Tag: Trump

  • 1. We moeten besmette monumenten niet vernietigen, maar verplaatsen

    1. We moeten besmette monumenten niet vernietigen, maar verplaatsen

    In het Amerikaanse Charlottesville leidde een demonstratie tegen een standbeeld van de Zuidelijke generaal Robert E. Lee tot een geweldsexplosie. En de vraag: wat moeten we met dit soort monumenten? Volgens (kunst)historicus Holland Cotter is het het beste ze in musea te bewaren. ‘Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten.’

    Dit is een zomer van herhalingen. De cultuuroorlogen zijn terug. Evenals de burgerrechtenbeweging. En de Burgeroorlog. Op 12 augustus deden die zich allemaal gelden in Charlottesville, Virginia, toen een demonstratie tegen de voorgenomen verwijdering uit een stadspark van een standbeeld van generaal Robert E. Lee, een generaal van het zuidelijke leger, tot een geweldsexplosie leidde. Twee groepen demonstranten kwamen samen en gingen met elkaar op de vuist: een bataljon blanke nationalisten, neonazi’s en Ku Klux Klan-aanhangers enerzijds, en een groep tegendemonstranten, van wie sommigen met Black Lives Matter-borden liepen.

    Vervolgens was er een tweede uitbarsting, nu op internet, toen president Donald J. Trump zich er, na een betekenisvolle stilte, vanaf maakte door beide partijen de schuld te geven van al het geweld. (‘Hoe zit het dan met het geweld van alt-links?’) Hij plaatste Robert E. Lee op één lijn met George Washington. Hij roemde de ‘schoonheid’ van het standbeeld van Lee en betreurde het verlies van andere standbeelden van geconfedereerden.

    Het is waar dat ook andere standbeelden gevaar lopen. Door de gebeurtenissen in Charlottesville en door de opmerkingen van de president, is er een zekere bewustwording op gang gekomen, een roep om alle standbeelden die herinneringen oproepen aan de Burgeroorlog weg te halen – of er juist voor te vechten. Er dient zich een verhitte ideologische strijd aan. Voor de demonstrerende blank-nationalisten is Lee een held, en symboliseert zijn standbeeld de blanke overheersing die, in een Amerika dat gestaag van kleur verandert, terrein verliest.

    Voor de raciaal gemengde contraprotestanten is hetzelfde standbeeld een herinnering aan de tijd dat de Zuidelijke Staten het land in tweeën wilde verdelen teneinde de zwarten als slaven te kunnen houden.

    Het standbeeld van geconfedereerde generaal Robert E. Lee in het Emancipation-park in Charlottesville wordt op 23 aug. neergehaald nadat Heather Heyer eerder die maand tijdens een rally tegen witte nationalisten werd vermoord. – © AP / Steve Helber
    Het standbeeld van geconfedereerde generaal Robert E. Lee in het Emancipation-park in Charlottesville wordt op 23 aug. neergehaald nadat Heather Heyer eerder die maand tijdens een rally tegen witte nationalisten werd vermoord. – © AP / Steve Helber

    Het gaat er niet bepaald netjes aan toe – de strijd kan niet worden beslecht met een opgestoken of naar beneden gekeerd duimpje. De standbeelden die het slachtoffer worden van deze strijd kunnen geheel verloren gaan, mogelijk voorgoed. De dag na de protesten gaan er beelden rond van demonstranten in Durham, North Carolina, waar een bronzen beeld van een Zuidelijke soldaat van zijn sokkel wordt getrokken. In Baltimore worden die woensdag, in het holst van de nacht, vier monumentale beelden die verwijzen naar de geconfedereerden in bestelwagens geladen en weggereden.

    Overal in het land klinkt de roep om dergelijke acties – in Annapolis, Maryland; in Jacksonville, Florida; in Memphis; in Washington; in New York, waar burgemeester Bill de Blasio opdracht heeft gegeven om alle ‘symbolen van haat’ in de stad in kaart te brengen. (Eentje was snel gevonden: een muur in de subway van Times Square, met tegeltjes die, daar waren de onderzoekers het al snel over eens, het patroon van de vlag van de Zuidelijke Staten vormden.)

    Niets nieuws

    Het vernielen van standbeelden uit sociale, politieke of religieuze motieven is niets nieuws. In het oude Egypte was het gebruikelijk dat de farao afbeeldingen van voorgangers schond of voor andere doeleinden gebruikte. In Noord-Europa werd tijdens de protestantse reformatie kunst uit katholieke kerken gehaald. De nazi’s zuiverden Europa van ‘ontaarde’ moderne schilderkunst. Mao Zedong scheurde, in zijn ‘Vier Oude Dingen’-campagne, klassieke landschappen aan flarden.

    Van recenter datum zijn de reusachtige Boeddha’s van Bamyan in Afghanistan, die de taliban in 2001 heeft opgeblazen. De beelden hiervan zijn de hele wereld over gegaan. Datzelfde geldt voor de opnamen van twee jaar later, van het reusachtige beeld van Saddam Hoessein dat in Bagdad omver werd getrokken. Eerder dit jaar heeft een Engelse kunstenares, Hannah Black, de curatoren van de Whitney Biënnale verzocht om een schilderij te verwijderen – een schilderij van een blanke kunstenares, Dana Schutz, waarop de tot martelaar uitgegroeide Emmett Till staat afgebeeld [een veertienjarige Afro-Amerikaanse jongen die in 1955 werd gelyncht in Mississippi nadat een blanke vrouw aanstoot aan hen nam].


    In principe lijkt het me heel gezond om beelden van geconfedereerde nationalisten in kaart te brengen en weg te halen. De burger in mij – die, net als elke Amerikaan dagelijks getuige is van racisme, het virus dat door ons land waart – is verheugd over de mogelijkheid om bepaalde sporen van de geschiedenis van ons land uit te wissen. De kunsthistoricus in mij is verheugd daarmee te kunnen afrekenen, maar om een andere reden.

    In tegenstelling tot president Trump kan ik weinig schoonheid ontwaren in het standbeeld van Robert E. Lee, met zijn gladde, neoklassieke nietszeggendheid. In Lee zelf zie ik een verrader die oorlog voerde tegen de Verenigde Staten, in een strijd voor een systeem van slavernij dat niet valt te verdedigen.

    Ook zie ik een werk dat niet helemaal is wat het lijkt, een reliek uit de Burgeroorlog. Zoals geldt voor veel militaire monumenten van de geconfedereerden, dateert ook dit standbeeld van ver na de oorlog – uit 1924 om precies te zijn, en het is vervaardigd in New York, voor het grootste deel door Henry Merwin Shrady, die met name bekend is geworden door zijn standbeeld van Ulysses S. Grant dat voor het United States Capitol in Washington staat. Na Shrady’s dood is het standbeeld voltooid door de Italiaanse beeldhouwer Leo Lentelli.

    In de decennia tussen 1890 en 1920 namen dit soort opdrachten een hoge vlucht. In die jaren na de wederopbouw kwam de politieke macht weer in handen van blanke zuiderlingen, en kwam de Lost Cause-beweging op. Die laatste verwijst naar een collectieve fantasie van een geïdealiseerde antebellumwereld waarin de behandeling van slaven dermate zachtaardig was dat dit onmogelijk een belangrijke factor kon zijn geweest voor het uitbreken van de Burgeroorlog.

    Om kort te gaan: het Charlottesville-Lee-standbeeld heeft veel minder van doen met het gedenken van zowel een held als een cultuur die weliswaar verloren is gegaan maar niet vergeten, dan met gevoelens van weemoed die worden aangewend om de werkelijkheid te verzachten van een heden waarin heimelijk van alles broeit. Het zal geen verbazing wekken dat in de jaren waarin dit beeld het licht zag, een sterke toename was te zien van blank-nationalistisch activisme en racistisch geweld.

    Musea zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen

    Het is belangrijk om het conceptuele mechanisme van een dergelijk beeld te doorgronden: hoe het door middel van stijl en bedrog boodschappen uitzendt die door verschillende soorten publiek op verschillende manieren kunnen worden gelezen. En die boodschappen worden heel duidelijk, en gevaarlijk, verspreid in het heden. De gewelddadige verdediging van het Lee-standbeeld in Charlottesville bewijst dat eens te meer en maakt ook dat ik, als historicus, die beelden wil behouden in plaats van ze te vernietigen.

    Zoals gezegd zijn mijn redenen pragmatisch. Op een plaats delict moet je het bewijsmateriaal intact laten. Het moet bewaard blijven voor het openbaar ministerie. In het geval van dit soort beelden is de officier van justitie de geschiedenis en kan het proces lang duren, tot ver in de toekomst voortslepen, en kunnen talloze getuigen worden opgeroepen. Men moet waken voor een overhaast oordeel en drastische beslissingen.

    Dus wat te doen met deze beelden, die nu evenzeer symbool staan voor racisme als de vlag van de Geconfedereerden? Een conservator zou kunnen zeggen: voorzie ze van een toelichting en behoud ze binnen de bedoelde context. Maar waar het mij om gaat is die context veranderen, de magie doorbreken, het stof van een vals soort nostalgie eraf kloppen, onszelf wakker schudden. Bovendien, als je de beelden verplaatst, kan er iets anders voor terugkomen, kun je nieuwe verhalen introduceren.

    En waar moeten ze dan naartoe? Naar al bestaande of nog te bouwen musea, in of buiten de stad. Daar kunnen ze in zekere zin worden bewaard, toegankelijk maar onder gecontroleerde omstandigheden, en kunnen ze worden getoond als de propaganda die ze zijn. Om dat mogelijk te maken zullen musea afstand moeten doen van hun vermeende ideologische neutraliteit. Ze zullen instellingen moeten worden die de waarheid uitdragen.

    Oefenterrein

    Onze encyclopedische musea, zoals het Met, zijn reusachtige pakhuizen vol voorwerpen van over de hele wereld die zijn bedoeld om precies dat te doen wat de beelden van de Geconfedereerden beoogden: om een ideologische boodschap uit te dragen, met ethische beelden die we stuitend zouden kunnen vinden als we in staat zouden zijn de visuele symbolen te duiden – de taal die taal overstijgt. We moeten leren symbolen te lezen met wijd open ogen, in onze eigen politieke realiteit van vandaag de dag, in een tijd van razendsnelle tweets en elektronische afleiding.

    Musea kunnen fungeren als oefenterrein voor een dergelijke manier van lezen, maar om echt effectief te zijn zullen ze eerst moeten onderkennen dat ze in historisch opzicht niet alleen een hall of fame zijn, maar ook een hall of shame.

    In reactie op de voorgenomen verwijdering van het standbeeld in Charlottesville, en andere standbeelden, twitterde president Trump: ‘Robert E. Lee, Stonewall Jackson – wie is de volgende? Jefferson? Washington? Zo dom! Je kunt de geschiedenis niet veranderen, maar je kunt er wel van leren.’

    Mis. Je kunt de geschiedenis wel veranderen, omdat je je kijk op de geschiedenis kunt veranderen. Die ligt nooit vast, al willen de Lost Cause-gedachte en de hedendaagse blank-nationalisten ons anders doen geloven. Door te graven naar beelden en woorden in dat wat we het verleden noemen, hebben wetenschappers het verleden veranderd, de cycli in kaart gebracht, er nieuwe informatie aan ontleend. Wat wij kunnen doen is bewijsmateriaal vergaren, of we er blij mee zijn of niet, en dat doorgeven.

    Auteur: Holland Cotter
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    George Packer, auteur van De ontluistering van Amerika en sterverslaggever van The New Yorker, reageert in The Atlantic op een kapitteling van collega-schrijver Ta-Nehisi Coates. Coates stelt dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse politiek en verwijt Packer dat niet als énige oorzaak te zien voor de opkomst van het fenomeen Donald Trump.

    Er valt veel te bewonderen aan het artikel ‘The First White 
President’ van Ta-Nehisi Coates over Donald Trump in de oktobereditie van The Atlantic. Het is zo’n stuk dat je meteen al in de eerste alinea bij de lurven grijpt en je niet meer loslaat. Het betoog wint aan kracht en bevat tot aan het einde toe treffende beeldspraak en bijtende polemiek (de 
politiek die opiaten als een ziekte beschouwt en crack als misdaad). De boodschap is de onweerlegbare waarheid dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse 
politiek.

    Het is de dwingende, énige oorzaak waaruit Coates het fenomeen Donald Trump verklaart. Het is een oorzaak waar niemand in Amerika het mee oneens zou mogen zijn. En het ligt ten grondslag aan elke stelling die Coates poneert. Omdat elke politieke gedraging in de blanke Amerikaanse politiek volgens hem zonder uitzondering is gebaseerd op het idee van ras, kapittelt hij mij omdat ik in de aanloop naar de verkiezingen voor The New Yorker een stuk heb geschreven over de blanke arbeidersklasse. Waarom zou je, aangezien de meeste blanke kiezers op Trump hebben gestemd, inzoomen op diegenen zonder universitaire graad, tenzij je ze van racisme wilt vrijpleiten door er andere redenen bij te halen, zoals klasse? Of erger, je sympathie met hen betuigen omdat ze van de maatschappelijke ladder af zijn gekukeld waar ze, anders dan zwarte Amerikanen, ‘van nature’ niet thuishoren? Of, nog erger, waarom zou je jezelf vrijpleiten?

    Tijdens de campagne wees de ene na de andere peiling uit dat verschillende gradaties van bevooroordeeldheid en het idee dat de economie achteruitholde de twee belangrijkste oorzaken waren voor de steun aan Trump. Ik schreef over kiezers uit de blanke arbeidersklasse, omdat hun politieke voorkeuren steeds meer verschillen van die van de hoogopgeleide blanke beroepsbevolking, zodanig dat de kaart van Amerika rood kleurt. Van Roosevelt tot Reagan, Clinton, Obama en Trump: zij zijn de belangrijkste zwevende kiezers. De flinterdunne verkiezingsoverwinning in de Rust Belt bevestigde mijn visie.

    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.
    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.

    Racisme ligt aan de basis van de Amerikaanse politiek. Maar niet alleen: dat geldt ook voor hebzucht, uiteengevallen gemeenschappen, partijgebonden haat en onwetendheid. Iedere schrijver die de Amerikaanse politiek wil begrijpen, moet een manier bedenken om in het hoofd te kruipen van degenen die op Trump hebben gestemd. Iedere progressieve politicus die aan de macht wil komen, moet een belang zien te vinden dat hij met hen deelt, zonder eerst de bijltjesdag af te wachten die blanke Amerikanen voor hun zonden laat boeten. Het is een van de belangrijkste uitdagingen van de politiek.

    Coates zul je er niet over horen, maar in mijn stuk besprak ik het verband tussen ras en klasse. Ik beweerde dat onverdraagzaamheid een constante van sommige mensen is, terwijl de vooroordelen van anderen afhankelijk van de omstandigheden kunnen worden gemanipuleerd door een demagoog als Trump. Ik zei erbij dat iedereen die Trump heeft gesteund, om welke reden ook, ‘probeert een gevaarlijke, verachtelijke man de leiding over het land te geven’. Ik heb niemand vrijgepleit noch iemand mijn sympathie betoond. Analyseren is iets anders dan rechtvaardigen, tenzij je vindt, zoals Coates, dat het hele onderwerp taboe is omdat het de waarheid over blanke superioriteit verdoezelt.

    Soms interpreteert iemand je zo slecht dat je er steil van achterover slaat, zoals wanneer Coates me ervan beschuldigt dat ik problemen als politiegeweld, draconische strafmaatregelen en andere misstanden wegwuif, alleen maar omdat ik Lawrence Summers heb geciteerd toen die het woord ‘diversiteit’ gebruikte om de Democratische coalitie te typeren. Het is het soort vertekening dat ontstaat als je fanatiek op zoek bent naar slechts één oorzaak. 
En was het mij niet ook ontgaan dat 
er zoiets bestaat als blanke-identiteitspolitiek? Ik schreef er tien jaar geleden al over, toen Sarah Palin – de Johannes de Doper van Trump – voor het eerst op het toneel verscheen. Heb ik de zwarte arbeidsklasse links laten liggen omdat de toestand waarin die zich bevindt de natuurlijke orde der dingen zou zijn? Een belangrijk deel van mijn laatste boek, De ontluistering van Amerika, gaat over een zwarte fabrieksarbeidster en de problemen in haar gemeenschap in Youngstown, Ohio. Ik vraag Coates 
niet of hij alles wil lezen wat ik heb geschreven, maar wel of hij niet wil doen alsof hij in mijn ziel kan kijken 
en of hij mijn bevoorrechte positie als blanke niet de ware oorsprong van mijn ideeën wil noemen.

    Niet één oorzaak

    Wanneer je een complete teleologie op één oorzaak bouwt – zelfs al is het zo’n machtige, hardnekkige als het blanke racisme – loop je de kans voorbij te gaan aan alles wat er niet in past. En daarom doet Coates Trumps seksisme – zijn walgelijke taal en de fysieke afkeer die veel van zijn aanhangers hebben van Hillary Clinton – af als achtergrondruis. Hij bagatelliseert vreemdelingenhaat, hoewel buitenlanders veel vaker het slachtoffer waren van Trumps retoriek en beleidsvoornemens dan zwarte Amerikanen. Coates verklaart niet waarom uiteenlopende Republikeinen op een gegeven moment Ben Carson hebben gesteund ten koste van de negen andere kandidaten, allemaal blanken. Hij laat het merkwaardige gegeven buiten beschouwing dat iets meer zwarte en Latijns-Amerikaanse kiezers en iets minder blanke voor Trump kozen en niet voor Mitt Romney. Hij noemt niet eens de naar schatting achtenhalf miljoen Amerikanen die op president Obama hebben gestemd en daarna op Trump, hoewel zij het verschil hebben gemaakt. Niet nodig om het steeds virulentere nihilisme van de Republikeinse Partij te beschrijven. Het onderscheid tussen stad en platteland? Slechts schijn.

    En dan is er het feit dat de steun voor Trump onder de blanke arbeidersklasse van tweederde op de dag van de verkiezingen is gedaald naar 43 procent in de afgelopen maand. Neemt Trump het toch niet zo nauw met die onverdraagzaamheid? Of heeft hij zijn andere plannen niet kunnen waarmaken: de corruptie aanpakken, amazing handelsovereenkomsten sluiten en Amerika weer great maken? Coates zou wel eens meer dan één oorzaak nodig kunnen hebben om dat allemaal te verklaren.

    Zij stuk slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen

    Dat 46 procent van de kiezers, voor het overgrote deel blank, op Trump heeft gestemd, dat sommigen op hem hebben gestemd vanwege zijn onverdraagzaamheid terwijl anderen die door de vingers zien, dat meer dan eenderde van het land hem steunt: het is allemaal al erg genoeg. Maar we leven in een tijd van het grote eigen gelijk, waarin nuances en concessies als zwaktes worden beschouwd en tegenvoorbeelden het bewijs zijn van een vals bewustzijn. Die sfeer is in Coates’ werk geslopen. In zijn stuk en in ander recent werk heeft hij de zelfkritische kwaliteit van zijn eerdere werk de rug toegedraaid ten gunste van een orakelachtige literaire stijl. Hij is de meest invloedrijke Amerikaanse schrijver van dit moment; zijn vorige stuk uit The Atlantic wordt op de universiteit al in de colleges gebruikt. Hij heeft nog nooit zo overtuigend geschreven en zijn zinnen slepen je mee omdat ze nergens voor wijken.

    Maar de stijl van het non-compromis offert onderwerpen op die voor lezers veel te belangrijk zijn om zo maar te laten schieten. Het slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen, de jaren van Obama een illusie worden. Het doet beleidsvoorstellen af als afleidingsmanoeuvres en de politiek zelf als immoreel handjeklap. Het tast de liberale waarde van het individuele denken aan – en daarmee de individuele verantwoordelijkheid – door gedachten en personen ondergeschikt te maken aan theorieën en groeperingen. Het begint met het essentiële inzicht dat ras een idee is en eindigt ermee dat ras zo ongeveer de essentie is van alles.

    Auteur: George Packer

    Openingsbeeld: © Ralph Fresco / Getty

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

  • Noord-Korea begrijpen? Kijk naar China in de jaren zestig

    Noord-Korea begrijpen? Kijk naar China in de jaren zestig

    Het optreden van de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un wordt vaak als roekeloos en irrationeel gezien. Maar dat klopt niet, betoogt Yevgen Sautin. China volgde in de jaren zestig dezelfde strategie.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week riep de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un op tot een grondwetswijziging om Zuid-Korea te identificeren als de ‘vijandige staat nummer één’. Daarmee lijkt de belofte van het regime om het Koreaanse schiereiland te verenigen definitief van de baan te zijn. Het land dreigt zelfs met een oorlog.

    Die oorlogstaal is niets nieuws. Al jarenlang is Noord-Korea bezig met de ontwikkeling van een kernwapenprogramma. Raketproeven laten zien dat het land in staat is de VS met een kernaanval te bedreigen. Yevgen Sautin schreef al 2017 in The Diplomat dat we die nucleaire retoriek niet al te serieus hoeven te nemen. Sautin baseert dit standpunt op de strategie van China in de jaren zestig: bluffen over kernwapens om de eigen zwakte te verbergen en de achterstand ten opzichte van andere kernmachten te verdoezelen.

    Recente tests met intercontinentale ballistische raketten wijzen het uit: in de zeer nabije toekomst zal Noord-Korea in staat zijn het Amerikaanse vasteland met een kernaanval te bedreigen. De regering van president Trump heeft gezworen het land geen gelegenheid te geven zijn ‘destructieve koers’ voort te zetten. Het is echter nog niet duidelijk hoe de Amerikanen denken Pyongyang een halt te kunnen toeroepen. Wel hebben Amerikaanse regeringsfunctionarissen hun toon verscherpt. Noord-Korea is in hun ogen nu de meest urgente bedreiging van de VS.

