Onderwerpen: Cultuur

  • Waarom onzekerheid een zegen is

    Waarom onzekerheid een zegen is

    Wie terugschrikt voor het onzekere is geneigd rigide te denken, voorbarige conclusies te trekken en naar een duidelijk en voorspelbaar leven te verlangen. Daartegenover staan flexibele, nieuwsgierige denkers die beter in staat zijn met diversiteit, complexiteit en verandering om te gaan. Waarom het – juist in deze tijden – loont om onze onzekerheid toe te laten.

    Lexi Walker had al een verwarrend jaar achter de rug toen de pandemie uitbrak. Hoewel ze een gewoontedier is – ‘Als ik geen zekerheid heb, ga ik door het lint,’ zegt ze – had ze halverwege 2019 haar carrière als advocaat ingeruild voor een baan als fiduciair adviseur in haar woonplaats Taylors in South-Carolina. Toen overleed haar vader, en ze had hem nog niet begraven of de pandemie gooide alles overhoop. ‘Er is nu zoveel onzekerheid, en er is geen ontkomen aan,’ zegt ze. ‘Je leven kan morgen fundamenteel veranderen, je weet het gewoon niet. Je ziet algauw geen uitweg meer.’

    Walker maakt zich nog steeds zorgen, maar de laatste tijd is ze zich een nieuwe vraag gaan stellen: ‘De dingen die ik altijd deed, ga ik die nu weer doen?’ Een onnodige impulsaankoop dwingt tot bezinning. En ze kijkt vooruit als nooit tevoren en maakt haar eerste vijfjarenplan. ‘Je doet in feite minder op de automatische piloot,’ zegt ze. ‘Dit is een kans om een heleboel dingen te heroverwegen die ik anders zonder nadenken zou zijn gaan doen.’ Juist in de onzekerheid die ze zo vreesde ziet ze bijna onwillekeurig een mogelijkheid.

    Mensen vinden het van nature ongemakkelijk om dingen niet te weten. Om te overleven zijn we tot zoekers naar antwoorden geëvolueerd. Kennis helpt ons een oplossing te vinden. Onze afkeer van onzekerheid is zo hevig dat deelnemers aan een reeks psychologische experimenten veel gestresster bleken als ze niet wisten óf ze een elektrische schok zouden krijgen dan als ze daar zeker van waren.

    ‘Het voelen en ervaren van onzekerheid stelt ons in staat ons aan te passen’

    Momenteel stuwt een stortvloed aan onbekende factoren – aangejaagd door onrust, recessie, branden, overstromingen en plagen – de jammerklachten over ‘deze onzekere tijden’ tot koortsachtige hoogte op. Toch zou het onverstandig zijn om op dit kritische moment voor die onzekerheid terug te schrikken. Een nieuwe golf van onderzoeken toont aan dat deze gemoedstoestand lange tijd verkeerd is begrepen maar ons denken in veranderende tijden naar een hoger plan helpt te tillen. Wanneer een probleem ondoorzichtig of nieuw is, zet onzekerheid ons ertoe aan ons oordeel uit te stellen, een eerste en vaak onjuiste overtuiging nog eens nader te bekijken en naar een béter antwoord te zoeken.

    ‘Het voelen en ervaren van onzekerheid stelt ons in staat ons aan te passen,’ zegt dr. Paul K.J. Han, verbonden aan het Amerikaanse National Cancer Institute en leider van een recente studie naar de mechanismen van onzekerheid. ‘We moeten haar niet onderdrukken. Maar aan de andere kant zijn we er in de meeste omstandigheden niet blij mee.’ Het paradoxale pluspunt van onzekerheid is dat we erdoor van ons stuk worden gebracht.

    Op dit moment worden we met enorme uitdagingen geconfronteerd, van de verwoestende klimaatverandering en aanslagen op de democratie tot een hardnekkige pandemie. Maar deze complexe problemen kunnen alleen goed worden aangepakt als we onze voorkeur voor schijnzekerheid biedende noodoplossingen laten varen en kiezen voor de letterlijk tot nadenken stemmende gemoedsgesteldheid van het níét weten. Studies tonen aan dat de vrees voor onzekerheid ons vatbaar maakt voor starheid, bekrompenheid en angst, precies de gemoedsgesteldheden die in roerige tijden een handicap zijn.

    Misvatting

    Wie is de beste kandidaat? Welk vaccin is het veiligst? We weten allemaal hoe het is om onzeker te zijn, om het gevoel te hebben dat je kennis tekortschiet en dat er meer te weten valt. Maar opmerkelijk genoeg werd een onzekere gemoedsgesteldheid tot voor kort vaak als studieobject over het hoofd gezien. Psychologen zagen het als iets wat mensen zo snel mogelijk de kop in moesten drukken.

    Maar de misvatting dat niet-weten een cognitief niemandsland is verliest snel terrein. Gezondheidszorg bijvoorbeeld is een discipline die vanaf diagnose tot behandeling naar zekerheid streeft. Maar dat heeft zijn prijs. Geneeskundestudenten die ambiguïteit mijden tonen zich minder geïnteresseerd in het behandelen van kansarme patiënten met vaak complexe aandoeningen. De moeite die artsen met onzekerheid hebben, is in verband gebracht met excessief testen, met het voorschrijven van te veel antibiotica en met de burn-outs en depressies die ook al voor de pandemie tot een alarmerend niveau waren gestegen. Het is absoluut noodzakelijk ‘om de ongezonde reactie van de geneeskunde op onzekerheid’ aan te pakken, schreef dr. Arabella Simpkin, wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Harvard Medical School, afgelopen april in het Britse medisch tijdschrift The BMJ. En sommigen in het vakgebied zijn daar al mee begonnen.

    Een paar jaar geleden ontdekte de faculteit huisartsengeneeskunde van het Central Medical Center in Maine dat hun jonge artsen steeds meer moeite hadden met het behandelen van poliklinische patiënten met complexe en ambigue gezondheidsproblemen. Het duurde even voordat hun opleiders het probleem onderkenden: de artsen in opleiding konden slecht overweg met de onzekerheid die inherent is aan hun beroep. In 2015 voegde de faculteit een extra maand toe waarin men de poliklinische patiënten liet roteren, meer tijd uittrok voor begeleiding van de studenten, colleges over medische fouten inlaste en nieuwe nadruk legde op het idee dat ‘er niet maar één juiste manier is om een patiënt te behandelen’, zegt programmadirecteur dr. Bethany Picker. ‘We hebben het lesprogramma zodanig omgegooid dat mensen openstonden voor het niet-weten, zich daar niet langer tegen verzetten maar het juist opzochten. Toen zagen we dat er opeens lampjes gingen branden.’

    Het niet-weten bleek een wezenlijke voorwaarde voor goed nadenken

    Een pilotstudie uit 2018 door Picker, psycholoog Deborah Taylor, dr. Donald Woolever en anderen toonde aan dat nadat het nieuwe curriculum was toegevoegd, artsen in opleiding ambiguïteit minder snel als een dreiging ervoeren. Voordat men de poliklinische patiënten liet roteren waren de studenten het er over het algemeen van harte mee eens dat ‘een deskundige die niet met een duidelijk antwoord komt waarschijnlijk niet zoveel weet’. Naderhand, en ook nog zes maanden later, waren ze het daar sterk mee oneens. Het nieuwe curriculum had hun professionele identiteit veranderd.

    ‘We werden er bij herhaling op gewezen dat het oké is om te zeggen dat je het antwoord niet meteen weet of iets moet opzoeken, iets wat trouwens bijzonder moeilijk is om toe te geven,’ herinnert Nupur Nagrare zich, die in 2017 in Maine is afgestudeerd en nu praktiseert in het noorden van de staat New York. De opleiding heeft haar zelfvertrouwen – en zelfs moed – gegeven tijdens de pandemie. ‘Als je openstaat voor ambiguïteit, heb je geen tunnelvisie meer en is alles niet zo in steen gehouwen,’ zegt ze. 

    In het dagelijks leven varen mensen wel bij intuïtieve cognitie, het trekken van snelle conclusies op basis van eerdere ervaringen. Daardoor vermoedt een ervaren arts bijvoorbeeld dat pijn op de borst bij een patiënt op een hartaanval duidt. Maar als iets anders loopt dan verwacht of misgaat, moet onze geest de automatische piloot uitzetten en een nieuwe inschatting maken. Een fout, een tegenstrijdigheid, een discrepantie – een vals-positieve medische test, een bewustwording van sociale ongelijkheid – creëert een verwarrende kortsluiting tussen oude verwachtingen en een nieuwe realiteit.

    Wat er op dat moment in ons hoofd gebeurt is een van de belangrijkste aandachtspunten in de cognitieve wetenschap. Op dat moment verbreedt de onzekerheid onze focus en versterkt het werkgeheugen. Het noodt tot het ‘trage’ denken dat nodig is om het nu ontoereikende begrip van de wereld te updaten. Onzeker zijn is zowel een signaal van gevaar als een uitdaging om te onderzoeken wat er anders is, ontbreekt of niet klopt, een proces dat ‘conflictbeheersing’ wordt genoemd. ‘Onzekerheid kan informatief zijn, en dat lijken mensen zich vaak niet te realiseren,’ zegt Sander van der Linden, die leiding geeft aan een laboratorium van de University of Cambridge dat onderzoek doet naar het nemen van sociale beslissingen. ‘Het stuurt ons in de richting van wat we níét weten.’

    Niet binair

    Neem een baanbrekend onderzoek dat Nils Plambeck van de HEC Paris Business School en Klaus Weber van Northwestern University deden naar 104 Duitse CEO’s die in 2004 werden geconfronteerd met een dramatische uitbreiding van de Europese Unie, met onder andere een groot aantal voormalige communistische landen. Enkele maanden voor die verandering voorspelden sommige CEO’s dat hun bedrijf daar sterker uit zou komen, terwijl anderen zeiden dat het hun vooruitzichten zou schaden. Maar volgens een derde groep kon de uitbreiding van het Europese blok zowel positief als negatief uitpakken; ze waren niet zeker van de uiteindelijke afloop.

    Toen de onderzoekers meer dan een jaar later terugkeerden om te zien hoe het de CEO’s was vergaan, merkten ze tot hun verbazing dat de sterke ambivalentie niet verlammend had gewerkt maar juist het tegengestelde effect had gehad. Degenen die in tweestrijd hadden gestaan hielden rekening met een groter scala aan reacties, lieten meer uiteenlopende stemmen meewegen in hun beslissingen en namen meer innovatieve en gedurfde initiatieven. Ze beseften dat ‘er daarbuiten een realiteit bestaat die niet binair is’, aldus Weber. Maar degenen die hun vooruitzichten als goed of slecht hadden ingeschat of de situatie beter in de hand meenden te hebben, waren geneigd hun bedrijfsvoering op de oude voet voort te zetten; sommigen deden vrijwel niets.

    Onzekerheid is een horzel voor de geest die ons opschrikt uit onze zelf-genoegzaamheid, als we bereid zijn de handschoen op te pakken.

    ‘Onzeker zijn betekent dat het me aan zelfvertrouwen ontbreekt.’ ‘Er bestaat eigenlijk geen probleem dat niet kan worden opgelost.’ Dit zijn maatstaven die worden gehanteerd bij twee psychologische tests, ‘Intolerantie voor Onzekerheid’ en ‘Tolerantie voor Ambiguïteit’, die zich in nieuwe belangstelling mogen verheugen van de geneeskunde, de klinische psychologie en de zakenwereld als instrumenten om mensen te helpen de positieve kanten van het niet-weten te ontdekken. In wezen meten de tests de mate waarin mensen onzekerheid als een uitdaging of een dreiging ervaren, een schijnbaar onschuldig verschil in houding dat desondanks van invloed is op de manier waarop we leren, argumenteren en problemen oplossen.

    ‘Er bestaat eigenlijk geen probleem dat niet kan worden opgelost’

    Mensen die terugschrikken voor het onzekere zijn geneigd rigide te denken, voorbarige conclusies te trekken en naar een duidelijk en voorspelbaar leven te verlangen; zij zien kennis als een rots om je aan vast te klampen en te verdedigen. Aan de tegenovergelegen kant van het spectrum vinden we flexibele, nieuwsgierige denkers die beter in staat zijn met diversiteit, complexiteit en verandering om te gaan en daar zelfs naar streven. De implicaties zijn helder: tolerantie voor onzekerheid is de springplank naar cognitieve bloei.

    Het vermogen om steeds beter om te gaan met onzekerheid wordt niet alleen als een voorwaarde voor kritisch denken beschouwd, maar ook voor mentaal welzijn. Veel vooraanstaande klinisch psychologen geloven dat angst voor het onbekende een belangrijke oorzaak is voor, of een ‘transdiagnostische factor’ achter, tal van geestes ziekten zoals angsten, depressies en posttraumatische stressstoornissen. Angst komt in dit licht bezien voort uit excessieve of onnodige pogingen onzekerheid op te lossen door haar uit de weg te gaan of door via piekeren de illusie te wekken dat men de zaken onder controle heeft.

    Nieuwe behandelingen leren mensen met angststoornissen bijvoorbeeld meer te delegeren op hun werk, of beslissingen te nemen zonder eerst uitentreuren het internet te raadplegen. Ze leren in feite om te gaan met hun ernstigste angst, zoals iemand die bang is voor honden eerst een puppy kan leren benaderen en daarna een hond aan een riem. ‘Mensen zijn bang om kapot te gaan aan hun onzekerheid,’ zegt Kevin Alschuler, psycholoog bij de University of Washington. ‘Wij helpen hen in te zien dat ze ermee om kunnen gaan.’

    Kans op een reset

    In weerwil van wijdverbreide angst, wanhoop en uitputting gelooft meer dan de helft van de Amerikanen dat ‘we covid-19 moeten aangrijpen als een kans om belangrijke veranderingen in ons land door te voeren’, volgens een onderzoek van het onafhankelijke non-profitbureau More in Common. Een andere raciale benadering stimuleert de verbeeldingskracht, zei mensenrechtenactivist Opal Tometi tegen het blad The New Yorker. Leidinggevenden worden als minder competent beschouwd als ze in het openbaar een paar seconden pauzeren om na te denken. Het tempo en de visie van het technologische milieu kweekt de impliciete overtuiging dat ‘weten’ downloadbaar is, keurig en snel; na een paar minuten online zoeken zijn mensen geneigd te denken dat ze meer weten dan in feite het geval is. Het versterken van polarisering tast de persoonlijke onzekerheid aan die van wezenlijk belang is voor een compromis.

    Het grootste obstakel voor een weloverwogen verandering die ons verenigt is niet het ongelijk van de andere kant of de behoefte aan een beter algoritme, maar de intolerantie voor onzekerheid die ons op gevaarlijke afstand plaatst van een genuanceerd, veelzijdig, zich ontwikkelend begrip van de werkelijkheid.

    We kunnen lachen om het idee uit vervlogen tijden dat sterren en aarde aan een vaste plaats waren gebonden en dat de hersenen en de persoonlijkheid van volwassenen onveranderlijk waren. In plaats daarvan moeten we ons afvragen: welke sluier van zekerheden laat ons nu in het duister tasten over onszelf, onze wereld en elkaar? De grote, door de Verlichting geïnspireerde strijd om het niet-weten uit te roeien – wat John Dewey ‘het zoeken naar zekerheid’ noemde – loopt ten einde. Het is tijd om de ‘vijand’ te betrekken bij het oplossen van onze hedendaagse problemen.

    Niet lang geleden waren mijn man en ik betrokken bij de pijnlijke ontmanteling van een huis van een familielid. Eerder was afgesproken dat de inhoud zou worden verdeeld aan de hand van keuzen van de betrokkenen en daarna door het gooien van een dobbelsteen. Alles ging goed totdat wij iets wonnen waar een andere verwant zijn zinnen op had gezet en uitgeputte familieleden begonnen te eisen dat we afstand deden van het erfstuk.

    Aanvankelijk leek de keuze duidelijk: het erfstuk houden en familieleden boos maken of de vrede herstellen ten koste van de eerlijkheid. Maar toen realiseerde ik me dat we in onze collectieve haast om de zaak af te ronden verborgen aspecten van het probleem over het hoofd zagen. Misschien was het minder een win-verliessituatie dan we hadden gedacht. Misschien waren de herinneringen niet zo’n nulsomspel. Een moment van besluiteloosheid inspireerde me tot het bedenken van een derde optie: een transactie waarmee alle partijen konden leven. Het niet-weten bleek een wezenlijke voorwaarde voor goed nadenken, en niet de cognitieve nederlaag die we maar al te vaak vrezen.

  • Wie weet een nieuwe naam voor Armeense cognac?

    Wie weet een nieuwe naam voor Armeense cognac?

    Een groep Armeense experts staat voor een bijzondere uitdaging: Armeense brandewijn onder een nieuwe naam bekend maken, promoten en op de markt brengen.

    De ‘cognac’ die Armenië al 130 jaar produceert, zal van naam moeten veranderen. Dat staat in de samenwerkingsovereenkomst met de Europese Unie, die op 1 maart in werking is getreden. De overeenkomst tussen de EU en Armenië houdt in dat beide partijen ‘ernaar streven om hun samenwerking op alle mogelijke gebieden te versterken en te verdiepen’.

    Maar de overeenkomst zou de verkoop van Armeense cognac schade kunnen toebrengen. De drank, die in het Russische rijk en vervolgens in de Sovjet-Unie werd beschouwd als ‘visitekaartje’ van Armenië, is ‘een onmisbare souvenir om mee te nemen van je reis naar dit land’, schrijft de Russische krant Argoumenty i Fakty.

    Overgangsperiode

    Volgens de voorwaarden van de overeenkomst met de EU en op dringend verzoek van Frankrijk, moet Yerevan geleidelijk de naam ‘cognac’ laten gaan. Armenië zal de drank tot 2032 onder deze naam kunnen exporteren, maar alleen op post-Sovjet-grondgebied.

    Dan profiteert Armenië van een overgangsperiode van tien jaar, tot 2043, om de resterende voorraden te verkopen. Als het land deze voorwaarde niet respecteert, moet het voorkomen voor internationale commerciële arbitrage.

    Er is een groep Armeense specialisten samengesteld die tegen 2026 ‘een nieuwe naam voor de drank [moet] vinden en nadenken over herpositionering van het merk, een lang en duur proces’, maar essentieel om het ‘marktaandeel te behouden’, legt de site News Armenia uit.

    ‘Armenië kan en zal haar unieke product behouden, en de Armeense regering hoeft alleen maar uit te zoeken hoe ze de expertise en ervaring die in de loop van de eeuwen is opgedaan effectief kan inzetten’, adviseert de Russische marktspecialist Spirits Sergei Lichtchiouk, geciteerd door de site Sputnik Armenia.

    Druivenrassen uit de Araratvallei

    De productie van cognac in Armenië begon in 1887 op initiatief van Nersès Taïrian, een rijke zakenman. De wijnbrandewijn werd gedistilleerd ‘volgens klassieke Franse methode’ en met distillaten en vaten die uit Frankrijk werden geïmporteerd, schrijft Armedia.

    Om Armeense cognac te maken, worden endemische druivensoorten uit de Araratvallei gebruikt, die met name voorkomen in de dorpen Voskéat, Garandmak, Tchilar, Mskhali, Kangoun, Banants, Kakhet, Mekhali.

    Na de Russische revolutie van 1917 werd de productie genationaliseerd. De Yerevan Ararat-distilleerderij, genoemd naar de heilige berg van de Armeniërs, gelegen in Anatolië (het huidige Turkije), verhuisde naar Yerevan. De kelders vormen nu de oplslagplaats van tientallen miljoenen liter sterke drank.

    Het eerste Europese verzoek om de naam van Armeense cognac te wijzigen dateert uit 1959, aldus de Armeense site. Voor de export wordt de drank op de markt gebracht onder de namen Naïri, brandy Ararat en Dvin brandy Ararat.

    De productie van de Yerevan-distilleerderij was niet alleen ‘lekker en van hoge kwaliteit’, maar ook ‘betaalbaar’

    De productie van de Yerevan-distilleerderij was niet alleen ‘lekker en van hoge kwaliteit’, maar ook ‘betaalbaar’, volgens de Armeense krant Novoye Vremia.

    ‘In de Sovjet-tijd was Armeense cognac bestemd voor de buitenlandse markt’, schrijft de Russische website Life.ru. In 1975 exporteerde de Sovjet-Unie 359.850 liter van deze drank. In 1998 werd de distilleerderij overgenomen door de Franse groep Pernod Ricard, ‘een van de zeldzame keren in de geschiedenis van onafhankelijk Armenië dat privatisering gunstig is geweest voor het bedrijf en het land’, merkt Argoumenty i Fakty op.

    Het merk heeft veel geïnvesteerd om de productie te ‘moderniseren’, maar ‘zonder zich te mengen in de traditionele technologie die de afgelopen decennia door Armeense meesters is ontwikkeld’, waaronder de beroemde Markar Sedrakian.

    Om niemand te beledigen, exporteert Pernod Ricard ‘cognac’, geschreven in het cyrillisch, naar ex-Sovjetlanden, en ‘brandy’ naar Europa. ‘Er was geen andere mogelijkheid‘, aldus Novoïé Vremia. De krant haalt een teleurgestelde Armeense cognacliefhebber aan, die voorstelde ‘een Armeens dorp Cognac te noemen en de Fransen hartelijk te groeten vanuit het Armeense Cognac’.

    Hoe het ook mag heten, Armeense cognac wordt in groten getale geëxporteerd (gemiddeld 10 miljoen liter per jaar) en blijft prijzen winnen op prestigieuze internationale beurzen, zoals op 17 maart de gouden medaille voor Ararat Naïri (een blend uit 1967 en houder van dertig internationale medailles) in de vierde London Spirits Competition, ‘tegen de Franse, Amerikaanse, Spaanse en Ierse concurrenten’. De Armeense plaats Verelq is er trots op.

  • De emancipatiestrijd van de Romeinse vrouw

    De emancipatiestrijd van de Romeinse vrouw

    De tentoonstelling Imperatrici, matrone, liberte in het Uffizi in Florence toont de verhalen, geheimen en emancipatiestrijd van vrouwen in het Romeinse keizerrijk.

    Krachtig. Vastbesloten. Onafhankelijk. Rebels. Romeinse vrouwen van het keizertijdperk en hun verhalen, geheimen en strijd voor burgerlijke, politieke en economische emancipatie, spelen de hoofdrol in de tentoonstelling Imperatrici, matrone, liberte in Galleria degli Uffizi in Florence, nu online te zien, aldus Controradio. De site roemt onder andere de ‘prachtige sculpturen van Agrippina Minore, de beroemde moeder van Nero, of van Domitia Longina, de minnares van Domitianus’.

    ‘Prominente vrouwen van het keizerlijk huis voerden een geleidelijke maar effectieve genderrevolutie door’

    Op de tentoonstelling kun je het leven van Romeinse vrouwen tijdens de eerste twee eeuwen van het rijk te volgen, schrijft Corriere Nazionale. Zo maken we kennis met Giunia Atte, een slaaf die werd vrijgelaten en trouwde met haar beschermheer. Zij was slachtoffer geworden van de vloek die haar echtgenoot over haar afriep toen hij haar verliet na de dood van hun gemeenschappelijke dochter. En er zijn de zowel positieve als negatieve voorbeelden van keizerinnen en prominente vrouwen van het keizerlijk huis, waarvan sommige, in de woorden van curator Eike Schmidt, geciteerd door Rai Cultura, ‘een geleidelijke maar effectieve genderrevolutie doorvoerden in de steden’.

