Onderwerpen: Klimaat

  • Klimaatactivisten richten hun pijlen op burgers: ‘Niet u maar uw auto is ons doelwit’

    Klimaatactivisten richten hun pijlen op burgers: ‘Niet u maar uw auto is ons doelwit’

    Klimaatactivisten zijn de laatste jaren steeds irritanter geworden, schrijft journalist Karl Mathiesen. Hij ging op pad met een anarchistisch collectief dat banden van vervuilende SUV’s laat leeglopen. Zouden extremere vormen van geweld de volgende stap kunnen zijn?

    Claude houdt de wacht op de donkere, glimmende straat terwijl Samuel gehurkt een groene linze in het ventiel van de band van een SUV duwt. ‘Natuurlijk worden ze kwaad,’ zegt Claude. Een uur later staat het voertuig met een lekke band tegen de stoeprand. Als de nacht op z’n einde loopt heeft de Belgische cel van de Tyre Extinguishers – een los collectief van anarchistische klimaatactivisten – 194 SUV’s in Brussel en het nabijgelegen Gent ‘ontwapend’, zoals ze zelf zeggen.

    ‘Ze moeten niet denken dat ze een grote auto kunnen kopen en gewoon van het leven kunnen genieten en negeren wat er in de wereld gebeurt,’ legt Claude me uit. Ik mag mee met hun nachtelijke expeditie op voorwaarde dat ik Claude en zijn twee handlangers vermeld onder gefingeerde namen. De voertuigen worden niet beschadigd, maar de banden moeten worden opgepompt of verwisseld. Voordat hij ervandoor gaat, plakt Claude een foldertje op de voorruit met de Franse tekst: ‘Vat het niet persoonlijk op. Niet u maar uw auto is ons doelwit.’

    Als je op aarde woont, is het je misschien opgevallen dat activisten tegen klimaatverandering de laatste jaren steeds irritanter zijn geworden. Ze besmeuren meesterwerken met soep, leggen voetbal- en tenniswedstrijden stil, sluiten snelwegen en tankstations af of ze hebben meer dan elfduizend SUV’s in zeventien landen wereldwijd onklaar gemaakt, zoals de Tyre Extinguishers beweren, die hun opdrachten via een geanonimiseerde website krijgen.

    Ik ontmoet Claude en zijn vrienden en ben getuige van een nieuwe ontwikkeling in het klimaatactivisme. Een kleine maar belangrijke tak van de groene beweging is een grens over gegaan: niet alleen bestuurders van bedrijven in fossiele brandstoffen en politici zijn het doelwit, activisten zoals Claude mikken nu ook op burgers.

    Doodsbang

    Claude en zijn maten zien hun acties als hinderlijk, zeker, maar ook als onderdeel van een existentiële strijd. Het is de volgende noodzakelijke stap nadat normale democratische handelingen als stemmen, vreedzaam protesteren, lobbyen en desinvesteren zijn uitgeput. Westerse regeringsambtenaren mogen zich dan op de borst kloppen met de recente toename van de klimaatuitgaven en -wetgeving, maar activisten zien investeringen in kolencentrales of de uitbreiding van de olie- en gasproductie als bewijs dat de mensheid op haar eigen ondergang blijft afstevenen. ‘Ik snap niet dat je het niet ziet,’ zegt Claude. Wat betekenen een paar lekke banden nou tegenover een klimaatcrisis die het einde van de beschaving kan betekenen?

    ‘Het is echt tijd om wakker te worden,’ zegt Margaret Klein Salamon, directeur van het in de VS gevestigde Climate Emergency Fund (CEF), dat sinds zijn oprichting in 2019 miljoenen dollars heeft doorgesluisd naar 95 groepen die zich wijden aan ‘disruptief activisme’. ‘Ik zie hen als activisten die ons door elkaar schudden, die alles proberen wat ze maar kunnen bedenken en zichzelf blootstellen aan aanzienlijke risico’s – ze doen het omdat ze doodsbang zijn.’

    Benaderingen als die van Claude versterken een opvatting die al langer leeft bij sommige wetshandhavers, academici en onderdelen van de groene beweging, namelijk dat dergelijke escalatie onvermijdelijk is. Als activisten er echt klaar mee zijn om instemming van het grote publiek te krijgen, wat weerhoudt hen er dan van om van deze ietwat klunzige stunts over te stappen op iets ernstigers? Gevallen van brandstichting en sabotage duiken steeds vaker op. Zouden extremere vormen van geweld de volgende stap kunnen zijn?

    ‘De beweging zoekt steeds vaker de confrontatie,’ zegt Jamie Henn, een Amerikaanse activist, organisator en medeoprichter in 2007 van de klimaatgroep 350.org. ‘Borden met gevatte teksten tijdens demonstraties zullen Exxon er niet toe brengen fossiele brandstoffen in de grond te laten zitten, dus mensen zoeken andere manieren om druk uit te oefenen. En dan zijn er altijd ook nog jonge mensen die op erger uit zijn.’

    Auto’s met kinderzitjes, stickers van invaliden of andere medische indicaties laten ze ongemoeid

    Het maken van mijn afspraak met de Tyre Extinguishers verloopt een beetje geheimzinnig: verborgen telefoonnummers, gecodeerde e-mails en codenamen. Maar Claude en zijn kleine bende zijn geen hardcore militanten – althans, nog niet.

    Op straat nemen ze nogal amateuristische voorzorgsmaatregelen, zoals gezichtsbedekking (die vaak afzakt) en ze gebruiken bepaalde signalen voor het geval agenten of boze autobezitters opduiken. Claude erkent dat wat ze doen ‘gevaarlijk kan zijn voor mensen, omdat ze een ongeluk zouden kunnen krijgen’. De flyers die hij op de voorruit plakt verklaren niet alleen de acties van de groep, maar dienen ook als waarschuwing voor mensen die anders met een lekke band zouden wegrijden. Auto’s met kinderzitjes, stickers van invaliden of andere medische indicaties laten ze ongemoeid.

    Het doel van de Tyre Extinguishers is om SUV-bezit sociaal gezien onwenselijk te maken, om het symbool van rijkdom, comfort en macht aan te tasten. De enorme voertuigen zijn immers een van de grootste aanjagers van de toename van CO2-uitstoot. Volgens het Internationaal Energieagentschap maakten SUV’s in 2022 46 procent uit van de wereldwijde verkoop van nieuwe auto’s – een record. Door hun omvang zijn ze 20 procent minder energie-efficiënt dan een gewone auto en aanzienlijk gevaarlijker voor voetgangers. De Tyre Extinguishers willen bezitters tegenwerken door ervoor te zorgen dat ze ’s ochtend niet weg kunnen rijden.

    De website van de groep lijkt te worden beheerd door een Britse groep die in 2021 aanvallen op SUV’s in het Verenigd Koninkrijk opeiste. De site moedigt iedereen aan om hun campagne over te nemen. ‘We hebben geen leider’, staat er. Het idee zelf is gestolen: het is een reprise van de activiteiten van een Zweedse groep – de Indianen van de Betonnen Jungle – die in 2007 claimde tijdelijk de SUV-verkoop in hun land verminderd te hebben.

    Een van de leden van die groep was Andreas Malm, een academicus wiens boek How to Blow up a Pipeline uit 2021 een nieuwe golf van activisten stimuleerde. Die willen verder gaan dan protesten en sit-ins; ze willen de machines aanvallen die klimaatverandering veroorzaken. (Een speelfilm gebaseerd op het boek kwam op 7 april uit in de Verenigde Staten.) In zijn boek, dat meer een manifest is dan een handleiding, daagt Malm de doorgaans vreedzame groene beweging uit omdat die geweldloosheid belangrijker vindt dan de urgente zaak waarvoor ze strijdt.

    De boodschap van Malm vond weerklank bij activisten die niet langer om protestmarsen geven. Greta Thunberg inspireerde de schoolstakingen die tussen 2018 en 2020 miljoenen jongeren op de been brachten, maar dat is voorbij. ‘We proberen ons te verzetten tegen het gevoel een nederlaag te lijden, en dat brengt ons hier,’ zegt Dominika Lasota, een Poolse activist en een van de leiders van Fridays For Future, een protestbeweging voor het klimaat. ‘Corona heeft de boel echt lamgelegd,’ zegt Klein Salamon. ‘Earth Day 2020 had de grootste milieudemonstratie in de geschiedenis moeten worden. En in plaats daarvan werd het een livestream.’

    Avondje uit

    Groepen als de Tyre Extinguishers lopen een relatief laag risico voor hun betrokkenheid bij wat activisten direct action noemen. Hun doel is nobel. Maar het is ook een avondje uit – een vrolijke bijkomstigheid bij hun wetteloze streken. Zwervend door de straten van Ukkel, een welvarende zuidelijke Brusselse voorstad, laten Claude en zijn vrienden een vreugdekreet horen als ze een Tesla zien. Nee! Twee Tesla’s zelfs! Het duurt niet lang of de accu-auto’s zakken sissend ineen.

    Op de website van de Tyre Extinguishers staan regels die vermelden wat wel of niet mag. Het aanpakken van dure elektrische voertuigen wordt gezien als koosjer, vanwege de schade die wordt aangericht door de winning van kostbare mineralen voor hun accu’s. Claude legt uit dat alle grote auto’s onaanvaardbaar zijn. ‘Het zijn gewoon rijke mensen die doen alsof ze in duurzaamheid geloven,’ zegt hij over Tesla. Een paar minuten later, net als hij een auto wil voorzien van een folder, beweegt een man in een nabijgelegen huis voor zijn riante raam. De groep loopt snel weg, wat er behoorlijk verdacht uitziet.

    Een paar straten verder gebeurt het opnieuw. Terwijl de vermoedelijke eigenaar van een beoogde SUV uit zijn raam staart, op enkele meters afstand van mij, is er dit keer geen tijd om een folder op de voorruit te plakken. De groep wijkt uit naar andere delen van de stad.

    Het oranje poeder bevlekte het groene biljartlaken terwijl de commentator zei: ‘Vreselijke, echt vreselijke taferelen hier’

    De spanning tussen geweldloosheid en strijdlust is zo oud als protesteren zelf. Maar de vraag hoe de milieuvervuilers moeten worden aangepakt, heeft door de escalerende klimaatcrisis nu urgentie gekregen. Als het irriteren van het publiek uitloopt op een mislukking, hoe moeten de Tyre Extinguishers, of anderen zoals zij, dan verder gaan?

    Een iconisch moment in deze nieuwe golf van protest-door-irritatie vond afgelopen oktober plaats, toen twee Britse activisten van de groep Just Stop Oil internationaal het nieuws haalden door in de National Gallery in Londen Heinz-tomatensoep over Vincent van Goghs Zonnebloemen te sproeien. De publieke woede die daaruit voortvloeide was niet onverwacht, zegt James Skeet, een woordvoerder van de groep. Die was exact de bedoeling. ‘Als je geen miljoenen kijkers hebt, kom je niet in de buurt van belangrijke maatschappelijke veranderingen.’ Hij wijst erop dat het publiek er nauwelijks aandacht aan besteedde toen de groep een reeks olieterminals aanviel. Maar een video van de Van Gogh-actie, gemaakt door Guardian-journalist Damian Gayle, werd op Twitter al meer dan vijftig miljoen keer bekeken.

    Voor veel van deze groepen is oranje de favoriete kleur: opzichtig en onmogelijk te negeren. Op maandag 1 mei sprong een demonstrant van Just Stop Oil op een biljarttafel tijdens de wereldkampioenschappen snooker in Sheffield en overgoot zichzelf met een gekleurde stof, als een gelovige op het hindoeïstische Holi-festival. Het oranje poeder bevlekte het groene biljartlaken terwijl de commentator zei: ‘Vreselijke, echt vreselijke taferelen hier.’

    Toen de beruchte protestgroep Extinction Rebellion in het weekend van 29 april een vreedzame mars hield in Londen, bestond de media-aandacht daarentegen uit radiostilte. ‘Je moet ontregelen of je bestaat niet’, schreef Roger Hallam, een van de oprichters van de groep, op Twitter. ‘Soms biedt het leven je maar twee opties.’

    Elders zijn milieudemonstraties al geëscaleerd. Recente protesten in Frankrijk tegen de aanleg van waterreservoirs voor de landbouw, die volgens critici ten onrechte bedrijven zouden bevoordelen, gingen gepaard met brandstichting, sabotage en botsingen tussen demonstranten en de politie. Claude, de Tyre Extinguisher, was aanwezig bij een recente botsing met de politie waarbij een activist in coma raakte.

    Een langdurige strijd over de uitbreiding van een netwerk van kolenmijnen in het noordwesten van Duitsland was aanleiding voor sabotage en aanvallen op voertuigen en politie. In 2020 werd een graafmachine op een bouwterrein van energiebedrijf RWE in brand gestoken. In januari verklaarde een anonieme auteur op het linkse blog indymedia.org dat ‘twee strategisch geplaatste brandbommen’ een kolentrein in Keulen onklaar hadden gemaakt. ‘Onze actie is onderdeel van een militante campagne tegen de wereldwijde klimaatvernietiging’, aldus de schrijver. ‘RWE verdient niets anders dan onze grootste haat!’ RWE weigert commentaar te geven op het bericht of te bevestigen dat de aanval heeft plaatsgevonden en verwijst voor vragen door naar de politie.

    Een verband met klimaatactivisme is ‘aannemelijk’, zegt Andreas Müller, woordvoerder van de politie van Aken. Hij bevestigt dat er brandbommen zijn geplaatst op spoorweginfrastructuur van RWE, maar wil verder geen details geven, behalve dat er geen arrestaties zijn verricht. ‘Sommige groepen worden in de gaten gehouden door de overheid.’.

    Een woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen noemt de Ende Gelände-beweging een ‘scharnier’ tussen uiterst linkse ‘extremistische gewelddadige criminelen’ en de democratische protestbeweging. Tussen 2019 en 2022 werden bij de kolenmijnen 43 brandstichtingen, 25 gevaarlijke acties rond het treinverkeer en 216 incidenten met materiële schade geregistreerd, aldus de regering.

    Drijvende kracht

    Ende Gelände wijst het etiket ‘extremisme’ af. Maar eind april zei de groep in een tweet – die later werd verwijderd – dat het nodig zou zijn ‘de democratie af te schaffen’ om de klimaatcrisis aan te pakken. De afgelopen maanden overschaduwde een andere groep, Letzte Generation, zowel Fridays For Future als Ende Gelände als de luidruchtigste, meest disruptieve kracht in het Duitse klimaatactivisme.

    Veel ‘mainstream’ activisten zien dergelijke groepen als een drijvende kracht die de rest van de beweging kan helpen haar doelen te bereiken. Malm wijst erop hoe de Amerikaanse burgerrechtenleider Martin Luther King Jr. de dreiging van zwarte militanten als Malcolm X benadrukte om zijn zaak te bepleiten. Activisten die opkwamen voor het vrouwenkiesrecht demonstreerden niet alleen, ze sloegen ook ruiten in, goten zuur in stembussen en streden met bommen en brandstichting; één activist viel zelfs de jonge Winston Churchill aan en bewerkte zijn gezicht met een hondenzweep.

    ‘We moeten niet vergeten dat zowel de wet als de praktijk in het verleden altijd werd veranderd door burgerlijke ongehoorzaamheid,’ zegt Michel Forst, de speciale VN-rapporteur voor milieuactivisme. ‘Ik heb veel jonge mensen ontmoet die me vertelden dat ze de wet overtreden omdat de noodtoestand dat vereist (…) Ik zie dat niet als iets onwettigs.’ De strenge antiprotestwetten die Italië en Groot-Brittannië hebben voorgesteld als reactie, hebben juist bij breder links de steun voor activisten aangewakkerd. In Duitsland hebben tientallen linkse en groene groeperingen – waaronder reguliere ngo’s als BUND en Oxfam – een brief ondertekend waarin de regering wordt veroordeeld omdat zij Ende Gelände als extremistisch aanmerkt.

    De Amerikaanse filantropische gemeenschap, die een groot deel van de wereldwijde klimaatbeweging financiert, wordt niet afgeschrikt door militante acties. Mogelijk heeft de tactiek van groepen als Ende Gelände, Letzte Generation en Just Stop Oil hen juist nog aantrekkelijker gemaakt voor een bepaald type financier. Deze drie organisaties plus acht andere hebben zich verenigd in het A22-netwerk, dat zichzelf verplicht tot voortdurende ‘massale burgerlijke ongehoorzaamheid’. Ze worden gefinancierd door het Climate Emergency Fund (CEF), dat vorig jaar naar eigen zeggen 5,3 miljoen dollar doneerde aan ‘organisaties die de waarheid vertellen, de normale gang van zaken verstoren en met spoed om verandering vragen’.

    Het CEF werd opgericht door Aileen Getty, erfgename van Getty Oil. Twee andere grote donoren zijn Rory Kennedy – het jongste kind van Robert Kennedy, de voormalige Amerikaanse procureur-generaal en senator die in 1968 werd vermoord – en filmregisseur Adam McKay. Samen vertegenwoordigen zij de drie-eenheid van de liberale Amerikaanse schuld: Big Oil, Big Politics en Hollywood.

    Het CEF is een gereguleerde liefdadigheidsinstelling in de VS, wat betekent dat het wetsovertredingen niet rechtstreeks mag financieren. ‘Het Climate Emergency Fund geeft geen steun aan sabotage,’ zegt Klein Salamon. ‘Wij financieren alleen legale activiteiten.’ Ze wijst op de eis dat activisten een geweldloze training moeten volgen. Toch hebben groepen die geld van haar ontvangen openlijk de wet overtreden. Op de website van Just Stop Oil staat het onderdeel ‘Rechtbank en gevangenis’, dat ook dienstdoet als hall of fame voor tientallen activisten die trots de gevangenis ingingen voor hun kattenkwaad. ‘Feitelijk hebben we aan sabotage gedaan,’ zegt Skeet.

    Afkerig

    Sommige leden van de Tyre Extinguishers gaan al verder dan lekke banden. In de Britse stad Bristol werd de Range Rover van Chris Bailey begin april auto bespoten met de tekst ‘THIS MACHINE KILLS KIDS’. Drie weken daarvoor waren zijn banden al eens lek gestoken. Hoewel hij het ermee eens is dat de opwarming van de aarde een ernstig probleem is, zegt Bailey tegen lokale media dat de daders ‘klimaatverandering een negatieve connotatie geven’ en mensen ‘zeer afkerig maken van de beweging’.

    Ondertussen vindt Claude in Brussel juist dat de klimaatbeweging radicaler moet worden. De dag nadat ik met de Tyre Extinguishers door de verduisterde straten van de stad rende, ontmoeten Claude en ik elkaar in een café op een hip plein waar Brusselse studenten elk weekend feest vieren.

    Claude vertelt tussen de vijfentwintig en vijfendertig jaar oud te zijn en is een nieuwkomer als activist. Drie jaar geleden gloorde een carrière in het bedrijfsleven. ‘Er werd mij een grote baan in een groot bedrijf aangeboden.’ Toen las hij het boek How Everything Can Collapse van theoretici Pablo Servigne en Raphaël Stevens, die stellen dat de milieuproblematiek onze beschaving binnenkort de vergetelheid in kan drijven. Tien dagen later nam hij ontslag. ‘Ik wil geen spijt hebben,’ zegt hij. Hij kiest voor frisdrank terwijl ik een biertje neem. ‘Als het fout gaat, oké, dan heb ik gedaan wat ik kon. Dat is hoe ik erover denk. Ik maak deel uit van een generatie die bereid is verder te gaan.’