    Het is van belang te beseffen dat er eerder met dit bijltje is gehakt. De 
Verenigde Staten bevonden zich ruim vijftig jaar geleden in een soortgelijke situatie. Zij werden toen geconfronteerd met de nucleaire ambities van het maoïstische China. En net als nu vroegen deskundigen zich ook toen bezorgd af of er wel rationele besluitvormers achter de knoppen zaten in 
de geïsoleerde communistische staat. Militaire opties – hoe riskant ook – werden serieus overwogen. Het vooruitzicht van een nucleair China vervulde Amerikaanse leiders met ontzetting.

    Maar gaandeweg kwam zowel de regering van Kennedy als die van Johnson tot de slotsom dat China’s bescheiden kernarsenaal niet zou leiden tot een verschuiving van de onderliggende machtsverhoudingen in Oost-Azië, noch dat het vertrouwen van de Amerikaanse bondgenoten in Washingtons veiligheidsgaranties een deuk zou oplopen. Het nucleair bewapende China bleef mondiale revolutionaire bewegingen steunen en ging ook door met militaire hulp aan Noord-Vietnam in de oorlog met de Verenigde Staten. Als het om kernwapens ging, werd de toon van Beijing allengs gematigder; het liet hiermee blijken in staat te zijn tot gecalculeerde beheersing jegens de VS.

    Hardnekkig depotisme

    In december 1960 waarschuwde een Amerikaanse National Intelligence Estimate (NIE) [een document dat de standpunten van Amerikaanse geheime diensten samenvat] dat ‘China’s arrogante zelfvertrouwen, revolutionaire vuur en vertekende beeld van de wereld’ tot een ‘verkeerde inschatting van risico’s’ kon leiden. Dat gevaar zou alleen maar toenemen als communistisch China kernwapens kreeg.

    Afgezien van het revolutionaire vuur zouden dezelfde conclusies kunnen worden getrokken voor Noord-Korea. Het is immers een van de meest geïsoleerde regimes ter wereld, met een uiterst wispelturige leider: Kim Jong-un. Daarnaast maakt het land zich ook nog schuldig aan ontvoering en moord, slingert het de Verenigde Staten de wonderlijkste verwensingen naar het hoofd en dreigt het regelmatig met nucleaire aanvallen op Zuid-Korea. Wie Noord-Korea van een afstand bekijkt, zou het land gemakkelijk kunnen aanzien voor een uitzonderlijk geval van hardnekkig despotisme.

    En dat klopt dus niet, zoals blijkt uit de NIE: ook China in de jaren zestig voldeed aan dat profiel. Chinese leiders deden weinig anders dan de gevaren van een kernoorlog afwimpelen en de onvermijdelijke overwinning van de volksmassa op het Amerikaanse imperialisme en het Sovjet-revisionisme benadrukken. Tegelijkertijd overdreven de Chinese leiders de mogelijkheden van hun eigen nucleaire programma enorm en bagatelliseerden ze de effecten van een tegenaanval op het Chinese vasteland.

    Noord-Koreaanse soldaten te fiets bij de Yalu-rivier bij de grens met China. – © Kevin Frayer / Getty
    Noord-Koreaanse soldaten te fiets bij de Yalu-rivier bij de grens met China. – © Kevin Frayer / Getty

    In feite was de Chinese oorlogsretoriek strategische bluf ter compensatie van de grote verschillen in nucleair vermogen tussen China en de twee supermachten: de VS en de Sovjet-Unie. In dat licht doet het haast onwezenlijk aan om Noord-Korea nu zichzelf te horen aanprijzen als ‘een sterke kernmacht’, in het bezit van ‘zeer krachtige intercontinentale ballistische raketten die elke plek op de wereld kunnen treffen’. Het is daarbij van belang in het oog te houden dat het Noord-Koreaanse nucleaire arsenaal nog altijd klein
is, dat het land niet in staat is tot een tegenaanval en nooit in zijn eentje de militaire machtsverhoudingen in de regio zal weten te wijzigen. Het wapengekletter van Noord-Korea heeft tot doel de aandacht af te leiden van de zwakte en angst voor de toekomst van het regime.

    Pyongyang heeft geen officiële nucleaire doctrine, waardoor analisten zich gedwongen zien de strategie van het land uit een aantal uitspraken af te leiden. Kim Jong-un rept van het belang het ‘nucleaire monopolie’ van de Verenigde Staten te doorbreken. Pyongyang zal niet als eerste kernwapens inzetten (‘no first use’) en is voorstander van wereldwijde, volledige ontwapening. Nochtans heeft Noord-Korea herhaaldelijk gedreigd kernwapens te gebruiken in preventieve aanvallen tegen de Verenigde Staten of Zuid-Korea. Sinds het uit het zeslandenoverleg [tussen de VS, Rusland, China, Japan, Zuid-Korea en Noord-Korea (2003-2008)] is gestapt, heeft Noord-Korea eventuele inspanningen om het Koreaanse schiereiland nucleair te ontwapenen onmogelijk gemaakt.

    De Noord-Koreaanse verklaringen over kernwapens sluiten nauw aan op de officiële standpunten van China over kernwapens in de jaren zestig. Na China’s eerste kernproef in 1964 formuleerde Beijing ook drie uitgangspunten: China ontwikkelde atoomwapens om ‘het supermachtmonopolie te doorbreken’, China zou nooit atoomwapens 
als eerste gebruiken, en China ondersteunde de volledige uitbanning van deze wapens. En toch was Beijing sterk gekant tegen het Verdrag voor een Beperkt Verbod op Kernproeven 
(Limited Test Ban Treaty, LTBT, ook wel Beperkt Kernstopverdrag genoemd) en bleef het wereldwijde nucleaire ontwapening vijandig gezind totdat zijn eigen kernprogramma in de jaren zeventig iets begon voor te stellen. Uit het Chinese optreden zou je kunnen afleiden dat Noord-Korea opzettelijk een agressieve houding aanneemt om de algehele zwakte van het Noord-Koreaanse arsenaal te verdonkeremanen.

    Als China’s nucleaire programma in de jaren zestig geen ernstige bedreiging vormde voor de Verenigde Staten, is er nu nog minder reden te vrezen voor Noord-Korea

    Zoals William Burr en Jeffrey T. Richelson stelden in Whether to “Strangle the Baby in the Cradle”: The United States and the Chinese Nuclear Program, 1960-64 (Moeten we het kind in de wieg smoren? De Verenigde Staten en het Chinese nucleaire programma, 1960-64), beschouwde John F. Kennedy een eventuele Chinese kernproef als ‘historisch waarschijnlijk de meest significante en ernstigste gebeurtenis van de jaren zestig’. Een nucleair China was voor de regering-Kennedy zo’n schrikbeeld dat elke denkbare maatregel, van directe Amerikaanse aanvallen tot het parachuteren van Chinese nationalistische commando’s vanuit Taiwan, werd overwogen. Kennedy gaf functionarissen zelfs toestemming om Amerika’s aartsrivaal, de Sovjet-Unie, te polsen over gezamenlijke preventieve actie tegen China.

    De president stond bepaald niet alleen in zijn vrees dat een nucleair China 
de grootste bedreiging voor de wereldvrede was. Terwijl de Culturele Revolutie woedde, was de US Navy bang dat China snel de beschikking zou krijgen over de technologie om ballistische raketten vanaf onderzeeërs te lanceren. En dat zou het misschien op zo’n manier doen dat het leek op een aanval van de Sovjet-Unie, met een mondiale kernoorlog als gevolg. (Zie Lyle J. Goldstein in When China Was a “Rogue State”: The Impact of China’s Nuclear Weapons
Program on US-China Relations during the 1960’s [Toen China een schurkenstaat was: de gevolgen van China’s nucleaire wapenprogramma op de betrekkingen tussen de VS en China in de jaren zestig]). Om deze vermeende dreiging het hoofd te bieden, adviseerde de Navy om China’s eerste met raketten bewapende onderzeeër op zijn maidentrip tot zinken te brengen. Deze angsten grensden aan paranoia en stoelden op een grove overschatting van de Chinese technologie; China zou zijn eerste ballistische onderzeeraket pas in 1982 lanceren. De pers was ook fel tegen het idee dat Mao over kernwapens zou komen te beschikken en riep op tot militaire actie om de nucleaire ambities van Beijing te beknotten.

    Onderhandelingstafel

    Niet iedereen in Kennedy’s regering deelde zijn angsten. De Policy Planning Council [Raad voor Beleidsplanning] van het ministerie van Buitenlandse Zaken leverde een invloedrijke studie af waarin de vreselijke gevolgen van een Chinese kernproef werden betwijfeld. De stelling luidde dat het Chinese arsenaal geen grote bedreiging voor de Verenigde Staten kon vormen en de machtsverhoudingen
in de regio er nauwelijks door zouden veranderen. Bovendien stond dat
arsenaal bloot aan tegenaanvallen van de Amerikanen, iets waartoe de Chinezen zelf niet in staat waren. Een nucleair China zou er dus weinig voor voelen de VS overmatig uit te dagen. De aanhangers van deze aanvankelijk omstreden visie wonnen uiteindelijk het pleit in het Witte Huis.

    In het rapport werd wel onderkend dat er negatieve politieke gevolgen kleefden aan een Chinese kernproef – zoals proliferatie – maar die konden worden bezworen door garanties van Washington aan zijn bondgenoten. En zie: in de nasleep van de eerste Chinese kernproef lukte het de regering-Johnson om Japan met een juiste mix van veiligheidswaarborgen en diplomatieke druk van het nucleaire pad af te houden. De jaren daarop oefenden de Verenigde Staten vergelijkbare druk uit op Taiwan en Zuid-Korea om niet met eigen kernwapenprogramma’s te komen.

    Als China’s nucleaire programma in de jaren zestig geen ernstige bedreiging vormde voor de Verenigde Staten, is er nu nog minder reden te vrezen voor Noord-Korea. Zelfs als Noord-Korea zijn raketten verbetert, behouden de Verenigde Staten en hun bondgenoten nog een overweldigend militair en economisch overwicht. Net als in de jaren zestig moeten de Verenigde Staten hun regionale bondgenoten en partners openlijk en op geloofwaardige wijze gerust stellen, dat is alles. Elke Noord-Koreaanse poging een wig te drijven in de alliantie tussen de VS en Zuid-Korea zal mislukken zolang Washington brede veiligheidsgaranties blijft leveren aan Seoul. Ook Japan zal drastische maatregelen niet nodig vinden als het zich openlijk gesteund weet door de regering-Trump.

    Ten slotte: de VS moeten zich krachtig uitspreken tegen het koppelen van de Noord-Koreaanse nucleaire kwestie aan problemen in de relatie tussen de VS en China die daar niets mee te maken hebben. Dat is nodig om de angst van Taiwan weg te nemen dat Washington de feitelijke onafhankelijkheid van het eiland zou willen opgeven in ruil voor Chinese druk op Noord-Korea. Het is inmiddels duidelijk dat Beijing, uit machteloosheid of onwil, Pyongyang niet zal dwingen een andere koers te kiezen. De Verenigde Staten moeten zich niet laten verleiden tot bredere besprekingen in de hoop op meer Chinese samenwerking inzake Noord-Korea.

    Na de Chinese kernproef van 1964 zette president Johnson handelscontroles 
en extra inlichtingenwerk in om het tempo van de Chinese nucleaire ontwikkeling af te remmen. Al bleef het Chinese kernprogramma een bron van zorg, Washington leerde er uiteindelijk mee leven. En dat was dankzij snelle en geloofwaardige Amerikaanse garanties aan belangrijke regionale bondgenoten, zoals Japan. Naarmate Chinese leiders hun strategie wijzigden en enige toenadering zochten tot het Westen, veranderden ook China’s nucleaire standpunten beetje bij beetje. Noord-Korea is China niet, maar een soortgelijk beleid van strategisch geduld en robuuste veiligheidswaarborgen aan Zuid-Korea en Japan is de beste optie om Noord-Korea weer terug te krijgen aan de onderhandelingstafel.

  • Eritrea kruipt uit zijn isolement

    Eritrea kruipt uit zijn isolement

    De muur rond de autoritaire eenpartijstaat Eritrea brokkelt af. Trump in het Witte Huis en de oorlog in Jemen, aan de overzijde van de Rode Zee, helpen daarbij een handje. Aartsrivaal Ethiopië kijkt met argusogen toe.

    Twee recente, maar volstrekt verschillende gebeurtenissen, zullen op een dag wellicht gelden als symbolische keerpunten voor Eritrea, een autoritaire eenpartijstaat, alom bekend als het geïsoleerdste land van Afrika. De eerste gebeurtenis betrof de bloedige botsing aan de grens met Ethiopië, een jaar geleden, die 
herinneringen opriep aan de verwoestende tweejarige oorlog die in 1998 tussen de twee aartsvijanden uitbrak. Bij dit oplaaien van de strijd vielen honderden doden.

    De tweede gebeurtenis was een wetenschappelijk congres, een maand later, in de Eritrese hoofdstad Asmara – 
de eerste bijeenkomst van dien aard 
in vijftien jaar. De deelnemers aan het congres waren hogelijk verbaasd over de relatieve vrijheid waarmee in de beruchte politiestaat over de meest uiteenlopende onderwerpen – van vrouwenrechten tot buitenlandbeleid – kon worden gedebatteerd. ‘Je zou het een politieke gebeurtenis kunnen noemen,’ zegt Harry Verhoeven, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Georgetown University in Qatar. ‘Het was voor regionale begrippen 
al uitzonderlijk, maar voor Eritrea helemaal.’

    Welbeschouwd zijn deze ogenschijnlijk tegenstrijdige aangelegenheden twee lijnen in hetzelfde verhaal: Eritrea doorbreekt schoorvoetend het isolement waarin het land al tien jaar verkeert, en rivaal Ethiopië probeert aan die verschuiving het hoofd te bieden.

    Sancties

    Het congres toonde in elk geval aan dat Eritrea voorzichtig naar buiten treedt. Het grensconflict was een teken dat buurland Ethiopië bang is dat het zijn dominante positie in de regio kwijtraakt als Eritrea wordt gerehabiliteerd. Samen laten de twee gebeurtenissen zien dat de zeventienjarige toestand van ‘geen vrede én geen oorlog’ zijn einde nadert.

    In april kondigde Ethiopië aan dat het land aan een nieuw beleid ten opzichte van het buurland werkt. Nog niet alle details zijn bekend, maar één ding is duidelijk: de regering in Addis Abeba erkent dat haar strategie om Eritrea 
na het einde van de grensoorlog in te tomen – in 2009 formeel bekrachtigd door een wapenembargo van de VN – 
is mislukt. Voor het eerst in jaren wordt er in Addis Abeba serieus over een koerswijziging gesproken.

    Het sanctiebeleid van de Verenigde Naties is afhankelijk van de steun van de internationale gemeenschap, maar die steun brokkelt geleidelijk aan af. De sancties waren altijd al controversieel omdat Eritrea in een regio vol bad guys als enige tot boeman werd bestempeld. Binnen de VN is inmiddels een groeiende consensus dat er geen duidelijke grond meer is voor de sancties: er is geen bewijs dat Eritrea de islamitische terreurgroep Al-Shabaab in Somalië nog steeds steunt. En hoewel het land wel achter andere gewapende oppositiegroepen in de regio – met name in Ethiopië – blijft staan, is het daarin geen uitzondering: omringende landen doen dat eveneens. Ethiopië kan de versoepeling – of opheffing – van de sancties hooguit tegenhouden tot eind 2018, wanneer de termijn van Addis Abeba als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad afloopt.

    Een markt in de Eritrese hoofdstad Asmara. – © Stefan Boness / Hollandse Hoogte
    Een markt in de Eritrese hoofdstad Asmara. – © Stefan Boness / Hollandse Hoogte

    Spanningen tussen Eritrea en buurland Djibouti, die in juni een hoogtepunt bereikten na het besluit van Qatar om zijn blauwhelmen uit het betwiste grensgebied terug te trekken, zouden Ethiopië op de korte termijn in de kaart kunnen spelen. Maar op de lange duur zal het nog niet meevallen de andere VN-leden ervan te overtuigen de status-quo te handhaven nu de steun van de Verenigde Staten dreigt weg te vallen. Met het vertrek van president Barack Obama – en vooral van diens nationale veiligheidsadviseur Susan Rice, die zich onverbiddelijk opstelde tegenover het Eritrese regime – is Washington waarschijnlijk minder geneigd Eritrea in het strafbankje te laten zitten. ‘Rice liet de Eritreeërs geen enkele speelruimte,’ zegt Bronwyn Bruton, adjunct-directeur van 
het Africa Center van de Amerikaanse denktank Atlantic Council. ‘Alle 
Afrikaanse dictators wrijven zich in 
de handen nu Donald Trump in het zadel zit.’

    Eritrea heeft op meer fronten de wind in de rug. De oorlog in Jemen – op nog geen 150 kilometer afstand, aan de overkant van de Rode Zee – heeft onder de Golfstaten een stormloop veroorzaakt op ‘bedrijfsruimte’ langs de Eritrese kust, de ideale plek om troepen te stationeren. De Verenigde Arabische Emiraten bijvoorbeeld huren al sinds 2015 de haven van Assab, waar de VAR een militaire basis bouwen. In Jemen zelf vechten naar verluidt vierhonderd Eritrese soldaten voor de door de Saoedi-Arabië geleide coalitie, en dat levert Eritrea olie en geld op.

    En door de migratiecrisis heeft de Europese Unie, die de stroom van vluchtelingen en migranten uit Afrika wanhopig probeert in te dammen, tegen wil en dank toenadering gezocht. Van 2014 tot 2016 bestond het leeuwendeel van de Afrikaanse vluchtelingen uit Eritreeërs – en dat levert president Isaias Afewerki, die al sinds 1993 aan de macht is, een aardige som geld op. In 2015 zegde de EU een hulppakket van 200 miljoen euro toe, geld dat overigens nog moet worden uit–betaald. Dit bedrag komt boven op de beloofde hulp om het functioneren van het justitiële apparaat en de veiligheidsdiensten te verbeteren zodat mensensmokkel effectiever kan 
worden aangepakt.

    Individuele Europese landen en humanitaire organisaties laten hun neus ook weer zien. Zo is Duitsland weer begonnen met technische hulpprogramma’s, terwijl het Britse ministerie van 
Ontwikkelingssamenwerking van plan is een kantoor te openen in Asmara. Amerikaanse functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, 
die het land jaren hebben gemeden, hervatten voorzichtig diplomatieke bezoekjes. ‘De muur die de Ethiopiërs zorgvuldig rond Eritrea hadden opgebouwd is danig aan het afbrokkelen,’ zegt Martin Plaut, auteur van het boek Understanding Eritrea. ‘En iedereen staat ineens te dringen om vriendschapsbanden aan te knopen.’

    President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden

    Eritrea zelf is ook druk bezig zich aan zijn status van paria te ontworstelen. Asmara probeert buitenlandse investeerders te paaien, met name in de mijnbouwsector. In een poging meer buitenlandse investeerders te trekken heeft de regering in de haven van 
Massawa een vrijhandelszone ingesteld. Ook heeft ze kleine, maar symbolische stappen gezet om haar slechte naam op gebied van mensenrechten op te vijzelen. Tussen mei 2015 en mei 2016 kregen vijftig buitenlandse journalisten toegang tot het land, aldus Atlantic Council. En de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, kreeg onlangs toestemming voor een bezoek aan een gevangenis.

    Addis Abeba beziet al deze ontwikkelingen met argusogen. Het vooruitzicht dat Eritrea zijn invloed in het gebied rond het Rode Zee uitbreidt, bevalt Ethiopië, gefrustreerd doordat het zelf geen toegang heeft tot de zee, allerminst. De regering vreest ook dat de Eritrese president Afewerki zijn verbeterde financiële positie zal gebruiken om de steun aan het gewapende verzet in Ethiopië op te schroeven in een tijd waarin de noodtoestand, afgekondigd na maandenlange onrust, onverminderd voortduurt. En het grootste schrikbeeld voor Ethiopië is dat het wordt ingesloten door vijandige 
regimes.

    Analisten zijn het er niet over eens wat het nieuwe Ethiopische beleid met betrekking tot Eritrea nu eigenlijk zal behelzen. Sommigen voorspellen dat de aloude strategie alleen maar in een nieuw jasje wordt gestoken: het land zal, net als nu, harde grenzen afbakenen en er geen misverstand over laten bestaan dat er een militair antwoord volgt als die grenzen worden geschonden. Anderen vragen zich af of de 
Ethiopische regering geheime bilaterale gesprekken overweegt – misschien zelfs het aanbod zich terug te trekken uit het grensplaatsje Badme, dat al vijftien jaar lang illegaal wordt bezet door Ethiopische troepen. Maar ook oorlog, met als doel het regime in Asmara omver te werpen, wordt niet uitgesloten, hoewel dat niet zeer waarschijnlijk lijkt omdat Ethiopië daarmee zijn hand kan overspelen en de greep op het gebied ten noorden van de grens zou kunnen kwijtraken.

    Het Afrikaanse Noord-Korea

    Eritrea heeft weliswaar de verdiende bijnaam ‘het Afrikaanse Noord-Korea’, maar het heeft geen beschermheer als China die het land kan dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden.

    Berichten dat de Eritrese troepen na het vertrek van de Qatarese blauwhelmen betwist gebied aan de grens met Djibouti hebben bezet, maken duidelijk dat Eritrea de regio nog altijd verder kan ontwrichten. Maar hoewel het land inmiddels minder geïsoleerd is dan voorheen, is het nog steeds veel zwakker dan Ethiopië, dat nu aan zet is. ‘Het is een gevaarlijk spel waarbij voor beide partijen veel winst te behalen valt,’ zegt Verhoeven. ‘Maar ik ben voorzichtig optimistisch.’

