Tag: Afrika

  • Akkoord in Soedan over toelaten humanitaire hulp

    Akkoord in Soedan over toelaten humanitaire hulp

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Hooggerechtshof Pakistan: Imran Khan moet vrijgelaten worden

    » Oekraïne zou posities hebben veroverd in Bachmoet

    Daarnaast moeten burgers het land veilig kunnen verlaten

    Het Soedanese leger en de Rapid Support Forces (RSF), die al enkele weken een bloedige burgeroorlog in het Afrikaanse land uitvechten, hebben een akkoord gesloten over het toelaten van humanitaire hulp. Dat schrijft The New York Times. Daarnaast moet er een vluchtroute komen voor Soedanezen die het land willen verlaten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Over een staakt-het-vuren zijn geen afspraken gemaakt. De beide partijen zijn al dagenlang in onderhandeling, maar eerder afspraken over wapenstilstanden werden telkens geschonden en men benadrukt dat er nog geen akkoord ligt om de wapens neer te leggen. Onder meer de VS en Saoedi-Arabië zijn betrokken bij de gesprekken tussen de twee partijen.

    Het geweld in Soedan is al bijna een maand gaande en met name in de hoofdstad Khartoem woedden zware gevechten. Ruim zeshonderd mensen zijn bij het geweld om het leven gekomen en zeker vijfduizend mensen zijn gewond geraakt. De humanitaire ramp in het land is echter stukken groter, met zeker vijf miljoen mensen die dringend hulp nodig hebben.

    Lees ook:

  • Hoe het is om Oegandees en queer te zijn terwijl je land zich tegen je identiteit keert

    Hoe het is om Oegandees en queer te zijn terwijl je land zich tegen je identiteit keert

    Het Oegandese parlement heeft een anti-lhbti-wet aangenomen die het al strafbaar maakt om je als queer te identificeren. The Daily Maverick sprak met Oegandezen over de wet en hoe die hun leven en dat van andere leden in de lhbti-gemeenschap beïnvloedt.

    Op dinsdag 21 maart, dezelfde dag dat in Zuid-Afrika de Dag van de Mensenrechten werd gevierd, nam het Oegandese parlement een wet aan die grove mensenrechtenschendingen mogelijk maakt tegenover de queer gemeenschap in het land. Deze wet moet het bevorderen van homoseksualiteit en het overwegen van homoseksuele handelingen strafbaar maken. Hoewel de wet drie weken geleden door het parlement werd aangenomen, moet hij nog door president Yoweri Museveni worden ondertekend. 

    Frank Mugisha, een Oegandese lhbti-activist, zegt in een interview met DemocracyNow dat er verschillende redenen kunnen zijn waarom de president nog afwacht. Zo zouden lokale activisten en het maatschappelijk middenveld hem verzoeken de wetgeving niet te snel te ondertekenen vanwege de mogelijk heftige reacties en consequenties. 

    De Oegandese anti-lhbti-wetgeving komt op een moment waarop homofobe en transfobe wetgeving wereldwijd in opkomst lijkt. In de VS bijvoorbeeld zijn dit jaar alleen al minstens 417 anti-lhbti-wetsvoorstellen geïntroduceerd. 

    Voordat de nieuwe wet werd aangenomen, bestond in Oeganda al lange tijd vijandigheid jegens homoseksualiteit. Het is niet het eerste wetsvoorstel dat homofobie in het land probeert vast te leggen. 

    Privé

    Natukunda (een pseudoniem, want ze wil anoniem blijven) identificeert zich als panseksueel. Hoewel ze deel is van de Oegandese diaspora in Zuid-Afrika, brengt ze nog steeds veel tijd door in Oeganda, vooral sinds haar ouders in 2019 terug verhuisden naar Kampala. 

    ‘Natuurlijk hou ik van Oeganda. Mijn ouders komen er vandaan en het is een prachtig land met fijne mensen. Dat het land de Antihomoseksualiteitwet aanneemt is erg teleurstellend, want nu zit ik helemaal klem. Ik zou me willen identificeren als Oegandees, maar dat kan niet verenigd worden met wie ik echt ben, en in het bijzonder met mijn seksualiteit.  

    ‘Behalve mijn broers en zussen wist niemand in Oeganda dat ik queer was. Zelfs mijn ouders niet – zij weten het nog steeds niet. Dus ik stond thuis gewoon bekend als hetero. Sterker nog, er werd nooit over seksualiteit gesproken, omdat Afrikaanse families het daar niet echt over hebben.’ 

    In Zuid-Afrika voelde Natukunda zich in staat haar seksualiteit te uiten. 

    ‘In Oeganda zag ik soms mensen – zowel mannen als vrouwen – tot wie ik me aangetrokken voelde, maar ik handelde er nooit naar. Ik hield het voor mezelf. Die kant uitte ik alleen hier in Zuid-Afrika,’ zegt ze. 

    ‘Stel je voor dat ik nu in Oeganda ben en iemand leuk vind. Dan kan ik mijn affectie alleen maar tot uiting brengen als ik in een bar of nachtclub ben die behoorlijk ondergronds is, waar het donker is en waar anderen zich comfortabel voelen in de buurt van queer mensen. Anders houd je het privé.’ 

    Natukunda weet nog goed dat ze in een Oegandese stad twee mannen hand in hand over straat zag lopen, met een glimlach op hun gezicht. Iedereen stopte om hen aan te staren.   

    ‘Ik heb mijn ouders al verschillende keren verteld dat ik wel van mijn familie houd en zo, maar dat ik me er niet op mijn gemak voel’

    Ze zegt dat migranten die naar huis terugkeren voor heel uitgesproken uitdagingen komen te staan: in het buitenland kunnen ze openlijk hun seksualiteit tonen, terwijl homoseksuele mensen hun seksuele voorkeur in Oeganda altijd verborgen moeten houden. Als ik nu naar huis ga, is het dan echt veilig? vraagt ze zich af.

    Maar volgens haar is het belangrijk is om nog geen ophef te maken over de situatie in Oeganda, aangezien Museveni het wetsvoorstel nog moet ondertekenen. 

    Dembe (een pseudoniem, want hij wil anoniem blijven) is Oegandees en queer.

    ‘Ik weet nog dat ik tijdens mijn tienerjaren besloot af te komen van de “Oegandeesheid” van mijn identiteit. Ik had het gevoel dat die niet strookte met mijn queerness, en ik wist dat ik die niet kon veranderen. Dus probeerde ik de band met mijn Oegandese identiteit zwakker te maken.’ 

    ‘Om een voorbeeld te geven: de moedertaal van mijn ouders, en ook die van mij, is Loeganda. Maar in mijn tienerjaren begon ik uitsluitend Engels met ze te spreken. Ik wilde niet meer proberen de taalkundige of culturele band met Oeganda in stand te houden.’

    Mukasa (een pseudoniem, want hij wil anoniem blijven) is een mensenrechtenadvocaat die gespecialiseerd is in gelijke rechten. Daartoe behoren de rechten van mensen met een beperking, migranten en leden van de lhbti-gemeenschap. Hij identificeert zich als queer en maakt deel uit van de Oegandese diaspora in Zuid-Afrika. 

    Hij zegt dat zijn ouders, die ook in Zuid-Afrika wonen, minstens één keer per jaar naar Oeganda gaan om familie te zien, meestal rond Kerstmis. ‘Ik heb mijn ouders al verschillende keren verteld dat ik wel van mijn familie houd en zo, maar dat ik me er niet op mijn gemak voel. Ik voel me niet veilig genoeg om terug te keren naar Oeganda. Ik blijf in Zuid-Afrika en vier Kerst zonder mijn familie,’ zegt Mukasa. 

    Hij vertelt dat het pijnlijk is om afstand te nemen van zijn Oegandese identiteit. ‘Het is erg treurig om te bedenken dat mijn banden met mijn familieleden, mijn cultuur en mijn geschiedenis hierdoor minder sterk worden.’ 

    Zijn ouders zijn van plan terug te keren naar Oeganda. Dat heeft hem aan het denken gezet: ‘Als ik op een dag een gezin zou hebben en met een man zou trouwen, kan ik ze dan meenemen naar Oeganda zodat ze mijn ouders kunnen ontmoeten? Als mijn ouders overlijden en begraven worden in Oeganda, kan ik dan een begrafenis bijwonen zonder dat mijn veiligheid in gevaar komt? Als mijn ouders ziek worden, kan ik dan teruggaan om bij ze te zijn? Zulke angsten komen bij me boven.’

    Roofdieren

    Mukasa vindt de manier waarop er over de nieuwe wet gesproken wordt vreemd. Oegandese wetgevers zeggen dat de wet bedoeld is om ‘traditionele Afrikaanse waarden’ te beschermen, wat het idee in stand houdt dat homoseksualiteit en andere vormen van queer-zijn per definitie anti-Afrikaans zijn. 

    ‘Er worden veel argumenten aangevoerd om het wetsvoorstel te rechtvaardigen. Veel daarvan verwarren homoseksualiteit met pedofilie. Een van de definities van agressieve homoseksualiteit die in het wetsvoorstel voorkomt, is bijvoorbeeld seks met een minderjarige zonder diens toestemming. Dat heeft helemaal niets te maken met homoseksualiteit, maar mensen lijken het idee te hebben dat vooral homoseksuele mannen een soort roofdieren zijn die op je kinderen jagen. Dat we gevaarlijk zijn. 

    Een ander beeld dat men van queer-zijn heeft is dat het uit het Westen is geïmporteerd, of dat het gedrag is dat men in het Westen heeft aangeleerd. Of dat mensen homoseksueel worden door naar films of series op DStv [een tv-zender in zuidelijk Afrika] en Netflix te kijken. Er zijn altijd al homoseksuele Afrikanen geweest.’

    Mukasa geeft het voorbeeld van een Oegandese monarch, koning Mwanga II, die van 1884 tot 1888 regeerde. Er zijn historische bewijzen dat de koning queer was, zodat bekend is dat queerness zelfs in het prekoloniale Oeganda voorkwam. 

    In meer dan dertig Afrikaanse landen zijn homoseksuele relaties verboden

    Antihomowetten en beeldvorming rondom homoseksualiteit blijven niet beperkt tot Oeganda. In meer dan dertig Afrikaanse landen zijn homoseksuele relaties verboden. Mukasa legt uit hoe de nieuwe Oegandese wet andere Afrikaanse landen zou kunnen beïnvloeden. ‘Het lijkt alsof sommige landen zich hebben laten inspireren door Oeganda, en dat is verontrustend. Een Keniaans parlementslid zei onlangs dat hij een soortgelijk wetsvoorstel wil indienen, wat betekent dat hij min of meer kopieert wat er in Oeganda gebeurt.’

    We zijn blij dat het wetsvoorstel wereldwijd aandacht krijgt en wordt veroordeeld. Ik denk dat het maatschappelijke middenveld in Afrika en vooral Zuid-Afrika een unieke en invloedrijke rol kan spelen. Want, zoals ik al eerder zei: het idee bestaat dat homoseksualiteit on-Afrikaans en geïmporteerd is, dat het westers gedrag is. 

    Maar als Afrikanen in Zuid-Afrika en op het hele continent zich ook uitspreken tegen wat er gaande is, wordt dat verhaal ondermijnd. Het zou laten zien dat Afrika geen monoliet is – dat we niet allemaal homofoob zijn of geloven dat homoseksueel gedrag in strijd is met onze cultuur.’

    Lees ook:

  • Spanningen in Senegal na veroordeling oppositieleider

    Spanningen in Senegal na veroordeling oppositieleider

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Extreemrechts gaat in Chili nieuwe grondwet schrijven

    » Tienduizenden betogers in Servië tegen vuurwapengeweld

    Sonko mag door het vonnis niet meedoen aan de verkiezingen

    De toch al gespannen situatie in Senegal is verergerd na de gerechtelijke veroordeling van oppositieleider Ousmane Sonko. Africa News bericht dat Sonko is veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van zes maanden voor smaad. Vanwege het vonnis mag Sonko de komende vijf jaar geen publiek ambt bekleden, wat betekent dat hij niet zou kunnen meedoen aan de presidentsverkiezingen van volgend jaar.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Hoewel Sonko heeft aangekondigd de veroordeling aan te vechten, rekenen zijn advocaten niet op een lichtere straf. Volgens zijn staf is de strafzaak een manier van de tegenstanders van Sonko om hem politiek buitenspel te zetten. Aanhangers van de oppositieleider zijn al meerdere malen de straat op gegaan om te demonstreren tegen de gang van zaken.

    De angst bestaat dat Senegal in een politieke crisis terechtkomt als zijn aanhangers hun protest doorzetten. Eerder vielen er al doden bij demonstraties en voor de komende tijd zijn nieuwe betogingen aangekondigd. De betogers richten hun woede vooral op de huidige president Macky Sall, de politieke rivaal van Sonko die bezig is aan zijn tweede termijn en mogelijk een ongrondwettelijke derde termijn wil volgend jaar.

    Lees ook:

  • Hoe Afrika het hoofd biedt aan de snelst groeiende verstedelijking ter wereld

    Hoe Afrika het hoofd biedt aan de snelst groeiende verstedelijking ter wereld

    Aan de westkust van Afrika, van Ivoorkust tot Nigeria, ontstaat een verstedelijkt gebied dat in 2050 zo’n 51 miljoen en in 2100 zelfs een half miljard inwoners zal tellen. Hoe gaat de regio om met deze gigantische bevolkingsgroei? ‘Afrika is ongetwijfeld het continent dat de toekomst van de verstedelijking zal bepalen.’

    Er wordt al lang gezegd dat niemand precies weet hoeveel inwoners de Nigeriaanse hoofdstad Lagos telt. Toen ik er tien jaar geleden een tijd verbleef, bedroeg het inwonertal volgens een voorzichtige schatting van de VN 11,5 miljoen mensen, maar andere schattingen liepen op tot 18 miljoen. Het enige waarover iedereen het eens was, was dat Lagos heel hard groeide. De stad telde al veertig keer zoveel inwoners als in 1960, bij de onafhankelijkheid van Nigeria. Een plaatselijke demograaf vertelde me dat er dagelijks vijfduizend mensen bij kwamen, meestal afkomstig van het Nigeriaanse platteland. En de stad is sindsdien alleen maar blijven groeien. De VN verwacht dat er in 2035 zo’n 24,5 miljoen mensen wonen.

    Wat er in Lagos gebeurt, zie je overal op het continent gebeuren. Afrika telt momenteel 1,4 miljard inwoners. Volgens deskundigen zoals Edward Paice, de schrijver van Youthquake: Why Africa’s Demography Should Matter to the World, zal dat halverwege deze eeuw bijna verdubbeld zijn. Eind deze eeuw zal de bevolking van Afrika, in 1950 goed voor nog geen tiende van de wereldbevolking, volgens ramingen van de VN een omvang bereiken van 3,9 miljard mensen, oftewel 40 procent van de mensheid.

    Sinds de achttiende eeuw wordt gedaan alsof Afrika buiten de geschiedenis staat

    Duizelingwekkende cijfers, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Daarvoor moeten we nader inzoomen. Want deze verbluffende bevolkingsgroei zal vooral in de steden plaatsvinden. Als je dat eenmaal beseft, wordt nog duidelijker wat er op het spel staat. Westers commentaar op de Afrikaanse bevolkingsgroei is vaak alarmerend van toon en wat kortzichtig van aard, louter gericht op wat het betekent voor de migratie naar Europa. En de manier waarop de Afrikaanse landen omgaan met de snelste verstedelijking in de geschiedenis van de mensheid, zal ook zeker invloed hebben op de vraag hoeveel van die talloze miljoenen mensen in Afrika blijven of elders een heenkomen zoeken. Uit een recente peiling door een Zuid-Afrikaanse stichting bleek bijvoorbeeld dat 73 procent van de jonge Nigerianen graag binnen drie jaar het land uit zou willen. Maar gezien de schaal van dit hele verhaal zullen de gevolgen veel verder reiken dan alleen de omvang van migratiestromen: het wordt bepalend voor kwesties die uiteenlopen van de mondiale economische welvaart tot de toekomst van de Afrikaanse natiestaat en de kansen om de wereldwijde klimaatcrisis te beteugelen.

