Tag: Trump

  • Volksmenners zonder volk

    Volksmenners zonder volk

    De nieuwe wanorde, zo kenschetste Il Manifesto het ongekende karakter van de institutionele en politieke chaos die zich na de uitslag van de Italiaanse verkiezingen als een olievlek verspreidde. Maar die kop was meer dan een momentopname, en heeft met het aantreden van de regering-Conte zeker niet aan actualiteit ingeboet.

    De dubbele historische verwijzing – naar de fascistische Nieuwe Orde, maar ook naar Nieuwe Orde van de Italiaanse communist Antonio Gramsci [historisch gezien ontstond de Nieuwe Orde bij de linkerzijde, en stond ze voor een verlangen naar politieke structuurhervormingen] – heeft enerzijds betrekking op de verkiezingen afgelopen maart, die binnen het regeringscentrum tot een reeks zenuwcrisissen hebben geleid. Anderzijds verwijst zij ook naar het nieuwe karakter van de politieke macht. Wat in de honderd dagen van crisis na de aardverschuiving gaandeweg is samengesmolten tot zoiets als ‘de macht’, is wellicht meer dan een simpel provisorisch verbond. Misschien is het de kiem van een nieuwe metamorfose van het ‘populisme van het derde millennium’, waarover politicologen uit de halve wereld zich sinds Brexit en Trump het hoofd breken. Misschien is het zelfs een nieuwe genetische mutatie: door heterogene ‘populismen’ in éénzelfde mal te gieten, is Italië wellicht het laboratorium geworden van de wereldwijde democratische crisis.

    Vergissing

    Degenen die zich denigrerend uitlaten over de coalitie van Lega Nord en de Vijfsterrenbeweging en er etiketten op plakken als ‘roodbruine alliantie’ en ‘Grillo-fascistisch verbond’ – maken een vergissing. Die komt voort uit geestelijke luiheid en uit de weigering in te zien dat we te maken hebben met een ongekend politiek fenomeen, niet zozeer geworteld in de huidige politieke cultuur als wel in het uiteenvallen van de sociale orde. Anders zouden we moeten concluderen waarom de meerderheid van de Italianen – bijna zestig procent – plotseling ‘fascist’ is geworden. En zou het heel moeilijk te begrijpen zijn waarom het electoraat van de Lega zich zo gemakkelijk heeft neergelegd bij een verbintenis met de anarcho-libertarische volgelingen van Grillo – en vice versa.

    Misschien zou Benjamin Arditi ons een handje kunnen helpen, een briljante Latijns-Amerikaanse politicoloog die voor het populisme van het ‘derde millennium’ de metafoor van ‘de ongewenste gast’ heeft gebruikt: een heerschap dat tijdens een diner te veel drinkt, geen goede tafelmanieren in acht neemt, lomp is, te hard praat en hinderlijk probeert te flirten met de echtgenotes van de andere gasten. Hij is onaangenaam en ‘niet op zijn plek’, maar zou zich ook ‘een of andere waarheid over de liberale democratie’ kunnen laten ontvallen, ‘bijvoorbeeld dat die haar fundamentele ideaal heeft verwaarloosd: de volkssoevereiniteit’. Dat is de eerste karakteristieke eigenschap van het new populism: het vindt zijn oorsprong bij een deel van het electoraat heersende gevoel dat het is ingehaald door elders genomen besluiten en dat het de eigen democratische zeggenschap is kwijtgeraakt. En boosheid daarover vinden we terug in alle geledingen van de maatschappij, van rechts tot links.

    De tweede factor is de ‘ontbinding van alle volkeren’. Het mag paradoxaal lijken, maar in het zogeheten ‘ongebreideld populisme’ is het volk ver te zoeken. In de massa die op 4 maart naar de stembureaus ging, bevindt zich niet langer het ‘volk van links’, maar (nu de Lega van Salvini een nationale partij is geworden) ook niet het ‘Padaanse volk’ [uit de Po-vallei] evenmin als het ‘krijg-de-klere-volk’ (nu Vijf Sterren-voorman Di Maio de gedaante heeft aangenomen van een brave regeringsleider): het is een mengeling van alle drie. Ook zijn de sporen goed zichtbaar van de ‘Italiaanse populismen’: het telepopulisme van Berlusconi, daarna het cyberpopulisme van Grillo en tot slot en het populisme van de regering-Renzi. En die allemaal samen lijken nu naar één punt te vloeien: een grote smeltkroes op het vuur van een volk dat verder geen identiteit heeft.

    Het politieke fenomeen is niet geworteld in de huidige politieke cultuur maar in het uiteenvallen van de sociale orde

    Daarom meen ik dat we ons verre bevinden van de verschillende soorten fascisme en neofascisme uit de twintigste eeuw, die ten bate van de homogeniteit van Het Volk extreem op de gemeenschap waren gericht. En ook dat we inmiddels in een wereld leven die volstrekt anders is dan die waarin Gramsci in de eerste helft van de vorige eeuw de Nieuwe Orde bedacht, die de basis zou moeten vormen voor de langdurige hegemonie van links. Dat model van ‘orde’ was gericht op het werk van de arbeider als elementaire cel van de Nieuwe Staat, terwijl de huidige gangbare wereldvisie haar oorsprong vindt in het verdwijnen van het werk als maatschappelijke actor en in de opkomst van een model waarin de markt en het geld de regulerende principes zijn. Het is dan ook een ‘nieuwe wanorde’. Oftewel een hypothetische maatschappij die de wanorde (en de daarmee samengaande flagrante ongelijkheid) tot haar voornaamste stijlkenmerk maakt.

    De politieke macht die oprijst uit de chaos die de ‘neoliberale volwassenwording’ karakteriseert, zet zich niet af tegen dit model, maar plant het ‘anarcho-kapitalistische’ karakter ervan in het hart van de ‘nieuwe politici’. Die zullen nota nemen van het ongenoegen van het ‘buiten spel gezette’ volk, maar zullen het niet zijn autonomie teruggeven. Ze zullen blijven luisteren naar de door verval en marginalisering ingegeven angst van de mensen, maar zullen hun neergang op het hellende maatschappelijke vlak niet stoppen (en er ondertussen wel voor zorgen dat ze hun woede en frustratie afreageren op migranten, Roma en daklozen, volgens de beproefde techniek van de zondebok).

    Ze zullen vermoedelijk een meedogenloze strijd voeren tegen de huidige ‘oligarchieën’ (om vervolgens zelf hun plaats in te nemen), maar zullen niet morrelen aan de ‘fundamenten van het systeem’. Daarom zijn ze juist gevaarlijk: vanwege hun vermogen mee te gaan in onderbuikgevoelens die hun werk doen in de diepte, en tegelijkertijd te botsen met de basislogica’s die werkzaam zijn aan de oppervlakte.

    En precies daarom zou ik er persoonlijk niet al te zeer op rekenen dat hun nieuwe regering binnen afzienbare tijd zal bezwijken aan haar interne tegenstellingen. Of aan een conflict met Europa, want dat zal niet met een moedwillige en bewuste actie door hen ten grave zal worden gedragen. Europa doet in dat opzicht al genoeg zelf, met zijn hang naar zelfmoord.

    Als we de strijd met deze nieuwe populisten willen aangaan, moeten we ons erop voorbereiden dat we te maken hebben met een veelzijdige tegenstander die alleen kan worden bestreden door een krachtige politieke cultuur, die op haar beurt kans heeft gezien haar oorspronkelijke uitgangspunten los te laten en bereid is net zo radicaal te veranderen als datgene is veranderd waarmee we nu worden geconfronteerd. Want de aanstichters van de nieuwe wanorde zullen in elk geval zeker niet worden verslagen door de som aller mislukkingen: een illusoir ‘republikeins front’.

    Auteur: Marco Revelli
    Vertaler: Yond Boeke

    Beeld: De nieuwe Italiaanse premier Giuseppe Conte wordt toegejuicht in Rome, op 2 juni. – © HH

    Il Manifesto
    Italië | dagblad | oplage 90.000

    Gewaardeerd om zijn grafische vormgeving, stevig links georiënteerd, geëngageerd voer voor de Italiaanse intellectueel. Een instituut in Italië, toch wordt het blad vaak gehinderd door financiële tekorten. Publiceert een maandelijkse bijlage met politieke essays.

    CONTEXT: Compromisregering

    Na vallen en opstaan is er nu een compromisregering in Italië, die minder afschrikwekkend is dan de media hadden aangekondigd.

    Het programma van de nieuwe coalitie is een compromis. Het bevat veel voorstellen: over de regelgeving, de corruptie, de maffia, de strijd tegen fraude, het beperken van buitenlandse militaire missies, enzovoort. Ook zijn er hervormingen waarvan de financiële onderbouwing vaag is (het basisinkomen, het minimumloon en de herziening van de pensioenhervorming). En dan zijn er nog de slechte wetten, die onuitvoerbaar zijn of zelfs tegen de grondwet ingaan (zoals de ‘flat tax’ – één belastingtarief voor alle burgers), absurde maatregelen die passen in een politiestaat (tasers voor de ordediensten of de bevoegdheid om op dieven te schieten, ook als die niemand bedreigen) of bij een xenofobe overheid (crèches die alleen gratis zijn voor Italiaanse kinderen). Je kunt er van alles over zeggen, maar niet dat deze regering slechter is dan die van de afgelopen vijftien jaar. Er is zelfs voor het eerst sinds 1994 geen enkele minister bij die is beschuldigd van strafbare feiten of daarvoor is veroordeeld.

    Guiseppe Conte is dus leider geworden van een geheel populistisch kabinet, bestaande uit achttien ministers, onder wie vijf vrouwen. Maar volgens La Repubblica gaat de aandacht niet uit naar deze 53-jarige jurist die tot voor kort totaal onbekend was in Italië. De teugels van de macht zijn nu in handen van de leiders van de twee vicepremiers. Luigi Di Maio, 31 jaar, leider van de Vijfsterrenbeweging, wordt minister van de strategische post Arbeid, Sociale Zaken en Economische Ontwikkeling. Matteo Salvini, 45 jaar, wordt minister van Buitenlandse Zaken. De man, die omschreven wordt als ‘reactionair en ontvlambaar’, kondigde meteen aan dat hij het uitzetten van illegalen zal versnellen. Nog een opvallend figuur is Lorenzo Fontana, 38 jaar, die minister van Gezin en Gehandicapten wordt, en volgens de Italiaanse krant ‘zeer radicale opvattingen over onder andere abortus, vrouwenrechten, lgbt-rechten en asielzoekers heeft’. Het meest omstreden lid blijft de econoom Paolo Savona, 81 jaar, op Europese Zaken. Tegen de krant Libero zei hij: ‘Er is geen Europa, er is alleen Duitsland met een stel bangeriken eromheen.’

  • Aantekeningen van een extreem lang iemand

    Aantekeningen van een extreem lang iemand

    New York Times-journalist Nicholas Kulish is voor Amerikaanse begrippen uitzonderlijk lang. In een essay voor de website Topic beschrijft hij hoe dit zijn identiteit heeft gevormd.

    Ik was altijd een beetje huiverig voor Dick de Dwerg. In mijn favoriete bar in Hongkong, The Globe, noemde iedereen hem accountant Dick als hij in de buurt was, aangezien hij de boekhouding van de bar deed, maar hij had zijn hielen nog niet gelicht of we hadden het over Dick de Dwerg omdat hij klein was. Ik was huiverig voor Dick de Dwerg omdat ik, op mijn tweeëntwintigste, net mijn volwassen lengte had bereikt: iets meer dan twee meter. Ik ging ervan uit dat hij dat pijnlijk zou vinden. Dus toen hij op de barkruk naast me kwam zitten, me van top tot teen opnam en zei: ‘Lijkt me lastig, zo lang zijn,’ dacht ik dat hij me in de maling nam. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik aarzelend. ‘Je kunt geen schoenen vinden. Je kunt geen broek vinden. Vliegen moet een nachtmerrie zijn.’ ‘Klopt,’ beaamde ik enigszins op mijn hoede. ‘Maar wat weet jij daarvan?’ ‘Ik probeer mijn problemen altijd van de andere kant te bekijken,’ lichtte hij toe. ‘De wereld is gemaakt voor mensen van gemiddelde lengte.’

    Dit gesprek vond zo’n twintig jaar geleden plaats en terugkijkend begrijp ik wel dat Dick zo aardig tegen me was. In zijn ogen was ik jong en klunzig en zat 
ik niet lekker in mijn vel. Terwijl hij zelfvertrouwen uitstraalde. Hij vertelde verhalen over zijn leven als straatartiest, over de tijd dat hij zijn geld had verdiend als clown. ‘Je kent het wel, een beetje jongleren, wat grappen en grollen,’ zoals hij het zelf formuleerde. Hij was inmiddels getrouwd en had een goede baan als accountant. Ik geneerde me voortdurend voor mijn ellebogen, mijn knieën en mijn grote voeten die alle kanten uit staken. Ik stootte geregeld mijn hoofd tegen een lage deurpost. Ik was anders 
en de mensen in Hongkong zagen er geen been in me daar voortdurend op te wijzen. In het voorbijgaan maakten ze sprongen om de bovenkant van mijn hoofd aan te raken, of ze liepen achter me aan, met hun handen in de lucht, tot grote hilariteit van hun vrienden. De vrouwen op de groentemarkt naast mijn huis wezen soms alleen maar naar me en begonnen dan te lachen. Ik geloof niet dat ik in die periode erg gelukkig was. Ik herinner me dat ik een keer een kort verhaal schreef voor mijn vrienden, waarin ik uit een raam sprong maar met mijn enorme voeten bleef haken achter een vlaggenstok, die mijn val brak voordat ik te pletter zou slaan. Mijn lichaam 
en mijn identiteit waren nog niet versmolten. Ter 
verdediging kan ik aanvoeren dat ik geen vrienden 
of familieleden had die ook zo lang waren. Daarnaast was het ook nog eens mogelijk dat ik nog niet was uitgegroeid.

    Ideale lengte

    De gemiddelde Amerikaanse man is net iets langer dan één meter vijfenzeventig. Voor vrouwen is de norm net iets onder de één meter tweeënzestig. De grafiek van de verschillende lengtes ingedeeld naar alle staten van Amerika (gebaseerd op het National Health and Nutrition Examination Survey, een onderzoek uitgevoerd in 2007 en 2008) stopt zo’n vijf centimeter voordat ik aan de beurt ben. Een lengte van één meter achtennegentig is een afrondingsfout, die in de meeste leeftijdscategorieën nog geen tiende van een procent bedraagt.

    Gevraagd naar het aandeel van de bevolking dat langer is dan twee meter, laat een woordvoerder van het National Center for Health Statistics weten: ‘Onze statistici beschikken niet over de middelen om die gegevens te achterhalen.’ Over het algemeen wordt het als indrukwekkend en imponerend gezien wanneer iemand langer is dan gemiddeld. Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat iemand die langer is dan gemiddeld meer kan verdienen en zelfs meer kans heeft om een hoge leeftijd te bereiken. Ik loop zonder enig probleem ’s nachts door onbekende steden en word zelden lastiggevallen, er worden hooguit wat opmerkingen gemaakt over mijn lengte. Maar uit veel van die studies blijkt ook dat voor mannen de voordelen van hun lengte in de hogere regionen weer afnemen: vanaf één meter negentig neemt de kans op een langer leven weer af, de kansen op een hoger salaris keren bij één meter achtennegentig. Ik heb al die lengtes gehad en ik 
kan het weten: voor een man is één meter negentig de ideale lengte. Met elke centimeter extra neemt je aantrekkelijkheid af en schuif je op richting rariteit, om te eindigen als een spreekwoordelijke kermisattractie. Anders dan bij veel zeer lange mensen, begon ik pas op latere leeftijd te groeien. Als kind was ik al lang voor mijn leeftijd maar op de middelbare school bleef ik een paar jaar steken. Mijn klasgenoten haalden me in en ik legde me erbij neer dat ik één meter tachtig zou worden, met opmerkelijk grote voeten, schoenmaat 49. Ik was een boekenwurm 
en ik werd gepest door groepjes oudere jongens op school en in de buurt. Niet geheel onterecht, want 
ik had een grote bek en ik wist niet goed waar de grenzen lagen. Ik stopte met basketballen, hoe leuk ik dat ook vond, omdat de coaches wilden dat ik point-guard zou worden in het team van de eerstejaars, terwijl ik tot dan toe alleen center had gespeeld. Mijn laatste schooljaar schoot ik pas echt de hoogte in en in mijn eerste studiejaar was ik één meter negentig. Al was ik voor mijn gevoel nog dezelfde die ik altijd was geweest, mijn omgeving reageerde anders op me. Het is lastig precies vast te stellen maar ik had het gevoel dat ik door mijn lengte meer succes had bij de meisjes en dat ik in zijn algemeenheid iets meer aanzien genoot in de klas. Mijn vrienden vielen me nog wel altijd in de rede, namen me nog steeds in de maling en behandelden me net als alle anderen, maar toch was er een geleidelijke verschuiving merkbaar.

    Ik kan me nog levendig een studentenfeestje herinneren, de bedompte lucht van vele vaten goedkoop bier, de schemerige ruimte slechts verlicht door kerstlampjes. Een medestudent liep expres tegen een kleine, nerdy vriend van mij op, telkens wanneer die zijn wegwerkbekertje kwam vullen. Ik ging naar die student toe, keek hem indringend aan – om niet te zeggen vernietigend – en liep met hem mee naar de achterdeur, waardoor hij vertrok. Ik had een pestkop geïntimideerd en het was opwindend en tegelijkertijd angstaanjagend, intimideren bleek net zo eng als geïntimideerd worden. Vervolgens boezemde ik ook onbedoeld een paar mensen angst in, zowel vrouwen als mannen, werd een paar keer voor monster uitgemaakt, werd aangezien voor Lurch uit The Addams Family en voor Lennie uit Of Mice and Men, die, als mijn geheugen me niet bedriegt, per ongeluk een vrouw wurgde, waarna zijn vriend van normale lengte hem een kogel door het hoofd schoot, als daad van barmhartigheid. En ik bleef maar groeien, ik werd langer dan wie ook in mijn familie, zowel van vaders- als van moederskant. Mijn moeder ging met me naar een endocrinoloog. Er werd bloed afgenomen en een echo gemaakt om te kijken of ik leed aan gigantisme, of aan het syndroom van Marfan, of een andere afwijking die zou kunnen verklaren waarom ik niet was opgehouden met groeien. Ik werd op alles negatief getest, maar tegen de tijd dat ik naar Hongkong ging voor mijn eerste baan, de zomer na mijn afstuderen, was het nog altijd de vraag of ik ooit zou stoppen met groeien, of ik geheel buiten de lengtestatistieken zou komen te vallen. Als je me vraagt wat ik destijds voor iemand was, dan zou ik zeggen: een lezer en een schrijver, de zoon van een immigrant, een fervent reiziger, misschien ook nog wel iemand die te veel praatte. Maar mijn lichaam kwam altijd op de eerste plaats en pas daarna volgde mijn persoonlijkheid, wat ik vanbinnen voor iemand was. Mijn lengte was een gegeven waarmee ik me niet identificeerde, het was een extern gegeven, iets wat ik domweg had meegekregen, iets wat ik pas gaandeweg leerde internaliseren. Misschien geldt dat wel altijd, als het om identiteit gaat. Maar het overkwam mij zo laat in mijn leven dat ik het me scherp bewust was.

    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty
    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty

    Vorig jaar kwam op zeker moment het nieuws naar buiten dat het toenmalige hoofd van de FBI, James Comey, die net als ik meer dan twee meter is, zich tijdens een bijeenkomst in januari 2017 achter de gordijnen van het Witte Huis had proberen te verstoppen zodat de president hem niet in het oog zou krijgen. Dit beeld van die reusachtige man die als een enorme kameleon probeert op te gaan in de plooien van de gordijnen was dermate krankzinnig, om niet te zeggen lachwekkend, dat het even iets van lucht gaf aan een land dat op de rand van een constitutionele crisis verkeerde. Maar zelf kon ik me er van alles bij voorstellen. Lange mensen proberen altijd zoveel mogelijk op te gaan in hun omgeving, we proberen 
te voorkomen dat anderen in het theater over onze enorme voeten struikelen, dat onze ellebogen op de dansvloer in iemands gezicht slaan. Een groot deel van onze tijd gaat heen met pogingen onszelf zo klein mogelijk te maken, om niet al zeer in het oog te lopen, hoewel dat haast onvermijdelijk is. Op internet gaat een meme rond van een lange man die een nieuwsgierige onbekende een visitekaartje overhandigt. ‘Ja, ik ben lang,’ staat erop te lezen. De verdere tekst is net even anders in de verschillende versies die de ronde doen. In het ene filmpje staat er: ‘Scherp gezien.’ En dan volgt er een lengte, ‘twee meter’ in het ene geval, ‘twee meter tien’ in het andere geval, gevolgd door ‘serieus, ja,’ bij de eerste lengte, en ‘Nee hoor, geintje,’ bij de tweede. Er volgen meer antwoorden op vragen die niet zijn gesteld, een soort Jeopardy, maar dan eenrichtingsverkeer. ‘Nee, ik ben geen basketballer. En ja, het is heerlijk weer, hierboven.’ De memes die ik heb gezien eindigden allemaal met een variatie op ‘Fijn dat we er even over hebben kunnen praten’. De grap van de meme zit erin dat we die vragen zo vaak hebben gepareerd dat we alle varianten kennen, elke mogelijke wending van het gesprek. Ik krijg ze geregeld opgestuurd, alsof de grap voor mij is bedoeld, terwijl hij eigenlijk juist is bedoeld voor de anderen. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik een dergelijk gesprekje voer. Meestal zijn het vragen: ‘Hoe lang ben je?’ of ‘Speel je basketbal?’ Daarnaast zijn er mensen die hun hart bij me willen uitstorten. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb ontmoet voelen de noodzaak om me te vertellen wie er binnen hun familie het langst is. Met name vrouwen vertellen graag over hun vader, hun man of hun broer, over de langste man met wie ze ooit iets hebben gehad of over hun langste collega. Vervelender zijn de discussies, wanneer bijvoorbeeld iemand me op straat staande houdt, vraagt hoe lang ik ben en vervolgens zegt dat ik het mis heb, dat ik volgens hem net even langer ben, of net even kleiner.

    In de kroeg komen de mannen van één meter negentig altijd op me af met de woorden: ‘Hé, meestal ben ik de langste.’ Het heeft iets agressiefs en tegelijkertijd iets zeurderigs, en het gebeurt ongelooflijk vaak. Tijdens het debacle van Comeys ontslag wees ik er geregeld op dat Comey meer dan twee meter was 
en dat Trump beweert één meter negentig te zijn.