    De expositie werd begin november geopend maar moest een dag later alweer sluiten vanwege corona. Het is voor het eerst dat een expositie van het Uffizi op deze manier online kan worden bekeken, zelfs tot in de kleinste details, jubelt onder andere de Romeinse site ANSA.

    Nu te zien op uffizi.it

    Door Laura Weeda

  • Ode aan de ‘imperfecte’ huid

    Ode aan de ‘imperfecte’ huid

    In de Aziatische gemeenschap in het Verenigd Koninkrijk is een huidaandoening vaak een bron van schaamte, maar een nieuwe generatie vecht tegen dit stigma. Drie jonge Aziatische Britten over de liefde voor hun ‘imperfecte’ huid. ‘Ik weet nog toen ik het net kreeg, dat de Aziatische gemeenschap dacht dat ik vervloekt was.’

    Op Wereld Vitiligo Dag [25 juni] vieren duizenden mensen op sociale media hun huid en hun unieke zelf. Vitiligo is een aandoening waarbij witte vlekken op de huid ontstaan doordat het immuunsysteem de melanocyten, de pigmentproducerende huidcellen, aanvalt. De oorzaken zijn nog onduidelijk en hoewel de aandoening al duizenden jaren voorkomt, rust er vaak een stigma op en vormt ze veelal een bron van schaamte.

    ‘Vitiligo komt bij ongeveer 1 procent van de algemene bevolking voor en volgens sommige studies ligt het percentage onder Aziaten op 1,5 à 2 procent,’ aldus dermatoloog dr. Adil Sheraz, woordvoerder van de British Skin Foundation. Hij vertelt dat er binnen Aziatische gemeenschappen vaak een stigma aan kleeft. Dikwijls wordt er gedacht dat de huidziekte besmettelijk is en veroorzaakt wordt door slechte eetgewoonten. Dit kan een enorme impact hebben op de geestelijke gezondheid van mensen die eraan lijden: het zorgt voor een hoop leed, depressies en – in zeldzame gevallen – suïcidale gedachten.

    ‘Het kan iemands culturele identiteit volledig omgooien, zowel wat zelfbeeld betreft als hoe er tegen hen wordt aangekeken,’ aldus Sheraz. Binnen deze context gebruikt een grote groep jonge Aziaten de kracht van sociale media om hun verhalen te delen, de schaamte rondom de aandoening te doorbreken en de schoonheid van hun huid te tonen.

    Drie mensen vertellen hier hun verhaal en steken lotgenoten een hart onder de riem.

    Schermafbeelding 2021 05 03 om 17.34.15

    @thevitiligoman

    Toen vitiligo zich bij Shankar Jalota op vijftienjarige leeftijd aankondigde, had hij geen idee dat het een huidziekte was. ‘Ik ontdekte een witte vlek op mijn borst en een piepklein wit plekje onder mijn linkeroog,’ herinnert hij zich. ‘Ik dacht serieus dat ik mezelf niet goed waste en probeerde het door hard schrobben weg te krijgen.’ Zelfs toen de vlekken niet verdwenen maar juist groter en opvallender werden, dacht hij ‘dat het door de puberteit kwam’. Het was zijn oma die hem aanspoorde om ernaar te laten kijken. ‘Ik liep een keer zonder shirt rond toen ze bij ons op bezoek was. Ze zag het meteen. Ik weet nog dat ze erg bezorgd keek. Ik wuifde het weg, maar mijn oma drukte me op het hart zo snel mogelijk naar de dokter te gaan, alsof ze zoiets vaker had gezien.’

    De Londenaar, inmiddels 26 jaar, is vooral bekend als @thevitiligoman op Instagram, waar hij foto’s en inspirerende quotes deelt en regelmatig filmpjes op IGTV plaatst. En waar hij in het verleden zijn stemming liet bepalen door wat anderen over hem dachten, is zijn mantra nu: Maak van ‘anders zijn’ je kracht. ‘Ik weet nog toen ik het net kreeg, dat de Aziatische gemeenschap dacht dat ik vervloekt was,’ vertelt Jalota. ‘Als puber is dat best een enge gedachte, waar ik zelf ook even in geloofde. Mensen waren heel vrijpostig en bestookten me continu met vragen. En ik moest water uit een koperen beker drinken, zo werd me verteld, dan zou het vanzelf weggaan,’ vervolgt hij. ‘Maar uiteindelijk blijkt de vloek een zegen die me in staat stelt anderen te helpen en iets te betekenen voor de gemeenschap.’ Zijn boodschap aan de wereld: ‘Laat vitiligo je niet onderuithalen maar juist sterker maken!’

    Ik moest water uit een koperen beker drinken, zo werd me verteld, dan zou het vanzelf weggaan

    Schermafbeelding 2021 05 03 om 17.32.42

    Angela Selvarajah

    Angela Selvarajah, 33, is zelfbenoemd ‘vitiligo-activist’ en model. Ze groeide op in een Sri Lankaans gezin en had al op jonge leeftijd last van eczeem en psoriasis, die regelmatig opvlamden, vooral in haar nek en op haar hoofd. Ze herinnert zich haar eerste kennismaking met vitiligo nog goed: ‘Ik had heel lang, dik haar dat mijn moeder vaak inwreef met olie. Toen ik veertien was, zag ze tijdens het vlechten een witte plek in mijn nek waar de psoriasis juist aan het verdwijnen was. We ontdekten dat er overal waar de eczeem en psoriasis genas, witte vlekken verschenen.’

    Door de vitiligo voelde Selvarajah zich erg geïsoleerd. Ze werd aangestaard en mensen bewaarden afstand, alsof ze besmettelijk was. ‘Ik had het gevoel dat als ik ook maar even vergat dat ik het had, er altijd wel iemand was die me eraan herinnerde,’ vertelt ze. ‘Mensen zeiden dingen als: “Zit je hele lichaam ermee onder?” “Doe je er wel iets aan?” “Straks word je helemaal wit!” En bijna iedereen zegt: “Heb je dit en dit al eens geprobeerd?” Om doodmoe van te worden,’ verzucht ze. ‘De allerergste opmerking was nog wel: “Och arm ding, wat ben je toch flink.” Ik vond het nogal neerbuigend. Het was niet alsof ik een keuze had.’ Haar advies aan lotgenoten is: ‘Voel je vrij en zelfverzekerd. Wees jezelf! We zijn uniek en je bent perfect zoals je bent!’

    Schermafbeelding 2021 05 03 om 17.30.02

    @a.patchy.indian

    Bij Kips Bhogal openbaarde de aandoening zich toen hij tien was. Bhogal, inmiddels 35 en parttime vitiligo-model, zet zich in voor meer bewustwording en zichtbaarheid van mensen met vitiligo. ‘Er rust een enorm stigma op, niet alleen binnen de Aziatische gemeenschap.’ Hij wijt het aan gebrekkige kennis en gebrekkig onderwijs over ‘er anders uitzien.’ ‘Als er meteen al op de lagere school aandacht aan wordt besteed, dan vermindert het stigma, niet alleen op vitiligo maar ook op andere aandoeningen en verschillen.’ Bhogal merkt dat mensen hem soms geen hand willen geven en hij voelt hun borende blik als ze zijn huid voor het eerst zien. ‘Kinderen zijn altijd nieuwsgierig of bang, en ze vragen: “Waarom heeft die man zo’n rare huid?” Terwijl volwassenen, als ze niet weten wat vitiligo is, vragen of het brandplekken zijn of dat ik huidkanker heb.’

    Bhogal, die op Instagram post onder de naam @a.patchy.indian, gelooft dat sociale media een krachtig platform kunnen zijn om stereotypen en stigma’s te doorbreken. ‘Ik geloof echt dat iedereen mooi is,’ zegt hij. ‘We worden iedere dag doodgegooid met beelden van halfnaakte modellen en celebs op covers, hun toch al mooie gezichten en ranke lichamen ge-airbrushed om elke “imperfectie” weg te werken. We kijken in de spiegel en gaan onszelf vergelijken en al snel slaat zelfliefde om in zelfhaat. Hoe kunnen we aan zulke onmogelijke normen voldoen?

    En toch blijven we ermee doorgaan. Want wie wil er niet knap zijn, toch? Eerst begin je kleine dingen te veranderen: je kapsel, de vorm van je neus of de sproeten op je wangen, maar alles bij elkaar opgeteld creëren al die kleine ingrepen (die soms overgaan in grote ingrepen) een heel nieuw personage. Na een tijdje herken je de persoon in de spiegel niet eens meer.’ Maar het gaat niet zozeer om je spiegelbeeld, benadrukt hij, het gaat om wat je uitstraalt. Je imperfecties maken je uniek. ‘Als je Aziatisch bent en vitiligo hebt, stop er dan mee je te verbergen en laat de wereld zien hoe mooi je imperfecties zijn,’ zegt hij. ‘Binnen de Aziatische gemeenschap moeten we meer naar buiten treden en ons positief uitspreken.’

  • Reizende Banksy en swingen op Gospel

    Reizende Banksy en swingen op Gospel

    Twee tips voor in mei.

    Banksy Art 1967 kopie

    Banksy in reizende expo

    Wie kent ze niet: het meisje met de ballon en de politieagent met de opgestoken middelvinger? Voor het eerst zijn deze en vele andere iconische werken van een van de meest provocerende, mysterieuze kunstenaars uit onze tijd, te zien in de reizende expo The Art of Banksy.

    Londen, vanaf 21 mei


    The 100 Voices of Gospel 700x470 kopie

    Vredestoer

    Zin om thuis te swingen? Luister dan naar 100 Voices of Gospel met zangers, muzikanten en dansers uit de hele wereld. Opgericht in 1998 in Frankrijk ter viering van de afschaffing van de slavernij, verovert dit koor een internationaal publiek met zijn onweerstaanbare Tour for Peace.


    Tivoli, Utrecht, stond gepland op 28 april, kijk op de site voor de nieuwe planning. Online valt uiteraard al e.e.a. te beluisteren.

  • Zwarte cultuur in witte modewereld

    Zwarte cultuur in witte modewereld

    De tentoonstelling Voices of Fashion: Black Couture, Beauty & Styles laat zien hoe koloniaal denken tot op de dag van vandaag de modewereld beïnvloedt.

    ‘Een viering van beauty, fashion, creativiteit en cultuur om zwarte makers en modellen de credits te geven die ze verdienen,’ schrijft modeactiviste Janice Deul in een bijgaande publicatie over de tentoonstelling Voices of Fashion: Black Couture, Beauty & Styles. Een tentoonstelling die tot nadenken stemt. Want ook in de hedendaagse modesystemen zijn de gevolgen van koloniaal denken tot op de dag van vandaag voel- en zichtbaar.

    Voices of Fashion gaat in op de eurocentrische focus die decennialang het modebeeld heeft bepaald: door verhalen die wel of niet verteld worden en door wie of welke schoonheidsidealen de verschillende covers en catwalks domineren. De tentoonstelling toont opkomend talent uit de kunst- en modewereld. Naast internationaal bekende modeontwerpers en kunstenaars als de Zuid-Afrikaanse Marlene Dumas en de van oorsprong Boliviaanse Raquel van Haver of Virgil Ablo, artistiek directeur herencollectie Louis Vuitton, doet ook opkomend talent mee zoals het merk Daily Paper, dat ‘third culture kids’ wil inspireren hun roots te erkennen door middel van storytelling en design. 

    Eindelijk een blik op de dominerende witte mode-industrie, die gretig gebruik maakt van zwarte cultuur als inspiratie en die u meeneemt in een onbekendere modewereld, wervelend vormgegeven door Afaina de Jong van studio AFARAI.   

    Voices of Fashion: Black Couture, Beauty & Style is van 3 april tot 15 augustus te zien in het Centraal Museum in Utrecht

    Door Manuela Klerk

  • Philip Roth schreef het liefst over zichzelf. Wat blijft er dan nog over voor een biograaf?

    Philip Roth schreef het liefst over zichzelf. Wat blijft er dan nog over voor een biograaf?

    Philip Roth, die in 2010 stopte met schrijven en acht jaar later op 85-jarige leeftijd overleed, wist niet zeker of hij wel wilde dat er een biografie over hem werd geschreven. Hij was gewend zijn eigen verhaal te vertellen.

    Waarom Lodewijk Asscher zo van Philip Roths werk houdt

    ‘De angst voor besmetting. Fake news. De paniek omdat niemand precies weet hoe het virus zich verspreidt. Hoe de Italianen de ziekte kwamen verspreiden. De angst om anderen te besmetten en de bittere verwijten. Je leest erover in Nemesis, de laatste roman van Philip Roth. Tien jaar voor covid maar huiveringwekkend actueel. Ik herlas het in het voorjaar van 2020. En echt, het helpt om de psychologie te begrijpen van de tijd waarin we leven.

    Als klein jongetje wilde ik zelf schrijver worden. (Of rechtsbuiten bij Ajax, een droom die nog korter duurde, maar dat terzijde.) Een wereld creëren anders dan de onze maar met zo veel gelijkenis dat je het verschil soms niet meer ziet. In plaats daarvan belandde ik in de politiek. Maar de kunst een andere mogelijkheid te suggereren is me blijven fascineren. Het is het instrument dat de politicus soms van de schrijver leent.

    De schrijver die dit het beste kon? Philip Roth. “Stel je voor”, is wat hij je altijd lijkt voor te houden. Roth schreef over de moderne verwarring rond ras en identiteit – wokeness – zouden we nu zeggen, in zijn verbluffende The Human Stain. Als je het nu herleest is het griezelig actueel hoe Coleman Silk van de universiteit verjaagd wordt. Roth liet zien hoe het had kunnen gaan als een ander dan Roosevelt president was geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar zijn The Plot Against America leek ook in heel veel opzichten het Amerika van Donald Trump te beschrijven.

    In de boeken die Roth tussen 1974 en 2007 schreef over de oversekste Amerikaans Joodse schrijver Nathan Zuckerman speelt hij met zijn eigen levensverhaal. Je merkt dat hij het interessanter vindt hoe het had kunnen zijn dan hoe het was. Maar ook dat hij zichzelf schetst als een tamelijk egomane en onaangename man.

    Waarom ik zo van zijn werk hou? Om de grote thema’s die hij hanteert. Om het Amerika dat hij beschrijft. Om de dromerige beelden van zijn kinderjaren als joods jongetje in Newark. Om de humor in zijn taal.

    Na zijn dood in 2018 verscheen er al de bittere aanklacht van zijn ex-vrouw Claire Bloom. Zij laat zien hoe onaangenaam het was in zijn echte leven te figureren. Nu is er – eindelijk – de biografie van Blake Bailey. “Ik wil niet dat je me rehabiliteert. Maak me gewoon interessant.” Met dit citaat en deze opdracht begint Bailey zijn kolossale werk. Gelukkig maar, ik verheug me erop het te lezen en zo een glimp op te vangen van al die gefrustreerde, monomane, aantrekkelijke en weerzinwekkende personages uit de romans van Philip Roth, van wie ik in de loop der jaren ben gaan houden als van familie.’

    GettyImages 50425948
    Philip Roth en zijn vrouw Claire Bloom in hun woonkamer in New York. – © Ian Cook / Getty Images

    Hij, de koning van het zitvlees, zat al vanaf zijn studententijd 340 dagen per jaar zijn nalatenschap bij elkaar te typen, ruim dertig boeken over hoofdpersonen die veel weg hadden van hemzelf: een kind van Newark, een seculiere jood, de jongste van twee broers, een kinderloze vrijgezel die in dit land zonder pogroms alle vrijheid had om zijn lusten en zijn egomanie uit te leven. Die boeken vormden in twee opzichten zijn nalatenschap: hij had geen kinderen, dus zijn oeuvre is het enige wat hem overleeft; en op hun pagina’s was in zekere zin zijn hele leven vervat.

    Hij hamerde er altijd op dat je zijn werk niet autobiografisch moet lezen, maar produceerde wel een oeuvre vol dubbelgangers en fictieve alter ego’s, speelde voortdurend verstoppertje in zijn fictie. In Operation Shylock (1993) reist een hoofdpersoon genaamd Philip Roth af naar Israël om de confrontatie aan te gaan met een dubbelganger die ook Philip Roth heet en die een vredesplan voor het Midden-Oosten aan het uitventen is terwijl hij zich uitgeeft voor de echte Roth. Zijn memoires uit 1988, The Facts, een van zijn weinige werken die niet fictief lijken te zijn, gaan vergezeld van begeleidende brieven aan en van zijn fictieve alter ego Nathan Zuckerman. Toen hij aan die memoires begon, schreef hij een correspondent dat hij helemaal klaar was ‘met de schmink en de pruik en de opplakbaard’ van fictie – een impliciete erkenning dat zijn personages vermomde versies van hemzelf waren.

    Provocateur

    Uiteindelijk besloot Roth dat er toch een biografie moest komen, want hij wilde dat de mensen hem zouden kennen zoals hij was. Zijn fictie nodigde uit tot misverstanden, maar hij was gekwetst als hij verkeerd begrepen werd. Door op het platteland van Connecticut te wonen kreeg hij de naam een kluizenaar te zijn, maar Roth was een man met een onstilbare behoefte aan contact, onvermoeibaar bezig om mensen voor zich in te nemen, te verleiden.

    Nicole Krauss schreef na zijn overlijden over ‘de oprechte aandacht waarmee hij luisterde’ en ze noemde hem ‘het meest genereuze publiek dat iemand zich kan wensen’. In gezelschap was hij een plagerige grappenmaker, een meester van de imitatie en de anekdote, de belichaming van wat Zadie Smith, nog zo’n schrijfster met wie hij op late leeftijd bevriend raakte, de ‘rothiaanse geest’ noemde: ‘vol karakters en verhalen en humor en geschiedenis en seks en razernij’. Een roemruchte provocateur die wel graag wilde dat mensen hem aardig vonden, of ten minste zijn gelijk erkenden – want hij had nog heel wat rekeningen te vereffenen met ex-vrouwen en, niet geheel toevallig, ook met een ex-biograaf.

    Roth had al met twee eerdere biografen gebroken, een derde proberen te strikken en tegen een vierde met een rechtszaak gedreigd

    In 2012, toen hij Blake Bailey beloofde om hem deelgenoot te maken van zijn privépapieren, zijn vrienden, zijn adresboekje en zijn diepste gedachten, had Roth al met twee eerdere biografen gebroken, een derde proberen te strikken en tegen een vierde met een rechtszaak gedreigd. Maar Bailey, die brutaalweg zelf bij de bejaarde auteur had aangeklopt en een begripvol gehoor bleek te zijn, wist Roth voor zich in te nemen. En zo verschijnt in april nu Philip Roth: de biografie.

    Dat is al Baileys vierde biografie van een Amerikaanse schrijver: de oud-leraar heeft zich ontpopt als een van de grote literaire biografen van Amerika. In 2003 debuteerde hij met A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates, dat hielp om de auteur van Revolutionary Road eindelijk de roem te bezorgen die hem in zijn lange leven van armoede en dronkenschap steeds was ontglipt. Zes jaar later kwam Bailey op de proppen met de biografie van een andere twintigste-eeuwse zuipschuit met een literair talent vanjewelste, John Cheever. En toen hij voor het eerst kwam kennismaken met Roth, had hij net de laatste hand gelegd aan zijn biografie van Charles Jackson, vooral bekend van de toepasselijk getitelde klassieker The Lost Weekend uit 1944, gebaseerd op zijn eigen ervaring met comazuipen. Een van Roths eerste vragen toen Bailey zijn aanzoek kwam doen, was dus: ‘Schrijf je ook weleens over mensen die niet continu dronken zijn, of dood?’ ‘Jij zou de eerste zijn,’ zei Bailey daarop.

    Volledige toegang

    De aanduidingen ‘geautoriseerd’ en ‘ongeautoriseerd’ hebben in de literaire wereld beide een negatieve bijklank: bij een ‘geautoriseerde biografie’, geschreven met medewerking van de erven of de gebiografeerde persoon zelf, denk je immers aan een braaf en vleiend portret, en bij een ‘ongeautoriseerde biografie’ verwacht je vuige roddels. Baileys biografieën zijn geautoriseerd. ‘Mensen gebruiken “geautoriseerd” wel als diskwalificatie, alsof je dan onder de plak zit van je hoofdpersoon of de erven,’ vertelde Bailey me. ‘Ik heb andere afspraken gemaakt.’ Hij stelde dezelfde eisen als hij bij de nabestaanden van Yates en Cheever had gedaan: vrije en volledige toegang tot Roth, tot zijn papieren, al zijn familie en vrienden, en iedereen die hij verder wilde spreken – ook mensen die Roth niet per se welgezind waren.

    En Roth stemde toe. Hij omarmde hun samenwerking met de gedrevenheid van iemand die het einde voelt naderen – maar hij probeerde zijn biograaf ook voor zich in te nemen. In de omgang met geliefden, vrienden of collega’s van wie hij iets gedaan wilde krijgen, kon Roth botheid afwisselen met uitbundige jovialiteit. Bij Bailey liet hij zich vooral van zijn aardige kant zien en betoonde hij zich even toeschietelijk als hij afwerend was geweest tegen zijn andere biografen in spe.

    In de laatste zes jaar van zijn leven beantwoordde hij al zijn vragen, vaak met paginalange brieven, hij belde Bailey voortdurend op en gaf hem documenten waarin de erven wellicht nooit meer iemand inzage zullen geven. Roth wist wat voor soort biografie hij wilde, en nadat hij jarenlang met andere aspirant-biografen in de clinch had gelegen, gooide hij het bij Bailey over een andere boeg: hij bedolf hem onder de aandacht en palmde hem in met de hartelijkheid die hij reserveerde voor vertrouwelingen. Hij gaf zich aan hem over in de hoop dat het zou opleveren wat hij wilde: zijn versie van de waarheid.

    Groots in zijn hartelijkheid, onredelijk in zijn rancune en achteloos in zijn hardvochtigheid

    In februari bracht ik in Virginia een bezoek aan Bailey in zijn huis in het historische hart van Portsmouth, op loopafstand van de Elizabeth River, vlak bij Chesapeake Bay. We hebben daar in zijn woonkamer met elkaar gepraat en pizza gegeten, met inachtneming van de anderhalve meter. Op de salontafel lag The Wes Anderson Collection, Matt Zoller Seitz’ rijk geïllustreerde boek over het werk van die regisseur. In Baileys huis zelf hing ook een andersoneske sfeer, rommelig en pre-digitaal: overal boeken, geen tv te bekennen. In de kamer achter me stond een kleine vleugel, waar Bailey na een dag noeste schrijfarbeid vaak op speelt. Hij woont er met zijn vrouw en hun dochter van zestien, een beagle en een kat die nergens te bekennen was.

