Onderwerpen: Misdaad

  • Colombia: drugshandelaar Otoniel aan Verenigde Staten uitgeleverd

    Colombia: drugshandelaar Otoniel aan Verenigde Staten uitgeleverd

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Infantino: FIFA heeft arbeidsmigranten WK Qatar ‘waardigheid en trots’ gegeven

    » Wapenstilstand afgekondigd in staalfabriek Marioepol om burgers te evacueren

    Voormalig hoofd Clan del Golfo aangekomen in New York

    Colombia heeft het voormalig hoofd van Clan del Golfo, drugshandelaar Otoniel, uitgeleverd aan de Verenigde Staten, aldus El Tiempo. Een vliegtuig van de Drug Enforcement Administration vloog op woensdag 4 mei naar New York met aan boord Dairo Antonio Úsuga, de echte naam van de drugsbaron. Er zouden ’ten minste 600 mensen de vlucht seconde voor seconde in de gaten gehouden hebben’.

    Otoniel was een van de meest gezochte criminelen door de Amerikaanse autoriteiten. Hij wordt in de Verenigde Staten aangeklaagd wegens ‘drugshandel, criminele samenzwering en het illegaal dragen van vuurwapens.’

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/stad-van-pablo-escobar-is-nu-%E2%80%A8een-paradijs-voor-pensionados/

  • Colombia: voormalig hoofd van Clan del Golfo wordt uitgeleverd aan VS

    Colombia: voormalig hoofd van Clan del Golfo wordt uitgeleverd aan VS

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Afrika: beschermd natuurgebied bestormd voor landbouwgrond

    » VS: Walgreens plaatst advertentieschermen op koelkasten en vriezers

    Toestemming voor uitlevering drugshandelaar Otoniel

    Het Colombiaanse Hooggerechtshof heeft woensdag zijn goedkeuring gegeven voor de uitlevering aan de Verenigde Staten van drugsbaron Otoniel, die in oktober 2021 werd gearresteerd, aldus El Tiempo. Dairo Antonio Úsuga David, de echte naam van Otoniel, is het voormalige hoofd van de Clan del Golfo en wordt in de Verenigde Staten aangeklaagd wegens ‘drugshandel, criminele samenzwering en het illegaal dragen van vuurwapens’.

    De uiteindelijke beslissing over het lot van de drugshandelaar ligt nu bij de Colombiaanse president Iván Duque. Duque heeft al laten weten dat hij Otoniel zo snel mogelijk wil uitleveren.

    Lees ook:

  • Peru: Vrijlating van Fujimori wordt uitgesteld

    Peru: Vrijlating van Fujimori wordt uitgesteld

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Megaovername door conglomeraat van investeerder Waren Buffet

    » Hongaarse columnist: ‘Viktor Orbán leidt al twaalf jaar een idiocratie in Hongarije’

    Gratie voorlopig opgeschort

    Het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens (IACHR) heeft woensdag de Peruaanse justitie gevraagd de vrijlating van voormalig president Alberto Fujimori (83) uit te stellen, meldt El Comercio. Op 17 maart herstelde het Grondwettelijk Hof de presidentiële gratie die in 2017 was verleend aan Fujimori en na de beslissing van de rechtbank op maandag, leek zijn vrijlating aanstaande.

    Maar het IACHR wil eerst de uitspraak afwachten op het beroep dat is ingediend door de slachtoffers van de massamoorden, die werden gepleegd tijdens het presidentschap van het voormalige staatshoofd (1990-2000). In 2009 werd hij hiervoor tot vijfentwintig jaar gevangenisstraf veroordeeld.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/peruaanse-ex-president-alberto-fujimori-vervroegd-vrijgelaten%ef%bf%bc/
  • Vier Russische regeringshackers beschuldigd van wereldwijde aanvallen

    Vier Russische regeringshackers beschuldigd van wereldwijde aanvallen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duurste restaurant VS verhoogt menuprijs naar 1000 dollar per persoon

    » Techbedrijven staan te springen om getalenteerde vluchtelingen uit Oekraïne

    Vier Russen in VS aangeklaagd voor cyberaanvallen

    De Verenigde Staten hebben donderdag bekendgemaakt dat ze vier Russische hackers hebben aangeklaagd die banden hebben met de regering van hun land. Het ministerie van Justitie beschuldigt ze van het uitvoeren van een jarenlange hackcampagne die was gericht op duizenden computers in de Verenigde Staten en over de hele wereld. Het doel van de aanvallen was om toegang te krijgen tot systemen die vitale voorzieningen zouden kunnen verstoren of fysiek zouden kunnen beschadigen, meldt The Wall Street Journal.

    De beklaagden werkten allemaal voor de Russische regering en richtten zich op honderden bedrijven in 135 landen, aldus de Amerikaanse autoriteiten.

    Lees ook:

  • Donald Trump is schuldig aan meervoudige fraude, aldus voormalig aanklager

    Donald Trump is schuldig aan meervoudige fraude, aldus voormalig aanklager

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Hermitage Sint-Petersburg trekt verzoek in om werken uit Milaan terug te krijgen

    » Zwitserse banken beheren zo’n 200 miljard Zwitserse frank van Russische klanten

    Einde vervolging ‘ernstig falen van de rechtsgang’

    ’Mark F. Pomerantz, die namens de rechtbank van Manhattan een onderzoek leidde naar Donald Trump, zegt dat de voormalige Amerikaanse president schuldig is aan meervoudige fraude’, aldus Axios. Pomerantz, die met pensioen ging om aan het Trump-onderzoek te werken, nam op 23 februari ontslag.

    In zijn ontslagbrief, in bezit van The New York Times, verklaart hij voor het eerst expliciet zijn overtuiging dat het Openbaar Ministerie de voormalige president had kunnen veroordelen. De beslissing van officier van justitie Bragg om het onderzoek naar Donald Trump te staken, was ’in strijd met het algemeen belang’, schreef hij.

    Pomerantz, die overwoog Trump aan te klagen voor het vervalsen van financiële documentatie, beschreef het beëindigen van de vervolging als ’ernstig falen van de rechtsgang’. ’De nieuwe officier van justitie van Manhattan heeft er inderdaad voor gekozen om Trump niet aan te klagen’, verklaart Pomerantsz aan Axios. ’Geen enkel dossier is perfect. Zelfs als er risico’s waren, ben ik ervan overtuigd dat niet overgaan tot vervolging schadelijker zal zijn voor het vertrouwen in de rechtspleging.’

    Lees ook:

  • De VS erkennen genocide op Rohingya

    De VS erkennen genocide op Rohingya

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zelensky is bereid te praten over Donbas en de Krim om einde te maken aan de oorlog

    » Nicaragua: acht jaar gevangenis voor oppositiepolitica

    Onderdrukking in Myanmar bestempeld als volkerenmoord

    De Verenigde Staten erkennen de jarenlange onderdrukking van de Rohingya, een moslimminderheid in Myanmar, als genocide. ’Aanvallen tegen de Rohingya waren wijdverbreid en systematisch’ in 2016 en 2017, zei Antony Blinken afgelopen maandag bij het Holocaust Memorial, meldt The Washington Post.

    ’Er zit een duidelijke bedoeling achter deze gruweldaden, de bedoeling om de Rohingya geheel of gedeeltelijk te vernietigen door middel van moord, verkrachting en marteling’, voegde de staatssecretaris eraan toe. De verklaring, een logische evolutie van verschillende standpunten die de Verenigde Staten sinds 2018 hebben ingenomen, komt ’doordat de regering-Biden aandacht wil blijven besteden aan Azië, met name rondom China, zelfs als de oorlog in Oekraïne een prioriteit blijft’, merkt de krant op.

    ’De Amerikaanse regering vestigt eindelijk de aandacht op wat er al jaren gaande is in Myanmar, en terecht. Het gedrag van het leger daar, helaas met goedkeuring van de burgerregering die in februari vorig jaar door de soldaten omver werd geworpen, jegens de Rohingya, is in feite een misdaad die iedereen treft en met recht genocide genoemd mag worden’, reageert de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

    Lees ook:

  • Hondurese justitie staat uitlevering van ex-president Hernández toe

    Hondurese justitie staat uitlevering van ex-president Hernández toe

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Biden noemt Poetin een ‘oorlogsmisdadiger’

    » In Zuid-Korea verdienen vrouwen nog steeds 38 procent minder dan mannen

    Ex-president wordt vervolgd in de VS

    Het Hooggerechtshof van Honduras heeft ‘groen licht gegeven voor de uitleveringsprocedure van de ex-president van Honduras’, Juan Orlando Hernández, op verzoek van de Verenigde Staten. Daar wordt Hernández vervolgd voor drugshandel, schrijft El Heraldo.

    De voormalige president (2014-2022), nu drieënvijftig, werd op 15 februari in zijn huis in Tegucigalpa gearresteerd. Hij kan nog steeds tegen de beslissing in beroep gaan.

    Zijn broer en voormalig congreslid Juan Antonio Hernández is al veroordeeld voor drugshandel in de Verenigde Staten, waar hij een levenslange celstraf plus dertig jaar uitzit, merkt de Hondurese krant op.

    Lees ook:

  • Filipijnen voeren eindelijk wet in tegen seksueel misbruik van minderjarigen

    Filipijnen voeren eindelijk wet in tegen seksueel misbruik van minderjarigen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Twee journalisten van Fox News gedood in Oekraïne

    » Francis Kéré ontvangt als eerste Afrikaanse architect de Pritzker Prize

    Filipijnse wet tegen misbruik

    De Filipijnse president Rodrigo Duterte heeft eindelijk een wet getekend die de leeftijd voor seksueel zelfbeschikkingsrecht in het land verhoogt van twaalf naar zestien jaar. Daarmee moeten minderjarigen worden beschermd tegen seksueel misbruik en hoopt het land af te komen van de reputatie een magneet voor pedofielen en cybersekscriminelen te zijn, schrijft South China Morning Post.

    Iedereen die geslachtsgemeenschap heeft met een Filipijn onder de zestien jaar is nu schuldig aan ‘wettelijke verkrachting’, tenzij er sprake is van verliefdheid en het leeftijdsverschil minder is dan drie jaar. Als een van de partijen jonger is dan dertien, is er ongeacht de omstandigheden sprake van verkrachting.

    Lees ook:

  • Miljarden bankbiljetten zijn spoorloos. Waarom maakt niemand zich daar druk om?

    Miljarden bankbiljetten zijn spoorloos. Waarom maakt niemand zich daar druk om?

    In veel winkels kun je al niet meer met contant geld betalen, toch beleeft ouderwets papiergeld hoogtijdagen. De totale waarde van alle Britse bankbiljetten is in twintig jaar verdriedubbeld tot 75 miljard pond. Maar 50 miljard pond is van de radar verdwenen. Hoe is dat mogelijk?

    In oktober 2020 kwam Tara Hanlon op een zaterdagavond met vijf koffers naar Heathrow. Toen de douane de jonge vrouw vroeg waarom ze zo veel bagage bij zich had, legde ze uit dat ze met vrienden naar Dubai vloog en nog niet wist welke kleren ze daar wilde dragen. Met haar lange haar, pronte lippen en geprononceerde wenkbrauwen had ze wel iets weg van Kim Kardashian, en ook haar uitleg was een diva waardig, maar de douanier nam er geen genoegen mee. 

    Haar bagage werd doorzocht en bleek stapels bankbiljetten te bevatten (1.940.120 pond [ruim 2,3 miljoen euro] in totaal) die waren bestrooid met koffie, blijkbaar in een poging de snuffelhonden op een dwaalspoor te zetten. De politie gaf later een foto vrij van alle stapeltjes bankbiljetten naast elkaar op een tafel – de Britse vorstin staarde je vanuit alle hoeken aan. Het was de grootste inbeslagname van contant geld in Groot-Brittannië dat jaar.

    Toen ik op mijn telefoon een melding kreeg over het nieuws van die vangst, had ik al in maanden geen bankbiljet meer in handen gehad. Ik was bijna vergeten hoe glad zo’n polymeren briefje van 10 in je vingers voelt. Sinds het begin van de lockdown accepteerden de winkels in mijn buurt, zoals in heel het land, alleen nog pinbetalingen, uit angst dat briefgeld het virus kon overdragen. Het aantal opnames uit geldautomaten kelderde tot ongeveer de helft van het aantal in 2019. Maar de daling van het gebruik van papiergeld is al ver voor de coronacrisis begonnen. Al sinds 2017 worden in Groot-Brittannië meer winkelaankopen betaald met pintransacties dan met contant geld. De pandemie heeft die trend alleen maar versneld.

    GettyImages 1234215757 a
    Tara Hanlon komt aan in Isleworth Crown Court, West-Londen, waar ze twee jaar en tien maanden gevangenisstraf kreeg nadat ze schuld bekende aan witwaspraktijken ter waarde van meer dan 5 miljoen pond. –  © Yui Mok / PA Images / Getty

    Toch lijkt contant geld ook zonder de steun van saaie consumenten als ik zich nog prima te redden. Sterker nog, het beleeft hoogtijdagen. De totale waarde van alle Britse bankbiljetten die in omloop zijn is volgens de Britse Rekenkamer de afgelopen twintig jaar verdriedubbeld en bedraagt nu zo’n 75 miljard pond. 

    Als je naar een verklaring voor die grote vraag naar contant geld zoekt, zijn daar weinig openbare gegevens over te vinden. Slechts een derde van die 75 miljard gaat om in het soort alledaagse transacties die de overheid kan vastleggen. De resterende 50 miljard zwerft ergens rond zonder dat men weet waarvoor het wordt gebruikt. ‘De Bank of England weet niet waar, door wie of waarvoor en lijkt er ook niet erg benieuwd naar,’ aldus Meg Hillier, voorzitter van een parlementaire commissie die zich onlangs boog over de toekomst van contant geld.