    De gesprekken over lengte zijn te prefereren boven de ontmoetingen met mensen die me opnemen alsof ze amateur-antropoloog zijn: ze houden hun handen op, steken hun voeten uit, gaan met hun rug tegen mijn rug staan. Soms gaat het er echter nog grover aan toe. ‘Hoe doen jullie het?’ is me wel eens gevraagd terwijl ik met een kleinere vriendin in een kroeg stond. Maar goed, het komt natuurlijk wel vaker voor dat een of andere griezel dat soort intieme vragen stelt. Meestal zijn de vragen goedmoedig van aard. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Glimlach. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Grijns. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Prima. Het houdt domweg niet op. ‘Ik probeer mezelf keer op keer voor te houden dat deze mensen gewoon contact proberen te maken en dat dit nu eenmaal de woorden zijn die van hun lippen rollen,’ aldus de schrijfster Arianne Cohen, die één meter negentig is. In 2009 bracht ze The Tall Book uit, een gedegen verslag van de voordelen die het heeft om heel lang te zijn, en van de uitdagingen die ermee gepaard gaan. ‘De afgelopen tien jaar zijn mannen tot het inzicht gekomen dat het niet altijd gepast is om het uiterlijk van vrouwen te becommentariëren in termen van al dan niet aantrekkelijk, maar opmerkingen over iemands lengte lijken nog wel door de beugel te kunnen.’ Online dating en dating-apps hebben het liefdesleven van lange mensen makkelijker gemaakt, aldus Cohen, en dat geldt zeker voor lange vrouwen die op zoek zijn naar een man die even lang is, of langer.

    Aanvankelijk had Cohen haar ware lengte in haar profiel vermeld, waarop ze werd bedolven onder reacties van mannen ‘met een lengtefetisj, mannen die wilden weten hoeveel ik weeg en wat voor schoenmaat ik heb.’ Ze stelde het bij naar één meter tachtig en de berichtenstroom droogde op. Cohen deed er weer een schepje bovenop: één meter vijfentachtig. Ze krijgt nog wel eens een reactie van een of andere creep, maar daar kan ze 
wel mee leven. Want al zijn die constante vragen over basketballen nog zo irritant, het is wel duidelijk een verbetering. Als we Cohen mogen geloven denken de meeste mensen tegenwoordig dat uitzonderlijk lange mensen miljoenen binnenhalen als profbasketballer, terwijl vroeger werd gedacht dat we in het circus werkten, of bij een freakshow. Dat zou je een vooruitgang kunnen noemen.

    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH
    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH

    Wij, lange mensen, begeven ons in het openbare leven en krijgen ongekend veel aandacht, maar toch blijven we een mysterie. Waarom lopen we haast verend en duikend door de metrostellen in New York City, als in een merkwaardige dans? Voeren we een show op, om daarna met de pet rond te gaan? Nee, we willen gewoon ons hoofd niet stoten tegen de metalen rails waar anderen houvast bij zoeken. Bij ons dreunen ze tegen onze slaap of ons achterhoofd, als we niet oppassen. In de metrotunnels maken wij ons vermoedelijk het meeste zorgen om de roestige schroeven die uit het plafond steken en die onze schedel openhalen als we niet uitkijken. Realiseer je dat wij op regenachtige dagen extra moeten uitkijken voor de punten van jullie paraplu’s, die als wrede klauwen in onze zachte delen steken: onze ogen en oren. En in tegenstelling tot mensen van gemiddelde lengte weten wij hoe het zit met plafondventilatoren: het zijn geen helikopterbladen. Als je je hand erin steekt, loop je misschien een bult of een bloeduitstorting op, maar ze zijn niet zo gevaarlijk als je zou denken. Toch sympathiek dat je zo met ons meeleeft! Soms zijn we spionnen in jullie midden. Als jullie ons thuis uitnodigen, weten wij hoe de bovenkant van jullie koelkast eruitziet. (Die moet je nodig schoonmaken. Het is alweer een hele tijd geleden. Geloof me.) Zodra het feestje goed op gang komt, kunnen wij jullie nauwelijks meer verstaan omdat het gesprek zich zo’n dertig centimeter onder ons afspeelt en het lastig is om voortdurend voorovergebogen te staan, met gedraaid bovenlijf. Vind je dat we een rare houding hebben? Dan doen we vermoedelijk de bekkenkanteling, een extreme versie van de contraposto van Michelangelo’s David, om een paar centimeter lager te komen. We zijn ook heel handig. Het spreekt waarschijnlijk voor zich dat jullie bij een concert aan ons vragen of wij even een foto van de artiest kunnen maken, of van jullie zelf, aangezien een foto vanuit een hoger camerastandpunt flatteuzer is. Ik moet altijd grinniken als vrienden op een drukbezocht festival niet besluiten om op een bepaalde tijd bij een bepaald markeringspunt af te spreken, maar gewoon zeggen: ‘Oké, om drie uur bij Nick.’ In een menigte kun je het beste achter ons aan lopen. Wij zien de open plekken, wij zien waar de ruimte ontstaat, wij zien waar de rij voor de wc en de rij voor de drankjes samenkomen en er een menselijke opstopping ontstaat.

    Bij een rij mensen doet zich een van de merkwaardigste fenomenen voor die ik associeer met lengte. Zodra er iemand voordringt zie ik hoofden draaien, zie ik vragende blikken. Pas na enige tijd dringt tot me door dat de meeste mensen naar mij kijken, in een onbewust besluit om mij te belasten met de 
verantwoordelijkheid, en de mensen blijven me aanstaren totdat ik voldoende moed heb verzameld om te roepen: ‘Hé, de rij begint daar, hoor.’ Ik weet niet waarom het zo is, maar in anonieme situaties, waar mensen enkel op het uiterlijk kunnen afgaan, krijgen we stilzwijgend een soort autoriteit toegedicht. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb gesproken vragen me om zware dingen te verplaatsen of iets van een hoge plank te pakken, alsof ik een soort buurtkruiwagen of -ladder ben. Zelf ben ik dan nog het liefst de buurtladder omdat ik dan iets voor anderen kan doen, maar als kruiwagen ben ik niet 
zo geschikt omdat ik, zoals veel lange mensen, last van mijn rug heb. Dit is niet objectief vastgesteld, maar ik heb het idee dat mensen mij ook vaker de weg vragen. Misschien roep ik associaties op met 
een wegwijzer. Als verslaggever die is gespecialiseerd 
in buitenlandprojecten heb ik me neergelegd bij een leven in kleine hotelkamers en krappe vliegtuigstoelen. Ik heb nauw contact met de ergonoom van mijn werk, Tom. Toen ik hem achttien jaar geleden ontmoette, in mijn vorige baan, noemde hij me een ‘onafwendbare computergerelateerde ramp’. Hij legde bakstenen onder de poten van mijn werktafel. Zijn hulpmiddelen zijn inmiddels een stuk geavanceerder, zoals een mechanisch bediende zit-statafel en een reusachtige, op maat gemaakte stoel die door tenminste een van mijn collega’s is vergeleken met de IJzeren Troon van Westeros [uit de tv-serie Game 
of Thrones]. (Hij is bijna net zo groot maar helaas met een kussen van schuim in plaats van omgesmolten metalen zwaarden.) Hoewel veel New Yorkers zich verheugen in de anonimiteit die de stad biedt, bevind ik me in een veel interactievere stad. Als je wilt weten wie dé blanke basketballer van dit moment is, moet je samen met mij door Brooklyn lopen. Kreten als ‘Yo, Nowitzki!’ zijn de opmaat geweest voor nog veel zangerige hommages 
aan de nieuwe, Litouwse forward van de Knicks: 
‘Porzingis!’ Plaats een uitzonderlijk lang iemand in het centrum van de grootsteedse anonimiteit en hij wordt bedolven onder aandacht, zegt Rosemarie Garland-Thomson, hoogleraar lichaamstudies aan Emory University, in het boek van Cohen. ‘Zet zo iemand in een kleinere plaats en op de een of andere manier trekt hij minder bekijks. Er zijn enkele reuzen geweest die min of meer ongehinderd in een klein plaatsje hebben gewoond.’

    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki
    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki

    In januari ben ik van Hudson in New York, door glibberige sneeuwbui, naar Massachusetts gereden, op zoek naar Asa Palmer, de jongste van drie broers die allemaal net zo lang zijn als ik, of zelfs langer. Toen we klein waren, woonden Palmer en ik bij elkaar om de hoek, in Arlington, Virginia. Hun gezin was beroemd, de lange ouders met de drie superlange zoons die basketbalden. Toen ik tijdens de kerst tegen mijn moeder zei dat ik in het nieuwe jaar een afspraak had met Asa, haalden mijn moeder en zus herinneringen op aan de drie jongens, waarbij ze het vooral veel hadden over de middelste broer, Crawford, de All-American topsporter, drie decennia na zijn avonturen in Arlington. Asa Palmer en ik hadden op amateurniveau gespeeld. Hij begon als center voor het Optimist-basketbalteam, en ik probeerde hem te dekken voor mijn Kiwanis Club, wat steeds moeilijker werd omdat mijn groei tijdelijk tot stilstand kwam terwijl hij gewoon verder 
de hoogte in schoot. Uiteindelijk verhuisden de Palmers en verloor ik ze uit het oog, maar mijn nieuwsgierigheid dreef me er nu toe de besneeuwde wegen van New England te trotseren tijdens de snijdende winterkoude, op zoek naar de jongste zoon van het gezin. Palmer bleek boomchirurg te zijn geworden. Hij had grote, sterke handen en zijn dikke, donkere baard zat vol grijs, de eerste vorst van de middelbare leeftijd diende zich aan. Net op het moment dat ik hem bezocht was hij aan huis gekluisterd vanwege een gebroken enkel. Een deken van januarisneeuw lag over de Berkshire Hills, waar zijn huis staat; ingeklemd tussen een moeras en een begraafplaats. Tegen de lente zal hij weer in boomstronken moeten klauteren, met behulp van een elf millimeter dik nylonkoord – tenzij de boom gekapt moet worden, dan kan hij naar boven klauteren met behulp van speciale schoenen met ijzers, omdat hij zich dan geen zorgen hoeft te maken over de beschadigingen die hij veroorzaakt in de bast en de stam. Palmer en ik dronken Sierra Nevada-bier, we aten kaas en we bekeken foto’s van zijn dochtertje van vier. We lachten om de kwinkslagen die hij had bedacht om de gesprekken over zijn lengte af te kappen. Wanneer iemand vraagt hoe lang hij is, zegt Palmer: ‘Ligt aan de luchtvochtigheid’ of: ‘Ligt eraan hoe laat het is.’ We knikten instemmend, we herkenden van alles, zoals het feit dat we ’s nachts op straat met een boogje om vrouwen heen lopen omdat het overduidelijk is dat ze ons doodeng vinden, alsof het monster van Frankenstein weer tot leven is gekomen. Hij vroeg of ik ook zo verschrikkelijk veel moeite had om schoenen en broeken te kopen in deze wereld van one-size-fits-all, en hij informeerde naar het littekenweefsel boven op mijn hoofd. We deelden ons leed over het voeteneinde van veel bedden, om nog maar te zwijgen van vliegtuigstoelen. We hadden het erover dat we niet meer in de achtbaan durfden, als de dood dat de veiligheidsbeugel niet goed sluit en dat we in een bocht of tijdens een loop uit het stoeltje geslingerd worden. (Veel achtbanen werken met een maximumlengte: wie langer is dan één meter vijfennegentig mag bij Six Flags niet in de Mind Eraser en boven de twee meter mag je niet in de Batwing Coaster. Ik heb ooit in Guatemala een tokkelbaan gedaan en kwam met een bloederige streep bij mijn slaap beneden aan; ik was te lang en de kabel brandde in mijn huid terwijl ik naar beneden scheerde. Palmer herinnerde zich de vervreemding van zijn lichaam dat maar langer en langer werd, wist nog precies hoe het voelde om in de brugklas ‘een tandenstoker te zijn met voeten die uit het niets de lengte in schoten.’ Hij herinnerde zich dat hij in zijn jeugd de verwarmingen hoorde trillen wanneer zijn vader, die één meter achtennegentig was, in de kelder met het wasgoed bezig was en zijn hoofd stootte tegen de leidingen. Ook herinnerde hij zich de gesmoorde kreten van pijn. (Palmer deed het voor me na – de kreet van een vliegend reptiel uit de prehistorie.) Hij moest lachen bij de herinnering. Palmer lachte veel om de beproevingen van lange mensen en het zal niemand verbazen dat hij een diepe, resonerende lach heeft. Zo haalde hij herinneringen op aan de keer dat hij op zijn negentiende met een vriendin naar het Foxboro Stadium ging, voor een optreden van Elton John en Billy Joel. Er kwam steeds iemand van het stadium zijn kant op, en die scheen dan met een zaklamp in Palmers ogen. Hij had geen idee wat hij verkeerd deed totdat iemand riep: ‘Ga toch zitten, man!’ En dan was er nog de familievakantie naar Peru met zijn vader, die Latijns-Amerikaanse politiek doceerde. Daar zag hij hoe de plaatselijke bevolking keurig in de rij ging staan om een voor een op de foto te gaan met Walter, zijn oudste broer – enkel en alleen omdat Walter langer was dan twee meter tien.

    Walter deed precies wat iedereen denkt dat lange mensen doen: hij speelde in de NBA, een tijdje bij de Utah Jazz en de Dallas Mavericks. De middelste zoon van de Crawfords, die twee meter vijf is, sprong er al op de middelbare school uit en ging bij de Duke Blue Devils spelen. Hij zou later het Franse kampioenschap binnenhalen als een professionele, internationale speler. Ook won hij met zijn team zilver op de Olympische Spelen van 2000 in Sydney. Palmer heeft zich, anders dan ik, nooit geschaamd voor zijn lengte. Hij heeft geen idee waarom of wanneer zijn familie de hoogte in is geschoten – ze komen niet uit Zuid-Soedan of de Balkan, zoals mijn familie, het 
is gewoon een echt blank, Amerikaans allegaartje – maar naast de één meter achtennegentig van zijn vader, was zijn moeder ook al één meter zevenentachtig. ‘Ik herinner me dat ze het er een hele tijd geleden over hadden, met mijn broer, geloof ik, en zij hadden iets van: “Het is juist iets om trots op te zijn. Je moet je rug recht houden.”’ Palmer zei ook tegen me: ‘Als je over de twee meter tien bent, dan kijkt echt iedereen naar je. Walt trekt zich daar helemaal niets van aan. Bij een concert gaat hij gewoon vooraan staan omdat hij het allemaal al eens heeft meegemaakt.

    Zelfs bij mij werkt het zo, ik vind hem ook lang. Maar ik vind het heerlijk om omhoog te kijken wanneer ik met iemand praat. Dat gebeurt me echt zelden.’ Tijdens ons gesprek rende zijn dochtertje door het huis, een en al energie, nu al lang voor haar leeftijd. Ik herhaalde het grapje dat ik vaker maak, dat als ik ooit kinderen krijg, mijn dochter één meter vijfennegentig wordt en mijn zoon één meter vijfenzestig en dat ze me allebei zullen verafschuwen. Maar bij Palmer thuis speelde dat helemaal niet. ‘In deze familie zie je dan bijvoorbeeld zijn nichtjes van één meter negentig en één meter drieënnegentig, prachtige lange vrouwen die zich op geen enkele manier druk maken om hun lengte,’ zei Asa’s vrouw Wenonah. Zelf is ze één meter zeventig, net iets langer dan gemiddeld maar ruim binnen de gebruikelijke marges. ‘Het is een wonder, het is fantastisch, en ik ben er enorm blij om.’ In mijn familie is niemand zo lang als ik. Als je afwijkt, heb je mensen in je omgeving nodig die dat begrijpen, die de problemen zien maar die er ook om kunnen lachen. Zo’n voorbeeld heb ik nooit gehad, ik heb nooit een Walter gehad om me duidelijk te maken dat ‘lange mensen heel normaal zijn en dat iedereen het prima vindt en dat er echt niets raars aan is,’ zoals Asa zei. ‘Het is iets om trots op te zijn,’ hielp hij me herinneren.

    Auteur: Nicholas Kulish
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Anna Peisl / Getty Images

    Topic
    Verenigde Staten | topic.com

    In 2017 opgerichte foto-, video- en 
verhalensite van First Look Media, het mediabedrijf van journalist Glenn Greenwald en documentairemaker Laura Poitras. 
De verhalen op topic.com gaan altijd 
over één thema, dat maandelijks wisselt.

  • Israëls reputatie ligt aan scherven

    Israëls reputatie ligt aan scherven

    Met de protserige opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem en het geweld in Gaza, heeft het land nog meer goodwill verspeeld, aldus Haaretz.

    Het op 14 mei op alle televisieschermen ter wereld getoonde contrast tussen de Israëlische feestelijkheden in Jeruzalem en de Palestijnse slachtoffers in Gaza, was het begin van Dickens onvergankelijke roman A Tale of Two Cities waardig: ‘Het waren de beste en de slechtste tijden, […] een periode van hoop en wanhoop.’

    Of je nu het meeste geloof hecht aan de Palestijnse lezing van uitgehongerde massa’s die demonstreren voor hun waardigheid en door soldaten worden neergemaaid, of aan de Israëlische versie die rept van cynische en criminele exploitatie van levens door Hamas – het lijdt geen twijfel dat de tientallen dode en honderden gewonde Palestijnen aan de grens van Gaza een smet hebben geworpen op het protserige vertoon van de Israëlische premier Benjamin Netanyahu en de Amerikaanse president Donald Trump.

    Hoe hoger het aantal slachtoffers die dag – die de bloedigste was sinds 
Operatie ‘Protective Edge’ in 2014 –, des te groter werden de arrogantie, de onthechting en het totale gebrek aan mededogen van de hoogwaardigheidsbekleders op de plek van de nieuwe Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. En des te cynischer en grotesker de bewering dat de verplaatsing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem de vrede dichterbij brengt.

    De Israëlische premier Netanyahu en zijn vrouw Sara met Ivanka Trump en Jared Kushner bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. – © Israel Press Office / Handout
    De Israëlische premier Netanyahu en zijn vrouw Sara met Ivanka Trump en Jared Kushner bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Jeruzalem. – © Israel Press Office / Handout

    Netanyahu en zijn collega’s hebben voor eens en altijd aangetoond dat zij de internationale publieke opinie minachten. Israël kent slechts één vorst: Donald Trump. En dat is nogal een vorst. De deelname aan de ceremonie in Jeruzalem van antisemitische predikanten als John Hagee en Robert Jeffress onderstreepte de verandering die de betrekkingen tussen Israël en de VS hebben ondergaan: niet langer dragen die het karakter van een politieke alliantie, er is nu sprake van een messianistisch verbond. Hagee beschreef Adolf Hitler ooit als Gods eigen jager, Jeffress verwees onbekeerde Joden naar de hel. Wat Netanyahu hier allemaal mee opschiet? Het gaat om de combinatie van de gestoorde utopie van evangelische fundamentalisten met 
de gemeenschappelijke haat jegens de islam en de ongeremde steun aan het project van religieus-nationalistische kolonisten.

    Deze ommekeer in de Israëlisch-Amerikaanse betrekkingen is niet zonder gevolgen gebleven. Enerzijds was daar de afwezigheid van Amerikaanse Democratische Congresleden, terwijl Democraten en Republikeinen op het gebied van Israël tot voor kort een verenigd front vormden. Anderzijds dient opgemerkt dat leden van de Israëlische oppositie acte de présence gaven. Niet uit overtuiging, maar omwille van de publieke opinie. Uitzondering was Tamar Zandberg, voorzitter van de partij Meretz, die het uitstekende idee had om thuis te blijven. Hoewel oprecht links en oprecht pacifistisch, is zij niet principieel tegen de verhuizing van de ambassade, maar wenste zij part noch deel te hebben aan de nationalistisch-messianistische orgie die door de Amerikaanse ambassadeur David Friedman was georkestreerd.

    Kloof met de diaspora

    Voor de meeste Amerikaanse Joden, 
en dan vooral degenen die nog belang hechten aan het bestaan en het overleven van Israël, was deze ceremonie niets minder dan een klap in het gezicht. De aanwezigheid van de predikanten Hagee en Jeffress wekte al hun walging, en de politieke vuurwerkshow ter ere van Donald Trump heeft de kloof tussen Israël en de grootste gemeenschap in de Joodse diaspora alleen maar verder verdiept. De Amerikaanse progressieven, of ze nu wel of niet Joods zijn, hebben ondertussen niet meer bewijs nodig dat het zowel vanuit ethisch als strategisch oogpunt noodzakelijk is om afstand te nemen van het Israël van Netanyahu, want 
dat is een Israël dat steeds meer naar rechts opschuift, dat zich hysterisch gedraagt en toegeeft aan de persoonsverheerlijking van een Amerikaanse president die de vleesgeworden bedreiging is van vrijheid en rechtvaardigheid in alle democratieën.

    Daar zit Netanyahu voorlopig niet 
mee. Op de golven van een Israëlische publieke opinie die hem gunstig gezind is, rijgt de premier de successen aaneen: van Trumps beslissing om uit het nucleaire akkoord met Iran te stappen tot de Amerikaanse erkenning van Jeruzalem als hoofdstad van de Joodse staat, tot de overwinning van zangeres Netta Barzilai op het Eurovisie Songfestival. Zijn bondgenootschap met Trump blijft hem voordeel opleveren. 
Is de laatste niet tot ‘Vorst van het Mededogen’ uitverkoren door de Sefardische opperrabbijn Yitzhak Yosef, die zwarten onlangs vergeleek met apen?

    De reputatie van Israel ligt aan scherven. En wel voor langere tijd. Wanneer een zeer modern, met alle toeters en bellen uitgerust leger een menigte aanvalt die slechts gewapend is met stenen en vliegers, dan is een pr-ramp onvermijdelijk. Geen enkel theaterstukje kan de doden en gewonden wegwissen.

    Als katalysator van de herdenking van de Nakba [de Palestijnse nederlaag in 1948], kon Hamas zich niets beters wensen dan de ambassadeceremonie en de onvermijdelijke woede-uitbarsting van de Palestijnen. Voor langere tijd zal de internationale publieke opinie niets anders zien dan een strijd tussen sterk en zwak, tussen bezetters en zij die worden bezet, tussen de onzindelijke hoop van een harteloze staat (Israël) en wanhoop.

    Ach, naar de hel met de rampzalige en voorspelbare gevolgen van die ambassadeverhuizing! De ultieme hoop op vrede is voor lange tijd gesmoord en het uitbreken van een Derde Intifada heeft nog nooit zo dichtbij geleken. Laten we gewoon doorgaan tot het 
te laat is! Wat telt is dat de Israëliërs schaamteloos hun fortuin tentoonspreiden, in de hoop dat de Palestijnen kopje-onder gaan in moedeloosheid en neerslachtigheid. Geduld zal ons leren of deze ‘historische dag’ van 14 mei vol ongeluk en bloed de voorbode was van een ‘lente van hoop’, of – wat meer voor de hand ligt – van een winter van wanhoop, een seizoen en een stemming die wij zo goed delen met andere volkeren in het Midden-Oosten.

