360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.
Nieuwe Harvey is niet voor iedereen geschikt
Geobsedeerd door vernieuwing
MUZIEK | ‘Het is geen noodzaak om het achtergrondverhaal van het album I Inside the Old Year Dying te kennen, een Dorset-woordenlijst te bezitten of te zijn afgestudeerd in dialectologie om ervan te genieten. Maar een beetje extra kennis geeft beslist extra sjeu aan dit ingewikkelde album’, schrijft Rolling Stone over het laatste album van P.J. Harvey, dat 7 juli werd uitgebracht. Vorig jaar werd van Harvey het boek Orlam uitgegeven, geschreven in het uitstervende dialect van Dorset, Engeland, waar ze opgroeide, en in haar teksten komen voor vrijwel iedereen onbegrijpelijke woorden voor, zoals in de zin ‘Who’s inneath the Ooser-Rod?/Horny devil? Goaty God?’ Je zou er, aldus Kory Grow van RS, door de speelsheid van de woorden, de vloeiende gitaar en de achtergrond van tsjilpende vogels makkelijk aan voorbij kunnen gaan wat een Ooser-Rod in godsnaam is, maar in haar boek wordt het begrip gedefinieerd als een ‘een duivelspenis, abnormaal groot’, waardoor het nummer een scherper randje krijgt.
In twaalf nummers beschrijft Harvey tegen de achtergrond van een bos in Dorset het jaar waarin de heldin, Ira-Abel, ‘haar onschuld verliest en te maken krijgt met de sociale druk en gevaren waar ieder opgroeiend meisje mee in aanraking komt’, omschrijft Laura Snapes op van The Guardian, die Harveys vermogen om zichzelf opnieuw uit te vinden gelijkstelt aan dat van David Bowie.
‘Degenen die Harvey altijd al hard werken vonden, zullen ongetwijfeld veel vinden om mee te spotten’
De zangeres gaf de Britse krant een zeldzaam interview, waarin ze inderdaad vertelt over haar obsessie met vernieuwing – en ook dat ze White Lotus erg leuk vond, Succession nog niet heeft afgekeken en dat Ricky Gervais haar lievelingsacteur is, volgens Snapes zeer waardevolle uitspraken aangezien Harvey ‘zo geheimzinnig [is] dat ieder kleinste beetje informatie een primeur wordt’.
VolgensThe Independent is het album niet voor iedereen geschikt. ‘Degenen die Harvey altijd al hard werken vonden, zullen ongetwijfeld veel vinden om mee te spotten’, aldus Helen Brown. ‘Maar haar fans zullen volledig overtuigd zijn door deze vunzige, heidense wervelstorm.’ Zelf is ze ook ‘gevoelig voor een beetje aardse folk-grunge, en voor Harveys glibberige, melodieuze wendingen, die koel en diep kronkelen als ondergrondse stromen’.
Kille uitstraling met een melancholische onderstroom
TENTOONSTELLING | De 95-jarige Alex Katz wordt internationaal gezien als een van de belangrijkste Amerikaanse schilders van de afgelopen halve eeuw. In eigen land trok hij al vanaf de jaren ’50 volop aandacht met levensgrote portretten van mooie, goed geklede mensen, stadsgezichten en landschappen. Zijn doorbraak in Europa volgde pas in deze eeuw.
‘Verwacht van Katz geen psychologische diepgang, ideeën om de wereld te verbeteren of politieke statements’, schrijft Uta Baier in Die Welt. ‘Al lijken zijn foto’s gekopieerd van reclameposters en krantenfoto’s, Katz schetst zijn motieven naar het voorbeeld van impressionisten als Matisse.’ De kunstenaar lijkt volgens Baier door zijn ‘ogenschijnlijke oppervlakkigheid’ perfect te passen binnen de traditie van Pop Art. ‘Toch staat hij dichter bij Edvard Munch en Edward Hopper dan bij Andy Warhol.’
In Vogue stelt Gabé Hirschowitz dat Katz’ carrière parallel loopt aan de ontwikkeling van New York in de afgelopen decennia: ‘Hij is meegegroeid met de stad. Zijn werk biedt een panorama van artiesten, dichters en dansers die het abstracte expressionisme een nieuwe dimensie hebben gegeven.’
‘Je kunt hem betichten van goedkope trucs, ontleend aan cartoonisten’
Aanvankelijk vond Sebastian Smee van The Washington Post de kunst van Katz ‘gemakkelijk en kitsch.’ Maar, ‘inmiddels sluit hij met zijn scherpzinnige kijk op individuen binnen hun sociale omgeving’ prima aan op de tijdgeest en vormt hij ‘dé inspiratiebron voor grootheden als Nicole Eisenman, Salman Toor en Elisabeth Peyton.’ (…) ‘Je kunt hem betichten van goedkope trucs, ontleend aan cartoonisten. Maar zelf ontwaar ik steeds vaker een diepe, melancholische onderstroom in zijn portretten.’
Voor criticus Alex Greenberger van ARTNews draaide Katz’ overzichtstentoonstelling in het New Yorkse Guggenheim in 2022 evenwel uit op ‘misschien wel de grootste teleurstelling van het seizoen.’ Volgens de criticus komt dat door de ‘kille blik van stijlvolle figuren die mij vanuit een lege omgeving aanstaren. Ook in gezelschap is de onderlinge betrokkenheid ver te zoeken.’
Retrospectief Alex Katz, tot en met 1 oktober te zien in Museum Voorlinden, Wassenaar.
Door Diederik Samwel
Taboedoorbrekende serie in Saoedi-Arabië
Ondanks gebrek aan seksscènes voor 18+
SERIE | Nadat de serie Al-Mastour – Dahaya Halal (‘In het geheim – gedoogde offers’) verscheen op Shahid, het Saoedische equivalent van Netflix, kwam er zo veel kritiek dat het grote Saoedische mediaconcern Middle East Broadcasting Centre (MBC) de serie schrapte. Nu is de serie voor 18+, ook al zijn de seksscènes vervangen door man en vrouw die gekleed op de rand van het bed zitten, schrijft Süddeutsche Zeitung.
De pan-Arabische serie, ook te kijken met Engelse en Franse ondertiteling, vertelt het verhaal van vier jonge vrouwen die belanden in de villa van de sombere Umm Noura, ‘een soort oosterse Cruella De Vil, met gouden sieraden en lange zwarte vingernagels’. Thema is onder meer het misyār-huwelijk, een veel bekritiseerd officieel maar geheim en open huwelijk. Daarnaast wordt in de serie ook andere kritiek geleverd op de Saoedische samenleving, waarvan bijna 30 procent van de 30 miljoen inwoners uit het buitenland komt en systematisch wordt gediscrimineerd.
Kortgeleden zou Al-Mastour… onmogelijk zijn geweest in het ultraconservatieve Wahabi-koninkrijk, aldus France24. Pas in 2018 werd de eerste bioscoop geopend en volgens de ambitieuze plannen van Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman zouden dat er tegen 2030 2600 moeten zijn; ‘vanuit de gedachte: cultuur is gelijk aan amusement is gelijk aan geld’.
Door Laura Weeda
Aan alles komt een eind
Gecamoufleerde mémoires
NON-FICTIE | Wie denkt met The Last Days of Roger Federer een enerverend sportboek open te slaan, komt bedrogen uit. In plaats daarvan heeft de Amerikaanse criticus, essayist en romancier Geoff Dyer een bloemlezing samengesteld over het einde van roemruchte carrières. Zo komen naast het, rond de boekpublicatie naderende afscheid van de Zwitserse tennislegende onder meer ook die van Jean Rhys, Bob Dylan en Richard Wagner voorbij.