    Maar wat betekent dat concreet? Zou hij iemand kwaad doen? ‘Ik zou nooit iemand vermoorden. Ik vind niet dat ik aan gewelddadige acties heb deelgenomen. En ben dat ook niet van plan.’ Hoe zit het met dingen opblazen of andere vormen van sabotage? ‘Voor mij is sabotage geen geweld want het is niet gericht op mensen… Dus ja, aan sabotage kan ik probleemloos meedoen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Ik denk dat het belangrijk is om de regering en bedrijven te laten zien dat als onze acties niet genoeg zijn om hen in beweging te krijgen, we bereid zijn om nog verder te gaan’

    Hoeveel van hen vragen zich in het café bij jou in de buurt af hoe ver ze bereid zijn te gaan?

    Misschien is het bluf. Het is makkelijk om dreigende teksten uit te slaan tegen een verslaggever die je echte naam niet eens kent. Maar bedenk eens: vijf jaar nadat Thunberg miljoenen jonge mensen warm maakte voor klimaatactivisme, is een aanzienlijk aantal van hen gedesillusioneerd geraakt over normale manieren van protesteren, maar nog wel net zo boos en bang als destijds. Hoeveel van hen vragen zich in het café bij jou in de buurt af hoe ver ze bereid zijn te gaan? Kolenmijnen, snelwegen, SUV’s, snookerwedstrijden, metrostations, meesterwerken in musea – de lijst is al lang. Hoelang zal het duren voordat iedereen, alles, overal een potentieel doelwit wordt voor disruptie of zelfs geweld? Het zijn vragen die nog onheilspellender worden als ik hem een uur na mijn drankje met Claude opnieuw tegen het lijf loop: de would-be eco-militant die me in de supermarkt onheilspellend aanstaarde in het gangpad met bier.

    Lees ook:

  • De winterdroogte is een keerpunt voor Frankrijk: de kraan gaat dicht

    De winterdroogte is een keerpunt voor Frankrijk: de kraan gaat dicht

    ‘Winterdroogte’ noemen ze het schrijnende gebrek aan water waar Frankrijk dit jaar al vroeg mee kampt. Er is een noodplan, dat voornamelijk uit waterbesparingen bestaat, zoals het beperken van particulier verbruik. Maar wat zijn de langetermijnoplossingen?

    Toen Christelle Palasse enkele weken geleden de haren van haar klanten wilde wassen, hield het water plotseling op. ‘Toen ik mijn handen waste stroomde er slechts een dun straaltje uit de kraan, en daarna kwam er helemaal niets meer uit,’ zegt de kapster uit het dorpje Arlanc in het midden van Frankrijk. Palasse klinkt opgewonden aan de telefoon en ook een beetje boos. ‘Ik wist dat het water bij ons schaars is, maar dat er nu helemaal niets is… in wat voor land wonen we?’ Ze werkt al dertig jaar in haar salon en heeft altijd genoeg water gehad voor het wassen en kleuren. ‘Ik had nooit gedacht dat we in Frankrijk met deze ellende te maken zouden kunnen krijgen.’

    De mensen in Frankrijk beleven zo’n uitzonderlijke situatie dat ze er zelfs een nieuw woord voor hebben gevonden: winterdroogte. De rivieren staan niet in de zomer droog, maar reeds in februari. In veel delen van het land heeft het al meer dan vijf weken niet geregend. Ondertussen luidt de regering dagelijks de noodklok met persconferenties en interviews over de watersnood. De minister van Milieu en Klimaatverandering, Christophe Béchu, heeft de prefecten opgeroepen het particuliere waterverbruik ‘zonder aarzelen’ te beperken.

    Frankrijk loopt erg achter

    De Franse senator François Bonhomme wilde weten welke maatregelen de regering beoogt om het hergebruik van afvalwater te bevorderen. Volgens hem wordt de techniek die het mogelijk maakt om afvalwater te recycleren en daarmee de zoetwaterconsumptie te beperken nog te weinig toegepast in Frankrijk. Slechts 1 procent van het afvalwater wordt gerecycleerd, ‘tegen 90 procent in Israël, 20 procent in Spanje en 8 procent in Italië’. In 2020 heeft de regering op een jaarlijkse waterconferentie het belang van het hergebruik bevestigd en verklaard voornemens te zijn om de hoeveelheid onconventioneel water tussen dan en 2025 te verdriedubbelen.

    Het aantal projecten in Frankrijk dat sinds 2017 experimenteert met het hergebruik van behandeld afvalwater voor irrigatie neemt toe, maar het laat nog altijd te wensen over. Natuurlijk, schrijft de senator, ‘heeft de wet van 10 februari 2020 inzake de strijd tegen verspilling en de circulaire economie het gebruik van nieuwe toepassingen van behandeld afvalwater mogelijk gemaakt, met name voor stedelijke doeleinden (reiniging van straten en wegen, brandweerdoeleinden, hogedrukreiniging van netwerken, kunstmatige aanvulling van grondwater), maar hooguit voor een periode van vijf jaar en op te beperkte schaal’. Met 8,4 miljard kubieke meter behandeld afvalwater per jaar in grootstedelijk Frankrijk, aldus het Franse Studie- en Expertisecentrum Cerema, is er toch een aanzienlijk potentieel.

    Aan banden gelegd

    In de regio van kapster Palasse is het watergebruik al sinds afgelopen zomer aan banden gelegd. Sindsdien mogen de bewoners hun tuinen niet meer besproeien, geen auto’s meer wassen en geen privézwembaden meer vullen – nog steeds relatief onschuldige verboden, maar ze brengen de bevolking in beroering. Palasse vertelt hoe zij en vele anderen dagelijks in de rij staan bij de supermarkt in het stadje om waterflessen in te slaan. Je weet maar nooit.

    Arlanc heeft evenals veel andere steden zijn fonteinen, die populair zijn bij toeristen, stopgezet. In de stad Saint-Zacharie, op 30 kilometer van Marseille, heeft geen van de zestien fonteinen sinds mei vorig jaar gedraaid. Het is onwaarschijnlijk dat ze het komende seizoen weer gaan sproeien: minister Béchu waarschuwde dat Frankrijk hoogstwaarschijnlijk een nog drogere zomer tegemoet gaat dan in 2022.

    Sommige gemeenten leggen nu al verdere verboden op om de noodtoestand het hoofd te bieden. Zo mogen in Fayence in Zuid-Frankrijk geen particuliere zwembaden meer worden aangelegd, en dat in een regio waar bijna elk huis in sommige wijken er een heeft: in totaal negentigduizend particuliere zwembaden in Fayence. Andere gemeenten zijn nog verder gegaan en hebben besloten gedurende minstens vier jaar helemaal geen nieuwe bouwvergunningen meer af te geven, zelfs niet voor huizen of flats. Hun argument is dat de huidige bevolking nu al nauwelijks van voldoende water kan worden voorzien.

    ‘De dorre zomer van 2022 heeft iedereen opgeschrikt’

    Tot nu toe heeft Frankrijk echter nog geen plan voor de aanpak van deze en toekomstige droogtes op de lange termijn. In sommige gemeenten – zoals in Arlanc – wordt het water ‘s nachts afgesloten. Afgelopen zomer al moesten vijfhonderd gemeenten worden bevoorraad met tankwagens, in andere gemeenten werd het water ’s nachts volledig afgesloten. Dat er zoveel gemeentes zijn getroffen, maakte minister van Klimaat Béchu pas deze week bekend. Tot dan toe, zo bekende hij aan de krant Le Monde, had zelfs in de hoofdstad niemand een helder idee van het aantal mensen en plaatsen dat gebrek had aan deze primaire levensbehoefte.

    Verantwoordelijk voor de uitzonderlijke droogte is het maandenlange gebrek aan regen, een verschijnsel van de klimaatcrisis. In veel zuidelijke regio’s, maar ook in Bretagne aan het Kanaal, viel de afgelopen zes maanden 30 tot 40 procent minder neerslag dan jarenlang het gemiddelde was. In veel gemeenten vielen de laatste druppels medio januari. Op een officiële kaart is te zien dat veel regio’s ten zuiden van Parijs donkerrood gekleurd zijn; zij lijden onder ‘extreme droogte’. Kijken we naar de neerslag van de afgelopen maand, dan pakt de historische vergelijking nog dramatischer uit: slechts één op de vijf regio’s in Frankrijk kreeg evenveel regen als normaal.

    ‘We zitten in een uitzonderlijk alarmerende situatie’, aldus hydroloog Hélène Michaux, afdelingshoofd bij het waterschap voor de Rhônevallei, het Middellandse Zeegebied en Corsica. Het is haar taak om gemeenten te helpen toekomstige watercrises te voorkomen. ‘Ik neem in alle gemeentehuizen veel bezorgdheid waar. De dorre zomer van 2022 heeft iedereen opgeschrikt’, zegt Michaux. De beperkingen die gemeenten nu moeten opleggen en de opgedroogde beekbeddingen zouden in het verleden alleen in de zomer zijn voorgekomen. De winterdroogte is een keerpunt voor Frankrijk.

    De meeste kansen liggen in de landbouw, die 50 procent van het totale waterverbruik gebruikt

    Hoe zouden langetermijnoplossingen eruit kunnen zien? Michaux ziet de meeste kansen liggen in de landbouw: 50 procent van het totale waterverbruik wordt daar gebruikt, vooral in het droge zuiden, waar veel boomgaarden, wijngaarden en maïsvelden worden besproeid. De boeren hebben hulp nodig om hun bodems te bedekken met natuurlijk materiaal of groenbemesters om ze te beschermen tegen verdamping en om over te schakelen op zuinige druppelsgewijze irrigatie. In deze zonnige gebieden is het ook belangrijk om de velden te beschaduwen, bijvoorbeeld met traditionele hagen of agrobosbouwsystemen waarbij fruit- of notenbomen de velden flankeren.

    Om de afname van het grondwater een halt toe te roepen, moeten steden de bodemverharding een halt toeroepen, zegt Michaux. Vanaf wegen en parkeerplaatsen stroomt het regenwater rechtstreeks naar de riolering of de rivieren, zonder dat het in de grond wegsijpelt en zo het grondwaterpeil hoog houdt. Voorkomen dat de grond wordt afgedicht is echter een moeilijke taak in de zuidelijke regio’s, die elk jaar meer inwoners en toeristen verwelkomen. ‘We staan voor enorme uitdagingen,’ aldus Michaux.

    Minder neerslag

    Volgens deskundigen is Frankrijk een van de landen die bijzonder getroffen zijn door de klimaatverandering. Het Intergovernmental Panel on Climate Change voorspelt tot tien procent minder neerslag voor het zuidwesten en zuidoosten van Frankrijk bij een opwarming van de aarde met twee graden Celsius. Bij een opwarming van vier graden kan tegen het jaar 2100 tot zo’n 40 procent van de neerslag verloren gaan (IPCC, 2021: Regional Fact Sheet Europe, PDF). Bovendien zal door de toenemende hitte ook meer water uit het landschap verdampen, waardoor de droogte nog zal verergeren.

    Frankrijk zal waarschijnlijk ook slechter af zijn dan Duitsland omdat Duitsland tussen twee klimaatgebieden ligt: Noord-Europa, waar klimaatonderzoekers meer regen verwachten, en het Middellandse Zeegebied, dat droger wordt en waartoe ook Frankrijk behoort. De regenverwachtingen voor Duitsland zijn daarom onzekerder dan voor het Middellandse Zeegebied, zei klimaatwetenschapper Peter Greve van het Climate Service Center Germany (GERICS) in een interview met ZEIT ONLINE.

    De regen die in de toekomst nog in Frankrijk zal vallen, zal waarschijnlijk op minder dagen per jaar vallen en vaker voorkomen in de vorm van stortbuien.

    In de herfst van 2020 leidde storm Alex tot een van de grootste overstromingen in Frankijrk

    Juist de regio die nu zo droog is, heeft in de herfst van 2020 een dergelijke gebeurtenis meegemaakt, toen de storm Alex leidde tot een van de grootste overstromingen van Frankrijk. In de valleien van de Vésubie en de Roya bij de Italiaanse grens stortten binnen enkele uren honderden liters water van de bergen naar beneden die huizen en mensen meesleurden.

    President Emmanuel Macron kondigde afgelopen najaar al een nationaal waterplan aan, dat eind maart gepresenteerd wordt. Nu al bereidt hij de bevolking erop voor dat ze in de toekomst met minder water zullen moeten leven. ‘De tijden van overvloed en het grote aanbod zijn voorbij’, zei Macron. Zijn regering benadrukte dat het beschikbare water eerlijk moet worden verdeeld om toekomstige conflicten te voorkomen. Tot nu toe is echter nog niet duidelijk geworden wie als eerste toegang krijgt tot grondwater en rivierwater. De landbouw, die bijna 50 procent van het water in Frankrijk gebruikt? De burgers? Of de industrie? Tot die laatste behoren zeker de zesenvijftig kerncentrales in het land.

    40 procent

    Volgens een rapport dat werd uitgebracht aan de vooravond van de VN-conferentie over water die van 22 tot 24 maart jongstleden zal het watertekort tot 2030 naar schatting oplopen tot 40 procent: ‘Tussen nu en 2030 is er 40 procent kans op een zoetwatertekort, met vooral ernstige gevolgen voor regio’s waar de hoeveelheid water toch al beperkt is’, bevestigen de auteurs. Het rapport bevat, volgens The Guardian, ‘voor het eerst een gedetailleerde studie over de wereldwijde watergesteldheid en een duidelijke uiteenzetting over de risico’s die we lopen’.

    In droge tijden moet Frankrijk dus niet alleen vrezen voor zijn gewassen, maar ook voor zijn energie: het land is voor ongeveer 70 procent afhankelijk van kernenergie. Nergens is de dichtheid van kerncentrales zo hoog als in dit land. Maar de kernreactoren moeten rivieren aftappen om hun reactoren te koelen. Het voor hen beschikbare rivierwater zal door de klimaatcrisis gemiddeld genomen minder worden. Op grond van een actuele prognose van haar bureau gaat hydroloog Michaux ervan uit dat de Rhône, de grootste rivier in Zuid-Frankrijk, waaraan vijf kerncentrales liggen, tegen 2050 gemiddeld tot 40 procent minder water zal afvoeren.

    Organismen en planten

    Bij lage rivierstanden en tijdens langere periodes van hitte warmt het vervoerde water ook meer op. Te warm water brengt dan weer levende organismen en planten in gevaar. Toch heeft de Franse nucleaire toezichthouder ASN afgelopen zomer de grenswaarde van de maximale temperatuur van het water dat uit de kerncentrales wordt teruggevoerd, domweg verhoogd.

    Dezelfde autoriteit heeft ook het energiebedrijf EDF opgeroepen om een concept te presenteren voor veilige kerncentrales in de klimaatcrisis. Want het land blijft afhankelijk van kernenergie: ondanks een aanzienlijk hoger aantal zonuren en twee kuststroken aan de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee die veelbelovend zijn voor windturbines, heeft het tot nu toe weinig geïnvesteerd in hernieuwbare energie en is het het enige land in de EU dat de doelstelling van 20 procent in 2020 niet heeft gehaald. In plaats daarvan wil president Macron tot 2035 nog zes kerncentrales bouwen.

    Op de dagen zonder leidingwater moet kapper Palasse zich behelpen

    Momenteel moeten de burgers echter op verschillende manieren van water worden voorzien. In Arlanc bijvoorbeeld vullen vijf tankwagens nu dagelijks de watertorens. Dat is duur en tijdrovend – en blijkbaar toch geen oplossing voor de lange termijn, want de buurgemeenten waar de watervoorraad vandaan komt, hebben al aangekondigd dat zij Arlanc binnenkort niet meer kunnen bevoorraden. Ook hun vraag naar water stijgt in de zomer en ze zouden veel water nodig hebben voor een bouwplaats die ze willen aanleggen.

    Op de dagen zonder leidingwater moet kapper Palasse zich behelpen. Ze knipt dan droge haren of wast een verfbeurt uit met behulp van plastic flessen vol water. ‘Ik kan toch niet eeuwig die flessen voor de hoofden van mijn klanten gebruiken, ik heb er tientallen van nodig’, zegt ze. Ze kan zich niet voorstellen hoe het in de zomer zal zijn, wanneer het droge en hete seizoen pas echt begint.

  • Overal in Europa komen boeren in verweer tegen de groene agenda van de EU

    Overal in Europa komen boeren in verweer tegen de groene agenda van de EU

    Brussel heeft een groenere landbouwsector nodig om de klimaatdoelstellingen te halen. Maar Europese boeren vinden dat er te veel van hen wordt gevraagd. ‘Tegenwoordig geeft iedereen het vee de schuld van methaanproductie en vervuiling, maar ik zie dat anders.’

    De schuren en melkstallen van de boerderij van Takis Kazanas (66) vallen in het niet bij de majestueuze bergen die over de Thessalische vlakte uitsteken. Op deze groene vlakte in Noord-Griekenland wordt al duizenden jaren vee gehouden, maar nu praten instanties in Brussel over regels die ertoe zullen leiden dat boerderijen als die van Kazanas als industriële installaties worden beschouwd, vergelijkbaar met staalfabrieken of chemische industrie.

    Als die verandering van kracht wordt, zal de boerderij waar hij 300 runderen en 230 hectare land beheert met zijn vier zonen, wettelijk verplicht worden de uitstoot van broeikasgassen en het niveau van verontreiniging te verlagen. Met ambitieuze klimaatdoelstellingen voor 2030 dwingt Brussel de landbouw eindelijk om groener te worden. Kazanas vangt al biogas op uit koeienmest en in plaats van chemische mest rijdt hij zelfgemaakte mest over het land uit. ‘Dat is wat de EU wil en dat is wat ik doe,’ zegt Kazanas, die in 1986 begon met dertig runderen. ‘Tegenwoordig geeft iedereen het vee de schuld van methaanproductie en vervuiling, maar ik zie dat anders.’

    Hij is een van de vele boeren die moe worden van wat zij zien als milieuvoorschriften die worden opgelegd door een bureaucratie op 2500 kilometer afstand. De omvang van de transformatie die de Europese Commissie vraagt met haar Boer tot Bord-strategie – halvering van de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen in 2030, vermindering van het gebruik van meststoffen, verdubbeling van de biologische productie en herbebossing van sommige landbouwgronden – zou ook in minder moeilijke tijden opmerkelijk zijn.

    Moeilijk te reguleren

    De strategie komt op het moment dat de oorlog in Oekraïne de wereldvoedselmarkt overhoop heeft gehaald en boeren geconfronteerd worden met verlaging van subsidies die worden gegeven in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), een programma van 55 miljard euro per jaar, dat al sinds 1962 voor voedselzekerheid in Europa zorgt.

    Volgens de EU is er dringend behoefte aan milieuhervormingen in de landbouwsector. Een hoge EU-functionaris die zich bezighoudt met klimaatbeleid noemt het ‘ons probleemkind’. De sector is verantwoordelijk voor 11 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen in de EU – een percentage dat bijna even hoog is als twintig jaar geleden.

    Stikstofoxiden in meststoffen, dierlijke urine en uitwerpselen vormen een belangrijk deel van het probleem; zware stikstofconcentraties zorgen ervoor dat invasieve planten andere soorten verdringen, wat leidt tot verlies van biodiversiteit. Maar de sector is zeer moeilijk te reguleren; de 9,1 miljoen landbouwbedrijven in de EU variëren in type en omvang, uiteenlopend van industriële bedrijven met duizenden ‘grootvee-eenheden’ – de rekeneenheid waarmee de hoeveelheid dieren in de landbouw wordt aangeduid – tot kleine boeren met een enkele wijnstok en een paar geiten. De marges zijn doorgaans zeer klein. Er zijn biologische producenten die overleven met lokale handel, maar ook varkenshouders die te maken hebben met hevige internationale concurrentie, waardoor zelfs een kleine stijging van de voederprijs de jaarwinst al teniet kan doen.

    De landbouwgrond van de EU is nu een nieuw strijdtoneel voor groene ambities geworden

    Het keerpunt voor veel landbouwers kwam na de inval van Rusland in Oekraïne, net toen de Europese Commissie de doelstellingen van de ‘Boer tot Bord’-strategie bekendmaakte. Volgens een hoge ambtenaar van de Commissie ‘veranderde het debat bijna van de ene dag op de andere’. De landbouwgrond van de EU is nu een nieuw strijdtoneel voor groene ambities geworden. Nerveuze regeringen schroeven de voorstellen van de Commissie terug onder druk van een georganiseerde, goed gefinancierde landbouwlobby die nauwe banden onderhoudt met politici.

    Zo heeft de Nederlandse regering onlangs een programma opgeschort om boerderijen te sluiten – en daardoor de uitstoot van stikstofoxide te verminderen –, nadat de ontluikende BoerBurgerBeweging (BBB) in maart de provinciale verkiezingen won, profiterend van een golf van woede tegen de plannen.

    Recentelijk hebben de regeringen van Polen en Hongarije de invoer van graan, zuivelproducten, vlees, fruit en groenten uit Oekraïne tijdelijk stopgezet omdat boeren klaagden dat de goedkope invoer van Oekraïens voedsel de prijzen drukt.

    Het groeiende verzet is een belangrijke uitdaging voor de doelstelling van de EU om de emissies tegen 2030 met 55 procent te verminderen ten opzichte van 1990, overeenkomstig internationale verplichtingen. Als Brussel er niet in slaagt de boeren mee te krijgen, kan dat een bedreiging zijn voor de belofte om tegen 2050 een nettonuluitstoot te bereiken.

    De voorstellen van de EU zijn niet passend tijdens een ‘oorlogseconomie’ waarin boeren vrij moeten kunnen produceren, zegt Christiane Lambert, medevoorzitter van de machtige EU-landbouwvakbond Copa-Cogeca. ‘Mensen die beslissingen nemen over de landbouw weten er niets van.’

    Volgens het Franse Instituut voor Gezondheid zijn boeren drie keer vaker geneigd om zelfmoord te plegen dan andere professionals

    Voor veel boeren gaat het verzet tegen de komende veranderingen over overleven. Tom Vandenkendelaere, Belgisch lid van het Europees Parlement, zegt dat de druk op de boeren ondraaglijk wordt. ‘Het gaat om het aantal beleidsmaatregelen dat hen tegelijkertijd treft. We moeten het rustiger aan doen.’ Hij zegt dat boeren die gewoon hun werk doen, zich belasterd voelen door activisten die hen ervan beschuldigen de planeet te schaden en die klimaatverandering wijten aan het eten van vlees. ‘Ze hebben het gevoel dat hun manier van leven onder vuur ligt.’

    Boeren op een Kruispunt, een onafhankelijke nonprofitorganisatie die geestelijke gezondheidszorg biedt aan boeren in Vlaanderen, zag dat 44 procent meer mensen zich aanmelden in 2022 dan in 2021. Volgens het Franse Instituut voor Gezondheid zijn boeren drie keer vaker geneigd om zelfmoord te plegen dan andere professionals. En Caroline van der Plas, leider van de BBB, zei deze maand in het Nederlandse parlement: ‘Mensen die zorgen voor ons dagelijks voedsel worden weggezet als dierenmishandelaars, gifmengers, bodemvernietigers en milieuvervuilers.’

    Maar EU-beleidsmakers stellen dat de maatregelen op lange termijn juist in het belang van de boeren zijn. De stijging van de gasprijzen heeft de kosten van meststoffen en chemicaliën opgedreven. Decennia aan intensieve landbouw hebben voedingsstoffen in de bodem uitgeput, zodat meer moet worden gebruikt om dezelfde productie te bereiken. ‘Het idee “óf meer natuur, óf meer voedsel” is een mythe,’ zegt een EU-functionaris. ‘De belangrijkste fundamentele bedreigingen voor de voedselzekerheid zijn klimaatverandering en verlies van biodiversiteit.’

    Virginijus Sinkevičius, de EU-commissaris voor milieu en visserij, is het daarmee eens. ‘Wat voor mij heel belangrijk is, is dat mensen begrijpen dat de milieuvoorstellen nooit gericht zijn tegen de landbouwbedrijven. Ze zijn er juist voor de bedrijven, want zonder natuur is landbouw niet mogelijk.’ En, voegt hij eraan toe, ‘ze vormen weliswaar een aanzienlijke verandering voor onze landbouwers, maar het is onvermijdelijk dat ze een deel van de oplossing zijn. Allicht gebeurt dat niet van de ene op de andere dag.’ Een sector die nu al het gevoel heeft met de rug tegen de muur te staan, zal inderdaad waarschijnlijk niet makkelijk toegeven.

    Klem tussen milieueisen en lage prijzen

    Het aantal landbouwbedrijven in de EU is sinds 2005 met meer dan een derde gekrompen. Terwijl het gemiddelde landbouwbedrijf groter is geworden, is het agrarisch inkomen constant laag gebleven, schommelend rond de 20.000 euro per persoon.

    Bram van Hecke, die werkt op het melkveebedrijf van zijn familie in de buurt van het Belgische Oostende, zegt dat hij, zijn vader en zijn broers het gevoel hebben klem te zitten tussen de milieueisen van politici en de eisen van supermarkten die niet méér willen betalen. ‘Als je naar een bank gaat en zegt te willen investeren maar dat je inkomsten zullen halveren, geven ze je geen lening,’ zegt hij. ‘Meer produceren is haalbaar, terwijl extreem milieubewust zijn je bedrijf kan schaden.’

    Van Hecke, die tevens hoofd is van de Groene Kring, een Vlaamse groep van jonge landbouwers, zegt dat een EU-richtlijn om de stikstofvervuiling aan te pakken zijn bedrijf jaarlijks 10.000 tot 15.000 euro kost. Deze maatregel verplicht landbouwers om met GPS de verspreiding van stalmest te registreren en schrijft voor dat ze niet binnen 5 meter van water mogen boeren. ‘De gemiddelde grondprijs in Vlaanderen is 63.000 euro per hectare en we verliezen ongeveer 4 hectare door deze nitraatrichtlijn. Reken maar uit. De regering kondigt aan onze kosten te zullen verhogen, maar heeft geen plannen om ons inkomen te helpen verhogen.’

    ‘In sommige regio’s, zoals Nederland en Vlaanderen, is de ecologische voetafdruk van de landbouw te groot’

    Op macroniveau klopt dat. Volgens agronomen worden delen van Europa te intensief bebouwd. In 2021 exporteerde de EU voor 197 miljard euro aan landbouwproducten naar landen als China en importeerde zij voor 150 miljard euro: een overschot van 47 miljard euro.

    Krijn Poppe, een Nederlandse landbouweconoom, is voorstander van herbezinning. ‘Export mag niet ten koste gaan van klimaat en natuur,’ zegt hij. ‘In sommige regio’s, zoals Nederland en Vlaanderen, is de ecologische voetafdruk van de landbouw te groot.’ Burgers in deze ‘stadstaten’, zoals hij ze noemt, hebben ook behoefte aan recreatiegebieden, natuurgebieden, schoon water, woningen en vervoer. Het antwoord, zegt Poppe, is terugkeer naar de tijd waarin consumenten hogere prijzen betaalden voor minder intensief geproduceerd voedsel. ‘In de jaren tachtig consumeerden Nederlanders minder eiwitten; 40 procent van het voedsel was dierlijk en 60 procent plantaardig. Nu eten we meer en is de verhouding eiwitten-plantaardig omgedraaid naar 60-40.’

    Volgens Poppe zullen sommige landbouwbedrijven onvermijdelijk verdwijnen omdat veel bedrijven te klein zijn om te concurreren. ‘Een econoom die kijkt naar het totale welzijn ziet waarschijnlijk geen probleem,’ voegt hij eraan toe, ‘maar een politicus die de banen van boeren wil beschermen, zal daar negatiever over denken.’

    Existentieel moment

    Geen wonder dat boeren dit zelf als een existentieel moment zien. Volgens de Sloveen Franc Bogovič, fruitteler en lid van het Europees Parlement, zou het plan om het gebruik van pesticiden tegen 2030 met 50 procent te verminderen – een van de doelstellingen van een fel betwiste richtlijn waarover EU-wetgevers momenteel onderhandelen – een groot deel van zijn productie wegvagen. ‘Ik zit al vele jaren in deze sector en ik heb nog nooit zo’n groot bezwaar gehad tegen een beleidsvoorstel,’ zegt hij.

    Hij is vooral ontstemd over het feit dat deze nieuwe verordeningen komen nadat in januari een grootschalige herziening van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) ter bevordering van groenere productie in werking is getreden. Het GLB, dat landbouwers subsidieert, is in de loop der jaren gekrompen en steeds meer geld gaat naar milieuprojecten en nevenbedrijven in plaats van naar voedselproductie. ‘Ze proberen verder te gaan dan het beleid dat pas dit jaar van start is gegaan,’ zegt hij. ‘Mensen zijn bang voor hun toekomst. Ze komen in grote problemen als ze hun wijngaarden, boomgaarden of vleesproductie moeten inkrimpen, die ze vijf jaar geleden met leningen hebben gefinancierd. Je hebt twintig jaar nodig om daarmee je geld terug te verdienen.’

    ‘Boeren vragen zich af: “Waarom haat Brussel ons?”’

    Ondanks het verzet heeft Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, het tempo van de beleidsvorming sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne niet vertraagd. ‘Boeren vragen zich af: “Waarom haat Brussel ons?”,’ zegt Vandenkendelaere. Eén theorie is dat Von der Leyen steun nodig heeft van de Grünen in de Duitse coalitie om haar tweede termijn veilig te stellen. Een andere theorie is dat ze vindt dat landbouw – vooral de veeteelt – de planeet schaadt.

    ANP 467842947 1
    In de Sloveense hoofdstad Ljubljana protesteerden op 25 april duizenden boeren met zo’n 1500 tractoren tegen de milieurestricties voor de landbouw die de Sloveense regering van plan is in te voeren. – © Ales Beno / Anadolu Agency

    EU-doelstellingen Van Boer tot Bord

    – Gebruik van chemische en gevaarlijke pesticiden met 50 procent verminderen tegen 2030.

    – 20 procent minder meststoffen gebruiken tegen 2030.

    – Verkoop van antimicrobiële stoffen voor vee en aquacultuur verminderen met 50 procent.

    – De hoeveelheid land bestemd voor biologische landbouw verhogen van 9,1 procent in 2020 tot 25 procent in 2030.

    – Grotere veehouderijen verplichten zich aan de regelgeving te houden voor schone lucht en schoon water, die geldt voor de zware industrie.

    ‘De Commissie is ervan overtuigd dat de overgang naar een veerkrachtige en duurzame landbouwsector – in overeenstemming met de Europese groene ambities, de Boer tot Bord-strategie en strategieën voor biodiversiteit – van fundamenteel belang is voor de voedselzekerheid,’ zegt Eric Mamer, woordvoerder van Von der Leyen. Hij weigert te bevestigen of zij zelf rood vlees of zuivelproducten gebruikt. ‘De persoonlijke voedingskeuzes van de voorzitter zijn niet van invloed op de voorstellen van de commissie,’ zegt hij.

    Brussel heeft enkele veranderingen doorgevoerd sinds de oorlog in Oekraïne begon. Zo mogen boeren nu gewassen planten voor diervoeder op de 10 procent van de grond die normaal gesproken onbebouwd moet blijven om te herstellen – een regel die als voorwaarde geldt om subsidie te kunnen krijgen. Ook zijn de regels aangaande wisselbouw opgeschort.

    Maar het zijn de nationale regeringen die op de rem hebben getrapt. De voorstellen van de Europese Commissie kunnen door de zevenentwintig lidstaten worden gewijzigd, en punt voor punt werden de ambities afgezwakt.

    Het voornemen tot algemene vermindering van pesticiden is teruggestuurd naar de Commissie met het verzoek tot een nieuwe effectbeoordeling. Ministers klagen dat in plaats van rekening te houden met de uitgangspositie van elk land, aan iedereen dezelfde evenredige vermindering wordt opgelegd. Nederland, dat bijvoorbeeld al veel meer pesticiden gebruikt dan Polen, zou het gebruik bijvoorbeeld niet hoeven te veranderen. Er wordt ook bezwaar gemaakt tegen plannen om alleen rekening te houden met de hoeveelheid gebruikte chemicaliën en niet met de giftigheid ervan.

    Volgens sommigen is afkopen de beste manier om met tegenstand om te gaan

    Wat betreft herziening van de richtlijn industriële emissies (grotere veehouderijen worden verplicht te voldoen aan voorschriften voor schone lucht en schoon water die ook gelden voor de zware industrie) erkende de Commissie in februari dat zij vorig jaar bij de lancering van het voorstel verkeerde cijfers heeft gebruikt.

    De drempel voor naleving werd gesteld voor varkens-, pluimvee- en rundveebedrijven met ten minste 150 grootvee-eenheden, met de bewering dat daarmee slechts 13 procent van de Europese commerciële bedrijven zou worden getroffen. Die berekeningen waren echter gebaseerd op bedrijfsgegevens uit 2016. Toen de berekening opnieuw werd gemaakt met gegevens uit 2020, bleek dat zes op de tien pluimvee- en varkensbedrijven eronder zouden vallen.

    Een voorstel voor wettelijk bindende doelstellingen om daarmee de verslechtering van het milieu aan te pakken – vorig jaar voorgesteld als onderdeel van de Boer tot Bord-strategie – stuit op verzet omdat het onvermijdelijk zal leiden tot het verlies van landbouwgrond. Sommige gedraineerde veengronden zouden bijvoorbeeld opnieuw doorweekt raken. Het doel is om tegen 2030 maatregelen voor natuurherstel te hebben voor ten minste 20 procent van het land en de zee binnen de EU.

    Afzonderlijke wetgeving om ontbossing terug te dringen stuitte vorig jaar op verzet in landen als Zweden en Finland – voor hen werd een uitzondering gemaakt zodat ze de exploitatie van plantages voort kunnen zetten.

    In juni is het tijd voor het laatste deel van het Boer tot Bord-pakket; de wetgeving die landen gaat verplichten om de staat van hun bodem te controleren en te verbeteren. Zo’n zestien EU-ministers van Landbouw hebben in januari een brief aan Brussel ondertekend waarin ze zich erover beklagen dat dat beleid kan leiden tot ‘opoffering van land- en bosbouwgrond in de Unie’. ‘Dat zal zeer waarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor de voedselzekerheid, de toevoer van hernieuwbare grondstoffen (voor houtbouw of de bio-economie) en van hernieuwbare energiebronnen, zoals lokaal beschikbare biomassa’, aldus de brief.

    Afkoop

    Volgens sommigen is afkopen de beste manier om met tegenstand om te gaan. EU-landbouwcommissaris Janusz Wojciechowski deed al een oproep tot meer GLB-financiering omdat de inflatie – die vorig jaar in de eurozone bijna 10 procent bereikte – de reële waarde ervan heeft uitgehold. Het GLB ‘bedraagt slechts 0,4 procent van het bruto binnenlands product van de EU om voedselzekerheid, milieuveiligheid en klimaatzekerheid te garanderen,’ stelt hij.

    De particuliere sector is het daarmee eens. FoodDrinkEurope, dat fabrikanten vertegenwoordigt, heeft Von der Leyen opgeroepen een deel van de miljarden aan subsidies voor de groene transitie naar landbouw over te hevelen. ‘De EU-strategie Boer tot Bord beschikt niet over voldoende middelen en is niet toegerust voor de huidige marktrealiteit en de toekomstige druk,’ aldus de organisatie. Verschillende regeringen hebben eenzelfde oproep gedaan en wijzen erop dat de gestegen rente de prijs van noodzakelijke investeringen heeft opgedreven.

    Terug naar Griekenland, waar Georgios Georgantas, de Griekse landbouwminister, zegt dat boeren zoals Kazanas steun nodig hebben om Europa te kunnen blijven voeden. Aangezien klimaatverandering al gevolgen heeft voor de opbrengsten, ‘moeten we de landbouw op het huidige niveau houden’, zegt hij, ‘of zelfs uitbreiden.’

    Om dat te bereiken heeft Athene een fonds van 525 miljoen euro in het leven geroepen om jongeren te stimuleren in de landbouw te stappen. ‘De groene transitie is noodzakelijk voor de EU, maar dit zet landbouwers onder druk,’ zegt Georgantas. ‘Andere sectoren krijgen steun – ook de boeren hebben daar behoefte aan.’

    Lees ook:

  • Dossier: Waterbeleid

    Dossier: Waterbeleid

    Overal ter wereld hebben landen te kampen met droogte, oftewel met gebrek aan water. Dat komt deels door klimaatverandering, waardoor temperaturen stijgen en er minder regen valt.

    Maar er wordt ook veel, te veel water verspild. Er moet dus veel zuiniger met deze eerste levensbehoefte worden omgesprongen.

    1. De kraan gaat dicht
    2. Gezuiverd afvalwater
    3. Ontzilten zonder op hol te slaan

  • Waarom Spanje zucht onder aanhoudende droogte

    Waarom Spanje zucht onder aanhoudende droogte

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar Spanje, waar dit voorjaar temperatuurrecords worden gebroken en aanhoudende droogte nu al zorgt voor grote problemen. Hoe gaat het Zuid-Europese land om met het veranderende klimaat?

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €4 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.

    Hoe erg zijn de hitte en de droogte in Spanje?

    ‘Spanje maakt zich op voor bloedhete zomertemperaturen deze lente’, kopte persbureau Reuters op 26 april. In het Zuid-Europese land worden deze week temperaturen tot 40 graden Celsius (ºC) verwacht, waarmee weerrecords in april verbroken zouden worden. Volgens weerautoriteiten komt dit vanwege een combinatie van ‘zeer warme en droge luchtmassa uit Afrika in combinatie met atmosferische stabiliteit en een sterke zon’.

    Spanje kampt al langer met stijgende temperaturen, wat door experts wordt toegeschreven aan klimaatverandering. In 2020 kwam het Spaanse Staatsbureau voor Meteorologie (Aemet) met een verslag over de toestand van het klimaat in Spanje, schrijft ABC, dat liet zien hoe hard de temperaturen zijn gestegen in het land.

    Sinds het pre-industriële tijdperk (1850 tot 1900) zijn de temperaturen in het land met 1,7 graden Celsius gestegen, maar de grootste stijging (1,3 ºC) vond plaats in de afgelopen zestig jaar. Als niet werd ingegrepen, zo werd gewaarschuwd, kon het land tegen het einde van deze eeuw een temperatuurstijging van 5 graden Celsius verwachten.

    ANP 467900797
    De Spaanse stranden liggen al vol alsof het zomer is, om af te koelen onder de stijgende temperaturen.
    © Rober Solsona / Contacto via ZUMA Press

    Dat komt niet alleen door mondiale klimaatverandering: urbanisatie, uitstoot van gassen en de opwarming van de oceanen en zeeën aan de Spaanse kusten zorgen voor een verdere stijging van de temperaturen. Daar komt bij dat het ook ongelofelijk droog is in Spanje: al drie jaar valt er veel minder regen dan gemiddeld in het land, wat een grote impact heeft op waterreservoirs, stuwmeren, de agrarische industrie en de leefbaarheid in Spaanse dorpen en steden.

    RTVE schrijft deze maand dat de waterreservoirs op het schiereiland op slechts de helft van hun capaciteit gevuld zijn, ver onder het gemiddelde van de afgelopen tien jaar (68,3 procent). EuroNews citeert de Spaanse premier Pedro Sánchez, die het parlement in april vertelde dat ‘droogte de komende jaren onderwerp van een van de centrale politieke en territoriale debatten van ons land zal zijn’. Zo lijdt de regio Catalonië onder zware droogte en hebben regionale autoriteiten een ‘droogtenoodtoestand’ afgekondigd. ‘Op dit moment is dit het ergste probleem waarmee we geconfronteerd worden,’ zei de Catalaanse leider Pere Aragonès, die sprak van ‘de ergste droogte in vijftig jaar’.

    Wat is de impact op het land?

    De aanhoudende droogte en de oplopende hitte zorgen voor grote problemen in Spanje. In grote steden in Spanje is sprake van hitte-eilanden, zo schrijft El País: ‘asfalt en beton absorberen overdag warmte en geven die ’s nachts af, waardoor de temperatuur veel hoger is dan op nabijgelegen plaatsen waar grond, bomen en planten staan’.

    ‘Daarnaast verhinderen gebouwen ook de ventilatie, dat wil zeggen dat de lucht niet kan stromen en de warmte niet kan ontsnappen. En in grote steden rijden veel auto’s rond en staan airconditioners te loeien, wat een enorme hoeveelheid warmte afgeeft’, zo zegt Ricardo Torrijo, woordvoerder van het Staatsbureau voor Meteorologie (Aemet), tegen de Spaanse krant. Volgens Torrijo kan dat ervoor zorgen dat op sommige plaatsen de temperatuur 10 graden hoger is.

    De steden moeten aangepast worden, zo schrijft een onderzoeker in El País. ‘Spanje heeft een van de laagste percentages bomen van alle Europese steden. In plaats daarvan zijn er veel pleinen van beton of asfalt, zonder bomen of begroeiing, en die moeten worden heroverwogen (…) Er moeten groene daken en muren komen, vooral in dichtbebouwde stedelijke gebieden waar het moeilijk is om bomen te planten. Een ander voorstel is om ondoordringbare oppervlakken zoals asfalt te vervangen door meer doordringbare, zoals kasseien, die water doorlaten. Maar het tegenovergestelde gebeurt momenteel: straten die vroeger met kasseien waren geplaveid worden nu geasfalteerd, bijvoorbeeld in het centrum van Madrid.’

    Voor een kortetermijnoplossing kijken steden naar andere oplossingen. Lesroosters worden aangepast, er worden opvangcentra geopend en publieke zwembaden, die normaal gesproken alleen in de zomer open zijn, gaan eerder open. Er worden extra airconditioners geplaatst in publieke ruimtes.

    ANP 467842692
    Droogte bij de rivier de Becea in Castilla-La Mancha. – © Patricia Galiana/Contacto via ZUMA Press

    Ook de economie in Spanje wordt hard geraakt door de droogte. Deze week luidde een nationale federatie van boeren de noodklok, zo meldt 20minutos. De boeren spreken van ‘een van de ergste droogtes sinds mensenheugenis’.

    ‘Het stroomgebied dat er het slechtst aan toe is, is de Guadalquivir, dat een zeer ernstige droogte kent en nog maar ongeveer 12 procent van zijn normale waterstand heeft,’ zegt een woordvoerder. Het gebrek aan water zorgt niet alleen voor problemen bij het planten van gewassen, het veroorzaakt bovendien nieuwe plagen.

    The Guardian schrijft dat in Catalonië boeren last hebben van een enorme konijnenplaag. ‘Bij gebrek aan gras en water vernietigen de dieren gewassen, vooral jonge tarwe en gerst, en eten ze de schors van wijnstokken en fruitbomen op’, schrijft de krant.

    De gevolgen van droogte in Spanje zijn tot in de supermarkten elders in Europa te merken. Zo schrijft Financial Times dat de prijs van olijfolie sinds juni met bijna 60 procent is gestegen, tot ongeveer 5,4 euro per kilogram. ‘Spanje, de grootste producent van olijfolie, werd bijzonder hard getroffen’, aldus de krant. ‘De boeren in het land produceren gewoonlijk de helft van de olijfolie in de wereld, maar de jaarlijkse aanvoer is de afgelopen twaalf maanden ongeveer gehalveerd, tot ongeveer 780.000 ton.’

    Hoe ziet de toekomst van Spanje eruit?

    De klimatologische toekomst van Spanje ziet er somber uit, zo benadrukt een woordvoerder van het Spaans Meteorologisch Agentschap (AEMET) in een interview vorig jaar aan Nius Diario. ‘Als we zo veel blijven uitstoten als nu, zullen de zomers in het Middellandse Zeegebied over dertig jaar tweeënhalf keer zo warm zijn. Dat lijkt ver weg, maar dertig jaar is niets.’ Hij benadrukt dat de 50 graden mogelijk bereikt wordt in Spanje. ‘We weten niet wanneer. Maar aangezien we vorig jaar in Montoro (Córdoba) de 47,5 graden bereikten, en de voorspellingen voor het klimaat ons op middellange termijn 2,5 graden hetere zomers geven, is het duidelijk dat het zeer waarschijnlijk is.’

    Maar niet alleen zomers worden heter: hittegolven zullen vaker voorkomen, langer duren en zich al eerder in het jaar aandienen. Voor Spanje betekenen deze vooruitzichten een groot probleem. In 2020 schreef La Marea dat Spanje over enkele decennia het klimaat krijgt dat Marokko nu heeft. Dit brengt zware gezondheidsrisico’s met zich mee, zo meldt de publicatie. ‘Tegen het einde van de eeuw zouden bijna dertienduizend mensen per jaar in Spanje kunnen sterven als het land zich niet aanpast aan de stijgende temperaturen.’

    ANP 467338690
    Door de lage waterstanden komen gezonken boten op de bodem van stuwmeren bloot te liggen. – © AP/Emilio Morenatti

    Cadena Ser keek in 2019 naar de gevolgen voor de Spaanse economie: zo bestaat er een kans dat de bananenindustrie, een belangrijke bron van inkomsten voor het land, tegen 2050 grotendeels verdwenen is vanwege het toenemende aantal schimmeluitbraken en problemen met de landbouwgrond. Spaanse wijnen zullen enkel nog in het noorden van het land verbouwd kunnen worden en een groot deel van de groenten en fruit uit Murcia, Valencia en Almería zal opdrogen – met mogelijk implicaties voor heel Europa. Spanje investeert al enorm in hernieuwbare energie, mede om de uitstoot van schadelijke gassen te beperken, die weer zorgen voor warmere temperaturen. Persbureau AFP meldt dat Spanje nu al goed is voor 20 procent van alle groene waterstofprojecten ter wereld. De regering investeert in nieuwe stedelijke infrastructuur, gaat bomen planten, maar zijn deze maatregelen genoeg om de dramatische klimaatvooruitzichten een halt toe te roepen?

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-waterkraan-gaat-dicht/
  • Wereldnieuws: Fietsstad Parijs, elektrische busjes voor Nigeria & meer

    Wereldnieuws: Fietsstad Parijs, elektrische busjes voor Nigeria & meer

    Rechtsradicaal niet uitgeleverd

    Attila Hildmann, een kok die in Berlijn werd geboren uit Turkse ouders, maar opgroeide bij Duitse adoptieouders, is sinds eind 2020 op de vlucht en houdt zich schuil in Turkije. Tegen deze extreemrechtse complotdenker loopt een internationaal arrestatiebevel. De Turkse ambassade heeft laten weten dat Hildmann de Turkse nationaliteit heeft, waardoor hij niet uitgeleverd kan worden, schrijft Freie Presse.

    Het Openbaar Ministerie in Berlijn is al langere tijd bezig met Hildmann, die zichzelf omschrijft als ‘ultrarechts’ en als een complotverspreider. Tegen hem lopen aanklachten wegens opruiing, verdenking van aansporing tot het plegen van een misdrijf en verzet tegen ordehandhavers. De voormalige auteur van veganistische kookboeken trok sinds het begin van de pandemie in toenemende mate de aandacht met steeds flagrantere antisemitische berichten op Telegram.

    dpaphotosfour556444
    © ANP

    Australisch paspoort voor Nieuw-Zeelanders

    Nieuw-Zeelanders die vier jaar in Australië hebben gewoond en een Special Category Visa (SCV) hebben – het visum dat de meeste Nieuw-Zeelandse burgers bij aankomst krijgen – kunnen vanaf 1 juli rechtstreeks het Australische staatsburgerschap aanvragen. Het is de laatste stap in de toenadering van de Australische premier Anthony Albanese tot Nieuw-Zeeland; eerder dit jaar werden de regels voor deportatie van veroordeelde Nieuw-Zeelanders al versoepeld. ‘We weten dat hier veel Nieuw-Zeelanders zijn met een SCV die een gezin grootbrengen, werken en een leven opbouwen. Ik ben er trots op hun de voordelen van het Australische staatsburgerschap aan te kunnen bieden,’ citeert de Sydney Morning Herald.

    Dit jaar is het 50 jaar geleden dat een regeling in werking trad die Australiërs en Nieuw-Zeelanders de vrijheid bood om zonder beperkingen een van beide landen te bezoeken, er te wonen en te werken. In Australië wonen ongeveer 350.000 Nieuw-Zeelanders.


    Sir David immersief

    In Londen is vorige maand The BBC Earth Eperience geopend, ingesproken door de grootste troefkaart die de omroep heeft: Sir David Attenborough. De nieuwste attractie in de hoofdstad is een grote immersieve tentoonstelling, waarin bezoekers door alle zeven continenten van de wereld kunnen wandelen, door dichte regenwouden, langs wilde dieren, reptielen en insecten, maar altijd met de kalme en veilige stem van Sir David in het oor. Haarscherp geluid en verschillende camerastandpunten schijnen tot een overrompelend spektakel te leiden in het immense Daikin Centre in Earls Court.

    macaws edit
    © BBC Earth Experience

    Balkon Julia duurder

    De inflatie heeft inmiddels ook de prijs voor het beloven van de eeuwige liefde bereikt. Althans, als je van plan bent dat te doen vanaf een gewilde romantische plek in de Italiaanse stad Verona. Het bedrag om aldaar gebruik te mogen maken van het balkon van Julia (van Romeo), wordt verdubbeld van 50 naar 100 euro. Daarvoor mag je – net als jaarlijks duizenden andere geliefden – tien minuten vertoeven op het balkon. Dat zou voldoende moeten zijn om ringen uit te wisselen en elkaar de eeuwige liefde te beloven, aldus Corriere della Sera.

    Verder biedt de stad van Romeo en Julia al sinds jaar en dag de mogelijkheid om een burgerlijk huwelijk te sluiten op enkele fraaie locaties: in Palazzo Barbieri bijvoorbeeld, het neoklassieke stadhuis, of in het Museo degli Affreschi, dicht bij ‘het graf’ van Julia, of in ‘het huis van Julia’ zelf. Alles tussen aanhalingstekens uiteraard, want de scheidslijn tussen feit en fictie is er dun.

    klemens kopfle hPcGCMN4S k unsplash
    © Unsplash

    Elektrische busjes voor Nigeria

    Ook al is Nigeria de grootste olieproducent van Afrika, de wachtrijen bij benzinepompen zijn er lang en de tarieven voor openbaar vervoer onberekenbaar vanwege de onbetrouwbare toevoer van brandstof. Daarom is Mustapha Gajibo (30) in Maiduguri begonnen met Phoenix Renewables, een start-up voor elektrische voertuigen, schrijft MIT Technology Review. Ondanks de scepsis over de beperkte oplaadmogelijkheden begon hij met het elektrisch maken van bestaande minibusjes en kekes, gemotoriseerde driewielers.

    ‘Veel mensen geloven niet dat elektrische mobiliteit mogelijk en commercieel levensvatbaar is,’ zegt Gajibo. Maar langzaamaan wint hij terrein. Zijn bedrijf onderhoudt nu een tiental elektrische minibussen die met een volle accu 150 kilometer kunnen afleggen; volledig opladen kost ongeveer 1,30 euro. Gajibo en mede- oprichter Sadiq Abubakar Issa hebben een zelfontworpen oplaadstation op zonne-energie van 60 kilowattuur in hun stad neergezet en mikken op meer stations.

    Inmiddels zijn ze overgestapt van het ombouwen van benzinemotoren naar nieuwgebouwde elektrische voertuigen. De eerste is een bus met twaalf zitplaatsen, gemaakt van lokaal geproduceerde materialen, met een actieradius van 200 kilometer, die met zonne-energie in 35 minuten kan worden opgeladen via een geïntegreerd systeem. Tijdens een testmaand in Maiduguri vervoerden zijn busjes 35.000 passagiers. Een nieuwe minibus met verbrandingsmotor kost ruim 9000 euro; zoals de busjes op zonne-energie van Gajibo. Het uiteindelijke doel is om te concurreren met Tesla.


    Fietsstad Parijs

    Een fietsschool in het 20e arrondissement van Parijs heeft een maandenlange wachttijd voor fietslessen die op zaterdagochtend worden gegeven à 50 euro per trimester. Niet zo gek, want burgemeester Anne Hidalgo maakt haast met het fietsvriendelijker maken van Parijs. Overal verschijnen fietspaden en de auto is op zijn retour. In de jaren negentig telde Parijs zo weinig fietsers dat ze elkaar kenden en in de stad lag amper 5 kilometer aan fietspaden. Nu ligt er al 250 kilometer. In oktober 2020 werd het aantal van 400.000 fietsritten per dag overschreden – dat komt neer op een fietsrit per vijf inwoners. Sindsdien is het verkeer op de drukste fietspaden in de stad met ruim twintig procent gestegen, schrijft het New Yorkse digitale magazine Slate.

    Volgens het Atelier Parisien d’Urbanisme, de gemeenteafdeling voor planning, daalde het aantal autoritten binnen Parijs tussen 2001 en 2018 met bijna 60 procent; autoritten tussen de stad en haar voorsteden daalden met 35 procent. Het aantal auto-ongelukken nam af met 30 procent en ook de vervuiling is verminderd. Door een enorme investering in het openbaar vervoer – in buscorridors, trams en metro’s – is het gebruik van het openbaar vervoer in diezelfde periode met bijna 40 procent gestegen. Maar de stad is nog niet klaar en zal nog enkele radicale stappen zetten.

    Vanaf volgende zomer worden nog uitsluitend voertuigen met beperkte uitstoot toegelaten en na 2030 gaan auto’s op fossiele brandstoffen helemaal in de ban. Er komt een verbod op doorgaand verkeer in het stadscentrum en mogelijkheden tot parkeren op straat worden gehalveerd. De Champs-Elysées wordt voetgangersvriendelijk gemaakt en de ringweg gaat op de schop. Voorstanders juichen omdat Parijs een schonere, groenere, koelere en stillere stad zal worden. Tegenstanders vinden dat de hoofdstad een speelgoedstad wordt, die vijandig staat tegenover mensen die een auto voor hun werk nodig hebben en die steeds ontoegankelijker wordt voor mensen van buiten.

    francois xavier chamoulaud MD3OGnAB4AA unsplash
    Rue de Rivoli barst van de fietsers op ‘no car day’ in Parijs. – © Unsplash
  • ‘Accugekte’: waarom zouden we zelf accu’s produceren als China het beter kan?

    ‘Accugekte’: waarom zouden we zelf accu’s produceren als China het beter kan?

    Nu in de komende decennia elektrisch rijden de strandaard wordt, zijn accu’s de industrie van de toekomst. De VS en Europa steken veel geld in nieuwe fabrieken. Maar, stelt Robin Harding van Financial Times, rijke landen zullen het afleggen tegen China.

    Accu’s, accu’s, accu’s. De wedloop om deze industrie van de toekomst binnen te halen en de elektrische voertuigen aan te drijven die de wegen zullen overheersen is even hectisch als de jacht op AAA-batterijen nadat een achtjarige zijn verjaardagscadeautjes heeft uitgepakt.

    Dankzij een orgie van subsidies in het kader van president Bidens Inflatiereductiewet worden er overal in de VS gigafabrieken gebouwd, terwijl het Verenigd Koninkrijk worstelt met de mislukking van zijn enige grote accuproject. Een teken van de door accu’s veroorzaakte onzekerheid is het aantal start-ups dat zich onder deze vlag schaart, met namen als Britishvolt (inmiddels failliet) of American Battery Factory.

    De accugekte laat zich simpel verklaren. In de toekomst zullen alle auto’s elektrisch zijn. En elektrische voertuigen hebben een accu nodig. Ergo, een bloeiende auto-industrie heeft accufabrieken nodig. Dit is tot op zeker hoogte waar en de verkoop van accu’s zal ongetwijfeld een hoge vlucht nemen. Maar waar de gekte aan voorbijgaat is dat vele jaren ervaring hebben aangetoond dat accu’s slechte handel zijn: lage winstmarge, kapitaalintensief, smerig en onderhevig aan ernstige fysieke beperkingen die technologische vooruitgang in de weg staan. Investeerders en landen die zich massaal op deze bedrijfstak storten, zullen op de blaren moeten zitten.

    Misleidend

    De grootste accuproducenten, die niet prat gaan op gigafabrieken, zijn allemaal gevestigd in Azië. Sony pionierde in de jaren negentig met de lithium-ion-accu, maar stopte na jarenlange pogingen om de productie winstgevend te maken. Het Japanse Panasonic en het Zuid-Koreaanse Samsung SDI en LG Energy Solution, de meest gevestigde namen in de bedrijfstak, hebben hun verkoop de pan uit zien rijzen, maar zelfs in goede jaren hebben ze grote moeite om op een omzet van tientallen miljarden dollars een brutowinstmarge van tien procent te behalen. De meest winstgevende en snelst groeiende accuproducent is het Chinese CATL, een goede aanwijzing voor hoe het uiteindelijk met deze bedrijfstak zal aflopen.

    De economische basiswetten van de accuproductie verklaren de financiële resultaten. Je moet een grote hoeveelheid schaarse grondstoffen inslaan – waarvan nikkel en lithium nog tot de minst exotische behoren – en die op grote schaal tot cellen verwerken met behulp van miljoenen dollars kostende machines. De resulterende productie verkoop je op een markt die vrijwel volledig business-to-business is en geen merkbekendheid of aftersales-inkomsten kent. De onderhavige processen zijn gelinkt aan de chemische industrie. Lichte industrie kun je het niet noemen.

    Door de snelheid waarmee elektrische voertuigen veranderen is de indruk ontstaan dat accu’s zich snel ontwikkelen. Maar dat is misleidend. De basistechnologie bestaat al meer dan een eeuw en heeft slechts trage, lineaire vooruitgang geboekt. Accu’s zijn een kwestie van chemie. Je kunt ze niet gewoon maar kleiner maken, zoals een transistor.

    Schaal, kapitaal en kosten: dat wijst allemaal in de richting van China

    De chemie van elke accu – de combinatie van anode- en kathodemateriaal – beperkt de hoeveelheid energie die deze kan bevatten: zijn elektrochemische potentieel. De grootste prestatiesprongen zijn geboekt dankzij nieuwe chemische oplossingen, zoals de overstap op lithium. Maar een accu moet werken als het warm is en als het koud is; hij moet voldoende snel een voldoende aantal keren een voldoende hoeveelheid energie laden en afgeven; hij moet veilig zijn; en hij moet betaalbaar zijn. Elke beperking aanpakken met geheel nieuwe technologie is ongelooflijk moeilijk.

    Er is sprake van een gestage, toenemende innovatie op anode-, kathode- en scheidingsgebied, al komt de meerwaarde daarvan dikwijls ten goede aan gespecialiseerde chemische bedrijven en niet aan accuproducenten. De meeste winst in de hedendaagse industrie wordt geboekt door ‘al doende te leren’ en daarmee kosten te besparen terwijl de volumes groeien, maar daarbij schuilt het geheim van het succes opnieuw in enorme schaalvergroting en kapitaalinvesteringen, en niet in specifieke technische doorbraken.

    Toekomst

    Schaal, kapitaal en kosten: dat wijst allemaal in de richting van China. Gigantische accufabrieken in rijke landen zullen vermoedelijk door hetzelfde lot worden getroffen als fabrieken van zonnepanelen en televisies en, inderdaad, een vorige generatie accufabrieken in rijke landen. Zeker is in elk geval dat er geen tiental nationale accufabrieken zal zijn om een tiental nationale autofabrieken te bevoorraden.

    Wat moet een rijk land met een grote auto-industrie dan doen? Accu’s zijn zwaar dus er kan een voordeel schuilen in plaatselijke fabricage, vooral als er handelsbelemmeringen zijn. Ook kan de groei van de Chinese export worden belemmerd door geopolitieke risico’s. Wordt de accu echter een basisproduct, dan zullen landen die er grote hoeveelheden geld in steken de echte meerwaarde van toekomstige voertuigen mislopen. Die zal gelegen zijn in de software, vooral voor zelfrijdende voertuigen; in de data die een bestuurder genereert; in design, merkbekendheid en interieurkwaliteit; en in de veiligheid van wat altijd een grote metalen doos zal blijven die snel gaat.

    Silicon Valley heeft dat allemaal al bedacht en wacht op zijn kans. Het zal niet lang meer duren voordat ze zich daar in de strijd om de toekomst van de auto-industrie werpen. En die zal niet worden gewonnen door nationale gigafabrieken.

    Lees ook:

  • Senegalese kustbewoners moeten vluchten voor het water. Maar waarheen?

    Senegalese kustbewoners moeten vluchten voor het water. Maar waarheen?

    De inwoners van het Senegalese schiereiland Langue de Barbarie worden uit hun huizen verdreven door de stijgende zeespiegel. De overheid probeert hun nieuwe onderkomens te verschaffen. Maar bijna niemand wil verhuizen.

    Terwijl Madicke Sène een paar krabben grilt die hij eerder die ochtend heeft gevangen, kijkt hij uit over het kalme water van de ochtendlijke Atlantische Oceaan.

    ‘Toen ik klein was, liep het strand helemaal door tot daar.’ Hij wijst naar een punt ergens voorbij een handvol felgekleurde vissersbootjes, die zo’n honderd meter zee-inwaarts liggen. En nu zit hij op een matje op een onlangs aangelegde zeewering, en komen de golven bij vloed aanrollen tot op minder dan 25 meter van waar hij zit.

    Zijn matje, de barbecue, de krabben, het doek dat hij boven zijn hoofd heeft opgehangen om wat schaduw te creëren – dit alles bevindt zich boven op wat vroeger zijn huis was, een huis met wel tien kamers, dat in 2018 werd opgeslokt door een wel heel hoog opgezweepte zee. Achter hem bevinden zich de restanten: de laatst overgebleven slaapkamer, een badkamer en een houten schaapskooi.

    We weten niet hoe we het land moeten bewerken, we kunnen domweg niets anders’

    De buren van meneer Sène hebben soortgelijke constructies. Dit is het resultaat van de stijgende zeespiegel en het water dat inbeukt op Langue de Barbarie, een schiereiland dat deel uitmaakt van de stad Saint-Louis, zo’n 140 kilometer van Dakar, de hoofdstad van Senegal.

    Zo’n 3200 inwoners van het drukke vissersgedeelte van het schiereiland, Guet Ndar, zijn verdreven door de steeds onstuimigere zee, die van tijd tot tijd het hele schiereiland overspoelt, waarbij het zeewater soms zelfs de rivier de Sénégal aan de andere kant bereikt. Daarom heeft de overheid in 2019 tijdelijke kampen voor ontheemden neergezet, twaalf kilometer landinwaarts. Het is de bedoeling dat deze kampen uiteindelijk worden vervangen door een nieuw dorp. Maar mensen als meneer Sène hebben helemaal geen zin om te verhuizen.

    Saint Louis du Senegal Wikimedia
    De prauwen zijn beschilderd met de namen van soefileiders. – © Wikimedia

    ‘Hier ben ik geboren en hier zal ik oud worden,’ zegt hij. ‘De zeelucht hier, die vind je nergens anders. We weten niet hoe we het land moeten bewerken, we kunnen domweg niets anders – de zee, dat is waar wij verstand van hebben.’

    Schadelijke gevolgen

    De regering van Senegal voert een tweeledig beleid in de strijd tegen de schadelijke gevolgen van klimaatverandering in Saint-Louis. Er zijn projecten om een zo groot mogelijk deel van de kustlijn zo lang mogelijk te behouden, maar tegelijkertijd bereidt de overheid zich voor op het uiteindelijke verdwijnen van het schiereiland. Voor de inwoners is het ook een balanceeract: ze proberen zich een voorstelling te maken van – en zich tegelijkertijd te verzetten tegen – een leven waarin ze hun culturele en economische identiteit als visser moeten loslaten. 

    ‘We begrijpen het – het is hun natuurlijke plek,’ zegt Ousmane Ndiaye, gespecialiseerd in sociale integratie, verbonden aan het Municipal Development Agency, een van de Senegalese organisaties die, samen met de Wereldbank, het voortouw neemt bij het bouwen van de permanente onderkomens.  De onderhandelingen zullen doorgaan zolang als nodig is, zegt hij. ‘Dat is een bekend probleem bij alle projecten voor ontheemden.’

    In 2050 zullen naar verwachting op het hele continent zo’n 113 miljoen mensen zich gedwongen zien te verhuizen

    De effecten van de klimaatcrisis zijn al voelbaar in de kuststeden van West-Afrika, van Lagos tot Abidjan. Die steden hebben lange tijd een grote aantrekkingskracht gehad dankzij alle economische mogelijkheden; het zijn enkele van de dichtstbevolkte gebieden. In 2050 zullen naar verwachting op het hele continent zo’n 113 miljoen mensen zich gedwongen zien te verhuizen, door de gevolgen van de klimaatverandering, zoals de stijgende zeespiegel.

    Saint-Louis, dat bekendstaat om de pastelkleurige huizen uit de koloniale tijd, zal vermoedelijk zwaar worden getroffen. Het bestaat uit een schiereiland, een echt eiland en een dichtbevolkt gedeelte op het vasteland. Momenteel lopen zo’n twaalfduizend inwoners het gevaar uit hun huis te worden verdreven door het stijgende water en de erosie van de kustlijn. Volgens een onderzoek zullen in 2080 naar verwachting 150.000 mensen moeten verhuizen, en is er een aanzienlijk risico dat 80 procent van de stad jaarlijks onder water zal komen te staan. 

    Zeewering

    De nieuwe promenades op het eiland en het schiereiland, die nauwelijks boven zeeniveau liggen, zijn voorzien van heuphoge muren. Volgens de plaatselijke bevolking heeft de zeewering bij het huis van meneer Sène de schade tijdens stormvloeden weten te beperken. 

    Maar zelfs met dit soort beschermende maatregelen komen er meer en meer ontheemden. Ontruimingsbevelen vanuit de overheid worden niet afgedwongen. Vrijwel alle mensen die zijn verhuisd, hebben dat gedaan omdat ze geen andere mogelijkheid meer zagen.

    Zo’n vijftienhonderd van die voormalige schiereilandbewoners leven nu in barre omstandigheden, in tijdelijke onderkomens in het ontheemdenkamp Diougop. De tentachtige onderkomens hebben kleine zonnepanelen, maar geen opslagcapaciteit. Douches, toiletten en waterkranen zijn voor gezamenlijk gebruik. Er zijn wat mensen die groente verkopen, tussen de steriele rijen met onderkomens, maar er zijn nauwelijks baantjes.

    ‘In Guet Ndar is het overvol, hier is veel meer ruimte’

    ‘Er is hier helemaal niets,’ zegt Mamadou Gueye, die vorig jaar in Diougop is komen wonen. Zoals veel inwoners van het kamp gaat meneer Gueye nog altijd vissen – maar nu moet hij – met langzame bussen of dure taxi’s – naar Guet Ndar reizen en weer terug, een rit die wel twee uur kan duren als er veel verkeer is.

    40016097292 0588e12bd5 o
    De prauwen zijn beschilderd met de namen van soefileiders. – © Wikimedia

    ‘Het is lastig. Daar [in Guet Ndar] is iedereen – de hele gemeenschap, familie, vrienden,’ zegt hij.

    Er staan nog meer huizen – en verbeteringen – op stapel. Op een leeg stuk land, dat momenteel dienstdoet als voetbalveld, komt binnenkort een markt. Er is ook een stuk land bestemd voor een school. Sommige inwoners zijn al begonnen een nieuw leven op te bouwen.

    ‘Het is hier prima. Het was ook prima in Guet Ndar, maar daar hadden we niet dit soort werk,’ zegt Ndeye Coumba Gueye, die het haar van haar collega’s vlecht in een salon die is ingericht in een scheepscontainer. In Guet Ndar was Ndeye Coumba Gueye werkloos, maar nu heeft ze gebruikgemaakt van een door de overheid gesubsidieerde opleiding tot schoonheidsspecialiste – een van de vele ideeën waar de Senegalese overheid mee is gekomen om de bittere pil van de verhuizing enigszins te verzachten. Anderen hebben een baantje in een buurtwinkeltje – dat ook in een scheepscontainer zit – of ze verbouwen groente in een minituintje.

    ‘Ik hoop dat als die huizen er eenmaal staan, mensen uit Guet Ndar hierheen zullen komen,’ zegt ze. ‘In Guet Ndar is het overvol, hier is veel meer ruimte.’

    Dilemma

    De opmerkingen van Ndeye Coumba Gueye raken aan het dilemma van Diougop: Als er meer mensen komen wonen, komen er meer banen, en zal er iets van gemeenschapszin ontstaan. Maar niemand wil ernaartoe verhuizen zolang dat nog niet het geval is.

    Dankzij steunprogramma’s, zoals de opleiding tot schoonheidsspecialiste, hebben sommige mensen zich weten aan te passen. Maar het is niet genoeg om mensen te verleiden er te gaan wonen zolang het nog niet echt hoeft. Sterker nog, veel vrouwen die uit Guet Ndar zijn vertrokken, zijn inmiddels werkloos, omdat ze niet langer de vis die elke dag van het strand komt, kunnen drogen en verkopen.

    ‘Ik zal altijd blijven terugkeren naar Langue de Barbarie’

    Maar zelfs bij de mensen die optimistischer zijn over Diougop, blijft de zee trekken. En het is niet moeilijk om een dubbele boodschap te zien in de zeewering op het schiereiland. Zolang de muur de reep zand versterkt, zal hij mensen sterken in het verlangen om te blijven – dezelfde mensen die door de overheid worden aangemoedigd om te vertrekken. Maar aan de andere kant is het gedeeltelijke behoud van het schiereiland een van de weinige dingen die het kleine beetje hoop in Diougop in stand houden. 

    In 2019 heeft de zee het grootste deel van het huis van de familie van Michelle Gueye verzwolgen. Daarop is zij ingetrokken bij haar zus, in een andere buurt, maar ze gaat elke dag op en neer naar Diougop voor haar werk. Ze is van plan zich volgend jaar voorgoed te vestigen in Diougop, als de permanente onderkomens klaar zijn.

    40016094742 55a8826855 o
    De promenades liggen nauwelijks boven zeeniveau. – © World Bank / Ibrahima BA Sané / Flickr

    ‘Het is mogelijk om hier solidariteit te kweken. Daar zijn we al mee begonnen,’ zegt Michelle Gueye, die geen familie is van Mamadou of Ndey Coumba. ‘Maar ik zal altijd blijven terugkeren naar Langue de Barbarie. Daar ligt mijn hart.’

  • Heeft The Last of Us gelijk?

    Heeft The Last of Us gelijk?

    Microbiologen maken zich zorgen dat opwarming van de aarde gevaarlijke schimmels resistent zal maken.

    The Last of Us, een postapocalyptische televisiethriller, sloot onlangs het eerste seizoen af met een verbluffende finale. Maar als medicus en superfan van horror vond ik het begin van de serie opmerkelijker: een presentator van een talkshow uit de jaren zestig vraagt twee epidemiologen wat hen ’s nachts wakker houdt. ‘Schimmel,’ antwoordt een van hen.

    De epidemioloog maakt zich zorgen over Ophiocordyceps, een bestaande soort die het lichaam en het gedrag van mieren overneemt. Fast forward naar het centrale, fictieve gegeven van de serie: een mutatie van deze schimmel, die ontstond onder invloed van de opwarmende aarde, veroorzaakt een pandemie. Die nieuwe soort infecteert mensen en verandert hen in vraatzuchtige, zombie-achtige wezens wier lichaam wordt overgenomen door paddenstoelen.

    Schimmelepidemieën komen bij mensen bijna nooit voor, deels omdat een schimmel zelden van mens op mens wordt overgedragen, laat staan dat er zombies uit voortkomen. Veel waarschijnlijker is dat de volgende pandemie van een virus komt. Maar dat nieuwe bedreigingen van de gezondheid waarschijnlijker worden door klimaatverandering, is niet zo’n gek idee. Kan een in het milieu alomtegenwoordige schimmel veranderen in een voor mensen dodelijke ziekteverwekker? Ja, dat kan.

    Schimmelpathogenen

    Wetenschappers zoals ik vrezen dat klimaatverandering en vernietiging van het ecosysteem invloed hebben op ziekteverwekkende schimmels – oftewel schimmelpathogenen. De kans wordt groter dat ze besmettelijker worden en zich over grotere afstanden verspreiden, waardoor ze meer mensen bereiken. Candida auris bijvoorbeeld – een gist dat resistent is tegen medicijnen en dat dodelijk kan zijn voor gehospitaliseerde patiënten – heeft volgens sommige wetenschappers onder invloed van warmte het vermogen ontwikkeld om mensen te infecteren. Op 20 maart zei het Centers for Disease Control and Prevention (CDC – de Amerikaanse tegenhanger van het RIVM) dat Candida auris ‘zorgwekkend’ is en zich in ‘een alarmerend tempo’ heeft verspreid in zorginstellingen.

    Maar internationale pogingen om wereldwijd de bescherming van de gezondheid te verbeteren houden zelden rekening met schimmelpathogenen. Hoewel de risico’s toenemen, zijn we niet goed voorbereid en nemen we onvoldoende preventieve maatregelen. Er bestaan geen schimmelvaccins, diagnose is ingewikkeld en duur en er zijn niet genoeg geneesmiddelen om schimmelinfecties te bestrijden. En zolang de overheid geen onderzoek financiert om schimmelziekten beter aan te pakken en om de omgevingsfactoren die ze aanwakkeren te veranderen, blijven we kwetsbaar.

    Voor veel planten en dieren zijn schimmels een plaag. Fusariumverwelking, die bananenplanten verwoest en waarvoor nauwelijks behandeling bestaat, verspreidt zich wereldwijd en vormt een grote bedreiging voor de bananenindustrie, die een waarde van miljarden dollars vertegenwoordigt. Een infectie die bekendstaat als het witteneussyndroom doodde miljoenen vleermuizen in Noord-Amerika. Negentig soorten amfibieën stierven uit door chytridiomycose, een vreselijke ziekte waardoor kikkers hun huid verliezen.

    Mensen zijn grotendeels gevrijwaard gebleven van schimmeluitbraken. Dat komt doordat hun bloed 36,5 graden is, te warm voor veel schimmels om te overleven. Maar dat zou wel eens kunnen veranderen. Uit een studie van januari in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences blijkt dat hitte voor een evolutionaire groeispurt heeft gezorgd van de Cryptococcus deneoformans, een schimmel die mensen kan infecteren: bepaalde genetische mutaties zijn vervijfvoudigd. Dat betekent meer mogelijkheden om gevaarlijke aanpassingen te ontwikkelen, zoals hittetolerantie en resistentie tegen geneesmiddelen. In een ander laboratoriumonderzoek werd een schimmelsoort gekweekt en verwarmd waarvan bekend is dat hij insecten doodt. Binnen vier maanden konden twee stammen zich voortplanten bij 36 graden, terwijl de limiet eerst nog bij ongeveer 32 graden lag.

    Schimmels, de slimste opportunisten in de natuur, gebruiken verstoringen in hun voordeel

    Sommige microbiologen menen dat door klimaatverandering de schimmelevolutie in de natuur al aan het versnellen is. Hun theorie is dat door de opwarming van de aarde bepaalde stammen van Candida auris bij hogere temperaturen kunnen overleven. Deze gist brak door de warmtebarrière die voorheen de verspreiding beperkte, zodat die nu het vermogen heeft om warmbloedige vogels te besmetten – en vervolgens mensen die met deze vogels in aanraking komen.

    Een veranderend klimaat kan ook de overdracht van schimmelziekten doen toenemen. De micro-organismen zijn overal: op het aanrecht, in de achtertuin en in de lucht die we inademen. Systemische schimmelinfecties treden gewoonlijk op bij mensen met een slecht werkend immuunsysteem – kankerpatiënten, mensen die orgaantransplantaties hebben ondergaan en anderen – die sporen uit hun omgeving hebben ingeademd. Maar ook regionale uitbraken onder gezonde mensen baren steeds meer zorgen: overstromingen, wervelstormen en de rook van bosbranden creëren omstandigheden waarin schimmels gedijen en zich kunnen verspreiden.

    Lastofus2

    Het klinkt tegenstrijdig, maar ook droogte heeft dat vermogen. In het Amerikaanse zuidwesten is de aarde uitgedroogd door lange periodes zonder regen, met stofstormen als gevolg. Gevallen van Valley fever, ooit een zeldzame aandoening van de luchtwegen die wordt veroorzaakt door in de grond voorkomende schimmelsporen, zijn sinds 1998 bijna vertienvoudigd. De schimmel heeft zich inmiddels ook verspreid naar nieuwe gebieden, waaronder de staat Washington.

    Opwarming van de planeet maakt mensen ook kwetsbaarder. Zo leidt verminderde opbrengst van gewassen tot ondervoeding. Hittestress veroorzaakt nierziekten. Tegelijkertijd verhogen ontbossing, onvoldoende veiligheidsmaatregelen op boerderijen en commerciële handel in wilde dieren het risico van zogenaamde spillovers: virussen zoals ebola springen over van dieren op mensen. Schimmels, de slimste opportunisten in de natuur, gebruiken dergelijke verstoringen in hun voordeel. We zagen dit in de jaren tachtig, toen tegelijk met hiv – een virus dat ontstond door overloop – schimmelinfectie toenam. We hebben het ook recenter gezien, toen een unieke schimmelziekte duizenden mensen in India trof die immuniteit-onderdrukkende steroïden hadden gekregen als onderdeel van hun behandeling tegen corona.

    1,5 procent

    In oktober vorig jaar stelde de Wereldgezondheidsorganisatie voor het eerst een lijst op met ‘prioritaire schimmelpathogenen’. ‘Schimmelpathogenen vormen een grote bedreiging voor de volksgezondheid’, aldus de organisatie. De lijst is een belangrijk symbolisch gebaar, maar biedt artsen niet wat ze echt nodig hebben, namelijk betere bestrijdingsmiddelen. Er bestaan geen goedgekeurde vaccins tegen schimmelinfecties. Wereldwijd hebben veel landen onvoldoende capaciteit om bepaalde veelvoorkomende schimmelziekten te diagnosticeren. Zelfs in New York, waar ik patiënten behandel, kan het weken duren voordat de schimmelinfectie gediagnosticeerd is. Erger nog, veel schimmelpathogenen zijn nu al resistent tegen de weinige antischimmelmiddelen die er zijn.

    Voor een deel gaat het om een technische uitdaging: het is lastig om antischimmelmiddelen te ontwikkelen die niet ook onze cellen vernietigen. Maar we kunnen geen geneesmiddel ontwikkelen als we het niet proberen – en op dit moment is het onderzoek dat naar schimmels gedaan wordt rampzalig. Om een voorbeeld te geven: cryptokokken meningitis, een schimmelinfectie, doodt meer mensen dan bacteriële meningitis veroorzaakt door Neisseria meningitidis, en toch is er voor deze laatste aandoening meer dan drie keer zoveel onderzoeksgeld beschikbaar.

    Schimmelpathogenen staan gewoon niet op de radar van overheidsfondsen – slechts 1,5 procent van alle financiering voor onderzoek naar infectieziekten gaat naar deze ziekteverwekkers. Aangezien potentiële winsten beperkt zijn, zijn ook farmaceutische bedrijven weinig gemotiveerd om te investeren in onderzoek en ontwikkeling op dit gebied.

    Om de leemte op te vullen moeten volksgezondheidsinstanties hun steun voor de studie naar schimmelziekten verhogen, zoals ze onlangs ook deden voor Valley fever. Ook de Amerikaanse Biomedical Advanced Research and Development Authority (BARDA), die via publiek-private samenwerking vaccins en geneesmiddelen helpt ontwikkelen voor volksgezondheidscrises, zal er een prioriteit van moeten maken. Geen van de 83 initiatieven op de lijst van medische tegenmaatregelen die de website van BARDA vermeldt, is gericht op schimmelpathogenen. BARDA heeft wel aangekondigd de ontwikkeling van nieuwe antischimmelmiddelen te steunen.

    Deze tijd vraagt ook om nederigheid. In de jaren zestig dachten sommige prominente experts ten onrechte dat infectieziekten een afnemende bedreiging vormden. Maar de natuur zit vol verrassingen. Van 2012 tot 2021 deed ik bij CDC onderzoek naar uitbraken. Mijn collega’s en ik onderzochten ebola, hondsdolheid, pokken- en coronavirussen, en we konden van dichtbij zien hoe op de meest gruwelijke en onverwachte manieren ziekten ontstonden als gevolg van de wijze waarop mensen omgaan met dieren en het milieu. Hoe verwoestend deze ziekten zijn ontdekken we vaak pas als we ons midden in een regelrecht rampscenario bevinden. Tot nu toe is slechts 5 procent van de naar schatting 1,5 miljoen schimmelsoorten geïdentificeerd: misschien zijn schimmels wel de grote blinde vlek van de volksgezondheid.

    Onze gezondheid is afhankelijk van een delicaat ecologisch evenwicht. Dat evenwicht bewaren, door af te stappen van fossiele brandstoffen om zo klimaatverandering te vertragen, natuurverlies te stoppen en virale spillovers te voorkomen, is misschien wel onze beste hoop om een ware schimmelhorrorshow te voorkomen.

  • EU neemt wet aan om CO2-uitstoot van auto’s tot nul te reduceren

    EU neemt wet aan om CO2-uitstoot van auto’s tot nul te reduceren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Negen militairen omgekomen bij aanval ELN op leger Colombia

    » Paus Franciscus in ziekenhuis met luchtweginfectie

    Vanaf 2035 moeten nieuwe auto’s een nuluitstoot hebben

    Landen van de Europese Unie hebben dinsdag een baanbrekende wet goedgekeurd om ervoor te zorgen dat alle nieuwe auto’s die vanaf 2035 worden verkocht geen CO2 meer uitstoten. De overeenkomst werd wekenlang vertraagd nadat Duitsland had gevraagd een uitzondering te maken voor auto’s die op e-brandstoffen rijden, schrijft de BBC. Vanaf 2030 moeten nieuwe auto’s 55 procent minder CO2 uitstoten dan in 2021.

    E-brandstoffen zouden koolstofneutraal zijn omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van opgevangen CO2-emissies om de CO2 te compenseren die vrijkomt wanneer de brandstof in een motor wordt verbrand. Verwacht werd dat de nieuwe wet de verkoop van auto’s met verbrandingsmotor in de EU vanaf 2035 onmogelijk zou maken. Doordat Duitsland echter deze vrijstelling erdoorheen heeft geloodst, kunnen mensen deze auto’s blijven kopen, terwijl e-brandstoffen nog niet op grote schaal worden geproduceerd.

    ‘Het is duidelijk waar we heen willen: in 2035 moeten nieuwe auto’s en bestelwagens een uitstoot van nul hebben’

    Personenauto’s en bestelwagens zijn volgens de Europese Commissie verantwoordelijk voor respectievelijk ongeveer 12 en 2,5 procent van de totale EU-uitstoot van CO2, het belangrijkste broeikasgas. Eerder deze maand waarschuwden de VN dat de doelstelling om de stijging van de temperatuur wereldwijd te beperken tot 1,5 graden Celsius waarschijnlijk niet zal worden gehaald.

    De Duitse minister van vervoer Volker Wissing zei dat de overeenkomst van dinsdag ‘belangrijke opties voor de wereldbevolking mogelijk maakt op weg naar klimaatneutrale en betaalbare mobiliteit’. Frans Timmermans, hoofd klimaatbeleid van de EU, voegde daaraan toe: ‘Het is duidelijk waar we heen willen: in 2035 moeten nieuwe auto’s en bestelwagens een uitstoot van nul hebben.’

    Lees ook:

  • Wetenschappers luiden noodklok over klimaatverandering

    Wetenschappers luiden noodklok over klimaatverandering

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Xi en Poetin bespreken Chinees vredesplan voor oorlog in Oekraïne

    » Biden gebruikt voor het eerst zijn veto om Republikeinse wet te blokkeren

    ‘Kom nu in actie of het is te laat’, aldus IPCC-rapport

    Wetenschappers hebben een ‘laatste waarschuwing’ afgegeven over de klimaatcrisis, nu de stijgende uitstoot van broeikasgassen de wereld tot op de rand brengt van onherstelbare schade, die alleen door snelle en drastische maatregelen kan worden afgewend, schrijft The Guardian.

    De Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC), bestaande uit ’s werelds meest vooraanstaande klimaatwetenschappers, heeft maandag het laatste deel van zijn zesde evaluatierapport gepubliceerd. Honderden onderzoekers hebben acht jaar gewerkt aan dit uitgebreide overzicht van de menselijke kennis over de klimaatcrisis. Het rapport beslaat duizenden pagina’s, maar komt neer op één boodschap: ‘kom nu in actie of het is te laat’, aldus de Britse krant.

    Extreem weer als gevolg van klimaatverandering heeft in alle regio’s geleid tot meer doden door toenemende hittegolven, de verwoesting van miljoenen levens en huizen door droogte en overstromingen, een hongersnood waar miljoenen mensen onder lijden en ‘in toenemende mate onomkeerbare verliezen’ in vitale ecosystemen, zo valt te lezen in het rapport.

    Het is niet meer de vraag of de de wereldwijde temperatuurstijging de grens van 1,5 graden zal overschrijden

    Volgens Kaisa Kosonen, klimaatdeskundige bij Greenpeace International, is ‘dit rapport absoluut een laatste waarschuwing om een mondiale temperatuurstijging van 1,5 graden Celsius te voorkomen. Als regeringen gewoon doorgaan met hun huidige beleid, zal het resterende koolstofbudget opgebruikt zijn vóór het volgende IPCC-rapport’, dat in 2030 verschijnt.

    Voor Peter Thorne, de directeur van het Icarus Klimaatonderzoekscentrum van de Maynooth-universiteit in Ierland, is het niet meer de vraag of de wereldwijde temperatuurstijging volgend jaar de grens van 1,5 graden zal overschrijden. ‘We zullen, bijna ongeacht het gegeven uitstootscenario, in de eerste helft van het volgende decennium 1,5 graden bereiken. De echte vraag is of onze collectieve keuzes betekenen dat we stabiel rond de 1,5 graden blijven hangen of door de 1,5 graden heen knallen, 2 graden bereiken en zo doorgaan.’

    Lees ook:

  • ‘Klimaatneutraal voedsel is een farce’

    ‘Klimaatneutraal voedsel is een farce’

    Steeds meer consumenten vragen zich af hoe schadelijk hun voedsel is voor het klimaat. Maar de informatie van fabrikanten is vaak niet transparant. Sommige spreken zelfs van ‘klimaatneutrale’ steaks of ‘klimaatpositieve’ babyvoeding. Niets anders dan greenwashing, aldus journalist Silvia Liebrich.

    De exotische mango heeft een glansrijke carrière achter de rug. Hij is naast zoet en sappig ook nog eens heel gezond – een superfood dus. In amper twintig jaar tijd heeft de tropische globetrotter een plek in de schappen van de supermarkt veroverd. Wat de consument in zijn winkelwagentje legt, komt meestal uit Zuid-Amerika, Zuid-Afrika of Thailand, en sinds kort ook uit Spanje en Italië – dankzij de opwarming van de aarde.

    Hier begint het probleem. Steeds meer consumenten vragen zich af hoe schadelijk hun voedsel is voor het klimaat. Wat veroorzaakt meer CO2? De mango uit Thailand die de halve wereld heeft afgereisd op een door diesel aangedreven containerschip, of het fruit uit Spanje dat tegen hoge kosten moet worden bevloeid? En hoeveel meer CO2 veroorzaakt een ingevlogen mango uit Brazilië, die – het moet gezegd – qua smaak moeilijk te overtreffen is? Kopers zoeken tevergeefs naar informatie.

    Voor één vrucht moeten een heleboel gegevens worden verzameld om een betrouwbare CO2-balans op te kunnen stellen. Welke machines worden op de plantage gebruikt, welke pesticiden en meststoffen? Levert de zon of een kolencentrale de energie voor de koelcel? En hoe zit het met verpakking, transport en logistiek? Het wordt nog ingewikkelder wanneer de mango belandt in yoghurt, ijs of een kant-en-klare Aziatische saus. Consumenten weten dat weinig of geen vlees eten hun eigen CO2-afdruk aanzienlijk verbetert. Maar dat alleen is niet genoeg. Uit studies blijkt dat veel mensen het klimaateffect van verschillende levensmiddelen verkeerd inschatten. Ze zien een bio-label ten onrechte als indicatie van klimaatvriendelijkheid.

    ‘Klimaatneutraal’

    Consumenten hebben betrouwbare informatie nodig, willen ze hun klimaatvoetafdruk kennen en kunnen naleven. Alleen voedingsleveranciers kunnen die informatie geven. Dit betekent dat de industrie en handel in voeding, net als andere sectoren, de komende jaren een enorm probleem moeten oplossen. Om de klimaatdoelstellingen te halen, moet de CO2-voetafdruk in de hele toeleveringsketen aanzienlijk worden verminderd. Duitsland wil in 2045 een redelijk klimaatneutrale economie hebben. De complete voedingssector – van land tot keukentafel en vuilnisbak – is goed voor 40 procent van de totale uitstoot in de Europese Unie. Er moet dus heel wat aan gesleuteld worden.

    De balans opmaken voor afzonderlijke levensmiddelen is een enorme uitdaging en gaat gepaard met fouten – zoveel is nu al duidelijk.

    De ‘klimaatneutrale’ biefstuk of zelfs ‘klimaatpositieve’ babyvoeding die het etiket belooft, is niets anders dan greenwashing. Zo’n label verdoezelt het feit dat geen enkel levensmiddel echt klimaatneutraal kan worden geproduceerd. In het beste geval worden producten ‘klimaatneutraal’ gemaakt doordat hun uitstoot wordt gecompenseerd met het planten van bomen. Met twijfelachtige uitkomst, want het is eenvoudigweg niet mogelijk om goed te voorspellen hoeveel CO2 dergelijke bossen op lange termijn daadwerkelijk opslaan. Geschikte gebieden zijn sowieso schaars. Bovendien blijken herbebossingsprojecten bij nader inzien een fabel te zijn. En zelfs als alles volgens het boekje verloopt, vormen natuurkrachten en menselijke roofbouw onvoorspelbare variabelen.

    Tot nu toe is het klimaatlabel op voedselverpakkingen vooral een reclameboodschap

    Het label ‘klimaatneutraal’ is al helemaal een farce als bedrijven niet transparant maken hoe ze aan hun cijfers komen en tegelijkertijd nauwelijks iets doen om hun CO2-uitstoot in de hele toeleveringsketen te verminderen. Winkelketens als Rewe en Rossmann trokken hun labels in na kritiek van consumentenvoorvechters en een shitstorm in sociale media. De belangrijkste brancheorganisatie, de Bundesvereinigung der Deutschen Ernährungsindustrie, waarschuwt leden nadrukkelijk dat bedrijven zich met hun beloftes blootstellen aan greenwashing.

    Tot nu toe is het klimaatlabel op voedselverpakkingen vooral een reclameboodschap waarvan de consument het waarheidsgehalte niet kan controleren. Er ontbreken algemeen geldende normen voor beloftes over klimaatbescherming. De EU-Commissie wil die tekortkoming wegwerken met regels die vergelijkbaar zijn met de zogenaamde Health Claims van ruim vijftien jaar geleden. Het geschil over die voedings- en gezondheidsclaims sleepte zich jarenlang voort, en een soortgelijke situatie kan zich ook voordoen bij de klimaatbeloftes op voedingsmiddelen.

    Consumenten zijn daar niet mee geholpen. Zij hebben behoefte aan betrouwbare informatie over hoeveel broeikasgas de koekjes, chips, worst of melk in hun winkelwagentje daadwerkelijk veroorzaken, bij voorkeur uitgesplitst naar porties of gewicht. Informatie op de verpakking verwijst vaak naar honderd gram; een CO2-vermelding kan daar gemakkelijk aan worden toegevoegd. De lezer krijgt geleidelijk aan een gevoel voor verhoudingen, wat een positief neveneffect is. Wie leert dat koemelk vier keer zo veel CO2 produceert als havermelk, kiest misschien vaker voor het plantaardige alternatief.

    De Europese Unie wil het tempo van klimaatmaatregelen opvoeren

    De voedingsindustrie moet zich aan deze eisen aanpassen. Zij heeft duurzame oplossingen nodig voor een klimaatvriendelijker toekomst. Elk bedrijf zal inspanningen moeten leveren om te hervormen en moet dat holistisch aanpakken. Grote bedrijven zoals Nestlé, maar ook enkele kleinere producenten, zijn al aan het herstructureren en hebben zichzelf duidelijke klimaatdoelstellingen opgelegd. Maar het grootste deel van de industrie staat nog aan het begin van deze transformatie. Die zal alleen slagen als het klimaatprobleem de chefsache wordt: het centrale criterium bij elke bedrijfsbeslissing. Alleen wie zijn processen tot in de puntjes kent, kan uitstoot effectief verminderen.

    De politieke druk om te handelen neemt toe: de Europese Unie wil het tempo van klimaatmaatregelen opvoeren en voor steeds meer emissies een CO2-toeslag opleggen. Economische activiteiten die schadelijk zijn voor het klimaat worden een kostenfactor, waardoor voedsel voor de consument uiteindelijk nog duurder wordt. Bedrijven die hun CO2-voetafdruk onder controle hebben, zijn in het voordeel. De CO2-toeslag krijgt dus een sturende functie.

    Bedrijven moeten waar mogelijk hun eigen uitstoot verminderen. De belangrijkste hefboom hierbij is de energievoorziening. Wie overschakelt op hernieuwbare energiebronnen staat er al beter voor. Wie goed naar het productieproces kijkt, ziet nieuwe mogelijkheden om te besparen. Wie zijn werknemers daarbij betrekt, wint op twee manieren. Creatieve oplossingen en samenwerking worden gestimuleerd. Wie werkt er niet graag voor een baas die klimaatmaatregelen serieus neemt? Zo wordt het ook nog eens gemakkelijker om geschoold personeel – dat schaars is – te werven.

    Stap voor stap

    Er moet wel een enorme hoeveelheid gegevens worden verzameld en geanalyseerd voor elk product en de ecologische voetafdruk. Dat baart veel levensmiddelenbedrijven zorgen. Vertegenwoordigers van de industrie benadrukken vaak dat dit onredelijk is en voor veel bedrijven eenvoudigweg niet te financieren valt. Maar wie dat beweert, sluit zijn ogen voor de veranderingen die er hoe dan ook aankomen. Bovendien verwacht niemand dat bedrijven van de ene op de andere dag een perfecte klimaatbalans presenteren; de transformatie kan alleen geleidelijk tot stand worden gebracht. Die begint meestal op het hoofdkantoor en wordt dan stap voor stap uitgebreid tot de hele toeleveringsketen.

    Daarnaast moeten fabrikanten ook het voedsel dat zij produceren analyseren en balanceren. Digitalisering is daarbij een cruciaal instrument. Particuliere dienstverleners zoals de start-up Eaternity bouwen steeds grotere databanken met CO2-gegevens voor allerlei soorten voedsel. Zelfs exotische specerijen worden geïnventariseerd en individueel geëvalueerd naar herkomst en productieomstandigheden. Dergelijke programma’s zijn gebaseerd op wetenschappelijke gegevens, bewegen mee met de stand van het onderzoek en worden regelmatig bijgewerkt. Zij verschaffen dus redelijk betrouwbare informatie.

    Ingevlogen fruit veroorzaakt tien keer meer broeikasgassen dan fruit dat per schip wordt vervoerd

    Sommige exploitanten van bedrijfskantines en restaurants gebruiken dergelijke databanken al om de CO2-voetafdruk van individuele recepten te berekenen. Gasten kunnen ze gebruiken als leidraad bij het kiezen van gerechten. Dit is ook een betaalbare oplossing voor de levensmiddelenindustrie en de detailhandel.

    Vandaag is er al veel mogelijk. Zelfs de mango in de supermarkt is geen CO2-raadsel meer. Het is bijvoorbeeld bekend dat ingevlogen fruit tien keer meer broeikasgassen veroorzaakt dan fruit dat per schip wordt vervoerd. Er is niet veel voor nodig om de consument hierover te informeren met een mededeling op de fruitafdeling. Maar zonder politieke druk zal dat waarschijnlijk niet gebeuren. Detailhandelaren en fabrikanten moeten daarom in de toekomst verplicht worden om CO2-informatie bij levensmiddelen te vermelden. Alleen dan ontstaat de transparantie die de consument nodig heeft om klimaatvriendelijk te kunnen eten.

    Lees ook:

  • Klimaatverandering maakt tampons (en veel andere spullen) duurder

    Klimaatverandering maakt tampons (en veel andere spullen) duurder

    Katoenboeren in Texas, de grootste katoenexporteur ter wereld, verloren vorig jaar bijna driekwart van hun oogst door hitte en droogte. Hierdoor steeg wereldwijd de prijs van basisproducten als tampons en luiers. Inflatie wordt zo steeds vaker aangejaagd door klimaatverandering.

    De berekeningen van het ministerie van Landbouw vorige maand toonden een verontrustend resultaat: het jaar 2022 was een ramp voor katoen in Texas, de staat waar de ruwe vezel wordt geteeld om te worden verwerkt in tampons, luiers, gaaskompressen en andere producten voor wereldwijd gebruik.

    Nooit eerder waren de verliezen zo groot. Texaanse boeren raakten 74 procent van hun aangeplante gewassen kwijt – bijna 2,4 miljoen hectare – aan de enorme droogte, die nog werd verergerd door klimaatverandering.

    Door die verliezen steeg de prijs van tampons in de Verenigde Staten het afgelopen jaar met 13 procent en die van katoenen luiers met 21 procent. Watjes van katoen werden 9 procent duurder en verbandgaas 8 procent. Dat ligt allemaal ruim boven de nationale inflatie van 6,5 procent in 2022, aldus gegevens van de marktonderzoeksbureaus NielsenIQ en The NPD Group. Dit voorbeeld laat zien dat klimaatverandering invloed heeft op de kosten van het dagelijks leven, zonder dat consumenten zich dat waarschijnlijk realiseren.

    In Pakistan hebben zware overstromingen de helft van de katoenoogst vernield

    West-Texas is de belangrijkste bron van katoen voor de Verenigde Staten, de derde grootste producent en de grootste exporteur ter wereld. Dat betekent volgens economen dat de ineenstorting van de katoenoogst in West-Texas ook buiten de Verenigde Staten voelbaar zal zijn in winkels over de hele wereld.

    ‘Klimaatverandering is een verborgen aanjager van inflatie,’ zegt Nicole Corbett, vicepresident van NielsenIQ. ‘Naarmate extreem weer gevolgen blijft hebben voor gewassen en productiecapaciteit, zullen de kosten van eerste levensbehoeften blijven stijgen.’

    Aan de andere kant van de wereld, in Pakistan, ’s werelds zesde grootste producent van het zogeheten upland-katoen, hebben zware overstromingen de helft van de katoenoogst vernield. De overstromingen ontstonden deels door klimaatverandering.

    Blik in de toekomst

    Het Texaanse katoen biedt ons een blik in de toekomst. Wetenschappers voorspellen dat de opbrengst in het zuidwesten zal blijven dalen onder invloed van hitte en droogte. Daardoor zullen de prijzen van veel essentiële producten verder stijgen. Volgens een studie uit 2020 is in Arizona de productie van katoen al verminderd en zal in die regio tussen 2036 en 2065 de opbrengst dalen met 40 procent.

    Katoen is ‘een graadmeter’, zegt Natalie Simpson, expert aan de Universiteit van Buffalo in logistiek van toeleveringsketens. ‘Als het weer het gewas destabiliseert, zie je bijna onmiddellijk de gevolgen. Dat geldt overal waar het geteeld wordt. Het aanbod waarvan iedereen afhankelijk is, zal er in de toekomst heel anders uitzien dan nu. Die trend is nu al zichtbaar.’

    Decennialang was de katoenoogst in het zuidwesten afhankelijk van water uit de Ogallala Aquifer, [waterhoudende grondlaag] die onder acht westelijke staten loopt en zich uitstrekt van Wyoming tot Texas. Maar de aanvoer van de Ogallala neemt af, mede als gevolg van klimaatverandering, aldus de 2018 National Climate Assessment, een rapport van dertien federale agentschappen. ‘Grote delen van de Ogallala Aquifer moeten nu worden beschouwd als een niet-hernieuwbare bron,’ aldus het rapport.

    Uit deze regio trokken in de jaren dertig meer dan twee miljoen mensen weg tijdens de Dust Bowl-stofstormen die werden veroorzaakt door ernstige droogte en slechte landbouwpraktijken. John Steinbeck beschreef het trauma in zijn beroemde epos The Grapes of Wrath, over een familie van katoenboeren die uit hun huis in Oklahoma werd verdreven. Mark Brusberg, meteoroloog bij het ministerie van Landbouw, moet de laatste tijd vaak aan deze roman denken. ‘Destijds leidde de Dust Bowl tot een massale migratie van landbouwers. Die trokken weg van een plek waar ze niet langer konden overleven, en bouwden een nieuw leven op,’ zegt Brusberg. ‘We moeten uitzoeken hoe we kunnen voorkomen dat dit opnieuw gaat gebeuren.’

    ‘Dit is een van de slechtste landbouwjaren die ik ooit heb meegemaakt’

    Uiteindelijk leefde de landbouwgrond boven de Ogallala weer op doordat boeren de Aquifer gebruikten om hun akkers te bevloeien. Maar nu hitte en droogte weer zijn toegenomen en de Aquifier slinkt, keren de stofstormen terug, zo blijkt uit de National Climate Assessment. Door klimaatverandering zullen in een groot deel van de Ogallala-regio de komende vijftig jaar de droogteperiodes langer en intenser worden, aldus het rapport. Barry Evans, een vierde generatie katoenboer in de buurt van Lubbock, Texas, heeft geen wetenschappelijk rapport nodig om hem dat te vertellen. Afgelopen voorjaar plantte hij 970 hectare katoen. Hij oogstte er slechts tweehonderd.

    ‘Dit is een van de slechtste landbouwjaren die ik ooit heb meegemaakt,’ zegt hij. ‘We hebben veel van de Ogallala Aquifer verloren en dat komt niet meer terug.’ Toen Evans in 1992 begon met het verbouwen van katoen kon hij ongeveer 90 procent van zijn velden irrigeren met water uit de Ogallala, vertelt hij. Nu is dat nog maar 5 procent en het wordt steeds minder. Hij plant het katoen in wisselteelt met andere gewassen en gebruikt nieuwe technologieën om het beetje kostbare vocht dat uit de lucht valt optimaal te kunnen gebruiken. Maar om zich heen ziet hij dat boeren het opgeven. ‘De achteruitgang van de Ogallala heeft veel mensen doen besluiten vervroegd met pensioen te gaan,’ zegt hij.

    Kody Bessent is algemeen directeur van Plains Cotton Growers Inc., dat boeren vertegenwoordigt die katoen verbouwen op 1,6 miljoen hectare in Texas. Volgens hem zou dat areaal normaal gesproken 4 of 5 miljoen balen katoen moeten produceren. Maar de productie voor 2022 wordt geschat op 1,5 miljoen balen – de kostenpost voor de regionale economie bedraagt daarmee ongeveer 2 tot 3 miljard dollar, aldus Bessent. ‘Dat is een enorm verlies,’ zegt hij. ‘Het is een tragisch jaar.’

    Geconcentreerd

    Anders dan Pima-katoen, een bekendere verwant, is het zogenoemde upland-katoen korter en grover. Het wordt ook veel meer verbouwd en vormt het hoofdbestanddeel van goedkope kleding en basisproducten voor huishouden en hygiëne.

    Upland-katoen wordt ook in de Verenigde Staten het meest geteeld en de oogst is vooral geconcentreerd in Texas. Dat is ongebruikelijk voor zo’n belangrijk handelsgewas. Andere gewassen zoals maïs, tarwe en sojabonen kunnen ook worden getroffen door extreme weersomstandigheden, maar zijn geografisch verspreid, zodat een ingrijpende gebeurtenis slechts een deel van het gewas treft, aldus Lance Honig, econoom bij het ministerie van Landbouw. ‘Daarom heeft deze droogte zo’n grote impact op de nationale oogst,’ vertelt Honig.

    ‘De prijzen zijn torenhoog geworden en dat wordt allemaal doorberekend aan de consument’

    Handelaar Sam Clay van Toyo Cotton Company uit Dallas, die upland-katoen inkoopt bij boeren en verkoopt aan fabrieken, vertelt hoe de tegenvallende oogst hem in het nauw heeft gedreven. ‘De prijzen zijn torenhoog geworden en dat wordt allemaal doorberekend aan de consument.’ Dat heeft hij zelf ook ondervonden. ‘Anderhalf jaar geleden kocht ik zes Wrangler-jeans voor 35 dollar per stuk. Nu betaal ik 58 dollar voor een broek.’

    Ten minste 50 procent van de denim in elke jeans van Wrangler en Lee is geweven van katoen uit de Verenigde Staten, en de kosten van dat bestanddeel kunnen meer dan de helft van het prijskaartje uitmaken, aldus Jeff Frye, onderdirecteur duurzaamheid van Kontoor Brands, dat eigenaar is van beide merken. Frye en anderen die in denim handelen, wijzen echter ook op andere factoren die de prijs hebben opgedreven, zoals het verbod op de invoer van katoen uit Xinjiang, hoge brandstofkosten en de complexe logistiek om materialen te transporteren.

    Persoonlijke verzorgingsproducten zoals tampons en gaasverband zijn het meest gevoelig voor stijgende grondstofprijzen. Dat komt omdat ze weinig arbeid of bewerking vergen zoals verven, spinnen of weven, aldus Jon Devine, econoom bij onderzoeks- en marketingbedrijf Cotton Incorporated.

    De prijs van Tampax, de tampongigant die jaarlijks wereldwijd 4,5 miljard doosjes verkoopt, begon vorig jaar snel te stijgen. In een gesprek in januari over verkoopcijfers zei Andre Schulten, financieel directeur van Procter & Gamble dat Tampax maakt, dat ook hij zich vanwege de stijgende kosten van grondstoffen gedwongen zag de prijzen te verhogen.

    Het zondagse winkelpubliek in een Walmart in Alexandria, Virginia, ontgaan deze stijgende prijzen niet. ‘De prijs van een gewone doos Tampax is gestegen van 9 naar 11 dollar,’ aldus Vanessa Skelton, consultant en moeder van een driejarige. ‘En dat zijn maandelijkse kosten.’

    ‘Er is geen specifiek economisch argument om katoen te verbouwen in West-Texas’

    Volgens katoenboeren kan Washington helpen door de steun te verhogen middels de landbouwwet, die dit jaar door het Congres wordt vernieuwd. Volgens Daniel Sumner, landbouweconoom aan de Universiteit van Californië in Davis, heeft de Amerikaanse belastingbetaler de afgelopen vijf jaar gemiddeld 1 miljard dollar per jaar bijgedragen aan subsidies voor oogstverzekeringen voor de Texaanse katoenboeren.

    Boeren zoals Evans zeggen meer geld te willen voor rampenbestrijdingsprogramma’s om de gevolgen van de toenemende droogte op te vangen, en voor bodembedekkende gewassen die het vocht vasthouden. Ze hopen ook dat de vooruitgang in genetisch gemodificeerde zaden en andere technologieën kan helpen het Texaanse katoen in stand te houden.

    Maar volgens sommige economen heeft het misschien geen zin om een gewas te blijven subsidiëren dat bij opwarming van de aarde in een aantal regio’s niet langer levensvatbaar is. ‘Sinds de jaren dertig zijn overheidsprogramma’s fundamenteel voor de katoenteelt,’ zegt landbouweconoom Sumner. ‘Maar er is geen specifiek economisch argument om katoen te verbouwen in West-Texas nu het klimaat verandert. Heeft het economisch gezien enig nut om in een landbouwwet te stellen dat West-Texas is gebonden aan katoen? Nee.’

    Op de lange termijn kan dit betekenen dat katoen niet langer het belangrijkste bestanddeel zal zijn voor allerlei producten zoals tampons en textiel, aldus Sumner, ‘en dat we bijvoorbeeld allemaal polyester gaan gebruiken’.

    Lees ook:

  • Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Om onze vleesconsumptie te verminderen is nepvlees nodig dat minstens net zo lekker is als vlees waarvoor een dier is geslacht. Deze Amerikaanse start-up heeft de oplossing: plantaardig vlees met toegevoegd varkensvet dat gekweekt is in een laboratorium.

    Vorige maand werd ik aan een eettafel in een zonnige hotelsuite in New York City volledig verrast door een reepje nepbacon. Ik was er voor de proeverij van een nieuw soort plantaardig vlees. Net als de meeste Amerikanen had ik dat al eens eerder geprobeerd, al had ik er nooit zo’n zin in als in echt vlees. Maar nog voor ik de bacon geproefd of zelfs maar gezien had, wist ik al dat dit anders was. De geur van zout, rook en sissend vet die uit de nabijgelegen keuken kwam leek onmiskenbaar echt. De knapperige baconreepjes zagen er ook echt uit: tijgerstrepen met goudkleurig vet, gepresenteerd op een miniatuur BLT-sandwich. De knapperigheid maakte plaats voor een bevredigende beet, gevolgd door een walnootachtige smaak en de onvergelijkbare sappigheid van dierlijk vet.

    Ik wist dat het geen echte bacon was, maar even tuimelde ik er bijna in. De bacon was inderdaad gemaakt van planten, net als de hamburgers die je kunt kopen van merken als Impossible Foods en Beyond Meat. Maar het was gemengd met echt varkensvet. Nou ja, soort van. Wat door het ‘vlees’ marmerde was niet afkomstig van een geslacht varken, maar van een levend varken waarvan vetcellen waren afgenomen die vervolgens waren opgekweekt in een vat.

    Dat in het lab gekweekte of ‘gecultiveerde’ vet wordt gemaakt door Mission Barns, een startup uit San Francisco die als doel heeft om mensen te overtuigen van de kwaliteit van plantaardig vlees. En het lijkt erop dat veel mensen overtuigd moeten worden. Producenten van plantaardig vlees, voor wie een paar jaar geleden succes verzekerd leek, hebben het nu moeilijk. Toen de nieuwigheid van het ‘bloeden’ van plantaardig eiwitten eenmaal voorbij was, werd het voor consumenten lastiger om de hoge prijs, de matige voedingswaarde en de ‘best-wel-oké’-smaak van plantaardig vlees voor lief te nemen, zeggen voedseldeskundigen. In 2021 en 2022 verloren veel fastfoodketens die ooit een grote rol speelden op dit gebied – Burger King, Dunkin’, McDonald’s – de interesse om het nog te verkopen. In de afgelopen vier maanden hebben de twee meest zichtbare bedrijven die plantaardig vlees maken, Beyond Meat en Impossible Foods, ontslagen aangekondigd.

    Ondertussen ligt de toekomst van andere alternatieven voor vlees – een laboratoriumvariant die moleculair gezien identiek is aan echt vlees – nog minstens enkele jaren in het verschiet, ergens tussen science fiction en werkelijkheid in. Maar we kunnen niet wachten met minder vlees eten. Het is een van de beste dingen die we als burgers kunnen doen voor het klimaat en het neemt ook nog eens de zorgen over dierenleed en gezondheid weg. Vet uit laboratoria zou de brug kunnen zijn. Het wordt op dezelfde manier gemaakt als vlees uit laboratoria, maar is veel eenvoudiger te produceren en kan worden gemengd met bestaande plantaardige voedingsmiddelen, vertelt Elysabeth Alfano, CEO van investeringsbedrijf VegTech Invest. Als zodanig zal het waarschijnlijk veel eerder commercieel beschikbaar worden – misschien zelfs al binnen een paar jaar. Mogelijk is alles wat nodig is om nepvlees te redden slechts een beetje dierlijk vet.

    Mondgevoel

    Dierlijk vet is culinaire magie. Het geeft een hamburger zijn sappigheid en laat een boterachtig laagje achter op de tong. Het ontbreken ervan is de reden dat kipfilet zo flets smaakt. Vet, schreef kok Samin Nosrat in Salt, Fat, Acid, Heat, is ‘de bron van een rijke smaak en van een specifiek gewenste textuur’. Het nepvlees dat nu op de markt is, schiet tekort op het gebied van smaak en textuur. De meeste producten benaderen vlezigheid met een mengsel van plantaardige oliën, smaakstoffen, bindmiddelen en zout, dat zeker vleziger is dan de vroegere burgers van bonen, maar nog verre van perfect. Voedselblog Serious Eats wees bijvoorbeeld op onaangename geuren, althans vóór het koken, zoals die van kattenvoer en kokos. Op moleculair niveau heeft plantaardig vet moeite om zijn dierlijke tegenhanger na te bootsen. Kokosolie, dat vaak wordt gebruikt in plantaardig vlees, is bij kamertemperatuur vast, maar smelt bij relatief lage hitte, zodat het tijdens het koken in de pan achterblijft. Daardoor is het mondgevoel van plantaardig vlees eerder vettig dan weelderig.

    Als we die plantaardige oliën vervangen door gekweekt dierlijk vet, dat bij verhitting zijn structuur behoudt, zouden de smaak en sappigheid behouden blijven die je van echt vlees verwacht, zegt Audrey Gyr. Ze is specialist startupinnovatie bij het Good Food Institute, een non-profit die zich inzet voor vleesalternatieven. In zekere zin is de techniek waarbij dierlijk vet wordt ingezet om planten op smaak te brengen niet nieuw. Kippenvet wordt al sinds lang gebruikt om een rijke nootachtige smaak aan aardappelkoekjes te geven; gesmolten guanciale [Italiaans wangspek] geeft een klassieke pasta amatriciana zijn sappigheid. Plantaardige bacon versterkt met varkensvet volgt dezelfde culinaire traditie, maar is zeer hightech. In enorme bioreactoren worden vetcellen van een levend dier opgekweekt en gevoed met van planten afkomstige suikers, eiwitten en andere groeicomponenten. Na verloop van tijd vermenigvuldigen ze zich tot een massa vetcellen: een zachte, bleke vaste stof met een robuuste smaak, die doet denken aan de witte substantie die om een varkenskarbonade zit of in een biefstuk marmert.

    Zo uit de bioreactor lijkt het vet ‘een beetje op margarine’, zegt Ed Steele, medeoprichter van het in Londen gevestigde bedrijf Hoxton Farms. Het is een ingewikkeld proces, maar wel veel makkelijker dan de ontwikkeling van kweekvlees, waarbij veel celtypen moeten worden omgezet in stijve spiervezels. Vet bestaat maar uit één type cel en is als vormloze klodder het meest bruikbaar. Net als in het menselijk lichaam zijn enkel tijd, ruimte en een gestaag infuus van suikers, oliën en andere vetten nodig, zegt Eitan Fischer, CEO van Mission Barns. De bacon van mijn proeverij was gemaakt door gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit, het mengsel te pekelen en te roken en het vervolgens in baconachtige reepjes te snijden. Door slechts 10 procent gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit kan een product al smaken en aanvoelen als echt vlees.

    Gekweekt vet kan met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is

    Gekweekte vetproducten zijn al in zicht. Mission Barns is van plan zijn gekweekte vet te verwerken in zijn eigen plantaardige producten; Hoxton Farms hoopt zijn vet rechtstreeks te verkopen aan bestaande fabrikanten van plantaardig vlees. Andere bedrijven, zoals de Belgische startup Peace of Meat, het in Berlijn gevestigde Cultimate Foods en het op vis gerichte ImpacFat uit Singapore, werken ook aan hun eigen versies van gekweekt vet. In theorie kan het vet worden gemengd met vrijwel elk soort plantaardig vlees, zoals vleesklompjes, worstjes of paté. In de VS ligt de weg naar de markt al open. Afgelopen november kreeg gekweekte kip van de Californische startup Upside Foods toestemming van de Food and Drug Administration (FDA); nu is het wachten op aanvullende toestemming van het ministerie van Landbouw. In afwachting van wettelijke goedkeuring zegt Mission Barns klaar te zijn om haar producten in een paar supermarkten en restaurants te lanceren. Daaronder ook een overtuigende, varkensvleesachtige gehaktbal op plantaardige basis die ik ook op de proeverij heb geprobeerd. In afwachting van de FDA-toestemming moest ik een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen voordat ik mocht proeven.

    Ik verliet de proeverij met dierlijk vet op mijn lippen en een nieuwe overtuiging in mijn hoofd: voor de juiste prijs zou ik deze bacon kopen in plaats van het gewone spul. Omdat gecultiveerd vet kan worden gemaakt zonder dieren te schaden – de vetcellen in de bacon die ik proefde waren afkomstig van een vrolijk scharrelvarken genaamd Dawn, aldus een pr-medewerker van Mission Barns – kan het aantrekkelijk zijn voor flexitariërs zoals ik, die gewoon minder vlees willen eten.

    Hoewel er geen garantie is dat het thuis net zo goed zou smaken als na de bereiding door de privékok van Mission Barns, kan gekweekt vet met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is. Volgens Jennifer Bartashus, analist verpakte levensmiddelen van Bloomberg Intelligence, is gekweekt vet ‘de volgende stap in het smakelijker maken van milieuvriendelijk voedsel voor de doorsneeconsument’.

    Pakkende naam

    Maar gekweekt vet heeft wel nog steeds te kampen met enkele van dezelfde problemen die ons van plantaardig vlees hebben afgehouden. De huidige producten op de markt zijn niet bijzonder gezond en gekweekt vet zou daar niets aan veranderen. Het opbouwen van consumentenvertrouwen en vertrouwdheid met de producten kan ook een probleem zijn. Sommige mensen zijn huiverig voor plantaardige producten omdat ze niet weten waar ze van gemaakt zijn. Het meer complexe begrip ‘gekweekt vet’ is op z’n best net zo onappetijtelijk. ‘We weten nog steeds niet precies hoe de consument zal denken over gekweekt vet,’ zegt Gyr. Een pakkende naam voor deze producten zou zeker helpen, maar het kost me moeite om een omschrijving te vinden die minder stroef klinkt dan ‘plantaardig vlees op smaak gebracht met gekweekt dierlijk vet’. Tenzij bedrijven met gecultiveerd vet hun marketing echt goed aanpakken, zouden ze wel eens dezelfde weg kunnen afleggen als ‘gemengd vlees’– mengsels van plantaardig eiwit en echt vlees die in 2019 werden geïntroduceerd door drie vleesbedrijven, wat ‘nogal een mislukking’ was, aldus Gyr.

    Het belangrijkst is echter de prijs ten opzichte van die van traditioneel vlees. De hogere kosten van plantaardig vlees zijn deels de oorzaak van de ineenstorting van de sector, en producten met gekweekt vet zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk niet goedkoper worden. Fischer, van Mission Barns, zegt dat de huidige kleine productieschaal van zijn bedrijf de producten ‘vrij duur’ maakt in vergelijking met traditionele vleesproducten. Steele van Hoxton Farms zegt te hopen dat bedrijven die gekweekt vet in hun plantaardige vleesrecepten gebruiken niet meer hoeven uit te geven dan nu.

    Ondanks deze obstakels is geteeld vet veelbelovend voor de kwijnende plantaardige vleesindustrie, omdat het absoluut lekker is. Gekweekt vet zou ‘kunnen leiden tot een nieuwe ronde van innovatie die weer consumenten zal aantrekken’, aldus Bartashus. Plantaardig en echt vlees zullen immers rond 2026 op een gelijke prijs kunnen uitkomen, waardoor mogelijk meer bedrijven geïnteresseerd zullen raken in de vleesalternatieven. Gekweekt vet zou ons warm kunnen maken voor de toekomst van volledig gekweekt vlees. En na verloop van tijd kan een in het laboratorium gekweekte kipfilet net zo saai worden als gewone kipfilet.

    Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen

    Aan het enthousiasme over gekweekt vet, en nepvlees in het algemeen, hangt een uitgesproken techno-optimistisch tintje – alsof het gemakkelijk zal worden om alle vleeseters over te halen om in baconvet gehulde planten te omarmen. ‘Uiteindelijk is ons doel om de huidige conventionele vleesprijzen te overtreffen, of het nu gaat om gehaktballen of bacon,’ aldus Fischer. Maar zelfs nu de problemen rond het eten van vlees alleen maar duidelijker zijn geworden, blijft de consumptie ervan in de VS stijgen. Mondiaal gezien zal de vleesconsumptie in landen als India en China de komende jaren naar verwachting explosief stijgen. Gekweekt vet biedt de consument op zijn minst een andere optie. Biefstuk bij de ene maaltijd en plantaardig vlees bij de volgende kan al als winst worden gezien.

    Sinds de proeverij heb ik vaak nagedacht over de reden waarom de bacon me zo perplex deed staan. Knagend op de knapperige gouden rand van een van de reepjes wist ik dat ik echt baconvet at. Maar mijn hersenen worstelen nog steeds met het idee dat het niet rechtstreeks van een stuk varkensvlees afkomstig was. Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen. Als gekweekt vet de tijd kan overbruggen totdat vlees werkelijk in een laboratorium kan worden gekweekt, hebben deze nieuwe producten hun steentje al bijgedragen. En in de tussentijd vinden we ze misschien wel goed genoeg.

    Lees ook:

  • Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    De afgelopen jaren is de kledingindustrie zich steeds bewuster geworden van de noodzaak om kleding te recyclen. Een veelbelovende ontwikkeling, maar is het genoeg om de enorme jaarlijkse hoeveelheid afgedankte kleding te verwerken?

    Het bedrijf Renewcell heeft in het Zweedse kustplaatsje Sundsvall een nieuwe textielrecyclingfabriek geopend die zo groot is dat werknemers een fiets gebruiken om van de ene kant van de productielijn naar de andere te komen. Grote balen katoenafval worden op een lopende band gestort, aan flarden gescheurd en in een natte smurrie veranderd met behulp van chemicaliën. Deze smurrie, die oplossende pulp wordt genoemd, wordt vervolgens gebleekt, gedroogd en tot vellen geperst die lijken op gerecycled kraftpapier en onder de merknaam Circulose naar fabrieken worden gestuurd om tot textielsoorten als viscose te worden verwerkt voor kleding.

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen of is ze gemaakt van waterflessen, visnetten en oude tapijten. (Er bestaat al technologie om polyester tot polyester te recyclen maar die is zo duur dat ze maar zelden wordt gebruikt.)

    De fabriek van Renewcell is een van de eerste stappen naar een systeem om van oude kleding nieuwe hoogwaardige kleding te maken die geheel uit gerecyclede weefsels bestaat. Het is ook een manier om de bergen textielafval aan te pakken die zich overal op de wereld ophopen en te zorgen dat er minder bomen uit ecologisch gevoelige bossen worden opgeofferd voor de vervaardiging van kledingweefsels. (Volgens Canopy, een Canadese non-profit die zich samen met de papier- en kledingindustrie inzet voor vermindering van ontbossing, worden er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen gekapt om oplossende pulp te produceren voor uit cellulose vervaardigde vezels als rayon, viscose, modal en lyocell.)

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen

    Veel consumenten lijken zich steeds ongemakkelijker te voelen over wat er met hun oude kleren gebeurt en kledingbedrijven zoeken naar manieren om te blijven uitbreiden en zich tegelijkertijd aan hun belofte te houden om hun negatieve ecologische voetafdruk te verminderen door via een circulair systeem te voorkomen dat afgedankte kleding op de vuilstort belandt. De Europese Unie heeft al haar lidstaten verplicht hun textielinzameling voor 2025 te intensiveren, wat naar verwachting tot een aanzienlijke afname zal leiden van de hoeveelheid kledingresten waarvoor geen bestemming bestaat.

    ‘Heel opwindend,’ noemt Ashley Holding, consultant op het gebied van duurzaam textiel en oprichter van het Duitse duurzaamheidsadviesbureau Circuvate, de opening van de fabriek. ‘Geweldig om te zien dat ze al zo ver zijn gekomen.’

    Winstoogmerk

    Circulariteit op kledinggebied is niet altijd zo ingewikkeld geweest. Vóór de industrialisering maakten de meeste mensen hun eigen kleren van geheel natuurlijke materialen. De rijken gaven hun oude kleren aan hun personeel, dat ze vervolgens weer aan mensen in plattelandsgemeenten gaf door wie ze werden versteld totdat ze niet langer draagbaar waren, waarna ze bij de voddenboer belandden. Uiteindelijk werd er papier van gemaakt of kunstwol (teruggewonnen wol) voor goedkope dekens en jassen.

    Als gevolg van het ontstaan van de kledingindustrie aan het eind van de negentiende eeuw begonnen mensen die voorheen al hun kleren thuis naaiden sommige kledingstukken in winkels te kopen. Adam Minter, auteur van het boek Secondhand: Travels in the New Global Garage Sale, schrijft in een e-mail: ‘Naarmate kleding in waarde daalde en meer vrouwen in fabrieken gingen werken, hadden consumenten minder reden en tijd om hun kleding te verstellen en repareren.’

    De stroom aan ongewenste goederen nam toe en het Leger des Heils, dat aan het eind van de negentiende eeuw het licht zag in New York, begon geld voor liefdadige doelen te verdienen met het repareren en doorverkopen van kleding en huishoudelijke artikelen, aldus Minter. ‘Maar rond 1910 was de hoeveelheid ongewenste kleding en andere consumentenproducten in de VS zo groot dat liefdadigheidsinstellingen de reparaties staakten.’

    ‘Tegenwoordig eindigt de kleding van ons Amerikanen grotendeels op de vuilstort,’ zegt Maxine Bédat, die in 2021 het boek Unraveled: The Life and Death of a Garment publiceerde. ‘Het is moeilijk om aan betrouwbare cijfers te komen over hoeveel er wordt afgedankt, vooral in de Verenigde Staten. Maar we gooien onze kleding voornamelijk weg.’ 

    Voor Europa is meer data beschikbaar. Volgens een recente studie eindigt in zes West-Europese landen 62 procent van de kleding die jaarlijks op de markt komt op de vuilstort of in een verbrandingsoven.

    Wat in de VS niet wordt weggegooid komt meestal nog steeds bij liefdadigheidsinstellingen als Goodwill terecht, die alles wat onverkoopbaar is doorsluizen naar sorteerbedrijven met een winstoogmerk, aldus Maxine Bédat. Nog draagbare kleding wordt verkocht aan doorverkopers in ontwikkelingslanden en ondraagbaar textiel wordt tot lompen en laagwaardige vezels verwerkt voor bijvoorbeeld isolatie. Kleding die via inzamelingsacties bij boerenmarkten of goedkope kledingbedrijven belandt, komt meestal ook bij de eerder genoemde sorteerbedrijven met een winstoogmerk terecht.

    Zo’n 40 procent van wat de westerse wereld naar een van de grootste doorverkoopmarkten in het Ghanese Accra verscheept wordt als afval beschouwd, aldus de Or Foundation die zich inzet voor een betere verwerking van kledingafval. Bergen oude kleding zijn gefotografeerd op stranden, vuilstortplaatsen en in woestijnen in Afrika en Latijns-Amerika. ‘De doorverkoopmarkt wordt in wezen verpletterd door het gewicht van de hoeveelheid afval die ze ontvangen,’ zegt Rachel Kibbe, die leiding geeft aan het kledingadviesbureau Circular Services Group. ‘We zien bedrijven die in feite afvalverwerkers aan het worden zijn.’

    We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld

    Op dit moment wordt van maar heel weinig textielafval nieuwe kleding gemaakt. Volgens het internationale platform Fashion for Good wordt maar 2 procent van het ingezamelde textiel – zuivere wol, zuiver katoen en acryl – mechanisch tot nieuw textiel gerecycled, voornamelijk modderkleurige dekens van kunstwol voor rampenbestrijding of goedkoop katoen dat met zuiver katoen moet worden vermengd voor nieuw textiel. Tellen we de lage inzamelingsgraad daarbij op, dan komt het erop neer dat minder dan een procent van de in West-Europa verkochte kleding tot nieuwe vezels wordt gerecycled. ‘We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld,’ zegt Kibbe.

    Circulose

    De nieuwe fabriek van Renewcell accepteert alleen zuiver katoenafval, en veel kleding wordt van synthetische mengsels gemaakt. Toch zal er een heleboel zuiver katoenafval kunnen worden verwerkt, meer dan 120.000 ton per jaar. Volgens een recente studie van Fashion for Good zijn West-Europese landen jaarlijks goed voor zo’n 163.000 ton laagwaardig katoenafval dat rijp is voor chemische recycling.

    Van wereldwijd ingezameld katoen van denimfabrikanten en tweedehandswinkels maakt de fabriek vellen gedroogde oplossende pulp, Circulose genaamd, die worden verkocht als hoofdbestanddeel voor door mensen gemaakte synthetische vezels als viscose, rayon en modal. ‘Wij creëren circulariteit binnen de kledingindustrie,’ zegt Patrick Lundström, CEO van Renewcell. ‘Op dit moment bestaat circulariteit nog niet echt in de kledingindustrie. We praten al twintig jaar over hoe belastend de sector is voor het milieu, maar er is tot dusver maar bitter weinig vooruitgang geboekt.’

    De oprichters van Renewcell, onderzoekers Mikael Lindstrom en Gunnar Henriksson van het Koninklijk Instituut voor Technologie in Stockholm, ontwikkelden de technologie voor de verwerking van katoenafval in 2012. In 2014 produceerde het bedrijf genoeg gerecyclede stof voor een jurk en in 2017 werd er een demonstratiefabriekje gebouwd. Dat wekte de belangstelling van merken als Stella McCartney, dat een levenscyclusanalyse financierde waaruit bleek dat Circulose de laagste klimaatimpact had van tien verschillende synthetische vezels. In 2017 nam H&M een minderheidsaandeel in het bedrijf.

    Het bedrijf ging naar de beurs en werd in 2020 in Zweden opgenomen in de Eerste Noordelijke Groeimarkt van Nasdaq. H&M, Levi Strauss en Bestseller, een internationale kledingketen uit Denemarken, verwerken inmiddels Circulose in hun kleding. (In 2021 startte Levi’s met een capsulecollectie die 16 procent Circulose bevatte.)

    ‘De Circulose die wordt geproduceerd is heel erg waardevol omdat het een gerecycled weefsel is met de eigenschappen van onbewerkte stof,’ zegt Paul Foulkes-Arellano, de oprichter van Circuthon, een adviesbureau voor circulaire economie.

    Ook een handvol andere bedrijven nam deel aan de wedloop om op een commerciële schaal gerecyclede weefsels te produceren. Twee Finse start-ups, Spinnova en Infinited Fiber Company, hebben een patent op de technologie om van plantaardig afval weefsels te maken die aanvoelen als katoen. Spinnova zegt in 2024 op commerciële basis te zullen gaan draaien. Infinited hoopt in 2026 een fabriek te openen. De Amerikaanse start-up Evrnu zegt 31 miljoen dollar te hebben opgehaald voor zijn recyclingtechnologie en verwacht in 2024 open te gaan.

    De technologie voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels loopt nog wat achter terwijl die mengsels een groot deel vormen van de oude kleding die wordt afgedankt. De Australische start-up Block Texx hoopt in 2023 de eerste recyclingfabriek voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels op commerciële basis te openen. De Britse start-up Worn Again Technologies verklaarde afgelopen oktober meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald en bouwt in Zwitserland een fabriek voor het sorteren en recyclen van textielmengsels. De Amerikaanse start-up Circ maakte afgelopen juli bekend meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald via een financieringsronde die werd geleid door Breakthrough Energy Ventures van Bill Gates en waartoe ook een investering behoorde van Inditex, het moederbedrijf van Zara.

    ‘Plotseling loopt het storm,’ zegt Kathleen Rademan, directeur van het innovatieplatform van Fashion for Good dat een aanjager is voor duurzame kledingtechnologie. ‘Maar ik denk dat we nog maar aan het begin staan. Er wordt in dit stadium nog gevochten om geld.’

    Adviesbureau McKinsey schatte in een rapport uit 2022 dat er tot 2030 6 tot 7 miljard euro zou moeten worden geïnvesteerd om ten minste 18 procent van het in Europa gegenereerde textielafval te verwerken.

    De duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken

    Gloeiende plaat

    Critici wijzen erop dat het de duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken, zoals in de negentiende eeuw gebeurde.

    Zelfs Renewcell, dat op waterkracht draait, is niet helemaal circulair omdat het geen katoen van katoen maakt, al moet daar wel bij worden gezegd dat Levi’s bij sommige producten Circulose heeft gebruikt ter gedeeltelijke vervanging van katoen en dat laboratoriumtesten aantonen dat dit proces tot zeven keer toe kan worden herhaald, net als papierrecycling.

    ‘Recycling is energie-intensief,’ zegt Foulkes-Arellano. ‘Als we verstandig zouden zijn zouden we gewoon alle oude denim en T-shirts in stukken knippen en tot nieuwe kleding verwerken. Ik bedoel, er zijn een heleboel echt goede bedrijven die geupcycled denim verkopen. Maar grote bedrijven willen nu eenmaal nieuwe stoffen.’

    Rademan denkt dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat iemand een versleten sweatshirt zal kunnen recyclen zoals een aluminium blikje. Volgens haar is er meer geïnvesteerd kapitaal nodig voor de bouw van recyclingfabrieken, meer bereidheid bij merken om gerecyclede vezels te kopen en meer bereidheid bij kledingfabrikanten om gerecyclede producten in hun aanvoerketen op te nemen. Volgens haar zal er ze pas over tien jaar gerust op kunnen zijn dat als ze een trui in de afvalbak gooit, die niet op een slechte plek terecht zal komen. Maar in de Verenigde Staten, zegt ze, is vooruitgang afhankelijk van het politieke landschap. ‘Het ligt er maar aan wie het voor het zeggen heeft.’ 

    Holding voorspelt dat het nog tot 2050 zal duren voordat textiel op wereldwijde schaal tot nieuw textiel wordt gerecycled. Hoewel Renewcell een belangrijke ontwikkeling is, is het volgens hem nog maar een druppel op een gloeiende plaat vergeleken bij de bestaande hoeveelheid te verwerken textiel en de hoeveelheid materiaal die er elk jaar bij wordt geproduceerd.

    Lees ook: