Tag: Trump

  • De Monsanto Papers

    De Monsanto Papers

    Eind vorig jaar publiceerde de Franse krant Le Monde de artikelenserie ‘De Monsanto Papers’, een onderzoek naar de oorlog die de multinational in biotechnologie Monsanto is begonnen om zijn succesproduct glyfosaat, een onkruidverdelgingsmiddel (handelsnaam: RoundUp), te behoeden voor een wereldwijd verbod. Onder meer probeert Monsanto, met hoofdvestiging in de VS, op alle mogelijke manieren het IARC kapot te maken, de VN-organisatie voor kankeronderzoek die drie jaar geleden de gevaren van glyfosaat aantoonde.

    DEEL 1: Operatie Vergiftiging

    ‘We zijn al eerder aangevallen, we hebben te maken gehad met lastercampagnes, maar dit keer zijn we het doelwit van een georkestreerde campagne waarvan de schaal en duur ongekend zijn.’ De glimlach van Christopher Wilde verdwijnt snel. Door het raam van het hoge gebouw waar het International Agency for Research on Cancer (IARC) zijn hoofdkantoor heeft, zijn de daken van de Franse stad Lyon te zien, die zich tot ver achter zijn lange gestalte uitstrekken.

    Wild is directeur van het agentschap. Hij weegt elk woord en spreekt met de ernst die bij de situatie past. Sinds twee jaar ligt zijn instituut zwaar onder vuur: de geloofwaardigheid en integriteit van het IARC worden in twijfel getrokken, de deskundigen worden belasterd en bestookt door advocaten, en de financiële situatie is ernstig verzwakt.

    Al bijna een halve eeuw is het IARC, onder auspiciën van de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, belast met het inventariseren van kankerverwekkende stoffen. Maar nu begint het eerbiedwaardige agentschap te wankelen onder de aanval.

    De vijandelijkheden begonnen op een specifieke datum: 20 maart 2015. Die dag maakte het IARC de conclusies bekend van zijn ‘Monografie 112’. De bevindingen verbijsterden de hele wereld. Anders dan de meerderheid van de regelgevende agentschappen verklaarde het IARC dat het meest gebruikte pesticide op de planeet genotoxisch is (schadelijk voor het DNA), kankerverwekkend voor dieren en ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor mensen.

    Dit pesticide is glyfosaat, het belangrijkste bestanddeel van Roundup, het kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto, een van de bekendste bedrijven ter wereld. Glyfosaat is ook het product waarmee de hele agrochemische industrie valt of staat. Het wordt al meer dan veertig jaar gebruikt en is aanwezig in maar liefst 750 producten die door ongeveer honderd bedrijven in meer dan 130 landen worden verkocht.

    Het fundament van Monsanto

    Tussen 1974, toen het op de markt kwam, en 2014 is het glyfosaatgebruik toegenomen van 3200 tot 825.000 ton per jaar. Een dramatische toename die het gevolg is van het massaal overstappen op zaden die genetisch zijn gemodificeerd om glyfosaat te kunnen verdragen – ‘Roundup Ready’-zaden.

    Van alle agrochemische bedrijven die getroffen zouden kunnen worden door een beperking van – of verbod op – de verkoop van het product, is er maar één waarvan het voortbestaan op het spel staat.

    Monsanto, dat glyfosaat heeft ontwikkeld, heeft er het fundament van zijn economische model van gemaakt. Het bedrijf verdient enorm veel geld met de verkoop van Roundup en de bijbehorende zaden.

    Toen het IARC bekendmaakte dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is, reageerde het bedrijf dus ongemeen fel. In een verklaring werd het werk van het IARC afgedaan als ‘pseudowetenschap’ – het ‘selectief verzamelen’ van data, gebaseerd op een ‘vooringenomen benadering’, dat ‘na slechts enkele uren discussie’ tot de conclusie had geleid.

    Nooit eerder trok een bedrijf de integriteit van een onder de vleugels van de Verenigde Naties opererend agentschap in zulke grove bewoordingen in twijfel. De strijd was geopend – althans in het openbaar.

    Want in zijn eigen burelen sloeg Monsanto een heel andere toon aan. Het bedrijf wist heel goed dat een groep deskundigen van het IARC een vol jaar bezig was geweest met de evaluatie van het glyfosaat en vervolgens dagenlang had overlegd in Lyon. De IARC-procedures schrijven voor dat bedrijven die door het onderzoek naar een product getroffen kunnen worden, het recht hebben bij deze slotvergadering aanwezig te zijn.

    Voor de glyfosaatevaluatie had Monsanto een ‘waarnemer’ gestuurd, de epidemioloog Tom Sorahan, hoogleraar aan de Universiteit van Birmingham, die door het bedrijf soms wordt ingeschakeld als adviseur.

    In het rapport dat Sorahan op 14 maart 2015 naar zijn bazen stuurde, verzekerde hij dat alles volgens de regels was verlopen.

    ‘Ik vond de voorzitter, de vicevoorzitters en de uitgenodigde deskundigen erg vriendelijk en bereid om te reageren op al het commentaar dat ik leverde,’ aldus Sorahan in een e-mail aan een leidinggevende van Monsanto. Deze e-mail is opgenomen in de ‘Monsanto Papers’ – een verzameling interne documenten van het bedrijf die een rechtbank in de VS begin 2017 openbaar heeft gemaakt in het kader van lopende processen.

    ‘De vergadering verliep volgens de richtlijnen van het IARC,’ vervolgde de waarnemer. ‘Dr. Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, is goed bekend met de IARC-richtlijnen en staat erop dat deze worden nageleefd.’

    RoundUp op de lopende band. Het belangrijkste bestanddeel van dit kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto is glyfosaat, volgens IARC ‘vermoedelijk kankerverwekkend’. – ©  Jasper Juinen/Bloomberg via Getty Images
    RoundUp op de lopende band. Het belangrijkste bestanddeel van dit kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto is glyfosaat, volgens IARC ‘vermoedelijk kankerverwekkend’. – © Jasper Juinen/Bloomberg via Getty Images

    Sorahan leek erg in te zitten over het idee dat zijn naam verbonden zou kunnen worden met Monsanto’s reactie op het IARC-besluit: ‘Ik wil niet dat uw pr-afdeling op enigerlei manier naar mij verwijst’, schreef hij, al voegde hij er meteen aan toe dat hij ‘met alle plezier wilde helpen bij het formuleren van verklaringen die u wilt afleggen’ voor de onvermijdelijke tegenaanval die het bedrijf op touw zette.

    Enkele maanden later ontvingen de niet-Amerikaanse wetenschappers die lid van het IARC-panel over glyfosaat waren geweest allen dezelfde brief. Daarin droeg Hollingsworth, het advocatenkantoor van Monsanto, hun op alle dossiers ter beschikking te stellen die betrekking hadden op hun werk aan ‘Monografie 112’. Concepten, commentaren, data: alles dat door het computersysteem van het IARC was gegaan. ‘Indien u verzuimt de dossiers te overleggen,’ waarschuwden de advocaten, ‘dragen wij u op alle redelijke stappen te zetten die in uw vermogen liggen om al dergelijke dossiers in ongeschonden staat te bewaren voor het geval een Amerikaanse rechtbank formeel om inzage vraagt.’

    ‘Ik vond uw brief intimiderend en kwalijk,’ reageerde een van de wetenschappers op 4 november 2016. ‘Uw toon kwam mij berispend en onhoffelijk voor, zelfs naar huidige maatstaven gemeten.’ De schrijfster, de patholoog Consolato Maria Sergi, hoogleraar aan de Universiteit van Alberta in Canada, vervolgde: ‘Ik beschouw uw brief als verwerpelijk omdat u daarin op kwaadaardige wijze een onafhankelijke groep deskundigen angst probeert in te boezemen.’

    De auteurs zijn een eskadron propagandisten die nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis

    Amerikaanse leden van de IARC-werkgroep werden met maatregelen geconfronteerd die nog ‘intimiderender’ zijn. In de VS geeft de wet op de vrijheid van informatie (FOIA) elke burger onder bepaalde omstandigheden het recht inzage te eisen in documenten van openbare instellingen en hun werknemers: memo’s, e-mails, interne rapporten et cetera.

    Volgens onze informatie hebben de advocatenkantoren Hollingsworth en Sidley Austin sinds november 2015 alleen al vijf verzoeken ingediend bij de National Institutes of Health (NIH) waar twee deskundigen van de groep werkzaam zijn. Ook bij het milieubeschermingsagentschap CalEPA in Californië, de A&M-universiteit in Texas en de Staatsuniversiteit van Mississippi zijn verzoeken ingediend met betrekking tot andere wetenschappers.

    Sommige van deze instellingen zijn door advocaten van Monsanto zelfs gedagvaard in het kader van het lopende glyfosaatproces – en daarmee gedwongen bepaalde interne documenten over te leggen.

    Zijn deze intimiderende manoeuvres bedoeld om de kritiek tot zwijgen te brengen?

    Wereldberoemde wetenschappers die gewoonlijk openstaan voor mediaverzoeken hebben niet op de verzoeken van Le Monde gereageerd – zelfs niet als het om vertrouwelijke interviews ging. Sommigen waren bereid te praten, maar alleen buiten kantooruren via een privélijn.

    Leden van het Amerikaanse Congres hebben de FOIA niet nodig om federale wetenschappelijke instellingen ter verantwoording te roepen. De Republikein Jason Chaffetz, voormalig lid van het Huis van Afgevaardigden en voormalig voorzitter van de Toezichts- en Hervormingscommissie van het Huis, schreef op 26 september 2016 aan Francis Collins, de directeur van de NIH. De IARC-besluiten hebben ‘veel controverse en paniek gezaaid’, aldus Chaffetz. En ondanks zijn verleden van ‘controverses, herroepingen en inconsistenties’ ontvangt het IARC een ‘aanzienlijke hoeveelheid belastinggeld’ van de NIH.

    Van het jaarlijkse budget van veertig miljoen euro van het IARC is inderdaad 1,2 miljoen afkomstig van de NIH. Om die reden verzocht Jason Chaffetz de NIH-directeur gedetailleerd verantwoording af te leggen voor alle NIH-betalingen aan het IARC.

    Weggelopen uit een roman van Le Carré

    Diezelfde dag werd de brief van Chaffetz met instemming begroet door de American Chemistry Council (ACC), het verbond van Amerikaanse chemiebedrijven. Als machtige lobbyorganisatie van de Amerikaanse chemische industrie, waarvan Monsanto lid is, zegt de ACC ‘te hopen dat de NIH ‘licht zal werpen op de nauwe en enigszins ondoorzichtige relatie’ tussen het IARC en Amerikaanse wetenschappelijke instellingen.

    De chemielobby had in Chaffetz een waardevolle bondgenoot gevonden. In maart schreef het voormalige Congreslid naar het hoofd van een andere federale onderzoeksorganisatie – het National Institute of Environmental Health Sciences (NIEHS) – met het verzoek verantwoording af te leggen voor het onderzoek dat de instelling had gefinancierd naar de schadelijke effecten van bisfenol A, een chemische verbinding die veel wordt gebruikt voor bepaalde plasticsoorten.

    Hoe kun je een instelling beter onschadelijk maken dan door haar geldkraan dicht te draaien? In de maanden na de publicatie van ‘Monografie 112’ benaderde CropLife International, een organisatie die wereldwijd de belangen behartigt van pesticideproducenten en zaadveredelingsbedrijven, enkele vertegenwoordigers van de 25 lidstaten die de raad van bestuur van het IARC vormen om te klagen over de kwaliteit van het werk van het agentschap.

    Deze zogeheten ‘Deelnemende Staten’ financieren zo’n zeventig procent van het totale IARC-budget. Volgens het IARC zijn minstens drie daarvan – Canada, Nederland en Australië – benaderd. Geen van drieën heeft op de verzoeken van Le Monde om commentaar gereageerd.

    Heel 2016 lang maakten figuren die leken weggelopen uit een roman van John Le Carré hun opwachting in de glyfosaatsaga. In juni woonde iemand die zich voordeed als journalist maar zich niet als zodanig registreerde, de conferentie bij waarmee het IARC in Lyon zijn vijftigste verjaardag vierde. Terwijl hij zich onder wetenschappers en internationale ambtenaren bewoog, zocht de man naar details over het functioneren van het IARC, de financiering ervan, het monografieprogramma enzovoort.

    Enkele maanden later, eind oktober 2016, dook de man opnieuw op – ditmaal bij de jaarlijkse conferentie van het Ramazzini Institute, een vermaard en gerespecteerd instituut voor kankeronderzoek dat nabij de Italiaanse stad Bologna is gevestigd. Waarom in vredesnaam het Ramazzini? Misschien omdat het Italiaanse instituut enkele maanden eerder had aangekondigd zelf een carcinogeniteitsstudie naar glyfosaat te zullen verrichten.

    Christopher Watts – zo heet de man – stelde vragen over de onafhankelijkheid van het instituut en zijn financieringsbronnen. Omdat hij een e-mailadres gebruikte dat eindigde met ‘@economist.com’ trokken degenen die hij benaderde zijn banden met het prestigieuze Britse weekblad The Economist niet in twijfel. Tegen wetenschappers die om details vroegen, zei Watts dat hij voor de Economist Intelligence Unit (EIU) werkte, een adviesbureau dat een dochteronderneming is van de Britse persgroep.

    De EIU bevestigde dat Watts inderdaad enkele rapporten had geschreven, maar was ‘niet in staat te bevestigen in welke hoedanigheid hij aanwezig was’ bij de twee conferenties. ‘In die tijd werkte hij aan een verhaal voor The Economist, dat uiteindelijk niet werd gepubliceerd.’ Vreemd genoeg meldde de redactie van het weekblad dat ‘er niemand met die naam bij ons werkt’.

    Het enige dat duidelijk lijkt is de naam van een bedrijf dat Watts eind 2014 oprichtte: Corporate Intelligence Advisory Company. Volgens de bedrijfsgegevens is Watts’ privéadres in Albanië. Vragen van Le Monde wenste hij niet te beantwoorden.


    Binnen enkele maanden deden ten minste vijf figuren zich voor als journalist, onafhankelijk onderzoeker of vertegenwoordiger van een advocatenkantoor, om wetenschappers en onderzoekers te benaderen die betrokken waren bij het werk van het IARC. Alle vijf waren ze op zoek naar zeer specifieke informatie over de procedures en financiering van het agentschap.

    Een van hen, Miguel Santos-Neves, werkt voor een in New York gevestigd economisch inlichtingenbureau genaamd Ergo. Volgens een bericht in The New York Times uit juli 2016 werd Santos-Neves tijdens een justitieel onderzoek in de VS in zijn kraag gevat wegens het gebruiken van een valse identiteit.

    Namens Uber had Santos-Neves onderzoek gedaan naar iemand die een proces tegen het bedrijf had aangespannen en daarbij diens werkomgeving onder valse voorwendselen had ondervraagd. Ergo reageerde niet op verzoeken om opheldering van Le Monde.

    Net als Christopher Watts zijn twee zusterorganisaties met een bedenkelijke reputatie niet alleen in het IARC geïnteresseerd maar ook in het Ramazzini Institute. Het Energy and Environmental Legal Institute (E&E Legal) doet zich voor als een non-profitorganisatie die tot doel heeft ‘degenen ter verantwoording te roepen die excessieve en destructieve overheidsregulering nastreven gebaseerd op politieke vooringenomenheid, pseudowetenschap en hysterie’. De Free Market Environmental Law Clinic op haar beurt zegt ‘een tegenwicht te willen vormen tegen de procesbeluste milieubeweging die aanstuurt op een economisch funest reguleringsregime in de Verenigde Staten’.

    Volgens Le Monde hebben beide organisaties maar liefst zeventien FOIA-verzoeken ingediend bij de NIH en het Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA). Ze hebben tijdens hun indringende en bureaucratisch-juridische guerrillaoorlog de correspondentie van verscheidene Amerikaanse ambtenaren opgeëist waarin de termen ‘IARC’, ‘glyfosaat’ of ‘Guyton’ voorkomen. (Kathryn Guyton is de IARC-wetenschapper die verantwoordelijk is voor de ‘Monografie 112’.)

    Ze zijn op zoek naar de kleinste details op het gebied van beurzen, toelages en andere financiële en niet-financiële betrekkingen tussen deze Amerikaanse agentschappen, het IARC, enkele wetenschappers en het Ramazzini Institute.

    ‘Laat niets op zijn beloop’

    De beide organisaties worden geleid door David Schnare, een overtuigd klimaatscepticus die bekendstaat om het bestoken van klimaatwetenschappers. In november 2016 verruilde Schnare E&E Legal tijdelijk voor het transitieteam van Donald Trump. Steve Milloy, ook een van de leiders van de organisatie, is een bekende figuur in het kleine wereldje van door de tabaksindustrie gefinancierde propaganda. Toen hun gevraagd werd naar hun motieven en financieringsbronnen, antwoordde de bestuursvoorzitter van E&E Legal per e-mail: ‘Hallo, we zijn niet in deelname geïnteresseerd.’

    De aandacht voor deze FOIA-verzoeken wordt versterkt door opiniepagina’s van enkele media. Een daarvan, The Hill, is verplichte leesstof voor elke politieke speler in Washington D.C. De auteurs zijn een eskadron propagandisten die volgens de vereniging US Right to Know (USRTK) sinds lange tijd nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, zoals het Heartland Institute en het George C. Marshall Institute, beide bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis.

    In hun geschriften worden precies dezelfde argumenten gebruikt. En soms zelfs dezelfde zinnen: de ‘flutwetenschap’ van een IARC dat verscheurd wordt door belangenverstrengeling en ‘alom wordt bekritiseerd’ – maar zonder ooit te zeggen door wie.

    De advocaten die bij de Amerikaanse processen betrokken zijn, onthulden dat Monsanto zich ook van discretere middelen bedient. Toen ze onder ede op vragen moesten antwoorden die werden gesteld door advocaten van mensen die hun kanker aan Roundup wijten, openbaarden bestuurders van het bedrijf het bestaan van een vertrouwelijk programma dat erop was gericht alle kritiek te weerspreken en dat ‘Laat niets op zijn beloop’ is gedoopt.

    De transcripties van deze hoorzittingen blijven vertrouwelijk. Maar memo’s van de betrokken advocatenkantoren verschaffen iets meer duidelijkheid. Ze tonen aan dat Monsanto bedrijven van derden inschakelt die ‘mensen in dienst hebben die geen band met de bedrijfstak hebben, maar op hun beurt positieve commentaren posten bij nieuwsartikelen en op Facebook, waarin Monsanto, zijn chemische producten en zijn genetisch gemodificeerde organismen worden verdedigd’.

    Wind in de zeilen door Trump

    De afgelopen maanden is de coalitie tegen het IARC gegroeid. Eind januari 2017, een paar dagen na de inauguratie van Donald Trump in het Witte Huis, heeft het Amerikaanse chemieverbond ACC zich erbij aangesloten. Op sociale netwerken heeft de chemische lobby in de VS een nieuwe aanval geopend in de vorm van een ‘Campagne voor Accuratesse bij Gezondheidsonderzoek’, met een eigen website en Twitteraccount. Het doel daarvan heet een ‘hervorming’ van het monografieprogramma van het IARC te zijn. De machtige lobbyorganisatie heeft de fluwelen handschoenen uitgetrokken: ‘Een plak spek of een staaf plutonium? Volgens het IARC is het één pot nat.’ De tweet vervolgt met een fotomontage waarin twee fluorescerende groene staven in een bord eieren met spek worden gedoopt. In oktober 2015 had het IARC bewerkt vlees inderdaad als ‘kankerverwekkend’ aangemerkt en rood vlees als ‘vermoedelijk kankerverwekkend’, net als glyfosaat.

    Voelen deze chemische en agrochemische bedrijven zich misschien almachtig omdat ze toegang hebben tot de inner circle rond president Trump? De belangrijkste Amerikaanse lobbyist van het Amerikaanse chemieverbond, Nancy Beck, kreeg een hoge post binnen EPA, het federale bureau dat toeziet op chemische veiligheid en vervuilingspreventie en de supervisie heeft over het glyfosaatdossier.

    En werd Andrew Liveris, de baas van Dow Chemical, niet door Donald Trump persoonlijk aangesteld om diens werkgelegenheidsproject ‘Manufacturing Jobs Initiative’ te leiden?

    De machine lijkt de wind in de zeilen te krijgen door de komst van Trump.

    Eind maart richtte de Texaanse Republikein Lamar Smith, voorzitter van de Commissie Wetenschap, Ruimtevaart en Technologie van het Huis van Afgevaardigden, zich tot de inmiddels afgetreden minister van Volksgezondheid Tom Price. Smith richtte zijn pijlen op de financiële banden tussen het Nationale Instituut voor Milieu- en Gezondheidswetenschappen (NIEHS) en het Ramazzini Institute om, zo schreef hij, ‘de garantie te krijgen dat subsidieontvangers de hoogste maatstaven van wetenschappelijke integriteit hanteren’.

    Het verzoek van dit Congreslid was voldoende, zo schreven propagandisten Julie Kelly en Jeff Stier, om het Congres een officieel onderzoek te laten instellen naar de ‘obscure organisatie’ die het Ramazzini Institute is.

    In hun artikel, dat kort daarna in de National Review verscheen, vielen ze zowel NIEHS-directeur Linda Birnbaum aan omdat deze een ‘chemofobische agenda’ zou voeren, alsook haar voormalige mededirecteur Christopher Portier, die als ‘een bekende anti-glyfosa-atactivist’ werd omschreven. Beiden werden ‘Rammazini-adepten’ genoemd.

    Volgens Kelly en Stier is dit een nieuw voorbeeld van de ‘politisering van de wetenschap’. Het verhaal werd ook door anderen overgenomen, inclusief Breitbart News, de ultrarechtse website die mede is opgericht door Steve Bannon, de voormalige hoofdstrateeg van het Witte Huis.

    Dat het Institute of Collegium Ramazzini (de twee worden in de artikelen door elkaar gehaald) als een ‘obscure organisatie’ wordt omschreven of als ‘een soort Rotaryclub voor activistische wetenschappers’, getuigt in het beste geval van onwetendheid en is in het ergste geval van een leugen. Het Collegium Ramazzini, in 1982 opgericht door Irving Selikoff en Cesare Maltoni, twee zwaargewichten op het gebied van gezondheidsonderzoek, is een academie met 180 wetenschappers die gespecialiseerd zijn in arbeids- en milieugeneeskunde.

    Linda Birnbaum en Christopher Portier zijn lid van het Collegium. Hetzelfde geldt voor Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, en vier andere leden van de Monografie 112-werkgroep, stuk voor stuk toonaangevende wetenschappers op hun respectievelijke gebieden.


    De lancering van een langdurige toxicologische studie naar glyfosaat door het Ramazzini Institute in mei 2016 heeft een organisatie die vermaard is om zijn kankerexpertise tot doelwit gemaakt. Het hoofd van de onderzoeksafdeling van het instituut, Fiorella Belpoggi, is een van de weinige wetenschappers die bereid waren Le Monde te woord te staan: ‘We zijn maar met weinigen, we hebben geen geld, we zijn gewoon goede wetenschappers en we zijn niet bang.’

    Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de aanvallen op het Ramazzini en het IARC zullen stoppen. Na glyfosaat staan andere strategische chemicaliën op de ‘prioriteitenlijst’ van het IARC voor de periode 2014-2019. Daartoe behoren andere pesticiden, en ook bisfenol A (BPA) en aspartaam.

    Het NIEHS is toevallig een van de grootste financiers ter wereld van onderzoek naar de toxiciteit van BPA. En de studie die de wereld waarschuwde voor de kankerverwekkende eigenschappen van de zoetstof aspartaam werd enkele jaren geleden uitgevoerd door… het Ramazzini Institute.

    ‘Ik had me niet eerder gerealiseerd dat we zo belangrijk zijn,’ fluistert Fiorella Belpoggi, ‘maar als je het IARC, het NIEHS en het Ramazzini Institute kwijtraakt, raak je drie symbolen van onafhankelijke wetenschap kwijt.’

    Een soort wetenschap die een bedreiging is geworden voor economische belangen ter waarde van honderden miljarden euro’s.

    DEEL 2: Een bittere oogst

    Veilig voor nieuwsgierige blikken stak de woede van Monsanto de Atlantische Oceaan over via optische kabels. Diezelfde dag werd een bericht dat naar een oorlogsverklaring riekt naar de directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève gestuurd, een moederinstelling van het IARC.

    Bovenaan de brief prijkte het beroemde groene takje dat wordt omlijst door een oranje rechthoek: het logo van Monsanto. ‘Wij begrijpen dat IARC-deelnemers opzettelijk tientallen studies en publiekelijk beschikbare onderzoeksresultaten hebben genegeerd die de conclusie ondersteunen dat glyfosaat geen bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid,’ aldus een beschuldigende Philip Miller, vicevoorzitter van de afdeling Globale Regelgevende en Overheidszaken van Monsanto.

    Een van de punten die hij tijdens een ‘dringend noodzakelijke ontmoeting’ besproken wilde zien, was ‘welke stappen met onmiddellijke ingang kunnen worden ondernomen om de uiterst discutabele conclusies van dit rapport te rectificeren’, en zelfs ‘een verantwoording voor alle financiering van de classificering van glyfosaat door het IARC, inclusief donoren’.

    De rollen waren omgedraaid: nu was het de internationale organisatie die verantwoording moest afleggen tegenover het bedrijf.

    In de zomer van 2015 deed CropLife International, de lobbyorganisatie voor de agrochemische sector waarvan Monsanto lid is, de intimidatie nog eens dunnetjes over in een brief. Dwingende eisen en versluierde dreigementen wisselden elkaar af.

    Bastion van onafhankelijkheid en integriteit

    Het IARC heeft het allemaal al eerder gezien. Het is niet voor het eerst het doelwit van kritiek en aanvallen – die horen nu eenmaal bij de reputatie van het agentschap. Hoewel de evaluaties van het IARC geen regelgevende waarde hebben, kunnen ze soms een bedreiging zijn voor enorme commerciële belangen.

    De best gedocumenteerde aanval betreft passief roken, waarover het IARC aan het eind van de jaren negentig een evaluatie uitbracht. Maar zelfs op het hoogtepunt van de confrontatie met de machtige tabaksindustrie waren de gebruikte wapens betrekkelijk onschuldig. ‘Ik werk al vijftien jaar bij het IARC, en zoiets als er de afgelopen twee jaar is gebeurd heb ik nog nooit gezien,’ zegt Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het agentschap.

    Het zou moeilijk zijn het IARC af te schilderen als een controversieel agentschap dat omstreden is binnen de wetenschappelijke gemeenschap en zich laat leiden door ‘anti-industriële’ vooringenomenheid. In de ogen van de overweldigende meerderheid van de wetenschappelijke wereld – kankerspecialisten en andere gezondheidsonderzoekers – is het agentschap een bastion van onafhankelijkheid en integriteit.

    ‘Ik kan me eerlijk gezegd geen rigoureuzer en objectiever manier voorstellen om tot collectieve wetenschappelijke oordelen te komen,’ zegt epidemioloog Marcel Goldberg, een onderzoeker van INSERM, het Franse nationale instituut voor gezondheidsonderzoek dat bij diverse monografieën betrokken is geweest.

    Voor al die monografieën brengt het IARC zo’n twintig onderzoekers uit verschillende landen bijeen, die niet alleen worden geselecteerd op grond van ervaring en wetenschappelijke competentie, maar ook omdat ze vrij zijn van belangenverstrengeling.

    Bovendien baseert het IARC zijn opinies op studies uit wetenschappelijke tijdschriften en sluit het vertrouwelijke, door de industrie gesponsorde studies uit. Dat geldt niet voor de meeste regelgevende agentschappen, die juist een beslissend gewicht kunnen toekennen aan studies die worden gesteund door de bedrijfstak waarvan de producten worden onderzocht. En één daarvan is EFSA, het officiële EU-agentschap dat belast is met de risicobepaling omtrent pesticiden.

    In de herfst van 2015 moest de Europese Unie beslissen of ze haar glyfosaatvergunning met ten minste tien jaar zou verlengen. Als basis voor die beslissing werd veel belang gehecht aan de opinie van EFSA over glyfosaat. In november kon Monsanto opgelucht ademhalen. De conclusies van EFSA weerspraken die van het IARC: EFSA concludeerde dat glyfosaat genotoxisch noch kankerverwekkend was.

    Maar kort daarna moest Monsanto opnieuw de adem inhouden.

    Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een “activist”, een “rat”, een “demon”, een “slungel”, een “huurling” en zelfs een “ettertje” dat zich “als een worm heeft ingevreten” in de IARC-vrucht

    Enkele weken later uitte een honderdtal wetenschappers in een gerespecteerd tijdschrift zware kritiek op de EFSA-conclusies, waarin talrijke tekortkomingen werden geconstateerd. Achter het initiatief zat een Amerikaanse wetenschapper die als ‘uitgenodigd specialist’ had meegewerkt aan de monografie van het IARC. Op hem concentreerden zich nu de aanvallen.

    In milieugezondheidskringen is Christopher Portier bepaald geen onbekende. ‘Ik heb hier en daar gelezen dat Chris Portier niet competent zou zijn, en dat is waarschijnlijk een van de belachelijkste dingen die me ooit onder ogen zijn gekomen,’ zegt Dana Loomis, adjunct-directeur van het monografieprogramma van het IARC. ‘Hij heeft veel analytische tools ontwikkeld die overal worden gebruikt om toxicologische studies te interpreteren!’

    Portier is zo’n wetenschapper wiens cv niet op minder dan dertig bladzijden past. Hij heeft meer dan tweehonderd wetenschappelijke publicaties op zijn naam en is directeur geweest van het National Center for Environmental Health, het US Agency on Toxic Substances en mededirecteur van het NIEHS en het National Toxicology Program. ‘Dat is zonder twijfel een unieke carrière,’ zegt Robert Barouki, directeur van een toxicologische onderzoeksunit van INSERM.

    De pas gepensioneerde Christopher Portier biedt momenteel zijn diensten aan als deskundige en adviseur aan verscheidene internationale organisaties, waaronder het Environmental Defense Fund (EDF), een Amerikaanse niet-gouvernementele milieuorganisatie.

    En uitgerekend deze man moest het doelwit worden van een aanval…

    Op 18 april 2016 publiceerde het nieuwsagentschap Reuters een lang artikel over het IARC, waarin het agentschap als een ‘semiautonoom’ WHO-agentschap werd omschreven dat zich schuldig maakte aan ‘het in verwarring brengen van consumenten’.

    Het artikel refereerde aan ‘zorgen over mogelijke belangenverstrengeling bij het IARC: het gaat om een adviseur van het agentschap die nauwe banden heeft met het Environmental Defense Fund, een Amerikaanse protestbeweging tegen pesticiden’.
    ‘Critici,’ schreef Reuters, ‘betogen dat het IARC hem niet bij het onderzoek naar glyfosaat had mogen betrekken.’

    Opmerkelijk detail: het nieuwsagentschap – dat niet op verzoeken van Le Monde wilde reageren – citeerde intussen drie wetenschappers die het instituut afbrandden, zonder ook maar één keer te melden dat die alle drie bekende adviseurs van de bedrijfstak zijn.

    Maar wie zijn die naamloze ‘critici’? In werkelijkheid kan de kritiek op het IARC worden herleid tot de blog van David Zaruk, een voormalige lobbyist voor de chemische industrie die op een bepaald moment voor het pr-bedrijf Burson-Marsteller werkte.

    In Brussel, waar hij woont, is Zaruk berucht om zijn beledigende taal (de auteurs van dit artikel zijn diverse keren zijn doelwit geweest). Hij was de eerste die tegen de belangenverstrengeling van Portier protesteerde, waardoor de opinie van het IARC naar zijn mening wordt ondergraven. En hij heeft de Amerikaanse wetenschapper er herhaaldelijk van langs gegeven in maar liefst twintig lange posts over glyfosaat – om nog maar te zwijgen van zijn tweets.

    Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een ‘activist’, een ‘rat’, een ‘demon’, een ‘slungel’, een ‘huurling’ en zelfs een ‘ettertje’ dat zich ‘als een worm heeft ingevreten’ in de IARC-vrucht. In Zaruks ogen is het agentschap een ‘wondkorst’, en ‘hoe meer je eraan pulkt, hoe meer pus je eruit ziet komen’, omdat het IARC ‘besmet is door overmoed, gepolitiseerde activistische wetenschap en vooringenomenheid tegen de bedrijfstak’.

    Zaruk zegt ‘drie contacten’ bij Monsanto te hebben, maar ontkent dat hij betaald is voor wat hij heeft geschreven. ‘Ik heb geen cent gekregen voor mijn blogs over glyfosaat,’ schreef hij in een e-mail aan Le Monde. In april 2017 publiceerde hij opnieuw een felle aanval op ngo’s, Christopher Portier en enkele journalisten, die hij verluchtigde met een foto van nazi’s die boeken verbrandden op het Obernplatz in Berlijn in 1933.

    Zaruks onsamenhangende verhalen hadden gemakkelijk gecontroleerd en ontkracht kunnen worden. Maar de prestigieuze garantie van een Reuters-artikel stond borg voor hun brede verspreiding.

    Binnen een paar weken werden de beschuldigingen van belangenverstrengeling geciteerd in de Londense Times, The Australian en in de VS in National Review en The Hill, ondertekend door Bruce Chassy, emeritus-hoogleraar van de door Monsanto gesubsidieerde Universiteit van Illinois – zo blijkt uit vertrouwelijke documenten waarop de vereniging US Right to Know in september 2015 de hand legde.

    Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.
    Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.

    Zaruks ‘werk’ werd ook geciteerd op de opiniepagina van het tijdschrift Forbes, ondertekend door een bioloog die banden onderhoudt met het Hoover Institution, een aan de Republikeinse Partij gelieerde denktank. Zijn naam duikt op in vrijgegeven archieven van de tabaksindustrie. Op dat moment bood deze man aan columns te schrijven of op nationale media te verschijnen om ‘te communiceren over risico’s en wetenschap’. Tarieven tussen de $ 5000 en $ 15.000.

    De aanvallen van de Brusselse blogger vonden ook weerklank bij bekende propagandawebsites, zoals American Council on Science and Health en Genetic Literacy Project. Het laatste publiceerde, met behulp van aan de fabrikanten van pesticiden en biotechnologische producten verbonden pr-mensen, een artikel over Christopher Portier en het IARC, ondertekend door Andrew Porterfield, die zichzelf heel eenvoudig omschrijft als ‘communicatieadviseur voor de biotechnologische industrie’.

    En hoe zit het met de suggestie dat er bij Portier belangenverstrengeling zou spelen? Heeft het Environmental Defense Fund – via hem – meegewerkt aan het besluit van het IARC om glyfosaat als ‘mogelijk kankerverwekkend’ te classificeren?

    ‘Omdat hij een band had met deze organisatie, had Portier de status van “uitgenodigd specialist”,’ verklaart Kathryn Guyton, die leiding gaf aan het opstellen van ‘Monografie 112’ van het IARC. Dat betekent dat hij werd geraadpleegd door de werkgroep, maar niet betrokken was bij de beslissing om de chemische stof in een bepaalde categorie te classificeren. Echte belangenverstrengeling is er wel degelijk – maar elders.

    In mei 2016, terwijl de pers en de bloggers druk bezig waren de verdenking van kwade praktijken op het IARC te laden, was het de beurt aan een andere groep VN-deskundigen om hun mening te geven. De Joint Meeting on Pesticides Residues (JMPR), een gezamenlijk initiatief van de WHO en de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, die de risico’s meet die zijn verbonden aan voedsel (en niet aan blootstelling via inademing, huidcontact et cetera), pleitte glyfosaat vrij.

    Bijna een jaar eerder had een coalitie van ngo’s de WHO gewaarschuwd voor belangenverstrengeling bij de JMPR. Drie leden daarvan werken samen met het International Life Science Institute (ILSI), een wetenschappelijke lobbyorganisatie die wordt gefinancierd door grote agrarische, biotechnologische en chemische bedrijven – van Mars tot Bayer en van Kellogg tot Monsanto.

    Toxicoloog Alan Boobis van het Britse Imperial College fungeerde als co-voorzitter van de JMPR, maar ook als voorzitter van de raad van bestuur van het ILSI. Angelo Moretto van de Universiteit van Milaan was rapporteur bij de JMPR terwijl hij ook als bedrijfsadviseur werkte en lid was van de raad van de bestuur van een door het ILSI gecreëerde instelling. Vicky Dellarco, ook lid van de JMPR, was bedrijfsadviseur en lid van diverse ILSI-werkgroepen.

    JMPR-deskundigen zijn naar verluidt aan dezelfde onafhankelijkheidsregels gebonden – die tot de strengste ter wereld behoren – als die welke door het IARC worden gehanteerd, namelijk de WHO-regels. Omdat ze de geloofwaardigheid en de besluiten van een instelling kan beïnvloeden, is schijnbare belangenverstrengeling even ernstig als feitelijke belangenverstrengeling.

    Maar op een vraag van Le Monde antwoordde de WHO dat ‘geen enkele deskundige werd geacht conflicterende belangen te hebben die deelname aan de JMPR in de weg zou staan’.


    Hilal Elver en Baskut Tuncak namen geen genoegen met dit antwoord. Zij zijn respectievelijk speciale VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel en speciale VN-rapporteur voor Gevaarlijke Stoffen en Afval.

    ‘Wij verzoeken de WHO beleefd uit te leggen hoe zij precies tot de conclusie is gekomen dat de banden van de deskundigen met de bedrijfstak geen duidelijk of potentieel belangenconflict vormden volgens haar eigen regels’, luidde de reactie van deze twee deskundigen op een vraag van Le Monde. ‘Sterke, duidelijke en transparante procedures inzake belangenverstrengeling zijn essentieel voor de integriteit van het systeem’, verklaarden ze, om de VN-organisaties vervolgens ‘aan te sporen’ die procedures ‘te herzien’.

    Deze twee deskundigen schreven in hun rapport over het recht op voedsel dat er enkele ‘ernstige verdenkingen’ bestaan ‘ten aanzien van geleerden die zijn “omgekocht” om de discussie over de bedrijfstak in andere banen te leiden’.

    Dit rapport, dat in maart 2017 werd overhandigd aan de Mensenrechtenraad van de VN, benadrukte ook dat ‘inspanningen van de pesticide-industrie hervormingen hebben gedwarsboomd en de wereldwijde beperking van pesticiden hebben lamgelegd’.

    Het in diskrediet brengen van het IARC, zijn werkgroepen en de kwaliteit van zijn wetenschappelijke bevindingen – het zijn allemaal ‘inspanningen’ die van strategisch belang zijn, en zelfs van levensbelang, voor Monsanto.

    Monsanto wordt dicht op de hielen gezeten door verscheidene Amerikaanse advocatenkantoren die slachtoffers (of hun nabestaanden) vertegenwoordigen die zijn getroffen door het non-hodgkinlymfoom (NHL), een zeldzame vorm van kanker die de witte bloedlichaampjes aantast en die te wijten zou zijn aan de blootstelling aan glyfosaat.

    Voor die advocaten is ‘Monografie 112’ van het IARC een belangrijk bewijsstuk. Voor Monsanto zou ‘Monografie 112’ een grote rol kunnen spelen bij het uiteindelijke vonnis. De schadeloosstelling voor de achthonderd klagers in de VS – een aantal dat volgens Timothy Litzenburg, advocaat bij The Miller Firm, tegen het eind van het jaar ‘waarschijnlijk’ tot tweeduizend gestegen zal zijn – kan in de miljarden dollars lopen.

    Vertrouwelijke memo’s, spreadsheets en interne resumés: al met al tien miljoen pagina’s uit de archieven en computers van Monsanto heeft het bedrijf tot dusver aan de rechtbank moeten overleggen.

    Uit de massa documenten, die druppelsgewijs worden vrijgegeven en die samen de ‘Monsanto Papers’ vormen, blijkt hoe het bedrijf zich teweer wil stellen. Neem dit ‘vertrouwelijke’ PowerPoint-document, gedateerd 11 maart 2015, met afbeeldingen waarop een beïnvloedingsstrategie wordt uitgestippeld in de vorm van ‘Wetenschappelijke Projecten’. Naast andere ideeën wordt een ‘uitvoerige evaluatie van het kankerverwekkende potentieel’ van glyfosaat genoemd door ‘geloofwaardige wetenschappers’ en ‘zo mogelijk via het concept van een deskundigenpanel’. Dat zou inderdaad gebeuren.

    In september 2016 verscheen er een serie van zes artikelen in het wetenschappelijk tijdschrift Critical Reviews in Toxicology. Daarin werd glyfosaat vrijgepleit. Maar zou er een andere conclusie mogelijk zijn geweest, gezien het feit dat de publicatie openlijk werd ‘gesponsord en gesteund’ door Monsanto?

    De auteurs waren de zestien leden van het ‘glyfosaatdeskundigenpanel’ aan wie Monsanto de taak toevertrouwde de glyfosaatmonografie van het IARC te ‘herzien’. Ze werden gerekruteerd door Intertek, een adviesbureau dat is gespecialiseerd in de productie van wetenschappelijk materiaal voor bedrijven die met regelgevende of juridische problemen kampen ten aanzien van hun producten. Monsanto en zijn bondgenoten riepen ook de hulp in van Exponent en Gradient, twee andere bureaus die zich bezighouden met ‘productverdediging’.

    Het op PowerPoint geëtaleerde crisismanagement voorzag bovendien in de publicatie van een artikel over het IARC zelf: ‘Hoe is het gevormd, hoe functioneert het, ze zijn niet met hun tijd meegegaan, ze zijn archaïsch en niet meer nodig.’

    De wetenschapper die als mogelijker auteur werd geopperd, heeft tot dusver niets over de kwestie gepubliceerd. Maar een artikel dat perfect aan de vijandige specificaties beantwoordt verscheen in oktober 2016 in een klein tijdschrift.

    Het classificeringssysteem van het IARC is ‘ouderwets’ en ‘dient wetenschap noch maatschappij’, schreven de tien auteurs. ‘Zo kan het eten van bewerkt vlees in dezelfde categorie vallen als zwavelmosterdgas.’ De benadering van het IARC, zeiden ze, is de bron van ‘angst voor de gezondheid, onnodige economische kosten, het verlies van nuttige producten, het hanteren van strategieën met hogere gezondheidskosten en het besteden van publieke middelen aan onnodig onderzoek’.

    Het was een zeer ongebruikelijke toon voor een wetenschappelijk tijdschrift. Dat komt wellicht doordat Regulatory Toxicology and Pharmacology een speciaal soort publicatie is. Niet alleen telt de redactieraad talrijke vertegenwoordigers en adviseurs van het bedrijfsleven, de hoofdredacteur, Gio Gori, is een bekende figuur in de geschiedenis van de tabaksindustrie.

    Het blad, dat eigendom is van de machtige wetenschappelijke uitgeversgroep Elsevier, is het officiële orgaan van een zogenaamd wetenschappelijk genootschap, de International Society of Regulatory Toxicology & Pharmacology (ISRTP). De website van het genootschap bevat geen significante informatie en noch Gori, noch ISRTP, noch Elsevier reageerde op vragen van Le Monde. Daarom valt niet eens te achterhalen wie de leiding heeft – laat staan waar het geld vandaan komt. Maar de laatste keer dat ISRTP zijn sponsors publiceerde, in 2008, bleek Monsanto een van de zes goede gevers.

    Wat de tien auteurs van het artikel betreft, sommigen hebben gewerkt – of werken nog steeds – voor de Zwitserse groep Syngenta, een lid van de ‘glyfosaat-taskforce’ van fabrikanten van glyfosaathoudende producten. Anderen zijn zelfstandig adviseur. Weer anderen zijn geleerden die betrokken zijn bij de activiteiten van de wetenschappelijke lobbyorganisatie ILSI. Daartoe behoren Samuel Cohen, hoogleraar oncologie aan de Universiteit van Nebraska, Alan Boobis, co-voorzitter van de JMPR en Angelo Moretto, rapporteur van diezelfde JMPR.

    ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook’

    Deze drie wetenschappers zetten door. Een paar maanden later publiceerden ze op de propagandawebsite Genetic Literacy Project, die ook plaats had geboden aan de persoonlijke aanvallen op Christopher Portier, een tekst waarin werd gezegd dat het IARC moest worden ‘opgeheven’. Het agentschap werd beschuldigd van het zaaien van ‘chemofobie’ onder het publiek. Als het agentschap niet wordt hervormd, schreven ze, ‘zou het IARC in het regelgevend museum moeten worden bijgezet waar het thuishoort, tezamen met andere historische artefacten als de T-Ford en de telefoon met draaischijf’.

    In wetenschappelijke kringen is het goed gebruik dat de auteur van de eerste versie van een tekst de verantwoordelijk neemt voor alle wijzigingen die erin worden aangebracht, tot de laatste correcties aan toe. Welke van de auteurs heeft deze twee teksten geschreven – gepubliceerd door het wetenschappelijk tijdschrift en de website Genetic Literacy Project? ‘Dat kan ik me niet herinneren,’ antwoordde Alan Boobis toen Le Monde hem ernaar vroeg. Hij legde uit dat het ‘een heel proces’ was geweest, en dat er ‘in de loop van het jaar heel wat aan de tekst was geschaafd’.

    Dit is ‘wel een beetje een schoktactiek,’ erkende Boobis. Toen hem werd gevraagd waarom het artikel op deze website was gepubliceerd, gaf Boobis toe dat Genetic Literacy Project niet bekendstond om zijn accuratesse, maar hij legde uit dat de tekst was geweigerd door een wetenschappelijk tijdschrift.

    Hun argumenten zijn identiek aan die van Monsanto en zijn bondgenoten. ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook,’ antwoordde Boobis.

    En is Monsanto uit op de ‘opheffing’ van het IARC? Het bedrijf wenste de vragen van Le Monde niet te beantwoorden.

    Auteurs: Stéphane Foucart en Stéphane Horel
    Vertaler: Peter Bergsma

    Foucart en Horel werken beiden voor Le Monde. Foucart is gespecialiseerd in milieuwetenschappen, Horel in Europese beleidsvorming.

    Le Monde won met de serie de Prix Varenne Presse quotidienne nationale.

