Onderwerpen: Economie

  • Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Oded Galor deed onderzoek naar de economische geschiedenis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden. Volgens de Israëlisch-Amerikaanse econoom hebben samenlevingen die diversiteit accepteren meer succes.

    Al lange tijd houden vooraanstaande denkers zich keer op keer bezig met twee fundamentele vragen. De eerste luidt: welke oorzaken leidden tot de industriële revolutie waarmee de mensheid zich wist te bevrijden uit een onvermijdelijk lijkende armoedeval? En de tweede: waarom profiteren niet alle landen in gelijke mate van de vruchten van materiële welvaart, die onder andere tot uiting komen in een hogere levensverwachting, een betere gezondheid en al met al een aangenamer leven? Juist in een tijd waarin veel economen zich steeds vaker lijken te wijden aan steeds specifiekere onderzoeken, verdient de poging deze belangrijke vragen van de mensheid te willen oplossen grote waardering.

    Oded Galor houdt zich er al decennialang mee bezig. Met zijn ‘uniforme groeitheorie’ draagt de uit Israël afkomstige, en sinds vele jaren aan de Amerikaanse Brown University docerende econoom de overtuiging uit dat een betrouwbare en volledige kennis van de mondiale economische ontwikkelingsfactoren slechts mogelijk is wanneer we de primaire drijvende krachten achter het gehele ontwikkelingsproces in beschouwing nemen, en niet alleen die van bepaalde perioden. De uniforme groeitheorie omvat ‘de reis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden, door het hele verloop van de geschiedenis heen’.

    Nadat Galor gedurende vele jaren in deels zeer ambitieus opgezette wetenschappelijke artikelen zijn thesen heeft ontwikkeld, zoekt hij nu met een toegankelijk geschreven werk (De reis van de mensheid) een breder publiek.

    Voorwaarde voor economische bloei

    Je zou tegen Galors pretentie in kunnen brengen dat het niet ontbreekt aan plausibele verklaringen voor de ontwikkeling van welvaart en ongelijkheid. Een bekende stelling, gepopulariseerd door de Nobelprijswinnaar Douglas North, ziet in het bestaan van instituties die eigendomsrechten garanderen, een juridisch kader scheppen voor een profijtelijk samenleven en de concentratie van economische macht verhinderen een allesbeheersende voorwaarde voor een positieve economische ontwikkeling.

    Enkele jaren geleden hebben Daron Acemoglu en James Robinson in hun bestseller Waarom naties mislukken het begin van de industriële revolutie in Engeland verklaard uit gunstige institutionele veranderingen na de Glorious revolution van het jaar 1688. Men kan in het zoeken naar sporen van institutionele veranderingen nog verder teruggaan. Economiehistoricus Werner Plumpe uit Frankfurt onderkent in zijn boek over het kapitalisme (Das kalte Herz) in de vroegmiddeleeuwse herendienstwetgeving van de Karolingers een ontwikkeling die samen met andere invloeden, veel later in het noordwesten van Europa de voorwaarden schiep voor een economische opbloei.

    Een tweede interpretatie richt zich op de geografische omstandigheden van het economisch handelen. In zijn boek Arm en rijk verklaart de evolutiebioloog Jared Diamond de vroege bloei van de Mesopotamische cultuur met gunstige klimatologische omstandigheden voor de akkerbouw. De opkomst van Europa is volgens hem te danken aan een gefragmenteerde geografie, die de vorming van duurzame grote rijken verhinderde.

    De landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling

    Galor wijst de op instituties en geografie gebaseerde verklaringen zeker niet af. Hij beschouwt ze als nuttig om afzonderlijke ontwikkelingen te verhelderen, maar volgens hem bezitten ze geen omvattende verklarende kracht. Zo verklaren, vanuit Galors gezichtspunt, de institutionele veranderingen wel waarom de industriële revolutie juist in Engeland uitbrak, maar niet waarom die industriële revolutie zich überhaupt voordeed.

    Galors verklaring is gebaseerd op een allesbeheersende rol van de technische vooruitgang en de bereidheid van de mensen om daarop in te haken, vooral door scholing. Toen ongeveer 60.000 jaar geleden mensen Oost-Afrika begonnen te verlaten en zich over de wereld verspreidden, bleef hun aantal lange tijd gering. Twaalfduizend jaar geleden bevolkten naar schatting slechts 2,5 miljoen mensen de aarde. Deskundigen duiden deze periode die tot de industriële revolutie duurde aan als de ‘malthusiaanse plafond’, ter herinnering aan de Britse econoom Thomas Malthus. De meeste mensen worstelden om te overleven; planning van het leven op langere termijn was helemaal niet mogelijk. Elke verbetering van de economische situatie verhoogde het aantal kinderen dat hun eerste levensjaren overleefde. Volgens Malthus’ beroemde formule groeide de bevolking in een meetkundige reeks (1,2,4,8….), maar het aanbod van voedingsmiddelen slechts met een rekenkundige reeks (1,2,3,4…). Een toename van de bevolking moest daarom wel tot een zware crisis leiden omdat er niet genoeg te eten was voor het snel groeiende aantal hongerige monden. Lange tijd maakte de mensheid niet echt vorderingen: de landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling. De meeste mensen leefden gevaarlijk dicht bij het minimale bestaansniveau.

    Storm onder de oppervlakte

    Toch zou het fout zijn om de tijd tot aan het uitbreken van de industriële revolutie te beschouwen als een volledige stilstand in economisch opzicht, net zo min als men zich de industriële revolutie moet voorstellen als een plotselinge explosie van economische dynamiek. Galor spreekt van een ‘storm onder de oppervlakte’. Voor de industriële revolutie verliep de technische vooruitgang slechts langzaam, maar ze was er wel. Ze toonde zich niet in een toename van materiële rijkdom voor veel mensen – de meesten bleven straatarm – maar de vooruitgang was zichtbaar in het vermogen een groeiende bevolking te voeden. Aan het begin van onze jaartelling leefden er naar schatting ongeveer 200 miljoen mensen op aarde, rond het jaar 1600 zouden het er toch al 600 miljoen kunnen zijn geweest.

    Toen begon zich langzaam een dynamiek te ontwikkelen, want het aanbod en de vraag naar technologie hangen af van de bevolkingsgrootte. Hoe meer mensen er zijn, hoe meer hoofden iets nieuws kunnen bedenken. Met de groei van de bevolking nemen ook de mogelijkheden toe van een arbeidsdeling die de productiviteit verhoogt. Tegelijkertijd ontstaat door een groeiende bevolking ook de economische prikkel om innovatieve producten te ontwikkelen omdat het aantal potentiële kopers toeneemt. Een op gang komende technische vooruitgang zorgt voor steeds meer prikkels om verdere innovaties te ontwikkelen.

    Zo kwam het tot de industriële revolutie, die er veel begrijpelijker uitziet als ze niet als een plotselinge eruptie wordt opgevat, maar als een langdurig proces. Er is in deze fase op geen enkel tijdstip sprake geweest van een ‘schok’, schrijft Galor. ‘Weliswaar voltrok zich de overgang, in verhouding tot de hele geschiedenis van de mens, heel snel, maar de toename van de productiviteit in deze periode voltrok zich in kleine stapjes. In het begin van de industriële revolutie groeide de bevolking vanwege de toenemende technologische veranderingen wel sprongsgewijs, maar het gemiddelde inkomen groeide slechts in zeer bescheiden mate, precies zoals de malthusiaanse theorie voorspelde.’

    De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing

    Het slechten van de malthusiaanse plafond lukte pas ongeveer een eeuw later, toen de bevolkingsaanwas in de opkomende industrielanden terugliep, en daardoor het inkomen per capita konden stijgen. Volgens de opvatting van Galor was het de omgang met de technologie die deze verandering tot stand bracht. Want de mensen begonnen te begrijpen dat een succesvolle omgang met de technische vooruitgang een duidelijk betere scholing vereiste. In plaats van hun materiële hulpbronnen te verbruiken in kinderrijke gezinnen gaven veel mensen de voorkeur aan kleinere gezinnen die het mogelijk maakten de middelen te investeren in de opleiding van de kinderen. Samen met de materiële vooruitgang verbeterden de levensomstandigheden en de levensverwachting. Steeds meer mensen beschikten over spaargeld; pas nu werd een vooruitziende planning van het leven mogelijk. De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing. Technische vooruitgang staat niet alleen bevolkingsgroei toe, ze heeft ook invloed op de samenstelling van de bevolking.

    Maar industrialisering kan ook een valkuil zijn. Galor haalt als voorbeeld Noord-Frankrijk aan, dat bij het begin van de industrialisering, toen het bijvoorbeeld veel textielindustrie bezat, tot de rijkste delen van het land behoorde. Die fabrieken vroegen veel eenvoudige arbeid, maar dwongen niet tot een steeds betere scholing om gelijke tred te kunnen houden met de steeds modernere technologieën. Tegenwoordig zijn die regio’s rijk waar de toepassing van technische vooruitgang het betalen van hogere arbeidslonen toestaat. 

    Galor is duidelijk geen aanhanger van historisch determinisme: niets is voorbestemd. Geen samenleving heeft altijd materiële rijkdom gekend; omgekeerd is ook geen samenleving gedoemd om voor altijd tegen de mathusiaanse plafond te blijven aanlopen.

    Diversiteit

    Waarom zijn sommige landen dan al lange tijd rijk terwijl andere zich nooit wisten te bevrijden uit de ijzeren greep van de armoede? Voor Galor luidt het antwoord: het komt in een samenleving aan op een optimale mate van diversiteit, verbonden met het vermogen om vaak duizenden jaren oude tradities te overwinnen. Hij geeft een interessant voorbeeld. Voordat mensen enkele duizenden jaren geleden de ploeg uitvonden, deelden mannen en vrouwen het werk op het land. Omdat het voor gebruik van de ploeg lichaamskracht nodig was, waardoor mannen voor deze bezigheid in het voordeel waren, bevorderde de uitvinding van de ploeg in de visie van Galor een arbeidsdeling waarbij de man zich meer concentreerde op het werk op het veld, en de vrouw op het werk in het huis. Vanwege de verschillende bodemgesteldheden speelde de ploeg in de Europese geschiedenis in het zuiden een belangrijkere rol vroeger dan in het noorden. De observatie dat de beroepsmatige emancipatie van de vrouw in moderne samenlevingen in het noorden van Europa vandaag sterker ontwikkeld is dan in het zuiden verklaart Galor dan ook met de verschillen in het gebruik van de ploeg in de landbouw van vele jaren geleden.

    Diversiteit heeft in de visie van de econoom aanzienlijke voordelen, maar die hebben hun prijs. Diversiteit in samenlevingen, in combinatie met opleiding(sniveau) verhoogt de kans op technische vooruitgang. De Verenigde Staten, waar studenten uit vele landen ook aan de beste universiteiten kunnen studeren, zijn een schoolvoorbeeld voor deze stelling. Maar diversiteit kan eveneens gepaard gaan met aanzienlijke kosten in de vorm van sociale spanningen, zoals ook juist in de Verenigde Staten is waar te nemen. De samenlevingen in andere landen laten diversiteit slechts met tegenzin toe; vaak zijn ze economisch dan ook niet succesvol.

    ‘Waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen omvattende hervormingen vaak in het honderd’

    Een succesvol recept voor het oplossen van deze problemen ligt volgens Galor niet algemene beleidsaanbevelingen, zoals ze in het verleden niet zelden door internationale organisaties werden uitgesproken. ‘Privatisering van de industrie, liberalisering van de handel en het vastleggen van eigendomsrechten kunnen groeibevorderende maatregelen zijn voor landen waarin al sociale en culturele voorwaarden voor economische groei bestaan, maar daar waar deze voorwaarden ontbreken, waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen zulke omvattende hervormingen vaak in het honderd’, schrijft de econoom.

    ‘Geen hervorming, al is die nog zo efficiënt, zal een verarmd land in een handomdraai veranderen in een vooruitstrevende economie, want het grootste deel van de kloof tussen ontwikkelingslanden en industrielanden komt voort uit al millennia bestaande processen. Institutionele, culturele, geografische en sociale kenmerken uit een ver verleden hebben de beschavingen voortgestuwd op hun verschillende historische wegen en hebben de verschillen in welvaart tussen de naties verdiept.’ Een goede politieke strategie om de armoede te overwinnen is niet eenvoudig, maar ze is naar het inzicht van Galor wel mogelijk. De boodschap van zijn boek is optimistisch.

    Oded Galor, De reis van de mensheid. Waar welvaart en ongelijkheid vandaan komen, in vertaling van Pon Ruiter en Linda Broeder, is in maart 2022 verschenen bij De Bezige Bij.

  • Sokken meest gekochte kledingstuk in VS tijdens pandemie

    Sokken meest gekochte kledingstuk in VS tijdens pandemie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Macron, Scholz en Draghi in Kyiv: aandringen op onderhandelen met Rusland

    » VS: experts keuren Pfizer en Moderna goed voor baby’s vanaf zes maanden

    Sokken verdringen T-shirts

    De belangrijkste kledingstukken die Amerikanen kochten tijdens de pandemie waren… sokken. Volgens marktonderzoekbureau NPD Group zijn sokken sinds twee jaar de belangrijkste kledingaankoop en hebben ze de aankoop van T-shirts verdrongen, aldus Quartz. In 2020 en 2021 was een op de vijf kledingitems die in de VS werden gekocht een paar sokken.

    De verkoop van slaapsokken groeide wel vier keer zo snel als die van sokken in het algemeen

    Sokken om mee te slapen vertegenwoordigen slechts 3 procent van de sokkenmarkt, maar de verkoop van slaapsokken groeide wel vier keer zo snel als die van sokken in het algemeen. Volgens de marketeers kwam dat doordat mensen tijdens de pandemie meer tijd doorbrachten in bed.

    Een verklaring voor de verkoopgroei ligt mogelijk ook in de explosieve groei van e-commerce: sokken zijn relatief goedkoop en worden gemakkelijk aan een bestelling toegevoegd als een klant nog maar een paar dollar verwijderd is van gratis verzending, aldus NPD.

    Lees ook:

  • Biden bezoekt Saoedi-Arabië – ondanks belofte om oliestaat als paria te behandelen

    Biden bezoekt Saoedi-Arabië – ondanks belofte om oliestaat als paria te behandelen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Wapens voor Oekraïne kunnen bij criminelen terechtkomen, waarschuwt Interpol

    » Canada betaalt historische schadevergoeding aan inheemse gemeenschap

    Biden negeert belofte na moord Khashoggi voor lagere olieprijzen

    De Amerikaanse president brengt tegen het einde van de maand een bezoek aan de Saoedische kroonprins, meldden Amerikaanse media donderdag. Voor zijn verkiezing had Joe Biden daarentegen aangekondigd dat hij de omstreden leider als een ‘paria’ zou behandelen, na de moord op journalist Jamal Khashoggi.

    Het besluit komt nadat de OPEC+, het kartel van olie-exporterende landen onder leiding van Riyad, donderdag heeft toegezegd de olieproductie op te voeren. Dit gebeurt na maanden van afwachten ondanks de sterk stijgende prijzen, waarmee gehoor werd gegeven aan oproepen uit het Westen.

    ‘Biden plaatst zijn behoefte om de olieprijzen omlaag te brengen en zo Rusland te straffen voor de invasie van Oekraïne, boven zijn standpunt over mensenrechten’, merkt The Guardian op over het Saoedische staatsbezoek van de president.

    Lees ook:

  • Waarom big tech zo geheimzinnig doet over zijn inkomstenbronnen

    Waarom big tech zo geheimzinnig doet over zijn inkomstenbronnen

    Uit een diepgravend onderzoek van The Economist blijkt dat de almachtige techreuzen kwetsbaarder zijn dan je zou vermoeden. De winstgevende onderdelen zijn weliswaar uiterst lucratief, maar verzwegen informatie wijst ook op zwakheden.

    De Amerikaanse techgiganten verdienen onchristelijk veel geld. In 2021 bedroeg de gezamenlijke jaaromzet van Alphabet, Amazon, Apple, Meta en Microsoft 1,4 biljoen dollar. Dat geld komt uit een breed en continu groeiend scala aan inkomstenbronnen, van telefoons en geneesmiddelen tot videostreaming en virtuele assistenten. Analisten verwachten dat de gecombineerde omzet van de grote vijf in het eerste kwartaal van 2022 boven de 340 miljard dollar zal komen, zo’n 7 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar.

    Het driemaandelijkse ritueel van opzienbarende kwartaalcijfers begon dit jaar op 26 april, toen de eerste van de grote vijf zijn cijfers bekendmaakte: Alphabet kon bogen op een omzet van 68 miljard dollar, een stijging van 23 procent ten opzichte van vorig jaar, al was door een dalende groei van de advertenties de nettowinst gedaald tot 16,4 miljard. Diezelfde dag rapporteerde Microsoft een omzet van 49,4 miljard, 18 procent meer dan vorig jaar, en een nettowinst van 16,7 miljard. Een dag later rapporteerde Meta een omzet van 27,9 miljard met een nettowinst van 7,5 miljard dollar. Amazon en Apple moesten op het moment van schrijven nog met hun cijfers komen.

    Ze zijn een stuk zwijgzamer over hoeveel ze nu eigenlijk verdienen met hun verschillende producten en diensten

    Het is begrijpelijk dat de grote techbedrijven zich graag op deze indrukwekkende cijfers en hun gevarieerde productaanbod beroemen. Maar ze zijn een stuk zwijgzamer over hoeveel ze nu eigenlijk verdienen met hun verschillende producten en diensten. In de jaarcijfers en andere openbare stukken worden de inkomstenstromen meestal zo veel mogelijk op één hoop gegooid en zo vaag mogelijk omschreven. Vorig jaar waren de verkoopcijfers van de grote vijf bijvoorbeeld verdeeld over 32 bedrijfssegmenten. Vergelijk dat eens met de in totaal 56 segmenten van de vijf best presterende Amerikaanse bedrijven in andere sectoren. 

    Apple verdeelt zijn omzet in vijf segmenten, Meta maar in drie (zie grafiek 1). De categorie ‘Google Other’ was bij Alphabet vorig jaar goed voor 28 miljard dollar aan inkomsten. Daaronder vallen Googles appstore, de verkoop van smartphones en andere apparaten, en abonnementen van dochteronderneming YouTube. De advertentie-inkomsten van YouTube, die Alphabet pas in 2020 voor het eerst bekendmaakte, bedroegen vorig jaar 29 miljard dollar. Dat betekent dat Google Other en de advertentieafdeling van YouTube allebei meer opbrachten dan vier vijfde van de bedrijven in de S&P 500-index van de grootste Amerikaanse bedrijven.

    Niet te veel openheid

    Het is logisch dat je daar als bedrijf niet te veel openheid over wilt geven. Zolang concurrenten in het duister tasten, kunnen ze je goedlopende businessunits niet kopiëren en niet aan je marges gaan knibbelen. Andy Jassy, de algemeen directeur van Amazon, klaagt over het vooruitzicht dat hij zijn bedrijfscijfers nader zou moeten specificeren, omdat die cijfers ‘concurrentiegevoelige informatie’ bevatten.

    Helaas voor de techbaronnen wordt het ze steeds moeilijker gemaakt om die informatie te versluieren. Toezichthouders, politici en investeerders zien daar steeds meer een probleem in en roepen de grote platforms op tot meer transparantie over alles, van de werking van hun betaalsystemen tot de CO2-uitstoot waarvoor ze verantwoordelijk zijn. En er is ook steeds meer informatie beschikbaar uit andere bronnen, zoals rapporten van vermogensbeheerders, analyses van hedgefondsen en vooral uit mededingingsrechtszaken die overal ter wereld door concurrenten en toezichthouders worden aangespannen. Daaruit komen steeds meer details naar voren over hoe het er in de big tech intern aan toegaat.

    Daaruit rijst het beeld op dat de techreuzen kwetsbaarder zijn dan hun schijnbare almacht doet vermoeden

    Om daar inzicht in te krijgen heeft The Economist rechtbankdocumenten, interne e-mails, rapporten van analisten en uitgelekte dossiers uitgeplozen over Alphabet, Amazon, Apple en Meta (Microsoft heeft onderzoek naar monopolievorming ditmaal kunnen voorkomen, waardoor er over de inkomsten van dat bedrijf minder geheime cijfers naar buiten zijn gekomen). Daaruit rijst het beeld op dat de techreuzen kwetsbaarder zijn dan hun schijnbare almacht doet vermoeden. De winstgevende onderdelen van hun bedrijf zijn wel zo lucratief dat ze diepe zakken hebben, maar de verzwegen informatie wijst toch ook op enkele zwakheden. Drie daarvan springen eruit: grote winstconcentratie, afnemende klantentrouw en de enorme tegenvallers die ze riskeren op te lopen in de verschillende mededingingsrechtszaken.

    Winstmakers

    Allereerst de winstmakers. De grootste zijn meestal heel helder. De iPhone blijft de grote melkkoe van Apple, Amazon harkt het meeste geld binnen met clouddiensten, en Alphabet en Meta zouden nergens zijn zonder advertentie-opbrengsten. Maar de bedrijven zijn niet scheutig met gegevens over andere, kleinere maar snelgroeiende bedrijfsonderdelen.

    De grootste stille winstmakers voor Alphabet en Apple zijn misschien wel hun appstores. Voor alle aankopen binnen apps strijken ze een commissie op, meestal van wel 30 procent (al zijn ze als tegemoetkoming aan de toezichthouders wel bezig om die percentages te verlagen voor kleine softwareontwikkelaars en apps die afhankelijk zijn van abonnees). De resulterende inkomstenstroom is nog niet opzienbarend. Volgens een door diverse Amerikaanse staten aangespannen rechtszaak bedroeg de appstore-omzet voor Google in 2019 zo’n 11 miljard dollar, en analisten schatten dat die van Apple vorig jaar op zo’n 25 miljard dollar uitkwam. Maar doordat de onderhoudskosten van die appstore miniem zijn, is de winstmarge enorm. Uit de stukken van een rechtszaak die gamefabrikant Epic Games tegen de appstores heeft aangespannen, blijkt dat de winstmarge voor Apple wel 78 procent bedraagt, en voor Google 62 procent. Ter vergelijking: de operationele marge van heel Apple is 35 procent en van Alphabet (dat nog steeds vooral op advertentie-inkomsten leunt) 31 procent.

    Bij Apple werken vijf- tot zeshonderdduizend ontwikkelaars aan 1,8 miljoen apps

    De appstores zijn dus booming. Volgens de Competition and Markets Authority (CMA), de Britse mededingingsautoriteit, is de opbrengst van opdrachten die tussen 2017 en 2020 voor Google en Apple zijn uitgevoerd grofweg verdubbeld. In 2020 werkten acht- tot negenhonderdduizend ontwikkelaars aan tweeënhalf tot drie miljoen apps voor de Google appstore. Dat was iets meer dan bij Apple, waar vijf- tot zeshonderdduizend ontwikkelaars aan 1,8 miljoen apps werkten. Afgaande op de rechtszaak van Epic en het onderzoek van de CMA wijst niets erop dat deze groei afneemt of dat de marges slinken. Voor de Google appstore is de brutomarge de laatste jaren een paar procentpunt gestegen.

    In de jaarcijfers van Apple valt de opbrengst van de appstore onder de categorie ‘diensten’, die vorig jaar 68 miljard dollar opleverde, oftewel 19 procent van de totale bedrijfsomzet. Maar de appstore is nog niet Apples meest winstgevende dienst. Exacte cijfers zijn niet voorhanden, maar de CMA schat dat de brutomarge op Apples zoekadvertenties nog groter is. Dat is volgens de toezichthouder het gevolg van een deal die het met Google heeft gesloten om Google als standaardzoekoptie in te stellen op de meeste Apple-apparaten. In ruil daarvoor krijgt Apple van Google tussen de 8 en 12 miljard dollar per jaar (2 tot 3 procent van zijn totale omzet). En het kost Apple praktisch niets, dus dit is bijna zuivere winst.

    Diepe zakken

    Amazon en Meta zijn (iets) minder geheimzinnig over de herkomst van hun inkomsten en winsten. Meta mag zich nu anders in de markt willen zetten en het accent willen verleggen naar de virtual reality van het ‘metaverse’, maar het steekt niet onder stoelen of banken dat het nog steeds 97 procent van zijn omzet haalt uit onlinereclameopbrengsten. Amazon doet ook niet moeilijk over de omzet van zijn omstreden Marketplace, waar derden producten kunnen aanbieden en dan op elke verkoop, waarmee ze direct concurreren met Amazons eigen aanbod, een commissie afdragen van 19 procent (was 11 procent in 2017). In 2021 droeg Marketplace 103 miljard dollar bij aan Amazons omzet, wat een verzesvoudiging is ten opzichte van 2015 en 22 procent van de bedrijfsomzet.

    Maar het vergde spitwerk van analisten om te komen tot de schatting dat Instagram vorig jaar goed was voor 42 miljard omzet, bijna twee vijfde van Meta’s totaal en een flinke stijging ten opzichte van 2019, toen Instagrams aandeel nog 20 miljard bedroeg. Met andere woorden, de rol van het fotoplatform in het succes van dit socialemedia-imperium is spectaculair gegroeid. En uit een door het District of Columbia aangespannen rechtszaak tegen Amazon blijkt dat de winstmarge van Marketplace 20 procent bedraagt, vier keer zo hoog als die voor Amazons eigen verkoopactiviteiten. (Uit de rechtbankstukken blijkt niet of het hier gaat om bruto-, netto- of operationele marges.)

    Zulke big spenders worden intern ‘whales’ genoemd, net als in casino’s

    Dankzij die inkomstenbronnen hebben de bedrijven dus diepe zakken. Maar kijk je nog eens goed, dan blijkt de basis toch verrassend smal. In de appstore van Apple komt 70 procent van alle inkomsten bijvoorbeeld uit games, zo blijkt uit stukken in de door Epic aangespannen rechtszaak. Het leeuwendeel daarvan is afkomstig van aankopen die gamers binnen een app doen, bijvoorbeeld voor gekke attributen voor hun avatar of om virtueel geld te kopen. In 2017 was 88 procent van de gameomzet van de appstore afkomstig van 6 procent van de gameconsumenten. Die grootverbruikers geven gemiddeld ieder meer dan 750 dollar per jaar uit aan hun apps.

    Uit de Epic-rechtszaak blijkt ook dat 1 procent van Apples gamers goed was voor 64 procent van de omzet in de appstore, en dat die gamers er jaarlijks 2694 dollar aan uitgaven. Zulke big spenders worden intern ‘whales’ (walvissen) genoemd, net als in casino’s. Uit onderzoek van de CMA kwam bij de Google appstore hetzelfde patroon naar voren: in 2020 was ongeveer 90 procent van de Britse omzet afkomstig van nog geen 5 procent van de apps. En weer kwam het leeuwendeel van de omzet hier van aankopen binnen de app.

    Ook in de onlineadvertentiesector zie je een grote concentratie van het uitgavenpatroon. De CMA boog zich over cijfers over Britse adverteerders die in 2019 samen 7 miljard pond uitgaven aan Google Ads, een advertentiekanaal dat vooral bedoeld is voor kleine bedrijven. De bovenste 5 à 10 procent van de adverteerders (gerangschikt naar besteding) was goed voor meer dan 85 procent van de omzet van Google Ads. De grootste klanten zaten in de detailhandel, de financiële sector en de reissector. Bij Facebook bleek die concentratie nog groter. Daar was de bovenste 5 à 10 procent van de adverteerders goed voor meer dan 90 procent van de omzet (zie grafiek 2). In de segmenten detailhandel, entertainmentsector en consumentengoederen werd er het meest aan uitgegeven.

    Van concentratie is ook sprake als het gaat om het aantal vertoningen of ‘impressies’, het vakjargon voor elke keer dat een advertentie op iemands scherm verschijnt. Dat bleek uit intern onderzoek van Google, dat naar buiten kwam in een rechtszaak die tegen het bedrijf werd aangespannen door weer een andere groep Amerikaanse staten. Uit dat onderzoek bleek dat in de VS 20 procent van alle vertoningen van advertenties goed was voor 80 procent van de advertentieopbrengst voor onlineadverteerders. De waardevolste vertoningen zijn gericht op gebruikers bij wie er een grote kans bestaat dat ze een aankoop zullen doen. Bij Google werd dit verschijnsel intern ‘cookieconcentratie’ genoemd.

    Afhankelijkheid

    Naast die grote afhankelijkheid van een paar grote winstmakers is er nog een andere zwakte in het bedrijfsmodel die zelden wordt benoemd: klantenverloop. Men gaat er vaak van uit dat de klanten van de techgiganten verknocht, ja zelfs verslaafd zijn aan hun diensten en producten. De bedrijven zullen dat niet openlijk ontkennen, want het bevestigt het beeld dat ze de markt in hun greep hebben – een beeld dat investeerders graag zien. Maar in werkelijkheid kan die greep weleens een stuk zwakker zijn.

    Uit de Epic-rechtszaak blijkt dat pakweg 20 procent van de iPhone-gebruikers die in 2019 en 2020 een nieuwe telefoon kochten op een ander merk is overgestapt. Uit gelekte documenten van Meta blijkt dat steeds minder tieners zich bij Facebook aanmelden en dat ze er minder tijd op doorbrengen. Zelfs het bij de jeugd populairdere Instagram begint het af te leggen tegen concurrenten. Uit een gelekt intern rapport uit maart vorig jaar blijkt dat tieners meer dan twee keer zoveel tijd doorbrengen op het hippere TikTok.

    Jongeren zijn niet de enige klanten die de grote platforms de rug beginnen toe te keren

    Jongeren zijn niet de enige klanten die de grote platforms de rug beginnen toe te keren. Je ziet het ook bij jonge bedrijven. Start-ups beleefden vorig jaar gouden tijden. Het mondiale reservoir aan durfkapitaal bedroeg dat jaar 621 miljard dollar, meer dan twee keer zoveel als het jaar daarvoor. Volgens een rapport van Bridgewater Associates, het grootste hedgefonds ter wereld, gaat ongeveer een vijfde van al het in start-ups geïnvesteerde geld naar clouddiensten, een markt die wordt gedomineerd door Alphabet, Amazon en Microsoft. Nog eens twee vijfde gaat naar marketing, waarbij in de digitale wereld Alphabet, Meta en in toenemende mate Amazon de dienst uitmaken. En Bridgewater schat dat alles bij elkaar zo’n 10 procent van de totale omzet van Alphabet, Amazon en Meta afkomstig is uit het ecosysteem van start-ups. Dat staat gelijk aan 84 miljard dollar per jaar.

    Die geldstroom kan weleens gaan slinken. Door zorgen over de stijgende inflatie, de oorlog in Oekraïne en de kans op een recessie zijn de aandelen van de techbedrijven gekelderd. De Nasdaq, waar de technologiesector zwaar in meeweegt, is na zijn hoogtepunt in november al met 20 procent gedaald. De dalingen van de beurskoersen krijgen nu ook gevolgen in de start-upwereld. Instacart, een bezorgdienst voor supermarkten, heeft op 24 maart zijn bedrijfswaardering met 38 procent verlaagd. Met een lagere waardering krijgen bedrijven het moeilijker om kapitaal aan te trekken. Investeerders zeggen te verwachten dat start-ups de komende maanden de broekriem gaan aanhalen. Dat leidt tot minder bestedingen aan clouddiensten en advertenties.

    Wat betekenen al deze kwetsbaarheden bij elkaar? In het ergste geval heel veel, als de strengste toezichthouders in de VS, Groot-Brittannië en de EU hun zin krijgen. Vorige maand is de laatste hand gelegd aan de Wet inzake digitale markten (WDM), een verstrekkend pakket aan nieuwe EU-regels om de grote techbedrijven aan banden te leggen. Dat zal alleen sommige bedrijfsonderdelen treffen en is vooral gericht op de Europese activiteiten. Volgens vermogensbeheerder Bernstein verdienen Alphabet, Apple, Amazon en Meta 267 miljard dollar in Europa, pakweg een vijfde van hun gezamenlijke totaalomzet. En een snelle rekensom leert ons dat de Europese WDM een gevaar vormt voor 40 procent van de Europese omzet van deze vier bedrijven.

    Vrezen voor omzetdaling

    Wereldwijd is Alphabet het kwetsbaarst: dat moet vrezen voor bijna 90 procent van zijn Europese inkomsten (27 procent van zijn wereldwijde omzet). In de VS wordt het zoekmonopolie van Google onder vuur genomen door een team aanklagers uit diverse Amerikaanse staten. Het federale ministerie van Justitie overweegt ook stappen te zetten. Zo komt ook de 70 miljard aan Amerikaanse omzet op zoekadvertenties in gevaar – een kwart van Alphabets totale omzet. Verlaagt Alphabet zijn commissie op aankopen binnen apps van 30 naar 11 procent, het percentage dat Google op 23 maart overeenkwam met Spotify, dan keldert de omzet van de Amerikaanse appstore van 11 naar 4 miljard. Alles bij elkaar vormt dit een bedreiging voor misschien wel 150 miljard dollar aan omzet, zo’n 60 procent van Alphabets mondiale totaalomzet.

    Het gevaar dat Apple bij dit doemscenario loopt is kleiner, maar nog steeds aanzienlijk. Als de monopoliebestrijders een eind maken aan de afspraak met Google, scheelt dat al 8 tot 12 miljard per jaar. Verlaagt Apple net als Alphabet de commissies in zijn appstore, al dan niet onder dwang van nieuwe wetgeving, dan kunnen de app-gerelateerde inkomsten dalen van 25 tot circa 9 miljard dollar. In totaal kan Apple er zo’n 35 miljard dollar bij inschieten, een tiende van zijn mondiale omzet. Amazon kan rekenen op een daling van 77 miljard per jaar, 16 procent van zijn mondiale omzet, als het zijn eigen verkoopactiviteiten op Marketplace moet loskoppelen van die van derden.

    Sommige politici en toezichthouders zijn al begonnen over de noodzaak om Amazon helemaal op te splitsen, in bijvoorbeeld een winkelbedrijf en een clouddienst. Het bedrijf dat Amazon blijft heten verliest dan dus ofwel zijn onlineverkoopkanaal (momenteel goed voor 70 procent van zijn omzet) of zijn winst uit clouddiensten (goed voor ongeveer driekwart van zijn winst). Zo gaan er ook stemmen op om Meta op te splitsen. Als de Amerikaanse Federal Trade Commission haar zin krijgt en Facebook wordt gedwongen Instagram en WhatsApp af te stoten, derft het bedrijf 42 miljard dollar aan inkomsten uit Instagram en nog eens 2 miljard dollar uit WhatsApp, twee vijfde van het totaal.

    Een paar geslaagde aanvallen op de bedrijven kunnen hun toekomstperspectieven flink ontregelen

    Als alles tegenzit moeten Alphabet, Amazon, Apple en Meta dus vrezen voor maar liefst 330 miljard dollar aan omzetdaling, oftewel een kwart van het totaal. En dat is nog buiten de gevolgen gerekend van twee grote mededingingswetten die momenteel in het Amerikaanse Congres worden behandeld. Die zouden de eigenaren van platforms zoals appstores en zoekmachines onder meer verbieden hun eigen producten een voorkeursbehandeling te geven. De financiële gevolgen daarvan zijn nog niet duidelijk, maar zouden net als die van de Europese wet aanzienlijk kunnen zijn.

    Het is niet waarschijnlijk dat dit rampscenario voor de grote techbedrijven zich echt zal voltrekken. Eerdere pogingen om hun macht te beteugelen zijn al vaak gestrand. De huidige pogingen zullen waarschijnlijk nog worden afgezwakt en het kan jaren duren voordat ze echt in werking treden. Maar een paar geslaagde aanvallen op de bedrijven kunnen hun toekomstperspectieven wel flink ontregelen. En doordat rechtszaken een tipje van de sluier oplichten over hun geldstromen, krijgen potentiële concurrenten meer zicht op waar de marges zitten waarvan ze kunnen proberen iets af te snoepen.

  • Waarom westerse sancties tegen China mogelijk onverstandig zijn

    Waarom westerse sancties tegen China mogelijk onverstandig zijn

    De economische sancties die het Westen aan Rusland heeft opgelegd, zijn een waarschuwing voor China als het zijn buurland helpt of zijn dreigementen aan Taiwan doorzet. Maar China speelt zo’n grote rol in de wereldhandel dat het verbreken van de banden zeer onwaarschijnlijk lijkt.

    Wat zou het betekenen als Washington China, de op een na grootste economie ter wereld, destructieve financiële en economische sancties zou opleggen, bijvoorbeeld door het land uit het internationale Swift-betalingssysteem te zetten en buitenlandse reserves te bevriezen? Die optie werd eigenlijk nooit publiekelijk overwogen. Maar sinds Rusland sancties kreeg opgelegd vanwege de invasie in Oekraïne, is daar verandering in gekomen.

    De reikwijdte van die sancties en de snelheid waarmee ze zijn toegepast, hebben Beijing een idee gegeven van de eventuele gevolgen van steun aan Moskou, of van een gewelddadige poging Taiwan te herenigen met het Chinese vasteland. Maar China is geen Rusland: de economie is ongeveer tien keer zo groot en veel nauwer verweven met de rest van de wereld. Het land blijft in hoge mate afhankelijk van buitenlandse handel en heeft de grootste deviezenreserves ter wereld, waarvan een groot deel is opgeslagen in de Verenigde Staten en Europa.

    ‘China zou veel meer schade van sancties ondervinden dan Rusland’

    ‘De uitgebreide economische sancties die door westerse landen onder leiding van de VS aan Rusland zijn opgelegd, vormen een waarschuwing voor China. Ze tonen hoe ver die sancties kunnen gaan,’ zegt He Weiwen, voormalig economisch en commercieel adviseur van het Chinese consulaat in New York en San Francisco.

    Volgens sommigen zouden de economische gevolgen voor China veel ernstiger kunnen zijn. ‘China zou veel meer schade van sancties ondervinden dan Rusland,’ zegt een Europese diplomaat uit Beijing die anoniem wil blijven. ‘China maakt zich zorgen en heeft weinig middelen om er iets tegen te doen.’ Aan de andere kant: China heeft zo’n sterke positie verworven in de wereldwijde waardeketen dat het volgens analisten voor meer dan honderdtwintig landen en regio’s, waaronder de Verenigde Staten, uiterst ingewikkeld, zo niet onmogelijk zou zijn om de banden met hun belangrijkste handelspartner volledig te verbreken.

    Belang bij elkaar

    He Weiwen, nu senior fellow bij de denktank Centre for China and Globalisation (CCG) in Beijing, zegt daarover: ‘China en de VS hebben belang bij elkaar, dus voor de VS is China een heel ander geval dan Rusland. De politieke overwegingen zullen onvermijdelijk worden beïnvloed door economische omstandigheden.’

    Ook Lu Xiang, senior fellow van de Chinese Academie van Sociale Wetenschappen (CASS), denkt dat als China soortgelijke sancties worden opgelegd, dat onbedoelde gevolgen zou hebben voor de landen die deze initiëren. ‘De gevolgen van sancties zijn wederzijds,’ aldus Lu. ‘Wij hebben activa in de VS en Europa, en zij hebben die in China.’

    Sommige Amerikaanse sancties zullen ongetwijfeld worden gehandhaafd, en misschien volgen er meer, maar dat zal in het huidige tempo gebeuren, denkt Shi Yinhong, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Renmin Universiteit en adviseur van de Staatsraad, het nationale kabinet. ‘Een forse en plotselinge toename van sancties is vrij onwaarschijnlijk,’ aldus Shi.

    Nu de oorlog in Oekraïne al maanden duurt, wordt het voor Beijing steeds moeilijker om zich ervan te distantiëren. Terwijl Chinese diplomaten oproepen tot een vreedzame oplossing, bekritiseren de VS en hun bondgenoten Beijings neutrale houding. In zijn toespraak voor studenten en docenten van het Georgia Institute of Technology noemde CIA-directeur William Burns China vorige maand ‘een stille deelnemer aan Poetins agressie’.

    De levering van wapens wordt algemeen erkend als grens om mogelijke secundaire sancties tegen China in gang te zetten

    De levering van wapens wordt algemeen erkend als grens om mogelijke secundaire sancties tegen China in gang te zetten, hoewel Washington hierover vaag is en spreekt van ‘consequenties’ als Beijing ‘materiële steun aan de Russische invasie’ zou bieden. ‘Die ambiguïteit is een strategie van de VS,’ zegt een buitenlandse diplomaat in Beijing. ‘Ook China wil graag precies weten onder welke specifieke omstandigheden het sancties kan verwachten.’

    Geen bewijs

    Volgens Ned Price, woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, hebben de Amerikaanse inlichtingendiensten geen bewijzen gevonden dat China wapens aan Rusland verkoopt. ‘We volgen de zaak op de voet,’ zei hij op een persconferentie op 18 april. ‘Enkele weken geleden lieten we weten dat we geen wapenleveranties op het spoor zijn gekomen, en daar is sindsdien geen verandering in gekomen.’

    Net als staatsbanken en ondernemingen die zakelijke relaties hebben met Rusland, heeft de Chinese regering zich sinds het begin van de oorlog inderdaad zeer voorzichtig opgesteld, zegt professor Shi van de Renmin Universiteit. China had de westerse houding ten opzichte van de Russische agressie ‘waarschijnlijk volledig voorzien, dus ik denk dat China tot nu toe vooral zijn activa heeft willen beschermen’, aldus Shi.

    ‘Hoofdzaak is dat de VS geen redenen zien om China sancties op te leggen vanwege de oorlog’

    Verschillende staatsbedrijven in China, zoals banken, oliemaatschappijen en producenten van halfgeleiders, hebben advies ingewonnen over de vraag of ze hun handel met Rusland na de invasie konden voortzetten, zo lieten juridische bronnen deze krant weten. Maar zolang China geen munitie aan Rusland levert, zijn secundaire sancties tegen China niet aan de orde, zegt Wang Huiyao, oprichter van de denktank CCG en adviseur van de Staatsraad. ‘China drijft normale handel met Rusland, net als de EU,’ aldus Wang. ‘Hoofdzaak is dat de VS geen redenen zien om China sancties op te leggen vanwege de oorlog.’

    Ondertussen gebruiken Amerikaanse functionarissen de maatregelen tegen Rusland steeds vaker als een waarschuwing aan China, met de suggestie dat de VS een soortgelijk draaiboek zullen volgen als China op een dag probeert Taiwan met geweld in te nemen. Iedereen die ervan uitgaat dat de VS in dat geval terughoudend zullen zijn in hun vergeldingsmaatregelen, begrijpt niet hoe snel en in welke mate het debat in Washington sinds de oorlog in Oekraïne is veranderd, zo vertelde een Amerikaanse functionaris deze krant.

    Taiwan

    Beijing beschouwt Taiwan als een afgescheiden provincie die moet worden herenigd met het vasteland, desnoods met geweld. De spanningen liepen de laatste jaren op nadat Washington afstand had genomen van het één-Chinabeleid, dat vier decennia lang het fundament vormde van de Chinees-Amerikaanse betrekkingen.

    Sommige Chinese regeringsadviseurs suggereren dat Beijing mogelijk geen enkele haast heeft om Taiwan met geweld in te nemen. ‘Hoewel er regelmatig spanningen zijn rond de kwestie Taiwan, is de basis vrij stabiel,’ zegt Shi. ‘Onder de omstandigheden die we nu kunnen voorzien zal er geen wezenlijk conflict tussen China en de VS over ontstaan. China tolereert de onafhankelijkheid van Taiwan of buitenlandse controle over Taiwan absoluut niet, en dat weten de Verenigde Staten heel goed. Dus uiteindelijk denk ik dat Beijing en Washington elkaar prima begrijpen.’