    Auteur: Chemi Shalev
    Vertaler: Carl Stellweg

  • Amerikaans drugsgebruik explodeert, maar geweld neemt af

    Amerikaans drugsgebruik explodeert, maar geweld neemt af

    Volgens president Trump leidt de huidige drugsexplosie in Amerika tot een ‘bloedbad’. Maar uit recente cijfers blijkt dat het verband tussen illegale verdovende middelen en geweld in de VS helemaal niet zo duidelijk is.

    Het gebruik van illegale verdovende middelen in de Verenigde Staten varieert met de jaren, maar volgens velen – onder wie de president – is het drugsgebruik in het land nog nooit zo groot geweest.

    Methamfetamine- en heroïnevangsten aan de Mexicaanse grens hebben een hoogtepunt bereikt. Het cocaïnegebruik neemt weer hand over hand toe. De opioïde-epidemie heeft tot meer dan 60.000 sterfgevallen door overdoses per jaar geleid, een record.

    ‘Vroeger hadden we de “Age of Aquarius”, waarin het drugsgebruik volgens iedereen de pan uitrees,’ zei president Trump afgelopen januari, verwijzend naar de tegencultuur uit de jaren zestig. ‘Dat was niks 
vergeleken bij wat er nu gebeurt.’

    Minister van Justitie Jeff Sessions bereed diezelfde maand tijdens een toespraak in Pittsburgh twee van zijn stokpaardjes: geweldsmisdrijven en de opioïde-epidemie. Hij heeft strengere wetgeving ingevoerd, die officieren van justitie dwingt het geweld met alle beschikbare middelen in te perken. En eind vorig jaar maakte hij bekend dat iedereen die illegaal fentanyl – een krachtige synthetische opioïde – bezit of het middel importeert, distribueert of produceert, gerechtelijke vervolging tegemoet kan zien.

    De president en zijn minister van Justitie zeggen dat de drugsexplosie in Amerika tot een ‘bloedbad’ leidt, maar uit recente cijfers blijkt dat het verband tussen illegale verdovende middelen en geweld in de VS helemaal niet zo duidelijk is.

    Grote steden lijken veiliger

    In Atlanta, Houston, Los Angeles en andere centra voor drugshandel is het dodental vorig jaar gedaald. Grote Amerikaanse steden lijken veiliger te worden, ook al worden ze overspoeld door drugs.

    Nergens is deze trend duidelijker dan in New York City. In 2016 telde de stad bijna 1400 sterfgevallen door overdoses heroïne en fentanyl, een record. Maar vorig jaar meldde de politie slechts 290 sterfgevallen, het laagste aantal sinds 1951 en een daling van 87 procent ten opzichte van 1990, toen er 2245 doden vielen.

    De kans om in New York City om te komen als gevolg van drugs is ongeveer even groot als in Montana of Wyoming, zelfs in een tijd dat drugsvangsten tot recordhoogte stijgen.

    In Los Angeles, het grootste heroïne-, cocaïne- en fentanylcentrum aan de Westkust, daalde het aantal levensdelicten in 2017 met 6 procent; in Los Angeles County met 20 procent. Ook in Houston, Washington en zelfs Chicago, waar het geweld een jaar geleden zo erg was dat Trump de FBI dreigde te sturen, daalde het aantal levensdelicten vorig jaar met dubbele cijfers.

    Deze cijfers lijken te duiden op een wijdvertakte, duurzame ontkoppeling tussen het aantal levensdelicten en de illegale drugshandel in veel Amerikaanse steden, een trend die in tegenspraak is met de gangbare verhalen over de oorsprong van stedelijk geweld.

    screenshot 2018 05 31 11 14 58

    Criminologen zien veel mogelijke oorzaken, maar één daarvan speelt misschien wel de belangrijkste rol in de afname van het aantal drugsdoden: smartphones.

    Zoals de mobiele technologie de gebruikelijke handel heeft veranderd, heeft ze ook een revolutie ontketend op de illegale markten door de drugshandel voorspelbaarder en minder dodelijk te maken. gps-navigatie, versleutelde communicatie en messaging-apps hebben de noodzaak voor drugsdealers om fysieke controle over stedelijke gebieden uit te oefenen en die desnoods met dodelijk geweld te verdedigen enorm verkleind, zeggen deskundigen.

    ‘De technologie voor de kleinhandel in drugs is radicaal veranderd, vooral de afgelopen tien jaar,’ zegt Mark Kleiman, criminoloog bij New York University. ‘Er staan geen mensen meer op straathoeken. Nu vinden de transacties plaats via de mobiele telefoon, wat de betrokkenen veel minder kwetsbaar maakt.’ Bovendien is het voor de politie, veel moeilijker om in te grijpen, voegt Kleiman eraan toe.

    Er zijn veel Amerikaanse steden waar de drugshandel nog grotendeels via de traditionele kanalen verloopt, waaronder Baltimore, waar vorig jaar een recordaantal van 343 doden viel. De drugshandel in de openlucht blijft een aanjager van geweld in St. Louis, 
New Orleans en andere steden waar het aantal levensdelicten is opgelopen. Maar dat businessmodel is niet overal meer dominant, en zeker niet in steden met grote aantallen drugsgebruikers uit de hogere middenklasse die het zich kunnen permitteren hun spul via hun iPhone te bestellen in plaats van naar uiterst misdadige buurten te rijden.

    ‘Toen ik in 1998 bij de narcoticabrigade kwam, reed je naar een appartementencomplex waar je de drugs door je raampje kreeg aangereikt’

    In Houston, waar het moordcijfer in 2017 met 11 
procent daalde, heeft de narcoticabrigade geleerd 
de online-handel in de gaten te houden, zoals op 
de handelssite EC21. Als je op die site naar ‘fentanyl’ zoekt komen er geen hits. Maar als je het als ‘fentanyll’ spelt, krijg je een fotootje van wit poeder te zien met een telefoonnummer en e-mailadres, mogelijk van een handelaar in China.

    ‘Toen ik in 1998 bij de narcoticabrigade kwam, reed je naar een appartementencomplex waar je de drugs door je raampje kreeg aangereikt,’ zegt inspecteur Stephen Casko van de narcoticabrigade in Houston. ‘Nu kun je je drugs gewoon via e-mail bestellen en hoef je geen dealer te zien.’

    Postinspecteurs op John F. Kennedy International Airport in New York hebben vorig jaar bijna tachtig fentanylzendingen onderschept, drie keer zoveel als in 2016. FBI-agenten in Atlanta arresteerden afgelopen zomer zestien postmedewerkers op verdenking van het aannemen van steekpenningen om zendingen van een kilo cocaïne af te leveren met hun bestelbusje.

    Sanho Tree, verbonden aan de afdeling Drugsdecriminalisering van het Institute for Policy Studies in Washington, zegt dat er geen ‘organisch verband’ bestaat tussen drugs en geweld. ‘Maar er is wel een verband tussen illegale drugshandel en geweld,’ zegt hij.

    In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw verliep het dealen betrekkelijk geweldloos, zegt Tree. ‘Gewoonlijk was er een dealer met een rugzak die van deur tot deur ging om bestellingen af te leveren.’

    Dat veranderde met de invoering van minimumstraffen, zegt hij, toen straatdealers lange gevangenisstraffen riskeerden. ‘Daardoor werd het te gevaarlijk om met een rugzak vol drugs rond te lopen, wat aanleiding was om minderjarigen in te schakelen 
bij de drugshandel in de openlucht – als uitkijkpost, runner enzovoort – die niet dezelfde strenge straffen riskeerden.’

    screenshot 2018 05 31 11 15 07

    Het domineren en verdedigen van de fysieke ruimte was onmisbaar voor grote winsten. ‘Daarom werden straathoeken zo waardevol,’ zegt Tree.

    Geweldsmisdrijven in de Verenigde Staten – met name moord – bereikten een hoogtepunt in de jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw, toen steden werden bedolven onder de crack. Maar toen het cocaïne- en heroïnegebruik afnam, daalde ook het aantal levensdelicten. Vandaag de dag is het aantal levensdelicten in Amerika per hoofd van de bevolking ongeveer de helft van dat in 1985. Criminologen schrijven de daling toe aan een reeks van factoren, waaronder beter politietoezicht, meer kansen op werk en mogelijk zelfs verminderde blootstelling aan lood.

    Na het bereikten van een historisch laagtepunt in 2014 namen de moordcijfers in Amerikaanse steden in 2015 en 2016 abrupt toe. Deskundigen merken op dat ondanks deze stijging het aantal geweldsmisdrijven veel lager is dan een kwart eeuw geleden, maar de plotselinge opleving was voor de regering-Trump reden om de wetshandhaving te intensiveren. ‘De geweldsmisdrijven rijzen de pan uit als nooit tevoren,’ verklaarde Sessions, en hij beloofde daartegen op te treden met strengere gevangenisstraffen, harde maatregelen tegen illegale immigratie en het verstrekken van meer militair materieel aan politiebureaus.

    Landelijk steeg het aantal levensdelicten in de eerste zes maanden van 2017 met 1,5 procent ten opzichte van diezelfde periode in 2016, terwijl het totale aantal geweldsmisdrijven – waaronder verkrachting, beroving en ernstige mishandeling – lichtelijk daalde, zo blijkt uit cijfers die de FBI afgelopen januari heeft vrijgegeven. In het zuiden en middenwesten steeg het aantal levensdelicten. In het noordoosten daalde het sterk, en in geringe mate ook in het westen.

    In een artikel in USA Today voerde Sessions de nieuwe gegevens aan als bewijs van het snelle succes van de regering. ‘Toen president Trump werd ingehuldigd, deed hij het Amerikaanse volk een belofte: “Dit Amerikaanse bloedbad stopt hier en nu,”’ schreef Sessions, citerend uit Trumps inaugurele toespraak. ‘En die belofte heeft hij gehouden.’ Maar in veel Amerikaanse steden is het geweld maar in beperkte mate teruggekomen. In sommige steden met de hoogste uitschieters, zoals Chicago en Washington, blijft het aantal levensdelicten teruglopen.

    Amerikaanse douanebeambten checken vrachtwagens op de grens tussen Mexico en de VS bij San Diego. 
– © David Maung / Getty Images
    Amerikaanse douanebeambten checken vrachtwagens op de grens tussen Mexico en de VS bij San Diego. 
– © David Maung / Getty Images

    De psychotische effecten van narcotica kunnen daarbij ook een rol spelen, zeggen criminologen. Waar een crackroes vaak gepaard gaat met een golf van manische energie en extreem zelfvertrouwen, brengen opioïden de gebruikers tot rust zodat ze misschien minder geneigd zijn tot gewelddadig gedrag.

    Anders dan de crack-epidemie van de jaren tachtig, die vooral arme zwarte Amerikanen trof, trekt de opioïdecrisis zich niets aan van geografische of sociale scheidslijnen. ‘Veel huidige verslaafden behoren tot de hogere middenklasse en wonen niet in buurten die worden geteisterd door geweld,’ zegt Volkan Topalli, hoogleraar Strafrecht aan Georgia State 
University.

    ‘In de buurten waar zij wonen bestaat geen hoog geweldsniveau,’ zegt hij, ‘en zijn de distributienetwerken niet primair in handen van grote bendes.’

    Richard Rosenfeld, criminoloog bij de University 
of Missouri-St. Louis, zegt dat de opioïdecrisis sinds 2014 de belangrijkste reden lijkt voor het gestegen aantal levensdelicten onder blanke Amerikanen. Maar hij zegt dat de stijging waarschijnlijk nog veel sterker zou zijn ‘als de straathandel nog even wijdverbreid was als vijfentwintig jaar geleden’.

    Mexicaanse drugskartels

    Er lijkt nog een factor te zijn in het nieuwe tijdperk van de Amerikaanse drugshandel die het dalende moordcijfer kan verklaren: een doelbewuste poging van Mexicaanse drugskartels om het gebruik van geweld aan de Amerikaanse kant van de grens tot een minimum te beperken.

    Dezelfde smokkelorganisaties die het moordcijfer 
in Mexico tot ongekende hoogte hebben opgejaagd gaan in de Verenigde Staten volgens een andere logica te werk, net als de grote bedrijven die profiteren van de economische voordelen van het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord NAFTA.

    De verschillende geweldsniveaus langs de grens tussen de VS en Mexico onderschrijven dit patroon. Steden als El Paso en San Diego hebben de laagste moordcijfers in de Verenigde Staten, ook al liggen 
ze recht tegenover Ciudad Juárez en Tijuana, twee van de moordzuchtigste plekken van Mexico.

    Het ontbreken van een ‘overloopeffect’ wordt in elk geval ten dele toegeschreven aan een gedisciplineerde bedrijfsstrategie die erop gericht is zo min mogelijk aandacht te trekken van de Amerikaanse rechtshandhavingsinstanties, zegt Sam Quinones, auteur van Dreamland: The True Tale of America’s Opiate Epidemic.

    Anders dan de Colombiaanse kartels, wier pogingen om de drugsmarkt in Miami, New York en andere Amerikaanse steden over te nemen een generatie geleden tot een vloedgolf van moorden leidden, schuwt het merendeel van de moderne Mexicaanse handelaren het gebruik van geweld aan Amerikaanse kant.

    ‘Ze hebben een scherp oog voor het enorme verschil tussen het strafrecht in Mexico en dat in de Verenigde Staten,’ zegt hij. Uit vrees voor een lange straf in een strenge Amerikaanse gevangenis vechten de gangsters hun geschillen met rivalen liever in Mexico uit, waar minder dan 5 procent van de misdrijven tot een veroordeling leidt. In zijn boek beschrijft Quinones een groep Mexicaanse heroïnedealers in Denver en omgeving, de ‘Xalisco Boys’, wier koeriers de drugs in ballonnetjes afleverden. Ze hielden die ballonnetjes in hun mond en hadden flesjes water bij zich om ze door te slikken als ze werden aangehouden door de politie.

    De heroïnedealers bleven zelden lang in één Amerikaanse stad en reden vaak op hun motorfiets op en neer naar Mexico. Ze trokken zich zo weinig aan van hun straatreputatie dat ze ook aan klanten verkochten die hen hadden bestolen of bedrogen, waarbij ze het verlies eerder als een bedrijfsrisico beschouwden dan als een persoonlijke belediging die gewroken moest worden. Ze meden gebieden met veel misdaad en waren ongewapend.

    ‘Veel van die kerels waren verlegen boerenjongens,’ zegt Quinones. ‘Ze waren geïntimideerd door de VS en beslist niet geïnteresseerd in een bloedige onderlinge oorlog.’

    En als de dealers zich bedreigd voelden door politiemensen of concurrerende handelaren verplaatsten ze hun mobiele heroïnehandel gewoon naar een andere Amerikaanse stad. Ze vonden geweld het risico niet waard, zegt Quinones, ‘en de markt in 
de VS was groot genoeg voor iedereen’.

    Grootschalige Mexicaanse handelaren lijken op dezelfde manier te opereren. Toen narcotica-agenten in New York vorig jaar een inval deden in een appartement in Queens en 63 kilo pure fentanyl aantroffen, arresteerden ze een echtpaar van middelbare leeftijd dat een paar weken eerder uit Mexico was gekomen.

    Het was de grootste fentanylvangst in de Amerikaanse geschiedenis, met een waarde van tientallen miljoenen dollars. Maar het echtpaar had niet eens een wapen.

    Auteur: Nick Miroff
    Vertaler: Peter Bergsma

    Met een bijdrage van Mark Berman en Sari Horwitz.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 359.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). 
Een van de invloedrijkste kranten ter wereld. Eigendom van Amazon-baas Jeff Bezos.

  • Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Het ideologische vacuüm biedt een kans

    Identiteitspolitiek, waarin het draait om gender en etniciteit in plaats van engagement en solidariteit, ondermijnt de notie van een algemeen en publiek belang, volgens hoogleraar politicologie Mark Lilla.

    Vlak nadat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten was verkozen, verscheen er een opiniestuk van politicoloog en filosoof Mark Lilla in The New York Times, met als titel: ‘Het einde van het identiteitsliberalisme’. Als het 
liberalisme weer een factor van belang wil worden ‘moeten we zorgen dat er een eind komt aan het tijdperk van het identiteitsliberalisme’, schreef Lilla. 
De obsessie met identiteit heeft volgens hem een ‘generatie narcistische liberalen en progressievelingen voortgebracht die geen weet hebben van 
de omstandigheden buiten hun zelf-gedefinieerde groep. Lilla’s stuk was het meest gelezen opiniestuk uit de Times dat jaar.

    Voorvechters van identiteitspolitiek mogen dan dol zijn op diversiteit binnen identiteit, maar ze kunnen maar weinig geduld opbrengen met diversiteit van meningen. De heersende moraal van dit moment probeerde Lilla de mond te snoeren met een kwalijke golf van woede, die al snel uitmondde in extreme bewoordingen, waarbij woorden vielen als ‘racist’. Dat was ook de term die enkele demonstranten naar het hoofd geslingerd kregen toen ze zich roerden bij een 
bijeenkomst aan Rutgers University, 
in New Jersey, waar Lilla zou spreken. Ik hield hem gezelschap. Ons uitstapje had een nostalgisch tintje: Op precies die plek hadden we elkaar vijftien jaar eerder leren kennen.

    Gevaren

    Lilla neemt een unieke positie in binnen de Amerikaanse intellectuele elite van dit moment. Zijn collega’s wisten niet altijd goed waar hij precies voor stond. Hij heeft het hun ook niet bepaald makkelijk gemaakt. Met zijn essays in The New York Review of Books ontpopte de hoogleraar zich als een afstandelijke Europese intellectueel 
die door een wrange speling van het lot was aangespoeld op de stranden van de Nieuwe Wereld, waar hij moest zien te overleven in het harde, helle licht van een cultuur zonder echt diepe wortels.

    In Amerika is het altijd ochtend [uit de campagne van Ronald Reagan] en dat is precies het probleem: de ochtend werpt schaduwen, grijstinten en 
kleurschakeringen, en wie die niet ziet realiseert zich wellicht niet welke gevaren er loeren achter allerlei filosofische sluiers. Lilla vond het nou juist interessant om die gevaren onder de loep te nemen, gevaren waar het 
Amerikaanse optimisme nauwelijks weerstand voor heeft gekweekt. Lilla heeft natuurlijk nooit beweerd dat hij geen Amerikaan zou zijn. Maar niets in zijn werk, de toon noch de inhoud, 
verraadt dat de schrijver afkomstig is uit een arbeidersmilieu. Een katholiek gezin in Detroit, met Poolse wortels. Mark heeft ooit gezegd – slechts half grappend, als je het mij vraagt – dat 
al zijn artikelen in de prestigieuze New York Times kunnen worden samengevat in drie woorden: Beteugel het enthousiasme. Amerikanen hebben er een handje van zich te laten meeslepen door intellectuele tendensen uit Europa, en Lilla zoekt naar de balans door er traditie, context en eruditie tegenover te zetten. Zowel in zijn essays als in zijn boeken neemt hij niet alleen een breed scala aan filosofische, literaire en culturele controverses 
bij de kop, maar ook verschillende 
politieke kwesties, waarbij hij kijkt naar verschillende intellectuele kringen: Duitse existentialisten, Franse post-structuralisten, flamboyante 
Russische bannelingen, gematigde Engelse liberalen, mystieke Joodse 
theologen, namen uit de Verlichting en de contra-Verlichting.

    Toen ik destijds zonder afspraak voor de werkkamer van professor Lilla aan NYU stond, verwachtte ik een gereserveerde, gedistingeerde man te ontmoeten. Ik zat in het laatste jaar van mijn studie Amerikaanse geschiedenis en wilde een wel heel cynisch essay van hem vertalen: ‘The Politics of Jacques Derrida’. Die eerste ontmoeting met Mark kon niet geheel en al het beeld wegnemen dat ik me had gevormd 
op grond van zijn artikelen. Hij had een rond brilletje, een beetje interbellum-achtig, en een ernstige blik. In zijn kleine werkkamer, die uitpuilde van de boeken, stond een degelijke archiefkast met allemaal laatjes. Hij deed geen moeite om me meteen heel hartelijk tegemoet te komen – sterker nog, binnen de Amerikaanse context kwam zijn houding op mij over als vrij afwerend. Tot mijn verbazing vroeg hij 
me om er een kort stuk over te schrijven voor een publicatie, Correspondence getiteld, die hij samenstelde voor de Council on Foreign Relations.

    Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement

    Later voerden we nog enkele gesprekken over politiek die me geen van alle voorbereidden op het moment dat hij plotseling het Amerikaanse protocol liet varen. Hij belde me op om te zeggen dat hij ging scheiden. Of ik met hem mee wilde naar IKEA om spullen te kopen voor zijn nieuwe appartement. Dat was zo on-Amerikaans dat ik me ineens heel erg, nou ja, heel erg Israëlisch voelde. Binnen de individualistische, protestantse cultuur van de Verenigde Staten, zeker in de noordelijke staten, gaapt er een grote afstand tussen individuen, is er een duidelijke norm dat je voor jezelf zorgt, en is 
privacy een groot goed. Precies om 
deze redenen halen Israëli’s die naar Amerika verhuizen aanvankelijk 
opgelucht adem, om na enige tijd met heimwee terug te denken aan Israël.

    Zo kwam het dat we uren liepen te sjouwen met alle onderdelen van de Billy-boekenkasten – een eindeloze hoeveelheid van die zware spaanplaat planken – die naar Marks nieuwe appartement moesten, in de Stuyvesant-buurt in Manhattan, ten oosten van First Avenue. Vervolgens waren 
we nog veel langer in de weer om die kasten in elkaar te zetten. We hadden ruim de tijd om te praten, over van alles en nog wat, van het persoonlijke tot het politieke.

    Mark Lilla is niet de enige die ziet hoeveel schade de identiteitspolitiek heeft aangericht. Er zijn nog meer vooraanstaande mensen die dit signaleren, 
en Bernie Sanders is daar een van. Voor hem is en blijft de kwestie geworteld 
in klassenverschillen. Jazeker. Ook hier geldt: ‘It’s the economy, stupid.’ Dat 
is wat veel van de hardwerkende 
Amerikanen vooral bezighoudt. En veel van die mensen hebben uiteindelijk 
op Trump gestemd.

    Dat de Democratische Partij geen brede visie heeft die mensen verenigt, dat de partij zich heeft ‘vastgebeten’ in identiteitspolitiek, blijkt duidelijk als 
je naar hun website kijkt, zegt Lilla. 
Er is geen boodschap van eenheid, er is juist sprake van balkanisering. Dat is het effect van identiteitspolitiek – het staat de vorming van coalities in de weg. Op de website van de partij staan zeventien verschillende boodschappen voor zeventien verschillende identiteitsgroepen. Klik op de groep waartoe je behoort en je krijgt de boodschap te zien die is toegesneden op jou en je vrienden. Maar ‘de mensen in Amerika die het spel van identiteitspolitiek spelen, moeten goed uitkijken dat er niemand buiten de boot valt,’ zegt Lilla. Natuurlijk blijven in een dergelijke opsomming van groepen (en in de hele identiteitspolitiek) ontelbare mensen en hele categorieën Amerikanen buiten beschouwing. De enorme aantallen gelovigen in dit land, om maar iets te noemen, of de arbeiders. En je hoeft natuurlijk geen wit-nationalistische racist te zijn om je af te vragen of de Democratische Partij blanken niet ook iets te bieden zou moeten hebben.