    Openingsbeeld: Een pesticide verspreidende tractor in Duitsland. – © Sean Gallup / Getty Images

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

    CONTEXT: Overname Monsanto door Bayer bijna rond

    Het Duitse chemieconcern Bayer AG onderhandelt sinds vorig jaar over de overname van het Amerikaanse Monsanto voor een bedrag van 66 miljard dollar (54 miljard euro). Tot dusver werd die aankoop vertraagd door de Europese Commissie, die beducht is voor trustvorming. Maar begin maart liet Bayer weten dat het concern in het tweede kwartaal van dit jaar de koop zal kunnen sluiten omdat het tegen die tijd aan alle voorwaarden van de Commissie zal hebben voldaan.

    Volgens Werner Baumann, de CEO van Bayer, heeft het bedrijf inmiddels de toestemming voor de aankoop verworven van meer dan de helft van de dertig antitrustinstanties die het groene licht voor de deal moeten geven. Onder meer zal Bayer daartoe een deel van de activiteiten verkopen aan BASF, de andere Duitse chemiereus. Het betreft vooral de landbouwzaadveredeling. Baumann verwacht dat Bayer nog enkele andere bedrijfsonderdelen onder licentie bij andere ondernemingen zal onderbrengen.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 99: Dossier: Hoe gevaarlijk is glyfosaat?
    1. 127: Wéér controverse rond Monsanto-middel

    Reader # 09: Is het recept van Monsanto uitgewerkt?

  • Wat moeten 
we met onze pro-Russische president?

    Wat moeten 
we met onze pro-Russische president?

    De eurosceptische Tsjechische president Milos Zeman is een echte kopzorg voor de nieuwe premier Andrej Babis.

    President Milos Zeman zei 
vroeger dat er drie soorten 
politici zijn: zij die slagen, zij die mislukken en zij die belachelijk zijn. Zelf hoort hij in de eerste categorie. Qua verkiezingszeges is hij ongetwijfeld de meest geslaagde politicus 
in Tsjechië sinds 1989. Toch kun je hem ook indelen in de andere twee categorieën. Tijdens de NAVO-top in 2014 in Wales begonnen de staatshoofden en regeringsleiders aan het einde van zijn toespraak te lachen. De Amerikaanse president, de Britse premier, de 
vertegenwoordigers van Canada, 
Frankrijk, Duitsland hadden het gevoel dat Zeman de spot met hen dreef. 
De Tsjechische president had beweerd, met droge ogen, dat zich geen enkele Russische soldaat op het grondgebied van Oekraïne bevond en dat Rusland in geen geval de pro-Russische rebellen in de Donbas-regio steunde. En dat, mochten er Russische soldaten in Oekraïne strijden, dat alleen maar was omdat ze er geheel uit vrije wil, tijdens hun vakantie, even op bezoek waren. Kortom, Zeman had woordelijk de beweringen van het Kremlin herhaald. Als kers op de taart had hij het brandalarm laten afgaan in het hotel waar hij verbleef, na in zijn kamer een sigaar te hebben opgestoken, ondanks het rookverbod. De schoonmaakkosten waren natuurlijk voor de belastingbetaler.

    Betrekkingen met de EU

    Babis is ontegenzeglijk ook een politicus die slaagt. Nu hij de parlementsverkiezingen in oktober jl. ruim heeft gewonnen, heeft hij als belangrijkste doelstelling dat hij door de leiders van de Europese Unie (EU) en de NAVO wordt gerespecteerd. Hij die de EU tijdens de verkiezingscampagne zo zeer had bekritiseerd – waarbij hij zich vaak bediende van leugens – heeft sinds zijn verkiezingsoverwinning het roer omgegooid. Nu verklaart hij plotseling dat de Tsjechen ‘niet met het vuur van nationalisme en xenofobie willen spelen’. Hij heeft Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Europese Commissie, zelfs verzekerd dat hij voorstander 
is van ‘een sterke Unie en een 
pro-Europese Tsjechische Republiek’.

    Perfect! Als Babis begrijpt dat het 
EU-lidmaatschap van vitaal belang is voor het land, en als hij zelf in Brussel en door zijn collega’s van de andere lidstaten wil worden gezien als een achtenswaardige premier, zouden we hem moeten toejuichen. Maar stel dat het hem lukt een coalitie te vormen die de steun krijgt van het parlement, en dat hij kan gaan regeren zoals hij van plan is, dan nog loopt hij tegen een groot probleem aan dat luistert naar 
de naam Milos Zeman.

    Niet wat betreft de binnenlandse 
politiek, maar waar het gaat om de betrekkingen met de EU. Dan kan Zeman een groter probleem vormen dan de corruptiezaak-‘Het Ooievaarsnest’ waarin Babis verwikkeld is. Natuurlijk speelt die affaire hem parten wanneer hij, tijdens Europese toppen, met Angela Merkel en Emmanuel Macron moet discussiëren over de 
miljarden die de Tsjechische Republiek uit de Europese fondsen wil ontvangen, terwijl zij weten dat de Tsjechische 
politie hem beschuldigt van fraude met diezelfde Europese subsidies die hij voor zijn land tracht binnen te halen. Maar de Europese leiders vormen een club 
– zij respecteren wederzijds het 
democratische mandaat dat zij van 
hun kiezers hebben verkregen. En er 
zal heel wat water onder de brug zijn doorgestroomd voordat een rechtbank zich over de eventuele schuldigheid 
van Babis zal uitspreken.

    Een verkiezingsaffiche van Milos Zeman in Praag. – © HH
    Een verkiezingsaffiche van Milos Zeman in Praag. – © HH

    Zeman zal dus in de EU een groter stigma zijn voor de leider van de ANO-partij. In Europa weet men dat Babis hem gesteund heeft tijdens de verkiezingscampagne en dat deze steun, gezien het geringe verschil waarmee Zeman is herkozen, van doorslaggevend belang was. Een naaste medewerker van een hoge Europese politicus vertrouwde onze krant toe: ‘Wij beschouwen de Tsjechische presidentsverkiezingen als buitengewoon belangrijk. Uit de uitslag kunnen we opmaken of we op de 
Tsjechen kunnen rekenen als een volk dat de Europese normen onvoorwaardelijk steunt, of op het tegendeel: dat 
de Tsjechische Republiek afglijdt naar Polen en Hongarije.’ De politicus in kwestie had zich zeer verbaasd over de steun van Babis voor Zeman omdat hij overal waar hij komt in Europa zijn gesprekspartners verzekert dat hij niet de Tsjechische Donald Trump is.

    Laten we even in het midden laten of de Tsjechische premier serieus meent wat hij zegt, of zich eerder zal gedragen als de Hongaarse regeringsleider Viktor Orbán, die thuis iets anders doet dan hij in Europa beweert – in Brussel en in de Europese hoofdsteden weten ze heel goed dat Zeman zijn kaarten niet voor de borst houdt. Hij wordt beschouwd als een pro-Russische president die een onbegrensde bewondering koestert voor autocraten, inspeelt op de laagste instincten van de kiezers en evenals zijn naaste medewerkers bewust liegt waar het over de EU en het functioneren van de EU gaat.

    Door deze man te steunen heeft Babis zijn eigen positie in Europa verzwakt

    Door deze man te steunen heeft Babis zijn eigen positie in Europa verzwakt. Zeman herhaalt voortdurend dat hij degene wil zijn die de quota voor de opvang van vluchtelingen zal afschaffen. Natuurlijk kan hij daar als geen ander vóór hem bij de Tsjechen punten mee scoren. Maar om anderen te 
overtuigen moet je wisselgeld hebben. Babis weet dat, hij doet zijn best, zoals blijkt uit zijn recente verklaringen. Help mij, vraagt hij aan de Europese Commissie en aan de overige 
EU-lidstaten, houd niet vast aan die quota, anders wordt de aversie van de Tsjechen tegen de EU nog sterker. Dat klinkt aangenaam en vrij logisch. 
Maar Babis’ probleem is dat het voor hem moeilijk is om zijn woorden en zijn daden op elkaar af te stemmen. Zoals blijkt uit zijn steun voor de Tsjechische president die electoraal in sterke mate leunt op de verwerping van de EU.

    Auteur: Ondrej Houska
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Hospodárské Noviny
    Tsjechische Republiek | oplage 86.000

  • ‘Verlies nooit uit het oog dat je zwart bent’

    ‘Verlies nooit uit het oog dat je zwart bent’

    Jay-Z woonde als kind in een van de gevaarlijkste buurten van Brooklyn en groeide uit tot rapper, producent en multimiljonair die met een van de succesvolste vrouwen ter wereld trouwde. Dean Baquet van The New York Times praat met hem over muziek, liefde, politiek, zwart zijn in Trumps Amerika en wat het voor zijn kinderen betekent te leven in een wereld die zo sterk afwijkt van die uit zijn eigen jeugd.

    Mijn gesprek met Jay-Z begon eigenlijk met O.J.

    In mijn jongensjaren, in het zwarte New Orleans van de jaren zestig, was O.J. Simpson een god. We imiteerden hem, deden zijn loopje na. We wilden niet alleen spelen zoals hij, we wilden zíjn zoals hij, knap en atletisch onder de zon van Californië. We oefenden zijn schijnbewegingen voor de spiegel, met handen die te klein waren om de bal losjes vast te houden, zoals hij. We wilden zelfs naar de University of Southern California, waar hij de staat twee jaar op rij naar de overwinning had gevoerd. We waren kwaad toen de Heismantrofee voor zijn neus werd weggekaapt door Gary Beban, de keurige, witte, door-en-door Amerikaanse quarterback van UCLA, ook wel The Great One genoemd. We waren door het dolle toen hij hem het jaar daarop in de wacht sleepte.

    Maar O.J. was geen perfecte held voor zwarte jongens, al had hij zich ontworsteld aan de armoede van San Francisco en leidde hij een bestaan als superster. Hij was dubbel over zijn huidskleur. In een tijd waarin andere sporthelden het feit dat ze zwart waren expliciet benoemden, probeerde hij het een beetje weg te moffelen.

    Dus toen ik werd gevraagd om Jay-Z te interviewen, wilde ik het graag hebben over zijn nummer ‘The Story of O.J.’, op zijn nieuwste album 4:44. In dat nummer citeert Jay-Z de wellicht apocriefe, maar niettemin legendarische opmerking van Simpson: ‘Ik ben niet zwart, ik ben O.J.’
    Ik was minder geïnteresseerd in de huwelijksproblemen van de rapper, of in het beroemde handgemeen tussen hem en zijn schoonzus, in een lift. Wel was ik benieuwd hoe Jay-Z, met zijn huis van 88 miljoen dollar in Bel-Air, niet ver van de buurten waar zwarten van bijna niets moeten zien rond te komen, zich verhoudt tot zijn jeugd – als zwarte jongen in een sociale woningbouwwijk in Brooklyn, in de jaren zeventig. Afgaande op zijn nieuwste album heeft deze ingewikkelde spagaat zijn sporen nagelaten – en dat herken ik wel, als zwarte man uit het Zuiden, voor wie O.J. de held van zijn jeugd was en die het zelf ook veel verder heeft geschopt dan ook maar iemand vroeger voor mogelijk had gehouden.

    Waarom raakt het verhaal van O.J. Simpson ons allebei zo?

    O.J. moet een bepaald deel van zichzelf hebben weggedrukt toen hij zich profileerde als de held van een breed publiek: onomstreden, iemand voor wie huidskleur geen rol speelde, de ideale tegenpool van zijn mede-footballspeler, Jim Brown van de Cleveland Browns, die veel meer geladen was, veel kwader. Ik vroeg me af of de druk van die ontkenning ertoe had geleid dat het tientallen jaren later tot een uitbarsting kwam.

    Dit alles speelde door mijn gedachten toen ik Jay-Z vorig jaar september twee uur lang sprak, in een werkkamer bij The Times. We hadden het niet alleen over O.J. en raciale identiteit, maar ook over de seksuele geaardheid van zijn moeder, en hoe hij zijn kinderen, die van het ene landhuis naar het andere gaan, sociaal bewustzijn kan bijbrengen. Na jaren te hebben gerapt over een jeugd in de hood, klinkt dit album als de diepgravende therapiesessies van een zwarte man van middelbare leeftijd op muziek.

    Allereerst welkom.

    ‘Dank je.’

    Er zijn een paar dingen waar ik het over wil hebben. Ik zou het graag even hebben over de rassenkwestie. En over je muziek. Ik vond met name The Story of O.J. van je album 4:44, uit 2017, heel sterk. Wat ik erin hoorde, is: ‘Of je nou arm of rijk bent, je bent en blijft zwart.’ Voor wie is die boodschap bedoeld? Wie wil je dat zich door die tekst aangesproken voelt?

    ‘Weet je, het is allemaal niet zo zwart-wit, dat nummer. Ik richt me met name tot ons. Het gaat over wie we zijn en hoe we onszelf kunnen blijven terwijl we onze identiteit steeds verder proberen op te rekken. Het gaat over verantwoordelijkheid nemen voor onze daden. Want het is zoals het is, in Amerika. En er is een oplossing: als we ons verenigen, als we een machtsblok vormen, als ik met veertig miljoen mensen kom aanzetten krijg je een heel ander gesprek dan wanneer ik op eigen houtje probeer Amerika te veranderen. Zo werkt het nu eenmaal. Neem die opmerking: “Ik ben niet rijk, ik ben O.J.” Het gaat erom dat je eerst die positie weet te bereiken. En dan kun je je afzetten tegen de heersende cultuur. Zo begint het. En weet je hoe het dan verdergaat? Je staat er alleen voor – en je weet hoe dat heeft uitgepakt.’

    Was het misschien ook om ons eraan te herinneren dat O.J. iets over het hoofd had gezien? Al was hij nog zo rijk en machtig, al genoot hij nog zoveel voorrechten, toen de discussie over rassenongelijkheid rondom hem losbrandde, werd hij er op zeer pijnlijke wijze aan herinnerd dat hij ook zwart was, of 
hij zich daar nou bij neer wilde leggen of niet.

    ‘Zo is het. Voor ons gaat het erom, wanneer we het daarover hebben: “Verlies dat nooit uit het oog.” Het gaat niet om succes en beroemd worden. Waar het om gaat is dat je, als je bent gezegend met een bepaald talent, je je ook moet toeleggen op dat talent. Dat is één. Punt twee is dat we de verantwoordelijkheid hebben de discussie te blijven voeren, net zolang tot we allemaal gelijk zijn. Tot iedereen op aarde gelijk is. Want zolang niet iedereen vrij is, is niemand vrij. Zo is het gewoon.’


    Maar als je zo ongelooflijk succesvol bent als jij, zullen je kinderen in een volkomen andere wereld opgroeien dan die waarin jij zelf bent opgegroeid. Hoe zorg je ervoor dat ze zich daar toch een beeld van kunnen vormen?

    ‘Dat is een precair evenwicht, ja. Om te overleven in de buurt waar ik opgroeide had ik bepaalde vaardigheden nodig die mijn kinderen niet nodig hebben. Maar dat neemt niet weg dat ze zich bewust moeten zijn van hun geschiedenis. Ze moeten een zeker besef hebben dat het niet vanzelf is gegaan. Het belangrijkste is, denk ik, om ze mededogen bij te brengen, om ze te leren zich te verplaatsen in de strijd die anderen moeten leveren, zich te realiseren dat er mensen zijn die offers hebben gebracht, waardoor wij nu in deze positie zitten, en om die lijn voort te zetten – voor ons.’

    Je kunt ze nog zoveel geschiedenis bijbrengen, en je kunt zelf nog zoveel aanzien genieten binnen de zwarte gemeenschap in Amerika, maar je zult je misschien ook wel eens zorgen maken dat ze iets missen? Of denk je dat dat onzin is, dat er uiteindelijk zoveel in hun voordeel werkt dat dit een te negatieve kijk is?

    ‘Ik snap wat je bedoelt. Er zijn gewoon bepaalde eigenschappen die je graag bij je kind zou zien. Je 
wil dat ze eerlijk, meelevend, invoelend zijn, met een warm hart. Het zijn de basiseigenschappen die iedereen – nou ja, ik in ieder geval – zijn kind wil meegeven. Snap je wat ik bedoel? Mensen in hun waarde laten, wie ze ook zijn, wat voor positie ze ook bekleden. Dus niet slijmen bij iemand op een hoge positie en lullig doen tegen iemand op wie je neerkijkt. Ik kan geen liefde voor je kopen, ik kan het je niet aanreiken. Ik wel liefde uiten, maar verder zul je het zelf moeten doen. Hetzelfde geldt voor medeleven. De mooiste dingen in het leven zijn de dingen die onzichtbaar zijn.’

    Voor mij, als zwarte man van een bepaalde leeftijd, was O.J. Simpson de held van mijn jongensjaren. Ik ben eenenzestig, dus ik was nog klein in zijn tijd. Ik ben ervan overtuigd dat ik bepaalde dingen in dat nummer heb gehoord waarvan jij je misschien niet eens bewust bent, omdat ik tot een anderen generatie behoor. Denk je dat zwarten en witten, jongeren en ouderen, allemaal andere dingen horen in je muziek? Wat wil je dat een wit kind uit dat nummer haalt, terwijl een zwart kind het misschien niet eens zou opmerken?

    ‘Goede vraag. Als je muziek maakt wil je, denk ik, dat iedereen er iets anders in hoort, en vervolgens hoop je dat het een discussie op gang brengt. Want zo ontstaat begrip. “O, zie jij het zo?”’

    Er zijn mensen die denken dat het debat over de rassenkwestie in Amerika weer is opgelaaid door de verkiezing van Donald Trump. En er zijn mensen die beweren dat het racisme in Amerika van alle tijden is; er zou weinig zijn veranderd, en ook de discussie zou niet wezenlijk anders zijn dan voorheen. Het enige verschil is dat het nu aandacht krijgt. Hoe kijk jij daartegen aan?

    Er is een steengoede tekst van Kanye West in een 
van zijn nummers: “Racism’s still alive, they just be concealin’ it.” (Racisme is nog springlevend, alleen wordt het verhuld.) [Het nummer heet ‘Never Let Me Down’, van The College Dropout uit 2004.] Even een zijweg. Ik denk dat het een enorme stommiteit is geweest van de NBA om Donald Sterling voor het leven te schorsen. Natuurlijk, hij zat fout. Maar dat soort opmerkingen wordt gewoon gemaakt. Daar zullen we mee moeten leren leven. [In 2014 werd Sterling, destijds eigenaar van de Los Angeles Clippers, voor het leven geschorst door de NBA nadat er geluidsopnamen waren opgedoken waarin hij zich tegenover een vriendin racistisch uitliet over zwarten.] Ik vind niet dat zoiets ongestraft moet blijven. Maar door hem helemaal weg te sturen bereik je vooral dat alle anderen in hun schulp kruipen, wat een open gesprek onmogelijk maakt. Dat Donald Trump president is geworden heeft als voordeel dat we nu gedwongen zijn de dialoog aan te gaan. Trump heeft ons het platform geboden.’

    En volgens jou is dat beter? Dat we gedwongen zijn 
de dialoog te voeren?

    ‘Absoluut. Daardoor is dit allemaal in gang gezet.’

    Vind je dat het debat over ras in Amerika op een 
constructieve manier wordt gevoerd?

    ‘In het ideale geval heb je een president die zegt: “Ik sta open voor de dialoog en het zoeken naar een oplossing.” Maar toch is het ergens wel goed, zoals het nu gaat. Want je kunt pas aan een oplossing werken wanneer je het probleem onderkent. Zo is het toch? Stel dat ik, zonder het te weten, een hersentumor heb. Er moet eerst een diagnose worden gesteld. Hoe dat gebeurt maakt niet veel uit. Als er een voetbal tegenaan wordt getrapt en ik heb zoiets van: Hé, ik voel hier iets geks, en ik ga naar de dokter – dan is het ook gebeurd.’

    Oké.

    ‘Snap je wat ik bedoel? Hoe het ook gebeurt, we krijgen een hoop ballen tegen ons aan geknald. Om maar een metafoor te gebruiken die past bij de NFL.’

    Als jij teameigenaar was, zou je Colin Kaepernick een 
contract aanbieden, neem ik aan?

    ‘Ja. Ik heb The Story of O.J. aan hem opgedragen tijdens het Meadows-concert.’ [Colin Kaepernick, de voormalig quarterback van de San Francisco 49ers, zorgde voor grote beroering met zijn protest tegen racisme en rassenongelijkheid in de Verenigde Staten. Kaepernicks besluit, vorig jaar, om te knielen bij het volkslied is inmiddels overgenomen door tientallen andere sporters, tot woede van onder anderen president Trump. In oktober vorig jaar, toen Kaepernick al maanden geen contract meer aangeboden had gekregen, diende hij een aanklacht in tegen de NFL, waarin hij de teameigenaars ervan beschuldigde tegen hem samen te spannen.]

    Heb je hem ook ontmoet?

    ‘Nee. We hebben alleen nog maar gebeld, maar het lijkt ons wel een goed idee elkaar te ontmoeten.’

    Als dit niet was gebeurd, had hij dan wel een contract gekregen, denk je?

    ‘Ja, zonder twijfel.’


    Denk je dat politiek een grotere rol speelt bij basketbal 
dan bij American football?

    ‘Ja.’

    Waarom is dat, denk je?

    ‘Volgens mij omdat het om minder grote aantallen gaat. Je hebt twaalf man in een team. Bij football heb je het over 53 mensen. Het is lastiger om 53 neuzen allemaal dezelfde kant op te krijgen. Daarnaast heeft de NBA een fantastische voorzitter, die ruimdenkend is. En hij staat echt achter de spelers. Dat voel je gewoon. Als je weet dat er iemand achter je staat die echt ergens in gelooft, stimuleert dat je om te doen wat goed is.’

    Zijn er zelfs in dit stadium van je leven – je bent beroemd, je bent rijk, je hebt bezit – nog momenten waarop je wordt geconfronteerd met racisme, openlijk en duidelijk herkenbaar?

    ‘Best wel, ja. Maar dat gebeurt vooral wanneer je iets probeert te veranderen aan de status quo. Als ik me gedeisd hou en gezellig ben, is er niets aan de hand. O man, te gek allemaal. Maar zodra je je niet houdt aan de onuitgesproken codes van de club, dan is het ineens gedaan met je seat at the table – om de titel van het album van Solange te gebruiken. En dan betreed je een terrein waar je denkt: Hé, jongens, jullie zijn nu kwaad op mij omdat ik precies doe wat jullie altijd doen?’

    Zit je nu wel eens in vergaderingen waarin je de enige zwarte bent?

    ‘Nou, in mijn tijd met de Nets was ik zonder meer de enige zwarte aan de vergadertafel.’ [Jay-Z had aandelen in de New Jersey Nets, in 2003. Hij verkocht ze in 2013.]

    En, hoe was dat? Kun je daar iets over vertellen?

    ‘Het was, nou ja, gek, maar tegelijkertijd denk ik dat… ik denk dat het feit dat ik beroemd ben me een stem gaf, op die plek. Waarschijnlijk zou het voor iemand anders, als enige zwarte in zo’n vergadering, lastig zijn geweest om erdoorheen te breken.’

    Ben je teleurgesteld in Obama? Er zijn mensen die zeggen dat de verwachtingen van de eerste zwarte president te hooggespannen waren: Hij zou moeten afrekenen met racisme en moeten zorgen dat alles goedkwam. Zijn dat onredelijke verwachtingen? Heeft hij jouw verwachtingen waargemaakt?

    ‘Ja, want hij heeft zijn uiterste best gedaan, en meer kon hij niet doen. Hij is ook maar een mens. En het is niet eerlijk om onrealistische verwachtingen te koesteren enkel en alleen omdat hij zwart is. Sterker nog, je zou het bijna moeten omkeren. Een beetje van: wat had je dan verwacht? Die man zit daar acht jaar. En hij moet ongedaan maken wat 43 presidenten voor hem hebben gedaan. In acht jaar. Dat kun je van niemand verlangen.’

    ‘Zonder mensen is er helemaal niks aan, aan al dat geld’

    Hoe kijk je aan tegen het leiderschap – en dan heb ik het niet over zwart leiderschap, maar leiderschap in het algemeen – in dit land, waar het gaat om de dingen die jij belangrijk vindt? Zijn er mensen van wie jij zegt: deze man of vrouw staat voor de dingen die mij aan het hart gaan?

    (lacht) ‘Dit wordt grappig. Nou ja, ik vind het zelf wel grappig: ik geloof erg in [de zwarte komiek] Dave Chapelle.’

    Vertel. Zou je Dave Chapelle als president willen?

    ‘Ik denk het wel. Hij verpakt het in humor zodat het hanteerbaar is, maar er zit altijd een stevige kern van waarheid in.’

    Je hebt aardig wat geld. Word je daardoor op een bepaalde manier rechtser, of heeft het feit dat je geld hebt geen invloed gehad op je politieke overtuigingen?

    ‘Nee. Nee, want ik geloof in mensen. Het gaat mij erom wat het beste is voor de mensen. Ik ben dol op mensen. Ik ben dus niet zo dat ik op de Republikeinen ga stemmen omdat het me geld scheelt. Uiteindelijk is dat niet waar het om gaat. Het gaat er niet om wie meer geld heeft, of meer huizen. Ja, natuurlijk, je hebt het zelf verdiend, dus je mag ermee doen wat je wilt. Snap je? Maar zonder mensen is er helemaal niks aan, aan al dat geld.’

    Zo is het. (lacht)

    ‘Niemand om het mee te delen, niemand om… Nou ja, je snapt wel wat ik bedoel. Dan zou je zwemmen in het geld, moederziel alleen op de wereld.’

    Ik heb naar je nieuwste album geluisterd, en toen moest ik denken aan de eerdere albums. Een van de thema’s was zoiets als het bereiken van het beloofde land. Je hebt inmiddels een bepaalde positie, en dan heb ik het niet alleen over geld. Maar als ik dan naar je nieuwste album luister, denk ik: Hij moet het heel moeilijk hebben gehad, ook toen het hem voor de wind ging.

    ‘Zonder meer.’

    Ja, echt?

    ‘Ja. Denk maar aan het nummer Song Cry.’ [Dat nummer, van Jay-Z’s album uit 2001, The Blueprint, genomineerd voor een Grammy, gaat over het stuklopen van drie eerdere relaties en het onvermogen van de rapper om zijn emoties toe te laten en echt, 
of openlijk, te rouwen. Pride won’t let me show it / Pretend to be heroic.]

    Mm-hmm.

    ‘Dat ene zinnetje – never seen it comin’ down my eyes, but I gotta make the song cry – dat maakt in één klap duidelijk hoe ik eraan toe was. Ik dook ervoor weg. Een man is pas echt sterk wanneer hij kan huilen. Je gevoelens tonen, gewoon laten zien dat je kwetsbaar bent. Dat is ware kracht.’

    Wil je daarmee zeggen dat je in die periode ongelukkig was, en daar niet mee uit de voeten kon?

    ‘Nou ja, je stopt dingen weg, hè. Dus je kunt je oké voelen terwijl diep vanbinnen van alles speelt.’

    Voor mij als vader was een van de meest aangrijpende stukken van je album het nummer over je huwelijk dat bijna op de klippen liep. Je hebt het erover hoe het moet zijn om een andere man met jouw kind te zien voetballen. Je hebt heel veel over je leven verteld in je muziek, maar zijn er ook facetten van je leven waar je een muur optrekt? Je hebt het erover gehad hoe zwaar het was om op te groeien zoals jij bent opgegroeid, dat je vader jullie al vroeg in de steek liet, over de problemen binnen je huwelijk, dat je in therapie bent gegaan. Zijn er ook dingen waarvan je zegt: ‘Daar waag ik me niet aan’?

    ‘Ja, hoor. En dat heeft dan meestal met anderen te maken, want zodra er anderen bij betrokken zijn 
kun jij het allemaal wel oké vinden om die dingen naar buiten te brengen, maar het gaat ook over de waarheid van anderen. Mijn moeder is een goed voorbeeld.’

    Wanneer werd je duidelijk dat je moeder lesbisch was?

    ‘O, eh, dat wist ik al heel vroeg. Als tiener, zeg maar.’

    Je had het door en jullie hebben erover gepraat?

    ‘We hebben het er nooit over gehad. Het was gewoon zo. Het was een gegeven. Iedereen wist het. Maar we hebben het er nooit over gehad. Tot, nou ja, eigenlijk is het iets van de laatste tijd. We hebben heel mooie gesprekken, en we leren elkaar echt goed kennen. We konden altijd al goed met elkaar opschieten, maar nu zijn we echt heel goede vrienden. Snap je? En we zaten gewoon als vrienden te praten. En toen vertelde ze me dat ze verliefd was. Na al die jaren heeft ze het gevoel dat ze vrij is. Ze kan nu zichzelf zijn. Ze hoeft geen dingen meer weg te houden van haar kinderen, ze hoeft niet meer bang te zijn dat haar kinderen zich opgelaten zullen voelen. Het was toen echt een andere tijd. Nu kan ze gewoon haar eigen leven leiden.’

    Denk je dat het gaandeweg moeilijker zal worden? Toen je nog jonger was, maakte je muziek over een bestaan vol geweld. Hoofdstuk twee van de autobiografie is iets in de trant van: ‘Ik zwem in het geld. Ik kom om in de spullen. Moet je eens kijken hoe cool dat is.’ Ik versimpel het natuurlijk. Hoofdstuk drie luidt: ‘O, mijn god, ik heb mezelf de vernieling in geholpen.’ Wat kunnen we van hoofdstuk vier verwachten?

    ‘Hoofdstuk drie luidt anders, en wel: O, mijn god, de mooiste dingen in het leven zijn niet die spullen. De mooiste dingen zitten vanbinnen. Het mooiste zijn de vriendschappen die ik heb. Ik heb echt onbetaalbare vriendschappen. Het medeleven, en wie ik ben geworden – daar gaat dit hoofdstuk over. En het gesprek met mijn moeder. Dat zijn de ervaringen die je echt verrijken.’


    Maar maak je dan nog wel dezelfde soort dingen mee? Heb je dan nog wel dezelfde ervaringen om over te schrijven? Of weet je dat gewoon nog niet?

    ‘Ik denk dat rap in eerste instantie iets voor jonge mensen is. Op een gegeven moment zit je niet meer op de plek waar het allemaal gebeurt. Rap gaat over de gave van het ontdekken. Als alles nieuw en fris is schrijf je nummers waar de vonken vanaf vliegen. Ik heb het raam wel op een kiertje gezet, natuurlijk.’

    Heb je het gevoel dat je je nog altijd in die ruimte bevindt?

    ‘Ik heb die ruimte opgerekt. Ik heb echt heel erg lang bij dat raam gestaan. Maar evengoed, nee, ik geloof niet dat ik word gezien als de grote naam van dit moment.’

    Is dat moeilijk te accepteren, of heb je iets van: ik zit er niet mee, want ik heb me verder ontwikkeld?

    ‘Nee.’

    Je zou het ook niet willen?

    ‘Weet je wat het is? Uiteindelijk gaat het er niet om dat je op de plek zit waar alles gebeurt, maar dat je dichter bij de waarheid komt. De plek waar het allemaal gebeurt – mensen hebben er de wildste voorstellingen van, maar uiteindelijk stelt het allemaal niet zoveel voor. Wil je liever een trend zijn of wil je liever Ralph Lauren zijn? Ik ben zo iemand die naar de Mona Lisa kijkt en denkt: Jezus, dat is over veertig jaar cool. Ik zet in op de blijvende aard. Voor mij is alles erop gericht me te identificeren met de waarheid. Niet om jong, hot, nieuw en trendy zijn.’

    Een van de dingen waar je over rapt is het leed dat je de mensen hebt aangedaan aan wie je drugs hebt verkocht. Heb je ooit gepraat met die mensen, mensen die jij op 
jongere leeftijd al die ellende hebt aangedaan?

    ‘Nee, dat heb ik niet gedaan. Nee.’

    Wat zou je tegen hen zeggen? Of is het onmogelijk om dat 
te doen, in dit stadium?

    ‘Niets is onmogelijk. Ik denk dat ik in een dergelijk gesprek in ieder geval de verantwoordelijkheid zou nemen voor mijn aandeel in, nou ja, voor de rol die ik heb gespeeld in het creëren van die situatie. Want met alles wat ik nu weet is me volkomen duidelijk dat je anderen nooit het slachtoffer mag laten worden van jouw leven, snap je. Er is een karmische schuld die moet worden ingelost. Als ik toen had geweten wat ik nu weet, was het allemaal anders gelopen.’

    Heb jij het idee dat je een andere verantwoordelijkheid hebt tegenover je luisteraars dan wanneer je een witte muzikant zou zijn geweest?

    ‘Ja, want ik heb de verantwoordelijkheid – en dan grijp ik even terug op het verhaal van O.J. – om het gesprek over een heel ras naar een hoger plan te tillen. Dan heb ik het niet alleen over mij… het geldt voor ons allemaal. Het is goed om na te denken. Het is goed om slim te werk te gaan. Weet je, er was een tijd waarin mensen dingen zeiden als: “Je praat als een witte.” Wat bedoelen ze daar nou mee? Dat ik bepaalde woorden ken? Intelligentie is geen eerbetoon aan huidskleur. Ik durf te wedden dat jij dat vroeger ook vaak genoeg te horen hebt gekregen.’


    Ja, reken maar.

    ‘Je praat als een blanke. Hoezo? Ik praat alsof ik een bepaalde woordenschat heb. Ik heb een bepaalde 
verantwoordelijkheid om het gesprek naar een hoger plan te tillen, op meerdere vlakken. Onze positie binnen de Amerikaanse maatschappij. Onze emotionele volwassenheid, en zo voorts. Het maakt je nederig. En tegelijkertijd heb ik ook zoiets van, we hebben allemaal een bepaalde taak in dit leven. En het zijn altijd de dichters geweest die de emoties van mensen hebben geduid en liedjes hebben geschreven waarbij mensen zoiets hadden van: Ja, dát is wat ik voel.’

    Zijn er zwarte kunstenaars, en ik zal je niet vragen om namen te noemen tenzij je dat zelf wilt, die volgens jou hun verantwoordelijkheid ontlopen om het gesprek over ras op gang te brengen? Zijn er mensen van wie je zou willen dat 
ze meer deden?

    ‘Nou ja, om te beginnen natuurlijk O.J., toch? Want dat is iemand met wie we ons allemaal kunnen identificeren. Er zijn mensen die zich aan die verantwoordelijkheid onttrekken, en we weten allemaal hoe dat is afgelopen.’

    Stel dat je O.J. zou spreken, wat zou je dan tegen hem zeggen?

    ‘Geen idee. Ik zou waarschijnlijk iets zeggen als: “Man, ik vind het vreselijk wat je allemaal is overkomen.” Weet je, mensen doen dit soort dingen op grond van wat ze hebben meegemaakt, en ik denk gewoon dat hij allerlei traumatische dingen heeft meegemaakt. Waarschijnlijk zou het gesprek dan vanzelf op gang komen.’

    Heb je de documentaire over hem gezien?

    ‘Ik heb ze allemaal gezien. Er waren er een stuk of acht tegelijk.’

    Je kunt op twee manieren naar het verhaal van O.J. kijken. Je kunt zeggen dat het mensen met hun neus op het feit drukt dat ze zwart zijn. De positieve boodschap is dan: Je bent zwart en daar zou je veel trotser op moeten zijn. De negatieve boodschap is: Hou jezelf maar niet voor de gek. Uiteindelijk verander je niets aan je positie binnen de maatschappij door lid te worden van een besloten countryclub en door te gaan golfen. Welke boodschap is volgens jou de juiste?

    ‘Allebei, op een bepaalde manier. Het zijn twee boodschappen die naast elkaar bestaan. Wees trots op wie je bent, maar realiseer je ook dat we verder komen als we ons verenigen. Je bent afkomstig uit een bepaalde gemeenschap. En het is nu aan jou om die gemeenschap verder te brengen.’

    Dan moet ik nu toch even ingaan op een roddel. Ik wil het hebben over Kanye West en de verhouding tussen jullie beiden, waaraan je zijdelings refereert in je muziek. 
Wanneer heb je hem voor het laatst gesproken?

    ‘Ik heb Kanye laatst nog gesproken, gewoon om te zeggen dat hij mijn brother is. Ik hou van Kanye. 
We hebben een gecompliceerde verhouding.’

    Waarom gecompliceerd?

    ‘Nou ja, omdat – Kanye is begonnen op mijn platenlabel. En we zijn allebei artiesten. Er heeft altijd iets gespeeld van een onderliggende concurrentiestrijd met een grote broer. En we hebben waardering voor elkaars muziek. Iedereen wil de beste ter wereld zijn. Snap je wat ik bedoel? En dan spelen er nog allemaal andere dingen mee. Maar het komt wel – het zit gewoon wel goed tussen ons.’

    Er is wel sprake van een zekere spanning, toch?

    ‘Ja, oké. Maar goed, dat kan gebeuren. Op de lange termijn – als we negenentachtig zijn en terugkijken op deze zes maanden kunnen we er hopelijk om lachen. Begrijp je wat ik bedoel? De enige manier is er rustig over praten en zeggen: “Dit en dat zit me niet lekker. Dit is hoe ik het zie.” Hij zal mij ongetwijfeld ook dingen kwalijk nemen. Ik ben echt allesbehalve perfect, snap je.’

    Heeft hij zich net zo ver ontwikkeld als jij?

    ‘Hij heeft zich geweldig ontwikkeld. Volgens mij is hij begonnen vanuit een meer invoelende positie dan ik. Snap je? Ik heb gewoon een heel andere jeugd gehad. Mijn eerste album kwam uit toen ik zesentwintig was. Veel mensen brengen hun eerste album uit als ze zeventien of achttien zijn, hun onderwerpen zijn de onderwerpen van een zeventien- of achttienjarige. Tenzij je Nas bent, natuurlijk, en heel belezen… [Nas’ spraakmakende debuutalbum Illmatic, uit 1994, opgenomen toen hij nog een tiener was, werd geprezen om de beeldende scherpe teksten over volwassen worden in troosteloze buitenwijken. De autodidact uit Queens ging na de onderbouw van school.] Maar Kanye is een heel inlevend iemand. Hij komt vaak in de problemen omdat hij anderen wil helpen. Daar heb ik wel affiniteit mee. Het punt is dat er bepaalde dingen zijn gebeurd die voor mij onacceptabel zijn. Maar we houden oprecht van elkaar.’


    Ik probeer me een beeld te vormen van de gesprekken tussen jou en je vrouw, over de openhartige albums waarop jullie je echt blootgeven. Was het moeilijk om te zeggen: ‘Ik ga het over de problemen binnen ons huwelijk hebben. Ik ga het erover hebben dat we bijna van alles waren kwijtgeraakt.’ En voor haar om te zeggen: ‘Ik ga het hebben over mijn verdriet, en hoe kwaad ik op jou ben.’ Hoe gingen die gesprekken?

    ‘Nogmaals, het – zo ging het niet. We gebruikten onze kunst bijna als een soort therapie. We gingen samen muziek maken. En die muziek waar zij in die tijd mee bezig was, was al verder gevorderd. Dus kwam haar album uit vóór het album waar we samen aan werkten. Eh, we hebben nog heel veel van die muziek liggen. En dit is het geworden. Er is nooit een moment geweest waarop ze zei: “Ik ga dit album maken.” Ik was er de hele tijd bij.’

    En hoe reageerde zij op jouw werk en jij op dat van haar? Het moet voor jullie allebei pijnlijk zijn geweest, toch?

    ‘Ja, natuurlijk. Het was voor ons allebei heel erg ongemakkelijk, maar […] zoals men zegt: je kunt maar het beste in het oog van de orkaan zitten. We zaten in het oog van die orkaan. Het was bepaald niet leuk. En we hebben heel veel gepraat. Begrijp je? Ik was heel erg trots op de muziek die zij maakte, en zij was heel erg trots op de nummers die ik uitbracht. Ik vind haar fenomenaal. Het percentage echtscheidingen ligt ergens rond de vijftig procent, omdat de meeste mensen niet naar zichzelf kunnen kijken. Er is niets zo moeilijk als in de ogen 
van een ander het verdriet te zien dat jij hebt veroorzaakt, en dan met jezelf in het reine te moeten komen.’

    Zo is het.

    ‘En nou ja, de meeste mensen hebben daar gewoon geen trek in. Het is niet makkelijk om in je eigen ziel te kijken.’

    Zo is het.
    ‘En dus loop je ervoor weg.’

    Auteur: Dean Banquet
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    • Het interview is bewerkt door Wesley Morris en Reggie Ugwu, resp. criticus en verslaggever voor NYT, die ook de toelichtingen tussen de vierkante haken plaatsten.

    Openingsbeeld: Jay-Z met zijn vrouw Beyoncé in de clip van Family Feud. Het huwelijk tussen de twee artiesten stond vorig jaar onder spanning nadat Jay-Z bekende dat hij zijn vrouw bedrogen had. De video kreeg nogal wat kritiek vanuit katholieke hoek, omdat hij ‘uitbuitend en gratuit’ zou zijn. – @ Scope Images / HH

    The New York Times
    VS | oplage 1.120.000

  • ‘Niemand wist hoe je over Trump moest schrijven. Ik wel’

    ‘Niemand wist hoe je over Trump moest schrijven. Ik wel’

    Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van Fire and Fury, de onverbiddelijke bestseller over Donald Trump. Het Duitse weekblad Die Zeit sprak met auteur Michael Wolff over zijn toegang tot het Witte Huis, 
de kritiek op zijn boek en de wraakzucht van Trump.

    U beschrijft in uw boek de eerste maanden van Donald Trump in het Witte Huis, en u beweert dat hij mentaal niet in staat is om zijn werk te doen. U zet daarmee fundamentele vraagtekens bij het presidentschap van Donald Trump. Was dat uw opzet?

    ‘Het was niet mijn bedoeling Trump 
te beschadigen. Ik had met plezier een ander boek geschreven, over Trump 
als succesvol president. Eigenlijk had 
ik dat zelfs heel graag gedaan, want 
dat zou pas een bijzonder boek zijn geweest. Maar ik heb daar geen enkele aanwijzing voor gevonden.’

    Klopt het dat president Trump na het 
verschijnen van uw boek informatie heeft 
ingewonnen over uw afspraken met de pers? Houdt hij u in de gaten?

    (lacht) ‘Ja, blijkbaar wel. Als hij dat serieus meent, dan zal hij de afgelopen tijd veel tijd voor de televisie hebben doorgebracht.’

    Uw boek heeft enorme gevolgen. Trump heeft zijn voormalige chef-adviseur Steve Bannon zo goed als buitenspel gezet en 
probeert via Twitter te bewijzen dat hij mentaal stabiel is. Wat mogen we allemaal nog meer verwachten?

    ‘Dat weet ik eerlijk gezegd ook niet. Ik had dit allemaal totaal niet verwacht. Het gaat tenslotte maar over een boek. En veel van wat ik schrijf is absoluut niet nieuw.’

    U geeft heel wat voorbeelden die erop wijzen dat Trump geestelijk gestoord zou zijn. U schrijft dat hij oude vrienden van 
zijn golfclub niet meer herkent, dat hij voortdurend en steeds vaker hetzelfde 
zegt. Lijdt de president aan dementie?

    ‘Dat kan ik niet zeggen, ik ben geen arts. Maar als je een gesprek voert met iemand die voortdurend alles herhaalt, dan vind ik dat toch alarmerend.’

    ‘Toen ik zei dat ik een boek wilde schrijven, zei hij: ‘Een boe-oek?’ En verloor onmiddellijk zijn interesse’

    Kunt u iets meer vertellen over een van 
de keren dat u Trump in het Witte Huis hebt ontmoet?

    ‘Nee.’

    Waarom niet?

    ‘Omdat die ontmoetingen niet on the record waren, ze waren niet voor publicatie bedoeld. Hij begon telkens weer over de media. Als ik hem in de wandelgangen tegenkwam, begon hij bijvoorbeeld te klagen over de latenightshows… ik zei dus net dat ik niet over deze ontmoetingen zou praten en nu doe ik het toch, maar goed. Er was een grappig voorval toen hij eens begon te klagen over de uitzendingen van Saturday Night Live. Hij zei: “Die zijn slecht, die zijn zeer, zeer slecht.” En ik antwoordde: “Ach, dat is toch gewoon wat de mensen van dit programma verwachten.” Waarop hij antwoordde: “Maar ze zijn zeer, zeer slecht.” En ik zei: “Trekt u zich dat toch niet zo aan. Negeert u dat toch gewoon.” En hij keek me aan en zei: “Maar Michael, ze zijn zeer, zeer, zeer slecht.” En ik dacht: Okééé…’

    Hoe vaak hebt u hem ontmoet?

    ‘Niet zo vaak. Maar dat hoefde ook niet, want het boek gaat over wat mensen die elke dag met hem samenwerken over hem denken.’

    U kon de eerste maanden van zijn presidentschap bijna ongehinderd het Witte Huis binnenlopen. Hoe heeft u het voor elkaar gekregen om Trump van uw boekproject te overtuigen?

    ‘Ik heb hem na de verkiezingen gevraagd of ik een boek mocht schrijven over zijn eerste honderd dagen als president. Hij dacht eerst dat ik op zoek was naar werk. Maar toen ik zei, nee, nee, ik zoek geen baan, ik wil een boek schrijven, zei hij – ik herinner me dat nog heel goed: “Een boe-oek?” Toen verloor hij onmiddellijk zijn interesse. Daarna zei ik nog dat ik heel graag een boek wilde schrijven, en hij zei alleen nog: “Ach, ach, ja natuurlijk.” Ik heb Kellyanne Conway [een van Trumps belangrijkste adviseurs] daarvan op 
de hoogte gebracht en vervolgens dook ik op geregelde tijdstippen op in het Witte Huis.’

    Hoe moeten we ons dat precies voorstellen?

    ‘Ik liet gewoon afspraken maken voor mezelf. Ik zei dat ik met goedkeuring van de president aan een boek bezig was, en omdat niemand precies wist hoe de vork in de steel zat, kon ik daar bij momenten hele middagen gewoon gaan zitten en kijken hoe het er toegaat. Hoe vaker ze me zagen zitten, 
hoe meer ze me als een deel van het meubilair gingen beschouwen. Soms kwam iemand me zomaar iets vertellen en soms hing ik gewoon wat rond in de West Wing.’

    Kan dat zomaar? Is die niet streng beveiligd?

    (lacht) ‘Je kunt daar inderdaad zomaar rondlopen.’

    Wat deed u anders dan de andere journalisten in het Witte Huis?

    ‘Om heel eerlijk te zijn, stelde ik niet eens vragen. Ik zat daar op een bank in de hal te wachten op mijn afspraak en ik hield mijn ogen en oren open. Ik was als een spons die alles opzoog.’

