt als een van de redenen van het lagere gasgebruik het warme weer van de afgelopen weken, aldus DW. Ook zouden burgers bewuster omgaan met energie.

    Volgens het Potsdam-Institut für Klimafolgenforschung (PIK) is het mogelijk voor Duitse huishoudens om hun gasverbruik met 30 procent te verminderen. PIK zegt dat Duitsers hun verbruik kunnen verminderen door ‘de thermostaten een of twee graden lager te zetten en alleen de verwarming aan te zetten als dat nodig is’.

    Lees ook:

  • Hittegolven zorgen voor ‘eco-angst’ in Frankrijk

    Hittegolven zorgen voor ‘eco-angst’ in Frankrijk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Saoedi-Arabië stelt luchtruim open voor alle luchtvaartmaatschappijen

    » President Sri Lanka stuurt ontslagbrief naar parlement

    Fransen maken zich grote zorgen om toekomst

    De intensiteit en snelle opeenvolging van hittegolven in Frankrijk veroorzaken ‘eco-angst’ bij de Fransen, schrijft Le Monde. Het Franse dagblad vroeg aan zijn lezers om ervaringen online te plaatsen over de manier waarop zij omgaan met de hitte en wat het met hen doet. Uit de reacties blijkt dat de Fransen zich grote zorgen maken. ‘Hittegolven maken me bang’, schrijven ze. De huidige hittegolf, waarbij het kwik op maandag 18 juli in sommige delen van Frankrijk tot 40°C zal stijgen, vormt hierop geen uitzondering.

    Een van de reacties komt van Nadia (24). De hoge temperaturen wekken bij haar de onaangename indruk dat ze geen controle heeft over de situatie: ‘Weten dat het steeds vaker zal voorkomen en dat het probleem niet serieus wordt genomen, irriteert me enorm.’ Een getuigenis die volgens epidemioloog Alice Desbiolles ‘volledig past in het emotionele en intellectuele spectrum van eco-angst: er is zowel woede als een gevoel van machteloosheid, maar ook bezorgdheid over de situatie’.

    ‘Tegen 2040 zullen hittegolven zoals die van 2019 naar schatting ongeveer vijf keer zo vaak voorkomen’

    De gevoelens van angst verbazen ook klimatoloog Serge Zaka niet. ‘Sinds 1947 is het aantal hittegolven alleen maar toegenomen,’ zegt hij. ‘Vroeger hoorden we alleen voorspellingen, maar nu komen die voorspellingen van de klimatologen uit. Wanneer we dit soort dingen meemaken, ofwel via de televisie of thuis, ontstaat er angst.’

    Klimatoloog Aurélien Ribes van het Nationaal Centrum voor Meteorologisch Onderzoek bevestigt dat de kans op een hittegolf in 2019 door de klimaatverandering minstens vertienvoudigd is. Als er niets verandert, zal de situatie naar verwachting niet keren: ‘Tegen 2040 zullen hittegolven zoals die van 2019 naar schatting ongeveer vijf keer zo vaak voorkomen.’

    Lees ook:

  • Onderzoek: steeds minder besneeuwde bergtoppen in Alpen

    Onderzoek: steeds minder besneeuwde bergtoppen in Alpen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duizenden aangespoelde dolfijnen door oorlog Oekraïne, aldus wetenschappers

    » Soedan: na drie jaar nog geen gerechtigheid voor slachtoffers politiegeweld

    Alpentoppen worden steeds groener door hogere temperaturen

    De sneeuwwitte bergtoppen van de Alpen worden steeds groener, zo blijkt uit een studie van satellietbeelden, meldt The Guardian. De begroeide gebieden boven de boomgrens in de Alpen zijn sinds 1984 met 77 procent toegenomen, aldus het onderzoek dat beschreven wordt in Science. Stijgende temperaturen en toegenomen regenval verlengen het groeiseizoen, waardoor planten nieuwe gebieden koloniseren. De begroeiing wordt ook hoger en dichter dan voorheen.

    De smeltende gletsjers zijn een duidelijk signaal dat de aarde aan het opwarmen is. De wetenschappers twijfelen er niet aan dat de toenemende plantengroei die ze hebben waargenomen, ook een groot bewijs van de stijgende temperaturen is.

    Berggebieden warmen ongeveer twee keer zo snel op als gemiddeld

    Volgens professor Sabine Rumpf van de Universiteit van Basel, hoofdauteur van het artikel in Science, kan meer plantengroei op grote hoogten paradoxaal genoeg een bedreiging vormen voor de typische Alpenplanten. ‘De unieke biodiversiteit van de Alpen staat daardoor onder grote druk,’ aldus Rumpf. Ook zegt zij dat groenere bergen minder zonlicht weerkaatsen, wat leidt tot verdere opwarming, wat weer leidt tot verdere inkrimping van het reflecterende sneeuwdek.

    Berggebieden warmen ongeveer twee keer zo snel op als gemiddeld. En hoewel de vergroening van de Alpen het CO2-gehalte kan verminderen, weegt dat waarschijnlijk niet op tegen de negatieve gevolgen. De opwarming zorgt er ook voor dat gletsjers ontdooien en de permafrost afneemt, wat op zijn beurt leidt tot meer aardverschuivingen, steenlawines en modderstromen.