Hannah Clarkson van Totally Dublinvindt dat het boek neerkomt op een ‘waslijst van eindes in het algemeen.’ Het gaat in haar ogen net zo goed over ‘gesneefde ambities, niet-uitgelezen boeken of de gelofte om voor de rest van je leven uitsluitend hotelshampoo te gebruiken.’ Ze stelt dat Dyer ‘met komisch fatalisme’ zichzelf en ‘alles wat hij nog heeft af te ronden’ op de korrel neemt.
‘Onder de talrijke thema’s die zijn aandacht genieten’, springt er eentje uit: Dyer zelf, zo constateert recensent Nicholas Wroe in The Guardian. ‘Bij een andere schrijver die zichzelf zo nadrukkelijk centraal stelt, was dat vermoeiend geworden’, maar Dyer zet ‘zijn handelsmerk van frisheid, speelsheid en humor’ ditmaal in om de vergankelijkheid te onderzoeken. ‘Terwijl zijn leeftijd vat op hem begint te krijgen, is zijn jeugdigheid allerminst verdwenen.’
Simon Kuper stelt in Financial Times dat er een mooi boek valt te schrijven over ‘creatieve geesten in de nadagen van hun carrière’. Maar Dyer komt wat hem betreft niet verder dan een ‘allegaartje van loftuitingen op schilders, auteurs en atleten’ in combinatie met ‘eindeloze ontboezemingen waarbij je wenst dat zijn redacteur had ingegrepen. Zijn beste overdenkingen waren misschien iets geweest voor een kort essay. Hij had ze ook kunnen delen op zijn Facebook-pagina.’
‘Eigenlijk zijn het gecamoufleerde mémoires’, schrijft Charles Finch in Los Angeles Times: ‘Met tennis heeft het weinig te maken, maar, net als in zijn vorige publicaties, des te meer met Dyer zelf.’ Hij houdt het op ‘een hybride vorm van essay, kritiek en fictie.’
De laatste dagen van Roger Federer en andere eindes van Geoff Dyer, uit het Engels vertaald door Ivo Verheyen, is half juli uitgebracht door uitgeverij Tzara.
In de tentoonstelling Aan de horizon van het Centraal Museum in Utrecht staat het landschap centraal. Van adembenemende vergezichten tot de zichtbare gevolgen van klimaatcrisis, de horizon is al sinds mensenheugenis een bron van inspiratie.
Kunstenaars hebben door de eeuwen heen hun inspiratie elders gezocht. De expositie Aan de horizon begint met Utrechtse kunstenaars die in de zeventiende eeuw geïnspireerd raakten door het landschap en hun Italiaanse tijdgenoten, en vervolgens een nieuwe schilderstijl introduceerden, met mediterraan licht. Ook komen hedendaagse kunstenaars aan bod bij wie een bepaald landschap de aanzet tot een kunstwerk gaf of juist de wanderlust, het reizen zonder bestemming in gedachten, de aanleiding vormde.
Le soleil toujours van de Libanese kunstenaar Etel Adnan bestaat uit 136 handgemaakte en beschilderde keramiektegels, met als middelpunt een grote zon. Het Centraal Museum gaat ook thema’s als gedwongen migratie en klimaatcrisis niet uit de weg; zo bestaat het werk Ntabamanzi van Lungiswa Gqunta bijvoorbeeld geheel uit prikkeldraad.
Aan de horizon, Centraal Museum, Utrecht, t/m 27augustus
De kunstinstallaties van Janet Cardiff en George Bures Miller zijn niets zonder het ‘talent’ van bezoekers, zoals ze het zelf noemen. Hun tentoonstelling Dream Machines is nu te ontdekken in Basel.
In Museum Tinguely verwelkomen Janet Cardiff en George Bures Miller bezoekers om met hun theater-, video- en geluidsontwerpen mee te doen: hun Dream Machines. Het Canadese kunstenaarsduo begon per toeval samen te werken toen ze in een gezamenlijke studio met andere kunstenaars niet meer wisten wat nu precies wiens idee was. Hun decennialange samenwerking wordt nu uitgebreid getoond in Basel, met veertien multimediawerken.
Een tafel bedekt met luidsprekers wordt bijvoorbeeld geactiveerd door de bewegingen van bezoekers. De aanwezigheid van wat Cardiff ‘getalenteerde deelnemers’ noemt, kan de werken echt laten zingen. In New York kwam Talking Heads-frontman David Byrne onaangekondigd meespelen op The Instrument of Troubled Dreams (2018). Wanneer de voorgeprogrammeerde toetsen daarvan worden aangeslagen, zet gezang of het geluid van de zee of van draaiende windmolens in.
Als je weet waar je moet kijken, kun je het geweld van Vermeers tijd terugvinden in zijn serene meesterwerken. Zijn schilderijen kunnen niet slechts als decoratief of technisch hoogstaand worden gezien, betoogt kunstliefhebber en schrijver Teju Cole. Ze dragen de last van eeuwen koloniale geschiedenis op hun schouders.
Ik maakte kennis met Vermeer toen ik op een middag door de boeken en publicaties bladerde die bij ons thuis, in Lagos, in de boekenkast stonden. Ik was veertien of vijftien. Tussen de oude studieboeken van mijn ouders (Nigeriaanse toneelstukken, Franse geschiedenisboeken, handboeken over bedrijfsmanagement) vond ik iets dat ik nog niet eerder had gezien: het jaarverslag van een multinational. Ik weet niet meer welk bedrijf het was, maar het moet iets met eten of drinken te maken hebben gehad, want op de voorkant stond een schilderij van boeren in een glooiend veld en op de achterkant dat van een vrouw die melk inschenkt.
Ik weet nog hoe kalm ik me die middag voelde en hoe gefascineerd ik was door de afbeeldingen in het verslag. Ze leken de ruimte om me heen te transformeren. De onderschriften vertelden me dat het de schilderijen De korenoogst van Pieter Bruegel de Oude en Het melkmeisje van Johannes Vermeer betrof. Ik kende deze werken niet, maar ik was al wel een groot kunstliefhebber en wist wanneer iets me echt raakte. Vooral het schilderij van Vermeer had een indrukwekkende, mysterieuze aantrekkingskracht. Nog nooit had ik een muur zo goed geschilderd gezien, of een menselijke figuur zo overtuigend gesitueerd in de visuele ruimte. En alles was doordrenkt van licht dat het tafereel, meer nog dan andere schilderijen, levensecht maakte. De term ‘Noordelijk licht’ kwam toen nog niet in me op, maar ik wist wel dat ik naar iets vreemds en verleidelijks keek, iets dat zich afspeelde in een wereld die radicaal verschilde van mijn tropische omgeving.
Portaal
Nog steeds ontroert het me als ik terugdenk aan het stille wonder dat zich op die middag voor mijn adolescentenoog voltrok. Sindsdien is mijn band met kunst veranderd: nu zoek ik naar het problematische. Een schilderij van Vermeer is voor mij niet meer simpelweg ‘vreemd en verleidelijk’, maar een artefact dat getuigt van ’s werelds complexiteit: de tijd waarin het schilderij gemaakt werd, bijvoorbeeld, is verstrengeld met onze tijd. Op deze manier kijken doet in geen enkel opzicht afbreuk aan die kunstwerken. Integendeel, het verleent ze openheid: wat eerst een tweedimensionaal oppervlak was, wordt een portaal waarlangs nieuwe onthullingen worden gedaan.
Dit voorjaar stond ik in het Rijksmuseum in Amsterdam opnieuw oog in oog met Het melkmeisje, drieëndertig jaar na die dag in Lagos. Opnieuw maakte ik kennis met haar nederigheid, degelijkheid en met het huishoudelijk werk dat ze constant moest verzetten. Ik houd niet minder van haar dan vroeger. Zij was het die Wislawa Szymborska’s inspireerde tot het schrijven van haar epigrammatische gedicht ‘Vermeer’ (door Karol Lesman vanuit het Pools naar het Nederlands vertaald):
Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum
in geschilderde stilte en concentratie
uit een kan in een schaal
dag in, dag uit melk giet,
verdient de Wereld
geen einde van de wereld.