    Waar was u het bangst voor?

    ‘Dat Rupert Murdoch, de grote mediabaas, lucht zou krijgen van mijn boek en Trump zou vertellen dat hij me eruit moest gooien. Ik vreesde dat Murdoch mijn achilleshiel was.’

    *Murdoch heeft u ooit lange tijd uitgebreid toegelaten tot zijn inner circle, waarna u een heel kritisch boek over hem hebt geschreven. *

    ‘Ja, en toch heeft hij Trump vreemd genoeg nooit voor mij gewaarschuwd. Hoewel ze regelmatig met elkaar telefoneren.’

    Afgezien van Trump zelf is het bijna onvoorstelbaar dat zoveel medewerkers openlijk met u over de president hebben gepraat.

    ‘Ik had het gevoel dat niemand wakker lag van een boek dat pas over een jaar of zo zou verschijnen. Soms hadden 
we een gesprek off the record, waarna 
ik vroeg om bepaalde uitspraken te mogen gebruiken voor het boek. Toen ze vroegen wanneer het zou verschijnen en hoorden dat dat pas over een jaar zou zijn, leek dat zo ver weg dat 
ze het allemaal prima vonden.’

    Michael Wolff. © Nathan Congleton / Getty Images
    Michael Wolff. © Nathan Congleton / Getty Images

    U schrijft dat de medewerkers van Trump heel anders over hem zijn gaan denken in 
de zes maanden dat u daar was. Hoezo?

    ‘In het begin vond iedereen het leuk om die eigenaardige, maar door het volk verkozen president bij te staan. De meesten kenden hem helemaal niet. 
Bij andere regeringen hadden de medewerkers al twee of drie jaar samengewerkt met de presidentskandidaat, voor hij het Witte Huis introk, maar Trump had niet zo’n ingewerkt team. Tijdens mijn laatste weken in het Witte Huis, toen Trumps medewerkers hem bij het dagelijkse werk hadden leren kennen, waren ze allemaal compleet gedesillusioneerd door zijn woedeaanvallen, zijn koppigheid en door het feit dat zijn kinderen uiteindelijk meer gezag hadden dan zijn ervaren medewerkers.’

    U schrijft dat alle medewerkers er inmiddels van overtuigd zijn dat er aan hun baas iets schort en dat hij niet voldoet aan de hoge eisen van het presidentschap. Waarom houden de meesten er dan niet mee op?

    ‘Aan de ene kant gaat het om hun carrière. Maar ik denk dat ze gewoon ook het ergste willen voorkomen. Ze zijn er om hem zoveel mogelijk op het goede spoor houden. Zijn medewerkers proberen Trump onder controle te houden, hoewel ze weten dat hij niet onder controle te houden is. Het zijn geen mensen die bewondering hebben voor de man voor wie ze werken. Ze zien het min of meer als hun taak het land voor Trump te beschermen.’

    Een van uw belangrijkste gesprekspartners in het Witte Huis was Steve Bannon, die u beschrijft als een briljant strateeg. Bannon moet toch precies geweten hebben met wie hij zo openlijk over Trump in gesprek ging en wat de risico’s daarvan waren.

    ‘Bannon raakte steeds gefrustreerder over Trump en hij zag hem in toenemende mate als een probleem voor zijn nationalistische project. Bannon was ervan overtuigd dat zijn kandidaat Roy Moore bij de tussentijdse verkiezingen voor de senaat in Alabama zou winnen en dat hij daarna afstand zou kunnen nemen van Trump. Want Moore had Bannon in zijn functie van kingmaker bevestigd. En Bannon zou mijn boek hebben gebruikt om zich te distantiëren van Trump, die hij steeds meer als een idioot begon te zien.’

    Bannon heeft intussen een van zijn 
uitspraken over Trumps oudste zoon, Donald Trump Junior, teruggenomen…

    ‘Nee, hij neemt die uitspraak niet terug, dat klopt niet. Hij zegt alleen dat zijn beschuldiging van landverraad niet tegen Donald Junior gericht was, maar tegen Paul Manafort [een andere Trump-adviseur]. Wat absurd is.’

    ‘Zijn medewerkers zien het als hun taak het land voor Trump te beschermen’

    Zou u Bannon die uitspraak op tape terug kunnen laten horen?

    ‘Hij weet dat ik dat opgenomen heb. En daarom heeft hij ook zijn andere uitspraken over Donald Trump Junior niet teruggenomen, bijvoorbeeld dat hij meteen zou breken bij een ondervraging door speciaal aanklager Robert Mueller. Bannon wil de schade beperken, maar hij kan zijn uitspraken niet terugnemen.’

    Veel journalisten hebben gepoogd Trump politiek te verklaren. Uw boek gaat bijzonder weinig over politiek…

    ‘Dat is puur en alleen omdat ik denk dat politiek Trump niet interesseert. Volgens mij moet je Trump niet proberen te verklaren door te beschrijven hoe hij de hervorming van het zorgstelsel aanpakt. Dat is niet het verhaal. De journalisten in Washington wisten van meet af aan niet hoe ze over Donald Trump moesten schrijven. Ik ontdekte hoe het moet. En het lijkt de lezers te overtuigen.’

    Volgens critici hebt u succes met uw boek omdat u Trumps tegenstanders bevestigt 
in hun afkeer.

    ‘Welnee, mijn boek bevestigt niets, 
het is Harry Potter!’

    ‘Hij is de eerste president in de geschiedenis van de Verenigde Staten die een klacht indient wegens smaad en schending van de morele levenssfeer’

    Eigenlijk komt uw argumentatie erop neer dat een man die zich gek en dom gedraagt, misschien gewoon gek en dom ís. Dat is gevaarlijk. The New York Times verwijt u dat uw kritiek niet gefundeerd is.

    ‘Ik denk dat The New York Times even verrast was door mijn boek als Trump zelf. De krant dacht dat het verhaal van Trump haar toebehoorde. En toen kwam ik op de proppen, een onafhankelijke journalist, een buitenstaander die niet tot de journalistieke en politieke kringen in Washington behoort. En nu zijn ze verontwaardigd dat ik er met de scoop van de eeuw vandoor ben gegaan.’

    Trump staat erom bekend dat hij erg wraakzuchtig kan zijn. Bent u niet bang voor bijvoorbeeld een onverwachte belastingcontrole?

    (lacht) ‘Ja, hij is echt heel wraakzuchtig. Hij heeft al een klacht tegen me ingediend! Hij is de eerste president in de geschiedenis van de Verenigde Staten die een klacht indient wegens smaad en schending van de morele levenssfeer. Naar mijn mening is dat een contradictie, als je president bent van de Verenigde Staten. Dus ja, hij is wraakzuchtig. Maar hij is ook incompetent, en daarom maak ik me niet echt zorgen.’

    En hoe zit het met extremistische Trump-aanhangers? Het huis van de vrouw die Roy Moore in Alabama ten val heeft gebracht door hem ervan te beschuldigen dat hij haar als kind heeft aangerand, is onlangs in vlammen opgegaan.

    ‘Die arme vrouw woont in Alabama, ik woon in Greenwich Village in New York. Ik woon niet te midden van de Trump-aanhangers. Ik denk dat een Trump-fanaat op West 9th Street nogal zou opvallen.’

    Oprah Winfrey heeft laten weten dat ze er ‘serieus over nadenkt’ in 2020 op te komen als presidentskandidaat voor de Democraten. Hebt u haar al een nieuw boekproject voorgesteld?

    (lacht) ‘Goed idee!’

    Auteur: Kerstin Kohlenberg
    Vertaler: Els Snick

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • ‘Franse Trump’ bindt de strijd aan met Macron

    ‘Franse Trump’ bindt de strijd aan met Macron

    Laurent Wauquiez is de nieuwe voorman van ‘fatsoenlijk rechts’ in Frankrijk. Hij is slechts twee jaar ouder dan Emmanuel Macron, maar in alles diens tegenpool. Door op te schuiven naar rechts poogt hij tevens Marine Le Pen de wind uit de zeilen te nemen.

    Laurent Wauquiez, oud-minister onder president Nicolas Sarkozy in 2011, is brutaal, jong en extreem ambitieus, Begin december werd hij gekozen tot voorzitter van Frankrijks grootste conservatieve partij. Als leider van Les Républicains (LR) zou de tweeënveertigjarige rechtse politicus bij uitstek geschikt zijn om president Emmanuel Macrons centristische partij La République en marche (LaREM) uit te dagen bij de verkiezingen voor het Europese Parlement in 2019 en bij de regionale verkiezingen in Frankrijk in het jaar daarop.

    Wauquiez, een conservatieve ‘bad boy’ (aldus Le Monde) die ooit weigerde als burgemeester van Le-Puy-en-Velay (Auvergne) een homohuwelijk te voltrekken, is van plan zijn ingedutte partij als wapen te gebruiken om Macron aan te vallen. Maar om het op te nemen tegen de president moet Wauquiez eerst LR in vorm zien te krijgen, want sinds de voormalige leider François Fillon in april ten onder ging in de strijd om het Elysée is de partij verdeeld en gedemoraliseerd.

    Maar streven naar eenheid is niet de strategie van de nieuwe partijleider. De man die twee keer minister is geweest en Donald Trump een ‘inspiratie’ noemde, probeert zijn partij een ruk naar rechts te geven door op alle gebieden, van economisch beleid tot de rol van de islam in Frankrijk, standpunten in te nemen die lijnrecht tegen het beleid van Macron ingaan. En wat maakt het daarbij uit of hij vaak de ultrarechtse Marine le Pen van het Front National naar de mond praat en gematigd-rechtse politici als de voormalige premier Alain Juppé tot razernij brengt?

    Wauquiez is eraan gewend vijanden te maken. In een interview met Politico uit de slungelige langeafstandsloper kritiek op Macron, ‘een overschatte president’ die ‘niets voor elkaar krijgt’ voor de Franse economie, en inzake de EU ‘tegen een muur oploopt’.

    Fabeltjes

    ‘Ik wil niet dat we in fabeltjes geloven,’ zegt Wauquiez, die tot dusver voorzitter was van de bestuursraad in de regio Auvergne-Rhône-Alpes in het oosten van Frankrijk. ‘Emmanuel Macron doet niet wat Gerhard Schröder deed 
in Duitsland. Hij doet niet wat David Cameron of Margaret Thatcher deden. De overheidsuitgaven gaan omhoog… En de hervorming van de arbeidswet is, als je naar de besluiten kijkt, maar een geringe hervorming. Ik wil niet dat bedrijven voor de gek gehouden worden of zich illusies gaan maken,’ voegt hij eraan toe. ‘We hebben in geen enkel opzicht te maken met een transformatie die voldoet aan wat Frankrijk nodig heeft.’

    Wauquiez vindt, evenals Fillon, dat de overheidsuitgaven in Frankrijk drastisch omlaag moeten. Hij beschrijft zijn eigen staat van dienst in Auvergne-Rhône-Alpes, een gebied dat hij als een soort ministaatje heeft geleid en waarin hij werkzoekenden steun weigerde en de regionale overheidsuitgaven met 5 procent verlaagde, als het tegenovergestelde van ‘het macronisme’. De president, meent hij, past wat kleinigheden aan en weigert het grote probleem aan te pakken: de overheidsuitgaven die 55 procent van het Franse bruto binnenlands product opslokken. ‘In zijn campagne beloofde hij het aantal ambtenaren terug te brengen tot honderdvijftigduizend,’ zegt Wauquiez. ‘Als hij dit tempo aanhoudt, duurt het twee eeuwen eer hij die belofte kan waarmaken. Ik wens hem een lang leven toe.’

    Als Wauquiez cynisch overkomt, dan 
is dat deels omdat hij zichzelf wil verkopen als Mr. Hyde tegenover Macron als Dr. Jekyll. Waar Macron gematigd is als het om de overheidsuitgaven gaat, kiest Wauquiez een positie ter rechterzijde van wijlen Margaret Thatcher. Waar Macron de integratie van de eurozone predikt, wil Wauquiez ‘een unie van natiestaten’. En waar Macron liberaal is inzake maatschappelijke problemen, is Wauquiez ultraconservatief.

    Macron verwoordt zijn “complexe gedachten” 
in ingewikkelde bijzinnen. Wauquiez cultiveert simpele botheid

    Het is ook een kwestie van stijl. Macron verwoordt zijn ‘complexe gedachten’ 
in ingewikkelde bijzinnen. Wauquiez cultiveert simpele botheid. De oneliners waarmee hij strooide toen hij de afschaffing van de Europese Commissie eiste, komen rechtstreeks uit het draaiboek van Trump. Ze zijn bedoeld om zoveel mogelijk woede op te wekken.

    Wat Wauquiez’ Trump-achtige optreden nog schaamtelozer maakt, is het feit dat hij van minstens even voorname afkomst is als Macron, zo niet voornamer. Ze zijn alle twee opgeleid aan de École nationale d’administration (ENA), een Frans instituut voor 
de elite, maar alleen Wauquiez werd toegelaten tot de ultraselectieve École Normale Supérieure. Wauquiez was het jongste parlementslid van zijn generatie. Voordat Macron president werd, was hij niet eerder in een publiek ambt verkozen.

    Het cruciale verschil is dat Wauquiez een partijman is die het familiebedrijf overneemt, terwijl Macron zijn eigen partij heeft opgericht.

    Door schokkende uitspraken te gebruiken als instrument om vooruit 
te komen, werkte Wauquiez zich omhoog tijdens een lange burgeroorlog die de conservatieve partij bijna verwoest heeft. Terwijl zijn ex-baas Nicolas Sarkozy in 2016 een verloren strijd voerde om de presidentiële nominatie op rechts, baande Wauquiez zich een weg naar een vooraanstaande positie. Op 10 december vorig jaar werd hij al in de eerste stemronde gekozen tot nieuwe leider van LR.

    Laurent Wauquiez bij een training van de spoorwegpolitie in november 2017. – © Nicolas Liponne / Getty
    Laurent Wauquiez bij een training van de spoorwegpolitie in november 2017. – © Nicolas Liponne / Getty

    Op weg naar de top heeft hij heel wat vijanden gemaakt. De huidige minister van Financiën Bruno Le Maire beschuldigde hem er in het verleden van dat hij ‘een schrikbewind’ voerde en hoge pieten binnen de partij noemden hem een ‘kille narcist’ die geen loyaliteit kende en net zo makkelijk weer afstand deed van eerder ingenomen standpunten. Tegen Politico zei Wauquiez ooit dat Michel Barnier, de EU-onderhandelaar over de Brexit, ‘niet alleen maar aardige dingen [over hem] te zeggen zou hebben’.

    Dat zou heel goed kunnen. In 2005 stemde Wauquiez voor het verdrag dat tot een Europese grondwet moest leiden, maar sindsdien heeft hij zich ontpopt tot een euroscepticus-light, en soms niet eens zó light. Nadat de Britten hadden gestemd voor een vertrek uit de EU stelde hij voor de Europese Commissie af te schaffen – een standpunt waarvan hij zich later distantieerde.

    Tegenwoordig heeft Wauquiez kritiek op wat hij de positieve houding van Parijs jegens de Brexit noemt: ‘Het lijkt of iedereen zegt: “Goed, Groot-Brittannië doet niet meer mee, prima”, zonder dat iemand erover nadenkt en zegt: “Kunnen we de EU misschien eens onder handen nemen waarbij we rekening houden met de Britse gevoelens? En tegen hen zeggen dat ze beter in de EU kunnen blijven?” We moeten de onderhandelingsmethoden, die Barnier heel bekwaam hanteert, herzien,’ voegde hij eraan toe. ‘Er komt nog een tijd na de Brexit, en daarom moeten we blijven praten. Misschien vinden we een oplossing waardoor ze weer lid kunnen worden, maar dan op een andere manier.’

    Zo vriendelijk als Wauquiez tegen Groot-Brittannië is, zo somber is hij over Macrons pogingen om de eurozone te herzien. Hij beschuldigt de president ervan dat hij een ‘technocratisch federalisme’ voorstelt waarin de voornaamste oorzaken van het euroscepticisme genegeerd worden, en meent dat Macrons plan ‘Frankrijk doet verdwijnen’ in de groep. ‘Ik denk dat we niet om het fundamentele vraagstuk van de architectuur van 
de lidstaten heen kunnen, en dat we moeten accepteren dat een grote lidstaat en een kleine lidstaat niet hetzelfde gewicht in de schaal leggen,’ meende hij. ‘Frankrijk of Duitsland zijn niet hetzelfde als Litouwen, hoe aardig we dat land ook vinden. Macron zegt dat we Europa gaan opbouwen zonder het volk [via referenda] te raadplegen. Dat is een vreselijke uitspraak voor een politiek leider en het getuigt duidelijk van minachting.’

    Marine Le Pen

    Dit soort beschuldigingen – die voorbijgaan aan het feit dat Macron aan de macht kwam na zijn eigen beweging vanaf de grond te hebben opgebouwd, en dat hij van plan is om volgend jaar in elk Europees land ‘democratische conventies’ te gaan houden – brengen 
Wauquiez dichter in de buurt van Marine Le Pen.

    Het Front National heeft Wauquiez lange tijd gezien als een potentiële bondgenoot, iemand die extreemrechts uit zijn isolement kan halen. Maar hij wees het voorstel van Le Pen af om de handen ineen te slaan en zei dat hij nooit een verbond met ultrarechts zou sluiten.

    Hij mikt er juist op stemmen van Le Pen te stelen door haar stoere praat over immigratie, de islam en terrorisme te imiteren – hij riep op om alle mensen die verdacht worden van banden met terroristen in de gevangenis te gooien – iets wat des te meer aantrekkingskracht heeft omdat hij, in tegenstelling tot Le Pen, ooit aan de macht zou kunnen komen.

    Als hij inderdaad ooit president wordt, zal hij allereerst en vooral de geloofwaardigheid van zijn land versterken, zegt Wauquiez, omdat het daar volgens hem nog steeds aan ontbreekt. ‘Frankrijk moet aan zichzelf gaan werken, want er komen geen Europese hervormingen als Frankrijk zichzelf niet verandert.’

    Macron, zijn Dr. Jekyll, zou het zelf niet beter kunnen verwoorden.

    Auteurs: Maïa de La Baume en Nicholas Vinocur
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Politico
    België | politico.eu

    Politiek, beleid en persoonlijkheden van de EU via video’s, columns, beeld en politieke fora.

  • Andrew Anglin, de trollenkoning van de neonazi’s

    Andrew Anglin, de trollenkoning van de neonazi’s

    Andrew Anglin veranderde van antiracistische veganist in de belangrijkste trol van de alt-right-beweging. Luke O’Brien van The Atlantic volgde hem, dook in zijn verleden en stelde zich twee vragen: hoe is dit gebeurd, en wat kan ertegen worden gedaan?

    Keuze uit het archief

    Deze week werd in Groot-Brittannië de moord op Jo Cox herdacht, dinsdag tien jaar geleden. Cox was een politica van de Labour Party die tegenstander was van de Brexit. Ze werd vermoord door een man met extreemrechtse en neonazistische sympathieën die tegenstander was van EU-lidmaatschap.
    Deze reportage van The Atlantic uit 2018 beschrijft het radicaliseringsproces van de prominente neonazi Andrew Anglin en laat zien hoe hij met zijn websites een wijdverbreide extremistische beweging op touw zette die op meerdere plekken terreuraanslagen pleegde. Het artikel probeert een antwoord te vinden op de vraag die iedereen die Anglin als kind heeft gekend, zich stelt: ‘Hoe komt het toch dat hij een neonazi is geworden?’

    Op 16 december 2016 ging de telefoon van Tanya Gersh. Ze nam op en hoorde pistoolschoten. Geschrokken hing ze op. Gersh, een makelaar in Montana, dacht aan een flauwe grap. Maar haar telefoon ging nog een keer. Weer pistoolschoten. Weer hing ze op. Weer ging de telefoon. Nu hoorde ze een man: ‘Zo houden we de Holocaust in stand,’ zei die. ‘We kunnen je begraven zonder je aan te raken.’

    Met trillende handen hing ze weer op. Ze was een van de circa honderd Joden in het stadje Whitefish en omgeving. Ze wist wel dat zich daar ook rechts-extremisten en antioverheidsactivisten ophielden, maar voor Gersh, die er al woonde sinds haar afstuderen, meer dan twintig jaar geleden, was deze schilderachtige wintersportplaats nooit anders dan een idyllisch oord geweest. Ze had niet eens een huissleutel, omdat ze simpelweg nooit de behoefte had gevoeld haar voordeur op slot te doen. Dat gevoel van veiligheid werd nu bruut beëindigd. De telefoontjes waren het begin van een maandenlange treitercampagne, op touw gezet door Andrew Anglin, de man achter ’s werelds populairste neonazisite, The Daily Stormer. Volgens Anglin had Gersh haar stadsgenoot Sherry Spencer onder druk gezet om een pand te verkopen. Sherry’s zoon Richard Spencer is ook een beruchte rechts-extremist en het gezicht van de zogenaamde alt-right-beweging.

    De Spencers hadden oude banden met Whitefish, Richard woonde er al jaren. Hij had zich inmiddels wereldwijd berucht gemaakt door na de verkiezingszege van Donald Trump op een bijeenkomst in Washington ‘Heil Trump!’ te roepen, wat zijn gehoor had beantwoord met de Hitlergroet. Sommige bewoners van Whitefish wilden daarom bij een bedrijfsgebouw van Sherry Spencer in de stad gaan demonstreren. Volgens Gersh klopte Sherry bij haar aan voor advies en ried zij haar aan om het pand te verkopen, geld te doneren aan een goed doel en publiekelijk afstand te nemen van de standpunten van haar zoon. Maar volgens Sherry uitte Gersh ‘verschrikkelijke dreigementen’ aan haar adres. In een bericht op de blogsite Medium schreef ze op 15 december dat Gersh haar in feite probeerde af te persen. (Sherry Spencer wilde ons hierover niet te woord staan.)

    Richard Spencer en Andrew Anglin kenden elkaar destijds nauwelijks. Spencer beschouwt zichzelf als de denker van extreem-rechts en verpakt zijn racisme in intellectueel jargon. Anglin is meer van de grove schuttingtaal en scheldpartijen, zoals je die in de ergste onlinediscussieforums aantreft. Maar een dag voordat Sherry’s blogbericht op Medium verscheen, waren Spencer en Anglin samen verschenen in een podcast waarin ze elkaar bewierookten. Anglin sprak van een ‘historische’ stap richting grotere eenheid op rechts.

    Trumps Amerika

    Het was in de geest van die nieuwe samenwerking dat Anglin allerlei persoonsgegevens van Gersh en haar man Judah en andere Joodse inwoners van Whitefish op internet gooide. Hij voorzag hun foto’s van een Jodenster en fotoshopte hun twaalfjarige zoontje in een afbeelding van de toegangspoort van Auschwitz. De lezers, zijn ‘Stormer-trollenleger’, werden aangespoord om ze ‘te grazen te nemen’.

    ‘Jullie verdienen allemaal de kogel’, mailde een zo’n Stormer. ‘Stop die arrogante slet van een vrouw terug in haar kooi, vuile jid’, luidde een mail aan Judah. ‘Vuile Joodse hoer,’ zei Andrew Auernheimer, webmaster van The Daily Stormer, op de voicemail van Gersh. ‘We leven nu in Trumps Amerika.’ Bedrijven, mensenrechtenactivisten en raadsleden in Whitefish, iedereen die iets met de zaak te maken kon hebben werd de week daarop met zulke berichten bestookt. Volgens de politie werd Judahs kantoor in drie dagen vijfhonderd keer gebeld door één man. Op een avond kwam Gersh thuis en zat haar man in het donker op de bank, met de koffers gepakt, en vroeg haar of ze niet moesten vluchten. ‘Ik ben nog nooit van mijn leven zó bang geweest,’ vertelde ze mij.

    Dat een gesjeesde student van 33 als Anglin zo veel schade kon aanrichten – Bill Dial, de korpschef van Whitefish, noemde het ‘binnenlands terrorisme’ – geeft wel aan hoe zelfverzekerd alt-right inmiddels is geworden. Anglin is een ideologisch erfgenaam van mannen als George Lincoln Rockwell, die eind jaren vijftig aan de wieg stond van de American Nazi Party, en William Luther Pierce, in de jaren zeventig oprichter van een andere belangrijke extreem-rechtse groepering, de National Alliance. Anglin bewondert deze voorgangers, die zichzelf beschouwden als leiders van een revolutionaire beweging die het land moest terugveroveren voor de blanken. Hij droomt van een gewelddadige opstand tegen de overheid. Maar waar Rockwell en Pierce het moesten hebben van stencils, nieuwsbrieven, radio-uitzendingen en groepsbijeenkomsten, heeft Anglin het internet tot zijn beschikking. Zijn bereik is enorm veel groter, zijn mogelijkheden om aansluiting bij geestverwanten te vinden zijn ongeëvenaard. En hij had het tij toevallig ook mee. Een populair concept in extreem-rechtse kringen is het zogenaamde Raam van Overton: dat staat voor het geheel aan ideeën, van uiterst links tot uiterst rechts, die door de samenleving nog als acceptabel gedachtegoed worden beschouwd. Al jarenlang proberen rechts-radicalen dat venster van bespreekbaarheid op te rekken. En tot hun verrassing en grote blijdschap zagen ze het hele raam tijdens Trumps verkiezingscampagne plotseling wijd open vliegen. Ineens mocht je het gewoon hebben over een inreisverbod voor moslims en mocht je Mexicanen afschilderen als misdadigers en profiteurs, en lagen Anglins eigen, nog extremere ideeën dus lang niet meer zo ver buiten de mainstream. Als de meest bedreven propagandist van alt-right appelleert Anglin met zijn teksten aan dezelfde woede en onvrede waaraan Trump zijn presidentschap heeft te danken – vooral een gevoel van miskenning onder blanke mannen.

    Na zes dagen kondigde Anglin de tweede fase van zijn Whitefish-campagne aan: gewapend protest. ‘De wetgeving op het dragen van wapens is in Montana extreem tolerant’, schreef hij op The Daily Stormer. ‘Mijn advocaat zegt dat we makkelijk met zware geweren door de stad kunnen marcheren.’ Hij plande een protestmars voor 16 januari, Martin Luther King Jr. Day, en voorspelde een opkomst van zo’n tweehonderd man bij deze ‘James Earl Ray Day Extravaganza’, om de moordenaar van King eer te bewijzen. Hij beloofde bussen met skinheads uit San Francisco en omgeving te sturen.

    Een van de weinige foto’s die van Anglin in de omloop zijn. – © Wikimedia
    Een van de weinige foto’s die van Anglin in de omloop zijn. – © Wikimedia

    Toen de nationale media daar lucht van kregen, belegden bezorgde inwoners van Whitefish een bijeenkomst. Korpschef Dial zag daar een negentigjarig Joods stel beven van angst. Sommige mensen lieten een inbraakalarm installeren. Eén angstige rabbijn had al visioenen van skinheads die met nachtkijkers en geweren met telescoopvizier door de bossen trokken. De politie ging intensiever surveilleren. De gouverneur van Montana bracht een bliksembezoek, evenals vertegenwoordigers van de Joodse antidiscriminatiebeweging Anti-Defamation League. De voorzitter van het World Jewish Congress eiste een verbod van de protestmars, volgens hem ‘een gevaarlijke en levensbedreigende demonstratie die heel Amerika in gevaar brengt’. Anglin stookte de hysterie flink op door te schrijven dat ook Europese nationalisten en vertegenwoordigers van Hamas en de Iraanse Revolutionaire Garde acte de présence zouden geven. ‘Niets kan ons tegenhouden,’ verklaarde hij.

    Uiteindelijk kwam er helemaal niemand opdagen – geen Europese nationalisten, geen gewapende skinheads en geen vertegenwoordigers van Hamas. Er kwam helemaal geen protestmars. En Anglin liet niets meer van zich horen, nadat hij het kleine stadje bijna een maand de stuipen op het lijf had gejaagd. De aanval op Whitefish had zijn reputatie als ‘oppertrol’ van alt-right gevestigd, maar ook de vraag doen rijzen of het de beweging wel ernst was. Was het allemaal gewoon een zieke grap geweest? In de maanden daarna bleef Anglin echter nieuwe lezers winnen, die hij aanspoorde hun haat niet alleen op internet maar ook op straat te spuien. Toen extreem-rechts in augustus vorig jaar daadwerkelijk een grote demonstratie hield in Charlottesville, liepen daar veel lezers van Anglin rond die door hem verzonnen slogans scandeerden. Alt-right had definitief de stap van onlineforums naar de straat gemaakt.

    Ik volgde Anglin toen al maanden. Ik probeerde niet alleen te begrijpen wie hij was en hoe hij zo’n schare volgelingen had weten op te bouwen, maar ook hoe ernstig de bedreiging was die hij en alt-right eigenlijk vormden. De weg die hem naar zijn extreem-rechtse gedachtegoed had gevoerd, was verontrustend en veel minder direct dan ik had verwacht. Maar zijn ontwikkeling strookte wel met een patroon dat deskundigen beschrijven, in de zin dat hij aanvankelijk meer gedreven leek te worden door het verlangen om status te verkrijgen en ergens bij te horen dan door diepe inhoudelijke overtuigingen. Anglin wilde iets voorstellen, en het internet bood hem daartoe de kans.

    Zoals veel rechts-radicalen had Anglin niet alleen zijn geloof verloren in het idee van de Verenigde Staten als liberale democratie: hij wilde die ook volledig verwoesten

    Columbus in Ohio is een ouderwets, ongepolijst stadje waar ik in januari op zoek ging naar informatie over Anglins verleden. Op een regenachtige zaterdag stonden er 45 demonstranten, van wie sommigen met zwarte bivakmutsen, te protesteren bij een groezelig gebouwtje in de voorstad Worthington: het bedrijfspand waar Anglins vader Greg een therapiepraktijk op christelijke grondslag heeft.

    Zijn eigen woonadres houdt Anglin geheim. Hij heeft jarenlang in Europa rondgezworven en van een familielid hoorde ik dat hij rond 2015 in Rusland zat. Dat is zijn laatst bekende adres in het buitenland. Iemand anders toonde me Facebookberichten van een jeugdvriend van Anglin waaruit zou blijken dat hij daar nog steeds woont. Maar hij bleef met Columbus verbonden via zijn vader, die zegt dat hij ‘niet echt iets met Andy’s site te maken’ heeft. Maar dat heeft hij wel. Hij heeft The Daily Stormer als handelsmerk gedeponeerd en een bedrijf van zijn zoon geregistreerd dat Moonbase Holdings heet – waarschijnlijk een verwijzing naar de complottheorie dat Hitler aan het eind van de oorlog naar een geheime maanbasis is gevlucht. En hoewel geen enkele betaaldienst met The Daily Stormer in zee wil, kost het Anglin weinig moeite om fondsen te verzamelen. Volgens John Bambenek, een expert op het gebied van internetveiligheid die de bitcoinstromen van neonazi’s volgt, heeft hij sinds 2014 al voor een kwart miljoen dollar aan bitcoins binnengeharkt. Anglin vroeg zijn lezers ook om cheques. Die donaties kwamen binnen op Gregs adres, en dat was de reden voor die demonstranten, veelal lokale leden van het nationale Anti-Racist Action-netwerk, om daar te komen protesteren.

    Anglin had mijn aandacht voor het eerst getrokken in de zomer van 2015, toen hij op The Daily Stormer zijn steun uitsprak voor Trump als presidentskandidaat. Toen ik hem vorig jaar per e-mail interviewde voor The Huffington Post, betrapte ik hem op diverse leugens – over de bezoekersaantallen van zijn site, de herkomst van zijn geld, zijn verblijfplaats. Nog voordat mijn artikel uitkwam, werd ik er op The Daily Stormer valselijk van beschuldigd FBI-informatie over zijn verblijfplaats te hebben verzonnen. Ik heb herhaaldelijk voorgesteld al mijn informatie met hem door te lopen, maar daar reageerde hij niet op. Ook mijn herhaalde verzoeken om een gesprek voor dit artikel heeft hij afgeslagen. Sinds ons laatste contact heb ik hem onvermoeibaar tirades zien spuien en zien pochen dat ‘alleen een kogel’ hem kan tegenhouden. Maar hij kwam nooit achter zijn toetsenbord vandaan. En hoewel hij er niet voor terugdeinst anderen te belasteren en tot mikpunt van haatcampagnes te maken, reageert hij steeds extreem defensief zodra iemand iets over hemzelf te weten probeert te komen.

    Inmiddels was The Daily Stormer duidelijk uitgegroeid tot de voornaamste website voor neonazi’s en veel populairder dan Stormfront, waar de neonazi’s zich in de jaren negentig voor het eerst online manifesteerden. Anglin was een productieve schrijver met een vlotte pen, die met overdrijving en sarcasme een jonger publiek wist aan te spreken. ‘Niet-ironisch nazisme dat zich voordoet als ironisch nazisme’, zo heeft hij zijn benadering ooit omschreven. Hij kon zich altijd achter die ironie verschuilen, zeggen dat het allemaal toch maar een geintje was. Hij zei geïnspireerd te zijn door sites als Infowars, Vice en Buzzfeed, maar qua vorm en toon had zijn eigen site vooral veel weg van Gawker. Net als dat inmiddels opgedoekte blog bracht The Daily Stormer het dagelijkse nieuws met een duidelijke eigen inbreng. Maar heel anders dan Gawker drukte Anglin overal zijn eigen racistische stempel op. Hij zei te verlangen naar een rassenoorlog en spoorde zijn lezers aan zich op te maken voor de strijd tegen de vage krachten die ontketend zouden zijn door Joden, zwarten, moslims, latino’s, vrouwen, liberalen, journalisten – iedereen die het oprukken van alt-right in de weg kon staan. Zoals veel rechts-radicalen had Anglin niet alleen zijn geloof verloren in het idee van de Verenigde Staten als liberale democratie: hij wilde die ook volledig verwoesten. ‘We naderen snel een tijd waarin elke stad in het Blanke Westen bezaaid zal zijn met stapels lijken zo hoog als ze gestapeld kunnen worden’, schreef hij. ‘En dan ben je ofwel een van de stapelaars, ofwel een van de gestapelden.’

    Doodgewoon kind

    Anglin breidde zijn invloed tot buiten internet uit met zogenaamde ‘leesclubs’, bedoeld om zijn volgelingen aan te sporen ‘de daad bij het woord’ te voegen. Dat waren kleine clubjes van lezers in verschillende steden in Amerika, Canada en andere landen. Een zo’n groepje in Columbus hield bijeenkomsten op een schietclub. Andere ‘leesclubjes’ zijn uit kroegen verbannen vanwege antisemitische uitlatingen of het pronken met nazisymbolen. Anglin spoorde zijn lezers aan om vechtsporten te beoefenen, met vuurwapens te leren omgaan en met een luchtbuks te trainen op ‘oorlogssituaties’.

    Een van de mensen die bij het kantoor van Greg in de regen stonden te demonstreren was Anglins oude kleuterjuf Gail Burkholder. Zij was geschokt toen ze erachter kwam dat een jongetje uit haar klas zo’n beruchte racist was geworden. ‘Het is toch onvoorstelbaar dat een van je leerlingen uitgroeit tot een nazi die jou wil vermoorden?’ zei Burkholder, die zelf Joods is. Ze hoorde Anglins naam voor het eerst in het nieuws na de moordaanslag op negen zwarte kerkgangers in Charleston door Dylann Roof. Roof zou ook reacties op The Daily Stormer hebben geschreven en groeide uit tot een cultheld voor Anglins lezers, die een meme hebben gecreëerd rond zijn bloempotkapsel. Roof is niet de enige moordenaar die The Daily Stormer las. Kijk maar naar de Brit Thomas Mair, die in 2016 het Lagerhuislid Jo Cox vermoordde. En James Harris Jackson, die dit jaar in New York een zwarte man vermoordde met een zwaard en die The Daily Stormer als een van zijn ideologische invloeden noemde. Of Devon Arthurs, een achttienjarige, tot de islam bekeerde voormalige neonazi die dit jaar in Tampa twee huisgenoten doodschoot. Die huisgenoten waren neonazi’s. Een derde, die aan het bloedbad ontkwam, werd later opgepakt vanwege de grote voorraad explosieven in hun huis.

    Tot het bloedbad in de kerk in Charleston had Burkholder niet meer teruggedacht aan dat ‘schattige’ en ‘vrolijke’ ventje dat zo dol was op dinosaurussen. Als kind was Anglin een doodnormaal joch dat hooguit opviel door zijn extreem nasale stemgeluid. Dat was zo erg dat Burkholder zelfs dacht dat hij misschien een luchtwegaandoening had en zijn moeder Katie daarop aansprak. Dat is bijna dertig jaar geleden. En iedereen die Anglin als kind heeft gekend, lijkt zich hetzelfde af te vragen: hoe komt het toch dat hij een neonazi is geworden?

    Zo op het oog had Anglin een fijne jeugd, in ieder geval tot zijn tienertijd. Hij groeide op in een groot huis in de gegoede wijk Worthington Hills, als doodgewoon kind dat X-Men-strips verzamelde, computergames speelde, hamburgers at in de allereerste Wendy’s-vestiging en over muziek kletste met zijn beste vriend, West Emerson. En lezen, dat deed hij ook graag. Hij was vooral diep onder de indruk van Weasel, een kinderboek over een jongen in het Wilde Westen die wraak wil nemen op een psychopaat die, als er geen indianen meer zijn om te vermoorden, zijn moordlust op blanke boeren gaat botvieren.

    Vanaf 1999 ging Anglin naar het Linworth Alternative Program, een middelbare school met een progressieve signatuur. Medeleerlingen herinneren zich een stille, onzekere jongen die naar aandacht snakte en er graag bij wilde horen. Hij noemde zich atheïst, liet zijn rossige haar in dreadlocks groeien en droeg slobberbroeken. Ook droeg hij vaak een hoodie met de tekst ‘fuck racism’. Als een van de enige twee veganisten op de school kreeg hij al snel iets met de andere veganiste, Alison, een brunette die één klas hoger zat en die hij verleidde door veganistische koekjes voor haar te bakken. Zij was een populair meisje en via haar kwam hij in contact met een bonte verzameling van de hippere kinderen op school. Die vonden Anglin aardig en grappig, maar ook wat beïnvloedbaar. Zo was Alison erg begaan met dierenleed – en was hij dat ineens ook.

    Volgens verschillende mensen gebruikte hij ook veel drugs: lsd op school of in het schilderachtige Highbanks Metro Park in het noorden van de stad. Ketamine, paddo’s, cocaïne in het weekend. Hij slikte zo veel van het hoestmiddel Robitussin dat hij er maagklachten van kreeg en op school in prullenbakken stond te kotsen. In het souterrain van zijn ouderlijk huis zat hij urenlang muziek te downloaden en naar filmpjes te kijken op internet. Volgens zijn toenmalige vriend Cameron Loomis zat hij vooral graag op rotten.com, een site vol afbeeldingen van misvormde mensen, verminkte lijken en seksuele perversie. Anglin zette een website op voor een niet-bestaand platenlabel, Andy Sucks! Records, waarmee hij bandjes verleidde om hem demo’s te sturen. Op die site was goed te zien hoe links hij op dat moment was: hij spoorde mensen aan anonieme doodsbedreigingen te sturen naar de homofobe Westboro Baptist Church en dreef de spot met de Ku Klux Klan en andere racistische organisaties. Hij verschilde destijds weinig van de antifascistische activisten die later bij het kantoor van zijn vader zouden demonstreren.

    Tanya Gersh was het doelwit van een langdurige treitercampagne waartoe Andrew Anglin op The Daily Stormer had aangezet. – © Dan Chung / Southern Poverty Law Center
    Tanya Gersh was het doelwit van een langdurige treitercampagne waartoe Andrew Anglin op The Daily Stormer had aangezet. – © Dan Chung / Southern Poverty Law Center

    Maar mensen die Anglin op de middelbare school hebben gekend, zeggen dat hij rond het begin van zijn tweede jaar vreemd en verontrustend gedrag begon te vertonen. Vrienden die bij hem thuis kwamen, zagen gaten in de wanden van zijn slaapkamer en wisten dat hij met zijn hoofd tegen dingen beukte als hij overstuur was. Verschillende mensen herinnerden zich een voorval op een feestje: Anglin begon te huilen toen Alison in een dronken bui met een andere jongen zoende, stormde naar buiten en begon met zijn hoofd op het trottoir te bonken. En hij vertoonde wel meer vormen van zelfverminking. Hij probeerde de naam van zijn favoriete band Modest Mouse op zijn bovenarm te tatoeëren, maar gaf het na tweeënhalve letter op, zodat er alleen ‘MOI’ stond. Hij liet zijn oorlellen piercen en rekte ze op door er dikke viltstiftdoppen in te duwen tot het bloed eruit droop. Hij beweerde geen pijn te voelen en hield aanstekers tegen zijn onderarm tot de huid wegsmolt. Hij kon andere leerlingen net zo lang jennen tot ze hem begonnen te slaan, en dan vocht hij niet terug maar liet zich lachend in elkaar slaan. Zo werd hij door twee jongens eens tegen de grond geslagen. Hij bleef gewoon in de goot liggen tot ze, uit mededogen en verwarring, vanzelf stopten.

    Volgens schoolgenoten hadden Anglins ouders geen oog voor zijn verontrustende gedrag. Hij kon lief zijn voor zijn jongere broer en zus, Chelsey en Mitch, en trouw aan zijn vrienden, maar hij had ook een sadistische kant. Alison (die haar achternaam hier liever niet vermeld ziet) vertelde me dat ze Anglin in zijn tweede jaar op Highworth overstuur opbelde om te vertellen dat ze door de oudere broer van een vriendin was verkracht, nadat ze op een feestje buiten westen was geraakt. In plaats van troost en medeleven te bieden, moest Anglin alleen maar lachen en maakte hij het uit. ‘Je bent een slet’, zijn de woorden die haar bijbleven. Diverse meisjes die Anglin kende van een andere school, begonnen haar tot diep in de nacht thuis te bellen, iets wat andere bronnen me hebben bevestigd. ‘Je verdient het,’ zeiden ze dan. ‘Slet.’ Alison zegt dat het wekenlang zo doorging en dat Anglin ook een filmpje aan zijn vrienden liet zien waarop zij seks met elkaar hadden.

    Over de periode daarna vertelt Dan Newman, een andere schoolvriend, dat Anglin één keer zo furieus met zijn hoofd tegen de muur beukte dat zijn moeder de politie moest bellen. Volgens verschillende klasgenoten heeft Anglin de rest van zijn schooltijd geen vriendinnetje meer gehad en probeerde hij soms weleens jongens te kussen, waaronder één zwarte leerling die hij bijzonder leuk vond. Of dat nu een vorm van experimenteren was of dat hij alleen maar wilde provoceren, het staat in ieder geval in schril contrast met de radicale homohaat die Anglin later op The Daily Stormer en elders aan de dag legde. Daar pleitte hij er bijvoorbeeld voor om homo’s van gebouwen te gooien, net zoals IS doet.

    In zijn derde schooljaar liep het huwelijk van zijn ouders op de klippen. Mensen die zijn moeder Katie toen kenden, zeggen dat ze onder de plak zat. Iemand die een van Gregs voormalige cliënten goed kent en twee predikanten die bekend zijn met Gregs werk als christelijk therapeut, beweren alle drie dat Greg nogal intieme banden ontwikkelde met zijn vrouwelijke cliënten – emotioneel en soms ook seksueel. Rechtbankverslagen over de scheiding bevestigen dat: een voormalige cliënt staat daarin vermeld als zijn vriendin. Ze zou later compagnon in zijn therapiepraktijk worden. (Anglins ouders hebben niet op vragen gereageerd.)

    Rond de tijd dat de echtscheiding in gang werd gezet, kreeg Anglin een nieuwe hobby: luisteren naar een rechtse radiopresentator die beweerde dat de aanslagen van 11 september vanuit Amerika zelf waren beraamd. Dat was Alex Jones, die zou uitgroeien tot Amerika’s bekendste verspreider van complottheorieën. Zo maakte Anglin kennis met de ‘waarheidsbeweging’, een groep aanhangers van de vreemdste paranoïde waanideeën die op internet welig tieren. Al snel nam hij klasgenoten apart om ze te waarschuwen voor reptielmensen. Na het eindexamen hebben weinig van zijn schoolvrienden hem nog gezien.

    In één chatgroep probeerden de gebruikers elkaar te overtreffen in het bedenken van (zogenaamd grappig bedoelde) racistische uitspraken. Na verloop van tijd verdween de humor naar de achtergrond en bleef alleen het racisme over

    Wie een tijdje rondneust op de onlineforums van die complotdenkers (de zogenaamde truthers), voelt al snel hoe ze hun valstrikken spannen en hun klauwen in je zetten. Onwillekeurig zeurt een stemmetje in je achterhoofd: stel dat er toch wat in zit? Voor mensen met weinig kritische zin kan het al snel verslavend worden om op zulke sites rond te hangen. Daar denk je dan geestverwanten te vinden, gelijkgestemden die de verborgen werkelijkheid opdelven achter de geaccepteerde ‘feiten’: dat de condensatiestrepen van straalvliegtuigen eigenlijk chemische stoffen zijn die door de overheid in de dampkring worden gespoten. Of dat de maanlanding in scène is gezet.

    Na zijn schooltijd stortte Anglin zich vol overgave in deze wereld. Hij toerde door het land, luisterde naar complotdenkers en woonde zowat in zijn Honda Civic. In 2004 bracht hij in Santa Barbara een nachtje in de cel door wegens rijden onder invloed. Toen hij na een maandenlange roadtrip terugkeerde in Columbus, schreef hij zich in voor een studie Engelse letteren op Ohio State University, waar hij al na één semester de brui aan gaf. Begin 2006 werd hij in de buurt van de campus opgepakt voor drugsbezit.

    Anglin was inmiddels erg actief op 4chan, een website waarop gebruikers anoniem foto’s en commentaren kunnen posten. De site trekt hele horden sociaal gemankeerde jongeren die graag afgeven op politieke correctheid. 4chan was vaak een bron van memes en massale practical jokes, en uiteindelijk van treitercampagnes zoals Gamergate, waarbij vrouwen in de gamewereld het mikpunt werden van dreigementen en scheldpartijen. In één chatgroep probeerden de gebruikers elkaar te overtreffen in het bedenken van (zogenaamd grappig bedoelde) racistische uitspraken. Na verloop van tijd verdween de humor naar de achtergrond en bleef alleen het racisme over. ‘Niets heeft zoveel invloed op me gehad als 4chan’, mailde Anglin me vorig jaar nog, voordat hij alle contact met me verbrak.