    Lees ook:

  • John Kerry: ‘Oorlog in Oekraïne bedreigt aanpak klimaatverandering’

    John Kerry: ‘Oorlog in Oekraïne bedreigt aanpak klimaatverandering’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Leonid Kravtsjoek, eerste president van Oekraïne, overleden

    » Elon Musk wil Donald Trump weer toelaten tot Twitter

    Hoe langer de oorlog doorgaat, hoe moeilijker het wordt

    Hoe langer de oorlog in Oekraïne voortduurt, hoe erger de gevolgen zullen zijn voor het klimaat, waarschuwt de Amerikaanse presidentiële gezant John Kerry. Beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 graden Celsius kan daardoor moeilijker worden maar niet onmogelijk, zei Kerry in een exclusief gesprek met The Guardian.

    Veel landen worstelen als gevolg van de oorlog met een energiecrisis, terwijl ze ook dringend de uitstoot van broeikasgassen moeten verminderen om de opwarming te beperken. ‘Als we op wonderbaarlijke wijze de komende zes maanden de acute energieproblemen kunnen oplossen, dan kunnen we daarna samen misschien juist het proces van klimaatverbetering versnellen,’ zei Kerry. ‘Maar hoe langer de oorlog doorgaat, hoe moeilijker het wordt’ om onder de 1,5 graden te blijven.

    ‘Gas heeft altijd deel uitgemaakt van de overgang van vuilere fossiele brandstoffen naar nieuwe energie’

    Het doelen uit het akkoord van COP26, de klimaattop die vorig jaar werd gehouden, moet in 2030 worden behaald, waardoor een vertraging in het transitieplan nog kan worden ingehaald, meent Kerry. De VS zeggen dat zij de productie van aardgas kunnen verhogen om bondgenoten aan een alternatief te helpen voor Russische fossiele brandstoffen. Amerikaans aardgas, dat volgens Kerry minder CO2-uitstoot veroorzaakt dan Russisch gas, dankzij een efficiëntere winning, kan op korte termijn een duurzame oplossing bieden voor landen. ‘Gas heeft altijd deel uitgemaakt van de overgang van vuilere fossiele brandstoffen naar nieuwe energie,’ aldus de klimaatgezant. Hij benadrukt ook dat het hier echt om een tijdelijke oplossing gaat.

    De Amerikaanse regering kreeg zware kritiek van klimaatactivisten omdat hij uitbreiding van gasboringen heeft toegestaan, waardoor nieuwe stukken openbaar land gebruikt mogen worden voor exploitatie.

    Lees ook:

  • Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Science: klimaatopwarming heeft massa-extinctie oceaanleven tot gevolg

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Taiwanezen gaan massaal op cursus zelfverdediging uit angst voor oorlog

    » Californië start groot onderzoek naar ‘misleiding’ plasticindustrie

    Stijgende uitstoot broeikasgassen is funest voor zeeleven

    Als de uitstoot van broeikasgassen blijft stijgen, kunnen het aantal diersoorten die in de oceaan leven tegen 2300 gedecimeerd zijn, zo waarschuwt een studie die donderdag in het prestigieuze tijdschrift Science is gepubliceerd. De massa-extinctie is vergelijkbaar met die van het Perm, die ongeveer 250 miljoen jaar geleden plaatsvond.

    Tijdens die catastrofale gebeurtenis is de biodiversiteit in de zee tot een absoluut minimum gereduceerd, als gevolg van een combinatie van stijgende temperaturen en afnemende zuurstof in de oceanen, een proces dat ook nu nog aan de gang is. Volgens de onderzoekers van de in Science gepubliceerde studie zou een beperking van de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius dit rampscenario helpen voorkomen.

    Lees ook:

  • Meer overstromingen, droogtes, branden en recordtemperaturen in 2021

    Meer overstromingen, droogtes, branden en recordtemperaturen in 2021

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » In Johannesburg moet je betalen om te mogen protesteren

    » Situatie Pools-Belarussische grens is onmenselijk, aldus Amnesty International

    Klimaatverandering is zichtbaar in Europa

    Europa blijft geenszins gespaard van het proces van klimaatverandering dat de hele planeet treft. In 2021 kende het meer overstromingen, droogteperioden en bosbranden dan ooit, terwijl de temperatuur tot recordhoogte steeg. Dat staat in het jaarrapport dat vrijdag werd gepubliceerd door Copernicus Climate Change Service, het klimaatprogramma van de Europese Commissie in samenwerking met de Europese ruimtevaartorganisatie, meldt El País.

    Parallel aan de extreme weersomstandigheden, die zich zowel binnen als buiten Europa voordoen, groeit de ophoping van kooldioxide en methaan in de atmosfeer, de belangrijkste broeikasgassen. Om klimaatverandering te beteugelen, moet de mensheid dringend paal en perk stellen aan fossiele brandstoffen. Al eerder stond deze waarschuwing in het laatste rapport van het IPCC, de groep internationale experts die onder de paraplu van de Verenigde Naties werkt.

    Bosbranden in het Middellandse Zeegebied waren heviger dan ooit, vooral in Italië, Griekenland en Turkije

    ‘Nauwkeurige klimaatinformatie is belangrijker dan ooit om ons te helpen weloverwogen beslissingen te nemen,’ zegt Carlo Buontempo, hoofd van Copernicus Climate Change Service. Zo houdt Copernicus toezicht op de bosbranden in het Middellandse Zeegebied, die heviger waren dan ooit, vooral in Italië, Griekenland en Turkije. Op het Italiaanse eiland Sicilië werd 48,8 graden Celsius geregistreerd, de hoogste temperatuur die in Europa is vastgesteld. In dezelfde periode waren er historische overstromingen in Midden- en West-Europa, vooral in Duitsland en België.