    Mark Lila
    Mark Lila

    Volgens Lilla schuilt de oplossing er echter niet in om ‘witten’ of ‘doopsgezinden’ aan de lijst van groepen toe te voegen. Nee, de oplossing schuilt erin om los te komen van de obsessie met verschil en op zoek te gaan naar een visie die bindt.

    De vorige keer dat Amerika een dergelijke bindende visie heeft gekend, was die afkomstig van de rechtervleugel. 
De kracht van die visie is tanende, zoals de opkomst van Trump duidelijk heeft gemaakt. Wat doorging voor de ‘visie’ van de Republikeinen bleek een wankel staketsel dat vrijwel geruisloos in elkaar is gezakt. Zoals Lilla het ziet 
is Trump niet alleen een oorzaak, maar ook een symptoom. Trump is een 
destructieve kracht die niet tot iets constructiefs in staat is. Hij biedt een pastiche van een visie, geen echte visie. Er gaat geen enkele inhoud schuil achter zijn loze slogan ‘Make America Great Again’.

    De implicatie is dat er nu sprake is van een ideologisch vacuüm. En dat biedt een kans, denkt Lilla. Liberalen kunnen in dat gat springen, maar dan moeten ze twee dingen doen. Om te beginnen moeten ze met een visie komen die verenigt, niet met een visie die verdeelt. Ze moeten terug naar de basis 
en leren om ‘wij’ te zeggen, zoals de ‘wij, het volk’ uit de grondwet – ‘wij’ in de alomvattende zin, een ‘wij’ waar alle burgers zich onder kunnen scharen. Ten tweede moeten ze afstand doen van de politiek van protesten en 
activistische bewegingen, en terug-
keren naar de politiek van partijen en instellingen.

    Volgens Lilla is identiteitspolitiek een knieval van links voor het conceptuele universum van rechts. ‘Identiteits-politiek is niets nieuws, zeker niet bij rechts Amerika,’ schrijft hij in zijn boek. Een lange geschiedenis van denken in verschillen, gebaseerd op identiteit, is natuurlijk ook de grondslag geweest van slavernij en rassenscheiding. ‘Wat verbijsterend was aan de Reagan Dispensation was de opkomst van een linkse variant die 
de facto uitgroeide tot de geloofsovertuiging van twee generaties linkse intellectuelen.’ Dat is geen historisch toeval. Want de fascinatie, en later 
de obsessie, met identiteit, bracht de 
uitgangspunten van het reaganisme niet structureel in het nauw.’ Ondanks de nadruk op groepen is identiteits-
politiek een verruiming, en geen 
vernauwing, van de sterk individualistische tendens.

    Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig

    Dat is een belangrijke constatering, aangezien identiteitspolitiek iets 
misleidends heeft. Het lijkt of er wordt gehamerd op ‘wij’ in plaats van ‘ik’, maar in feite is het kloppende hart van de identiteitspolitiek een verregaand individualisme. Dat is ook de reden 
dat er binnen elke groep subgroepen ontstaan, of dat er individuen opstaan die, bijvoorbeeld, zeggen dat het 
feminisme in de praktijk exclusief wit is, of exclusief hetero, of dat het zwarte feminisme nog altijd lesbische vrouwen buitensluit, of dat het lesbische feminisme geen ruimte biedt aan 
Hispanics of dikke vrouwen. Of dat 
de letters LGBT in feite queers buitensluiten, evenals aseksuelen en een schijnbaar eindeloos aantal anderen, die allemaal het gevoel hebben dat geen van die letters voldoende nauwkeurig van toepassing is op hun unieke situatie. Want onder dit alles schuilt het principiële verbod om ‘mij’ om wat voor manier dan ook van buitenaf te definiëren. Elke poging om te kijken naar wat twee individuen bindt is daarmee een ontkenning van hun 
volstrekt unieke zelfdefinitie.

    Daaruit volgt dat er binnen deze 
kringen geen stabiele coalities zijn, of kunnen worden gevormd. Het duurt nooit lang of men verwijt elkaar over en weer onderdrukkend bezig te zijn.

    Terwijl overal om hem heen de jaren zestig losbarstten, zat Mark Lilla in de brugklas van een school in Detroit. Hij maakte deel uit van een groepje katholieke Jezusfreaks, liep rond in 
een T-shirt met opdruk ‘Eigendom van Jezus’ en droeg een groot leren kruis om zijn nek. Hij zong gospelnummers en begeleidde zichzelf op de gitaar. 
Hij voerde verhitte discussies met 
zijn klasgenoten en wilde hun het 
religieuze licht laten zien.

    Naarmate Lilla ouder werd, doofde het religieuze vuur. Hij ging studeren aan Wayne State University. Hij beschouwt zichzelf als links, in de ouderwetse zin van het woord. Hij sloot zich aan bij een groep die een radicaal-economische politiek bepleitte. Vervolgens ging hij naar de University of Michigan en haalde daar zijn bachelor, waarna hij doorging naar Harvard.

    Om van Wayne State op Harvard te komen is geen makkelijke opgave voor een jongen met arme ouders. In de 
Verenigde Staten bepaalt de middelbare school waarop je hebt gezeten gewoonlijk op welke vervolgopleiding je wordt toegelaten. En dat is dan weer bepalend voor je financiële toekomst. Maar Mark Lilla was niet zomaar iemand. Hij had drie bijbaantjes en 
kon zodoende zijn studie bekostigen aan de University of Michigan, waar hij omging met de hogere middenklasse. Hij reed op een vuilniswagen. Hij was magazijnmeester. Hij gaf gitaarles. 
En hij sliep heel weinig.

    Het is niet meer dan logisch dat de jonge Lilla moeite had met het feit 
dat allerlei ‘gebronsde middenklasse studenten’ hem uitlegden hoe het leven van de arbeidersklasse in elkaar stak. Ook zinde het hem niet te moeten aanhoren hoe docenten, die zeiden te spreken uit naam van de lagere klassen, ‘zich minachtend uitlieten over de feitelijke overtuigingen en meningen van de echte arbeiders’. Hij kende die mensen tenslotte als geen ander. Zijn vader had aan de lopende band gestaan in een autofabriek in Detroit, en was opgeklommen tot tekenaar. Zijn moeder was verpleegster.

    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP
    Een politieagent op de uitkijk tijdens een demonstratie tegen de ingetrokken wet die transgenders de mogelijkheid bood een genderneutraal toilet te bezoeken. – © Gerry Broome / AP

    Zo werd Mark in de richting gedreven van de neoconservatieven, die zich in zijn ogen ‘veel volwassener’ toonden. Zij droegen geen utopische idealen 
uit, maar bepleitten realistische, 
concrete verbeteringen, gebaseerd op het besef dat er grenzen zijn aan wat 
er via de overheid kan worden bereikt. Ze waren, zo dacht hij destijds, ‘de 
vijanden van de vijanden van de 
arbeidersklasse.’ Dat was ‘voordat de neo-cons in het Reagantijdperk 
veranderden van intellectuelen in apparatsjiks.’

    Hij las hun publicaties en later, toen hij dankzij zijn studieresultaten een plek op Harvard had weten te bemachtigen, schreef hij er ook zelf stukken voor. Met een masterdiploma overheids-beleid van de John F. Kennedy School 
of Government op zak, werd hij aangesteld als redacteur bij The Public Interest. Later keerde hij terug naar Harvard om zijn doctoraal te halen in overheidsbeleid. Hij studeerde af bij de socioloog Daniel Bell. Bell zei dat er drie goede redenen waren om de academische wereld te verkiezen boven de journalistiek: juni, juli en augustus.

    Tijdens zijn lezing aan Rutgers sprak Lilla de hoop uit de verkiezing van Trump niet alleen zou leiden tot een visie die mensen verenigt, maar ook dat de vrijgekomen energie in institutionele politiek zal worden gestoken. ‘In Amerika,’ zei hij tegen de studenten, ‘is er maar één manier om de zwakkeren in bescherming te nemen, en dat is zorgen dat je politieke macht hebt. Institutionele macht. In alle lagen van de federale overheid.’

    En wat hebben de pleitbezorgers van identiteitspolitiek ons te bieden? Geen strijd om de politieke macht, maar een politiek van protestbewegingen. Geen solidariteit, maar de bekrompenheid van steeds kleinere groepen die zich terugtrekken in hun eigen hol. Een steeds sterkere gerichtheid op steeds meer verschillen. En dat gebeurt hier, op de universiteiten, waar het makkelijk is. Op een andere plek heeft Lilla ooit gezegd dat hij bereid is de reis-kosten te vergoeden van iedereen die bereid is ‘daarheen’ te gaan – naar de rode staten, om te bouwen aan een politieke machtsfactor waar de 
Democraten echt iets mee kunnen.

    Ontmanteling van coalities

    Het lijkt of Lilla gelijk heeft wanneer hij dit alles bestempelt als apolitiek. En misschien is hij nog niet streng genoeg wanneer hij zegt dat de middelen van dergelijke groepen niet hun doel dienen. Want de identiteitspolitiek-massa’s dienen vooral de belangen van de elite binnen hun groep. Een toch al geprivilegieerde lesbienne aannemen als presentatrice van het avondjournaal is, uiteindelijk, lang niet zo moeilijk als iets doen aan de problemen van de scholen in de binnensteden van 
Baltimore. Ook de mensen van Black Lives Matter houden zich uiteindelijk niet bezig met de sociale problematiek. Zij houden zich bezig met schuldgevoelens, en ze weten hoe ze die moeten aanwakkeren bij mensen die toch al aan hun kant staan. En zoals met alle vormen van politiek correct gedrag repareren ze de spiegel, maar niet 
het gezicht. En vervolgens verhult de spiegel de problemen van het gezicht. De prijs die daarvoor wordt betaald is, hoe kan het ook anders, de ontmanteling van coalities.

    Op landelijk niveau is de verschuiving naar identiteitspolitiek ten koste gegaan van de New Deal-coalitie van minderheden, met name de alliantie tussen Joden en zwarten. Het is mis-gegaan in 1966, met de opkomst van 
de linkse versie van identiteitspolitiek, onder haar eerste naam: Black Power. In datzelfde jaar kwam Stokely Carmichael aan het hoofd te staan van de SNCC, de zwarte studentenvereniging. Hij gooide ogenblikkelijk alle witten eruit. De meesten van hen waren Joods. Veel anderen binnen de burgerrechtenbeweging omarmden een 
paradigma dat we tegenwoordig postkoloniaal zouden noemen, en ze zeiden dat het zionisme ‘racistisch’ was. Tot groot verdriet van progressieve Joden werd de kloof dieper en dieper.

    De tendens om allianties te verbreken is geen betreurenswaardig neveneffect van identiteitspolitiek. Het is het wezen van identiteitspolitiek. Wie daar nog niet van is overtuigd, hoeft zich alleen maar te verdiepen in de verhitte discussies van een jaar geleden over Dana Schutz’ schilderij van Emmett Till, dat in het Whitney Museum hing. Schutz had een schilderij gemaakt 
van Till, die in de zomer van 1955 in Mississippi is gelyncht. Het was 
overduidelijk een blijk van medeleven met de slachtoffers van de zwarte gelijkheidsstrijd. Maar ineens eiste de zwarte kunstenares Hannah Black dat het schilderij zou worden verwijderd. Een witte kunstenares heeft het recht niet om zich het zwarte lijden toe te eigenen teneinde zichzelf te promoten, aldus Hannah Black.
    Het gedachtegoed van Mark Lilla zou een voorbode kunnen zijn van een nieuwe realiteitszin onder de Amerikaanse intelligentsia, na een halve eeuw van narcisme. Hij zou ook een roepende in de woestijn kunnen blijven. Misschien moeten er nog vele jaren overheen gaan voordat het postmoderne verval dat knaagt aan de wortels van de academische wereld, een halt wordt toegeroepen en er een begin kan worden gemaakt met de wederopbouw. Ondertussen is er weinig waaruit we hoop kunnen putten. Het overgrote 
deel van de hoogopgeleide Amerikanen 
verkettert Trump en zijn aanhang, maar lijkt zich nauwelijks af te vragen op welke manier zij zelf hebben bijgedragen aan de ondergang van hun eigen partij. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat ze open zullen staan voor de introspectie die Lilla voorstaat.

    Terwijl ik aan dit stuk werk, stuurt Mark een groep vrienden een screenshot van Nick Cave’s Instagram-account. Cave ziet eruit alsof hij net een tukje heeft gedaan op zijn stoel in de tourbus. The Once and Future Liberal ligt opengeslagen op zijn borst. Dat is wat hij onderweg leest. ‘Vrienden,’ schreef Mark, 
‘ik mag de academische wereld dan zijn kwijtgeraakt, de king of artrock staat achter me.’

    Auteur: Gadi Taub
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    ‘Sign of the Times: The struggle for Identity’.
    Stadsschouwburg, 2 juni, 20.30

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 
1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • 1. De claim op het ‘echte volk’

    1. De claim op het ‘echte volk’

    De Duitse professor Jan Werner-Müller wil het populisme precies omschrijven, zonder ‘vage anti-establishment sentimenten’. Sleutel in zijn analyse is de pretentie van populisten dat zij het ‘echte’ volk vertegenwoordigen. Ze geloven in regeren bij meerderheid, maar niet in verscheidenheid.

    Tegenwoordig lijkt de diepere betekenis van alle verkiezingen in Europa (en misschien zelfs in de wereld) zich tot één enkele 
vraag te beperken: heeft het populisme gewonnen of verloren? Tot de Nederlandse verkiezingen van maart 2017 werd het publieke debat gedomineerd door het beeld van een onstuitbare golf – of tsunami, zoals Nigel Farage het noemde – van populisme. En vooral na de grote zeges van Macron hoor je nu vaak dat we misschien al in het ‘post-populistische tijdperk’ zijn beland. 
Die diagnoses zijn allebei fout en verdienen het etiket dat het populisme zelf vaak krijgt opgeplakt: simplistisch.

    Bij het beeld van een onhoudbare golf gaat men er klakkeloos van uit dat zowel de Brexit als het presidentschap van Trump een triomf voor het populisme betekende. En natuurlijk, Farage en Trump zijn populisten, al zijn ze 
dat niet omdat ze, zoals het cliché wil, ‘afgeven op de elite’. Niet iedereen met kritiek op de elite is automatisch een populist. Een kritische houding tegenover de elite kun je net zo goed opvatten als teken van democratische betrokkenheid van de burger. Populisten in de oppositie hebben allicht kritiek op de regering. Maar belangrijker is dat ze ook beweren dat zij en zij alleen opkomen voor wat populisten vaak ‘echte mensen’ of ‘de zwijgende meerderheid’ noemen.

    Daarmee zeggen ze eigenlijk dat alle andere partijen in wezen geen recht van spreken hebben. Het gaat 
de populisten nooit om een verschil 
van mening over het beleid of zelfs over normen en waarden, het soort meningsverschil dat in een democratie natuurlijk heel normaal is (en in het beste geval ook productief). Nee, populisten spelen in ieder politiek conflict meteen op de man en maken er een morele kwestie van: de anderen zijn volgens hen simpelweg ‘slecht’ en 
‘corrupt’. Die spannen zich niet in voor ‘het volk’ maar alleen voor zichzelf (voor de gevestigde orde) of voor multinationals of voor de EU of noem maar op. 
In dat opzicht was de campagneretoriek van Trump een extreem geval, maar 
niet echt een uitzondering.

    ‘Echte mensen’

    Minder in het oog springend is de 
suggestie van populisten dat mensen die het niet eens zijn met hun opvatting van wat ‘het volk’ is, en die hen dus niet steunen, eigenlijk niet tot dat volk behoren. Denk aan Farage, die op de avond van het beslissende referendum riep dat de Brexit een ‘victory for real people’ was. Daarmee impliceerde hij dat de 48 procent die tegen een Brexit hadden gestemd geen ‘echte mensen’ zijn, ofwel: niet echt tot het Britse volk behoren. Of denk aan Trump, die op een verkiezingsbijeenkomst vorig jaar zei: ‘Het gaat erom dat we de mensen verenigen – want die andere mensen doen er niet toe.’ De populist bepaalt dus 
wie de echte mensen zijn.

    Vage ‘anti-establishment sentimenten’ vormen dus geen lakmoesproef voor 
wat populisme is: kritiek op de elite kan terecht of onterecht zijn, maar is niet per se antidemocratisch. Waar het om gaat, is het antipluralisme van de populisten. Ze doen altijd aan uitsluiting op twee niveaus. Op het niveau van de partijpolitiek presenteren ze zichzelf als de enige legitieme spreekbuis van het volk, om zo alle politieke rivalen op zijn minst moreel uit te sluiten. En iets subtieler wordt op het niveau van de mensen zelf, zo je wilt, iedereen buitengesloten die hun symbolische fictie van ‘de echte mensen’ niet onderschrijft (en dus niet achter de populisten staat). Anders gezegd: populisme maakt per definitie aanspraak op het morele alleenrecht om de wil te vertolken van de zogenaamde echte mensen – en vervalt daardoor per definitie tot een radicaal wij-zij-denken.

    Merk daarbij op dat populisten ook zonder te regeren grote schade kunnen toebrengen aan de politieke cultuur. Populistische partijen die slecht presteren bij de stembus worden immers met een evidente paradox geconfronteerd: hoe kan hun partij aanspraak maken op een rol als enige echte spreekbuis van het volk, als ze geen overweldigende meerderheid bij de stembus halen? Niet alle populisten kiezen voor de makkelijkste uitweg 
uit dit dilemma, maar velen wel: zij suggereren dat ze niet zozeer een 
zwijgende meerderheid vertegenwoordigen, als wel een meerderheid die het zwijgen is opgelegd. Als die meerderheid zich kon uiten, zouden de populisten per definitie aan de macht zijn, maar iets of iemand heeft deze meerderheid de mond gesnoerd. Anders gezegd: populisten suggereren op meer of minder subtiele wijze dat ze de verkiezingen helemaal niet echt verloren hebben, maar dat het hele proces door verdorven elites achter de schermen is gemanipuleerd. Denk weer aan Trump: toen hij in het midden liet of hij een verkiezingszege van Hillary Clinton zou accepteren, plaatste hij impliciet vraagtekens bij de deugdelijkheid van het Amerikaanse kiesstelsel. Veel van zijn kiezers begrepen die boodschap heel goed. Uit een peiling bleek dat zeventig procent van zijn aanhang dacht dat het doorgestoken kaart zou zijn als Clinton de verkiezingen won.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen

    Nu mag iedereen kritiek hebben op het Amerikaanse kiesstelsel, daar is duidelijk genoeg reden toe. Ook zulke kritiek kan een teken zijn van oprechte 
democratische betrokkenheid. Wat niet democratisch is, is de houding van populisten die in feite neerkomt op de bewering: ‘Omdat wij niet gewonnen hebben, moet het systeem wel fout 
en verrot zijn.’ Zo zullen populisten 
het vertrouwen van burgers in hun instituties systematisch ondermijnen, en daarmee het politieke klimaat 
verzieken, ook zonder zelf ooit aan de macht te komen.

    Ik wil niet beweren dat alle populisten hun gebrek aan electoraal succes afdoen met een beroep op complot-theorieën. Maar ze zullen op zijn minst geneigd zijn onderscheid te maken tussen de empirisch vastgestelde en de morele uitslag van verkiezingen. (Denk aan de Hongaarse rechtse populist Viktor Orbán, die na zijn verkiezingsnederlaag in 2002 zei dat ‘het land niet in de oppositie kan zitten’; of aan Andrés Manuel López Obrador, die na zijn nederlaag bij de Mexicaanse presidentsverkiezingen van 2006 zei dat ‘de zege van rechts moreel onbestaanbaar’ was en hijzelf de enige ‘legitieme president van Mexico’.) Zo blijven populisten zich beroepen op een onbestemde groep ‘echte mensen’ die een andere keuze zouden hebben gemaakt. De extreemrechtse populist Norbert Hofer zei na zijn nederlaag bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen van 2016 bijvoorbeeld dat de winnaar, de groene politicus Alexander Van der Bellen, ‘gezählt, aber nicht gewählt’ was: hij insinueerde dus dat zijn tegenstander weliswaar de meeste stemmen had gekregen, maar toch niet echt gekozen was (alsof een ‘echte keus’ op een of andere wijze tot stand kan komen bij acclamatie of zoiets, en niet in het stemhokje). In veel gevallen zullen populisten de cijfers afzetten tegen sentimenten, zonder oog voor het feit dat juist die cijfers, een correcte telling van het aantal stemmen, het enige is waar democratie uit bestaat.

    Door in te zien dat populisme een 
specifieke vorm van antipluralisme is, voorkomen we misschien dat we 
kritiekloos het beeld blijven herhalen van ‘het volk’ dat overal in opstand komt tegen ‘de gevestigde orde’. Dat is geen onschuldige, laat staan neutrale beschrijving van de politieke ontwikkelingen. Het is in feite populistisch jargon. Met zo’n omschrijving accepteer je impliciet dat de populisten 
werkelijk ‘het volk’ vertegenwoordigen. Maar types als Farage of Geert Wilders slagen er in de verste verte niet in om zelfs maar een kwart van het electoraat aan te spreken.

    populism no c

    Toch vallen politici en journalisten vreemd genoeg vaak van het ene uiterste in het andere als het om populisten gaat: van de opvatting dat het allemaal demagogen zijn die per definitie onzin uitkramen, naar de gedachte dat 
populisten in feite de ‘echte zorgen’ van de mensen vertolken. De populist een monopolie geven op de vertolking van wat mensen bezighoudt, getuigt van een diepgaand gebrek aan inzicht in hoe democratische vertegenwoordiging werkt. Die vertegenwoordiging moet niet gezien worden als een mechanische afspiegeling van objectief bestaande belangen en identiteiten. Die belangen en identiteiten krijgen dynamisch vorm naarmate politici 
(en het maatschappelijk middenveld, vrienden, buren, enz.) bepaalde stappen zetten en burgers daarop reageren. Het is dus niet dat alles wat populisten zeggen per se verzonnen is, maar het is een vergissing om te denken dat alleen zij weten wat er echt in de maatschappij leeft. Zo is Trump er zonder twijfel in geslaagd een aantal Amerikanen het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van zoiets als een blanke identiteits-
beweging. Maar het zelfbeeld van 
burgers kan ook weer veranderen.