Het was een veelgeprezen tentoonstelling. De conservatoren van het Rijksmuseum brachten het grootste aantal schilderijen van Vermeer bijeen die ooit samen zijn getoond: achtentwintig van de ongeveer vijfendertig overgebleven schilderijen die over het algemeen aan hem worden toegeschreven. Het is een enorme prestatie, die flink wat coördinatie van de organisatoren vereist heeft en waarvoor bruikleengevers vrijgevig zijn geweest. Onze generatie gaat een dergelijke verzameling op deze schaal waarschijnlijk niet nog een keer meemaken.
Toch had ik tot dan toe geen echte interesse in de tentoonstelling gehad. De redenen hiervoor begonnen zich op te stapelen. Alle toegangskaartjes, bij elkaar opgeteld zo’n 450.000 stuks, waren binnen een paar weken na de opening uitverkocht en zelfs als het me was gelukt er een te bemachtigen, was het ongetwijfeld druk geweest in de museumzalen. Bovendien had ik mijn twijfels over de beperkte insteek van de tentoonstelling: de ene Vermeer na de andere… De meeste succesvolle tentoonstellingen vereisen simpelweg meer contextualisering. Maar wat me echt begon tegen te staan, was de niet-aflatende lovende feedback. De naam Vermeer is een soort codewoord geworden: Vermeer is synoniem voor artistieke uitmuntendheid. Veel van de lovende recensies klonken evengoed als emotionele codes. Waar ‘grootheid’, ‘perfectie’ en ‘sublimiteit’ eigenlijk voor stonden, was een heel specifiek soort culturele ervaring. Wie de tentoonstelling wel had gezien, riep jaloezie op bij de wegblijvers. Met een haast religieuze toewijding werd beloofd dat het een ‘once-in-a-lifetime’-ervaring zou zijn. (Maar hebben we onze mooiste kunstervaringen niet juist in een klein museum, op een rustige dag? En zijn de momenten waarop we bewust van kunst genieten niet allemaal ‘once-in-a-lifetime’-ervaringen?) De overtuiging dat de kunstwerken prachtig waren was op de een of andere manier tot een dogma verworden: ze waren niets dan prachtig. Iedereen leek eensgezind in het enthousiasme, en het was bijna onmogelijk om iemand te vinden die een kritisch tegengeluid vertegenwoordigde.
De laatste golf reguliere bezoekers werd naar buiten geleid, zodat wij, de drie gelukkigen, als enigen overbleven met achtentwintig Vermeers
Een paar Nederlandse vrienden wisten toch een toegangskaartje voor me te regelen, waardoor mijn vastberadenheid afzwakte. Toen nodigde Martine Gosselink, directeur van het Mauritshuis (de thuisbasis van Meisje met de parel en tevens een van de belangrijkste bruikleengevers van de tentoonstelling), me uit om na sluitingstijd met haar door de tentoonstelling te lopen. Dat aanbod afslaan zou compleet absurd zijn geweest. Samen met een vriend bezochten we op 13 maart de tentoonstelling. De laatste golf reguliere bezoekers werd naar buiten geleid, zodat wij, de drie gelukkigen, als enigen overbleven met achtentwintig Vermeers.
Vermeer was geen productief schilder: waarschijnlijk heeft hij in totaal maar tweeënveertig schilderijen gemaakt. Logischerwijs dachten kunsthistorici lange tijd dat dit lage productietempo het gevolg was van een bijzonder nauwgezette techniek. Maar uit röntgenfoto’s en infraroodbeelden blijkt dat hij niet veel tijd besteedde aan zijn onderschilderingen en maar heel weinig voorbereidende tekeningen maakte. Wat deed hij dan met al die extra tijd? Allereerst werkte hij overdag als kunsthandelaar, het beroep dat hij van zijn vader overnam. Bovendien was hij zelf vader van vijftien kinderen (waarvan vier tijdens zijn leven overleden). Het moet een luidruchtig huishouden zijn geweest.
Terwijl het op de achtergrond dus waarschijnlijk steeds lawaaierig was, maakte Vermeer verbluffende, evenwichtige schilderijen, twee of drie per jaar. In zijn schilderijen doet hij dingen met licht die geen enkele schilder vóór hem had gedaan. Volgens kunsthistoricus Lawrence Gowing neemt Vermeer zijn onderwerp nauwelijks in acht; hij richt zich alleen op de uiterlijke verschijning ervan. ‘Vermeer lijkt niet geïnteresseerd in, of zich zelfs niet bewust van wat hij schildert. Hoe het licht hier valt… Noemen andere mensen dat een neus? Een vinger? Wat weten we van de vorm ervan? Voor Vermeer doet dit er allemaal niet toe, de conceptuele wereld van namen en kennis vergeet hij en hij houdt zich alleen bezig met wat zichtbaar is: de toon, de lichtval.’
We bleven staan voor Brieflezende vrouw. Het was adembenemend. Er zijn maar een paar tinten verf gebruikt: de muur is gebroken wit met blauwe ondertonen; de grote kaart van de regio’s Holland en West-Friesland is lichtbruin met een vleugje groen; de twee stoelen aan weerszijden van de vrouw hebben glinsterende koperen spijkers die de diepblauwe bekleding op zijn plaats houden. De ene stoel is groter dan de andere, staat dichter bij de kijker. Tussen de stoelen bevindt zich de ruimte waarin de vrouw staat. Ze draagt een blauw jasje en een donkere, olijfgroene rok. Alle kleuren zijn zo dof dat het lijkt alsof je ze niet op een schilderij bekijkt, maar in een verre herinnering. De vrouw is en profil weergegeven en lijkt diep in gedachten verzonken. Ze heeft haar ogen dromerig neergeslagen en houdt met beide handen een brief vast. Er zitten linten in haar haar. Het blauwe, klokvormige huisjasje is een zogenaamde beddejak. Ze is zwanger. Geleerden betwijfelen of ze zwanger is, of zeggen dat we het niet zeker kunnen weten. Maar van geleerden vragen we dat ze ons uitleggen wat voor ons nog onzichtbaar is, niet wat we overduidelijk wél zelf kunnen zien.
Hebzucht
Wat heeft hij haar geschreven – want het moet toch zeker een hij zijn, de vader van haar kind? Haar mond staat een beetje open. Vermeers suggestiviteit begint langzaam vorm te krijgen. De kaart, de vroege ochtend, de brief die door de nacht reisde om bezorgd te worden: onder de stilte van de scène gaat een verhaal schuil. Er is hier sprake van drama, zo niet van melodrama. We stellen ons iemand voor die ver weg is en wiens afwezigheid wordt overpeinsd door degene die hij heeft achtergelaten. Misschien is hij wel een soldaat of een zeeman. De rugleuning van de stoel links werpt zachte, blauwachtige schaduwen op de muur. Het raam waarlangs het licht binnenvalt, wordt alleen geïmpliceerd, niet afgebeeld, en het licht valt op het voorhoofd van de vrouw en op haar flauw opbollende beddejak, blauw als de zee. Het is het resultaat van penseelwerk dat precies maar niet pietluttig is; een streepje licht hier, een streepje licht daar. Als kijker houd je je adem in, omdat je niet wil onderbreken wat hier ook maar gaande is. De vrouw wacht op de terugkeer van haar geliefde, op de geboorte van haar kind. De schilder wacht, na elke ochtend achter zijn ezel te hebben gewerkt, tot de volgende ochtend aanbreekt, en de ochtend daarop. Hij wacht op de momenten dat het licht hem gunstig gezind is, wacht tot het werk af is. Lawrence Gowing heeft gelijk: Vermeer schildert het licht. En hij schildert, op voortreffelijke wijze, de tijd.