    Na het eten draaide ik wat rondjes in een van Roths oude Eames-fauteuils, die Bailey van hem heeft geërfd. Het bijbehorende voetenbankje staat bekend als ‘Nicole’s plekje’ – naar Nicole Kidman, een goede vriendin die daar zat als ze bij Roth op bezoek kwam. Toen ik vroeg of ik de papieren van Roth mocht zien, nam Bailey me mee naar de tweede verdieping en opende de kasten langs de muren buiten zijn werkkamer: honderden archiefmappen vol materiaal. Bailey moet dat straks allemaal weer teruggeven aan Roths executeurs-testamentair (zijn agent Andrew Wylie en Julia Golier, ooit Roths geliefde en daarna een goede vriendin), en die kunnen dan besluiten om ze te vernietigen. Bailey heeft ook kopieën van documenten in de archieven van Princeton University, waar ze openbaar toegankelijk waren tot dat archief in 2019 op verzoek van Wylie werd gesloten en de inhoudsbeschrijving van de website gehaald.

    De aanblik van zes jaar aan gegevens over het leven van één man voelt een beetje alsof je een reusachtige legpuzzel ziet die de vloer van een balzaal in beslag neemt: een indrukwekkend gezicht, maar je moet er niet aan denken hoeveel werk daarin is gaan zitten. Onderzoek doen naar een schrijversleven is een traag proces, een mengeling van ouderwets journalistiek handwerk en eindeloos spitten in archieven. Bailey heeft de meeste boeken van Roth ettelijke malen gelezen – alleen daarin gaan al honderden uren werk zitten. ‘Je moet mensen durven benaderen alsof je ze een verzekering wilt aansmeren,’ zei Bailey. ‘Dat is een rol die ik wel kan spelen en ik kan er ook van genieten, maar ik zit net zo lief wekenlang in mijn eentje te werken zonder een mens te zien. Dat is een handige combinatie voor een biograaf.’

    Kloosterplicht

    Zijn talent als archieftijger resulteert in een boek dat een uitputtend en minutieus gedetailleerd beeld geeft van Roths leven: van de saaiheid van zijn militaire dienst in de jaren vijftig tot zijn catastrofale huwelijken en zijn strijd tegen depressie. Hij zet Roth vaak meelevend neer als een man van strikte discipline (dat befaamde arbeidsethos, het schrijven als een soort heilige kloosterplicht) die ook wild uit de band kon springen (hij had een slippertje met Ava Gardner en liet Jackie Kennedy een blauwtje lopen). Alle perikelen rond zijn financiën, zijn vetes en zijn psychoanalyse krijgen we tot in het kleinste detail voorgeschoteld. De figuur die zo naar voren komt, is een man die groots kan zijn in zijn hartelijkheid, onredelijk in zijn rancune en achteloos in zijn hardvochtigheid.

    Zijn eerste reactie was ‘Notes for My Biographer’, een verweerschrift ter lengte van een boek

    Amerika kent weinig schrijvers zoals Bailey, de traditie van de literaire biografie stelt hier niet veel voor. ‘Voor zover we weten,’ schreef Rachel Donadio in 2007 in The New York Times Book Review, waren er op dat moment geen biografieën op handen ‘van Cormac McCarthy, E.L. Doctorow, Don DeLillo, Toni Morrison, Thomas Pynchon, Salman Rushdie of John Updike’. Sindsdien is alleen over Updike een grote biografie verschenen. Afgezien van Bailey en een handjevol anderen – zoals Roths goede vriendin Judith Thurman, die biografieën heeft geschreven van Isak Dinesen en Colette – zijn er maar weinig Amerikanen die uitblinken in dit genre.

    In Groot-Brittannië heb je auteurs als Claire Tomalin, Michael Holroyd en Hermione Lee, die alom geprezen biografieën hebben geschreven van respectievelijk Dickens, Shaw en Virginia Woolf. Britten zijn heerlijk voyeuristisch in hun belangstelling, ze willen lezen over het leven dat hun schrijvers leiden. De Britse tabloids doken er meteen bovenop toen Martin Amis in 1994 zijn literair agent verruilde voor een nieuwer en blitser model (Andrew Wylie toevallig). Het seksleven van Philip Larkin, of het gebrek daaraan, trok nationale aandacht. Maar in de Verenigde Staten is Roth een van de weinige schrijvers wiens privéleven vaak over de tong ging. (Wat weten we nou over het privéleven van Jonathan Franzen of Lorrie Moore?) Wij nemen onze schrijvers serieus, wat wil zeggen dat we hun werk belangrijker achten dan hun leven.

    Niet zo gek dus dat bij ons de taak om de traditie van de literaire biografie hoog te houden toeviel aan een mislukte romanschrijver. Bailey, in 1963 in Oklahoma geboren, wilde aanvankelijk acteur worden. Maar onderweg naar een auditie voor de Matt Dillon-film Tex las hij op zijn zestiende The Great Gatsby, en eenmaal bij de auditie aangekomen leek acteren hem ‘een knap suffe ambitie’. (De auditie was geen succes.) Hij ging studeren aan Tulane University, werd leraar op een middelbare school in New Orleans, probeerde een roman te schrijven en raakte idolaat van Frederick Exley. ‘Ik voelde een diepe verbondenheid’ met Exley, schreef hij in 2014 in het autobiografische The Splendid Things We Planned: ‘zijn drankzucht, zijn ziekelijke interesse in sport, zijn minachting voor de alledaagse sleur – die hele puberale narcistische roes.’

    ‘Hij wilde Richard Yates zíjn, niet over Richard Yates schrijven,’ zei Elizabeth Kaplan, zijn eerste agent. Maar succes had hij alleen gehad met non-fictie, vooral met een artikel in het blad Spy over het schrikbewind dat de vrouw van Revlon-tycoon Ron Perelman bij de verbouwing van haar huis uitoefende over de aannemers. ‘Schrijf een voorstel voor een boek over iets wat jou hevig interesseert,’ had Kaplan tegen hem gezegd, zo vertelde Bailey. ‘En wat mij op dat moment hevig interesseerde, was Richard Yates.’

    In 1999 kwam hij in contact met Yates’ middelste dochter, Monica, die het fijn vond dat Bailey geen wetenschapper was: ze hield de academische wereld verantwoordelijk voor haar vaders smadelijke teloorgang. Ze verleende hem haar medewerking en Bailey kreeg een contract met een uitgever. In april 2000 werd Revolutionary Road heruitgebracht en Baileys uitgever gokte erop dat de biografie kon meesurfen op de verhoopte nieuwe aandacht voor Yates.

    ‘Eind januari 2001 tekende ik het contract en ik kreeg tot 15 maart 2002 voor het onderzoek en het schrijven van het boek,’ zei Bailey. ‘Vanaf dat moment was ik veertien maanden lang elk uur van de dag met Yates bezig, behalve onder het eten of op de wc.’ A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates verscheen uiteindelijk in juli 2003. Yates verrees uit het graf om in de hemel van de literaire canon te worden opgenomen en Bailey werd geprezen omdat hij in zijn biografie de vinger legde op de narratieve spanning in het schrijversleven – in het geval van Yates een leven van armoede en eenzaamheid, de hele dag typen en sigaretten paffen en ’s avonds aftaaien naar de kroeg. Het boek was dat jaar een finalist in de categorie biografie van de National Book Critics Circle Award. Bailey was leraar af.

    Nadat critica Janet Maslin de Yates-biografie lovend besproken had in The New York Times, nam haar man, de schrijver Benjamin Cheever, Bailey mee uit eten en vroeg of hij misschien ook over zijn vader John wilde schrijven. Dat wilde Bailey wel en in 2009 verscheen de biografie van Cheever. Roth, die op het punt stond om zijn laatste roman te publiceren en bang was nooit meer een geschikte biograaf te vinden, las het boek met bewondering.

    ‘Ik denk dat Philip voor Blake heeft gekozen omdat hij zijn boek over Cheever had gelezen en dat voortreffelijk vond,’ zei Benjamin Taylor, een vriend van Roth, die in diens laatste jaren een medische volmacht van hem had en de auteur van Here We Are: My Friendship with Philip Roth. ‘Ik weet nog dat hij tegen me zei, toen hij dat uit had: “Hij velt geen oordeel over zijn hoofdpersoon – hij laat hem gewoon zijn gang gaan. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, net wat hij zelf wil. Zonder daar een moralistische visie op te plakken.” En hij zei ook: “Dat is het soort ruimdenkendheid dat ik nodig heb in een biografie.”’ Of zoals Bailey het zelf formuleerde: ‘Cheever gaat in mijn boek hard onderuit, maar blijft in de kern toch een sympathiek personage.’ Roth hoopte dat het voor hem ook zo zou uitpakken. ‘Als je de volledige waarheid over iemand vertelt, toon je die persoon in al zijn menselijkheid,’ zei Bailey. ‘Philip dacht dat dat ook voor hem zou gelden.’

    In 1996 was Leaving a Doll’s House verschenen, de memoires van de Engelse actrice Claire Bloom, Roths ex-vrouw. Zij schetst een vrij genuanceerd beeld van de ontsporing van hun liefde, waarin ze ook zichzelf niet ontziet, maar bij recensenten en lezers ontstond het beeld van Roth als een manipulatieve minnaar die wrede emotionele spelletjes speelde. Zijn eerste reactie was ‘Notes for My Biographer’, een verweerschrift ter lengte van een boek, dat hij aan zijn uit-gever Houghton Mifflin verkocht. Vervolgens ging hij op zoek naar een biograaf. ‘Ik dacht: iemand moet dit verhaal rechtzetten, anders blijft dit hét verhaal,’ zei hij later tegen Bailey.

    GettyImages 600005236 1
    Philip Roth in New York. – © Getty

    Flatteus portret

    Roth vroeg het eerst aan Ross Miller, literatuurdocent aan de University of Connecticut en een goede vriend, die jarenlang voorlopige versies van zijn romans te lezen kreeg en de Library of America-uitgave van zijn verzameld werk had geredigeerd (al had hij daarbij slecht werk geleverd, zo vond Roth, die daarom zelf maar de redactionele teksten aan-leverde waarvoor Miller verantwoordelijk was). Roth wilde een flatteus portret en hoopte dat Millers loyaliteit zou opwegen tegen zijn gebrek aan talent. Maar volgens Roth werkte Miller er maar sporadisch aan: toen Roth hem in 2009 voorgoed van zijn taak onthief, had hij blijkbaar nog maar elf van Roths kennissen geïnterviewd. En toen Roth de opnamen van die gesprekken afluisterde, schrok hij zo van de in zijn ogen belabberde interviewtechniek dat hij weer aan een lang schotschrift begon, een nooit gepubliceerde aanval op Miller getiteld ‘Notes on a Slander-Monger’ (‘Aantekeningen over een lasteraar’). Met de vriendschap kwam het niet meer goed en Roth bleef tot zijn laatste snik op Miller afgeven.

    Miller wilde hier niet op reageren. Toen ik Wylie vroeg of de erven hem een proces zouden aandoen als hij mij te woord stond, zei hij: ‘Daar wil ik echt niet op ingaan.’ Maar helemaal ongegrond lijkt die vrees niet. In 2011 had Roth meer dan zestigduizend dollar aan advocaten uitgegeven om gedaan te krijgen dat Ira Nadel, een Amerikaanse literatuur-wetenschapper die tegenwoordig in Canada doceert, één enkel zinnetje schrapte uit zijn Critical Companion to Philip Roth – een zinnetje over Roths veronderstelde ‘angst om emotioneel door een vrouw te worden overweldigd’, waarmee Nadel doelde op de vrouw die lange tijd een verhouding met Roth had gehad en het model was geweest voor Drenka, de seksueel vrijgevochten minnares in Sabbath’s Theater. Nadel had ook plannen voor een biografie en kreeg van Wylie te horen dat hij niet mocht citeren uit Roths werk en dat geen van Roths intimi hem ooit zou helpen.

    ‘Ik ben ook geen biseksuele alcoholist van deftige puriteinse komaf, maar ik heb toch een biografie van John Cheever geschreven’

    Ondanks zijn weerzin jegens Miller en minachting voor Nadel (die de schrijver in zijn vorige maand verschenen biografie afschildert als een man die doodsbenauwd is voor intimiteit) bleef Roth zoeken naar de ideale biograaf. Hij besprak het met een hoogleraar aan Stanford University, Steven Zipperstein, die zegt dat hij geen geautoriseerde biografie wilde schrijven (al werkt hij nu toch aan zijn eigen biografie van Roth). In 2010 kreeg hij een toezegging van Hermione Lee, die biografieën op haar naam heeft van Virginia Woolf en Edith Wharton. Maar daar kreeg hij al snel weer spijt van. Het zat hem dwars dat ze er pas aan kon beginnen als ze haar boek over Penelope Fitzgerald had voltooid, ook al had ze dat vooraf gezegd. En er was nog iets. ‘Hij wilde niet de geschiedenis ingaan als een man die iets tegen vrouwen had,’ kreeg ik te horen van een schrijver die bevriend was geweest met Roth. ‘En hij was bang dat dat wel zou gebeuren als zijn biograaf een feministe was.’

    In 2012, toen Lee dacht dat Roth zijn biografie nog aan haar had verpand, stuurde Bailey hem een e-mail nadat hij van schrijver James Atlas, ook een oude en inmiddels met Roth gebrouilleerde vriend, gehoord had over de breuk tussen Roth en Miller. (Atlas lijkt niet op de hoogte te zijn geweest van Roths afspraak met Lee, die mij niet te woord kon staan omdat, zo liet ze weten, haar hoofd ‘momenteel vol zit met Tom Stoppard’.) Zodra Bailey wist dat Roth misschien op zoek was naar een biograaf, wilde hij die klus. ‘Alles kwam gewoon samen,’ zei hij: dat Roth nog beschikbaar was en dat hij ‘al vanaf jonge leeftijd helemaal weg was’ van zijn werk. Roth nodigde hem uit in zijn flat in New York, en daarna nog een keer in zijn huis in Connecticut. In de Upper West Side vroeg hij Bailey waarom een 
    niet-jood uit Oklahoma zijn biografie zou moeten schrijven, waarop Bailey zijn antwoord paraat had: ‘Ik ben ook geen biseksuele alcoholist van deftige puriteinse komaf, maar ik heb toch een biografie van John Cheever geschreven.’

    ‘Er staan natuurlijk dingen in die hij onverteerbaar zou hebben gevonden’

    Roth was blij met zijn nieuwe man. Hij had de publicatie van ‘Notes for My Biographer ’ al afgeblazen en vrienden gevraagd hun exemplaren terug te sturen. Bailey kreeg een kopie van dat manuscript, en van ‘Notes on a Slander-Monger’, en nog veel meer materiaal. De afspraak is dat hij anderhalf jaar na het verschijnen van de biografie alles moet retourneren aan de erven. Julia Golier, een van de twee executeurs-testamentair, zegt dat zij en Wylie dan op basis van hun interpretatie van Roths wensen zullen beslissen wat er moet worden vernietigd en wat er naar de Library of Congress gaat. Over ‘Notes for My Biographer’ en ‘Notes on a Slander-Monger’ (in feite Roths ongepubliceerde werk) zei ze desgevraagd: ‘Er is gerede kans dat we die vernietigen. Dat besluit nemen Andrew en ik als het zover is.’

    Achtenveertig keer wordt ‘Notes for My Biographer’ door Bailey in de biografie aangehaald. Dat betreft vooral passages over Claire Blooms kritiek op hem. Veel van die citaten zijn onschuldig en sommige zijn zelfs complimenteus (Roth vond zijn ex bijvoorbeeld ‘een geboren schrijfster’). ‘Notes on a Slander-Monger’ wordt maar achttien keer aangehaald. Deze onbekende manuscripten zijn misschien niet explosief van aard, maar ze zijn zonder meer van belang – ze gaan immers over Roths twee grote relatiebreuken (na het fiasco van zijn vroege eerste huwelijk): de echtscheiding van Bloom en de breuk met Miller. En het is niet duidelijk hoeveel exemplaren van deze teksten nog in omloop zijn. Roths vriendin Claudia Roth Pierpont, de auteur van Roth Unbound: A Writer and His Books (2013), leek zich niet goed raad te weten met mijn vraag of zij nog een exemplaar had: ‘Er zwerven nog wel exemplaren rond. Ik heb er geen.’

    In Baileys archiefkasten bevinden zich nu in ieder geval nog exemplaren van deze teksten, en van ‘Slander-Monger’ ligt er ook een exemplaar achter slot en grendel op Princeton, onderdeel van de verzameling Roth-gerelateerde documenten die Benjamin Taylor in 2018 aan de universiteit heeft verkocht. Het jaar daarop werd dat archief op last van Wylie gesloten en Taylor weet niet of Princeton het ooit nog zal heropenen. Volgens een woordvoerder is de universiteit ‘nog in gesprek met de erven’. Wylie noch de advocaat van de erven, Perley H. Grimes Jr., wilde hier iets over kwijt. Het is net alsof Roths wilskracht de schrijver heeft overleefd en hij over het graf heen blijft drammen en dwingen. Zijn lichaam vergaat, maar zijn oude kennissen respecteren zijn wensen en bewaren een respectvol stilzwijgen.

    Bij wetenschappers zal altijd de frustratie blijven knagen dat slechts één man zijn volledige oeuvre heeft mogen zien – niet alleen alle titels die nog in de winkel liggen, maar ook de ongepubliceerde geschriften.‘Exclusiviteitsbiografie!’ foetert Jacques Berlinerblau, een hoogleraar van Georgetown University die in september ook een boek over Roth publiceert, The Philip Roth We Don’t Know: Sex, Race, and Autobiography. ‘Volledige inzage in alle documenten, en daarna worden ze verbrand!’ Dat zou zonde zijn. Miller was in de jaren tachtig en negentig een belangrijke meelezer van Roths romans in wording; en omdat het beeld van Roth als vrouwenhater in sterke mate op het boek van Bloom berust, lijkt het erop dat het eindoordeel daarover voorgoed moet worden opgeschort.

    Bailey is ook de enige die een 101 pagina’s tellend verslag heeft gelezen dat speciaal voor hem werd geschreven door de vrouw die de inspiratiebron was voor Sabbaths minnares Drenka. Bailey mocht die herinneringen alleen in haar bijzijn lezen. ‘Ik mocht ze niet eens meenemen naar de wc,’ zei Bailey. Roth had met niemand zo’n lange verhouding als met deze vrouw, zelfs niet met zijn twee echtgenotes, en Bailey heeft geen idee wat zij gaat doen met haar manuscript, waarin ze een naargeestiger figuur schetst dan de Mickey Sabbath die Drenka’s minnaar is.

    ‘In Sabbath is de seks vrolijk en speels,’ schreef Bailey me, terwijl je in haar versie van het verhaal ‘vooral leest dat Philip (om maar wat te noemen) wilde dat zij aan de telefoon luisterde hoe hij zich in Londen zat af te trekken terwijl zij in Connecticut’ aan het werk was, met patiënten in haar fysiotherapiepraktijk.

    De Roth die uit Baileys onderzoek naar voren komt, was soms harteloos tegenover geliefden en vrienden zowel als vijanden. Hij zag er geen been in om hun levens als voer voor zijn boeken te gebruiken. Als ze daar bezwaar tegen maakten, zoals de romanschrijver en trouwe discipel Alan Lelchuk op den duur deed, toonde Roth geen berouw. Hij was een meester van de onmin, getuige zijn ruzies met Lelchuk, met Atlas en natuurlijk met Miller. Hij kon emotioneel veeleisend zijn en zijn medeleven met anderen was ondergeschikt aan zijn eigen behoeften. Hij had iets van een jengelend kind: hij wilde bijvoorbeeld dat Bloom meer tijd met hem doorbracht en minder met haar tienerdochter Anna. Hij was vaak blind voor zijn eigen tekortkomingen en de wrevel die hij zelf veroorzaakte: hij noemde Anna in een brief ‘strontvervelend’, zonder oog te hebben voor de rol die hij zelf in de familieruzie speelde.

    Deze versie van Roth, als een man met sterke seksuele driften, een brandend gevoel van slachtofferschap, een talent voor nietsontziende woede en een beperkt inlevingsvermogen, doet denken aan zijn meest onverzadigbare personages – Portnoy, Zuckerman en Sabbath met name. Roth schreef geen autobiografische romans, maar hij lijkt zijn tekortkomingen en turbulente leven wel te hebben gebruikt als stof voor zijn fictie, waarin hij zijn eigen beperkingen wilde etaleren op de enige manier die hij kon, in de enige taal waarover hij beschikte.

    Roth wist heel goed dat Bailey over al deze dingen zou schrijven, maar sputterde toch zelden tegen. Een van de zeldzame ruzies die hij met Bailey kreeg, ging erover dat de vrouw die model had gestaan voor Drenka niet onder haar echte naam in de biografie wilde worden opgevoerd. Roth meende dat ze hem in gesprekken met Bloom en Bailey had belasterd en wilde niet dat ze zich achter haar anonimiteit kon verschuilen. ‘Ik wees Philip erop dat hij niet in de positie verkeerde om zulke eisen te stellen,’ zei Bailey, ‘en daarmee was de kous af.’

    Boeiend

    Kwam dat misschien doordat hij als schrijver wist wat ervoor nodig is? Dat als de vergetelheid zijn grootste angst was – en dat ís de grootste angst van elke schrijver – hij niet alleen bewonderenswaardig maar vooral boeiend moest zijn? Hij wordt in dit boek herinnerd als een mens: hilarisch, ongrijpbaar, oprecht aardig maar ook wispelturig en vals. Een man, geen levenloos monument. ‘Er staan natuurlijk dingen in die hij onverteerbaar zou hebben gevonden,’ zei Bailey. ‘Maar hij zou uiteindelijk hebben ingezien dat de ideale biografie die hem voor ogen stond alleen gerealiseerd had kunnen worden als hij hem zelf had geschreven – wat hij in een ideale wereld natuurlijk ook het liefst had gedaan.’ 

    boekcover

    Vertalers Frank Lekens en Lidwien Biekmann hebben zich ontfermd over de 880 biografische pagina’s die binnenkort bij de Bezige Bij verschijnen. Blake Bailey kreeg toegang tot Roth’s persoonlijke archief en sprak vrienden, geliefden en collega’s.

    Ook met Roth zelf sprak hij veelvuldig over liefde, de dood en de literatuur. En ook over hoe pleitbezorger werd voor dissidente schrijvers uit het Oostblok en zijn literaire carrière bijna ontspoorde door zijn eerste huwelijk. 


    Ondanks dat de Amerikaanse uitgever de biografie op 21 april uit de handel heeft genomen nadat Bailey werd beschuldigd van seksuele intimidatie en misbruik, publiceren wij dit interview waarin immers de nadruk ligt op Roth, aan wie we graag onverminderd aandacht besteden. Om dezelfde reden zal De Bezige Bij het boek als gepland uitgeven.

  • Vrouwelijk genot, de podcast

    Vrouwelijk genot, de podcast

    Met A Woman’s Right To Pleasure is er eindelijk een podcast over de vraag wat vrouwelijk seksueel genot precies inhoudt, geleid door pornoactrice en auteur Stoya.

    Wat het seksueel verlangen van de vrouw precies inhoudt en hoe dat door haar wordt beleefd is door de eeuwen heen door mannen onderzocht en bepaald, bezongen en bestraft. Iedereen wist hoe het vrouwelijk lichaam gecontroleerd, gecensureerd en begeerd moest worden behalve de vrouw zelf. Daar is met het onlangs verschenen boek en de gelijknamige podcast A Woman’s Right to Pleasure (BlackBook) een definitief einde aan gekomen.