    Het is dus een misvatting om te denken dat populisten ons de grote objectieve waarheid over onze samenleving onthullen. Toch gaan veel 
niet-populisten daarvan uit. Denk maar aan hoe sommige socialisten 
en sociaaldemocraten in Europa 
tegenwoordig lijken te denken: ‘De arbeidersklasse heeft het gewoon niet op buitenlanders. Het succes van de rechtse populisten toont dat wel aan. Niks aan te doen.’

    Er bestaat nog een andere denkfout met betrekking tot de verkiezingswinst van populisten. Je moet er niet van uitgaan dat alle kiezers die op een populistische partij stemmen zelf 
ook populist zijn, dat wil zeggen: de antipluralistische ideeën van hun populistische leider delen.
    Een kiezer kan het bijvoorbeeld volstrekt oneens zijn met de kritiek van Marine Le Pen dat andere partijen immoreel zijn en hun land verraden, maar toch op het Front National stemmen vanwege het landbouwbeleid dat die partij voorstaat. Oké, dat is wat vergezocht, maar het punt blijft dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat iedereen die op een populistische politicus of partij stemt, per se ook het hele antipluralistische programma daarvan onderschrijft. Dat is een elementair empirisch feit, maar het heeft ook gevolgen voor de politieke strategie. Denk maar aan de desastreuze uitwerking van 
Hillary Clintons opmerking over ‘deplorables’. Ze had beter alleen genadeloze kritiek kunnen leveren op haar tegenstander, zonder te generaliseren over de kiezers die hij aanspreekt.

    Maar zit er niet toch iets in, in dat idee van een populistische golf, al is die nu even op zijn retour? Nee, dat beeld was altijd al zeer misleidend. Nigel Farage heeft de Brexit immers niet in zijn eentje tot stand gebracht. Hij had hulp nodig van Conservatieven uit het 
establishment, zoals Boris Johnson en Michael Gove (die nu allebei in May’s kabinet zitten). Het was Gove die in 
het voorjaar van 2016, als reactie op 
de vele sombere voorspellingen van deskundigen over een eventuele Brexit, zei dat het Britse volk de buik vol had van deskundigen. Het grappige was 
dat Gove zelf juist lange tijd als een intellectueel binnen de Tory-gelederen gold. Het was dus niet zomaar iemand die de mensen vertelde dat deskundigheid werd overschat – er was een 
deskundige voor nodig om die conclusie te trekken.

    Trump is natuurlijk geen president geworden dankzij een brede volksbeweging van boze blanke arbeiders. 
Hij vertegenwoordigde een gevestigde partij en had de zegen nodig van 
Republikeinse zwaargewichten als Rudy Giuliani, Chris Christie en Newt Gingrich. Die laatste zei tegen een verslaggever van CNN op het Republikeins partijcongres in de zomer van 2016 dat hij de misdaadcijfers niet vertrouwde, maar geloofde in de beleving van mensen. Hij flikte dus hetzelfde kunstje als Gove in Engeland, want wat je ook van Gingrich mag vinden, onder Amerikaanse conservatieven gaat hij voor een soort intellectueel door. Dus net als in het Verenigd Koninkrijk was er een deskundige nodig om de waarde van deskundigheid in twijfel te trekken.

    Polarisatie

    Wat zich op 8 november 2016 voltrok was geen op zichzelf staande 
triomf voor het populisme, maar een bevestiging van de polarisatie van de Amerikaanse politiek: 90 procent van de Republikeinse kiezers had op Trump gestemd. Ook al bleek uit peilingen dat veel Republikeinse kiezers grote bedenkingen bij deze kandidaat hadden, het was voor hen duidelijk ondenkbaar om op een Democraat te stemmen. De manier waarop Hillary Clinton door veel Republikeinen werd gedemoniseerd, had daar natuurlijk ook iets mee te maken – en die 
demonisering dateerde al van ver voor Trump. Die was al begonnen in de jaren negentig, toen Bill Clinton door rechts steevast werd aangeduid als ‘jullie president’, alsof hij niet het hele volk vertegenwoordigde. Feit is dat tot op de dag van vandaag geen enkele rechtse populist in West-Europa 
of Noord-Amerika aan de macht is 
gekomen zonder hulp van de gevestigde conservatieve elite.

    Na de verkiezingen in Frankrijk en Nederland waren commentatoren er als de kippen bij om te spreken van 
een post-populistische beweging. 
Het veronderstelde ‘nieuwe normaal’, van de ene populistische verkiezingszege na de andere, wordt alweer
 achterhaald genoemd. Maar dan wordt er onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het populisme als een moreel monopolie op 
de vertegenwoordiging van het echte volk, en anderzijds specifieke programmapunten die aan rechts populisme kunnen raken – zoals een strenger immigratiebeleid – maar op zichzelf niet populistisch zijn. Met andere woorden: antipluralisme en inhoudelijke programmapunten zijn twee 
verschillende zaken.

    Wilders, een echte populist, deed het in Nederland minder goed dan verwacht. Maar zijn officiële ‘mainstream’ rivaal, de rechts-liberale premier Rutte, sloeg veel Wilders-achtige taal uit, door onder meer tegen immigranten te zeggen dat ze maar moesten vertrekken als ze niet ‘normaal’ wilden doen. Rutte is geen populist geworden, 
hij pretendeert niet de enige echte 
vertegenwoordiger van het eigenlijke Nederlandse volk te zijn. Maar hij doet iets ongebruikelijks en volgens mij onaanvaardbaars: het is niet aan de Nederlandse premier om te bepalen wat in de Nederlandse cultuur 
‘normaal’ is (met de bijbehorende implicatie dat je enerzijds een ‘echt’ Nederlands volk hebt en anderzijds mensen die zich ‘abnormaal’ gedragen). Als gevolg van zulke opportunistische concessies aan populisten schuift de hele politieke cultuur naar rechts op, zonder behoorlijke democratische machtiging van de burger. Misschien zitten we dus niet zozeer in een post-populistische tijd, maar zijn de populisten eigenlijk aan het winnen, ook al verliezen ze nominaal. In plaats van officieel met de populisten samen te werken, kopiëren de conservatieven immers gewoon hun ideeën. Diezelfde dynamiek kon je in het voorjaar van 2017 zien in de campagne voor de 
parlementsverkiezingen van Theresa May, die erop gokte dat ze UKIP kon vermorzelen door Farage na te doen.

    Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt

    Naast samenwerking en imitatie hebben conservatieven nog een derde manier om rechts populisme te 
vergoelijken. Denk maar aan hoe de Europese Volkspartij (EVP), de mainstream partijfamilie van overwegend christendemocraten en gematigde conservatieven in het Europarlement, Viktor Orbán beschermen tegen kritiek (van onder meer de Europese Commissie). Orbán was de pionier van het populisme in Europa. Hij had zijn inmiddels in veel opzichten autoritaire bewind nooit kunnen opbouwen zonder de rugdekking van de EVP. En wederom, het is niet dat de leden van de EVP zelf populisten zijn geworden, verre van dat. Maar met hun strategische keuzes, vooral ingegeven door hun wens om de grootste partij in het Europarlement te blijven, hebben de conservatieven de opkomst van rechts populisme mogelijk gemaakt.

    In dat verband is het ook de moeite waard even terug te kijken naar een recente verkiezingsstrijd waarin veel conservatieven zich vooraf tegen samenwerking met de populisten hebben uitgesproken. Het hele beeld van een niet te stuiten golf van populisme was eigenlijk al ontkracht door dit ene tegenvoorbeeld: Oostenrijk, waar alom een zege voor Norbert Hofer was voorspeld. Veel conservatieve 
politici spraken zich expliciet tegen hem uit. Dat betrof vooral burgemeesters en andere provinciale politieke grootheden, die bij kiezers in de regio het vertrouwen genoten dat groene bobo’s uit Wenen duidelijk misten. Een kloof tussen populistische kiezers in de regio en kosmopolitische en liberale kiezers in de steden is helemaal niet 
zo onvermijdelijk als men vaak denkt.

    De stabiliteit van democratieën in Europa heeft, zoals de politicoloog Daniel Ziblatt betoogt, altijd sterk afgehangen van het gedrag van de conservatieve elites. In het interbellum kozen die voor samenwerking met autoritaire en zelfs fascistische partijen, wat op veel plekken tot de dood van de democratie leidde. Na de oorlog besloten ze zich aan de regels van het democratische spel te houden, ook al was dat niet altijd bevorderlijk voor wat zij als conservatieve kernwaarden beschouwden. We leven in een heel andere samen-leving dan in de naoorlogse periode en de populisten van nu zijn geen fascisten, maar het is nog steeds zo dat het lot van een democratie even sterk afhangt van de keuzes van de gevestigde orde als van opstandige outsiders. Larry Bartels, een vooraanstaand 
Amerikaans politicoloog, wijst erop dat er ook weinig empirisch bewijs is voor een toename (laat staan een ‘tsunami’) van rechts populistische sentimenten. Wat uit onderzoek wel blijkt, is dat zowel politieke avonturiers als gevestigde partijen in de loop der tijd steeds weer voor de keuze hebben gestaan 
om dergelijke sentimenten te bezweren, dan wel te mobiliseren en uit te buiten. Het is van belang om ons niet uitsluitend op de populisten zelf te fixeren (waarbij we hun kracht regelmatig onder- dan wel overschatten). We moeten juist de elites ter verantwoording roepen die met populisten samenwerken of hun ideeën overnemen of hun gedrag in feite vergoelijken en ze zo uit de wind houden.

    Brexit volgens Banksy, 2017.
    Brexit volgens Banksy, 2017.

    Wat kan er tegen populisten zelf worden gedaan? Wat de laatste jaren 
in ieder geval duidelijk is geworden, 
is wat er niet werkt. Een volledig isolement bijvoorbeeld, en zeker het soort morele uitsluiting waarnaar populisten zelf vaak grijpen (in de trant van: ‘wij goede demoraten willen niet samen met populisten op tv’ of ‘als er in het parlement een populist aan het woord komt, loop ik naar buiten,’, enz.). Dat is dom, zowel in strategisch als – minder in het oog springend – in moreel opzicht. Het is als strategie tot mislukken gedoemd omdat het alleen maar bevestigt wat populisten hun aanhang steeds voorhouden: dat de corrupte elite nooit naar hen luistert of bepaalde zaken niet ter discussie durft te stellen. (En niet in de laatste plaats dat deze elites tegen de populisten samenspannen om hun onverdiende voorrechten te beschermen: ‘Eén tegen allen, allen tegen één’.)

    Ook vanuit democratisch oogpunt kleeft er een groot bezwaar aan deze aanpak: zeker als de populisten al in het parlement zitten en je sluit hun partij uit van het debat, dan sluit je 
ook al hun kiezers daarvan uit. En zoals hierboven gezegd: je mag er niet van uitgaan dat alle kiezers van populistische partijen overtuigde antipluralisten zijn die de regels van het democratische spel afwijzen.

    En dan is er het andere uiterste: in plaats van de populisten uit te sluiten of te negeren, ga je achter ze aan hollen. Maar hoe hard je ook holt, je haalt ze natuurlijk nooit in. Wat je als zogenaamde ‘politicus van het midden’ ook over immigratie zegt, het zal toch nooit genoeg zijn voor partijen als Alternative für Deutschland of de Deense Volkspartij. Maar ook hier is het probleem niet alleen strategisch van aard, ook hier speelt een normatieve kwestie mee. Het imiteren van populisten vloeit immers vaak voort 
uit de hierboven genoemde misvatting over democratische vertegenwoordiging. Dan gaat men er simpelweg van uit dat de populisten eindelijk de ware politieke voorkeuren van veel burgers blootleggen, in plaats van te beseffen dat politieke vertegenwoordiging een dynamisch proces is. Denk weer aan Trump: veel Europeanen zullen op 
8 november 2016 met enig leedvermaak hebben vastgesteld dat hun lang gekoesterde vermoeden over de VS nu officieel was bevestigd: het is een land met 63 miljoen racisten! Maar zoals enkele sociale wetenschappers al snel zeiden: er zijn genoeg racisten in de VS, maar racisme kan de zege van Trump niet volledig verklaren. Sommige 
kiezers hebben op Trump gestemd nadat ze dat eerder twee keer op Obama hadden gedaan.

    Er is geen andere keuze dan met 
populisten de strijd aan te gaan. Maar praten met populisten wil nog niet zeggen dat je moet praten áls een populist. Je hoeft hun beschrijving van politieke, economische en sociale problemen niet over te nemen om in debat met hen overeind te blijven. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat een hele reeks standpunten waar links grote moeite mee heeft, binnen een democratie niettemin toelaatbaar zijn – en dat je zulke standpunten moet bestrijden met feiten en de best mogelijke argumenten, niet met het polariserende verwijt van ‘populisme’. Anderzijds, wanneer populisten zichzelf nadrukkelijk als populist manifesteren – dat wil zeggen: als ze het recht van spreken van hun tegenstander of van bepaalde burgers in twijfel proberen te trekken of vraagtekens plaatsen bij de regels van het democratische spel – 
dan is het van groot belang dat andere politici daar een grens trekken. Denk weer even terug aan die eerste keer dat de ‘gevestigde orde’ niet voor de ‘golf’ van het populisme bezweek: Oostenrijk. De winnende kandidaat wist in zijn campagne veel kiezers te mobiliseren door duidelijk te maken dat zij niet alle programmapunten van de Groenen hoefden te onderschrijven om op hem te stemmen; ze moesten het er alleen mee eens zijn dat de extreemrechtse kandidaat een reële bedreiging voor de Oostenrijkse democratie vormde. Nog belangrijker was dat kiezers door zijn campagne werden gestimuleerd om uit hun vertrouwde kringetje te stappen, om in dialoog te gaan met mensen uit andere milieus met wie ze anders niet snel in contact kwamen – en vooral 
om dan niet al na vijf minuten met 
verwijten van ‘racisme’ en ‘fascisme’ 
te smijten.

    Ook dit is misschien alleen vrome hoop van de theoretici. Uit sociologisch onderzoek blijkt vaak dat de zogenaamde contacthypothese te mooi is om waar te zijn: contact met mensen die sterk van ons verschillen is op 
zichzelf nog niet genoeg om tolerantie en respect voor pluralisme te kweken. Maar alles wat kan helpen om de 
populistische fantasie van een volledig verenigd en homogeen volk te ontkrachten, is meegenomen. In tegenstelling tot wat links soms gelooft, is niet alles wat populisten zeggen per se leugenachtig of demagogisch, maar hun zelfgeschapen imago berust uiteindelijk wél op een leugen: dat er 
één ondeelbaar volk is waarvan alleen zij de wil vertolken. Om ze te bestrijden, is het nodig die cruciale claim 
te doorzien en te ontkrachten.

    Auteur: Jan-Werner Müller
    Vertaler: Frank Lekens

    ‘Understanding the populist turn’.
    Grote Zaal Frascati, 2 juni 15.00

    Project Syndicate
    Tsjechische Republiek | project-syndicate.org

    Het in 1994 opgerichte non-profit contentdistributiemodel voorziet lezers uit alle windstreken van originele, boeiende en tot nadenken stemmende commentaren van schrijvers en denkers die de economie, politiek, wetenschap en cultuur van de wereld vormgeven.

  • Dossier: Eén jaar Macron

    Dossier: Eén jaar Macron

    De Franse president staat er goed op.

    Hij wist zijn eerste jaar zonder grote kleerscheuren door te komen, bouwde als enige Europese leider een goede band op met Donald Trump en toonde zich een militaire leider door in te grijpen in Syrië. De vraag is nu: kan hij zijn succes doortrekken bij zijn confrontaties met de vakbonden in eigen land en bij de Europese verkiezingen van 2019?  

    1. Macrons 
Thatcher-moment is aangebroken

    2. Stilte voor de storm?

    3. Trumps beste vriend in Europa

    4. En Marche! komt 
naar je toe deze zomer

    5. De president als krijgsheer

    6. Drie vragen aan…

    7. Tijdslijn

    Beeld: Emmanuel Macron loopt na zijn inhuldiging in 2017 naar de Arc de Triomphe, om een krans te leggen bij het graf van de onbekende soldaat. – © Alain Jocard / AFP PHOTO

  • Frankrijk: 1968 of 1984?

    Frankrijk: 1968 of 1984?

    Het zal u niet ontgaan zijn: Emmanuel Macron is een jaar in functie. Ook 360 doet mee aan de kalenderjournalistiek en brengt u in dit nummer een kloek dossier vol stukken over 
de Franse president.

    Een van de interessantste daarvan komt uit de Spaanse krant El País. De auteur heeft de knipselmap erbij gepakt en duikelde daar een beroemde analyse op van de Franse journalist Pierre Viansson-Ponté (1920-1979). Die schreef in maart 1968 in een voorpaginastuk in Le Monde dat Frankrijk was ‘weggezonken in lethargie en verveling’. Het was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale conflicten. De Franse studenten? Zij misten in tegenstelling tot hun leeftijdgenoten in andere landen bevlogenheid. Zes weken later brak Mei ’68 aan. Tien miljoen Franse studenten en arbeiders gingen de straat op, legden het land plat en wierpen bijna de regering omver.

    Zou zoiets nu weer kunnen gebeuren? vraagt de auteur van het El País -verhaal zich af. Dat we het niet doorhebben, maar dat er onder de oppervlakte een opstand sluimert? Volgens sommige linkse Franse politici en analisten zijn er tekenen 
die daarop wijzen. Kijk naar de ook in Frankrijk zeer populaire #MeToo-beweging, zeggen zij. En naar de spoorwegstakingen. Of neem de recente studentenprotesten tegen de veranderingen in het Franse baccalaureaat. Macrons linkse concurrent Mélenchon, nooit te beroerd om hem weg te zetten als een president voor de rijken, sprak onlangs zelfs hardop over een nieuw Mei ’68. ‘Tegen degenen die zeggen dat ik droom, zeg ik dat ik liever mijn droom heb dan de nachtmerries die ik om me heen zie.’

    Het kan zomaar zijn dat we helemaal geen linkse opstand krijgen, dat Macron zijn confrontatie met de vakbonden wint en daarmee zijn Margaret Thatcher-moment beleeft

    Maar anderen geven de linkse krachten weinig kans. Het zijn de verliezers van de verkiezingen die nu vergeefs revanche proberen te nemen, zo klinkt het. Ook de culturele omstandigheden lijken niet te vergelijken. Macron mag dan volgens velen autoritaire trekjes hebben, een vergelijking tussen deze tijd en het repressieve tijdperk-De Gaulle gaat volledig mank.

    Het kan ook dus zomaar zijn dat we helemaal geen linkse opstand krijgen, dat Macron zijn confrontatie met de vakbonden wint en daarmee zijn Margaret Thatcher-moment beleeft. Dan zijn we niet in 1968, maar in 1984.

    Macron zei er zelf ook wat over in een recent interview 
met La Nouvelle Revue française, dat hem ondervroeg over zijn literaire voorkeuren (Gide, Camus, Colette). Volgens Macron was Mei ’68 ‘een gebeurtenis uit een andere tijd. Het was eenmalig, het is voorbij’. Over 1984 liet hij zich niet uit.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

    Beeld: Een Parijse demonstrant ligt op de grond tijdens clashes met de politie in mei 1968. – © HH

  • 3. Trumps beste vriend in Europa

    3. Trumps beste vriend in Europa

    De vriendschap tussen Emmanuel Macron en Donald Trump lijkt bizar, maar de twee hebben meer gemeen dan je zou denken, betoogt columnist Roger Cohen.

    Het is verleidelijk te zeggen dat je je geen onwaarschijnlijker vriendschap kunt voorstellen dan die tussen Emmanuel Macron en Donald Trump, maar dan ga je wel aan de feiten voorbij.

    Natuurlijk, ze zijn het over maar heel weinig eens. Niet over Iran. Niet over de handel. Niet over de Europese Unie. Niet over of je kritiek moet hebben op Vladimir Poetin. Niet over het belang van waardigheid, of waarheid, of de Verlichting.

    Toch hoor ik dat ze elkaar voortdurend spreken. Trump volgt Macrons arbeidsmarkthervormingen en belt om hem de feliciteren. Het eerste staatsbezoek onder zijn regering zal dat van Macron zijn, volgende maand in Washington [het bezoek vond intussen plaats], een bijzondere eer voor een ‘great guy’. De Franse president is Trumps beste vriend in Europa, en misschien ook daarbuiten. Met de Britse premier Theresa May ging het mis. En met de Duitse bondskanselier Angela Merkel werd het ook niets. Trump-Macron is het enige trans-Atlantische scharnier dat niet knarst.

    Macron, die met zijn veertig jaar Trumps zoon zou kunnen zijn, heeft het politieke midden een grandioos toneel verschaft en daarmee de centristische politiek van een nieuw elan voorzien in tijden van populistische verleiding

    Echt verrassend is dat niet. Beide mannen zijn uit het niets gekomen, buitenbeentjes die tot het hoogste ambt van hun land zijn verheven door een golf van afschuw over de gangbare politiek. Ze zijn, elk op hun eigen manier, een historische toevalligheid, op het schild gehesen tijdens de overgang naar een nieuw tijdperk. Een verlangen naar ontwrichting bracht deze twee ontwrichters voort.

    Beiden rekenden af met het politieke establishment door het politieke midden weg te vagen of in te lijven. Beiden begrepen dat stemmers zowel verveeld als boos waren, wantrouwig tegenover de liberale consensus, woedend vanwege de alles verslindende globalisering, verlangend naar grandeur, snakkend naar onomwonden taal in plaats van de plichtmatige waarschuwingen van deskundigen.

    Macron, die met zijn veertig jaar Trumps zoon zou kunnen zijn, heeft het politieke midden een grandioos toneel verschaft en daarmee de centristische politiek van een nieuw elan voorzien in tijden van populistische verleiding. Hij is streng over immigratie omdat hij weet dat zijn overleving daarvan afhangt. Het toneel van Trump is dat van de zigzaggende bullebak, van onophoudelijk en vaak nietszeggend lawaai. Voor beide mannen zijn beweeglijkheid en actie van levensbelang.

    De gaullistische pompositeit, vermeden door Macrons voorganger, is terug van weggeweest. Als die nodig is om het racistische Front National te verslaan, schuw haar dan niet. Macron vierde zijn overwinning vorig jaar met een toespraak tot het Franse volk vanuit het Louvre, verwelkomde Poetin in Versailles en keerde dit jaar terug naar het paleis van de Zonnekoning voor een ‘Choose France’-top met ceo’s van over de hele wereld om een slordige drie miljard aan buitenlandse investeringen uit te bazuinen.

    ‘Het is niet “Make France Great Again”, maar het lijkt er veel op,’ zei een Franse vriend.

    wo16 fra macron tv

    Macrons viering van 14 juli, de nationale feestdag – compleet met gardisten te paard, troepen, tanks en gevechtsvliegtuigen – maakte zo’n indruk op zijn speciale gast, Donald Trump, dat deze nu zijn eigen versie wil met veel luchtmachtvertoon (maar sans tanks) op Veterans Day, de Amerikaanse viering van het einde van de Eerste Wereldoorlog.

    Belachelijk? Als je bedenkt dat Trump zich gewoonlijk met haviken omringt, lijkt deze vriendschap me zo belangrijk dat ik bereid ben veel te slikken.

    Of liever gezegd, mogelijkerwijs belangrijk. We moeten nog maar zien wat Macron uit deze vriendschap kan peuren. We weten niet of dat iets aardigs zal zijn of iets nuttigs. De band heeft Trump er niet van weerhouden het klimaatakkoord vaarwel te zeggen of Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israël. De jury is er nog niet uit.

    Trump heeft de Europese Unie uitgezonderd van importheffingen op staal en aluminium, iets waarop de Fransen sterk hadden aangedrongen. ‘Als we over één kam worden geschoren met China zou dat een groot probleem zijn,’ vertrouwde een hoge Franse ambtenaar me toe voordat Trump zijn beslissing nam.

    Iran

    Volgende kwestie: Iran. Als Macron het ergste niet kan voorkomen, namelijk dat Trump op 12 mei besluit het nucleaire akkoord te torpederen door de sancties niet langer op te schorten, dan zijn alle kansen verkeken. Het akkoord, dat op het nippertje voorkwam dat Iran zijn nucleaire programma voor militaire doeleinden zou gebruiken, werkt. De Fransen zijn vastbesloten het van kracht te laten blijven.

    Gebeurt dat niet, dan zal de confrontatie tussen sjiieten en soennieten in het Midden-Oosten verergeren, zal Iran in allerijl een bom ontwikkelen en zal Saoedi-Arabië niet ver achterblijven. Het non-proliferatieverdrag zou dan zo goed als zinloos worden.

    De voortekenen zijn niet zo goed. Mike Pompeo, de door Trump voorgedragen nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, is een havik wat Iran betreft. John Bolton, de nieuwe nationale veiligheidsadviseur, wil het nucleaire akkoord opzeggen en het Iraanse regime ten val brengen – en dat is nog maar het begin. Totale vernietiging dreigt. De uitdaging voor Macron – en Europa – om te voorkomen dat de kwestie-Iran uit de hand loopt, is alleen maar groter geworden.

    Macrons visie van herstelde grootsheid strookt met de Franse idealen. Die van Trump verraadt de Amerikaanse

    Terwijl het gedrag van Trump alleen maar grilliger wordt, een trend die de komende maanden nog zal verergeren door het onderzoek naar Russische bemoeienis met zijn uitverkiezing, biedt de vriendschap met Macron enige garantie tegen het ergste. Anders dan Trump weet de Franse president wat hij wil en is hij in staat een coherente strategie te hanteren.

    Hij is ook een bastion tegen de destructieve neigingen van Trump: diens gedweep met etnisch nationalisme en de steeds autoritairder wordende Poetin en Xi Jinping, de afkalving van de rechtsstaat, handelsoorlogen, de militarisering van het buitenlands beleid en de ondermijning van de Europese Unie.

    Macrons visie van herstelde grootsheid strookt met de Franse idealen. Die van Trump verraadt de Amerikaanse. Dat is het verschil. Veel hangt af van wat deze vriendschap oplevert.

    Auteur: Roger Cohen
    Vertaler: Peter Bergsma

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

    Cruciale rol in Syrië

    In een interview dat hij op 15 april gaf aan de Franse BFMTV, RMC en Mediapart rechtvaardigde Emmanuel Macron de raketaanvallen op Syrië door te wijzen op de rol van Frankrijk in dit deel van de wereld. ‘Hij wilde daarmee zijn leiderschap in de kwestie-Syrië benadrukken, hoewel de Franse deelname aan de operatie in zijn eigen land werd bekritiseerd’, schrijft The Wall Street Journal. In feite, vervolgt de Amerikaanse krant, betreurt de oppositie het ‘dat Frankrijk bezig is zijn onafhankelijkheid kwijt te raken door de VS en het Verenigd Koninkrijk te volgen’.

  • 6. Drie vragen aan…

    6. Drie vragen aan…

    Kenners aan het woord over de president.

    … 
Adam Sage, 
correspondent in Parijs van de Britse krant The Times

    ‘Een door en door Franse president’

    Welke conclusies trekt u uit het eerste jaar van Macron?
    ‘Macron is vooral een door en door Franse president, hij vertegenwoordigt niet de nieuwe wereld. In veel opzichten staat hij voor de continuïteit van de Franse naoorlogse politiek. Maar daarbij moet worden gezegd dat hij redelijk efficiënt en competent is, en dat hij bovendien al tijdens zijn verkiezingscampagne had aangekondigd wat hij nu in de praktijk brengt.’

    Heeft hij u verrast?
    ‘Wat mij verrast is zijn sterke vermogen om de zaken voor te stellen zoals de toehoorder ze graag zou vernemen. Als hij voor de buitenlandse pers spreekt, slaagt hij erin zich voor te doen als een leider die Frankrijk gaat hervormen in een richting die vooral op prijs wordt gesteld door niet-Fransen.’

    Op welk onderdeel van de hervormingen is hij het meest markant?
    ‘Hij heeft vooral indruk gemaakt op het internationale toneel, waar hij een onbekende was zonder enige ervaring. Desondanks heeft hij daar werkelijke invloed gekregen, met name door Donald Trump uit te nodigen voor de Franse nationale feestdag, de Quatorze Juillet. Dat was geniaal. Macron stak Trump in zijn zak, zonder enige protestdemonstratie in Parijs.

    Bij zijn bezoek aan het Verenigd Koninkrijk in januari was zijn optreden ook heel sterk, hoewel de sfeer gespannen was, met het oog op Calais en de Brexit. Met het aanbod om het Tapijt van Bayeux in Londen tentoon te stellen, effende hij het pad. Hij kreeg een fantastisch onthaal en gaf een interview aan de BBC dat iedereen geweldig vond. Alle Britten moeten hebben verzucht: “Hadden wij maar zo’n politicus…”’


    1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.
    1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.

    … Richard Werly, 
correspondent in Parijs van de Zwitserse krant Le Temps.

    ‘Macron belichaamt Frankrijk’

    Wat vindt u het meest opvallend aan het eerste jaar Macron?
    ‘De radicale verandering van stijl: Macron wil vooral niet op zijn voorganger Hollande lijken. Hij wil de man van de hervormingen zijn. Zo bezien doet hij het goed. Hij heeft het idee dat Frankrijk moet veranderen geloofwaardig gemaakt. De eerste tegenvaller: Macron wil hervormen, maar de Fransen niet. Tweede tegenvaller: Europa. Even was er hoop met zijn verkiezing, maar sindsdien wijst alles de andere kant op: de verkiezingen in Italië, Catalonië, de herverkiezing van Viktor Orbán… Macron blijft een eenling met tegenwind.’

    Waar komt het onbegrip tussen hem en de Fransen vandaan?
    ‘Het is vreemd om Macron nu te verwijten dat hij te snel gaat: hij had dat in de campagne duidelijk aangekondigd. Mij treft desondanks zijn onbuigzaamheid, zoals in het conflict met de spoorwegen. Je kunt geen hervormingen doorvoeren door je als een heerser te gedragen. Macron moet het debat aangaan.’

    Welke rol heeft hij ingeruimd voor de Franse diplomatie?
    ‘Er is een verschil tussen het Franse imago en de resultaten op diplomatiek niveau. Het imago is een doorslaand succes: met zijn aanval op Donald Trump inzake het klimaat belichaamde Macron Frankrijk, zijn rede in Davos trok veel aandacht, de ontmoeting van Poetin in Versailles was ook zeer geslaagd. Het probleem is dat diplomatie berust op het vermogen mee te tellen op momenten van crisis. Heeft Macron op klimaatgebied echt een sterke coalitie tegen Trump weten te smeden? Heeft hij in Syrië inderdaad een ombuiging bewerkstelligd? Je krijgt de indruk dat Rusland en Iran aan het langste eind trekken.’

    Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn

    … Pablo Levi, correspondent in Parijs van 
het Italiaanse persbureau Ansa.

    Onder de maat als ‘het land van de mensenrechten’

    Is Frankrijk in een jaar tijd veranderd?
    ‘Vrijwel onmiddellijk na het aantreden van Emmanuel Macron deed zich een Copericaanse revolutie van de arbeidsmarkt voor. Er was een “zwarte herfst” van protestdemonstraties aangekondigd, maar de hervormingen verliepen gladjes. Dat prikkelde Macron om het met het staatsspoorbedrijf SNCF nogmaals te proberen. Maar de wittebroodsweken waren voorbij, het sociale gemor stak de kop weer op en men herkende Frankrijk weer.’

    Wat vindt u van de Europese ambities van de president?
    ‘Daaruit spreekt een waanzinnige wilskracht en een grote oprechtheid. Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn. Helaas heeft hij een koude douche gekregen: men kan Europa niet in z’n eentje tot stand brengen. Of het nu Duitsland betreft met het lange en pijnlijke proces bij de vorming van een nieuwe regering, of Italië, waar de verkiezingen werden gewonnen door de populisten: Frankrijks bondgenoten lieten het vooralsnog afweten.’

    Heeft Macron u op een speciaal punt teleurgesteld?
    ‘Frankrijk blijft onder de maat als “het land van de universele mensenrechten”, een titel die het zichzelf heeft toegekend. De mooie woorden van de president over humanisme worden door de feiten niet ondersteund. In de bergen tussen Italië en Frankrijk steken vluchtelingen onder barre omstandigheden de grens over. Er zijn doden bij gevallen. Dat is “het land van de mensenrechten” onwaardig.’

  • Steeds meer Latijns-Amerikaanse politici prediken het evangelie

    Steeds meer Latijns-Amerikaanse politici prediken het evangelie

    Met drie presidentskandidaten, tientallen gouverneurs, honderden congresleden en miljoenen volgelingen krijgt de evangelische beweging steeds meer politieke invloed in Latijns-Amerika.

    Onlangs waren de ogen van heel de wereld gericht op de begrafenis van Billy Graham, een van de invloedrijkste predikers van de twintigste eeuw. In het Capitool in Washington bewezen de meest vooraanstaande figuren van het land hem de laatste eer, terwijl op sociale media mensen van de statuur van Bill Clinton, George W. Bush en Barack Obama ‘de predikant van de Verenigde Staten’ hun laatste groet brachten.

    Het massaevenement waarmee zijn afscheid gepaard ging, vormt het bewijs dat het meer dan zeventig jaar lang prediken van het woord van God in 185 landen zijn vruchten heeft afgeworpen. Niet alleen neemt het aantal volgelingen van de evangelische beweging nog steeds toe, maar ook op andere terreinen worden de evangelisten belangrijker en invloedrijker, met name in de politiek.

    Latijns-Amerika is een van hun belangrijkste bolwerken. In deze regio is het katholicisme zijn vijfhonderd jaar oude geloofsmonopolie in slechts drie decennia kwijtgeraakt. Twintig procent van de Latijns-Amerikanen is evangelist, de grens tussen wat van God is en wat van de keizer vervaagt steeds meer. Tot de beweging behoren presidenten als Jimmy Morales (Guatemala) en presidentskandidaten als Fabricio Alvarado (Costa Rica), Jair Bolsonaro (Brazilië) en zelfs Javier Bertucci (Venezuela). En hoewel alle ogen op deze grote namen zijn gericht, ligt de werkelijke macht van de evangelische beweging vooral bij de burgemeesters, ministers, afgevaardigden, congresleden, adviseurs en andere hoge overheidsfunctionarissen.

    Door het groeiende aantal evangelisten in Latijns-Amerika is de religieuze beweging een belangrijke politieke speler geworden. In Peru, Ecuador, Colombia, Venezuela, Argentinië en Panama is meer dan vijftien procent van de bevolking evangelist, in Brazilië, Costa Rica en Puerto Rico twintig procent en in landen van Midden-Amerika zoals Guatemala, Honduras en Nicaragua zelfs veertig procent.

    Al vormen ze in geen enkel Latijns-Amerikaans land een meerderheid, vanwege het gemak waarmee evangelisten hun populariteit weten om te zetten in stemmen zijn ze van grote politieke waarde. Zoals Javier Corrales, politicoloog en docent aan het Amherst College (Massachusetts), uitlegt: ‘Evangelisten zijn uiterst gedisciplineerd en gehoorzaam, ze gaan regelmatig naar de kerk (ze luisteren dus naar politieke boodschappen), ze roeren zich in de traditionele media en op sociale media én ze zijn enorm bedreven in het mobiliseren van mensen.’

    Daarom jagen presidentskandidaten op hun stem. In Brazilië, een land met 42 miljoen evangelisten, speelde de alliantie (én breuk) van oud-president Dilma Rousseff met de evangelische kerk Iglesia Universal del Reino de Dios een cruciale rol bij haar overwinning en daaropvolgende afzetting. En in Chili bewees het feit dat Sebastián Piñera vier predikanten als campagneadviseurs had dat hij dit deel van het electoraal aan zich wilde binden tijdens de presidentsverkiezingen van 2017.

    Conservatieve allianties

    Toch beperkt de invloed van de evangelisten zich niet tot hun electorale potentieel. Ze veranderen de politiek in Latijns-Amerika met een agenda die meer wegheeft van een moreel dan van een politiek project.

    In Costa Rica belandde evangelist, presentator en zanger Fabricio Alvarado Muñoz bovenaan in de peilingen toen het Inter-Amerikaans hof voor de Mensenrechten (CIDH) zich uitsprak vóór het homohuwelijk. Alvarado beloofde vervolgens om het CIDH niet langer te erkennen, en op deze manier het gezin en het leven te beschermen. Dat leverde hem nog eens een flinke sprong in de peilingen op. Zijn beoogde vicepresident, Francisco Prendas, moest onlangs [na felle reacties uit de LHTB-beweging] zijn excuses aanbieden omdat hij had gezegd dat hij nooit een homoseksueel op een hoge post zou benoemen aangezien hij de meerderheid van de bevolking niet voor het hoofd wilde stoten. [Nadat hij de eerste ronde had gewonnen, werd Fabricio Alvarado op 1 april verslagen door zijn rivaal en naamgenoot Carlos Alvarado Quesada. Maar intussen wordt het politieke debat nog steeds gedomineerd door het homohuwelijk.]

    Het grote aantal evangelische partijen, presidentskandidaten en stemgerechtigden geeft een nieuwe impuls aan de conservatieve beginselen van andere politieke en religieuze groeperingen in Latijns-Amerika. Onderwerpen als abortus, gelijke rechten voor man en vrouw binnen het huwelijk en de slecht gemunte term ‘genderideologie’ hebben evangelisten en katholieken verenigd in een gezamenlijke strijd.
    Met leuzen als ‘handen af van onze kinderen’ stroomden duizenden gelovigen, die zulke vrijheden zien als een bedreiging, de straten op van Colombia, Paraguay, Ecuador, Peru, Mexico en Chili. De enorme druk die hiermee werd uitgeoefend vertaalde zich vrijwel meteen in maatregelen op overheidsniveau: in Paraguay is een docentenhandboek ter preventie van vrouwenmishandeling op school geschrapt. Hun enorme invloed betaalt zich politiek uit. Bijvoorbeeld in Colombia, waar het Nee-kamp triomfen vierde tijdens het referendum [over vrede met guerrillabeweging FARC].


    De relatie tussen politiek en geloof wordt steeds nauwer. Terwijl conservatieve partijen weer opleven en nieuwe kiezers winnen voor hun politieke programma’s, winnen de evangelisten electoraal terrein door parlementaire fracties te vormen en allianties te smeden met conservatieve partijen, aldus Andrew Chesnut, hoofd Catholic Studies aan de Virginia Commonwealth University [in de VS].

    Het meest in het oog springende voorbeeld van zo’n alliantie is de omstreden kandidatuur van Jair Bolsonaro voor het presidentschap van Brazilië. Bolsonaro is oud-militair en hoewel hij publiekelijk nooit heeft verklaard evangelist te zijn, wordt zijn politieke boodschap, die aanschuurt tegen rechtsextremisme, gesteund door de christelijke Partido Social Cristiano. Met uitspraken als: ‘Gays zijn het gevolg van drugsgebruik’, ‘Je verdient het niet eens verkracht te worden’, en ‘De vergissing van de dictatuur was dat er gemarteld werd in plaats van gedood’, wist Bolsonaro de tweede plek te veroveren in de peilingen, achter president Lula, die vleugellam is vanwege corruptieschandalen.

    In Brazilië, het grootste land van Latijns-Amerika, is de opmars van de evangelisten het meest zichtbaar. Ze kunnen er intussen bogen op negentig congresleden, het burgemeesterschap van Rio de Janeiro (de meest kosmopolitische en multiculturele stad van het land) en rond de veertienduizend nieuwe kerken per jaar. En hun economische positie is gigantisch. Volgens het Amerikaanse tijdschrift Forbes overstijgt het opgetelde vermogen van de vijf rijkste Latijns-Amerikaanse predikers de 1,5 miljard dollar.

    De steeds sterkere aanwezigheid van het geloof in de politiek vormt een grote uitdaging voor de democratieën in Latijns-Amerika. ‘Het is niet altijd zo, maar áls ze invloed willen uitoefenen op de manier waarop we ons gedragen kunnen ze met hun extreme opvattingen over zonde en moraal de vijand worden van de vrije gedachte, de privacy en de vrije wil,’ aldus politicoloog Corrales. ‘We moeten hun macht niet onderschatten en niet vergeten dat de evangelisten achter de verbijsterende overwinning van Donald Trump zaten.’

    Vertaler: Henriëtte Aronds

    Openingsbeeld: Een evangelische kerk in Porto Vehlo, Brazilië. – © Mario Tama/Getty

    Semana
    Colombia | weekblad | oplage 180.000

    Alberto Camargo was tweemaal president van Colombia. Tussendoor richtte hij dit tijdschrift op. Het ging in 1961 ter ziele maar werd opnieuw gelanceerd. Semana geldt als een van de beste bladen uit Latijns-Amerika. Onafhankelijk en altijd goed geïnformeerd.

  • Waarom Saoedi-Arabië 16 kerncentrales wil bouwen

    Waarom Saoedi-Arabië 16 kerncentrales wil bouwen

    Voor een land dat zwemt in de olie en makkelijk zou kunnen overschakelen op zonne-energie, is een mega-investering in kerncentrales een vreemde stap. Het echte doel is dan ook een kernwapenprogramma, vrezen sceptici.

    Saoedi-Arabië bezit de op een na grootste oliereserves ter wereld en hoeft zich dus weinig zorgen te maken om energie. Maar het koninkrijk wil nu toch een van de grootste investeringen in kernenergie aller tijden plegen: het steekt 80 miljard dollar in de bouw van zestien kernreactoren die de komende vijfentwintig jaar moeten verrijzen.

    Uit deze krachtpatserij blijkt dat het ’s werelds meest iconische oliegigant ernst is met het terugdringen van zijn bijna totale afhankelijkheid van olie – maar kan het ook zijn dat het land op termijn een kernarsenaal nastreeft?

    123-overeenkomst

    Saoedi-Arabië stelt dat het zijn energieportefeuille wil uitbreiden. Elektriciteitsopwekking uit kernreactoren betekent dat de Golfstaat zelf minder olie hoeft te consumeren en er dus meer van kan exporteren. Meer export betekent meer overheidsinkomsten.

    Volgens energiedeskundigen wil Saoedi-Arabië zo snel mogelijk munt slaan uit zijn oliereserves, omdat verwacht wordt dat de mondiale vraag op termijn zal afnemen vanwege de opkomst van hernieuwbare energie en de uiteindelijke dominantie van de elektrische auto. En dus is het zaak het accent in de Saoedische economie te verleggen van olie naar de tech- en entertainmentsector.

    Momenteel is Riyad in gesprek met bedrijven uit meer dan tien landen over de aankoop van nucleaire technologie om de eerste twee reactoren te bouwen – en Amerikaanse gegadigden staan vooraan in de rij. Probleem is wel dat de regering-Trump voorafgaand aan elke Amerikaanse verkoop een overeenkomst voor nucleaire samenwerking met Saoedi-Arabië moet sluiten, een zogeheten ‘123-overeenkomst’ waarin landen beloven dat ze de krachtige nucleaire installaties die ze van de VS kopen niet op oneigenlijke wijze zullen gebruiken.

    Gesprekken tussen de VS en Saoedi-Arabië over een dergelijk akkoord zijn al gaande – de Amerikaanse minister van Energie Rick Perry besprak de zaak in maart in Londen met Saoedische functionarissen, en ook president Trump zal de kwestie hebben aangesneden tijdens zijn ontmoeting met de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman kort geleden.

    Dekmantel

    Experts op het gebied van nucleaire proliferatie en Amerikaanse Congresleden van beide partijen maken zich echter grote zorgen over de deal. Zij vrezen dat Riyad zal proberen de technologie te gebruiken om een kernwapenprogramma op te zetten. Dat zou een van de meest instabiele regio’s ter wereld nog instabieler maken. Sommige sceptici denken zelfs dat het energieverhaal van Riyad louter een dekmantel is voor militaire ambities.

    Dit is meer dan een gissing. In een interview met de Amerikaanse omroep CBS op 18 maart gaf de Saoedische kroonprins, ook wel MBS genoemd, openlijk toe dat nucleaire bewapening een optie was: ‘Saoedi-Arabië wil geen kernwapens hebben, maar als Iran ze ontwikkelt, dan zullen wij zeker niet achterblijven.’

    De regering-Trump kan proberen ervoor te zorgen dat dit nooit gebeurt. Met de ‘123-overeenkomst’ kan het de Saoedi’s dwingen tot een juridisch bindende toezegging dat ze geen uranium zullen verrijken of verbruikte splijtstof zullen opwerken – processen die nodig zijn om kernwapens te maken.

    Naar verluidt overweegt Washington echter om Saoedi-Arabië toe te staan uranium te verrijken. Daarvoor zouden volgens deskundigen twee belangrijke redenen zijn. Ten eerste heeft Trump duidelijk een zwak voor Saoedi-Arabië: het was het eerste land dat hij op zijn eerste buitenlandse reis als president bezocht. Ook steunde hij een aantal van Riyads meest radicale politieke beslissingen, zoals de campagne van afgelopen zomer om buurland Qatar te isoleren en de vernietigende militaire interventie in Jemen.

    Ten tweede zou Trump kunnen zwichten voor het aanlokkelijke vooruitzicht van miljardencontracten voor Amerikaanse nucleaire productiebedrijven die dolgraag zaken willen doen. De verleiding om een deal te accepteren die de weg naar een Saoedische kernbom effent is mogelijk te groot om te weerstaan.