Maar laten we nu op zoek gaan naar het problematische. Overal in het oeuvre van Vermeer zie je voorwerpen zoals die in Brieflezende vrouw, voorwerpen die ons herinneren aan de enormiteit van de wereld. De wereld van Vermeer ontstond na de langdurige strijd die de Nederlanden voor onafhankelijkheid van de Spaanse overheersing voerden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog en de directe nasleep ervan vestigden de Nederlanders handelsposten in Azië, Afrika en Amerika. In binnen- en buitenland bloeide het kapitalisme op – en daarmee werd de basis van een koloniaal rijk gelegd. Hoewel Nederlanders aan den lijve hadden ondervonden hoe onderwerping voelde, nam hun verlangen om anderen te onderwerpen niet af. De Verenigde Oost-Indische Compagnie domineerde de zeeroutes waarlangs haar aandeelhouders het geld binnen harkten. De West-Indische Compagnie was een belangrijke speler in de handel in tot slaaf gemaakten. Gewone Nederlandse burgers werden rijk van deze criminele ondernemingen. Zich opnieuw bewust van hun positie in de wereld, vulden ze hun huizen met zeldzame objecten en vergezochte snuisterijen. Je kon luxe voorwerpen hebben, en ze bovendien op schilderijen laten afbeelden. Die schilderijen herinnerden je onder andere aan je sterfelijkheid, maar ook aan je rijkdom.
In zijn treffende boek Vermeer’s Hat (2008) geeft historicus Timothy Brook een overzicht van de herkomst van de verschillende voorwerpen die op Vermeers schilderijen zijn weergegeven. Ze komen van over de hele wereld. Brook zegt bijvoorbeeld dat het zilver op de tafel in Vrouw met weegschaal afkomstig zou kunnen zijn uit de beruchte Potosí-zilvermijn, een helse plek die draaide op de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen in het toenmalige Peru (tegenwoordig Bolivia). Het vilt op de hoed van de soldaat in De soldaat en het lachende meisje is vrijwel zeker gemaakt van beverhuiden die Franse avonturiers uit de gewelddadige handelsnetwerken van het zeventiende-eeuwse Canada haalden. De luchtige scène die op dit zogenaamde genreschilderij staat afgebeeld, brengt Brook in verband met de bittere geschiedenis van de ‘hongerwinter van 1649-50’. De Europese hebzucht naar pelzen leidde tot verdrijving, oorlog en de uitmoording van de Huron-indianen.
Martine vertelt dat de beddejak in Brieflezende vrouw is geschilderd met ultramarijn, het zeldzaamste en duurste blauwe pigment waarover een zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder kon beschikken. Ultramarijn werd gemaakt van lapis lazuli, dat naar West-Europa werd geïmporteerd vanuit Afghaanse mijnen; het kwam van ergens voorbij de zee (in het Latijn ‘ultra marinus’). Waarschijnlijk gaf zo’n duur pigment Vermeer meer prestige en stelde het hem in staat een hogere prijs voor zijn schilderijen te vragen. Waarschijnlijk bracht hij zijn werk graag in verband met schilderijen uit vroeger tijden, waarin lapis lazuli werd gebruikt voor het blauw van het gewaad van de Maagd Maria. Het effect van ultramarijn is oogverblindend en emotioneel. Maar wie ontgon de lapis lazuli in Afghanistan? En onder welke omstandigheden?
Elk kunstwerk zegt iets over de materiële omstandigheden van zijn tijd. De allerbeste kunstwerken tonen niet alleen aan – ze vertellen er ook iets over. Binnen de omlijsting van één groot schilderij bestaan medeplichtigheid en transcendentie naast elkaar. Dat is wat ik dacht toen ik door de museumzalen liep. In de tentoonstelling kwamen deze onderwerpen niet aan bod en ik las de catalogus, die wetenschappelijk en inzichtelijk was, pas later, maar eerder die middag had ik geluncht met Valika Smeulders, hoofd van de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum. Smeulders was medecurator van de baanbrekende slavernijtentoonstelling die in 2021 in het museum werd gehouden. Daar werden artefacten uit de eigen collecties van het Rijksmuseum en uit een breed scala aan andere bronnen getoond. Er waren schilderijen, prenten, tekeningen en documenten, maar ook plantagebellen, voetstokken, een koperen halsband, een brandijzer met een logo (waarschijnlijk van de WIC) en een ceremonieel glas dat succesvolle slavendrijvers gebruikten om te toasten. Regelmatige bezoekers van het Rijksmuseum waren gewend om lovende verhalen over hun nationale geschiedenis te horen. Hier werden ze geconfronteerd met de wreedheid op de plantages in Batavia, Zuid-Afrika en de Banda-eilanden en met de verhalen van een selecte groep van de honderdduizenden mensen die door de Nederlanders tot slaaf werden gemaakt.
Ze biedt haar lichaam en haar land aan. Het schouwspel is van een onverbloemde brutaliteit
Eén schilderij in die tentoonstelling was van Pieter de Wit, mogelijk een leerling van Rembrandt. De directeur-generaal van de Goudkust staat erop afgebeeld, ene Dirk Wilre, in een sierlijk interieur in Elmina Castle, in het huidige Ghana. Schildertechnisch kan De Wit zich absoluut niet meten met Vermeer, maar het valt me op dat een paar details in zijn werk overeenkomen met De geograaf, een schilderij dat Vermeer maakte in hetzelfde jaar, 1669. In beide schilderijen bevindt zich links een buitenraam met glas-in-lood, er staat een globe en op tafel ligt een bont tapijt. Maar op het schilderij van De Wit zijn twee figuren te zien die niet op De geograaf staan afgebeeld. Een van hen is een vrouw: ze is zwart, heeft een ontbloot bovenlichaam en knielt op één knie, in een duidelijke staat van dienstbaarheid. Als de slippers die op de vloer liggen van haar zijn, zou die dienstbaarheid ook seksueel van aard kunnen zijn. De geknielde vrouw overhandigt Wilre een landschapsschilderij met daarop Fort Sint George. Ze biedt haar lichaam en haar land aan. Het schouwspel is van een onverbloemde brutaliteit.
De tentoonstelling in het Rijksmuseum, die tot en met 4 juni te zien was, hing vol aangrijpende schilderijen. Vele daarvan maakte Vermeer ergens midden jaren 1660, toen hij op het hoogtepunt van zijn focus en inventiviteit was. In die jaren maakte hij een aantal onsterfelijke werken: onder andere de verschillende variaties op het thema van een eenzame vrouw in een verstild interieur met een met bont afgezette beddejak aan. In Vrouw met weegschaal is ze zwanger en is de kamer donkerder dan gewoonlijk, met enkel een glimp van daglicht dat zich van achter het citroengele gordijn een weg naar binnen heeft gebaand. De weegschaal die de vrouw omhooghoudt is leeg; ze is aan het balanceren, niet aan het wegen. Op de tafel voor haar liggen gouden en zilveren munten en parels en achter haar hangt een schilderij van het Laatste Oordeel.
Op een ander schilderij staat de Vrouw met parelsnoer en profil; ze kijkt naar links. Het is hetzelfde gele gordijn, ditmaal opengetrokken, waardoor zacht licht naar binnen valt. Links in de schaduw staat een donkerblauwe porseleinen pot met een harde glans die contrasteert met de zachte textuur en gele kleur van haar beddejak – een iets kouder geel dan dat van het gordijn. Schrijvende vrouw in het geel bestaat ook weer voornamelijk uit geel en blauw. We weten niet wie ze is, deze vrouw uit lang vervlogen tijden; van alle vrouwen weten we het niet en zullen we het waarschijnlijk ook nooit weten. Ook deze vrouw draagt een geel jasje. (Vermeers weinige rekwisieten hebben iets weg van de favoriete acteurs van een toneelschrijver.) Ze zit aan haar schrijftafel en kijkt ons rechtstreeks aan met iets wat lijkt op diepmenselijk begrip. Het is een prachtig schilderij, afkomstig uit de collectie van de National Gallery in Washington. Ik had het al eerder gezien, maar nog nooit goed bekeken. Tenslotte ga je daarom naar het museum: om opnieuw te leren kijken, om schoonheid en ook problemen te ontdekken. En ja, daar is het Meisje met de parel, verbluffend en direct. Zo bezien, in de context van alle werken bijeen, is het domweg het zoveelste hoogtepunt. Maar wat een reeks schilderijen, en wat een hoogtepunt.