    Er is 7000 dollar aan contant geld in omloop op elke Amerikaanse burger, en meer dan 4000 euro op elke ingezetene van de eurozone

    Dat gebrek aan interesse beperkt zich niet tot de Bank of England. Nergens lijken centrale banken zich erg druk te maken om al die ontraceerbare biljetten. Alleen al in 2020 is de gezamenlijke waarde van alle papieren dollars die in omloop zijn met 16 procent gestegen en daarmee voor het eerst boven de 2 biljoen dollar gekomen, viermaal zoveel als twintig jaar geleden. Er is 7000 dollar aan contant geld in omloop op elke Amerikaanse burger, en meer dan 4000 euro op elke ingezetene van de eurozone. En toch wordt contant geld zowel in de VS als in Europa door de meeste mensen nauwelijks nog voor grotere aankopen gebruikt dan een kop koffie.

    Dat de hoeveelheid contant geld zo is gegroeid terwijl er steeds minder geregistreerde betalingen mee worden verricht is een echte denkpuzzel, en zo kijken de meeste centrale banken er ook tegen aan. Af en toe komen ze met een speculatieve verklaring waarin weinig urgentie doorklinkt. Toch toont het geval van Tara Hanlon wel aan dat al die verdwenen bankbiljetten meer zijn dan alleen een rimpeltje in een abstract model. Volgens de Britse opsporingsdiensten vertegenwoordigt de vangst slechts een fractie van al het geld dat jaarlijks het land uit wordt gesmokkeld. Misschien is de echte vraag niet wat er met al dat contant geld gebeurt, maar waarom het de mensen die de geldpers bedienen zo onverschillig laat.

    De eerste centrale bankier die erkende dat er met briefgeld iets vreemds aan de hand was, was Andrew Bailey in 2009. Nu is hij hoofd van de Bank of England, destijds was hij er hoofdkassier. Sinds 1853 staat op elk Brits bankbiljet de handtekening van de hoofdkassier, wiens taak het is ervoor te zorgen dat er in Groot-Brittannië genoeg geld in omloop is. Bailey verkeerde dus in een goede positie om te weten wat er gebeurde met al het geld dat er wordt gedrukt.

    Elektronisch geld 

    Contant geld stond in 2009 niet bovenaan het prioriteitenlijstje van de Bank of England. Na de kredietcrisis van 2007-2008 begonnen centrale banken aan een radicaal project om krediet goedkoop te houden, de zogenaamde kwantitatieve verruiming. Dat wordt vaak omschreven als het laten draaien van de geldpers, al wordt er niet daadwerkelijk geld bijgedrukt. In plaats daarvan scheppen de centrale banken elektronisch geld dat ze gebruiken om staatsobligaties en andere effecten op te kopen.

    De kwantitatieve verruiming heeft een duizelingwekkende hoeveelheid nieuw geld in omloop gebracht, vooral sinds de pandemie: aan het begin daarvan injecteerde de Fed, de Amerikaanse centrale bank, zo’n 3 biljoen dollar in de economie. De toename van de hoeveelheid elektronisch geld is vele malen groter dan de stijging van het aantal gedrukte bankbiljetten, en is er verder niet zo relevant voor. Maar die toename van de hoeveelheid elektronisch geld verklaart misschien wel waarom zo weinig mensen zich druk maken om al dat briefgeld dat spoorloos is.

    ANP 361063843g 1
    Frank Grap, medewerker van het US Bureau of Engraving and Printing (BEP), haalt een vel gedeeltelijk bedrukte biljetten van twintig dollar 
    uit de printer voor inspectie, Washington D.C.  © Karen Bleier / AFP

    Al was er dan een financiële crisis en werden er overvloedige hoeveelheden elektronisch geld bij gemaakt, Bailey bleef ook verantwoordelijk voor de prozaïschere taken van de centrale bank. Alle grote centrale banken hebben een ‘elastische’ geldvoorziening, wat inhoudt dat ze de financiële instellingen zoveel contant geld laten opnemen of storten als zij of hun klanten willen. Een commerciële bank laat elektronisch geld bijschrijven in het grootboek van de centrale bank, die dat bedrag dan uitkeert in bankbiljetten die kunnen worden opgenomen in een geldautomaat of gedistribueerd naar geldwisselkantoren. Het doel is duidelijk: iedereen die wil, moet geld kunnen opnemen.

    Historisch gezien was de Bank of England er altijd op gericht de vraag naar contant geld bij te benen (pas sinds de jaren zestig kunnen Britten met een creditcard betalen). De bank laat haar geld drukken door De La Rue, een particulier bedrijf dat voor verschillende landen geld drukt. Maar toen Bailey in 2009 een lezing gaf op een conferentie in Washington D.C., waren digitaal betaalverkeer en online-winkelen al zo gemeengoed geworden dat er voor de centrale banken een nieuw probleem leek op te doemen: wat moesten ze doen met het papiergeld waarnaar geen vraag meer was?

    Dat was de vraag waarop Bailey voor zijn publiek van valutadeskundigen en centrale bankiers nader inging. Hij wees erop dat het aandeel van alle aankopen die cash werden betaald in twintig jaar tijd was gehalveerd. Maar hij had een verrassing in petto voor wat hij de ‘cash-is-doodlobby’ noemde: in diezelfde periode was de vraag naar contant geld ook gestegen. Hij noemde dat ‘de paradox van de bankbiljetten’.

    Bailey had daar een tweeledige verklaring voor. Ten eerste had de kredietcrisis het vertrouwen in banken aangetast, betoogde hij, zodat veel mensen liever contant geld in huis hadden. En ten tweede groeide het aantal geldautomaten en was er meer briefgeld nodig om die gevuld te houden. Die verklaringen waren niet echt toereikend, want de toename van de hoeveelheid contant geld dateerde al van voor de explosieve groei van het aantal geldautomaten en van voor de kredietcrisis (al had die crisis de toename wel versneld). En vanuit ons huidige perspectief schieten ze helemaal tekort. In Groot-Brittannië is het aantal geldautomaten nu aan het dalen en de financiële crisis ligt alweer ver achter ons, maar zowel het aantal bankbiljetten in omloop als hun totale waarde groeit steeds sneller.

    Elektronisch geld was alleen maar gedoe en het leverde niets op

    De Amerikaanse centrale bank had zo zijn eigen kijk op de paradox: omdat de inflatie zo laag was, voelden burgers geen behoefte hun geld op de bank te zetten. Als het geld zijn waarde toch wel behoudt, waarom zou je dan de moeite nemen om de stad in te rijden en een stortingsformulier in te vullen? Daarnaast waren de rentetarieven al sinds 2008 ongekend laag, zo betoogde de Fed, dus spaarders waren er nauwelijks bij gebaat om geld op hun rekening te zetten: elektronisch geld was alleen maar gedoe en het leverde niets op.

    Die twee verklaringen pasten mooi bij elkaar en klonken ongetwijfeld overtuigend voor iedereen die zijn tijd vooral doorbrengt met nadenken over inflatie en rentetarieven. Maar in de echte wereld klinken ze nogal bizar. Voor de meesten van ons is een bankrekening geen kwestie van winst of verlies, maar van zekerheid: je voorkomt ermee dat je al je spaargeld in één keer kwijtraakt aan een brand, een inbraak of een knaagdierenplaag. En je verhindert jezelf om in een opwelling met al je geld naar het casino te gaan en alles op zwart in te zetten. Allemaal goede redenen om je spaargeld naar de bank te brengen, hoe laag de rente ook staat. (Zo’n 5 procent van de Amerikaanse huishoudens maakt geen gebruik van een bank, meestal omdat ze niet genoeg geld hebben om te voldoen aan de minimumeisen.)

    Andere economen hebben andere verklaringen geopperd, meestal gerelateerd aan de omstandigheden van een specifiek moment: dat de hoeveelheid briefgeld in omloop stijgt omdat de situatie te stabiel is, of te onstabiel is, omdat mensen te weinig vertrouwen in financiële instellingen hebben om zich daarmee in te laten, of omdat er zo veel gebruik wordt gemaakt van geldautomaten. Deze verklaringen kunnen niet allemaal tegelijk opgaan, ze zijn vaak strijdig met elkaar.

    Paradox

    Toch zijn al deze verklaringen nog beter dan die waar de Europese Centrale Bank (ECB) in februari 2021 mee kwam, toen die een lang rapport over de paradox van de bankbiljetten uitbracht. Na analyse van de cashtransacties in de landen van de eurozone kwam de bank tot de conclusie dat maar ongeveer een vijfde van de in omloop zijnde bankbiljetten in het betalingsverkeer werd gebruikt – een aandeel dat sinds het begin van de coronapandemie nog verder is geslonken. Maar in 2020, het jaar van de pandemie, was de vraag naar bankbiljetten blijkbaar zo hoog dat de centrale banken van de eurozone voor zo’n 140 miljard euro aan geld hebben bijgedrukt. De waarde van de bankbiljetten die nu in omloop zijn nadert de 1,5 biljoen euro.

    ‘Deze schijnbaar onmogelijke paradox kan worden verklaard uit de vraag naar bankbiljetten als waardeopslag in de eurozone in combinatie met de vraag naar eurobankbiljetten buiten de eurozone,’ zo luidde de conclusie van de ECB. Denk het jargon even weg en er staat gewoon dat mensen bankbiljetten willen omdat mensen bankbiljetten willen. Niet waarom ze dat willen.

    Als je echt meer te weten wilt komen over de onzichtbare vraag naar contant geld, is het geen gek idee om je licht op te steken bij Kenneth Rijock. Deze charmante Vietnamveteraan met een vierkante kin en een gulle glimlach heeft tegenwoordig alle tijd om met je in een koffietentje van gedachten te wisselen. In de jaren tachtig zou hij daar geen tijd voor hebben gehad: toen was hij druk met geld witwassen voor drugdealers in Miami.

    Hij propte sjofele oude koffers vol met geld en reed daarmee naar het vliegveld, uitgedost als ‘de sufste toerist die ooit uit een vliegtuig was gestapt’. Dan vloog hij naar een piepklein staatje in de Cariben, naar een bank die al dat geld zonder naar de herkomst te vragen maar al te graag op de rekening van een brievenbusfirma liet storten. Was het eenmaal omgezet in giraal geld, dan sluisde hij het via banken in verschillende landen eerst naar allerlei tussenrekeningen om het moeilijk traceerbaar te maken, om het ten slotte weer over te maken naar Florida, waar zijn klanten het in vastgoed konden steken, alsof het wit geld was.

    Die gouden tijd van offshorebankieren door criminelen is voorbij. Eind jaren tachtig begonnen overheden banken te verplichten tot strengere controle op het geld dat ze doorsluisden. En dat toezicht is zeker na 9/11 alleen maar intensiever geworden. (Rijock liep zelf tegen de lamp en verdween in 1990 achter de tralies. Tegenwoordig adviseert hij opsporingsdiensten over het aanpakken van criminelen.)

    Offshorerekeningen zijn tegenwoordig een heel riskante manier om illegaal verkregen geld naar een ander rechtsgebied te sluizen. En cryptomunten zijn niet-liquide, onstabiel en moeilijk uit te geven in de legale economie. Daarom grijpen criminelen vaak terug op de oudste technologie, die anoniem, robuust en universeel geaccepteerd is. ‘Het smokkelen van grote hoeveelheden contant geld is de botste en primitiefste maar nog steeds de effectiefste manier om ongezien geld wit te wassen,’ zegt Rijock.

    Dus terwijl de centrale bankiers overpeinzen waar hun bankbiljetten toch zijn gebleven, is dat volgens de bestrijders van witwaspraktijken niet zo’n mysterie. Volgens sommige schattingen wordt misschien wel de helft van al het contant geld in omloop door criminelen gebruikt om te ontkomen aan het steeds intensievere toezicht van de overheid op het betalingsverkeer.

    Vijf koffers vol geld

    De avonturen van Tara Hanlon zijn daar een voorbeeld van. Ze kreeg 3000 pond om met die vijf koffers vol geld naar Dubai te vliegen, en op drie eerdere reisjes had ze in totaal al 3,5 miljoen pond het land uit gesmokkeld. ‘Die koffers zijn ZWAAR. En niemand die je helpt. Staan alleen maar te kijken. Ik dacht echt van hallo,’ appte ze naar de vrouw die haar had geronseld. Ze maakte deel uit van een netwerk van koeriers die crimineel geld naar de Verenigde Arabische Emiraten smokkelen, waar de gebrekkige rechtshandhaving een ideale omgeving creëert voor het witwassen van zwart geld.

    Het Britse National Crime Agency (NCA), dat zich bezighoudt met de bestrijding van de georganiseerde misdaad, heeft geanalyseerd hoeveel bankbiljetten er worden gedrukt, hoeveel er bij geregistreerde transacties worden gebruikt en wat de omvang van de criminele economie in het land is. De conclusie is dat er elk jaar zo veel geld het land uit gaat dat er vrachtwagens nodig zijn voor het vervoer. De NCA heeft dan ook een nieuwe taakgroep opgezet om de geldstromen te onderzoeken, ‘Project Plutus’.

    Groot-Brittannië is niet het enige land dat moeite heeft om in beeld te krijgen hoeveel geld er illegaal de grens over gaat. Er zijn ook miljarden dollars in omloop buiten de VS, en 750 miljard aan euro’s buiten de eurozone. Dat zal niet allemaal voor louche doeleinden worden ingezet, maar het is duidelijk dat er sprake is van een enorm mondiaal schaduwbankstelsel waar de autoriteiten praktisch geen vat op hebben.