    Auteur: Tom Gardner

    Foreign Policy
    Verenigde Staten, tweemaandelijks tijdschrift, oplage 106.000

    Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.

  • De ongemakkelijke waarheid over Noord-Korea en China

    De ongemakkelijke waarheid over Noord-Korea en China

    De regering-Trump probeert China over te halen om samen de kwestie Noord-Korea aan te pakken. Het probleem is alleen dat Beijing goede redenen heeft om niet te streng te zijn tegen Pyongyang, schrijft Azië-expert Andrei Lankov.

    Alle ogen zijn momenteel 
gericht op Noord-Korea: president Trump heeft te verstaan gegeven dat hij het ‘Noord-Koreaanse probleem’ eindelijk wil oplossen – oftewel, dat hij zal zorgen dat Noord-Korea kernwapenvrij wordt. Heel bijzonder is dat niet: de afgelopen 25 jaar heeft elke nieuwe Amerikaanse president beloofd iets aan de nucleaire ambities van Noord-Korea te zullen doen. Sommigen hebben het met onderhandelingen geprobeerd, anderen hebben de druk opgevoerd. Geen van beide benaderingen heeft tot dusver geholpen.

    De regering-Trump, die Noord-Korea als een van haar grootste buitenlandse problemen lijkt te zien, kiest voor de harde lijn, maar op een speciale manier: Trump hoopt China over te halen tot een aantal keiharde gemeenschappelijke sanctiemaatregelen. De zaak werd besproken tijdens de topontmoeting van Trump en Xi Jinping afgelopen april. De Amerikaanse regering schijnt zich bereid te hebben verklaard een deel van haar anti-Chinabeleid te heroverwegen – inclusief ingewikkelde handelskwesties – als China ‘volledig meewerkt’ aan het onder druk zetten van Noord-Korea.

    De regering-Trump gaat ervan uit dat Chinese sancties Noord-Korea aan de rand van de economische afgrond zouden brengen en hoopt de leiders in Pyongyang er op die manier toe te dwingen hun nucleaire ambities te heroverwegen. Gezien het feit dat zo’n 90 procent van de buitenlandse handel van Noord-Korea op het conto van China komt en dat Beijing het land bovendien van vitale levensbehoeften voorziet, zoals scheepsladingen gesubsidieerde brandstof, lijkt dit een redelijke verwachting.

    Politieke desintegratie

    Het probleem is alleen dat Beijing goede redenen heeft om niet te streng voor Pyongyang te zijn. Hoewel het kernwapenprogramma van Noord-Korea niet in goede aarde valt bij de Chinese leiders, zijn ze bang dat echt veelomvattende sancties inderdaad tot de economische instorting van het land zouden leiden, waarna politieke desintegratie zou volgen. Een Noord-Korea in staat van burgeroorlog zou in hun ogen een grotere bedreiging zijn dan het nucleair bewapende maar betrekkelijk stabiele Noord-Korea van dit moment. Erger nog, een crisis in Noord-Korea zou kunnen resulteren in een Duitslandachtige hereniging van het land onder leiding van Seoel – dat wil zeggen, in het ontstaan van een verenigde, democratische en nationalistische Koreaanse staat die waarschijnlijk een bondgenoot van de Verenigde Staten zou worden. Dat is niet iets waarop men in Beijing zit te wachten.

    Afgezien daarvan weten de Chinese deskundigen dat Noord-Korea kernwapens als de enige garantie ziet voor het overleven van het regime en er dus nooit afstand van zal doen, ook al is de druk nog zo groot. Daarom is het hoogst onwaarschijnlijk dat een Chinese boycot van Noord-Korea – zoals de regering-Trump die graag zou zien – tot de gewenste denuclearisering zou leiden, en is de kans veel groter dat die juist het soort crisis zou uitlokken waar China zo bang voor is.

    Daarom zijn de verwachtingen van de regering-Trump irreëel. Beijing zou nog liever geconfronteerd worden met de gevolgen van een handelsoorlog met Washington dan met die van een echte oorlog vlak in de buurt – al zullen ze dat niet gauw aan de grote klok hangen.

    Maar moeten we ons daar zorgen over maken? Moeten we het erg vinden dat het waarschijnlijk nog wel even zal duren voordat Trumps Chinese droom werkelijkheid wordt? Misschien niet, want de alternatieven zijn veel erger.

    Het eerste alternatief zou onderhandelen zijn, maar ook dat zal niet werken. Kim Jong-un gelooft dat hij voordat hij gaat onderhandelen een intercontinentale ballistische raket moet ontwikkelen en opstellen die in staat is het Amerikaanse continent te treffen. Zijn ingenieurs werken met opmerkelijke snelheid aan dit project en hun succes zal vermoedelijk een kwestie van jaren zijn, zo niet maanden – ook al twitterde Trump in januari dat zo’n IBR ‘er niet gaat komen’.

    Hopelijk zal Trump de les leren die ook zijn voorgangers tandenknarsend moesten aanvaarden: voor het Noord-Koreaanse kernwapenprobleem bestaat geen eenvoudige oplossing

    Dus als eenmaal duidelijk wordt – voor de zoveelste keer – dat sancties noch onderhandelingen werken, en dat Noord-Korea weleens het derde land ter wereld kan worden dat theoretisch in staat is San Francisco van de kaart te vegen, hoe zal de president dan reageren? Een militaire aanval zou een optie kunnen zijn – dat wil zeggen, daar hebben sommige sleutelfiguren in de regering al vele malen op gezinspeeld.

    Maar Noord-Korea is in staat om terug te slaan als het wordt aangevallen en zal dat waarschijnlijk ook doen – misschien door een massale artillerieactie tegen Seoel, de reusachtige hoofdstad die vlak bij de Noord-Koreaanse grens ligt. Als dat gebeurt, zullen de Zuid-Koreanen terugschieten en zullen de Verenigde Staten zich binnen de kortste keren in een landoorlog in Azië verwikkeld zien.

    Dus misschien is het maar goed dat de Chinezen momenteel nadenken over het meewerken aan sancties en tijd winnen terwijl ze de Verenigde Staten concessies op andere gebieden afdwingen. Een oorlog zou veel erger zijn. We moeten misschien ook hopen dat het geloof in een Chinees wonder zo’n lang leven beschoren zal zijn dat Trump de les zal leren die ook zijn voorgangers tandenknarsend moesten aanvaarden: voor het Noord-Koreaanse kernwapenprobleem bestaat geen eenvoudige oplossing. In het verleden duurde het meestal een jaar of twee voordat een nieuwe regering deze ongemakkelijke waarheid onder ogen zag.

    Auteur: Andrei Lankov

    Andrei Lankov (Rusland, 1963) is directeur van de Korea Risk Group, het moederbedrijf van NK News, een Amerikaanse betaalsite die nieuws en analyses brengt over Noord-Korea.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Kan Trump Obama’s erfenis afbreken?

    Kan Trump Obama’s erfenis afbreken?

    De Amerikaanse president Donald Trump lijkt er alles aan te doen om het beleid van zijn voorganger Barack Obama weer ongedaan te maken. Kan hem dat lukken?

    Nog niet zo lang geleden dacht ex-president Barack Obama vermoedelijk dat hij best wat successen kon voorleggen aan toekomstige historici. Hij kon wijzen op zijn hervorming van de gezondheidszorg, zijn historische handelsovereenkomst met Azië, zijn klimaatakkoord en het aanhalen van de diplomatieke betrekkingen met Cuba.

    Dat was toen. Vijf maanden na zijn vertrek uit het Witte Huis hult Obama zich voornamelijk in stilzwijgen terwijl Trump zich met de slopershamer op zijn politieke erfenis stort. Steen voor steen probeert president Trump af te breken wat Obama heeft opgebouwd. De handelsovereenkomst? Opgezegd. Het klimaatakkoord? Vergeet het maar. Cuba? Gedeeltelijk teruggedraaid. Gezondheidszorg? Nog onopgelost, maar kan ingetrokken worden zodra hij de tegenstand in het Congres weet te omzeilen.

    Zelden is een president zo vastbesloten geweest om niet alleen het land een andere koers te laten varen maar om ook actief te ontmantelen wat voor zijn komst was opgebouwd. Of het nu is uit rancune, politiek gewin, verschil in filosofie of de overtuiging dat de vorige president een puinhoop van het land heeft gemaakt, Trump heeft er geen misverstand over laten bestaan dat als ergens Obama’s naam op staat, hij er meteen een streep doorheen wil halen. ‘Ik kan geen ander voorbeeld in de recente geschiedenis van de VS bedenken waarbij een nieuwe regering zich zo inzet om de prestaties van de vorige regering terug te draaien,’ vertelt Russell Riley, historicus aan de University of Virginia die zich heeft gespecialiseerd in het Amerikaanse presidentschap. Terwijl andere presidenten zich concentreren op wat ze willen opbouwen, ‘slingert deze liever met de sloopkogel dan dat hij plannen ontwikkelt voor wat erna moet komen’.

    Volgens Shirley Anne Warshaw, werkzaam aan het Gettysburg College, is het niet uniek dat Trump breekt met de politiek van zijn voorganger. ‘Trump verschilt daarin niet van Obama,’ zegt ze. ‘Hij draait gewoon het beleid terug dat werd uitgevoerd door een president van een andere partij. Het verschil is dat andere presidenten ideeën hebben over wat ze zelf ervoor in de plaats willen opbouwen. In die zin heb ik nog geen enkele constructieve wet kunnen ontdekken. Voor zover ik het kan overzien heeft hij op dat gebied geen andere agenda dan het afbreken van wat zijn voorganger heeft bewerkstelligd. Misschien als enige uitzondering de belastinghervorming.’

    Trump heeft publiekelijk wetten ondertekend omdat hij graag wilde laten zien dat hij echt aan het slopen is. Niet alleen heeft hij zich teruggetrokken uit het Trans-Pacific Partnerschap (TTP) en het Parijse klimaatakkoord, hij heeft zijn fiat gegeven aan de aanleg van de oliepijpleiding Keystone XL, die door Obama was stilgelegd, en heeft hij de normen versoepeld voor het brandstofverbruik en de uitstoot van energiecentrales. Niet alleen probeert hij Obamacare af te schaffen, hij heeft ook plechtig beloofd om de beperkingen op te heffen die Obama na de financiële crisis in 2008 aan Wall Street had opgelegd.

    ‘Rampzalig zootje’

    Toch is hij niet zo ver gegaan als hij had gedreigd te zullen gaan. Hij heeft Obama’s nucleair akkoord met Iran intact gelaten, zij het met tegenzin, en hoewel hij publiekelijk en met veel ophef Obama’s Cubapolitiek de nek omdraaide, heeft hij in wezen veel van de details van dat beleid ongemoeid gelaten. Hij herriep Obama’s besluit niet om jonge illegale immigranten niet uit te zetten. Kort geleden hebben Republikeinse senatoren een nieuw wetsvoorstel ingediend over een systeem dat Obamacare moest vervangen, maar dat heeft het niet gehaald en het oude systeem blijft intact.

    Adviseurs benadrukken dat Trump niet wordt gedreven door een verlangen om het presidentschap van Obama te beschadigen. Maar als vastgoedmakelaar is hij er volgens hen van overtuigd dat je eerst het oude moeten slopen om plaats te maken voor het nieuwe. ‘Hij heeft niet alles ontmanteld, en ik weet niet of hij daar op uit is,’ zegt Hope Hicks, hoofd strategische communicatie in het Witte Huis. ‘Dat is misschien het neveneffect van wat hij aan het opbouwen is voor zijn eigen erfenis.’

    Toch heeft Trump de erfenis van Obama afgeschilderd als een rampzalig nalatenschap dat zo snel mogelijk afgebroken moet worden. ‘Het is een zootje. In het binnenland en het buitenland. Banen vloeien weg naar het buitenland. Al die bedrijven die ons land verlaten naar Mexico en elders, lage lonen, enorme instabiliteit in het buitenland waar je ook kijkt. Het Midden-Oosten is een ramp. Noord-Korea. Daar gaan we wat aan doen, mensen.’

    Obama en Trump oog in oog bij de inauguratie van Trump in januari dit jaar. – © Saul Loeb / HH
    Obama en Trump oog in oog bij de inauguratie van Trump in januari dit jaar. – © Saul Loeb / HH

    Volgens critici heeft Obama dat over zichzelf afgeroepen. Zijn belangrijkste wetten zijn aangenomen met uitsluitend de stemmen van de Democraten, wat betekent dat er geen consensus was die zijn presidentschap zou overleven. En toen de Republikeinen de meerderheid in het Congres kregen, stapte hij over op een strategie die hij de ‘strategie van de pen en de telefoon’ noemde, waarbij hij presidentiële besluiten tekende die door de volgende president makkelijk ongedaan gemaakt konden worden.

    Obama’s verweer was dat hij geen andere keuze had vanwege de obstructiepolitiek van de Republikeinen. Hoe dan ook, Obama heeft zich tijdens het huidige afbraakproces voornamelijk in stilzwijgen gehuld, omdat hij vindt dat hij, als hij zich uitspreekt, Trump alleen maar de publieke vijand verschaft waar hij zo hevig naar schijnt 
te verlangen. Maar Obama’s team vindt troost bij de gedachte dat Trump zijn eigen grootste vijand is, met zijn ‘veel geschreeuw weinig wol’.

    ‘Obama’s erfenis zou onder een competentere president dan Trump veel ernstiger zijn bedreigd,’ zegt Josh Earnest, de perssecretaris van het Witte Huis onder Obama.
    Volgens andere oudgedienden onder Obama is veel van wat Trump heeft gedaan minder ernstig dan het lijkt of eenvoudig terug te draaien. Hij heeft bijvoorbeeld de betrekkingen met Cuba niet echt 
verbroken. Het zal nog jaren duren voor de VS zich echt uit het Parijse klimaatakkoord heeft teruggetrokken, en de volgende president kan zich eenvoudig weer aansluiten. Het heeft echter wel gevolgen voor Amerika’s internationale reputatie.

    ‘De huidige regering haalt niet zozeer Obama’s erfenis onderuit, als wel Amerika’s leiderschap op het wereldtoneel,’ aldus Susan E. Rice, de voormalige nationale veiligheidsadviseur.

    Trump is natuurlijk niet de eerste president die de voorafgaande ambtsperiode verfoeit. George W. Bush was zo gedreven om het tegenovergestelde te doen van wat Bill Clinton had gedaan dat zijn aanpak ‘ABC’ werd genoemd: Alles Behalve Clinton. Obama heeft jarenlang zijn voorganger de schuld gegeven van tegenslagen op het gebied van de economie en de nationale veiligheid. De afgelopen decennia was het de gewoonte van een nieuwe president om meteen presidentiële bevelen te ondertekenen die het beleid van hun voorganger tenietdeden, waarmee ze het signaal wilden afgeven dat er een nieuwe wind in het Witte Huis waaide.

    Ook zal Trump niet kunnen wegnemen wat waarschijnlijk de eerste zin wordt in Obama’s overlijdensbericht, namelijk dat hij de eerste Afrikaans-Amerikaanse president was

    Het concreetste voorbeeld is het bevel dat Ronald Reagan ondertekende waarin de subsidie werd stopgezet aan internationale organisaties die hulp bij abortus boden.
    Clinton voerde de subsidie weer in. Bush herriep dat besluit, Obama herstelde het en Trump schafte de subsidie weer af. Toch hebben Bush en Obama verder weinig moeite gedaan om projecten van hun voorganger af te breken.

    Obama voorzag wel dat zijn erfenis door Trump bedreigd zou worden. 
Tijdens de verkiezingscampagne van vorig jaar waarschuwde hij zijn aanhang dat bij winst van Trump ‘alle vooruitgang die we de afgelopen acht jaar hebben geboekt het raam uit wordt gekieperd’. Pas na de verkiezingen beweerde hij het tegenovergestelde.
    ‘Misschien wordt vijftien procent teruggedraaid, hoogstens twintig. 
De rest blijft gewoon overeind.’

    Als uiteindelijk de rekening wordt opgemaakt, zal blijken dat Trump enkele van Obama’s belangrijkste successen niet teniet kan doen, zoals het feit dat Obama de economie uit een diep dal heeft gekregen, de auto-industrie heeft gered en het bevel heeft gegeven tot de actie die heeft geleid tot de dood van Osama Bin Laden. Ook zal Trump niet kunnen wegnemen wat waarschijnlijk de eerste zin wordt in Obama’s overlijdensbericht, namelijk dat hij de eerste Afrikaans-Amerikaanse president was.

    Daar staat tegenover dat Obama’s mislukkingen zullen blijven staan, wat Trump ook doet. Het oordeel van de geschiedenis over zijn aanpak van de burgeroorlog in Syrië, de rampzalige nasleep van de interventie in Libië of de economische ongelijkheid die hij heeft achtergelaten, zal niet afhangen van zijn opvolger. De beslissing van Amerika om Obama te vervangen door iemand die zo radicaal anders is, kan als bewijs gezien worden van Obama’s onvermogen om duurzame publieke steun te verwerven voor zijn agenda 
of om de polarisatie in het land te matigen.

    Maar erfenissen hebben ook iets grappigs. Tegenwoordig is Obama populairder dan tijdens het grootste deel van zijn presidentschap, wat waarschijnlijk het gevolg is van het contrast met Trump, die zo vroeg in de ambtstermijn de impopulairste president is. Dus ook al breekt Trump de erfenis van Obama af, dat zal het oordeel van de geschiedenis over zijn voorganger alleen maar goed doen.

    Auteur: Peter Baker

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • 3. Cyberoorlog is eng. Maar in paniek raken zou dom zijn

    3. Cyberoorlog is eng. Maar in paniek raken zou dom zijn

    Door al het nieuws over de gevaren van hacken, dreigt een paniekerig sfeertje te ontstaan. Volgens New Yorker-journalist Evan Osnos kunnen we beter eens rustig kijken naar de echte risico’s.

    Toen admiraal Mike McConnell, het uiterst deskundige hoofd van de National Security Agency, in 2007 directeur van National Intelligence werd, kwam hij er al snel achter dat veel hoge Amerikaanse ambtenaren niet in de verste verte waren voorbereid op de komst van een digitale oorlog. (Nog geen jaar daarvoor had senator Ted Stevens van Alaska, die voorzitter was van de senaatscommissie die het internet reguleerde, het internet omschreven als een ‘serie buizen’.) Om zijn collega’s wakker te schudden had McConnell een truc uitgehaald: tijdens een afspraak bij een hoge ambtenaar haalde hij een kopie van een memo tevoorschijn dat door zijn gastheer was geschreven en daarna was gestolen. ‘De Chinezen hebben dit van jou gehackt,’ zo legde hij uit, ‘en dat hebben wij weer teruggehackt.’

    Tien jaar later is er niemand meer in Washington die niet op de hoogte is van de gevaren. Het hacken tijdens de presidentsverkiezingen van 2016, zoals de aanvallen die de interne gang van zaken binnen de Democratic National Committee en Hillary Clintons campagne openbaar maakten, markeert het begin van een nieuwe fase in de lang voorspelde cyberoorlogen. Als de eerste vijftien jaar van de eenentwintigste eeuw werden gedomineerd door de oorlog tegen het terrorisme, staan we nu aan het begin van een periode waarin de cyberoorlog in onze gesprekken over nationale veiligheid zal opdoemen. Onlangs onthulde WikiLeaks hacking-methodes van de CIA; het was nauwelijks een verrassing dat de CIA telefoons en computers aftapt, ook al was het wel nieuws dat de CIA een Samsung-televisie kan kapen en het als afluisterapparaat kan gebruiken. Kellyanne Conway, adviseur van president Donald Trump, maakte gretig gebruik van dat bericht om de mythe de wereld in te helpen dat Barack Obama Trump met behulp huishoudelijke apparaten zou hebben bespioneerd. Dat zou kunnen zijn gebeurd door middel van ‘magnetrons met een ingebouwde camera’, zei ze. ‘Dat is nu eenmaal een feit in deze moderne tijd.’ (Later zei ze dat het magnetronverhaal uit zijn verband was gerukt).

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    Als de gevaren van cyberaanvallen en spionagepraktijken voor politieke doeleinden worden uitgebuit, zie je gemakkelijk de echte risico’s over het hoofd. Op de opiniepagina van The New York Times waarschuwde Bruce G. Blair, een voormalig officier op een kernraketbasis en nu onderzoeker op het gebied van mondiale veiligheid aan de Princeton University, voor het gevaar dat hacken voor het Amerikaanse kernwapenarsenaal kan betekenen. De afgelopen jaren hebben de VS zwakke plekken ontdekt in hun eigen systemen, zoals een foutje waardoor ‘hackers de vluchtgeleidingssystemen konden uitschakelen en het dagen of weken zou kosten om ze te repareren’. Hij vroeg: ‘Zou een buitenlandse agent raketten van een ander land op een derde land kunnen afvuren? Dat weten we niet.’

    Een voortdurende uitdaging in dit nieuwe tijdperk is grofweg gezegd dat je moet beslissen hoe groot je de paniek laat worden. De verleiding om bij een plotselinge bedreiging te sterk te reageren – door haastig wetten in te voeren, burgerlijke vrijheden in te perken of geld uit te geven aan de verkeerde verdedigingsmiddelen – is heel groot. De overvloed aan krantenartikelen over de gevaren van hacken zorgt voor een grap die in de wandelgangen van Washington de ronde doet, namelijk dat de beste manier om je project gefinancierd te krijgen is om het woord ‘cyber’ aan de titel toe te voegen.