    Patina Gappah

    De Zimbabwaanse schrijver en advocaat Patina Gappah schreef onlangs een essay voor Financial Times onder de titel ‘We are daring to invent the future’, oftewel: ‘Wij durven het aan de toekomst uit te vinden’. De Afrikaanse toekomst welteverstaan, beschreven door een generatie Afrikaanse auteurs die de wereld een hedendaagse Afrikaanse blik op het continent bieden.

    Gappah leerde deze groep rond 2007 kennen, in de tijd dat ze als jurist in Genève werkte. Een drijvende kracht was de Keniaanse schrijver Binyavanga Wainaina (1971-2019). Andere schrijvers die ze noemt zijn onder meer Chimamanda Ngozi Adichie, Teju Cole, Molara Wood, Muthoni Garland en Yvonne Adhiambo Owuor. ‘We zijn jong, getalenteerd en Afrikaans, en we beloven de uitgeverswereld te dekoloniseren’, schrijft Gappah. ‘Onze missie is om de kijk op Afrika te veranderen.’ En, veelzeggend: ‘De Senegalese filmmaker Ousmane Sembène zei ooit over zijn films: “Afrika is mijn publiek, het Westen en de rest zijn mijn afzetmarkt.” Die spirit drijft ons.’

    Het succes van deze groep Afrikaanse schrijvers heeft een positieve invloed gehad op de uitgeverswereld en de literaire productie in Afrika. Maar er zijn nog bergen te verzetten. ‘Ik mis die begindagen van hectische e-mails, spontane ontmoetingen en hevige ruzies’, schrijft Gappah. ‘Ik mis de dromen die we hadden toen we nog jong en onbevreesd waren.’

    Er is met name één plek die als het epicentrum van deze stedelijke transformatie moet worden beschouwd: een deel van de Afrikaanse westkust dat zich vanaf Abidjan, de economische hoofdstad van Ivoorkust, over zo’n 1000 kilometer naar het oosten uitstrekt via Ghana, Togo en Benin tot helemaal in Lagos. Deskundigen beschouwen deze kuststrook sinds kort als de regio met de snelste verstedelijking ter wereld, een toekomstige ‘megalopool’: een groot gebied met meerdere dicht opeengepakte metropolen. Toen in de jaren vijftig het inwonertal van de zogeheten New York Metropolitan Area de tien miljoen overschreed, werd die agglomeratie de kern van een van de eerste verstedelijkte regio’s die als megalopool werden aangemerkt: een vrijwel aaneengesloten dichtbevolkt grootstedelijk gebied dat zich over 640 kilometer uitstrekt van Washington D.C. tot Boston. Andere regio’s kregen ook al snel dat etiket, zoals de strook van Tokio tot Osaka in Japan, later gevolgd door gigantische agglomeraties in India, China en Europa.

    Nieuwe steden

    Maar het gebied tussen Abidjan en Lagos staat nu op het punt om die allemaal verre te overtreffen. Over iets meer dan tien jaar zullen de grote steden daar samen veertig miljoen inwoners tellen. Dan wordt de bevolkingsomvang van Abidjan met 8,3 miljoen inwoners bijna net zo groot als die van het huidige New York. En het verhaal van de kleinere steden in de regio is al even spectaculair. Als die zelf niet uitgroeien tot grote agglomeraties, worden ze wel langzaam opgeslokt door de grotere steden eromheen, zoals Oyo in Nigeria, Takoradi in Ghana en Bingerville in Ivoorkust. Daarnaast ontstaan nieuwe steden op plaatsen die een generatie geleden praktisch uitgestorven waren. Met die plaatsen meegerekend zal de totale bevolking van deze kuststrook in 2035 naar verwachting de 51 miljoen aantikken, ongeveer net zoveel als van de agglomeratie in het noordoosten van de VS toen die voor het eerst een megalopool werd genoemd.

    Maar anders dan die Amerikaanse superregio, waarvan het inwonertal zijn hoogtepunt allang heeft bereikt, zal dit deel van West-Afrika steeds verder blijven groeien. In 2100 zal de kust tussen Abidjan en Lagos naar verwachting de grootste aaneengesloten dichtbevolkte stadsregio ter wereld zijn, met een inwonertal van rond een half miljard.

    ‘Ik heb in China en in India gewerkt, en tot voor kort ging de meeste aandacht voor verstedelijking daar ook naartoe, maar Afrika is ongetwijfeld het continent dat de toekomst van de verstedelijking zal bepalen. En in die strook aan de West-Afrikaanse kust zijn de grootste veranderingen op til,’ zegt Daniel Hoornweg, hoofddocent verstedelijking aan de Ontario Tech University. ‘Als dat gebied zich efficiënt kan ontwikkelen, wordt het meer dan de som der delen – en die delen zijn op zich al heel groot. Maar als de ontwikkeling slecht verloopt, wordt er een ongelooflijke hoeveelheid economisch potentieel verspeeld en kan daar in het slechtste geval de hel losbarsten.’

    De eerste keer dat ik langs deze kust reisde, was eind jaren zeventig, een lange tocht per auto naar Nigeria vanuit Ivoorkust, waar mijn familie toen woonde. Mijn vader, die voor de Wereldgezondheidsorganisatie leidinggaf aan een medisch opleidingsprogramma voor twintig landen, moest naar een bijeenkomst in Lagos en vroeg mijn broers en mij mee te reizen. Ik zat destijds in het eerste jaar van mijn studie in de VS, maar het was zomervakantie en ik had wel zin in een lange tocht met een rammelende oude grijze Land Rover. 

    Hij had de route vooraf uitgestippeld op een versleten Michelin-kaart. We merkten al snel dat veel van de wegen die op de kaart in rood stonden aangegeven (wat een nationale of internationale hoofdweg moest aanduiden) niet veel meer behelsden dan tweebaanswegen met asfalt dat soms al volledig vernield was door het zware vrachtverkeer of weggesleten door jaren van moessons. De secundaire en tertiaire wegen, op de kaart aangegeven met gele en witte lijntjes, stelden ons voor nog grotere uitdagingen: onverharde routes die soms meer weg hadden van een karrenspoor dan van een autoweg. Geradbraakt en onder het stof zaten we in die auto. Er waren hele stukken waar de omgeving zo uitgestorven was dat we zelf jerrycans met benzine moesten meenemen.

    Een jammerlijk gevolg van de koloniale geschiedenis van deze regio is dat de Britten en Fransen weliswaar wegen en spoorlijnen hebben aangelegd om landbouwproducten en delfstoffen vanuit het achterland van hun kolonie naar de moderne havens aan de kust te kunnen vervoeren (en ze van daaruit met veel winst naar het thuisland te verschepen), maar dat ze in hun felle onderlinge koloniale rivaliteit weinig deden om verbindingen aan te leggen tussen hun koloniën en die van het andere land. Toen ik in 1992 opnieuw een lange autorit langs deze kust maakte, was er aan weerszijden van de grens tussen Ivoorkust en Ghana een weg aangelegd om de grote lagune aan de kust te omzeilen, zodat de pittoreske maar riskante grensovertocht met de oude veerpont tot het verleden behoorde. Slechts weinig mensen konden zich toen ten volle voorstellen hoe ingrijpend deze kuststreek in de jaren daarna nog zou veranderen – al waren achteraf beschouwd sommige tekenen al duidelijk te zien.

    Go-slows

    In 1980 had Lagos nog steeds meer weg van een reeks middelgrote stadjes die door wegen en bruggen met elkaar waren verbonden. Maar begin jaren negentig was die agglomeratie al explosief gegroeid en danig vastgelopen. De stad stond bekend om de ergste verkeersopstoppingen ter wereld, door de bewoners go-slows genoemd. En ook Abidjan, de een-na-grootste stad in de regio, was inmiddels aan het veranderen. De buitenwijken breidden zich steeds verder uit, in de richting van de grens met Ghana in het oosten. Ook de andere nationale en economische hoofdsteden van deze regio, Accra in Ghana, Lomé in Togo en Cotonou in Benin, begonnen onstuimig te groeien.

    Maar tijdens recentere bezoeken aan de regio, in het vorige decennium, kreeg ik pas echt goed zicht op de stedelijke revolutie waardoor West-Afrika zo ingrijpend verandert. In Ivoorkust lag er inmiddels een echte snelweg van Abidjan naar de grens met Ghana. Oude koloniale hoofdsteden als Bingerville en het pittoreske maar al sinds lang ingedutte Grand-Bassam waren door Abidjan opgeslokt en in slaapsteden veranderd. Onderweg langs de Ghanese kust was het uitzicht niet meer te vergelijken met dat van het dunbevolkte landschap van enkele decennia terug. Bijna de hele rit was het één lange aaneenschakeling van grote en kleinere steden. Er waren hele stukken waar je de stad nooit echt uit reed.

    Zoals altijd in deze regio is het Lagos dat de meest dramatische veranderingen te zien geeft. Dat heeft inmiddels dikke stedelijke uitlopers naar het westen, naar de grens met Benin. Dat smalle Franstalige buurland met twaalf miljoen inwoners wordt op die manier niet zozeer een economische satelliet van Nigeria, als wel van Lagos zelf. (Als de deelstaat Lagos een onafhankelijk land was, zou het de op drie na grootste economie van Afrika zijn.)

    In het kielzog van de groei van Lagos stijgt aan de hele Afrikaanse westkust het tempo van de verstedelijking en begint zowel het verkeer van inwoners als de regionale handel de oude koloniale grenzen steeds meer te overschrijden. En dat verandert het leven van tientallen miljoenen mensen aan die kustcorridor op manieren waarmee niemand onder het oude koloniale bestuur noch in de zes decennia onafhankelijk bestuur daarna ook maar enige rekening lijkt te hebben gehouden.

    Begin 2022 reisde ik weer naar de westkust af. Ditmaal niet voor een lange reis, maar voor een aantal kortere autotochten door Ghana, Togo en Benin. Overal waar ik kwam, zag ik tekenen van de snelheid en de omvang van de historische veranderingen die daar nu plaatsvinden. In Ghana bezocht ik een stad waar ik al eerder was geweest, Takoradi, en de daarmee vergroeide spoorwegstad Sekondi. In 1980 telde deze dubbelstad in totaal 197.000 inwoners. Dit jaar overschreed het inwonertal een drempel die maar veertien Amerikaanse steden ooit hebben bereikt: die van een miljoen inwoners. Daarmee is het inwonertal in iets meer dan één generatie meer dan vervijfvoudigd.

    Toen ik op een ochtend in juli in Takoradi aankwam, werd daar net het islamitisch Offerfeest gevierd. De smalle straatjes van de binnenstad waren volgelopen met jonge leden van de moslimminderheid, allemaal gekleed in kleurrijk versierde gewaden. Toen dit stadscentrum meer dan een eeuw geleden werd gebouwd, was Takoradi de enige havenstad van Ghana. Dit was de haven waar in 1947 het schip arriveerde met de toen nog onbekende Kwame Nkrumah, die zijn land (als kolonie toen nog Britse Goudkust geheten) tien jaar later naar onafhankelijkheid zou voeren. De oude binnenstad leek met zijn veranda’s en dofgrijze en pastelkleurige gebouwen nog op een decor voor een kostuumfilm. Maar vlak buiten het centrum bevond zich een gigantische bouwplaats waar boven de stoffige straten een enorm viaduct verrees. Als dat eenmaal is voltooid, kunnen auto’s het oude, uit zijn voegen gegroeide centrum links laten liggen, onderweg naar de veel grotere moderne periferie waar de meeste mensen nu wonen.

    In 2050 zal van alle mensen onder de 18 zo’n 40 procent Afrikaan zijn

    Aan de westelijke rand van Takoradi keek ik rond in een nieuw winkelcentrum. Op de schappen van een drukke supermarkt zag ik Zuid-Afrikaanse wijn, Zwitserse bonbons, doosjes bosbessen van hetzelfde merk dat ik in New York altijd koop en – helemaal een veeg teken van het besteedbaar inkomen – dure blikken hondenvoer. Er zaten ook Portugese en Chinese restaurants, een schoonheidssalon, belwinkels en een winkel in bruidsjurken die goede zaken deed.

    Het is niet meteen duidelijk waar de inkomsten vandaan komen die de bedrijvigheid in zo’n winkelcentrum kunnen verklaren. Deels waarschijnlijk uit het werk in de nabije offshore-olie-industrie, deels uit een onlangs uitgebreide regionale haven en deels uit een combinatie van oude cacaoteelt en nieuwe banen in de ICT. En dat is tekenend voor het verschil tussen deze en oudere megaregio’s. Zoals uit het werk van Hegel en Hume blijkt, wordt in het Westen al minstens sinds de achttiende eeuw gedaan alsof Afrika buiten de geschiedenis staat – alsof het niet echt een actieve deelnemer is aan het heden, en nog minder relevant voor de toekomst. Dat beeld is altijd verkeerd geweest, maar wie er nog aan vasthoudt zou deze kustregio eens moeten bezoeken. In Lagos, Accra, Abidjan en zelfs in veel kleinere plaatsen als Takoradi vind je geglobaliseerde enclaves die sterk verbonden zijn met de rijke wereld pal naast uitgestrekte stukken stedelijke haveloosheid, wijken die enerzijds overlopen van hoopvolle ambitie en anderzijds vastzitten in hopeloze armoede.

    Op een andere ochtend reed ik van het hart van de Ghanese hoofdstad Accra naar de stad Kasoa, nog geen 50 kilometer verderop. Kasoa wordt soms wel de snelst groeiende agglomeratie van het continent genoemd. Toen ik in de jaren zeventig voor het eerst langs deze kust reisde, was het nog niet veel meer dan een rommelige verzameling kraampjes langs de weg. In 1984 telde Kasoa drieduizend inwoners. Krap tien jaar geleden waren het er bijna zeventigduizend. En inmiddels wonen er zo’n half miljoen mensen, evenveel als in Edinburgh of Tucson.

    In de breedte

    Het uitzicht vanaf een viaduct over Kasoa herinnert je eraan dat Afrikaanse steden zich altijd eerder in de breedte dan in de hoogte uitbreiden. Hoogbouw zie je er niet veel, zeker niet voor woningen. Van bovenaf gezien heeft Kasoa iets onafs en onbehouwens. De jonge stad strekt zich vanuit het kruispunt van hoofdwegen in alle richtingen uit, de straten staan vol files. Volgens veel deskundigen is dit een problematisch aspect van de verstedelijking in West-Afrika: dat die bijna volledig ongepland verloopt.

    In de drukke straten van Kasoa stikte het van de kraampjes en bedrijvige handel in van alles en nog wat. Langs de stoffige zijwegen van de hoofdweg wemelde het van de jongeren die zakjes koud water aanboden, achter auto’s aan renden om kaarten met beltegoed en goedkoop plastic speelgoed te verkopen en van onder parasols op straathoeken luidkeels de prijzen omriepen van luchtig zoet brood of bananenchips.

    Wat vooral opviel waren de vele schoolkinderen die je in uniform en met een rugzakje over straat zag lopen. In 2050 zal van alle mensen onder de 18 zo’n 40 procent Afrikaan zijn, en tegen het eind van de eeuw de helft. In de straten van Kasoa komen zulke cijfers tot leven. Overal zag je reclameborden voor kinderdagverblijven, kleuterscholen en ‘internationale scholen’. Het enige andere soort advertenties dat daarmee kon wedijveren was afkomstig van kerken, die schermen met beloften van succes in deze én de volgende wereld.

    De meeste mensen die je in steden als Kasoa op straat ziet, zijn relatieve nieuwkomers van het platteland die in gammele, uit betonblokken opgetrokken huisjes wonen. De 55-jarige Julius Ackatiah was hier sinds kort een bedrijfje begonnen na jaren in Italië te hebben gewoond, waar hij door het verkrijgen van een nieuwe nationaliteit in een rijk Europees land de Afrikaanse emigratiedroom had verwezenlijkt. Ik sprak hem aan toen ik hem naar buiten zag kijken bij de eenvoudige etalage van de winkel waar hij tweedehands spullen uit Italië verkoopt. 