    Corrupte ambtenaren, terroristen en maffiosi gebruiken allemaal contant geld om invloed te kopen, geld te verplaatsen en hun organisatie te financieren

    Corrupte ambtenaren, terroristen en maffiosi gebruiken allemaal contant geld om invloed te kopen, geld te verplaatsen en hun organisatie te financieren. En handhavers en compliance-officers doen wel hun best om criminelen de toegang tot het mondiale bankenstelsel steeds moeilijker te maken, maar ondertussen hebben de mensen die een rem kunnen zetten op de beschikbaarheid van contant geld nauwelijks oog voor het probleem. 

    De kern van de complexe relatie die centrale banken met contant geld hebben is gelegen in het muntloon, een begrip zo oud dat er in het Engels een Oudfrans woord voor wordt gebruikt: seigniorage, ‘wat wordt opgeëist door de seignior’, oftewel de landheer. In de tijd dat zich voor het eerst staten begonnen te vormen, eisten de vorsten het monopolie op de uitgifte van muntgeld op. Het goud ging naar de Munt om te worden gewogen en getaxeerd, waarna er munten van werden geslagen met daarop een afbeelding van de vorst als een garantie voor de kwaliteit. Seigniorage was het bedrag dat de vorst hiervoor opstreek.

    Dat leverde die vorsten grif geld op, zeker toen ze eenmaal beseften dat ze om de zoveel jaar met een nieuw muntontwerp konden komen, zodat de munten geregeld moesten worden omgesmolten en opnieuw geslagen. En de winsten stegen nog verder toen men er ook andere, goedkopere metalen voor ging gebruiken, al hielden de vorsten vol dat de nieuwe munten dezelfde waarde hadden als hun voorgangers van goud of zilver.

    Maar het slaan van al die munten was een bewerkelijke zaak en dat beperkte de hoeveelheid geld die op deze manier kon worden gemaakt. Een grote stap vooruit werd in de zeventiende eeuw gezet, toen Europese centrale banken eerst zelf bankbiljetten begonnen uit te geven en later ook bepaalden dat niemand anders daartoe gerechtigd was. Het drukken van een bankbiljet kost slechts een paar cent, maar de waarde van het biljet is wat erop gedrukt staat. Zo begonnen de seigniorage-inkomsten lekker op te lopen.

    In het tijdperk van elektronisch geld is het moeilijker om dat muntloon te berekenen dan in de Middeleeuwen, maar het idee blijft hetzelfde: het is de opbrengst van het monopolie op de uitgifte van geld. Het drukken van een biljet van 100 dollar, een fraai versierd stukje papier dat 100 dollar waard is louter omdat de Amerikaanse overheid dat zegt, kost een schamele 14 cent. En elke keer dat de Fed zo’n briefje uitgeeft, kan ze de resterende 99,86 dollar dus investeren in iets wat rente oplevert. Het is wel duidelijk: geld drukken geeft centrale banken een vrijbrief om geld te drukken. 

    Aan het drukken van de bijna 2 miljoen pond van Tara Hanlon zou de Bank of England meer dan 1,5 miljoen pond hebben verdiend (het drukken van een pondbiljet kost maar een paar penny). Een deel van die opbrengst gaat op aan diverse kosten, maar de rest komt ten goede aan de schatkist. Seigniorage is dus een mooie bron van inkomsten voor een regering – als je even vergeet hoeveel geld belastingontduiking en de georganiseerde misdaad de schatkist kosten.

    Apathie

    Als er al een keer een debat is over waar alle bankbiljetten in de wereld toch naartoe gaan, komt dat lucratieve muntloon bijna nooit ter sprake. Volgens Kenneth Rogoff, econoom aan Harvard en schrijver van het boek The Curse of Cash, praten economen liever over verfijnde nieuwe concepten als kwantitatieve verruiming dan over zoiets prozaïsch als de vraag hoe bankbiljetten eigenlijk worden gemaakt. ‘Economen hebben de neiging om te denken: Dat is niet keynesiaans, dus dat doet er niet toe,’ zegt hij. 

    En waarschijnlijk speelt ook apathie een belangrijke rol in de bereidheid van centrale bankiers om geld te blijven drukken. De opgave om fundamentele hervormingen voor de geldvoorziening te bedenken is weinig aanlokkelijk in een situatie waarin er al zoveel andere eco-nomische problemen zijn om je zorgen over te maken.

    Maar Peter Sands, oud-topman van de bankengroep Standard Chartered, denkt dat de seigniorage-inkomsten mede verklaren waarom er geen actie wordt ondernomen. ‘Als een geneesmiddel ongunstige bijwerkingen heeft, wordt de fabrikant verplicht uitgebreid onderzoek te doen naar de frequentie, de ernst en de onderliggende oorzaken daarvan,’ zo zei hij op een conferentie over de toekomst van contant geld in 2017. ‘Maar als de hoogste opsporingsambtenaar van het continent zegt dat contant geld een cruciale rol speelt in witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, als de fiscus stelt dat het niet aangeven van cash-inkomsten de grootste bron van belastingontduiking is, zien we dan de producenten van contant geld ook hun best doen om daarover data te verzamelen en analyses op te stellen?’ Het antwoord was natuurlijk nee. ‘Ik wil hier niet beweren dat het allemaal alleen maar eigenbelang is,’ besloot Sands. ‘Maar ik denk dat je toch moet inzien dat hier sprake is van belangenverstrengeling.’

    De veroordeling van Tara Hanlon ging gepaard met een persbericht met foto’s en al waarin het National Crime Agency zichzelf op de borst sloeg. Maar binnenskamers was de stemming bij de opsporingsdienst een stuk somberder. Het criminele netwerk waarvoor Hanlon werkte had niet echt veel moeite gedaan om voorzichtig te zijn met het smokkelen van die 2 miljoen pond. Dat wekte de indruk dat dit bedrag een druppeltje was in een grote oceaan van contanten die continu de grens over stroomt. ‘We moeten inzien dat criminelen niet in één keer 2 miljoen zouden proberen te smokkelen als ze zich grote zorgen maakten dat het wordt onderschept,’ kreeg ik van een opsporingsambtenaar te horen. ‘De omvang van deze vangst geeft waarschijnlijk alleen maar aan hoeveel zendingen ons ontgaan.’

    De Britse misdaadbestrijders hebben één troost: het Britse pond is niet de favoriete munt van de criminele netwerken. En één blik op de foto met het in beslag genomen geld van Hanlon maakt ook wel duidelijk waarom. Het waren bijna allemaal paarse briefjes van 20, met hier en daar een biljet van 10. Er was maar één briefje van 50 te zien, de grootste coupure die de Bank of England uitgeeft. In de zin van ruimte versus waarde zijn Britse bankbiljetten onaantrekkelijk voor smokkelaars: je hebt heel veel briefjes van 20 nodig om een groot bedrag te smokkelen. Had Hanlon haar hele buit in biljetten van 100 dollar vervoerd, dan had alles in anderhalve koffer gepast. Met briefjes van 500 euro had ze aan één koffer genoeg gehad. Dus als je geld wilt smokkelen, kun je beter de grote coupures van de EU en de VS gebruiken dan de flappen die de Bank of England drukt.

    Er zijn genoeg goede redenen voor centrale banken om geld te blijven drukken. Maar er zijn wel mensen die zich afvragen of het nou echt nodig is om zo veel grote coupures uit te geven. Meer dan 80 procent van al het dollargeld in omloop is in de vorm van briefjes van 100, meer dan zestien miljard biljetten in totaal, dus twee voor ieder mens ter wereld (en ik heb er geen, dus minstens één persoon moet er vier hebben). 

    Er zijn bijna vierhonderd miljoen paarse katoenflappen met de tekst ‘500 euro’ in omloop (al is de ECB in 2016 met het drukken daarvan gestopt op aandrang van de Franse regering, die meende dat de biljetten bijdroegen aan de financiering van terrorisme). In de eurozone zijn in totaal voor 750 miljoen aan biljetten van 200 euro gedrukt, en voor nog eens 3,5 miljard aan biljetten van 100. Waarom willen de meeste rijke landen die grote coupures niet afschaffen? India heeft dat in 2016 met zijn twee hoogste coupures immers al gedaan (al was het geen onverdeeld succes). 

    Iedereen op één lijn 

    Het probleem is, zoals zo vaak bij de regulering van het internationale financiële systeem, dat het zo moeilijk is om iedereen op één lijn te krijgen. Zodra de Fed of de ECB bijvoorbeeld de grote coupures afschaft, stappen internationale criminelen en kleptocraten gewoon over op andere valuta. En dan gaan alle inkomsten van het drukken van bankbiljetten dus naar een centrale bank die wel grote coupures blijft uitgeven, zonder dat de andere landen de mondiale misdaad zien teruglopen. In afwachting van een wonderbaarlijk staaltje multilateralisme zal in de afzienbare toekomst het huidige systeem wel blijven voorbestaan.

    Afgelopen juni bekende Tara Hanlon in de rechtszaal via een videoverbinding dat ze schuldig was aan witwassen. Ze kreeg drie jaar celstraf opgelegd. Een week daarvoor had De La Rue, de drukkerij van het Britse papiergeld, haar jaarcijfers bekendgemaakt. De geldpers, gehuisvest in een modernistische fabriek in Essex die De La Rue in 2003 overnam van de Bank of England, draait op volle toeren, aldus 
    het bedrijf. Hoe dat komt? ‘De aanhoudend grote mondiale vraag naar contant geld.’ 

  • Een bul in de bajes: maffiosi verlaten cum laude de gevangenis

    Een bul in de bajes: maffiosi verlaten cum laude de gevangenis

    In zwaar beveiligde gevangenisafdelingen volgen criminele die lange straffen uitzitten een studie om de tijd te doden. Zo ontstond de meest hoogopgeleide generatie maffiosi ooit.

    Er is een maffia die in niets lijkt op de maffia zoals we die kennen, te weten onbehouwen en dom: die van Bernardo Provenzano’songrammaticale en cryptische pizzini [gecodeerde briefjes waarmee maffiosi onderling communiceren], of de boerse maffia van Totò Riina, iemand die zichzelf graag aan anderen mocht voorstellen met de mededeling dat hij slechts lagere school had gehad. 

    In hun schuilplaatsen hadden ze altijd wel een Bijbel, en soms troffen degenen die voortvluchtigen opspoorden in een enkele lade exemplaren aan van I Beati Paoli [een historische roman over een middeleeuwse Siciliaanse sekte die door sommigen wordt gezien als voorloper van de maffia] of Calvello il bastardo van William Galt, alias Luigi Natoli. Voor hen heilige teksten, eerder maffialiteratuur dan literatuur óver de maffia. Andere lectuur werd niet aangetroffen.

    900x1200
    Historische roman over een middeleeuwse Siciliaanse sekte die door sommigen wordt gezien als voorloper van de maffia.

    Maar de bazen die zijn opgegroeid in de schaduw van de Corleonesi hebben geen voorbeeld genomen aan diezelfde Corleonesi. In moeilijke tijden zochten ze hun toevlucht tot scholing, en in de kwarteeuw dat ze opgesloten zaten in cellen die niet veel meer dan holen zijn, bevonden ze zich uitsluitend in het gezelschap van Fjodor Dostojevski en de gebroeders Karamazov, Lev Tolstoj, Italo Svevo, Boris Pasternak, Luigi Pirandello, Duitse filosofen, protestantse theologen, Virgilius en Immanuel Kant.

    En zo ontstond op de extra beveiligde gevangenisafdelingen de hoogstopgeleide generatie maffiosi ooit. Begerig naar kennis verslinden de zonen van het ‘41 bis-regime’ [‘hard gevangenisregime’ oftewel isolement, naar artikel 41 bis van de Italiaanse wet op het gevangenisbeheer], alles wat aan papier is toevertrouwd. Ze zijn frequente bezoekers van gevangenisbibliotheken en ze pressen hun advocaten dagelijks om aanklagers en rechters-commissarissen te bewegen hun verlof en gunsten te verlenen door universiteitsdiploma’s en studiepunten te overleggen.

    De wet heeft de deuren van hun cellen voor altijd gesloten, maar die van het onderwijs wijd geopend

    Laatste in de rij is de boss Filippo Graviano, die zijn verzoekschrift vergezeld deed gaan van zijn bul in de economie en een certificaat van deelname aan een cursus finance. Terwijl buiten steeds minder wordt gelezen, lezen ze binnen steeds meer. De mannen van de oude ‘Cupola’ [de commissie van maffiabazen] leren, verdiepen zich in de geschiedenis en de mysteries van het geloof en studeren cum laude af in de geesteswetenschappen. De wet heeft de deuren van hun cellen voor altijd gesloten, maar die van het onderwijs wijd geopend. 

    Onkruid

    Veelzeggend is het verhaal van Giuseppe Grassonelli, opgetekend door collega Carmelo Sardo in Malerba (Onkruid), een prachtig boek over de Agrigentijnse boss van Porto Empedocle. Toen hij voor de eerste keer naar het eiland Pianosa werd gestuurd, op 15 november 1992, vond hij onder het matras van zijn brits een exemplaar van Oorlog en vrede. Hij begon het te lezen, maar begreep de woorden niet en barstte van wanhoop in tranen uit.

    81xhxJVXF0L
    De memoires van Grassonelli met als titel Malerba (onkruid) als bijnaam.