    In november 2006 lanceerde Anglin zijn eigen aan complottheorieën gewijde website, waarvan hij in de periode dat ik aan dit artikel werkte praktisch alle sporen van internet heeft gewist. De site heette Outlaw Journalism, naar Hunter S. Thompson, een idool van Anglin – al doet zijn eigen stijl meer denken aan het geraaskal van Alex Jones: wilde tirades vol vrouwenhaat en afkeer van buitenlanders. ‘Welkom in de toekomst’, schreef hij. ‘We leven in een sciencefictionnachtmerrie.’ In maart 2007 plaatste Anglin daar voor het eerst een bericht waarin Donald Trump voorkomt: een fragment uit een zogenaamde roast van Rudy Giuliani in 2000, waarin de toenmalige burgemeester vriendschappelijk te kakken wordt gezet. In het fragment draagt Giuliani vrouwenkleren en spuit hij parfum op zijn nepborsten, waarop Trump er zijn gezicht in begraaft. In zijn bericht maakte Anglin ze allebei uit voor ‘flikkers’ en schreef dat Giuliani waarschijnlijk ‘een perverse travestietenaffaire met Donald Trump heeft’. Verder speculeerde Anglin op zijn site over satanische rituelen en ondergrondse tunnels van pedofielen en mensen die foetussen eten. Hij omschreef de Amerikaanse regering als een ‘wetenschappelijke dictatuur’ die de hersenen van zijn burgers van een microchip wil voorzien om een ‘wereldwijd slavennetwerk te creëren’.

    Uiteindelijk werden die waanideeën ook Anglin zelf te veel. ‘Ik draaide helemaal door van dat samenzweringsgelul’, erkende hij jaren later in een podcast. Hij trok zich terug op het landgoed van een familielid, waarschijnlijk zijn oma van moederskant, die ten zuiden van Columbus een boerderij heeft met 33 hectare grond, compleet met weiden, bos en een beek. ‘Ik zat niet lekker in mijn vel en ben naar het platteland verkast’, schreef hij in mei 2007 op Outlaw Journalism, en hij merkte op dat hij nu ‘zo’n 200 procent helderder denkt’. Hij keek er ’s nachts naar de sterrenhemel en genoot van ‘de enorme weldaad van een lange wandeling over onverharde wegen’.

    Outlaw Forum

    Maar het complotdenken liet Anglin niet los. Hij zette Outlaw Forum op, een discussieforum in de trant van 4chan waar gebruikers over samenzweringen konden smoezen. Al snel begonnen ze een collectieve cyberaanval op andere complotdenkers met wie Anglin het aan de stok had gekregen. Het was zijn eerste onlinepestcampagne.

    De complotdenkers hadden met internet wel een nieuw medium, maar hun manier van denken was verre van nieuw. De historicus Richard Hofstadter schreef in 1964 een beroemd geworden essay, ‘The Paranoid Style in American Politics’, over de voorliefde voor complottheorieën onder aanhangers van presidentskandidaat Barry Goldwater, en zijn beschrijving klinkt nog steeds opvallend relevant: ‘Modern rechts voelt zich bestolen: Amerika is hun afgepakt, maar ze zijn vastbesloten het te heroveren, voordat ze naar het verwoestende laatste middel van een opstand moeten grijpen.’ Bij de complotdenkers op internet zie je een vergelijkbare angst voor verlies van macht en status. Geen wonder dus dat velen vanuit dat kamp de overstap maken naar alt-right. In hun obsessie voor machtsstructuren hameren de complotdenkers graag op de Joodse invloeden in de maatschappij. Sommigen ontkennen zelfs dat de Holocaust heeft plaatsgevonden, volgens hen is het niet meer dan een slimme smoes waardoor Joden ten koste van anderen de slachtofferrol kunnen spelen. Die ‘holohoax’, zoals zij het noemen, is hun excuus om een Joodse samenzwering de schuld te geven van alles wat ze kwaad maakt: feminisme, immigratie, globalisering, liberalisme, egalitarisme, de media, de wetenschap, feiten, gameverslaving, een mislukt liefdesleven, de dominantie van zwarte spelers in het Amerikaanse basketbal. In de holohoax-theorie valt dat allemaal onder één groot complot om het traditionele blanke patriarchaat te ondermijnen en een parasiterend Jodendom de baas te laten spelen over de wereld.

    Het is geen wereldbeeld dat Anglin van meet af aan onderschreef, maar ook in zijn vroegste schrijfsels vind je al sporen van antisemitisme. Hij ging tekeer tegen de ‘zionistische bezetting’, en na de veroordeling wegens haatzaaien van een beruchte Holocaustontkenner in Duitsland spoorde hij zijn lezers aan om daartegen te protesteren bij de Duitse ambassade. En naarmate Anglins eigen maatschappelijke vooruitzichten verslechterden, werd zijn wereldbeeld naargeestiger. Uit rechtbankverslagen blijkt dat hij in februari 2008 tien dagen in de cel zat wegens rijden onder invloed. In januari 2009 schreef hij dat hij vijftig uur per week in een winkel werkte en nog steeds niet genoeg verdiende om op zichzelf te wonen. In juni van dat jaar plaatste hij wat jarenlang zijn laatste bericht op Outlaw Journalism zou zijn: een waarschuwing over het bankwezen, de wereldregering, orgaandiefstal en het samenvoegen van dierlijk en plantaardig DNA. ‘Lichtgevende groene apen kunnen lichtgevende groene apenjongen krijgen’, schreef hij. ‘De enige logische uitweg voor de mensheid is om de beschaving radicaal de rug toe te keren en weer over te gaan op de levensstijl van de jager-verzamelaars’, was zijn conclusie. Hij wilde in een blokhut wonen en vissen en jagen en zijn eigen groente verbouwen, hij verlangde naar een leven van ‘lol hebben, verhalen vertellen, musiceren, kunst maken, dansen, vrijen met het vrouwtje, dollen met de ouwelui en gewoon genieten van het leven’.

    Dus nam hij het vliegtuig naar de jungle van Zuidoost-Azië. Daar zou hij, na een afdaling in de diepste krochten van zijn waanideeën, de definitieve overstap naar het neonazisme maken.

    Richard Spencer, berucht rechts- extremist en het gezicht van de alt-rightbeweging, Washington, 19 november 2017. – © Linda Davidson / The Washington Post via Getty Images
    Richard Spencer, berucht rechts- extremist en het gezicht van de alt-rightbeweging, Washington, 19 november 2017. – © Linda Davidson / The Washington Post via Getty Images

    Het water gutste van het dak van de bamboehut en droop van de bladeren van de tropische bomen. Anglin zat in de jungle, maar was daar niet zonder omwegen beland. Half Azië had hij al afgereisd en nu was hij in de Filipijnen beland. Hij had Joseph Campbells beroemde werk over mythologie gelezen en wilde zijn eigen heldenverhaal smeden. Anglin was op zoek naar een stam – een echte. Hij had overal gezocht. Hij was de bergen in getrokken met jongens die water dronken uit plastic kunstmestcontainers en was in krottenwijken bij Manilla geweest waar mensen ‘rioolwater dronken’. Hij doorkruiste het eiland Mindanao op een scooter en maakte selfies met een ironische glimlach en een Marlboro tussen zijn lippen of achter zijn oor. Op een filmpje staat hij op het strand in zijn blote bast de gruwelen van de ontbossing te beschrijven.

    Zijn uitvalsbasis werd de Sampaguita Tourist Inn, een spotgoedkoop hotel in Davao City, waar hij maandenlang teerde op het geld dat zijn vader hem stuurde. Hij zat er graag met zijn laptop en een mok oploskoffie in de lobby om zijn volgende uitstapje te beramen. Davao werd destijds met ijzeren vuist bestuurd door de autoritaire burgemeester Rodrigo Duterte, de latere president. (Anglin heeft hem ooit de hand geschud, en lof voor deze geweldsbeluste politicus is een terugkerend thema op The Daily Stormer.) Het was de op twee na grootste stad van het land, maar geen trekpleister voor Amerikaanse twintigers. Vandaar dat Anglin al snel aan de praat raakte met Edward, een 33-jarige New Yorker en de enige andere jongere Amerikaan in het hotel. Edward (die zijn achternaam hier liever niet vermeld ziet) bracht destijds ieder jaar enkele maanden in de Filipijnen door. Hij raakte bevriend met Anglin en een tijd lang gingen ze bijna iedere dag samen ergens eten.

    Edward vond Anglin geestig en intelligent, en zijn muzieksmaak beviel hem. Hij had zelf een tijdje in de muziekbusiness gezeten, en toch kende Anglin bands die nieuw voor hem waren, zoals de Felice Brothers. Er hing wel iets vreemds rond Anglin, die bijvoorbeeld zei dat hij niet terug zou keren naar de VS. ‘Hij was duidelijk op de vlucht,’ vertelde Edward me. Maar waarvoor? Volgens Edward beweerde Anglin dat hij cocaïne had gesmokkeld. ‘Ik dacht echt dat hij daarom het land was ontvlucht,’ zei hij.

    Edward zei dat Anglin zichzelf slimmer vond dan anderen, en doordat jonge blanke mannen ‘in dat land als een god worden behandeld’ werd zijn eigendunk alleen maar groter. Tot zijn eigen ergernis is Anglin klein van stuk: naar eigen zeggen 1 meter 70, al houden verschillende mensen die ik sprak het eerder op 1 meter 60. Maar in Davao probeerde hij elke knappe Filipijnse die hij tegenkwam te versieren, vaak met succes, soms profiterend van hun verlangen om aan de armoede te ontkomen door een rijke Amerikaan aan de haak te slaan. Meestal waren het meiden van achttien of negentien, maar volgens Edward waren ze soms ook jonger. Hij vertelt dat Anglin één keer een meisje van veertien in een café oppikte en met haar de nacht doorbracht.

    Anderzijds klaagde Anglin over de manier waarop de Filipijnse cultuur onder invloed van het Westen was verloederd. Hij gaf af op christelijke missionarissen en vond het afschuwelijk dat Filipijnen liever naar Lady Gaga luisterden dan naar hun eigen traditionele muziek. ‘Als je ziet hoe blanken – want het zijn toch de blanken – de hele wereld zijn rondgetrokken en iedereen hebben verneukt’, zei hij in een daar gemaakte podcast. ‘Ik denk dat het blanke ras doodgefokt moet worden.’ In andere podcasts spuide hij vergelijkbare ideeën.

    Fascistische Disneyfilm

    En toen vond Anglin op een van zijn uitstapjes in de binnenlanden zijn stam. In 2011 bracht hij enkele weken door bij de T’boli in het zuiden van Mindanao, in een streek met bergmeren vol lotusbloemen. De T’boli staan bekend om hun traditionele muziek en dans, hun kralen en vlechtwerk. ‘Hun manier van leven was waanzinnig mooi’, zegt Anglin in een van zijn podcasts. Daar kon hij terugkeren naar de natuur. Je zat daar op een hele dag reizen van het dichtstbijzijnde stopcontact, zei hij. Alles in het bos had een spirituele betekenis voor de T’boli. Elke keer als Anglin bijvoorbeeld een beek overstak, wreef hij zijn gezicht en handen en voeten in met een natte steen om leiding te vragen van de watergeest, die overal in het bos de weg kent. ‘Ik hou van deze mensen’, zei Anglin nadat hij een tijdje van dat leven had geproefd. Hij vatte het plan op om ergens in het bos zijn eigen hut te bouwen en er ‘helemaal buiten het systeem’ te gaan leven. Hij wilde eerst terugkeren naar de T’boli, maar hoopte later verder de bergen in te trekken, op zoek naar moslimstammen en ‘mensen die nog steeds met speren vechten en mijnwerkers en houthakkers doden’. Tegelijkertijd wilde hij, paradoxaal genoeg, een nieuwe website lanceren, Reality Situation, om verslag te doen van zijn nieuwe leven buiten de maatschappij. Hij zette al zijn spullen te koop om geld bij elkaar te krijgen voor een paard, kippen en eenden. Er sprak een messiaanse begeestering uit zijn plannen. ‘Ik ga het echt doen,’ zei hij tegen iemand uit de ‘waarheidsbeweging’. ‘Ik ga leven zonder geld. En ik ga een gemeenschap opzetten die dat ook doet. En ik ga het allemaal filmen.’

    In januari 2012 lanceerde Anglin Reality Situation en trok hij de jungle weer in. Hij las over ufo’s en downloadde podcasts over paranormale verschijnselen. Hij was nog steeds geobsedeerd door chips in onze hersenen, beïnvloeding via tv-uitzendingen, geënsceneerde maanlandingen en satanische seksrituelen. Zijn ideeën over een utopisch leven in het regenwoud waren al even maf. Volgens Edward was Anglin in die tijd ‘een combinatie van kolonel Kurtz en Travis Bickle’ [hoofdpersonen in respectievelijk Apocalypse Now en Taxi Driver]. ‘Hij wilde daar als de grote blanke held iedereen in de jungle gaan leren hoe ze gewassen moesten verbouwen.’ En hij had volgens Edward nog een ander motief: ‘Hij wilde trouwen met twee zestienjarige moslimmeisjes. Hij had ze al ontmoet en kocht vee om als bruidsschat te geven.’

    Vervolgens verdween Anglin een maand of zes bijna totaal van internet. Alleen in mei 2012 plaatste hij nog een berichtje op Reality Situation, over de aanplant van bomen, duurzame landbouw en voorlichting aan kinderen over de gevaren van het christendom en het kapitalisme.

    Daarna verdween hij weer. Wat hij in de jungle precies heeft meegemaakt, blijft in nevelen gehuld. Hij heeft later gezegd dat hij er te veel ‘sterke palmwijn’ dronk en zich ‘enorm depressief en eenzaam’ begon te voelen. Hij besefte dat zijn notie van een heldenontvangst en een leven waarin je ‘het fruit van de bomen plukt en op wilde zwijnen jaagt’ niet meer dan ‘een romantische dagdroom’ was geweest. En dat was natuurlijk weer de schuld van anderen, ditmaal van de Filipijnen: ‘Ze waren in hun denken al net zo primitief als in hun manier van leven’, schreef hij. Alleen bij ‘het Europese ras’ kon hij zich thuis voelen: ‘Alleen zij delen mijn bloed en doorgronden mijn ziel.’

    Edward heeft hem daarna nog één keer gezien, in Davao. Anglin leek een ander mens geworden. Hij had zijn haar gemillimeterd en zag er nu uit als een bendelid: wit haltertje en baggy jeans. Hij klonk kwaad, vooral als het over de omgang tussen de rassen ging. En hij had een pistool. De stam had hem afgewezen, vertelde hij Edward. ‘Idioten zijn het,’ zei hij. ‘Stelletje apen.’ Hij doekte zijn website Reality Situation op, vertrok uit de Filipijnen en keerde na een kort verblijf in China terug naar Ohio. In december 2012 lanceerde hij daar weer een nieuwe site, Total Fascism, een serieuze voorloper van The Daily Stormer. ‘Uit het brandend wrak van de zogenaamde waarheidsbeweging is een groep mensen verrezen’, schreef hij. ‘We hebben de waarheid gevonden. We hebben het licht gevonden. We hebben Adolf Hitler gevonden.’

    Anglin zonderde zich weer af op de boerderij van zijn familie. Hij pleitte inmiddels voor ‘meedogenloos extremisme’. Hij schreef dat hij ‘nu nog niet’ opriep tot geweld, maar voegde eraan toe: ‘Als ik dacht dat we ons met geweld van het juk van de Jood konden bevrijden, zou ik er absoluut en onvoorwaardelijk voor pleiten.’ Hij ontwikkelde een welhaast religieuze aanbidding van Poetin, of ‘tsaar Poetin I, verdediger van de menselijke beschaving’, zoals hij hem noemde. In hem zag hij de grote blanke held, een ‘man van enorme kracht’. Die fixatie op fysieke kracht zie je wel meer bij leden van alt-right, maar bij Anglin neemt ze extreme vormen aan. ‘Zijn wereldbeeld is dat van een fascistische Disneyfilm,’ zei een prominente rechts-extremistische activist die met hem heeft samengewerkt. Volgens hem denkt Anglin dat als hij maar hard genoeg roept, de volgelingen vanzelf zullen toestromen en hem helpen een nieuwe Hitler te doen verrijzen. ‘Hij denkt echt dat hij over magische krachten beschikt.’ Bij zijn hart heeft hij een tatoeage van een zogenaamd Sonnenrad of ‘zwarte zon’, een symbool uit een occulte stroming van neonazi’s die onder meer denken dat Hitler een incarnatie van Visjnoe was.

    In maart 2013 werd The Daily Stormer geregistreerd door Anglin of misschien door zijn vader, in ieder geval via diens mailadres. Daarna vertrok Anglin weer uit Amerika. Eerst ging hij naar Athene, waar hij drie maanden in een hostel zat. Hij verdiende de kost met het geven van rondleidingen op toeristische locaties als het Parthenon en woonde bijeenkomsten bij van de extreem-rechtse Gouden Dageraad. Op 4 juli 2013 werd de bètaversie van The Daily Stormer gelanceerd, de opvolger van Total Fascism. De naam verwijst naar Der Stürmer, een fel antisemitisch weekblad uit de jaren dertig dat Hitler trouw las. (Het officiële beleid van de site, zoals Anglin het later formuleerde: ‘Joden moeten worden uitgeroeid.’) The Daily Stormer was iets nieuws in de wereld van de neonazi’s: een helder ontwerp en berichten die bol stonden van Anglins wrange humor. Het extreem-rechtse equivalent van Gawker. En dat sloeg aan.

    Van Hitler heeft Anglin geleerd om zijn verhaal simpel te houden: helden tegen schurken. Van Alinsky leerde hij de tactieken van de protestcultuur

    Inhoudelijk leunt Anglins aanpak, zoals hij in verschillende podcasts heeft uitgelegd, op ideeën uit Mein Kampf en Saul Alinsky’s activistenhandboek Rules for Radicals. Van Hitler heeft Anglin geleerd om zijn verhaal simpel te houden: helden tegen schurken. En om steeds te blijven hameren op een handvol simpele thema’s. Van Alinsky leerde hij de tactieken van de protestcultuur: je aanval niet richten op instituten maar op mensen. Het doelwit isoleren. Bedreigen. Vooral één richtlijn bleef Anglin bij: ‘Spot is het machtigste wapen.’ Spot is lastig te bestrijden. Dus maakte Anglin alles belachelijk. Hij kreeg zijn lezers aan het lachen. ‘Je moet zo schandalig mogelijk uit de hoek komen’, schreef hij op zijn site. ‘Je moet er een mediaspektakel van maken, een enorm circus, zodat de mensen zulke ideeën steeds minder als schokkend gaan ervaren.’ Met grappen over Mengele die honden traint om Joodse vrouwen te verkrachten heb je als komiek volgens hem ‘goud in handen’.

    In 2014, toen Anglin in Europa verbleef, vond hij een nieuwe kompaan in Andrew Auernheimer, bijgenaamd ‘weev’, een neonazistische hacker en trol. Auernheimer komt uit de Ozarks en kreeg in 2013 een federale gevangenisstraf wegens identiteitsdiefstal en hacken. Toen hij een jaar later in hoger beroep werd vrijgesproken, verliet hij het land. Hij woont nu in Transnistrië, een door Rusland gesteunde maar niet internationaal erkende afsplitsing van Moldavië. Auernheimer nam de technische leiding van The Daily Stormer op zich. Hij demonstreerde zijn vernuft door printers van Amerikaanse universiteiten te hacken, zodat ze flyers met swastika’s begonnen uit te draaien. ‘Ik zou niet weten wat ik zonder hem moest,’ zei Anglin vorig jaar in een interview met een geestverwant. ‘In feite is hij degene die de hele boel bij elkaar houdt.’

    Ondertussen werd Anglin berucht om zijn treitercampagnes. In 2015 stookte hij het vuur op toen studenten van de Universiteit van Missouri protesteerden tegen racisme op de campus. Hij voedde de verontwaardiging met nepnieuws op Twitter, zoals het bericht dat Ku Klux Klan-leden kruizen kwamen verbranden en samenwerkten met de universiteitspolitie. Hij beweerde dat een KKK-lid op demonstranten had geschoten en plaatste er een foto bij van een zwarte man in een ziekenhuisbed. Mede door zijn valse geruchten liepen de gemoederen hoog op. Maar alleen ruzie stoken was voor Anglin niet genoeg. Hij schreef ook handleidingen voor het opzetten van anonieme mailaccounts en VPN-verbindingen, het afschermen van je IP-adres en het vervalsen van Twitter- en appberichten. Hij zette propagandaplaatjes en slogans online die zijn ‘Stormers’ konden gebruiken. Daarbij maande hij ze wel om niet te dreigen met geweld – dat zei hij erbij om te voorkomen dat hij justitie achter zich aan kreeg.

    Want met zijn campagnes zaaide hij wel terreur. Hij hitste zijn lezers op tegen de eerste zwarte vrouw die voorzitter werd van een Amerikaanse studentenvakbond. Tegen Erin Schrode, een Joodse kandidaat voor het Californische Huis van Afgevaardigden, en tegen Jonah Goldberg en David French, schrijvers van National Review. Terwijl ik aan dit artikel werkte, zette Anglin zijn trollen ook tegen mij op. Mijn contacten met sommigen van hen bevestigden mijn vermoeden dat het veelal jonge knullen betreft die zoekende zijn, die zich door de maatschappij uitgekotst voelen en die op internet een manier vinden om daar eens lekker hard tegen uit te halen. Als ik ze aan de praat kreeg over hun eigen leven, gaven ze soms toe dat ze moeizame relaties met vrouwen hadden. Eentje vertelde dat hij worstelde met zijn homoseksuele geaardheid. De meesten vonden dat ze zich alleen maar verweerden tegen een doorgeschoten politieke correctheid die blanke mannen tot zondebok maakt. Hoe meer ze door het linkse establishment werden verketterd, hoe meer ze zich verlustigden in hun zelfgekozen schurkenrol.

    ‘Duister viertal’

    De laatste jaren hebben psychologen een sterk verband geconstateerd tussen pesten op internet en wat wel het ‘duistere viertal’ persoonlijkheidskenmerken wordt genoemd: psychopathie, sadisme, narcisme en machiavellisme. De eerste twee eigenschappen blijken internetpestgedrag significant vaak te voorspellen, en bij alle vier is er een sterk verband met het genot dat iemand aan zulk gedrag beleeft. Uit een in juni 2017 gepubliceerd onderzoek van de Australische psychologen Natalie Sest en Evita March blijkt dat internettrollen vaak hoog scoren op cognitieve empathie, wat inhoudt dat ze wél beseffen dat ze anderen emotionele schade berokkenen, maar laag in affectieve empathie, wat erop neerkomt dat het ze niks kan schelen. Ze zijn, kortom, uiterst bedreven in de meedogenloze manipulatie van hun medemens.

    In de zomer van 2015 verscheen er een nieuwe grote blanke held op het toneel, eentje die zelf een stokebrand is; te midden van een hoop betaalde figuranten stapte hij in Manhattan van zijn gouden roltrap. En luttele dagen nadat Donald Trump zijn kandidaatschap daar had aangekondigd – met een tirade tegen Mexicaanse ‘verkrachters’ – werd hij door Anglin op het schild geheven als ‘de enige die echt voor onze belangen opkomt’. Anglin begon zich onmiddellijk in te zetten voor zijn verkiezing. Hij schreef aan de lopende band juichende berichten over hem en hitste zijn trollen op tegen Trumps tegenstanders. Hij ontketende enkele van zijn vuilste campagnes tegen Joodse journalisten die kritiek hadden op Trump of zijn kompanen. Jarenlang had Anglin niet gestemd, maar op Trump wilde hij koste wat kost zijn stem uitbrengen. Zijn schriftelijke stem arriveerde in Ohio vanuit Krasnodar, een stad in Zuidwest-Rusland, niet ver van de Zwarte Zee.

    Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Russische overheid niet op de hoogte was van deze Amerikaan die vanuit Rusland een belangrijke neonazistische website onderhield. Anglin aanbad Poetin en leek een ideale online-onruststoker om de Amerikaanse verkiezingen te verstoren. Afgelopen maart schreef Auernheimer in een van zijn commentaren op The Daily Stormer dat hij het forum verhuisde naar ‘een veel krachtiger server in de Russische Federatie’. Anglin zou de lezers op zijn site later bezweren – ‘op straffe van vervolging voor meineed’ – dat hij nooit geld of instructies van de Russische overheid had gekregen. Maar of hij het wist of niet, het succes van zijn site lijkt wel degelijk vanuit Rusland te zijn gesteund. Uit een door onderzoekscollectief Susan Bourbaki Anthony uitgevoerde analyse van het Twitterbereik van The Daily Stormer tussen 2 februari en 2 maart 2017 bleek dat Anglins berichten op Twitter werden verspreid via een mysterieus netwerk van vage accounts. Dit nog steeds actieve netwerk is al minstens vanaf begin dit jaar bezig het politieke debat in Amerika te polariseren. Het omvat bots [geautomatiseerde accounts] en ‘sock puppets’ (accounts onder een valse naam) en het ligt stil van vijf uur ’s middags tot elf uur ’s avonds New Yorkse tijd – ofwel van middernacht tot half zeven ’s ochtends Russische tijd.

    Mede door de verkiezingen groeide The Daily Stormer van een van de vele neonazisites uit tot hét platform voor alt-right – al was de site ook weer lang niet zo populair als Anglin het graag deed voorkomen. De miljoenen unieke bezoekers per maand waar hij en Auernheimer prat op gingen, waren er volgens onderzoeksbureau comScore in het echt hooguit zo’n zeventigduizend. Maar Anglin wist hoe hij ketelmuziek moest maken, en wat de precieze cijfers ook zijn, door de opkomst van Trump zat zijn site absoluut in de lift. In mei 2016 vroeg Wolf Blitzer van CNN aan Trump wat hij vond van de scheldkanonnades en bedreigingen die verslaggeefster Julia Ioffe ontving van Anglins volgelingen nadat ze een artikel over Melania Trump had geschreven voor GQ. (Ioffe werkt inmiddels voor The Atlantic.) ‘Ik heb geen boodschap voor de fans’, was Trumps antwoord. De fans. Zijn mensen. Toen een journalist Anglin vroeg hoe hij aankeek tegen Trumps pertinente weigering om neonazi’s te veroordelen, zei hij: ‘Wij zien dat als een steunbetuiging.’

    Eric ‘The Butcher’ Fairburn op een herdenkingsconcert voor de oprichter van de American Nazi Party, George Lincoln Rockwell, 27 augustus 2005 in Pennsylvania. – © Getty Images
    Eric ‘The Butcher’ Fairburn op een herdenkingsconcert voor de oprichter van de American Nazi Party, George Lincoln Rockwell, 27 augustus 2005 in Pennsylvania. – © Getty Images

    In februari ben ik weer naar Columbus gegaan. Ik had gehoord dat Anglin daar een hoorzitting bij de rechtbank had: om de een of andere reden had hij kwijtschelding aangevraagd van zijn strafblad voor drugsbezit in 2006. Ik wilde proberen om hem bij de rechtbank aan te schieten. Op de dag van mijn komst stond er toevallig net een lang artikel over Anglin in de wekelijkse stadskrant Columbus Alive. De avond daarop liep Anglin een supermarkt binnen waar een demonstrant werkte die in dat artikel werd geciteerd. Zij vertelde me later dat hij ondanks de kou slechts gekleed ging in een wit T-shirt en zwarte trainingsbroek. Met een energiedrankje in zijn hand kwam hij naar haar toe, staarde haar aan en zei: ‘Hoe gaat ie?’ Daarna verdween hij in de nacht.

    Ik logeerde niet ver van de oude Exile Bar, ooit de voornaamste homobar in Columbus en destijds een goede bron van inkomsten voor Anglins familie: zijn oom Todd was de eigenaar geweest van deze en nog een andere homobar. Nadat Todd aan aids was overleden, kwamen de cafés in handen van Greg. Volgens twee zegslieden gingen de wilde dansfeesten en fetisjavonden toen gewoon door, terwijl Greg in zijn praktijk ook homobekeringstherapie aanbood. Greg bezat aardig wat onroerend goed in het stadje; een aantal van die panden, die er niet altijd even florissant uitzagen, ben ik afgegaan op zoek naar zijn neonazistische zoon.

    Ik dacht ook dat Anglin misschien logeerde bij zijn jeugdvriend West Emerson, die een ‘lievelingscitaat’ van Hitler en verschillende verwijzingen naar alt-right op zijn Facebookpagina heeft staan. Emerson schepte graag op over zijn vriendschap met Anglin. Verschillende mensen die ik sprak hebben hem horen zeggen dat hij dagelijks contact met hem had. In appjes aan een van hen beweerde hij op een gegeven moment dat hij ‘terwijl ik dit schrijf’ met Anglin zat te praten. Maar mij wilde hij niet te woord staan. (Emerson heeft The Atlantic laten weten dat hij Anglins standpunten niet deelt, hem in geen vijftien jaar heeft gezien en zijn telefoonnummer niet eens heeft.)

    Een week na de publicatie van het verhaal in Columbus Alive leverde Anglin de verslaggevers uit aan de woede van zijn lezers. Hij zette hun contactgegevens online, plus foto’s van hun huizen, auto’s, echtgenoten en kinderen, waaronder een baby van zes maanden. ‘Tijd voor actie’, jutte hij zijn lezers op, die de journalisten vervolgens per telefoon, post en e-mail met bedreigingen bestookten. Ze voelden zich niet meer veilig in hun eigen huis. De politie moest vaker gaan surveilleren in hun wijk.

    Op een avond reed ik naar een adres waar Anglins moeder misschien woonde. Het schemerde, alleen in de woonkamer brandde licht. Van een afstandje had ik een dunne vrouw voor het raam zien staan, maar toen ik mijn auto parkeerde was het licht al uit. Ik belde aan, klopte en wachtte een paar minuten. Er werd niet opengedaan. Ik krabbelde snel een briefje – ‘Ik moet nodig iemand spreken die van Andy houdt en het voor hem wil opnemen’ – en schoof dat tussen de deur. Een paar dagen later heb ik de voicemail op haar werk nog ingesproken. Ze heeft nooit van zich laten horen. Ik was er wel aan het juiste adres. Anglin zette later een foto van mijn briefje online en beschuldigde mij van een ‘vuile verschroeide aarde-campagne’ om zijn familie en vrienden te bedreigen. Hij noemde me een terrorist die hem het zwijgen wil opleggen. Ik kreeg telefoontjes en mails van boze Stormers. Eentje gaf me valse informatie over Anglins verblijfplaats. Ik kreeg een handjevol e-mails met een virus.

    Het is hem juridisch toegestaan om te beweren dat “moslims uitgeroeid moeten worden”. Hij mag alleen geen specifieke moslim met uitroeiing bedreigen

    Anglin zelf bleef ongrijpbaar. Zijn hoorzitting stond gepland voor maandagochtend tien uur, maar die nacht liepen vijf verdiepingen van de rechtbank waterschade op door een breuk in de waterleiding. Alle zittingen op die verdiepingen werden uitgesteld, waaronder die van Anglin. Ik ging er de ochtend daarna om negen uur wel kijken, in de hoop dat Anglin zich toch zou vertonen. Het duurde even voor ik de juiste verdieping had gevonden. Anglin en zijn advocaat bleken nog vroeger te zijn gekomen en de veroordeling was geschrapt. Ik was hem net misgelopen.

    In april is Anglin door Tanya Gersh en het Southern Poverty Law Center (SPLC) voor de federale rechter gedaagd wegens privacyschending, het opzettelijk toebrengen van emotioneel leed en overtreding van een staatswet tegen intimidatie. Hij moest zich verantwoorden voor wat in de aanklacht een ‘terreurcampagne’ werd genoemd, die Gersh paniekaanvallen had bezorgd waarvoor ze nu in therapie moest. Dat ze haar heil beter kon zoeken in een civiele procedure dan in aangifte van een strafbaar feit, was veelzeggend. De autoriteiten konden weinig uithalen tegen de haatdragende teksten op The Daily Stormer; die worden beschermd door het recht op vrije meningsuiting en Anglin weet dat. Hij verwijst vaak naar ‘Brandenburg versus Ohio’, een uitspraak van het Hooggerechtshof over een toespraak die KKK-lid Clarence Brandenburg in 1964 hield op een boerderij bij Cincinnati. Brandenburg trok daarin fel van leer tegen Joden en zwarten, en zei dat er weleens ‘wraak genomen kon worden’ als de overheid doorging met het onderdrukken van blanken. Het Hooggerechtshof oordeelde dat zijn geraaskal onder de vrijheid van meningsuiting viel, aangezien zijn woorden te abstract waren geweest om aan te zetten tot ‘directe wederrechtelijke daden’ en ook niet voldeden aan het criterium dat ze een ‘duidelijk en onmiddellijk gevaar’ vormden. De ‘Brandenburg-test’ geeft nu zo’n beetje aan hoe ver haatzaaiers kunnen gaan, en Anglin zorgt er altijd voor dat zijn oproepen tot geweld voldoende vaag blijven. Zo is het hem juridisch toegestaan om te beweren dat ‘moslims uitgeroeid moeten worden’. Hij mag alleen geen specifieke moslim met uitroeiing bedreigen.

    Wel heeft hij mogelijk een juridische grens overschreden met de pestcampagnes die hij instigeert. Cyberstalking (ofwel het gebruik van internet op een wijze die ‘anderen aanzienlijke emotionele schade berokkent of beoogt te berokkenen of redelijkerwijs verwacht kan worden te berokkenen’) is een federaal misdrijf waarop maximaal vijf jaar cel en een boete van 250.000 dollar staat. Daarnaast hebben ook veel afzonderlijke staten het als misdrijf in hun wet opgenomen. Het is moeilijk om daarvoor iemand te veroordelen, omdat de belagers hun identiteit goed weten te verbergen. Eén trol kan één keer op je voicemail inspreken dat je als een heks op de brandstapel moet, maar dat voldoet nog niet aan de criteria voor cyberstalking. Toch wordt het doodeng als honderden trollen dat ineens tegelijk doen. ‘Het is net een bijenzwerm,’ zegt Danielle Citron, hoogleraar Rechten aan de Universiteit van Maryland en een deskundige op het gebied van cybercriminaliteit. ‘Je wordt duizend keer gestoken. En elke steek doet pijn. Maar wat je ziet is één grote, gruwelijke, gonzende massa.’

    En al doet Anglin zelf niet mee aan de pesterijen, hij zet er wel toe aan en faciliteert het, zegt Citron. Dat zijn weer misdrijven op zich – alleen geen misdrijven waar politie en justitie werk van willen maken. Weinig politiekorpsen hebben de middelen om achter internetpesters aan te gaan. Volgens Citron hebben federale rechercheurs hun handen al meer dan vol aan de jacht op kinderporno, fraude en terrorisme, en krijgt cyberstalking dus geen prioriteit. Daarom zat er voor Gersh niets anders op dan Anglin voor de rechter te slepen. Een week later startte Auernheimer een campagne op WeSearchr, een crowdfundsite van Chuck Johnson, een extreem-rechtse activist en trol die banden met de regering-Trump zegt te hebben. Binnen een maand doneerden de Stormers meer dan 150.000 dollar voor Anglins advocatenkosten. Anglin nam Marc Randazza in de arm, een specialist op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, die ook de verdediging heeft gevoerd voor Mike Cernovich, een andere voorman van extreem-rechts.

    De regiezitting vond afgelopen december plaats [de rechtszaak zelf zal pas 22 januari 2019 van start gaan]. Dit was de eerste keer dat een beruchte internettrol voor de rechter kwam vanwege het instigeren van een intimidatiecampagne. Dat zal de rechter misschien dwingen om zich eens uit te spreken over de vraag of een trolaanval – Anglins aansporing om ‘ze te grazen te nemen’ – onder de vrijheid van meningsuiting valt. Het risico is natuurlijk dat als Anglin straks vrijuit gaat, sadistische trollen carte blanche krijgen om op internet helemaal los te gaan. Aan de andere kant zegt Randazza dat het een gevaarlijk precedent zou scheppen als Anglins getreiter aan banden wordt gelegd. Anglin ‘heeft het volste recht om mensen te vragen hun mening te delen, hoe verwerpelijk die meningen soms ook zijn’, hield hij me voor. ‘Dat is de rottige prijs die we voor onze vrijheid moeten betalen.’

    Witte supremacisten, neonazi’s en alt-rightaanhangers bij een standbeeld van Thomas Jefferson na een mars door de universiteit in Charlottesville, 11 augustus 2017. – © Samuel Corum / Anadolu Agency / Getty Images
    Witte supremacisten, neonazi’s en alt-rightaanhangers bij een standbeeld van Thomas Jefferson na een mars door de universiteit in Charlottesville, 11 augustus 2017. – © Samuel Corum / Anadolu Agency / Getty Images

    In augustus kwamen kopstukken van de alt-right-beweging naar Charlottesville voor de grootste bijeenkomst van extreem-rechts in meer dan tien jaar. Richard Spencer, Mike Enoch, Matthew Heimbach, Eli Mosley en zelfs David Duke, het oude KKK-lid dat zich nu achter alt-right schaart om aansluiting te vinden bij racistische jongeren. Iedereen behalve Anglin. ‘We zijn boos’, had Anglin een paar dagen eerder geschreven. ‘We verlangen weer naar een tijdperk van geweld. We willen oorlog.’ Veel van zijn volgelingen trokken ook naar Charlottesville. Goed voorbereid op knokpartijen. Sommigen hadden zelfgemaakte, met doodskoppen gesierde schilden bij zich. Maar Anglin is nooit het type geweest om zich fysiek in de strijd te werpen.

    Alles wees erop dat hij na de rechtbankzitting in Columbus in Amerika was gebleven en in de loop van de zomer nog dieper was ondergedoken. Het SPLC schakelde deurwaarders in om Anglin van de rechtszaak in kennis te stellen, maar ze konden hem nergens vinden, hoewel ze het op zeven verschillende adressen herhaaldelijk hebben geprobeerd. In één appartement in Columbus werd de deur geopend door Anglins jongere broer Mitch, maar ook die werkte niet mee. Dat ‘kon hij niet maken’ tegenover zijn broer, zei hij. Op een ander adres kreeg de deurwaarder de indruk dat Anglin wel binnen zat maar niet opendeed. Randazza moest lachen om die onvindbaarheid van zijn cliënt. (Al snel kreeg Anglin nog twee federale rechtszaken aan zijn broek: van Dean Obeidallah, moslim, komiek en radiopresentator, die hem van smaad beticht, en van inwoners van Charlottesville die de kopstukken van alt-right verantwoordelijk houden voor het geweld met dodelijke afloop tijdens de protesten in hun stad.) Toen Anglin tegen CNN zei dat hij naar Nigeria was verhuisd, maakten de Stormers zich vrolijk dat de zender die leugen uitzond. Een van hen probeerde mij wijs te maken dat Anglin in Tsjechië zat. Maar ik had een betrouwbare tip dat hij ergens in het Midwesten uithing.

    De Stormers hadden een besloten chatserver bij de chat-app Discord waarop ik onder een schuilnaam kon inloggen. Dan zag ik ze over genocide kletsen in bewoordingen die weinig aan de verbeelding overlieten. ‘Het enige wat ik voor mijn dood nog wil, is zien hoe die [Joden] krijsend in een poel van ellende ten onder gaan op de grond van mijn vaderland’, schreef Auernheimer. ‘Ik hoef geen rijkdom. Ik hoef geen macht. Ik wil alleen dat hun dochters voor hun ogen worden doodgemarteld en ik wil ze lachend in hun gezicht spugen terwijl ze het uitschreeuwen van ellende.’

    In juli plaatste Auernheimer een nieuwe huisregel op hun Discord-forum: ‘Praat niet met de politie. Als we erachter komen dat je om welke reden dan ook met de politie hebt gesproken, word je van het forum gegooid.’ Eindelijk leek justitie dan toch interesse te tonen in Anglins activiteiten. En van de weeromstuit leek hij nog gekker te worden. In een bij alt-right zeer populaire podcast begon hij tegen de verbijsterde presentatoren te orakelen over het ‘elektrisch universum’ en ‘de deconstructie van de werkelijkheid’, en hij verzekerde ze dat ‘zodra die Joden eindelijk zijn uitgeroeid, de strijd tegen de aliens zal beginnen’.

    Op zijn site begon hij een meme te creëren rond ‘witte sharia’, vergezeld van pleidooien dat vrouwen door mannen mochten worden mishandeld en verkracht, beroofd moesten worden van hun stemrecht en als bezit van hun man moesten worden gezien. Vrouwen ‘zijn nog lager dan honden’, schreef hij. ‘Het zijn allemaal vuile, immorele, domme hoeren die geen enkel respect verdienen.’ Dat was verwarrend voor veel van zijn lezers en tegen het zere been van de paar vrouwen die de site bezochten. Ook begrepen veel Stormers niet waarom Anglin een concept uit de islam wilde propageren. Maar Anglin bleef er onvermoeibaar op hameren, en na tientallen berichten begon zijn meme toch navolging te krijgen. ‘Witte sharia’ was een van de slogans die radicaal-rechtse betogers in augustus in Charlottesville scandeerden. Het was wat James Alex Fields Jr. riep voordat hij met zijn auto op antiracistische demonstranten inreed en werd aangeklaagd voor de moord op Heather Heyer.

    Victorie

    Anglin kraaide victorie: de protestmars die hem in Whitefish voor ogen had gestaan, werd hier verwezenlijkt. Als iemand voor deze betoging had geijverd, was hij het wel. Zijn site was cruciaal geweest voor de organisatie. ‘Alt-right is opgestaan. Dit valt niet terug te draaien’, schreef hij. ‘Dit was onze Bierkellerputsch.’ En toen Trump de extreem-rechtse betogers weer weigerde te veroordelen, was hij helemaal in zijn nopjes. ‘Geen afstand nemen’, schreef hij. ‘Heel, heel goed. Bovenste beste kerel.’ De dag na de betoging schreef Anglin dat Heyer een ‘dikke slons’ was geweest en dat ‘de meeste mensen blij zijn dat ze dood is’. Dat bericht werd binnen een dag vaker op Facebook gedeeld dan enig ander bericht van The Daily Stormer tot dan toe. Op hun besloten chatserver opperde Auernheimer het idee om neonazi’s naar haar begrafenis te sturen.

    Maar al pochten ze nog zo hard dat ze het Raam van Overton oprekten, Anglin had niet voorzien dat naarmate zijn uitingen bloeddorstiger werden, zijn invloed ook steeds meer zou worden beknot. The Daily Stormer verloor zijn domeinregistratie bij GoDaddy en kon al snel geen gebruik meer maken van de maildiensten van Zoho en SendGrid. Ook Cloudflare, dat bescherming bood tegen cyberaanvallen, stelde geen prijs meer op hun klandizie. De site ging op zwart, evenals andere sites van alt-right. Discord gooide de server dicht waarop ze hun plannen bekokstoofden en sloot ook diverse andere chatrooms van racistische groeperingen. Richard Spencer had al gewaarschuwd voor ‘Het Grote Afknijpen’, en dat was nu begonnen. Anglin en Auernheimer deden verwoede pogingen om The Daily Stormer weer online te zetten, maar kregen bij een handvol domeinregistratiebedrijven steeds nul op het rekest – zelfs bij het Russische Rozcom. Op het moment van schrijven hebben ze weer een versie in de lucht bij een provider in de Filipijnen, waar ze hun site nu omschrijven als ‘Amerika’s grootste pro-Duterte-nieuwssite’. Maar Anglin heeft veel lezers verloren. Het aantal bijdragen op de reactiepagina’s, de voornaamste aanjager van zijn gemeenschap, is gedecimeerd.

    Zijn paniek was bijna voelbaar toen hij zijn extremistische imago dit najaar probeerde te temperen. ‘Ik ben niet echt een “Neo-Nazi White Supremacist”, ik weet niet eens wat dat precies betekent’, schreef hij half september. Hij beweerde dat zijn gewelddadige teksten nooit serieus bedoeld waren, dat hij alleen de spot wilde drijven met mensen die je meteen voor nazi uitmaken als je ‘opkomt voor de rechten van blanke mensen’ of ‘weigert te geloven in de achterlijke leugens over Hitler’ of in de ‘zogenaamde’ Holocaust. Hij legde uit wat volgens hem van meet af aan zijn ware insteek was geweest: ‘Ironisch nazisme vermomd als echt nazisme vermomd als ironisch nazisme.’ Vijf dagen later schreef hij dat ‘de wereld geregeerd wordt door reptielen uit een andere dimensie of een ander alienras van reptielen of insecten’. Moeilijk te bepalen wat nog ironie was en wat niet. Ik heb Anglin nog één keer gemaild met een verzoek om een interview. Geen antwoord. De volgende dag schreef hij een bericht waarin hij opriep tot de massa-executie van journalisten. ‘Ik wil journalistenhersenen van de muur zien druipen’, schreef hij.

    In de maanden dat ik Anglin heb gevolgd, kwam hij soms over als een dolgedraaide methodacteur die zo diep in zijn rol is weggezonken dat hij zich er niet meer van kan losmaken. Ik moest denken aan een zinnetje van Kurt Vonnegut: ‘We zijn wat we pretenderen te zijn, dus we moeten oppassen met wat we pretenderen te zijn.’ Anglin had er, zoals zoveel jonge mannen die met hun gevoelens in de knoop zitten, voor gekozen om op internet iemand of iets te zijn wat groter was dan hijzelf – iets vervaarlijks, ter verhulling van zijn innerlijke breekbaarheid, die hij niet kon uitstaan. Nu was de werkelijkheid ingehaald door zijn fantasie en kon hij er niet meer aan ontkomen. Wie was hij nog, als hij niet de trollenkoning van de nazi’s was?

  • 41 miljoen armen, welkom in Amerika

    41 miljoen armen, welkom in Amerika

    VN-rapporteur Philip Alston wil weten waarom 41 miljoen Amerikanen in armoede leven. The Guardian vergezelde hem twee weken lang tijdens een speciale missie naar het donkere hart van het rijkste land ter wereld.