    Lees ook:

  • Hoe slecht is plastic nou eigenlijk echt?

    Hoe slecht is plastic nou eigenlijk echt?

    Plastic is schadelijk voor de gezondheid, het milieu en de mensenrechten – en fungeert als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering. Een geschiedenis van het vermaledijde materiaal.

    Dit lijkt me niet echt een goed moment om over plastic te beginnen, denk ik als mijn vader na afloop van het samenzijn na een begrafenis over de vuilnisbak gebogen staat. Hij wenkt me, met een discreet maar dwingend gebaar. Hij heeft een doorzichtige plastic beker uit het vuilnis gehaald, met een geribbelde, rechte wand. ‘Polystyreen,’ grinnikt hij. Hij draait de beker om en kijkt naar de identificatiecode (een 6 in het midden van het recyclinglogo). ‘Maar niet mijn soort.’

    Mijn vader heeft in de jaren 1960 een veerkrachtige variëteit van polystyreen ontwikkeld voor Union Carbide, een van de belangrijkste plasticfabrikanten van de twintigste eeuw, inmiddels overgenomen door Dow Chemical Company. En nu staan we in de hal van de parochie en heb ik het gevoel dat hij dit glas elk moment stuk kan knijpen. Alsof hij mijn gedachten kan lezen, verstevigt hij zijn greep. Een beker van dit soort polystyreen versplintert tot een merkwaardige ster van scherven, geschakeerd rond de ronde bodem van de beker – en dat is precies wat hij me wil laten zien.

    Geen butadieen, denk ik. ‘Geen butadieen,’ zegt hij. In de productielijnen waarover hij de scepter voerde, werd butadieen toegevoegd om de kunsthars iets rubberachtigs te geven. Butadieen is een van de ruwweg tienduizend bestanddelen die plastics zoals wij ze vandaag de dag kennen, mogelijk hebben gemaakt. Mijn vader gaat op zoek naar een plasticbak, al weet hij ook wel dat deze beker weinig kans maakt op een volgend leven. Dat geldt vooral voor polystyreen, dat in talloze variëteiten op de markt is. Zoals antropoloog Tridibesh Dey opmerkt zijn plastics een chemisch complex allegaartje, meer ontworpen met het oog op gebruik dan op hérgebruik.

    Een tweede kans

    Mijn vader dacht ooit dat plastics tot in het oneindige hergebruikt zouden kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat hij dacht dat plastic, net als de makers, een tweede kans verdiende. Toen Union Carbide in de jaren zeventig ging inkrimpen, nam mijn vader ontslag en bleef thuis bij de kinderen, totdat hij had bedacht hoe een leven zonder plastic eruit zou kunnen zien. Het antwoord bleek te schuilen in de ambtenarij: mijn vader stond een tijdlang aan het hoofd van het recyclingprogramma in mijn geboortestad. Maar hij heeft nooit zijn dromen kunnen verwezenlijken in de recycling. Van alle plastic die er tijdens zijn leven zijn geproduceerd, is nog geen tien procent op effectieve wijze hergebruikt.

    De vraag naar plastic is net zo kunstmatig als plastic zelf

    Deze teleurstellende uitkomst wordt – net als zoveel andere aspecten van onze relatie met plastic – vaak geweten aan individuele tekortkomingen. De pijlen worden zelden gericht op de plasticproducenten, of op de geopolitiek waardoor plastic over de hele wereld is verspreid. Maar wie zich verdiept in de geschiedenis van plastics, stuit op een ander verhaal: de vraag naar plastics is net zo kunstmatig als plastic zelf. Dat onze samenleving is vergeven van wegwerpplastic is niet veroorzaakt door de logica van de vraag, maar door de logica van de geschiedenis en geïntegreerde industriële systemen.

    De industrie werkt al tientallen jaren aan de illusie dat het alle problemen onder controle heeft, maar ondertussen worden zowel de productie als de promotie steeds meer aangezwengeld. De afgelopen twintig jaar zijn er meer plastics geproduceerd dan in de hele tweede helft van de twintigste eeuw. Recycling is een gebrekkig systeem – en toch wordt het gepresenteerd als wondermiddel. Maar een slimme truc aan het einde van de keten is geen oplossing voor de massale hoeveelheid plastic die wordt geproduceerd, voor de complexe toxiciteit en de erfenis van vervuiling en schade die de industrie al langere tijd aan de menselijke gezondheid en de mensenrechten toebrengt.

    Dat geldt natuurlijk allemaal al veel langer, maar nu is het moment daar om het gesprek over plastic ook echt aan te gaan. Naar verwachting zal plastic een zwaar stempel drukken op de eenentwintigste eeuw, als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering.

    Materie

    Toen mijn vaders voormalige werkgever eind jaren 1920 plastic ging maken, was er niet echt sprake van een gretige afzetmarkt. Maar in zekere zin kon het bedrijf niet anders dan plastic vervaardigen. De nieuw ontwikkelde antivries, Prestone, werd gemaakt van aardgas en leverde een restproduct op, ethyleendichloride, een stof waarvoor geen praktische toepassing was en die dus op het terrein werd opgeslagen. Al snel had men er onvoorstelbare, ‘gênante’ hoeveelheden van opgeslagen, zoals het later werd verwoord in een nieuwsbrief van Carbide. De beste optie was, besloot het bedrijf, om er vinylchloride van te maken, waarvan al in de jaren 1970 werd vastgesteld dat het kankerverwekkend was, maar dat destijds werd gebruikt als bouwsteen voor een schadelijk soort plastics dat nog niet eerder op de markt was gebracht: vinyl.