    In de podcast gaat de Amerikaanse pornoactrice en schrijver Stoya in gesprek met een aantal vrouwelijke gasten die hun – onbeschaamde – kant van het seksuele verhaal vertellen. Aan het woord komen onder meer kunstenaar Marilyn Minter, seksuoloog en voormalig filmmaker Liz Goldwyn, Pussy Riot-activist Nadya Tolokonnikova, punklegende Alice Bag en vele anderen. 

    De driedelige podcast gaat in op de vraag wat vrouwelijk genot precies inhoudt. Vanuit een vrouwelijk standpunt, wel te verstaan. ‘Onze daad van verzet tegen een geschiedenis die ons te lang heeft onderdrukt.’   

    A Woman’s Right to Pleasure is te beluisteren via verschillende podcastplatforms

    Door Manuela Klerkx

  • 15 vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen | Meer ‘diversiteit’ bij de Oscars

    15 vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen | Meer ‘diversiteit’ bij de Oscars

    15 Franse vrijwilligers verlaten grot na 40 dagen

    Vijftien mensen zijn zondag na een isolatie van veertig dagen uit een grot in het zuidwesten van Frankrijk tevoorschijn gekomen. Ze maken onderdeel uit van een experiment dat onderzoekt hoe de afwezigheid van klokken, daglicht en externe communicatie het besef van tijd beïnvloedt.

    ‘Met een grote glimlach op hun bleke gezichten verlieten ze onder luid applaus hun vrijwillige isolement in de Lombrives-grot. Om hun ogen te beschermen na zo lang in het donker droegen ze een speciale bril’, schrijft The Guardian.

    ‘Het was alsof ik even op pauze had gedrukt’, zegt Marina Lançon, een van de zeven vrouwen die aan het experiment deelnamen. Ze voelde geen haast om iets te doen en had wel een paar dagen langer in de grot willen blijven, zegt ze. Wel was ze blij om de wind te voelen en vogelgezang te horen.

    Ze is van plan om nog een paar dagen niet op haar smartphone te kijken, in de hoop zo een ‘te brute’ terugkeer naar het echte leven te voorkomen.

    Members of the team inside the cave

    Het project waaraan de groep deelnam heet Deep Time. Er was geen natuurlijk licht in de grot, de temperatuur was er 10 °C en de relatieve vochtigheid 100 procent. De proefpersonen hadden geen contact met de buitenwereld, geen updates over de pandemie, noch enige communicatie met vrienden of familie.

    De teamleden volgden hun biologische klok om te weten wanneer ze moesten wakker worden, slapen of eten

    Wetenschappers van het Human Adaption Institute, dat het project van 1,2 miljoen euro leidt, zeggen dat het experiment hen zal helpen beter te begrijpen hoe mensen zich aanpassen aan drastische veranderingen in levensomstandigheden en omgevingen, schrijft wetenschapssite Futura Santé.

    Zoals verwacht verloren de mensen in de grot hun tijdsbesef. Een van de teamleden schatte de tijd onder de grond op drieëntwintig dagen, de meesten zaten rond de dertig.

    Members of the team meet to discuss their experiences

    In samenwerking met laboratoria in Frankrijk en Zwitserland volgden wetenschappers de slaappatronen, sociale interacties en gedragsveranderingen van de vijftien teamleden via sensoren, waaronder een een kleine thermometer die in een capsule door de deelnemers werd ingeslikt. Deze sensor mat de lichaamstemperatuur en verzond gegevens naar een computer, legt The Guardian uit.

    De teamleden volgden hun biologische klok om te weten wanneer ze moesten wakker worden, slapen of eten. Ze telden hun dagen niet in uren maar in slaapcycli.

    Twee derde van de deelnemers sprak de wens uit om wat langer ondergronds te blijven om de groepsprocessen die tijdens hun verblijf waren ingezet af te ronden, zegt Benoit Mauvieux, een chronobioloog die bij het onderzoek betrokken is tegen Ouest France.

    ‘Onze toekomst als mens op deze planeet zal evolueren’, aldus een projectleider. ‘We moeten beter leren begrijpen hoe onze hersenen in staat zijn om nieuwe oplossingen te vinden, ongeacht de situatie.’


    Vermiste onderzeeër gevonden bij Bali

    De Indonesische marine maakte zondag bekend KRI Nanggala (402) op de zeebodem bij Bali te hebben gespot. Ze bevestigde ook dat alle 53 bemanningsleden dood waren. De onderzeeër werd gevonden in drie delen, meer dan 800 meter diep, wat het zoeken bijzonder moeilijk maakte, aldus de Jakarta Post

    De autoriteiten gaven geen officiële verklaring voor de crash, maar suggereren dat de onderzeeër mogelijk met een stroomstoring te maken kreeg waardoor deze niet meer boven kon komen. Volgens de krant uit Jakarta heeft de Indonesische marine verouderde uitrusting, ‘wat de afgelopen jaren tot dodelijke ongevallen kon leiden’.

    In ieder geval wordt een menselijke fout uitgesloten, schrijft de site Nasional Kontan.

    Lichten

    Stafchef van de Indonesische marine (KSAL) Yudo Margono geeft aan dat de eerste analyse van het zinken van de onderzeeër op natuurlijke factoren wees. Het zinken van de in Duitsland gemaakte KRI Nanggala-402 lijkt volgens Margono evenmin te wijten aan een stroomuitval, want alle lichten brandden nog. De exacte oorzaak kan pas worden vastgesteld als de romp kan worden opgetild.

    De Indonesische regering zal samenwerken met International Sub Marine Rescue and Liaison Office (Ismerlo) voor het optillen van het schip. De samenwerking is tot stand gekomen omdat men zich realiseerde dat het niet eenvoudig was om de stukken van het schip op een diepte van 838 meter naar de oppervlakte of aan land te brengen. Hiervoor zijn speciale gereedschappen en technologie nodig, aldus Kompas.

    Nanggala werd op 21 april als vermist opgegeven, uren nadat het contact met het oppervlaktepersoneel onder water was verloren. De onderzeeër had als missie informatie te vergaren in de Indische Oceaan en de wateren rond Oost-Timor en Noord-Kalimantan. Het schip maakte deel uit van de internationale marine-oefening Cooperation Afloat Readiness and Training, en voerde onder andere een oefening uit met USS Oklahoma City. In 2012 onderging de onderzeeër een laatste grote opknapbeurt.


    ‘Nomadland’ triomfeert tijdens de Oscars

    De film Nomadland van regisseur Chloé Zhao, die de reizen volgt van nomaden die in busjes leven in een door recessie getroffen Amerika, won drie beeldjes op de uitreikingen dit weekend: die voor beste speelfilm, beste regisseur en beste actrice.

    Chloé Zhao is de eerste vrouw van Aziatische afkomst die die laatste twee kostbare beeldjes ontvangt. ‘Haar overwinning maakt deel uit van het groeiende en welkome internationalisme van de academie: ze is de laatste in een opmerkelijke reeks recente winnaars die buiten de Verenigde Staten zijn geboren, waaronder Alfonso Cuarón, Guillermo del Toro, Alejandro González Iñárritu en Ang Lee, merkt de Los Angeles Times op. ‘Een bemoedigende bevestiging dat Hollywood een plek is waar immigrantenschrijvers uit alle lagen van de bevolking kunnen gedijen.’

    ‘De historische overwinning van Zhao is op zijn best een teken dat er betere tijden aankomen’

    In de drieënnegentig jaar dat de Academy Awards bestaat is dit evengoed pas de tweede keer dat een vrouw wordt geëerd in de categorie beste prestatie. Vóór Chloe Zhao won Kathryn Bigelow in 2010 het beeldje voor de film Minesweeper. ‘De historische overwinning van Zhao is op zijn best een teken dat er betere tijden aankomen voor deze categorie, waarin vrouwen door de jaren heen zo jammerlijk ondervertegenwoordigd zijn’, aldus CNN.

    Ongekend feit: de Academy of Oscars had dit jaar ook voor het eerst twee vrouwen genomineerd in de categorie beste uitvoering, brengt Variety in herinnering: Chloe Zhao dus, maar ook Emerald Fennell, directeur van Promising Young Woman. Haar feministische thriller, geïnspireerd op de #MeToo-beweging, ontving zondagavond de prijs voor het meest originele scenario.

    De versie van dit jaar beloonde ook meer acteurs of regisseurs van minderheden. De Zuid-Koreaanse actrice Youn Yuh-jung, genomineerd voor Minari, en de Brit Daniel Kaluuya, die een Black Panthers-frontman speelt in Judas and the Black Messiah, wonnen allebei de Academy Award voor beste mannelijke bijrol.

    Volgens NPR heeft deze betere weergave van de diversiteit van cinema bij de Oscars niet alleen te maken met de inspanningen van de Amerikaanse academie de afgelopen jaren. Volgens een rapport van de University of California in Los Angeles (UCLA) is de ontwikkeling ook deels te wijten aan het feit dat dit jaar minder kandidaten met een groot budget meededen. De release daarvan werd vertraagd ‘door de pandemie, waardoor plaats is gemaakt voor films met een gemiddeld budget, die buiten konden worden geschoten’. En daarin zijn minderheden beter vertegenwoordigd, zowel voor als achter de camera.

  • Een kolonisatieverhaal aan de hand van gerechten

    Een kolonisatieverhaal aan de hand van gerechten

    De Amerikanen zijn weg uit de Filipijnen, maar ‘de brandwonden van hun overheersing’ zijn er nog. Jill Damatac ‘kookte’ een schrijnend en poëtisch essay over haar familie die ‘ver van onze barrio’s, bergen en eilanden oefent in het doorslikken van onze onaangename waarheden, zuur en zwaar van bloed’.

    Tinola is een bescheiden gerecht. Het trekt niet de aandacht van foodies, met zijn uiterlijk dat bleek en waterig is, of zijn geur, van gemberachtige gekookte kip, of zijn smaak, die pas bij de tweede hap tot bloei komt, zacht en mild op de tong.

    Toen ik klein was, voordat ik de zonnige, Pacifische chaos van onze wereld verruilde voor de kille, Atlantische stilte van de nieuwe wereld, aten we tinola op zondagmiddag thuis bij lolo en lola [opa en oma], waar ik vaak in het weekend was. Vroeg in de morgen wandelden Lolo en ik dan door de straten van de barrio om bij de plaatselijke bakker verse pandesalte kopen, ik huppelend in gemompelde samenzang met de hanen, hij in de lucht stompend met atletische vuisten, net zoals hij dat in de oorlog met de Amerikaanse GI’s had gedaan. In Pennsylvania, waarheen hij ons een jaar na ons vertrek gevolgd was, liep hij altijd met me mee naar en van school en dan snoepten we samen uit een zak kleverige, zure tamarinde waarvan we de gladde, glanzende pitten in onze handpalm spuugden. Hij droeg altijd smetteloos witte Reeboks en had soms een grote cowboyhoed op. Ik herinner me nog mijn schaamte op de dagen dat hij met die hoed op kwam aanzetten. 

    Screenshot 2021 03 31 at 16.13.42

    Tinola

    (Gember-kippensoep)
    Voor 4 personen
    1 kilo kippendijen met vel en bot
    Kippenklauwen, nekken, hart, lever, spiermaag, als je die wilt gebruiken
    1 chayote, geschild, de zaden verwijderd, in blokjes gesneden
    1 kop moringabladeren
    5 tenen knoflook, geplet
    stuk (ongeveer 4 cm) geschilde gemberwortel, in lucifertjes gesneden
    1 rode ui, gesnipperd
    8 koppen ongezouten kippenbouillon
    Patis (vissaus) naar smaak

    Het was in die eerste jaren in het land of the free en home of the brave dat ik last had van schaamte, wat honger naar trots is, en van eenzaamheid, wat honger naar ergens bij horen is.

    De bescheiden, heldere, met gember doortrokken omhelzing van tinola hielp die honger te stillen, terwijl mijn tong de smaak van eigen bodem opnam.

    Fruit de knoflook, gember en ui in een grote pan en roerbak tot ze zacht zijn.

    Lola Rosing had een moringaboom in haar voortuin, verwilderd en stakerig, gevoed door de ochtendzon van Manila. Altijd als ze tinola maakte, moest ik verse bladeren van de boom plukken en dan drukte ze me op het hart om alleen de zoete, jonge twijgen te kiezen. Moringa is veel werk: de bladeren zijn een sterrenstelsel van individuele blaadjes die uit de hoofdtak het oneindige in groeien. In de dirty kitchen, waar in Filipijnse huizen het echte kookwerk plaatsvindt, plukten we bladeren tot zij tevreden was met de hoogte van de donkergroene stapel. Met een woordloze glimlach gaf ze me dan toestemming om buiten te gaan spelen.

    Eens, op een warme middag rende ik hun huis binnen, kermend om een bloedende knie van het fietsen. Lola trok een handvol bladeren van haar boom en spuugde in haar vijzel. Ze plette de moringabladeren met haar stamper en smeerde de pasta op mijn knie. Het bloeden hield meteen op.

    Soms zag ik haar slokjes nemen uit een kop heet water met moringabladeren en dan wist ik dat ze hoofdpijn had. Bij mijn geboorte was ik slecht toegerust voor deze wereld: mijn ledematen waren fragiel, mijn kreten langgerekt en hol. Lola maakte kommen moringasoep voor mijn moeder, die daar gretig van dronk. Al snel zwollen mama’s kleine, bleke borsten op, zodat ze mij kon voeden en de van moringa doortrokken melk versterkte mijn zachte babybotjes.

    Zelfs van zijn dromen is papa gescheiden. Die heeft hij achtergelaten op het cruiseschip dat hem naar Amerika bracht

    Maar ondanks al haar zorg en ijver bleef lola onbereikbaar. Het leek of haar ogen met die zware oogleden heen en weer schoten tussen werelden, haar blik bleef nooit echt hier op Pugao, ons aardrijk, hangen. Mijn grootmoeders gedachten waren altijd ergens anders, misschien in Kabunian, het hemelrijk waar we vandaan komen, of in Dalom, de onderwereld waar haar jongere broers en zussen en haar twee verloren baby’s wachtten. Toch vulde haar aanwezigheid, rustig en warm, het huis aan Aranga Street. Ze wikkelde haar moeder in dekens, waste de kleren van mijn grootvader en gaf mij te eten terwijl ik op de verwaarloosde oude piano van mijn vader speelde, die in de loop der tijd vals geworden was. Het grootste deel van haar leven hield lola haar woorden binnen; pas na de dood van lolo liet ze ze vrij. En toen zij stierf, ging niet lang daarna ook haar moringaboom dood.

    Leg de kip op de knoflook, gember en uien in de pan.

    De boom reikte hoger dan lola’s acht zoons, van wie er zes tot mannen opgroeiden. Een van hen was mijn vader, geboren tussen twee broers die deze wereld verlieten voor ze kind werden. 

    Dit verlaten-zijn heeft hem afgezonderd. Zijn dagen worden doorgebracht in eenzaamheid, een halve wereld verwijderd van zijn vijf overgebleven broers, oceanen van zijn twee dochters. Angstig en hooghartig onthouden we hem onze dankbaarheid en vergeving zodat we hem niet alleen zijn fouten kunnen verwijten, maar ook de onze.

    eryka raton m4mHucyUBdo unsplash
    Straatverkoper maakt mango’s en chayotes schoon in Manila, de hoofdstad van de Filipijnen. – © Eryka Raton / Unsplash

    Zelfs van zijn dromen is papa gescheiden. Die heeft hij achtergelaten op het cruiseschip dat hem naar Amerika bracht. Hij heeft door tijd en ruimte gereisd en bracht in zijn inheemse vlees en bloed het verzet van onze voorouders naar de straten van Manila in de jaren zeventig, protesterend tegen het noodtoestandregime van Marcos, de Grote Amerikaanse Marionet. Hij is over werelddelen en oceanen gereisd, terwijl hij met één hand achteruit, naar zijn vrouw en kinderen reikte en met de andere vooruit, naar de ivoren toetsen van zijn melodieën. Door ons onze dromen te geven en de zijne opzij te zetten is papa een heel eind afgedwaald van zijn jongenstijd in de bergen van Tadian.

    Dat bergleven was door de goden omlaaggebracht vanuit het hemelrijk. Speels hadden zij de groene toppen van de Cordilleras – hoger dan de Appalachen – gebeeldhouwd met daaronder de ruisende, bruine rivier de Chico, nieuwsgierig wat er zou gebeuren als ze met één deel van de aarde dít deden en met een ander deel dát. Via onze mama-o en onze mumbaki leerden de goden ons de aardse gaven te gebruiken en weer aan te vullen. De grootmoeders van mijn vader gebruikten planten zoals moringa als medicijn, om buikpijn te verzachten, dieper te kunnen ademen en de bloedstroom te verdikken.

    Doe de nekken, klauwen, hart, lever en maag erbij, als je die gebruikt. 

    De grootmoeders van mijn vader zouden het afschuwelijk vinden als ze wisten dat deze gaven nu door verkozen leiders worden geëxploiteerd, tegen de wil van onze inheemse volken in. Om onze trotse bergen te kunnen ontdoen van hun gordels van goud, mineralen en koper worden families uit de dorpen en van het land van hun voorouders verdreven, en zelfs de stromingen van de Chico en de wortels van elke boom worden aan de hoogste internationale bieder verkocht. Onze moringaboom, die steunpilaar van vele generaties, is nu een winstgevend exportproduct. Zijn twijgen en bladeren worden vermalen, als poeder verkocht, door wellness-influencers aangeprezen, tot smoothies gemixt, als capsules geslikt.

    En wanneer in het tyfoonseizoen modderige aardverschuivingen van onze kaalgeslagen hellingen stromen, blijft geen mens, huis of dorp onbestraft door de goden. Om aan hun toorn te ontkomen, vluchten onze mensen naar Baguio of naar Manila, of naar de air-bridged harbor, met zijn lamp beside the golden door [verwijzing naar het gedicht The New Colossus van Emma Lazarus, dat vaak wordt aangehaald als het om het verwelkomen van immigranten in Amerika gaat.].

    Schenk de kippenbouillon over het vlees en de rest, breng aan de kook en laat dan drie kwartier zachtjes sudderen.

    In het voorstedelijk Amerika van de jaren negentig was het onmogelijk om aan moringablad te komen. Mama verving het door wat ze maar had, spinazie of paksoi, afhankelijk van wat er die week bij de supermarkt te koop was. Als ze bij de plaatselijke Aziatische winkel peperbladeren kon kopen, was het mijn taak om het keiharde pakket uit de vriezer op te graven en het in een kom warm water naast de gootsteen te ontdooien terwijl ik mijn huiswerk maakte. Ik schreef opstellen over Columbus, Pizarro en Cortés en hun aanspraken op land dat nooit van hen was. Ik vergat waar ik geboren was.

    De grootmoeders van mijn vader zouden het afschuwelijk vinden als ze wisten dat deze gaven nu door verkozen leiders worden geëxploiteerd

    Chayote was een geschenk van onze Nahuatl-sprekende broeders en zusters, overgebracht tijdens onze gedeelde kolonisatie. Ten noorden van hun landen van oorsprong, in het gebied dat nu de Verenigde Staten heet, komt de vrucht zelden voor. Het doorschijnende vruchtvlees van de chayote geeft de tinola iets stevigs, een moment van groene zoetheid tegen het zachte zout van de met patis gekruide soep. We misten hem in het allegaartje van de Amerikaanse migrantentinola, smakten tussen de happen door en deden alsof papaja uit Florida even lekker was als chayote uit Benguet.

    Laat de chayote tien minuten meesudderen, tot hij zacht en doorschijnend is.

    Gember, gedomesticeerd door onze Austronesische voorouders, was in de nieuwe wereld gemakkelijker te vinden, naar het Westen gebracht door de handelsschepen van de Chinezen, die lang voordat Mao en zijn opvolgers met onze eilanden handel dreven, met ons leefden, vochten, trouwden. Hun kinderen, onze kinderen, werden opgenomen in het Spaanse kastensysteem, ingedeeld onder witte huid, maar boven bruin en zwart. Als kind viste ik naarstig de tot lucifertjes gesneden stukjes uit mijn tinola en legde ze zorgvuldig op de verste rand van mijn bord, anders zouden ze al het andere bederven. Als volwassene snijd ik gemberwortel in dunne plakjes, geslepen staal tegen blote handen, en buig me voorover om zijn pittige zoetheid op te snuiven. Het heeft me al mijn zevenendertig jaren gekost om van gember te gaan houden.

    Kippenhartjes, maagjes, levertjes, een nek en een of twee stel klauwen: die ongewenste onderdelen geven het gerecht een gelaagde smaak. Lola’s tinola bleef trouw aan zijn onbedwongen noordelijke bergmanieren, net als onze I-pugao-, Bontoc- en Benguet-volken tot aan de vorige eeuw. De kippenklauwen waren alleen voor mijn lolo Pedring. Hij pakte de rubberige, beige klauwen een voor een uit de soep en kloof er dan zichtbaar genietend het krakerige, geribbelde vlees af.

    ‘Hier, neem er ook een,’ zei hij dan met een grijns tegen mij, terwijl hij met een kippenklauw zwaaide, wetend hoe afschuwelijk ik die vond. ‘Het is goed voor je artritis.’

    Laten sudderen tot het vlees van het bot begint te vallen.

    Dat herinner ik me nu en ik wou maar dat lolo toen méér kippenklauwen had gegeten: tientallen, honderden, duizenden bij elke maaltijd, want zijn reumatische artritis heeft hem tot zijn laatste dag gepijnigd. Een aandoening geboren uit capitulatie, diepe pijn die naar zijn veteranenbotten uitstraalde vanuit de gebroken beloften van Dwight D. Eisenhower en zijn Rescission Act uit de Tweede Wereldoorlog, want de ontzegging van staatsburgerschap en vrijheid treft ook de bewegingen van het lichaam, die stijf worden van pijn en verlangen [De wet – door Harry Truman ondertekend – bepaalde dat Filipijnse veteranen de voorrechten werden ontnomen die hen waren beloofd toen zij mee moesten vechten tegen Japan in WO II].

    Ik wou maar dat we meer tijd samen hadden gehad op deze wereld. De nacht waarin hij het aardrijk verliet, bezocht lolo me voor één laatste geesteswandeling. Op die wandeling, het was een warme middag in Manila, sloeg de regen de gevallen herfstbladeren tot een glibberige bruine smurrie. Ik had moeten zien dat die bladeren niet klopten, maar ik was eenentwintig en ik had hem bijna tien jaar niet gezien. Ik had zijn leeftijdloosheid moeten zien, zijn haar dat even gitzwart was en zijn gezicht dat even Gregory Peck-knap was als toen ik een kind was. We wandelden over de grond waar hij begraven zou worden, in gelijke pas, naast elkaar, mijn blote voeten die houvast vonden op gladde bladeren, Lolo’s witte Reeboks onaangetast door de regen die ik niet op mijn huid voelde. Wat ik wel voelde was zijn begrip: voor mijn mislukkingen, voor afstand en voor de onvermijdelijkheid van de tijd.