    Niet zo geavanceerd

    In januari verklaarde het ministerie van Energie dat het elektriciteitsnet van de VS kwetsbaar is voor cyberaanvallen, hoewel volgens critici de risico’s van een totale stroomuitval in Amerika vaak worden overschat, omdat daarvoor veel onderstations fysiek vernietigd zouden moeten worden. (Chris Thomas, strategisch medewerker bij Tenable, een beveiligingsbedrijf, heeft geprobeerd de paranoia wat te verzachten door te wijzen op non-cybergevaren: op zijn website, CyberSquirrel1, staan duizenden meldingen van aanvallen op het elektriciteitsnet van de VS uitgevoerd door eekhoorns, vogels en andere dieren.)

    Toch blijft er ook tien jaar nadat McConnell zijn collega’s had wakker geschud in politieke kringen een zekere twijfelachtige houding ten opzichte van hacken, deels omdat veel hoge regeringsambtenaren nog behoorlijk digibeet zijn. In 2013 maakten de meesten leden van het United States Supreme Court, precies de rechters die juridische kwesties met betrekking tot technologie en privacy tegen elkaar moeten afwegen, nog geen gebruik van e-mail.

    Bijna altijd noemen journalisten en analytici de laatste cyberaanval ‘een geavanceerde operatie’, ook al omschrijven de technisch deskundigen de aanval als ‘niet bijzonder’ en ‘te voorkomen’. Ben Buchanan, een onderzoeker aan de Harvard University en auteur van het boek The Cybersecurity Dilemma, schreef deze week op de Cipher Brief, een blog over veiligheid, dat, ‘als ieder geval wordt beschreven als “uniek” en iedere bedreiging wordt weggezet als “bijna niet te stoppen” iedere aanval al snel “geavanceerd” wordt. Het effect daarvan is dat je een wereld schetst met zoveel getalenteerde tegenstanders dat cyberveiligheid praktisch onhaalbaar wordt’.

    In sommige gevallen zijn de duurste aanvallen betrekkelijk simpel. Hackers die samen zouden werken met de Russische veiligheidsdienst braken in op het Gmail-account van John Podesta, de leider van Hillary Clintons campagneteam, en gebruikten daarbij een ouderwetse techniek, het zogenaamde spearphishing: je stuurt onder valse voorwendselen een e-mail om persoonlijke informatie te verkrijgen, zoals een wachtwoord. Thomas Rid, een wetenschapper aan het King’s College in Londen, vertelde: ‘Het net zoiets als een bermbom. In de jaren negentig, de aanloop naar de oorlog in Afghanistan, was de algemene verwachting dat de toekomst van de oorlogsvoering heel hightech zou zijn. Amerika zou daarin een leidende rol hebben, omdat de Amerikaanse strijdkrachten zoveel geld uitgaven aan digitale platforms. Maar toen kwam de bermbom. Als je in een voertuig op wielen rijdt, kan dat worden aangevallen. Als je een e-mailaccount hebt, kun je worden gehackt.’

    “Afschrikking was een mentaliteit uit de Koude Oorlog die alleen maar tot strategie werd verheven omdat je je niet kunt verdedigen tegen kernwapens; je kunt je niet verdedigen tegen duizend binnenkomende kernkoppen”

    Gezien de gevaren wordt de druk steeds groter om aan een cyberwapenwedloop te beginnen, de zoveelste poging om geweld met geweld te bestrijden waarmee sommige onderdelen van de nationale-veiligheidsindustrie natuurlijk heel rijk worden. Maar er zijn misschien ook wel slimme manieren om de gevaren te neutraliseren in plaats van te vergroten. Volgens Michael Sulmeyer, een hoge ambtenaar op het Pentagon die onder Obama leiding gaf aan de cyberpolitiek, is het een vergissing om de ideologie van de wapenwedloop uit de Koude Oorlog weer nieuw leven in te blazen. ‘Afschrikking was een mentaliteit uit de Koude Oorlog die alleen maar tot strategie werd verheven omdat je je niet kunt verdedigen tegen kernwapens; je kunt je niet verdedigen tegen duizend binnenkomende kernkoppen. Maar in dit geval moeten we onszelf minder kwetsbaar maken. En dan bedoel ik bijvoorbeeld dit: waarom hebben accounts zoals dat van Podesta niet standaard een dubbele authenticatie?’
    Sulmeyer, die nu hoofd is van het Belfer Center’s Cyber Security Project aan de Harvard Kennedy School, wil dat politici en technologiebedrijven een strengere beveiliging toepassen onder meer door hen te stimuleren om de gegevens te delen van de bedreigingen waar ze aan blootstaan.

    In zijn boek Dark Territory, een fascinerend verhaal over de cyberoorlog, vertelt Fred Kaplan dat al een paar maanden na het bombardement van Hiroshima en Nagasaki, de militaire strateeg Bernard Brodie, de architect van de Amerikaanse nucleaire afschrikking, schreef: ‘Tot nu toe is het hoofddoel van ons leger geweest om oorlogen te winnen. Vanaf nu moet het hoofddoel zijn om ze te voorkomen.’ Het boek waarin die passage voorkwam heette The Absolute Weapon. Sinds het begin van de Koude Oorlog is het kernarsenaal wel uitgebreid, maar, zoals nog steeds geldt voor kernwapens, het Amerikaanse publiek en de politici die namens ons optreden, zouden minder geïnteresseerd moeten zijn in het winnen van een cyberoorlog dan in het voorkomen ervan.

    Auteur: Evan Osnos

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland. Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen. Bekend om zijn karikaturen, commentaar op de popcultuur en vele korte verhalen.

  • Nieuw goud

    Nieuw goud

    Data zijn het nieuwe goud. En naar big data wordt dan ook gretig geboord.

    Het verzamelen van zo veel mogelijk gegevens over ons heet niet voor niets in newspeak ‘data mining’, data delven, naar gegevens graven. Met veel tijd, dus veel geld, en een enorme computercapaciteit kan men heel veel aan de weet komen, over van alles en iedereen.

    Dat kan nuttig zijn. Zo lopen er omvangrijke medische 
onderzoeken waarin gebruik wordt gemaakt van big data. Uit de zorgvuldige analyse van gegevensbestanden hoopt men oorzaken en gevolgen te kunnen opmaken, om langs 
die weg het ontstaan van ziekten en andere ongewenste verschijnselen te kunnen begrijpen en zo mogelijk voorkomen. Deze onderzoeken, mogen we aannemen, worden verricht vanuit wetenschappelijke en (of) filantropische motieven. Alles (vrijwel alles) kent helaas ook zijn smerige keerzijde. Want er zullen altijd anderen zijn, met minder intellectuele en menslievende doeleinden, die voor veel geld iets af willen dwingen wat zonder die verzamelde data nooit gelukt zou zijn. Beïnvloeding is van alle tijden, denkt u misschien. En dat is ook zo. Een campagne beïnvloedt. Reclame beïnvloedt. Media beïnvloedt. Alles kan beïnvloeden. Zelfs 
als je denkt dat jij daar niet vatbaar voor bent. Maar dat een verkiezingsuitslag door andere krachten dan politieke wordt gestuurd, is een recent en verwerpelijk fenomeen. Het zou zich hebben voorgedaan bij twee recente volksraadplegingen: het Britse referendum over het beëindigen van het lidmaatschap van de Europese Unie, en de Amerikaanse verkiezingen voor het presidentschap.

    Brexit en Trump, we hebben ze te danken aan hetzelfde groepje superrijken dat met schimmige bedrijven democratisch geachte processen heeft geïntervenieerd om de uitkomsten naar hun hand te zetten

    Brexit en Trump, we hebben ze te danken aan hetzelfde groepje superrijken dat met schimmige bedrijven democratisch geachte processen heeft geïntervenieerd om de uitkomsten naar hun hand te zetten. Niet omdat ze zo politiek geëngageerd zijn, welnee, puur en alleen om allerlei financiële deals 
te waarborgen. Dat ze daarbij niet geheel conform de wet 
of de geest van de wet handelden, gebruikmaakten van overheidsinstellingen waartoe de gewone burger geen toegang heeft, kortom, dat ze zich geen fluit aantrokken van de democratische spelregels: het is te lezen in het bijna hypnotiserend benauwende rapport dat Carole Cadwalladr schreef voor 
de Britse zondagskrant The Observer. En wellicht het meest onthutsend van dit alles: wij, internetgebruikers, 
wij twitteraars, wij consumenten verstrekken zelf de data waarmee we om de tuin worden geleid.

    Arme superrijken: verzamel liever alle werken van Yuval Noah Harari, dan heb je geen big data meer nodig. Weten jullie dan niet dat macht helemaal niet gelukkig maakt?

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Uit de serie Self-reflected microetching. – © Gregg A Dunn

  • Canadees eiland wacht op Trumpvluchtelingen

    Canadees eiland wacht op Trumpvluchtelingen

    Na de verkiezing van Donald Trump kondigden veel Amerikanen aan naar Canada te willen verhuizen. Op het ontvolkte eiland Cape Breton waren ze van harte welkom. Maar de praktijk bleek weerbarstiger dan gedacht.

    De eerste tekenen van wat Rob Calabrese is gaan zien als een op drift geraakt Amerika, dienden zich vorig jaar aan, vlak nadat Donald Trump de eerste primary had gewonnen en Calabrese een website van 28 dollar opzette, die hij in een halfuur had ontworpen. ‘Hallo Amerikanen!’ begon hij, en wat volgde was een verkooppraatje voor een eiland waar moslims in alle vrijheid konden ‘ronddwalen’, en waar de enige muren ‘de daken stutten’ van de ‘zeer betaalbare’ huizen.

    ‘Zegt het voort!’ schreef Calabrese, bij een foto van een verlaten strand aan de Atlantische Oceaan. ‘Verhuis naar Cape Breton als Donald Trump wint!’

    Het was bedoeld als grap, maar zeven uur nadat Calabrese de site had gelinkt aan de Facebookpagina van het radiostation waar hij als dj werkt, kwam er een e-mail binnen uit Amerika. ‘Ik weet niet zeker hoe serieus dit is, maar ik zeg ja.’ En even later: ‘Ik moet er niet aan denken om te vertrekken, maar dit land stevent op de afgrond af.’ Binnen vierentwintig uur had hij tachtig berichten ontvangen. Binnen een week waren dat er tweeduizend, en in veel van die berichten keerden dezelfde woorden terug: ‘gespannen’ en ‘bang’ en ‘help’.

    De mails stroomden binnen en al snel nam de toeristeninformatie op het eiland vier tijdelijke medewerkers in de arm om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie, afkomstig uit vrijwel alle Amerikaanse staten en honderden verschillende steden. Calabrese kreeg de indruk dat Amerika vooral werd bevolkt door mensen die er weg wilden. ‘Moet je dit lezen,’ zegt hij, terwijl hij door een spreadsheet scrolt met alle aanvragen. Hij stopt bij nummer 2121. ‘Ik ben een ex-marinier en ik ben twee keer uitgezonden naar Irak. En ik wil hier weg.’

    Jimmy en Cathleen

    Er zijn mails van een moleculair bioloog, een professor aan de universiteit van Oregon, een granietwerker, iemand die voor het Center for Disease Control and Prevention werkt, een vrouw die als woonplaats had ingevuld: ‘Alabama, helaas’. Er zijn inkomensverklaringen, er worden financiële gegevens verstrekt, en gegevens over seksuele voorkeur en toekomstverwachtingen voor de kinderen. Soms is er een cv bijgesloten. ‘Ik kan het niet aanzien, wat er met mijn fantastische land gebeurt,’ begint een van de mails.

    ‘Ik wil niets liever dan met mijn dochters vertrekken naar het veilige en verstandige Canada’, staat te lezen in mail nummer 3248.

    Ergens rond mail nummer 4230 wordt Trump gekozen tot president van de Verenigde Staten, en net voor zijn inauguratie komt mail nummer 4635 binnen. ‘Wil graag emigreren van Colorado naar Cape Breton,’ begint de mail. ‘Ik ben gediplomeerd juridisch assistent en mijn vrouw is advocaat.’

    Calabrese leest de mail, probeert zich een beeld te vormen van degene die hem heeft geschreven, en wacht dan op de mails die zullen volgen.

    Deze mail is geschreven door Jimmy Gantenbein en Cathleen McEwen, op hun bank in de woonkamer van hun huis in Loveland, een plaats zo’n vijfenzeventig kilometer ten noorden van Denver. Een maand later staan de meubels uit de woonkamer opgeslagen in de garage. Ze hebben contact opgenomen met een makelaar. Ze hopen binnenkort hun huis te koop te zetten.

    ‘Geef me even een spijker, wil je?’ zegt Cathleen (61), die bezig is de slaapkamer op te knappen.

    ‘Hier, Cat,’ zegt Jimmy van 54.

    Ze hebben dit huis gekocht toen ze net getrouwd waren – Jimmy’s tweede huwelijk, Cathleens derde huwelijk – en zeventien jaar later kennen ze het huis bijna net zo goed als ze elkaar kennen. Vanuit hun slaapkamer hebben ze uitzicht op de Rocky Mountains. Het late middaglicht verwarmt het kleedje waar hun oude poedel altijd zo graag mocht liggen. Twee keer rechts afslaan en een keer naar links en ze zijn bij de supermarkt. Hun huis ligt aan een doodlopende straat, met nog twee andere huizen, en Cathleen heeft een paar jaar in de gemeenteraad gezeten. Ze hebben Democraten en Republikeinen onder hun vrienden. Toen Cathleens zoon, een reservist, in 2005 terugkeerde uit Irak, kwamen er honderdvijftig mensen naar de feestelijke barbecue.

    Toen deed Donald Trump zijn intrede in hun bestaan. Hij was op tv. Hij was in hun stad, hield een bijeenkomst op vijftien kilometer van hun huis, waar drommen mensen op afkwamen. Hij was zelfs in hun buurt: in verschillende tuinen doken bordjes op met zijn naam. Tijdens de voorverkiezingen was het net alsof hij ook hun eigen tuin was binnengedrongen, toen een buurman kwam vertellen dat hij achter Trump stond. Wij stemmen op Bernie, hadden Jimmy en Cathleen gezegd, en hoewel het gesprek kort en vriendelijk was, hebben ze de buurman daarna niet meer gesproken.

    ‘We voelen ons hier buitenstaanders,’ zegt Cathleen. Ze hebben het gevoel dat Amerika het spoor bijster is, iedereen is zo ‘boos’ en ‘bekrompen’ en ‘reactionair’ dat er weinig anders op zit dan een drastische stap. ‘Ik herken het land waar ik ben geboren niet meer,’ zegt Cathleen. ‘Ik ben geboren in een bekrompen, anti-intellectueel land. Ik heb er éénenzestig jaar en één verkiezing voor nodig gehad om dat in te zien.’

    Dus nu hebben zij ook een mapje ‘Emigreren’ op hun computer, vol informatie over Panama en Belize en Costa Rica en Canada. Ze hebben de website van Cape Breton gebookmarkt en webalerts ingesteld voor onroerendgoedaanbiedingen op het eiland. Ze hebben met een immigratiejurist in Canada gepraat.

    Er moeten zoveel knopen worden doorgehakt. Moeten ze hun spullen verkopen? Moeten ze afstand doen van hun staatsburgerschap? Zullen ze de band met hun kinderen en kleinkinderen weer kunnen herstellen? En als ze naar Cape Breton gaan, zullen ze dan spijt krijgen? Ze weten dat het er koud is. Ze weten dat de huizen goedkoop zijn. Maar ze zijn er nog nooit geweest.

    ‘Het is een risico om te blijven en het is een risico om te gaan,’ zegt Cathleen.

    ‘We weten het gewoon niet,’ zegt ze.

    ‘Het is een dilemma,’ zegt hij.

    Niet lang daarna belt hun makelaar. De huizen gaan snel van de hand in Loveland. Nog acht weken en er staat een bordje ‘Te koop’ in hun tuin.

    Cape Breton dan misschien maar.

    Glace Bay, aan de oostkant van het eiland. – © Rural Communities of Nova Scotia
    Glace Bay, aan de oostkant van het eiland. – © Rural Communities of Nova Scotia

    Cape Breton dan misschien maar, en misschien ook maar het huis waar Valarie Sampson, een makelaar die door een handvol Amerikanen in de arm is genomen, nu voor staat. Aan zee. Een gerenoveerde boerderij. Zo’n zeshonderd vierkante meter land. 220 duizend Canadese dollars. Staat al meer dan drie jaar te koop.

    ‘Het is een schitterend huis voor wie overal aan wil ontsnappen,’ zegt Sampson, die in haar SUV stapt en over het eiland rijdt waar niemand meer naartoe komt, waar de mensen juist wegtrekken. Het eiland heeft ooit goed verdiend aan de kolen, maar die inkomstenbron is opgedroogd en er is nog niets anders voor in de plaats gekomen. Jaarlijks overlijden er zo’n duizend mensen, of ze trekken naar grote steden als Toronto of Halifax. Alle budgetten worden teruggeschroefd. Alleen al het afgelopen jaar zijn er tien scholen gesloten. De werkeloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Het bevolkingsaantal is teruggelopen tot 130 duizend, en op Cape Breton zie je dan ook honderden verlaten huizen, klaar voor de sloop, en nog honderden andere die te koop staan.

    Sampson weet dat de zomers er hier heel anders uitzien. Dan komen de toeristen. De kreeft- en pizzarestaurants gaan weer open. Op het meer krioelt het van de zeilbootjes. ‘De ligging is onovertroffen,’ zegt ze. ‘Welke kant je ook op gaat, een uur rijden en je bent op het strand.’

    Maar vier of vijf maanden per jaar is dit een plek met korte dagen, ijzige temperaturen en gladde stoepen, waar aan ijshockey wordt gedaan en waar de mensen elkaar opzoeken in kroegjes en donutshops. Als Sampson terugrijdt naar haar kantoor lijkt er helemaal niets te gebeuren in Sydney, de grootste stad van het eiland. Er is alleen een vergadering van vrijwilligersorganisaties, over wat er gedaan kan worden om het eiland te redden.

    ‘Als er geen mensen komen, zijn we ten dode opgeschreven,’ zegt Rankin MacSween, hoofd van een buurtcomité.

    ‘We hebben al niet zo’n grote bevolking, en hij blijft maar slinken, in hoog tempo,’ zegt een jurist. ‘Je hoeft geen wiskundig genie te zijn om uit te begrijpen dat de tijd dringt.’

    Er wordt een vijf pagina dik rapport doorgenomen, waarin staat dat het eiland jaarlijks tweeduizend mensen moet zien te trekken om levensvatbaar te blijven. Al tientallen jaren slaagt men er niet in aan de wederopbouw te werken.

    Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen

    Maar nu heeft het eiland iets nieuws – Calabreses website. Cape Breton is bekender dan ooit. ‘We krijgen duizenden mails,’ zegt iemand op de bijeenkomst. Maar dat is nog wel iets anders dan duizenden mensen die zich ook echt op het eiland vestigen. Canada heeft strenge migratiewetten. Je kunt er niet gewoon gaan wonen omdat je dat wilt. Aanvragen worden beoordeeld op criteria als leeftijd en vakkennis en de bijdrage die je kunt leveren aan de economie. Wie een mail stuurt naar Cape Breton krijgt te horen dat hij een aanvraag moet indienen bij de Canadese immigratiedienst. Hij of zij krijgt een link om een procedure in gang die zetten die zomaar een jaar kan gaan duren.

    Dus misschien dat er ooit Amerikanen zullen komen, maar nu is het nog niet zover. Naarmate Calabrese meer reacties kreeg, heeft hij de tekst op de site aangepast, zodat het allemaal iets minder politiek is – en niet langer vooral gericht op Amerikanen.

    ‘Om eerlijk te zijn,’ heeft Calabrese geschreven, ‘is iedereen welkom, ongeacht zijn of haar ideologie. Kom hierheen!’

    ‘We moeten hier goed over nadenken,’ zegt de jurist terwijl de bijeenkomst op z’n einde loopt. ‘Wat voor soort mensen willen zich hier vestigen?’

    Een antwoord op die vraag kan even verderop worden gevonden, in een huis dat helemaal kaal is gehaald en dat een jaar leeg heeft gestaan, totdat er een gezin met zeven kinderen is komen wonen, afkomstig uit Syrië. De kinderen zijn net uit school. De televisie staat aan. De kinderen zitten bij elkaar gekropen op de bank. ‘Wat ben je aan het tekenen?’ vraagt de vader, Ahmad Hamadi, van vijfendertig, aan Mohamad, zijn tienjarige zoon. ‘Een Pokemon,’ zegt Mohamad.

    Dit zijn de mensen die naar Cape Breton zijn gekomen: Syrische vluchtelingen die hun land niet alleen hebben achtergelaten, maar het zelfs hebben moeten ontvluchten. Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen, en Ahmad en zijn gezin behoren tot de laatste groep die is gearriveerd. Nadat ze uit Syrië waren gevlucht en een paar jaar in Libanon hadden gezeten, waren ze hier terecht gekomen dankzij de steun van een kerkelijke groepering op een eiland waar ze nog nooit van hadden gehoord. Ze zijn achtenveertig uur onderweg geweest: van Beiroet naar Caïro en dan door naar Toronto en vervolgens naar Cape Breton. Ze landden om halftwee ’s nachts. Ze werden in een busje gezet en toen de zon opkwam stond Ahman ineens in een huis vol meubels en eten en speelgoed. Het was allemaal van hem, terwijl niets hem vertrouwd voorkwam.

    Vergeleken met waar hij vandaan kwam was het buiten stil. Er was stroom. De kinderen gingen naar school. Ahmad hing een Canadees vlaggetje op de voordeur en elke dag dat hij de deur uit ging, was een nieuwe kans om te wennen aan een nieuw thuis.