Troost en terreur
Als we de tentoonstelling bijna verlaten, haast ik me terug om nog één keer te gaan kijken naar het schilderij dat me het meest heeft verrast: Schrijvende vrouw in het geel. Haar blik heeft een schaduwachtige complexiteit, een zachte glimlach; op haar irissen zitten witte puntjes. (Ze voelt voor mij veel echter aan dan de Mona Lisa.) Er zitten ook witte accenten op haar enorme pareloorbellen. Als ze echt zijn, zijn de parels geoogst door parelduikers in de Golf van Mannar, gelegen tussen het huidige Sri Lanka en India. Met haar rechterhand houdt ze een ganzenveer vast. Daaronder staat een streep witte verf die perfect een stuk papier verbeeldt. De sierlijke schrijfdoos, gemaakt van verschillende houtsoorten en versierd met ronde metalen noppen, komt waarschijnlijk uit het Goa van de Portugese overheersing. Wie zou hem gemaakt hebben? vraag ik me weer af. Onder welke omstandigheden? Achter haar is een schilderij te zien waarop in een donkere omberkleur een viola da gamba staat afgebeeld: verstilde muziek die suggereert of bevestigt dat het in dit schilderij om de liefde draait. Maar als haar geliefde afwezig is, wie heeft haar aandacht dan gegrepen? Naar wie glimlacht ze met zo’n zachte vertrouwdheid?
Naar jou. Haar blik heeft de jouwe eeuwenlang vastgehouden, de tijd voor jou opgeschort. Nergens in het schilderij is een harde lijn te zien, alleen lagen verf die naast elkaar zijn gezet. De kleurvlekken vloeien in elkaar over alsof je kijkt door een oude cameralens die maar niet scherp wil stellen. De zachtheid van Schrijvende vrouw in het geel is zo doordringend dat het lijkt alsof het schilderij op het punt staat in rook op te gaan. Ochtend na ochtend zit Vermeer achter zijn ezel, terwijl buiten de wereld raast, een wereld waar mensen knielen in onderwerping, waar mensen worden gebrandmerkt met een heet ijzer. Zelfs vóór zijn eigen deur is er de gewelddadige zwager die dreigt de vrouwen in zijn huishouden in elkaar te slaan. De afbeeldingen zijn onherroepelijk met deze externe problemen verbonden. Die amoureuze soldaten houden geen verkleedpartijtje. Ze vechten en doden. In Vermeers oeuvre is geen enkel schilderij te vinden van een eenvoudig, gelukkig gezin, van een moeder, vader en kind in huiselijke vrede. Nee, de wereld van de schilderijen is poëtisch en lyrisch, maar ook gebroken, kwetsbaar, geïsoleerd en vol angst. Zijn schilderijen (en die van anderen; mijn betoog reikt verder dan Vermeer) kunnen niet slechts als decoratief of technisch hoogstaand worden gezien. In de schilderijen ligt verdriet besloten en ze hebben recht op een eerlijker context, een groter verhaal. We bewijzen ze geen gunst als we ze alleen maar zien als advertenties voor schoonheid of eenvoudige symbolen van cultuur en elegantie. Op hun lange reis door de eeuwen heen hebben de schilderijen van Vermeer zowel troost als terreur meegebracht. En zolang dat het geval is, verdient de wereld geen einde van de wereld.
Teju Cole is romanschrijver, essayist en fotograaf. Van 2015 tot 2019 schreef hij de rubriek On Photography die werd genomineerd voor een National Magazine Award. Hij is docent schrijven aan Harvard.
360 selecteert een aantal toonaangevende internationale concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities.
Cindy’s Shermans
FOTOGRAFIE | Cindy Sherman kan nog altijd van gedaante wisselen, terwijl er al honderden zelfportretten van de conceptuele kunstenares (69) bestaan. Deze zomer exposeert ze nieuw werk in Zürich, een volgende fase in minutieus geconstrueerde beelden die inmiddels een duizelingwekkende galerij vormen. Een paar extra oren of armen, kunstmatige intelligentie? Cindy Sherman doet er niet moeilijk over. De originele foto’s, gemaakt tussen 2010 en 2023, versnijdt ze graag en met digitale technologie maakt ze er een geheel nieuwe compositie van. Deze keer in zwart-wit, met sommige gedeelten in kleur.
Ze is altijd haar eigen model, dat eindeloos kan worden aangekleed. Met prothesen, valse tanden, pruiken, make-up en decors leidt dat tot groteske portretten. ‘Ze is meester in de kunst van de deconstructie’, schreef het Britse designmagazine Wallpaper. Tegen de Financial Times zei Sherman dat de traditionele schoonheid haar niet zo interesseert. ‘Wat er onder een glad oppervlak zit, dat houdt me bezig.’ Het zijn volgens haar de kleuren of de textuur van een object die aantrekken, van dichtbij jagen ze angst aan. Uiteindelijk is het niets anders dan een lokmiddel, een illusie. Een spel met de verwachtingen van de kijker, ‘die niet moeten denken dat mijn foto’s echt zijn. De werkelijkheid is al afschuwelijk genoeg.’
Tegelijkertijd reflecteert het werk de verstreken jaren waarin Sherman zich op al die verschillende manieren voorstelde. Nu ze ouder wordt, blijft ze zich vermommen. ‘Hoe ik eruitzie, ja, dat is een feit. Daar begint het mee.’
Cindy Sherman, Hauser & Wirth, Zürich, t/m 16/8
Het talent van de bezoekers
INSTALLATIE | In Museum Tinguely verwelkomen Janet Cardiff en George Bures Miller bezoekers om met hun theater-, video- en geluidsontwerpen mee te doen: hun Dream Machines. Het Canadese kunstenaarsduo begon per toeval samen te werken toen ze in een gezamenlijke studio met andere kunstenaars niet meer wisten wat nu precies wiens idee was. Hun decennialange samenwerking wordt nu uitgebreid getoond in Basel, met veertien multimediawerken.
Een tafel bedekt met luidsprekers wordt bijvoorbeeld geactiveerd door de bewegingen van bezoekers. De aanwezigheid van wat Cardiff ‘getalenteerde deelnemers’ noemt, kan de werken echt laten zingen. In New York kwam Talking Heads-frontman David Byrne onaangekondigd meespelen op The Instrument of Troubled Dreams (2018). Wanneer de voorgeprogrammeerde toetsen daarvan worden aangeslagen, zet gezang of het geluid van de zee of van draaiende windmolens in.
Dream Machines, Museum Tinguely, Basel, t/m 24/8
Inspiratie van elders
BEELDENDE KUNST | Kunstenaars hebben door de eeuwen heen hun inspiratie elders gezocht. De expo Aan de horizon begint met Utrechtse kunstenaars die in de zeventiende eeuw geïnspireerd raakten door het landschap en hun Italiaanse tijdgenoten, en vervolgens een nieuwe schilderstijl introduceerden, met mediterraan licht. Ook komen hedendaagse kunstenaars aan bod bij wie een bepaald landschap de aanzet tot een kunstwerk gaf of juist de wanderlust, het reizen zonder bestemming in gedachten, de aanleiding vormde.
Le soleil toujours van de Libanese kunstenaar Etel Adnan bestaat uit 136 handgemaakte en beschilderde keramiektegels, met als middelpunt een grote zon. Het Centraal Museum gaat ook thema’s als gedwongen migratie en klimaatcrisis niet uit de weg; zo bestaat het werk Ntabamanzi van Lungiswa Gqunta bijvoorbeeld geheel uit prikkeldraad.