    Om te ontkomen aan de hel van zijn nooit eindigende straf begon hij te studeren. Na vijftien jaar isolement studeert hij af op ‘De Napolitaanse revolutionaire opstanden van 1799 en het “oproer” in de provincies van het Koninkrijk’. Na een eerste graad in de letteren zal Grassonelli binnenkort ook zijn tweede krijgen, in de filosofie. Het is de culturele revolutie van de Siciliaanse maffia.

    Een ander die aanvankelijk amper in staat was zijn handtekening te zetten, is de beroemde Gaspare Spatuzza, de maffioso uit Palermo die nep-spijtoptant Vincenzo Scarantino ontmaskerde en wiens bekentenis leidde tot de herziening van het proces inzake de moordaanslag op antimaffiarechter Paolo Borsellino. Tegenwoordig kleedt hij zich altijd in het zwart, als een priester, en in zijn boekenkast staan Misdaad en straf, boeken van de Italiaanse filosofen Giovanni Reale en Dario Antiseri, en de geschriften van Joe Dispenza over kwantumfysica. 

    De laatste keer dat hij buiten de gevangenis werd gezien, was in de buurt van Misilmeri, een dorp in de buurt van Palermo waar hij samen met een vriend een man had laten oplossen in zoutzuur. Zijn handlanger vertelde de rechters tot in detail over de moord en zei over Spatuzza: ‘Meteen na de moord had Gaspare honger en vroeg me om iets te gaan kopen; hij zette zijn tanden in een broodje, at met één hand en roerde met de andere.’ Dus met de ene hand hield hij zijn sandwich vast en met de andere hand roerde hij met een houten pollepel in de kuip waarin het lijk aan het oplossen was. Een macaber verleden. Volgens iedereen die bekend is met de wreedheden uit zijn vroegere leven is Gaspare een ander mens geworden. 

    Cum laude

    Calogero, een van broers van Giovanni Brusca [de maffioso die onder meer de bom tot ontploffing bracht die een einde maakte aan het leven van openbaar aanklager Giovanni Falcone], heeft zich ingeschreven bij de letterenfaculteit. Antonio Tusa, de neef van Piddu Madonia, de boss van Caltanissetta, heeft zich ingeschreven bij landbouwkunde; de maffiosi Giancarlo Giugno uit Niscemi en Carlo Marchese uit Riesi schreven zich in bij respectievelijk geneeskunde en rechten. 

    Tommaso Spadaro, de ‘koning van Kalsa’ (een wijk in Palermo), studeerde niet lang voor zijn dood op 72-jarige leeftijd af in de gevangenis van Spoleto, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat voor de moord op een onderofficier van politie. Hij was een voormalig sigarettensmokkelaar en de bazen hadden hem bij de Porta Nuova-familie gehaald vanwege zijn schepen en zijn oude contacten met de Camorra. Don Masino, oftewel Tommaso Buscetta, studeerde op een haar na cum laude af. De titel van zijn scriptie luidde: ‘Het mensbeeld in het gedachtengoed van Gandhi’. 

    Levenslange gevangenisstraf of niet, de leden van de cosa nostra zijn ervan overtuigd dat ze vroeg of laat vrij zullen komen

    Maar wat drijft maffiosi er, naast de beperkingen van het 41 bis-gevangenisregime, toe om zo waanzinnig hard te studeren? Deskundigen zeggen: levenslange gevangenisstraf of niet, de leden van de cosa nostra zijn ervan overtuigd dat ze vroeg of laat vrij zullen komen. 

    Een paar jaar geleden kwamen de kranten met het opzienbarende nieuws dat Pietro Aglieri van de Corleone-clan cum laude was geslaagd voor zijn tentamen over de geschiedenis van het christendom, en dat hij in de Rebibbia-gevangenis zelfs complimenten had gekregen van de drie professoren in de commissie. Geen al te grote opgave voor de grootste filosoof van de Siciliaanse maffia, strateeg van de ‘zachte dissociatie’ (spijtoptant zijn zonder iemand te beschuldigen) die hij de toenmalige nationale antimaffia-aanklager Pierluigi Vigna beloofde. Hij was al sinds zijn actieve leven ten prooi aan een mystieke crisis, woonde in een hol waar hij een altaar had laten bouwen en kreeg terwijl hij werd gezocht bijna dagelijks bezoek van een monnik van de Orde van Ongeschoeide Karmelieten. 

    Aglieri had laten weten dat hij, als hij zichzelf ooit zou aangeven, niet naar de politie zou stappen maar naar de aartsbisschop van Palermo, Salvatore De Giorgi. Wat had hij, in de tijd dat hij voortvluchtig was, beter kunnen lezen dan het complete oeuvre van Edith Stein, de Duitse karmelietes en filosofe die in 1942 stierf in Auschwitz? Een maffiose intellectueel avant la lettre. 

    Net als die ander, als het tenminste waar is wat hem wordt toegeschreven, de beruchte, ongrijpbare Matteo Messina Denaro, hoofdrolspeler in een indrukwekkende correspondentie met Antonino Vaccarino, voormalig burgemeester van Castelvetrano en eigenaar van een bioscoop, die werd gearresteerd voor drugshandel. In opdracht van de geheime dienst schreef burgemeester Vaccarino onder het pseudoniem Suetonius brieven aan een mysterieuze ‘Alessio’, die niemand minder was dan Matteo. 

    Hij citeerde de Aeneis, bediscussieerde Toni Negri, beschouwde Bettino Craxi als ‘de beste politicus die Italië heeft gekend’. En hij haalde, vanuit zijn optiek niet te onpas, in elke brief de woorden aan van [de Braziliaanse schrijver] Jorge Amado: ‘Er is niets lagers dan rechtspraak die twee handen op één buik is met de politiek.’

    Het is een genuanceerde manier van denken die botst met de botheid van een Totò Riina, de primitiviteit van een Leoluca Bagarella en het groteske taalgebruik van Provenzano in zijn cryptische briefjes aan vrienden: ‘Sendi, kan jij me zeggen, jouw maat, die we in de lente ontmoet hebben, hij zal het wel weten, die groente, die we cichorei noemen, als hij kan vinden waar de aarde die cichorei draagt, kan hij dan wat zaadjes voor me bewaren, voor als het ontploft?’ Enzovoort.

    Doctorandus

    Die herontdekte berichten, en zijn manie – of wellicht was het noodzaak, om dreigende telefoontaps en andere afluistermethodes te omzeilen – om velletjes papier vol te kladden, kwamen Provenzano zelfs op een sneer van Riina te staan: ‘Mijn dorpsgenoot? Een beste man, al schrijft hij te veel.’

    Maar een mens verandert niet altijd door scholing. Zo is Cesare Lupo, maffioso uit Brancaccio en zwager van de bazen Giuseppe en Filippo Graviano, tijdens zijn opsluiting in Catanzaro afgestudeerd aan de Magna Graecia-universiteit met een scriptie over ‘Afpersing’. Hij wilde zijn diploma met champagne vieren, de gevangenis-directeur gaf hem een cola. Lupo was zo’n grote kenner van afpersing dat hij kort na zijn vrijlating opnieuw voor eenzelfde misdaad werd gearresteerd door agenten van de recherche van Palermo. 

    Dertig jaar na alle bloedbaden zijn ze allemaal ‘doctorandus’

    Dertig jaar na alle bloedbaden zijn ze allemaal ‘doctorandus’, de bazen van de cosa nostra. Wie weet, misschien hebben ze de oude Luciano Liggio tot voorbeeld genomen, de eerste maffiagevangene die een paar boeken in zijn cel had. Toen hij in de jaren zeventig werd gehoord door de parlementaire antimaffiacommissie, liet Liggio zich voorstaan op zijn kennis: ‘Ik heb van alles gelezen, over geschiedenis, filosofie, pedagogiek. De klassiekers. Ik heb Charles Dickens en Benedetto Croce gelezen.’ Om vervolgens, implicerend dat hij nooit een bekentenis zou ondertekenen, geheimzinnig te fluisteren: ‘Maar wie ik het meest bewonder is Socrates, iemand die nooit iets heeft geschreven, net als ik.’ 

    GettyImages 174303425
    Arrestatie van de crimineel Luciano Leggio in Milaan, 1974. © Adriano Alecchi / Mondadori / Getty
  • VS hebben avocado-import uit Mexico stopgezet

    VS hebben avocado-import uit Mexico stopgezet

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek: klimaatclaims van ExxonMobil, Chevron, Shell en BP zijn greenwashing

    » Italiaanse politie legt beslag op bezit van maffiabroers ter waarde van 800 miljoen euro

    Import stopgezet na bedreigingen

    De VS hebben de import van avocado’s uit Mexico stopgezet. Het besluit komt aan als een klap voor de Mexicaanse economie want avocado’s zijn het derde belangrijkste exportproduct, schrijft El País.

    Mexico produceert ruim een derde van ’s werelds avocado’s en is mondiaal gezien de grootste producent. Van de export gaat 81 procent naar de VS, de belangrijkste handelspartner en de grootste markt ter wereld. De export naar de VS genereerde vorig jaar ruim 2,8 miljard dollar (2,47 miljard euro) en betekende 300.000 directe en indirecte banen. De import is stopgezet na bedreigingen van inspecteurs in de staat Michoacán, de belangrijkste producent en een gebied dat lijdt onder geweld van de georganiseerde misdaad.

    Lees ook:

  • Onrust in Haïti houdt aan: rechter die moord op president onderzoekt stapt op

    Onrust in Haïti houdt aan: rechter die moord op president onderzoekt stapt op

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Domper voor Elon Musk: SpaceX-satellieten vergaan in zonnestorm

    » Italië besteedt 1,2 miljard uit EU-fonds voor achterstallig onderhoud op Sicilië

    Étienne is vierde rechter die in korte tijd opstapt

    De Haïtiaanse rechter Chavannes Étienne, aangesteld om de moord op president Jovenel Moïse op 7 juli te onderzoeken, is opgestapt vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, aldus een woordvoerder, bericht MercoPress. Lokale media meldden echter als reden het gebrek aan middelen, geld en politieke steun om goed onderzoek te kunnen doen. Étienne is de vierde magistraat die in korte tijd opstapt.

    Ondertussen liet premier Ariel Henry weten dat hij vervangen wil worden door een tweejarige overgangsregering. De internationale gemeenschap wil dat hij zijn inspanningen verdubbelt om tot een oplossing te komen, want Haïti heeft geen gekozen president, noch een functionerend parlement of een deugdelijke rechterlijke macht.

    Lees ook:

  • Al 25 jaar zoekt de Duitse politie ‘de stille passagier’, moordenaar van de Langendonks

    Al 25 jaar zoekt de Duitse politie ‘de stille passagier’, moordenaar van de Langendonks

    In de zomer van 1997 gaan Truus en Harry Langendonk op vakantie naar Duitsland. De reis eindigt bij een bosrand bij Traunstein. Nog altijd zoekt de politie hun moordenaar, die op klaarlichte dag zoiets als de volmaakte misdaad lijkt te hebben gepleegd. 

    En hij dacht nog: Gek, wat doet een zakenman zo laat ’s nachts bij een bushalte? Tien over twee, zo laat rijden er toch allang geen bussen meer? Op dat tijdstip heeft een manager toch geen taxi nodig, de vluchten gaan pas veel later. Rond die tijd wordt hij toch alleen gebeld door dronkelappen of verliefden die elkaar ’s avonds vinden en de volgende morgen alweer vreemden voor elkaar zullen zijn. Maar een zakenman?

    Wolfgang Stahl ziet hem al van ver. Een man in een donker pak, licht overhemd, das, halflang haar. Zeven minuten eerder had hij vanuit de telefooncel hier een taxi besteld bij de halte Löwenberger Strasse, aan de uiterste rand van Neurenberg. Stahl stopt, opent de portier aan de bijrijderskant, maar de man sluit die meteen weer en stapt achter in. Stahl draait zich om, goedenavond, waar gaan we heen? ‘En toen dacht ik, man, wat ziet die eruit! Hij had smerige handen en zijn haar was nat van het zweet.’

    De man zegt dat hij naar het Hauptbahnhof wil. Dan zegt hij niets meer en zit onbeweeglijk op de achterbank, een stille passagier. Pas na twee, drie kilometer vraagt hij of hij met Franse francs kan betalen. Geen probleem, zegt Wolfgang Stahl. Hij roept de centrale op en vraagt om de wisselkoers. Dan geen woord meer tot het station.

    Een paar dagen later zal Stahl in de krant lezen over twee lijken die in deze nacht werden verbrand, even buiten de stad. Truus en Harry Langendonk, een echtpaar uit Nederland. Hij leest over het geld dat ze bij zich hadden voor de vakantie: guldens, schillings, francs. En hij zal de politie bellen en zeggen: hoor es, er zat een man bij mij in de taxi die mij in francs wilde betalen. En dat nog nooit iemand hem in Franse francs wilde betalen. 

    De smerige handen, de haren nat van het zweet, misschien toch geen zakenman

    Wolfgang Stahl, grijze haren, een bruin shirt, rijdt nog eens de route van toen. Hij is allang met pensioen, heeft allang geen taxi meer, maar hij hoeft de bushalte maar te zien en meteen zit hij weer in die nacht in 1997. Alles staat hem meteen weer voor de geest. De smerige handen, de haren nat van het zweet, misschien toch geen zakenman. En zijn dialect, Oostenrijks.

    Het is allemaal bijna vijfentwintig jaar geleden. Vijfentwintig jaar, wat klinkt dat ontzettend lang geleden. En toch is het nog altijd alsof het gisteren was. Stahl rijdt nu naar het centraal station van Neurenberg. Een bouwplaats, wachtende auto’s. Toen was het hier veel minder druk, zegt Stahl, zeker ’s nachts. Dan blijft hij staan, wijst op een lantaarnpaal naast de ingang van het station. ‘Daar heb ik ‘m uit laten stappen.’

    100 francs

    Die nacht in juni 1997, tegen 2.30 uur. De stille passagier heeft betaald: 100 francs. Hij loopt door de hal, maar maakt na een paar meter rechtsomkeert en komt terug naar de taxi. Hij steekt zijn hoofd door het achterportier naar binnen, zegt dat hij geen Duits geld heeft en of Stahl nog eens 100 francs voor hem kan wisselen. Dat kan. Stahl geeft hem 30 mark. De man gooit het portier dicht en verdwijnt.

    Voor Wolfgang Stahl is de rit daarmee afgelopen. Maar de passagier loopt door het station, misschien kijkt hij of er nog treinen gaan, misschien denkt hij koortsachtig na, wie zal het zeggen. Zeker is alleen dat hij aan de andere kant van het station naar buiten loopt en een tweede taxi neemt. Zijn vlucht gaat verder.

    Bijna vijfentwintig jaar later is de politie nog steeds op zoek naar die man. Een man die bij een bosrand in de buurt van Traunstein twee vakantiegangers neerschiet: Truus en Harry Langendonk. Die ze bovendien nog de keel doorsnijdt, op klaarlichte dag, ze later in hun camper legt en daarmee rijdt, en blijft rijden, net zo lang tot de brandstof op is. Hoofdzaak is: wegwezen. Die de auto vlak voor Neurenberg parkeert, alles in brand steekt en dan een raadselachtige reis door de nacht begint en in de ochtendschemer weer precies daar aankomt waar hij deze bizarre misdaad beging. De politie zoekt een man die twee mensen ombrengt en daarbij zo onwaarschijnlijk veel geluk heeft dat hij bijna zoiets als de volmaakte misdaad begaat. 

    Stefan Stampfl is op dit moment de enige die de moordenaar van de Langendonks nog zoekt

    Maar het is beter om op de laatste dag van de Langendonks ergens anders te beginnen. Bij het middagmaal. Marquartstein, een dorp in de Chiemgau, nog geen drie uur met de auto ten zuiden van Neurenberg. Stefan Stampfl stopt voor een klein huis, stapt uit. Voor hem ligt het dal, met de kerktoren, verderweg glinstert de Chiemsee. Een omgeving die door een siersmid vormgegeven lijkt. Stampfl loopt om het huis heen, kijkt de tuin in, waar het klimop over de muur heen groeit, gaat een paar stappen terug, kijkt langs de gevel omhoog, waar de stuc afbrokkelt, het hout verweerd is. Op het balkonhek is de naam nog herkenbaar: ‘Wirtshaus Zum Schlossberg’, de letters zijn al lange tijd niet meer bijgewerkt. Aan alles in deze geschiedenis knaagt de tand des tijds.

    Stefan Stampfl, negenenveertig, is hoofdcommissaris bij de recherche in Traunstein. Een man die in alles een opgeruimde indruk maakt: in zijn kleding, zijn zinnen, zijn stemming. Hij heeft een glad gezicht, krachtige armen, en is 1 meter 95 lang. Harry Langendonk was bijna even lang.

    Stampf onderzoekt vanaf het begin de zaak. In 1997 was hij een van de dienstdoende agenten die het bos op de plek van de misdaad onderzochten. In 2003 zat hij in de speciale commissie (Soko) die nog eens met alle getuigen heeft gesproken, de taxichauffeurs, de omwonenden die de schoten en de schreeuwen gehoord hebben. In 2015 heeft hij de opsporing overgenomen. En nu? Stefan Stampfl is op dit moment de enige die de moordenaar van de Langendonks nog zoekt.

    Bovendien koopt Harry een bierglas met opdruk van het Wirtshaus. Voor thuis.

    Het overwoekerde café in Marquartstein dus. Hier hebben de twee gegeten voordat ze later met hun camper naar de bosrand zijn gereden. De plek van de misdaad. 7 juni 1997, 12.30 uur. Hoewel het buiten mooi weer is, gaan Truus en Harry Langendonk binnen aan een tafeltje zitten. Hij bestelt braadworsten en gebakken aardappeltjes. Hij drinkt er een appelsap bij. Zij eet niets, drinkt alleen een beetje zwarte thee. Ze zijn intussen negen dagen onderweg. Ze vertellen de serveerster over hun reis, zeggen dat ze Reit im Winkl graag willen bezoeken. Bovendien koopt Harry een bierglas met opdruk van het Wirtshaus. Voor thuis.

    Slechts uren later, na de moord, zal de stille passagier met een tweede taxi uit Neurenberg terugrijden. Hij zal de chauffeur lange tijd niet precies zeggen waar hij heen wil, zal zijn bestemming steeds weer veranderen, hij zal ook Marquartstein een keer noemen. Uitgerekend. Hebben de Langendonks hun moordenaar hier al ontmoet, bij het middagmaal?

    Camper

    Truus en Harry Langendonk leidden wat je een normaal, misschien wel gelukkig, leven noemt. Hun bedrijf, een remservice, hadden ze jaren geleden al verkocht. Tijdens hun pensioen wilde ze vooral reizen. Ze hadden een nieuwe camper aangeschaft, een Mercedes, type Westfalia. Het kenteken wordt later in de kranten afgedrukt, ingevoegd onder ‘Registratienummer XY… onopgelost’: VB-13-JK.

    De Langendonks woonden in Delden, twintig minuten van de Duitse grens. Truus, eenenzestig, las graag en verliet het huis nooit zonder gestifte lippen. Harry, drieënzestig, verstopte elk jaar kakelend een paar paaseieren voor zijn kleinkinderen. Ze speelden beiden piano en in hun huis stond een klok die hij als jongeman zelf had gebouwd. Met kerst. Er is een foto van hen waarop hij staat in een leren jasje, een kettinkje aan de pols, zij in een zomerjackje met kortgeknipte haren, ze proosten met elkaar en glimlachen.

    Hun vakantiegeld nemen ze contant mee: guldens, francs, marken en schillings. Ze betalen liever niet met creditcard

    In een Nederlandse reisblad lezen de Langendonks over de Duitse Alpenstrasse. Adembenemend, staat er boven het artikel. Ze besluiten de route te rijden met de camper. Hun vakantiegeld nemen ze contant mee: guldens, francs, marken en schillings. Ze betalen liever niet met creditcard. 

    Op 29 mei 1997 vertrekken ze vanuit Delden, langs de Rijn, naar de Alpen. Na een paar dagen sturen ze hun dochters een ansichtkaart uit Sigmaringen. Ze bezoeken slot Neuschwanstein en slot Linderhof, ze rijden naar Oberammergau en naar Wieskirche en maken daar overal foto’s die de politie later zal ontwikkelen. Uit Garmisch sturen ze een brief, ze schrijven dat ze in Mittenwald waren. Ze hadden een oude viool bij zich, die ze daar wilden laten taxeren. De politie zal resten daarvan terugvinden in de uitgebrande camper: snaren en werveltjes.

    Stefan Stampfl, de rechercheur, stapt weer in zijn auto, laat het overwoekerde Wirtshaus achter zich en rijdt richting Traunstein. Rechts rijzen de bergen op als stomme getuigen, links strekken de velden zich uit. De politie heeft gereconstrueerd hoe de Langendonks op de plek van de misdaad zijn gekomen. Deze weg kunnen ze genomen hebben. Bij een oud gebouw van de post in Siegsdorf, kort voor Traunstein, stopt Stampfl nog eens. Een saai gebouw, duifgrijs gestuct. In de jaren negentig stonden overal in het land nog telefooncellen, ook hier. Tegen de muur zijn de omtrekken ervan nog zichtbaar.

    Op 7 juni 1997, ergens tussen 13.30 en 14.30 uur, bellen de Langendonks een laatste keer naar huis. Ze spreken met hun schoonzoon, zeggen dat ze bij de Chiemsee zijn, en daar nog wat zullen blijven. Bij de benzinepomp aan de overkant staat een vrouw aan de kassa. Ze ziet hoe Truus Langendonk eerst alleen telefoneert, dan komt haar man erbij, ze wurmen zich met z’n tweeën in de telefooncel. Tot slot zeggen ze dat de munten op zijn. Ze bellen altijd tot de munten op zijn.

    Vanaf het tankstation is het niet ver meer, een paar kilometer die het leven scheiden van de dood

    Ongeveer een kwartier zijn de Langendonks hier geweest, ze tanken en kopen twee ijsjes bij de cassière. De politie zal haar later vragen of er nog iemand anders bij was. Zat er misschien nog iemand in de camper, stond er iemand in de buurt en stapte die ook in?

    Van het tankstation is het niet ver meer, een paar kilometer die het leven scheiden van de dood. Stefan Stampfl rijdt nog eens door Traunstein heen, de B304 op, steeds verder, dan scherp naar links een smalle veldweg in die langs de bosrand omhoog voert, sparren, struiken. Dan blijft hij staan. Bij het Litzlwalchener Hölzl. De plek van de misdaad.

    Litzlwalchen, dat zijn een paar huizen en boerderijen, verder alleen velden en bos. Een dorpje zo nietig en verloren dat het lijkt of het uit de broekzak van een reus is gevallen. Het is mogelijk dat de Langendonks juist daarom hierheen zijn gereden. Omdat het een rustig plekje is.

    Modelvliegers

    7 juni 1997 is een zaterdag. De zon schijnt uitbundig, 23 graden. In Litzlwalchen zijn verschillende modelvliegers bezig. Een echtpaar brengt de hele middag door bij de vliegplaats, recht tegenover de bosrand. In het dorp is een jonge moeder in de tuin bezig, haar man bouwt een vliegengordijn voor de terrasdeur. Een paar huizen verder kijkt een oudere dame tv.

    Tussen 15 en 16 uur. Truus en Harry Langendonk parkeren hun camper langs de bosrand. Verscheidene getuigen zien de auto daar. Ze beschrijven ook dat er een tafeltje en stoelen bij het voertuig staan. Misschien drinken de Langendonks koffie, misschien doen ze een dutje, niemand die het weet.

    Waarschijnlijk is dat ze hier uitrusten. Zeker is dat ze hier sterven.

    Waar de dader ook vandaan komt, wat hij hier ook wil, omstreeks 18 uur schiet hij

    Op enig moment zien de modelvliegers personen bij de camper, maar ze kunnen de politie later niet zeggen hoeveel het er zijn. De hut van de vliegers staat ongeveer 400 meter bij de Langendonks vandaan, hoe moeten ze weten of het er drie zijn, of vier? En waar komt de dader vandaan? Uit het bos, over de veldweg, uit het dorp?

    Waarschijnlijk is er sprake van strijd. Omwonenden melden bij hun verhoor een blaffende stem, zoals bij commando’s. Zeker is dat de dader zijn moorden pleegt aan de kant van het bos, onzichtbaar achter de camper. Waar de dader ook vandaan komt, wat hij hier ook wil, omstreeks 18 uur schiet hij. De modelvliegers horen het, de jonge moeder in de tuin hoort het en verderop in Biebing horen ze de schoten ook. Nu eens worden er twee genoemd, dan weer vier of zes.

    Waarschijnlijk verzet Harry Langendonk zich. Hij heeft op reis een tafelpoot bij zich, die niet bij de camper hoort, om zich te verdedigen, je weet maar nooit. Misschien grijpt hij er naar, hij ligt later buiten de auto, in de struiken. Zeker is dat de dader Harry dood schiet, door het hoofd. Meerdere getuigen horen een vrouw schreeuwen, krijsen, de modelvliegers horen haar, de jonge moeder hoort haar. Truus Langendonk is in paniek, ze krijgt een kogel in de borst.

    Het is waarschijnlijk dat het pistool van de dader een keer blokkeert, dat hij een keer doorlaadt, de extractor wipt een onafgevuurd projectiel uit de loop, dat blijft in het gras liggen, alles verloopt heel snel; het kan zijn dat de vrouw nog om hulp schreeuwt, het is mogelijk dat de dader daarom meer haast maakt met zijn waanzin. Zeker is dat hij Truus Langendonk doodt door haar keel door te snijden, dat doet hij ook bij haar man, de duivel mag weten waarom, Harry Langendonk is toch al dood. De duivel mag weten wat hem die dag bezielt.

    Aflevering 719

    Boven in het dorp zit de oudere dame in haar huis en kijkt tv. Ze hoort de schoten, ze hoort het schreeuwen. Ze blijft tv kijken. Op ORF 2 is het dierenprogramma Wie wil mij hebben? bezig. Aflevering 719. De politie leidt daar later het tijdstip van de misdaad uit af. Buiten schijnt de zon, binnen vraagt de presentatrice Edith Klinger om een nieuw thuis voor haar in de steek gelaten honden en katten. En beneden aan de bosrand sterven twee mensen.

    Men zegt altijd – een oude criminologische wijsheid – dat de plaats delict veel zou zeggen over de dader. Hier vertelt die zo goed als niks over hem. Wellicht omdat niet de dader, maar de slachtoffers de plek hebben uitgezocht. Stefan Stampfl zegt: ‘Het is nauwelijks voorstelbaar dat de Langendonks hierheen geloodst werden.’ Ze overnachtten alleen op campings, bij kerken of politiebureau’s. Waarom zouden ze een vreemde volgen naar het bos?