    Waarom had hij voor Kasoa gekozen, vroeg ik? Accra is de laatste tijd te vol en te duur geworden, zei hij, en Kasoa zit in de lift. ‘Er zijn hier veel mensen, en die willen een huis inrichten en een nieuw leven opbouwen. Dat is goed voor de zaken.’ Op de trap van zijn winkel waar hij me te woord stond, was hij omringd door zijn koopwaar: goedkope plastic stoelen, tafels en bankstellen, computermonitoren en allerhande huishoudelijke apparatuur, van koelkasten en magnetrons tot strijkijzers.

    Algiers en Caïro zijn nog steeds de enige Afrikaanse steden waar forensen met de metro kunnen

    Een van de grootste uitdagingen voor de opkomende megaregio’s in Afrika is de zwakke verkeersinfrastructuur. In 2018 richtten meer dan veertig landen samen de Afrikaanse Continentale Vrijhandelszone op, een overeenkomst die volgens deskundigen kan leiden tot een groei van het Afrikaanse bbp met 450 miljard dollar in 2035, vooral dankzij een toename van de interne handel binnen Afrika. Er zijn sindsdien nog tien landen toegetreden, waaronder Nigeria, zodat de vrijhandelszone nu echt het hele continent bestrijkt. ‘In feite is dit buiten de Wereldhandelsorganisatie de grootste vrijhandelszone ter wereld,’ zegt Astrid Haas, een onafhankelijke Oegandese econoom uit Kampala. ‘Dit is bedoeld om in het hele continent Afrikaanse landen gemakkelijker met elkaar handel te laten drijven, om zowel tarifaire als non-tarifaire belemmeringen weg te nemen.’

    Maar om het volle potentieel hiervan te ontsluiten moet er intensiever worden samengewerkt tussen buurlanden, met name als het gaat om verbetering van de fysieke infrastructuur. Algiers en Caïro zijn nog steeds de enige Afrikaanse steden waar forensen met de metro kunnen. (In de afgelopen jaren hebben betrokken burgers wel tracés geopperd voor mogelijke metrolijnen in steden als Kigali [in Rwanda] en Port Harcourt [in Nigeria], maar dat zijn voorlopig alleen nog hoopvolle ideeën.) In Abidjan en Lagos worden bovengrondse lightrailtrajecten aangelegd, maar dat zijn kleinschalige projecten die alweer achterliggen op schema. En het gebrek aan goede wegen blijft deze regio parten spelen. Afgezien van de vierbaansweg tussen Accra en Kasoa bestaat de bijna 1000 kilometer lange kustroute praktisch geheel uit een tweebaansweg zonder markering; deze loopt door allerlei dorpen en stadjes waar je soms goed moet uitkijken voor roekeloze voetgangers en loslopende dieren.

    En dan heb je nog de geldbeluste politieagenten en militairen die automobilisten staande houden om ze af te persen onder het mom van verkeerscontroles of misdaadbestrijding. Afgelopen zomer werd ik aan de rand van Takoradi staande gehouden door een gezette politieagent die pinda’s stond te kauwen en alsof het de normaalste zaak van de wereld was aan me vroeg: ‘Wat heb je voor me meegebracht?’ Onderweg in West-Afrika kun je dagelijks zulke vragen verwachten, met of zonder glimlach gesteld. Op een reis door Ghana in de jaren negentig telde ik op de 550 kilometer van de noordelijke stad Bolgatanga naar de centraal gelegen stad Kumasi 72 wegversperringen. En bij grensovergangen is het van oudsher nog veel erger gesteld met die roofzucht.

    Maar er is wel enige reden voor optimisme. In mei 2022 maakte de Afrikaanse Ontwikkelingsbank bekend 15,6 miljard dollar te hebben verzameld voor de aanleg van een nieuwe snelweg langs de kust, van Lagos naar Abidjan. ‘Dat wordt zoiets als de weg tussen Baltimore en New York, een tolweg,’ zegt Lydie Ehouman, transporteconoom bij de bank. Zij vertelde dat de weg, die overal vier tot zes rijbanen moet tellen, in 2026 moet worden opgeleverd. ‘Het verkeer moet er goed kunnen doorstromen, met een chip in je kenteken zodat je niet bij tolpoortjes hoeft te stoppen. Het wordt een moderne snelweg.’ Volgens economen van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank kan de handel tussen de deelnemende landen door deze West African Highway met 36 procent groeien.

    Stimulans

    ‘Als mensen eenmaal vertrouwen hebben in de beschikbaarheid van snel en betrouwbaar vervoer, zul je ook andere drastische veranderingen zien,’ zegt Hoornweg, de onderzoeker van Ontario Tech University. ‘Langs de grote verkeersaders zullen de vastgoedprijzen scherp stijgen, en dat wordt een stimulans om meer in de hoogte te gaan bouwen, meer flats dus, in plaats van een steeds groter oppervlak te beslaan. De steden zullen ook veel efficiënter en milieuvriendelijker worden, en dat maakt hun ontwikkeling duurzamer.’

    Vanaf de grond is dat nu nog moeilijk voorstelbaar. In Lagos begint zich weliswaar een indrukwekkende verzameling moderne torenflats te vormen. En in het centrum van Accra is een schitterend nieuw project gepland aan het water, met luxe woontorens, kantoorgebouwen, chique winkelcentra en luxe hotels. Maar zulke projecten voorzien vooral in een behoefte van de mensen die al rijk zijn, niet van de miljoenen mensen in de regio die binnenkort dringend om huisvesting verlegen zitten. Vergelijk dat eens met China, waar elke grote stad wordt omringd door enorme clusters van hoge woontorens. Dit soort projecten lijkt dan ook niet zozeer een voorbode van de toekomst, maar een teken dat de bestuurders in de regio de lat veel te laag leggen bij het inspelen op de ingrijpende demografische en sociale veranderingen die eraan zitten te komen. En dat geldt misschien zelfs ook voor die snelweg langs de kust.

    ‘Het beste wat West-Afrika zou kunnen overkomen is dat iemand deze landen ervan overtuigt om serieus lering te trekken uit de ervaringen van Azië,’ zegt Alain Bertaud van het Marron Institute van de New York-universiteit. In zijn vorige functie als planoloog bij de Wereldbank adviseerde hij China over de ontwikkeling van een van de succesvolste megaregio’s ter wereld, in de Parelrivierdelta. ‘Dichtbevolktheid levert op zichzelf nog geen welvaart op,’ zegt hij. ‘Je hebt veel meer vervoerscapaciteit nodig, waaronder nieuwe spoorlijnen en nieuwe wegen om de kustweg te verbinden met het achterland en met kleine steden, waar de goedkopere grond ligt.’ Hij wijst erop dat daarvoor veel nieuwe, grensoverschrijdende infrastructuur moet worden aangelegd, wat nergens ter wereld gemakkelijk is. ‘In India zagen we dat het al moeilijk is om een corridor aan te leggen door verschillende deelstaten binnen hetzelfde land. In Afrika heb je nog veel betere coördinatie nodig.’

    De Oegandese econoom Haas onderschrijft dat. ‘Afrika heeft jaarlijks voor 20 tot 25 miljard dollar aan investeringen in infrastructuur nodig, plus nog eens elk jaar 20 miljard voor huisvesting. Het is moeilijk om een indruk te geven van de schaal. We hebben het over enorm oplopende aantallen, mensen moeten met klem tot actie worden aangespoord.’

    Tegen het einde van mijn reis reed ik in drie uur van Accra naar de grens met Togo. Toen we Accra uit reden, maakte de stad al snel plaats voor vele kilometers bedrijventerrein. Van daar helemaal tot aan de grens, bijna 200 kilometer lang, reed je door een typisch stadsrandenlandschap, met als opvallendste kenmerk de alom aanwezige scholen langs de weg waar je kinderen zag rondhangen of sporten.

    Zodra ik bij de grens uit mijn auto stapte, werd ik omringd door mensen die me wilden helpen een taxi te vinden, geld te wisselen of de controle van mijn visum en vaccinatiebewijzen te bespoedigen. Ik sloeg alle hulp af en was aangenaam verrast hoe vlot de formaliteiten aan beide zijden van de grens verliepen. Mijn eerste vraag aan de taxichauffeur aan de Togolese kant van de grens was hoever het nog was naar de hoofdstad Lomé. Hij lachte. ‘U bent al in Lomé,’ zei hij. ‘Met een kwartiertje bent u bij uw hotel.’

    De volgende dag, een zondag, reed ik een half uurtje naar een stadje verder oostwaarts met Royce Wells, een dertigjarige Amerikaanse ICT’er. Hij ging daar kijken hoe het stond met de bouw van zijn huisje aan het strand. Togo is een bijzonder smal land, ingeklemd tussen Ghana en Benin: van noord naar zuid bestrijkt het bijna 700 kilometer, maar de kustlijn is maar 50 kilometer breed. Het is dan ook een langgekoesterde droom van de lokale bovenlaag en buitenlandse investeerders om van dit land een soort tussenhandelsnatie te maken en daarmee te verdienen aan de arbitrage (kleine prijsverschillen) op grond van onder meer de sterke valutaschommelingen in Nigeria en Ghana en de verschillende gradaties van corruptie en politieke risico’s in de buurlanden.

    Hoewel Togo met regelmatige verkiezingen probeert de schijn van democratie op te houden, is de macht er al sinds 1963 in handen van één familie. Maar anders dan in Nigeria is de stroomvoorziening er stabiel, het internet snel en het dagelijks leven niet zo precair. Met het oog op zijn handelstoekomst heeft Togo een haven aangelegd met een veel grotere capaciteit dan het land nodig heeft, en daarnaast produceert het cement, staal en andere industriële en consumptiegoederen voor de grotere buurlanden. Wells ziet hier dan ook kansen en hoopt te kunnen verdienen aan de bouw van hotels. ‘Plaatsen waar ze leren de juiste fiscale prikkels en juridische waarborgen [voor investeerders] te ontwikkelen, kunnen geld verdienen aan de tekortkomingen van Lagos,’ zegt hij. 

    ‘We laten heel weinig achter voor de jeugd. Die hebben we in feite bestolen’

    Anderen betwijfelen of het ooit zover zal komen. Dat vergt immers uitgekiend beleid van de hoogste bestuurslagen. Volgens Bright Simons, een prominent politiek analist en ondernemer in Ghana, is de vijf landen omspannende megaregio ‘een van de meest braakliggende bestuurlijke landschappen ter wereld’. De regeringen zijn ‘ongelooflijk onstrategisch’, zegt hij. ‘Ik verbaas me altijd over het enthousiasme waarmee de elites hier liever een kamer van koophandel met Mexico opzetten, dus met een of ander ver land, dan met hun eigen buurlanden.’

    De behoeften van de groeiende West-Afrikaanse bevolking botsen hier op de hardnekkige realiteit van de natiestaat, en met name op de onderlinge verschillen in hun koloniale geschiedenis. Ivoorkust, Benin en Togo zijn voormalige Franse koloniën, Nigeria en Ghana waren door Groot-Brittannië gekoloniseerd. Met als blijvend gevolg verschillende officiële talen (Engels of Frans) en in de Franstalige landen ook een munteenheid die de sporen van de kolonisatie draagt, de CFA-franc, waarvan de waarde vroeger was gekoppeld aan de Franse franc en nu aan de euro. Maar de belangrijkste koloniale erfenis wordt misschien wel gevormd door de in zichzelf gekeerde bestuurlijke elites, die van oudsher nauwelijks oog hadden voor hun buurlanden, als gevolg van het koloniale verleden en het feit dat de Frans- en Engelstalige landen bijna om en om liggen. Zo tekende ik uit de mond van een Nigeriaan in Accra op: ‘Pas sinds ik geregeld in Ghana kom, besef ik ineens dat het niet ons buurland is. Eerst heb je nog Benin en dan Togo.’

    Het een-na-kleinste land

    Cotonou, de economische hoofdstad van Benin (vlak bij de bestuurlijke hoofdstad Porto-Novo), ligt maar 30 kilometer van Nigeria en nog geen 125 van Lagos. Toch lijkt men zich hier nauwelijks bewust van de aanwezigheid van die nabije kolos. Deze stad met zevenhonderduizend inwoners (in 2100 naar verwachting vijf miljoen) heeft een keurig aangeharkt klein regeringscentrum, compleet met een modernistisch presidentieel paleis met gevels van glas. Dat paleis is zo groot als Benin klein is: het is het een-na-kleinste land in de corridor. Met zijn laagbouw en drukke scooterverkeer waan je je in Cotonou vaak eerder in een provinciestadje of een dorp. Maar of Benin het nu leuk vindt of niet, het lijkt toch gedoemd om ooit te worden opgeslokt door het steeds sneller groeiende Lagos.

    Toen ik een oude kennis, een succesvol zakenman uit Benin, vroeg of de inwoners en de bestuurders van zijn land nauwe betrekkingen onderhielden met Nigeria, was het antwoord nee. ‘Vanuit ons Franse chauvinisme beroemt de elite zichzelf hier nog steeds op de gedachte dat dit het Quartier Latin van de regio is,’ zei hij. Een verwijzing naar de periode voor de onafhankelijkheid, toen Frankrijk van Benin het regionale centrum voor koloniaal onderwijs had gemaakt. ‘Onze leiders kunnen slecht vooruitkijken. Als je tegen de president zegt dat hij mooie schoenen aan heeft, is hij in de zevende hemel. Met Nigeria als buurland hadden we Engels hier al lang geleden als verplichte tweede taal op school moeten invoeren, maar niemand heeft daar ooit aan gedacht.’

    Zulk pessimisme, op basis van een schamper oordeel over de kwaliteit van het nationaal bestuur in West-Afrikaanse landen, is wijdverbreid. ‘Om die zwaar verstedelijkte toekomst leefbaar te maken hebben we tegelijkertijd een functionerende Ghanese staat, functionerende staten in Benin en Togo en een op zijn minst functionerende Nigeriaanse regering nodig,’ zegt E. Gyimah-Boadi, de zeventigjarige medeoprichter en voormalig hoofd van de denktank Ghana Center for Democratic Development. ‘Ergens wil ik graag geloven dat de jongeren van West-Afrika hun eigen redders kunnen zijn, en dat ze door het falen van mijn generatie niet per se zelf tot falen zijn gedoemd. De natiestaat is een enorme vloek geweest. Sommigen van ons zijn er wel bij gevaren, maar we laten heel weinig achter voor de jeugd. Die hebben we in feite bestolen.’

    Lees ook:

  • Keniaanse politie vindt lichamen van tientallen sekteleden

    Keniaanse politie vindt lichamen van tientallen sekteleden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Peruaanse oud-president Toledo uitgeleverd aan Peru

    » Diplomaten en buitenlanders geëvacueerd uit Soedan

    De sekteleden zouden zichzelf hebben uitgehongerd

    In het oosten van Kenia heeft de politie dit weekend de lichamen van tientallen mensen gevonden die vermoedelijk lid waren van een sekte. Dat schrijft persbureau AFP. Inmiddels zijn zevenenveertig lichamen gevonden, een aantal dat mogelijk nog oploopt aangezien autoriteiten op meerdere plekken graven en zoeken.

    Volgens de politie zouden er nog levende leden van de sekte verstopt zitten in een nabijgelegen bosgebied. Militairen zijn momenteel naar hen op zoek. Daarnaast is er een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen de leider van de sekte, aangezien hij zijn sekteleden zou hebben aangemoedigd te vasten en zichzelf uit te hongeren om met Jezus in contact te komen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Een mensenrechtenorganisatie die samenwerkt met de autoriteiten zegt dat leden van de sekte zo geïndoctrineerd waren dat ze weigerden te eten nadat de autoriteiten hen meenamen, ook al waren ze er fysiek zeer slecht aan toe. ‘Toen [een van de slachtoffers] hier werd gebracht, weigerde ze eerste hulp en hield haar mond stevig dicht, ze wilde doorgaan met vasten tot ze stierf,’ vertelde een medewerker van de organisatie aan AFP.