    Ik vraag me af wat mijn kinderen, die ik misschien nooit krijg, van dit gerecht zouden vinden

    We kwamen bij het eind van het pad. Hij keerde zich naar me toe, legde zijn handen op mijn schouders en gaf er een zacht kneepje in.

    ‘Wees niet bang,’ zei hij. ‘Het zit in je.’

    Toen keerde lolo Pedring me de rug toe, stapte het gras op waar ik hem nog niet kon volgen, liep weg, zonder pijn, en verdween in de mist. En op dat moment, terwijl mijn lichaam in voorstedelijk New Jersey sliep, kromp oceanen ver weg het lichaam van mijn grootvader in elkaar van pijn en bloedde dood.

    Doe op het laatst de bladeren erin. Laat twee minuten op laag vuur zacht worden.

    Nu maak ik tinola en sluit mijn ogen, roerend in de moringabladeren die me over oceanen heen zijn gebracht door dezelfde multinationale krachten die van onze eilanden stelen. Achter mijn oogleden zie ik nog steeds lola Rosings knokige vingers de bladeren van de stengels plukken. Terwijl ik een heldere lepel tinola in de kom van mijn man schep, adem ik in en open mijn longen voor de damp van die warme middagmalen in Manila, met lolo Pedring aan mijn linkerzijde. Ik schuif een bergje zachte kip en luchtige rijst op mijn tong en overdenk waar ik verse kippennekken, harten, magen, levers en klauwen zou kunnen bestellen op internet.

    Giet de soep in kommen. Serveer de kip, chayote en moringa op gestoomde witte rijst. Zet patis op tafel.

    Ik vraag me af wat mijn kinderen, die ik misschien nooit krijg, van dit gerecht zouden vinden. Ik zie voor me hoe de Yorkshire-puddings van hun vader als schepen in hun kommen tinola drijven, hun bord omkranst door stukjes groene chayote en gele gember, die ze opzij hebben gelegd zoals hun moeder ooit deed. Met gekrulde tong neem ik een hap hete soep, slurpend om mijn gehemelte koelte toe te blazen, en ik stel me gasten uit andere werelden aan tafel voor. Ik slik de brok zoute tranen in mijn keel door en schraap mijn bord schoon.

    Sisig na Kambing

    Sisig

    (Varkensvlees op drie manieren)
    Voor 4 personen
    1 kilo varkensbuik
    120 g varkensoren
    120 g varkenssnuit
    120 g kippenlevertjes, in blokjes
    4 eieren
    5 laurierblaadjes
    1 el zwarte peperkorrels
    1 rode ui, gesnipperd
    6 rawit-pepertjes, gesneden
    10 knoflooktenen, gehakt
    60 ml suikerrietazijn
    2 el calamansi-sap
    Zeezout en gemalen
    zwarte peper

    Groene mango, knoflook, zout, chilipepers, azijn: sisig was in zijn oorspronkelijke vorm vleesloos, vegetarisch, rauw. Het gerecht komt van het volk van mijn moeder, de Kapampangan. Zij waren nakomelingen van Indonesische stammen en vestigden zich in ons centrale laagland, naast onze echte oorspronkelijke bevolking, de Aeta met hun amberkleurige huid. Oorlogvoerende goden vormden al vechtend hun eilanden, een voortdurende krachtmeting tussen ziedende vulkanen en de woedende zee. Geboren op vruchtbare lavagrond waren de Kapampangans vertrouwd met levenschenkende verwoesting, of die nu van de goden kwam of van missionarissen met bijbels. In naam van hun eenzame god stalen de christenen onze zachte, handgeweven zijdes in ruil voor hun ruwe slavenkatoen.

    Snij de varkensbuik in blokjes van 1 cm.

    Sisig is een geheugensteun. Als het in zijn gietijzeren pan sist, herinnert het je aan transformatie die alleen door vuur wordt gebracht. Terwijl je tanden op het knapperige, knarsende en zachte varkensvlees kauwen, herinnert het je aan alles waarvan het is gemaakt. Als zijn citruszure, gepeperde hitte op je tong blijft hangen, herinnert het je eraan hoe je onaangename waarheden moet doorslikken.

    Bak met plantaardige olie goudbruin in een grote koekenpan. Leg apart op een groot bord.

    Het volk van mijn moeder was gezegend door zijn goden, die vuur ademden, lava bloedden en het land voedden; in ruil daarvoor eisten ze elke maan een offer. Ze gaven ons sisig, een middel tegen acute verstoringen van het evenwicht: een kater, buikklachten, een scheepslading ongenode conquistadores. En terwijl de collectieve buikpijn van de kolonisatie postvatte, onderging sisig zijn eigen heilige gedaanteverwisseling: van sporadisch gebruikt geneesmiddel werd het dagelijks onderdeel van het door Jezus gezegende familiemaal. Met hun vingers en duim als schepje en hun elleboog steunend op een opgetrokken knie pakten Kapampangans een klompje rijst, wat vlees en een groene brok sisig en de bijtende, zure pittigheid hardde hun maag en gaf tegenwicht aan de bitterheid die, zwijgend, in hun bloed groeide.

    Mama’s lievelingssnack komt van dat voorouderlijke geneesmiddel: groene mango’s, wrange azijn, zoute patis. Het is ook mijn lievelingssnack, een versterkend tonicum als je opgroeit in de zoete overvloed van Amerika of je draai moet vinden in de clotted cream van Engeland.

    Veeg de koekenpan schoon. Verhit olie 
    op halfhoog vuur en bak daarin de 
    gehakte knoflook, het grootste deel van 
    de gesnipperde rode ui en het grootste deel 
    van de gesneden rawit-pepertjes.

    Ik was achtentwintig toen ik voor het eerst varkenssisig at in Amerika. Het was bij Maharlika, in de East Village. De maaltijd was mijn manier om te vieren dat het leven net vier jaar daarvoor was begonnen. Ik was laat op de avond met de bus vanuit New Jersey in Manhattan aangekomen met alleen een halfvolle reistas om de naderende winter mee door te komen. Ik vond onderdak in een opvanghuis voor vrouwen die lijden onder de handen van mannen (die zelf ook weer lijden onder de handen van andere mannen). Ik deed zalf op mijn gebutste gezicht, pleisters op mijn ellebogen en knieën en zette in het inschrijfboek van het opvanghuis een naam die niet de mijne was – een van de weinige kleine voordelen van geen papieren hebben. Mijn rug deed wekenlang pijn op de plek waar hij geschopt was, maar na een tijdje kon ik rechtop staan en lopen.

    Geregeld roeren, koken tot alles zacht is. Laat de rauwe geur eruit trekken.

    New York is het soort plek waar je kunt beginnen met telefoons beantwoorden in een receptie en je onopgeleide, papierloze, onwiskundige zelf uiteindelijk met cijfers kan goochelen op Wall Street. Met prestatiebonussen, hoeveel ook, zul je nooit je staatsburgerschap kunnen kopen (zelfs trouw betaalde belastingen niet), maar nou ja. Eindelijk had ik geld om te eten.

    Doe dan de gesneden kippenlevertjes erbij. Roer drie of vier minuten tot het geheel gaar en romig is.

    Aan dat eenpersoonstafeltje bestelde ik een gietijzeren schotel sissende sisig met knoflooksinangág. Instinctief had ik besteld wat mijn voorouders, wat onze goden vroegen, want wij vieren, rouwen en eren met varkensvlees. Terwijl ik at bekeek ik mezelf vanuit een andere wereld. Ik zag dat er meer pelgrimages zouden komen, meer aanpassingen.

    lyman gerona aGkU9NyRwf4 unsplash
    Bananen in gesmolten suiker, een lekkernij van straatverkopers in Manila. – © Lyman Gerona / Unsplash

    Ook sisig heeft zich aangepast. Het brengt niet langer evenwicht of genezing. Het is nu een lokmiddel. Verleiding. Aas. Witte mannen en cameraploegen – Anthony Bourdain, Andrew Zimmern, de foodie-zoon van de hertogin van Cornwall – daalden neer op Jackson Heights of Queens of bij Aling Lucing in Pampanga, riepen onze sisig uit tot hot en nieuw voor foodies over de hele wereld en vonden zo weer een manier om te verkopen wat hun niet toebehoort.

    Voeg dan de gesneden varkensoren, snuit en buik toe. Blijf roeren, schenk de azijn en het calamansi-sap erbij. Haal van het vuur.

    ‘Volgens mij heeft sisig alles om de hele wereld te veroveren’

    ‘Volgens mij heeft sisig alles om de hele wereld te veroveren,’ heeft Bourdain een keer gezegd. Dat was voor #foodies en #reizigers met hun koloniserende #wanderlust het sein om tickets te kopen en koffers te pakken. Filipino’s juichten bij deze lof van de witte man, maar ik weet dat onze altijd waakzame goden, die eeuwenoude grieven koesteren, wraakzuchtiger ideeën hebben.

    ‘Als je te veel sisig eet, ga je dood,’ zei mijn tito Arnold een keer tegen me. Het zal je aderen opvullen, je bloed zwaar maken, je hart laten stoppen. Ooit dankten we de goden door een dier te slachten, maar nu zijn varkens voor de pulutandie tot in de vroege ochtend wordt gegeten door zwetende tito’s in hun hemd. Ze spoelen het weg met bier en Frank Sinatra-karaoke, treurend om alles wat we hadden kunnen zijn. Onze goden kijken van bovenaf toe en treuren ook.

    Verhit twee eetlepels olie in een gietijzeren pan tot de olie een beetje begint te roken.

    Het is toepasselijk dat sisig voor het eerst op een Amerikaanse luchtmachtbasis op Kapampangan-grond in vergif veranderde. Het was in de tijd van Marcos, lang nadat de Amerikanen onze eilanden hadden onderworpen. De zongebruinde GI’s streken neer in Angeles City met hun wapens, hun muziek en hun trek, ook in jonge vrouwen en meisjes, maar niet in varkenspoten, snuiten of oren.

    Misschien geloofden ze dat ze door van hetzelfde varken te eten als onze nieuwe bezetters, vanzelf Amerikaans zouden gaan lijken, lopen en praten

    Niets verspillend, altijd behoeftig namen de koks van Clark Air Base, plaatselijke Kapampangans, deze versmade delen mee naar huis, die delen zonder welke het varken niet had kunnen horen, ruiken of lopen. Ze roerden deze ongewenstheden in medicinale brouwsels van zure groene mango, stopten er lepels vol van in hun mond en slikten het met gepeperde moeite door. Misschien geloofden ze dat ze door van hetzelfde varken te eten als onze nieuwe bezetters, vanzelf Amerikaans zouden gaan lijken, lopen en praten.

    Het duurde niet lang voordat sisig alleen nog maar van varkensvlees werd gemaakt, op drie verschillende manieren bereid, als om zichzelf ervan te overtuigen dat het de moeite waard was om te eten. De zure groentensisig van de goden, ons gegeven als geschenk, was snel vergeten. Wat zullen de goden op Arayat en Pinatubo hier boos om geworden zijn, te moeten toezien hoe de Amerikanen zich tegoed deden aan varkensbuik en -lende, terwijl wij weggegooide kraakbeen en pezen kauwden. Deze offers waren niet bedoeld om er varkenskarbonadediners of baconontbijten of worstjespicknicks van te maken.

    Verdeel de varkenssisig zorgvuldig gelijkmatig over de pan.

    De wraak van de goden openbaarde zich snel, hun belangen gingen samen met die van Marcos. Vlak na de Tweede Koloniale Oorlog bezaten onze eilanden, met hun hulpbronnen, infrastructuur en goed opgeleide mensen, meer rijkdom en economisch potentieel dan Japan. Niet lang nadat hij dictator was geworden, stortte Marcos met hulp van de Wereldbank en het IMF onze eilanden in schuld en narigheid. Banen werden schaars, van de economie bleef slechts het geraamte van contract-arbeid over. Net als andere Kapampangans leidden mijn grootouders, mijn moeder en haar broers en zussen al snel een moeizaam bestaan in Manila. Ze hadden losse baantjes, woonden onder een afdak dat aan het huis van de broer van mijn grootvader was gebouwd, hun zes ongewenste lichamen dicht tegen elkaar aan gepropt.

    ‘Soms keken we door het raam naar de tv,’ vertelde mama me een keer. ‘Soms deden ze dan de gordijnen dicht.’

    Als het varkensvlees in de hete pan sist, breek er dan de eieren over.

    Tito Arnold, de oudste broer van mijn moeder, zal deze herinnering achter zijn gesloten ogen hebben gezien, terwijl hij scheepsdekken schrobde onder de voeten van Britse officieren en Duitse technici. Die herinnering moet een bezwering en een talisman zijn geweest, die hem door die eenzame jaren op zee heen hielp. Zoals velen van onze eilanden was hij door honger en noodzaak uitgestoten, zijn economische ballingschap tot wet getekend door Marcos’ laatste greep naar de macht. Wij waren door onze goden verlaten, want we waren met de punt van een pen, de loop van een geweer gedwongen om hen te verlaten.

    Met zijn zuurverdiende overzeese geld bouwde tito Arnold een huis voor zijn vader en moeder. Hij richtte dit huis zo in dat zij binnen konden eten en tv-kijken. Hij trouwde met de vrouw van zijn door zee omsloten dromen, die al zijn brieven bewaarde en op hem wachtte en ze kregen drie kinderen. Hij gaf zijn dromen aan mijn moeder, zodat zij naar de universiteit kon gaan. En toen bouwde hij een restaurant in Quezon City, een hutjemutjezaak die helemaal van hem was. Hij maakte zijn geliefde gerecht in al zijn knapperige, heetzure, vette Kapampagnan-glorie, waar de verkoolde geur van geroosterd varken en de geesten van Angeles City de nevelige lucht verzadigden. Hij vroeg mijn vader en zijn band om te komen spelen, hun liedjes vermengden zich met rook en herinnering.

    Strooi de achtergehouden ui en pepertjes erover.

    ‘Wil je weten waarom mijn sisig zo bijzonder is?’ vroeg Tito me laatst boven een sissende schotel. We zaten samen te eten naast de vulkaan, Taal. Ik was onlangs naar de eilanden teruggekomen, na tweeëntwintig jaar Amerikaanse ballingschap zonder papieren.

    ‘Omdat ik het met varkensbuik maak. Meestal wordt het met de goedkope delen van het varken gemaakt, ha. Waarom zouden wij alleen goedkope delen eten? En liefde. Ik kook met liefde.’

    Sisig wordt niet meer alleen bereid met de ongewilde restjes, maar zijn giftige werking blijft. De Amerikanen zijn weg, maar de brandwonden van hun overheersing zijn er nog. Niet langer gevangen door onze kolonisatoren, houden we onszelf gevangen. We veranderen om te overleven, maar we dragen de gekookte, verkoolde, krakerige overblijfselen van ons verleden nog met ons mee. Ik zal blijven bestaan in een hongerige ruimte tussen verlangen en erbij horen, want mijn lichaam, weggevoerd uit zijn geboorteland, gedeporteerd uit het land van zijn groei, heeft nu alleen maar gevoel en herinnering die het thuis kan noemen.

    Roer met twee spatels tot de eieren gestold zijn en dien onmiddellijk op. Lekker met gebakken knoflookrijst.

    Ver van onze barrio’s, bergen en eilanden koken we, zodat we kunnen oefenen in het doorslikken van onze onaangename waarheden, zuur en zwaar van bloed. Net als onze eilanden wordt sisig op drie manieren bereid en wij, die afstammen van goden en zijn opgegroeid in dirty kitchens, moeten ze alle drie leren klaarmaken.

    Dirty Kitchen, zal in 2023 door Astra House worden uitgegeven. Dit is een uittreksel van deze memoires over voedsel, gezin, migratie en identiteit, dat werd genomineerd voor de 2021 Pushcart Prize.

  • De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De enige wet die in Altos de Cazucá, Colombia, geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. De delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Sinds corona is hun speelruimte enkel vergroot. Luz Mary, en andere burgers met haar, bieden de enige vorm van verzet die mogelijk is.

    Altos de Cazucá, Soacha – Halverwege maart, als Colombia in lockdown gaat om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, weet Luz Mary wat haar te doen staat. Het is niet de eerste keer dat ze thuis zit opgesloten. De snel pratende moeder van twee kinderen doet de deur op slot, vanaf dat moment speelt haar leven zich af in de kamers van haar huis.

    Toen Luz Mary zich in het verleden in huis opsloot, was dat vanwege een andere doodsdreiging. De gewapende mannen die de dienst uitmaken in haar wijk hadden er geen doekjes om gewonden: als ze niet tijdelijk uit beeld zou verdwijnen, zou ze weleens voorgoed kunnen verdwijnen.

    ‘Er zijn dagen en weken geweest dat ik het huis niet uit kon,’ vertelt ze. ‘Je leert scherp observeren – aan de manier waarop mensen zich gedragen zie je of er iets broeit in de wijk.’

    Delincuentes

    Luz Mary is actief binnen de gemeenschap – sommige Colombianen zouden haar een ‘maatschappelijk leider’ noemen. Haar werk richt zich op de kinderen in de verpauperde wijk. Ze leidt een programma, Semillas y Raíces (Zaden en wortels) om kinderen kennis te laten maken met muziek en toneel en ze ondertussen enige basiskennis bij te brengen op het gebied van gedragsregels en hygiëne.

    Semillas y Raíces doet meer dan de deelnemers instrueren. Het programma biedt ook een veilige haven. Het huis van Luz Mary kijkt uit over een steile helling zonder verharde wegen en uit de onverharde paadjes tussen de groepen huisjes steekt her en der een waterleiding. 

    Delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Volgens de bewoners hebben deze bandieten banden met nationale drugskartels. Luz Mary zegt dat ze haar als een kwelgeest zien omdat zij de jongeren opvangt die zij proberen te ronselen – jongens en meisjes van soms nog geen negen jaar oud, die de delincuentes gebruiken om op de uitkijk te staan of om kleine klusjes te doen, in ruil voor eten of spullen die de ouders van de kinderen zich niet kunnen veroorloven.

    Semillas y Raíces is ‘een manier om van de straat te blijven en weg te blijven van de drugs,’ zegt een tienermeisje in Luz Mary’s geïmproviseerde theater op het dak. ‘Als ik niet hier zou zijn, zou ik op straat rondhangen.’

    Luz Mary’s werk is onbezoldigd – het programma levert haar niets op en ze bekostigt het zelf, met geld dat ze bijeensprokkelt met losse baantjes, het inleveren van afgedankte, herbruikbare materialen, en zo nu en dan een bescheiden gift. Het werk is ook gevaarlijk. Ze is talloze keren met de dood bedreigd. Toen ze dat meldde bij de autoriteiten, haalden die slechts hun schouders op, zegt ze. Dus probeert ze goed en zo kwaad als het gaat voor haar eigen bescherming te zorgen. Kinderen van het programma waarschuwen Luz Mary als ze ergens in de buurt dreigende woorden opvangen, en Luz Mary heeft van haar spaargeld camera’s laten plaatsen bij haar huis. ’s Avonds laat ligt ze vaak naar de wazige zwart-witbeelden te kijken en durft niet te gaan slapen. Ze moet er niet aan denken de kinderen in haar programma aan hun lot over te laten, maar ze speelt elke dag met de gedachte Altos de Cazucá te verlaten.

    Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen

    Het bijzondere verhaal van Luz Mary doet de ronde door heel Colombia. Overal in het land zien we maatschappelijk leiders, zowel in stadswijken als in dorpen – ze leveren vaak diensten en komen op voor rechten waar de overheid het laat afweten. Activisten en organisatoren nemen zo’n belangrijke positie in binnen de maatschappij dat ze een plek hebben gekregen in het historische vredesakkoord tussen de overheid en de guerrillabeweging FARC (de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia), waarin is vastgelegd dat ze overheidsbescherming zullen krijgen. Ook is in het akkoord vastgelegd dat er ingrijpende hervormingen zullen worden doorgevoerd om ongelijkheid tegen te gaan en te voorkomen dat gemeenschappen ten prooi vallen aan geweld.

    Maar waar een zekere mate van bescherming is beloofd, zijn veel maatschappelijk leiders zoals Luz Mary sinds 2016 alleen maar geconfronteerd met nog meer dreiging. De afgelopen vier jaar heeft een golf van geweld meer dan 415 maatschappelijk leiders het leven gekost. De coronapandemie heeft die trend alleen nog maar versterkt. Door een landelijke lockdown van zes maanden zitten mensen als Luz Mary als weerloze slachtoffers thuis. Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen. De beleidsmakers, die toch al vaak de ogen sluiten voor de benarde situatie op plekken als Altos de Cazucá, worden nu goeddeels in beslag genomen door de crisis in de gezondheidszorg.

    Luz Mary is bij toeval uitgegroeid tot maatschappelijk leider nadat ze was verhuisd naar een sloppenwijk op een heuvel in Soacha, een stad ten zuiden van Bogotá, zonder te weten in wat voor ellende ze daar zou belanden. Inwoners zeggen dat ze wel begrijpen dat Soacha zo’n sterke aantrekkingskracht uitoefent op drugshandelaren, milities en guerrilla’s – je hoeft alleen maar naar de kaart te kijken. De snelweg die de stad in tweeën snijdt is de voornaamste verbinding tussen de hoofdstad en het zuiden van Colombia, met de grote havenstad Buenaventura. Wat nog een extra aantrekkingskracht uitoefent op criminelen, zijn de poreuze, meanderende grenzen tussen de verschillende wijken van Soacha en Bogotá zelf. De politie houdt de hoofdweg in de gaten, maar niemand controleert de stroom mensen en goederen die overal de ongemarkeerde gemeentegrens overgaat die door glooiende heuvels vol geïmproviseerde huisjes loopt.

    ‘Er is hier sprake van een juridisch en administratief vacuüm,’ zegt een jonge leider die aan de grens woont. ‘Deze buurt is van niemand.’

    Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht

    In 1990 beschouwde het oostelijke front van de FARC de corridor Soacha-Bogotá als een essentieel onderdeel van de strategie om de hoofdstad te omsingelen. De FARC stationeerde strijders op plekken als Altos de Cazucá. Vervolgens mengden paramilitaire groepen van de andere kant zich in de strijd. Deze rechtse milities, een buitengerechtelijke strijdmacht die is gelieerd aan de staat, deden rond 1997 hun intrede in Soacha, omdat zowel zij als de regering de guerrilla’s uit Bogotá wilden verdrijven en wilden voorkomen dat de FARC haar doel zou bereiken.

    Vanaf dat moment is Altos de Cazucá een broeinest van geweld. Tussen 2003 en 2006 zijn duizenden paramilitairen gedemobiliseerd, maar volgens de inwoners van veel buurten in Soacha zijn ze nooit echt vertrokken. De namen zijn veranderd maar de structuren zijn ongewijzigd, en dat geldt met name voor de hiërarchieën die zijn verbonden met de illegale economie. Vandaag de dag lopen er geen geüniformeerde mannen meer door de straat, zoals de paramilitairen ooit deden. Maar de delincuentes hoeven geen gevechtstenue te dragen om de bevolking angst in te boezemen. Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht.