    Wat Xinjiang en de Zuid-Chinese Zee betreft, is het voor de VS niet de moeite waard om sancties op te leggen die de eigen economie in gevaar kunnen brengen, denkt He, de voormalig diplomaat. ‘Voor de VS is Xinjiang meer een pion die zij kunnen inzetten om het China lastig te maken en tegelijkertijd internationale steun te verwerven. Zolang China goede betrekkingen onderhoudt met de ASEAN-landen, kunnen de VS geen golven veroorzaken in de Zuid-Chinese Zee.’

    Gevoelige kwestie

    Maar zoals de oorlog in Oekraïne heeft laten zien, kan er van de ene op de andere dag nogal wat veranderen, zegt Lu van de CASS. ‘China heeft de Verenigde Staten herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat Taiwan de gevoeligste en belangrijkste kwestie is in de relatie tussen de twee landen, en de VS begrijpen dit goed. De vraag is of de VS China op dit punt zullen uitdagen, juist omdat ze het belang ervan inzien. We moeten met verschillende scenario‘s rekening houden.’

    Sinds het begin van de oorlog in Oekraïne wordt het betalingssysteem Swift algemeen beschouwd als de effectiefste manier om Rusland af te snijden van het internationale financiële verkeer. De VS en hun westerse bondgenoten hebben dan ook algauw bepaalde Russische banken van het systeem uitgesloten. Toch was dit maar een gedeeltelijke uitsluiting: de handel in energie kan tot dusver gewoon doorgang vinden.

    ‘Het internationale betalingssysteem is eigenlijk de internationale toeleveringsketen in omgekeerde richting,’ schreef Shahin Vallee, hoofd van het Geo-Economics Programme bij de Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik, in een artikel in maart. ‘Het is niet mogelijk om Rusland af te snijden van het internationale betalingssysteem, tenzij men bereid is het land af te snijden van de wereldwijde toeleveringsketens – of, in dit geval, van energieleveringen aan Europa.’

    China’s grootste kracht is zijn sterke rol binnen de mondiale toeleveringsketen, en die baart de VS dan ook extra zorgen

    China’s grootste kracht is zijn sterke rol binnen de mondiale toeleveringsketen, en die baart de VS dan ook extra zorgen. Als de VS de maatregelen tegen Rusland ook op China toepassen, zijn Amerikaanse bondgenoten mogelijk minder geneigd om dat voorbeeld te volgen. ‘De VS weten heel goed dat Europa terughoudender zal zijn in het opleggen van sancties aan China, omdat de economische en handelsbetrekkingen tussen China en de EU daarvoor veel te nauw zijn,’ aldus een buitenlandse diplomaat in Beijing.

    Toch moet Beijing alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat China niet wordt uitgesloten van Swift, zeggen voormalige Chinese regeringsfunctionarissen. Er is nog een lange weg te gaan voordat de Chinese yuan internationaal hetzelfde niveau heeft bereikt als de Amerikaanse dollar of de euro. En China’s eigen betalingssysteem in yuan, het Cross-Border Interbank Payment System (CIPS), is voor grensoverschrijdend financieel verkeer nog altijd afhankelijk van Swift.

    ‘Het is belangrijk om de bouw en de externe verbinding van het grensoverschrijdende CIPS te versnellen. Maar de grootste prioriteit is om de samenwerking met Swift te blijven versterken,’ schreef Wang Yongli, voormalig vicepresident bij de Bank of China en voormalig bestuurslid van Swift, in maart in een artikel.

    Grootste deviezenreserve

    Intussen is een veel krachtiger maatregel van de VS en hun bondgenoten, namelijk het bevriezen van overzeese tegoeden van de Russische centrale bank, in Beijing niet onopgemerkt gebleven. China bezit ’s werelds grootste deviezenreserve, waarvan het grootste deel in Amerikaanse dollars. De totale waarde bedraagt sinds 2020 ongeveer 3,2 biljoen dollar [circa 3,04 biljoen euro]. Dat is meer dan het dubbele van nummer twee, Japan.

    Binnen China wordt gesproken over inkrimping van die enorme reserves

    Binnen China wordt gesproken over inkrimping van die enorme reserves, maar volgens deskundigen is dat geen haalbaar doel, omdat een plotselinge verandering in het volume catastrofale gevolgen zou kunnen hebben voor de wereldmarkten. ‘Die enorme deviezenreserves zijn zwaar bevochten en het zijn China’s “financiële kernbommen”, met een krachtig afschrikkend effect. Ze moeten op de juiste manier worden gebruikt en kunnen niet gemakkelijk worden ingekrompen,’ aldus Wang Yongli. ‘Natuurlijk is het niet uitgesloten dat China zijn aankoop van goud of andere strategische materialen vergroot, of dat het de valuta- en landensamenstelling van zijn deviezenreserves aanpast om zijn Amerikaanse dollarreserves af te bouwen. Maar we vermijden deze aanpak zo veel mogelijk als middel om de confrontatie met de VS aan te gaan.’

    Volgens gegevens van de State Administration of Foreign Exchange heeft China de afgelopen twee decennia inderdaad zijn inspanningen opgevoerd om zijn deviezenreserves te spreiden. In 1995 bestonden China’s reserves voor 79 procent uit dollars; veel hoger dan het internationale gemiddelde van 59 procent. Maar het Chinese aandeel is tussen 2014 en 2016 tot onder de 60 procent gedaald en ligt nu onder het internationale gemiddelde van ruim 65 procent.

    Tegenmaatregelen die China kan nemen zijn het verruimen van de economische en financiële openstelling naar de buitenwereld en het aanmoedigen van buitenlandse investeerders om meer Chinese activa aan te houden, aldus Chinese regeringsadviseurs.

    Voorbereid

    Ondertussen zijn buitenlandse multinationals al voorbereid op een scenario waarin China inderdaad sancties krijgt opgelegd. Sommige zullen bijvoorbeeld de implementatie van de ‘in China, voor China’-strategie versnellen. Dat betekent dat goederen specifiek voor lokale consumptie worden geproduceerd, aldus de eerdergenoemde Europese diplomaat die denkt dat China meer last van sancties zal hebben dan Rusland.

    Volgens Dan Wang, technologieanalist bij Gavekal Dragonomics, doet China zijn best om eventuele nevenschade van de westerse sancties tegen Rusland in te perken, bijvoorbeeld door minder afhankelijk te zijn van buitenlandse markten en kritieke technologieën zoals chips, zaden en luchtvaart. ‘Er wordt aan gewerkt om de zelfredzaamheid te vergroten, maar het is onwaarschijnlijk dat China zich in het huidige decennium zal weten los te maken,’ aldus Wang. ‘Zodra China geen westerse technologieën meer nodig heeft, zal het misschien minder terughoudend worden.’

    ‘Een slechtere relatie tussen Rusland en de VS betekent niet een betere relatie tussen China en de VS’

    Qin Gang, de ambassadeur van China in de VS, publiceerde op 18 april een opiniestuk in The National Interest, waarin hij schreef: ‘Een slechtere relatie tussen Rusland en de VS betekent niet een betere relatie tussen China en de VS. Net zomin betekent een slechtere relatie tussen China en Rusland een betere relatie tussen de VS en Rusland. Wat veel belangrijker is: als de relatie tussen China en de VS verslechtert, voorspelt dat weinig goeds voor de relatie tussen Rusland en de VS en de rest van de wereld.’

  • VS: beurstoezichthouder vraagt Elon Musk om uitleg over zijn investering in Twitter

    VS: beurstoezichthouder vraagt Elon Musk om uitleg over zijn investering in Twitter

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Colombia: linkse Gustavo Petro ligt mijlenver voor in eerste verkiezingsronde

    » Canadees Hooggerechtshof schaft extreem lange straffen voor massamoordenaars af

    Elon Musk verzweeg aanzienlijk belang

    De Amerikaanse toezichthouder van de effectenbeurzen, de SEC, heeft bevestigd dat het onderzoek doet naar de investeringen van Elon Musk in Twitter. De toezichthouder publiceerde vrijdag een brief aan Elon Musk gedateerd op 4 april met de vraag waarom de multimiljardair niet binnen tien dagen na het overschrijden van de drempel van 5 procent voor zijn belang in Twitter de vereiste verklaring heeft afgelegd, meldt The Wall Street Journal.

    Musks belang in het bedrijf passeerde 5 procent op 14 maart, schrijft de krant, en hij kondigde het bedrag van zijn belang aan in een verklaring op 4 april, toen het 9 procent passeerde. Maar hij ‘heeft niet publiekelijk uitgelegd waarom hij zijn documenten niet op tijd heeft ingediend’.

    Musk heeft waarschijnlijk meer dan 140 miljoen dollar bespaard door de aankoop niet te vermelden

    Musk heeft waarschijnlijk meer dan 140 miljoen dollar bespaard door niet te melden dat zijn transacties de drempel van 5 procent hadden overschreden, aldus Daniel Taylor, hoogleraar accountancy aan de Universiteit van Pennsylvania, omdat de aandelenkoers hoger had kunnen zijn als de markt op de hoogte was geweest van het groeiende belang van de miljardair.

    Vorige maand ging Musk akkoord met de aankoop van Twitter voor 44 miljard dollar. Musk, die ook Tesla Inc. leidt, heeft sindsdien gezegd dat de deal ‘tijdelijk on hold’ stond. Twitter zei dat het doorging met de transactie zoals afgesproken.

    Lees ook:

  • Duitsland maakt openbaar vervoer deze zomer vrijwel gratis als steunmaatregel

    Duitsland maakt openbaar vervoer deze zomer vrijwel gratis als steunmaatregel

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » TikTok gaat betaalde abonnementen lanceren om makers te compenseren

    » China feliciteert nieuwe premier Australië: einde aan twee jaar diplomatieke stilte

    Duitsland voert OV-maandabonnement in voor 9 euro

    Nu de energieprijzen de pan uit rijzen, heeft het Duitse parlement heeft een plan goedgekeurd dat de reiskosten in het land in de komende drie maanden zal verlagen, aldus Deutsche Welle. Het parlement heeft afgelopen vrijdag zijn handtekening gezet onder een plan voor een maandabonnement van 9 euro, dat vanaf 1 juni voor drie maanden zal lopen. Dit omvat het openbaar vervoer in heel Duitsland met alle vormen van stads- en streekvervoer. Ter vergelijking: de 27 euro die reizigers betalen voor het ticket over de periode van negentig dagen is ongeveer half keer zo duur als het goedkoopste maandkaartje voor de binnenste zones van Berlijn, meldt de Duitse krant.

    Het ticket, ‘9 voor 90’ genaamd, is een reactie op de Russische invasie in Oekraïne, die heeft bijgedragen aan de stijging van de toch al hoge energieprijzen. Het ticket maakt deel uit van een groter pakket financiële steunmaatregelen en moet het benzineverbruik verminderen en klimaatneutraal reizen met het openbaar vervoer bevorderen.

    Het wetsvoorstel van de federale regering voorziet in 2,5 miljard euro om het programma te financieren.

    Lees ook:

  • Italië: Nogmaals 14 miljard euro steun om stijgende energieprijzen hoofd te bieden

    Italië: Nogmaals 14 miljard euro steun om stijgende energieprijzen hoofd te bieden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Expansieplannen van Erdogan in Afrika

    » Kunstenaars halen werk weg uit Russisch museum

    Concreet zullen 28 miljoen Italianen 200 euro ontvangen

    De Italiaanse Premier Mario Draghi maakte bekend dat de regering, na de reeds 15,5 miljard euro, nogmaals 14 miljard euro uittrekt om de stijgende energieprijzen het hoofd te bieden, aldus Corriere della Sera. ‘Het doel is om de productiecapaciteit van bedrijven en de koopkracht van gezinnen en zwaksten te verdedigen’, verklaarde premier Mario Draghi. De regering moet de meest kwetsbaren steunen en de vertraging van het economisch herstel binnen de perken houden.

    Concreet zullen 28 miljoen Italianen die minder dan 35.000 euro per jaar verdienen, 200 euro ontvangen. Premier Draghi vreest dat zonder deze ‘uitzonderlijke actie’ de economie verzwakt zal worden en dat de armoede zal toenemen. Ook zal de belasting op de winsten van energiebedrijven worden verhoogd van 10% tot 25%, aldus het dagblad.

    Lees ook:

  • Chinese banken hoeven minder reserve aan te houden om economie te stimuleren

    Chinese banken hoeven minder reserve aan te houden om economie te stimuleren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bibliotheek in Maine verzet zich tegen Amerikaanse cancel culture

    » Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand bij meisjes in India

    Chinese economie lijdt nog steeds onder pandemie

    De Chinese centrale bank kondigde vrijdag een langverwachte verlaging aan van de hoeveelheid liquide middelen die banken in reserve moeten houden, om ‘de vertragende economie te ondersteunen tegen de achtergrond van toenemende tegenwind’, schrijft South China Morning Post.

    De Chinese centrale bank zegt dat de maatregel bedoeld is om sectoren te helpen die getroffen zijn door de pandemie. De op een na grootste economie ter wereld staat voor steeds grotere uitdagingen nu een uitbraak van omikron meer dan zeventig steden in het hele land teistert, en lockdowns in commerciële en financiële hubs de economische activiteiten verstoren. Op 25 april zal dankzij de maatregel 530 miljard yuan (83,2 miljard dollar) aan langetermijnliquiditeit in het interbancaire systeem worden vrijgemaakt.

    Lees ook:

  • Aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers is nog nooit zo hoog geweest

    Aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers is nog nooit zo hoog geweest

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ontbossing bereikt recordhoogte in de Braziliaanse Amazone

    » Tientallen doden door overstromingen in Zuid-Afrika

    Italiaanse vrouwen in topfuncties

    Volgens de Italiaanse beurstoezichthouder CONSOB is het aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers nog nooit zo hoog is geweest. ‘Eind 2021 werd 41 procent van de bestuursfuncties in beursgenoteerde ondernemingen bekleed door een vrouw’, aldus CONSOB in een rapport, ‘mede dankzij regelgeving voor genderquota’, bericht persbureau ANSA.

    De intrede van vrouwen in raden van bestuur heeft volgens CONSOB voor wezenlijke veranderingen gezorgd. Zo is ‘de gemiddelde leeftijd van de bestuursleden gedaald, het aandeel afgestudeerden toegenomen en de diversificatie van beroepsprofielen vergroot’. Het rapport tekent wel aan dat slechts zestien Italiaanse beursgenoteerde bedrijven vrouwelijke CEO’s hebben, iets meer dan 2 procent van het totaal.

    Lees ook:

  • Democratische Republiek Congo wordt grootste land in Oost-Afrikaans handelsblok

    Democratische Republiek Congo wordt grootste land in Oost-Afrikaans handelsblok

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: 4,4 miljoen mensen namen ontslag of veranderden van baan in februari

    » VK gaat claims over gebruik chemische wapens in Marioepol onderzoeken

    Congo treedt toe tot handelsblok EAC

    De handel in Oost-Afrika krijgt een nieuwe impuls nu de Democratische Republiek Congo (DRC) eind maart als zevende lid is toegetreden tot het Oost-Afrikaanse handelsblok EAC. Burundi, Kenia, Rwanda, Zuid-Soedan, Tanzania en Oeganda zijn de andere leden van EAC. Congo is het grootste en dichtst bevolkte land dat nu deel uitmaakt van EAC. Het land brengt een markt van 90 miljoen mensen met zich mee en door de toetreding stijgt het bbp van de regio van 193 miljard dollar naar 240 miljard dollar, schrijft Quartz Africa.

    Hoewel de DRC aan vijf EAC-landen grenst, is de handel tussen de DRC en de buurlanden opvallend laag, aldus EABC, de Oost-Afrikaanse Raad voor de Handel. De afgelopen zeven jaar bedroeg het aandeel van EAC-export naar de DRC gemiddeld slechts 13,5 procent. De belangrijkste importeurs van de DRC zijn momenteel China, Zuid-Afrika en Zambia. De verwachting is dat de handel in de regio nu zal toenemen.

    Lees ook:

  • VS: 4,4 miljoen mensen namen ontslag of veranderden van baan in februari

    VS: 4,4 miljoen mensen namen ontslag of veranderden van baan in februari

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Democratische Republiek Congo wordt grootste land in Oost-Afrikaans handelsblok

    » VK gaat claims over gebruik chemische wapens in Marioepol onderzoeken

    Krappe arbeidsmarkt in de VS

    In een historisch krappe arbeidsmarkt zijn in februari 4,4 miljoen werknemers in de VS van baan veranderd. Werkgevers namen 6,7 miljoen mensen aan, terwijl ze 11,3 miljoen vacatures hadden uitstaan, aldus een rapport van het Bureau of Labor Statistics dat deze week werd gepubliceerd.

    ‘We zien nog steeds een ongebruikelijke hoeveelheid beweging op de arbeidsmarkt’, aldus Erica Groshen, econoom aan de Cornell University en voormalig hoofd van het Bureau of Labor Statistics tegen The Washington Post. ‘We hielden allemaal onze adem in tijdens de ergste momenten gedurende de pandemie, maar dat is veranderd.’

    De nieuwste cijfers tonen dat een langere periode van economische dynamiek zich voortzet: vorig jaar creëerden Amerikaanse werkgevers een recordaantal van 7 miljoen banen. Alleen al in februari van dit jaar kwamen er 678.000 banen bij, waardoor het werkloosheidscijfer het historische dieptepunt heeft bereikt van 3,8 procent. De huidige omstandigheden sporen werknemers ook aan om gunstigere arbeidsvoorwaarden en hogere lonen te eisen.

    Lees ook:

  • Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Waarom kost dezelfde appel in de ene winkel meer dan in de andere? Die vraag stelt de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price. Want de echte prijs van een product – inclusief externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij – ligt vrijwel altijd hoger dan de winkelprijs.

    Eind 2020 zette de charmante Amsterdamse supermarkt De Aanzet een bord op straat met de tekst: ‘Welkom in de eerste supermarkt ter wereld met echte prijzen’. Binnen bleken steeds twee prijzen vermeld te staan bij aardappelen, paprika’s, bananen, broccoli, brood en allerlei andere levensmiddelen. De ‘normale’ prijs voor tomaten was 3,75 euro per kilo, maar de ‘echte’ prijs bedroeg 3,97 euro. Het verschil van 22 cent stond voor de verborgen kosten van de teelt en het vervoer van de tomaten – dus de kosten van de CO2-uitstoot, onderbetaling van arbeiders en water- en grondverbruik.

    Die echte prijzen waren berekend door de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price, al in 2012 opgericht door Michel Scholte en Adrian de Groot Ruiz. Deze twee vrienden, de een kampioen in universitaire debatwedstrijden en de ander een voormalig universitair docent finance, werken samen met allerlei bedrijven – een chocoladeproducent, een bakkerijketen, banken en modemerken – om van uiteenlopende artikelen de werkelijke prijs te kunnen berekenen. De samenwerking met De Aanzet was hun meest publieke project tot nu toe. De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze. Ze kunnen de normale en de werkelijke prijzen nu met elkaar vergelijken: als het verschil tussen die twee bij de ene appel 5 cent en bij de andere 50 cent is, is die eerste appel dus afkomstig van een producent die milieubewuster en meer sociaal verantwoord bezig is. De klant kan er dan voor kiezen om voor zijn product de echte prijs te betalen, waarna De Aanzet dat extra geld doorsluist naar projecten die de kwalijke gevolgen van die stille kosten proberen tegen te gaan.

    Scholte en de Groot Ruiz leerden elkaar zo’n vijftien jaar geleden kennen bij een universitaire debatclub. Scholte studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit en werkte als schoonmaker in de businesslounge op Schiphol. De Groot Ruiz studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vonden elkaar in hun belangstelling voor gedragseconomie, statistiek en de onderliggende structurele oorzaken van armoede en milieuvervuiling. Als tiener had De Groot Ruiz, die ook liefhebbert in de natuurkunde, met twee vrienden eens een techniek bedacht om energie te winnen uit de golfslag op zee. Toen kreeg hij te horen dat investeerders daar geen interesse in hadden omdat de ‘businesscase’ voor de ontwikkeling ervan zo onzeker is. Dat vond hij volstrekt irrationeel. De ware kosten van fossiele brandstoffen – het instorten van ecosystemen, stijgende zeespiegel, extreem weer – zijn uitzonderlijk hoog maar blijven buiten de boeken, zodat die brandstoffen in vergelijking met alternatieven onrealistisch goedkoop lijken.

    ‘Externaliteiten’

    In hun studietijd sloten de twee zich al aan bij de Nederlandse denktank Worldconnectors. Daar praatten ze met gelijkgestemden over wat economen wel ‘externaliteiten’ noemen: de externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij, die niet worden meegenomen in prijsberekeningen. Mettertijd kwamen ze zo op het idee voor hun ‘echte prijzen’. Politici blijken vaak niet bereid bedrijven regelgeving op te leggen die streng genoeg is om de maatschappelijke en milieukosten fundamenteel te verlagen. Maar het is wel mogelijk de omvang van die kosten te schatten en die informatie direct in de prijzen te verwerken. Dus lanceerden Scholte en De Groot Ruiz in 2012 True Price, om bij te dragen aan de totstandkoming van duurzamere productieketens. De hoop is dat als bedrijven en consumenten zich minder illusies maken over de werkelijke kosten, dat zal leiden tot aanpassing van hun uitgavenpatroon en hun verkoop- en productiemethoden.

    Lage prijs is illusie

    Maarten Rijninks, de eigenaar van De Aanzet, hoorde voor het eerst over ‘echte prijzen’ op een lezing die Scholte in 2018 gaf. Hij beschouwt het nu als een manier om iets te doen aan een kwalijke situatie die zo wijdverbreid is dat we haar niet eens meer als vreemd ervaren. ‘Als je nu in een gewone supermarkt iets koopt, is dat altijd goedkoper dan hetzelfde product in mijn winkel, dat biologisch geteeld en duurder is,’ zegt Rijninks. Maar die lage prijs is een illusie: die is alleen mogelijk als je de ware kosten van de productie negeert. ‘Als je de echte prijzen berekent, zijn ook mijn producten goedkoper,’ zegt Rijninks. Sinds hij dit systeem hanteert, is de omzet van zijn winkel met een procent of vijf gestegen. Veel klanten zeggen het te waarderen. ‘Het probleem is dat klanten niet de middelen hebben om hun maatschappelijke en milieutechnische impact te verminderen,’ zegt hij. ‘Het is niet dat ze het niet willen.’

    Rijninks zegt tegen zijn klanten dat het systeem nog een experiment in uitvoering is. Een onontkoombaar probleem is misschien dat de gegevens van True Price niet perfect zijn. De analisten van de organisatie gaan soms uit van regionale gemiddelden, die de precieze productieomstandigheden van een specifiek artikel niet altijd goed weerspiegelen. En de herstelprojecten die De Aanzet heeft uitgekozen zijn niet altijd even doelgericht, zodat een klant die de echte prijs betaalt voor een banaan misschien meebetaalt aan een irrigatieproject van een spinazieboer. De komende jaren hoopt Rijninks met buitenlandse leveranciers gerichtere projecten op te zetten en ook meer producten in het systeem op te nemen dan alleen brood en verse groente en fruit. In de loop van dit jaar wordt het systeem ook nog op een andere manier uitgebreid: een vereniging van biologische winkels wil in al haar vestigingen in Nederland een pilot met echte prijzen gaan uitvoeren.

    De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze

    In De Aanzet kunnen de klanten de echte prijzen zien, maar bij andere bedrijven worden die voor interne analyse gebruikt. Tony’s Chocolonely vroeg Scholte en zijn mensen in 2013 om de ware kosten te berekenen van cacao uit Ghana en Ivoorkust. Ze hebben toen gekeken naar acht vormen van externe milieukosten en zes soorten maatschappelijke kosten, waaronder lucht-, bodem- en waterverontreiniging, klimaatverandering, onderbetaling en kinderarbeid. In West-Afrika, waar de meeste cacao in de wereld vandaan komt, zijn de arbeidsomstandigheden berucht: volgens een onderzoek van de universiteit van Chicago uit 2020 zijn in de cacaoproductie in Ghana en Ivoorkust anderhalf miljoen kinderen werkzaam. De grote merken beloven wel dat ze het probleem zullen oplossen, maar kinderarbeid blijft in deze sector een probleem.

    Tony’s Chocolonely

    True Price probeerde de kosten van al deze externe effecten te berekenen en kwam voor 2013 uit op een gemiddelde echte prijs voor cacao van 14,17 euro per kilo. Het grootste deel van die prijs, namelijk 12,07 euro, gaat op aan die externe kosten. Tony’s Chocolonely deed al erg zijn best om cacao van eerlijke producenten te krijgen, zodat zijn gemiddelde echte kosten een stuk lager waren: 7,93 euro, waarvan 5,99 euro de maatschappelijke kosten waren. Toen Tony’s het in 2017 opnieuw liet doorrekenen, was de echte prijs gedaald tot 4,52 euro, waarvan 2,93 voor externe kosten. En al zijn deze kosten slechts een beredeneerde gok – dus niet echt ‘echt’ – Tony’s Chocolonely kon ze goed gebruiken om doelstellingen te formuleren en de geboekte vooruitgang te meten.

    Tony’s spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens

    Tony’s betaalt hoger dan gemiddelde prijzen voor cacaobonen, stimuleert efficiëntere en duurzamere landbouwtechnieken, heeft een initiatief opgezet om de grondstoffen in de productieketen te kunnen volgen en een systeem opgetuigd om toe te zien op het voorkomen van kinderarbeid. Het bedrijf spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens. True Price stelde vast dat de boerencoöperaties die producten aan Tony’s Chocolonely leveren meer winst maken, veiliger zijn en zich minder vaak aan kinderarbeid schuldig maken dan de gemiddelde leverancier in de sector. Als het bedrijf op deze voet doorgaat, kunnen de verborgen kosten van de chocola van Tony’s in de komende jaren het nulpunt bereiken.

    Om een concreet cijfer te plakken op de kosten van kinderarbeid of bodemerosie moet je eerst een hele serie aannames doen. Ten eerste moet True Price natuurlijk beslissen welke kosten er moeten worden berekend. Daarbij gaan ze uit van kosten die verband houden met schendingen van mensenrechten zoals vastgelegd door de VN, in internationale verdragen of andere breed gedragen kaders. In deze op mensenrechten gebaseerde benadering is True Price compromisloos: zo verwerpen ze principieel de gedachte dat het scheppen van banen, aandeelhouderswaarde of het gemak van de consument het ‘waard’ kan zijn om mensenrechten te schenden – waaronder ook het recht op een gezonde natuurlijke leefomgeving. Bedrijven die grondstoffen betrekken uit gebieden waar sprake is van kinderarbeid kunnen hun echte prijzen voor True Price alleen verlagen door te zorgen dat er minder kinderen betrokken zijn bij hun productieproces. Ze kunnen die kinderarbeid niet wegstrepen tegen andere gunstige effecten en zeggen dat het nettoresultaat positief uitvalt.

    Andere onderzoekers voeren vergelijkbare berekeningen uit. Zo heeft een team in Italië berekend dat de verborgen kosten van een kilo rundvlees, inclusief de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens, zo’n 19 euro per kilo bedragen. Dat wil zeggen dat de verborgen kosten van de rundvleesconsumptie alleen al in Italië zo’n 36,6 miljard euro per jaar bedragen. En onderzoekers van de Britse Sustainable Food Trust hebben diezelfde kosten voor hun land berekend: zo’n 116 miljard per jaar. Volgens een rapport uit 2021 van The Rockefeller Foundation op basis van onderzoek door True Price en wetenschappers van de universiteiten Oxford, Harvard, Cornell en Tufts bedragen de ware kosten van het hele voedselsysteem van de VS, als de verborgen kosten voor maatschappij en milieu eenmaal worden meegerekend, minstens 3,2 biljoen dollar per jaar – bijna driemaal zoveel als de ‘normale’ uitgaven aan voedsel van het land, die 1,2 biljoen bedragen.

    Hervormingen

    Driemaal de huidige prijs voor voedsel betalen is geen houdbare strategie voor consumenten, bedrijven of overheden. Maar er zijn andere manieren om met behulp van echte prijzen tot hervormingen te komen. De afgelopen tien jaar heeft de federale Amerikaanse overheid gemiddeld 16 miljard dollar per jaar aan landbouwsubsidies uitgegeven, met name voor de productie van soja, maïs, rijst en graan. Als het terugdringen van de echte kosten een voorwaarde wordt voor die subsidies, zou dat een prikkel voor producenten zijn om aan een paar van de meest funeste landbouwpraktijken een eind te maken. Net als bij supermarkt De Aanzet zou transparantie over de echte prijs dan tot verandering kunnen aanzetten.

    Alleen al praten over prijzen kan zijn nut hebben. Een product heeft geen ‘echte’ prijs in de objectieve zin waarin een element een atomaire massa-eenheid heeft. Maar de vragen die echte prijzen opwerpen zijn ook weer niet hopeloos subjectief. De meeste mensen zijn voorstander van een verbod op artikelen die geproduceerd worden in gevaarlijke omstandigheden door slaven en jonge kinderen.

    Eerlijke prijzen zijn ook rechtvaardige prijzen

    De analyses van True Price en andere deskundigen sporen ons aan om die redenering ook toe te passen op andere zaken: lonen die een bestaansminimum garanderen, bescherming tegen intimidatie, veilige arbeidsomstandigheden, duurzame productietechnieken enzovoort. In dat opzicht zijn eerlijke prijzen ook rechtvaardige prijzen: ze weerspiegelen ons morele besef dat we de mensenrechten en de natuur geen geweld mogen aandoen om goedkope artikelen te kunnen produceren. Mettertijd zal beter onderzoek ons nog meer inzicht geven in de kosten van het herstel van een ecosysteem waarin het grondwater door meststoffen is vergiftigd, of van het aanbieden van onderwijs aan boerenfamilies op het Ghanese platteland. Wat we nu al weten, is dat het weglaten van die kosten uit de prijsberekening betekent dat consumenten, overheden en bedrijven onjuiste informatie over de wereld krijgen voorgeschoteld. Dat is een vorm van liegen – over de natuur, over de economie en over elkaar.

  • VS: Walgreens plaatst advertentieschermen op koelkasten en vriezers

    VS: Walgreens plaatst advertentieschermen op koelkasten en vriezers

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Afrika: beschermd natuurgebied bestormd voor landbouwgrond

    » Colombia: voormalig hoofd van Clan del Golfo wordt uitgeleverd aan VS

    Schermen in plaats van deuren

    Walgreens en andere retailers in de VS hebben in duizenden winkels hun koelkasten en vriezers voorzien van ondoorzichtige deuren met iPad-achtige schermen. Deze schermen van de start-up Cooler Screens gebruiken bewegingssensoren en camera’s om te laten zien wat er achter de deuren zit. Daarnaast tonen ze productinformatie, prijzen, aanbiedingen en, het meest aantrekkelijk voor betrokkenen: betaalde advertenties. Adverteerders zijn er blij mee en de technologie levert de winkels extra inkomsten op, schrijft CNN.

    Walgreens begon in 2018 met testen van de schermen en heeft ze inmiddels geïnstalleerd op enkele duizenden locaties in het hele land. Ook bedrijven als Kroger, CVS, GetGo en tankstations van Chevron testen de Cooler Screens. Volgens de start-up zijn er nu ongeveer tienduizend schermen in winkels, die maandelijks door ongeveer 90 miljoen consumenten worden gezien.

    Bij klanten leiden de schermen echter tot grote irritatie. ‘Door die digitale schermen bij Walgreens moest ik eerst naar een advertentie kijken voordat ik wist waar de diepvriespizza’s lagen’, klaagde een boze klant op Twitter.

    Lees ook:

  • Duurzame mode bestaat niet

    Duurzame mode bestaat niet

    Iedere consument zou moeten weten dat er 7500 liter nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek. En dat de kledingindustrie een van de vervuilendste industrieën ter wereld is. Niet de voetafdruk maar de prijs bepaalt nog altijd het dwangmatige koopgedrag van het winkelend publiek.

    Onderzoek wijst uit dat de kledingindustrie haar ecologische voetafdruk moet verkleinen. Een verplichting die een ingrijpende verandering vereist van de productie- en marketingmethodes van de branche, maar ook van ons consumptiegedrag.

    De cijfers over de CO2-afdruk van de mode-industrie zijn het gesprek van de dag op Instagram en TikTok. De sector is goed voor 10 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgas. Het is waarschijnlijk een van de vervuilendste industrieën ter wereld, na de energie- en de voedingsmiddelensector. Iedere consument zou moeten weten hoeveel water er nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek: 7500 liter. De stranden van Ghana zijn vervuild door tonnen gebruikte kleding, terwijl de Atacama-woestijn in Chili een treurige reputatie geniet als gigantische dumpplaats van tweedehandskleding, het niet-gerecyclede overschot van de 59.000 ton aan kledingstukken die jaarlijks in de haven van Iquique arriveert. Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand. 

    Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand

    Het woord ‘duurzaam’ ligt tegenwoordig op ieders lippen. De Franse start-up Circle Sportswear, in 2019 opgericht door Romain Trébuil, maakt zijn kleding van ‘gerecyclede of recyclebare materialen’, waaronder lyocell, een stof die gemaakt is van cellulose. ‘Het milieu zo min mogelijk belasten, dat is de plicht van onze generatie,’ zegt Adrien Garcia, oprichter van de modesite Réuni die gespecialiseerd is in pre-orderverkoop. En om hun clientèle te behouden die haar consumptie steeds meer wil vergroenen, beginnen ook de grootste kledingfabrikanten en -distributeurs op het gebied van ‘fast fashion’ zich aan te passen.

    De Amerikaanse jeansfabrikant Levi’s heeft sinds april 2021 een nieuwe slogan: ‘Buy better, wear longer’. ‘Wereldwijd is de kledingconsumptie de afgelopen vijftien jaar verdubbeld. Dat kunnen we helpen veranderen door te mikken op betere kwaliteit,’ aldus de fabrikant van de 501 in een reclamespot. ‘We hebben het nu voor het eerst openlijk over duurzaamheid. Maar daar is onze bedrijfscultuur al meer dan dertig jaar op gericht,’ verzekert Diana Dimitian, adjunct-directeur van Levi’s Zuid-Europa. Het Spaanse Inditex, het grootste kledingbedrijf ter wereld, nodigt zijn klanten uit om hun oude kleding voor recycling in te leveren bij een van zijn acht ketens, waaronder Zara. Het Zweedse H&M, ook een grote speler op de fastfashionmarkt, heeft eveneens bakken neergezet die bestemd zijn voor recycling. Geef ons uw oude spijkerbroek in ruil voor een tegoedbon, aldus de distributeur van goedkope kleding.

    En alle grote merken verzekeren dat ze hun toevlucht zullen nemen tot minder vervuilende materialen. Inditex belooft vanaf 2023 in al zijn Zara-winkels alleen nog maar duurzame katoen aan te bieden en vanaf 2025 alleen nog linnen of gerecyclede polyester. H&M zal tussen nu en 2030 volledig overstappen op duurzame materialen. Het Duits-Nederlandse C&A gebruikt al meer dan tien jaar biokatoen, om ‘ons milieu, de katoenproducenten en hun leefomgeving te beschermen’. Het Japanse Fast Retailing belooft aanpassingen op het gebied van zijn beroemde gewatteerde Uniqlo-jacks; in 2020 heeft het merk een voor 100 procent gerecycled jack gelanceerd. Het moederbedrijf garandeert dat zijn CO2-uitstoot in 2050 zal zijn teruggebracht tot nul, en dat in 2030 de helft van de kleding deels van gerecyclede vezels zal worden gemaakt.

    Taboeonderwerp

    Het meest luxe en modieuze segment blijft niet achter. Het LIFE-programma van de Franse groep LVMH (Louis Vuitton Moët Hennessy) richt zich met name op de strijd tegen klimaatverandering en belooft een groter beroep te zullen doen op de kringloopeconomie, terwijl Kering (met onder andere Balenciaga, Brioni, Gucci en Yves Saint Laurent) zegt zich ‘vooral op de aanvoerketen te concentreren’, omdat ‘het behoud van de biodiversiteit en het verkleinen van onze ecologische voetafdruk beginnen bij het “sourcen” van grondstoffen’.

    Toch gaan er steeds meer stemmen op, onder meer van Maxine Bédat van de Amerikaanse denktank New Standard Institute, die zeggen dat dit allemaal niet genoeg is. ‘Omdat duurzame mode geen kwestie van grondstoffen is,’ verduidelijkt Guillaume Declair, medeoprichter van het Franse merk Loom. ‘De hele sector geeft hoog op van de kringloopeconomie en het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Maar als je ziet hoe weinig van alles wat er wordt verkocht gerecycled is, is kringloopmode geen oplossing. Er is een paradigmaverschuiving nodig, een andere manier van produceren,’ meent Elisabeth Laville, oprichter van het adviesbureau Utopies, dat bedrijven begeleidt bij de transitie naar een duurzame toekomst.

    Akkoord van Parijs

    Om zich te houden aan het Akkoord van Parijs van 2015, dat bepaalt dat de gemiddelde temperatuur van de planeet ten opzichte van het pre-industriële tijdperk met niet meer dan 2 graden mag stijgen, zou de kledingproductie tot 2050 met twee derde moeten worden teruggebracht. Maar welk merk is bereid om zijn productie en verkoop te verminderen? Om zich van zijn gematigde kant te laten zien? ‘De groei van het aantal verkochte producten blijft de norm,’ zegt Dimitri Caudrelier, algemeen directeur van adviesbureau Quantis; hij pleit ervoor ‘vraagtekens te zetten bij de businessmodellen van de industrie’. Volgens deze specialist op het gebied van de klimaatstrategie van bedrijven ‘is het onderwerp volume 
    nog altijd taboe in de bedrijfstak’.

    Dat blijkt wel uit het Fashion Pact dat in 2019 werd ondertekend op instigatie van de Franse president Emmanuel Macron, na de G7-top in Biarritz. Meer dan tweehonderd internationale merken zegden toe ‘hun gebruik van milieuvriendelijke materialen tot 2025 met 25 procent te verhogen, en hun gebruik van duurzame energie tot 2025 met 50 procent en tot 2025 met 100 procent’. De overige afspraken gaan over biodiversiteit en de bescherming van de oceanen ‘door beperking van de hoeveelheid plastic verpakkingsmateriaal’. Tot de ondertekenaars behoorde een aantal luxe merken, zoals Chanel, Saint Laurent en Gucci, maar ook merken voor een groter publiek, zoals Adidas, Decathlon, Mango en H&M.

    ‘Maar het Fashion Pact rept met geen woord van fast fashion,’ zegt Elisabeth Laville. ‘Die term komt niet eens in de tekst voor. Dit pact is hooguit een poging om de milieu-impact van fast fashion te beperken. Het lijkt wel of ze hun economische model willen bestendigen zonder er vraagtekens bij te zetten. Dat is ontoelaatbaar,’ zegt ze, verwijzend naar ‘de grote jongens die hun businessmodel niet willen loslaten, ook al is het achterhaald’. Oftewel de grootschalige productie in lage-lonenlanden en de permanente vernieuwing van hun winkelcollecties.

    Ook bij Quantis leeft ergernis. ‘Leidt het Fashion Pact tot een vermindering van de ecologische voetafdruk? Ja, dat is het voornaamste doel. Maar tot een volumeverlaging? Nee,’ zegt Dimitri Caudrelier geïrriteerd. Alma Dufour, woordvoerder van de Franse milieu- en mensenrechtenbeweging Amis de la Terre, noemt het Fashion Pact ‘de grootste grap van de sector. Wie kan geloven dat ze hun CO2-uitstoot zullen reduceren door het gebruik van meer biokatoen en meer ledlampen in hun winkels?’ 

    Prijs bepaalt

    Wat moet er dan gebeuren? De kleding-productie terugverhuizen naar Europa? ‘Door in Frankrijk te produceren in plaats van in China kunnen we de CO2-voetafdruk van de kledingindustrie halveren,’ stelt het Franse verbond van kledingproducenten. Op papier heeft ‘made in France’ alleen maar voordelen. Sommige Franse producenten hebben hun productie al terugverhuisd, in navolging van FashionCube, een groep kledingmerken van het Franse familiebedrijf Mulliez dat afgelopen februari een jeansfabriek heeft geopend in de buurt van de Noord-Franse stad Tourcoing.

    Maar veel Franse merken lopen tegen aanvoerproblemen op. ‘De nationale leveranciers van onze basismaterialen blijven in gebreke,’ zegt een vertegenwoordiger van een confectiebedrijf. Bovendien bieden niet alle sectoren van de kledingmarkt ruimte voor de extra kosten van productie in eigen land. Zo kosten de jeans van FashionCube in Tourcoing 60 euro, wat tweeënhalf keer zo duur is als de gemiddelde vrouwenjeans die in Frankrijk worden verkocht.

    Kunnen we nu zeggen dat de duurzame mode is aangepast aan de economische realiteit van de kledingmarkt? Want de keus van de consument wordt nog altijd bepaald door de prijs. Voor 41 procent van de Fransen is de prijs het eerste aankoopcriterium, terwijl maar 4 procent de voorkeur geeft aan het ecologische en ethische aspect. Tweedehandskleding, die vaak als een middel tegen milieukwalen wordt gezien, ontsnapt niet aan dit fenomeen: 70 procent van de Fransen koopt die om economische redenen.

    Dat is niet erg, volgens Elisabeth Laville, die voorspelt dat de prijs ‘geen obstakel zal zijn voor een duurzamer aankoopgedrag’. Als we haar mogen geloven, zou in de toekomst ‘om zowel economische als ecologische redenen’ kunnen worden gekozen voor een duurzamere modeconsumptie, zoals dat op vervoersgebied met autodelen gebeurt. Alles zou in dat geval afhangen van de mate waarin het consumptiegedrag kan worden aangepast.

    Overconsumptie

    Eenvoudig zal dat niet zijn. Want de goedkope mode heeft ons gedrag ingrijpend veranderd. De marketingmethodes van de fast fashion op sociale media zetten ertoe aan om te kopen zonder rekening te houden met je behoeften, dus tot overconsumptie. En de neurowetenschap heeft aangetoond hoezeer die methodes ons zelfbeeld strelen en onze dopamine, het hormoon van de onmiddellijke behoeftebevrediging, activeren. Onze hersenen ‘zijn een vijand van de planeet’, oppert neurowetenschapper Sébastien Bohler in zijn essay Le bug humain. 

    Er moet een remedie komen tegen ‘dwangmatig koopgedrag’, zegt Dimitri Caudrelier. En een manier om de consumenten te genezen van de boulimie die zich van hen meester kan maken wanneer ze de Primark binnenlopen, het Ierse merk dat ‘ongelooflijke mode voor ongelooflijke prijzen’ belooft, of wanneer ze op de Chinese site Shein klikken, het walhalla voor pubers.

    Diverse milieubewegingen beijveren zich ervoor de sector aan banden te leggen. Zo bepleit Greenpeace een verbod op reclame die schadelijk is voor het milieu ‘door het creëren van kunstmatige waarden, zoals het associëren van koop- en consumptiegedrag met zelfverwezenlijking en plezier’. Het collectief En Mode Climat, afkomstig uit de Franse kledingsector zelf, dringt ook aan op ‘bestraffing van strategieën die de consumptie sterk aanwakkeren’. Bijna vierhonderd Franse kledingbedrijven hebben zich aangesloten bij deze in 2021 opgerichte beweging, die ‘meer regulering’ eist en voorstelt de huidige Franse milieubijdrage van 6 cent per kledingstuk te verhogen tot 5 euro in 2025 voor de vervuilendste kledingmerken.

    Zijn dit allemaal zoete dromers in een gemondialiseerde sector? De Ellen MacArthur Foundation, opgericht door en vernoemd naar de voormalige Britse zeilster, pleit voor een andere weg, die van de persoonlijke kringloopeconomie: ze roept consumenten op te dragen wat ze in hun kast hebben hangen of liggen. Vaker en langer.