    Lees ook:

  • Diplomaten en buitenlanders geëvacueerd uit Soedan

    Diplomaten en buitenlanders geëvacueerd uit Soedan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Keniaanse politie vindt lichamen van tientallen sekteleden

    » Peruaanse oud-president Toledo uitgeleverd aan Peru

    Steeds meer landen halen hun burgers weg uit het Afrikaanse land

    Na dagen van onzekerheid zijn dit weekend de eerste buitenlanders geëvacueerd uit Soedan. Het gaat om diplomaten en staatsburgers uit de VS, Europa en de Golfstaten, schrijft Al Jazeera. Ook Nederland heeft tientallen mensen weten te evacueren.

    Sinds ruim een week geleden gevechten uitbraken tussen de paramilitaire RSF en het reguliere leger zijn honderden mensen omgekomen in Soedan. Duizenden mensen zijn gewond geraakt en ziekenhuizen kunnen de toestroom aan nieuwe patiënten amper aan. Omdat het vliegveld van Khartoem midden in de stad ligt, is het zeer gevaarlijk om daar vliegtuigen te laten landen en ook rond andere militaire vliegvelden wordt gevochten.

    Voor mensen die nu nog in Soedan zijn wordt het steeds moeilijker om het land te verlaten, zeker omdat het internet op veel plekken in de hoofdstad van het Afrikaanse land platligt. Sommige landen kiezen ervoor om hun burgers per boot te evacueren vanuit Port Soedan, maar omdat de stad op 800 kilometer van Khartoem ligt, is die mogelijkheid niet voor iedereen weggelegd.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Lees ook:

  • President Oeganda wil aanpassingen homowet na internationale druk

    President Oeganda wil aanpassingen homowet na internationale druk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Starship ontploft vlak na lancering in Texas

    » President Biden gaat voor herverkiezing in 2024

    Het parlement moet zich opnieuw over de wet buigen

    De president van Oeganda wil dat het parlement opnieuw gaat kijken naar een controversiële antihomowet, meldt Al Jazeera. Hoewel de wet al werd aangenomen, moet gekeken worden of deze wel grondwettelijk is. Het goedkeuren ervan zorgde eerder voor grote kritiek van de internationale gemeenschap; het is een van de strengste wetten ter wereld tegen homoseksualiteit.

    Zo is het openlijk uitkomen voor je seksuele geaardheid als homoseksueel strafbaar, net als het aanmoedigen of promoten van homoseksualiteit. Voor sommige delicten, zoals seks met iemand van hetzelfde geslacht, kunnen Oegandezen een levenslange gevangenisstraf krijgen. Ook staat op ernstigere strafbare feiten de doodstraf, bijvoorbeeld als iemand ook hiv heeft.

    Westerse landen, aangemoedigd door mensenrechtenorganisaties, dreigen met het terugschroeven van ontwikkelingshulp en investeringen als Oeganda de wet niet van tafel haalt.

    Lees ook:

  • De westerse relaties met Afrika en Azië staan op instorten en daar profiteert Rusland van

    De westerse relaties met Afrika en Azië staan op instorten en daar profiteert Rusland van

    Supermachten willen dat de landen in Afrika en Azië een kant kiezen, maar daar kunnen ze niet zo makkelijk toe worden gedwongen. Moskou begrijpt dat, het Westen niet, aldus de Congolese politicus Jérémy Lissouba. ‘Ontwikkelingslanden pikken de paternalistische houden van het Westen niet meer.’

    Al meer dan een jaar, sinds het begin van de oorlog in Oekraïne, bevindt de wereld zich tussen twee vuren. En tegen een achtergrond van hoge energie- en voedselprijzen, een verwoestende inflatie, sociale onrust en angst voor een nieuwe wereldwijde recessie, wedijveren het westerse en het Russische blok opnieuw om de steun van de ontwikkelingslanden.

    Leiders als de Franse president Emmanuel Macron, de Duitse bondskanselier Olaf Scholz, de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov, de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Qin Gang, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken en de Amerikaanse vicepresident Kamala Harris zijn maar enkele van de namen die het afgelopen jaar een spraakmakend bezoek aan Afrika hebben gebracht, waarbij het centrale thema keer op keer samenwerking en handel was. Toch ademde elk bezoek een soort nieuwe Koude Oorlogssfeer, met Oekraïne als een van de belangrijkste symptomen.

    Allemaal proberen deze supermachten op hun eigen manier – en gewapend met hun eigen propaganda – de landen in Afrika en Azië partij te laten kiezen. Maar anders dan in de vorige eeuw kunnen deze landen ditmaal niet meer zo makkelijk tot een keus worden gedwongen, en is dat ook niet nodig. Rusland begrijpt dat. Het Westen niet.

    Het is geen geheim dat Afrika aarzelt om de Russische acties in Oekraïne openlijk te veroordelen, of deel te nemen aan westerse sancties tegen de Russische agressor of pogingen om die te isoleren. In plaats daarvan blijven deze landen hun jarenlange partner met open armen ontvangen en veroordelen ze weliswaar in brede kring de oorlog, maar niet Rusland zelf.

    Faux pas

    In Malawi bijvoorbeeld wordt de Russische levering van tienduizenden tonnen kunstmest, op een moment dat er een wereldwijd tekort is, door ploeterende boeren als een geschenk uit de hemel beschouwd en heeft de minister van Landbouw Rusland dankbaar ‘een echte vriend’ genoemd. En de door Moskou aangekondigde plannen om 260.000 ton kunstmest naar andere landen op het Afrikaanse continent te sturen zullen daar zeker soortgelijke gevoelens losmaken.

    In mijn eigen land, Congo-Brazzaville, heeft de regering ondanks de oorlog in Oekraïne vijf grote samenwerkingscontracten met Rusland getekend, bijvoorbeeld voor de bouw van een nieuwe oliepijplijn en intensivering van de militaire samenwerking.

    Dit charmeoffensief – prominent geleid door minister Lavrov, die sinds afgelopen januari op bezoek is geweest in Zuid-Afrika, Swaziland, Angola, Eritrea, Mali, Soedan en Mauritanië – bevordert overal op het continent de pro-Russische houding en staat in schril contrast met het jammerlijk mislukte recente Afrikaanse avontuur van Emmanuel Macron.

    Macron bestond het zelfs om de Congolese president de les te lezen over persvrijheid

    Misschien wel de meest toondove faux pas van zijn hele reis beging Macron door, hoewel hem dat tijdens een persconferentie in de Democratische Republiek Congo (DRC) herhaaldelijk werd verzocht, te weigeren de Rwandese steun voor M23-rebellen te veroordelen die zo veel schade aanrichten in de DRC, een situatie die sterke overeenkomsten vertoont met de semiheimelijke steun die Moskou de afgelopen jaren aan de separatisten in de Donbas-regio heeft verleend. Hij bestond het zelfs om de Congolese president de les te lezen over persvrijheid.

    Ondanks de omstandige retoriek van de Franse president over ‘nieuwe relaties’ en ‘een nieuw begin’ was zijn uitbarsting de zoveelste bittere herinnering aan de langdurige paternalistische en oneigenlijke houding van Europa jegens Afrika, dezelfde houding die ervoor heeft gezorgd dat decennia van Europese en militaire invloed op het Afrikaanse continent geen noemenswaardig resultaat hebben opgeleverd en waardoor die invloed misschien zelfs wel daadwerkelijk is ondermijnd.

    Afrikanen zijn zich hiervan bewust en pikken het niet langer, getuige het groeiende anti-Franse sentiment in westelijk Afrika. Rusland, China en anderen grijpen alleen maar de kansen die zich voordoen, al valt ook hun het nodige te verwijten.

    Korreltje zout

    Ondertussen, terwijl het Europese aandeel in de hulp aan Afrika aanzienlijk is afgenomen, krijgt de Europese Unie in Azië met soortgelijke problemen te maken. Met uitzondering van China is het EU-aandeel in de export naar Zuidoost-Aziatische landen de afgelopen twee decennia met een derde afgenomen en was in 2021 minder dan een tiende van de Maleisische, Singaporese, Zuid-Koreaanse en Taiwanese export voor West-Europa bestemd.

    Ook hier is Rusland als de wiedeweerga in het gat gesprongen door China als zijn belangrijkste handelspartner te bestempelen en consequent olie en gas naar gretige Aziatische kopers te exporteren. En toen Rusland half maart zijn verdragen ter voorkoming van dubbele belasting opschortte in het geval van tal van ‘onvriendelijke landen’ overal op de wereld, werden de meeste Zuidoost-Aziatische landen van deze maatregel uitgezonderd.

    Bovendien is Rusland het afgelopen decennium ook de grootste wapenleverancier in de regio geworden en heeft het recentelijk gezamenlijke marine-oefeningen gehouden met de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties. Indonesië, de Filippijnen en Maleisië hebben allemaal geweigerd Moskou sancties op te leggen, en Maleisië heeft eerder dit jaar een memorandum van overeenstemming met Rusland getekend ter verbetering van de agrarische handelsbetrekkingen.

    We kunnen het deze landen niet kwalijk nemen dat ze samenwerken met internationale partners om hun dringendste maatschappelijke prioriteiten aan te pakken. Evenmin kunnen we ze kwalijk nemen dat ze het Europese discours over internationale waarden en verandering met een korreltje zout nemen wanneer deze veronderstelde verandering niet voortkomt uit de erkenning van huidige tekortkomingen, maar wordt ingegeven door opkomende mondiale trends.

    Zolang de onderliggende veronderstellingen en overtuigingen niet veranderen blijven de relaties tussen de oude en de nieuwe wereld gespannen

    Wat voor lessen vallen er te geven over territoriale integriteit en rechtvaardigheid wanneer de gebeurtenissen van 2011 in Libië, en de blijvende gevolgen daarvan, een open wond blijven in de Afrikaanse ziel? Of wanneer de houding van deze landen ten opzichte van de oorlog in Oekraïne bijna identiek is aan die van Europa ten opzichte van het conflict in het oosten van de Democratische Republiek Congo?

    Wat voor lessen vallen er te trekken uit de procedures van Europese rechtbanken om Maleisische activa en eigendommen ter waarde van 15 miljard dollar in beslag te nemen op grond van een twijfelachtige arbitrage-uitspraak van een Spaanse arbiter die zelf strafrechtelijk vervolgd dreigt te worden? En wie zal daar werkelijk van profiteren als je bedenkt dat deze aanspraak op soeverein grondgebied, die voortvloeit uit een halverwege de negentiende eeuw gemaakte afspraak tussen een allang verdwenen sultanaat en een Brits bedrijf uit de koloniale tijd, wordt gefinancierd door onbekende externe investeerders?

    Wat het antwoord op deze vragen ook is, het is duidelijk dat de relaties tussen de oude en de nieuwe wereld gespannen zullen blijven zolang de onderliggende veronderstellingen en overtuigingen niet veranderen.

    Nieuwe leest

    Wat we specifiek nodig hebben is een verandering in het denken, en een besef bij het Westen dat ontwikkelingslanden niet blind zijn voor de vele retorische en praktische contradicties die kenmerkend zijn voor de wereld zoals we haar kennen, of het nu gaat om een hulp- en handelssysteem dat de onbalans en de misstanden die het beweert aan te pakken alleen maar versterkt, of om een discours over internationale wetten en waarden waar overtredingen uit het verleden en de huidige hervormingsdrang niets van overlaten, of zelfs om onderhandelingen over klimaatfinanciering waarvan de urgentie staat of valt met westerse economische belangen.

    De westerse wereld kan deze gang van zaken alleen omdraaien als ze haar relaties met de Afrikaanse en Aziatische landen werkelijk op een nieuwe leest schoeit en haar kijk op een respectvol partnerschap tussen landen met een gelijkwaardige legitimiteit grondig herziet.

    Het gaat er niet om dat het moeite kost om op een overtuigende manier lippendienst aan idealen te bewijzen, en evenmin dat deze idealen op het altaar van het economisch pragmatisme moeten worden geofferd. Het gaat erom dat er voldoende verantwoordelijkheid wordt genomen voor de huidige stand van zaken, dat toekomstverwachtingen worden begrepen, dat er echte concessies worden gedaan en dat het discours gepaard gaat met dollars en daadkracht.

    Alleen dan zal de westerse wereld ons ervan overtuigen dat de beloften van het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet alleen maar voorwendsels waren om te voorkomen dat de westerse hegemonie in haar bestaan werd bedreigd, maar in plaats daarvan een blijvend perspectief bieden op een betere wereld die het alleszins waard is om voor te vechten.

    Jérémy Lissouba is parlementslid voor de belangrijkste oppositiepartij in de Republiek Congo. Hij is ook plaatsvervangend rechter in het Hooggerechtshof van het land en een alumnus van het 2018 Africa Leaders Program van de Obama Foundation.

    Lees ook:

  • Burkina Faso geteisterd door jihadistisch geweld: 42 doden bij aanval

    Burkina Faso geteisterd door jihadistisch geweld: 42 doden bij aanval

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Polen verbiedt de invoer van graan uit Oekraïne om eigen boeren te beschermen

    » Burgeroorlog dreigt in Soedan: dit weekend zijn al 83 doden gevallen

    Het Afrikaanse land heeft opgeroepen tot algehele mobilisatie

    In het noordoosten van Burkina Faso zijn tweeënveertig militairen omgekomen bij een aanval door een nog onbekende groep, meldt Anadolu Agency. De afgelopen maanden vinden er in de regio veel aanvallen plaats door jihadistische groeperingen gelieerd aan Islamitische Staat en Al-Qaida. Het is waarschijnlijk dat ook zij achter deze aanval zitten.

    Er zijn al tienduizenden vrijwilligers geworven voor de strijd tegen terrorisme

    Eerder deze maand kwamen in dezelfde regio van het Afrikaanse land nog vierenveertig burgers om het leven toen hun dorpen midden in de nacht werden aangevallen door gewapende mannen. Na deze aanval kondigde de regering van Burkina Faso een algehele mobilisatie aan, om het aanhoudende jihadistische geweld in het land de kop in te drukken. Inmiddels zijn er al tienduizenden vrijwilliger geworven om mee te helpen in de strijd tegen het terrorisme.

    Burkina Faso kampt al jaren met jihadistisch geweld en een groot deel van het grondgebied is inmiddels onder controle van milities. Dat heeft geleid tot twee staatsgrepen in 2022, beide keren door legerofficieren die vonden dat de regering te weinig deed om het jihadisme het hoofd te bieden. Momenteel heeft legerkapitein Ibrahim Traoré de leiding over het land, nadat hij de macht overnam van Paul-Henri Damiba.

    Lees ook:

  • Burgeroorlog dreigt in Soedan: dit weekend zijn al 83 doden gevallen

    Burgeroorlog dreigt in Soedan: dit weekend zijn al 83 doden gevallen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Burkina Faso geteisterd door jihadistisch geweld: 40 doden bij aanval

    » Polen verbiedt de invoer van graan uit Oekraïne om eigen boeren te beschermen

    Twee machtige facties van het leger staan tegenover elkaar

    In Soedan wordt sinds zaterdag zwaar gevochten tussen twee onderdelen van de Soedanese strijdkrachten. Volgens Africa News zijn er zeker drieëntachtig doden gevallen en ruim elfhonderd mensen gewond geraakt. Ziekenhuizen kunnen de toestroom van gewonden al niet meer aan, en daar komt bovenop dat de Verenigde Naties voorlopig alle humanitaire hulp staken nadat drie VN-medewerkers omkwamen na een aanval op hun konvooi dit weekend.

    De strijd in Soedan gaat tussen het reguliere leger en de Rapid Support Forces (RSF), dat onder leiding staat van generaal Mohamed Hamdan Dagalo, alias Hemedti. Hemedti pleegde samen met Abdul Fattah al-Burhan, leider van de Soedanese strijdkrachten, een staatsgreep in 2021, maar zijn het nooit eens geworden over hoe het straatarme Afrikaanse land bestuurd moest worden.

    Volgens experts is de kans reëel dat er een burgeroorlog in Soedan uitbreekt

    Met name om de hoofdstad Khartoem wordt zwaar gevochten, onder meer met tanks en gevechtsvliegtuigen. De Verenigde Naties hebben opgeroepen tot een staakt-het-vuren, maar beide partijen lijken daar voorlopig geen gehoor aan te geven. Dat er in het land ook nog milities en andere rebellenbewegingen actief zijn, maakt volgens experts de kans reëel dat er een burgeroorlog in het land zou kunnen uitbreken.

    Lees ook:

  • Senegalese kustbewoners moeten vluchten voor het water. Maar waarheen?

    Senegalese kustbewoners moeten vluchten voor het water. Maar waarheen?

    De inwoners van het Senegalese schiereiland Langue de Barbarie worden uit hun huizen verdreven door de stijgende zeespiegel. De overheid probeert hun nieuwe onderkomens te verschaffen. Maar bijna niemand wil verhuizen.

    Terwijl Madicke Sène een paar krabben grilt die hij eerder die ochtend heeft gevangen, kijkt hij uit over het kalme water van de ochtendlijke Atlantische Oceaan.

    ‘Toen ik klein was, liep het strand helemaal door tot daar.’ Hij wijst naar een punt ergens voorbij een handvol felgekleurde vissersbootjes, die zo’n honderd meter zee-inwaarts liggen. En nu zit hij op een matje op een onlangs aangelegde zeewering, en komen de golven bij vloed aanrollen tot op minder dan 25 meter van waar hij zit.

    Zijn matje, de barbecue, de krabben, het doek dat hij boven zijn hoofd heeft opgehangen om wat schaduw te creëren – dit alles bevindt zich boven op wat vroeger zijn huis was, een huis met wel tien kamers, dat in 2018 werd opgeslokt door een wel heel hoog opgezweepte zee. Achter hem bevinden zich de restanten: de laatst overgebleven slaapkamer, een badkamer en een houten schaapskooi.

    We weten niet hoe we het land moeten bewerken, we kunnen domweg niets anders’

    De buren van meneer Sène hebben soortgelijke constructies. Dit is het resultaat van de stijgende zeespiegel en het water dat inbeukt op Langue de Barbarie, een schiereiland dat deel uitmaakt van de stad Saint-Louis, zo’n 140 kilometer van Dakar, de hoofdstad van Senegal.

    Zo’n 3200 inwoners van het drukke vissersgedeelte van het schiereiland, Guet Ndar, zijn verdreven door de steeds onstuimigere zee, die van tijd tot tijd het hele schiereiland overspoelt, waarbij het zeewater soms zelfs de rivier de Sénégal aan de andere kant bereikt. Daarom heeft de overheid in 2019 tijdelijke kampen voor ontheemden neergezet, twaalf kilometer landinwaarts. Het is de bedoeling dat deze kampen uiteindelijk worden vervangen door een nieuw dorp. Maar mensen als meneer Sène hebben helemaal geen zin om te verhuizen.

    Saint Louis du Senegal Wikimedia
    De prauwen zijn beschilderd met de namen van soefileiders. – © Wikimedia

    ‘Hier ben ik geboren en hier zal ik oud worden,’ zegt hij. ‘De zeelucht hier, die vind je nergens anders. We weten niet hoe we het land moeten bewerken, we kunnen domweg niets anders – de zee, dat is waar wij verstand van hebben.’

    Schadelijke gevolgen

    De regering van Senegal voert een tweeledig beleid in de strijd tegen de schadelijke gevolgen van klimaatverandering in Saint-Louis. Er zijn projecten om een zo groot mogelijk deel van de kustlijn zo lang mogelijk te behouden, maar tegelijkertijd bereidt de overheid zich voor op het uiteindelijke verdwijnen van het schiereiland. Voor de inwoners is het ook een balanceeract: ze proberen zich een voorstelling te maken van – en zich tegelijkertijd te verzetten tegen – een leven waarin ze hun culturele en economische identiteit als visser moeten loslaten. 

    ‘We begrijpen het – het is hun natuurlijke plek,’ zegt Ousmane Ndiaye, gespecialiseerd in sociale integratie, verbonden aan het Municipal Development Agency, een van de Senegalese organisaties die, samen met de Wereldbank, het voortouw neemt bij het bouwen van de permanente onderkomens.  De onderhandelingen zullen doorgaan zolang als nodig is, zegt hij. ‘Dat is een bekend probleem bij alle projecten voor ontheemden.’

    In 2050 zullen naar verwachting op het hele continent zo’n 113 miljoen mensen zich gedwongen zien te verhuizen

    De effecten van de klimaatcrisis zijn al voelbaar in de kuststeden van West-Afrika, van Lagos tot Abidjan. Die steden hebben lange tijd een grote aantrekkingskracht gehad dankzij alle economische mogelijkheden; het zijn enkele van de dichtstbevolkte gebieden. In 2050 zullen naar verwachting op het hele continent zo’n 113 miljoen mensen zich gedwongen zien te verhuizen, door de gevolgen van de klimaatverandering, zoals de stijgende zeespiegel.

    Saint-Louis, dat bekendstaat om de pastelkleurige huizen uit de koloniale tijd, zal vermoedelijk zwaar worden getroffen. Het bestaat uit een schiereiland, een echt eiland en een dichtbevolkt gedeelte op het vasteland. Momenteel lopen zo’n twaalfduizend inwoners het gevaar uit hun huis te worden verdreven door het stijgende water en de erosie van de kustlijn. Volgens een onderzoek zullen in 2080 naar verwachting 150.000 mensen moeten verhuizen, en is er een aanzienlijk risico dat 80 procent van de stad jaarlijks onder water zal komen te staan. 

    Zeewering

    De nieuwe promenades op het eiland en het schiereiland, die nauwelijks boven zeeniveau liggen, zijn voorzien van heuphoge muren. Volgens de plaatselijke bevolking heeft de zeewering bij het huis van meneer Sène de schade tijdens stormvloeden weten te beperken. 

    Maar zelfs met dit soort beschermende maatregelen komen er meer en meer ontheemden. Ontruimingsbevelen vanuit de overheid worden niet afgedwongen. Vrijwel alle mensen die zijn verhuisd, hebben dat gedaan omdat ze geen andere mogelijkheid meer zagen.

    Zo’n vijftienhonderd van die voormalige schiereilandbewoners leven nu in barre omstandigheden, in tijdelijke onderkomens in het ontheemdenkamp Diougop. De tentachtige onderkomens hebben kleine zonnepanelen, maar geen opslagcapaciteit. Douches, toiletten en waterkranen zijn voor gezamenlijk gebruik. Er zijn wat mensen die groente verkopen, tussen de steriele rijen met onderkomens, maar er zijn nauwelijks baantjes.

    ‘In Guet Ndar is het overvol, hier is veel meer ruimte’

    ‘Er is hier helemaal niets,’ zegt Mamadou Gueye, die vorig jaar in Diougop is komen wonen. Zoals veel inwoners van het kamp gaat meneer Gueye nog altijd vissen – maar nu moet hij – met langzame bussen of dure taxi’s – naar Guet Ndar reizen en weer terug, een rit die wel twee uur kan duren als er veel verkeer is.

    40016097292 0588e12bd5 o
    De prauwen zijn beschilderd met de namen van soefileiders. – © Wikimedia

    ‘Het is lastig. Daar [in Guet Ndar] is iedereen – de hele gemeenschap, familie, vrienden,’ zegt hij.

    Er staan nog meer huizen – en verbeteringen – op stapel. Op een leeg stuk land, dat momenteel dienstdoet als voetbalveld, komt binnenkort een markt. Er is ook een stuk land bestemd voor een school. Sommige inwoners zijn al begonnen een nieuw leven op te bouwen.

    ‘Het is hier prima. Het was ook prima in Guet Ndar, maar daar hadden we niet dit soort werk,’ zegt Ndeye Coumba Gueye, die het haar van haar collega’s vlecht in een salon die is ingericht in een scheepscontainer. In Guet Ndar was Ndeye Coumba Gueye werkloos, maar nu heeft ze gebruikgemaakt van een door de overheid gesubsidieerde opleiding tot schoonheidsspecialiste – een van de vele ideeën waar de Senegalese overheid mee is gekomen om de bittere pil van de verhuizing enigszins te verzachten. Anderen hebben een baantje in een buurtwinkeltje – dat ook in een scheepscontainer zit – of ze verbouwen groente in een minituintje.

    ‘Ik hoop dat als die huizen er eenmaal staan, mensen uit Guet Ndar hierheen zullen komen,’ zegt ze. ‘In Guet Ndar is het overvol, hier is veel meer ruimte.’

    Dilemma

    De opmerkingen van Ndeye Coumba Gueye raken aan het dilemma van Diougop: Als er meer mensen komen wonen, komen er meer banen, en zal er iets van gemeenschapszin ontstaan. Maar niemand wil ernaartoe verhuizen zolang dat nog niet het geval is.

    Dankzij steunprogramma’s, zoals de opleiding tot schoonheidsspecialiste, hebben sommige mensen zich weten aan te passen. Maar het is niet genoeg om mensen te verleiden er te gaan wonen zolang het nog niet echt hoeft. Sterker nog, veel vrouwen die uit Guet Ndar zijn vertrokken, zijn inmiddels werkloos, omdat ze niet langer de vis die elke dag van het strand komt, kunnen drogen en verkopen.

    ‘Ik zal altijd blijven terugkeren naar Langue de Barbarie’

    Maar zelfs bij de mensen die optimistischer zijn over Diougop, blijft de zee trekken. En het is niet moeilijk om een dubbele boodschap te zien in de zeewering op het schiereiland. Zolang de muur de reep zand versterkt, zal hij mensen sterken in het verlangen om te blijven – dezelfde mensen die door de overheid worden aangemoedigd om te vertrekken. Maar aan de andere kant is het gedeeltelijke behoud van het schiereiland een van de weinige dingen die het kleine beetje hoop in Diougop in stand houden. 

    In 2019 heeft de zee het grootste deel van het huis van de familie van Michelle Gueye verzwolgen. Daarop is zij ingetrokken bij haar zus, in een andere buurt, maar ze gaat elke dag op en neer naar Diougop voor haar werk. Ze is van plan zich volgend jaar voorgoed te vestigen in Diougop, als de permanente onderkomens klaar zijn.

    40016094742 55a8826855 o
    De promenades liggen nauwelijks boven zeeniveau. – © World Bank / Ibrahima BA Sané / Flickr

    ‘Het is mogelijk om hier solidariteit te kweken. Daar zijn we al mee begonnen,’ zegt Michelle Gueye, die geen familie is van Mamadou of Ndey Coumba. ‘Maar ik zal altijd blijven terugkeren naar Langue de Barbarie. Daar ligt mijn hart.’

  • Tunesië: minstens twintig mensen vermist na een bootongeluk

    Tunesië: minstens twintig mensen vermist na een bootongeluk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Tientallen meisjes vergiftigd op scholen in Iran

    » China houdt meerdaagse militaire oefening rondom Taiwan

    Tunesië is het belangrijkste vertrekpunt van vluchtelingen

    Ten minste twintig mensen worden vermist nadat een boot die de Middellandse Zee wilde oversteken voor de kust van Tunesië is gezonken. Zeventien andere opvarenden werden door de kustwacht gered. Twee van hen zouden in kritieke toestand verkeren nadat de boot voor de kust van de Oost-Tunesische stad Sfax was gezonken. De afgelopen weken zijn tientallen mensen vermist geraakt of omgekomen bij verschillende verdrinkingsongevallen voor de Tunesische kust. Steeds meer vluchtelingen proberen vanuit het Noord-Afrikaanse land Europa per boot te bereiken, aldus Al Jazeera.

    Meloni riep het IMF en andere landen op om Tunesië snel financieel bij te staan

    Tunesië heeft Libië vervangen als belangrijkste vertrekpunt voor mensen die armoede en conflicten in Afrika en het Midden-Oosten ontvluchten in de hoop op een beter leven in Europa. De nationale garde van Tunesië zei vrijdag dat in de eerste drie maanden van het jaar meer dan veertienduizend vluchtelingen, voornamelijk afkomstig uit Afrika ten zuiden van de Sahara, zijn onderschept of gered terwijl ze probeerden Europa binnen te komen, vijf keer meer dan in dezelfde periode vorig jaar.

    Europa kan een enorme golf vluchtelingen uit Noord-Afrika verwachten als de financiële stabiliteit in Tunesië niet wordt gewaarborgd, zei de Italiaanse premier Giorgia Meloni vrijdag. Meloni riep het Internationaal Monetair Fonds en andere landen op Tunesië snel te helpen om te voorkomen dat het land ineenstort.

    De Tunesische minister van Buitenlandse Zaken, Nabil Ammar, zei vorige week dat het land financiering en materieel nodig heeft om zijn grenzen beter te beschermen. Tunesië heeft de afgelopen jaren apparatuur van Italië gekregen, maar volgens Ammar is die verouderd en ontoereikend.

    Lees ook:

  • Jong, innovatief en een enorm potentieel: Afrika is in opkomst

    Jong, innovatief en een enorm potentieel: Afrika is in opkomst

    De eenentwintigste eeuw wordt de eeuw van Afrika, aldus hoogleraar Adam Tooze. Het zuidelijke continent, met zijn verbazingwekkende demografische transformatie en de onontkoombare groei, zal de komende decennia een hoofdrol spelen op het wereldtoneel.

    De komende decennia zullen we het evenwicht op het wereldtoneel op een revolutionaire manier zien verschuiven – en waarschijnlijk niet in de richting die u denkt. Sinds de jaren negentig heeft het idee dat we misschien wel een ‘Aziatische eeuw’ ingaan het Westen zorgen gebaard en gedesoriënteerd. Maar als we de geschiedenis op langere termijn bezien, is het feit dat China en India weer een hoofdrol spelen op het wereldtoneel niet zozeer een revolutie als wel een reprise.

    Industrialiseren als het Oosten

    ‘Kijk naar het Oosten!’ is het devies van de intellectuele en beleidsvoorhoede op het Afrikaanse continent. Een verstandige gedachte, want Afrikaanse economieën zijn nog steeds sterk afhankelijk van de export van primaire grondstoffen. Zeker nu, met de mondiale gevolgen van de oorlog in Oekraïne, de pandemie en klimaatverandering, is de wereldmarkt uitermate onvoorspelbaar, en dat maakt Afrikaanse economieën kwetsbaar. Als antwoord op het plunderen van onbewerkte grondstoffen wordt al sinds het einde van het kolonialisme gehamerd op diversificatie, oftewel: begin met eigen productie en ontwikkel ook andere economische sectoren. Maar hoe dan? En: is dat wel verstandig?
    Landen in Oost-Azië als Zuid-Korea, Maleisië en Singapore – destijds nog ontwikkelingslanden – voerden in de jaren vijftig, zestig en zeventig een industriebeleid. Daarmee stimuleerden ze niet alleen industrialisatie en productie, maar ook armoedebestrijding en economische en persoonlijke groei. Industrialisatie is veel meer dan domweg dingen produceren, onderstreepte Carlos Lopez, voormalig VN-secretaris van de Economische Commissie voor Afrika, onlangs in een interview met Africa Is a Country. Industrialisatie betekent vooral fundamentele en structurele verandering, zoals het opstellen van regels en formalisering, en afstand doen van informele economische afspraken die in het grootste deel van Afrika nog steeds gebruikelijk zijn. ‘Industrialisatie vereist doelgerichte beleidsinterventies,’ aldus Lopez, ‘terwijl diversificatie eerder zoiets is als: is er nog ruimte op de markt?’

    Gedurende het grootste deel van de afgelopen tweeduizend jaar waren China en India als grote mogendheden het middelpunt van de wereldhandel en konden ze zich beroemen op het hoogste beschavingsniveau. Dat de invloed van beide landen momenteel wereldwijd toeneemt, is een correctie op een anomalie die in de achttiende eeuw is ontstaan als gevolg van de gapende kloof tussen het gemiddelde inkomen in ‘het Westen’ en ‘de rest’. Achtereenvolgende industriële revoluties en koloniale veroveringsgolven hebben een wereld gecreëerd waarin de verhouding tussen economische en militaire macht enerzijds en bevolkingsgrootte anderzijds radicaal is scheefgegroeid. 

    Niet voor niets was 1900 het hoogtepunt van het westerse raciale denken. Ook al heeft het westerse publieke geweten sindsdien misschien geprobeerd al te openlijke racistische stijlfiguren af te zweren, het zette nog altijd geen vraagtekens bij de abnormale economische onbalans tussen het Westen en de rest van de wereld die aan dat raciale denken ten grondslag ligt.

    Als het economisch herstel van China en India de grootste schok van het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw is, dan hebben de komende decennia nog een revolutie voor ons in petto: de verbazingwekkende demografische transformatie van Afrika.

    Anders dan Azië werd het Afrikaanse continent van oudsher gekenmerkt door een lage bevolkingsdichtheid. Voor zover we kunnen nagaan werd Afrika rond 1914 bewoond door 124 miljoen mensen, oftewel nog geen 7 procent van de wereldbevolking. De tweehonderd jaar daarvoor had de slavenhandel er hard ingehakt. Maar het contact met Europa leidde in Afrika niet tot zo’n demografische ramp als in Noord- en Zuid-Amerika. De bevolking van Afrika was gehard door blootstelling aan nietsontziende ziekten als pokken. Hoewel tientallen miljoenen jonge mensen tot slaaf werden gemaakt, bleef de Afrikaanse bevolking groeien, zij het langzaam.

    De twintigste eeuw bracht in Afrika een demografische revolutie teweeg. De totale bevolking van het continent loopt momenteel tegen de 1,4 miljard – meer dan tienmaal zoveel als een eeuw geleden – en dat aantal zal de komende decennia nog groeien.

    Zoals Edward Paice uitlegt in zijn belangrijke boek Youthquake: Why African Demography Should Matter to the World, zijn demografische voorspellingen een hachelijke zaak. Maar het is onwaarschijnlijk dat Afrika tegen 2050 niet tussen de 2,2 en 2,5 miljard inwoners zal tellen. Dat betekent dat Afrika halverwege deze eeuw waarschijnlijk goed zal zijn voor een kleine 25 procent van de wereldbevolking, meer dan drie keer zoveel als in 1914.

    Alleen al in de jaren veertig van deze eeuw zal het aantal geboortes in Afrika vermoedelijk 566 miljoen belopen. Halverwege deze eeuw zullen er meer kinderen in Afrika worden geboren dan in Azië en zal de Afrikaanse bevolking wereldwijd het grootste aantal mensen in de werkzame leeftijd tellen.

    In 2100 zal Afrika met 4,2 miljard mensen 40 procent van de wereldbevolking uitmaken

    De mate waarin jong Afrika zijn stempel op de eenentwintigste eeuw zal drukken wordt duidelijk wanneer we samenlevingen rangschikken naargelang hun mediane leeftijd, de leeftijd die een bevolking verdeelt in een jongere en een oudere helft. De huidige mediane leeftijd van de vergrijzende Japanse bevolking is 48; zelfs als we rekening houden met hun legendarische langlevendheid zullen veel huidige Japanners niet veel van de tweede helft van deze eeuw kunnen meemaken. In China is de mediane leeftijd 38. In India 28. En in Nigeria 18. Dit betekent dat, ijs en weder dienende, een groot deel van de nu levende Nigeriaanse bevolking de jaren tachtig van deze eeuw nog zal meemaken. Met het huidige klimaatbeleid, om maar een voorbeeld te noemen, geven we vorm aan hun wereld.

    Revolutie

    Natuurlijk is voorspellen wat er over decennia zal gebeuren een vorm van speculatie. Maar als we de voorspelling van de Verenigde Naties als leidraad nemen, mogen we verwachten dat het aantal Afrikanen in 2100 de 4,2 miljard zal overstijgen, waarmee Afrika dan goed zal zijn voor 40 procent van de wereldbevolking. Dat zou veel minder zijn dan het huidige aandeel van Azië van 60 procent, maar toch zou het een revolutie betekenen.

    De omvang van de demografische groei van Afrika is wellicht verrassend, omdat een al lang geleden voorspelde demografische transitie op het continent zich in een veel trager tempo heeft voltrokken dan tot enkele jaren geleden nog werd verwacht.

    Het idee van een demografische transitie houdt nauw verband met algemenere begrippen als groei en modernisering. Wanneer bevolkingen profiteren van hogere inkomens en een betere gezondheidszorg, leidt dat tot lagere sterftepercentages. Deze verbetering in de levensomstandigheden wordt, na verloop van tijd, gevolgd door een dalend vruchtbaarheidscijfer. Hoeveel tijd daartussen zit leek tot dusver sterk afhankelijk van de mate van verstedelijking, onderwijs aan vrouwen en arbeidsdeelname van vrouwen. Het netto-effect van deze uitgestelde sequentie van dalende sterfte en vervolgens dalende vruchtbaarheid is dat er aanvankelijk een versnelling van de bevolkingsgroei plaatsvindt, gevolgd door een vertraging en uiteindelijk een stabilisering. Als het vruchtbaarheidscijfer zo ver daalt als in grote delen van Europa en Oost-Azië, zal de bevolking misschien zelfs krimpen.

    In Groot-Brittannië, waar dit patroon het eerst werd waargenomen, duurde de demografische transitie twee eeuwen, van ruwweg 1740 tot 1940. Recentere transities hebben zich sneller voltrokken. In Chili, een van de rijkste landen van Latijns-Amerika, voltrok de demografische transitie zich tussen de jaren twintig en de jaren zeventig van de vorige eeuw. In Thailand en Brazilië werd de transitieperiode beknot tot veertig jaar.

    Omdat veel Afrikaanse samenlevingen nalaten meisjes onderwijs te geven zijn de vruchtbaarheidscijfers hoog

    Zoals Paice aantoont is het dwaas om te generaliseren in het geval van zo’n onmetelijk en divers continent als Afrika. In Noord-Afrika hebben Marokko, Tunesië en Libië een even snelle demografische transitie ondergaan als elders op de wereld. Ook in Zuid-Afrika is het vruchtbaarheidscijfer spectaculair afgenomen, net als in Malawi en Rwanda. Maar tegelijkertijd voltrekt de transitie zich in Nigeria, de Democratische Republiek Congo, Tanzania, Oeganda en Soedan in een tergend traag tempo. Het sterftecijfer is daar gedaald, maar het vruchtbaarheidscijfer is maar heel langzaam afgenomen. In Egypte en Ethiopië, waar de vruchtbaarheid snel is gedaald, is het percentage jongeren zo enorm dat ze in 2050 een bevolking van respectievelijk 160 en 205 miljoen mensen zullen hebben.

    Paice legt uit dat omdat veel Afrikaanse samenlevingen nalaten meisjes onderwijs te geven en vrouwen mondiger te maken, de vruchtbaarheidscijfers daar hoog zijn. Maar in grote delen van West- en Oost-Afrika blijft meer dan vijf kinderen de gewenste gezinsgrootte. Niger is niet toevallig het land met de hoogste bevolkingsgroei ter wereld. Vrouwen daar zeggen negen of meer kinderen te willen, terwijl mannen het op dertien houden.

    Op sommige plekken, met name in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba, is de verstedelijking hand in hand gegaan met een dalend vruchtbaarheidscijfer. Maar veel hangt af van het soort verstedelijking. Nigeria kent een even sterke mate van verstedelijking als Thailand en Indonesië, maar het algehele vruchtbaarheidscijfer is er drie keer zo hoog.

    Sociale mores

    Volgens Paice blijkt uit onderzoek dat in sommige landen religie en conservatieve sociale mores de toegang tot voorbehoedsmiddelen beperken. Maar zelfs in landen waar voorbehoedsmiddelen vrij verkrijgbaar zijn, zoals Nigeria en Angola, zijn er veel vrouwen van alle opleidingsniveaus en sociale geledingen die ze niet gebruiken. En dit ondanks het feit dat de kans dat een Nigeriaanse vrouw sterft als gevolg van een zwangerschap, bevalling, postnatale depressie of abortus 1 op 22 is. Alles bij elkaar vindt 20 procent van alle gevallen van moedersterfte wereldwijd in Nigeria plaats. Toch moet zo’n conclusie natuurlijk met een flinke korrel zout worden genomen, omdat er talloze onofficiële hindernissen zijn die Nigeriaanse vrouwen belemmeren bij het maken van een vrije voortplantingskeuze.

    Zoals Afrikanen aantonen is demografische verandering geen automatisch gevolg van modernisering. Het is een kwestie van kiezen.

    De komende dertig jaar zal de groeitrend vrijwel onontkoombaar zijn

    Natuurlijk kan niet worden uitgesloten dat het tempo van de transitie plotseling zal toenemen. De bevolking van Afrika kan ook op dezelfde manier stabiliseren als die van India en China. Maar de komende dertig jaar zal de groeitrend vrijwel onontkoombaar zijn. De moeders van de kinderen die in de jaren dertig en veertig geboren zullen worden, zijn nu zelf al geboren. Als de vruchtbaarheid van deze meisjes niet radicaal verschilt van die van hun moeders, zal een Afrikaans continent met 2,4 tot 2,5 miljard inwoners het meest waarschijnlijke scenario voor 2050 zijn. Nigeria zal vooroplopen met een bevolking van tussen de 350 en 450 miljoen, hoogstwaarschijnlijk groter dan die van de Verenigde Staten.

    De omvang van deze getallen leidt nogal eens tot verhitte discussies over de Afrikaanse demografie. Enerzijds is er sprake van onheilsprofetieën en nauwverholen raciale angst bij het vooruitzicht dat er vloedgolven Afrikaanse migranten naar Europa zullen komen. Anderzijds zijn er de euforie over een ‘opkomend Afrika’ en de belofte van jonge en dynamische samenlevingen die zullen profiteren van wat demografen het ‘demografisch dividend’ noemen, de fase waarin een nationale economie de vruchten plukt van een grote werkzame bevolking.

    Welke kant het ook opgaat, het is een ontwikkeling waarmee we geen enkele ervaring hebben. Een scenario waarin Afrikanen een kwart of meer van de wereldbevolking vertegenwoordigen is iets nieuws onder de zon. En de uitdagingen zijn gigantisch.

    In 2018, nog vóór de pandemie, haalde Nigeria India in als het land met het grootste aantal straatarme burgers ter wereld. Opmerkelijk is dat, ondanks de natuurlijke hulpbronnen van het land en zijn terechte reputatie als bakermat van ondernemerstalent, het Nigeriaanse bnp per hoofd van de bevolking niet substantieel hoger is dan het eind jaren zeventig was.

    Infrastructuur

    Nigeria geniet de twijfelachtige eer een van de economieën met het hoogste bnp in dollars ter wereld te zijn per kilowatt beschikbare elektriciteit. Dat getuigt zowel van het improvisatietalent van de Nigerianen als van het onvermogen om een adequate infrastructuur aan te leggen. Een land dat een grote olieproducent is maar zelf over onvoldoende raffinaderijen beschikt, zodat het veel van zijn elektriciteit opwekt door het verbranden van geïmporteerde diesel, weet zijn mogelijkheden onvoldoende te benutten.

    In Nigeria zien we in verhevigde vorm waar het op het hele continent aan schort. Hoe kunnen de snelgroeiende Afrikaanse steden aan de infrastructuur en de diensten komen waar hun inwoners zo om zitten te springen?

    Meer dan 640 miljoen Afrikanen, oftewel 40 procent van de bevolking van het continent, hebben geen elektriciteit – een van de hoogste percentages ter wereld. Volgens de Afrikaanse Ontwikkelingsbank is het energieverbruik in sub-Sahara-Afrika (met uitzondering van Zuid-Afrika) 180 kilowattuur (kWh) per hoofd van de bevolking, tegen 13.000 kWh in de Verenigde Staten en 6500 kWh in Europa.

    Hoe zullen de Afrikaanse economieën de banen creëren die nodig zijn om honderden miljoenen jonge mensen werk en een toekomst te verschaffen? Volgens Paice stelt het explosief toenemende aantal jongeren Afrika voor een uitdaging die qua tempo en schaal vergelijkbaar is met de gigantische golf van verstedelijking in China van de jaren negentig van de vorige eeuw tot de jaren tien van de huidige eeuw. Maar nergens in Afrika is sprake van groei in het Chinese tempo.

    De Wereldbank verwacht dat meer dan tachtig miljoen Afrikanen de komende decennia tot migratie zullen worden gedwongen

    Hoe kan, terwijl meer dan 40 procent van het Afrikaanse arbeidspotentieel nog op het platteland woont, de agrarische ontwikkeling worden aangejaagd? En hoe zullen zowel rurale als stedelijke gemeenschappen in Afrika zich aanpassen aan klimaatverandering? De Wereldbank verwacht dat meer dan tachtig miljoen Afrikanen de komende decennia tot migratie zullen worden gedwongen door problemen als een chronisch watertekort.

    De benodigde investeringen zijn gigantisch. In 2018 schatte de Afrikaanse Ontwikkelingsbank dat er een bedrag van 130 tot 170 miljard dollar per jaar nodig was om tegen 2025 iedereen van water, sanitaire voorzieningen en elektriciteit te voorzien, het wegennet te repareren en uit te breiden, mobiele ontvangst te garanderen en minstens de helft van de bevolking toegang te verschaffen tot een glasvezelnetwerk binnen een straal van 25 kilometer. Helaas zal dat doel niet worden gehaald. Om zelfs maar het ontoereikende Latijns-Amerikaanse niveau van kapitaalvorming per hoofd van de bevolking te halen zou het investeringsniveau in Afrika moeten verdubbelen.

    Gezien het lage inkomens-, spaar- en belastingniveau in Afrika moet veel van de aanvankelijke financiering van buitenaf komen. Daardoor zal de schuld waaronder veel Afrikaanse landen toch al gebukt gaan nog verder toenemen. Waar de aanvankelijke investeringen ook vandaan komen, de leningen zullen uiteindelijk moeten worden terugbetaald van winsten, inkomsten en belastingen die door Afrikaanse economieën worden gegenereerd.

    Dit zijn de eeuwige vragen waarvoor ontwikkelingseconomieën zich gesteld zien. In Azië is het massale armoedeprobleem sinds de jaren negentig steeds verder opgelost. Dit proces is nog lang niet voltooid, maar er gloort licht aan het eind van de tunnel. Dat kan van Afrika niet worden gezegd. Het enige sub-Saharaanse land met een hoog middeninkomen is Zuid-Afrika, gezien zijn koloniale en apartheidsverleden nou niet bepaald een voorbeeld dat iemand zou willen volgen. En momenteel kampt Zuid-Afrika met een gebrekkige infrastructuur, onrust onder de bevolking en massale werkloosheid.

    Geen enkel economisch beleid heeft kans van slagen als het ontbreekt aan basale behoeften zoals energie, water en basisonderwijs

    Voorbij zijn de dagen dat iemand met een gerust hart een bepaald ontwikkelingsmodel kon aanbevelen. De economische successen van de afgelopen jaren zijn op verschillende manieren tot stand gekomen, met veel meer overheidsbemoeienis in Ethiopië en meer marktgerichte modellen in Ghana en Kenia. Maar geen enkel economisch beleid heeft op de lange termijn kans van slagen als het ontbreekt aan basale behoeften zals energie, water en basisonderwijs. En die basale behoeften zijn op hun beurt gerelateerd aan de snel toenemende omvang van de bevolking.

    Een verhaal over de eenentwintigste-eeuwse globalisering kan alleen maar volledig zijn als er ook Afrikaanse stemmen in doorklinken en het een analyse bevat van hoe Afrika worstelt met dit gigantische transformatieve groeiproces, een van de grootste menselijke drama’s van onze tijd. Maar het blijft opvallend, zoals Paice opmerkt, dat Afrika maar al te vaak ‘ontbreekt in het globale narratief’.

    De invloed van de van oudsher bestaande veronderstellingen over welke landen zich zullen ontwikkelen en welke landen over het bestuurlijke vermogen en de technologische bekwaamheid zullen beschikken is groot. Nadat de optimistische verwachtingen van het postkolonialisme van de jaren zeventig niet zijn uitgekomen, heeft Afro-pessimisme het continent naar de zijlijn gedirigeerd.

    Institutioneel gesproken zijn er schrijnende blinde vlekken. De G20 heeft maar één Afrikaans lid, Zuid-Afrika. Net als Latijns-Amerika en India heeft Afrika geen permanente zetel in de Veiligheidsraad. Dit getuigt niet alleen maar van een gebrek aan morele visie en rechtvaardigheidsgevoel. Het weerspiegelt ook een onrealistische en verouderde kijk op de wereld van de eenentwintigste eeuw.