Aan de horizon, Centraal Museum, Utrecht, t/m 27/8
Vitrines
De Mexicaans-Nederlandse Azul Ehrenberg bewerkt beelden die zij print op door haar gemaakt papier van planten en andere vezels. Voor de serie vitrines in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt gebruikte ze verschillende Mexicaanse en Europese begraafplaatsen als inspiratiebron.
T/m 27/8, zie kunsttrajectamsterdam.nl
Carte Blanche
Het Stedelijk Museum Schiedam lost een oude belofte in en geeft Anne Wenzel volledige vrijheid om, met alle medewerking, te maken wat zij wil in een van de vleugels van het museum.
Stedelijk Museum Schiedam, t/m 14/1
Nusantara Beat
De leden van Nusantara Beat speelden eerder in Jungle by Night, POM, The Mysterons, Altın Gün en Surf Aid-Kit. Met deze formatie worden ze één met hun gedeelde Indonesische roots. Loom en psychedelisch, of juist upbeat, met mooie vocalen.
360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.
Blootsvoets op het podium
Onnavolgbaar melancholische anti-ster
DOCUMENTAIRE | De Kaapverdische zangeres Cesária Évora (1941-2011) is onlosmakelijk verbonden met het ontstaan van het genre ‘wereldmuziek’, begin jaren negentig. Zodra in een bar haar nummer Sodade klinkt, beginnen 35-plussers onwillekeurig mee te neuriën.
In de documentaire Cesária Évora van de Portugese regisseur Ana Sofia Fonseca komt vooral naar voren hoe bijzonder het is dat een zangeres die opgroeide onder uiterst sobere omstandigheden pas na haar vijftigste internationaal doorbrak en haar afkomst nooit verloochende, schrijft Manori Ravindran voor Variety: ‘Op het archiefmateriaal dat Fonseca gebruikte, zie je hoe Cesária blijft zorgen voor eten, drinken en onderdak voor de mensen in haar omgeving.’
Volgens Vasco Baptista Marques van het Portugese dagblad Expresso is de film ‘wat onevenwichtig’ geworden, maar komt dat ‘waarschijnlijk door het gebrek aan materiaal uit de periode vóór haar doorbraak’. Hij noemt het ‘volkomen terecht dat Fonseca de pure authenticiteit van deze diva op blote voeten centraal stelt. Want haar melancholische stem komt rechtstreeks uit de aarde, uit haar binnenste, en zou nooit in een studio kunnen worden geproduceerd.’
Ian-Malcolm Rijsdijk vindt dat de oude familiefoto’s en archiefbeelden juist prima illustreren waar de zangeres én haar eilandengroep vandaan komen, schrijft hij voor de academisch-journalistieke site The Conversation: ‘Een Portugees marineschip aan de kade, de eerste dagen van de onafhankelijkheid [in 1975]: het geeft de film een extra dimensie. Tegelijkertijd vormt het een mooie combinatie met het portret van een anti-ster die niets moest hebben van wereldfaam en marketingstrategieën, en altijd terugging naar haar geboortedorp.’
‘Een geweldige en uiterst intieme film,’ recenseert Fernando Gálligo Estévez voor de Spaanse filmsite Cinemagavia: ‘Omdat Fonseca in de loop der jaren het vertrouwen van Évora zelf, haar familie en vrienden heeft gewonnen, krijgen we behalve van haar succes ook een beeld van haar traumatische kinderjaren, de terugkerende depressies en haar alcoholverslaving.’
De documentaire Cesária Évora draait vanaf 1 juni in de bioscoop
Door Diederik Samwel
Bad Bunny geeft het goede voorbeeld
De nieuwe status van Latijns-Amerikaanse kunst
MUZIEK | ‘We moeten ophouden gringo’s als goden te zien,’ zegt Bad Bunny in een interview met El País. ‘Dat zijn ze niet.’ De Puerto Ricaanse artiest, die eigenlijk Benito Antonio Ocasio Martínez heet, begon zijn carrière zes jaar geleden en is nu de meest gestreamde Latijns-Amerikaanse artiest op Spotify. Hij prijkte onlangs op de cover van Time, dat een uitvoerig portret aan hem wijdt. ‘Zijn originaliteit, onafhankelijkheid en lokale focus hebben hem tot een volstrekt nieuw soort wereldster gemaakt en wegen vrijgemaakt die de poortwachters in New York of Hollywood volledig omzeilen’, aldus het prestigieuze Amerikaanse weekblad.
Het Latijns-Amerikaanse Connectas benadrukt hoe zeldzaam het is dat een publiek figuur deze voorpagina weet te behalen, ‘en het is zelfs nog ongebruikelijker dat de cover niet-Engelstalig is en gewijd aan een Latijns-Amerikaans muziekgenre’.
Volgens sommigen, onder wie muziekjournalist Víctor Lenore, is er dan ook sprake van een ‘belangrijke verschuiving’, waarbij Latijns-Amerikaanse kunstenaars op gelijke voet zijn komen te staan met hun Angelsaksische collega’s. ‘In Spanje hebben we bijvoorbeeld een koloniaal vooroordeel, bijna onbewust, dat wat in Latijns-Amerika wordt gemaakt minder waardevol is dan wat uit Londen, New York of Los Angeles komt’, schrijft hij op de site van het Spaanse radiostation Onda Cero. Ook sociale media spelen volgens Lenore een rol: terwijl de Angelsaksische muziekindustrie altijd liever de eigen artiesten promoot, krijgen we onder andere door de algoritmes van YouTube na een nummer van Bad Bunny een volgend Latijns-Amerikaans nummer aangeboden.
Hoewel de muziek van Bad Bunny regelmatig door critici wordt weggezet als ‘hedonistische rap’, dient de muziekstijl volgens anderen juist om machismo, kolonialisme of andere ideologieën aan de kaak te stellen. Ook zou de stijl juist het goede voorbeeld kunnen geven. Connectas citeert de eveneens Puerto Ricaanse artiest Daddy Yankee: ‘Vóór ik bekend werd wilden de jongeren in mijn buurt drugsdealer worden; nu willen ze allemaal zanger worden.’
Ook Bad Bunny toont politieke betrokkenheid. Hoewel de artiest op zijn tour door Europa in 2019 tot wel een miljoen euro per optreden kon verdienen, koos hij ervoor om terug te keren naar San Juan om de protesten tegen Ricardo Rosselló, de gouverneur van Puerto Rico, te leiden. Die werd uiteindelijk afgezet na een corruptieschandaal en beschuldigingen van homofobe opmerkingen. Lenore van Onda Cero noemt Bad Bunny dan ook een nieuwe Bob Dylan.
Polemiek tegen de consultancy-industrie
Simplistische powerpoints en zombie-achtige mailtjes
NON-FICTIE | In het boek The Big Con nemen de Britse wetenschappers Mariana Mazzucato en Rosie Collington consultancybedrijven als Deloitte en EY onder vuur. ‘Deze twee stoere vrouwelijke economen en experts in innovatief denken leveren verlammende kritiek op de adviesbranche,’ concludeert Hugo Gaarden op de Deense nieuwssite Økonomisk Ugebrev. Volgens Gaarden brengen ze ‘scherp aan het licht’ hoe de controle op de branche vaak ontbreekt, waardoor ‘de economie en de democratie worden ondermijnd’.
Diane Coyle van de Financial Times benadrukt dat de auteurs ‘perfect’ laten zien hoe snel er een vicieuze cirkel ontstaat. ‘Probeer de klok maar eens terug te draaien. Heeft een grote firma of ministerie eenmaal diensten uitbesteed, dan kost het veel te veel tijd en geld om die weer in eigen beheer te nemen. Dan wordt maar weer een nieuw contract met een consultancybedrijf afgesloten.’