    Getuigen dachten dat er een jager had geschoten – en dat de schreeuwen van een ree waren

    Toch heeft Stampfl zich steeds opnieuw afgevraagd of ze hun moordenaar al eerder op de dag ontmoet kunnen hebben. De stille passagier. Merkt hij die twee op, met hun nieuwe camper, en blijft hij ze volgen? Biedt hij zich aan als kenner van de streek, als reisgids? Maar niets wijst daarop. De serveerster ziet de Langendonks bij het middagmaal alleen met z’n tweeën. De caissière ziet niemand anders bij de benzinepomp. ‘Daarom gaan we ervan uit dat die persoon de Hollanders inderdaad op de plaats delict is tegengekomen.’ 

    FCA8A096 DE7C 4E6E B58C CAFED87D2370
    © Friedrich Bungert/ Süddeutsche Zeitung

    Stampfl zet een paar stappen in de struiken. Het mos klimt omhoog langs de sparren, meer vooraan groeien jonge scheuten. Het bos verandert, maar de vragen blijven. Waarheen trekt de dader zich terug? Posteert hij zich ergens, kijkt hij of er iemand komt: politieauto’s of wandelaars?

    Het paar dat indertijd bij de vliegplaats zat, ziet na de schoten nog iemand bij de camper. ‘Beweging,’ zegt Stampfl, ‘daarom hebben ze er verder niet bij nagedacht.’ Tegen de rechercheurs zeggen ze later dat ze dachten dat er een jager had geschoten – en dat de schreeuwen van een ree waren.

    Mensen bellen de politie als iemand verkeerd parkeert. Mensen bellen de politie als iemand te luidruchtig barbecue’t. Mensen horen schoten, horen geschreeuw, maar de politie wordt niet gebeld. Dat is voor het onderzoek tot op heden de grootste ramp. Voor de dader is het slechts één van de vele momenten waarop hij geluk heeft gehad. Onwaarschijnlijk veel geluk.

    Die stilte

    Die stilte, zegt Tabea Block, die stilte zal ze niet vergeten. Het was een heel rustige dag, zelfs de B304, waar anders altijd auto’s langs razen, was niet te horen. Dan verscheurt een schot de lucht. ‘Een bruut gekrijs, een vrouw.’ Weer schoten, meerdere achter elkaar. Dan niets meer. ‘Ik dacht nog: wat gek.’ Als het jongelui waren die iets idioots uithaalden, dan zou het daarna toch niet stil zijn. Dan zou het pas echt beginnen. 

    Tabea Block was zesentwintig jaar, haar kinderen waren nog klein en ze was hier in de tuin bezig. Een kordate vrouw, vriendelijk, maar met een uitdagend lachje. Zij ging toen naar haar man, die in de kelder een vliegengordijn had gemaakt. Hé, had ze tegen hem gezegd, dat was raar, daarnet, dat schot, en dat geschreeuw. Hm, zei hij, ik weet het ook niet.

    Wat je niet ziet, bestaat toch niet? Of wel?

    Ze loopt nu de weg af, tot aan de velden. Dan wijst ze naar het bos. Ziet u? ‘Onmogelijk,’ zegt Block. De bomen, de hoek, de plaats delict is van hier af niet te zien. ‘Als ik iets had gezien, dan had ik de politie gebeld. Maar ik heb niets gezien. ’s Avonds dacht ze er al niet meer aan. Wat je niet ziet, bestaat toch niet? Of wel?

    Tabea Block weet nog hoe de rechercheurs voor haar deur stonden. Hoe koud ze het kreeg. IJskoud.  

    Het onderzoek werd indertijd geleid door Werner Weiss. Ruim een week na de misdaad werd hij naar Litzlwalchen geroepen; tot dat moment dacht men nog dat Truus en Harry Langendonk vermoord werden op de plek waar ze ook verbrand werden. ‘Brutale roofmoord bij Neurenberg’ stond er in de Süddeutsche Zeitung. In de Abendzeitung: ‘Nieuw spoor in de dubbelmoord van Neurenberg’. De stille passagier had het voor elkaar gekregen om de plaats delict te verhullen.

    Maar dan voert het onderzoek naar Litzlwalchen. Weiss had dienst; met een collega zocht hij de bosrand af, de veldweg, de weide. Ze vonden patroonhulzen. De bril van Truus. Vertrapt gras. Ze alarmeerden het bureau, de sporen moesten veiliggesteld worden; ze vormden een Soko, bijna zeventig man, het hele protocol.

    Werner Weiss, vierenzestig, ziet er een beetje uit zoals je je een gepensioneerde commissaris voorstelt. In jeans met overhemd, een snorbaard en een donker getinte bril. Ook hij gaat nog eens langs de plaats delict, waar eerder Stefan Stampfl liep. Weiss was hier al jaren niet meer geweest, hij draait een sigaret, rookt en kijkt rond. ‘Elke keer een heel gek gevoel.’ 

    Regen

    Alles op de plaats delict leek indertijd de politie tegen te werken. Niet alleen dat het dagen duurde voordat hij ontdekt werd. Het regende ook, steeds weer. Weiss zegt: ‘Het goot zonder ophouden.’ De hulzen en het uitgeworpen projectiel verraden tenminste nog met welk pistool de Langendonks werden doodgeschoten: een Tokarew, TT-33, kaliber 7.62. Een ordonnanswapen van het Sovjetleger. In Duitsland nogal zeldzaam, in Oost-Europa wijd verbreid. Wat zegt dat over degene die het gebruikt? Ze dachten toen alle kanten op. Eén mogelijkheid: ‘Dit wapen, en vervolgens de keel doorsnijden met een mes – heeft die dader misschien ervaring uit een burgeroorlog?’

    Iemand doodschieten van een of twee meter afstand, dat is één ding. Iets heel anders is het om op hem af te gaan, hem misschien zelfs beet te pakken, zijn lichaamswarmte te voelen, al is het maar een seconde, zijn paniek, razende beelden, hem dan een lemmet tegen de hals te drukken, zo strak als het kan, en dan te trekken. Wie zoiets doet – daarvan gaan de onderzoekers uit – pleegt niet zijn eerste misdaad.

    Maar van één ding zijn ze overtuigd: dat de dader bekend is met de omgeving. Dat hij hier gewoond of gewerkt heeft. Op z’n minst hier op bezoek is geweest. ‘Hij doet alles om het hier bezemschoon te maken,’ zegt Werner Weiss. Hij neemt zelfs het risico om urenlang met twee lijken door de streek te rijden – en komt dan weer terug. ‘Als die niet van hier zou zijn, wat moet die hier dan?’

    7 juni 1997, tot 20.00 uur. De dader gunt zich na de schoten lang de tijd, twee uur. Lang genoeg om tot bezinning te komen, na te denken. Ergens in deze tijdspanne besluit hij op te ruimen. Hij legt de lijken in de camper, klapt het tafeltje en de stoelen in, werpt de tafelpoot in de struiken. Wat hij vindt, laat hij verdwijnen.

    Onopgemerkt rijdt hij de vallende nacht in. Achterin de camper liggen twee lijken

    Tussen 20.00 en 20.15 uur zien meerdere getuigen de camper manoeuvreren en wegrijden van de bosrand. Het is waarschijnlijk dat de dader daarbij het opstapje over het hoofd ziet. Dat hij er ’s morgens nog eens heen gaat, kijkt of hij iets vergeten is, en het ding diep het bos in draagt, enkele honderden meters. Zeker is dat de politie het daar later vindt. Het is overreden, het blik is verbogen, het ligt onder een vermolmde boomstronk.

    De dader rijdt van de veldweg de B304 op. Stefan Stampfl, die hem tot op heden zoekt, kan slechts vermoeden dat zijn route hem dan naar de snelweg voert. Onopgemerkt rijdt hij de vallende nacht in. Achterin de camper liggen twee lijken.

    Aan een van de sparren aan de bosrand hangt een krans, rozen en klimop van plastic en ijzerdraad. De kleur is uit de bloemen verdwenen, maar ze hangen daar nog, al meer dan twintig jaar. Van de familie.

    8 juni 1997, vanaf 0.30 uur. De camper parkeert op een bosweg naast de kruising van de snelweg Neurenberg-Oost, een paar kilometer van de stad. De stille passagier is zo ver gereden als maar mogelijk was. In de tank zit nog maar drie liter diesel, het waarschuwingslichtje brandde al een hele tijd. Op de weg ligt een hoop aarde, de dader hobbelt daar wellicht tegenaan, wil misschien nog uitwijken. Hij trekt de sleutel uit het contactslot en laat hem in de camper liggen.

    Gasfles

    0.55 uur. De camper staat in lichterlaaie. De passagier benut een gasfles die hij in het voertuig aantreft, wikkelt een lapje om het ventiel en steekt alles aan. Een verwoestende hitte, de bekleding valt van het dak, van de stoelen blijven alleen staketsels over. Het vuur vernietigt alle DNA-sporen die de dader in de auto achterlaat. De lijken van Truus en Harry verbranden.

    Wanneer twee vrouwen de brand melden, is de stille passagier al onderweg in de stad. Hij vlucht bijna drie kilometer te voet; bezweet zal hij in de Löwenbergerstrasse aankomen. Het is waarschijnlijk dat de brandweer en de politie hem tegenkomen. Blauw zwaailicht, sirenes. Dat hij gestresst raakt, tussen de struiken springt, oversteekt naar de andere kant van de weg en zich verbergt achter schuttingen. Zeker is dat de politie langs de weg steeds weer voorwerpen uit de camper vindt. Dingen die de passagier eerst meeneemt, waarom dan ook – en dan weg gooit.

    De paspoorten van de slachtoffers liggen in het gras, een brillehoes, een notitieboekje. Achter een houten schutting ligt hun portemonnee vol marken en guldens. De dader kan die verloren hebben, waarom zou hij die weg gooien? Het ging hem waarschijnlijk toch om het geld? 

    Staat hij misschien op een van die foto’s?

    Ergens werpt hij het fototoestel van de Langendonks weg. Hij neemt zelfs de tijd om er twee fotorolletjes uit te trekken. Waarom? Staat hij misschien op een van die foto’s? De recherche zal nog een paar foto’s kunnen ontwikkelen: slot Neuschwannstein, Harry aan het meer, Truus in de bergen. Het belichten heeft de beelden onduidelijk gemaakt, alsof iemand er een sluier voor gehangen heeft. De dader tonen ze niet.

    Eerst maakt hij de plaats delict schoon, dan vernietigt hij de meeste van zijn sporen en blijft tot op heden onontdekt. Maar, zegt Stefan Stampfl, ‘ergens heeft hij een fout gemaakt. Misschien hebben we die alleen nog niet gevonden.’

    In Litzlwalchen volgt Stampfl nu een grindweg die het bos in loopt. Het grind knerpt, zonlicht filtert door de bomen, buiten zeilt een modelvliegtuigje boven het veld. Het ziet er bijna belachelijk onschuldig uit. Misschien was dat juist het probleem.

    Honderdveertig ordners

    Stampfl heeft het gebeurde al zo vaak doordacht, en het dossier (honderdveertig ordners) zo vaak doorgelezen. Hij kan het gedrag van de dader niet verklaren. Er zijn momenten waarop hij volledig doelgericht handelt. De afweging of hij het risico zal nemen om met twee lijken in de auto gecontroleerd te worden. ‘En dat heeft hij overwogen, want hij heeft twee uur de tijd gehad.’ Maar er zijn ook momenten waarop hij volkomen chaotisch handelt. Waarom neemt hij spullen mee die voor hem geen waarde hebben, de paspoorten, de brillenhoes, en gooit ze dan toch weg? Geen enkele aanwijzing geeft daar een antwoord op.

    Natuurlijk ook niet op de eigenlijke vraag: waarom dit alles? Stefan Stampfl zegt: ‘Ik denk dat het een toevalstreffer was. Hij ziet de camper, denkt: daar kan ik snel een paar honderd mark jatten. Hij gaat er naartoe, speelt mooi weer, kletst een beetje, peilt de situatie. Dan eist hij geld, en escaleert het.’

    Toeval. Maar waarom dan het wapen? ‘Op die dag had hij het bij zich, waarom dan ook.’ Als hij alleen was. De politie acht het nog steeds mogelijk dat er meerdere daders waren. Dat de stille passagier alleen de schoonmaker was die alles wegwerkte, terwijl de moordenaar onderdook.

    Meer dan driehonders personen hebben Stampfl en zijn collega’s al als mogelijke daders onderzocht. Steeds opnieuw hebben ze geprobeerd uit te vinden waarom de man zo’n haast had om terug te komen. Wie zou zijn ontbreken de volgende ochtend zijn opgevallen?

    Ruim tweeduizend aanwijzingen, en geen enkele voerde tot dusver naar de dader

    Ze hebben alle huizen in de buurt nagetrokken: moest hij naar zijn gezin, had hij hier een auto staan? Ze zijn alle boerderijen langs gegaan: moest hij naar de stal? Ze hebben de wegwerkers ondervraagd die in die periode aan de B304 werkten, moest hij naar zijn werk? Ze hebben de kazerne in Traunstein gecheckt en de bosbezitters, een bruiloft en alle feestjes die dat weekend gevierd werden, de krantencolporteurs en de matrassenverkopers die toen van deur tot deur gingen.

    Maar overal: niets.

    Ook doen ze onderzoek in Oostenrijk, naar een man uit de buurt van Graz. Stampfl rechercheert langzaam naar hem toe: was hij in 1997 een keer in Traunstein? Stampfl trekt het net rond hem steeds verder dicht: waar heeft hij gewoond? Nog dichter: in welke auto’s reed hij? Stampfl doet weken, maanden onderzoek. Dan is het een zaak van minuten, seconden uiteindelijk. Komt er een fax van de rederij: de man zat op een schip in Noorwegen toen de Langendonks werden vermoord.