    Los Angeles, Californië

    ‘Je moet een keuze maken, man. Je kunt rechtdoor, naar de hemel. Of je kunt rechtsaf slaan en dáár eindigen.’ We zijn in Los Angeles, in het hart van een van de rijkste steden van Amerika, en de geheel in het zwart gestoken General Dogon is onze gids. Naast hem kuiert een andere lange man, met grijs haar en keurig gekleed in spijkerbroek en colbertje. Professor Philip Alston is een Australische academicus met een officiële titel: speciale VN-rapporteur op het gebied van extreme armoede en mensenrechten. General Dogon, zelf een oudgediende van deze straten in de wijk Skid Row, stapt zonder commentaar over een dode rat heen en omzeilt een lichaam dat in een versleten oranje deken gewikkeld op het trottoir ligt.

    De twee mannen passeren het ene na het andere blok van sjofele tenten en geïmproviseerde optrekjes van zeildoek. Ervoor zitten of slapen mannen en vrouwen, soms in groepjes maar meestal alleen, als figuranten in een goedkope griezelfilm.

    We komen op een kruispunt, waar General Dogon stopt en zijn gast voor de eerdergenoemde keuze stelt. Hij wijst recht vooruit naar het eind van de straat, waar de glinsterende wolkenkrabbers van het centrum van LA als een belofte van goddelijke rijkdom ten hemel rijzen. Dan draait hij naar rechts, waarbij de Black Power-tatoeage in zijn nek zichtbaar wordt, en leidt onze blik weer naar Skid Row, vijftig blokken van opeengepakte menselijke vernedering. Een nachtmerrie in het volle zicht, in de stad van de dromen.

    Zo begint een reis van twee weken naar de schaduwkant van de Amerikaanse Droom. De belangstelling van de VN-rapporteur, die overal ter wereld een onafhankelijk oordeel velt over de mensenrechtensituatie, gaat ditmaal uit naar de VS en bereikt een hoogtepunt met de presentatie van zijn eerste bevindingen in Washington. Zijn feitenonderzoek naar het rijkste land dat de wereld ooit heeft gekend heeft hem naar de kern van de tragedie geleid: de 41 miljoen mensen die officieel in armoede leven. Negen miljoen daarvan hebben geen enkel inkomen – ze ontvangen geen cent overheidssteun.

    Van armoede naar armoede

    Alstons epische reis heeft hem van kust naar kust gevoerd, van armoede naar armoede. Hij begon in LA en San Francisco, reisde door de koloniale schandvlek Puerto Rico en daarna terug naar de zwaar beproefde kolenstreek van West Virginia, en overal zag hij met eigen ogen de funeste uitwerking van Amerika’s vertrouwen in het vrije ondernemerschap, waarbij publieke hulp uit den boze is.

    The Guardian kon de VN-gezant door het hele land volgen, woonde zijn belangrijkste bezoeken bij en was getuige van de extreme armoede waar hij persoonlijk kennis van nam. Zie het als een koekje van eigen deeg. Om met de VN-rapporteur zelf te spreken: ‘Washington wil maar al te graag dat ik de armoede en de slechte mensenrechtensituatie in andere landen aan de kaak stel. Ditmaal ben ik in de VS.’

    De reis vindt plaats op een kritiek moment voor Amerika en de rest van de wereld. Hij begint op de dag dat de Republikeinen in de Amerikaanse Senaat voor drastische belastingverlagingen stemmen die de superrijken in de kaart zullen spelen, terwijl veel lage-inkomensgezinnen zich met hogere belastingen geconfronteerd zullen zien. Door de veranderingen zal de inkomensongelijkheid toenemen, die met drie mannen – Bill Gates, Jeff Bezos en Warren Buffet – die samen evenveel bezitten als de helft van het hele Amerikaanse volk, toch al extremer is dan in enig ander geïndustrialiseerd land. Een paar dagen na het begin van het VN-bezoek doen de Republikeinse leiders er nog een reusachtige schep bovenop. Ze kondigen een verdere aanslag aan op de sociale voorzieningen van een toch al tot op de draad versleten verzorgingsstaat.

    ‘Kijk omhoog! Kijk naar die banken, die hijskranen, die luxeflats die verrijzen!’ roept General Dogon, die vroeger dakloos was in Skid Row en zich nu inzet voor het buurtactiecentrum LACAN. ‘Hier beneden is niks. Je ziet de tenten rug aan rug staan, de mensen kunnen nergens heen.’

    ©  Désirée van Hoek
    © Désirée van Hoek

    Californië is een goed startpunt voor het VN-bezoek. De staat belichaamt zowel de onmetelijke rijkdom die de 0,001 procent aan de techboom heeft overgehouden als de gestegen huizenprijzen die daar het gevolg van zijn en waardoor het aantal daklozen de pan uit rijst. Los Angeles, de stad met veruit de grootste daklozenpopulatie van de VS, worstelt met het aantal crisisgevallen, dat het afgelopen jaar met 25 procent gestegen is tot 55.000.

    Ressy Finley (41) is druk doende met het ontsmetten van de witte emmer die ze als toilet gebruikt in haar tent waar ze nu al meer dan tien jaar af en aan woont. Ze houdt haar woonruimte – een hoop versleten matrassen en dekens en een paar andere bijeengeraapte bezittingen – zo schoon mogelijk in een verloren strijd tegen ratten en kakkerlakken. Ook kampt ze met bedwantsen, waar de rode plekken op haar schouder van getuigen. Ze heeft geen officieel inkomen, en wat ze verdient met het inzamelen van flessen en blikjes is bij lange na niet voldoende om zich de gemiddelde huur van 1400 dollar per maand voor een minuscuul eenkamerwoninkje te kunnen veroorloven. Een vriend brengt haar om de paar dagen eten; de rest van de tijd is ze aangewezen op voedselbanken in de buurt.

    Ze huilt tot twee keer toe tijdens ons korte gesprek, eenmaal wanneer ze vertelt hoe haar baby door welzijnswerkers uit haar armen werd getrokken vanwege haar drugsgebruik (hij is nu veertien, ze heeft hem nooit meer gezien). De tweede keer is als ze zinspeelt op het seksueel misbruik dat haar als kind op het pad van drugs en dakloosheid bracht.

    Bij dat alles is het opmerkelijk hoe positief Finley blijft. Wat vindt ze van de Amerikaanse Droom, het idee dat iedereen het kan maken als hij maar hard genoeg zijn best doet? Ze geeft onmiddellijk antwoord: ‘Ik weet dat ik het ga maken.’

    Een vrouw van 41 die op het trottoir in Skid Row woont en het gaat maken?

    ‘Tuurlijk, zolang ik er maar in blijf geloven.’

    Wat betekent ‘het maken’ precies voor haar?

    ‘Ik wil schrijver worden, dichter, ondernemer, therapeut.’

    Zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht

    Het stukje trottoir naast Finley wordt bezet door Robert Chambers. Hij heeft van houten pallets een gebied rond zijn tent gemaakt dat in Skid Row doorgaat voor een tuintje. Hij heeft een bord neergezet waarop ‘Dakloze Schrijverscoalitie’ staat, de naam van een groep daklozen die hij leidt om ze hun waardigheid te laten behouden tegenover wat hij de ‘animalistische’ aspecten van hun leven noemt. Hij doelt vooral op het gebrek aan openbare toiletten dat mensen dwingt hun behoefte op straat te doen.

    Het stadsbestuur van LA heeft meer beschikbare toiletten beloofd – wat hoognodig is, gezien de uitbraak van hepatitis A die zich vanuit San Diego langs de westkust verspreidt en al 21 mensen het leven heeft gekost, voornamelijk als gevolg van het gebrek aan sanitaire voorzieningen in daklozenkampen. ’s Nachts worden de parken met openbare toiletten gesloten om daklozen te weren.

    Skid Row telt ’s nachts negen toiletten voor 1800 mensen die op straat leven. Dat is beduidend minder dan de VN voorschrijft voor de kampen voor Syrische vluchtelingen. ‘Het is gewoon onmenselijk, en uiteindelijk zul je er een animalistische levensinstelling aan overhouden,’ zegt Chambers. Hij leeft al bijna een jaar op straat, omdat hij wegens drugsbezit de voorwaarden van zijn voorwaardelijke vrijlating heeft geschonden en uit zijn goedkope appartement is gezet. Hij is niet meer te helpen, zegt hij, van ‘het maken’ is geen sprake meer. ‘Het veiligheidsnet? Daar zitten voor mij te veel gaten in.’

    Van alle mensen die het pad van de VN-rapporteur kruisen, is Chambers het negatiefst over de Amerikaanse Droom. ‘Mensen realiseren zich niet dat het nooit beter wordt; mensen zoals wij kunnen er nooit bovenop komen. Ik ben 67, ik heb een hartkwaal, ik zou hier niet buiten moeten wonen. Ik zal het misschien niet lang meer maken.’

    Dat is een heleboel ellende om op één dag te verstouwen, en zelfs een doorgewinterde armoede-expert als Alston is erdoor van zijn stuk gebracht. Als speciale VN-rapporteur heeft hij eerder verslag uitgebracht over de erbarmelijke leefomstandigheden in onder andere Saoedi-Arabië en China. Maar Skid Row? ‘Ik was behoorlijk gedeprimeerd,’ vertelt hij The Guardian later. ‘Die eindeloze stroom gruwelverhalen. Op een bepaald moment ga je je afvragen of iemand er wel iets aan kan doen, laat staan ik.’

    Dan neemt hij het vliegtuig naar San Francisco, naar de wijk Tenderloin, waar het wemelt van de daklozen, en loopt de St. Boniface-kerk binnen. Wat hij daar ziet is balsem voor zijn ziel.

    San Francisco, Californië

    Zo’n zeventig daklozen liggen rustig te slapen op banken achter in de kerk, zoals hun op weekdagen elke ochtend is toegestaan, terwijl voor in de kerk de gelovigen eensgezind bidden. De kerk vangt hen op vanuit de katholieke gedachte dat iedereen een helpende hand verdient.

    ‘Ik vond die kerk heel erg opbeurend,’ zegt Alston. ‘Het was zo’n simpel schouwspel en zo’n voor de hand liggend idee. Ik dacht: als het christendom hier niet over gaat, waarover dan in hemelsnaam wel?’

    Het is een zeldzame druppel altruïsme aan de westkust, die het moet opnemen tegen een zee van vijandigheid. Californische steden hebben de afgelopen jaren meer dan vijfhonderd antidaklozenwetten aangenomen. En Ben Carson, de neurochirurg die door Donald Trump tot minister van Huisvesting is benoemd, decimeert het nationale budget voor betaalbare woningen.

    Het meest veelzeggende detail is misschien nog wel dat behalve St. Boniface en haar zusterkerk geen enkel gebedshuis in San Francisco daklozen opvangt. Sterker nog, vele hebben, zelfs in dit seizoen van naastenliefde, hun deuren voor iedereen gesloten om de daklozen maar buiten te houden.

    Zoals Tiny Gray-Garcia, die zelf op straat leeft, aan Alston vertelt, hebben zij en haar lotgenoten elke dag te maken met wat ze ‘het geweld van het wegkijken’ noemt. Die wrede trek is al sinds de stichting van het land een kenmerk van het Amerikaanse leven. Het afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid (de Britse monarchie) werd in de ogen van veel Amerikanen synoniem met het individualistische idee dat je het zelf moet maken – een idee dat prima is voor degenen die zo gelukkig zijn dat ze dat kunnen, maar minder voor degenen die aan de verkeerde kant van de spoorlijn zijn geboren.

    De New Deal van Franklin Roosevelt en de Great Society van Lyndon Johnson waren strijdig met dit idee en gingen ervan uit dat een samenleving zichzelf moet beschermen tegen de grillen van honger en werkloosheid. Maar de laatste tijd waait de wind sterk in de richting van ‘zoek het zelf maar uit’. Die trend werd in de jaren tachtig gezet door de belastingverlagingen van Ronald Reagan, gevolgd door Bill Clinton die in 1996 besloot de bijstand voor gezinnen met lage inkomens te schrappen, een maatregel waaronder nog steeds miljoenen Amerikanen gebukt gaan.

    © Désirée van Hoek
    © Désirée van Hoek

    Als gevolg van deze opeenstapeling van aanvallen op de verzorgingsstaat genieten gezinnen die moeite hebben om rond te komen, onder wie de vijftien miljoen kinderen die officieel in armoede leven, beduidend minder steun dan in enige andere geïndustrialiseerde economie. En nu worden ze misschien wel met de allergrootste dreiging geconfronteerd. Zoals Alston zelf schreef in een essay over het populisme van Trump en de agressieve uitdaging die dat voor de mensenrechten betekent: ‘Dit zijn bijzonder gevaarlijke tijden. Bijna alles lijkt mogelijk.’

    Lowndes County, Alabama

    Trumps ondermijning van de mensenrechten, gevoegd bij het Republikeinse dreigement om volgend jaar nog verder in de sociale uitkeringen te snoeien en daarmee een deel van de belastingverlagingen te compenseren die nu door het Congres worden gejaagd, zal Afro-Amerikanen disproportioneel hard treffen. Zwarte mensen vormen 13 procent van de Amerikaanse bevolking, maar 23 procent van de mensen die onder de armoedegrens leven is zwart, evenals 39 procent van de daklozen.

    Het raciale element van Amerika’s armoedecrisis is nergens zo zichtbaar als in het diepe zuiden, waar de open wonden van de slavernij nog altijd bloeden. De volgende halte van de speciale VN-rapporteur is de ‘Black Belt’, een term die oorspronkelijk naar de rijke donkere grond verwees die in een strook door Alabama loopt, maar die mettertijd gebruikt ging worden voor de Afro-Amerikaanse bevolking die daar de meerderheid vormt.

    De link tussen bodemsoort en demografie was niet toevallig. De katoen tierde welig op dit vruchtbare land, wat op zijn beurt tot een levendige handel in slaven leidde om die te oogsten. De afstammelingen van de slaven wonen nog altijd in de Black Belt en behoren nog steeds tot de armsten van het land.

    Je kunt de geschiedenis van de Amerikaanse schande, van de slavernij tot het heden, in een reeks eenvoudige grafieken weergeven. De eerste toont de katoenvriendelijke bodem van de Black Belt, de tweede de slavenbevolking, gevolgd door het zwarte woongebied en de extreme armoede van vandaag de dag: allemaal vormen ze precies dezelfde halvemaan die door Alabama loopt.

    De huidige erbarmelijke situatie van de zwarte gemeenschap van Alabama zou je op vele manieren kunnen analyseren. De grimmigste is misschien wel het feit dat zo veel gezinnen in de Black Belt nog altijd geen toegang hebben tot sanitaire voorzieningen. Duizenden mensen leven nog steeds tussen open riolen die je normaliter met ontwikkelingslanden associeert.

    Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen

    Vorig jaar onthulde The Guardian dat deze crisis tot een aanhoudende mijnwormepidemie heeft geleid, veroorzaakt door de gelijknamige intestinale parasiet die zich via menselijke ontlasting verspreidt. Deze komt voor in Afrika en Zuid-Azië, maar werd in de VS al jaren geleden als uitgeroeid beschouwd. Maar in de thuisstaat van Trumps minister van Justitie Jeff Sessions doet de worm zich nog altijd tegoed aan het bloed van arme mensen – een ziekte van ontwikkelingslanden die gedijt in het rijkste land ter wereld.

    Het openrioolprobleem is vooral nijpend in Lowndes County, een overwegend zwart district dat het epicentrum was van de burgerrechtenbeweging en vanwaaruit Martin Luther King in 1965 zijn mars van Selma naar Montgomery ondernam om voor algemeen kiesrecht te demonstreren. Ondanks de trotse geschiedenis schat Catherine Flowers dat 70 procent van de huishoudens in het gebied zijn uitwerpselen ofwel rechtstreeks op open terrein deponeert, ofwel in gebrekkige septic tanks die niet bestand zijn tegen zware regen. Toen haar organisatie, het Alabama Center for Rural Entreprise (Acre), er bij de plaatselijke overheid op aandrong daar iets aan te doen, investeerde deze 6 miljoen dollar in de uitbreiding van afvalverwerkingssystemen naar voornamelijk blanke bedrijven, terwijl zwarte huishoudens in overgrote meerderheid werden overgeslagen. ‘Dat is een schrijnend voorbeeld van onrechtvaardigheid,’ zegt Flowers. ‘Mensen die zich geen eigen systeem kunnen veroorloven, moeten het zelf maar rooien, terwijl bedrijven die er wel het geld voor hebben van openbare diensten profiteren.’

    Walter, een inwoner van Lowndes County die zijn achternaam liever geheimhoudt uit vrees dat zijn watertoevoer wordt afgesneden omdat hij zijn mond heeft opengedaan, leeft met de dagelijkse gevolgen van deze vorm van publieke veronachtzaming. ‘Als het flink hard regent, komt het zo je huis binnen.’ Dat is een beleefde manier om te zeggen dat het rioolwater zijn gootsteen, wastafel en badkuip in gorgelt en een misselijkmakende zoete stank in het huis verspreidt.

    Wat vindt hij onder deze omstandigheden van de ideologie dat iedereen het kan maken als hij zijn best maar doet? ‘Als ze de kans kregen, zou dat ze waarschijnlijk wel lukken,’ zegt Walter. Hij pauzeert en voegt er dan aan toe: ‘Maar mensen krijgen de kans niet.’

    Zouden zijn rioolproblemen inmiddels wel zijn opgelost als hij blank was geweest? Na weer een pauze zegt hij: ‘Niet om racistisch te zijn, maar ja, ik denk van wel.’

    Aan de achterkant van Walters huis komt de ware onrechtvaardigheid van de situatie aan het licht. Overal door de tuin lopen smalle geulen vanaf naburige huizen waar donkere vloeistof doorheen stroomt. De geulen komen samen in stroperige poelen die recht onder de stacaravan zijn gelegen waarin Walters zoon, schoondochter en zestienjarige kleindochter wonen. Het is het ultieme beeld van het lot van Alabama’s verarmde zwarte gemeenschap. Als Amerikaanse staatsburgers hebben ze evenveel recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk. Alleen worden ze omringd door poelen met uitwerpselen.

    Onlangs sloeg de Black Belt terug. Toen werd er een nieuwe versie van die eenvoudige grafiek toegevoegd, waarop precies dezelfde halvemaan te zien is die door Alabama loopt, alleen was die dit keer niet zwart maar blauw. Die blauwe halvemaan staat voor het leger van Afro-Amerikaanse stemmers dat tegen alle verwachtingen in Doug Jones naar de Amerikaanse Senaat stuurde, de eerste Democraat uit Alabama sinds een hele generatie. Dat betekende een flinke bloedneus voor zijn tegenstander, de van kindermisbruik beschuldigde Roy Moore, en voor Steve Bannon en Donald Trump, van wie hij de marionet is. Dit kan met recht het belangrijkste vertoon van zwarte politieke spierkracht worden genoemd sinds de mars van King in 1965. Waar de eerdere grafieken voor ‘bodem’, ‘slavernij’ en ‘armoede’ stonden, zou bij deze grafiek het onderschrift ‘mondigheid’ moeten staan.

    Guayama, Puerto Rico

    Dus hoe ziet Alston de rol van VN-rapporteur en zijn bezoek? Zijn volledige rapport over de VS zal in mei verschijnen en aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève worden gepresenteerd. Niemand verwacht er veel van: de raad heeft niet genoeg macht om goed gedrag af te dwingen van recalcitrante regeringen. Maar Alston hoopt dat zijn bezoek de VS zo veel schaamte zal bezorgen dat men nog eens gaat nadenken over de eigen waarden. ‘Het is mijn rol om regeringen ter verantwoording te roepen,’ zegt hij. ‘Als de Amerikaanse regering niet over het recht op huisvesting, gezondheidszorg of voedsel wil praten, dan zijn er nog altijd basale normen voor mensenrechten waaraan moet worden voldaan. Het is mijn taak om daarop te wijzen.’

    In zijn eerdere onderzoek naar extreme armoede in landen als Mauritanië wond Alston er geen doekjes om. We mogen dezelfde onzachtzinnige liefde verwachten bij zijn analyse van Puerto Rico, de volgende halte tijdens zijn reis naar de donkere kant van Amerika.
    Drie maanden na Maria is de verwoesting die de orkaan op het eiland heeft aangericht genoegzaam bekend. Van zeventigduizend huizen is niets meer over, de industrie is tot stilstand gekomen en de algehele stroomstoring leidt nog steeds tot plunderingen. Maar het treurige lot van Puerto Rico dateert al van ver vóór Maria en is geworteld in de onverschilligheid waarmee het eiland is bejegend sinds het in 1898 als oorlogsbuit in bezit werd genomen.

    Bijna de helft van de Amerikanen heeft geen idee dat de drieënhalf miljoen Puerto Ricanen Amerikaanse staatsburgers zijn – des te kwalijker gezien het feit dat het eiland geen eigen vertegenwoordiging in het Congres heeft, terwijl zijn fiscale beleid wordt gedicteerd door een raad van toezicht die door Washington is aangesteld. Hoe zat het ook alweer met dat afwerpen van het juk van een al te bemoeizuchtige overheid?

    Evenmin zijn de meeste mensen zich ervan bewust dat het aantal armen op het eiland (44 procent) ruim twee keer zo groot is als dat in de minst welvarende Amerikaanse staten, inclusief Alabama (19 procent). En dat was nog vóór de orkaan, die volgens sommige schattingen het armoedepercentage heeft opgedreven tot 60 procent. ‘Puerto Rico wordt geregeerd door de Verenigde Staten, maar we worden nooit geraadpleegd,’ zegt Ruth Santiago, die als advocaat gespecialiseerd is in gemeenschapsrecht. ‘We hebben geen enkele invloed, we zijn gewoon hun speelbal.’

    General Dogon, de gids van Philip Alston die zich inzet voor buurtactiecentrum LACAN. – © Désirée van Hoek
    General Dogon, de gids van Philip Alston die zich inzet voor buurtactiecentrum LACAN. – © Désirée van Hoek

    De VN-rapporteur krijgt een idee van wat het betekent de speelbal van de VS te zijn wanneer hij naar Guayama reist, een stad van 42.000 inwoners in het zuiden, vlak bij de plek waar Maria aan land kwam. Verwoesting alom: gehavende huizen, ontbrekende daken, onheilspellend doorzakkende elektriciteitsleidingen. Boven de stad torent dreigend een kolencentrale uit die is gebouwd door de Puerto Ricaanse tak van AES Corporation, een multinational die zijn hoofdkwartier in Virginia heeft. De schoorsteen van de centrale domineert de horizon, evenals een enorme berg as van de verbrande kolen die oprijst als een reusachtig zandkasteel van ruim twintig meter hoog. De berg is blootgesteld aan de elementen, en de plaatselijke bevolking klaagt dat het gif ervan de zee in lekt en dat de vissers door kwikvergiftiging het brood uit de mond wordt gestoten. Ook is men bang dat het stof dat de berg verspreidt gezondheidsproblemen veroorzaakt, een zorg die wordt gedeeld door plaatselijke artsen die de VN-rapporteur vertellen dat ze veel patiënten hebben met ademhalingsaandoeningen en kanker. ‘De bladeren van mijn mangoboom gaan ervan dood,’ zegt Flora Picar Cruz (82). Ze ligt rond het middaguur in bed en ademt moeizaam door een zuurstofmasker.

    Onderzoek van de asberg wijst op gevaarlijke hoeveelheden giftige stoffen zoals arsenicum, broom, chloride en chroom. Desondanks is de regering-Trump bezig het relatief lakse toezicht op de schadelijke emissies ervan nog verder te versoepelen. AES Puerto Rico verzekerde The Guardian dat er geen reden tot zorg is, omdat de centrale een van de schoonste van de VS zou zijn, die met opzet zo is gebouwd dat er geen schadelijke stoffen in de lucht of de zee terecht kunnen komen. Maar daar denken de mensen in Guayama wel anders over. Zij vrezen dat de Amerikaanse kolonisten hen nog meer aan hun lot zullen overlaten dan ze nu al ruim een eeuw lang doen.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat zo veel Puerto Ricanen stemmen met hun voeten; na de orkaan hebben bijna tweehonderdduizend van hen hun koffers gepakt en zijn naar Florida, New York of Pennsylvania vertrokken, waar inmiddels al meer dan vijf miljoen Puerto Ricanen wonen. Dat geeft de Amerikaanse Droom een geheel nieuwe betekenis: iedereen kan het maken, zolang hij zijn familie, zijn huis en zijn cultuur maar in de steek laat en koers zet naar een vreemd en ongastvrij land.

    Charleston, West Virginia

    ‘Jullie zijn kanjers! Al die jaren dat jullie schandalig zijn behandeld gaan we goedmaken, oké? Honderd procent zeker!’ Donald Trumps belofte aan de blanke stemmers van West Virginia werd gedaan in mei 2016, op het moment dat hij de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen binnenhaalde. Zes maanden later beloonde zijn achterban in de staat hem royaal met een verpletterende overwinning.

    Als je bedenkt dat hij hun gouden bergen beloofde, is het niet zo verwonderlijk dat blanke gezinnen in West Virginia positief reageerden op het charmeoffensief van Trump: ‘We gaan zorgen dat de mijnwerkers weer aan het werk komen!’ Getalsmatig is de meerderheid van alle Amerikanen die in armoede leven – 27 miljoen mensen – blank.

    Met name in West Virginia hebben blanke gezinnen veel om verbitterd over te zijn. De mechanisering en het sluiten van kolenmijnen hebben tot grote werkloosheid en stagnerende lonen geleid. De overheveling van banen in de kolen- en staalsector naar supermarktketen Walmart heeft ertoe geleid dat de gemiddelde werknemer tegenwoordig 3,5 dollar per uur minder verdient dan in 1979. Wat wel verwonderlijk is, is dat zo veel trotse werkende mensen hun dromen aan een (veronderstelde) miljardair hebben toevertrouwd die zijn onroerendgoedimperium heeft gebouwd op wat zijn vader hem heeft toegestopt.

    Voordat hij presidentskandidaat was, toonde Trump maar weinig belangstelling voor de problemen van gezinnen met lage inkomens, blank of anderszins. Nu hij bijna een jaar in het Oval Office zit, zijn er ook weinig tekenen dat hij zich aan zijn campagnebeloftes houdt. Integendeel. Als de VN-rapporteur als laatste halte tijdens zijn rondreis Charleston, West Virginia, aandoet, wordt hij overspoeld door bewijs dat de president juist de mensen die hem hebben gekozen het mes op de keel zet.

    ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken’

    Diezelfde dag presenteren de Republikeinen in de Senaat en het Congres gezamenlijk hun plannen voor belastingverlaging, waarover de week erna zal worden gestemd. Veel mensen in West Virginia zullen voor zoete koek slikken dat deze veranderingen bedoeld zijn om hen te helpen, omdat aanvankelijk iedereen in de staat minder belasting zal gaan betalen. Maar in 2027, als het begrotingstekort moet worden aangezuiverd, zal de onderste 80 procent van de bevolking méér betalen, terwijl de bovenste 1 procent een meevaller behoudt van 21.000 dollar. ‘Het beleid van Trump zal de ongelijkheid doen toenemen, loonstijgingen blokkeren en het moeilijker maken voor gezinnen met lage inkomens om hulp te zoeken,’ zegt Ted Boettner, lid van de raad van bestuur van het niet-partijgebonden West Virginia Center on Budget and Policy.

    Als de riolering het aanhoudende probleem is waarmee de Black Belt kampt, dan is een mond vol rottende tanden en kiezen dat van West Virginia. Artsen van Health Right, een medisch vrijwilligerscentrum in Charleston dat 21.000 werknemers met lage inkomens gratis behandelt, toont de VN-rapporteur een foto van een van hun patiënten. De man is pas 32, maar zodra hij zijn mond opendoet wordt hij een heks uit Macbeth. Zijn paar resterende rotte tanden en kiezen en groenblauwe tandvlees zien eruit als etterende brij in een kokende ketel.

    Medicaid [een hulpverleningsprogramma voor mensen met lage inkomens] dekt geen tandheelkundige behandeling van volwassenen, tenzij er sprake is van een noodgeval, en dus doen de mensen wat het meest voor de hand ligt: ze wachten tot hun abcessen knappen, zodat ze naar de spoedeisende hulp moeten. Een vrouw die onlangs de mobiele tandartskliniek van het centrum bezocht, had alleen nog dertig wortels in haar mond, die allemaal behandeld moesten worden.

    Ook tijdens zijn andere ontmoetingen krijgt Alston een beeld van de manier waarop het leven van gezinnen met lage inkomens in West Virginia onder druk staat. Waar Lyndon Johnson de armoede de oorlog verklaarde, voert Trump oorlog tegen de armen. Mensen gaan jarenlang de gevangenis in omdat ze, in afwachting van hun proces, de borgtocht niet kunnen betalen; er worden privédetectives ingehuurd om mensen te bespioneren die aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; zware minimumstraffen wegens drugsbezit zijn weer in de mode; Jeff Sessions schrapt federale reclasseringsprogramma’s voor ex-gedetineerden; huurders van gesubsidieerde huizen leven in voortdurende vrees dat ze uit hun huis zullen worden gezet na de geringste overtreding. En ga zo maar door.

    En het resultaat van deze meedogenloze klappen? ‘Mensen raken uiteindelijk met elkaar in de clinch,’ zegt Eli Baumwell, beleidsdirecteur van de American Civil Liberties Union (ACLU) in West Virginia. ‘Je raakt zo geobsedeerd door wat jij bezit en wat je buurman bezit, dat je rancuneus wordt. Dat is wat Trump doet, mensen tegen elkaar opzetten.’

    En zo stapt Philip Alston voor de laatste keer in het vliegtuig om in Washington een samenvatting te presenteren van de kwellingen die het Amerikaanse volk ondergaat. Op een gegeven moment tijdens de vlucht zegt Alston dat hij een slapeloze nacht heeft gehad door het piekeren over de verloren zielen die we in Skid Row hebben ontmoet. Hij vraagt zich af hoe iemand anders in zijn positie – ‘Ik ben oud, een man, blank, rijk en ik heb een heel goed leven’ – op zo’n dakloze zou reageren. ‘Hij zou naar hem kijken en hem beschouwen als iemand die smerig is, die zich niet wast, die hij niet in zijn buurt wil hebben.’ Dan krijgt Alston een openbaring. ‘Ik besef dat de overheid hen zo ziet. Maar wat ik zie, is een maatschappelijk falen. Ik zie een maatschappij die zoiets laat gebeuren, die niet doet wat ze moet doen. En dat is heel treurig.’

    De rondreis van de speciale VN-rapporteur is ten einde.

    Auteur: Ed Pilkington
    Vertaler: Peter Bergsma

    De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van Skid Row-verslaggever Gale Holland van de Los Angeles Times. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen.

    Fotografie:
    De Nederlandse fotograaf Désirée van Hoek werkt al sinds 2007 met tussenpozen op Skid Row in Los Angeles. In 2015 verscheen haar boek Skid Row, met een voorwoord van LA Times- verslaggever Gale Holland. Het boek werd in 2016 bekroond als een van de Best Verzorgde boeken van Nederland en Vlaanderen. www.desireevanhoek.com

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Stoere sheriffs voelen zich gesterkt door Trump

    Stoere sheriffs voelen zich gesterkt door Trump

    De Amerikaanse president Donald Trump ligt goed bij het conservatieve deel van de wetshandhavers in zijn land. Vooral een aantal sheriffs doet steeds meer van zich spreken.

    Vorig jaar was sheriff Wayne Ivey uit Titusville op de verkiezingsavond zo zenuwachtig dat hij zich in zijn huis terugtrok en zijn iPad, met een kaart met de uitslag in elke staat erop, op een projectiescherm aansloot. Ging een staat naar Donald Trump, dan schreeuwde Ivey het uit van opwinding. Aan het einde van de avond drong het tot hem door: de kiezers hadden niet alleen voor Trump gekozen, ze hadden ook hun steun gegeven aan Iveys eigen politiek incorrecte, conservatieve beleid.

    ‘Trump bindt niet in,’ zei Ivey, sheriff van Brevard County, aan de oostkust van Florida. ‘Hij is niet bang om te zeggen waar het op staat, en precies dat hebben we nodig.’ Met zijn rode ‘Make America Great Again’petje prominent in zijn werkkamer behoort Ivey tot de golfdistrictsheriffs die zich gesterkt voelen door Trump en zijn beleid en zich opwerpen als voetsoldaten in de cultuur en politieke strijd in het land.

    Van diepblauwe staten als Massachusetts en New York tot traditioneel conservatieve bolwerken in het zuiden en het Midwesten: plaatselijk gekozen sheriffs doen als vurige voorstanders van de president van zich spreken. Ze herkauwen ook diens boodschap, of 
die nu betrekking heeft op serieuze beleidsthema’s als immigratie of op schermutselingen met de National Football League (NFL) over spelers die knielen tijdens het volkslied.

    Nu Trump met zijn tweets overal in het land steeds weer het gesprek van de dag is, kopiëren de sheriffs zijn dwarse politiek stijl. Daarmee jagen ze progressieve kiezers en juridisch experts op de kast, die bang zijn dat 
het rechtssysteem wordt uitgehold. Sommige sherrifs gaan zelfs tegen 
het ‘politiek correcte’ beleid van Democraten in en bedienen zich van retoriek die sommige inwoners tegen de borst stuit.

    gettyimages 873466128

    ‘Meer dan in de afgelopen jaren durven wetshandhavers en sheriffs controversiële standpunten in te nemen over het opsluiten van mensen,’ zegt Daniel Medwed, hoogleraar recht en criminologie aan de Northeastern University in Boston. ‘Een president die er niet mee zit om dingen te zeggen die mensen in vorige regeringen niet durfden te zeggen, moedigt anderen aan hetzelfde te doen.’

    In de afgelopen negen maanden doken filmpjes op van gekozen sheriffs die beloven de immigratiedienst af te sturen op inwoners zonder verblijfsstatus, die plegers van seksueel geweld de toegang tot schuilkelders willen ontzeggen wanneer er een orkaan dreigt, en die gevangenen Trumps muur aan de Mexicaanse grens willen laten bouwen. De afgelopen maand stelde een sheriff uit Louisiana zelfs voor ‘goede’ gevangenen langer vast te houden om te koken, schoon te maken en auto’s te wassen.
    In Titusville roept Ivey zijn kiezers op zich te bewapenen en een districtsmilitie te formeren. Net als veel andere sheriffs maakt hij controversiële, soms zelfs schokkende filmpjes die moeten getuigen van een stoer imago, zoals die waarop hulpsheriffs deuren intrappen. In een interview zei Ivey het als zijn plicht te beschouwen de president te steunen. Op zijn Facebook-pagina staat zelfs een foto van Trump met het bijschrift ‘Laat onze president met rust’.

    Trump cultiveert een sterke band met de wetshandhavers in het land. Een week na zijn inauguratie ondertekende hij een decreet dat het departement van Binnenlandse Veiligheid gebiedt plaatselijke agenten federale immigratiewetten te laten handhaven. Daarmee draaide hij het beleid van president Obama terug. Begin februari nodigde Trump een stuk of tien sheriffs uit voor een bijeenkomst in het Witte Huis, waarin hij zwoer hard op 
te treden tegen geweld van bendes in Chicago en de door hem voorgestelde grensmuur te bouwen. Voordat de sheriffs het Witte Huis verlieten, gaven ze Trump een beeldje van een sheriff met een cowboyhoed op. Het was de eerste keer, zeiden ze, dat de National Sheriffs’ Association zo’n beeldje verstrekte aan een niet-sheriff. De dag erna sprak Trump de Major County Sheriffs’ Association en de Major Cities Chiefs Association toe. ‘Ik wil graag beginnen met te zeggen dat jullie, en álle wetshandhavers in ons land, een echte vriend in het Witte Huis hebben zitten,’ aldus Trump.

    Verharding

    Een conservatieve sheriff met de rechtsorde hoog in het vaandel is niets nieuws. Sinds de begindagen van de Amerikaanse wetshandhaving bemoeien conservatieve, uitgesproken sheriffs zich met de cultuur en de politiek.

    Toch verbaast het rechtsdeskundigen dat de bevoegdheden en de politieke macht van de conservatieve sheriffs steeds groter lijken te worden, waaruit blijkt dat de tegenstellingen in de VS verharden. ‘De president verdeelt het land, en dat sijpelt door in de manier waarop sommige gerechtsdienaren tegenwoordig hun werk doen,’ zet Isaiah Rumlin, voorzitter van de National Association for the Advancement 
of Colored People in het district Duval in Florida.

    Binnen enkele weken na Trumps inauguratie lieten sheriffs in het hele land weten dat ze met ambtenaren van 
Binnenlandse Veiligheid vruchtbare besprekingen hadden gevoerd, onder andere over immigratiegebied. In het district Beaufort, in South Carolina, ging sheriff P.J. Tanner voortvarend aan de slag met een programma om samen met immigratieambtenaren inwoners zonder identiteitspapieren op te sporen. ‘We hebben het gevoel dat de president ons belang serieus neemt: de Amerikaanse burgers beschermen,’ zei Tanner in een interview.

    Ook in Oklahoma is de scepsis van de regering voor wat betreft versoepeling van het drugsbeleid een hart onder de riem voor de sheriffs. Nadat minister van Justitie Jeff Sessions de afgelopen maand met de Oklahoma Sheriffs’ Association (OSA) had gesproken, zwoer die zijn inspanningen te verdubbelen om een vorig jaar aangenomen initiatief terug te draaien om het bezit van kleine hoeveelheden drugs niet strafbaar te stellen. Ray McNair, directeur van de OSA, zei dat wetshandhavers met de regering kunnen samenwerken om de misdaadbestrijding op alle niveaus te verfijnen. ‘Je kunt overheidsmensen over allerlei onderwerpen laten praten, zodat mensen zich ervan bewust worden waarom ze belangrijk zijn, en dan kunnen we kijken wat dat betekent voor handhaving op staats- en districtsniveau,’ aldus McNair.

    Andere sheriffs ondersteunen Trumps plannen op een subtielere manier en bekrachtigen zo zijn boodschap. Nadat Trump het vuurtje tegen de NFL had opgestookt, verbood de sheriff van het district Geauga, in Ohio, zijn hulpsheriff de veiligheid te handhaven tijdens wedstrijden van de Cleveland Browns.

    Hij gaat er prat op dat de gevangenis van het district Brevard zo weinig mogelijk geld aan maaltijden voor gevangenen uitgeeft als voedingstechnisch verantwoord is

    De ruim drieduizend sheriffs in het hele land, die bijna allemaal zijn gekozen, vormen een allesbehalve homogene groep. Sheriffs in stedelijk gebied zijn meestal Democraten met progressieve opvattingen over de hervorming van het strafrecht, het drugsbeleid en immigratie. Zo vatte Rumlin moed toen enkele sheriffs, onder wie die van Jacksonville, zich uitspraken tegen Trumps opmerking, afgelopen zomer, dat minder zachtzinnig moet worden omgesprongen met gevangenen op transport. Het is echter een gegeven dat de groep conservatieve sheriffs steeds groter wordt, zegt Richard Rosenfeld, hoogleraar criminologie 
aan de University of Missouri.

    Zelfs in politiek gematigde gemeenschappen verklaren sheriffs zich tot voorstander van Trump en zijn beleid. In het district Chester, in Philadelphia, waar Trump met een verschil van 9 procent verloor, kreeg sheriff Carolyn B. Welsh het aan de stok met degenen die haar hekelen om haar onvoorwaardelijke steun aan Trump. En in Buffalo hebben enkele Democraten het aftreden geëist van sheriff Tim Howard van het district Erie nadat hij dit voorjaar in uniform was verschenen op een pro-Trump-bijeenkomst. Howard heeft bovendien in het openbaar een bevel genegeerd van de Democratische gouverneur van New York, Andrew M. Cuomo, dat gerechtsdienaren verbiedt mensen naar hun immigratiestatus te vragen. ‘Het is als sheriff onderdeel van mijn werk om de grondwet en de wet te handhaven, ook al proberen politici uit Albany goedkoop punten te scoren,’ zei Howard in een verklaring.

    Ryan Lenz, onderzoeker aan het Southern Poverty Law Center, zegt dat recente acties van conservatieve sheriffs erop wijzen dat wetshandhavers in grote delen van het land nog verder naar rechts opschuiven. Hij noemt de grote invloed van zelfverklaarde ‘constitutionele sheriffs’, een term uit het begin van de jaren zeventig die staat voor een beweging die zich de afgelopen jaren op het platteland steeds meer doet gelden uit bezorgdheid over het beleid 
van Obama. Constitutionele sheriffs zeggen geen federale wetten te handhaven die ze beschouwen als een inbreuk op de grondwettelijke rechten van inwoners van hun district.

    Richard Mack, directeur van de Constitutional Sheriffs and Peace Officers Association, zegt dat zijn organisatie vierhonderdvijftig sheriffs heeft getraind. Het afgelopen jaar steunde de groepering een sheriff op het platteland van Oregon die openlijk zijn sympathie had uitgesproken voor een gewapende, antioverheidsgezinde militie die een wildpark bezette.

    Van oudsher, aldus Lenz, slinkt de beweging wanneer er een regering aan de macht is die ze als minder vijandig beschouwt. ‘Dat is nu niet aan de hand. En dat komt door de verkiezingen van 2016,’ zegt Lenz, wiens organisatie groeperingen onder de loep neemt die ze als extremistisch beschouwt. ‘Op radicaal rechts worden extremistische ideologieën in de periferie van de Amerikaanse politiek ineens voor vol aangezien.’

    Ivey draait aan het ‘rad van voortvluchtigen’, waarop lokale verdachten staan afgebeeld. – © Willie J. Allen Jr. / Getty Images
    Ivey draait aan het ‘rad van voortvluchtigen’, waarop lokale verdachten staan afgebeeld. – © Willie J. Allen Jr. / Getty Images

    Veel inwoners van Titusville beschouwen Ivey – met zijn volkse humor en onvermoeibare handjes schudden – als vrij doorsnee voor zijn traditioneel conservatieve district. Maar de sheriff zit er niet mee om te zeggen dat ook hij als sheriff pal staat voor de grondwet. Drie jaar geleden liet hij zelfs de preambule op zijn linkerarm tatoeëren, terwijl hij zichzelf de ‘politiek meest incorrecte sheriff’ van het land noemt. Nadat hij in 2012 voor het eerst was gekozen, introduceerde hij in Florida de enige ‘chain gang voor gevangenen’. Verder zet hij elke week een filmpje op Facebook, getiteld ‘Wheel of Fugitive’, met daarin gezichten van mensen die wegens een misdrijf worden gezocht. Ook gaat hij er prat op dat de gevangenis van het district Brevard zo weinig mogelijk geld aan maaltijden voor gevangenen uitgeeft als voedingstechnisch verantwoord is, ongeveer 99 cent per gevangene per dag.

    Hier in het noordoosten van Florida zijn sommige advocaten bezorgd dat Trumps beleid, gecombineerd met de harde reputatie van de sheriff, de traditionele spanningen tussen gerechtsdienaren en bepaalde groepen zal vergroten. Volgens Indy Moran, een maatschappelijk werker, ontvluchtten dit jaar veel immigranten uit het district Clay de buitenwijken van Jacksonville nadat de pas gekozen Republikeinse sheriff, Darryl Daniels, had gezegd dat zijn ondergeschikten nauw zullen gaan samenwerken met de Amerikaanse immigratiedienst. Daniels, de eerste Afro-Amerikaanse sheriff in de geschiedenis, probeert zijn harde reputatie nog verder op te vijzelen door zijn mensen op vrijdag ‘spijkerbroek en laarzen’ te laten dragen. Met een cowboyhoed op verklaarde Daniels op tv-zender WJXT uit Jacksonville dat hij criminelen de stuipen op het lijf wil jagen en ‘eer wil betuigen aan tijden waarin de mensen nog wisten wie de sheriff was’.

    ‘De mensen zijn bang,’ zei Moran, van Spaanstalige komaf. ‘Het is hier Texas niet. Je hebt hier veel boeren. Als die in zo’n outfit willen rondlopen is dat prima. Maar heb je het over instanties die de wet moeten handhaven, dan vind ik het belachelijk. Ik denk dat het duidelijk maakt wat ze denken en waar ze voor staan.’

    Auteur: Tim Craig
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Daniels reageerde niet op herhaalde verzoeken om commentaar. Maar Ivey zegt dat criticasters de centrale boodschap van de verkiezingen van 2016 over het hoofd zien. Of het nu de president is of de sheriff, zegt hij, veel Amerikanen willen leiders die ‘zeggen wat ze denken’.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Donald Trump in Azië: 
een president zonder strategie

    Donald Trump in Azië: 
een president zonder strategie

    Donald Trumps recente twaalfdaagse rondreis door Azië verliep zonder grote incidenten. Ook sloot de Amerikaanse president een tiental lucratieve deals. Maar hij kon niemand duidelijk maken hoe hij denkt te reageren op de toenemende macht van China

    Na een voor hem ongekend vertoon van diplomatie tijdens zijn driedaagse bezoek aan Beijing, was Donald Trump een paar dagen later op de Asia-Pacific Economic Cooperation-top in Vietnam weer zijn vertrouwde zelf. In een felle en confronterende toespraak in Da Nang beschuldigde hij landen in de regio van handelsmisbruik dat de VS niet langer zouden tolereren, en betoogde hij dat in zijn beleid America altijd first zou zijn. De toon stond in schril contrast tot die van de Chinese president Xi Jinping. Hij sprak na Trump en steunde onomwonden de globalisering. ‘Openheid leidt tot vooruitgang, en wie zich op zichzelf blijft richten, zal achterblijven,’ zei Xi.

    De Aziatische landen, beducht voor de oplopende rivaliteit tussen ’s werelds twee grootste economieën, volgden Trumps eerste bezoek aan China nauwlettend. Tot veler verrassing verliep het verblijf van de Amerikaanse president in Beijing probleemloos en rustig. In plaats van het verwachte diplomatieke getouwtrek over Noord-Korea, de handel, Taiwan en de Zuid-Chinese Zee, sprak Xi vleiende woorden over Trump. Ook sloot China meer dan tien zakelijke overeenkomsten met de VS, ter waarde van ruim 250 miljard dollar, in een poging om Trumps onvrede over Amerika’s handelstekort met China te sussen.