Hettie O’Brien schrijft in The Guardian dat de anekdotes en de interviews met consultants in het boek het meest tot de verbeelding spreken: ‘Vergaderingen waarin het wemelt van de Deloitte-mensen die elkaar met zombie-achtige mailtjes bestoken. Of junior-adviseurs die vaak veel beter in de gaten hebben wat er binnen de organisatie speelt dan hun leidinggevenden. En dan blijken adviezen bovendien te bestaan uit bedrieglijk simplistische powerpoints.’
Greg Rosalsky van het Amerikaanse NPR is ‘opgelucht’ dat Mazzucato en Collington ook aanbevelingen doen: ‘Maximale transparantie bij contracten met de consultancybedrijven, extra alert zijn op belangenverstrengeling en diepgaand investeren in de eigen medewerkers binnen de organisatie. Dat zouden overheden ter harte moeten nemen.’
The Big Con, door Ed Lof en Joost Polmann vertaald als ‘De consultancy-industrie’, is op 17 mei verschenen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam
Door Diederik Samwel
Het stille protest van Giorgio Morandi
Stillevens die blijven intrigeren
TENTOONSTELLING | Giorgio Morandi (1890-1964) was op vele manieren een uitzonderlijke figuur, schrijft het Italiaanse Focus. Niet alleen ondervond de schilder weinig invloeden van andere stromingen en had hij nauwelijks contact met kunstenaars uit zijn tijd, ook schilderde hij vrijwel uitsluitend dezelfde onderwerpen: flessen, vazen, koffiekannen, bloemen, schalen en landschappen. Die werden voor het overgrote deel in de ruimte geschilderd waar de kunstenaar zijn hele leven woonde.
‘Je kunt je voorstellen hoe hij op een stille ochtend deze spullen uit de keukenkast haalde en neerzette. Terwijl hij de lange schaduwen van de citroenpers, de fles en de beker nabootste, stond de tijd stil. (…) Het zijn levenloze vormen, en toch trillen ze van spookachtig bewustzijn’, aldus The Guardian. ‘Ik heb het gevoel dat ik elke reflectie, elke lichte kleurvariatie (…) beter moet bekijken, steeds moet terugkeren met mijn gedachten om ze beter te begrijpen’, citeert Arte Matilde Catanese, een van de verzamelaars van Morandi’s werk.
Terwijl de schilder zijn werkdagen op die manier in alle rust doorbracht, woedde buiten de deuren het fascisme van Mussolini. In 1943 werd Morandi gearresteerd en gevangengezet vanwege zijn banden met verzetsleiders. Sommige van zijn werken zouden dan ook een vorm van stil protest zijn; in de vazen van Natura morta zijn bijvoorbeeld tombes te zien. Volgens The Guardian doet Morandi’s werk ondanks het gebrek aan menselijke gestalten ‘pijn van de liefde en menselijkheid’.
‘Giorgio Morandi en Nederland’, van 17 juni t/m 24 september te zien in Museum Belvédère in Heerenveen
Het Canadese kunstcollectief General Idea brak door met humoristische, maatschappijkritische kunst over de aidscrisis van de jaren tachtig en negentig. Het werk van het trio is nu te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Jorge Zontal, AA Bronson en Felix Partz van de Canadese kunstenaarsgroep General Idea vonden elkaar in humoristische, creatieve, onconventionele projecten, zoals avant-gardistische schoonheidswedstrijden, tv-shows en het bouwen van nepwinkelpuien. Het doel was om mensen een alternatief standpunt te tonen dan dat wat de massamedia lieten zien, door kunstwerken in een alledaagse context te plaatsen. Een van hun projecten was het tijdschrift File (1972-1989); begonnen als een verslag van de Mail Art-beweging uit de jaren zestig werd File een manifest voor hun ideeën.
Tragisch genoeg wordt het werk van General Idea vaak alleen nog geassocieerd met het iconische affiche dat de groep maakte met de letters ‘a i d s’, naar het virus dat in de jaren tachtig en negentig ontzettend veel slachtoffers maakte. Hun laatste project is de installatie One Year of AZT (1991), met uitvergrote capsules van een virusremmer. Partz en Zontal stierven in 1994 beiden aan aids, waarmee het werk van het collectief ten einde kwam.
In de Kunsthal in Rotterdam is vanaf eind april een tentoonstelling te zien over Haus-Rucker-Co, een Weens collectief van radicale architecten. Met hun creaties zetten de architecten zich af tegen de consumptiemaatschappij en de toenemende klimaatschade.
Haus-Rucker-Co, het in 1967 opgerichte Weense collectief van radicale architecten, reageerde op het toenemende gevoel van vervreemding in de consumptiemaatschappij en de toenemende verstedelijking en klimaatschade. De mannen waren erop uit de ‘traditionele opvattingen over ruimte uit te dagen, machtshiërarchieën te doorbreken en utopische stedelijke ruimten te creëren, vol schone lucht en een sterk gemeenschapsgevoel’. Wie wil dat niet?
Voor de tentoonstelling Mind Expanders is een selectie gemaakt van werken uit 1967-1972, de periode waarin het collectief zijn kenmerkendste en vernieuwendste architecturale projecten ontwikkelde. Te zien zijn bijvoorbeeld Balloon for 2 (een transparant pvc-membraan dat is opgeblazen tot een grote luchtbel), Yellow Heart (een pneumatische ruimtecapsule) en Food City I (een eetbare stadsmaquette).
Hoogtepunt vormt de interactieve installatie Giant Billiard, die voor het eerst in Nederland te zien is. Iedereen (van minimaal 1,20 meter) die het luchtkussen van 14 bij 14 meter betreedt met daarop drie reusachtige opblaasballen van vinyl, wordt onderdeel van een spel zonder vastgestelde regels en omgangsvormen. Zo wil Haus-Rucker-Co vragen oproepen over hoe onze fysieke omgeving van invloed is op de manier waarop we met elkaar omgaan.
De sculpturen van Henry Moore kenmerken zich door hun natuurlijke en lichamelijke vormen. Waar haalde de beeldhouwer zijn inspiratie vandaan? Museum Beelden aan Zee in Den Haag probeert deze vraag te beantwoorden.
Hoe kwam de Britse beeldhouwer Henry Moore (1898-1986), wiens werk in musea, parken en op pleinen in steden over de gehele wereld te bewonderen is, eigenlijk tot zijn unieke vormentaal? Die vraag stelt en beantwoordt museum Beelden aan Zee in de begeleidende catalogus maar ten dele.
Moores bekende Reclining Figures – liggende vrouwfiguren, abstract maar altijd met een hoofd, romp en ledematen teruggebracht tot hun barre essentie – komen voort uit de herinnering aan de rug van zijn moeder. Het romantische verhaal is vaak verteld, over het mijnwerkerszoontje, jongste van acht kinderen, dat schoonheid zag in de Engelse mijnstreek en de monumentaliteit ervan. Maar behalve die grote vlaktes was er de reumatische rug van zijn moeder die hij bijna dagelijks moest masseren. Daardoor raakten zijn handen vertrouwd met de rondingen, de harde schouderbladen en knokige schouders. Misschien wel de reden dat zijn werk altijd menselijk is gebleven.
Henry Moore maakte meer dan duizend beelden. Eerst alleen in steen, later in brons. Ze getuigen van een onverstoord gevoel voor harmonie tussen vorm en natuur, die ‘landschappen van borsten, heupen, schouders, botten en benen’.
Minder bekend is dat Moore veel bedacht tijdens wandelingen, waarbij hij stenen, botten of schelpen opraapte. Maak een strandwandeling en de Henry Moore’tjes liggen voor het oprapen: stukken hout door zee en zand vervormd, stenen die op een gezicht lijken. Voorwerpen die een aanzet vormden tot baanbrekende sculpturen.
Beelden aan Zee, Den Haag, van 7 april tot en met 10 oktober
De Australische kunstenaar Patricia Piccinini staat bekend om haar hyperrealistische creaties. Je kunt ze nu in real life ontmoeten in de Kunsthal in Rotterdam.