    Saoedi-Arabië blijft erbij dat het alleen kernenergie wil om de energieproductie te verhogen en niet om wapens te bouwen. ‘Wij voelen wij er niets voor nucleaire technologie aan te wenden voor militaire doeleinden en doen juist erg ons best om de verspreiding van kernwapens door anderen tegen te gaan,’ aldus de Saoedische minister van Energie Khalid al-Falih op een gezamenlijke persconferentie met minister Perry in december vorig jaar.

    Het nucleaire akkoord dat Iran in 2015 met onder meer de VS tekende, beperkt de mogelijkheden van het land om materiaal te maken dat nodig is voor een atoombom aanzienlijk, maar rond 2030 verlopen cruciale onderdelen van de overeenkomst

    Energiedeskundigen zeggen dat het zeker zin heeft voor Saoedi-Arabië om nieuwe vormen van energie te genereren, zodat het meer van zijn olie kan exporteren voordat de verwachte waardedaling van deze grondstof een feit is. Maar waarom gekozen voor nucleaire energie als alternatief, in plaats van hernieuwbare energie?

    Joe Romm, een voormalig onderminister van Energie tijdens de Clinton-jaren, vertelde me dat Saoedi-Arabië een groot deel van het land van stroom zou kunnen voorzien met zonne-energie. De uitgestrekte woestijnen waar de zon vrijwel permanent zeer fel schijnt zijn daarvoor van nature geschikt.

    Aangezien Saoedi-Arabië tegen extreem lage kosten zonne-energiecentrales zou kunnen bouwen om zonnestroom te produceren, is het, aldus Romm, ‘vanuit energie-oogpunt niet zo logisch dat de Saoedi’s zo’n sterke voorkeur aan de dag leggen voor de nucleaire optie, die notoir duur is’.

    Leg de plannen van Saoedi-Arabië om te investeren in hernieuwbare energie naast de voorgenomen investeringen in kernenergie, en je ziet volgens Romm dat Riyad minstens drie keer zo veel elektriciteit uit kernreactoren zal proberen op te wekken als uit hernieuwbare energie.

    Militaire ambities

    Amerikaanse experts op het gebied van buitenlandse politiek en nucleaire non-proliferatie zijn het door de bank genomen eens dat de voorkeur voor het ene programma boven het andere maar één ding kan betekenen: militaire ambities.

    ‘Ik denk dat een belangrijke – zo niet de belangrijkste – drijfveer voor het nucleaire programma van Saoedi-Arabië de veiligheidscompetitie met Iran is,’ aldus Kingston Reif, een non-proliferatie-expert bij de Arms Control Association.

    Iran is de aartsrivaal van Saoedi-Arabië in het Midden-Oosten en Saoedi-Arabië vreest dat Teheran zijn civiele nucleaire programma zal gebruiken om in de toekomst wapens te maken en de machtsverhoudingen in de regio daarmee in zijn voordeel te doen omslaan. Het nucleaire akkoord dat Iran in 2015 met onder meer de VS tekende, beperkt de mogelijkheden van het land om materiaal te maken dat nodig is voor een atoombom aanzienlijk, maar rond 2030 verlopen cruciale onderdelen van de overeenkomst.

    Die beperkingen kunnen nog veel sneller tot het verleden behoren wanneer Trump zijn herhaalde dreigementen uitvoert om zich uit de deal terug te trekken. Iran kan in dat geval binnen enkele dagen de nodige stappen zetten in de richting van wapenproductie.

    Aangezien MBS openlijk heeft toegegeven dat Saoedi-Arabië zich genoodzaakt zal voelen kernwapens na te streven als Iran hetzelfde doet, moet een Saoedisch civiel nucleair programma welhaast als een potentiële militaire troef worden beschouwd.

    De regering-Trump is momenteel in onderhandeling met de Saoedi’s over een overeenkomst inzake nucleaire samenwerking. Waarschijnlijk kwam die ter sprake toen de kroonprins op 20 maart te gast was in het Witte Huis. (Noch Saoedi-Arabië, noch de VS vermeldde hier iets over naar aanleiding van de bijeenkomst, wel werd er gezinspeeld op ‘nieuwe handelsovereenkomsten’.)


    Volgens recente berichten zal het Witte Huis Saoedi-Arabië mogelijk toestaan uranium te verrijken. Een land kan uranium verrijken om brandstof te produceren voor zijn kernreactoren, maar datzelfde proces kan ook dienen om een atoombom te maken – en dat heeft de bezorgdheid van Amerikaanse Congresleden van beide partijen gewekt.

    ‘Het interview met de kroonprins van vorige week zou reden genoeg moeten zijn voor de regering om de rem te zetten op de onderhandelingen en te benadrukken dat er geen 123-overeenkomst mogelijk is die verrijking en opwerking omvat,’ aldus het Republikeinse Congreslid Ileana Ros-Lehtinen, voorzitter van de Subcommissie Buitenlandse Zaken voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika van het Huis van Afgevaardigden. ‘Maar helaas blijkt uit het weinige dat de regering loslaat dat ze deze deal louter in handelstermen beziet en dat de nationale veiligheid niet of nauwelijks een overweging is.’

    Senator Bob Corker, voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen, heeft de regering laten weten dat er in het Congres vanuit beide partijen weerstand is tegen een 123-overeenkomst die uraniumverrijking toestaat.

    Het Witte Huis moet de overeenkomst ter beoordeling aan het Congres voorleggen en Congresleden kunnen deze blokkeren met een gezamenlijke resolutie.
    Maar dat kan een averechts effect hebben: de Saoedi’s kunnen zich dan tot Russische of Chinese bieders wenden. En volgens analisten zullen de Russen en Chinezen minder geneigd zijn de verrijkings- of opwerkingsambities van Saoedi-Arabië te beteugelen. Om die reden stellen sommige analisten dat Washington een compromis met Riyad moet overwegen.

    ‘Ik zie liever de Amerikaanse nucleaire industrie in Saoedi-Arabië dan die van Rusland of China, dus moeten we ons met de Saoedi’s zien te verstaan’

    ‘Ik zie liever de Amerikaanse nucleaire industrie in Saoedi-Arabië dan die van Rusland of China, dus moeten we ons met de Saoedi’s zien te verstaan. We moeten de best mogelijke beperkingsclausules voor verrijking en opwerking zien te bedingen, inclusief een verbod voor langere tijd, bijvoorbeeld twintig of vijfentwintig jaar,’ aldus Robert Einhorn, voormalig adviseur wapenbeheersing en ontwapening van het ministerie van Buitenlandse Zaken, tegen The Washington Post. ‘We moeten enige flexibiliteit tonen.’

    Saoedi-Arabië beschouwt het vermogen om uranium te verrijken als een ‘soeverein’ recht, en kon geen 123-overeenkomst met de regering-Obama bereiken omdat president Obama weigerde dat recht te erkennen.

    Alexandra Bell, een expert op het gebied van wapenbeheersing uit het Obama-tijdperk, vertelde me dat de Saoedi’s niet zullen toegeven ‘zonder druk uit de allerhoogste kringen van het Witte Huis’. Dat wil zeggen: aanhoudende druk van de president zelf of topfunctionarissen als minister van Energie Perry. Maar Trump ligt misschien helemaal niet wakker van de verrijkingskwestie. Hij bekijkt de kwestie door een andere bril dan zijn voorganger – voor de huidige president stijgen de belangen van het Amerikaanse bedrijfsleven ver uit boven het veiligheidsaspect. Vorig jaar, toen Trump zijn enorme wapendeal van 110 miljard dollar met de Saoedi’s beklonk, verkocht hij dit aan het publiek als een manier om ‘banen, banen en nog eens banen’ voor de VS te creëren.

    Een nucleaire deal met de Saoedi’s betekent een stimulans voor de in zwaar weer verkerende Amerikaanse nucleaire bouwbedrijven. Westinghouse, de meest prominente Amerikaanse bieder, zit momenteel in een faillissementsprocedure, wat nu al duizenden banen heeft gekost.

    In hun onderhandelingen met Washington zullen de Saoedi’s Trumps gevoeligheid voor het werkgelegenheidsaspect waarschijnlijk als dankbaar drukmiddel gebruiken om hun zin te krijgen.

    Auteur: Zeeshan Aleem
    Vertaler: Carl Stellweg

    Vox
    Verenigde Staten | vox.com

    in 2014 opgerichte nieuws- en opiniesite die onderdeel is van Vox Media. Dit technologiebedrijf beheert ook de sportwebsite SB Nation, de technologiesite The Verge en gamingsite Polygon. Vox heeft als missie om ‘het nieuws uit te leggen‘ en richt zich op een jong en welvarend publiek.

  • Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Voorlopig is het economische succes van China en India voor andere landen het beste argument om beleid gebaseerd op niet-westerse ideeën te ontwikkelen. Verschillende perspectieven leiden meestal tot innovatie. Het wachten is op toetsbare modellen en theorieën.

    In 1998, toen de Chinese economie net aan zijn opmars was begonnen, stak Kishore Mahbubani de lont in het intellectuele kruitvat met zijn boek Can Asians Think? Twee decennia later, nu Azië het hart van de wereldeconomie vormt en China de Amerikaanse hegemonie in de Aziatisch-Pacifische regio en zelfs de hele wereld naar de kroon steekt, vindt Mahbubani’s vraag opnieuw weerklank, en misschien nog wel meer dan eerst.

    Het zal duidelijk zijn dat Mahbubani zich niet afvroeg of het de Aziaten ontbrak aan de cognitieve vaardigheden van andere wereldbewoners. Hij vroeg zich af of Azië – met zulke uiteenlopende landen als Japan en Singapore in de gelederen – over eigen intellectuele denkkaders beschikt, naast het dominante westerse paradigma. Beschikten Aziatische volken over specifieke waarden die konden verklaren waarom Azië zo razendsnel moderniseerde?

    Nieuwe impuls

    Sommige politieke beschouwers antwoordden op Mahbubani’s vraag dat Aziatische kernwaarden, zoals hard werken, pragmatisme en het gezin als hoeksteen, niet specifiek Aziatisch zijn. Anderen beweerden dat Aziatische waarden niet alleen uniek zijn, maar ook superieur aan die van het Westen. Ook Mahbubani vond dat Azië over eigen waarden en intellectuele tradities beschikt, die volgens hem minstens zo veel aandacht en waardering verdienen als de westerse, al was het maar vanwege het wisselvallige succes van die laatste. Op het moment waarop hij zijn boek publiceerde, had de Aziatische financiële crisis van 1997 nog maar net verschillende economieën in de regio de nek omgedraaid, volgens veel Aziaten als gevolg van overheersende westerse economische ideeën.

    Nu, twintig jaar na Mahbubani’s boek, krijgt de discussie over de intellectuele eigenheid van Azië opnieuw een impuls, deels door het zelfverzekerde politieke leiderschap van de Chinese president Xi Jinping en de Indiase premier Narendra Modi. Dat leidt tot de volgende drievoudige vraag: wat kunnen we leren van het debat over Aziatische waarden, wat schort eraan en hoe kan het op productieve wijze worden gestimuleerd?

    Toen Mahbubani’s boek verscheen, vormde het een schril contrast met Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama, dat vijf jaar daarvoor nóg enthousiaster was ontvangen. Fukuyama beweerde dat de liberale democratie en het vrijemarktkapitalisme na de val van het communisme als overwinnaars uit de strijd tevoorschijn waren gekomen. Geen ander politiek stelsel, aldus Fukuyama, kon zich met het democratisch kapitalisme meten als het ging om politieke vrijheid en economische welvaart.

    Een tijdlang bleek Fukuyama’s profetie juist. Voormalige communistische landen, zoals die in Midden- en Oost-Europa, werden democratischer en omarmden de markt. Dat zelfs Deng Xiaoping ervoor pleitte China te ‘hervormen en open te stellen’ leek de weg vrij te maken voor een toekomstige open houding van China ten opzichte van de democratie. Of er nu een ‘einde’ aan de geschiedenis was gekomen of niet, de democratische, kapitalistische wereld was the place to be.

    De Aziatische financiële crisis leek dat idee aanvankelijk te bevestigen, want maakte een einde aan enkele economische succesverhalen in de regio en bracht de Aziatische aanpak schijnbaar in diskrediet. Maar doordat landen als Maleisië, dat de door het IMF voorgestelde economische remedie afwees, zich veel sneller herstelden dan landen die de IMF-adviezen opvolgden, ontstond in heel Azië twijfel over de westerse wijsheid. Westerse ideeën waren misschien toch niet zo belangrijk geweest voor de overwinning van het democratisch kapitalisme.

    Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met problemen, belichaamd in president Donald Trump

    Tien jaar na de verschijning van Mahbubani’s boek leken de kansen nog verder te keren. De VS en Europa stortten zich in een zo ernstige zelf veroorzaakte crisis dat de rest van de wereldeconomie erin leek te worden meegesleurd, tot grote ergernis van Aziatische landen, die juist pijnlijke hervormingen hadden doorgevoerd om dat soort toestanden te voorkomen.

    Het zag ernaar uit dat halfbakken ideeën de crisis van 2008 hadden veroorzaakt. Om Friedrich von Hayek te citeren, toen hij in 1974 sprak bij de instelling van de Nobelprijs voor de economie, werden de ‘volmaakte’ economische modellen waarmee westerse regeringen en economen de toekomst voorspelden, ontmaskerd als ‘valse schijn’. Von Hayek schilderde het westerse economische denken af als een keizer die weliswaar nog niet al zijn nieuwe kleren aanhad, maar toch al in vergevorderde ontklede staat verkeerde.

    De gevolgen van deze schertsvertoning waren ernstig: behalve het ongedaan maken van tien jaar economische groei ook stagnatie, westerse overheden die zaten opgezadeld met enorme schulden en centrale banken die hun balans opkalefaterden met zoiets experimenteels als kwantitatieve versoepeling, een vorm van directe geldschepping. Tegelijkertijd namen de economische ongelijkheid, de kwetsbaarheid van de democratie en de politieke polarisatie toe, wat de Aziatische twijfel aan westerse ideeën alleen maar vergrootte, en ook die aan de westerse dominantie in de wereldeconomie.

    Sterker nog, het toenemende besef dat de panacee van de vrijemarktpolitiek, neergelegd in de zogeheten Washington-consensus, had gefaald, en ook de vooraanstaande politici die erin hadden geloofd, heeft bijgedragen aan de opkomst van schijndemocratieën en autocratieën in Hongarije, Polen, Turkije en andere landen. Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met dergelijke problemen, belichaamd in president Donald Trump, die het protectionisme heeft omhelsd en het systeem van ‘checks and balances’, de basis van de Amerikaanse democratie, met zo veel woorden op losse schroeven heeft gezet.

    Confucius (links) en Mencius.
    Confucius (links) en Mencius.

    Geen wonder dat de twijfel van Azië aan westerse ideeën er alleen maar groter op is geworden. In China wil de overheid dat scholen en universiteiten meer aandacht besteden aan het Chinese gedachtegoed (een hervorming die naadloos aansluit op de wens van de overheid om haar intellectuele en politieke legitimiteit te versterken). Ook andere Aziatische landen, zoals Zuid-Korea en India, proberen hun eigen intellectuele tradities op te poetsen, niet zozeer om ze rechtstreeks te laten concurreren met westerse ideeën, maar zodat ze op z’n minst kunnen dienen als gelijkwaardige tradities om de wereld te duiden.
    Eerlijk gezegd stonden Fukuyama en vergelijkbare beschouwers van de democratie niet kritiekloos te juichen over het Westen, zoals sommige experts ons hebben willen doen geloven. Integendeel, want Fukuyama gaf toe dat het dominante westerse liberaal-democratische stelsel feilbaar was en zelfs niet bruikbaar in elk land. In ‘Orde en verval’, het tweede deel van zijn boek De oorsprong van onze politiek uit 2014, ging hij zelfs een stap verder toen hij erkende dat de recente ervaringen van China laten zien dat ‘autoritaire overheden soms beter dan democratische in staat zijn om definitief met het verleden te breken’.

    Robert Skidelsky van de Universiteit van Warwick wijst erop dat de intellectuele schraalheid van de economische leer een zwakte van het westerse economische denken is. Uit de Grote Depressie van de jaren dertig kwam de keynesiaanse economie voort. De stagflatie van de jaren zeventig leidde tot het monetarisme van Milton Friedman, dat een revolutie in het overheidsbeleid teweegbracht. Maar tien jaar na de Grote Recessie bestaat er geen eensgezindheid over een nieuwe doorbraak in het westerse economische denken.

    ‘De rest’

    Terwijl het Westen met problemen blijft worstelen, gaat het Azië voor de wind. De economieën van China, India en Zuidoost-Azië zijn bij elkaar goed voor een groei van 63 procent van het wereldwijde bbp en meer dan de helft van de nieuwe consumptie in de afgelopen vijftien jaar. De landen die Fareed Zakaria ooit ‘de rest’ noemde, staan op het punt het Westen in te halen als het gaat om productie, consumptie en spaartegoeden.

    Dat doet vermoeden dat de recente groei van Azië niet zomaar kan worden afgedaan als een kwestie van een paar ontwikkelingslanden die de ontwikkelde landen hebben bijgehaald. In plaats daarvan lijken de Aziatische economieën, zoals Hamid Dabashi van Columbia-universiteit beweert, na eeuwenlange imperialistische overheersing eindelijk te draaien op eigen ideeën. In zijn boek Can Non-Europeans Think? uit 2015, een titel die zelfverzekerd naar die van Mahbubani verwijst, stelt Dabashi dat het probleem niet zozeer was dat ‘de rest’ niet over eigen theoretische kaders beschikte, maar dat die werden gebagatelliseerd en genegeerd.

    Dabashi wijst op het boek Oriëntalisten (1978) van wijlen Edward Said, ook van Columbia-universiteit, dat een overzicht biedt van neerbuigende westerse voorstellingen van ‘het Oosten’ als een regio met minder geavanceerde, minder rationele en uiteindelijk inferieure samenlevingen. Hun manier van denken en hun prestaties werden vaak als minderwaardig beschouwd: misschien waren ze ter plaatse toepasbaar, maar niet universeel, in tegenstelling blijkbaar tot eurocentrische kaders. Daardoor kostte het niet-westerse intellectuelen moeite om op voet van gelijkheid met hun westerse evenknieën te discussiëren.

    Maar hoe geïntimideerd niet-westerse denkers zich misschien ook hebben gevoeld, daar komt een einde aan nu de gebreken van westerse ideeën en modellen aan het licht treden. Dat Trump en de zijnen de feiten, de rede en de wetenschap onder vuur nemen verzwakt de positie van het Westen nog verder. De vraag is of niet-westerse denkers deze kans om de invloed van hun eigen intellectuele kaders uit te breiden zullen grijpen.

    Een belangrijke uitdaging voor Aziatische denkers is dat ze hardnekkige westerse vooroordelen moeten overwinnen. Engelstalige uitgevers hebben nog steeds de neiging om vanuit eurocentrisch perspectief bij te dragen aan de duiding van de wereldpolitiek. Er zijn bijvoorbeeld allerlei waardevolle wetenschappelijke publicaties over China, vooral van Chinese wetenschappers die in het Westen wonen en werken (onder wie Yasheng Huang en Minxin Pei). Die lijken echter vooral bedoeld om de Chinafobie aan te wakkeren of het risico van een crisis of een totale ineenstorting te benadrukken. Het werk van niet-westerse denkers blijft in Europese landen meestal onvertaald, hoewel de kennis en de waardering van kenners voor het werk van bijvoorbeeld Confucius, Mencius en Han Feizi [Chinese geleerden] niet-ingewijden ongetwijfeld zullen helpen hun politieke en zakelijke gesprekspartners in China beter te begrijpen.

    Het verschil tussen India en het Westen is alleen werkelijk te begrijpen als iemand de praktijk van _purva paksha_ (zoiets als “wederzijdse betrokkenheid”) begrijpt en erkent dat daar “harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei” voor nodig is

    Doordat zulken boeken maar weinig in het Westen worden uitgegeven, stellen vooral in het Engels schrijvende Indiërs het westerse denken ter discussie. Zo laat historicus Pankaj Mishra in zijn Op de ruïnes van het imperialisme (2012) zien hoe vroeg-twintigste-eeuwse Aziatische intellectuelen als Gandhi, Kang Youwei en Mohammed Abdoe zich genoodzaakt zagen hun eigen tradities – respectievelijk het hindoeïsme, het confucianisme en de islam – opnieuw vanuit westers perspectief te bezien.

    Om hun ideeën verder te verbreiden moeten niet-westerse denkers met doorwrochte, overtuigende betogen laten zien dat die origineel, waardevol en universeel zijn. Ze zouden dat kunnen doen op Mishra’s manier, namelijk door zich te bedienen van eurocentrische middelen. Ze zouden die aanpak ook links kunnen laten liggen en helemaal buiten Europese modellen om kunnen denken. Of ze zouden de twee kunnen integreren in een consistent, universeel analytisch denkraam.

    Welke aanpak niet-westerse denkers ook kiezen, denkwijzen, opvattingen en concepten die hun waarde in eigen land allang hebben bewezen, zullen moeten worden aangepast om ze universeel geldig te maken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

    De Indiase auteur Rajiv Malhotra laat met zijn boek Being Different: An Indian Challenge to Western Universalism zien hoe ingewikkeld dat is. Niemand zal betwisten dat India verschilt van het Westen. Malhotra beweert echter dat iemand dat verschil alleen werkelijk kan begrijpen als hij de praktijk van purva paksha (zoiets als ‘wederzijdse betrokkenheid’) begrijpt en erkent dat daar ‘harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei’ voor nodig is. En dat kan alleen als hij ook het begrip ‘dharma’ uit Indiase religies begrijpt en aanvaardt.

    Een Chinese lezer zal dat niet zo heel veel moeite kosten, want dharma vertoont enige gelijkenis met het begrip ‘tao’ uit de traditionele Chinese filosofie. Maar een seculiere westerse wetenschapper zal zulke lastig te definiëren begrippen niet zomaar snappen. En zelfs al doet hij dat wel, dan zal hij misschien niet bereid zijn om dharma of tao te accepteren als grondslag voor een bruikbaar intellectueel kader, want geen van beide kan wetenschappelijk worden getoetst of empirisch worden geverifieerd.

    Een andere grote uitdaging voor niet-westerse denkers is dat ze hun ideeën – en vooral de intellectuele bouwstenen van het Chinese economische wonder – zodanig moeten verpakken dat die zich kunnen meten met de Washington-consensus. Ook al hebben miljoenen Chinezen een westerse opvoeding of opleiding genoten, er bestaat geen samenhangende of overtuigende Chinese analyse van de oorzaken van China’s economische succes. Doordat een dergelijke ‘Beijing-consensus’ ontbreekt, kunnen westerse waarnemers China’s ervaringen afdoen als idiosyncratisch, waarmee ze verhinderen dat de lering die eruit valt te trekken brede ingang vindt.

    Han Feizi.
    Han Feizi.