    Hij solliciteerde op vacatures bij Value Village en een bouwmaterialenonderneming, waar een tolk hem terzijde stond bij de sollicitatiegesprekken, maar vergeefs. Hij informeerde naar werk bij een Libanees restaurant, maar de eigenaar wilde geen onervaren iemand in dienst nemen. Zo gingen er maanden voorbij. Hij haalde zijn rijbewijs. Hij ging gewichtheffen in de sportschool, tegen de stress. Hij overwoog zich aan te melden voor de late dienst bij McDonald’s, maar een van de mensen van het kerkcomité dat hem sponsorde, zei dat hij moest zorgen dat zijn Engels beter werd, zodat hij makkelijker aan werk zou kunnen komen.

    Voor de oorlog had Ahmad een winkeltje gehad, in een plaats niet ver van Damascus. Hij woonde in dezelfde straat als zijn ouders en zijn drie broers en zussen. ’s Avonds laat ging hij met zijn vrienden ergens shoarma of kip eten. Hij is vier jaar geleden gevlucht en zijn familie is uitgewaaierd over drie continenten. Van zijn vijf beste vrienden zijn er vier om het leven gekomen, denkt hij.

    ‘De ene dag had ik een auto, een huis, een leven,’ zegt Ahmad. ‘De volgende dag was ik het allemaal kwijt.’

    Het lot is Ahmad gunstiger gezind geweest dan vrijwel iedereen die hij kent, maar door de noodlottige ontwikkelingen in het land waarvan hij van houdt, is hij hier beland, kijkt hij nu uit over een tuin met dikke lagen sneeuw en een Canadese zon die al vroeg aan de einder verdwijnt.

    Huis in de verkoop

    ‘Cat, zag je dat!’

    Cathleen en Jimmy rijden tegen de schemering terug van een autoruitreparatiebedrijf wanneer een grote, witte uil vlak langs hun voorruit scheert. Niet lang daarna zitten ze thuis en praten over de uil die vroeger in hun voortuin huisde, over de eland die achter het huis rondscharrelde, en over deze tijd van het jaar, waar ze altijd zo dol op zijn geweest.

    Elk voorjaar zetten ze de ramen wijd open in hun doodlopende straat, horen de vogels in de sparren, zien de krokussen en de hyacinten uit de verse muls rond het huis schieten. De zon gaat steeds later onder. Ze kunnen weer barbecueën. Ze zullen de buren weer vaker zien. En soms maken ze een uitstapje in hun SUV: in oostelijke richting, over de vlakten richting de Ozarks, of misschien naar het westen, door de bergen tot voorbij de Continental Divide, op zoek naar meren om te vissen, stalletjes om wat vers fruit te kopen en een motelletje om de nacht door te brengen.

    ‘We hadden geen plan,’ zegt Cathleen. ‘We gingen gewoon op de bonnefooi.’

    ‘Weet je nog, de Black Canyons?’ zegt Jimmy.

    ‘Weet je die kliffen nog?’ zegt Cathleen.

    Er wordt op de deur geklopt.

    De huizeninspectie. Over twee weken zal hun huis in de verkoop gaan, en zodra het is verkocht, vertrekken ze. Eerst naar hun kinderen, en daarna zien ze wel weer.
    Misschien dat een tocht door Amerika hen in herinnering kan brengen wat ze zijn vergeten.

    De inspecteur schudt hen de hand en loopt naar binnen.

    ‘En,’ zegt hij, ‘waar gaan jullie heen?’

    Ondertussen komen in Cape Breton nog altijd mails binnen, elke dag wel een paar. ‘Ik kan hier niet langer blijven, ik kan niet meer slapen met zo’n slecht mens als onze leider’, schrijft iemand.

    ‘De geschiedenis herhaalt zich en ik zie weer een Derde Rijk opdoemen’, schrijft iemand anders.

    ‘Ik vind het hartverscheurend hoe ons land kapot wordt gemaakt… door één man, een miljardair die buiten de werkelijkheid staat’, schrijft weer iemand anders.

    ‘Help me alstublieft’, staat in een andere mail te lezen.

    Calabrese leest alle mails, woord voor woord, en terwijl hij wacht op de komst van de Amerikanen, en op de komst van mail nummer 4780, realiseert hij zich hoe gelukkig hij zich mag prijzen dat hij woont op de plek waar hij wil zijn.

    Auteur: Chico Harlan
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Huizen, zoals hier bij Capstick, zijn er genoeg op Cape Breton. – © Wikimedia

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • De grote Britse Brexitroof

    De grote Britse Brexitroof

    Onlangs kon u in 360 het verhaal lezen van datamiljardair Steve Mercer, die de campagnes van Trump en de Brexit probeerde te beïnvloeden. De auteur van dat verhaal, Carole Cadwalladr, spitte verder en ontdekte dat Mercers rol bij het Brexitreferendum misschien wel beslissend was. Met de verkiezingen voor de deur roept dat de vraag op: voldoet het Britse kiesstelsel nog wel? 

    In juni 2013 liep Sophie, een jonge Amerikaanse promovenda, door Londen, en belde de baas van een bedrijf waar ze ooit stage had gelopen. Dat bedrijf, SCL Elections, was inmiddels overgenomen door Robert Mercer, een eenzelvige hedgefundmiljardair, die het bedrijf had omgedoopt tot Cambridge Analytica. Het bedrijf zou naam maken als hét data-analysebedrijf dat een belangrijke rol speelde tijdens de campagnes van Trump en die van de Brexit. Maar zover was het allemaal nog niet. In 2013 was Londen nog aan het nagenieten van de Olympische Spelen. Er was nog geen sprake van een Brexit. De wereld stond nog niet op zijn kop.

    ‘Dat was voordat we uitgroeiden tot dit duistere, dystopische databedrijf dat de wereld heeft opgezadeld met Trump,’ zegt een voormalig Cambridge Analytica-medewerker. Ik noem hem Paul. ‘Het was de tijd dat we alleen nog in psychologische oorlogsvoering deden.’

    Noemden jullie het echt zo, wil ik weten. Psychologische oorlogsvoering? ‘Reken maar. Dat is het ook. Psyops. Pschychological operations – dezelfde methoden die het leger gebruikt om de emoties van grote groepen mensen te beïnvloeden. Dat is wat er onder het winnen van de hearts and minds wordt verstaan. We zetten het vooral in om verkiezingen te winnen in ontwikkelingslanden waar maar weinig regels golden.’

    Waarom zou iemand stage willen lopen bij een bedrijf dat zich specialiseert in psychologische oorlogsvoering, vraag ik hem. Hij kijkt me aan of ik gek ben. ‘Het was alsof je voor de Britse geheime dienst werkte. Maar dan met veel meer vrijheid. Het was heel deftig allemaal, heel Brits, met iemand van Eton aan het hoofd, en we deden allemaal te gekke dingen. Je vloog de hele wereld over. Je werkte samen met de president van landen als Kenia of Ghana. Het is heel anders dan verkiezingscampagnes in het Westen. Je moet allerlei waanzinnige dingen doen.’

    Palantir

    Op die dag in juni 2013 had Sophie een afspraak met de chief executive van SCL, Alexander Nix, en ze reikte hem de kiem aan van een idee. ‘Je zou echt iets met data moeten doen,’ zei ze. ‘Zij heeft Alexander daar echt van doordrongen. Ze opperde dat hij een keer moest gaan praten met een bedrijf van iemand die zij weer via haar vader kende.’

    Wie is haar vader?

    ‘Eric Schmidt.’

    Eric Schmidt – de topman van Google?

    ‘Ja. Ze opperde ook dat Alexander eens moest gaan praten met een ander bedrijf, Palantir.’

    Ik voerde al maanden gesprekken met voormalig medewerkers van Cambridge Analytica en ik had verhalen gehoord die je de haren te berge doen rijzen, maar toch kon ik mijn oren nauwelijks geloven. Voor iedereen die zich met surveillance bezighoudt, is Palantir een begrip. Het dataminingbedrijf heeft contracten met regeringen over de hele wereld – zoals GCHQ, het Engelse Government Communications Headquarters, en de NSA. Het bedrijf is eigendom van Peter Thiel, de miljardair die medeoprichter is van eBay en PayPal, de eerste in Silicon Valley die openlijk zijn steun voor Trump uitsprak.

    In zekere zin is het feit dat de dochter van Eric Schmidt voor de link met Palantir zorgt een van de vele krankzinnige details in het meest krankzinnige verhaal waar ik ooit in ben gedoken.

    Een krankzinnig maar veelzeggend detail. Omdat het raakt aan de essentie – waarom het verhaal van Cambridge Analytica een van de meest verontrustende verhalen van dit moment is. Sophie Schmidt werkt inmiddels voor een ander megabedrijf in Silicon Valley: Uber. Het is duidelijk dat de macht en de dominantie van Silicon Valley – Google en Facebook en nog een handjevol andere bedrijven – de stuwende kracht is achter de wereldwijde tektonische verschuiving waarvan we momenteel getuige zijn.

    Het toont tevens een cruciale, levensgrote lacune in het politieke debat in Engeland. Want de gebeurtenissen in Amerika en die in Engeland zijn verstrengeld. De banden van de regering-Trump met Rusland en Engeland zijn verstrengeld. En Cambridge Analytica is een van de gezichtspunten van waaruit we kunnen zien hoe al die banden in elkaar grijpen; dat maakt ook het probleem duidelijk waarvoor we het liefst de ogen sluiten terwijl we op verkiezingen afstevenen: Engeland verbindt zijn toekomst aan een Amerika dat onder Trump een – radicale en ingrijpende – metamorfose ondergaat.

    Een van mijn bronnen liet me weten dat het adres en het telefoonnummer van AggregateIQ overeenkwamen met dat van een bedrijf dat op de website van Cambridge Analytica wordt vermeld als een overzeese vestiging: “SCL Canada”. Een dag later was die online verwijzing verdwenen

    Er lopen drie lijnen door dit verhaal. Dat in de Verenigde Staten de fundamenten worden gelegd voor een surveillancemaatschappij. Dat de Britse democratie is uitgehold door een heimelijk, verstrekkend plan tot coördinatie, mogelijk gemaakt door een Amerikaanse miljardair. En dat er een verwoede strijd gaande is tussen miljardairs, met onze data als inzet. Data die in alle stilte worden verzameld, vergaard en opgeslagen. Wie die data in handen heeft, heeft de toekomst in handen.

    Zoals het zo vaak gaat, kwam ik dit verhaal op het spoor via een avondje googelen. Vorig jaar december kwam ik via ‘automatische aanvullen’ van Google toevallig terecht op de zoekopdracht: ‘Heeft de Holocaust echt plaatsgevonden?’ En ik ontdekte dat er een hele pagina vol zoekresultaten was die beweerden van niet.

    Googles algoritme was gemanipuleerd door extremistische sites. Jonathan Albright, professor communicatie aan Elon-universiteit, in North Carolina, hielp me om mijn bevindingen te duiden. Hij was de eerste die een compleet ‘alt-right’nieuws en informatie-ecosysteem blootlegde en in kaart bracht, en hij was degene die me op het spoor zette van Cambridge Analytica.

    Hij noemde het bedrijf een spil in de ‘propagandamachine’ van rechts, een term die ik ook heb gebruikt in relatie tot de werkzaamheden die ze verrichten voor de verkiezingscampagne van Trump en het Britse Leave-kamp. Dat leidde tot een tweede artikel over Cambridge Analytica – als spil in het nepnieuws- en informatienetwerk dat volgens mij is opgezet door Robert Mercer en Steve Bannon, een van Trumps naaste medewerkers die het zelfs tot chief strategist heeft weten te schoppen. Ik stuitte op bewijzen dat het bedrijf bezig was met een strategische operatie om de mainstream media een kopje kleiner te maken en te vervangen door een systeem dat alternatieve feiten, gefingeerde geschiedkundige informatie en rechtse propaganda zou verspreiden.

    Mercer is een briljant computerkundige, een pionier op het gebied van artificiële intelligentie, en mede-eigenaar van een van de meest succesvolle hedge funds ter wereld (met een jaarlijks rendement van 71,8 procent, wat alle economische wetten lijkt te tarten). Ik kwam tot de ontdekking dat hij tevens goed is bevriend met Nigel Farage.

    Andy Wigmore, hoofd communicatie van Leave.EU, wist me te vertellen dat Mercer ervoor had gezorgd dat het bedrijf, Cambridge Analytica, het Leave-kamp zou ‘helpen’.

    Dit tweede artikel zette twee onderzoeken in gang, die allebei nog lopen: een onderzoek van het Information Commissioner’s Office naar het mogelijk illegale gebruik van data. En een tweede onderzoek, van de kiesraad, dat zich ‘richt op de vraag of een of meerdere donaties – waaronder diensten – die zijn aangenomen door Leave.EU “ontoelaatbaar” waren.’

    Ukip-leder Nigel Farage, aanjager van de Brexit en een goede bekende van Robert Mercer en Steve Bannon. – © Gareth Fuller
    Ukip-leder Nigel Farage, aanjager van de Brexit en een goede bekende van Robert Mercer en Steve Bannon. – © Gareth Fuller

    Wat ik toen ontdekte was dat Mercers rol bij het referendum nog veel verder ging. Veel verder dan de jurisdictie van welke Engelse wet dan ook. De sleutel om te begrijpen hoe een gedreven en vastberaden miljardair onze verkiezingswetten kan omzeilen, is te vinden bij AggregateIQ, een duister webanalysebedrijfje dat is gevestigd boven een winkel in Victoria, in Brits-Columbia.

    Vote Leave (de officiële Leave-campagne) besloot 3,9 miljoen te spenderen aan AggregateIQ, dus meer dan de helft van het officiële campagnebudget van 7 miljoen. Hetzelfde geldt voor drie andere aangesloten Leave-campagnes: BeLeave, Veterans for Britain en de Democratic Unionist Party, die nog eens 757.750 pond uitgaven. ‘Coördinatie’ tussen verschillende campagnes is verboden binnen de Engelse kieswet, tenzij de campagnekosten gezamenlijk worden opgegeven. Dat was niet het geval. Volgens Vote Leave heeft de kiesraad ‘de zaak bekeken’ en een ‘gezondheidsverklaring’ afgegeven.

    Hoe kan een duister Canadees bedrijf zo’n belangrijke rol hebben gespeeld bij de Brexit? Met die vraag worstelde ook Martin Moore, hoofd van het centrum voor onderzoek naar communicatie, media en macht aan King’s College, in Londen. ‘Ik heb alle facturen bekeken van de Leave-campagne, toen die in februari door de kiesraad online zijn gezet. En ik stuitte steeds maar weer op gigantische bedragen die werden overgemaakt aan een bedrijf waarvan ik niet alleen nog nooit had gehoord, maar waarvan ook op internet vrijwel niets was te vinden. Er werd meer geld betaald aan AggregateIQ dan aan welk ander bedrijf ook, of welke campagne ook, tijdens de aanloop naar het referendum. Het enige wat ik destijds kon vinden was een website van één pagina. Meer niet. Het was een groot raadsel.’

    Moore leverde een bijdrage aan een rapport dat in april werd gepubliceerd, en waarin werd geconcludeerd dat de Engelse kieswet ‘krachteloos en machteloos’ was, met alle nieuwe vormen van digitaal campagnevoeren. Offshorebedrijven, geld dat in databases wordt gestoken, ongebonden derde partijen… de geldstromen waren niet zo duidelijk meer gemarkeerd. De wetten die sinds jaar en dag de Britse kieswet hadden geschraagd, waren niet langer toereikend. Wetten, zo stond te lezen in het rapport, die ‘nodig moeten worden herzien’ door het parlement.

    AggregateIQ is ook de sleutel om een ander complex netwerk van invloedssferen te ontrafelen dat door Mercer in het leven is geroepen. Een van mijn bronnen liet me weten dat het adres en het telefoonnummer van AggregateIQ overeenkwamen met dat van een bedrijf dat op de website van Cambridge Analytica wordt vermeld als een overzeese vestiging: ‘SCL Canada’. Een dag later was die onlineverwijzing verdwenen.

    Er moest een verband zijn tussen de twee bedrijven. Tussen de verschillende Leave-campagnes. Tussen het referendum en Mercer. Het was gewoon té toevallig. Maar iedereen – AggregateIQ, leave.EU, Vote Leave – ontkende. AggregateIQ had gewoon een kortlopende opdracht gedaan voor Cambridge Analytica. Daar was niets op tegen. Wij publiceerden de feiten. Op 29 maart trad artikel 50 in werking.

    Gestoord

    Dan ontmoet ik Paul, de eerste van twee bronnen die in het verleden bij Cambridge Analytica hebben gewerkt. Hij is ergens eind twintig, en getekend door zijn ervaringen bij het bedrijf. ‘Ik heb bijna posttraumatische stress. Het was zo… gestoord. Het ging allemaal zo snel. Van de ene op de andere dag bleken we te zijn veranderd in de Republikeinse fascistenpartij. Ik kan het nog altijd nauwelijks geloven.’

    Hij moet lachen wanneer ik hem vertel over het frustrerende mysterie van AggregateIQ. ‘Kijk of je Chris Wylie kunt vinden,’ zegt hij.

    Wie is Chris Wylie?

    ‘Hij is degene die Cambridge Analytica op het spoor heeft gezet van data en microtargeting [op maat gesneden politieke boodschappen]. Hij komt uit het westen van Canada. Zonder hem zou AggregateIQ niet eens hebben bestaan. Het zijn zijn vriendjes. Hij heeft ze erbij gehaald.’

    Er was niet zomaar een terloopse link tussen Cambridge Analytica en AggregateIQ, vertelt Paul me. Ze waren innig verstrengeld, vervulden sleutelposities binnen Robert Mercers uitgestrekte rijk. ‘De Canadezen waren ons backoffice. Zij beheerden onze database. Als AggregateIQ erbij betrokken is, dan is Cambridge Analytica er ook bij betrokken. En als Cambridge Analytica erbij betrokken is, dan zijn Robert Mercer en Steven Bannon erbij betrokken. Kijk of je Chris Wylie kunt vinden.’

    Ik wist Chris Wylie op te sporen. Hij weigerde me te woord te staan.

    Om te begrijpen hoe data een bedrijf kunnen veranderen, moet je weten waar ze vandaan komen. Ik werd daarbij geholpen door een brief van de ‘Director of Defence Operations, SCL Group’. Hij is afkomstig van ‘commandant Steve Tatham, PhD, MPhil, Royal Navy (buiten dienst)’ die zijn beklag doet over het gebruik van het woord ‘desinformatie’ in mijn artikel over Mercer.

    Ik schreef hem terug en wees hem erop dat hij in bepaalde artikelen zelf had geschreven over ‘misleiding’ en ‘propaganda’, wat naar mijn idee ‘min of meer hetzelfde’ was als desinformatie. Pas later dringt tot me door hoe vreemd het is dat ik correspondeer met een gepensioneerde marinecommandant, over militaire strategieën die al dan niet zouden zijn gebruikt tijdens Britse en Amerikaanse verkiezingen.

    Wat uit beeld is verdwenen in de Amerikaanse kijk op dit ‘data-analyse’-bedrijf is de achtergrond van het bedrijf: het is diepgeworteld in de militair-industriële wereld. Een opmerkelijk hoekje binnen deze wereld wordt bevolkt door Tories van de oude stempel, zoals dat ook geldt voor het militaire establishment in Engeland. Geoffrey Pattie, een voormalig parlementslid dat een hoge positie bekleedde bij Defensie en dat aan het hoofd stond van Marconi Defence Systems, zat in de raad van bestuur, net als Lord Marland, David Camerons voormalige handelsgezant die pro-Brexit is, en die aandeelhouder was.

    Steve Tatham stond aan het hoofd van de psychologische operaties van de Britse strijdkrachten in Afghanistan. The Observer beschikt over brieven waarin hij wordt aanbevolen door het Engelse ministerie van Defensie, Buitenlandse Zaken en de NAVO.

    SCL/Cambridge Analytica is niet een of andere start-up van een stel jongens met een Mac Powerbook. Het maakt echt deel uit van het Britse defensiesysteem. En nu dus ook van het Amerikaanse defensiesysteem. Dit is meer dan een verhaal over sociale psychologie en data-analyse. Het moet gezien worden in het kader van een militaire aannemer die militaire strategieën loslaat op een burgerbevolking. David Miller, hoogleraar sociologie aan Bath-universiteit en een autoriteit op het gebied van psyops en propaganda, noemt het ‘een ongehoord schandaal dat dit mogelijk is binnen een democratie. De kiezers behoren te weten waar bepaalde informatie vandaan komt, en als dat niet helder en transparant is, moeten we ons de vraag stellen of we daadwerkelijk in een democratie leven.’

    Paul en David, een andere voormalig medewerker van Cambridge Analytica, werkten bij het bedrijf in de tijd dat het op grote schaal vergaren van data deel ging uitmaken van de psychologische-oorlogsvoeringstrategie. ‘Het was een nieuwe, krachtige synergie van psychologie, propaganda en techniek,’ zegt David.

    © Courrier International
    © Courrier International

    En dat alles werd mogelijk gemaakt door Facebook. Cambridge Analytica kreeg zijn immense hoeveelheid data in eerste instantie van Facebook. Al eerder hadden psychologen van Cambridge Analytica (legaal) gegevens van Facebook geanalyseerd voor onderzoeksdoeleinden, en ze hadden peer-reviewed artikelen gepubliceerd over Facebook-‘likes’, en wat daaruit valt af te leiden over iemands karaktereigenschappen, politieke voorkeuren, seksualiteit en nog veel meer. SCL/Cambridge Analytica huurde een hoogleraar in, dr Aleksandr Kogan, om nog meer Facebookdata te vergaren. Hij deed dat door mensen tegen betaling een persoonlijkheidstest te laten maken, waarbij niet alleen hun Facebookprofiel boven tafel kwam, maar ook dat van hun vrienden – ook dat maakte het sociale netwerk destijds mogelijk.