    Volgens lokale waarnemers kan de goede persoonlijke band tussen Xi en Trump op korte termijn zeker van nut zijn voor de Chinees-Amerikaanse betrekkingen. Maar op langere termijn zullen die betrekkingen volgens hen in het teken staan van de relatieve neergang van de VS en de opkomst van China. ‘De strijd om invloed in Azië is ontbrand en zal waarschijnlijk feller worden,’ vertelt Timothy Heath, internationaal defensiespecialist bij de RAND Corporation. ‘De toekomst van de mondiale economie ligt in Azië en de VS kunnen het zich niet veroorloven die regio te negeren. De opkomst van China biedt de regio kansen op economische bloei, zoals de Nieuwe Zijderoute, Xi’s persoonlijke initiatief met betrekking tot de wereldhandel en de ontwikkeling van de infrastructuur, maar zorgt bij veel buurlanden ook voor angst en ongerustheid. ‘De VS zullen een belangrijke speler blijven bij het bewaren van de vrede en de stabiliteit in een regio met een geschiedenis vol animositeit en onzekerheid,’ zegt Heath.

    Machtsevenwicht veranderd

    Volgens analytici heeft Beijings toegenomen assertiviteit onder Xi het machtsevenwicht veranderd. ‘Jarenlang volgden veel landen in de regio een dualistische benadering van “aankloppen bij China voor de economie en aankloppen bij de VS voor de veiligheid”, aldus Alexander Vuving, Chinadeskundige aan het Daniel K. Inouye Asia-Pacific Centre for Security Studies in Honolulu. ‘Maar die tactiek werkt niet meer. Landen in de regio moeten op zoek naar een nieuwe regionale veiligheidspolitiek.’

    ‘Beijing maakt zich vooral zorgen over de door de VS geleide vierpartijencoalitie tegen China,’ verklaart Pang Zhongying, een in Beijing gevestigde deskundige op het gebied van de internationale politiek. ‘Dat roept bij Beijing slechte herinneringen op aan de tegen China gericht Aziëstrategie van voormalig president Obama – zij het nu onder een andere naam.

    De herleving van die vierpartijencoalitie – de VS, India, Japan en Australië – die zo’n tien jaar geleden ontstond, is het meest recente voorbeeld van een nieuwe strategische coalitievorming die als tegenwicht moet dienen voor China’s militaire en economische invloed. Japan is de meest uitgesproken aanhanger van het initiatief; India en Australië werden recent pas enthousiast toen China de door de VS geleide wereldorde begon te tarten.

    Australische politici hebben herhaaldelijk gewaarschuwd tegen vermeende pogingen van China om de Australische politiek te beïnvloeden, en tegen China’s expansiepolitiek met betrekking tot het oude geschil om de Zuid-Chinese Zee. ‘Het recente conflict tussen China en India over het Doklamplateau in het Himalayagebergte was ook een waarschuwing voor New Delhi,’ zegt Diyesh Anand, Chinadeskundige aan de Londense Westminster University. ‘Het lijkt erop dat China’s ontevreden buren, zoals India en Japan, niet langer zwijgend zullen toezien, maar de banden met de VS en met elkaar zullen aanhalen.’

    De Trump-bar in Da Nang, Vietnam. Eigenaar Nguyen Ha Anh Tuan (32) houdt van de reuring die Trump veroorzaakt en hoopt dat die overslaat naar zijn etablissement. – © Linh Pham / Getty
    De Trump-bar in Da Nang, Vietnam. Eigenaar Nguyen Ha Anh Tuan (32) houdt van de reuring die Trump veroorzaakt en hoopt dat die overslaat naar zijn etablissement. – © Linh Pham / Getty

    Veel kleine landen in Zuidoost-Azië stellen zich juist voorzichtiger op en proberen zich afzijdig te houden van de grote geschilpunten, zo luidt de analyse van Jay Batongbacal, zeerechtdeskundige aan de University of the Philippines. Maar ook hun relatie met China is gespannen. Volgens veel analytici ligt het keerpunt in Beijings relatie met zijn buren in 2010. Toen bitste de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Yang Jiechi zijn Singaporese collega toe: ‘China is groot en de andere landen zijn klein, dat is een feit.’

    Ook het kleine Vietnam ondervond hoe het is om door China te worden geïntimideerd. Het land spreekt zich al enige tijd duidelijk uit tegen de Chinese claim op de Zuid-Chinese Zee. Op Vietnams onafhankelijkheidsdag, begin september, hield China een militaire oefening vlak voor de Vietnamese kust. Omdat Hanoi economisch afhankelijk is van China, was er weinig dat men kon doen. ‘Vietnam heeft geen opties meer,’ vertelt Vuving. ‘Het land wendde zich tot de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen. Maar als puntje bij paaltje komt zijn de VS, Japan en India de enige die Vietnam kunnen helpen enig tegenwicht te bieden tegen de Chinese invloed.’

    Volgens analytici heeft het feit dat Azië niet echt stabiel is en dat de meeste regeringen in de regio elkaar niet echt vertrouwen, bijgedragen aan de spanningen en toenemende rivaliteit tussen China en de VS. Trumps buitenlandpolitiek, verstoken van elke consistente, allesomvattende strategie, heeft de afname van de invloed van de VS in de regio versneld, bondgenoten en partners van zich vervreemd en China de vrije hand gelaten bij het vergroten van zijn regionale dominantie.

    ‘Xi veroordeelt de westerse liberale waarden en stelt China als het grote voorbeeld voor andere staten’

    Carlyle Thayer, defensiespecialist aan de University of New South Wales in Sydney, legt uit dat in de ogen van Zuidoost-Aziatische landen Trump met zijn isolationistische politiek in feite het leiderschapsstokje heeft overhandigd aan Xi en het signaal heeft afgegeven dat de naoorlogse periode van de Amerikaanse dominantie snel ten einde komt. ‘De Verenigde Staten hebben weinig aan hun militaire dominantie ten opzichte van China als leiderschap en strategie ontbreken om deze te gebruiken ter ondersteuning van een op regels gebaseerde regionale en wereldorde,’ zegt hij. ‘Xi is in dat gat gestapt. Hij veroordeelt de westerse liberale waarden en stelt China als het grote voorbeeld voor andere staten.’

    Volgens veel analytici hebben – ondanks het feit dat negen op de tien Amerikanen nog steeds voorstander is van een sterk mondiaal leiderschap van Washington – Trumps minachting voor multilaterale handelsovereenkomsten en zijn koerswijziging met betrekking tot verplichtingen aan bevriende naties en bondgenoten, wereldwijd een ongekende strategische onzekerheid veroorzaakt. ‘Een onderbezet, ondergefinancierd en gedemoraliseerd ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Amerika’s slagkracht in de regio verkleind,’ aldus Jeffrey Kingston, hoofd Asian Studies aan de Japanse Temple University. Dat standpunt wordt ondersteund door cijfers van de American Foreign Service Association, de vereniging die diplomaten vertegenwoordigt. Die waarschuwde onlangs dat de rangen van Amerika’s meest ervaren diplomaten met duizelingwekkend snelheid uitdunnen: 60 procent van de Career Ambassadors heeft de dienst verlaten sinds Trump in januari president werd. ‘De leegloop van zo veel ervaren ambtenaren heeft een ernstig, direct en concreet effect op het vermogen van de VS om de wereldgebeurtenissen vorm te geven,’ aldus Barbara Stephenson, directeur van de bovengenoemde Association.


    Zuid-Koreaanse waarnemers zeggen dat de recente ontspanning in de relatie tussen China en Zuid-Korea met betrekking tot het Amerikaanse Terminal High Altitude Area Defence (THAAD)-antiraketsysteem een reusachtige geopolitieke stap voorwaarts is voor China in de strijd met de VS om het leiderschap in de regio. Dr. Seong-Hyon Lee, onderzoeker aan het Sejong Institute in Zuid-Korea, zegt het zo: ‘De VS en China staan aan het begin van een periode van ‘structurele competitie’. In feite ging het THAAD-geschil vooral om de rivaliteit tussen de VS en China in de regio.’

    Tijdens zijn recente bezoek aan de VS uitte premier Lee Hsien Loong van Singapore zijn zorgen over de toenemende wedijver tussen China en de VS. ‘Het is voor een klein land nooit makkelijk om een groot buurland te hebben,’ zei hij. ‘Als er spanningen zijn tussen Amerika en China, wordt ons gevraagd om partij te kiezen.’ En dat is iets wat Singapore niet wil doen, volgens Lee.

    Net als Lee is de Filipijnse president Rodrigo Duterte erop gebrand om te bewijzen dat kleine landen ook een belangrijke machtsfactor kunnen worden met gelijkwaardige, vruchtbare relaties met alle grootmachten, vooral met China en de VS. Maar er zal altijd een diepgeworteld wantrouwen blijven bestaan ten aanzien van Beijings intenties. Niet alleen vanwege China’s toenemende concurrentie met de VS, maar ook vanwege China’s geringe politieke transparantie en de repressieve praktijken in eigen land. ‘Aziatische waarnemers denken dat de manier waarop Chinese leiders hun eigen volk behandelen laat zien hoe ze met de buurlanden zullen omgaan als China dominant wordt in Azië,’ legt Robert Sutter uit, een deskundige op het gebied van buitenlandse politiek aan de George Washington University in de Amerikaanse hoofdstad.

    Gelijkwaardige partner

    Nadat hij Beijing heeft omschreven als het opkomende alfamannetje in Azië, zegt Seong-Hyon Lee dat Beijing wat harder zijn best moet doen om bij zijn buren respect af te dwingen en de weerstand te laten afnemen. Maar dat ze daar nog steeds niet lijken te weten wat ‘soft power’ inhoudt.

    Daar is Batongbacal het mee eens. Volgens hem stuit Xi’s veelgeprezen Zijderouteplan ook op kritiek vanwege het gebrek aan waarborgen. ‘Men is bang dat het alleen een oude imperialistische strategie in een glimmend nieuw jasje zal blijken te zijn. China is tot voor kort altijd naar binnen gericht geweest. Dat staat haaks op de internationale structuur van de wereldorde waarin het land een plek zoekt.’

    Maar net als veel andere deskundigen spreekt Batongbacal de hoop uit dat de consolidatie van Xi’s macht een keerpunt kan zijn. ‘Als China ervoor kiest om zichzelf boven de rest van de regio te plaatsen, omdat het meent hogere rechten en aanspraken te hebben, jaagt het land zijn buren tegen zich in het harnas. Pas als het zich opstelt als gelijkwaardige partner in een samenwerking met wederzijdse voordelen, zal het worden geaccepteerd als leider van een gemeenschap van naties.’

    Auteur: Shi Jiangtao
    Vertaler: Paul Bruijn

    South China Morning Post
    China (Hongkong) | dagblad | oplage 261.000

    Deze Engelstalige krant, die banden heeft met het zakenmilieu van de Britse oud-kolonie, geeft een goed beeld van met name Zuid-China en de economische ontwikkelingen in de regio.

  • Niet te veel praatjes krijgen, Democraten

    Niet te veel praatjes krijgen, Democraten

    Bij recente tussentijdse verkiezingen in diverse Amerikaanse staten, waaronder Virginia, herstelden de Democraten zich van de pijnlijke nederlaag tegen Trump. Toch is er geen reden tot juichen, waarschuwt The Baltimore Sun. Het ontbreekt de versplinterde partij nog steeds aan een gezamenlijk programma.

    Maandenlang werd de race om het gouverneurschap in Virginia gezien als een graadmeter van het Democratische vermogen om zich te herstellen, nadat de partij in de strijd om het presidentschap in 2016 zo verbijsterend verloren had van Donald Trump. De verkiezingsresultaten op dinsdag 7 november waren zo goed als de Democraten maar hadden kunnen hopen. De polls hadden een nek-aan-nekrace voorspeld, maar de Democratische kandidaat, Ralph Northam, versloeg de Republikein Ed Gillespie ruim, met negen punten, en de Democraten haalden veertien zetels binnen in het Huis van Afgevaardigden van de staat. De Democraten domineerden niet alleen in Virginia. Ze wonnen het gouverneurschap van New Jersey, zetels in de wetgevende macht in Georgia en een Senaatszetel in de staat Washington die hun de totale controle geeft over de gouverneursposten en de wetgevende instellingen langs de westkust. Kiezers in Maine besloten in grote meerderheid Medicaid uit te breiden in het kader van de Affordable Care Act, en een vooraanstaande sociaal-conservatief in het Huis van Afgevaardigden in Virginia verloor van een politieke nieuwkomer die toevallig een transgendervrouw is. Exitpolls en opkomstcijfers wezen op een anti-Trump-golf, waardoor de traditionele zwakte van de Democraten tijdens verkiezingen die niet om het presidentschap gaan, meer dan teniet werd gedaan. Analisten suggereren nu dat de partij, na de tussentijdse verkiezingen die volgend jaar plaatsvinden, een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden zou kunnen hebben.

    De Democraat Ralph Northam versloeg zijn Republikeinse tegenstander Ed Gillespie met negen punten. – © Win McNamee / Getty
    De Democraat Ralph Northam versloeg zijn Republikeinse tegenstander Ed Gillespie met negen punten. – © Win McNamee / Getty

    We kunnen alleen maar zeggen: niet 
te veel praatjes krijgen, Democraten. De vele overwinningen van de partij kunnen de scheuren die ze in 2016 heeft opgelopen niet dichten. Democraten konden eigenlijk nergens eensgezind achter staan; het enige wat hen bond, was antipathie jegens president Trump. Vóór de verkiezingen was de publicatie van de openhartige memoires van de gewezen interim-partijvoorzitter Donna Brazile voor de Democraten hét politieke verhaal van de week. Daarin wordt gedetailleerd verteld over de combinatie van mismanagement, gemiste kansen en overmoed, waardoor de kandidatuur van Clinton vorig jaar tot mislukken gedoemd was. Brazile beschuldigt de Clinton-campagne ervan het nominatieproces te hebben gekaapt en de partijleiding te hebben gedwongen tot een fondsenwervingsstrategie die het mogelijk maakte te sjoemelen met de voorverkiezingen, ten koste van de linkse senator Bernie Sanders van Vermont. Brazile zei erbij dat de Clinton-campagne niets illegaals heeft gedaan. Maar er werd wel een wig gedreven tussen de coalitie van hervormers uit de middenklasse, arbeidsactivisten, minderheden en door de Obama-campagnes verenigde jonge mensen, die groot genoeg was om Trump een beslissende overwinning in het kiescollege te bezorgen, ondanks het feit dat hij op de verkiezingsdag minder stemmen kreeg dan Clinton.

    Op 7 november boekten de Democraten veel overwinningen, omdat de kiezers zo graag een anti-Trump-boodschap wilden afgeven. Maar bij de tussentijdse verkiezingen van volgend jaar zal dat veel moeilijker worden

    Op 7 november boekten de Democraten veel overwinningen, omdat de kiezers zo graag een anti-Trump-boodschap wilden afgeven. Maar bij de tussentijdse verkiezingen van volgend jaar zal dat veel moeilijker worden. De Democraten moeten drie zetels veroveren om een meerderheid in de Senaat te verkrijgen, maar ze verdedigen 25 van de 33 zetels die volgend jaar opnieuw gekozen moeten worden, en ze moeten die allemaal winnen in staten waar het naar verwachting een nek-aan-nekrace gaat worden. De Democraten dienen 24 zetels te veroveren om het Huis van Afgevaardigden te domineren, en ondanks polls die een Democratische voorsprong van dubbele cijfers aantonen zal dat nog een zware taak worden, gezien alle gekonkel over de verdeling van de kiesdistricten.

    Opvallende verschuivingen in tussentijdse verkiezingen doen zich met enige regelmaat voor, maar het is veel moeilijker om zonder een duidelijke agenda te winnen. De Democraten, die nog steeds ruziën over de Hillary vs. Bernie-strijd in de voorverkiezingen, hebben geen andere agenda dan oppositie voeren tegen alles wat Trump doet of zegt.

    Toegegeven, de Republikeinen zijn net zo verdeeld als de Democraten, zo niet erger, en de uitdagingen waarvoor zij zich gesteld zien waren op de dinsdag van de verkiezingen duidelijk zichtbaar. In Virginia begon Gillespie, gewezen voorzitter van het Republikeins Nationaal Comité en adviseur van president George W. Bush, aan de race om het gouverneurschap met een onberispelijke staat van dienst en nauwe banden met belangrijke partijdonoren. Maar omdat er tijdens de voorverkiezingen ter rechterzijde aan hem werd getwijfeld en polls aantoonden dat hij achterlag op Northam, begon Gillespie de oorlogszuchtige en tweedracht zaaiende campagneretoriek over misdaad, immigratie en andere controversiële kwesties van Trump over te nemen, al hield hij enigszins afstand van de president zelf. Dat deed hem de das om.

    Nu we 2018 naderen, wordt het duidelijk dat noch het etnische nationalisme van de Republikeinen noch de identiteitspolitiek van de Democraten de verdeeldheid in de Amerikaanse maatschappij kan overbruggen, of antwoord kan geven op de problemen die ons in de eenentwintigste eeuw te wachten staan. Die kwestie werd die dinsdag voor de Democraten verdoezeld door een anti-Trump-spirit, maar dat gaat moeilijker worden in 2018, en in 2020 is het misschien zelfs onmogelijk. We hebben gezien wat er de vorige keer gebeurde toen Trump het opnam tegen een versplinterde Democratische Partij. Ondanks de kritiek van machtige figuren zoals ex-president George W. Bush en de senatoren Bob Corker, Jeff Flake en John McCain, blijft Trumps basis hem onverminderd steunen. De Democraten hebben een programma nodig en kandidaten die eenzelfde doel nastreven. De verkiezingen van dinsdag hebben aangetoond dat de Democraten na de verkiezing van Trump terug kúnnen komen, maar niet dat het onvermijdelijk is.

    The Baltimore Sun
    VS | dagblad | oplage 270.000

    Aan de misdaadverhalen van David Simon voor deze krant uit 1938 hebben wij The Wire 
te danken.

  • Jonathan Franzen: Valt de wereld nog te redden?

    Jonathan Franzen: Valt de wereld nog te redden?

    Terwijl de ijskappen afbrokkelen en Twitterpresident Trump zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, vraagt de Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen zich af wat zijn rol als schrijver kan zijn in tijden van crisis.

    Keuze uit het archief

    Recent verscheen het nieuwe boek van de toonaangevende Amerikaanse auteur Jonathan Franzen: Crossroads (Kruispunt, in vertaling van Peter Abelsen). In 2017 schreef Franzen voor The Guardian een doorwrocht essay over zijn eigen schrijverschap, de democratische crisis in de Amerikaanse samenleving, de destructieve rol van sociale media en de klimaatcrisis. Wat hij zich vooral afvroeg: wat kan een schrijver (ik) hieraan doen?

    Als we kijken naar de oorsprong van het woord essay – afkomstig van het Oudfranse essai, proef – dan gaat het om iets onderzoekends, iets voorlopigs, een tekst waarin niet het laatste woord over een kwestie wordt gesproken; een tekst op grond van de persoonlijke, subjectieve ervaringen van de auteur – misschien leven we momenteel wel in de gouden eeuw van de essayistiek. Naar welk feestje je vrijdagavond bent geweest, hoe je bent behandeld door een stewardess, hoe jij tegen de politieke waan van de dag aankijkt: social media stoelen op de gedachte dat zelfs het allerkleinste verhaal het waard is om niet alleen te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een dagboek, maar ook om te worden gedeeld met anderen. De president van de Verenigde Staten handelt ook vanuit die gedachte.

    Traditioneel nuchtere journalistiek, zoals te vinden in bijvoorbeeld The New York Times, biedt inmiddels ook volop ruimte aan het ik, met de daarbij horende stemmen en meningen en impressies, en ook literair recensenten voelen zich minder en minder genoodzaakt een zekere mate van objectiviteit te betrachten. Vroeger deed het weinig ter zake of Raskolnikov en Lily Bart sympathieke personages waren, maar de vraag of iemand sympathiek is – waarbij impliciet de gevoelens van de recensent gewicht krijgen – speelt tegenwoordig een cruciale rol binnen de literaire kritiek. Literaire fictie krijgt steeds meer weg van een essay.

    In enkele van de meest invloedrijke romans van de afgelopen jaren, van Rachel Cusk en Karl Ove Knausgard, wordt het perspectief van de ik-verteller die op zichzelf reflecteert naar een hoger plan getild. De echte fans van dit genre zullen zeggen dat verbeelding en vernieuwing niet meer van deze tijd zijn; dat het een vorm is van appropriation, om niet te zeggen kolonisering, om je de subjectiviteit toe te eigenen van een personage dat anders is dan de auteur, dat de autobiografie de enige authentieke, en politiek verantwoorde manier van vertellen is.

    Ondertussen is het persoonlijke essay – dat serieuze literaire genre waarin sprake is van oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed, in het leven geroepen door Montaigne en verder ontwikkeld door Emerson, Woolf en Baldwin – op zijn retour. Er zijn vrijwel geen grote Amerikaanse tijdschriften waarin nog echte, onversneden essays worden gepubliceerd. Het essay houdt voornamelijk stand in kleine publicaties die meestal minder lezers hebben dan Margaret Atwood volgers heeft op Twitter. Moeten we rouwig zijn om het uitsterven van het essay? Of moeten we blij zijn dat het essay de cultuur in bredere zin heeft veroverd?

    Essayistiek

    Een persoonlijk en subjectief microverhaal: de paar dingen die ik heb geleerd over het schrijven van essays zijn allemaal lessen geweest van mijn redacteur bij The New Yorker, Henry Finder. Ik klopte bij Henry aan in 1994, als aanstormend journalist in geldnood. Het was deels een kwestie van geluk dat ik een publicabel artikel kon leveren over de US Postal Service. Later schreef ik, door narratieve onkunde, een stuk over de Sierra Club dat niet voor publicatie geschikt was. Dat was het moment waarop Henry zei dat ik misschien wel enige aanleg had voor de essayistiek. Wat ik vooral in zijn woorden hoorde was: ‘omdat je duidelijk een journalist van niks bent’. Ik weerlegde zijn opmerking dat ik aanleg zou hebben voor essayistiek. Ik was opgegroeid in het Midwesten, waar je vooral niet te veel over je zelf moet ouwehoeren, en daarnaast had ik bepaalde vooroordelen, ingegeven door bepaalde misvattingen over romans. Ik was van mening dat je de dingen beter kon uitbeelden dan beschrijven. Maar goed, ik had geld nodig, dus ik bleef Henry aan zijn kop zeuren of ik recensies mocht schrijven. Een van die keren vroeg hij me of ik geïnteresseerd was in de tabaksindustrie – waar Richard Kluger net een omvangrijke studie over had geschreven. Ik reageerde meteen met: ‘Sigaretten zijn echt wel het laatste waaraan ik wil denken.’ Waarop Henry ogenblikkelijk reageerde met: ‘Daarom moet je er juist over schrijven.’

    Dat was de eerste les van Henry, en meteen ook de belangrijkste. Nadat ik een jaar of tien had gerookt, was ik erin geslaagd om twee jaar te stoppen toen ik begin dertig was. Maar toen ik dat US Postal Service-stuk mocht schrijven, en met het zweet in mijn handen de telefoon moest pakken om mezelf te introduceren als een verslaggever van The New Yorker, was ik weer gaan roken. In de jaren die volgden, slaagde ik erin mezelf te zien als iemand die niet rookte, of in ieder geval iemand die zo vastbesloten was om weer te stoppen dat ik feitelijk geen roker was – maar ondertussen rookte ik wel. Mijn gemoedstoestand was een soort kwantumgolffunctie waarin ik tegelijkertijd een roker en een niet-roker kon zijn, zolang ik mezelf maar niet de maat nam. En het was zonneklaar dat ik gedwongen zou worden mezelf de maat te nemen zodra ik over sigaretten zou gaan schrijven. Want zo gaat dat met essays.

    Nog los van dit alles was er mijn moeder, die haar vader had verloren aan longkanker, en die altijd fel tegen roken gekant was geweest. Ik had vijftien jaar lang voor haar verborgen weten te houden dat ik rookte. Een van de redenen dat ik mijn schimmige staat van roker/niet-roker in stand moest zien houden, was dat ik het vervelend vond om tegen haar te liegen. Zodra het met zou lukken om weer te stoppen, en dan voorgoed, zou de golffunctie ineenstorten en zou ik, honderd procent zeker, de niet-roker zijn die ik altijd had voorgewend te zijn – maar die vlieger ging natuurlijk niet meer op als ik eerst, zwart op wit, moest opbiechten dat ik rookte.

    Henry was een wonderkind van ergens in de twintig toen Tina Brown hem had aangenomen, bij The New Yorker. Hij had een heel aparte manier van praten, een beetje afgeknepen, een soort overdreven gearticuleerd gemompel, als een tekst die nauwgezet is geredigeerd maar toch nauwelijks valt te lezen. Ik was onder de indruk van zijn intelligentie en zijn erudiete en na niet al te lange tijd leefde ik in een voortdurende angst hem teleur te stellen. Door de hartstochtelijke nadruk die Henry had gelegd in zijn opmerking ‘Daarom moet je er juist over schrijven’ – hij was de enige spreker van wie ik zoiets kon hebben, het beklemtoonde eerste woord ‘daarom’ gevolgd door het gebiedende ‘moet’ – durfde ik een bescheiden hoop te koesteren dat hij op een bepaalde manier notie van mij had genomen.

    En zo begon ik aan mijn essay en pafte elke dag een half pakje lichte sigaretten weg, gezeten voor een ventilator in de vensterbank van mijn woonkamer. Na afloop gaf ik Henry het enige stuk dat ik ooit voor hem heb geschreven dat geen redactie behoefde. Ik weet niet meer hoe mijn moeder het stuk in handen had gekregen en hoe ze me duidelijk maakte dat ze zich intens verraden voelde, of ze me een brief schreef of dat ze me belde, ik weet alleen nog dat ze zes weken lang elk contact meed – verreweg de langste stilte waarmee ze me ooit heeft gestraft. Het ging precies zoals ik had gevreesd. Maar toen ze er dan eindelijk overheen was en me weer brieven schreef, voelde ik me echt gezien, gezien als wie ik echt was, op een manier die nieuw voor me was. Het punt was nog niet eens dat ik mijn ‘ware’ zelf voor haar verborgen had gehouden; het punt was dat er eigenlijk helemaal nooit sprake leek te zijn geweest van een waar zelf.

    Drukbezette mens

    In Of/Of drijft Kierkegaard de spot met de ‘drukbezette mens’ voor wie druk zijn een manier is om maar niet eerlijk naar zichzelf te hoeven kijken. Misschien word je midden in de nacht wakker en voel je je op dat moment heel alleen in je huwelijk, of bedenk je dat je toch eens een kritisch moet kijken naar de milieuschade van je consumptiepatroon, maar de volgende ochtend heb je van alles en nog wat te doen. Zolang er oneindig veel kleine dingetjes om aandacht vragen, kun je de grotere vragen uit de weg gaan. Het schrijven of het lezen van een essay is natuurlijk niet de enige manier om even pas op de plaats te maken en je af te vragen wie je nou eigenlijk bent en wat de zin van je leven zou kunnen zijn, maar het is wel een goede manier. En als je bedenkt hoe lachwekkend gezapig het Kopenhagen van Kierkegaard moet zijn geweest, in vergelijking met onze moderne tijd, dan lijken die subjectieve tweets en haastige blogposts lang niet meer zo essayistisch. Ze lijken eerder een manier om weg te lopen voor de dingen waar een echt essay ons mee zou kunnen confronteren. We lezen de hele dag door, op verschillende schermen, we lezen dingen die ons in een echt boek niet zouden boeien, en vervolgens klagen we dat we het zo druk hebben.

    In 1997 ben ik voor de tweede keer gestopt met roken. En vervolgens, in 2002, voor de laatste keer. En daarna, in 2003, voor de allerlaatste keer – tenzij je de rookloze nicotine meetelt die door mijn bloedbaan trekt terwijl ik dit schrijf. Dat ik probeer een integer essay te schrijven verandert niets aan het gegeven van de meerdere ikken: ik ben nog altijd zowel een verslaafde met een reptielenbrein, als iemand die piekert over zijn gezondheid, als een eeuwige puber, als iemand die kampt met depressies en die aan zelfmedicatie doet. Wat er ondertussen verandert, realiseer ik me als ik even de tijd neem om erbij stil te staan, is dat mijn zelf, dat uit meerdere identiteiten bestaat, iets steviger wordt.

    Een deel van het mysterie van literatuur is dat zowel voor de schrijver als voor de lezer het wézen van de betrokkenen zich buiten hun beider lichaam bevindt, op een pagina, wat voor vorm die ook aanneemt. Hoe kan ik het gevoel hebben dat ik waarachtiger ben in mijn teksten dan in mijn lichaam? Hoe kan het dat ik me meer verwant voel met iemand wanneer ik haar woorden lees dan wanneer ik naast haar zit? Het antwoord is er deels in gelegen dat zowel lezen als schrijven volledige aandacht vereisen. Maar het heeft ongetwijfeld ook te maken met een soort ordening die alleen op papier mogelijk is.

    A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump

    Dit is misschien het moment om twee andere lessen van Henry Finder te vermelden. Een van die lessen luidde dat elk essay, ook een opiniestuk, een verhaal vertelt. De andere les was dat er maar twee manieren zijn om materiaal te ordenen: ‘soort bij soort’ en ‘a leidt tot b’. Deze regels lijken misschien nogal voor de hand liggend, maar wie geregeld essays leest van studenten of middelbare scholieren weet dat het lang niet altijd zo eenvoudig is. Mij was ook niet helemaal duidelijk dat een opiniestuk de regels van een narratief dient te volgen. Maar zeg nou zelf: begint een goede discussie niet vrijwel altijd met het poneren van een ingewikkeld probleem? En wordt er niet vervolgens een onconventionele oplossing aangedragen, waarna er obstakels voor het voetlicht worden gebracht in de vorm van bezwaren en tegenargumenten, waarna we tot slot, via een reeks omkeringen, naar een onverwachte maar bevredigende oplossing worden geleid?

    Wie meegaat in Henry’s aanname dat geslaagd proza bestaat uit materiaal dat is geordend in een verhaalvorm, en wie mijn overtuiging deelt dat onze identiteit is opgebouwd uit de verhalen die we over onszelf vertellen, zal het er vermoedelijk mee eens zijn dat het proces van schrijven en het genoegen van lezen ons dicht in de buurt van iemands wezen brengen. Wanneer ik alleen door het bos loop, of met iemand zit te eten, word ik overspoeld door een enorme hoeveelheid willekeurige, zintuigelijke informatie. Door het proces van schrijven valt dat vrijwel allemaal weg, totdat enkel nog alfabet en leestekens resten, en de willekeur steeds verder naar de achtergrond wordt gedrongen. Het kan gebeuren dat je, bij het ordenen van de elementen van een vertrouwd verhaal, tot de ontdekking komt dat het niet betekent wat je dacht dat het betekende. Soms, met name bij een argumentatie (a leidt tot b) is een volkomen nieuw narratief vereist. Door de discipline om een meeslepend verhaal te vertellen, kunnen bepaalde gedachten en gevoelens uitkristalliseren waarvan je je tot dan toe slechts vaag bewust was.

    Als je met een hele hoop materiaal zit waarvan je niet meteen ziet hoe je het tot een verhaal kunt smeden, zit er volgens Henry nog maar één ding op: onderverdelen in categorieën, vergelijkbare elementen bijeenbrengen. Soort bij soort. Dat is in ieder geval een overzichtelijke manier van schrijven. Maar patronen hebben ook de neiging zich tot verhalen te ontwikkelen. Het is heel verleidelijk om een a-leidt-tot-b-verhaal te construeren teneinde te begrijpen hoe het kon dat Donald Trump de verkiezingen won, terwijl in brede kring werd verwacht dat hij zou verliezen: Hillary Clinton sprong slordig om met haar mail, het ministerie van Justitie besloot haar niet te vervolgen, daarna doken de [sexting] berichten van Anthony Weiner op, vervolgens liet James Comey het Congres weten dat Clinton misschien alsnog in de problemen zou komen, en uiteindelijk won Trump de verkiezingen. Maar misschien levert het veel meer op om soort bij soort te plaatsen: Trumps overwinning was vergelijkbaar met de uitslag van de stemming over de Brexit en met de rechtse anti-immigratiebewegingen die steeds opnieuw de kop opsteken in Europa. De gevaarlijk nonchalante manier waarop Clinton met haar e-mail omsprong was vergelijkbaar met haar slecht uitgevoerde campagne en met haar beslissing om geen campagne meer te voeren in Michigan en Pennsylvania.

    Lijstjesfreak

    Op verkiezingsdag was ik in Ghana. Ik was gaan vogelen met mijn broer en twee vrienden. James Comeys bericht aan het congres had de campagne al op zijn kop gezet nog voordat ik naar Afrika vertrok, maar op Nate Silvers toonaangevende peilingenwebsite, FiveThirtyEight, maakte Trump evengoed nog maar dertig procent kans om te winnen. Ik had al vroeg mijn stem uitgebracht op Clinton en bij aankomst in Afrika was ik hooguit een klein beetje ongerust over de verkiezingsuitslag, maar ook tevreden over mijn beslissing om de laatste week van de campagne elders door te brengen en niet tien keer per dag op FiveThirtyEight naar de peilingen te kijken.

    Ondertussen was ik in Ghana in de ban van iets heel anders. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik een lijstjesfreak ben. Niet dat ik niet van de vogels zelf hou. Ik ben een vogelaar omdat ik me laaf aan hun schoonheid en diversiteit, omdat ik meer aan de weet wil komen over hun gedrag en hun habitat, en omdat ik graag lange, aandachtige wandelingen maak op plekken die ik nog niet ken. Maar daarnaast hou ik krankzinnig veel lijstjes bij. Ik hou niet alleen bij welke vogelsoorten ik over de hele wereld heb gezien, maar ik heb dat ook nog eens allemaal uitgesplitst naar de verschillende landen of staten van Amerika die ik speciaal met dat doel heb bezocht, of zelfs naar nog specifiekere plekken, zoals mijn achtertuin – en dat dan voor elk afzonderlijk jaar sinds 2003. Ik kan dit dwangmatige bijhouden van gegevens goedpraten door het te beschouwen als een soort spelletje binnen het kader van mijn hobby. Maar het heeft zonder meer iets dwangmatigs. Ik vind dan ook dat ik in moreel opzicht onderdoe voor vogelaars die het puur om het plezier is te doen.

    Door naar Ghana te gaan hoopte ik mijn vorige jaarrecord – 1286 soorten – te verbeteren. Ik zat al op meer dan achthonderd in 2016 en ik wist, na wat op internet te hebben gesnuffeld, dat vergelijkbare reizen een kleine vijfhonderd soorten hadden opgeleverd, waarvan slechts een handjevol in Amerika voorkomt. Als ik in Afrika vierhonderdzestig unieke soorten zou kunnen spotten, en vervolgens mijn tussenstop van zeven uur in Londen zou weten te gebruiken om in een park in de buurt van Heathrow nog twintig veelvoorkomende Europese soorten te spotten, zou 2016 mijn beste jaar ooit worden.

    We zagen echt schitterende dingen in Ghana, adembenemende toerako’s en bijeneters die alleen in West-Afrika voorkomen. Maar de paar bossen die het land nog rijk is worden ernstig bedreigd door intensieve jacht en houtkap, en onze wandelingen waren eerder verstikkend dan productief. Tegen het einde van verkiezingsdag hadden we al onze enige kans misgelopen om een aantal soorten te zien die ik op mijn lijstje had staan. Al heel vroeg de volgende ochtend, toen de stembureaus aan de westkust nog open waren, zette ik mijn telefoon aan om de prettige bevestiging te krijgen dat Clinton aan de winnende hand was. In plaats daarvan zag ik geschokte berichten van mijn vrienden in Californië, foto’s waarop ze ongelovig, en stuurs, naar de televisie staarden, foto’s van mijn vriendin die helemaal ineengedoken ergens op een bank lag. De kop van de Times luidde: ‘Trump haalt North Carolina binnen, lijkt niet te stuiten; Clintons pad naar de zege lijkt smal.’

    Er zat weinig anders op dan weer te gaan spotten. Op een pad in het bos van Nsuta, waar we moesten uitwijken voor wagens vol hout die net zomin leken te stuiten als Trump, maar met in mijn achterhoofd de gedachte dat Clinton nog altijd een pad naar de zege had, zag ik de zwarte tok, de Afrikaanse koekoekswouw en een melancholische specht. Het was een zweterige maar bevredigende ochtend die, toen we weer bereik hadden, eindigde met het nieuws dat de ‘short-fingered vulgarian’ (de proleet met de dikke vingers) zoals Spy hem noemde, de nieuwe president van mijn land was. Op dat moment begreep ik wat ik in mijn hoofd had gedaan met Nate Silvers dertig procent kans voor Trump. Op de een of andere manier had ik het zo geïnterpreteerd dat de wereld er, in het ergste geval, na de verkiezingen, dertig procent slechter aan toe zou zijn. Wat het getal in feite betekende was natuurlijk dat er dertig procent kans was dat de wereld er honderd procent slechter aan toe zou zijn.

    Terwijl wij naar het drogere, verlaten noorden van Ghana reisden, kruisten we het pad van enkele vogels waar ik al lange tijd van droomde: krokodilwachters, de zuidelijke karmijnrode bijeneter en het viervleugelnachtzwaluwmannetje, die er met zijn spectaculaire vleugelpunten uitzag als een nachtzwaluw die op de hielen wordt gezeten door twee vleermuizen. Maar we raakten steeds verder achter op het vogel-jaarschema dat ik moest aanhouden. Laat, veel te laat, werd me duidelijk dat op de lijsten met soorten die me online waren voorgespiegeld, ook vogels stonden die we alleen zouden horen maar niet zouden zien – terwijl een vogel voor mij pas meetelde als ik hem had gezien.

    De lijsten op internet hadden hoge verwachtingen gewekt, net als Nate Silver. Met elke soort die ik had gemist nam de druk toe om alle overgebleven soorten wél te zien, zelfs de soorten waarvan dat hoogst onwaarschijnlijk was. Anders zou ik mijn eigen record niet weten te breken. Het was niet meer dan een onzinnige jaarlijst, die uiteindelijk volkomen onbeduidend was, maar ik werd achtervolgd door de krantenkop op de ochtend na verkiezingsdag. In plaats van 275 kiesmannen had ik 460 soorten nodig, en ook mijn pad naar de zege was inmiddels wel heel smal. Uiteindelijk, vier dagen voor het einde van de reis, bij de overlaat van een dam aan de grens met Burkina Faso, waar ik had gehoopt een handvol nieuwe graslandvogels te zien maar waar er niet eentje viel te ontdekken, moest ik berusten in de realiteit en mijn nederlaag erkennen. Ineens drong tot me door dat ik eigenlijk thuis had moeten zijn, om te proberen mijn vriendin te troosten na de verkiezingsuitslag, want als een depressieve pessimist ergens goed in is, is het wel in lachen in donkere tijden.

    illu j franzen03

    Hoe was de proleet met de dikke vingers in het Witte Huis terechtgekomen? Toen Hillary Clinton weer in het openbaar verscheen, verleende zij een ‘soort-bij-soort’-analyse van haar karakter geloofwaardigheid door een a-leidt-tot-b-narratief te volgen. We laten even buiten beschouwing dat ze nonchalant omging met haar mail en dat ze repte van een ‘basket of deplorables’. We laten even buiten beschouwing dat er onder kiezers misschien een terechte onvrede leeft over de linkse elite die Clinton vertegenwoordigde; dat kiezers de vrije handelsmarkt, de open grenzen en de automatisering misschien niet helemaal op waarde weten te schatten wanneer de middenklasse de prijs betaalt voor de wereldwijd toegenomen welvaart; dat kiezers er moeite mee hebben dat de liberale normen van stedelijke gebieden worden opgelegd aan het conservatieve platteland. Volgens Clinton kwam haar verlies op het conto van James Comey – en misschien ook wel van de Russen.

    Ik zal niet ontkennen dat ik zelf ook mijn verhaal paraat had. Toen ik vanuit Afrika terugkeerde in Santa Cruz, worstelden mijn linkse vrienden nog altijd met de vraag hoe Trump in godsnaam kon hebben gewonnen. Ik herinnerde me een optreden dat ik ooit had gedaan met de optimistische socialmediaexpert Clay Shirky, die het publiek in herinnering had gebracht hoe ‘geschokt’ culinair recensenten in New York hadden gereageerd toen Zagat, een crowded-sourced recensieplatform, Union Square Cafe had uitgeroepen tot beste restaurant van de stad. Shirky wilde aantonen dat professionele recensenten lang niet zo slim zijn als ze denken; sterker nog, dat recensenten overbodig zijn in tijden van Big Data. Hoewel Union Square Cafe ook mijn favoriete restaurant was (het grote publiek had gelijk!) had ik me tijdens dat optreden wat zuur afgevraagd of Shirky echt van mening was dat recensenten ook gek waren wanneer ze zeiden dat Alice Munro een betere schrijver is dan James Patterson. Maar door Trumps overwinning voelt Shirky gesterkt in het ridiculiseren van experts. Social media hadden Trump in staat gesteld het kritische establishment te omzeilen en er waren net genoeg mensen onder de kiezers, in cruciale swing states, die zijn platte humor en zijn vlammende betogen ‘beter’ vonden dan Clintons genuanceerde argumenten en haar ongeëvenaarde politieke ervaring. A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump.

    Na de verkiezing leek Mark Zuckerberg heel even, in zekere zin, verantwoordelijkheid te nemen voor wat er was gebeurd, voor het feit dat hij een platform had gecreëerd dat werd gebruikt voor het verspreiden van nepnieuws over Clinton, en hij leek te suggereren dat Facebook een actievere rol zou kunnen spelen bij het filteren van nieuws. (Nou, veel succes.) Twitter hield zich gedeisd. Wat moest Twitter zeggen, terwijl Trump onverdroten door twitterde? Dat Twitter een vooruitgang was?

    In december hoorde ik op mijn favoriete radiozender in Santa Cruz een nepadvertentie voor een therapie gericht op mensen die verslaafd waren aan anti-Trumptweets en dito facebookberichten. De maand daarop, een week voor Trumps inauguratie, organiseerde PEN Amerika een aantal bijeenkomsten door het hele land om te protesteren tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting waar Trump symbool voor zou staan. Hoewel de inreisbeperkingen van zijn regering het voor schrijvers uit moslimlanden lastiger zou maken hun stem te laten horen in de Verenigde Staten, was er één ding waar we Trump niet van konden betichten, in januari, en dat was dat hij de vrijheid van meningsuiting op wat voor manier dan ook aan banden had gelegd. Zijn leugenachtige, misselijke tweets waren de vrijheid van meningsuiting in overdrive. PEN had nog geen drie jaar eerder een vrijheid-van-meningsuitingonderscheiding uitgereikt aan Twitter, voor de rol die het had gespeeld tijdens de Arabische Lente. Uiteindelijk heeft de Arabische Lente erin geresulteerd dat de autocratie zich heeft verschanst, en inmiddels lijkt Twitter zelf, in handen van Trump, het middel bij uitstek om een autocratie in stand te houden. De ironie kent geen grenzen: tijdens diezelfde week in januari riepen linkse auteurs en boekwinkels op tot een boycot van Simon & Schuster vanwege de voorgenomen publicatie van een boek van de nare, rechtse provocateur Milo Yiannopoulos. De kwaadste boekhandelaren overwogen alle titels van Simon & Schuster uit de schappen te weren, waaronder vermoedelijk ook de boeken van Andrew Solomon, de voorzitter van PEN. Er kwam pas een einde aan de controverse toen S&S het contract met Yiannopoulos verbrak.

    Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn

    Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn – studenten en actievoerders claimen het recht om niet te horen wat ze vervelend vinden, en om ideeën waar ze aanstoot aan nemen weg te jouwen. Onverdraagzaamheid viert hoogtij op internet, waar genuanceerde meningen worden afgestraft doordat er niet op wordt geklikt, waar onzichtbare Facebook- en Google-algoritmen je naar content leiden die in je straatje past, en waar tegendraadse stemmen zwijgen uit angst te worden geflamed, getrold of ontvriend. Met als gevolg dat je in een bubbel terechtkomt waarin je het gevoel hebt dat je, ongeacht aan welke kant je staat, het volste recht hebt om te haten wat je haat. En dat is ook een aspect waarin het essay verschilt van andere subjectieve manieren om je te uiten die er enigszins aan verwant lijken. Het essay is geworteld in de literatuur, en een van de mooie aspecten van literatuur – denk bijvoorbeeld aan het werk van Alice Munro – is dat literatuur je aan het denken zet, of je het misschien toch niet helemaal goed ziet, of misschien zelfs wel helemaal fout, en of het misschien valt te begrijpen dat iemand je haat.

    Drie jaar geleden wond ik me ontzettend op over de klimaatverandering. De Republikeinen bleven vasthouden aan hun leugens over gebrek aan sluitend wetenschappelijk bewijs – het milieudepartement in Florida was zelfs zo ver gegaan dat het werknemers had verboden het woord klimaatverandering nog te gebruiken nadat de gouverneur van Florida, een Republikein, erop had gehamerd dat het ‘geen feit’ was. Maar ik was minstens zo kwaad op links. Ik had een nieuw boek gelezen van Naomi Klein, This Changes Everything, waarin ze de lezer geruststelde dat het weliswaar ‘vijf voor twaalf’ was, maar dat we nog altijd tien jaar de tijd hadden om de mondiale economie grondig te hervormen en te zorgen dat de temperatuur in de loop van deze eeuw met niet meer dan twee graden zou stijgen. Klein was niet de enige in linkse hoek die zei dat we nog tien jaar de tijd hadden. Sterker nog, milieuactivisten zeggen al sinds 2005 precies hetzelfde.

    Ook in 1995 werd het al gezegd: we hebben nog tien jaar de tijd. Maar zo rond 2015 moest wel duidelijk zijn dat de mensheid op geen enkele manier – politiek, psychologisch, ethisch, economisch – in staat zal zijn de CO2-uitstoot snel genoeg te verminderen om het tij te keren. Zelfs voor de Europese Unie, die vooropging in de klimaatkwestie, en die andere delen van de wereld graag de les mocht lezen over hun onverantwoorde gedrag, was in 2009 een recessie voldoende om de focus te verleggen naar economische groei.

    Tenzij er de komende tien jaar een wereldwijde opstand komt tegen het vrijemarktkapitalisme – het scenario waarvan Klein zei dat het ons nog net op tijd zou kunnen redden – zal de temperatuur deze eeuw vermoedelijk met een graad of zes stijgen. We mogen van geluk spreken als we een stijging van twee graden voor 2030 weten te voorkomen.