    Gegeven die combinatie van conceptuele belemmeringen en weerstand tegen onbekende denkkaders zal het niet eenvoudig zijn het Westen ervan te overtuigen dat ‘de rest’ iets te bieden heeft. Voorlopig is het concrete bewijs dat het Aziatische beleid succes heeft waarschijnlijk het beste argument om niet-westerse opvattingen over te nemen. Zo zou de invoering, in India, van een unieke digitale identiteitscode (‘Aadhaar’ genaamd) meer kunnen betekenen voor de totstandkoming van een inclusieve economie dan welke academische publicatie ook.

    Toch zullen niet-westerse denkers hun ideeën op de lange termijn moeten vertalen in toetsbare modellen en theorieën. Vanwege de complexiteit en de onderlinge verbondenheid van bestaande stelsels zal dat waarschijnlijk niet de verdienste van één individu zal zijn, een nieuwe John Maynard Keynes of Milton Friedman, maar eerder een collectieve onderneming op basis van gedeelde kennis. De Chinese traditie om voor elke dynastie een ‘encyclopedie’ te maken, schept in dat verband een nuttig precedent.

    In het bedrijfsleven leidt grotere diversiteit tot groter succes. De verschillende perspectieven die verschillende partijen inbrengen, en zelfs het ongemak dat uit die verschillen kan voortkomen, leiden meestal tot innovatie. Nu de wereld de problemen probeert aan te pakken die voortkomen uit de westerse visie op groei en ontwikkeling, zoals economische ongelijkheid en maatschappelijke onvrede, is juist dat soort uit diversiteit geboren doorbraken nodig. Het Westen heeft zijn zegje gedaan. Nu is de rest aan de beurt.

    Auteur: Andrew Sheng
    Vertaler: Nico Groen

    Andrew Sheng is momenteel professor aan de Tsinghua-universiteit in Beijing. Zijn laatste boek verscheen onder de titel From Asian to Global Financial Crisis in 2009 bij de Cambridge University Press.

    Project Syndicate
    Praag | project-syndicate.org

    Deze non-profitorganisatie, opgericht in 1994, produceert commentaren en journalistiek door bekende economen, politici, academici en andere maatschappelijk betrokken schrijvers voor een wereldwijd publiek. PS levert content aan 459 media in 155 landen.

    mahbubani

    Hoe Azië het Westen pijlsnel inhaalt

    Het Westen stond de afgelopen tweehonderd jaar aan kop in de wereldgeschiedenis, maar die tijd is voorbij. Volgens Kishore
    Mahbubani, een van de bekendste denkers van Azië, zijn onder andere China en India hard bezig om het Westen over te nemen, op zowel
    economisch als intellectueel vlak.

    De Balie nodigde Mahbubani uit in de serie De Balie Invites om uit te vinden wat de oorzaak is van deze verandering. Hoe moet het Westen reageren?

    Podium. Zaterdag 14 april om 14:00 uur.

  • Emma González: Het nieuwe gezicht van Florida’s latino’s

    Emma González: Het nieuwe gezicht van Florida’s latino’s

    Tot voor kort stond de Cubaanse gemeenschap in Florida bekend als oerconservatief. Maar met Emma González, het gezicht van het antiwapenprotest, staat een generatie op met progressievere idealen.

    In de nasleep van de afschuwelijke schietpartij van 14 februari op de Marjory Stoneman Douglas High School in Florida is een nieuwe beweging ontstaan die oproept tot aanscherping van de wapenwetgeving op automatische wapens, het sterkste protest sinds het Columbine-bloedbad in 1999. Emma González ontpopte zich tot het gezicht van de beweging met een gloedvolle toespraak voor het gerechtsgebouw van Broward, waar ze president Trump en andere politici de mantel uitveegde voor het aannemen van donaties van de National Rifle Association. González en haar schoolgenoten David Hoog en Cameron Kasky vertegenwoordigen een jeugdprotestbeweging die misschien eindelijk strengere wapenwetgeving zal kunnen afdwingen.

    Emma, dochter van advocaat Jose González die Cuba in 1968 ontvluchtte, is de voorbode van een nieuwe generatie latinojongeren die de potentie hebben belangrijke politieke spelers te worden vanwege hun talent om verschillende groepen kiezers aan te spreken en een duidelijke boodschap voor verandering uit te dragen. Ze komt rond voor haar identiteit uit. ‘Ik ben achttien jaar oud, Cubaan en biseksueel’, zegt ze in de inleiding van haar essay dat onlangs in Harper’s Bazaar werd gepubliceerd. Hoewel het Spaanstalige televisiestation Univision wist te melden dat ze geen Spaans spreekt, steekt González haar Cubaanse identiteit niet onder stoelen of banken. En al meldde The Sun Sentinel dat haar gemillimeterde haar is ingegeven door praktische overwegingen – ‘Haar is gewoon een extra laag kleding [in dit warme klimaat],’ protesteerde ze –, maakt ze gezien haar inzet voor een veilige schoolomgeving voor LHBT’ers en het feit dat ze onlangs zelf uit de kast is gekomen geen geheim van haar seksuele geaardheid. Maar terwijl ze als adolescent met verschillende rollen jongleert, weet ze ondertussen haarscherp in te zoomen op het probleem dat de Amerikaanse politiek en de democratie bedreigt. ‘Het ergste is dat het merendeel van de Amerikaanse bevolking zich heeft neergelegd bij het zinloze onrecht dat overal om hen heen wordt aangericht’, schrijft ze in Harper’s Bazaar. ‘Het ergste is dat de meeste Amerikaanse politici zich eerder door geld laten leiden dan door de mensen die op hen hebben gestemd.’


    Ana María Dopico, hoofddocent aan de New York University, zegt dat González doet denken aan de legendarische Cubaanse revolutionair José Martí. ‘Als kenner van José Martí, die als tiener al politiek gevangene was en later een bekend dichter en politieke ster werd, is het fascinerend om naar Emma González te kijken,’ zegt Dopico. ‘De openhartige manier waarop ze over zichzelf vertelt, de rouwklacht over haar gestorven vrienden, het opeisen van een leiderschapsrol voor de jeugd, het appelleren aan een betere toekomst, een nieuwe invulling geven aan het burgerschap, dit alles maakt deel uit van de Cubaanse en Amerikaanse politieke geschiedenis.’

    Eind februari namen González, die op Twitter inmiddels meer volgers heeft dan de NRA, en Republikein Marco Rubio, senator voor Florida, deel aan de meest bekeken ‘town hall meeting’ op CNN. Tijdens deze discussiebijeenkomst tussen onder anderen overlevenden van de schietpartij en politici weigerde Rubio, zoon van Cubaanse immigranten, te zeggen of hij nog donaties zou aannemen van de NRA. Hij draaide om de hete brij heen en zei dat donaties van de organisatie niet ter zake deden maar dat het erom ging dat de kiezers ‘instemmen met mijn politieke agenda’ om het tweede amendement van de grondwet [het recht om wapens te dragen] te steunen.

    Emma González zet een trend voort die al jaren te zien is in Florida. Terwijl de rechtse agenda van de oorspronkelijke ballingen uit het Fidel Castrotijdperk aan politiek belang heeft ingeboet, verschuiven de Cubaanse kiezers geleidelijk aan van de Republikeinen naar de Democraten. Rubio doet zijn best om beide groepen te bedienen. Uit exitpolls bleek dat hij bij zijn laatste verkiezing beter scoorde onder oudere kiezers en Cubaanse Amerikanen dan bij kiezers onder de veertig jaar en andere latino’s. Bij de presidentsverkiezingen van 2016 haalde Trump 54 procent van de Cubaans-Amerikaanse stemmen binnen. Anti-Castro-hardliners hebben Trump wellicht gesteund vanwege zijn voornemen een einde te maken aan Obama’s toenaderingsbeleid, maar het percentage van 54 procent verbleekt bij de 78 procent Cubaanse Amerikanen die George W. Bush in 2004 steunden. Die daling is te danken aan de jongere generatie Cubanen die in de VS zijn geboren.

    De ruk naar links werd in gang gezet door de recessie van 2008, waarbij de oudere millennials hun loopbaanperspectieven zagen verslechteren en hun kansen op een koophuis snel zagen slinken

    Emma González vertegenwoordigt niet alleen deze jongere Cubaanse-Amerikaanse generatie, die een andere kijk heeft op de betrekkingen met Cuba, maar ook de millennials en de opkomende generatie Z, die er progressievere idealen op nahouden. De ruk naar links werd in gang gezet door de recessie van 2008, waarbij de oudere millennials hun loopbaanperspectieven zagen verslechteren en hun kansen op een koophuis snel zagen slinken. En nu eist een protestbeweging, opgezet door tieners die hun leven niet zeker zijn in een omgeving die juist hun veiligheid zou moeten garanderen, strengere wapenwetgeving. Hoewel er overeenkomsten zijn tussen de beweging waarvan Emma het boegbeeld is en jongerenbewegingen elders in de wereld, bijvoorbeeld in Chili, heeft de zoveelste aanslag op Amerikaanse scholieren een politieke woede ontketend die herinnert aan het activisme dat mede tot de beëindiging van de Vietnamoorlog leidde. Destijds gingen studenten de straat op omdat ze niet als kanonnenvoer wilden dienen in een oorlog waar ze het nut niet van inzagen, nu gaan ze de straat op omdat ze niet in hun eigen onderwijsinstituten willen worden afgeslacht.

    Na een jaar Trump zijn talloze groepen – vrouwen, moslims, latino-immigranten, Afro-Amerikanen – aangevallen en gekleineerd, niet alleen door het tactloze gedrag van de president maar ook door het politieke spel van de rechterflank van de Republikeinen. Emma vertegenwoordigt als scholier niet alleen jongeren, maar ook vrouwen, latino’s en de LHBT-gemeenschap. ‘Het is interessant dat ze ervoor heeft gekozen te zeggen dat ze tot verschillende gemeenschappen behoort,’ zegt Jorge Duany, hoofd van het Cuban Research Institute van de Florida International University. ‘Daarmee benadrukt ze de gedeelde belangen tussen de gemeenschappen.’ NYU-hoofddocente Dopico stelt dat González’ homoseksualiteit haar zowel met de Amerikaanse politiek van sociale rechtvaardigheid als met de Cubaanse en Cubaans-Amerikaanse strijd voor homorechten verbindt. ‘Ze behoort tot een generatie die zich vrijer voelt met betrekking tot hun identiteiten en loyaliteiten.’

    Kan Emma González bepalend worden voor de latinopolitiek in Florida en een impuls geven aan een nieuwe intersectionele beweging onder Amerikaanse jongeren om de conservatieve politieke trends van de komende jaren een halt toe te roepen? Hoewel Emma in haar essay in Harper’s Bazaar beweert zo besluiteloos te zijn dat ze niet eens een lievelingskleur kan kiezen, is dat misschien niet eens een bezwaar. Door haar verschillende identiteiten te integreren heeft ze de kracht gevonden om een zaak te verdedigen die een stempel zou kunnen drukken op haar generatie.

    Auteur: Ed Morales
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Openingsbeeld: Emma González (midden) met klasgenoten tijdens de March for Our Lives op 24 maart jl. in Washington. – © Matt McClain / Getty Images

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Trumps handelsoorlog speelt China in de kaart

    Trumps handelsoorlog speelt China in de kaart

    Het is begrijpelijk dat president Trump de Amerikaanse staal- en aluminiumindustrie wil beschermen tegen China, schrijft zakensite Bloomberg. Maar door de importtarieven te verhogen kiest hij voor een ‘Game of Thrones-oplossing’ waarmee hij zijn partners van zich vervreemdt.

    Gary Cohn had een van de zwaarste klussen in Washington: een impulsieve president die stond te popelen om een handelsoorlog te ontketenen daarvan proberen te weerhouden. Nu Cohn is opgestapt als directeur van Trumps Nationale Economische Raad, is de weg voor de president vrij om hoge tarieven te heffen op de import van staal en aluminium uit de hele wereld. Ook heeft Trump meer speelruimte gekregen om China te straffen voor vermeende diefstal van intellectuele eigendom. De Verenigde Staten zijn van plan Chinese investeringen in te dammen en uiteenlopende Chinese goederen hoge invoerbelastingen op te leggen, vertelden goed ingevoerde waarnemers op 6 maart aan Bloomberg News.

    Trump en de nationalisten naar wie 
hij luistert, zoals minister van Economische Zaken Wilbur Ross en handelsadviseur Peter Navarro, hebben een punt. De Amerikaanse staal- en 
aluminiumindustrie is zwaar getroffen door oneerlijke Chinese concurrentie. 
China heeft onder internationale druk een begin gemaakt met de sluiting 
van enkele staalfabrieken. Toch is de productiecapaciteit nog altijd twee keer zo groot als in 2006, het jaar waarin de Chinese staatsraad aan-
kondigde structurele overproductie 
te willen stimuleren. De aluminium-
productie volgt hetzelfde patroon.

    Veel critici doen Trumps belofte 
om de importtarieven te verhogen af als een truc om stemmen te winnen 
of als spierballenvertoon. Dat is het 
misschien ook wel, maar het is meer dan dat

    Trump en zijn adviseurs hebben ook gelijk wanneer ze zeggen dat economische macht uitoefenen een kwestie is van nationale veiligheid en dat China dat spelletje beter beheerst dan de VS. Het is China’s vaste gewoonte om 
buitenlandse bedrijven te dwingen hun intellectuele eigendom af te staan – de kroonjuwelen van elk bedrijf. 
Het is de prijs die ze betalen om zaken te mogen doen in het land. Met het project ‘Made in China 2025’ maakt China middelen vrij voor een scala aan geavanceerde technologieën, zodat 
het land minder afhankelijk wordt van potentiële vijanden als de VS en Japan. In de door het Pentagon opgestelde nationale defensiestrategie voor 2018 beschuldigen de VS China en Rusland ervan ‘de internationale orde van 
binnenuit te ondermijnen’.

    Trump verdient daarvoor alle lof, 
want veel critici doen zijn belofte 
om de importtarieven te verhogen af als een truc om stemmen te winnen 
of als spierballenvertoon. Dat is het 
misschien ook wel, maar het is meer dan dat. Niemand minder dan 
Michael Froman, de voormalige 
handelsadviseur van president Obama en bepaald geen vriend van Trump, zei op 5 februari: ‘Het is in het nationale belang om een sterke eigen staal- en aluminiumindustrie te hebben.’

    Nu is het tragische dat Trump niet China maar de VS tot mondiale steen des aanstoots heeft gemaakt. De nationale veiligheid als rechtvaardiging opvoeren om de invoertarieven te verhogen geeft andere landen het excuus om hetzelfde te doen, waardoor een 
gat ontstaat in het web van handelsovereenkomsten dat de VS de afgelopen decennia zo zorgvuldig hebben gesponnen. En de tarieven aan alle landen opleggen, waarmee Trump heeft gedreigd, slaat een bres in het gezamenlijke front van Amerikaanse handelspartners dat nodig is om 
China een toontje lager te laten zingen. ‘Het zal worden beschouwd als laatste en belangrijkste signaal dat de VS onder Trump niet langer een betrouwbare economische partner zijn,’ zegt Roland Rajah van het Lowy Institute, een in Sydney gevestigde denktank.

    Een Amerikaanse staalarbeider snijdt een nieuw-gegoten plaat staal af in een fabriek in Indiana. – Scott Olson / Getty Images
    Een Amerikaanse staalarbeider snijdt een nieuw-gegoten plaat staal af in een fabriek in Indiana. – Scott Olson / Getty Images

    Critici zijn er als de kippen bij om erop te wijzen dat China de op tien na grootste staalleverancier van de VS is en de op drie na grootste aluminium-leverancier. Trumps tarieven vormen een gevaar voor ongeveer ‘nul procent’ van de Chinese economie, schreef 
Tom Orlik van Bloomberg Economics op 1 maart. Canada, de grootste exporteur van beide metalen naar Amerika, zal 
er veel meer last van krijgen.

    Ineens laait de discussie op over een mogelijke handelsoorlog tussen de 
VS en enkele van hun trouwste bondgenoten. De voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, nam de stoere taal van Trump over tijdens een toespraak in Duitsland op 2 maart: ‘We gaan de tarieven voor bourbon, Harley-Davidson-motoren en Levi’s-spijkerbroeken verhogen. Wij kunnen ook stom doen. We zullen wel zo stom moeten zijn.’ De kop van de Londense krant City A.M. maakte een toespeling op het beroemde nummer ‘American Pie’ van Don McLean: ‘Hit the Chevy with a Levy, Tax Your Whiskey & Rye’.

    Trump twitterde uiteraard terug dat als Europa zou terugslaan, de VS op hun beurt de invoertarieven op 
Europese auto’s zouden verhogen. Op 5 februari zond hij een tweet de wereld in dat hij mogelijk een uitzondering zou maken voor Canada en Mexico als ze bereid waren een ‘nieuwe en eerlijke’ Noord-Amerikaanse vrijhandelsovereenkomst te ondertekenen. Dat ondergroef uiteraard zijn eerdere 
argument dat de tarieven noodzakelijk waren uit oogpunt van nationale 
veiligheid.

    Game of Thrones

    Dat westerse leiders elkaar te dom af proberen te zijn speelt China in de kaart en verklaart misschien waarom Chinese leiders zich relatief stil hebben gehouden. Liu He, een hoge gezant van president Xi Jinping, hield zich gedeisd toen hij Washington bezocht en opriep tot samenwerking. Zoals Napoleon zou hebben gezegd: loop nooit een tegenstander voor de voeten die een verkeerd besluit neemt.

    De reden waarom Trump zijn bondgenoten op handelsgebied blijft aanvallen, is dat hij handel ondanks de inspanningen van adviseurs als 
Cohn beziet vanuit een Game of Thrones-perspectief: als een oorlog waarin een van beide partijen móét verliezen. 
Volgens de trumponomics is export goed en import slecht. Een handelstekort wordt vooral gezien als een bewijs dat de andere partij te kwader trouw is.

    Bij welke docent economie Trump op Wharton ook in de collegebanken heeft gezeten, die zal de huidige situatie met afgrijzen aanschouwen. Twee partijen hebben voordeel bij een internationale transactie, anders zouden ze geen zaken met elkaar doen. Sterker nog: het is heel normaal dat landen een overschot hebben bij sommige partners en een tekort bij andere, precies zoals het hoofd van het huishouden een ‘handelstekort’ bij zijn of haar supermarkt, huisarts of tandarts heeft en een ‘handelsoverschot’ bij zijn of haar werkgever.

    Hoewel een handelstekort met een land natuurlijk niet op problemen wijst, is het voor de VS niet gezond 
om overal ter wereld een hardnekkig tekort te hebben. Betere handelsovereenkomsten kunnen die tekorten terugdringen, doordat ze barrières voor de export van Amerikaanse goederen en diensten wegnemen. Daar heeft Trump gelijk in.

    Maar de Amerikaanse handelstekorten laten ook zien dat het land er niet in slaagt genoeg geld over te houden om in fabrieken, woningbouw, wegen et cetera te investeren. Het handelstekort is het statistische broertje van een gebrek aan middelen: de VS moeten lenen om hun consumptie te financieren, in plaats van dat het land import betaalt met export. Op dat vlak gaat het de verkeerde kant op. De belastingverlagingswet die meer banen moet opleveren, eind 2017 triomfantelijk door Trump ondertekend, zal er alleen maar voor zorgen dat het nationale begrotingstekort toeneemt. Dat zorgt er volgens economen weer voor dat 
het gebrek aan middelen groter wordt, evenals het handelstekort. Als een 
eeneiige tweeling komen het begrotings- en het handelstekort uit ‘dezelfde zygote’, aldus de titel van een 
onderzoeksrapport van de bank 
JPMorgan Chase & Co op 2 maart.


    Door zich onder verwijzing naar het zelden gebruikte ‘lid 232’ van de 
Handelsexpansiewet van 1962 op de nationale veiligheid te beroepen, scheppen de VS een precedent voor het omzeilen van de regels van de Wereldhandelsorganisatie. De WHO is traag 
en lang niet altijd effectief, maar wanneer landen haar beginnen te negeren en elkaar om de oren slaan met hoge tarieven en quota, kan de wereldhandel met een schok tot stilstand komen. Dat zou iedereen parten spelen.

    ‘De nationale veiligheid moet als 
argument voor speciale gelegenheden achter de hand worden gehouden, zoals het hoort,’ zegt Nicole Lamb-Hale, voormalig staatssecretaris van Economische Zaken in de regering-Obama. ‘Andere landen zullen zeggen: “Amerika doet het, dus wij mogen het ook”,’ aldus Lamb-Hale, tegenwoordig directeur bij Kroll Inc., een onderzoeks- en beveiligingsbedrijf.

    Het idee dat de VS hun metaalproductie zouden moeten opvoeren om schepen, tanks en vliegtuigen te vervangen die in de strijd zijn verwoest, is Tweede Wereldoorlogdenken, aldus Jeff Bialos, partner bij advocatenkantoor Eversheds Sutherland in Washington en voormalig staatssecretaris van Defensie in de regering-Clinton. ‘Vandaag de dag gaat het om kwalitatief overwicht,’ zegt hij. Als het schieten begint, 
‘vechten we met wat we hebben’.

    ‘Doen hetzelfde als China’

    Dat Trump met een handelsoorlog dreigt, maakt het lastiger om gecoördineerd op te treden tegen de nationalistische Chinese handels- en investeringsagenda. Duitsland is sinds 2016 een stuk scherper op zijn beleid op 
het gebied van buitenlandse investeringen. In dat jaar verijdelden de VS 
de verkoop van Aixtron, een Duitse fabrikant van apparatuur voor de 
productie van halfgeleiders, aan een Chinees investeringsbedrijf door de aankoop van de Amerikaanse tak te dwarsbomen. In september stelde Commissievoorzitter Juncker een 
systeem voor de hele EU voor om directe investeringen vanuit het buitenland te screenen. Vorig jaar gaf Australië opdracht tot het opstellen van een 
landelijk register van kwetsbare overheidsbezittingen. Het register dient om bestuurders te informeren die moeten besluiten over transacties waarbij de nationale veiligheid in het geding kan zijn. De Australiërs waren zich namelijk rot geschrokken toen een Chinese investeerder rechtstreeks met de overheid van de Northern Territory onderhandelde over de lease – 99 jaar lang! – van Darwin, een haven pal onder de neus van de Amerikaanse marine.

    Maar op dit moment lopen de VS het gevaar hun morele gelijk inzake handel en investeringen kwijt te raken. Daniel Rosenthal, adviseur bij Kroll op het gebied van buitenlandse investeringen in de VS, zegt dat de VS China al jaren de les lezen omdat het de nationale veiligheid als excuus gebruikt. Rosenthal: ‘We ondergraven ons eigen standpunt, want intussen doen we precies hetzelfde.’

    Auteur: Peter Coy

    Bloomberg
    Verenigde Staten | bloomberg.com

    Opgericht door Michael Bloomberg, de burgemeester van New York. Richt zich op de zakelijke en financiële markt.