    Ruim tweeduizend aanwijzingen, en geen enkele voerde tot dusver naar de dader. Toch weet de politie hoe hij er ongeveer uit zag. De taxichauffeurs konden hem heel goed beschrijven: de stille passagier was tussen dertig en vijfendertig jaar oud, ongeveer 1 meter 80 tot 1.85 lang en sprak Oostenrijks, misschien ook Beiers. Haar: blond, sluik, halflang. Hij leek een beetje op prins IJzerhart, een beetje de jonge Rod Stewart. In elk geval geen alledaags gezicht. Hoe kan hij zich zo lang verborgen houden?

    Frank Behring zit in het kleine park bij de zuidelijke uitgang van het Hauptbahnhof van Neurenberg. Eigenlijk heet hij anders, maar omdat zijn echte naam een beetje ongewoon is, zou de dader hem probleemloos via Google kunnen vinden. Dus moet hij hier Frank Behring heten. In de jaren negentig reed hij in de weekenden vaak een taxi, ook in die nacht in juni 1997. Hij was het die de stille passagier terug gereden heeft naar de Chiemgau. Niemand in dit verhaal heeft zoveel tijd met hem doorgebracht als Behring.

    Daar, zegt hij nu, en wijst op de postbusgrijze uitgang, daar kwam de man het station uit.

    8 juni 1997, om 2.30 uur. De stille passagier stapt in Frank Behrings taxi, gaat opnieuw achterin zitten. Ook Behring vallen meteen zijn natte haren op, het colbertjasje draagt de man intussen over de arm. Of Behring ook langere ritten doet? Zeker. Of hij met een creditkaart kan betalen? Nee. Behring heeft geen uitleesapparaat bij zich. Contant dus.

    Het grootste deel wil de passagier deze keer niet in francs betalen maar in schillings. Bovendien heeft hij nog 30 mark. Zoveel als Wolfgang Stahl, de eerste taxichauffeur, hem een paar minuten geleden heeft gewisseld.

    Notitieboekje

    Frank Behring is een pietje precies, bijna pijnlijk precies. Hij heeft zijn notitieboekje meegebracht, hij heeft alles opgeschreven, flarden herinnering, brokstukken van zinnen, alles wat hem achteraf nog te binnen geschoten is. De recherche roept hem steeds opnieuw op, confronteert hem met verdachten, hij wordt een keer onder hypnose verhoord. Ze proberen Behring uit te wringen als een spons. Als iemand hun iets over de stille passagier kon vertellen, was hij het.

    ‘Erg spraakzaam was hij niet,’ zegt Frank Behring nu op het parkbankje. ’Wat opviel aan die figuur was dat die kleren niet bij hem pasten.’ Het kan zijn dat de dader zich heeft omgekleed, misschien had hij dat pak uit de bagage van Harry Langendonk genomen. Het kan zelfs zijn dat hij een pruik op had.

    Na 2.30 uur. Behring probeert op de een of andere manier met de stille passagier in gesprek te komen. De man zegt dat hij zijn vriendin graag wil treffen. Dat hij haar is misgelopen. Maar hij weet blijkbaar helemaal niet precies waar hij heen wil. In Neurenberg heeft hij het over München. Ongeveer 30 kilometer later, ter hoogte van Hilpoltstein, vraagt hij naar het centraal station van München. Vijf minuten later wil hij naar het Noordooststation, waar dat ook is, en daarna naar de luchthaven, tot hij overschakelt naar Traunstein, naar Marquartstein. Weet hij dat zijn slachtoffers daar gegeten hebben?

    Dan een telefoontje: het DNA van een man, iemand die ze nog niet kenden

    Het lijkt haast alsof de stille passagier met de routewijzigingen in deze nacht ook steeds een paar raadsels wil opgeven, kruimels die zijn vervolgers oprapen, maar ze kunnen hem niet vinden.

    Tot op heden geven de mensen tips, elke drie, vier weken. Stefan Stampfl trekt ze allemaal na. Jaar na jaar gaat voorbij en steeds weer zijn er van die momenten waarop hij heel even euforisch wordt. In 2015 vinden ze een gespecialiseerd laboratorium in Innsbruck, waar ze de portemonnee van de Langendonks nog eens laten onderzoeken. Ze laten elke naad lostornen, elke schilfer komt onder de microscoop. Dan een telefoontje: het DNA van een man, iemand die ze nog niet kenden. ‘Toen was ons duidelijk dat de dader er met zijn vingers ingezeten had en de biljetten had gezien.’ Dan de volgende domper. Stampfl zegt: ‘een gerechtigde sporenlater.’ Iemand van de familie had de portemonnee in handen gehad.

    De dochters

    Het beeld schokt een beetje als de drie vrouwen inloggen, camera’s worden in- en uitgeschakeld, nog eens inloggen, dan verschijnen ze op het beelscherm, elk in eigen huis, met kamerplanten, keukenkastjes, hartverwarmend normaal: Monique, Ellen en Karin Langendonk. De dochters van Truus en Harry.

    Karin en Ellen zijn een tweeling, beide negenenvijftig. De ene met kortgeknipt haar, de ander met een indianenkapsel. Monique is de oudste, tweeënzestig, met een diepe stem. Vrouwen met twee levens – een voor, en een na de moord op hun ouders. Ze waren indertijd juist begin dertig – en opeens waren ze wees.

    Wat je niet ziet, dat bestaat toch niet? 

    Ze beginnen meteen te vertellen over die krankzinnige eerste maanden, die onwerkelijke tijd. Karin zegt: ‘Ik had het gevoel alsof ik in Tatort meespeelde.’ In het nieuws werden familiefoto’s getoond, cameraploegen belegerden het huis in Delden. Toen de mensen van de boulevardpers allang weer weg waren, brachten politie-genten de sieraden die hun ouders gedragen hadden.

    De drie zussen waren altijd heel close, en toch waren ze plotseling erg alleen. Ellen zegt: ‘We hebben het elk voor onszelf verwerkt.’ Een beetje zoals nu op het beeldscherm: drie gezichten, elk in haar eigen venster. Monique, de oudste, keek jarenlang naar geparkeerde auto’s. Ging door de stad en prentte zich kentekens in, zomaar. ‘Zodat ik de politie kan helpen als er iets gebeurt.’

    Karin droomde steeds weer van haar ouders, juist in de eerste maanden. Hoe konden ze dood zijn? Toen ze weg reden, leefden ze toch nog? Het punt is dat de dader hun niet alleen hun moeder en vader heeft afgenomen, maar ook het afscheid. De dochters hebben het stoffelijk overschot van hun ouders nooit gezien, ze hebben afscheid genomen van twee houten kisten. De politie heeft hun ontraden om de kisten te openen.

    Wat je niet ziet, dat bestaat toch niet? Monique Langendonk zegt: ‘Wij zullen nooit weten of ze daarin lagen. Maar het moet wel zo zijn. Ze hebben zich sindsdien nooit meer aan ons vertoond.’

    Als een pop

    8 juni 1997, voor 3.36 uur. Het blijft een vreemde rit. Het valt Frank Behring op dat de man volkomen rustig op de achterbank zit, als een pop. Later herinnert hij zich dat de passagier iets vertelde over een symfonieorkest, over klassieke muziek. De Langendonks hadden toch een viool bij zich, de wervels in de verkoolde resten, ze wilden het instrument toch laten taxeren. De rechercheurs halen half Mittenwald overhoop, spreken met de vioolbouwers, de knechten, maar niets, overal niets.

    8 juni 1997, 3.36 uur. Frank Behring slaat af bij de Raststätte Holledau. De man wilde naar Marquartstein, maar Behring weet in de Chiemgau de weg niet. Hij koopt een kaart bij het tankstation, de stille passagier blijft zitten. Op de Raststätte zijn overal camera’s, ze registreren de taxi, laten zien dat er op de achterbank iemand zit, maar de taxi blijft precies zo staan dat zijn gezicht schuilgaat achter een zuil. Was Behring maar een tiende seconde vroeger of later gestopt, dan zou de man vol in beeld zijn geweest. 

    3.41 uur. De taxi rijdt verder. Hoeveel geluk kan iemand hebben? Geluk dat niemand in Litzwalchen de politie belt. Geluk dat hij op de rit naar Neurenberg nergens gecontroleerd wordt. Geluk dat de bewakingscamera op de Raststätte hem mist. En geluk dat de regen de sporen aan de bosrand voor altijd uitwist.

    Die vervloekte hoop. Eerst draagt ze je, dan laat ze je vallen

    Een paar jaar geleden was er in Beieren een amnestieregeling: een jaar lang konden de mensen illegale wapens inleveren bij de kantoren van de Landrat – ongestraft. Stefan Stampfl wilde weten of daarbij ook een of andere Tokarew opdook. Het wapen van de misdaad werd nooit gevonden, maar de verschoten munitie is een van de belangrijkste sporen, allemaal in databanken opgeslagen. Stampfl en zijn collega’s doen navraag, en inderdaad werd het model in de Landkreis Traunstein en Berchtesgadener Land meerdere malen ingeleverd. Om precies te zijn: meer dan dertig van die pistolen. De spanning stijgt.

    De pistolen worden onderzocht. Stampfl brengt ze zelf naar München, naar het laboratorium van het Landeskriminalamt. Hij kijkt over de schouder van de deskundige mee wanneer de projectielen onder een stereomicroscoop worden vergeleken. Hij denkt aan de bezoeken van de zusjes Langendonk in Traunstein. Hij denkt aan de wenskaarten die ze elk jaar met kerst sturen.

    Hij hoopt. En wordt teleurgesteld. Die vervloekte hoop. Eerst draagt ze je, dan laat ze je vallen. Steeds opnieuw. Intussen probeert Stampfl niet meer opgewonden te zijn als een spoor duidelijker wordt.

    Ellen Langendonk zegt: ‘Wij hopen niet al te zeer.’ Monique Langendonk zegt: ‘Uit zelfbescherming.’ Karin Langendonk zegt: ‘Het is gebeurd, en je moet ermee dealen. We moeten dealen met veel dingen die daar gebeurd zijn.’

    Vijfentwintig jaar

    Bijna vijfentwintig jaar is de dader al op de vlucht. 51.000 euro beloning voor de tip die tot zijn arrestatie leidt. Het grootste deel komt van de dochters. Soms belt Stampfl ze op en vraagt of ze het bedrag handhaven. Een formaliteit eigenlijk. De brekende stem aan de andere kant. De sprakeloze seconden. Ja, elke keer weer. Hoe lang de misdaad ook geleden is, ze blijft voor de betrokkenen toch steeds nabij.

    Wolfgang Stahl, de eerste taxichauffeur bekijkt sinds de moord de mensen die ’s nachts bij hem in de auto stappen met meer aandacht. Heeft zich vaker omgedraaid, om gezichten te monsteren.

    Tabea Block, de omwonende, heeft een hond aangeschaft. Van haar huis tot de plaats delict is het maar een paar minuten lopen. Ze is er nooit meer heen gegaan.

    ‘Waarom, jochie, heb je dat gedaan? Wat ging er in je om? Wat is hier gebeurd?’

    Werner Weiss, de gepensioneerde commissaris, is zelf eigenaar van een camper. Vroeger zou hij die zonder nadenken aan een bosrand parkeren. Sindsdien altijd weer die bedenkingen.

    Frank Behring, de tweede taxichauffeur, bergt tot op heden alles over de zaak op in een map: notities, foto’s, krantenartikelen. Alles netjes en accuraat, meestal zelfs met de verschijningsdatum erbij.

    Stefan Stampfl, de rechercheur, rijdt elke drie of vier maanden naar de bosrand, stapt uit en staat daar dan gewoon, met de handen in de zakken. Dan denkt hij na, zegt Stampfl. ‘Waarom, jochie, heb je dat gedaan? Wat ging er in je om? Wat is hier gebeurd?’ Dan rijdt hij verder. 

    Monique Langendonk, de oudste dochter maakt soms mee dat mensen klagen over hun zieke ouders. Over de zorg, de stress. Dan denkt ze bij zichzelf: waar klagen jullie over? Hoe graag zou zij haar ouders verzorgen.

    Omkeren

    8 juni 1997, voor 5 uur. Frank Behring rijdt met de stille passagier verder naar het zuiden, over de A8, de Bernauer berg, langs de Chiemsee, daar waren Truus en Harry Langendonk nog, ze hebben foto’s gemaakt op Herrenchiemsee. In Grabenstätt slaat Behring rechtsaf naar Marquartstein. Dan buigt de man voor het eerst naar voren en vraagt hoe laat het is. Dan wil hij opeens omkeren, meteen. De passagier verandert zijn bestemming voor de laatste keer. ‘Ik heb hem gezegd: U moet toch zo langzamerhand weten waar u heen wilt.’

    Plotseling weet de man verbazend goed de weg. Hij loodst Behring naar Traunstein, door de stad heen. Zegt: rijdt u daar langs en daar langs, verder, naar de B304, steeds verder, tot aan het bos. Behring herinnert zich dat de passagier nog eens vraagt hoe laat het is. Waarom vraagt hij steeds naar de tijd?

    Op een bepaald moment zegt de man: daarginds komt nu een bushokje, daar wil hij uitstappen. ‘Bushokje’, dat woord heeft Behring onthouden. Naar de plek waar Truus en Harry Langendonk vermoord werden is het van hier af maar een paar honderd meter. Over ongeveer twee uur valt de eerste regen.