    Dit is geen op zichzelf staan geval, maar eerder een voorbeeld van hoe de productontwikkeling bij chemische stoffen en plastics maar al te vaak verloopt. Voor Carbide en andere petrochemische fabrieken in de twintigste eeuw, vereiste elk nieuw product een reeks opeenvolgende reacties, en elke stap leverde weer een nieuw bijproduct op. Door die bijproducten te ontwikkelen waaieren de productielijnen uit en ontstond er uiteindelijk een bijna fractale structuur van onderling verwante producten. Alles wat het systeem binnenkomt moet ergens blijven, legt Ken Geiser, een beleidsexpert op het gebied van chemische industrie, uit in zijn boek Materials Matter. Materie is materie, het wordt gecreëerd noch vernietigd. En dus moet het worden omgezet: er wordt brandstof van gemaakt, het wordt afgedankt en veroorzaakt vervuiling, of het wordt te gelde gemaakt. Na vele herhalingen van dit proces komt Carbide uit bij Vinylite, dat uiteindelijk bruikbaar wordt gemaakt door de versmelting van twee typen vinyl: polyvinylchloride (pvc) en polyvinylacetaat.

    Volgens een intern marketingrapport heeft Carbide jarenlang geprobeerd nieuwe klanten te ‘synthetiseren’ en nieuwe toepassingen te bedenken voor Vinylite, terwijl een kredietafdeling de financiële last verlichtte door het product te adopteren. Uiteindelijk stuurde het bedrijf zelfs technische teams het land in om fabrikanten te leren hoe ze kunsthars moesten gebruiken – allemaal met matig succes. Celluloid, voorheen Bakeliet, en later ook polystyreen, kende vergelijkbare problemen.

    Door de Tweede Wereldoorlog kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen

    Maar toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Door de oorlogscontracten kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen. Zo hielp de Amerikaanse marine DuPont en Union Carbide om een licentie te krijgen van Britain’s Imperial Chemical Industries, zodat een begin kon worden gemaakt met de vervaardiging van polyethyleen voor de isolatie van draden en kabels (waarmee radar mogelijk werd). Het zogeheten Manhattan Project was de aanzet voor DuPont om het nieuwe gefluorideerde plastic in massaproductie te nemen, en dat zou uiteindelijk Teflon worden. Wat voorheen werd gewogen in grammen werd nu gewogen in tonnen. In de oorlog werden ook de al bestaande kunstharsen volwassen: aan het einde van de oorlog werd tweeëndertig keer zoveel polystyreen geproduceerd als bij het uitbreken van de oorlog.

    Maar polystyreen heeft enkele basisingrediënten gemeen met een ander materiaal dat van cruciaal belang bleek voor de moderne, gemechaniseerde oorlogsvoering: styreen-butadieenrubber, ook wel SBR genoemd. Rubber werd gebruikt voor rupsbanden. Vrachtwagenbanden. De zolen van de soldatenkistjes. 

    Rubber

    Het gigantische, Duitse IG Farben had al het zogeheten Buna S-rubber gesynthetiseerd, een versie van SBR op kolenbasis, toen de verstoring van de handel in natuurlijk rubber Amerika dwong om een inhaalslag te maken. Er werd razendsnel een onderzoeks- en ontwikkelingstraject in gang gezet en dat leverde het Amerikaanse alternatief op: GR-S, ofwel Government Rubber-Styrene. Volgens historicus Peter J. T. Morris deed dit traject niet onder voor de wedloop om een atoombom te maken. Om te kunnen beantwoorden aan de vraag naar rubber aan het front werd er styreen geproduceerd op een schaal die ‘haast onvoorstelbaar’ was, zoals valt te lezen in een Dow-reclame uit de jaren 1940 – al helemaal gezien de moeite die het tot dan toe had gekost om styreen te produceren.

    Maar er waren ook risico’s verbonden aan styreen. Het kan kanker veroorzaken, net als vinylchloride. Dat gold ook voor het andere belangrijke bestanddeel van synthetisch rubber: butadieen, ook een monomeer die later kankerverwekkend bleek te zijn, en een chemische stof die symbool staat voor de versmelting van twee ooit afzonderlijke domeinen – petroleum en chemicaliën– tot de petrochemische industrie.

    Amerika had de keuze tussen twee verschillende manieren om butadieen te maken. Het kon gemaakt worden uit graanalcohol (ethanol) of uit petroleum. De olie-industrie bond de strijd aan met de boeren om overheidscontracten binnen te slepen voor de nieuwe rubbermachine. Het graan hield stand tijdens de oorlog, maar toen de oorlog eenmaal ten einde was, dwarsboomde de door de overheid gesteunde petroleumindustrie elke mogelijkheid om een door koolhydraten gedreven chemicaliën-en-plasticsindustrie op te zetten. De graanoogsten werden te grillig geacht, te zeer aan de seizoenen gebonden, te gevoelig voor overstromingen en droogte, en dus vatbaar voor prijsfluctuaties. 