    Facebook was de bron van de psychologische inzichten die het Cambridge Analytica mogelijk maakte zich specifiek te richten op individuen. Het was ook het mechanisme dat het Cambridge Analytica mogelijk maakte hier op grote schaal in te handelen.

    Het bedrijf kocht ook (volkomen legaal) consumentendata – gegevens over van alles en nog wat, van tijdschriftabonnementen tot aangeschafte vliegtickets – en combineerde deze voor het eerst met psychologische gegevens en lijsten van kiesgerechtigden. Al deze informatie werd vervolgens gekoppeld aan het adres en telefoonnummer van mensen, en vaak ook aan hun e-mailadres. ‘Het doel was om alle gegevens in kaart te brengen van de informatieomgeving van alle stemgerechtigden,’ zegt David. ‘Met die persoonlijkheidsgegevens kon Cambridge Analytica op maat gesneden berichten sturen.’

    De zoektocht naar ‘beïnvloedbare’ kiezers is de sleutel tot elke campagne en met zijn schat aan data was Cambridge Analytica bijvoorbeeld in staat mensen die tamelijk angstig waren aangelegd te benaderen met beelden van immigranten die het land ‘overspoelden’. De truc is om bij elke individuele kiezer de emotionele trigger te vinden.
    Cambridge Analytica werkte aan campagnes voor een Republikeins actiecomité, in verschillende staten. Het voornaamste doel, blijkt uit een memo dat in handen is van The Observer, was ‘desinteressse kweken’ en ‘Democratische kiesgerechtigden zo ver zien te krijgen dat ze thuis blijven’: een ongekend verontrustende tactiek. Er is al eerder gezegd dat er ontmoedigingstechnieken werden gebruikt in de campagne, maar dit document levert de eerste echte bewijzen.

    Maar werkt zo’n aanpak ook echt? Een van de kritiekpunten op de artikelen van mij en anderen, is dat de ‘specialiteit’ van Cambridge Analytica te veel is opgeblazen. De meeste politieke consultancy’s gaan toch niet zo heel anders te werk?

    ‘Het is geen politiek consultancybureau,’ zegt David. ‘Wat je goed moet begrijpen, is dat dit op geen enkele manier een normaal bedrijf is. Volgens mij kan het Mercer niet eens schelen of er ook maar een cent winst wordt gemaakt. Het is het product van een miljardair die een vermogen heeft gespendeerd om een experimenteel wetenschappelijk lab op te zetten, waarin hij kan kijken wat aanslaat, waarin hij op zoek kan gaan naar minieme vormen van beïnvloeding die een verkiezingsuitslag kunnen bepalen. Robert Mercer heeft pas geld in het bedrijf gestoken na een aantal pilotprojecten – gecontroleerde experimenten. We hebben het hier over een van de slimste computerkundigen ter wereld. Die gooit echt geen vijftien miljoen over de balk.’

    ‘Het is een huiveringwekkende gedachte dat er zo veel data in handen zijn van een groep internationale plutocraten, die ermee kunnen doen en laten wat ze willen’

    Tasmin Shawn, universitair docent filosofie aan New York-universiteit, schetst een breder kader voor me. Ze heeft onderzoek gedaan naar de financiering van het Amerikaanse leger en naar het gebruik van psychologisch onderzoek bij martelingen. ‘Het is wel aangetoond dat deze wetenschap ingezet kan worden om emoties te manipuleren. Het gaat hier om technologie die oorspronkelijk afkomstig is van het leger en die nu is ingelijfd door een mondiale plutocratie, en die wordt gebruikt om verkiezingen te beïnvloeden op een manier waar mensen geen enkel zicht op hebben, en zelfs geen weet van hebben,’ zegt ze. ‘Het gaat hier om het exploiteren van bestaande fenomenen die vervolgens worden gebruikt om mensen in de marge te manipuleren. Het is een huiveringwekkende gedachte dat er zo veel data in handen zijn van een groep internationale plutocraten, die ermee kunnen doen en laten wat ze willen. We zitten midden in een informatieoorlog en deze bedrijven worden opgekocht door miljardairs, die vervolgens worden binnengehaald in het hart van de overheid. Dat is een zeer zorgwekkende situatie.’

    In 2013 heeft Cambridge Analytica een project uitgevoerd in Trinidad, waarin alle verhaallijnen bij elkaar komen. Net op het moment dat Robert Mercer ging onderhandelen met Alexander Nix, de baas van SCL, werd SCL in de arm genomen door verschillende ministers in Trinidad en Tobago. De opdracht was onder meer het ontwikkelen van een zogeheten microtargetingprogramma voor de partij die op dat moment aan de macht was. En AggregateIQ – hetzelfde bedrijf dat zich voor Vote Leave had ingezet bij de Brexit – werd ingehuurd om het targetingplatform te bouwen.

    David zegt hierover: ‘De standaardaanpak van SCL/CA is dat je een overheidscontract sluit met de regerende partij. Daarmee is het politieke werk gedekt. Het is vaak een of ander onzinnig gezondheidsproject, dat slechts dient als dekmantel om te zorgen dat de minister wordt herverkozen. Maar in dit geval werden de contracten niet gesloten met de overheid, maar met de nationale veiligheidsraad van Trinidad.’

    Het werk voor de informatiedienst was de prijs voor het politieke werk. The Observer heeft documenten in handen waaruit blijkt dat het ging om een voorstel om de zoekgeschiedenis van de gehele bevolking te achterhalen, om telefoongesprekken vast te leggen en spraaksoftware los te laten op de verkregen data teneinde een landelijke politiedatabase aan te leggen, compleet met een inschatting per individuele burger van de waarschijnlijkheid dat hij of zij een misdaad zou plegen.

    ‘Het plan dat aan de minister is voorgelegd heette Minority Report. Het was Pre-Crime. En het feit dat Cambridge Analytica nu werkzaam is binnen het Pentagon, is zonder meer beangstigend, als je het mij vraagt,’ zegt David.

    Datamiljardair Robert Mercer met zijn dochter Rebekah. – © Patrick McMullan / Getty Images
    Datamiljardair Robert Mercer met zijn dochter Rebekah. – © Patrick McMullan / Getty Images

    Deze documenten werpen licht op een belangrijk en onderbelicht aspect van de regering-Trump. Het bedrijf dat Trump in eerste instantie aan de macht heeft geholpen, is beloond met contracten binnen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken. De voormalige vicepresident van dat bedrijf zit nu in het Witte Huis. Naar verluidt speelt het bedrijf ook een rol in gesprekken over ‘militaire aangelegenheden en binnenlandse veiligheid’.

    In Amerika is de overheid gebonden aan strenge wetten waar het gaat om het verzamelen van gegevens van individuele burgers. Maar particuliere bedrijven kunnen doen en laten wat ze willen. Is het irrationeel om hierin de mogelijke fundamenten te zien van een autoritaire surveillancestaat?

    Een regering die bedrijfsbelangen binnenhaalt en aan de borst drukt. Er zijn documenten waaruit blijkt dat Cambridge Analytica banden heeft met vele andere miljardairs met rechtse sympathieën, onder wie Rupert Murdoch. Uit een memo blijkt dat Cambridge Analytica heeft geprobeerd een artikel geplaatst te krijgen in Murdochs Wall Street Journal. ‘RM heeft het via een andere weg aangeboden en contact gelegd met Jamie McCauley van Robert Thomson News Corp’, staat er te lezen.

    Dat doet mij weer denken aan het verhaal waarin Sophie Schmidt, Cambridge Analytica en Palantir een rol spelen. Is het een veelzeggend detail, of is het een aanwijzing dat er nog iets anders speelt? Cambridge Analytica noch Palantir wilde ingaan op de vraag, in verband met dit artikel, of er sprake is van onderlinge banden. Maar getuigenverklaringen en mails bevestigen dat er in 2013 besprekingen hebben plaatsgevonden tussen Cambridge Analytica en Palantir. Een mogelijke samenwerking is in ieder geval aan de orde geweest.

    The Observer beschikt ook nog over andere documenten, die bevestigen dat tenminste één senior medewerker van Palantir gesprekken heeft gevoerd met Cambridge Analytica in verband met het Trinidad-project en latere politieke werkzaamheden in de Verenigde Staten. Maar destijds heeft Palantir besloten, zo wordt me verteld, dat de kans op imagoschade te groot werd geacht om echt met elkaar in zee te gaan. Er stond te weinig tegenover. Palantir is een bedrijf dat wordt vertrouwd met grote hoeveelheden data van Engelse en Amerikaanse burgers, in dienst van zowel GCHQ en NSA, en vele andere landen.

    Maar nu zijn beide bedrijven in handen van ideologisch gedreven miljardairs: Robert Mercer en Peter Thiel. De Trump-campagne heeft gezegd dat Thiel heeft geholpen met data. Een campagne die werd geleid door Steve Bannon, die destijds bij Cambridge Analytica zat.

    Een hooggeplaatst iemand van QC, die veel tijd heeft doorgebracht bij het Britse onderzoekstribunaal IPT, zegt dat het grootste probleem bij deze technologie is dat het er vooral om gaat wíé de gegevens in handen heeft.

    ‘Aan de ene kant gaat het om bedrijven en overheden die zeggen “vertrouw ons nou maar, we hebben het hart op de goede plaats en we zijn democratisch en in het weekend bakken we gezellig koekjes”. Maar dezelfde technologie kan worden verkocht aan willekeurig welk repressief regime.’

    In Engeland hebben we nog altijd vertrouwen in de overheid. We gaan ervan uit dat de autoriteiten zich aan de wet houden. We hebben vertrouwen in de wet. We geloven dat we in een vrij en democratisch land leven. En juist daarom is naar mijn gevoel het laatste deel van dit verhaal zo ongekend verontrustend.

    Dominic Cummings

    De details van het Trinidad-project ontsloten eindelijk het mysterie van AggregateIQ. Trinidad was het eerste project van SCL waarbij gebruik werd gemaakt van big data voor microtargeting, voordat het bedrijf werd overgenomen door Mercer. Om dit model was het Mercer te doen. Alle partijen kwamen hier samen: Aleksandr Kogan, de psycholoog van Cambridge, AggregateIQ, Chris Wylie, en de twee andere mensen die een rol zouden spelen in dit verhaal: Mark Gettleson, een focusgroupspecialist die in het verleden voor de liberalen had gewerkt, en Thomas Borwick, de zoon van Victoria Borwick, het conservatieve parlementslid uit Kensington.

    Toen in februari mijn artikel verscheen waarin ik Mercer en Leuve.EU met elkaar in verband bracht, was niemand zo boos als voormalig Tory-adviseur Dominic Cummings, de campagnestrateeg van Vote Leave. Hij ging flink tekeer op Twitter. Het artikel stond ‘vol fouten & verspreidt zelf desinformatie’. Of: ‘CA speelde ~0% rol in Brexit-referendum.’

    Een week later toonde The Observer het vermoedelijke verband aan tussen AggregateIQ en Cambridge Analytica. Cummings Twitteraccount zweeg in alle talen. Hij reageerde niet op mijn berichten of mijn mails.

    Er speelden al langer vragen over een mogelijke coördinatie tussen de verschillende Leave-campagnes. In de week voorafgaand aan het referendum doneerde Vote Leave geld aan twee andere Leave-groeperingen – 625 duizend pond aan BeLeave, een initiatief van modestudent Darren Grimes, en 100 duizend pond aan Veterans for Britain. Beide campagnes hebben dit geld besteed aan AggregateIQ.

    De kiesraad heeft AggregateIQ aangeschreven. Een bron dicht bij het onderzoek heeft gezegd dat AggregateIQ heeft gereageerd met de mededeling een geheimhoudingsverklaring te hebben getekend. En aangezien het niet onder de Engelse jurisdictie valt, was de zaak daarmee afgedaan. Dit is waar Vote Leave naar verwijst wanneer ze zeggen dat de kiesraad ‘een gezondheidsverklaring’ heeft afgegeven.

    Dominic Cummings heeft op zijn blog duizenden woorden gewijd aan de referendumcampagne. Wat ontbreekt zijn details over zijn data-analisten. Het enige wat hij daarover zegt is dat hij ‘specialisten heeft ingehuurd’.

    Eindelijk, na weken van berichten, krijg ik een mail van hem. We bleken het over één ding eens te zijn. Hij schreef: ‘De wetgeving/handhavende instanties zijn een lachertje, en de werkelijkheid is dat iedereen die een loopje met de wet wil nemen dat kan doen zonder dat ook maar iemand het doorheeft.’ Maar, zegt hij: ‘door de aandacht te vestigen op onzinnige verhalen als de denkbeeldige rol van Mercer bij het referendum, leid je de aandacht af van deze belangrijke kwesties’.

    En om dan eindelijk antwoord te geven op de vraag hoe Vote Leave terecht is gekomen bij deze duistere firma aan de andere kant van de aardbol, schrijft hij: ‘Iemand stuitte op internet op AIQ [AggregateIQ] en belde hen op, en zei vervolgens tegen mij – laten we met die lui in zee gaan. Ze waren duidelijk veel competenter dan de mensen die we in Londen hadden gesproken.’

    Het ongelukkige aan dit verhaal – voor Dominic Cummings – is dat het ongeloofwaardig is. Het is een paar minuten werk om een datumfilter in Google search te installeren en te zien dat ‘AggregateIQ’ eind 2015 of begin 2016 helemaal geen hits opleverde. Er is niets over geschreven in de media. Het bedrijf wordt nergens genoemd. De website verschijnt niet eens op mijn scherm. Ik heb Dominic Cummings betrapt op wat een alternatief feit lijkt te zijn.

    Een kleine groep mensen, die zij hadden bestempeld als “te overreden”, werd bedolven onder advertenties, in totaal meer dan een miljard, waarvan verreweg de meeste in die paar laatste dagen

    Een controleerbaar feit is dat Gettleson en Borwick, die voorheen werkzaam waren als consultant voor SCL en Cambridge Analytica, beiden een spilfunctie bekleedden in het Vote Leave-team. Ze staan beiden vermeld in de officiële Vote Leave-documenten die zijn gedeponeerd bij de kiesraad, al omschrijven ze hun eerdere werkzaamheden heel bescheiden als ‘microtargeting in Antigua en Trinidad’ en ‘direct communications voor verschillende politie-actiecomités, senaats- en gouverneurscampagnes’.

    En Borwick was niet zomaar een medewerker. Hij was het hoofd technologie van Vote Leave.

    Dit verhaal omvat een complex netwerk van verbinding, met als spin in het web Cambridge Analytica. Alle lijntjes komen uit bij Mercer. Want de banden moeten overduidelijk zijn geweest. ‘Misschien was AggregateIQ niet van Mercer, maar het speelde zich wel allemaal af binnen zijn domein,’ zegt David. ‘Bijna al hun contracten waren afkomstig van Cambridge Analytica of van Mercer. Zonder hen hadden ze geen bestaansrecht. Gedurende de hele aanloop naar het referendum werkten zij elke dag met Mercer en Cambridge Analytica aan de campagne van [Ted] Cruz. AggregateIQ bouwde en beheerde de databaseplatforms van Cambridge Analytica.’

    Cummings wil niet zeggen wie voor hem de websites bouwde. Maar op facturen die zijn overhandigd aan de kiesraad zien we betalingen aan een bedrijf dat luistert naar de naam Advanced Skills Institute. Het duurt weken voordat ik het belang daarvan inzie, aangezien het bedrijf meestal wordt aangeduid als ASI Data Science, een bedrijf waar steeds roulerende data-analisten werkzaam zijn, die vervolgens aan de slag gaan bij Cambridge Analytica, en omgekeerd. Er is beeldmateriaal van ASI data-analisten die persoonlijkheidsmodellen van Cambridge Analytica presenteren, en er zijn documenten over evenementen die de twee bedrijven samen hebben georganiseerd. ASI heeft tegen The Observer gezegd geen officiële banden te onderhouden met Cambridge Analytica.

    Waar het om gaat is het volgende: tijdens de Amerikaanse voorverkiezingen heeft AggregateIQ contractueel afstand gedaan van het intellectueel eigendom (IE). Het bedrijf was echter geen eigenaar van dat IE: dat was Robert Mercer. Om met een ander bedrijf in Engeland te kunnen samenwerken, moest AggregateIQ expliciet toestemming hebben van Mercer. Op de vraag of hij commentaar wil geven op de financiële of zakelijke banden tussen ‘Cambridge Analytica, Robert Mercer, Steve Bannon, AggregateIQ, Leave.EU en Vote Leave’, zegt een woordvoerder van Cambridge Analytica: ‘Cambridge Analytica heeft geen betaalde of onbetaalde werkzaamheden verricht voor Leave.EU.’

     Witte Huis-adviseur Steve Bannon. – © Jonathan Ernst / Reuters
    Witte Huis-adviseur Steve Bannon. – © Jonathan Ernst / Reuters

    Dit verhaal gaat niet over de geslepen Dominic Cummings die een paar mazen heeft ontdekt in de regels van de kiesraad. Die her en der een paar miljoen heeft weggezet. Dit verhaal gaat ook nog niet eens om wat een heimelijke coördinatie lijkt te zijn tussen Vote Leave en Leave.EU bij het inhuren van AggregateIQ en Cambridge Analytica. Dit verhaal gaat over gedreven Amerikaanse miljardairs – Mercer en zijn voornaamste ideoloog, Bannon – die medeverantwoordelijk zijn voor de grootste constitutionele verandering in Engeland van de afgelopen eeuw.

    Wie wil begrijpen hoe, en in welke mate, de Brexit is verbonden met Trump, is hier op het goede spoor. Deze lijnen, die dwars door Cambridge Analytica lopen, zijn het resultaat van een trans-Atlantisch partnerschap dat vele jaren teruggaat. Nigel Farage en Bannon werken nauw samen, zeker al sinds 2012. Bannon heeft in 2014 de Londense poot van zijn nieuwswebsite Breitbart geopend om Ukip te steunen – het nieuwste front ‘in de culturele en politieke oorlog die momenteel wordt gevoerd’, zei hij tegen The New York Times.

    Engeland was altijd al een cruciaal onderdeel geweest van Bannons plannen, hoor ik van een andere ex-Cambridge-medewerker, die anoniem wil blijven. Het was een speerpunt van zijn strategie om de hele wereldorde te veranderen.

    ‘Hij is ervan overtuigd dat je eerst de cultuur moet omvormen voordat je de politiek kunt omvormen. En daarin speelde Engeland een sleutelrol. Hij meende dat Amerika het voorbeeld van Engeland zou volgen. De Brexit was voor hem van enorme symbolische waarde.’

    Op 29 maart, de dag dat artikel 50 in werking trad, belde ik een van de kleinere campagnes, Veterans for Britain. Cummings strategie was om in de laatste dagen van de campagne mensen gericht te benaderen en de kleinere groep kreeg in de laatste week honderdduizend pond van Vote Leave. Een kleine groep mensen, die zij hadden bestempeld als ‘te overreden’, werd bedolven onder advertenties, in totaal meer dan een miljard, waarvan verreweg de meeste in die paar laatste dagen.

    Ik vraag David Banks, het hoofd communicatie van Veterans for Britain, waarom ze dat geld aan AggregateIQ hebben uitgegeven.

    ‘Ik ben niet op AggregateIQ afgestapt, zij zijn op ons afgestapt. Ze hebben ons gebeld en een pitch gehouden. Er is geen sprake van een complot. Het was gewoon een Canadees bedrijf dat een vestiging opende in Londen, om binnen de Britse politiek te gaan werken, en zij deden dingen die geen enkel Engels bedrijf ons kon bieden. Hun targeting was gebaseerd op een aantal technologieën die nog niet tot Engeland waren doorgedrongen. Ze hadden een manier gevonden om mensen te targeten op grond van inzicht in hun gedrag. Zij benaderden ons.’

    Naar mijn idee was David Banks zich er niet van bewust dat er iets niet helemaal in de haak was. Het is een vaderlandslievende man, die gelooft in de Britse soevereiniteit, Britse waarden en de Britse wetgeving. Ik denk dat hij niet wist dat er overlap was tussen de verschillende campagnes. Ik kan alleen maar concluderen dat hij om de tuin is geleid.

    En dat wij, het Britse volk, om de tuin zijn geleid. In zijn blog schrijft Dominic Cummings dat de Brexit op het conto komt van ‘zo’n 600 duizend mensen – net iets meer dan 1 procent van alle geregistreerde kiezers’. Het is niet zo’n heel grote stap om te denken dat een lid van de mondiale 1 procent een manier heeft gevonden om deze beslissende 1 procent van de Britse kiezers te beïnvloeden.

    Rusland

    Het referendum was een open doel, onweerstaanbaar voor de Amerikaanse miljardairs. Of moet ik zeggen: de Amerikaanse miljardairs en andere geïnteresseerde spelers? Want als we inzien dat Engeland en Amerika, Brexit en Trump, nauw zijn verbonden door trans-Atlantische connecties, dan moeten we ook inzien dat Rusland een plek heeft binnen deze innige verstrengeling.

    De afgelopen tijd heb ik geschreven over de banden tussen rechts in Engeland, de regering-Trump en rechts in Europa. En deze lijnen lopen op een of andere manier allemaal richting Rusland. Vanuit Nigel Farage en Donald Trump en Cambridge Analytica.

    The Observer heeft een kaart te zien gekregen met daarop de vele plekken op de wereld waar SCL en Cambridge Analytica werkzaam zijn geweest: onder meer in Rusland, Litouwen, Letland, Oekraïne, Iran en Moldavië. Verschillende bronnen binnen Cambridge Analytica hebben andere banden met Rusland aan het licht gebracht, zoals reisjes naar Rusland, besprekingen met topmannen van Russische staatsbedrijven, en verklaringen van SCL-medewerkers dat ze voor Russische rechtspersonen hebben gewerkt.