    In een landsbestuur dat steeds grimmiger verdeeld raakte, was de waarheid omtrent klimaatverandering links nog onwelgevalliger dan rechts. De klimaatontkenningen van rechts waren grove leugens, maar ze waren tenminste consistent met een bepaalde hard-realistische politieke lijn. Links, dat rechts altijd intellectuele onbetrouwbaarheid heeft verweten en dat klimaatontkenning als een soort strijdkreet heeft gehanteerd, bevond zich in een onmogelijke situatie. Het moest blijven hameren op de waarheden van de klimaatwetenschappers terwijl het tevens vasthield aan het fictieve idee dat wereldwijde actie het doemscenario nog zou kunnen afwenden: dat door een wereldwijde erkenning van de feiten, waarmee we in 1995 het tij nog hadden kunnen keren, het tij nog altijd gekeerd zou kunnen worden. Want wat deed het er anders nog toe dat de Republikeinen de wetenschappelijke bewijzen betwistten?

    Omdat ik sympathiseerde met links – de CO2-uitstoot terugdringen is een stuk beter dan gewoon maar nietsdoen: elke halve graad helpt – verwachtte ik ook meer van links. Het ontkennen van de grimmige werkelijkheid, doen alsof het klimaatakkoord van Parijs het onheil kon afwenden, was een begrijpelijke tactiek om draagvlak te houden voor het terugdringen van de CO2-uitstoot: de hoop in leven houden.

    Maar als strategie deed het meer kwaad dan goed. Men kon zich niet langer moreel superieur voelen, het was een belediging voor het intellect van kiezers die nog niet waren overtuigd (‘Echt? Hebben we nog tien jaar?’) en het stond een open discussie in de weg over de vraag hoe de wereldgemeenschap zich zou moeten voorbereiden op drastische veranderingen, en hoe landen als Bangladesh gecompenseerd moesten worden voor wat landen als Amerika hen hadden aangedaan.

    Door al het gedraai ontstond ook een verkeerd beeld van de prioriteiten. In de afgelopen twintig jaar heeft de milieubeweging zich blindgestaard op één onderwerp. Deels uit oprechte zorg, maar ook deels omdat het in politieke zin minder riskant was – minder elitair – om de problemen voor de mens te laten prevaleren boven de natuur. De grote milieu ngo’s hebben dan ook hun politieke kapitaal ingezet op het tegengaan van de klimaatverandering, een probleem met een menselijk gezicht. De ngo waar ik me, als vogelliefhebber, enorm kwaad over heb gemaakt is de National Audubon Society, ooit een onvermoeibaar strijder voor vogels, nu een krachteloze instelling met een enorme pr-afdeling. In september 2014 maakte die pr-afdeling met veel tamtam wereldkundig dat de klimaatverandering de grootste bedreiging was voor de vogelstand in Noord-Amerika. Die voorstelling van zaken was niet alleen op kleine schaal vals, omdat de formulering niet strookte met de bevindingen van Audubons eigen wetenschappers, maar ook vals in bredere zin omdat niet één dode vogel direct kon worden gerelateerd aan de CO2-uitstoot. In 2014 was de grootste bedreiging voor de Amerikaanse vogel het verdwijnen van hun habitat, gevolgd door loslopende katten, gebouwen waar ze tegenop vlogen en pesticiden. Door het magische woord klimaatverandering van stal te halen, kreeg Aubudon veel aandacht in de linkse media. En weer was er een punt gescoord in de strijd tegen de rechtste klimaatontkenners. Maar geen idee wat de vogels daarmee opschoten. Naar mijn idee was het enige merkbare effect van de mededeling van Aubudon dat mensen hun ogen sloten voor de ware gevaren voor vogels in het hier en nu.

    Kwaad

    Ik was zo kwaad dat ik bedacht dat ik maar het beste een essay kon schrijven. Ik begon met een tirade tegen de National Audubon Society, plaatste die vervolgens in breder perspectief met een smalende aanklacht tegen de milieubeweging in het algemeen, en schrok vervolgens midden in de nacht in paniek wakker, vervuld van wroeging en twijfel. Voor de schrijver is een essay een spiegel, en wat ik in deze spiegel zag, zinde me niet. Waarom nagelde ik een paar linkse medestanders aan de schandpaal terwijl de klimaatontkenners zo veel erger waren? Het vooruitzicht van klimaatverandering vond ik minstens zo stuitend als de groeperingen waartegen ik van leer trok. Met elke graad die de aarde opwarmt, zouden wereldwijd nog eens honderden miljoenen mensen in grote problemen komen. Moesten we niet alles op alles zetten om dit tegen te gaan, al was het maar met een halve graad? Was het niet stuitend om het zelfs maar over vogels te hebben terwijl de kinderen in Bangladesh gevaar liepen? Ja, de aanname van mijn essay was dat we ook een ethische verantwoordelijkheid hebben tegenover andere soorten dan de mens. Maar stel nou dat die aanname niet klopte? En zelfs als hij wel klopte – ging de biodiversiteit mij echt zo aan het hart? Of was ik gewoon een bevoorrechte blanke die het leuk vond om in zijn vrije tijd te gaan vogelen? En dan ging het me nog niet eens alleen om de vogels, maar ook om mijn lijstjes!

    Nadat ik drie nachten lang mijn karakter en mijn drijfveren in twijfel had getrokken, belde ik Henry Finder en zei dat het me niet lukte om het stuk te schrijven. Ik was vaak genoeg tekeergegaan over de klimaatverandering in het bijzijn van mijn vrienden en gelijkgestemde natuurliefhebbers, maar dat verschilde weinig van de tirades op internet, waar je je kunt verschuilen achter het feit dat alles spontaan uit je pen is gerold, ten overstaan van een publiek dat goeddeels achter je staat. Doordat ik nu een afgerond geheel wilde schrijven, een essay, werd ik geconfronteerd met de rafelranden van mijn ideeën. Daarnaast was er een groter risico op schaamte, omdat het hier een doordacht stuk betrof, en omdat het verspreid zou worden onder een publiek van vermoedelijk vijandige onbekenden. Henry’s aansporing (‘Daarom moet je’) indachtig, was ik de essayist gaan zien als een soort brandweerman, die recht de vlammen van de schaamte in moet rennen, terwijl iedereen die nu juist probeert te ontvluchten. Ik had ineens veel meer te vrezen dan alleen de afkeuring van mijn moeder.
    Misschien zou mijn essay voorgoed uit beeld zijn verdwenen als ik niet al op een knop had geklikt op de website van Aubudon, om te bevestigen dat ook ik me wilde inzetten voor de strijd tegen klimaatverandering. Dat had ik alleen gedaan in mijn zoektocht naar retorische munitie voor mijn strijd tegen Audubon, maar vervolgens werd ik bedolven onder directmailberichten. Ik kreeg er zeker acht in zes weken, allemaal met een verzoek om geld. Daarnaast werd ik ook nog eens overspoeld door nieuwsbrieven. Een paar dagen nadat ik Henry had gesproken, klikte ik een van die nieuwsbrieven aan en zag een foto van mezelf – godzijdank een flatteuze foto, die in 2010 was gemaakt voor Vogue dat me beter had gekleed dan ik mezelf gewoonlijk kleed en dat me met mijn verrekijker in een weiland had gezet, als vogelaar. De kop luidde iets als ‘Steun Audubon, samen met schrijver Jonathan Franzen’. Het is waar dat ik me een paar jaar eerder, in een interview voor het blad van Aubudon, in beleefde bewoordingen positief had uitgelaten over de organisatie, of in ieder geval over het blad. Maar niemand had mij om toestemming gevraagd mijn naam en foto te gebruiken om steun te werven. Ik vroeg me zelfs af of die mail wel helemaal legaal was.

    Vreemde vogel

    Een wat mildere prikkel om het essay weer tevoorschijn te halen kwam van Henry. Voor zover ik wist had Henry maar weinig met vogels, maar hij leek wel iets te zien in mijn redenering dat onze obsessie met toekomstige rampen ons ervan weerhoudt iets te doen aan de behapbare milieuproblemen in het hier en nu. Hij stuurde me een mail met de voorzichtige suggestie dat ik misschien iets zou kunnen doen aan mijn toon van profetische hoon. ‘Gek genoeg zal het stuk winnen aan overredingskracht,’ schreef hij in een andere mail, ‘als je wat meer ambivalentie toelaat, je wat minder polemisch opstelt. Je richt je pijlen niet op de mensen die aandacht willen genereren voor klimaatverandering en emissiereductie. Maar je hebt wel oog voor de kosten. Zodoende wordt de discussie gevoerd op het scherp van de snede.’ Mail na mail, revisie na revisie, wist Henry me met zachte hand over te halen het essay niet in de vorm te gieten van een aanklacht, maar eerder van een vraag: hoe kunnen we zingeving vinden in ons handelen wanneer de wereld ten dode lijkt opgeschreven? In de laatste versie had ik veel ruimte gereserveerd voor een aantal goed ontvangen regionale milieuprojecten in Peru en Costa Rica, projecten waar de wereld ook echt beter van wordt, niet alleen voor wilde planten en wilde dieren, maar ook voor de lokale Peruvianen en Costa Ricanen. Het werken aan deze projecten is betekenisvol op persoonlijk vlak, en de positieve effecten zijn direct en tastbaar.

    Door over die twee projecten te schrijven, hoopte ik dat een of twee grote liefdadigheidsorganisaties, die bijvoorbeeld tientallen miljoenen steken in de ontwikkeling van biodiesel of windmolenparken in Eritrea, bij het lezen van mijn stuk zouden overwegen geld te steken in projecten die tastbaar resultaat opleveren. In plaats daarvan werd ik onder vuur genomen vanuit het linkse kamp. Ik zit niet op social media, maar ik begreep van mijn vrienden dat ik voor van alles en nog wat werd uitgemaakt, waaronder ‘vreemde vogel’ en klimaatontkenner. Flarden uit mijn essay, volkomen uit hun verband gerukt, werden geretweet, waardoor het leek alsof ik er voorstander van was om te stoppen met remissiereductie – het standpunt van de Republikeinen. Binnen de polariserende logica van online discussies werd ik vervolgens bestempeld tot klimaatontkenner. Terwijl ik in werkelijkheid zo overtuigd ben van het gelijk van de klimaatwetenschappers dat ik geen enkele hoop meer koester voor de ijskappen. Het enige wat ik heb ontkend is dat een rechts georiënteerde internationale elite, die bijeenkomt in dure hotels over de hele wereld, in staat zou zijn het smelten van de ijskappen te voorkomen. Dat was mijn misdaad tegen de orthodoxe leer.

    Het klimaat heeft de linkse verbeelding dusdanig in de houdgreep dat elke poging om het gesprek een andere wending te geven – zelfs een poging om het gesprek te brengen op het tragische uitsterven van de mens, waar we ook zonder hulp van het milieu al hard naartoe op weg zijn – maakt dat je als een afvallige wordt beschouwd.

    Ik had begrip voor de mensen die zich beroepsmatig met klimaatverandering bezighouden en die zich tegen het essay keerden. Zij hadden zich tientallen jaren ingespannen om Amerikanen bewust te maken van het probleem, en uiteindelijk hadden ze president Obama aan hun kant weten te krijgen; er was een klimaatakkoord gekomen. Het was geen handig moment om te stellen dat de verregaande opwarming van de aarde al een voldongen feit is, en dat het onwaarschijnlijk is dat de mens de fossiele brandstoffen in de grond zal laten zitten, zeker wanneer je bedenkt dat op dit moment nog niet één land die toezegging heeft gedaan.

    Ik had ook begrip voor de woede binnen de wereld van de duurzame energie, een industrie die met geen andere bedrijfstak valt te vergelijken. Als je je op het standpunt stelt dat het gebruik van duurzame energie slechts een vertragingstactiek is, omdat de schade van de CO2-uitstoot niet valt terug te draaien en nog eeuwen zal doorwerken, opent dat de deur voor talloze andere vragen op dit gebied. Hebben we bijvoorbeeld echt zo veel windmolens nodig? Moeten die echt in ecologisch kwetsbare gebieden worden geplaatst? En de zonneparken in de Mojavewoestijn? Was het niet veel logischer geweest om Los Angeles te bedekken met zonnepanelen en de open ruimte ongemoeid te laten? Waren we niet bezig om de natuur te verwoesten teneinde de natuur te redden? Volgens mij was het een blogger uit die hoek die me voor ‘vreemde vogel’ uitmaakte.

    “Als het over de publieke opinie gaat,” zei hij, “dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd”

    Even terug naar Aubudon. Dat fundraisingmailtje had me duidelijk moeten maken wat voor soort mensen daar aan de top zitten. Maar ik stond evengoed te kijken van Aubudons reactie op mijn essay: een frontale, persoonlijke aanval op iemand die ze twee maanden daarvoor nog probleemloos voor hun karretje hadden gespannen. Toegegeven, ik had Aubudon niet gespaard in mijn essay. Ik wilde dat ze ophielden met hun onzinverhalen, dat ze niet langer verwezen naar ‘over vijftig jaar’, en dat ze zich daadkrachtiger zouden inzetten voor de vogels die zowel hun als mij aan het hart gingen. Maar Aubudon zag duidelijk alleen een bedreiging voor hun ledental en fondsen, dus moest ik als mens onschadelijk worden gemaakt. Ik heb me laten vertellen dat het hoofd van Aubudon vier keer zijn pijlen op mij persoonlijk heeft gericht. Zo doet een directeur dat tegenwoordig kennelijk. En het werkte. Ik schaamde me, zonder die tirades te hebben gelezen – domweg omdat ik wist dat anderen ze hadden gelezen. Ik voelde me zoals ik me vroeger op school had gevoeld, gemeden door de rest van de klas en uitgemaakt voor van alles en nog wat, wat me eigenlijk niet zou moeten raken, maar dat ondertussen toch deed. Ik wilde dat ik mijn nachtelijke paniekaanvallen niet in de wind had geslagen en dat ik mijn mening voor me had gehouden. Over mijn toeren belde ik Henry en stortte al mijn schaamte en berouw over hem uit. Hij antwoordde, op zijn nauwelijks verstaanbare wijze, dat ik de online reacties moest zien als het weer. ‘Als het over de publieke opinie gaat,’ zei hij, ‘dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd.’

    Het deed weinig ter zake of ik dat al dan niet geloofde. Het was voldoende om te weten dat er één iemand was, Henry, die me niet verafschuwde. Ik troostte mezelf met de gedachte dat het klimaat zo groots en chaotisch is dat één iemand het onmogelijk kan veranderen, maar dat het daarom nog wel zin kan hebben om als individu te proberen iets te veranderen aan het lot van één getroffen dorp, één slachtoffer van de mondiale onrechtvaardigheid.

    Of het lot van één vogel, één lezer. Nadat de online vlammen waren geluwd, hoorde ik een-op-een van mensen uit de milieuhoek dat ze mijn frustratie deelden maar het zich niet konden veroorloven daar uiting aan te geven. Er waren niet veel mensen die iets van zich lieten horen, maar het hoefden er ook niet veel te zijn. Bij iedereen die het wel deed, dacht ik: Ik heb dit essay voor jou geschreven.

    Maar nu, tweeënhalf jaar later, terwijl de ijskappen afbrokkelen en de Twitterpresident zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, slaat de twijfel toe. Ik zie inmiddels onder ogen dat ik het essay niet alleen heb geschreven om een paar milieubeschermers een hart onder de riem te steken en om wat liefdadigheidsgeld een bepaalde richting op te sluizen. Ik wilde echt het klimaat veranderen. Dat wil ik nog steeds. Ik deel, uitgerekend met de mensen die mijn essay hekelden, het inzicht dat de opwarming van de aarde hét probleem van deze tijd is, misschien wel het grootste probleem in de geschiedenis van de mensheid. We bevinden ons allemaal in de situatie van de indianen toen de Europeanen ten tonele verschenen met hun geweren en hun pokken: onze wereld staat aan de vooravond van een ingrijpende, onvoorspelbare verandering die naar alle waarschijnlijkheid slecht zal uitpakken. Ik koester geen enkele hoop dat we de verandering nog kunnen tegenhouden. Mijn enige hoop is dat we de realiteit op tijd onder ogen zullen zien om ons er op een menswaardige manier op te kunnen voorbereiden, en mijn enige overtuiging is dat het beter is om de werkelijkheid open en eerlijk tegemoet te treden, hoe pijnlijk ook, dan hem te ontkennen.

    Als ik dat essay nu zou schrijven, zou ik dat misschien allemaal zeggen. De spiegel van mijn essay, zoals het destijds is gepubliceerd, toonde me een boos buitenbeentje dat van vogels houdt en denkt het beter te weten dan de grote massa. Misschien ben ik dat ook allemaal wel, maar ik ben ook meer dan dat, en een beter essay zou ook die andere kant hebben getoond. In een beter essay zou ik Audubon misschien ook hebben gehekeld, maar ik zou ook meer sympathie hebben opgebracht voor de anderen op wie mijn woede zich richtte: de klimaatactivisten, die twintig jaar lang hadden toegekeken hoe hun pad naar de overwinning angstaanjagend versmalde terwijl de CO2-uitstoot alleen maar toenam en de noodzakelijke emissiereductiedoelstellingen steeds onhaalbaarder werden; de mensen in de duurzame-energiebranche die een gezin moesten onderhouden en die op zoek waren naar alternatieven; de milieu-ngo’s die dachten eindelijk een onderwerp te hebben gevonden dat de wereld zou wakker schudden; politiek links dat de klimaatverandering aangreep als een laatste overtuigend argument voor collectivisme in een tijd waarin het neoliberalisme en de bijbehorende technologieën het electoraat reduceerden tot individuele consumenten. Ik zou vooral hebben getracht al die mensen tegemoet te komen die meer behoefte hebben aan hoop dan een depressieve pessimist, mensen voor wie het vooruitzicht van een hete toekomst vol rampspoed ondraaglijk triest en angstaanjagend is, en die daar dan ook niet aan willen denken – wat hen niet valt kwalijk te nemen. Ik zou zijn blijven schaven.

    WIE IS JONATHAN FRANZEN?

    De Amerikaan Jonathan Franzen (1959) wordt de belangrijkste schrijver van zijn generatie genoemd. In 2001 brak hij internationaal door met zijn meesterwerk De correcties, waarvoor hij de National Book Award ontving, negen jaar later lanceerde hij Vrijheid, en vervolgens Zuiverheid. Met opzet tweeslachtige termen waarvan de tegenpolen ‘onvrijheid’ en ‘verdorvenheid’ in de respectievelijke romans leidend zijn.

    Franzen belandde als eerste schrijver in tien jaar op de cover van TIME magazine, als ‘Great American Novelist’. Kenmerkend voor zijn epische romans is het maatschappelijke decor waarbinnen de auteur zijn personages – of de Amerikaanse cultuur – met subtiele satire doorgrondt. In ‘Is it too late to save the world?’ toont hij zich opnieuw meester in het literaire genre van de essayistiek: de extensieve verhaallijnen van ‘oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed’ samenbrengen.

  • ‘We beginnen de ernst van fake news pas een beetje te begrijpen’

    ‘We beginnen de ernst van fake news pas een beetje te begrijpen’

    Fake News is de schuld van het internet, de Russen en Donald Trump, toch? Zo simpel is het niet, zegt de Britse journalist Matthew d’Ancona, die er een boek over schreef. ‘De mondialisering heeft de aard van ons bestaan veranderd.’

    Er is momenteel zo veel te doen over fake news dat het wel een moeras lijkt. Hoe vinden we daarin onze weg?

    ‘Allereerst moet je, zoals altijd, de term definiëren. Voor mij betekent “fake news” het opzettelijk verspreiden van foutieve informatie voor politieke of commerciële doeleinden. Het slaat zeker niet op nieuws dat me niet bevalt of waarmee ik het niet eens ben, of analyses die me ergeren. Maar in een heel interessant voorbeeld van wat psychologen het “spiegeleffect” noemen heeft Trump de term vrijwel geannexeerd om de media aan te duiden die kritiek op hem hebben. En de mensen zijn de term “fake news” gaan gebruiken om media aan te duiden waarvan de artikelen hun niet bevallen of waarmee ze het niet eens zijn.

    Je kunt het ook “post-waarheid” noemen, de mantel die alles bedekt. De post-waarheid begint op het moment dat leugens niet belangrijk meer zijn of wanneer de consumenten van die leugens ermee onder één hoedje spelen, wanneer de emotionele weerklank van die beweringen belangrijker is dan hun feitelijke juistheid. Ik denk dat de term “post-waarheid” het afgelopen jaar zo veel succes heeft gehad vanwege twee specifieke en overweldigende gebeurtenissen, de Brexit en de verkiezing van Trump. Die hebben een zeer sterke emotionele weerklank gevonden, die belangrijker lijkt dan het steekspel van feitelijke beweringen.’

    Het is fascinerend om de resultaten te zien die je krijgt als je de term ‘fake news’ googelt. Of het nu om de gebeurtenissen in Myanmar gaat of om het Equifax-schandaal, het is bijna choquerend. Het is alsof zowel links als rechts zich ervan bedient om hun respectievelijke identiteit te bewaren. Zou het kunnen dat als je maar lang genoeg beweert dat iets fake news is, het vanzelf fake news wordt?

    ‘Tja, dat is me nogal een vraag. Het eerste wat we moeten benadrukken is dat het rampzalig zou zijn als we dit probleem aan de politiek overlieten en als politici de termen “fake news” en “post-waarheid” zouden gaan gebruiken om hun eigen programma erdoor te drukken. Daarvoor staat er veel te veel op het spel. Het is in een liberale maatschappij oneindig veel belangrijker de waarde en het primaat van de waarheid te beschermen dan te weten of we een linkse of rechtse regering hebben. Dat is fundamenteel. Daarom denk ik dat we een stapje terug moeten doen en ons moeten afvragen waarom de informationele ecosfeer veranderd is. Dat heeft niet echt te maken met rechts of links. Natuurlijk is er een groot debat gaande over de relatie tussen de opkomst van populistisch rechts en dit probleem, maar naar mijn mening zijn de oorzaken veel algemener. Er spelen talrijke factoren mee, maar ik denk dat er twee hoofdfactoren zijn.

    De eerste is dat we een afnemend vertrouwen zien in de bestaande instituties. Het eclatantste voorbeeld was de financiële crisis van 2008/2009, waardoor wereldwijd het vertrouwen verdween in de banken die sinds het einde van de Koude Oorlog de wereldorde hadden ondersteund. Die schokgolf is momenteel in de hele wereld voelbaar. Maar er bestaat in de media en elders een tendens om te denken dat, omdat het acht of negen jaar geleden is gebeurd, de crisis ten einde is en de recessie verleden tijd. Het wordt tijd voor iets anders. Maar het was zo’n ingrijpende gebeurtenis dat de gevolgen naar mijn mening nog altijd enorm zijn.

    We zien in de informatiewereld een radicaal linkse beweging opkomen die niet minder gevaarlijk is dan haar tegenstander

    De tweede factor is de digitale revolutie. In het begin, toen rond 2004 het zogeheten “Web 2.0” zijn intrede deed en steeds meer mensen supersnel internet kregen, werd gedacht dat de tweede fase van de internetrevolutie wereldwijd een verbindende factor zou vormen. En dat is natuurlijk ook gebeurd: de obstakels bij het verspreiden van informatie zijn weggenomen, mensen kunnen overal ter wereld met elkaar communiceren, we hebben een ongeëvenaarde toegang tot informatie. Maar deze revolutie heeft ook een tegengesteld effect gehad: ze heeft mensen in hokjes geduwd waarin iedereen dezelfde overtuigingen is toegedaan. Er treedt een soort balkaniseringseffect op. Mensen kruipen bijeen in sociale of ideologische bubbels. En essentieel daarbij is dat dit fenomeen niet te wijten is aan een onvolkomenheid in het web. In feite zijn de algoritmen van de sociale netwerken juist voor dat doel ontworpen: om ons altijd meer te geven van wat we willen, waarvan we houden, en ons in contact te brengen met mensen die we aardig vinden. Dat is een erg plat voorbeeld, maar uiterst belangrijk voor de manier waarop de geloofssystemen zich momenteel vermengen en groeien.’

    Een van de dingen die me fascineren in het fakenewsprobleem is dat de indruk wordt gewekt dat links de waarheid in pacht heeft – we moeten die waarheid absoluut terugveroveren, wij zijn er de bewakers van en als we haar laten ontsnappen zullen de rechtse en conservatieve krachten ermee doen wat ze willen.

    ‘Nou, om terug te echoën wat u zegt, ik denk dat rechts gelijk heeft wanneer het betoogt dat echokamers als Antifa en SJW (Social Justice Warriors) even venijnig zijn. Probeer bijvoorbeeld maar eens op de sociale media een zinnig gesprek te beginnen over transgenders en zie hoe je bestookt wordt met stompzinnige opmerkingen als: “Geen enkele mannelijke cisgender heeft het recht een mening te verkondigen over transgenderisme.” Dat is de keerzijde van de medaille: we zien in de informatiewereld een radicaal linkse beweging opkomen die niet minder gevaarlijk is dan haar tegenstander. Ik kan me moeiteloos een links populisme voorstellen dat de precieze tegenhanger is van het fenomeen-Trump.

    Ik zie heel goed dat sommige mensen ons proberen wijs te maken dat de progressieve elite het begrip waarheid weer in haar macht probeert te krijgen, maar het gaat om een veel groter fenomeen. De vraag is in feite de volgende: willen we doorgaan met een systeem van informatie-uitwisseling, diepgaande analyse en feitenonderzoek, of willen we ons in een onmetelijk emotioneel moeras storten waar we zullen worden gebombardeerd met digitale beweringen en waar we bijeen schuilen in defensieve bubbels waarin het democratisch discours geen enkele betekenis meer heeft? Dat laatste lijkt me nog veel angstaanjagender.

    Een van de dingen waar degenen die echt betrokken zijn bij dit fundamentele debat over de post-waarheid naar mijn mening voortdurend op moeten blijven hameren om het in het hoofd van de mensen te laten doordringen, is precies wat u betoogt: we kunnen niet simpelweg zeggen dat de progressieve elite iedereen de mond probeert te snoeren. We kunnen het fenomeen niet afdoen als een poging om de fabuleuze vrijheid en variëteit die het internet ons biedt te verstikken. Dat zou rampzalig zijn.

    Om te beginnen is er geen enkele kans dat zoiets gebeurt; daar is het veel te laat voor. Zelfs als je veronderstelt dat een progressieve elite daarop uit zou zijn, zou het haar niet lukken. En we zijn dat stadium in elk geval allang voorbij.

    De vraag die we ons nu moeten stellen, is de volgende: is het, in het licht van de technologische en institutionele werkelijkheid van dit moment, nog mogelijk de waarheid als het belangrijkste uitgangspunt te beschouwen?’

    © GaryDoak/HH
    © GaryDoak/HH

    Ik vind het fascinerend hoe sommige regeringen, zoals die van Rusland, hun voordeel doen met fake news. Zal dit fenomeen om zich heen grijpen, als dat al niet is gebeurd?

    ‘De precieze omvang van het fenomeen kennen we niet. Er spelen duidelijk twee belangrijke factoren mee: allereerst de uiterst geraffineerde strategieën waarmee Rusland informatie manipuleert, zowel langs menselijke als langs geautomatiseerde weg, maar ook het ontstaan van bedrijven die in staat zijn fenomenale hoeveelheden informatie aan de sociale netwerken te onttrekken, informatie die vervolgens verkocht wordt om tijdens verkiezingscampagnes te worden gebruikt. Je hoeft maar naar Cambridge Analytica te kijken, een bedrijf dat is gespecialiseerd in electoraatsprofielen en is opgericht door miljardair Robert Mercer, een goede vriend van Steve Bannon, om te zien wat voor rol zulke bedrijven hebben gespeeld bij het Brexit-referendum en bij de verkiezingen in Amerika en andere landen.

    We beginnen nu pas doordrongen te raken van de ernst van het probleem, van het feit dat er enorm veel universitair en journalistiek onderzoek nodig is en dat dat er snel moet komen omdat dit alles zich nu, op dit moment afspeelt. We moeten eerst de manier analyseren waarop het zich voltrekt, de omvang van het probleem bepalen en daarna een beetje gas terugnemen en bedenken hoe we dit fenomeen aan regels kunnen onderwerpen zonder inbreuk te maken op de vrijheid van meningsuiting. Dat wordt een bijzonder hachelijke onderneming, want het ergste resultaat zou een ministerie van Waarheid zijn. Dat zou nog erger zijn dan de huidige status quo. Het idee dat een overheidsinstantie voor ons zou gaan bepalen wat waar is en wat niet is precies het tegengestelde van wat een moderne democratische orde zou moeten zijn.

    Als het doemdenken en de morele afkeer ons tot overregulering zouden dwingen, zouden we met een ongelooflijk verkrampt systeem komen te zitten waarin alle energie van het web teniet zou worden gedaan door een paniekerige autoritaire reactie. We moeten tussen deze twee klippen door zien te manoeuvreren.’

    Dus het is allemaal de schuld van het web?

    ‘Nee, helemaal niet, want het web is alleen maar een doorgeefluik. De technologie heeft een dominante rol gespeeld, maar alleen omdat de aard van het menselijk bestaan is veranderd. We leven in een gemondialiseerd bestel en hoezeer de mensen zich daar ook tegen proberen te verzetten, onze grenzen worden steeds poreuzer. We vermengen ons als soort en worden economisch en cultureel steeds afhankelijker van elkaar. Natuurlijk, als je de internetkabels zou weghalen zou er geen Twitter of Facebook meer zijn waarmee informatie met de snelheid van het licht kan worden verspreid. Maar er is een bepaalde soort-zoekt-soorttendens: op momenten van extreme spanning en grote veranderingen zoeken mensen het gezelschap van anderen met dezelfde denkbeelden. Op die manier vinden ze andere uitdrukkingsvormen die misschien minder heftig zijn, maar die wel bestaan. Daarom wijs ik ouderwetse reacties op dit probleem af: ik denk dat het internet een positieve uitwerking heeft gehad en dat als het niet zou bestaan, er aan het eind van de Koude Oorlog wel iets overeenkomstigs zou zijn uitgevonden. Het ontstaan van een wereld die niet langer in de ban zou zijn van wederzijdse angst voor vernietiging zou in elk geval een enorme invloed hebben gehad op de manier waarop we ons gedragen als soort. En dat is ook gebeurd. Een van de gevolgen is dat alles ter discussie wordt gesteld, en dat is absoluut essentieel.

    We hebben een stadium bereikt waarin iedereen kan beweren dat hij de waarheid in pacht heeft – en dan niet alleen maar in het domein van de politiek. Ik denk dat de opkomst van pseudowetenschappen, het herleven van complottheorieën en het ontkennen van de holocaust en dergelijke daar allemaal verband mee houden. Die moet je als één geheel zien. Een van de dingen die ik in mijn boek duidelijk heb willen maken is dat mijn standpunt absoluut niet politiek gemotiveerd is, of in elk geval niet ingegeven door politieke hokjesdenkerij: het is een epistemologisch standpunt over de manier waarop we omgaan met kennis en informatie en waarop we de waarheid beoordelen. Dat heeft niets te maken met links of rechts.’

    Mensen zijn niet alleen sterker geneigd zich een op maat gemaakte identiteit aan te meten, maar menen ook recht te hebben op een op maat gemaakte waarheid

    Ik heb de indruk dat door het fenomeen van desinformatie het belang van het individu toeneemt. Vroeger had je alleen maar de staat en jijzelf, en tegen de staat kon je niets terugzeggen, terwijl we nu dankzij het internet en de technologie in staat zijn om ons uit te drukken, waarbij we niet alleen de waarheid verkondigen, maar om het even wat.

    ‘U legt de vinger op de zere plek. Ik ben het honderd procent met u eens. Toen ik in 1991 journalist werd, moest je over een eigen drukkerij of zender beschikken om je standpunt kenbaar te maken. De enigen die het systeem tartten waren piratenzenders en radioprogramma’s op cd. Maar tegenwoordig kan iedereen zijn standpunt bijna voor niets over het voetlicht brengen. Dat is een goede zaak als je in de vrijheid van de mens gelooft, maar het betekent ook dat mensen niet alleen sterker geneigd zijn zich een op maat gemaakte identiteit aan te meten, maar ook recht menen hebben op een op maat gemaakte waarheid. Dat is begrijpelijk, maar tegelijkertijd is het een sociale onmogelijkheid omdat de waarheid een verbindende kracht bezit. Het is uiteindelijk de erkenning van onveranderbare feiten die een samenleving mogelijk maakt. Als we allemaal solipsisten zouden zijn, zouden we niet kunnen functioneren. Nu begeven we ons op het terrein van de sciencefiction, maar als iedereen in “alternative facts” zou geloven, om de onsterfelijke formule van Trumps woordvoerder Kellyanne Conway te citeren, of in een volledig alternatief universum, zou iedere sociale interactie onmogelijk zijn.

    Dus u heeft gelijk, we hebben nu de mogelijkheid om een volstrekt persoonlijke werkelijkheid te creëren, en we moeten realistisch zijn over de gevolgen die dat kan hebben.’

    Dit gesprek doet denken aan beelden uit Mad Max. Bent u een aanhanger van de dystopie? Hoe zal het er volgens u over tien jaar uitzien?

    ‘Nee, ik ben niet dystopisch. Ik denk dat alles op zijn pootjes terechtkomt. Laten we zeggen dat ik dit boek heb willen schrijven om iedereen wakker te schudden, omdat ik me zorgen maakte over wat ik als de ernstigste weerslag van Brexit en Trump beschouwde. Volgens velen vormden die twee gebeurtenissen alleen maar een verstoring van de natuurlijke orde en zou die natuurlijke orde zich uiteindelijk weer herstellen, anders zouden we in uw woestenij van Mad Max belanden. Maar ik denk dat het zo helemaal niet werkt. Ik denk dat het in de geschiedenis vaak is voorgekomen dat mensen voor dezelfde extreme uitdagingen werden gesteld als wij nu, en dat je daarvoor niet moet terugdeinzen.

    Ik ben een optimist: we zullen spectaculaire veranderingen meemaken in de manier waarop we omgaan met de technologische reuzen, in de manier waarop we het manipuleren van informatie doorzien, bijvoorbeeld door Rusland, zoals u noemde, maar ook door mensen als Robert Mercer. Ik denk dat er veranderingen komen die afzonderlijk misschien onbeduidend lijken, maar die als je ze bij elkaar optelt belangrijke gevolgen zullen hebben.’


    Welke concrete stappen kunnen we zetten?

    ‘Sommige stappen zijn heel eenvoudig, maar desondanks nog niet gezet. Waarom geven we kinderen vanaf vijf jaar geen digitaal onderwijs, als volwaardig schoolvak? Ik heb het niet over internetveiligheid, maar over de manier waarop je het web op een intelligente en kundige manier kunt gebruiken. Dat zou echt een stap vooruit zijn. Ik denk dat tech-giganten aan strengere regelgeving zullen worden gebonden. Wanneer we meer van hen weten, zullen er maatregelen worden genomen tegen figuren als Mercer en zal de internationale diplomatie die ter harte nemen. Voorlopig staan we nog maar aan het begin. De kranten schrijven erover, de veiligheidsdiensten doen onderzoek maar het probleem heeft in het internationale discours nog niet het belang dat het naar mijn mening uiteindelijk zal krijgen.

    Er is tenslotte geen oplossing die van bovenaf kan worden opgelegd. Dat is de kern van het probleem en niemand weet of de mensen bereid zijn te accepteren dat democratie een recht is dat ook plichten met zich meebrengt. Hoe zullen de mensen, nu we hun de krachtigste informatietools uit de geschiedenis ter beschikking hebben gesteld, die tools willen gebruiken? Meestal gebruiken ze die voor doeleinden die niets te maken hebben met waar we hier over spreken: om te weten wat er vanavond op de televisie komt, of om iets te kopen op Amazon. Maar wat hun informatieconsumptie op het gebied van de belangrijke dingen des levens betreft, zullen ze moeten besluiten of die hun aan het hart gaan. Het gevaarlijkste van deze hele geschiedenis is in mijn ogen de infantilisering van de burger. Wil de burger zich al dan niet als volwassene gedragen? Op die vraag bestaat geen eenvoudig antwoord.’

    We hebben niet echt rolmodellen op dit gebied.

    ‘Nee, daar heeft u gelijk in. Alle grote retoriek uit het verleden betekende een uitdaging voor de burger. Of je nu naar Lincoln en Martin Luther King kijkt of naar John F. Kennedy en zelfs homoactivist Harvey Milk, al die grote verdedigers van de burgerrechten hadden met elkaar gemeen dat ze betrokkenheid eisten van degenen tot wie ze zich richtten.

    Op dit moment lijkt onze voorkeur naar amusement uit te gaan – het verontrustendste aan Trump is mijns inziens dat hij in wezen een entertainer is die politiek tot entertainment heeft gedegradeerd. Wat in zijn ogen het belangrijkst is zijn de kijkcijfers – u heeft gezien hoe hij de Emmy Awards neersabelde omdat ze geen goede kijkcijfers hadden, hij heeft Arnold Schwarzenegger bekritiseerd omdat die lagere kijkcijfers had dan hijzelf met zijn The Celebrity Apprentice. Wat hem het meest heeft dwarsgezeten sinds hij president is, is volgens mij het idee dat er bij de inauguratie van Barack Obama in 2009 meer mensen aanwezig waren dan bij die van hem. De politiek dreigt op dit moment eenvoudigweg een tak van de showbusiness te worden, en dat is angstaanjagend.

    Maar het is niet onontkoombaar. Als we de afgelopen achttien maanden iets hebben geleerd, dan is het dat niets onvermijdelijk is. We leven in roerige tijden, en daar moeten we gebruik van maken. Dit is een geweldige kans voor mensen met goede bedoelingen om gezamenlijk actie te ondernemen, maar dan moeten ze dat wel doen. Er is geen hogere macht die dit probleem zal oplossen – de mensen moeten het zelf doen.’


    Uw opmerking dat ‘iedereen kan beweren dat hij de waarheid in pacht heeft’ laat me nog steeds niet los.

    ‘Toch is dat zo. De vraag is, om uw gedachtegang over te nemen, of mensen meer bereid zijn zich aan hun ofwel tribale ofwel geïndividualiseerde idee van de waarheid vast te klampen of dat ze de waarde erkennen van dingen die waar zijn omdat ze nu eenmaal waar zijn. En dat hoeft niet per se een offer te zijn, omdat je geen beleid op het gebied van gezondheidszorg of welke vorm van sociale organisatie dan ook kunt ontwikkelen zonder een algemeen aanvaard idee van de waarheid. Dat bestaat niet. Dus hoe aantrekkelijk het ook mag lijken om te zeggen: “Ze kunnen de pot op, ze mogen geloven wat ze willen maar wij hebben tenminste onze eigen versie van de waarheid”, die vlieger gaat gewoon niet op.’

    Vertaler: Peter Bergsma

    Het kudde-instinct

    Als bepaalde informatie maar vaak genoeg gelezen en gedeeld wordt op de sociale netwerken, hoef je niet te controleren of die klopt, want dat heeft vast iemand anders al gedaan, toch? Zo denken velen van ons erover, volgens een studie die is verschenen in Proceeding of the National Academy of Sciences (PNAS). Met andere woorden, ‘als groep zijn we minder geneigd de feiten te verifiëren’, schrijft de Harvard Business Review. ‘Zoals dieren in de natuur zich veilig voelen in een kudde, zo voelen wij ons veilig in een menigte,’ zegt Gita Johar van Columbia University, die het onderzoek heeft geleid, tegen Science. ‘Als je datzelfde instinct toepast op de informatie die we tot ons nemen via de sociale netwerken, leidt het tot het minder checken van feiten.’ Daarom heeft fake news de neiging online om zich heen te grijpen, aldus de studie.

    In # 114 publiceerde 360 een dossier over fake news. Hier leest u het terug.

    52 Insights
    52-insights.com

    De website 52 Insights werd in 2015 opgericht en wil mensen informeren over de ingrijpende veranderingen die plaatsvinden in de wereld. Dit doet men door het wekelijks publiceren van interviews met schrijvers, onderzoekers, creatieven, uitvinders en anderen die ons leven veranderen.

  • Vergeleken met Russiagate was Watergate kinderspel

    Vergeleken met Russiagate was Watergate kinderspel

    Een vergelijking tussen de Rusland-affaire en Watergate is gauw gemaakt, schrijft commentator Andrew Cohen. Maar de huidige zaak is veel ernstiger.

    De 31 pagina’s tellende federale aanklacht tegen Trumps voormalige campagneleider Paul Manafort en zijn zakenpartner Rick Gates – wegens witwassen, bankfraude en valsheid in geschrifte – markeert het einde van het begin van het diepgaande onderzoek dat speciale aanklager Robert Mueller heeft ingesteld naar de banden van Trumps campagneteam met Rusland. Het voorlezen van de aanklacht op maandagochtend 30 oktober – 51 weken nadat Donald Trump tot president werd gekozen en slechts een paar uur nadat hij had getwitterd dat hij van het onderzoek walgde – betekende dat de fase voorbij is waarin bijna al het nieuws over de kwestie afkomstig was van anonieme bronnen, die allemaal een eigen draai aan het verhaal probeerden te geven. Nu is de fase aangebroken waarin we in elk geval specifieke aantijgingen over crimineel gedrag tot ons kunnen nemen. De advocaten zullen zich namens hun cliënten ontpoppen tot demagogen. En het fascinerende verhaal, waarvan de afloop ongewis is, neemt telkens een nieuwe wending.

    Zo ook die maandag. Het belangrijkste nieuws was niet de tenlastelegging, maar de bekendmaking van de details van een strafvermindering die een andere voormalige campagnemedewerker van Trump, George Papadopoulos, had gekregen in ruil voor een schuldbekentenis. Zijn verklaring brengt de campagne rechtstreeks in verband met de vuile spelletjes die de Russen met Hillary Clinton hebben gespeeld. Erger nog – althans bezien vanuit het perspectief van het Witte Huis – is dat Papadopoulos al maanden zijn medewerking aan Muellers onderzoek verleent. Dat betekent dat federale onderzoekers veel meer weten over hoe het werkelijk zit met de openlijk toegegeven samenzwering tussen de campagneleiding en de Russen. Wat weet Papadopolous precies, sinds wanneer weet hij het en aan wie heeft hij het verteld? Een foto waarop hij op 31 maart 2016 met Trump en minister van Justitie Jeff Sessions aanzit tijdens een bespreking over de buitenlandpolitiek logenstraft de mededeling van het Witte Huis, later die maandag, dat hij een randfiguur is, een ‘vrijwilliger’ die aan de campagne meewerkte. In mum van tijd riekte het in Amerika ineens naar doofpot en complot.

    Watergate

    De vergelijking met Watergate is gauw gemaakt. Een Republikeinse president die van het padje af is. De foute types met wie hij zich heeft omringd. De vuile spelletjes. Het ondermijnen van de democratische normen. De onverschrokken journalisten die de zaak tot op de bodem willen uitzoeken. Een rechtszaak die gewoon doorloopt terwijl er nieuwe feiten naar buiten komen en Congresleden nog bezig zijn met hun onderzoek. Na ruim 45 jaar is ons beeld van de Watergate-affaire echter bepaald door de afloop, niet door hoe ze begon. Het is een rond verhaal met, achteraf bezien, een onvermijdelijke uitkomst: een schurkachtige president die oneervol aftrad. Maar zo dachten onze ouders en grootouders er in juni 1972 helemaal niet over, toen de ‘derderangsinbraak’ aan het licht kwam, of in januari 1973, toen het proces tegen de inbrekers begon. Voor hen was die tijd net zo vaag en verwarrend als deze voor ons.

    Daarom is elke vergelijking met Watergate ook zo oppervlakkig. Nog afgezien van de overduidelijke feitelijke verschillen tussen de verhalen (zo zijn de aantijgingen van een Russisch complot veel ernstiger), zijn de wetgeving, de politiek en de journalistiek nu zo anders dat het geen zin heeft om te denken dat alles zich zo zal voltrekken als toen. Hoe complex Watergate ook was, het is kinderspel vergeleken met datgene waar Mueller en zijn team mee te maken hebben. Hoe gemeen de gebeurtenissen destijds ook waren, en hoezeer ook door partijpolitiek bepaald, ze zijn vreemd ouderwets vergeleken met het giftige klimaat rondom het huidige schandaal. De mogelijkheid van een afzettingsprocedure is nog niet van de baan, maar het proces wordt zelfs nog partijdiger dan in 1974.

    President Nixon vertrekt per helikopter nadat hij zijn aftreden bekend heeft gemaakt. – © Bill Pierce
    President Nixon vertrekt per helikopter nadat hij zijn aftreden bekend heeft gemaakt. – © Bill Pierce

    Zelfs de timing verschilt – en misschien wel totaal – van wat we begin jaren zeventig hebben gezien. Er zaten 208 dagen (ruim zes maanden) tussen de datum van de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij en het begin van het proces tegen de mannen die de inbraak namens het Witte Huis hadden gepleegd. Dat leek misschien lang, maar is niets vergeleken bij waar we nu mee te maken hebben. Het lijkt me sterk, gezien de aard van de huidige federale rechtszaken, dat er binnen een half jaar een proces tegen Manafort en Gates komt. Waarschijnlijk duurt het een jaar of langer, als het al op een proces uitdraait, en niet op een strafverminderingsdeal. Of dat in het voor- of nadeel van de president werkt weet niemand.

    Wat we wel weten is dat Mueller anders dan zijn voorganger kan rekenen op weerstand in het Congres, of op z’n minst op pogingen om de boel te traineren. Dat wil zeggen: tot aan de tussentijdse verkiezingen van half november 2018. Na de verkiezingen van 1972 telde het Huis van Afgevaardigden vijftig Democraten meer dan Republikeinen. De Senaat was met zesenvijftig tegen vierenveertig zetels in handen van de Democraten. Zelfs toen, met een Republikein in het Witte Huis, duurde het maanden voordat het Congres uit zijn lethargie ontwaakte en het schandaal besloot te onderzoeken. Op dit moment zijn de Republikeinen de baas in zowel het Huis als de Senaat. Maar dat is maar het halve verhaal. Door gerommel in kiesdistricten en doordat ambtsdragers bang zijn om tijdens een voorverkiezing door een Trump-aanhanger te worden uitgedaagd, zitten er veel minder duiven in de beide huizen dan in 1972 en hebben veel minder wetgevers in staten en districten oog voor beide partijen. 2016 heeft alleen maar tot polarisatie geleid. Nu al zien we welke gevolgen dat heeft voor het onderzoek van Mueller.