    Rond 1950 had de overheid de rubberfabrieken uit de oorlog verkocht aan particuliere investeerders. Styreen, zo meldde Dow, had ‘eervol ontslag’ gekregen om ‘een wereld van vrede’ te kunnen dienen. Verschillende bedrijven, waaronder Union Carbide, konden nu styreen en butadieen produceren in hoeveelheden die veel groter waren dan wat de rubberindustrie in vredestijd aankon. De oplossing voor een overdaad aan styreen: polystyreen, waarvan een deel later gemodificeerd zou worden tot hoogwaardig polystyreen. Het polystyreen van mijn vader.

    De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen

    ‘De naoorlogse domesticatie van plastic verliep grillig, met horten en stoten’, schrijft cultuurhistoricus Jeffrey Meikle in zijn boek American Plastic. Om de vraag op te stuwen, investeerde de bedrijfstak op grote schaal in advertentiecampagnes en groeide zelfs uit tot een van de grootste klanten van reclamebureaus. Aanvankelijk richtte de advertenties zich op vrouwen, om hen te doordringen van de voordelen van plastic en om hun te leren hoe ze de verschillende namen moesten uitspreken – zelfs de Society of the Plastics Industry (SPI) ontkende niet dat het tongbrekers waren. (‘Polly en Vin Wie?’ staat te lezen in een pamflet dat de SPI in 1953 uitgaf, in samenwerking met het vrouwenblad McCall’s. ‘Nou, het is geen Polly maar Poly: Poly-styreen en Vin-yl.’) Toen de bedrijfstak geen nieuwe markten meer wist te bereiken, zoals voorheen lukte met bijvoorbeeld de Tupperware-party’s, waagde men zich op andere terreinen, door de concurrentie aan te gaan met leer, katoen, glas en metaal. Toch waren de verkoopcijfers halverwege de jaren 1950 nog van dien aard dat men niet langer probeerde het plastic de huizen binnen te krijgen, maar eerder het erdoorheen te jagen, zoals plasticexpert Max Liboiron uitlegt. De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen – of, zoals Lloyd Stouffer, redacteur bij Modern Packaging Magazine, het formuleert, ‘in de vuilnisbak’ – en polystyreen was een van de kunststoffen die daarvoor in aanmerking kwam.

    Het duurde niet lang of Scott plaatste een reeks advertenties in Life, met daarin het eerste ‘wegwerpglas,’ zoals het bedrijf het noemde – mooi genoeg om gasten voor te zetten. Het bedrijf beloofde dat het ‘absoluut, zonder enige twijfel, honderd procent verantwoord’ was om dit glas, gemaakt van ‘puur polystyreen en glad als porselein’, weg te gooien. Rond 1960, aan het begin van het decennium waarin mijn vader plastics maakte, kocht het leger ook weer polystyreen, dit keer voor de vervaardiging van het zeer brandbare napalm-B, maar de verpakkings- en de wegwerpartikelenindustrie zouden de grootste afzetmarkten vormen voor plastics. De productiecijfers stegen ‘tot ongekende hoogten’, schreef een analist van wie de woorden in 1971 werden vastgelegd in de notulen van het Amerikaanse Congres. In de supermarkt werden papieren verpakkingen stuk voor stuk verdrongen door plastic: de eierdoos, de broodzak, het vleesbakje en uiteindelijk, zij het schoorvoetend, de boodschappentas, schrijft wetenschapsjournalist Susan Freinkel in haar boek Plastic: A Toxic Love Story.

    ‘Consumenten,’ legt Meikle uit, ‘konden alleen kiezen tussen de artikelen die in de schappen lagen.’ En tegen het einde van de twintigste eeuw lagen de schappen vol plastic.

    Alternatieven

    In mijn werkkamer staan kasten vol polystyreen bekers in alle mogelijke vormen, maten en kwaliteiten. Allemaal cadeautjes van mijn vader, die de merkwaardige gewoonte heeft ze voor me mee te nemen. Hij kan het niet aan om ze weg te gooien, en hij heeft zo zijn twijfels over recyclen.

    Het kan lastig zijn om je een voorstelling te maken van het web waarin de alledaagse plastic bekertjes zijn verbonden met de nauw verweven mondiale crises van gifstoffen, milieu-onrecht en klimaatverandering, en het kan zelfs nog lastiger zijn om te bepalen waar moet worden ingegrepen. Want ja, door sommige plastics worden goederen en voertuigen lichter en daarmee efficiënter. En plastic componenten helpen bij het ontwikkelen van technologieën die hernieuwbare energie weten op te slaan en te distribueren. Maar daarentegen zit tegenwoordig meer dan veertig procent van het plastic in doosjes, bekertjes, verpakkingsmaterialen en andere toepassingen voor kortdurend gebruik. Ondanks aansporingen om waar mogelijk wegwerpartikelen te weigeren en je eigen tasje of bakje mee te nemen, hebben de meeste mensen in de meeste gevallen weinig te zeggen over de hoeveelheid plastic verpakkingen in hun leven. Op sommige plekken is het haast onvermijdelijk om een aanzienlijke hoeveelheid wegwerpplastic (zoals zakjes) te gebruiken, zeker op het platteland en op afgelegen plekken, waar nauwelijks alternatieven voorhanden zijn, of in ieder geval geen betaalbare alternatieven.

    Bovendien is het alomtegenwoordige plastic niet altijd even goed zichtbaar. Google maar eens can lining and drain cleaner (blikje en gootsteenontstopper) en kijk zelf hoe de gootsteenontstopper de metalen laag van het blikje afbijt, tot er een plastic koker overblijft. Of nog beter: leg je kartonnen koffiebekertje volgende keer in een bak water. Het paper zal loslaten, waarna je het dunne laagje polyethyleen aan de binnenkant ziet.