    Artikel 50 is in werking getreden. AggregateIQ valt niet onder de Engelse jurisdictie. De kiesraad staat machteloos. Een volgende verkiezing, met dezelfde regels, staat voor de deur. Het is niet zo dat de autoriteiten zich niet realiseren dat er reden is tot zorg. The Observer heeft gehoord dat het openbaar ministerie een speciale aanklager heeft aangesteld om vast te stellen of er grond is om over te gaan tot vervolging omdat er campagnefinancieringswetten zijn overtreden. Het openbaar ministerie heeft de zaak terugverwezen naar de kiesraad. Iemand dicht bij de commissie, die zich bezighoudt met de veiligheidsdiensten, weet me te vertellen dat ‘er wordt gewerkt’ aan een mogelijke inmenging van Rusland bij het referendum.

    Gavin Miller, werkzaam bij QC en gespecialiseerd in kieswetgeving, noemt de situatie ‘hoogst verontrustend’. Hij denkt dat de waarheid alleen valt te achterhalen door een openbaar onderzoek. Maar daar moet de regering opdracht toe geven. Een regering die net verkiezingen heeft uitgeschreven om haar machtsbasis te versterken. Verkiezingen die zijn bedoeld om meer op één lijn te komen met Trumps Amerika.

    Martin Moore van King’s College in Londen wijst erop dat verkiezingen tegenwoordig meer en meer worden gebruikt als middel om een autoritair bewind in het zadel te helpen. ‘Kijk naar Erdogan in Turkije. Wat Theresa May doet is in zekere zin heel antidemocratisch. Ze is doelbewust bezig haar macht te vergroten. Het gaat niet om een verschil in beleid tussen twee politieke partijen.’

    Dit in Engeland in 2017. Een Engeland dat steeds meer wegheeft van een democratie die wordt ‘gemanaged’. Bekostigd door een Amerikaanse miljardair. Gebruikmakend van militaristische technologie. In kaart gebracht door Facebook. En mogelijk gemaakt door ons. Als we de uitslag van het referendum honoreren, stemmen we daar impliciet mee in. Het gaat hier niet over Remain of Leave. Dit overstijgt partijpolitiek. Het gaat over de eerste stap in een brave new world, die steeds minder democratisch is.

    Auteur: Carole Cadwalladr
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Getty Images

    The Observer
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000

    Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.

  • Het nieuwe Silicon Valley ligt in Guadalajara

    Het nieuwe Silicon Valley ligt in Guadalajara

    De Mexicaanse deelstaat Jalisco is een belangrijke technologische hotspot geworden. Talent dat in het verleden nog steevast naar Silicon Valley afreisde, blijft nu liever thuis. Dat komt door de verbeterde infrastructuur, maar ook door nieuwe visumbepalingen in de VS.

    ‘Guadalajara ligt dichter bij San Francisco dan New York,’ zegt Eliazar Parra, een 32-jarige computerprogrammeur die in de Mexicaanse deelstaat Jalisco woont en vanuit zijn huis werkt voor ondernemingen als AT&T en Facebook. Dat 
is de reden, denkt hij, dat technologiebedrijven hun oog hebben laten vallen op deze uithoek in het westen van Mexico. Parra vertrok in 2008 naar de Verenigde Staten om als zelfstandige 
in Silicon Valley aan de slag te gaan. Maar hij werd hetzelfde jaar nog het land uitgezet omdat hij niet over een werkvergunning beschikte. Zou hij het weer willen proberen? ‘Nee, ik ben erg bang voor de restricties die Trump heeft opgelegd, en het punt is dat ik graag thuis werk. Hier is het goed leven.’

    
Zoals Parra zijn er honderden jonge Mexicaanse ingenieurs, informatici 
en wiskundigen die de laatste tijd in deze regio de kans hebben gekregen hun projecten te realiseren. De deelstaat Jalisco in West-Mexico biedt zo langzamerhand heel wat mogelijkheden. Al dertig jaar wordt er aan hoogtechnologische research & development gedaan, zowel door grote ondernemingen als door start-ups, waarmee de regio een technologische hotspot is geworden. En als gevolg van de – deels door Trump ingevoerde – visumbepalingen is er nog meer activiteit ontstaan. Mexico heeft zijn deuren wijd opengezet voor talent dat vanwege de immigratiepolitiek niet meer in de VS kan gaan werken.

    Werknemers van het Amerikaanse Wizeline Inc. in Guadalajara. – © Hector Guerrero / Getty
    Werknemers van het Amerikaanse Wizeline Inc. in Guadalajara. – © Hector Guerrero / Getty

    Het Mexicaanse equivalent van Silicon Valley telt vijftien grote ondernemingen, voornamelijk uit de VS. Daarnaast zijn er zeshonderd kleine en middelgrote ondernemingen – waarvan ook veel start-ups – die hun producten 
voor 70 procent exporteren. Bedrijven als Oracle, HP, Motorola en IBM hebben hier hun tweede huis. De regering beweert dat die ondernemingen worden gelokt door zowel het plaatselijk talent als door de infrastructuur van Guadalajara. ‘De groei gaat niet ten koste van de werkgelegenheid in de VS,’ verzekert Jaime Reyes, minister van Innovatie, Wetenschap en Technologie.

    De meeste technologiebedrijven zijn gevestigd in Guadalajara zelf, waar de afgelopen tien jaar veel nieuwe infrastructuur is aangelegd, inclusief een snel glasvezelnet. De investeringen daarvoor kwamen uit de VS. Een Mexicaanse ingenieur kan hier 6000 dollar per maand verdienen en comfortabel leven in een regio waar de prijzen lager liggen dan in Mexico-Stad. Als de groei doorzet en de investeringen blijven komen, dan zou er, zo hopen de autoriteiten, een technologiecorridor kunnen ontstaan van Guadalajara tot Puerto Vallarta aan de Pacifische kust.

    Kueski

    Adalberto Flores keerde een paar jaar geleden uit Silicon Valley terug naar Guadalajara. Hij creëerde de start-up Kueski, die via internet microkredieten verschaft. Het kantoor van zijn jonge onderneming heeft geen afgescheiden werkplekken: een keuken en een pingpongtafel vormen het centrum van een ruimte waarin financieel specialisten, programmeurs en ontwerpers van tussen de 25 en 30 hun werk doen. Flores’ bedrijf is de afgelopen jaren zeven keer zo groot geworden.

    Kueski is een woord uit het Nahuatl, de taal van de Azteken, dat ‘hoeveel’ betekent. Flores heeft alle aanvankelijke scepsis weggenomen bij de Noord-Amerikaanse investeerders die hun geld in zijn project hebben gestoken. ‘De investeerders van Silicon Valley zijn huiverig om geld te steken in ondernemingen die elders gevestigd zijn, of het nu in New York, China of Guadalajara is,’ zegt hij. Kueski bewijst dat het de moeite loont om waar dan ook een eerste aanzet te geven tot de bouw van een technologiesector. ‘Talent is de nieuwe aardolie,’ zegt Cindy Blanco, directeur van Startup Guadalajara.

    De aanjagers van de Mexicaanse technologieboom gebruiken niet eens meer het argument van de lage lonen. 
Zij hopen met technologische projecten de slag te maken naar een ongekende opschaling van de economische groei. In navolging van Uncle Sam, die in de Eerste Wereldoorlog met kleurige affiches soldaten voor het leger wierf, heeft de deelstaat Jalisco langs de hele westkust van de VS billboards geplaatst om technologiestart-ups naar het land van tequila en mariachi te lokken.

    Auteur: Sonia Corona
    Vertaler: Jos den Bekker

    Openingsbeeld: Werknemers van het Amerikaanse Wizeline Inc. in Guadalajara. – © Hector Guerrero / Getty

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • Twee staten, één staat, geen staat

    Twee staten, één staat, geen staat

    De VS en Europa zien twee afzonderlijke staten als de oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Maar volgens de conservatieve commentator Moshe Arens hebben de Palestijnen al een land: Jordanië.

    Keuze uit het archief

    Kort na het aantreden van de nieuwe regering-Netanyahu – een coalitie van extreemrechtse en ultra-orthodoxe partijen – laaiden de conflicten met de Palestijnen op de bezette Westelijke Jordaanoever weer op. Dit jaar zijn er al 29 Palestijnen gedood door Israëlische militairen op de Westelijke Jordaanoever, waar vorig jaar met 172 dodelijke slachtoffers ook al een triest record werd gebroken. Ook al dringen Westerse landen, zoals de VS, aan op een tweestatenoplossing, zoals buitenlandminister Blinken onlangs nog bij een bezoek aan Israël benadrukte, een eigen Palestijnse staat lijkt verder uit het zicht dan ooit. Dit opinieartikel van een van de voormalige ministers van Netanyahu’s partij Likoed geeft perfect weer hoe uiterst rechts in Israël denkt over het Palestijnse streven naar een eigen staat.

    Toen hij premier Benjamin Netanyahu op de trappen van het Witte Huis verwelkomde, wekte president Donald Trump wereldwijd verbazing door over het Israëlisch-Palestijnse conflict te verklaren dat hij kon leven met een twee- of een eenstatenoplossing. Aan dat lijstje had hij een ‘geenstatenoplossing’ kunnen toevoegen.Zijn opmerkingen ontlokten allerwegen een stortvloed aan commentaren en interpretaties. Betekent dit dat de Palestijnse staat een gepasseerd station is, of dat Israël op het punt staat een paar miljoen Palestijnen op te nemen, een demografische verschrikking die de zionistische droom waarschijnlijk om zeep zal helpen? Of moet Israël een ‘apartheidsstaat’ worden?

    De Israëlische pleitbezorgers van de tweestatenoplossing willen niet meer Palestijnen binnen de grenzen van de staat Israël

    Ik stel voor dat wij even wat afstand nemen, diep ademhalen en onze hersenen laten werken. Wat proberen we hier precies op te lossen? Feitelijk zijn er drie problemen: het probleem van de Palestijnen, het probleem van de Israëli’s en het probleem van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Het is waar dat ze met elkaar verbonden zijn. En Trump wil een definitief akkoord dat ze alle drie in één keer oplost. Het is evenwel een verre van uitgemaakte zaak dat dit in de nabije toekomst tot het rijk der mogelijkheden behoort.

    Wat is het Palestijnse probleem? Een streven naar zelfbeschikking, naar een eigen land? Wie kan hun dat recht ontzeggen? Iedereen die het Midden-Oosten kent, weet echter dat de Palestijnen al een eigen land hebben. Dat is Jordanië, waar de bevolking voor ruim 70 procent Palestijns is. Als dat geen Palestijnse staat is, wat is dan wel een Palestijnse staat?

    Iedereen die het Midden-Oosten kent, weet ook dat Jordanië in 1948 Judea en Samaria (de Westelijke Jordaanoever) veroverde, om dit gebied vervolgens te annexeren, samen met de Palestijnse bevolking die er woonde. Waarop PLO-leider Yasser Arafat in september 1970 (Zwarte September) Jordanië probeerde over te nemen.

    Sindsdien zijn de Jordaanse heersers op hun hoede voor de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, die de Hasjemitische monarchie wel eens omver zouden kunnen werpen, om maar te zwijgen van de Palestijnen in Gaza of de Palestijnen die al zo lang wegkwijnen in de vluchtelingenkampen in Libanon. Zij beweren – maar menen misschien niet – dat ze de voorkeur geven aan een tweestatenoplossing: een oostelijke en een westelijke Palestijnse staat. Zoals Noord- en Zuid-Korea.

    Palestijnen op het strand van Gaza-Stad. – © HH
    Palestijnen op het strand van Gaza-Stad. – © HH

    In de tussentijd moeten de Palestijnen het stellen met een ministaat in Gaza, en leven ze in Judea en Samaria onder Israëlisch militair bewind. Ongemakkelijk, en ondraaglijk voor sommige Israëli’s.

    Dat is het Israëlische probleem. Hoe kan Israël zich van deze last verlossen zonder de levens van Israëlische burgers in gevaar te brengen? Kan het Judea en Samaria met zijn Palestijnse bevolking inlijven zonder het wezenlijke karakter van de staat Israël te veranderen?

    De Israëlische pleitbezorgers van de tweestatenoplossing willen niet meer Palestijnen binnen de grenzen van de staat Israël. Zij menen dat er al te veel Palestijnen in Israël zijn. Aanvaard dus een tweede Palestijnse staat, is wat ze zeggen, met alle risico’s van dien. Dat is hun tweestatenoplossing voor het Israëlische probleem.

    De Israëli’s die pleiten voor de integratie van Judea en Samaria, op hun beurt, nemen de demografische risico’s voor lief. Dat is hun eenstatenoplossing voor het Israëlische probleem.

    Een heel andere zaak

    En de Palestijnen? Wat zijn hun opties? Deel uitmaken van Jordanië, of van Israël, of van een Westelijke Palestijnse staat. Of de status-quo voortzetten in de hoop op betere tijden. Meer smaken zijn er niet.

    De oplossing van het Israëlisch-Palestijnse probleem is een heel andere zaak. Wanneer we daarmee bedoelen: een regeling die alle Palestijnse claims tegen Israël tenietdoet en een einde maakt aan het Israëlisch-Palestijnse conflict, dan is die oplossing niet in zicht. Aangezien de Palestijnen, verdeeld als ze zijn tussen Hamas en Fatah, niet bereid zijn minimale concessies te doen aan Israël, en Hamas en de Islamitische Jihad uit zijn op de vernietiging van Israël, is geen Palestijnse leider in staat een vrede met Israël te bewerkstelligen die aan de minimumeisen van Israël voldoet.

    En dan rest, vooralsnog, de geenstatenoplossing.

    Moshe Arens was in het verleden onder meer minister van Defensie voor Likoed.

    CONTEXT: Gedrocht

    Laten we ons voorstellen dat van de mogelijkheden die Donald Trump oppert, de Israëlische regering die van de eenheidsstaat zou kiezen. Die oplossing komt overeen met wat de aanhangers van BDS [Boycott, Divestment, Sanctions, een beweging die oproept tot een boycot tegen Israël] voorstaan, evenals de antizionisten, joodse en niet-joodse. Ik ben rechts, maar ik deel de waanbeelden van Israëlisch-rechts niet. De eenheidsstaat is een gedrocht dat Israëlische joden het recht ontzegt op een eigen staat. Rechts heeft gelijk als het benadrukt dat de Palestijnen ervan dromen Israël tot een tweede Palestijnse staat te maken. Betekent dit dat er geen initiatieven moeten worden ontplooid? Neen. Israël moet de tweestatenoplossing aanvaarden, zich terugtrekken uit het merendeel van de (Palestijnse) gebieden op de Westelijke Jordaanoever en de veiligheidsmaatregelen treffen die daaruit voortvloeien, aldus Yediot Aharonot, de grootste krant van Israël.

  • Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Tien jaar geleden verhuisde Delphi Automotive zijn onderdelenfabriek van Warren, Ohio naar Ciudad Juárez in Mexico. Zo kreeg Berta Alicia Lopez de baan van Chris Wade.

    In het donker steekt Chris Wade zijn hand uit om zijn blèrende wekker tot zwijgen te brengen. 
Het is halfvijf op een ijskoude winterochtend in Warren, Ohio en buiten ligt een verse laag sneeuw. Godzijdank, denkt Wade bij zichzelf. Nu kan hij er met zijn sneeuwschuiver opuit om 
snel een paar dollar te verdienen.

    Vroeger was geld nooit een probleem voor Wade (47). Hij bezat een huis met zwembad in de tijd dat hij voor Delphi Automotive werkte, een fabriek van auto-onderdelen die jarenlang een 
van de grootste werkgevers was in dit bebosWadte stukje in het noordoosten 
van Ohio. Tien jaar geleden besloot Delphi grote delen van de productie naar Mexico en China te verplaatsen. Wade kreeg een afvloeiingsregeling en nu behoren het huis en het zwembad tot het verleden.

    Berta Alicia Lopez (54) is het nieuwe gezicht van Delphi. Op een kille ochtend wordt ze voor dag en dauw wakker en neemt een onverwarmde bus die haar na een uur rijden afzet bij de Delphi-fabriek. Lopez verdient 1 dollar per uur met het in elkaar zetten van kabels en elektronica die uiteindelijk 
in auto’s zullen worden geïnstalleerd – hetzelfde werk dat Wade vroeger voor 30 dollar per uur deed. Als boerendochter uit een verarmd stukje Mexicaans platteland is Lopez trots op haar tweedehands Toyota en haar betonnen flatje. Vaak dankt ze God dat ze werk heeft, ook al is het in een stad die kampt met drugsgeweld en ziet ze weinig kansen op salarisverhoging of promotie.

    Tussen deze twee arbeiders ligt 2500 kilometer en een grens, en ze hebben elkaar nooit ontmoet; maar samen belichamen ze de enorme 
economische verschuiving die de opkomst van de vrijhandel met zich mee heeft gebracht.

    Onlosmakelijk verbonden

    In de Verenigde Staten heeft die verschuiving bijgedragen aan het verlies van de banen die arbeiders ooit in staat stelden om een eigen huis te kopen, een zorgverzekering te betalen en 
hun kinderen naar de universiteit te sturen. In Mexico kwamen er door 
die verschuiving juist banen hij – al brachten die niet de brede welvarende middenklasse die ze ooit in Amerika hadden opgeleverd.

    President Trump heeft gezworen de fabrieken terug te brengen. Maar het zou wel eens te laat kunnen zijn om het krachtige tij nog te keren dat 
bepalend is geweest voor het leven van Wade en Lopez, en voor de ontwikkelingen in twee steden, een Amerikaanse en een Mexicaanse, die op de kaart van de wereldeconomie onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven.

    In het verhaal van Trump hebben de vrijhandelsakkoorden en de globalisering duidelijke winnaars en verliezers opgeleverd. Maar Delphi was al jarenlang bezig zijn Amerikaanse personeelsbestand in te krimpen, voordat het bedrijf in 2006 zijn productielijnen naar het buitenland overbracht. ‘Elke keer 
als ik een Delphi zie en andere bedrijven die het land verlaten, wordt die muur een beetje hoger, en hij blijft maar omhoog gaan,’ zei Trump op een 
campagnebijeenkomst in Ohio, een paar dagen voor de verkiezingen. ‘We gaan de strijd aan met Delphi en andere bedrijven en we zeggen: verlaat ons niet, want dat zal gevolgen hebben.’

    Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: “Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?”

    Trump heeft gezworen invoerrechten te zullen heffen op producten uit Mexico en opnieuw te gaan onderhandelen over de North America Free Trade Agreement (NAFTA), het verdrag dat een eind maakte aan de meeste handelstarieven op het continent en waardoor, in de ogen van Trump, Mexico zich heeft verrijkt ten koste 
van Midden-Amerika.

    Maar de werkelijke erfenis van NAFTA, dat van kracht werd in 1994, is gecompliceerder. Niemand zal bestrijden dat het verlies aan maakindustrie pijnlijke littekens heeft achtergelaten in delen van de VS, zoals in de Rust Belt, waar lager betaalde banen in de dienstensector steeds meer de plaats innemen van middenklassebanen in de industrie. Maar volgens veel economen ligt de oorzaak daarvoor eerder bij technologische veranderingen en de concurrentie met China dan bij NAFTA. De scherpe afname van het aantal fabrieksbanen tussen 2000 en 2010, van 17 miljoen naar 11 miljoen, is volgens Gordon 
Hanson, econoom en handelsexpert aan de Universiteit van San Diego, voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de vrije import van goederen die goedkoop in China worden gemaakt en aan het toenemende gebruik van machines die het werk doen dat vroeger door mensen werd gedaan. Ten zuiden van de grens heeft de vrije handel Mexico inderdaad geholpen om te moderniseren; sinds de ondertekening van 
het NAFTA-akkoord zijn in het land 
miljoenen banen gecreëerd, heeft de investeringsstroom een stimulans gekregen en is de Mexicaanse maakindustrie diverser geworden. Mexicaanse arbeiders fabriceren nu allerlei producten, van Whirlpool-wasmachines tot Bombardier-vliegtuigen. Maar de 
lonen zijn laag gebleven, zodat Mexico aantrekkelijk blijft voor fabrikanten 
die anders in de verleiding zouden kunnen komen om zich in China of elders in Azië te vestigen. Sinds NAFTA in werking trad, is er niets veranderd 
in het aantal Mexicanen dat onder de armoedegrens leeft – meer dan de helft.

    Nu Trump bedrijven onder druk zet 
om plannen voor nieuwe fabrieken in Mexico af te blazen en bezweert dat 
hij handelsakkoorden gaat openbreken, doemen er aan de horizon nog meer dramatische veranderingen op. 
Zijn regering heeft voorgesteld om 20 procent invoerrechten te heffen 
op de import van goederen uit Mexico en andere landen waarmee de VS 
een handelstekort hebben. Volgens economen vormt dat plan een reële bedreiging voor Mexico, dat zo’n 80 procent van zijn export naar de VS verscheept en waarvan de nationale munt, de peso, sterk is gedaald als gevolg van de zorgen over wat de 
regering-Trump zal gaan doen.

    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Lopez denkt niet na over Trump – zij heeft het te druk voor politiek. Wade zegt dat hij alleen maar wil dat alles weer wordt zoals vroeger. Maar zelfs hij vraagt zich soms af: ‘Is het te laat?’

    De sneeuw blijft vallen, dus Wade 
belt een paar maten met wie hij vaak samenwerkt en start zijn sneeuwschuiver. Zijn eerste klus: de oprit schoonvegen van een industrieterrein dat ooit van Delphi was. ‘Toen waren de tijden nog goed,’ zegt Wade in zijn slepende tongval. ‘Ik kwam hier graag.’