    Elke analyse van elke ontwikkeling in de naderende rechtszaken stelt miljoenen mensen bloot aan bizarre vormen van bedrog en achterbakse spin

    Het is niet verwonderlijk dat Trump, net als Nixon, het gemunt heeft op degenen die zijn bondgenoten gerechtelijk onderzoeken. Nixon was net zo onbesuisd, paranoïde en autoritair. Het verschil is dat Nixon zijn woede binnenskamers hield (zij het dat die op band werd vastgelegd), terwijl Trump publiekelijk op Twitter tekeergaat. Het is trouwens niet alleen Trumps persoonlijke afkeer van Mueller; het Witte Huis voert een georkestreerde campagne om de voormalige FBI-directeur de voet dwars te zetten.

    Ook een groot verschil met vroeger, en iets wat de komende processen maar al te gemakkelijk belemmert, is dat steeds meer politici vijandig staan tegenover Muellers onderzoek. Het Congres bemoeide zich niet met het onderzoek naar Watergate; de hoorzittingen behoren tot de grootste wapenfeiten van het overheidsorgaan. Deze keer doen veel Republikeinen in het Congres er alles aan om het onderzoek van Mueller te dwarsbomen door twijfel te zaaien aan zijn geloofwaardigheid, de verhoren te torpederen en de aandacht voor de president te verleggen naar de kandidaat die hij versloeg, die geen publieke functie meer bekleedt. En hoe zit het met de voorgestelde bescherming van de speciale aanklager door het Congres, mocht Trump besluiten hem af te zetten? Ik moet het wetsvoorstel daarvoor nog zien.

    Een ander verschil met de periode 1972-1974 is dat de tot machtige commissievoorzitters benoemde Republikeinse houwdegens in het Congres, zoals Devin Nunes (afgevaardigde voor Californië) en Trey Gowdy (voor South Carolina), net doen alsof ze eerlijk opereren uit naam van een wetgevende macht die dient ter controle van de haperende uitvoerende macht. Maar net als de vele senatoren die zich al jaren voordoen als ‘het recht in eigen persoon’ – onder wie Charles Grassley – zijn ze publiekelijk de partijdige mening toegedaan dat Trump het voordeel van de twijfel geniet, en niet Mueller. Dat verschilt fundamenteel van de rol die het Congres speelde tijdens de Watergatecrisis en zal waarschijnlijk niet veranderen zodra de Democraten het in het Congres of in een van beide huizen weer voor het zeggen krijgen. Wat uiteraard sowieso de komende veertien maanden niet zal gebeuren.

    Het zullen veertien lange, naargeestige maanden worden, waarin met elkaar wedijverende verhalen in de media over objectieve feiten het land zullen blijven verdelen. Ooit kregen de meeste Amerikanen hun landelijke nieuws via drie tv-netwerken, van de radio en uit kranten die niet vanwege ‘nepnieuws’ en ‘alternatieve feiten’ door het slijk werden gehaald. Maar tussen nu en de tussentijdse verkiezingen kijken miljoenen Amerikanen naar Fox News of lezen ze verhalen op Breitbart en krijgen een totaal ander beeld van de werkelijkheid dan de rest. Elke analyse van elke ontwikkeling in de naderende rechtszaken stelt miljoenen mensen bloot aan bizarre vormen van bedrog en achterbakse spin.

    Toeristen bij het Witte Huis lezen het nieuws over het aftreden van de president. – © Getty
    Toeristen bij het Witte Huis lezen het nieuws over het aftreden van de president. – © Getty

    Eind jaren negentig deed ik van a tot z verslag van de soap rond de poging om Bill Clinton af te zetten. Achteraf zie je hoe snel het van kwaad tot erger is gegaan: van Watergate tot Whitewater en van de Lewinsky-affaire tot ‘Russiagate’, met zijn stupide naam. Voor Clinton begonnen de problemen aan het begin van het internettijdperk, toen hij zowel in de beide huizen als in het Congres tegenover een Republikeinse meerderheid stond. Toch bleef hij grotendeels overeind dankzij publieke steun, zelfs toen de omvang van zijn wangedrag duidelijk werd. Trump betreedt met steun van de beleidsmakers, maar met weinig steun van het publiek, een nieuwe fase in een mediatijdperk waarin hij zich in 140 tekens rechtstreeks tot zijn achterban richt. De vernietigende partijdigheid en de manipulatie door de media uit de Clinton-tijd waren mijlenver verwijderd van het Watergate-tijdperk, zoals de afzettingsprocedure tegen Clinton mijlenver verwijderd is van het Ruslandonderzoek. Het gaat duidelijk de verkeerde kant op met dit land.

    En dus zal Mueller het met zijn team moeten opnemen tegen een vijandig gezind Witte Huis met een president die bereid lijkt het volledige democratische bestel kapot te maken om er zelf zonder kleerscheuren vanaf te komen. De speciale aanklager en zijn collega’s zullen partijdige inmenging van het Congres moeten afweren die erop is gericht het bewijs dat in de rechtszaal wordt gepresenteerd onschadelijk te maken. Mueller zelf wordt het doelwit van propagandisten die zich voordoen als journalisten.

    Het land moet intussen rekening houden met de reële mogelijkheid dat de president Mueller zal ontslaan nog voordat Manafort en Gates voor de rechter zullen komen.

    We hebben hier niet te maken met een herhaling van Watergate. Wat nu speelt is een veel ernstiger bedreiging van de republiek.

    Auteur: Andrew Cohen
    Vertaler: Nico Groen

    Andrew Cohen is redacteur bij The Marshall Project, medewerker van The Atlantic, fellow bij het Brennan Center for Justice en juridisch commentator voor de programma’s 60 Minutes en CBS Radio News.

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

  • Mexico’s perfecte storm

    Mexico’s perfecte storm

    De Mexicaanse staat schudt op zijn grondvesten. Reden: een binnenlandse crisis veroorzaakt door regeringspartij PRI, en een buitenlandse crisis veroorzaakt door Donald Trump.

    Er lijkt zwaar weer op komst voor de Mexicaanse staat. Binnenslands neemt de crisis rondom het vraagstuk van veiligheid toe, rijzen de corruptieschandalen de pan uit en worden tegelijkertijd de justitiële en politionele instellingen doelbewust ondermijnd, waardoor het wankele staatsapparaat nog meer op lemen voeten komt te staan. En buitenslands is er Donald Trump, die zijn vijandige houding tegenover Mexico nog verder heeft aangescherpt met zijn dreigement de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) op te zeggen en Mexico almaar de schuld blijft geven van de talloze drugsdoden die de VS teisteren.

    Het samenvallen van een binnenlandse politieke crisis met een buitenlandse dreiging is een verschijnsel dat zich sinds de tijd van Lázaro Cárdenas del Río (Mexicaans president van 1934 tot 1940) en de daaropvolgende periode van de Tweede Wereldoorlog niet meer heeft voorgedaan. Toentertijd werd de binnenlandse politieke en economische crisis te lijf gegaan door een nog krachtig autoritair regime, dat gesteund werd door de Amerikaanse regering, die beducht was voor de internationale consequenties van een ineenstortende Mexicaanse staat. Maar nu wordt de regering van de PRI (Partido Revolucionario Institucional – Institutioneel Revolutionaire Partij) geconfronteerd met een Noord-Amerikaanse president die zich alleen bekommert om zijn eigen imago en niet in staat is de gevolgen van zijn daden te voorzien.

    Legitimiteit

    De buitenlandse dreiging zou het hoofd geboden kunnen worden als de huidige regering niet voortdurend bezig was de interne politieke polarisatie aan te wakkeren, in een poging een onderzoek naar haar corruptiepraktijken af te wenden. Het recente besluit van de president om de speciale aanklager inzake verkiezingsdelicten, Santiago Nieto, te ontslaan, alsmede zijn weigering om een openbare aanklager belast met corruptiezaken aan te stellen en een nieuwe procureur-generaal der Republiek te benoemen, zijn stuk voor stuk maatregelen die de doodsteek geven aan een rechtsstelsel dat in wezen toch al eerder fictief dan reëel is. Laten we niet vergeten dat 98 procent van de misdaden in Mexico onbestraft blijft en dat misdaden tegen de menselijkheid, zoals ontvoeringen, en niet te vergeten corruptie, gewoon nooit bestraft worden. Een regering die weigert een effectief rechtsstelsel op te zetten verliest haar legitimiteit, niet alleen ten opzichte van haar eigen onderdanen, maar ook tegenover de rest van de wereld, juist op een moment dat hulp van buitenaf onmisbaar is om de dreiging van een onvoorspelbare Noord-Amerikaanse regering het hoofd te bieden.

    De regering van Enrique Peña Nieto heeft zich ten doel gesteld het project dat president Carlos Salinas vijfentwintig jaar geleden inzette – een neoliberaal model van economische integratie met de Verenigde Staten – nieuw leven in te blazen, maar met behoud van de politieke macht in handen van de autoritaire PRI-elite. De relatieve – en trage – democratisering van het land gedurende de beginfase van het neoliberale project (getolereerd als instrument om het maatschappelijk protest in de hand te houden) liep in het jaar 2000 spaak en zorgde voor een wisseling van de presidentiële macht. Maar de PRI slaagde erin tijdens de opeenvolgende regeringen van de PAN (Partido Acción Nacional – Nationale Actiepartij) een vetomacht in het parlement te handhaven, en aangezien de PAN meewerkte aan het neoliberaal project en geen eigen democratisch project had, werd in essentie het beleid van het oude regime voortgezet, onder de discrete dekmantel van de zogenaamde ‘electorale democratie’.

    Enrique Pena Nieto – © AP
    Enrique Pena Nieto – © AP

    De regering van Peña Nieto heeft zich ten doel gesteld de aarzelende stappen voorwaarts die tijdens de democratische lente van begin deze eeuw werden gezet teniet te doen: de ontmanteling van onafhankelijke instituties die vrije verkiezingen, los van enige partijmacht, dienden te garanderen en die moesten zorgen voor transparantie in de uitoefening van het openbaar bestuur. De instituties die zorg moeten dragen voor transparantie kunnen vanwege het ontbreken van een effectief rechtsstelsel geen vuist maken om hervormingen door te voeren. De instituties die vrije verkiezingen dienen te garanderen zijn volledig in de macht van de PRI, met name het Federaal Electoraal Tribunaal, dat brutaalweg de frauduleuze gouverneursverkiezingen van dit jaar heeft goedgekeurd. Concreet: de verkiezingen in de deelstaat Mexico waren een proeve op grote schaal van hoe bestuurlijke macht kan worden ingezet om massaal stemmen op te kopen en ongestraft een systeem van algeheel cliëntelisme door te voeren.

    De PRI maakt het niet uit of ze het land te gronde richt – als ze maar overleeft

    Dat is de reden waarom de regering van Peña Nieto aan het eind van haar mandaat is verwikkeld in het schandaal (want dat is het) van een regelrechte terugkeer naar de oude electorale ondeugden van het autoritair bewind en de feitelijke ontmanteling van de rechtsstaat waartoe de burgermaatschappij de afgelopen jaren de aanzet heeft gegeven. De PRI neemt deze vermetele stappen omdat in 2018 niet alleen haar bestaan als politieke partij op het spel staat, maar ook haar president en de kliek om hem heen gevaar lopen vervolgd te worden voor de corruptieschandalen waarbij ze betrokken zijn. De PRI keert terug naar haar oorsprong om op de oude manier de verkiezingen te winnen die ze, als ze volgens de wet werden gehouden, onherroepelijk zouden verliezen. De PRI maakt het niet uit of ze het land te gronde richt – als ze maar overleeft.

    Auteur: Alberto J. Olvera
    Vertaler: Jos den Bekker

    Alberto J. Olvera is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Instituut voor Sociaal Historisch Onderzoek van de Universiteit van Veracruz.

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Politiek links georiënteerd, maar kritisch ten opzichte van de Spaanse socialisten.

  • Weet Mark Zuckerberg zelf nog wel wat Facebook is?

    Weet Mark Zuckerberg zelf nog wel wat Facebook is?

    De kritiek op Facebook zwelt aan. Uitgevers, politici en antitrustwaakhonden vinden dat het sociale netwerk te veel macht krijgt. Oprichter Mark 
Zuckerberg reageerde met een zesduizend woorden tellend manifest. Maar misschien is zijn kindje hem wel boven het hoofd gegroeid, schrijft 
New York Magazine. ‘Facebook is zo groot en veelomvattend geworden dat 
we er met ons verstand niet meer bij kunnen.’

    Mark Zuckerberg was net terug van vaderschapsverlof en wilde iets zeggen over Facebook, democratie en verkiezingen, en over wat zijn geesteskind terug kon doen voor de hegemonie 
die de wereld het had geschonken. Een paar weken eerder, begin september, had zijn chef veiligheid toegegeven 
dat Facebook voor 100.000 dollar aan advertenties had verkocht aan trollen gelieerd aan het Kremlin die de Amerikaanse verkiezingen probeerden te beïnvloeden. Op 21 september sprak Zuckerberg zijn volgers live toe in een videoboodschap waarvan de tekst ook op zijn Facebookpagina werd geplaatst. Hij beloofde meer middelen uit te trekken voor de Facebookteams die verantwoordelijk zijn voor de beveiliging en voor het eerlijke verloop van verkiezingen, om zo ‘het democratische proces proactief te versterken’.

    Als concrete maatregel kondigde hij aan dat ‘politieke reclame transparanter moet zijn’. Binnenkort moet op Facebook bij elke politieke advertentie vermeld worden ‘welke pagina’ ervoor betaalt (‘Ik ben Epic Fail Memes en ik sta achter deze boodschap’). Ook zal elke advertentie voor iedereen te zien zijn, waarmee feitelijk een eind komt aan wat wel dark advertising wordt genoemd: ‘gesponsorde’ Facebookberichten die alleen bij specifieke 
doelgroepen op de tijdlijn verschijnen. Zuckerberg trok een vergelijking met oude media als radio en tv, waar ook altijd wordt vermeld wie er voor een politiek spotje heeft betaald. ‘We gaan de lat voor transparantie op Facebook nog hoger leggen’, schreef hij.

    Die belofte was tot op zekere hoogte strijdig met de aankondiging eerder die dag van een aantal nieuwe instrumenten waarmee bedrijven hun advertenties specifiek kunnen richten op Facebookgebruikers die een winkel hebben bezocht. We zijn het al gewend om na één bezoekje aan een schoenensite wekenlang te worden bestookt met advertenties voor schoenen; datzelfde kan je voortaan overkomen als je gewoon naar de schoenwinkel om 
de hoek bent geweest. Dus terwijl Facebook de offlinewereld nog verder in zijn netten wil verstrikken, probeert Zuckerberg met zijn belofte van transparantie iedereen gerust te stellen dat het bedrijf zich wel aan de offline-
politieke orde onderwerpt.

    Dat is een lovenswaardig streven. Maar toen ik de verklaring las, bleef ik haken aan één zinnetje: ‘We hebben ons ingezet voor een eerlijk verloop van de Duitse verkiezingen dit weekend.’ Een geruststellende mededeling die duidelijk maakt dat Zuckerberg en Facebook het vertrouwen in het systeem willen herstellen. Maar… het is geen taal die 
je verwacht van een mediaorganisatie, zelfs niet van een heel grote. Dit is de taal van regeringen of politieke partijen of ngo’s. Een particulier bedrijf dat zich eenzijdig inzet voor een eerlijk verloop van verkiezingen in een land waar het niet eens gevestigd is? Ik kan eigenlijk maar twee andere bedrijven bedenken van wie je zo’n mededeling zou kunnen verwachten: Diebold, de verguisde fabrikant van ondeugdelijke elektronische stembussen, en Academi, voorheen Blackwater, het huurlingenbedrijf waarvan de oprichter maar blijft zeggen dat hij Afghanistan zo graag zou runnen. Geen respectabel gezelschap.

    Duizelingwekkende omvang

    Wat is Facebook? Je kunt het over de omvang hebben. Het aantal gebruikers is groter dan de bevolking van welk land dan ook, groter zelfs dan van ieder werelddeel, op Azië na. De groep ‘maandelijks actieve Facebookgebruikers’ is met twee miljard mensen zelfs de op een na grootste deelverzameling mensen op aarde (afgezien van indelingen naar biologische kenmerken): alleen de verzameling christenen is groter. En met zijn gestage groei, die al jaren 17 procent bedraagt, kan Facebook nog voor het eind van dit jaar ook die groep in omvang voorbijstreven en 
volgend najaar twee derde van de hele wereldbevolking omvatten. Buiten China, waar de site sinds 2009 verboden is, wordt er van elke vijf minuten op internet één doorgebracht op Facebook. In landen waar pas sinds kort grote aantallen mensen op internet zijn 
aangesloten, zoals Myanmar en Kenia, is internet min of meer synoniem met Facebook.

    Maar net als bij het internet zelf is 
de duizelingwekkende omvang van Facebook eigenlijk niet te bevatten – niet alleen het aantal gebruikers, maar ook de onafzienbare verscheidenheid aan activiteiten en functies, van simpele herinneringen aan verjaardagen tot de bescherming van de liberale democratie. Als ik door de berichten scrol en overweeg om me aan te sluiten bij een discussiegroep voor mensen 
die denken dat de aarde plat is, is het bijna onbegrijpelijk dat dit dezelfde site is waarvan het Congres de directie wil horen over hun rol in de presidentverkiezingen. Of dat de site die ik gebruik om vrienden voor een feestje uit te nodigen ook de inzet is van een internationale rel over het verdoezelen van de etnische zuivering van de Rohingya in Myanmar.

    schermafbeelding 2017 10 31 om 2 02 16 pm

    Facebook is zo groot en alomvattend geworden dat we er met ons verstand niet meer bij kunnen. Het is net een vierdimensionaal lichaam waarvan we alleen iets ontwaren als het onze driedimensionale wereld doorsnijdt. In de ene context lijkt het net een tv-zender, in de andere een ngo. John Lanchester schreef onlangs in de London Review of Books dat het bedrijf wel pretendeert 
de wereld te verbinden, maar in feite vooral bestaat om gebruikersdata te verzamelen die het aan adverteerders kan verkopen. Dat mag zo zijn, maar het verdienmodel zegt niet alles over de wijze waarop Facebook de wereld vormgeeft. Het afgelopen jaar heb ik vergelijkingen met de meest uiteenlopende verschijnselen gehoord, en ik had vaak het gevoel dat er nog tientallen andere parallellen te trekken zijn. Ik hoorde bestuurlijke metaforen (Facebook is als een staat, de EU, de katholieke kerk, de Verenigde Federatie van Planeten uit Star Trek) en zakelijke metaforen (een spoorbedrijf, een winkelcentrum), materiële metaforen (een dorpsplein, een snelweg, een elektriciteitsnet) en economische (een Speciale Economische Zone, een Gosplan). 
En tegenover elk helder en concreet beeld stond ook weer een vage en vergezochte vergelijking: een onzichtbare Oude God. Een eskader aliens dat de wereld verovert.

    Dat we niet goed snappen wat Facebook is, heeft reële gevolgen. Koning-keizer-kardinaal Zuckerberg lijkt zelf ook te zijn overrompeld door de rol die Facebook het afgelopen jaar in de wereldpolitiek kreeg. Hoe kunnen 
wij er dan gerust op zijn dat Facebook inderdaad de democratie zal beschermen? Moeten wij niet eerder de democratie beschermen tegen Facebook?

    Als je iets in het leven hebt geroepen dat een kruising is van staat, kerk, spoormaatschappij, winkelcentrum en kolonie van aliens, en je wilt die nieuwe entiteit doorgronden en uitbreiden, dan moet je met je burgers/gelovigen/passagiers/klanten/onderdanen gaan praten

    Het duidelijkste symptoom van deze verwarring over de maatschappelijke rol van Facebook, en daarmee van 
Zuckerberg, was het gerucht dat hij een gooi naar het presidentschap wil doen. Zuckerberg stelt zich elk jaar een ‘persoonlijke uitdaging’, een soort nieuwjaarsvoornemen in miljardairsstijl, waarover hij in de loop van het jaar updates op zijn Facebookpagina plaatst. Die nauwkeurig uitgedachte en uitgevoerde voornemens zijn het enige wat zijn volgers ooit van zijn zorgvuldig afgeschermde privéleven zullen zien. In de commentaren onder zijn statusupdates verdringen ze zich als de massa’s bij Buckingham Palace om de baas van Facebook te prijzen, aan te moedigen en tekeningen van hem te uploaden.

    Dit jaar heeft Zuckerberg zichzelf de uitdaging gesteld om te gaan praten met mensen in alle staten van de VS waar hij nog nooit is geweest. De eerste staat waar hij kwam was Texas, in januari. Sindsdien heeft hij nog 24 andere staten bezocht. Hij blijft categorisch ontkennen dat hij warmdraait voor een verkiezingscampagne. En afgaande op wat ik hoor van diverse mensen die hij op deze uitstapjes heeft ontmoet, en van strenge Facebookvorsers, neig ik ertoe om hem te geloven. Hij beperkt zich tot gesprekken 
in kleine kring of onaangekondigde bezoekjes. Geen toespraken, geen grote zalen, geen kusjes voor kinderen. Hij doet geen beleidsvoorstellen en mengt zich hoogst zelden en op bescheiden toonhoogte in politieke discussies.

    Toch hebben die uitstapjes wel iets weg van een campagne – in ieder geval van het soort ‘luistercampagnes’ die politici soms organiseren om, voordat ze zich kandidaat stellen, kiezers ervan te overtuigen dat ze het hart op de juiste plaats hebben.

    Tot op zekere hoogte is die speculatie in de media natuurlijk zijn eigen schuld. Hij koos er zelf voor om zich 
te laten fotograferen terwijl hij zat te eten of naar machines stond te staren. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat die onophoudelijke 
speculatie ook een symptoom is van ons onvermogen om Facebook te doorgronden. Als Zuckerberg zichzelf klaarstoomt voor het presidentschap, is Facebook gewoon een groot en bekend bedrijf met een directeur die politieke ambities heeft binnen het herkenbare politieke kader van de Amerikaanse democratie. Maar als Facebook groter, nieuwer en ondoorgrondelijker is dan een gewoon bedrijf, is deze tournee ook groter, nieuwer en ondoorgrondelijker dan een gewone presidentscampagne. Misschien is het een vorm van onderzoek en ontwikkeling, komt hij kijken hoe onze menselijke verhoudingen in elkaar steken, zodat Facebook daar beter op kan inspringen. Misschien is Facebook een kerk en komt Zuckerberg de mensen zijn zegen geven. Misschien is Facebook een staat binnen de staat en is Zuckerberg zijn grenzen aan het inspecteren. Misschien is Facebook een opkomende politieke gemeenschap en wil Zuckerberg de banden met zijn achterban aanhalen. Misschien is Facebook een politiestaat en Zuckerberg een dictator op een propagandatournee. Misschien is Facebook een parallelle macht, een netwerk dat naast de Amerikaanse overheid zijn werk doet en die overheid beconcurreert, en wil Zuckerberg zijn greep op die macht verstevigen. Misschien is Facebook een eskader buitenaardse ruimteschepen dat de wereld gekoloniseerd heeft en wil onderkoning Zuckerberg zijn onderdanen voor zich winnen.

    Of misschien is het allemaal veel simpeler: als je een bedrijf hebt en je wilt dat verbeteren, moet je met je klanten gaan praten. Als je iets in het leven hebt geroepen dat een kruising is van staat, kerk, spoormaatschappij, winkelcentrum en kolonie van aliens, en je wilt die nieuwe entiteit doorgronden en uitbreiden, dan moet je met je burgers/gelovigen/passagiers/klanten/onderdanen gaan praten.

    schermafbeelding 2017 10 31 om 1 58 46 pm

    Zuckerbergs tournee was het meest in het oog springende onderdeel van een bedrijfsbreed zelfonderzoek dat al snel na de presidentsverkiezingen op gang kwam. Facebook ging bij zichzelf te rade na de felle kritiek in de media op de lakse manier waarop het met de stortvloed aan ‘nepnieuws’ was omgesprongen. Aanvankelijk vond Zuckerberg niet dat het bedrijf hierin een eigen verantwoordelijkheid droeg. Twee dagen na de verkiezingen zei hij op een conferentie tegen een volle zaal: ‘De gedachte dat nepnieuws op Facebook, een miniem deel van de totale content, de verkiezingen op enige wijze zou hebben beïnvloed, vind ik persoonlijk nogal belachelijk.’ Enkele dagen later legde hij op Facebook uit waarom er geen drastische maatregelen tegen desinformatie werden genomen: ‘Op dit vlak moeten we volgens mij heel voorzichtig zijn. Het is altijd lastig om te zeggen wat “de waarheid” is.’ Facebook heeft van oudsher altijd geweigerd het waarheidsgehalte van gebruikersberichten te beoordelen. 
Het wilde zichzelf graag zien als een liberaal instituut in de klassieke zin, dat alle ruimte geeft aan een open en vrij debat – zolang je maar geen foto’s plaatst waarop een tepel te zien is.

    Die bewust liberale houding kon kritiek niet voorkomen. Facebook heeft onmiskenbaar een rol gespeeld in de verkiezingen. Tussen 23 maart 2015 (toen Ted Cruz zich kandidaat stelde) en november 2016 hebben 128 miljoen Amerikaanse gebruikers bijna tien miljard statusupdates, gedeelde berichten, likes en commentaren over de verkiezingen geproduceerd. Ter vergelijking: er gingen in totaal 137 miljoen mensen naar de stembus. Maar wat gepresenteerd werd als een democratisch platform, zo open als een dorpsplein, bleek in feite een hecht weefsel van parallelle media-ecosystemen en politieke infrastructuren, waarop de reguliere media noch de politieke partijen enige greep hadden en dat als een sloopkogel door het politieke landschap raasde.

    Zuckerbergs toer door de VS. 1. Januari: Dallas, Texas, 2. April: Blachardville, Wisconsin, 3. April: Dearborn, Michigan, 4. Juli: Piedmont, South Dakota, 5. Williston, North Dakota, 6. Juli: Alaska, 7. September: Philadelphia, Pennsylvania.
    Zuckerbergs toer door de VS. 1. Januari: Dallas, Texas, 2. April: Blachardville, Wisconsin, 3. April: Dearborn, Michigan, 4. Juli: Piedmont, South Dakota, 5. Williston, North Dakota, 6. Juli: Alaska, 7. September: Philadelphia, Pennsylvania.

    Niet alleen het geschrokken media-establishment stoorde zich aan de schijnneutraliteit van Facebook. Ook binnen Facebook zelf begon het te gisten. Eind november vorig jaar maakte BuzzFeed melding van een geheime ‘taakgroep’ die binnen het bedrijf op eigen initiatief probeerde 
het probleem van desinformatie aan te pakken. Minstens zo opzienbarend als het bestaan van die taakgroep was het feit dat BuzzFeed er lucht van kreeg. Onenigheid binnen Facebook is zeldzaam, het lekken van kritische geluiden is er helemaal ongehoord. Maar het mantra van de neutraliteit volstond duidelijk niet meer. Al snel plaatste Zuckerberg een statusupdate waarin 
hij maatregelen tegen desinformatie beloofde, en een maand later volgde 
de eerste van een reeks updates die daarvoor moesten zorgen.

    ‘Facebook is een nieuw soort platform. Het is geen traditioneel technologiebedrijf. Het is geen traditioneel mediabedrijf,’ zei hij in een videochat met zijn directeur Sheryl Sandberg. ‘We voelen ons verantwoordelijk voor de manier waarop het wordt gebruikt.’ En toen lanceerde hij in januari zijn ‘persoonlijke uitdaging’. Daarbij sprak hij van het ‘tumultueuze jaar’ 2016. Dat was het eerste teken dat hij zelf ook was geschrokken van de verkiezingsuitslag. Hij gaf zijn eigen analyse van de wereldwijde politieke situatie. ‘Al decennialang maken technologie en globalisering de wereld productiever en hechter verbonden’, schreef hij. ‘Dat heeft veel voordelen opgeleverd, maar heeft het leven voor veel mensen ook moeilijker gemaakt. Het heeft geleid tot een grotere verdeeldheid dan ik ooit in mijn leven heb ervaren.’

    Een opmerkelijke bekentenis van de baas van Facebook: jarenlang heeft Zuckerberg betoogd dat Facebook ‘meer openheid en verbinding in de wereld’ wilde brengen, zoals hij bij de beursgang in 2012 nog aan beleggers schreef. Nu liet hij doorschemeren dat de door Facebook gefaciliteerde ‘openheid en verbinding’ ook vreemde en gevaarlijke gevolgen kon hebben. In dat bericht in januari legde Zuckerberg de schuld nog steeds niet bij Facebook, maar hij erkende wel 
dat er schade was toegebracht aan 
de liberale politieke orde én aan 
Facebooks imago. Zijn tournee moest deze griezelig grote nieuwe macht in het Amerikaanse leven een menselijk gezicht geven. En Zuckerberg aan ideeën helpen over de wijze waarop Facebook zijn macht het best kon inzetten.

    Bomen planten

    Op 16 januari, Martin Luther Kingdag, waren leerlingen van de Talented and Gifted Magnet School in Dallas bezig een volkstuin aan te leggen toen Zuckerberg langskwam. De man die het internet en daarmee de wereld had veranderd, was naar Texas gekomen om bomen te helpen planten. (Nou ja, strikt genomen was hij in Dallas om een verklaring af te leggen in een rechtszaak tegen dochterbedrijf Oculus. Maar je wordt geen miljardair als je niet leert om met zo’n reisje twee vliegen in één klap te slaan.) ‘Wij hadden allemaal zoiets van: wat doet die hier? Het is Martin Luther Kingdag,’ grapte een van de kinderen later. Maar hij heeft drie uur samen met de scholieren in de aarde gewroet. ‘Hij trok zijn handschoen uit en stak zijn hand uit en zei: “Hallo, ik ben Mark”, alsof ik dat niet wist. Hij was heel spontaan en bescheiden, dat vond ik wel fijn,’ zei een andere leerling. Zuckerberg ging ook voor het eerst van zijn leven naar de rodeo, met burgemeester Betsy Price van Fort Worth, die hem een cowboyhoed gaf (ook de eerste van zijn leven), en hij sprak met politieagenten. Op de avond van zijn vertrek plaatste hij een statusupdate waarin hij, bijna als een koloniale socioloog, probeerde te formuleren wat hij had gezien: ‘In veel opzichten heb ik nog steeds geen helder beeld van Texas. Dit is een complexe staat, en alle mensen hier zijn veelgelaagd – als Amerikaan, als Texaan, als lid van hun lokale gemeenschap en gewoon als individu.’

    Maar al had hij geen helder beeld gekregen, hij was blijkbaar toch geïnspireerd geraakt, want een maand later plaatste hij een essay van zesduizend woorden op zijn Facebookpagina. Dat stuk, ‘Building Global Community’, is de uitgebreidste formulering van zijn kijk op de huidige politieke situatie, en de duidelijkste uitleg van wat in zijn ogen het doel van Facebook moet zijn. Net als het Communistisch Manifest begint zijn tekst met een theorie van de geschiedenis, ofwel ‘het verhaal van hoe we in steeds groteren getale bij elkaar komen – van stammen tot steden en naties’. Die groeiende schaal van menselijke interactie blijft zich verder ontwikkelen en ‘nu zijn we’, aldus Zuckerberg, ‘dicht bij de volgende stap’. Hij is niet zo dom om te zeggen dat Facebook de ‘volgende stap’ is die op de Vrede van Westfalen moet volgen. Nee, hij schrijft dat ‘de vooruitgang’ dicteert dat we ‘een wereldgemeenschap’ vormen, een global community. En goh, dat is nou grappig: toevallig bestáát er al zo’n wereldgemeenschap, namelijk Facebook.

    schermafbeelding 2017 10 31 om 1 59 46 pm

    Rond die tijd begon Facebook de leiders van de ‘meest betrokken’ gebruikersgroepen op dezelfde manier te paaien als het met adverteerders en app-ontwikkelaars doet: door ze uit te nodigen voor maandelijks topoverleg en middelen voor hen beschikbaar te stellen. En in juni, vijf maanden na de publicatie van zijn manifest (dat hij nu, misschien bang om ergens op te worden vastgepind, ‘die lap tekst’ noemt), maakte Zuckerberg bekend dat de missie van Facebook werd bijgesteld. Die luidt nu officieel dat het ‘de wereld in staat wil stellen een gemeenschap 
te vormen en mensen nader tot elkaar te brengen.’ Volgens Kate Losse, een Facebookmedewerker van het eerste uur en Zuckerbergs voormalige tekstschrijver, is dat een drastische koersverandering. ‘In de begindagen was het bedrijf zo neutraal dat het bijna eng was,’ zei ze. De eerste doelstelling die ze zich kon herinneren was iets wat Zuckerberg in vergaderingen vaak zei: ‘Ik wil gewoon een informatiestroom.’ Nu had hij het over ‘collectieve waarden van wat wel en niet door de beugel kan’. ‘Heel interessant dat het idee van een gemeenschap nu een rol speelt,’ zegt Losse. ‘Een gemeenschap, dat is bijna een kerk – een sociale structuur met normen en waarden.’

    schermafbeelding 2017 10 31 om 1 59 00 pm

    Twee dagen na het manifest verschenen Zuckerberg en zijn vrouw Priscilla Chan onaangekondigd in The Haberdasher, een cocktailbar in Mobile, Alabama. De eigenaar bood aan om 
ze af te schermen van de stamgasten, maar dat hoefde niet. ‘Wij werken 
met mensen,’ zei Zuckerberg. ‘Geen probleem.’ Ze kletsten en dronken wat met de andere klanten – een stout voor Zuckerberg en een mocktail voor Chan, die twee weken later bekendmaakte dat ze zwanger was. Ook een glaasje lokale whisky met de eigenaars sloeg Zuckerberg niet af (‘alles behalve tequila,’ zei hij erbij). Ze vertrokken tegen middernacht: ze moesten de 
volgende dag weer vroeg op om naar 
de kerk te gaan. In bijna elke staat die Zuckerberg bezocht, heeft hij ook een kerkdienst bijgewoond of met geestelijken gesproken. In Texas dronk hij koffie met predikanten, in Minnesota schoof hij aan bij de iftar van Somalische vluchtelingen, in Charleston bij een diner met notabelen. De dag daarop bracht hij een bezoek aan de kerk waar een racist in 2015 acht parochianen en de predikant doodschoot.

    Op de vraag of hij een atheïst is, antwoordde Zuckerberg vorig jaar op Facebook: ‘Nee. Ik ben joods opgevoed en heb een periode gehad dat ik met vragen zat, maar nu vind ik religie 
heel belangrijk.’ Zijn formulering is veelzeggend. In het openbaar lijkt zijn belangstelling voor godsdienst eerder sociologisch dan existentieel van aard. Na zijn bezoek aan een kerk in Mobile schreef hij op Facebook dat ‘de kerk een belangrijke rol speelt in de sociale cohesie van de gemeenschap’. Dat was het terugkerende thema van zijn uitstapjes: hoe werkt dat hele gemeenschapsgedoe eigenlijk? En als je een voorbeeld zoekt voor een sterke en duurzame gemeenschapsvorm die geografische, etnische en sociale 
grenzen overstijgt, bieden religies 
fascinerend vergelijkingsmateriaal.

    Facebook is goed omdat het een gemeenschap vormt; zo’n gemeenschap is goed omdat die Facebook mogelijk maakt. De waarden van Facebook zijn Facebook

    Maar welke gedeelde waarden kan Facebook uitdragen? Zuckerbergs eigen waarden, zoals zijn lovenswaardige steun voor migranten, vallen vaak samen met wat goed is voor Facebook. Geen idealer boegbeeld van het door Breitbart en andere hypernationalistische media zo verguisde globalisme dan Zuckerberg. Terwijl zijn platform voor die media ook het ideale instrument was om hun boodschap te verspreiden. Zuckerbergs geloof in liberalisme – en in de noodzaak om geen grote groepen gebruikers tegen zich in het harnas te jagen – gaat zo diep dat hij, na beschuldigingen van het ‘achterhouden’ van conservatieve berichten op Facebook, conservatieve kopstukken uitnodigde voor een persoonlijk gesprek om ze te verzekeren dat Facebook ook hun een stem wil geven.

    Misschien is het daarom dat hij in ‘Building Global Community’ aarzelt om de basiswaarden te schetsen van de gemeenschap die hij hoopt te bouwen. ‘Het leidende beginsel moet zijn’, schrijft hij, ‘dat onze Community Standards een afspiegeling vormen van de culturele normen van onze gemeenschap, dat iedereen zo weinig mogelijk aanstootgevende content onder ogen komt en mensen kunnen delen wat ze willen, en niet te horen krijgen dat ze iets niet mogen delen.’ Met andere woorden: het beginsel is alles wat mensen stimuleert om nog meer berichten te plaatsen. Facebooks waardensysteem lijkt niet zozeer positief alswel circulair. Facebook is goed omdat het een gemeenschap vormt; zo’n gemeenschap is goed omdat die Facebook mogelijk maakt. De waarden van Facebook zijn Facebook.

    schermafbeelding 2017 10 31 om 2 01 01 pm

    Eind september verontschuldigde Zuckerberg zich dat hij het probleem van nepnieuws al te makkelijk had weggewuifd, maar hij bleef volhouden dat de ‘bredere impact’ van Facebook op de hele politiek toch belangrijker was. Ik vermoed dat hij gelijk heeft, maar ik weet niet of hij daar blij mee moet zijn. Wat staat de politiek te wachten als dat wat hij onze ‘sociale infrastructuur’ noemt door de molen van Facebook gaat? De afgelopen presidentsverkiezingen geven een indicatie. In februari 2016 schreef internetdeskundige Clay Shirky: ‘Het bereiken 
en overtuigen van zelfs maar een fractie van het electoraat was vroeger zo’n moeilijke opgave dat slechts twee nationale organisaties daartoe in staat waren [de twee grote politieke partijen]. Nu zijn er tientallen organisaties die het kunnen.’ Om honderden miljoenen rechtse kiezers te bereiken had je vroeger het establishment van de Republikeinse Partij nodig. Maar het aantal geregistreerde Republikeinse kiezers bedroeg in 2016 maar een fractie van het aantal Amerikanen dat dagelijks Facebook gebruikt, en die zijn voor een habbekrats te bereiken. Trump kon een politieke coalitie van ontevreden Democraten en radicaal-rechtse Republikeinen smeden omdat hij dankzij de parallelle sociale infrastructuur van sociale media, met name Facebook, geen lippendienst hoefde te bewijzen aan de Republikeinse orthodoxie.

    Of neem de mate waarin de hele infrastructuur van politieke advertenties op zijn kop is gezet, met aan het Kremlin gelieerde nepaccounts die voor 100.000 dollar aan advertenties hebben gekocht. Daarmee konden ze verdeeldheid zaaien en kansloze maar voor Democraten lastige kandidaten als Jill Stein promoten. Hoeveel effect dat op de verkiezingen heeft gehad, blijft onduidelijk. Het bedrag en het aantal gekochte advertenties (‘circa drieduizend’) kan duiden op een potentieel bereik van enkele honderdduizenden tot tientallen miljoenen. In het beste geval was het weinig meer dan een frivool experiment – een manier voor het ‘Internet Onderzoeksagentschap’, de beruchte troll farm van het Kremlin, om de effectiviteit van hun methoden te testen. In het ergste geval was het een strategische poging om zwevende kiezers in doorslaggevende kiesdistricten te beïnvloeden – bijvoorbeeld blanke arbeiders in Michigan die op Obama hadden gestemd maar lid waren van anti-immigratiegroepen 
op Facebook. Die zouden dan met opruiende berichten zijn bestookt om een bepaald stemgedrag te stimuleren.

    Weinig mensen weten hoe en waar dat geld is ingezet, want Facebook wil nog steeds niet zeggen om welke ‘nepaccounts’ het gaat en op wie die het gemunt hadden. Voordat Zuckerberg in september zijn verklaring online zette, had Facebook steeds volgehouden dat het openbaren of aan het Congres verstrekken van die gegevens in strijd is met de privacywetgeving. (Wel heeft Facebook, naar verluidt op last van 
de rechter, gegevens aan de federale opsporingsdiensten overhandigd in verband met het onderzoek naar banden tussen Trumps campagneteam en de Russen.)

    Vertrouw ons maar

    De in september aangekondigde beleidswijziging van Facebook is een poging tot zelfregulering. Facebook zegt daarmee in feite: vertrouw ons nu maar, wij gedragen ons wel. Maar dat is niet zo’n denderend verkooppraatje. Facebook heeft al zo vaak misgekleund. Het grootste deel van het jaar hield het stug vol dat het geen advertenties aan Russische trollen had verkocht. Het afgelopen jaar heeft het tweemaal toegegeven misleidende cijfers aan zijn adverteerders te hebben verstrekt. Begin september werd ontdekt dat je advertenties kunt kopen die specifiek gericht zijn op mensen die zichzelf omschrijven als ‘jodenhater’. En misschien nog het belangrijkste: het is volstrekt niet duidelijk waarom we ervan kunnen uitgaan dat de belangen van Facebook samenvallen met die van de Amerikaanse overheid.

    Dit was juist zo verontrustend aan die aankondiging van Zuckerberg in september. Zoals altijd bij Facebook was de verklaring vatbaar voor verschillende interpretaties. Het is maar net welke draai je eraan geeft: van één kant gezien is het een bewonderenswaardige en hoognodige uiting van betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel van een machtige maar uiteindelijk welwillende onderneming. Van een andere kant gezien is het een geruststelling voor staatshoofden dat Facebook, al is hun netwerk nog zo wereldwijd, de soevereiniteit van afzonderlijke landen blijft eerbiedigen. (‘Rustig nu maar, meneer de premier, we snappen best dat die grenzen heel belangrijk voor u zijn.’) Van weer een andere kant bezien schrijft Facebook zichzelf hiermee een macht toe die gelijkstaat aan of zelfs groter is dan die van de staat – als een soevereine, zelfregulerende, supranationale instantie waarbinnen gewone staten opereren.

    David Banks, hoogleraar aan de State University of New York en gespecialiseerd in grote technische systemen, zegt dat wereldomspannende technische systemen zoals Facebook ‘niet in een [natuurlijke, juridische, politieke 
of sociale] omgeving willen verkeren, maar die omgeving willen zíjn’. De implicatie van Zuckerbergs aankondiging leek inderdaad te zijn dat Facebook een omgeving is waarbínnen de democratie kan bestaan. Een ‘natuurkracht’, net als de democratie zelf.

    schermafbeelding 2017 10 31 om 2 04 30 pm
    schermafbeelding 2017 10 31 om 2 04 48 pm

    Het is niet dat de macht van Facebook niet aan banden kan worden gelegd. Het probleem van de Russische advertenties kan vrij eenvoudig worden opgelost met regelgeving. ‘Het moet strafbaar zijn als buitenlandse overheden hier politieke advertenties kopen,’ zegt Tim Wu, hoogleraar aan de rechtenfaculteit van Columbia en auteur van The Attention Merchants. ‘Je moet Facebook verplichten om bij te houden waarvoor geadverteerd wordt en inzage te geven in hoeveel mensen ervoor betalen en of iedereen evenveel betaalt.’ Democraten in het Congres ijveren al voor strengere regelgeving over politieke onlineadvertenties.

    Maar de omvang van bedrijven als Facebook leidt ook tot zorgen over monopolievorming. Facebook stuit nog niet op zo veel wantrouwen als Google. Dat komt deels doordat hun monopolie moeilijker te bewijzen is, zeker binnen de Amerikaanse antimonopoliewetgeving, die de laatste jaren meer gericht is op bescherming van de consument dan op bescherming van de vrije concurrentie. Bovendien zou een rechtszaak op dit vlak pas effect sorteren als Facebook eronder zou lijden – en met een beurswaarde van 500 miljard dollar kunnen zelfs boetes van enkele tientallen miljarden het bedrijf nauwelijks pijn doen. Er zijn nog geen voorstellen gedaan om het bedrijf op te splitsen, ongetwijfeld mede omdat we zo moeilijk kunnen doorgronden wat het allemaal omvat. Wu vergelijkt Facebook met NBC, CBS en ABC in de jaren vijftig, destijds de enige drie landelijke Amerikaanse tv-zenders, die toen elke avond tientallen miljoenen mensen bereikten. Maar die tv-zenders waren van meet af aan onderworpen aan strenge regelgeving. Facebook is zonder overheidsbemoeienis tot in het diepst van ons dagelijks leven doorgedrongen door zich voor te doen als niet meer dan een doorgeefluik van informatie. ‘Facebook heeft evenveel macht om de aandacht van mensen vast te houden, maar er is geen gevoel van verantwoordelijkheid,’ zegt Wu. ‘Er zijn geen beperkingen. Geen regelgeving. Geen toezicht. Er is niets. Alleen een stel algoritmen die erop ontworpen zijn om de mensen te geven wat ze willen horen.’

    Dertien jaar herinneringen

    Dat is eigenlijk het grootste probleem voor de overheid. Enerzijds maakt die ongrijpbaarheid van Facebook me doodsbang. Anderzijds is het een hulpmiddel waarmee ik een nauwe en zelfs liefdevolle band heb. Ik heb dertien jaar aan herinneringen op Facebook staan. De eerste foto die ooit van mij en mijn partner is genomen staat erop, ergens diep verstopt in een album van iemand die ik in geen jaren heb gesproken. Facebook geeft me wat ik wil, zowel 
op de manier van een graankorrel voor de hamster in zijn tredmolentje, als op een dieper en bevredigender niveau.

    En wat vaak vergeten wordt: Facebook is een tijdje heel democratisch gerund. Van 2009 tot 2012 mochten gebruikers meestemmen over het sitebeleid. Die mogelijkheid werd maar door een miniem aantal gebruikers benut, en Facebook concludeerde uiteindelijk dat het systeem ‘eerder de kwantiteit dan de kwaliteit van bijdragen stimuleert’. In 2012 werd die vorm van inspraak verruild voor ‘een systeem dat zinvollere feedback en betrokkenheid oplevert’. Facebook was zo groot geworden, en zijn gebruikers zo lui, dat democratie niet meer werkbaar was.

    Auteur: Max Read
    Vertaler: Frank Lekens

    New York Magazine
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 437.000

    Nieuws over de sterren, de mode en het nachtleven van New York. Altijd op jacht naar schandalen en politieke crises. Deze concurrent van The Village Voice is eigendom van Rupert Murdoch.