    Net als in de tijd van de guerrilla’s en paramilitairen, zijn de wijken van Soacha nog altijd belangrijke corridors, met name voor drugs maar ook voor wapens en andere smokkelwaar, en voor illegale immigranten. Cocaïne, crack en marihuana gaan naar Bogotá, de rijkste binnenlandse afzetmarkt. Grondstoffen en andere producten die nodig zijn voor de bereiding van cocaïne, gaan Bogotá uit. De autoriteiten hebben cocapasta in beslag genomen, maar ook bewerkte cocaïne, wat erop duidt dat er in Soacha vermoedelijk drugslaboratoria zijn gevestigd die waarde – en winsten – toevoegen aan de aangevoerde smokkelwaar.

    De wetteloosheid die de hellingen van Soacha zo lucratief maakt voor de drugshandel maakt diezelfde hellingen betaalbaar voor de vele arbeiders die werken in Bogotá maar zich de hoge huren daar niet kunnen veroorloven. Plaatselijke overheden noemen Soacha ‘een vat vol slachtoffers’ omdat een groot deel van de bevolking naar Soacha is getrokken na van huis en haard te zijn verdreven in een binnenlandse strijd die al meer dan een halve eeuw woedt. De afgelopen jaren zijn er ook tienduizenden Venezolaanse immigranten naar het gebied getrokken. Officieel telt Soacha 645.000 inwoners, maar Crisis Group heeft van de inwoners zelf en van het stadsbestuur begrepen dat het bevolkingsaantal in werkelijkheid de miljoen is gepasseerd. De mensen leven – vaak dicht opeengepakt – in niet meer dan 200.000 onderkomens, waarvan vele worden bedreigd door aardverschuivingen of overstromingen.

    De sloppenwijken van Soacha staan lokaal bekend als invasiones omdat vele zijn gebouwd op privéterrein, of op land dat met geweld is ingenomen. Daarbij wordt telkens hetzelfde patroon gevolgd: tierreros, machtige makelaars met banden met de georganiseerde misdaad – delincuentes ofwel corrupte politici – leggen beslag op stukken land om er ondermaatse huizen te bouwen. Vervolgens verkopen de tierreros die aan straatarme mensen, die zelfs een lening krijgen aangeboden om de aankoop te kunnen bekostigen. Om de zoveel jaar verkopen de makelaars hetzelfde stuk land weer door en zetten de bewoners uit, die geen juridische hulp kunnen inschakelen.

    Lokaasmethode

    Luz Mary is maar al te bekend met deze lokaasmethode. Zij en haar man konden zich geen huis permitteren in Bogotá, maar een terriero wist hen ervan te overtuigen dat ze in Altos de Cazucá wel een eigen huis konden kopen. Omdat de verkopers zeiden dat de grond binnen een aantal jaar zou worden gelegaliseerd, sloten ze een lening van enkele duizenden dollars af om het huis te kunnen betalen. Ze hebben hun schuld nog lang niet afbetaald, maar inmiddels is duidelijk dat het stukje grond nooit hun bezit zal worden.

    Soacha kent een aantal overheidsvoorzieningen en de clandestiene handelaren proberen overal van te profiteren, van het openbaar vervoer tot aan de watervoorziening, waardoor de armlastige inwoners het alleen nog maar zwaarder krijgen. Veel winkeliers betalen een ‘vaccin’-belasting aan lokale groepen die beweren voor bescherming te zorgen. Die groepen maken zich schuldig aan afpersing en wie niet meewerkt, wordt daar meedogenloos voor gestraft. Door mensen te vermoorden die hun het hoofd bieden, geven ze een duidelijke boodschap af wie er de baas is.

    Toen Luz Mary nog klein was, ging ze met haar moeder mee naar Bogotá, op de vlucht voor paramilitair geweld in een klein plaatsje niet ver van Manizales, in het westen van het land. Daarvoor woonden ze in Suba, een arbeiderswijk in het noordwesten van Bogotá. Luz Mary vertelt: ‘We gingen naar de stad in de hoop op een beter leven, maar we werden geconfronteerd met nog grotere problemen.’ Haar jeugd is getekend door armoede, onveiligheid en misbruik.

    Tegen de tijd dat ze een jonge vrouw is, moet Luz Mary de grootste moeite doen om de eindjes aan elkaar te knopen in Suba. Als ze net zwanger is, verhuist ze met haar man naar Altos de Cazucá, in de hoop op een nieuw begin. Binnen enkele weken nadat ze hun intrek hebben genomen in het huisje van twee verdiepingen dat een tierrero hun heeft verkocht, wordt hun hoop getemperd. Ze komt tot de ontdekking dat er twee drugverkooppunten – ollas – in hun huizenblok zijn, eentje iets hoger op de heuvel en eentje vlak naast hun huis. De hogergelegen olla wordt gedreven door een paramilitaire groep; de lagergelegen olla wordt naar verluidt gerund door ‘guerrilla’s’. Haar buren zijn verslaafd aan crack. Luz Mary leert haar kinderen hun handen voor hun ogen te houden en hun oren dicht te stoppen, om ze af te schermen van de afschuwelijke beelden en geluiden in de buurt.

    Langzaam krijgt Luz Mary een beeld van wat er om haar heen gebeurt. Lokale bendes drijven de drugverkooppunten en persen plaatselijke winkeliers af. Maar het zijn niet zomaar boefjes die hun kans schoon zien. Zoals de buren uitleggen maken deze groepen deel uit van groter en doelgerichter geheel. De staatsombudsman van Colombia, die tot taak heeft de mensenrechtensituatie in beeld te brengen, noemt deze opzet tercerización. Het is een soort piramide-achtige bedrijfsstructuur waarin gewapende, kartelachtige groepen de macht over een bepaalde buurt uitbesteden aan plaatselijke milities. De grotere groepen betalen de voetsoldaten meestal uit in drugs, die de laatsten weer doorverkopen om in hun levensonderhoud te voorzien. De overkoepelende organisatie wast de handen in onschuld aangezien het de delincuentes zijn die geweld gebruiken om hun macht te behouden.

    Geleidelijk, maar gaandeweg steeds sneller, vallen Luz Mary en haar man ten prooi aan een depressie – ze zitten gevangen in een turbulente situatie door de schuld die ze zijn aangegaan nadat ze zonder het te weten een stuk gestolen land hebben gekocht.

    Muziek

    Op een wel heel troosteloze dag pakt de man van Luz Mary, gezeten op hun geel met bruine bank, zijn oude gitaar en begint te zingen. De muziek raakt hen, en op dat moment realiseren ze zich dat ze twee keuzes hebben. Ze kunnen blijven hangen in hun situatie of ze kunnen, om de woorden van Luz Mary te gebruiken ‘afrekenen met het idee dat ze slachtoffer zijn’ en iets dóén. Ze zijn allebei geschokt dat voor veel kinderen in de buurt geweld de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Het is onvoorstelbaar waar kinderen allemaal aan wennen,’ zegt Luz Mary.  Dat is het moment waarop ze besluit op zoek te gaan naar een manier om die kinderen te helpen.

    Luz Mary en haar man zien muziek als de beste manier om jonge mensen te bereiken. Maar eerst moeten ze de kinderen zo ver zien te krijgen dat ze zich aansluiten bij een gestructureerd programma. De delincuentes delen eten uit om de jongeren te paaien, dus besluiten zij hetzelfde te doen.

    Luz Mary herinnert zich de eerste kinderen die haar huis binnen kwamen stommelen en nieuwsgierig om zich heen keken, op zoek naar een reden om te blijven. In het begin komen er maar een paar kinderen, later zijn dat er tientallen. Luz Mary begrijpt dat ze zullen moeten beginnen bij de basis. ‘De kinderen die kwamen, stonken verschrikkelijk,’ zegt ze. ‘Ze wasten zich niet en ze hadden een grote mond, want de mentaliteit die ze meekrijgen is dat ze toch niets voorstellen.’ Als ze één ding kon bereiken, dacht ze, dan was dat om die jongeren een ander zelfbeeld te geven.

    Het programma dat ze samen met haar man opzet, Semillas y Raíces, bestaat uit muziekles, kleinschalige toneelvoorstellingen en kleine buurtprojecten, In de begintijd van Semillas y Raíces laat het staatswaterleidingbedrijf de inwoners weten dat ze gratis water krijgen als ze een eigen aquaduct bouwen. Luz Mary en de kinderen gaan aan de slag, storten beton en leggen een voor een de leidingen. 

    Bij het uitbreken van de pandemie komt de overheidssteun traag op gang en verdwijnen allerlei baantjes. Semillas y Raíces schraapt alles bij elkaar om ouderen en hulpbehoevenden in de buurt eten te kunnen geven. In september en oktober zijn de kinderen en andere inwoners weken in de weer om een steile lokale weg te plaveien zodat de regen niet de huizen binnen stroomt.

    ‘We roeien met de riemen die we hebben en we werken ons uit de naad,’ zegt Luz Mary. ‘We krijgen geen enkele hulp. We recyclen en we verkopen van alles en nog wat om aan geld te komen. We krijgen eten dat anders weggegooid zou worden.’

    Momenteel zijn er meer dan honderd kinderen die geregeld bij Luz Mary over de vloer komen en die zijn uitgegroeid tot een soort broertjes en zussen van haar eigen kinderen. De kinderen hoeven niets te betalen, al dragen sommige ouders bij wat ze maar kunnen missen. Sommige kinderen komen zonder dat hun ouders het weten, soms omdat hun vader of moeder lid is van de gewapende groepering. Om die kinderen te beschermen, maakt Luz Mary een afspraak met hen. Als ze elkaar op straat tegenkomen, doen ze of ze elkaar niet kennen.

    ANP 359045489 1 1 1
    © Joaquin SARMIENTO / AFP

    De bedreigingen beginnen zodra duidelijk wordt dat Semillas y Raíces effect sorteert. Het aquaductproject van Luz Mary valt slecht bij sommige bewoners die zelf de watertoevoer in de hand hadden willen houden om zo weer andere bewoners te kunnen afpersen. Later komt Luz Mary erachter dat een van de mannen die zich benadeeld voelt een huurmoordenaar in de arm heeft genomen – een man van eenentwintig die al tientallen moorden op zijn naam zou hebben staan. Ze is bang dat er nog altijd een prijs op haar hoofd staat.

    Dan volgen de berichtjes op haar telefoon. De eerste keer leest Luz Mary het berichtje niet eens – meestal is het reclame, of onzin. Als ze er toevallig wel een keer een blik op werpt, raakt ze in paniek door de mengeling van gedetailleerde dreigementen en beledigingen. Er wordt een ultimatum gesteld: ze krijgt twintig dagen om uit Soacha te vertrekken en anders komen ze haar vermoorden, staat er. Ze is van mening dat haar ‘vergrijp’ tweevoudig is. Om te beginnen heeft haar programma de vijver drooggelegd van jonge rekruten voor de bendes. Ten tweede heeft het programma met behulp van kleine giften genoeg geld bij elkaar weten te sprokkelen om T-shirts te laten drukken – wat leidt tot geruchten dat Semillas y Raíces geen armoedig clubje is, maar een rijke organisatie die geld probeert te verdienen.

    Doodsbang daalt Luz Mary de helling af in de hoop op hulp van de autoriteiten in het centrum van Soacha. Rondom het plein, daterend uit de koloniale tijd, staan overheidsgebouwen, waar merendeels overwerkte ambtenaren de rijen mensen te woord staan die zich dag in dag uit melden met hun problemen. Luz Mary vertelt dat ze naar de officier van justitie is gegaan om een aanklacht in te dienen. Ze zegt dat ze ook naar het politiebureau en de ombudsman is gegaan om melding te maken van de doodsbedreigingen. De dagen verstrijken en ze hoort niets. ‘Ik stond weer met beide benen op de grond,’ zegt ze. ‘Ik begreep dat niemand me te hulp zou komen.’

    De buren raden haar aan zich een tijdje gedeisd te houden. Als ze ophoudt met haar werk, zeggen ze, zullen de bedreigingen ook wel ophouden. Ze weet nog dat ze op het gemeentehuis hetzelfde advies kreeg, toen ze daar maanden later aan de bel trok. ‘Ik vertelde mijn verhaal, maar ze zeiden dat ik zelf verantwoordelijk was voor de situatie, gezien de plek waar we wonen.’

    Wanneer maatschappelijk leiders op een dergelijke manier worden bedreigd, moeten volgens de Colombiaanse wet de plaatselijke overheden als eerste reageren. Maar hoewel Soacha elk jaar tijdelijk andere huisvesting regelt voor een beperkt aantal mensen dat met vergelijkbare bedreigingen te maken krijgt, schiet de reactie van de overheid vaak te kort en dan kunnen de maatschappelijk leiders eigenlijk nergens meer terecht. Luz Mary hoopt in aanmerking te komen voor het beschermingsprogramma van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat grofweg zo’n vijfduizend maatschappelijk leiders in heel Colombia helpt met kogelvrije vesten of zelfs bodyguards.  Ze is maanden bezig om de vereiste papieren bij elkaar te krijgen en het ingewikkelde aanvraagformulier te doorgronden, dat ze uiteindelijk ingevuld en wel afgeeft op een politiebureau. Dit jaar alleen al hebben bijna zevenduizend leiders hulp gevraagd bij deze instantie – slechts zestien procent van de aanvragen is gehonoreerd.

    Inmiddels vertrouwt Luz Mary voor haar veiligheid niet langer op de overheid, maar op het netwerk dat ze met Semillas y Raíces heeft opgebouwd. Meer dan eens is ze door kinderen uit gezinnen die banden hebben met de gewapende bandieten gewaarschuwd dat hun ouders het over haar hadden. Dat is voor haar het teken om zich binnenshuis op te sluiten, met als enige gezelschap haar beveiligingscamera’s. Ze registreert alles wat zich op straat afspeelt, tot diep in de nacht, en als er echt iets gebeurt hoopt ze dat haar camera’s het allemaal hebben vastgelegd. 

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen

    Door de pandemie is alles anders. Zoals Luz Mary zegt: ‘Alle problemen die in onze gemeenschap spelen komen nu naar de oppervlakte – en ineens zijn het er drie keer zoveel.’

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona – en de lockdown om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen – als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen. Omdat er maar weinig lokale autoriteiten zijn om de lockdown af te dwingen, hebben de delincuentes hun eigen beperkingen aan de bewegingsvrijheid ingesteld. In augustus meldt de ombudsman dat er bepaalde groepen in Soacha zijn die bepalen welke winkels wel of niet open mogen om bevoorraad te worden, waarmee ze duidelijk laten zien wie de macht in handen heeft in Altos de Cazucá. De enige wet die hier geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. Wie een bedreiging meldt of in het geweer komt tegen de intimidatie wordt bestempeld tot sapo, informant. Wie de gewapende groeperingen ook maar een strobreed in de weg legt, loopt gevaar. Alleen al het melden van een misdaad kan beteken dat je tot vijand wordt bestempeld. Luz Mary zegt dat er tijdens de lockdown twee mensen zijn vermoord, maar dat ‘niemand zijn mond open heeft gedaan’.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger

    De scholen in Colombia zijn sinds maart gesloten vanwege de pandemie, wat de gewapende groeperingen nieuwe kansen biedt om de kinderen los te weken van hun gezin. De meeste kinderen in Soacha volgen geen virtuele lessen; in plaats daarvan krijgen ze opdrachten mee die een zekere mate van ouderlijke supervisie vereisen – en dat is voor veel gezinnen domweg te hoog gegrepen. In juni heeft de inspecteur-generaal melding gemaakt van een toenemend aantal kinderen dat wordt gerekruteerd in stedelijke gebieden zoals Soacha, waar jongeren zich aansluiten bij de plaatselijke bendes of zelfs bij gewapende groeperingen verspreid over het hele land. Maatschappelijk leiders die het ergste proberen te voorkomen moeten nog meer moeite doen dan voorheen om die kinderen een veilige omgeving te bieden.

    Onlangs heeft Luz Mary haar buurtgenoten bij elkaar geroepen voor een toneelles – in de nieuwe realiteit van corona. ‘De enige manier om op dit soort plekken les te geven is door een interactieve school op te zetten,’ zegt ze. Een man gekleed in een vuilniszak en met een geschminkt gezicht loopt met gespreide armen van de ene kant van de straat naar de andere. Hij doet alsof hij een vliegtuig is dat het virus van het ene land naar het andere brengt. Hij ‘infecteert’ iedereen die hij aanraakt.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger. ‘Er gebeuren hier de meest vreselijke dingen,’ zegt ze. ‘Er komt geen einde aan de dreigementen. Soms heb ik het gevoel dat ik het niet langer aankan. Maar dan vraag ik me af: als ik het niet meer doe, wie moet het dan doen? (…) Er gebeuren veel afschuwelijke dingen in het leven. Mijn bijdrage aan deze wereld is dat ik deze kinderen iets leer.’ 

  • Naakt naar de film in Australië | Beppe Grillo onder vuur

    Naakt naar de film in Australië | Beppe Grillo onder vuur

    Zo verdient de presidentsdochter aan seizoenarbeiders

    Veel inwoners van Tadzjikistan zijn voor hun inkomen afhankelijk van seizoensarbeid in Rusland. De stormloop op Rusland door zo’n 200.000 Tadzjiekse seizoenarbeiders, voornamelijk mannen, begint normaal gesproken in de lente en in de herfst keren ze terug naar hun families. Door de pandemie kwam dat vorig jaar maart allemaal tot stilstand, maar vorige maand kondigde de Russische regering aan om lijnvluchten met Tadzjikistan weer te hervatten, schrijft Eurasianet

    Vooralsnog gaat het om slechts enkele vluchten per week, maar Tadzjieken staan al te dringen om een ticket te bemachtigen. In hoofdstad Dushanbe vormen zich dagelijks vanaf vier uur ’s ochtends rijen van honderden mensen voor het kantoor van Air Travel Agency, dat als enige tickets naar Moskou verkoopt. Niemand weet precies uit te leggen waarom juist dit bedrijf een monopolie heeft op reizen naar Rusland, maar gegevens van de belastingdienst werpen licht op de zaak: het bedrijf is eigendom van Tachmina Rachmonova en haar echtgenoot. Tachmina is een dochter van de Tadzjiekse president Rachmon. 

    Officieel spreken de autoriteiten van prijsinflatie, maar ‘corruptie’ dekt de lading waarschijnlijk beter

    Toen het nieuws over hervatting van vluchten naar Rusland bekend werd, lieten de autoriteiten weten dat tickets ongeveer 415 euro zouden gaan kosten. Maar doordat duizenden mensen op korte termijn naar Rusland willen reizen, hield dat bedrag niet lang stand. Officieel spreken de autoriteiten van prijsinflatie, maar ‘corruptie’ dekt de lading waarschijnlijk beter. Politiemensen, die de wachtenden buiten in goede banen moeten leiden, vragen zo’n 500 somoni, circa 37,50 euro, voor hulp om de wachtrij te ontlopen. Binnen worden openlijk kaartjes verkocht voor 8000 somoni (582 euro), aanzienlijk meer dus dan het door de overheid vastgestelde bedrag. Sommige seizoenarbeiders zeggen zelfs het dubbele van de officiële prijs te hebben betaald. Natuurlijk zijn ze boos maar ze leggen zich neer bij de corruptie, want als ze geen ticket bemachtigen, lopen ze zeer waarschijnlijk een plek voor een heel seizoen betaalde arbeid mis.


    Schimmige handel in vaccins

    Vanuit een kantoortje in Abu Dhabi leiden de Oekraïense Natalya Muzaleva en haar Hongaarse echtgenoot Istvan Perger een klein zakelijk imperium. Ze runnen een kunstgalerie, een makelaarskantoor en een servicebedrijf voor de olie-industrie. 

    Sinds kort hebben ze nog een bedrijf. Dat probeert covid-19-vaccins aan Europa te verkopen, meldt Al Jazeera.

    Muzaleva bood de Tsjechische ambassadeur in de Verenigde Arabische Emiraten ten minste een miljoen doses aan van het AstraZeneca-vaccin. De vaccins zouden worden geleverd door een niet nader genoemde partner van AstraZeneca-fabrieken ‘in het Verenigd Koninkrijk en India’ en levering zou binnen 45 dagen volgen na ontvangst van betaling. De Tsjechische regering ging niet op het aanbod in, maar de zaak kwam begin maart aan het licht toen premier Andrej Babis Muzaleva bij naam noemde tijdens een persconferentie, waarop hij zei de ‘zwarte markt’ niet te steunen. Na zijn persconferentie liet AstraZeneca weten tegen verkoop of distributie van het vaccin door particulieren te zijn.

    Ook de Duitse regering zegt van tussenpersonen verschillende aanbiedingen voor de levering van vaccins te hebben ontvangen, waarna fabrikanten, de Europese Commissie en internationale opsporingsinstanties werden ingelicht. ‘Deze pandemie creëert een sfeer van goudkoorts waarin mensen allerlei deals proberen te sluiten’, zei de Duitse minister van Volksgezondheid Jens Spahn eerder deze maand. ‘Onze regering koopt uitsluitend bij fabrikanten.’ 

    Volgens OLAF, het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, heeft een tiental Europese landen aanbiedingen van tussenpersonen gemeld voor de levering van grote hoeveelheden vaccins, met als kennelijk doel om aanbetalingen te innen en vervolgens met het geld te verdwijnen.


    Doet-ie ’t of doet-ie ’t niet?

    Na Ronald Reagan, Arnold Schwarzenegger en Donald Trump zou hij niet de eerste met een Hollywood-verleden zijn die de Amerikaanse politiek in gaat. Bovendien zinspeelde acteur Matthew McConaughey al vaker op een politieke carrière. De vraag in Texas is nu: Doet-ie ’t of doet-ie ’t niet?  Gaat hij meedoen aan de verkiezingen om het gouverneurschap van de Lone Star State? Volgens een recente enquête van The Dallas Morning News staat McConaughey er beter voor dan zittend gouverneur Greg Abbott: 45 procent van de geregistreerde kiezers zou op McConaughey stemmen, 33 procent op Abbott gaan en 22 procent op iemand anders. 

    McConaughey bepleit een ‘agressief centristische’ positie als oplossing voor de politieke polarisatie in de VS en hij bekritiseert zowel democraten als republikeinen. ‘Er zijn veel bekrompen linkse mensen die absoluut neerbuigend, betuttelend en arrogant doen tegen de andere 50 procent’, zei hij vorig jaar. Maar ook de Republikeinen kregen ervan langs: ‘Rechts meent nu nepnieuws te moeten gebruiken om de nederlaag van Trump te ontkennen.’


    Naakt naar de film

    Publiek van filmfestivals in Melbourne en Sydney is gevraagd zich uit te kleden tijdens speciale vertoningen van de Belgische culthit Patrick van regisseur Tim Mielants, die wordt aangeprezen als ‘een shakespeariaanse tragikomedie in een nudistenkolonie’.

    ‘Dit wordt een unieke en gedenkwaardige filmervaring’, denkt Hudson Sowada, directeur van het Fantastic Film Festival Australia, geciteerd door The Sydney Morning Herald. ‘Patrick is over de hele wereld vertoond, maar nog niet eerder aan een naakt publiek.’ Het enige precedent dat Sowada kon vinden was naakt Israëlisch publiek bij de Franse komedie Normandie nue uit 2018.