    De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes

    Begin jaren 1970 waren er al vijftien staten die probeerden te bedenken hoe ze de snelle opmars van plastic bakjes een halt konden toeroepen. De bedrijfstak schakelde over van reclame op zelfverdediging. Lobbygroepen probeerden de twee cent belastingheffing op flesjes te verijdelen, en in de jaren erna verzette men zich in het nabijgelegen Suffolk County tegen maatregelen om het aantal polystyreen bekertjes en andere wegwerpplastics terug te dringen. De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes. En zodra uit peilingen bleek dat het draagvlak afkalfde, of wanneer er regelgeving dreigde, gooiden de industrie en haar handelspartners er extra advertentiegelden tegenaan.

    Niet eerder in de geschiedenis heeft plastic zo onder vuur gelegen. Vorig jaar maart hebben twee Democratische congresleden wetsvoorstellen ingediend om de plasticvervuiling tegen te gaan. Ten minste twee derde van de lidstaten van de Verenigde Naties (waaronder, sinds kort, de Verenigde Staten) zijn voorstander van onderhandelingen om te komen tot een bindende overeenkomst om de wereldwijde gevolgen van plastics aan te pakken. En de National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine heeft Amerikaanse producenten opgeroepen om de hoeveelheid plastics terug te dringen die in winkels terechtkomt, en vervolgens in het milieu. Zelfs mijn vader was betrokken bij een poging om in de hele stad een verbod af te kondigen op wegwerppolystyreen.

    Al deze inspanningen trekken de ongelimiteerde productie van plastics in twijfel, maar er is ook nog een andere reden om nu stil te staan bij de plasticsproductie – de hoge CO2-uitstoot van de bedrijfstak is een aanjager van de klimaatverandering.

    De plasticindustrie heeft zich flexibel getoond – aanvankelijk werden er producten gemaakt van ruwe grondstoffen zoals guttapercha en houtpulp, en later van restproducten uit andere industrietakken, zoals katoenvezels, landbouwafval en de overgebleven gassen uit gascentrales of kolenovens van staalfabrieken. Tegenwoordig worden plastics gemaakt in een nauw verweven netwerk van raffinaderijen, frackinginstallaties en petrochemische fabrieken – complexen die opnieuw zijn uitgerust of zijn verplaatst om beter in staat te zijn nieuwe of andere olie- en gasvoorraden aan te boren. Tegenwoordig wordt 98 tot 90 procent van het plastic – dus vrijwel alle plastic – gemaakt uit fossiele brandstoffen.

    Verfrackingen

    Historisch gezien zou je de markt voor fossiele brandstoffen een verstoorde markt kunnen noemen, gezien het grote aantal verschillende vormen van overheidssteun: hulp bij technologieoverdracht, belastingvoordelen, subsidies, zachte financieringen, prijsafspraken en, zoals hierboven beschreven, oorlogscontracten – dit alles samen bepaalt de prijs van plastic, en dus de productie. De plasticindustrie zelf heeft nooit de werkelijke kosten van de productie voor haar rekening hoeven nemen, dus de prijs van alles wat er is verbruikt, opgeslagen, gedumpt, in zee gestort, begraven, geïnjecteerd, verkwist, verbrand, door de schoorsteen gejaagd of uit leidingen weggelekt.

    Maar de aard van de petrochemische industrie brengt haar eigen wetmatigheden met zich mee. Plastic moest wel op grote schaal worden geproduceerd om de enorme investeringen terug te verdienen die noodzakelijk waren geweest om dergelijke grote en gecompliceerde fabrieken op te zetten en in bedrijf te nemen. Deze fabrieken behoren tot de grootste, duurste en meest energieverbruikende bedrijven in de producerende en verwerkende industrie. Zo diende zich weer het aloude probleem aan: meer plastic vereiste meer toepassingen en meer afzetmarkten.

    Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld

    De Amerikaanse ‘fracking boom’, ook wel de schaliegasrevolutie genoemd, is de aanjager van de meest recente expansie van plastic. Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld, wat resulteert in een ‘oververzadiging’, aldus Kathy Hipple, senior research fellow aan het Ohio River Valley Institute. Door dit overaanbod van grondstof is een nieuwe ronde investeringen in plasticfabrieken in gang gezet waardoor, zo legt Hipple uit, de markt is overvoerd met plastic verpakkingsmateriaal – er is meer aanbod dan vraag. Door deze plastic, nu voornamelijk polyethylenen en polypropylenen die zijn vervaardigd uit aardgascondensaten, is polystyreen gedegradeerd tot een kleine speler op de verpakkings- en wegwerpartikelenmarkt – met een marktaandeel van zo’n twee procent. De producten die de plasticindustrie nu op de markt brengt, noem ik soms grappend ‘verfrackingen’ in plaats van verpakkingen.

    Maar in economische zin is er opnieuw sprake van een verandering in de wereld van plastic. Nu de energie- en transportsector steeds meer afstand neemt van fossiele brandstoffen, zien veel olie- en gasproducenten in plastic nog een van de weinige kansen om te groeien, om te blijven bestaan. Sommige nieuwe ‘megafabrieken’, zoals de Zhoushan Green Petrochemical Base in China, gebruiken ruwe olie, in plaats van geraffineerde bijproducten, voor de productie van chemicaliën en plastic.

    De plasticindustrie zal in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening nemen

    En dat is (deels) de reden dat een groter deel van de mondiale CO2-uitstoot op het conto zal komen van plastic. Als de Amerikaanse plasticproductie blijft groeien zoals de industrie nu voorspelt, dan zal de klimaatbijdrage van plastics in 2030 die van de kolencentrales voorbij zijn gestreefd, concludeert Jim Vallette, de hoofdauteur van een nieuw Beyond Plastics-dossier. Of, anders gezien: de huidige groeicijfers betekenen dat de de plasticindustrie in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening zal nemen – en misschien nog wel meer. Hoeveel meer is afhankelijk van de grondstof en het soort plastic, maar gemiddeld genomen levert elke ton plastic zo’n 1,89 ton op aan koolstofdioxide-equivalent (een maat voor broeikasgassen).

    Emissies ontstaan door de winning en het gebruik van fossiele brandstoffen. Maar er zijn ook zorgen dat er zelfs nog meer uitstoot zou kunnen plaatsvinden aan het andere uiteinde van de levenscyclus, als verschillende staten het groene licht zouden geven voor voorstellen uit de industrie om nog sterker in te zetten op CO2-intensieve afvaltechnologieën, zoals verbrandingsovens, het winnen van brandstoffen uit afval, en moleculaire, chemische en zogeheten hoogwaardige vormen van recycling. Deze onbewezen technologieën maken gebruiken van extreem hoge temperaturen en andere methoden om afval om te zetten in grondstof om nog meer plastic te produceren. Dergelijke technologieën ‘verplaatsen de afvalstortplaatsen van de grond naar de lucht’, aldus Yobel Novian Putra, die werkt aan een Asia Pacific klimaat- en energiebeleid voor de Global Alliance for Incinerator Alternatives. En dat zal zowel gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit als voor het klimaat.

    Maar de petrochemische industrie zelf gebruikt ook veel energie – en staat zelfs in de top twee van energieverbruikers in de verwerkende sector. Zelfs als de bedrijfstak zou overschakelen op energiebronnen met een laag koolstofgehalte (of zou overschakelen op problematische technologieën voor het afvangen en opslaan van CO2, de zogeheten CCS-technologieën), zouden plastics nog altijd een belangrijk aandeel leveren in de uitstoot van broeikasgassen, volgens analisten van het Center for International Environmental Law (CIEL).

    Plastic is klimaatverandering, maar dan in vaste vorm

    Toch is er in het klimaatbeleid nog altijd betrekkelijk weinig aandacht voor de productie van plastics. En de proliferatie van plastics kan van ondergeschikt belang lijken nu de klimaatrampen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen. Plastic en klimaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en de structureel verweven problemen werken ook op elkaar in: de plasticindustrie stuwt de uitstoot van broeikasgassen op en door het extreme weer komt er nog meer plastic in het milieu terecht. Er wordt onderzoek gedaan naar die wisselwerking – men kijkt bijvoorbeeld hoe temperatuurstress van invloed is op de manier waarop diersoorten reageren als ze worden blootgesteld aan gifstoffen. Hoe dan ook hebben ze dezelfde wortels. ‘Plastic is koolstof’, fossiele brandstof in een andere vorm, zegt Carroll Muffett, die aan het hoofd staat van CIEL. Of, zoals Deirdre McKay het stelt: plastic ís klimaatverandering, maar dan in vaste vorm.

    Wetenschappers zijn nog altijd aan het onderzoeken op welke niveaus er allemaal sprake is van schade – hoe er broeikasgassen vrijkomen uit plastic dat in de zon ligt te bakken, hoe plankton microplastics binnenkrijgt, waarmee het vermogen van plankton kan worden aangetast om zuurstof te leveren en CO2op te nemen en dat vervolgens mee te nemen naar de zeebodem. ‘Het onderzoek naar deze [klimaat]effecten staat nog in de kinderschoenen,’ valt te lezen in een rapport van CIEL en enkele andere groepen, ‘maar er zijn aanwijzingen dat plasticvervuiling de grootste natuurlijke CO2-opslag op aarde verstoort, wat een bron van zorg is en wat onze onmiddellijke aandacht vereist.’

    Zodoende denk ik terug aan die begrafenis, denk ik weer aan het glas in zijn hand, de golven van verdriet. Terwijl overal natuurbranden ontstaan, terwijl de rook van het ene continent naar het andere drijft, terwijl het zeewater stijgt en kustlijnen zich terugtrekken, terwijl we kampen met droogte en overstromingen, kankers en uitstervende diersoorten, dodelijke hittegolven en dodelijke pandemieën, lijkt dit misschien niet hét moment om te beginnen over plastics – over het feit dat we worden overspoeld door in de oorlog tot wasdom gekomen wegwerpartikelen die ons zijn opgedrongen en die inmiddels niet meer uit ons bestaan zijn weg te denken, die overal en altijd aanwezig zijn. Maar dit is precies het moment om dat nou juist wél te doen. En de wereld heeft geen seconde meer te verliezen.

    Lees ook:

  • Californië gaat namen geven aan hittegolven

    Californië gaat namen geven aan hittegolven

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Internationaal Atoomenergieagentschap verliest contact met Tsjernobyl

    » Florida verbiedt onderwijs over lhbti-kwesties op scholen

    Namen moeten bewustzijn voor de risico’s verhogen

    Klimaatwetenschappers in de hele wereld waarschuwden vorige week in het laatste IPCC-rapport over de gevaren van de klimaatcrisis. Een daarvan is extreme hitte, die gemiddeld al meer Amerikaanse levens kost dan orkanen en tornado’s samen. In tegenstelling tot de zichtbare vernietiging van branden en overstromingen, lijken de schadelijke effecten van hitte kleiner, maar ze zijn dodelijker. ‘Mensen beschouwen hitte niet als een gevaar’, zegt Kristie Ebi, professor aan de Universiteit van Washington. Maar zelfs in de koele Amerikaanse noordwestkust waar zij woont werden de bewoners vorig jaar verrast door ongekende temperaturen.

    Beleidsmakers en milieuactivisten zoeken naar manieren om het bewustzijn van het publiek voor de risico’s te verhogen. Een Amerikaanse organisatie die zich richt op beleidsoplossingen voor de klimaatcrisis, pleit ervoor om hittegolven namen te geven en te categoriseren met nummers. De groep adviseerde Californië, dat nu als eerste een naam- en rangschikkingsysteem gaat invoeren, bericht The Guardian. Athene en Sevilla komen later dit jaar met soortgelijke programma’s.

    Lees ook:

  • Na vliegschaamte ontdekt Oostenrijk nu skischaamte

    Na vliegschaamte ontdekt Oostenrijk nu skischaamte

    Sinds enige tijd lijkt zich bij wintersportliefhebbers in Oostenrijk een gevoel te ontwikkelen dat ze nog niet eerder kenden: Skischam, oftewel de schaamte om te skiën, ingegeven door klimaatverandering. Het fenomeen raakt steeds meer wijdverbreid.

    Het is een onderwerp waar Oostenrijkers alleen in versluierde bewoordingen over praten, een beetje zoals over aambeien bij de dokter, schrijft het Oostenrijkse conservatieve dagblad Die Presse. ‘Je kent het wel, dat je sommige woorden niet wilt uitspreken. Dan zeg je tegen de receptioniste dat je graag “ergens naar wilt laten kijken” zodat je het woord aambeien niet hoeft te fluisteren, omdat iedereen in de wachtkamer je zou kunnen horen’, schrijft Erich Kocina in een column voor de krant. ‘Vooral als het over de intieme zones gaat, worden kinderachtige formuleringen gebruikt, misschien met wat gegiechel erbij.’

    Waar Kocina op doelt is het gegeven dat op wintersport gaan in Oostenrijk en elders, synoniem is geworden met ‘schaamte’. In het Duits wordt dat fenomeen aangeduid met het neologisme Skischam. Vergelijkbaar met het uit het Zweeds afkomstige Flygskam, het schuldgevoel dat je voelt als je op een groot vervuilend vliegtuig stapt om op vakantie te gaan, heeft ook Skischam alles te maken met klimaatverandering. Het neologisme is samengesteld uit het woord ‘Ski’ en ‘Scham’, ‘een term die zelf is afgeleid van de Germaanse wortel ‘Skamo’, wat ‘schaamte’ of ‘schande’ betekent, aldus Kocina.

    Après-ski is door corona nogal beladen geworden

    ‘Interessant genoeg’, voegt hij er aan toe, ‘is daaruit in Duitstalige landen ook de versluierende term voor de geslachtsdelen uit voortgekomen. Wat gemeengoed is geworden in uitdrukkingen als ‘bedek je schaamte’ en in samenstellingen zoals schaamhaar en dergelijke.’

    Maar goed, terug naar Skischam. Kocina doelt daarmee op het soort schaamte dat skiërs voelen als ze denken ‘aan het klimaat, aan de sneeuwkanonnen en hun ecologische voetafdruk, aan de witte stroken van kunstmatige sneeuw in een landschap dat voor de rest voornamelijk groenbruin is’.

    Misschien, oppert hij, betreft Skischam ook nog wel de après-ski, die door corona nogal beladen is geworden? Niet per se een hele rare gedachte.

    Ischgl

    Het zijn zeker niet alleen milieuargumenten die worden ingebracht tegen wintersport. In Oostenrijk, een land dat erg gehecht is aan allerhande activiteiten gedurende de winter, heeft het imago rond skiën een forse knauw gekregen sinds het fiasco van Ischgl in 2020. Het Oostenrijkse resort was destijds een van de eerste grote besmettingshaarden van covid-19 in Europa.

    Sindsdien zijn er veel collectieve en individuele klachten ingediend tegen de autoriteiten van het land en is de reputatie van de steden in het hooggebergte aanzienlijk verslechterd.

    Mensen zeggen ‘We zijn in een chalet’ of ‘We zijn in de bergen’

    Daarom, zo betoogt Kocina in zijn column voor Die Presse, gebruiken Oostenrijkse vakantiegangers inmiddels wat vage of versluierende termen om te zeggen dat ze van wintersport houden of dat ze op wintersport zijn. Waaraan dat te merken is? Volgens Kocina blijkt het uit formuleringen in e-mails of via WhatsApp. Mensen zeggen ‘We zijn in een chalet’ of ‘We zijn in de bergen’, of ze sturen ‘Kusjes en liefs vanaf de berg’, volgens Kocina.

    De mogelijkheden tot versluierd formuleren zijn overvloedig. Misschien wordt er zelfs nog een beetje verlegen bij gegiecheld, denkt hij. ‘Natuurlijk weet je meteen wat er wordt bedoeld’, is zijn conclusie. ‘Het is allemaal een beetje omslachtig.’