    De geschiedenis van Delphi begint in 1890, toen het bedrijf onder de naam Packard Electric in Warren begon met de productie van gloeilampen. Later kwamen daar auto-onderdelen bij. In 1932 werd het bedrijf onderdeel van General Motors en breidde het zich steeds verder uit, tot het overal in de VS fabrieken had.

    De vestigingen in Warren betaalden middenklassesalarissen en droegen zo bij aan de bouw van een welvarende stad met aantrekkelijke bakstenen gebouwen aan levendige straten. Wades beide ouders werkten voor 
Packard Electric en verdienden genoeg om zomers met het gezin op vakantie te gaan en zich een zwembad in de achtertuin te kunnen veroorloven. Wade groeide op met de verhalen die elke avond aan tafel werden verteld over wat er die dag op de werkvloer in de fabriek was gebeurd. Packard was toen al begonnen met het reduceren van het personeelsbestand in de VS, door delen van de productie over te brengen naar Mexico. Daar kon het bedrijf profiteren van de lagere loonkosten in steden als Ciudad Juárez, dat fabrieken van buitenlandse bedrijven lokte door ze heel weinig belasting te laten betalen. De dreiging dat er nog meer banen naar het buitenland zouden verdwijnen dwong de vakbonden in Ohio tot concessies op het gebied van salarissen en arbeidsvoorwaarden.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen

    Toch gingen Wades broer en schoonzus na de middelbare school bij de fabriek in Warren werken, en Wade ging ervan uit dat hij dat ook zou doen. Toen het zover was, werkten er nog krap negenduizend mensen bij de vestiging in Warren, tegen dertienduizend tien 
jaar daarvoor. Maar Wade was tevreden met zijn leven. Hij werkte in de avonddienst aan de lopende band en kon elke donderdagavond zijn looncheque gaan verzilveren in de bar aan de overkant van de straat. Op zijn vrije dagen ging hij eenden jagen met zijn chocoladebruine labrador Hunter.

    Aan het begin van deze eeuw, nadat Packard was omgedoopt tot Delphi Automotive Systems en los van General Motors verder was gegaan, bezat Wade zijn huis met zwembad. Zijn vrouw reed in een gloednieuwe Trailblazer 
en hijzelf in een nieuwe Chevrolet pick-up. Hij had geen idee wat hem boven het hoofd hing.

    Lopez groeide op in Bermejillo, een stoffig stadje in de staat Durango, 
waar haar stiefvader hele dagen in de brandende zon werkte op zijn katoen- en meloenakkers. Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: ‘Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?’

    En inderdaad: op haar zeventiende kreeg ze een zoon, de eerste van haar vijf kinderen. De mensen in Bermejillo verdienden al eeuwenlang de kost op hun akkers en Lopez had weinig reden om aan te nemen dat voor haar iets anders weggelegd zou zijn.

    Maar het NAFTA-verdrag maakte het 
de kleine Mexicaanse boeren moeilijk. Zij moesten nu concurreren met de importproducten van reusachtige agrobedrijven uit de VS, die vaak flinke subsidies kregen van de Amerikaanse regering. In plaatsjes als Bermejillo raakte een hele generatie jonge 
mensen werkloos en velen trokken naar het noorden, de VS in. Anderen gingen naar grenssteden zoals Ciudad Juárez.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen. De bevolking groeide sneller dan de overheid snelwegen, scholen en andere infrastructurele voorzieningen kon bouwen.

    Lopez werkte voor 5 dollar per avond in een café, toen een vrachtwagenchauffeur op doorreis haar vertelde over de nieuwe banen in de fabrieken in het noorden. In 1996 arriveerde ze met haar man en vijf kinderen in Ciudad Juárez. Haar oudste zoon was toen zestien en vond meteen werk in een maquiladora, zoals ze de Amerikaanse fabrieken noemden die zich in hoog tempo aan de Mexicaanse kant van de grens 
vestigden. Dat gold ook voor Lopez, 
die zo nerveus was dat ze op haar eerste dag op het werk aanbood om de toiletten schoon te maken in plaats van op de fabrieksvloer te werken.

    ‘God hielp me,’ vertelt ze nu. ‘We hadden tenminste werk, hoe goed of slecht dat ook was.’ Ze raakte gewend aan het fabriekswerk – roddelde met de andere arbeiders tijdens de pauzes, volgde lessen die na werktijd werden aangeboden en waarmee ze een diploma algemene ontwikkeling behaalde, legde zich neer bij het leven in een grote stad ver van huis. Toen, in 2001, pleegde haar op één na oudste zoon zelfmoord. Na zijn dood was ze zo verslagen dat ze voor het eerst thuisbleef van haar werk.

    Een van haar leidinggevenden kwam haar thuis opzoeken en haalde haar over om weer naar de fabriek te komen. Lopez overwoog vervolgens om naar Durango terug te gaan, maar ze wist dat daar geen goede banen waren. Ze legde zich neer bij het feit dat de Delphi-fabriek waarschijnlijk de beste plek was waar ze ooit zou kunnen werken en dat Ciudad Juárez nu haar thuis was. ‘Zonder die baan had ik niet te eten,’ zegt ze.

    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Delphi had een notering aan de beurs van New York, maar was nog steeds afhankelijk van zijn grootste klant, General Motors. Toen die in 2004 instortte, raakte ook de transnationale auto-onderdelenfabrikant in een vrije val. Het jaar daarna volgde bovendien een boekhoudfraudeschandaal waarin verscheidene topmanagers werden bestraft, en Delphi stevende af op een faillissement.

    Er kwam een nieuwe topman, Robert Miller, die klaagde dat de Amerikaanse personeelsleden van het bedrijf te 
veel betaald kregen, waardoor de loonkosten in de VS-vestigingen drie keer zo hoog waren als die van andere 
auto-onderdelenleveranciers. In maart 2006 kondigde Delphi de sluiting van 21 van zijn 29 Amerikaanse fabrieken aan, waarmee 29.000 banen verloren gingen, zo’n twee derde van het totale personeelsbestand. De productie werd overgebracht naar fabrieken in China en Mexico, waar Delphi nu zo’n 70.000 mensen in twintig steden aan het werk heeft.

    De meeste bedrijfsonderdelen in 
Warren bleven wel open, maar met veel minder mensen. Terwijl Miller een vertrekregeling meekreeg die volgens sommigen 35 miljoen dollar waard was, kregen de arbeiders het dringende advies om een afvloeiingsregeling 
te accepteren en werden ze gewaarschuwd dat hun salaris, als ze bleven, gemiddeld van 29 naar 16,50 dollar 
per uur zou dalen.

    Op de dag dat hij Delphi verliet met een vertrekregeling van in totaal 140.000 dollar, was Wade, zoals hij het noemt, ‘laaiend’. ‘De directeuren en 
de mannen aan de top verdienen 
miljoenen, terwijl alle anderen maar nauwelijks overleven,’ zegt hij. ‘Dat deugt niet.’

    in Trumbull County, het vroeger 
fabricage- en staalbastion waar Warren toe behoort, voelde men de ontslagen bij Delphi als een laatste dodelijke dreun. Wades jaren na Delphi waren niet gemakkelijk. Kort na zijn vertrek bij de fabriek maakte hij een scheiding door en hij ontsnapte op een haar na aan gevangenisstraf, nadat hij dronken achter het stuur was aangehouden met in zijn achterbak een paar wapens waarvoor hij geen vergunning bezat. Hij had zijn groot rijbewijs gehaald om vrachtwagenchauffeur te kunnen worden, maar zijn veroordeling voor rijden onder invloed haalde een streep door dat carrièreplan. Hij behaalde een certificaat om verzekeringen te mogen verkopen, maar ook dat werd geen succes.

    Nu werkt hij ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer. Na tien jaar verdient hij ongeveer wat hij ook bij Delphi kreeg, maar zonder de zekerheid van een pensioen, doorbetaalde vakanties of een ziektekostenverzekering. Had hij zijn baan bij Delphi behouden, dan had hij over zeven jaar met pensioen gekund.

    Wade wil geen woord horen over de Mexicaanse arbeiders die zijn plaats hebben ingenomen. Hij kookt van woede als hij hoort hoe weinig zij betaald krijgen en windt zich al even erg op over immigranten die illegaal 
in de VS werken.

    Stem aan Trump

    Hij vond het goed dat Trump Mexico op dit onderwerp aanviel. Dat is dan ook de reden waarom Wade, die zijn hele leven Democraat en vakbondslid was geweest, dit keer besloot zijn stem aan Trump te geven. Net als veel 
anderen in Trumbull County, dat bij 
de afgelopen presidentsverkiezingen voor het eerst sinds 1972 in meerderheid Republikeins stemde.

    Vakbondsman Brian Lutz van de bond die ooit ook Wade vertegenwoordigde, zegt dat hij die woede tegen het 
establishment wel begrijpt. ‘Ik hoor voortdurend mensen zeggen: waarom zou ik op een Democraat blijven stemmen, als alle mensen met wie ik heb gewerkt weg zijn en de Democraten niet gedaan hebben waarvoor wij ze hadden gekozen?’ Zijn bond heeft onlangs een cao afgesloten waarin arbeiders een startsalaris krijgen van 13 dollar per uur. Dat is zo’n tien keer zoveel als Lopez nu verdient, na twintig jaar werken bij de Delphi-fabriek 
in Ciudad Juárez.

    Het effect van Trumps waarschuwingen aan bedrijven om hun productie in Amerika te houden, wordt al zichtbaar in de Mexicaanse economie. Autofabrikant Ford had plannen om een fabriek van 1,6 miljard dollar in Mexico te 
bouwen, maar kondigde vorige maand aan daarvan af te zien, na kritiek van Trump via Twitter. In plaats daarvan gaat het bedrijf in Michigan extra mensen aannemen.

    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.
    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.

    Maar sommige bedrijven die nu in Mexico hun producten fabriceren, zeggen dat ze zeker niet terug zullen gaan naar de VS. Dat geldt ook voor Delphi. Het bedrijf heeft net een plan aangekondigd voor nieuwe ontslagen in Warren, waar dan nog 1500 medewerkers overblijven.

    Op de Barclay’s Automotive Conference in New York zette Delphi’s financieel directeur Joe Massaro afgelopen december uiteen wat er met Delphi zou gebeuren bij verschillende handelsscenario’s van Trump. Als Trump de grens met Mexico helemaal zou sluiten, zouden ‘alle mensen in 
Michigan en Ohio die op hem hebben gestemd binnen een week zonder werk zitten’, omdat, zo benadrukte Massaro, veel fabrieken in de VS, waaronder autofabrikanten in Detroit, afhankelijk zijn van onderdelen die in Mexico 
worden gemaakt.

    Als de Verenigde Staten zich terugtrekken uit NAFTA en weer invoerrechten gaan heffen voor producten uit Mexico, blijft Delphi in Mexico produceren, 
zei Massaro. Het bedrijf zou de extra kosten dan doorberekenen aan zijn leveranciers of aan de consumenten, 
of op zoek gaan naar een manier om zijn productiekosten te verlagen – wat ontslagen of salarisverlagingen in Mexico zou kunnen betekenen.

    Wat de gevolgen van dit alles voor Lopez en haar gezin zullen zijn, weet ze niet. Drie van haar vier kinderen werken in een fabriek. De afgelopen paar jaar is elke peso die ze kon missen opgegaan aan de universitaire opleiding voor haar jongste zoon, Sergio, 
die computerwetenschappen studeert. Zijn droom is om een eigen softwarebedrijf te starten dat de concurrentie met Amerikaanse bedrijven aankan. Hij heeft gezien hoe het leven van zijn moeder eruitzag en wil meer dan een fabrieksloontje verdienen. ‘Dat is hard werken voor weinig geld,’ zegt hij.

    Auteur: Kate Linthicium
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: © Katie Falkenberg

    Los Angeles Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 657.000

    Meest links georiënteerde van de grote Amerikaanse kranten. Belangrijke nieuwsbron voor de entertainmentindustrie en winnaar van vele Pulitzerprijzen. Eigendom van de Tribune Company in Chicago.

  • Mr. Trump, bedankt voor de muur

    Mr. Trump, bedankt voor de muur

    De Mexicaanse commentator Villanueva is blij met de muur die Donald Trump wil bouwen. Nu moet de Mexicaanse regering eindelijk de corruptie aanpakken.

    De Amerikaanse president Donald Trump heeft een executive order uitgevaardigd om een begin te maken met de bouw van de omstreden muur tussen Mexico en de VS. In Mexico werd een protestcampagne tegen die maatregel gelanceerd. De politieke klasse riep daarbij op tot ‘eenheid’, maar dat was alleen om de eigen schandalige privileges te waarborgen.

    De kloof tussen de regering van Enrique Peña Nieto en het volk is zo diep dat er geen sprake kan zijn van deze ‘eenheid’, die alleen ten goede komt aan degenen die alles hebben en hun positie willen behouden. Het is net zoiets als een verkrachter en zijn slachtoffer hand in hand laten optrekken om een ‘eenheid’ te vormen.

    De Mexicaanse regering probeert ‘morele paniek’ te creëren om Trump als de oorzaak aan te wijzen van alle malheur die het land overkomt. Via een reeks psychologische manipulaties wordt de Amerikaanse regeringsleider gedemoniseerd om de aandacht van de Mexicaanse maatschappij af te leiden.

    Na uitvoerige studie van multilaterale en bilaterale verdragen ben ik tot de conclusie gekomen dat er geen internationaal juridische grond is om de Amerikanen te beletten hun soevereiniteit uit te oefenen door middel van die beruchte muur. Trump kan met de wet in de hand zijn verkiezingsbelofte waarmaken.

    Niemand die bij zijn verstand is kan volhouden dat het gekuip en de straffeloosheid in kringen van de Mexicaanse overheid de schuld is van Trump

    Een groot deel van de Mexicanen is, samen met de regering en de verzamelde politieke partijen, tégen die muur. Het probleem is dat de executive order van Trump geen inbreuk maakt op de soevereiniteit van Mexico. Natuurlijk zou het absurd zijn dat wij als land ook maar één cent zouden uitgeven aan dat project. Dit om de doodeenvoudige reden dat het totaal geen deel uitmaakt van ons beleid en iedereen het er – terecht – over eens is dat die muur onverenigbaar is met de belangen van de Mexicaanse regering. Die heeft er met haar diepgewortelde corruptie voor gezorgd dat een groot deel van onze landgenoten over de grens op zoek gaat naar de kansen die ze door de Mexicaanse autoriteiten worden onthouden.

    Al jarenlang voeren de Verenigde Staten in veel opzichten een paternalistische politiek ten opzichte Mexico. De hulp die ze gaven, zowel in geld als in natura, had slechts in uitzonderlijke gevallen enig effect. En dat is omdat die hulp – die nauwelijks door Washington gemonitord werd – niet ten goede kwam aan het algemeen belang.

    Trumps beslissing is weloverwogen en hij staat in zijn recht. Een internationaal tribunaal zou volgens mij nooit bereid zijn de soevereiniteit van de Verenigde Staten te beperken omdat de uitoefening daarvan nadelig is voor een buurland. Wat Peña Nieto en de verzamelde politieke partijen niet zeggen is dat die muur het directe gevolg is van aanhoudende corruptie, van een onrechtvaardige verdeling van de nationale rijkdom, van de diepe kloof die gaapt tussen de machthebbers en de financieel zwakkeren.

    De corruptie tiert welig in Mexico, en daar komt nu een reactie op: de muur. Niemand die bij zijn verstand is kan volhouden dat het gekuip en de straffeloosheid in kringen van de Mexicaanse overheid de schuld is van Trump.

    De Amerikaanse president valt juridisch niets te verwijten en hij doet wat zijn achterban wil. Als hij die muur bouwt, of wil bouwen, dan komt dat door de buitensporige migratie die Mexico met zijn antidemocratische politiek in gang heeft gezet. Niemand gelooft dat als niet Mexico, maar bijvoorbeeld Japan of Zweden, het buurland van de Verenigde Staten was, die muur ooit maar ter sprake zou zijn gekomen. Logisch, want in die landen is vrijwel geen corruptie, en de corruptie die er is, wordt streng bestraft. Ik zou zelfs willen beweren dat de inwoners van die landen in dat geval, net als nu, geen visum nodig zouden hebben om de VS binnen te komen.

    De regering-Trump heeft gezegd 15.000 man extra aan te zullen nemen voor de bewaking van de Mexicaans-Amerikaanse grens tijdens het bouwen van de muur. – © Luke Sharrett / Bloomberg via Getty
    De regering-Trump heeft gezegd 15.000 man extra aan te zullen nemen voor de bewaking van de Mexicaans-Amerikaanse grens tijdens het bouwen van de muur. – © Luke Sharrett / Bloomberg via Getty

    Als deze maatregel schadelijk is voor het Mexicaanse politieke establishment, dan moeten ze maar eens de hand in eigen boezem steken, want ze hebben zelf de geldverslindende, malafide instituties gecreëerd die het idee van gelijke kansen tot een fata morgana maken. Deze maatregel heeft tenminste nog het voordeel dat er crises ontstaan die ons een kans geven de lange weg in te slaan naar een rationeel en evenwichtig systeem.

    Als die weg al lang geleden was ingeslagen, dan zou migratie nooit zo’n groot probleem zijn geworden, zoals het ook geen probleem is tussen bijvoorbeeld Frankrijk en Oostenrijk. Voor het eerst doet Donald Trump, zonder het zelf te beseffen, Mexico een groot plezier, want dankzij hem komt de Mexicaanse regering nu onder druk te staan. En die druk zal elke dag toenemen als er niet grondig wordt ingegrepen in de verdeling van de rijkdom, als er geen ernst wordt gemaakt met de rechtsstaat (die alleen maar op papier bestaat), als er geen hervormingen worden doorgevoerd die controle op de macht, vrij van demagogie, mogelijk maken.

    Misschien zou het goed zijn als de Amerikaanse staten die grenzen aan Mexico, en die zeker het effect van de muur zullen voelen, op een informele manier economisch en sociaal met ons land gaan samenwerken.

    Het ziet er dus naar uit dat er een einde komt aan de paternalistische relatie tussen Mexico en de VS. Ons land moet nu zijn eigen koers varen, zonder te kunnen rekenen op de financiële hulp die de regering van de Verenigde Staten jarenlang gratis en voor niks aan de Mexicaanse regering verstrekte en waarvan het Mexicaanse volk nooit een cent te zien kreeg.

    Auteur: Ernesto Villanueva
    Vertaler: Jos den Bekker

    Proceso
    Mexico | weekblad | oplage 100.000

    Belangrijk tijdschrift met gedegen onderzoeksjournalistiek. Deskundig op het gebied van de drugshandel. Wordt vooral gelezen door academici en ambtenaren.

  • 7. Er komen twee moeilijke jaren

    7. Er komen twee moeilijke jaren

    Politicoloog Faruk Alpkaya, die kortgeleden bij de universiteit is ontslagen, vreest de onstabiliteit die voor Turkije dreigt als de ja-stem wint.

    Wat kunnen we verwachten als in Turkije een presidentieel regime wordt ingevoerd?

    Of dat nieuwe regime nu wordt ingevoerd of niet, ik denk dat we twee zeer moeilijke en roerige jaren tegemoet gaan. Niemand kan in de toekomst kijken, maar de economie zal afhankelijk worden van de binnenlandse consumptie. Binnen zes of zeven maanden zullen de mensen in hun dagelijks leven de gevolgen ondervinden van de val van de Turkse lira ten opzichte van de dollar. Bovendien belooft de campagne voor het referendum bijzonder gewelddadig te worden. Het zou absurd zijn te denken dat een machthebber die zelfs geen parlementaire oppositie meer duldt en elke vorm van protest verbiedt zijn burgers vrijelijk hun stem laat uitbrengen.

    Afgezien van de politieke polarisering en de economische crisis zal er de komende maanden vermoedelijk een nieuwe omslag komen in het Turkse buitenlandbeleid. Daar kun je vraagtekens bij zetten: gisteren veegde de Turkse regering Moskou de mantel nog uit en nu zijn ze de beste vrienden op de wereld. Behoort de historische wens van Rusland om toegang te krijgen tot de warme zeeën en de Bosporus te controleren tot het grijze verleden, of zullen onze leiders op een dag moeten erkennen dat ze zich in de luren hebben laten leggen?

    Ik ben ook van mening dat de Verenigde Staten een periode van ernstige instabiliteit tegemoetgaan

    Ik ben ook van mening dat de Verenigde Staten een periode van ernstige instabiliteit tegemoetgaan. De precieze gevolgen van Trumps aanwezigheid in het Witte Huis zijn nu nog niet te overzien. Voeg daar de situatie in Irak nog bij en de jihadistische groeperingen op ons grondgebied die zeer goed georganiseerd zijn, over ruime financiële steun beschikken en bezig zijn zich te bewapenen. Ten slotte is er de alliantie met de ultranationalistische MHP die de AKP in staat stelt ‘de man in de straat’ aan zich te blijven binden.

    Als je dat allemaal bij elkaar optelt, zie je dat er ons twee uiterst moeilijke jaren te wachten staan. De AKP kan het zich niet meer permitteren een verkiezing te verliezen. Zodra ze macht verliest, zullen de politieke gevolgen zo ernstig zijn dat de leiders zich op de een of andere manier voor de rechter zullen moeten verantwoorden voor de malversaties waaraan ze zich hebben schuldig gemaakt.

    Auteur: Kemal Göktas
    Vertaler: Peter Bergsma

    Beeld: Ook tijdens de regionale verkiezingen van 2014 waren door heel Turkije verspreid posters van Erdogan in het straatbeeld te vinden. Dit spandoek hing aan een gebouw boven een snelweg. – © Tanya Talaga / Toronto Star via Getty