    Sowada heeft wel wat regels opgesteld. Bezoekers moeten gekleed naar de bioscoop komen en een handdoek meenemen om op te zitten. Eenmaal op hun stoel kleden ze zich uit, ‘in ieder geval tot hun ondergoed’ en leggen ze hun kleren naast zich. Fotograferen is verboden. Mocht er onverhoopt nog extra popcorn gehaald moeten worden, dan dienen bezoekers wel weer even wat aan te trekken.


    Verontwaardiging over Beppe Grillo

    Beppe Grillo, de Italiaanse stand-upcomedian en oprichter van de populistische Vijfsterrenbeweging, is onder vuur komen te liggen vanwege de manier waarop hij zijn zoon meent te moeten verdedigen, schrijft ANSA. Ciro Grillo wordt met twee andere mannen beschuldigd van verkrachting. Daarop publiceerde Beppe een video waarin hij zegt dat Ciro onschuldig is en dat het vermeende slachtoffer na de verkrachting doodleuk ging kitesurfen en acht dagen wachtte met aangifte. 

    https://www.youtube.com/watch?v=IKJZ7sThK_k

    Typisch staaltje van victim blaming vindt de familie van het meisje. ‘We zijn overstuur. Deze poging een toneelstukje op te voeren ten koste van anderen is een weerzinwekkende farce.’

    ‘Mijn zoon heeft niets gedaan, arresteer mij in plaats van hem,’ zegt Grillo in de video. Commentatoren vinden dat Grillo vooruit loopt op de zaken en verwijten hem dat hij weigert het Italiaanse rechtssysteem zijn loop te gunnen.

  • Okere City: van verwoest dorp tot bloeiende, duurzame stad

    Okere City: van verwoest dorp tot bloeiende, duurzame stad

    Met de bouw van Okere City werd in januari 2019 begonnen. Op de tweehonderd hectare die de stad telt staan inmiddels een school, een gezondheidskliniek, een dorpsbank en een wijkcentrum dat tevens dienstdoet als bioscoop, kerk en nachtclub. Alle inwoners beschikken over elektriciteit die is opgewekt met zonne-energie. En dan zijn er ook nog de sheabomen.

    Na meer dan tien jaar oorlog in het noorden van Oeganda lag het dorp Okere Mom-Kok volledig in puin. En nu joelen vlak voor de deur van Ojok Okello de kleuters bij hun opvang en komen een markt en de plaatselijke bierbrouwerij met veel kabaal op gang: Okere City, zoals het dorp inmiddels heet, begint aan een nieuwe dag.

    ‘Ik denk dat ik hier bezig ben met een radicale omwenteling,’ zegt Okello, de drijvende kracht achter een ambitieus project om van het verwoeste dorp met vierduizend inwoners een bloeiende en duurzame stad te maken.

    Met de bouw van Okere City werd in januari 2019 begonnen. Op de tweehonderd hectare die de stad telt staan inmiddels een school, een gezondheidskliniek, een dorpsbank en een wijkcentrum dat tevens dienstdoet als bioscoop, kerk en nachtclub. Alle inwoners beschikken over elektriciteit die is opgewekt met zonne-energie – een zeldzaamheid in de regio – en aan de veelvuldige cholera-uitbraken van weleer is een einde gekomen dankzij schoon water uit een boorput.

    Leerlingen betalen hun schoolgeld half in contanten en de rest in de vorm van maïs, bonen, suiker en brandhout. De kliniek laat mensen hun rekeningen in termijnen voldoen. De plaatselijke veiligheidsbeambte loopt rond met een speer, een ongebruikelijk schouwspel op een plek waar veel mannen maar wat rondhangen terwijl het meeste betaalde en onbetaalde werk door vrouwen wordt verricht.

    ‘Ik wil niet dat dit project afhankelijk is van de goedgezindheid van een paar witte mensen’

    Okello betaalt het project uit eigen zak. Vorig jaar was hij er tweehonderd miljoen Oegandese shilling aan kwijt, zo’n 45.000 euro. Hij is afgestudeerd aan de London School of Economics en heeft als ontwikkelingsexpert voor diverse internationale hulporganisaties en ngo’s gewerkt, maar hij zegt gedesillusioneerd te zijn geraakt doordat hij projecten heeft zien mislukken omdat lokale gemeenschappen niet bij beslissingen over hun eigen toekomst werden betrokken.

    Toen hij een paar jaar geleden terugkeerde naar Okere Mom-Kok, in de hoop nog verre familie aan te treffen in het dorp dat hij had verlaten toen zijn vader, die ambtenaar was, werd gedood tijdens de jungleoorlogen van de jaren tachtig, besloot hij datgene wat hij had geleerd in praktijk te brengen. Hij wilde een project opzetten dat echt werd geleid door de plaatselijke bevolking.

    ​Sociale onderneming

    Nu heeft Okere eigen inkomsten. Elk project, van de school tot het plaatselijke café, kan zichzelf bedruipen, wat mogelijk is omdat het project niet als een vorm van liefdadigheid is opgezet maar als een sociale onderneming, aldus Okello.

    ‘Ik wil niet dat dit project afhankelijk is van de goedgunstigheid van een paar witte mensen,’ zegt hij. ‘Ik wil dat we zakelijke gesprekken voeren met partners. Ik wil dat we zelf verantwoordelijk zijn voor de koers en de toekomst van het project.’

    Vertaald uit het Lango, de taal van Oeganda, betekent Okere Mom-Kok ‘een baby moet niet huilen’, en het logo van het project is een glimlachend babygezichtje. Maar Okello grapt dat de opbouw van de stad lang niet altijd met een glimlach gepaard gaat.

    Volgens Amina Yasin, een stedebouwkundige die in het Canadese Vancouver werkt, is Okere in wezen het tegendeel van Akon City, de futuristische ‘smart city’ met zijn eigen valuta die in Senegal wordt gebouwd door R&B-ster Akon. ‘Akon wordt een gesloten rijkeluisstad,’ zegt ze. ‘Een poging om het kapitalisme vaste voet aan de grond te laten krijgen op het Afrikaanse continent. Er zullen helaas vooral niet-inheemse Afrikanen van profiteren.’

    Okere City zal een pionier worden op het gebied van groene energie, maar het belangrijkste pluspunt van de stad zijn de sheabomen. Volgens Okello kwam hij op het idee via de succesfilm Black Panther, toen hij op een middag begin 2020 onder een sheaboom voor zijn huis zat. ‘Ik keek naar die boom en realiseerde me opeens dat we een belangrijke energiebron hebben die we helemaal niet benutten,’ zegt Okello. ‘En ik dacht aan Wakanda en Black Panther, die vibranium hadden: deze sheaboom zou ons vibranium kunnen zijn. Dus ik besloot zoveel als ik kon in het aanboren en beschermen van deze energiebron te investeren en de opbrengst te gebruiken voor de verdere opbouw van mijn gemeenschap.’

    Afgelopen augustus kwam de sheaboter uit Okere op de markt. De hele stad ruikt ernaar en Okello heeft gepleit voor de bescherming en herplanting van sheabomen, die officieel te boek staan als een met uitsterving bedreigde soort.

    credit AxelFassio Cifor 3 2
    © Axel Fassio / CIFOR

    Eenmaal per week komt er een investeerdersclub bijeen in het wijkcentrum. Als de zon ondergaat boven de stad, verzamelen de leden zich in een kring. De meer dan honderd leden zijn voor het merendeel vrouwen; de meesten hebben een boerderij, maar er zitten ook kleine ondernemers op ander gebied tussen. ‘Ik heb een lening van de club gekregen om sheazaad te kopen, dat ik met winst heb doorverkocht,’ zegt lid Acen Oka.

    De financiële ledenbijdragen worden nauwkeurig genoteerd voordat ze 
    worden herverdeeld als leningen aan leden die daaraan behoefte hebben. Wanneer leners de lening terugbetalen, begint de cyclus opnieuw. Deze manier van bankieren is volgens Yasin vooral belangrijk omdat hij aansluit bij de Afrikaanse gewoonte. ‘Het betalingsverkeer van inheemse continentale Afrikanen voltrekt zich altijd buiten het centrale banksysteem om,’ zegt ze. ‘Het draait meer om gemeenschapszin en geduld en langetermijninvesteringen. We wisten al veel eerder dan de westerse wereld en andere zogenaamd ontwikkelde landen dat geld uit de mode is en niet voor een duurzame manier van leven staat.’

    Verbeterd

    Op maar enkele meters van de club, voorbij de gezondheidskliniek, is het een drukte van belang in de supermarkt en klinkt gelach van de klanten van het aangrenzende café. Voordat de supermarkt openging moesten de dorpelingen acht kilometer lopen om boodschappen te doen.

    ‘Er is een hoop verbeterd,’ zegt Wilfred Omodo (25), lid van het kickboksteam van Okere City dat afgelopen november is opgericht. ‘We hebben nu meer gebouwen en zelfs het inwonertal stijgt.’

    Omodo begon met kickboksen toen hij in een kamp verbleef voor mensen die aan het eind van de vorige en het begin van de huidige eeuw voor de gevechten waren gevlucht. Hij is een van de ongeveer tachtig leden van het kickboksteam van Okere, van wie de meesten tijdens het conflict met de sport begonnen zijn bij wijze van zelfverdediging. Een ander lid is de veertigjarige Nickson Akaca, die het team coördineert. Ook hij ervaart de vorderingen van het project tot nu toe als inspirerend. ‘Het was hier in feite een wildernis; er was helemaal niets,’ zegt hij. ‘En binnen de kortste keren is er een heleboel veranderd en verbeterd. Dat geeft ons hoop dat onze kickbokspassie misschien niet tevergeefs zal zijn.’

    Maar projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van rurale naar stedelijke samenlevingen slagen alleen als de gemeenschap die ze willen dienen er actief bij betrokken is, zegt Yasin. ‘Okere City wordt nadrukkelijk ontwikkeld met de gemeenschap voor ogen,’ zegt ze. ‘Terwijl je elders op de wereld waar iets soortgelijks gebeurt vaak ziet dat de mensen die het voortouw nemen uit grotere steden zijn gevlucht en zich in gemeenschappen vestigen waar ze voorheen geen deel van uitmaakten.’

    Volgens Yasin krijgen zulke steden daardoor een exclusief karakter, zoals Auroville, de experimentele utopische stad in India. ‘Hoe zal het zijn als deze utopische steden gesloten steden worden?’ vraagt Yasin. ‘Geen gesloten gemeenschappen meer, geen gesloten wijken, maar gesloten steden die worden omringd door kleinere, armere inheemse dorpen.’

    Terwijl de avond valt, klinkt het laatste fluitsignaal van de voetbalwedstrijd |die te zien was op het grote scherm in het wijkcentrum van Okere en wordt de zaal omgetoverd tot een gezelligheidsclub, met een dansvloer en een kleine bar.

    Morgenochtend zal dezelfde zaal dienstdoen als kerk.

    Openingsbeeld: ‘Deze sheaboom zou ons vibranium kunnen zijn’. De sheanoten in Oeganda worden in het wild geplukt door vrouwen die samenwerken in coöperaties. De boom op deze foto staat in Chiana, Ghana waar het wetenschappelijk instituut CIFOR onderzoek uit voert en de productie van shea mede helpt ontwikkelen.  © Axel Fassio / CIFOR

  • Hiphoplegende wacht nog altijd op echte documentaire

    Hiphoplegende wacht nog altijd op echte documentaire

    Het Netflix-portret van gangsterrapper ‘The Notorious B.I.G.’ laat speculaties over zijn dood achterwege en richt zich op zijn betekenis voor de muziekwereld. Maar het blijft de vraag of we het echte verhaal van hem te zien krijgen, oordelen critici.

    Ellen E. Jones, criticus van The Guardian, is opgelucht dat de jongste documentaire over de New Yorkse gangsterrapper Christopher Wallace (1972-1997), beter bekend als ‘The Notorious B.I.G.’, ditmaal niet over zijn gewelddadige en nooit opgeloste dood gaat. ‘De makers zetten het drijfzand van het moordmysterie aan de kant en laten zien wat Notorious bij leven voor elkaar heeft gekregen.’

    Ook Chris Willman van Variety is goed te spreken over de Netflix-documentaire Biggie: I got a story to tell van Emmett Malloy: ‘Omdat de regisseur zo verstandig is geweest niet in te gaan op de rivaliteit met Tupac Shakur, die andere vermoorde raplegende. Tegelijkertijd laat hij geen reeks beroemdheden over Biggie aan het woord.’  

    Maar of we ook het échte verhaal van een van de grondleggers van de hiphopscene te zien krijgen? De recensent van The Arab Times Today heeft meteen door dat een objectief portret van de hoofdpersoon niet valt te verwachten wanneer zijn familie en erfgenamen de film produceren. ‘Malloy geeft weliswaar iets prijs over BIG’s schimmige rol in de crack- en cocaïnewereld, maar legt liever de nadruk op zijn enorme verdiensten voor de muziekwereld.’

    ‘Nu is het toch een beetje dertien in een dozijn. En als er nou één artiest was voor wie dat niet gold, was het wel Biggie’

    Florent Boutet van het Franse filmmagazine Le bleu du miroir is eigenlijk alleen enthousiast over het begin van de film: ‘De openingsscènes over zijn Jamaicaanse afkomst, het geboortedorp van zijn moeder en het gesprek met zijn 95-jarige oma zijn het interessantst. Maar helaas schakelt de film snel door naar Biggie’s privéleven en het cliché dat zijn muziektalent hem van de onderwereld heeft gered.’ 

    Brian Tallerico van de Amerikaanse filmsite Roger Ebert had dolgraag een ‘rauwe, gepassioneerde’ film over Notorious BIG gezien: ‘Nu is het toch een beetje dertien in een dozijn. En als er nou één artiest was voor wie dat niet gold, was het wel Biggie. Maar ook dat wisten we al.’

    De documentaire Biggie: I got a story to tell van regisseur Emmett Malloy is te zien op Netflix.

    Door Diederik Samwel

  • Hier, in Finland, woont het gelukkigste volk ter wereld

    Hier, in Finland, woont het gelukkigste volk ter wereld

    De Finnen zijn het meest tevreden volk ter wereld. Hoe krijgen ze dat jaar na jaar weer voor elkaar? We nemen een kijkje in het noorden, waar ze alles beter doen dan in de rest van de wereld – tot postzegels ontwerpen aan toe.

    Onze zoektocht naar het geluk eindigt waar hij nooit had moeten eindigen: in een cliché. Aan een Fins meer in een zacht avondzonnetje, op een eenzame bank onder de dennenbomen, terwijl ik zojuist uit de hitte van de sauna ben ontsnapt en de damp van me afslaat, ben ik volmaakt gelukkig. Hier woont het gelukkigste volk ter wereld, in Finland, aan de noordrand van Europa. Dat heeft de Verenigde Naties in zijn World Happiness Report (WHR) voor de derde keer achtereenvolgende keer bevestigd.

    Ons bezoek aan dit 5,5 miljoen zielen tellende volk begon een goede week geleden op een plaats waar die dag de hemel dichtbij is: als de zon doorbreekt, ligt er over het vliegveld van Helsinki een schittering, zo stralend en pijnlijk helder als je verder alleen op de Tibetaanse hoogvlakte ziet. De Oodi, de nieuwe centrale bibliotheek van Helsinki, ziet eruit als een geschenk uit een andere wereld. Aan de rand van het dak van de Oodi, nog dichter bij de hemel, staat Antti Nousjoki, de architect, en wijst naar de mensen die in de stralen van de herfstzon zitten te lezen. ‘Zo’n balkon als dit is voor ons Finnen belangrijk,’ zegt hij, ‘ook al kunnen we het maar een paar dagen per jaar gebruiken. Alle andere dagen zitten we binnen, kijken naar buiten op het balkon en dromen.’

    Het land deed zichzelf voor zijn honderdste verjaardag een bibliotheek cadeau die is uitgeroepen tot de beste van de wereld. De spiegelglad gepoetste onderzijde van de Oodi wordt wel vergeleken met een houten scheepsromp, de bovenkant lijkt op een in glas gevat pak opgewaaide sneeuw. Op de lichte bovenverdieping liggen hier en daar mensen op hun buik te lezen, andere zijn met hun boek in een van de witte ‘Ball Chairs’ gekropen. Op de als de boeg van een schip hoog oprijzende, uitstekende punt van het dak poseren twee blonde tienermeisjes in artistiek gescheurde spijkerbroeken voor een selfie. Antii Nousjoki wijst uit het raam naar de overkant van het grote plein: ‘Kijk, het parlementsgebouw, de tempel van de democratie. We hebben de Oodi zo gebouwd dat we ons op ooghoogte met het parlement bevinden.’

    b 730 c2938d19 f8fa 499d a72e 2bb8b148de67 1

    De Oodi vormt het hart van de hoofdstad en heeft het kwakkelende winkelgebied afgelost als Helsinki’s zenuwcentrum. ‘Er wordt hier weer meer gewoond dan gewinkeld,’ zegt de architect. Het verhaal van de Oodi is ook het verhaal van een land en zijn bibliotheken.

    Het is zinnig om op deze plek onze zoektocht naar het geluk van de Finnen te beginnen. In Finland is al jaren een speciale bibliotheekwet van kracht. In 2016 werden de bibliotheken bijna 50 miljoen keer bezocht en leenden ze 68 miljoen boeken uit. Ter vergelijking: de gemiddelde Nederlander gaat 3,7 keer per jaar naar een bibliotheek (2019). 

    De Oodi heeft 100 miljoen euro gekost. Dat is veel geld. Maar iedere inwoner van Helsinki voelt zich mede-eigenaar. De Oodi is het nieuwe forum en de nieuwe woonkamer van de stedelijke samenleving. Bibliotheken waren, vermoedelijk vanwege het slechte weer, altijd al ontmoetingsplekken, waar je je vrienden tegenkomt en ook advies kunt vragen. ‘Als je het vraagt zouden de bibliotheekmedewerksters je zelfs helpen je belastingaangifte in te vullen,’ zegt Antii Nousjoki.

    De bovenverdieping is gereserveerd voor de boeken, maar in een Finse bibliotheek kun je al heel lang ook boormachines en ander gereedschap lenen. Als je het binnenste van de Oodi betreedt, kun je onder de stalen brugconstructie musici met een elektrische gitaar of een viool tegenkomen, die onderweg zijn naar een van de muziekstudio’s. Naast de naaimachines staan 3D-printers en op de traptreden voor de fotoprinters zit een groepje flyers te maken voor een concert. stadsatelier, staat er op een bord. Achterin bevindt zich een complete professionele keuken. ‘Mijn schoonvader heeft zijn verjaardag hier gevierd,’ zegt Antii Nousjoki. ‘Weet u, wij Finnen betalen graag belasting, omdat we weten wat we ervoor terugkrijgen, en ook omdat we een egalitaire samenleving zijn.’

    De Oodi staat voor het nieuwe Helsinki, het Finland dat niet meer de rafelrand van Europa is, maar in veel opzichten een voortrekker en een voorbeeld. De Oodi, zegt Nousjoki, ‘is de uitdrukking van dat nieuwe zelfbewustzijn’.

    Ze moeten nog wel een beetje wennen aan hun nieuwe zelfbewustzijn. Toen in het World Happiness Report van de VN de Finnen in 2018 voor het eerst werden uitgeroepen tot het gelukkigste volk ter wereld, reageerden ze tamelijk verbaasd. Wij? Gelukkig?  Serieus?

    Nogal een contrast met de Denen, die de jaren ervoor een abonnement op de eerste plaats leken te hebben en op hun status als zondagskinderen graag luchtig reageerden met: wie anders? Denemarken was ook de bakermat van de hygge, een hype die met zijn openhaardengezelligheid een reactie was op het verlangen naar kleinburgerlijkheid in een steeds chaotischer wereld.

    Ook op dat vlak voeren de Finnen nu de troepen aan: ze hebben de wereld kalsarikännit geschonken, de ‘uit Finland afkomstige ontspanningstechniek’ (Wikipedia) die gewoon betekent: ‘thuis dronken worden in je ondergoed’. Het World Happiness Report was niet de eerste wereldranglijst waar Finland de afgelopen jaren bovenaan eindigde. En zoals wel vaker verdeelde het de tobberige Finnen in een deel dat de onderzoeksmethode ter discussie stelde en een deel dat de blijde boodschap omhelsde maar die meteen bedolf onder een waslijst van de grootste misstanden in het land. 

    ‘Wij Finnen denken altijd dat als we ons ergens op verheugen, er vast en zeker iets misgaat. Dus verheugen we ons maar liever nergens op’

    Op een paar minuten lopen van de Oodi spreken we Nasima Razmyar in haar kamer op het stadhuis met uitzicht op de haven. Op haar bureau ligt het laatste nummer van een vrouwentijdschrift waar ze op de cover prijkt. Als locoburgemeester van Helsinki is sociaaldemocrate Nasima Razmyar verantwoordelijk voor sport en cultuur. Ze vertelt over internationale conferenties waar haar delegatie plastic mapjes uitdeelt waarop in een hoekje is geprint: Gelukkigste land ter wereld. ‘Maar in zulke kleine lettertjes dat je het amper kunt lezen.’

    Finnen maken zich graag onzichtbaar. Dat komt ook door de geschiedenis van Finland, denkt ze: al die bezettingen, de oorlogen, de bloedige burgeroorlog van 1918. ‘Wij Finnen denken altijd dat als we ons ergens op verheugen, er vast en zeker iets misgaat. Dus verheugen we ons maar liever nergens op.’

    Razmyar praat met veel gebaren en een aanstekelijke lach, je merkt meteen dat ze een ander temperament heeft dan de meeste Finnen. Razmyars familie komt uit Afghanistan, haar vader was vroeger ambassadeur in Moskou. In 1993 is het gezin naar Finland gevlucht, Nasima was toen acht. ‘Koud was het in het vluchtelingenkamp ergens in het noorden van Lapland, koud en donker.’ Ze moesten met niets beginnen. ‘Maar ik heb nooit het gevoel gehad dat we arm waren of dat het me aan iets ontbrak. Misschien is het mooiste aan Finland wel dat iedereen hier gelijke kansen heeft, wie of wat je ook bent.’

     ‘Wij Finnen betalen graag belasting, omdat we weten wat we ervoor terugkrijgen’

    Nog niet zo lang geleden was Finland een van de armste landen van de wereld. ‘Weet u, wij hebben geen historie van macht en rijkdom, zoals Denemarken en Zweden,’ zegt Razmyar. Dat Finland bovenaan zoveel ranglijstjes staat, heeft alles te maken met het uitstekende, door de gelijkheidsgedachte bepaalde onderwijssysteem. En met de bibliotheken. 

    Razmyar heeft haar halve jeugd in de plaatselijke bibliotheek doorgebracht. ‘Ik hield van de geur daar en van de vrouwen, bij wie je altijd welkom was.’ Als tienjarige werd haar door een van die vrouwen haar venster op de wereld overhandigd: ‘Ik stond met grote ogen te kijken toen ik mijn eerste bibliotheekkaart kreeg. Echt, mag ik alles lenen? Voor niets?’ Zo ontwikkelde het vluchtelingenmeisje zich tot Finlands eerste parlementslid van Afghaanse afkomst en vervolgens tot locoburgemeester die verantwoordelijk is voor alle bibliotheken in de hoofdstad. 