    5.10 uur. Behring stopt midden op de weg, dat kan hier om deze tijd. De rit kost uiteindelijk 500 mark. De man geeft hem 30 mark en 3300 schilling. ‘Toen zei hij nog: zo snel zijn 500 mark weg.’ Je bent gek, denkt Frank Behring. Was dan met de trein gegaan. Dan stapt de stille passagier uit. Behring ziet hem nog in de achteruitkijkspiegel, ziet hoe hij het bos in loopt.

    En dan is hij verdwenen.

    Lees ook:

  • Ex-president Bolivia wordt niet onderzocht voor misdaden tegen de menselijkheid

    Ex-president Bolivia wordt niet onderzocht voor misdaden tegen de menselijkheid

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Indiase miljardair wordt rijkste persoon van Azië met steenkoolimperium

    » Olaf Scholz brengt bezoek aan Moskou om Poetin te ‘waarschuwen’

    Evo Morales niet voor de rechter in Den Haag

    Het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag heeft maandag geweigerd een onderzoek in te stellen naar de voormalige Boliviaanse president Evo Morales wegens misdaden tegen de menselijkheid, meldt El Deber. Het ICC is van mening dat het daartoe niet is bevoegd.

    ‘In september 2020 heeft het [Boliviaanse] Openbaar Ministerie een klacht ingediend tegen Evo Morales’ en de organisatoren van een protestbeweging ‘wegens het blokkeren van wegen en het verhinderen van de levering van medische zuurstof te midden van de covid-19-pandemie’, meldt de krant. De demonstranten ‘eisten verkiezingen, die al drie keer waren uitgesteld’. Dertig mensen zouden zijn gestorven door gebrek aan zuurstofflessen.

    Lees ook:

  • Zuid-Afrikanen hebben hun vertrouwen in de overheid verloren

    Zuid-Afrikanen hebben hun vertrouwen in de overheid verloren

    Zuid-Afrikaanse gemeenschappen die het vóór corona al zwaar hadden, nemen het heft in eigen handen omdat de overheid verstek laat gaan. Initiatieven worden opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk.

    Eén avond per week, als ze gaan patrouilleren in de straten van Thembokwezi, laten Natasha Msweswe en Zanele Madasi hun kinderen alleen. Pas om middernacht zijn ze weer thuis. Het is potentieel gevaarlijk, maar ze hebben weinig keus. ‘We knijpen ‘m soms wel, maar we willen onze gemeenschap beschermen,’ zegt Madasi (31). ‘We willen het verschil maken.’

    Thembokwezi is een wijk in Khayelitsha, het grootste, overbevolkte township van Kaapstad, waar bendegeweld, drugsmisbruik en werkloosheid welig tieren. De Zuid-Afrikaanse politie laat zich hier nauwelijks zien en daarom speelt een netwerk van buurtwachten een cruciale rol in de misdaadbestrijding. Thembokwezi is welvarender en veiliger dan de rest van het township, en dat willen de inwoners graag zo houden. ‘Natuurlijk werken we met de politie samen,’ zegt Phindile George, het hoofd van de buurtwacht, die vijftig vrijwilligers telt, onder wie Msweswe en Madasi. ‘Maar als we met de armen over elkaar gaan zitten wachten, krijgen bendes hier de vrije hand.’

    ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven’

    Zo nemen tienduizenden Zuid-Afrikanen, verspreid over het hele land, het heft in eigen handen. Sommigen geven les of zorgen voor een betrouwbare elektriciteitsvoorziening, anderen organiseren inentingscampagnes, repareren wegen, delen water uit of leveren beschermende kleding aan ziekenhuizen. Het zijn initiatieven die zijn opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die nu grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk. De gemene deler is een vrijwel volslagen gebrek aan vertrouwen in de Zuid-Afrikaanse overheid als probleemoplosser. ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven. Het vertrouwen is tot het nulpunt gedaald. Het is een tragedie,’ zegt William Gumede, een gerespecteerd analist, gevestigd in Johannesburg.

    Dat de overheid van het meest ontwikkelde land van het continent zich uit het dagelijkse leven heeft teruggetrokken, heeft verstrekkende gevolgen: het beïnvloedt de manier waarop mensen denken, zich gedragen en met elkaar omgaan, vooral in tijden van crisis. De dood van de alom gerespecteerde Desmond Tutu zorgde voor een moment van zowel rouw als paradoxale hoop. Na maandenlang door hachelijke omstandigheden uit elkaar te zijn gedreven, werden Zuid-Afrikanen weer even herinnerd aan wat hen onderling bindt. 

    Ontevredenheid

    De meeste Zuid-Afrikanen hadden het al zwaar voor de pandemie losbrak. De ontevredenheid over het regerende ANC, de partij die sinds de val van het racistische, repressieve apartheidsregime aan de macht is, neemt al jaren toe. De economische groei was al aan het stagneren vóór het negenjarige bewind van Jacob Zuma, de populistische president die in 2018 werd ontslagen na talloze beschuldigingen van corruptie. Ondanks de goede bedoelingen van de huidige president, oud-vakbondsleider en mijnmagnaat Cyril Ramaphosa, is er sinds diens installatie weinig te vieren geweest. De economie liep tijdens de pandemie zware klappen op. Stroomonderbrekingen hebben fabrieken en bedrijven wekenlang lamgelegd en de openbare gezondheidszorg is door wanbeheer en corruptie ernstig uitgehold. Volgens de regering zijn er negentigduizend Zuid-Afrikanen overleden aan corona, maar uit betrouwbare oversterftecijfers komt een dodental naar voren dat twee tot drie keer zo hoog ligt. Het werkloosheidspercentage ligt op een schrikbarende 46 procent. 

    Tijdens de ergste verstoring van de openbare orde in decennia werden in juli 2021 in een groot deel van Zuid-Afrika winkelcentra geplunderd, warenhuizen in brand gestoken en cruciale infrastructuur aangevallen. Het geweld leek bewust aangewakkerd door afvallige facties binnen de regerende partij, die woedend waren dat Zuma wegens minachting van de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd had gekregen, waardoor het vertrouwen in de overheid een verdere deuk opliep en een aantal Zuid-Afrikanen hun frustratie botvierden op straat.

    Buurtwacht

    De buurtwacht in Thembokwezi is bedoeld als aanvulling op de politie, maar in een ruiger deel van Khayelitsha is een gemeenschap de confrontatie met de plaatselijke autoriteiten aangegaan. Toen een strenge lockdown aan het begin van de pandemie in 2020 leidde tot grootschalige illegale ontruimingen, bezetten honderden daklozen een stuk braakliggend terrein om er houten en golfplaten huisjes te bouwen. ‘Politici houden ons al jaren voor dat ze hier huizen voor ons zullen neerzetten,’ vertelt gemeenschapsleider Mabhelandile Twani (40). ‘Ze houden zich niet aan hun beloftes, dus nu hebben we het heft in eigen handen genomen.’ 

    Ondanks pogingen om deze mensen opnieuw te verdrijven, is hun buurt tot bloei gekomen. Er wonen inmiddels meer dan vijftienduizend mensen in de rijen met krotten op de zanderige grond. Elektriciteit wordt van beter voorziene straten in de buurt afgetapt. Twani noemt het ‘volksstroom’. De wijk staat bekend als Lockdown Village. En er zijn veel meer van dit soort nederzettingen, ontstaan uit de ellende die corona heeft veroorzaakt in een land dat zich geen steunmaatregelen kan permitteren zoals in Europa of de VS. 

    In de townships stelen drugsdealers watertanks van scholen

    In Khayelitsha zijn er nu nederzettingen met namen als Sanitiser, Quarantine en Social Distance. ‘Het leven is nu zo zwaar. We krijgen geen overheidshulp. We proberen het zelf te rooien,’ zegt Nondwebi Kasba (73), die helpt bij het beheer van een gemeenschappelijke moestuin die buurtbewoners in het Illitha Park in Khayelitsha hebben opgezet om de allerarmsten te helpen. Ook Graaff-Reinet, een conservatief stadje in de Karoo-woestijn, duizend kilometer oostwaarts, kampt met tekorten aan voorzieningen die de overheid ooit bood. In de townships aan de rand van Graaff-Reinet stelen drugsdealers watertanks van scholen om de inhoud ervan naast cannabis en metamfetamine (crystal meth) te verkopen. Niemand meldt het bij de politie, ervan uitgaande dat die toch niet komt. 

    Banen zijn schaars. Opleidingsmogelijkheden waarmee jongeren aan hun situatie kunnen ontsnappen ook. Khanya Mbaile, een 31-jarige administrateur, hoopt een koffietent annex internetcafé te beginnen om de jongeren in het township waar ze woont een veilige ontmoetingsplek te bieden. Ze heeft met hulp van een ngo al zes computers aangeschaft. ‘We zijn allemaal doodop, maar er gloort een sprankje hoop,’ zegt Mbaile. De 58-jarige Louisa Masimela, een van de vele Zuid-Afrikaanse probleemoplossers, runt in een township ten zuiden van Graaff-Reinet een gemeenschapsschool voor jonge kinderen. De voormalige journaliste heeft geen vaste lokalen voor haar leerlingen, geen geld om de onderwijzers te betalen en drinkwater is ook een probleem. ‘Het valt allemaal niet mee, maar we willen onze kinderen een opleiding geven waarmee ze later kunnen uitvliegen,’ zegt Masimela. Dus heeft ze zelf oplossingen gevonden: een kerk biedt het schooltje doordeweeks ruimte aan en er zijn zeven vrijwilligers die lesgeven. 

    Water ontvangen ze van The Gift of Givers, een van de grootste ngo’s van Afrika. Die organisatie, volledig gefinancierd door particuliere donateurs, voornamelijk bedrijven, verdeelt jaarlijks 400 miljoen rand, circa 23 miljoen euro, aan hulp. In de provincie Oost-Kaap helpt de ngo ziekenhuizen door het verstrekken van broodnodige persoonlijke beschermingsmiddelen, medicijnen, zuurstofapparatuur, 
    voedsel voor de patiënten en zelfs goodiebags om het personeel te motiveren. Elders in de provincie, een van de armste van Zuid-Afrika, heeft de ngo water naar arme gemeenschappen getransporteerd, waterputten gegraven, en zaden, veevoer en voedsel voor weeshuizen geregeld. 

    ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen. Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project’ 

    ‘Er zitten een hoop goede mensen in de regering die het juiste willen doen, en ik zie dingen veranderen. Het zijn geen enorme veranderingen, maar mensen willen de problemen aanpakken,’ zegt Imtiaz Sooliman, oprichter van The Gift of Givers. ‘We moeten de gaten opvullen, maar dat neemt de spanningen niet weg. De mensen vragen waarom wij het werk van de overheid doen.’

    De recente gemeenteraadsverkiezingen zijn voor veel analisten een reden voor optimisme. Het ANC werd door de kiezers afgestraft: het verloor 8,3 procent aan stemmen en bijna duizend raadszetels. In veel kleine steden, waaronder Graaff-Reinet, werd de partij gedwongen de macht te delen en ook in steden als Johannesburg en Pretoria brokkelde haar positie verder af. In verschillende steden sloegen lokale gemeenschappen de handen ineen om politieke alternatieven te creëren die op aardig wat aanhang konden rekenen. ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen,’ zegt William Gumede. ‘Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project.’ 

    Politieke opties

    Er is een duidelijke behoefte aan politieke opties die een authentiek alternatief bieden voor het ANC, maar die ontsnappen aan de giftige erfenis van het traumatische verleden van Zuid-Afrika. Dat het ANC de nationale politiek domineert, betekent dat de belangrijkste politieke gevechten binnen de organisatie plaatsvinden. Analist Judith Februari schreef in december voor Daily Maverick: ‘Van de onlusten in juli tot de falende inlichtingendiensten, van het groeiende antivax-sentiment tot het vasthouden aan kolenbelangen: de spanningen binnen de partij komen het land niet ten goede. Ramaphosa’s greep op de macht lijkt zwak en onvast.’

    De langverwachte regen die een einde maakte aan de vijf jaar durende droogte heeft de landbouwsector geholpen om de elders geleden verliezen te compenseren, zeggen de boeren, maar de belangrijkste industrie, het toerisme, is door enorme verliezen aan omzet en werkgelegenheid zwaar getroffen door de pandemie.  ‘Het is een regelrechte ramp,’ zegt de 59-jarige Kobus Potgieter, die een bed and breakfast runt op zijn boerderij even buiten Oudtshoorn, gelegen aan de spectaculaire Route 62, de beroemde, ooit drukbezochte toeristische autoweg. Na zestien jaar overweegt hij de handdoek in de ring te gooien, of op zijn minst af te slanken.

    ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven’

    Om potentiële bezoekers ervan te overtuigen dat het dorp veilig is, zette het toeristenbureau van Franschhoek met behulp van crowdfunding en financiële steun van grote bedrijven en de plaatselijke overheid een vaccinatiecampagne op poten. In november was 85 procent van de horecamedewerkers gevaccineerd. Maar net toen de toeristen begonnen terug te keren, gooide de omikron-variant met nieuwe reisverboden roet in het eten. 

    ‘Het was een zware klap,’ zegt marketingmanager Ruth McCourt. In een van de landen met de meeste ongelijkheid ter wereld doorstaan sommigen de economische en politieke storm beter dan anderen. De inwoners van Franschhoek geven toe dat ze in een soort ‘bubbel’ leven. Dat geldt niet voor de half miljoen inwoners van Khayelitsha, die weinig bescherming genieten tegen de nieuwe coronagolf die door het land raast. ‘Het wordt een zwarte Kerst,’ zei Twani, de gemeenschapsleider in Lockdown Village, in december. ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven. De mensen zijn boos. God weet wat er nog staat te gebeuren. Het kan alle kanten opgaan.’