Patricia Piccinini’s griezelige wezens zijn een mix van mens en dier: harige, kwetsbare schepsels die elkaar omarmen; een veld met vlezige bloemen en gemuteerde mannen die eieren uitbroeden. Hyperrealistisch, gemaakt van siliconen en menselijk haar.
De Duitse kunstenares Raphaela Vogel levert met haar constructies kritiek op actuele ontwikkelingen en vraagt er op die manier aandacht voor. Haar kunstwerken zijn nu te zien in Tilburg.
De tentoonstelling KRAAAN – de drie a’s zijn een verwijzing naar het Nederlandse ‘kraan’ plus het Duitse Kran – biedt een overzicht van Raphaela Vogels vroege visuele experimenten en recente installaties. De Duitse kunstenares raakte geïnspireerd door een film van Helke Sander uit 1981 waarin een vrouw met twee kinderen in een kraan omhoogklimt, uit pure wanhoop over de te hoge huurlasten en het tekort aan woningen.
De hijskraan in haar werk staat symbool voor hoogmoed, de misplaatste trots van mensen die ‘zichzelf meten met de goden’. Dat begrip loopt als een rode draad door de tentoonstelling. Ook stelt Vogel thema’s aan de orde over gender en de relaties tussen mensen, dieren en machines, en de positie van vrouwen in een door mannen gedomineerde (kunst)wereld.
In Maastricht is een tentoonstelling te zien van de Syrisch-Armeense beeldend kunstenaar Hrair Sarkissian. In zijn werk is wat je niet ziet minstens zo belangrijk als wat je wel ziet.
Eigenlijk draait het in het werk van de Syrisch-Armeense fotograaf en beeldend kunstenaar Hrair Sarkissian (1973) ‘vooral om wat je niet te zien krijgt’, concludeert Alexandra Chaves in The National. Dat maakt de criticus op uit twee van Sarkissians laatste fotoseries in de expositie The Other Side of Silence. In de een zijn privéruimtes gefotografeerd waar personen voor het laatst zijn gezien voor ze als vermist werden opgegeven. De foto’s zijn gemaakt in Libanon, Argentinië, Brazilië, Kosovo en Bosnië. In de andere, eveneens met een analoge camera geschoten serie brengt Sarkissian locaties in beeld die terminaal zieke Nederlandse patiënten vlak voor hun dood nog wilden bezoeken. Mensen ontbreken op de foto’s: ‘En juist daardoor krijgt wat afwezig is, net zo veel betekenis als het aanwezige.’
Farah Abdessamad denkt dat het de kunstenaar is te doen om het ‘oproepen van een gevoel van disoriëntatie en collectieve rouw om plaatsen, momenten en personen die niet langer bestaan’, schrijft ze voor The New Arab. ‘Sarkissian maakt het onzichtbare haast lichamelijk en creëert daarmee een altaar voor trauma en genezing.’
‘Onder de ijle schoonheid gaat vaak een harde sociaal-politieke werkelijkheid schuil’
Door slim gebruik te maken van zijn grote analoge camera slaagt Sarkissian erin ‘ook het verstrijken van de tijd te vangen’, stelt Nadine Khalil voor het internationale kunstmagazine Ocula. Het leidt volgens haar tot ‘eigenaardige dualiteiten: tussen oppervlak en inhoud, het zichtbare en verborgene en individueel en gezamenlijk leed. Onder de ijle schoonheid gaat vaak een harde sociaal-politieke werkelijkheid schuil. Zo verwijst hij naar verzwegen episodes uit de geschiedenis als de Armeense genocide, etnische zuiveringen en gedwongen verdwijningen.’
Criticus Régine Debatty beschouwt The Other Side of Silence als de ‘ontroerendste en intelligentste tentoonstelling’ die ze de laatste tijd heeft gezien, noteert ze voor het artblog WeMakeMoneyNotArt: ‘Kale interieurs, desolate landschappen en de consequente menselijke afwezigheid als enige erfenis van conflicten, geweldsexplosies en andere trauma’s. De door de kunstenaar opgeroepen stilte vormt de echo van het zwijgen van mensen overal ter wereld die zich niet durven uit te spreken en nooit over politiek zullen praten.’
De expositie The Other Side of Silence van Hrair Sarkissian is tot en met 14 mei te zien in het Bonnefantenmuseum in Maastricht.
In Londen wordt een kunsttentoonstelling georganiseerd ter ere van Julian Assange. De organisatoren willen zo aandacht vragen voor de – in hun ogen – buitenproportionele gevangenisstraf van de WikiLeaks-oprichter.
Wikileaks-ambassadeur Joseph Farrell en kunstconsulent bij Stichting Wau Holland Chloe Schlosberg organiseren een grote kunstmanifestatie voor klokkenluider Julian Assange, die voor het lekken van duizenden overheidsdocumenten veroordeeld werd tot 175 jaar celstraf en sinds 2019 wordt vastgehouden in de zwaarbeveiligde Belmarsh-gevangenis in Londen. Confidentiële documenten zullen op eigen risico in te zien zijn.
Inzet is de schijnwerpers te richten op repressieve, mondiale machtsstructuren. En Farrell en Schlosberg willen publiciteit genereren over de buitenproportionele straf die Assange is opgelegd voor het publiceren van de waarheid.
Kunstenaars, muzikanten, activisten en onderzoeksjournalisten, onder wie Ai Weiwei, Dread Scott en The Vivienne Foundation zullen allemaal werken presenteren die gaan over onderdrukking, oorlog en marteling, politiegeweld en surveillance. Een begeleidend programma wordt gepresenteerd door hiphopartiest en activist Lowkey.
De Amerikaanse kunstenaar Alice Neel (1900-1984) was haar tijd ver vooruit. Haar levendige en levensechte portretten waren rauw en legden de ziel bloot van de geportretteerden. Ze beschreef zichzelf dan ook als ‘een verzamelaar van zielen’.
In een periode waarin figuratieve schilderkunst uit de mode was, legde Alice Neel (1900-1984) de veranderende sociale en politieke context van de Amerikaanse twintigste eeuw vast. Ze schilderde mensen die werden gemarginaliseerd in de samenleving. Rauw, radicaal, indringend en ongecensureerd, zoals dat al in de fotografie gebeurde. Ze spaarde zichzelf ook niet. Weinig flatteus zijn de tekeningen die Neel al in 1935 (!) van zichzelf en haar toenmalige minnaar John Rothschild maakte; zij zit naakt op de wc en steekt intussen haar lange rode haar op; hij pist met een half stijf geslacht in de wastafel.
Bang om aanstoot te geven was ze toen al niet. De Amerikaanse porno-actrice en activiste Annie Sprinkle zei over het portret dat Neel in 1982 van haar maakte: ‘Het was een erotische ervaring. Alice en ik bedreven de liefde door middel van kunst. Het was een artgasm.’ ‘And she got my boobs perfectly.’
Neel schilderde geen typetjes, maar liet in elk van haar portretten het bijzondere van die ene mens zien. De tentoonstelling toont meer dan zeventig van Neels portretten, naast archieffoto’s en filmmateriaal, en brengt wat zij ‘de werveling van het tijdperk’ noemde tot leven.
Alice Neel: Hot Off The Griddle, Barbican, Londen. Tot 21 mei.
Het is vrij onwaarschijnlijk dat je ooit van Theodoor Rombouts hebt gehoord. Een goede reden om de tentoonstelling van zijn werk in Gent te komen bezoeken.
Het Museum voor Schone Kunsten in Gent presenteert de eerste monografische tentoonstelling over Theodoor Rombouts (1597-1637), de ‘virtuoos van het Vlaamse caravaggisme’. Na zijn korte leven verdween zijn artistieke nalatenschap in de vergetelheid. Tijd voor eerherstel!
MSK Gent, t/m 23/4.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.