    Dat de Denen gelukkig waren verbaasde destijds niemand. Het kostte de Finnen daarentegen lange tijd moeite om los te komen van hun reputatie als, nou ja, Finnen, uit het zwart-witte land in het noorden. Alsof het allemaal figuranten zijn in een Aki Kurismäkifilm, waar stoïcijnse gestalten de eeuwige winter en de somberte van hun ziel berustend en laconiek aanvaarden met behulp van hectoliters Koskenkorva-wodka en een merkwaardig gevoel voor humor. In dit cliché-Finland plegen mensen zelfmoord en zwijgt de rest in twee talen, zoals Bertolt Brecht ooit opmerkte, het Fins en het Zweeds namelijk, de twee landstalen. 

    Alcoholgebruik en depressiviteit vormen nog wel een probleem, maar niet meer in dezelfde mate als voorheen

    In werkelijkheid zijn Finnen praatgrage mensen; tenminste als ze iets te melden hebben. En in werkelijkheid is het aantal zelfmoorden drastisch afgenomen, met 13 zelfmoorden per 100.000 inwoners ligt het ongeveer op het niveau van Nederland (12,5). Alcoholgebruik en depressiviteit vormen nog wel een probleem, maar niet meer in dezelfde mate als voorheen.

    Inmiddels hebben de VN de Finnen voor de derde keer achtereen uitgeroepen tot het gelukkigste volk ter wereld, waarbij het verschil met de landen na hen, de andere noordse landen voorop, groter is geworden. En dat terwijl Finland het armste land van Noord-Europa is. Het rijkste is Noorwegen, dat gemeten naar nationaal product per hoofd wereldwijd op de zesde plaats staat. Finland staat 21e. Steeds meer Finnen beginnen te wennen aan de gedachte dat ze hun geluk niet meer kunnen ontkennen.

    Meest tevreden 

    Het is vrij zeker dat geluk niet het juiste woord is. Waarschijnlijk zijn de Finnen gewoon het meest tevreden volk op aarde. ‘Goede landen produceren geen geluk,’ zegt Heikki Aittokoski, journalist en schrijver van Het eiland van het geluk; een reis naar een perfecte samenleving (niet in het Nederlands vertaald), Hij is kortgeleden de wereld rondgereisd op zoek naar het recept voor de perfecte samenleving. ‘Maar ze zorgen ervoor dat alle factoren verdwijnen die iemand ongelukkig kunnen maken. En daarin zijn de noordse landen en Finland verdomd goed.’

    Aittokoski woont in Espoo, de tweede stad van Finland, die bijna aan Helsinki vastgegroeid zit. En toch is het maar twintig minuten met de auto of we staan midden in een groot bos, aan de oever van een eenzaam ven. ‘Ik kom hier bijna elke dag om hard te lopen en te zwemmen,’ zegt Aittokoski.

    Voor de meeste Finnen, zegt hij, is dicht bij de natuur zijn de bepalende factor voor hun welbevinden. Goed functionerende democratische instituties, een ruimhartige welvaartsstaat, nauwelijks corruptie, gelijke kansen voor iedereen, seksengelijkheid, een hoog opleidingsniveau, sociale cohesie, en een grote vrijheid bij belangrijke levensbeslissingen. De noordse landen bezitten volgens het WHR al deze ingrediënten voor een gelukkig leven. Wat de Finnen van hun buren onderscheidt, is dat zij de afgelopen honderd jaar als enigen overheerst zijn geweest. Anders dan de Denen, Noren en Zweden hebben ze nooit een eigen aristocratie gehad, het gelijkheidsdenken is daardoor buitengewoon sterk ontwikkeld. En ze hebben altijd lagere verwachtingen gehad dan de anderen, zegt Heikki Aittokoski. ‘Wij zijn met weinig tevreden.’

    In café Engel, tegenover de Dom, hebben we afgesproken met psycholoog en filosoof Frank Martela (38). Hij is een van de auteurs van het laatste WHR-rapport. ‘De Finnen hebben een melancholiek zelfbeeld, misschien vinden ze het daarom ook moeilijk in hun eigen geluk te geloven,’ zegt hij. ‘Kijk maar naar de muziek die hier populair is: tango, heavy metal. Heel anders dan de Zweden met hun feelgoodpop.’ In 2019 had Finland 70 heavy metalbands per 100.000 inwoners, meer dan vier keer zoveel als Duitsland, ook dat is een wereldrecord.

    ‘Natuurlijk luister ik er ook naar, het is louterende muziek. Als je je beroerd voelt, schreeuw je je pijn gewoon weg. In ons land is generaties mannen bijgebracht dat ze nooit hun gevoelens mogen laten zien.’ Nee, zegt Martela, vreugdeuitbarstingen zul je in Finland niet gauw meemaken. En nog altijd is klinische depressie hier een groter probleem dan in veel andere landen. Paradoxaal genoeg geldt ook: ‘Als geluk betekent dat je stilletjes tevreden bent met je leven, is er op de wereld geen betere plek dan Finland.’

    Er gaat vrijwel geen week voorbij zonder dat er een onderzoeksrapport verschijnt dat aantoont dat de Finnen in alles beter zijn dan iedereen

    Er gaat vrijwel geen week voorbij zonder dat er een onderzoeksrapport verschijnt dat aantoont dat de Finnen in alles beter zijn dan iedereen. Zij hebben de schoonste lucht en het schoonste water. Zij wonen op het veiligste platteland ter wereld, hebben de laagste analfabetismecijfers, scholen en universiteiten zijn gratis en behoren tot de beste ter wereld. Nergens in Europa, zo heeft de Europese Commissie vastgesteld, gaat het beter met de digitalisering. Zelfs de verkiezing van de mooiste postzegel ter wereld is afgelopen jaar gewonnen door een Finse deelneemster.

    Alle pogingen om het Finse geluk te verklaren, beginnen en eindigen met deze vergelijking: samenlevingen waarin men elkaar en de instituties vertrouwt, zijn het gelukkigst. Als je de enquêtes mag geloven, hebben burgers in Europa nergens meer vertrouwen in elkaar, de politiek, de politie en de media dan in Finland. ‘Wij Finnen vinden onszelf betrouwbaar en we vertrouwen op anderen,’ zegt Frank Martela. ‘En op dit moment hebben we ons vertrouwen in Sanna Marin gesteld.’ 

    22006952 0 image a 118 1575896035716

    Sanna Marin, de jongste vrouwelijke premier van de wereld. Een jonge, linkse sociaaldemocrate, die duidelijke taal spreekt en op transparante wijze regeert. Een politica wier moeder samenwoont met een vrouw. Een 34-jarige regeringsleider die foto’s van zichzelf op Instagram plaatst terwijl ze haar baby voedt en die aan het hoofd staat van een coalitie waar alle vijf de partijleiders jonge vrouwen zijn. In Finland kijken ze overigens meer op van de buitenlandse verbazing over Marins vrouwenregering dan van die regering zelf.

    De nieuwe regering werd in elk geval vlak na haar aantreden overvallen door de coronapandemie en heeft die tot dusverre koel en efficiënt onder controle weten te houden. Finland heeft wereldwijd het minste aantal doden door covid-19; op het moment dat we dit schrijven 63 per miljoen inwoners, terwijl het er in Duitsland bijna twee keer zoveel zijn en in Zweden meer dan negen keer zoveel. Tegelijkertijd heeft de economie veel minder te lijden dan in de rest van Europa. Toen de Zweedse premier begin oktober aan Sanna Marin vroeg hem op de EU-top in Brussel te vertegenwoordigen, verscheen de Zweedse krant Expressen met het dringende verzoek aan de Finse premier meteen maar de hele Zweedse regering een tijd over te nemen. ‘Onder leiding van de Finnen gaat alles gewoon beter.’

    En zo heeft Finland vorig jaar Zweden afgelost als coolste land van het noorden. De veel bewonderde en benijde Zweden die Finland zeshonderd jaar overheerst hebben tot de Russen de macht overnamen. ‘Het moment dat we merkten dat we de Zweden verslagen hadden, was het moment dat wij de gelukkigste mensen ter wereld werden,’ zegt Stan Saanila. Saanila maakt samen met André Wickström het satirische programma Dit hier voor de publieke zender YLE. ‘O, die Zweden,’ zegt collega Wickström instemmend, ‘zij leggen de lat voor de Europeanen wel erg hoog.’ Saanila: ‘Ze zijn zo goed gekleed, en ze ruiken altijd zo lekker.’

    Saanila en Wickström zitten in de kantine van YLE in het noorden van Helsinki. Het gesprek is af en toe onverstaanbaar door de heavymetalmuziek en de classic rock die uit de speakers komt. Maar Saanila’s gelach overstemt elk gitaarloopje. Ze behoren allebei tot de Zweedse minderheid, maar beschouwen zichzelf als echte Finnen. De verhouding tot de voormalige Zweedse overheersers is altijd ingewikkeld geweest. Finland was lang straatarm en tot kort na de Tweede Wereldoorlog nog een agrarisch land. In de jaren vijftig en zestig zijn meer dan een miljoen Finnen naar Zweden getrokken om werk te zoeken. 

    Saanila: ‘De Zweden hadden sinaasappels en bananen en chocolade. En wij een waslijst aan herstelbetalingen aan de Sovjet-Unie. Ik bedoel: zij hadden een eigen automerk! Volvo!’

    Wickström: ‘En wij reden nog steeds in een Moskowitz. Of een Wartburg. Of een Lada.’

    Saanila: ‘Wanneer dat is veranderd? Vorige week woensdag geloof ik,’

    Mijlpalen in de collectieve herinnering van een land dat geleerd heeft trots op zichzelf te zijn. In 2006 bijvoorbeeld: ‘Hard Rock Hallelujah!’ Lordi won het Eurovisie Songfestival, het was een echt huzarenstukje om met een als figuren uit een griezelfilm uitgedoste metalband het meest authentieke optreden neer te zetten. 

    Nog belangrijker, tien jaar eerder, in 1995, de finale van het wereldkampioenschap ijshockey, Finland-Zweden: 4-1. Finland won. In Stockholm. ‘We waren verbijsterd,’ herinnert André Wickström zich, ‘hoe bestond het?’ Sommige Finnen kijken nog elk jaar naar de herhaling van die wedstrijd en kennen het originele commentaar woord voor woord uit het hoofd. 

    Er zijn meer van die mijlpalen. Nokia werd een wereldconcern en is dat ondanks de crash in de mobiele telefonie gebleven, nu als producent van netwerken. Helsinki werd Culturele hoofdstad van Europa. En ondanks het gebrek aan zelfvertrouwen ontwikkelde zich iets wat ons tot nu toe vreemd was: optimisme. 

    Saanila: ‘De ban was gebroken…’

    Wickström: ‘…en er ging een wereld aan mogelijkheden open.’

    Saanila: ‘Onlangs vond een politica van de Centrumpartij dat het tijd werd dat Finland een eigen ruimtevaartprogramma kreeg.’

    Ze proesten het uit.

    Vrouwen en mannen

    Burgemeester Nasima Razmyar zei: ‘Achter het Finse succesverhaal staan vrouwen.’ En achter de vrouwen staan mannen als die van Razmyar, die het helemaal niet raar vinden om voor de baby te zorgen en die elke dag naar haar werkkamer te brengen, zodat ze hem de borst kan geven voeden. Maar achter de Finse vrouwen staat vooral de verzorgingsstaat met bijbehorende instellingen. Zoals de organisatie van Tiina Ivakko, met wie we vanwege het coronavirus in een park hebben afgesproken.

    Ivakko struikelt bijna over haar woorden: ‘Ik vertel het graag. Want het is belangrijk.’ Ivakko geeft leiding aan een kinderopvangcentrum in de wijk Kalasatama, dat 24 uur per dag, zeven dagen per week open is. Twintig leidsters passen er op alles bij elkaar vijfenzeventig kinderen, waarvan de jongste tien maanden is. Het zijn vooral alleenstaande moeders en vaders die hun kinderen naar Ivakko brengen. Vaak werken ze ’s nachts of in het weekend, in een restaurant of ziekenhuis bijvoorbeeld. Soms zijn ze drie dagen achterelkaar aan het werk, zoals de stewardess die naar New York vliegt. Elke week kunnen de klanten hun rooster doorgeven om hun uren bij Ivakko te kopen. De staat heeft bepaald dat een Fin nooit meer dan € 289 per maand hoeft te betalen.

    Alleen al in Helsinki zijn er zes van deze 24-uurs kinderopvangcentra. Haar medewerksters zijn telkens weer verbaasd als buitenlandse bezoekers verbaasd zijn over hun organisatie. ‘Voor ons is het vanzelfsprekend, al meer dan dertig jaar. In Finland werkten de vrouwen altijd al.’

    De grootmoeder van Ivakko werkte, haar moeder ook, ze gaf haar hele leven leiding aan een van de openbare speelplaatsen waar schoolkinderen tussen de middag ook eten krijgen. ‘Aha,’ zegt Ivakko, ‘heb je dat in Duitsland ook al niet?’ In Finland, zegt ze, was de gelijkstelling van de geslachten gewoon noodzaak. Het was een arm land met maar weinig mensen, het kon zich niet veroorloven vrouwen thuis te laten zitten. 

    Ten slotte zegt Ivakko: ‘Zo, en voor u nu gaat denken dat dit het paradijs op aarde is, vertel ik u dat mijn dochter van 22, die op het ogenblik vorkheftruckchauffeur is in een fabriek, meer verdient dan onze leidsters.’ Afgelopen zomer heeft Ivakko een vacature geplaatst, er kwam niet één sollicitant. ‘Onze beroepen worden niet op waarde geschat, dus soms gaat er in Finland iets goed mis.’

    Donkere wolken aan de hemel zijn er dus ook. Een land lijkt tegenwoordig niet zo gelukkig te kunnen zijn, dat het geen rechtspopulisten voortbrengt. In Finland is dat de Finse Partij, voorheen de Ware Finnen, die het ressentiment tegen buitenlanders en de ‘stedelijke elites’ aanwakkert. De nieuwe premier heeft het vaak over de tekortkomingen bij de gelijkberechtiging. In 2017 verdienden Finse vrouwen gemiddeld 17,3 procent minder dan hun mannelijke collega’s, de kloof is groter dan gemiddeld in Europa. Het aantal aangiftes wegens huiselijk geweld nam in 2019 toe. En ondanks het voorbeeldige kinderopvangsysteem willen Finse vrouwen niet meer kinderen krijgen: het geboortecijfer ligt met 1,35 veel lager dan in de andere noordse landen.

    De redenen daarvoor zijn ook voor de Finnen een raadsel. Ligt het aan het vooruitzicht hun kinderen naar scholen te moeten sturen waarvan de reputatie achteruitgaat? In de meest recente Pisa-studie staan de Finnen niet meer op de eerste plaats, zoals in de eerste Pisa-studie begin eenentwintigste eeuw, ook nemen de verschillen tussen arme en rijke kinderen toe, waarover in het hele land veel te doen is. ‘Tenslotte zit gelijkheid in ons DNA, privéscholen hebben we hier dan ook niet,’ zegt Marjaana Ajanto, die lesgeeft op een gymnasium in Espoo. ‘Neem bijvoorbeeld Sanna Marin. Ze is superslim, maar ze was een gewoon meisje uit Tampere. In Finland kan iedereen alles worden, ook premier.’

    Als de pandemie een stresstest is voor de constitutie van de samenleving en haar instituties, dan slaagt niet alleen de Finse staat, maar slagen ook de Finse scholen met vlag en wimpel

    Maar de Finnen zitten bij de Pisa-scores nog steeds in de topgroep. En ze zijn de enigen die ook bij tevredenheid over hun leven heel hoog scoren. Als de pandemie een stresstest is voor de constitutie van de samenleving en haar instituties, dan slaagt niet alleen de Finse staat, maar slagen ook de Finse scholen met vlag en wimpel.

    ‘Dat houdt absoluut verband met het feit dat wij dol zijn op nieuwe technologieën,’ zegt Marjaana Ajanto. ‘Sinds Nokia is dat onderdeel van ons succesverhaal.’ In de Digital Economy and Society Index 2020 van de Europese Commissie is Finland de ‘digitale leider’ onder de 27 Europese landen. Finland, zegt het persbericht, slaagt er buitengewoon goed in ‘innovatief denken te combineren met maatschappelijke verantwoordelijkheid’. Voordat Ajanto lerares werd, werkte ze aan online platforms voor de Finse omroep en bij Microsoft. Nu geeft ze Engels, marketing en technologie. Ze heeft een missie, zegt ze: ‘Ik wil dat alle meisjes goed op de hoogte zijn van de nieuwe technologieën.’

    Ook op haar school zijn bezoekers vanwege corona niet toegestaan, dus spreken we af in het centrum van Helsinki. Net als de andere geïnterviewden voldoet ook Ajanto helemaal niet aan het cliché van de koele Finse. Op een bepaald moment springt ze op van haar caféstoel en loopt naar buiten. Ze doet het interview liever in looppas. Tijdens een geïmproviseerde stadsrondleiding showt ze ons tegelijkertijd het chique openluchtzwembad in de haven en de ‘Wilma’-app op haar telefoon.

    ‘Wilma’ is al meer dan tien jaar het digitale communicatieplatform voor leerlingen, leraren en ouders. ‘Kijk, er komt net een berichtje binnen van een meisje dat haar wiskundeboek kwijt is,’ roept ze. ‘Wilma’ was een van de redenen dat de Finse scholen snel konden overschakelen naar onderwijs-op-afstand. Leerlingen die geen laptop hadden, kregen er een van school.

    Elke morgen om half negen legt Marjaana Ajanto via een videoapp contact met haar leerlingen. Ze heeft een tijd in Berlijn gewoond. ‘Ik weet nog dat ik in Berlijn vaak dacht: Pardon? Alweer geen internet? Wat een onzin, zit ik soms in Afrika?’ Finland is een dunbevolkt land en al twintig jaar geleden begonnen met digitaal onderwijs op afstand. ‘Tenslotte heeft iedereen recht op onderwijs, toch?’ zegt ze.

    We zijn met de trein onderweg naar de laatste pleisterplaats op onze reis naar het geluk. Buiten wisselen meren, dennen, sparren en berken elkaar af. Finland telt 187.888 meren, driekwart van het grondoppervlak is bos. Tampere, twee uur van Helsinki, is de geboorteplaats van de premier, een arbeidersstad die zichzelf met universiteiten en high tech opnieuw aan het uitvinden is. Uiteraard is de stad omgeven door water en bossen. 

    Sauna’s

    Er zijn hier meer dan vijftig openbare sauna’s. De oudste is de Rajaportti in de wijk Pispala. Een arbeiderssauna in een houten gebouwtje aan een doorgaande weg. Binnen zijn aparte ruimtes voor mannen en vrouwen, hier in de voortuin zitten ze door elkaar, gewikkeld in roze en lindengroene handdoeken. Mannen met tattoos, een moeder met haar dochter. Steeds weer is het sissende geluid te horen van een blikje bier dat wordt opengemaakt. De entree bedraagt doordeweeks zes, en vandaag, op zaterdagavond, tien euro. 

    Matti Kemi, rapper, jeugdwerker en saunagids, verwacht ons. Met zijn zelfgemaakte vilten hoed ziet hij eruit als een Tiroler boer. De Rajaportti is meer dan honderd jaar oud. ‘Het hart van onze saunacultuur,’ volgens Kemi. Het scheelde niet veel of de kleine sauna was in de jaren tachtig afgebroken, maar mensen uit de buurt hebben een vereniging opgericht om hem te behouden.  

    Oorspronkelijk paste de sauna eigenlijk niet in ons verhaal. Te cliché. Tot bijna ieder interview eindigde met de vraag: ‘U gaat toch ook wel naar een sauna?’ Er zijn vijfeneenhalf miljoen Finnen, en samen hebben ze meer dan drie miljoen sauna’s. ‘Toen Finse soldaten werden uitgezonden naar Afghanistan was een sauna het eerste wat ze daar neerzetten,’ had gelukonderzoeker Martela verteld. Dat klopt, zegt Kemi. ‘Een Fin mist in het buitenland zijn sauna nog meer dan zijn vrouw en kinderen.’

    Anders dan een paar jaar geleden hebben niet meer alle nieuwe huizen een eigen sauna. In plaats daarvan viert de openbare sauna een comeback. Zoals Engelsen in de pub, zo spreken Finnen in de sauna met hun vrienden af. De Rajaportti-sauna zelf is een klein, donker hol, waar zes, zeven mannen op een kluitje zitten. Afstand houden? Ze verzekeren elkaar dat het coronavirus deze hitte niet overleeft.

    De Duitser in het gezelschap bijna ook niet. Zweet druipt uit baarden, van neusvleugels en over drakentattoos. Sommige van deze mannen slaan geen dag over, zomer en winter. Aan de wand naast de houtkachel hangt, in het donker nauwelijks te onderscheiden, een plaquette: Onni Niemi, de beste saunabezoeker van Finland 1995. ‘Onni is 9000 keer in de Rajaportti geweest,’ vertelt Kemi.

    Matti Kemi (33) is eigenlijk musicus. Hij toerde als dj met een band, soul, funk, hiphop. Tegenwoordig werkt hij met jongeren. In workshops die door de stad worden gefinancierd, leert hij hun rappen. Twee jaar geleden heeft hij met een vriend een fietstocht van een maand door het hele land gemaakt om oude sauna’s te bezoeken en met saunasjamanen te praten. Over die reis hebben ze in Matti’s studio een podcast gemaakt voor de publieke omroep, en sindsdien werken ze hier in Tampere ook als saunagids.

    De volgende dag, een zondag, zien we elkaar weer, op een landtong in het Näsijärvi-meer. Eenzaam op een kale rots staat daar een langgerekt, geel, houten gebouw, schilderachtig omlijst door een handjevol dennen. De Rauhaniemi-sauna, ook bijna honderd jaar oud. We zitten op een bankje, halfnaakt, terwijl Matti Kemi vertelt, en we kijken toe hoe andere saunagangers in het ijskoude water van het meer springen. Over zijn opa’s, die zich allebei hebben doodgedronken. Over de jongens aan wie hij lesgeeft en die zo totaal anders zijn, ze roken niet, drinken veel minder, zijn opener en veel meer in elkaar geïnteresseerd.

    ‘Ik ken miljonairs die naar een openbare sauna gaan om hun eenzaamheid te vergeten’

    Gezondheid speelt tegenwoordig een belangrijke rol, ook daarom is ijszwemen niet meer alleen iets voor oudere mensen. Net als de openbare sauna is het opnieuw populair geworden. In sommige sauna’s is het tegenwoordig zo druk dat mensen in de rij moeten staan tot er een plaatsje vrijkomt. ‘De mensen zijn eenzaam geworden,’ zegt Matti Kemi. ‘Ik ken hier in Tampere miljonairs die naar een openbare sauna gaan om hun eenzaamheid te vergeten. Hier ervaar je een gevoel van saamhorigheid.’

    Matti Kemi zet zijn vilthoedje recht. ‘Naakt zijn we toch allemaal hetzelfde,’ zegt hij, dan zwijgen we allebei, terwijl in de koele herfstlucht de damp van ons afslaat en we het geluk diep tot in ons binnenste voelen doordringen.