    Toename van handel

    Wij spreken van het eind van de globalisering omdat de enorme toename van de handel tussen Azië en het Westen zich misschien heeft gestabiliseerd, maar de integratie van Afrika in de handel en de wereldwijde communicatie is nog maar net begonnen.

    Wanneer Nigeria een bevolking van meer dan driehonderd miljoen zielen heeft, zal het wel en wee van het land van belang zijn voor de hele wereld. Die bevolking beperkt zich niet tot het platteland, maar raakt steeds meer verstedelijkt. Ondanks een gering inkomen per hoofd van de bevolking en een laag onderwijsniveau beschikt het land over een aanzienlijk communicatienetwerk om contact te onderhouden met de buitenwereld. Het potentieel voor conflicten, maar ook voor innovatie en groei is enorm. Met mobiele telefoons uitgeruste Somalische piraten en betalingssystemen als M-Pesa laten zien hoe Afrika kan uitgroeien tot een innovatiehub.

    Naar rato van het aantal geproduceerde films per jaar wordt de Nigeriaanse filmindustrie alleen overtroffen door het gigantische Bollywood. Er wonen meer christenen in Afrika dan op enig ander continent. Louter vanwege hun omvang zal de manier waarop Egypte en Ethiopië zaken als gezondheidszorg en energieontwikkeling aanpakken wereldwijde implicaties hebben. Als Zuid-Afrika, dat nu nog kampt met zijn falende elektriciteitsbedrijf Eskom, tot bloei wil komen, zal het de ecologische voetafdruk van zijn middeninkomens revolutionair moeten beperken. De veengrond van het Kongobekken is een van de grootste koolstofputten ter wereld. Het wordt ook bewoond door een van de armste en snelst groeiende bevolkingen op de planeet.

    De lijst voorbeelden kan eindeloos worden uitgebreid. Zoals [de Amerikaanse schrijver en journalist] Howard French opmerkte: ‘Hoe de bevolking en de economieën van Afrika zich ontwikkelen zal van invloed zijn op alle aspecten van het leven van mensen dichtbij en veraf.’

    Lees ook:

  • Sarah werd naar eigen zeggen verkracht door vredeshandhavers. De VN bood haar 50 dollar

    Sarah werd naar eigen zeggen verkracht door vredeshandhavers. De VN bood haar 50 dollar

    Sarah was zeventien toen een VN-soldaat haar verkrachtte in Oost-Congo. Meer dan tien jaar later wacht ze vergeefs op gerechtigheid van de organisatie die haar had moeten beschermen. De vrouwen in de Democratische Republiek Congo die melding maken van seksueel misbruik of uitbuiting, worden soms weggezet als ‘opportunisten’ en ‘profiteurs’.

    Sarah was zeventien toen ze voor het eerst werd benaderd door Gabriel. Ze was onderweg om water te halen aan de rand van haar dorp in het oosten van de Democratische Republiek Congo en herkende hem als de man die klusjes deed voor de vredesmacht van de Verenigde Naties die in het gebied gelegerd was. Gabriel vertelde haar dat een van de vredeshandhavers een vrouw zocht en haar wilde ontmoeten. Sarah, een goedlachs, mollig meisje met vlechten tot op de schouders, was geïntrigeerd. Eerder was ze van school gegaan omdat haar ouders het schoolgeld niet konden betalen en ze zag dit als een kans om haar leven te veranderen.

    De volgende dag trok ze haar mooiste jurk aan en ze ontmoette Gabriel in een houten hut waar een oude vrouw illegaal gestookte alcohol per glas verkocht. Nerveus wachtte ze in een kleine kamer achter de bar en ze werd nog nerveuzer toen Gabriel arriveerde, vergezeld van een jonge soldaat in uniform. Ze herinnert zich dat hij werd voorgesteld als ‘J’ uit Zuid-Afrika.

    Gabriel liet Sarah en J alleen. Aanvankelijk communiceerde Sarah, die Swahili spreekt, door verlegen te lachen en handgebaren te maken. J gaf haar een pak koekjes en bijna 100 dollar – veel geld, als je bedenkt dat de meeste mensen in Congo moeten overleven van nog geen 2,50 dollar per dag. Vervolgens probeerde hij Sarahs borsten aan te raken. Ze schreeuwde van schrik, waardoor hij terugdeinsde en Gabriel de kamer binnenstormde.

    ‘Hij was heel zwaar en ik was dronken. Ik kon me niet bewegen’

    Geschrokken keerde Sarah huiswaarts. Maar ze was toch ook blij met het geld en mogelijk zelfs een huwelijk met een buitenlandse soldaat. Ze zou J een paar dagen later weer zien in dezelfde bar. Maar die keer was het alleen Gabriel die verscheen. Hij had een fles bij zich en vertelde Sarah dat het vruchtensap was. Toen J later die ochtend arriveerde, was ze in slaap gevallen. De drank bevatte alcohol en Sarah was nog nooit dronken geweest.

    Toen ze bijkwam, lag J boven op haar. ‘Hij was heel zwaar en ik was dronken. Ik kon me niet bewegen. Toen hij klaar was, had ik pijn en er was veel bloed.’ Ze zegt dat hij geen condoom gebruikte.

    Zwak, verward en nog steeds onder invloed kostte het Sarah moeite om op te staan. Dat baarde J zorgen. Hij gaf haar koekjes en melk, en bleef de rest van de dag bij haar. Toen ze enigszins was bijgekomen, ging ze alleen naar huis. Sarah zag Gabriel twee dagen later; ze begon tegen hem te schreeuwen omdat hij haar had bedrogen. Gabriel excuseerde zich voor het verzwijgen van J’s bedoelingen, maar volgens Sarah raadde hij haar ook aan om met de soldaat te blijven afspreken. In de optiek van Gabriel was zij nu toch al ‘onteerd’ doordat ze haar maagdelijkheid had verloren, en hij meende dat het haar financieel ten goede zou komen als ze een relatie met J zou hebben.

    Vertrokken

    In de maanden erna ontmoette Sarah J nog vier keer en hadden ze seks. Telkens gaf hij haar snoep en geld, waarmee ze eten voor haar ouders en nieuwe kleren voor zichzelf kocht. (VN-vredeshandhavers mogen geen seks hebben met iemand onder de achttien jaar. Het Congolese wetboek van strafrecht verbiedt bovendien betaalde seks met iemand onder de achttien.) Ze probeerde te vergeten hoe haar relatie met J was begonnen en begon te fantaseren dat hij haar man was; ze hoopte dat hij met haar zou trouwen en haar zou meenemen naar zijn vaderland.

    Toen werd ze meerdere keren niet ongesteld. Ze besefte dat ze zwanger moest zijn en vroeg Gabriel om contact op te nemen met J, van wie ze niet eens het telefoonnummer had. De volgende dag, herinnert Sarah zich, vertelde Gabriel haar dat J opgetogen was over het nieuws en dat hij een huis voor hen wilde kopen in Goma, een stad met twee miljoen inwoners op zo’n 80 kilometer van haar dorp.

    Sarah ging regelmatig naar Goma. Omdat ze bang was dat de mensen in het dorp haar zwangerschap zouden opmerken, besloot ze bij haar oudere zus in die stad te logeren in afwachting van nieuws van Gabriel of J. Maar er gingen drie maanden voorbij zonder dat ze iets hoorde. Ze zegt dat ze terugkeerde naar haar dorp om de mannen te zoeken, maar van een taxichauffeur hoorde dat Gabriel plotseling was vertrokken. Sarah vertelt dat de chauffeur haar een foto gaf die hij met Gabriel en J had gemaakt. Ze hoopte dat ze daarmee de vader van haar kind kon opsporen.

    Ze kon zichzelf al amper voeden, waardoor het een opgave was om genoeg moedermelk voor de baby te produceren

    In de zomer van 2012 werd Sarahs dochter Christine geboren in Goma. Hoewel Sarah dol was op haar kind, had ze moeite om voor haar te zorgen: ze kon zichzelf al amper voeden, waardoor het een opgave was om genoeg moedermelk voor de baby te produceren.

    Sarah hoopte nog steeds dat J met haar zou trouwen en dus ging ze een jaar na de geboorte van Christine weer naar hem op zoek. Ze keerde terug naar haar dorp, maar zag dat de basis van J was gesloten. Toen ging ze naar Minova, een stad op bijna 50 kilometer van Goma, om hem te zoeken in een andere kazerne van de VN-vredesmacht. Ze had nog steeds de foto van J die de taxichauffeur haar had gegeven. Met de hulp van een jongeman die beltegoeden verkocht (en zowel Engels als Swahili sprak) kon ze buiten de basis aan een witte soldaat duidelijk maken wie ze zocht. De soldaat zei dat hij haar zou helpen, hield de foto van J bij zich en zei dat ze de volgende dag terug moest komen.

    Het werd al laat en Sarah kon geen vervoer meer vinden om terug te keren naar het centrum. De jongeman die als tolk had gefungeerd, vertelde haar dat ze wel in een houten hut met een eenpersoonsbed kon slapen. Ze viel in slaap, maar werd midden in de nacht gewekt door getik tegen het raam. Vermoeid trok ze het gordijn opzij en zag de soldaat van eerder die dag. Hij zwaaide met J’s foto. Ze deed de zaklantaarn op haar telefoon aan en deed de deur open, in de hoop dat hij misschien nieuws had.

    Stil

    De soldaat liep de hut binnen, pakte Sarahs telefoon af en deed het licht uit. ‘Hij zei niets, maar begon zijn kleren uit te trekken,’ vertelt Sarah. ‘Toen hij probeerde mijn kleren uit te trekken begon een hevig gevecht.’ En toen, zegt ze, verkrachtte hij haar.

    De rest van de nacht lag ze huilend wakker, wachtend tot het buiten licht genoeg was om terug te keren naar het huis van haar zus. Toen ze daar aankwam, verscheurde ze J’s foto; ze had besloten om niet langer naar hem of welke andere vredesbewaker dan ook op zoek te gaan.

    Sarah schaamde zich voor wat haar was overkomen en hield het stil. Maar in de weken erna werd ze weer niet ongesteld. ‘En het was al een lijdensweg om voor mijn dochter te zorgen,’ zegt ze. ‘Ik wilde niet meer op deze wereld zijn.’

    Twee keer probeerde ze haar zwangerschap af te breken: eerst met pillen, daarna met een drankje van citroen en bleekmiddel. Ze lag vervolgens drie dagen op bed, maar de poging slaagde niet. In 2014 beviel ze van een tweeling, Denise en Olive. De buren van haar zus begonnen te roddelen; voor hen betekende de geboorte van Christine en de tweelingzusjes, die allemaal een lichte huidskleur hadden, dat Sarah een sekswerker was die het met buitenlanders deed.

    De op twee na duurste vredesmissie ter wereld

    De VN-vredesmacht arriveerde voor het eerst in Congo in 1999, een jaar nadat de Tweede Congolese Burgeroorlog was uitgebroken. Het conflict trok milities aan uit diverse Afrikaanse landen, waarvan sommige erop uit waren om de lucratieve voorraden diamant, goud en coltan (dat tantalum bevat, een metaal dat wordt gebruikt voor elektronica) van het land te plunderen. Niemand weet precies hoeveel mensen er zijn omgekomen tijdens die oorlog, die officieel eindigde in 2003, en in de nasleep ervan. (Schattingen lopen uiteen van minder dan een miljoen tot meer dan vijf miljoen.)

    In sommige delen van het land zijn nog steeds rebellengroepen actief die dorpen aanvallen, burgers vermoorden of ontvoeren en huizen plunderen. Alleen al in 2022 hebben milities in Oost-Congo meer dan tweeduizend mensen gedood. Sommige waarnemers vrezen dat een militie met de naam M23 dit jaar Goma zou kunnen veroveren. Deze rebellengroep heeft op weg naar die stad al zeven miljoen mensen op de vlucht gejaagd.

    De VN-vredesmissie in Congo (ook wel bekend als MONUSCO) moet dergelijke milities ontmantelen en zorgen voor stabiliteit in het land. Voor de missie met veertienduizend soldaten uit VN-lidstaten is er jaarlijks een budget van ruim 1 miljard dollar beschikbaar. Daarmee is het de op twee na duurste vredesmissie ter wereld. De Veiligheidsraad heeft overwogen om MONUSCO op te heffen, omdat duidelijk is dat het zijn mandaat niet heeft vervuld. Zowel het budget als het aantal soldaten dat aan de missie meedoet is inmiddels verminderd.

    Vanwege de enorme machtsongelijkheid mogen vredeshandhavers niet betalen voor seks

    In de loop der jaren is MONUSCO berucht geworden vanwege incidenten zoals met Sarah, waarbij soldaten het hadden voorzien op de mensen die zij juist moesten beschermen. Van 2015 tot 2022 zijn er 184 beschuldigingen van seksueel wangedrag ingediend tegen MONUSCO-soldaten; in 55 gevallen gaat het om seksueel misbruik (waaronder verkrachting en aanranding) en in 129 gevallen om seksuele uitbuiting (waaronder seks tegen betaling en misbruik). Waarschijnlijk zijn er nog veel meer gevallen van wangedrag die niet zijn gemeld.

    Op papier eist de VN dat de troepen zich aan strikte regels houden. Vanwege de enorme machtsongelijkheid tussen soldaten en burgers in conflictgebieden mogen vredeshandhavers (of blauwhelmen, zoals ze ook wel worden genoemd) niet betalen voor seks, noch met geld, noch met goederen. Dergelijke relaties worden beschouwd als uitbuiting.

    De regels worden echter vaak overtreden, en vooral MONUSCO lijkt een ernstig probleem te hebben. Volgens de eigen gegevens van de VN is deze organisatie momenteel goed voor ongeveer een vijfde van alle vredestroepen ter wereld, maar is bijna een derde van het totale aantal beschuldigingen van seksueel wangedrag tegen haar gericht. (Toen we om commentaar op deze statistieken vroegen, zei een woordvoerder van de VN-vredesmacht vanuit het hoofdkwartier in New York dat de meeste beschuldigingen van seksueel wangedrag tegen MONUSCO betrekking hebben op seks tegen betaling, wat in Congo veel voorkomt vanwege de extreme armoede en de slechte veiligheidssituatie in het land.)

    Instructies

    De bases van MONUSCO hangen vol met posters waarop staat dat de troepen niet mogen betalen voor seks en dat slapen met minderjarige meisjes verboden is. Soldaten krijgen bij aankomst bovendien een geplastificeerde kaart met deze instructies. Om seksueel wangedrag systematischer aan te pakken richtte de VN in 2005 binnen verschillende vredesoperaties op, waaronder MONUSCO, Gedrag en Discipline-units. Deze regionale kantoren fungeren als eerste aanspreekpunt voor lokale bewoners die klachten hebben over vredeshandhavers.

    Maar het personeel van deze units kan zelf geen onderzoek doen naar vermeende misdrijven; dat is de taak van het controleorgaan van de VN, het Office of Internal Oversight Services (OIOS). En ook het OIOS kan niet zomaar zelf een onderzoek beginnen: eerst moet het thuisland van een vredeshandhaver besluiten om een klacht tegen hem in te dienen. Pas daarna kan het OIOS dat land helpen bij het onderzoek, of het onderzoek namens het land uitvoeren.

    De VN heeft zelf weinig mogelijkheden om vredeshandhavers te straffen voor wangedrag: de organisatie heeft geen bevoegdheid om vervolging in te stellen. Als het OIOS een claim geloofwaardig acht, is het enige wat de VN kan doen de soldaat naar huis sturen. Verdere juridische stappen, mochten die noodzakelijk zijn, moeten door de eigen regering van de soldaat worden ondernomen. Landen die troepen leveren doen dat echter zelden; de slachtoffers zijn niet hun eigen burgers, waardoor de druk om er echt wat aan te doen ontbreekt.

    Telkens als er een blauwhelm langsliep, kwamen er pijnlijke herinneringen boven

    Om die redenen is het onwaarschijnlijk dat VN-soldaten die burgers seksueel misbruiken of uitbuiten te maken krijgen met ernstige repercussies. Van 2015 tot 2022 werden slechts 28 MONUSCO-soldaten in hun thuisland gestraft (met degradatie, gevangenisstraf of geldstraffen). 71 zaken werden uiteindelijk geregistreerd als ‘UN pending’; dat betekent dat de soldaten nog niet zijn ontslagen of gerepatrieerd, ook al zijn de beschuldigingen tegen hen gegrond verklaard. Sommige van deze ‘hangende’ zaken bij MONUSCO zijn al meer dan zeven jaar oud, en het lijkt onwaarschijnlijk dat er ooit een straf zal worden opgelegd. In totaal hebben slechts elf zaken binnen MONUSCO geleid tot een gevangenisstraf.

    Ik ontmoette Sarah voor het eerst in 2020 via Umoja Wa Congo (Swahili voor ‘Samen in Congo’), een steungroep voor vrouwen met kinderen die verwekt zijn door vredeshandhavers. Op dat moment had Sarah al enkele jaren een kapsalon in Goma. Maar door de pandemie gingen de zaken slecht: Christine, toen acht jaar oud, en Denise en Olive, toen zes, moesten van school en het gezin kon nauwelijks de huur betalen of zich zelfs maar één maaltijd per dag veroorloven. Sarah was ook steeds vaker ongerust als ze vredestroepen in de stad zag; telkens als er een blauwhelm langsliep, kwamen er pijnlijke herinneringen boven.

    In 2021 benaderde Sarah de MONUSCO-unit voor Gedrag en Discipline in Goma; ze had gehoord dat die vrouwen hielp die seksueel waren uitgebuit of misbruikt door vredeshandhavers. In dergelijke gevallen is het officieel beleid van de VN om onmiddellijk medische en psychologische zorg, juridische ondersteuning en materiële bijstand te verlenen, ongeacht of er een onderzoek loopt. Soms doet de VN uit de bescheiden middelen van een missie ook een kleine betaling aan slachtoffers, om in dringende behoeften te voorzien of hen in staat te stellen om deel te nemen aan een onderzoek.

    Vaderschapsclaims

    Vermeende kinderen van vredeshandhavers hebben ook recht op deze basissteun. In sommige gevallen dekt een VN-fonds voor slachtoffers van seksuele uitbuiting en misbruik, bedoeld om hulp- en beroepsprogramma’s van de gemeenschap te financieren, de kosten voor onderwijs en schoolmaaltijden. Maar uiteindelijk zal elke substantiële vorm van steun aan kinderen moeten komen van de vader van een kind, of van de regering. De VN kan helpen bij vaderschapsclaims, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van DNA om vaderschap te bewijzen, maar kan geen regelmatige toelagen verstrekken aan een vrouw of haar kinderen.

    Veel vrouwen met klachten weten niet precies wat de VN hun formeel wel en niet kan bieden. Bovendien vertelden sommige slachtoffers die ik sprak dat het personeel van Gedrag en Discipline, dat zelf de bevoegdheid heeft om hulp toe te wijzen, niet altijd even meegaand is.

    In juni 2021 werd Sarah uitgenodigd op het hoofdkwartier van MONUSCO voor een formeel gesprek met Gedrag en Discipline. Ze hoopte dat de ambtenaren haar wat geld zouden geven om rond te komen – ze wilde vooral graag het schoolgeld van haar dochters kunnen voldoen – en haar misschien konden helpen de vaders van haar kinderen te vinden.

    Over wat er daarna gebeurde lopen de verhalen van Sarah en de VN uiteen. Volgens Sarah stelde een man bij de receptie zich aan haar voor en vroeg haar niemand te vertellen waarom ze daar was. Vervolgens bracht hij haar naar een noodgebouw, waarna hij weer wegging. Toen ze twee witte soldaten langs het raam zag lopen, werd ze misselijk. ‘Alles begon te draaien toen ik die vredeshandhavers zag,’ vertelt ze. De herinneringen aan wat er gebeurd was kwamen terug.

    Hij zei dat ze naar de gevangenis zou worden gestuurd als ze zou liegen

    Na bijna een uur verscheen er een jonge Congolese man om met Sarah te praten. Ze zaten tegenover elkaar aan een bureau. Sarah herinnert zich dat hij haar vroeg of ze hem de waarheid ging vertellen. En dat hij zei dat ze naar de gevangenis zou worden gestuurd als ze zou liegen. Sarah was doodsbang. Toen ze vertelde wat er met haar was gebeurd – haar eerste, pijnlijke ontmoeting met J, de daaropvolgende relatie, en haar verkrachting door de tweede vredesbewaker – barstte ze in huilen uit. Volgens haar zei de interviewer tegen haar dat de missie niet zou spreken met huilende vrouwen. Halverwege het gesprek voegde de man van de receptie zich bij hen in het noodgebouw en ging achter zijn computer zitten, half luisterend naar Sarahs verhaal en met een schuin oog op het scherm.

    Toen Sarah klaar was met praten, vertelden de twee mannen haar dat ze hun de naam en rang van haar verkrachters moest geven om hulp van de missie te kunnen krijgen. Volgens hen was het VN-beleid om eerst een vaderschapstest af te nemen, voordat ze haar geld konden geven.

    Maar het achterhalen van de namen van de soldaten was een onoverkomelijk obstakel voor Sarah. Ze wist niet hoe de tweede soldaat heette en kende J’s achternaam niet. En, zo vertelde ze, ze zou de tweede soldaat niet eens kunnen herkennen, want zijn gezicht was destijds in duisternis gehuld.

    Vrees

    De twee ondervragers raadden Sarah aan om terug te gaan naar Minova, de stad waar ze door de tweede soldaat was verkracht; mogelijk kon ze daar iemand vinden die hem misschien had gekend. Ook raadden ze haar aan om met Gabriel te praten. Dat was onmogelijk – Sarah had geen idee waar Gabriel zich bevond en geen geld om haar eigen onderzoek te beginnen –, maar, zegt ze, ‘ik stemde met alles in om daar maar weg te kunnen’.

    Geschokt door alles wat haar was gevraagd kon ze die nacht niet slapen. De ondervragers hadden een foto van haar identiteitskaart en haar adres, en ze vreesde dat ze achter haar aan zouden komen. Ze besloot de zaak helemaal te laten vallen. ‘Ik dacht dat ze me zouden helpen,’ vertelt ze later. ‘Ik was diep teleurgesteld.’

    Yewande Odia, hoofd van MONUSCO’s Gedrag en Discipline-units en manager van de mannen die Sarah ondervroegen, betwist haar versie van het gesprek. Volgens haar is de bewering van Sarah dat de hoofdondervrager ‘onsympathiek was, dat hij haar vertelde dat ze naar de gevangenis zou gaan en geen hulp zou krijgen als ze geen andere informatie gaf’ apert onjuist. Odia zegt dat sommige vrouwen na hun aangifte een beroepsopleiding krijgen aangeboden, waaronder naai- en kooklessen, maar Sarah houdt vol dat haar tijdens het interview geen enkele vorm van hulp is aangeboden. De VN-woordvoerder voor vredeshandhaving in New York stelt dat de aanpak die Sarah beschrijft niet in overeenstemming is met het beleid van de organisatie en benadrukt dat slachtoffers ‘centraal staan in onze zorgen en onze respons’.

    MONUSCO-kind

    Het officiële beleid van de VN ten aanzien van vrouwen die zich melden met beschuldigingen van seksueel wangedrag klinkt ruimhartig. Deze vrouwen hebben recht op directe ondersteuning, zelfs als ze geen bewijs hebben van het incident of als ze de identiteit van de dader niet kennen. Wie de dader kan identificeren en kinderen heeft gebaard, kan uiteindelijk in aanmerking komen voor extra steun.

    In de praktijk lijkt de houding tegenover de klagers echter van bureau tot bureau te verschillen. Christine Besong, een hoge functionaris voor de rechten van slachtoffers, die op een ander kantoor in Congo werkte, zegt: ‘Als je me komt vertellen dat dit een MONUSCO-kind is, zal ik je onmiddellijk bijstand verlenen. En ook als de soldaat niet kan worden geïdentificeerd, bieden we toch hulp.’ In verschillende interviews sprak Odia nadrukkelijk over vrouwen die seks tegen vergoeding hebben gehad en die om hulp vragen zonder bewijsmateriaal te hebben. ‘De VN beschouwt seks zonder instemming als verkrachting’, schreef ze in een e-mail. Bij Sarah lijkt het erop dat ‘één geval een relatie met instemming betrof’ (verwijzend naar J) en het andere ‘mogelijk zonder instemming was. Maar alleen een onderzoek kan dat duidelijk maken.’

    Later die zomer kreeg Sarah verschillende telefoontjes van de VN-missie in Goma. Aanvankelijk was ze te bang om op te nemen. Toen ze dat uiteindelijk toch deed, kreeg ze een ander lid van de Gedrag en Discipline-unit aan de lijn. Hij vroeg of ze haar zaak persoonlijk wilde komen bespreken.

    Sarah dacht dat ze elke maand 50 dollar zou krijgen als schoolgeld voor haar kinderen

    Toen ze een afspraak hadden gemaakt, luisterde de man met medeleven naar haar verhaal en vertelde hij Sarah herhaaldelijk hoezeer het hem speet. Hij gaf haar 50 dollar – genoeg voor een paar weken eten – plus wat schriften en schooltassen voor de meisjes en een lap kleurrijke stof die bekendstaat als pagne en die als deken of rok kan worden gebruikt. Toen ze vervolgens langs het noodgebouw liepen waar haar twee eerdere ondervragers werkten, stak de man zijn hoofd naar binnen en vroeg hun hoe het mogelijk was dat ze het verhaal van Sarah hadden aangehoord, maar niets hadden gedaan om te helpen. Sarah zegt dat de man die haar de eerste keer had bedreigd, tegen haar zei dat ze ‘geluk’ had dat ze dit keer geld had gekregen.

    Sarah besefte niet dat de betaling eenmalig was, ze dacht dat ze elke maand 50 dollar zou krijgen als schoolgeld voor haar kinderen. Toen ze vier weken later naar de missie terugkeerde, ‘vertelden ze me dat ze niets meer voor me konden doen’, zegt ze.

    Sarah is niet de enige vrouw die het moeilijk vond om een klacht in te dienen bij de Gedrag en Discipline-unit van Goma. Ik sprak met een andere steungroep voor vrouwen met kinderen van vredeshandhavers, in Mubambiro, een stad bij Goma waar een VN-basis is gevestigd. Alle vijftien vrouwen zeiden dat zij het bureau om hulp hadden gevraagd. Drie vertelden dat ze erin waren geslaagd een eenmalige betaling te krijgen; de anderen zeiden geen hulp te hebben gekregen. ‘Elke keer zeggen ze hetzelfde,’ zegt de moeder van een tweejarig jongetje dat volgens haar door een Zuid-Afrikaanse soldaat werd verwekt. Ze vertelt dat ze de afgelopen twee jaar zestien keer naar het bureau is geweest, maar dat het niets heeft opgeleverd. Volgens haar ‘zeggen ze dat de vaders er niet meer zijn en dat we ze niet moeten lastigvallen. Ze zeggen dat wij opportunisten en profiteurs zijn, die uit zijn op geld.’

    Krap bij kas

    Nadat we de VN hadden benaderd om een reactie op Sarahs zaak, belden medewerkers van de Gedrag en Discipline-unit van Goma haar meer dan twintig keer op. Sarah zegt dat ze haar aanspoorden om naar het kantoor te komen zodat ze haar konden helpen, maar ook dat een ambtenaar haar vertelde dat ze niet meer met journalisten over haar ervaringen mocht praten. Ze blijft bang en voelt zich nog steeds lastiggevallen.

    Het is nu bijna twee jaar geleden dat Sarah de VN om hulp vroeg. Ze zit krap bij kas: opnieuw zijn haar dochters gedwongen van school gegaan en zitten ze vaak dagenlang zonder eten. Nadat Sarah haar huur – 20 dollar per maand voor een huisje van golfplaat – niet meer kon betalen, nam haar hospita de matras in beslag die door de vier gezinsleden werd gedeeld.

    Daarop bracht Sarah haar dochters naar het huis van haar zus in Minova; ze wist dat ze daar goed verzorgd zouden worden. Ze keerde alleen terug naar Goma en logeert nu bij haar andere zus, terwijl ze probeert geld te verdienen met het vlechten van haar in haar oude salon, die nu door een vriend wordt gerund. Het werk is onregelmatig en ze weet niet wanneer ze genoeg geld zal hebben verdiend om haar dochters weer naar school te kunnen sturen.

    Ze zijn eraan gewend om mzungu (‘witte’ in Swahili) genoemd te worden

    Denise en Olive zijn nu ondeugende meisjes van negen; de elfjarige Christine is stil en teruggetrokken. Ze zijn eraan gewend om mzungu (‘witte’ in Swahili) genoemd te worden. Als ze terugkomen in Sarahs dorp, rennen kinderen hun huis uit om de lichte huid van de meisjes aan te raken. ‘Het brengt hen in verlegenheid,’ zegt Sarah. ‘Het zijn kinderen, en ze willen er gewoon bij horen.’ Vooral Christine heeft het er lastig mee. Op een middag, toen ze nog naar school ging, kwam ze in tranen thuis omdat haar klasgenoten haar de klas uit hadden gewerkt nadat ze bij geschiedenis hadden geleerd hoe Congolese leiders hun witte Belgische onderdrukkers uit het land hadden verdreven.

    Sarah probeert haar meisjes te troosten, maar heeft moeite met het beantwoorden van hun vragen over de identiteit van hun vader. ‘Ik vertel ze dat hun vader Jezus Christus is,’ biecht ze op, terwijl ze ongemakkelijk giechelt. Uiteindelijk is ze van plan alle drie de meisjes de halve waarheid te vertellen: dat ze zijn verwekt door soldaten die naar hun land van herkomst moesten terugkeren. Het belangrijkste voor haar is nu om genoeg geld te verdienen om hen te kunnen onderhouden. ‘Mijn kinderen moeten studeren,’ zegt ze. ‘Mijn ouders hebben niet gestudeerd en ik moest vroegtijdig van school. Ik wil niet dat zij net zo’n leven krijgen als ik.’

  • Malawi: ten minste 99 doden door orkaan Freddy

    Malawi: ten minste 99 doden door orkaan Freddy

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: aanslagpleger en IS-sympathisant, veroordeeld tot levenslang

    » Val Silicon Valley Bank: reddingsplan Washington neemt niet alle twijfels weg

    De regering heeft de regio uitgeroepen tot ‘rampgebied’

    Ten minste 99 mensen zijn maandag omgekomen nadat orkaan Freddy het zuiden van Malawi had getroffen. De meeste doden zouden gevallen zijn in Blantyre, de commerciële hoofdstad van Malawi, schrijft CNN. ‘We hebben 99 doden geregistreerd in ongeveer zeven gemeenten, met Blantyre als de zwaarst getroffen stad met 85 doden en ongeveer 134 ziekenhuisopnames,’ aldus Charles Kalemba, de commissaris voor rampenbestrijding van het land. Hij waarschuwde dat het aantal doden en gewonden nog kan stijgen.

    Freddy is op weg het record te breken van de langst aanhoudende orkaan

    De regering van Malawi heeft de zuidelijke regio van het land uitgeroepen tot ‘rampgebied’. Ook heeft ze in een verklaring laten weten dat ze ‘reageert op de noodsituatie, noodhulp verleent aan alle getroffen districten en een beroep doet op lokale en internationale steun voor alle gezinnen die door deze ramp zijn getroffen’. De minister van Onderwijs verklaarde zondag dat de scholen in de tien zwaarst getroffen districten tot en met woensdag gesloten zullen blijven.

    Door de zware regenval vinden er aardverschuivingen en overstromingen plaats en rollen er stenen van heuvels af, wat de reddingsoperatie bemoeilijkt. Veel plekken waar hulp verleend moet worden, zijn daardoor erg lastig te bereiken. De dodelijke orkaan is op weg het record te breken van de langst aanhoudende storm in zijn soort en heeft ook het naburige Mozambique en Madagaskar getroffen, waarbij meer dan twintig mensen zijn omgekomen en duizenden anderen zijn ontheemd, aldus CNN.

    Lees ook: