Tag: Afrika

  • Nigeria dwong tienduizend vrouwen tot abortus

    Nigeria dwong tienduizend vrouwen tot abortus

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS en Rusland ruilen prominente gevangenen

    » Condooms vanaf 2023 gratis in Frankrijk

    Vrouwen die zwanger werden door verkrachting waren doelwit

    De Nigeriaanse strijdkrachten laten al bijna tien jaar systematisch gedwongen abortussen uitvoeren bij vrouwen die zwanger zijn geworden nadat ze werden verkracht door jihadistische Boko Haram-strijders. Dat blijkt uit onderzoek van persbureau Reuters. Het gaat om zeker tienduizend meisjes en vrouwen bij wie de zwangerschap gedwongen beëindigd is.

    De Nigeriaanse autoriteiten ontkennen de uitkomsten van het onderzoek. Volgens journalisten van Reuters, die spraken met militairen en hulpverleners, gaat het echter om een grootschalige operatie waarbij vrouwen naar ziekenhuizen of militaire bases werden gebracht. Vrouwen kregen daar een injectie of pil, en wie niet meewerkte werd fysiek mishandeld.

    In sommige gevallen overleden vrouwen nadat de illegale abortus had plaatsgevonden. De Nigeriaanse militairen zouden de abortussen toepassen om te voorkomen dat er nieuwe Boko Haram-strijders geboren zouden worden. De terreurbeweging is zeer actief in het noordoosten van het Afrikaanse land en pleegt met regelmaat dodelijk aanslagen in het gebied.

    Lees ook:

  • Ethiopië en rebellen Tigray sluiten bestand

    Ethiopië en rebellen Tigray sluiten bestand

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Parkland-schutter veroordeeld tot levenslang

    » Stijging temperaturen vooral hard in Europa

    In Tigray woedt al twee jaar een bloedige burgeroorlog

    De Ethiopische regering en rebellen van de Tigray People’s Liberation Front (TPLF) hebben woensdag een wapenstilstand gesloten. Volgens de BBC komt met het bestand mogelijk een einde aan een tweejarige burgeroorlog die heeft gezorgd voor een humanitaire ramp in de regio Tigray. Miljoenen mensen in de arme regio kampen met een tekort aan eten en andere basisbehoeften.

    Bij het overleg tussen de twee partijen werd bemiddeld door vertegenwoordigers van de Afrikaanse Unie. De rebellen uit Tigray zouden zich open hebben gesteld voor vredesbesprekingen nadat Ethiopische regeringstroepen terreinwinst in het zwaarbevochten gebied boekten. Ook de mensonterende omstandigheden waarin inwoners uit de regio leefden zouden het vredesoverleg een extra impuls hebben gegeven.

    De oorlog in Tigray begon nadat de Ethiopische regering het leger op een opstand in de regio afstuurde. De TPLF, die jarenlang de dominante kracht in zowel de regering als het leger waren, begon vervolgens een burgeroorlog, waarbij naar schatting honderdduizenden mensen om het leven kwamen. Volgens internationale waarnemers hebben beide partijen zich schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen.

    Lees ook:

  • Geronseld bij de kapper: zo worden migranten gesmokkeld naar de Canarische Eilanden 

    Geronseld bij de kapper: zo worden migranten gesmokkeld naar de Canarische Eilanden 

    Uit onderzoek blijkt dat Marokkaanse grenswachten zich laten omkopen om bootjes met migranten op deze uiterst gevaarlijke route te laten passeren. ‘Bij mijn zevende poging gaven de smokkelaars ongeveer 1500 euro smeergeld aan een agent die op zee patrouilleerde. Daardoor hebben we het gehaald.’

    Het eerste contact van Khalid met het smokkelnetwerk dat hem naar Europa bracht, vond plaats bij een bushalte in Gambia. Daar ontmoette hij een Gambiaanse man die zijn reis naar Senegal en vandaar naar de Canarische Eilanden plande. Taxi’s, bushaltes, stations, cafés, pleinen en kapsalons zijn enkele van de plekken die door mensenhandelaars worden gebruikt om migranten te ronselen.

    Legaal vanuit Afrika naar Spanje reizen is voor velen een mission impossible. Door bureaucratische belemmeringen en gebrek aan mogelijkheden hebben meer dan vijftigduizend migranten de laatste jaren ervoor gekozen om in vissersbootjes en rubberboten in handen van criminelen te stappen. Sommigen van hen zijn zich bewust van de risico’s die ze te wachten staan, maar anderen bewandelen blindelings een pad waarop ze worden geconfronteerd met fraude, agressie, seksueel misbruik en zelfs de dood. 

    De laatste studie van het Waarnemingscentrum voor migrantensmokkel van de VN-organisatie UNODC, getiteld Northwest African (Atlantic Route). Migrant smuggling from the Northwest African coast to the Canary Island (Spain), heeft de modus operandi blootgelegd van smokkelaars die duizenden mensen naar Europa hebben gebracht via de Canarische migratieroute, de dodelijkste ter wereld. Aan de kusten van Marokko en de Westelijke Sahara zijn georganiseerde smokkelnetwerken geïdentificeerd. In andere landen, zoals Senegal, is het gebruikelijk dat migranten hun eigen overtocht organiseren met gemeenschappelijk beschikbare middelen.

    ‘Op het strand bedekken organisatoren hun gezicht en gebruiken ze schuilnamen om identificatie te voorkomen’

    ‘Het eerste contact is vaak met de man of vrouw die klanten in contact brengt met vervoerders en organisatoren van boten. Vaak ontmoeten migranten en vluchtelingen de organisator van de boot vaak pas bij het vertrek’, aldus het onderzoek. Zelfs dan zijn ze onherkenbaar: ‘Op het strand bedekken organisatoren hun gezicht en gebruiken ze schuilnamen om identificatie te voorkomen’, aldus de studie.

    Zodra het contact is gelegd, krijgen de migranten de opdracht om op eigen gelegenheid naar de plaats van vertrek te reizen. Mensen reizen met het openbaar vervoer of in voertuigen die bekendstaan als ‘taximaffia’, meldt het rapport. De volgende stap is wachten tot het netwerk voldoende mensen heeft verzameld om de boot te vullen, en op een nacht met gunstige weersomstandigheden.

    Het wachten op de boot naar de eilanden gaat niet voor alle migranten hetzelfde. Het onderzoek bracht verschillen tussen nationaliteiten aan het licht. ‘Marokkanen verblijven in goedkope hotels in kleine dorpjes aan de kust van Marokko en de Westelijke Sahara. Ze delen vaak kamers met mensenhandelaren of met andere klanten om de kosten te drukken. Sommigen wachten een maand’, aldus het rapport. Mensen uit Afrika ten zuiden van de Sahara brengen hun wachttijd door op afgelegen plekken die worden omschreven als ‘woestijnen’. Onder gevaarlijke omstandigheden in huizen met beperkte toegang tot water, voedsel en minimale hygiënische omstandigheden.

    Korting voor het besturen van de boot

    De organisatoren van de overtocht leggen de route bijna nooit zelf af. Vaak kiezen de smokkelaars mannen met vaarervaring om de bootjes te besturen. En vaak worden daarvoor vissers gebruikt. In ruil daarvoor verminderen of schrappen de netwerken voor hen de kosten van de reis, die variëren van 1000 tot 3000 euro.

    Volgens het onderzoek heeft de Spaanse politie tussen januari en november vorig jaar honderdvijftig bootbestuurders op Gran Canaria gearresteerd voor smokkel van migranten. ‘De meeste bootbestuurders die in Spanje worden vervolgd, worden beschuldigd van zware misdrijven die samenhangen met mensensmokkel en worden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier tot acht jaar. Hun handelen wordt geacht het leven en de veiligheid van de passagiers ernstig in gevaar te hebben gebracht’, aldus de studie.

    Soms laten de bestuurders het roer los als een andere boot hun vaartuig nadert

    Als er onderweg doden vallen, wordt de bestuurders moord of doodslag ten laste gelegd; de straffen voor schippers nemen toe met één tot vier jaar voor elk dodelijk ongeval. Soms laten de bestuurders het roer los als een andere boot hun vaartuig nadert, ook al zou dat de dood kunnen betekenen voor de stuurman en de andere inzittenden.

    Agenten identificeren betrokkenen in centra waar migranten 72 uur in hechtenis doorbrengen. Volgens de studie voldoen de voorzieningen in die centra niet aan de minimale kwaliteitsnormen. Burgerbewegingen en gezondheidsorganisaties hebben herhaaldelijk de erbarmelijke omstandigheden in deze voorzieningen aan de kaak gesteld. 

    In november 2020 vond ondervraging door de politie plaats in de haven van Arguineguín, in het zuiden van Gran Canaria. Daar zaten duizenden mensen wekenlang opeengepakt, zonder douches, slapend op de grond. Op Lanzarote werd een schip ingericht als CATE (Centro de Atención Temporal de Extranjeros, ofwel: tijdelijke opvang voor buitenlanders). Er waren zes chemische toiletten voor de honderden mensen die er kwamen toen de stroom mensen naar het eiland toenam. Bij elke storm kwam de vloer onder water te staan en er waren niet genoeg bedden voor iedereen.

    Corrupte grenswachten

    ‘Bij mijn zevende en laatste poging betaalden de smokkelaars uit de Westelijke Sahara smeergeld van ongeveer 1500 euro aan iemand van de militaire basis die op zee patrouilleerde. Daardoor hebben we het gehaald,’ vertelde een Marokkaanse man aan de auteurs van het onderzoek. De smokkel van migranten langs de Noordwest-Afrikaanse route ‘lijkt geen verband te houden’ met andere vormen van smokkel en illegale handel. Er is echter wel sprake van een ander misdrijf: corruptie door grenswachten. ‘Zij zijn vaak van fundamenteel belang voor een succesvolle overtocht.’

    Dit mechanisme, leiden dit jaar, samen met de onmogelijkheid om via legale kanalen toegang tot Europa te krijgen, al tot de dood van achthonderd mensen op de migratieroute naar de Canarische Eilanden, volgens de laatste gegevens van Caminando Fronteras.

    Vrouwen en meisjes worden ook mishandeld en seksueel misbruikt door smokkelaars en bewakers

    Wanneer migranten de kosten van de boot niet kunnen betalen, maken zij met de mensenhandelaars afspraken over andere vormen van compensatie. Zij werken dan ‘gratis voor smokkelaars in omstandigheden die op uitbuiting wijzen, voor lage lonen, vernederende behandeling en slechte huisvesting’. Dat gebeurt vooral in Marokko en Algerije.

    Vrouwen en meisjes worden ook mishandeld en seksueel misbruikt door smokkelaars en bewakers. ‘Een vrouw uit Ivoorkust probeerde zes keer de zee over te steken voordat het haar lukte. Telkens werd ze onderschept en vastgehouden door de Marokkaanse autoriteiten, en werd ze blootgesteld aan mishandeling door ordehandhavers en gevangenisbewakers.’

    Lees ook:

  • De strijd tegen de pandemieën van de toekomst begint in dit Oegandese bos

    De strijd tegen de pandemieën van de toekomst begint in dit Oegandese bos

    Bwindi National Park is een van de epicentra van het onderzoek naar zoönosen. Door de groeiende bevolking in de regio en het opkomende toerisme komt contact met wilde dieren er steeds vaker voor. ‘Bwindi is een tikkende tijdbom en een nieuwe uitbraak is onvermijdelijk.’

    Met medewerking van de Oegandese journalist Dicta Asiimwe

    Het gebeurde in Kenia in de jaren tachtig. De Franse ingenieur Charles Monet werkte in een van de westelijke suikerfabrieken van het land. Monet – de naam is een pseudoniem dat hem later werd gegeven door de schrijver Richard Preston – trok als natuurliefhebber in zijn vrije tijd graag naar afgelegen natuurgebieden in de omgeving. Bij een van zijn bezoekjes aan Mount Elgon, de grootste en oudste uitgedoofde vulkaan van Oost-Afrika, ging hij met zijn metgezel de grot van Kitum binnen, een ruimte die rijk is aan minerale zouten en waar vroeger olifanten en buffels rondzwierven. Wat Charles Monet niet wist, was dat in die grot, die nu voor het publiek gesloten is, ook een kolonie fruitvleermuizen leefde. 

    Tijdens de tocht haalde hij zijn been open aan een steen waarop resten zaten van de uitwerpselen van vleermuizen. Zo liep hij het marburgvirus op, een lid van de familie van de filovirussen, zoals ebola. Hij overleed een paar dagen later in een ziekenhuis in Nairobi. Zijn vrouw en het medisch personeel dat hem behandelde, werden besmet en stierven eveneens; de Franse ingenieur ging de geschiedenis in als patiënt nul van het marburgvirus. Wereldwijd begonnen wetenschappers te waarschuwen voor de risico’s van zoönosen: ziekten die kunnen worden overgedragen tussen dieren en mensen. Ze waarschuwden dat de mensheid steeds vaker aan deze ziekten zou worden blootgesteld vanwege het toenemende contact tussen mensen en wilde dieren, als gevolg van globalisering, bevolkingsgroei en economische ontwikkeling. 

    Vier decennia later en honderden kilometers verwijderd van de grot van Kitum, stelt Benard Ssebide, veterinair hoofd van de ngo Gorilla Doctors, de uitrusting samen die hij nodig heeft voor een noodgeval in het Bwindi Impenetrable Forest National Park van Oeganda. Enkele uren eerder hadden parkwachters hem laten weten dat een vijf jaar oude gorilla met zijn arm verstrikt zat in een strik die door stropers was uitgezet. Ssebide en zijn team verlaten het kamp rond vijf uur ’s morgens; zij zullen van de gelegenheid gebruik maken om meer te doen dan alleen het dier verzorgen. 

    Een tikkende tijdbom

    Met steun van de Amerikaanse National Institutes of Health lanceerde de Universiteit van Californië-Davis eerder dit jaar CREID, een wereldwijd netwerk van onderzoekscentra dat monsters verzamelt van in het wild levende dieren en mensen. De monsters worden geanalyseerd op pathogenen – virussen, bacteriën, schimmels en dergelijke, die van in het wild levende dieren op mensen kunnen overspringen – met als doel de verbetering van de preventie en de aanpak van pandemieën. 

    Bwindi National Park, dat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staat, is een van de zestien locaties in Afrika die voor dit netwerk werden geselecteerd. Het is een uitgestrekt en ongerept woud waar toeristen uit de hele wereld naartoe komen om gorilla’s te zien. Door economische ontwikkeling groeide de bevolking rond het park aanzienlijk. 

    Naast het behandelen van de gewonde arm van de kleine gorilla, maken Ssebide en zijn team van de interventie gebruik om neus-, bloed- en speekselmonsters van het dier te nemen en diens gezondheidstoestand te analyseren. Monsters van primaten die in Bwindi leven (apen, bavianen en gorilla’s), maar ook van muggen en vleermuizen, worden geanalyseerd in een laboratorium van het EpiCentre for Emerging Infectious Disease Intelligence (EEIDI), in samenwerking met het veldteam van Gorilla Doctors. Het programma is gericht op enkele specifieke virussen die op de soorten actief zijn. In het geval van primaten gaat de aandacht vooral uit naar filovirussen zoals ebola en marburg. Bij muggen ligt de nadruk op de aanwezigheid van arbovirussen die verantwoordelijk zijn voor ziekten als dengue, gele koorts, chikungunya en zika; bij vleermuizen ligt de nadruk op de beroemde coronavirussen die covid-19 en het MERS-CoV (Middle East respiratory syndrome) veroorzaken.

    ‘De gezondheid van ons allen staat op het spel’

    Christine Johnson, hoofdonderzoeker van het EEIDI-project en coördinator van CREID, onderstreept dat Bwindi en het Virus Research Laboratory in Oeganda de eerste verdedigingslijn vormen tegen de uitbraak van een nieuwe pandemie. 

    ‘Bwindi is een tikkende tijdbom en een nieuwe uitbraak [van een zoönose] is onvermijdelijk. Het doel van ons werk is zoveel mogelijk te leren over de ziekteverwekkers die we bij dieren aantreffen, zodat we zo goed mogelijk voorbereid zijn om verspreiding ervan op tijd te stoppen,’ zegt Johnson tijdens een videogesprek vanuit de Verenigde Staten.

    Het labonderzoek kan bijdragen aan toekomstige vaccins, nieuwe diagnostische tests en vooral kennis die inzicht verschaft in hoe een nieuw virus zich verspreidt en evolueert, voegt zij eraan toe. Als die route bekend is, kan de overdracht beter worden gestopt. 

    Het project in het Bwindi-woud is eigenlijk een druppel op een gloeiende plaat, maar wel van cruciaal belang. Het fungeert als model om datgene te leren en te herhalen wat in andere contexten is ontdekt. 

    ‘Idealiter zouden wij dit soort monitoring natuurlijk doen in alle risicogebieden waar mensen en wilde dieren samenleven, maar de middelen zijn beperkt. Daarom is Bwindi de basis voor de ontwikkeling van mogelijke besmettingsmodellen,’ aldus Johnson. 

    Ze benadrukt dat er behoefte is aan wereldwijd gecoördineerde samenwerking en financiering voor dit soort onderzoek: ‘De gezondheid van ons allen staat op het spel.’

    Onderbelicht probleem

    Haven Nahabwe is functionaris Volksgezondheid van het Bwindi Community Hospital, en tevens verantwoordelijk voor de uitvoering van de EEIDI-studie bij mensen. Hij legt uit dat er in dit gebied een ernstig probleem is met het diagnosticeren van ziekten, omdat er te weinig tests zijn. 

    ‘Als mensen koorts hebben, krijgen ze automatisch paracetamol of een behandeling tegen malaria voorgeschreven. Er wordt nooit gekeken naar een mogelijke virale of bacteriële infectie. Met ons programma proberen we te begrijpen wat de oorzaak van de koorts kan zijn.’

    Bwindi National Park ligt in een dichtbevolkte regio van Oeganda, waarin meer dan een miljoen mensen zijn geconcentreerd op slechts 4000 vierkante kilometer. Het grenst aan de Democratische Republiek Congo en Rwanda, en ligt op enkele uren rijden van steden als Goma en Kigali, die beide meer dan een miljoen inwoners tellen. Het constante verkeer van personen en goederen tussen de drie landen speelt zich voor een groot deel af buiten de controle van de gezondheidsautoriteiten. 

    Veel mensen kunnen geen gebruik maken van de gezondheidszorg omdat het te duur is

    Het Bwindi Community Hospital, dat gerund wordt door een christelijke Amerikaanse ngo, moet een bevolking van ongeveer 350.000 bedienen. Veel mensen kunnen geen gebruik maken van de gezondheidszorg omdat het te duur is, aldus Nahabwe.

    ‘Als ze ziek zijn, gaan ze meestal naar traditionele genezers. Als dat niet helpt, kiezen ze voor zelfmedicatie via de apotheker. Alleen als ze echt ziek zijn, komen ze naar het ziekenhuis, als ze het al kunnen betalen. Dat zorgt ervoor dat diegenen die naar onze praktijk komen een zeer slechte gezondheid hebben. Van de mensen die wij zien, heeft slechts 30 procent een ziektekostenverzekering.’ 

    Catherine Tumushabe heeft drie kinderen en was zwanger van haar vierde toen we haar ontmoetten. Ziektekostenverzekering voor haar familie betekent dat ze 25.000 Oegandese shilling per trimester (ongeveer 6 euro) moet betalen, maar dat heeft ze niet altijd. 

    ‘Ik kan allerlei ziekten behandelen, waaronder covid-19’

    ‘Ik heb dit trimester kunnen betalen, maar ik was te laat, dus ik weet niet of ik naar het ziekenhuis kan om te bevallen. Ik weet niet of mijn aanvraag zal worden goedgekeurd,’ zegt ze. 

    Als haar situatie niet op tijd wordt geregeld, moet zij ongeveer 50.000 shilling (12 euro) betalen per ziekenhuisdag, wat betekent dat de familie een deel van de bezittingen moet verkopen om de rekening te betalen. De meeste mensen in deze regio hebben die mogelijkheid niet eens.

    Alufunsi Bifumbo woont in Kanungu en stamt af van een geslacht van traditionele genezers dat meer dan drie generaties teruggaat. Hij leerde van zijn voorouders hoe hij ziektes kan behandelen met kruiden die in het Bwindi National Park te vinden zijn. Het Frans dat hij spreekt, getuigt van zijn Congolese afkomst én van de poreusheid van de grenzen. 

    ‘Ik behandel mensen aan beide kanten van de grens. Als ik mijn familie in Congo bezoek, neem ik geneeskrachtige kruiden van hier mee. Ik kan allerlei ziekten behandelen, waaronder covid-19; ik heb het zelf een paar maanden geleden opgelopen en ben genezen door te stomen met verschillende kruiden,’ zegt hij. 

    De meesten keren ziek en zonder diagnose terug naar huis, waardoor het risico van besmetting toeneemt

    Om dat te demonstreren, roept hij zijn kleinzoon en vraagt hem drie verschillende planten uit de tuin te halen. Hij plukt de bladeren van de takken en plet ze in een vijzel. Dan dompelt hij ze onder in heet water om de stoom te produceren die, zegt hij, in staat is om corona te genezen.

    Traditionele genezers zijn zeer gerespecteerde figuren binnen de gemeenschappen, omdat zij over eeuwenoude kennis beschikken, maar zij kunnen ook katalysatoren zijn bij een epidemie. Bifumbo houdt zich echter aan het protocol dat door de autoriteiten is opgelegd voor het geval zich ebola voordoet: patiënten onmiddellijk verwijzen naar het Bwindi Community Hospital. Wel houdt hij een pleidooi voor zijn bekwaamheid om andere zoönosen te behandelen, zoals infecties van de luchtwegen of koortsen die niet gepaard gaan met bloedingen. 

    Voor de mensen die rond het park wonen en voortdurend aan besmettingen worden blootgesteld, zijn er weinig alternatieven naast het Bwindi Community Hospital. Het dichtstbijzijnde openbare gezondheidscentrum is Kayonza, op vijf uur lopen. Vanwege zijn reikwijdte moet het ziekenhuis in staat zijn patiënten op te nemen en een breed scala aan behandelingen aan te bieden. Maar er is gebrek aan middelen en personeel. Patiënten krijgen vaak paracetamol voorgeschreven of een doorverwijzing naar een privéziekenhuis, wat velen zich niet kunnen veroorloven. De meesten keren ziek en zonder diagnose terug naar huis, waardoor het risico van besmetting en verdere uitbraken toeneemt.

    Onderzoek om te kunnen handelen

    John Kayiwa is het hoofd van EEIDI bij het UVRI, het Oegandese instituut voor onderzoek naar virussen. Hij coördineert de analyse van monsters die door het team van Gorilla Doctors worden verzameld en binnengebracht, om ziekteverwekkers in een vroeg stadium te kunnen identificeren. Daarna worden ze naar de Universiteit van Californië gestuurd, waar ze worden gesequencet om er een genetische kaart van te maken, zodat de ziekteverwekkers kunnen worden geïdentificeerd en gecatalogiseerd. 

    ‘Wanneer iemand met koorts negatief test op malaria kan het wel een maand duren voordat we hier in het lab het resultaat hebben. Daarom sterven patiënten soms zonder te weten wat ze hadden. Wanneer iemand positief test voor een besmettelijke zoönose, is het wel zo dat diens contacten prioriteit worden en we de resultaten al tussen de 24 en 48 uur later kunnen hebben, waarna we maatregelen kunnen treffen.’

    In 2009 zetten de VS onder Obama het PREDICT-project op, de voorloper van het CREID-netwerk. Het moest enige autonomie en capaciteitsopbouw bieden aan landen die het meest zijn blootgesteld aan uitbraken van zoönosen, waaronder Oeganda. Zo ontstonden de eerste pogingen om pandemische surveillance- en preventiesystemen op te zetten en te coördineren. Op basis van de verzamelde gegevens stelden stichtingen zoals The Global Virome Project rapporten op, waarin wordt geschat dat 75 procent van de toenemende infectieziekten bij mensen afkomstig is van dieren; en dat van de naar schatting 1,6 miljoen virussen die nog ontdekt zullen worden, er 700.000 zijn die mensen direct kunnen treffen. Er is nog een lange weg te gaan, aldus Kayiwa. 

    ‘Zoönosen, uitzonderingen als covid-19 daargelaten, hebben de neiging zich langzaam te verspreiden, maar dat mag natuurlijk geen rechtvaardiging zijn voor de lange aanlooptijden waarmee wij werken. Investeren in lokale testcapaciteiten moet het doel zijn.’

    Stijgende temperaturen kunnen het ontstaan van toekomstige pandemieën in de hand werken

    Nahabwe, het hoofd Volksgezondheid in Bwindi, voegt daaraan toe dat het verhogen van de investeringen in Afrikaanse gezondheidsstelsels een eerste stap is om blootstelling aan toekomstige uitbraken te kunnen verminderen. ‘Als we echt een nieuwe pandemie willen voorkomen, moet dit voor de internationale gemeenschap de hoogste prioriteit hebben.’ 

    Tel bij dit alles de klimaatcrisis op: uit verschillende onderzoeken, waaronder een studie die afgelopen april in het tijdschrift Nature verscheen, blijkt dat stijgende temperaturen het ontstaan van nieuwe ziekten en toekomstige pandemieën in de hand kunnen werken. Voorlopige studies tonen aan hoe de temperatuurstijging leidt tot een verandering van de habitat van bepaalde dieren, die gaan samenleven met andere soorten en met de mens. Daardoor wordt het onvermijdelijk dat zij naast nieuwe leefgebieden ook ziekten met elkaar zullen delen.

    Gedurende ons verblijf in Bwindi kregen we een glimp te zien van de veranderingen die in de nabije toekomst worden verwacht. Tijdens een van haar regelmatige uitstapjes om monsters te verzamelen, vond de Amerikaanse onderzoeker Jelica J. Joyner van het Gorilla Doctors-team een exemplaar van de Aedes aegypti, een type mug dat virussen overbrengt zoals knokkelkoorts, gele koorts, chikungunya en zika. De vondst was niet ongewoon, afgezien van het feit dat de mug zich amper een meter boven de grond bevond, terwijl dit insect zich gewoonlijk op een hoogte van 3 of 4 meter beweegt. Een subtiele verandering, maar een die voor Joyner wijst op de wetenschappelijke consensus dat klimaatverandering van invloed is op de habitat en zodoende op het risico van overdracht van virale ziekten.  

    Overdracht door toerisme

    Het Bwindi Impenetrable Forest National Park is een van de meest bezochte parken van Oeganda. Het genereert meer dan 60 procent van de inkomsten die het land uit ecotoerisme haalt, en volgens prognoses zal dat alleen maar stijgen. Bezoekers van over de hele wereld trekken naar dit kleine park van 330 vierkante kilometer om de laatste berggorilla’s van de planeet te zien. Hoewel het aantal berggorilla’s is gestegen tot iets meer dan duizend, waarvan meer dan de helft in Oeganda leeft, blijft het een bedreigde diersoort. De inspanningen om de soort in stand te houden en zijn omstandigheden te verbeteren zijn dan ook groot. 

    De mens deelt 98,25 procent van zijn DNA met deze primaten; de coronacrisis betekende een keerpunt in de relatie tussen de twee soorten, althans in Bwindi. Gezien de kwetsbaarheid van de gorilla’s voor corona, werden de veiligheidsprotocollen voor een bezoek aan de dieren verscherpt om mogelijke besmetting tot een minimum te beperken. Temperatuurcontroles, desinfectiemaatregelen en het gebruik van mondkapjes werden verplicht gesteld. 

    ‘Het nauwere contact tussen dieren en mensen in Bwindi is een gevolg van toerisme. Ziekten kunnen zich gemakkelijk verspreiden,’ zegt de Oegandese arts Gladys Kalema-Zikusoka, vicevoorzitter van de Afrikaanse Vereniging voor Primaten en oprichter van de plaatselijke ngo Conservation through Public Health [Natuurbehoud door Volksgezondheid].

    ‘Een epidemie van schurft bij de gorilla’s toonde ons dat plaatselijke gemeenschappen geen adequate gezondheidszorg kreeg’

    Toerisme, erkent Kalema-Zikusoka, is een complexe factor bij de preventie van pandemieën. Het is een risicofactor voor de wereldgezondheid omdat het voor nieuwe uitbraken van zoönosen kan zorgen, maar tegelijkertijd genereert het ook onmisbare inkomsten voor de instandhouding en bescherming van ecosystemen.

    Deze Oegandese arts is toonaangevend in de wereld van de natuurbescherming en kreeg voor haar werk in het nationale park diverse onderscheidingen, waaronder de Edinburgh Medal of Merit. Zij is ook bekend als pleitbezorger voor meer Afrikaanse stemmen in het mondiale debat over natuurbehoud. Na enkele jaren als dierenarts voor het Oeganda Wildlife Agency te hebben gewerkt, besloot zij in 2003 haar eigen organisatie op te richten om gorilla’s te beschermen vanuit wat toen een uniek perspectief was: het welzijn van lokale gemeenschappen. 

    ‘Een epidemie van schurft bij de gorilla’s [die zich verspreidde via de mens] toonde ons dat plaatselijke gemeenschappen geen adequate gezondheidszorg kregen. We besloten dat we moesten pleiten voor een verbetering van hun welzijn. Niemand zag dit als een maatregel om het milieu te beschermen, behalve de mensen van Bwindi zelf.’

    In Bwindi werden stropers omgeschoold tot gorillaspotters

    Om het ecosysteem te beschermen, is het van essentieel belang dat de gemeenschap bij het proces wordt betrokken, benadrukt Kalema-Zikusoka. Dat in Bwindi werkgelegenheid werd gecreëerd in de toeristische sector en stropers werden omgeschoold tot gorillaspotters, heeft de bevolking gestimuleerd om het park met andere ogen te gaan bekijken. Het is van essentieel belang, zegt ze, om meer steun te geven aan de plaatselijke gezondheidscentra, die de eerste lijn tegen besmetting vormen. Het zijn Afrikaanse stemmen zoals de hare die theorieën over natuurbehoud hebben voorzien van een meer lokaal en een menselijker standpunt; plaatselijke gemeenschappen worden nu gezien al onmisbare actoren. 

    ‘Geloven in een wereld waarin geen conflict bestaat tussen mensen en wilde dieren vanwege een vermeende fysieke scheiding, is totaal onrealistisch. Coëxistentie moet mogelijk worden gemaakt, en dat kan door gemeenschappen te voorzien van sociale, economische en gezondheidsinstrumenten waarmee ze een waardig leven kunnen leiden. Als ze zich op eigen kracht kunnen redden, hebben ze het niet nodig om hun toevlucht te nemen tot stroperij of andere activiteiten die het ecosysteem kunnen schaden.’

    Dr. Kalema-Zikusoka lanceerde uiteenlopende initiatieven om het welzijn van de bevolking te verbeteren: van het opzetten van pluimveehandel en het bevorderen van vaccinatie voor werknemers in de toeristische sector, tot het voorstel dat gemeenschappen het vlees dat zij eten, moeten kunnen testen om te voorkomen dat zij zoönosen oplopen. 

    Tweesnijdend zwaard

    Toen Bwindi in de jaren negentig tot nationaal park werd uitgeroepen, ontstond een economisch centrum dat is blijven groeien. Door de constante bevolkingsgroei veranderden dorpen op korte tijd in steden; in februari 2021 gebeurde dat met Buhoma, bij de ingang van Bwindi. 

    Toen het gebied tot park werd verklaard, verkocht Gordon Kwikiriza houten beeldjes aan westerse toeristen die de mysterieuze gorilla’s kwamen bekijken. Vervolgens opende hij een winkel en ging hij in een hotel werken, totdat hij de hand wist te leggen op een van de iconische safarivoertuigen. Dat stelde hem in staat de maatschappelijke ladder verder te beklimmen. Kwikiriza maakt nu deel uit van de rijkere klasse in de regio. Het laatste project waarmee hij zijn brood hoopt te verdienen, is een nieuw, gezinsvriendelijk hotel bij de entree van het park. 

    ‘Buhoma zit midden in een toeristische hausse en die groei zal niet stoppen,’ zegt hij, staand op het terrein waar hij drie bungalows wil bouwen, op minder dan tweehonderd meter van de ingang van het Bwindi Impenetrable Forest. 

    Sinds de gorilla’s zich hebben aangepast aan het toerisme, vallen ze minder gauw mensen aan

    Bwindi heeft een eigenaardigheid ten opzichte van andere parken: gezien de hoge bevolkingsdichtheid in het gebied – met een jaarlijkse groei van drie procent, een van de hoogste op het continent – heeft het geen zogenaamde bufferzones, die bedoeld zijn om de leefgebieden van mens en dier af te bakenen om conflicten te vermijden of te verminderen. Het enige wat in plaats daarvan is voorgesteld, is om enkele gebieden te reserveren voor theeplantages: dat gewas is niet aantrekkelijk voor de wilde dieren van Bwindi omdat het geen voedselbron is. Vooralsnog verhindert dat de dieren niet om het park te verlaten en het groeiende aantal boerderijen en landbouwvelden te bereiken. 

    Ibrahim Byarugaba is zevenenvijftig jaar oud en woont in Kwenda, net buiten het park. Eind jaren negentig werd hij aangevallen door een gorilla terwijl hij zijn land tussen de Democratische Republiek Congo en Oeganda bewerkte. Zijn geval is niet uniek: in die tijd vonden er veel aanvallen plaats. Sinds de gorilla’s zich hebben aangepast aan het toerisme, vallen ze minder gauw mensen aan. Maar de ontmoetingen met dieren in het veld vinden nog steeds plaats.

    ‘We komen nog steeds olifanten, bavianen, apen en gorilla’s tegen. Ze eten alles op en vaak vernielen ze de boel compleet. Ze laten ons achter zonder eten voor onze kinderen, zodat we het schoolgeld kunnen betalen.’ 

    Wanneer een kind naar school gaat, wordt het risico van contact met dieren op het veld kleiner

    De boer bekritiseert het feit dat het Oegandese Wildlife Agency geen compensatie biedt voor dergelijke vernielingen en dat er voor de gemeenschap zware straffen staan op het verzamelen van brandhout, vruchten of andere hulpbronnen uit het bos: de jacht op een dier kan leiden tot elf jaar gevangenisstraf. 

    Zolang mensen en wilde dieren nog samenleven, is het voor het EEIDI-team vrijwel onmogelijk een nieuwe uitbraak van zoönose te voorkomen. Daarom vertrouwen zowel Johnson als dierenarts Ssebide op onderwijs als middel voor verandering. 

    ‘Mensen weten dat vleermuizen gastheer zijn van een hele rits aan ziekten. De eerste bijdragen uit de gemeenschappen voor een veilige oplossing waren voorstellen die neigden naar uitroeiing. We moesten didactisch materiaal maken op basis van de bijzonderheden van elke plek om uit te leggen dat dit geen optie was, aangezien [vleermuizen] essentieel zijn voor de instandhouding van het ecosysteem,’ zegt Johnson.

    Ssebide benadrukt dat preventie altijd bij voorlichting begint, al is het maar vanwege het simpele gegeven dat wanneer een kind naar school gaat, het risico van contact met dieren op het veld kleiner wordt.  

    ‘In plaats van de gewassen te bewaken, zit hij of zij dan te leren in een klaslokaal. Bij leden van de gemeenschap die naar school gaan, is de kans ook kleiner dat zij veel kinderen krijgen, wat de bevolkingsdruk zal doen afnemen. Met een betere opleiding kom je in aanmerking voor beter werk en zal je dus minder brandhout hoeven te sprokkelen in het bos of hoeven te stropen; er is dan meer geld voor andere brandstoffen of om voedsel te kopen. Voorlichting is immers het beste middel om eventuele toekomstige uitbraken te bestrijden.’

    Lees ook:

  • Racistische videogroeten op bestelling

    Racistische videogroeten op bestelling

    Een video uit een Afrikaans dorp ging viraal – en veroorzaakte een grote politieke crisis.

    In de zomer belandde een video van Chinese sociale media aan onze kant van de wereld. Dat gebeurt niet vaak, vanwege taalbarrières en omdat veel van ons internet in China gecensureerd wordt. Maar deze video overleefde de reis, werd in het Engels vertaald en ging viraal vanwege de verontrustende inhoud.

    Gefilmd in een dorp ergens in Afrika, hoor je achter de camera een Chinese man een groep Afrikaanse kinderen opdragen te herhalen wat hij zegt. Eerst schreeuwt hij: ‘Ik ben een zwarte duivel’ in het Chinees. En dan herhalen de kinderen in het Chinees: ‘Ik ben een zwarte duivel.’ Dan schreeuwt hij: ‘En mijn IQ is laag!’ De kinderen herhalen ‘En mijn IQ is laag!’ Dan begint er een liedje te spelen en beginnen de kinderen te zingen en te dansen.

    De verontrustende aard van de video is evident. Afrikaanse kinderen die racistische beledigingen roepen in een taal die ze niet verstaan, terwijl ze gefilmd worden. Maar waarom werd die video gemaakt en wie stond er achter de camera? Al snel begon het verhaal rond de video zich te ontvouwen op een manier die niemand had voorspeld.

    De vernedering werd gefilmd in opdracht van mensen die duizenden kilometers verderop werken in een enorme Chinese amusementsindustrie die overal op het continent Afrikaanse kinderen uitbuit. 

    Duistere kant

    Om erachter te komen wat de industrie inhoudt, ging Zetland op jacht naar de man achter deze video, die aantoont dat de economische betrokkenheid van China bij Afrika ook online een behoorlijk duistere kant heeft.

    Het verhaal begint in februari 2020, toen de video van de Afrikaanse kinderen voor het eerst viraal ging op de Chinese sociale media. Sommige Chinezen vonden het grappig, anderen vonden het over de schreef gaan. Runako Celina, een Britse vrouw die destijds studeerde aan een Chinese universiteit, zag de video ook. Als zwarte vrouw in China kreeg ze de beelden maar niet uit haar hoofd, vertelt ze. Op het schoolbord waar de kinderen omheen stonden, stonden in het Chinees de racistische zinnen die door de kinderen moesten worden herhaald. Ze vermoedde dat iemand in China hen had betaald om ze op te zeggen.

    In China is het een populaire gewoonte om vrienden videogroeten te sturen uitgesproken door Afrikanen die Chinees spreken

    In China is het een populaire gewoonte om familie en vrienden videogroeten met verjaardags- of huwelijkswensen te sturen uitgesproken door Afrikanen die Chinees spreken, Chinese kleren dragen en dansen op Chinese liedjes. De video’s worden in China online verkocht voor tussen de 70 en 500 kronen [9 tot 67 euro], afhankelijk van of de personen in de video een bepaalde outfit moeten dragen, een bepaald dansje moeten doen of bepaalde dingen moeten zeggen – dat geeft de koper op bij de bestelling.

    Schermafbeelding 2022 08 19 om 15.17.36
    Screenshots uit de documentaire Racism for Sale. – © BBC via YouTube

    Waarom er in China vraag is naar videogroeten met Afrikanen als afzender, heb ik niet kunnen achterhalen. Misschien gaat het erom online een video te bezitten die niemand anders heeft; een persoonlijke video met extra waarde. De business profiteert van verschillen in uurloon tussen de verschillende landen, en vanwege de grote afstand staan mensen er misschien niet bij stil dat zo’n video ergens aan de andere kant van de wereld mensen pijn kan doen. In elk geval zijn de video’s in China zo populair geworden dat er een miljoenenmarkt is ontstaan en Chinese gelukszoekers reizen af naar dorpen in Afrika om van de rage te profiteren. Veel van de beelden die ze opnemen zijn onschuldig, andere zijn op het randje en sommige zijn er zonder meer overheen.

    In een video die Runako Celina tegenkwam staan Afrikaanse kinderen op een rij en zeggen in het Chinees: ‘We hebben honger’, terwijl de regisseur, een Chinees, ze een dienblad met frietjes voorhoudt. In een andere video dansen Afrikaanse kinderen terwijl ze zingen ‘Een gele huid en zwarte ogen zijn de mooiste kleuren’. Maar de ergste die ze zag was er een waarin de kinderen roepen dat ze ‘zwarte duivels’ zijn. Runako Celina kon die video maar niet uit haar hoofd krijgen.

    Chinese influencers

    De video’s maken deel uit van een grotere trend in China, waarbij Chinese influencers naar Afrika reizen en zichzelf in modieuze kleding filmen terwijl ze snacks uitdelen aan lokale kinderen of zich omringen met aantrekkelijke lokale vrouwen. Een 28-jarige Chinees die zichzelf African Mr. Hello noemt op Douyin, China’s versie van TikTok, is het populairst. Met één livestream kan hij voor duizenden dollars aan merchandise verkopen aan fans in China.

    In drie maanden tijd verdiende Cheng Wei, zoals zijn echte naam luidt, op die manier 5,4 miljoen euro. African Mr. Hello verklaart zijn succes als volgt: ‘Chinezen houden ervan om te zien dat het op andere plekken in de wereld niet zo goed is als in China. (…) Als je de meer geavanceerde dingen filmt die er te zien zijn, vinden mensen dat niet leuk om te zien. Ze zien liever een leven dat erger is dan hun eigen leven.’

    Schermafbeelding 2022 08 19 om 15.17.50 1
    Screenshots uit de documentaire Racism for Sale. – © BBC via YouTube

    Met dat in het achterhoofd wilde de Britse Runako Celina tot op de bodem uitzoeken welk deel van de Chinese industrie racistische videogroeten op bestelling verkoopt. In samenwerking met de BBC en een team van journalisten werd de jacht geopend. Eerst moest Runako Celina uitzoeken waar de ‘Lage IQ’-video was gefilmd.

    De opnames waren gemaakt in het extreem arme Malawi in Zuidoost-Afrika

    Door honderden in opdracht gemaakte video’s te bekijken, die allemaal op dezelfde locatie waren gefilmd, konden de journalisten het dorp met zijn stoffige wegen en gebouwen in kaart brengen. De opnames waren gemaakt in het extreem arme Malawi in Zuidoost-Afrika. Njewa, zoals het dorp heet, vormt een passend, authentiek decor voor veel Chinese video’s, ook de racistische.

    De journalisten wilden niet met een cameraploeg komen aanzetten, dus ze maakten contact met Henry Mhango, een lokale journalist. Uitgerust met een verborgen camera trok hij via een onverharde weg met hoog gras het dorp binnen. Tussen enkele lage huizen met golfplaten daken rond een groot plein zag hij een witte bestelwagen staan. De achterklep van de wagen stond open en in de schaduw ervan filmde een jonge Chinees een aantal kinderen die ineengedoken zaten rondom een schoolbord: ze waren bezig met het opnemen van een video voor een koper in China. Henry Mhango filmde het tafereel van een afstand en ontdekte dat de dorpelingen de man Susu noemen, ‘oom’ in het Chinees. Zij vertelden hem dat Susu de kinderen een halve dollar per dag betaalt om mee te doen, ook op dagen dat zij eigenlijk op school moeten zijn.

    Terwijl Henry Mhango aan het werk was in Malawi, zochten Runako Celina en de journalisten van de BBC ondertussen naar de ware identiteit van Susu. In een video die hij had gedeeld op Douyin konden ze zien dat zijn naam Lu Ke was. Hij had video’s gepost van zichzelf met dorpskinderen terwijl hij snoepjes uitdeelde. Hij droeg een dure zonnebril. De vraag was of deze Lu Ke dezelfde man was die in de video de kinderen van Njewa opdroeg die vernederende dingen te roepen.

    Om die vraag te beantwoorden reisden Runako Celina en de verslaggevers naar een dorp niet al te ver van Njewa. Hier had Lu Ke enkele jaren gewoond en video’s gemaakt met plaatselijke kinderen. Runako Celina wilde vooral in gesprek met één kind, een jongen die camerageniek was en er schattig uitzag in de traditionele Chinese kleren die Lu Ke in verschillende video’s had gebruikt. Op de Chinese sociale media was deze Afrikaanse jongen bijna een beroemdheid. Xiao Gulah, noemden ze hem.

    ‘Armoedeporno’, zo bestempelde ze de video’s

    In het dorp vonden ze Xiao Gulah en zijn familie. Zijn echte naam was Bright, en hij was zes jaar oud. Runako Celina vroeg Bright naar Susu, die hij kende als Lu Ke, en Bright vertelde haar dat deze man de kinderen uitschold als ze tijdens de opnames een fout maakten, en ze ook sloeg met een tak. Fausika, de moeder van Bright, die bij het gesprek aanwezig was, vertelde dat zij haar zoon bij Susu had weggehaald, maar dat Susu hem terughaalde om nieuwe video’s te filmen. ‘Het doet me pijn,’ zei ze. Runako Celina kreeg tranen in de ogen. Brights verhaal bevestigde haar angst: dat de kinderen werden uitgebuit als rekwisieten in de onderneming van Lu Ke. ‘Armoedeporno’, zo bestempelde ze de video’s.

    Vervolgens vroeg het team van de BBC een Chinese collega, Paul, om een ontmoeting met Lu Ke te regelen. Paul zou een verborgen camera dragen en zeggen dat hij als mogelijke zakenpartner geïnteresseerd was in de onderneming. In de opname van hun ontmoeting legt Lu Ke uit hoe je slaagt als regisseur van videogroeten. Hij zegt: ‘Behandel ze niet als vrienden. (…) Heb nooit medelijden met ze, onthoud dat. Heb nooit medelijden met ze,’ herhaalde hij. ‘Dat is hoe je zwarte mensen behandelt. Onthoud dat.’ 

    Voorbode

    Paul liet de ‘Lage IQ’-video aan Lu Ke zien met de vraag of hij die had gemaakt. ‘Ja, die is van mij,’ antwoordde hij prompt. Maar meteen daarop nam hij dat terug. ‘O nee, wacht,’ zei hij. ‘Nee, die is niet van mij. Dat is een video van een vriend.’ Het was alsof hij er zelf van geschrokken was. ‘Ik raad je aan die video te verwijderen,’ zei hij. ‘Laat hem niet aan zwarte mensen zien.’

    Maar het was al te laat.

    In Njewa had de lokale journalist Henry Mhango drie kinderen gevonden die in de video te zien zijn. Hij vond ook de vader van een van de kinderen en een grootmoeder. Henry Mhango vertaalde voor hen wat Susu, of Lu Ke, de kinderen had laten zeggen. De grootmoeder was geschokt, wreef in haar ogen en zei: ‘Hij profiteert van de armen.’ De vader zei: ‘We ploeteren om onze kinderen op te voeden. En dan komt zo iemand langs en maakt misbruik van hen om geld te verdienen. Hij moet het dorp uit, zo snel mogelijk.’ 

    Was er bij de ‘Lage IQ-video’ sprake van kindermisbruik?

    Dat was de voorbode van een fikse confrontatie. Runako Celina arriveerde korte tijd later in het dorp met een cameraploeg van de BBC en vond Lu Ke aan het werk, zittend aan een tafel. In het Chinees vroeg zij hem waarom hij de video’s maakte, en Lu Ke antwoordde dat hij ‘de Chinese cultuur, dans en muziek’ wilde verspreiden. Hij ontkende de kinderen te slaan, net zoals hij ontkende dat hij achter de ‘Lage IQ-video’ zat of dat hij de kinderen uitbuitte. Runako Celina verliet het dorp met gemengde gevoelens. Zij hadden met succes de methoden van één Chinese videomaker blootgelegd, maar wisten ook dat er veel meer zoals hij waren in dorpen zoals Njewa, op een continent waar grote sommen geld werden verdiend om mensen duizenden kilometers verderop te vermaken.

    Het verhaal kreeg nog een flinke staart. Want al snel begon een klopjacht en ontstond een grote politieke crisis. In juli van dit jaar verscheen de BBC-documentaire Racism for Sale over de ontrafeling van de ‘Lage IQ-video’ waarop het verhaal tot nu toe was gebaseerd. Die ging viraal. De onthullingen in de documentaire waren voor de politie in Malawi aanleiding om te onderzoeken of er bij de ‘Lage IQ-video’ sprake was van kindermisbruik. Lu Ke ontvluchtte het land en kwam illegaal in buurland Zambia terecht. Daar werd hij al snel opgepakt en uitgeleverd aan Malawi. Tegen hem lopen momenteel vijf aanklachten wegens uitbuiting van kinderen. Ondertussen zei de minister van Buitenlandse Zaken van Malawi: ‘We zijn ontzet, we zijn respectloos behandeld en we voelen veel verdriet.’ In hoofdstad Lilongwe gingen burgers de straat op met borden met daarop: ‘Over kinderrechten valt niet te onderhandelen’. Naar verluidt liepen Bright en zijn familie mee met de demonstranten. 

    Zero tolerance

    Nu raakten de topambtenaren in China in paniek. Het land heeft onvoorstelbare bedragen in Afrika geïnvesteerd, in de infrastructuur en in de ontginning van natuurlijke hulpbronnen. Dat zijn zeer centrale schakels in de expansieve dromen van de Communistische Partij om China weer tot een supermacht te maken. En als er volgens analisten iets is wat de partij van de geschiedenis heeft geleerd, dan is het wel dat zij niet als een nieuwe koloniale macht moet worden gezien. De beschuldigingen van racisme en uitbuiting van kinderen ontketenden dan ook een ernstige crisis. Zo ernstig dat Wu Peng, de Chinese topdiplomaat voor heel Afrika die zelden commentaar geeft op mediaverhalen, in een tweet liet weten dat China ‘zero tolerance voor racisme’ heeft en beloofde dat zijn land onlineracisme hard zal aanpakken. 

    En dat gebeurde onmiddellijk: Chinese sociale media verhinderen hun tientallen miljoenen gebruikers nu om te zoeken naar videomakers gecombineerd met het woord ‘Afrika’. De grootste influencer van allemaal, African Mr. Hello, stopte met zijn populaire livestreams vanuit de dorpen. Fans in China waren woedend en hij keerde al snel terug onder een nieuwe naam: Mr. Hello Overseas. De vraag naar een rijke Chinees die spullen in Afrika uitdeelt, was simpelweg te groot.

  • Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Het verbouwen van voedsel in de stad kan een middel zijn om honger tegen te gaan, de voedselaanvoerketen te verkorten en tot dan toe verdeelde gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. ‘Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s.’

    Door middel van stedelijke landbouw kunnen mensen hun intense teleurstelling in de regering opvangen en meer zelfvoorzienend worden, zeggen stadstuinders en wetenschappers. En nu de kosten voor levensonderhoud in Zuid-Afrika de pan uit rijzen en ook de werkloosheidscijfers tot grote hoogte stijgen, moeten de stadsbewoners zo snel mogelijk aan de slag om de dichtstbijzijnde stoep in een moestuin te veranderen.

    Als het voedsel eenmaal is geoogst, is de volgende stap om het uit te delen, en dan zullen als vanzelf de apartheid en de op klassenverschillen gebaseerde ruimtelijke segregatie verdwijnen, zegt Djo BaNkuna, een stoeptuinder uit Pretoria. In zijn achtertuin en op de stoep voor zijn huis verbouwt hij bananen, kruiden, avocado’s, spinazie, biet, zoete aardappel en uien. Hij en zijn vrouw, een maatschappelijk werkster, delen alles vervolgens uit in Soshanguve en omstreken, aan gezinnen met een kind aan het hoofd of gezinnen waarvan de ouders geen werk hebben.

    ‘Velen van ons hebben geen idee van de honger die er heerst. De tranen springen in mijn ogen als ik een kind van vijf zie dat al twee dagen niet heeft gegeten, hier in Soshanguve, niet ver van het winkelcentrum. Er zijn gezinnen met een meisje van dertien aan het hoofd, en dat meisje heeft dan de zorg voor vijf andere kinderen, die overdag naar het winkelcentrum gaan om te kijken of er nog wat restjes eten bij elkaar geschraapt kunnen worden. Ons land staat er heel slecht voor,’ zegt BaNkuna.

    BaNkuna kwam in november in de publiciteit toen de politie hem beval de groente uit te trekken die hij op de stoep voor zijn huis had geplant, en in plaats daarvan bloemen of gras te planten. Daarnaast moest hij een boete betalen van vijfhonderd rand [zo’n dertig euro]. Toen BaNkuna beide weigerde, moest hij voor de rechter verschijnen. De rechter trok de zaak tegen hem in.

    ‘Ik ben groot voorstander van tuintjes, maar onze overheid is niet bepaald vooruitstrevend op dat gebied. Het evangelie van de grote winkelketens zit er zo in geramd dat mensen niet langer op zichzelf en de natuur durven te vertrouwen, terwijl we geschikte grond hebben die ons in voedsel kan voorzien,’ zegt hij.

    Ui, kool en aardappel

    ‘Als je eenmaal een ui en kool hebt, heb je verder alleen nog maar gekookt maismeel nodig. En vervolgens kom je tot de ontdekking dat je geen maismeel nodig hebt, maar een aardappel die je ook zelf hebt geplant. Die drie dingen samen vormen een maaltijd. In Soshanguve word ik vaak vreemd aangekeken als ik zeg dat ik de kool heb verbouwd in mijn eigen stoeptuin. Voor velen van ons komt voedsel uit het winkelcentrum.

    Melissa Britz is een van de oprichters van Oppieyaart (In de tuin), een achtertuin vol medicinale kruiden, met de nadruk op inheemse planten. Samen met haar partner Lucelle Campbell heeft ze alles aangeplant in hun achtertuin in Elsies River, op de Kaapse Vlakte.

    ANP 427929419
    – Oogsten op een stadsboerderij in Banda Atjeh, Indonesië. Meer mensen in Indonesië hebben hun toevlucht genomen tot stadslandbouw omdat de aanhoudende Covid-19-pandemie hen dwong thuis te blijven. © Sepa / Hotli Simanjuntak

    Het project heeft zich nog niet uitgebreid naar de stoep, maar ze maken en distribueren wel compost om andere stadstuinders te helpen en om de vruchtbaarheid van de zanderige grond te verhogen in dit gebied, dat zich van nature niet echt leent voor het verbouwen van groente. In de achtertuin liggen enorme hopen compost, bestaande uit bladeren, gebruikte zakjes rooibosthee, gemaaid gras en groenteafval van de buren. Alles wat het Oppiyaart-team niet composteert, wordt gebruikt om mulch te maken. Zowel compost als mulch wordt gratis uitgedeeld.

    ‘Een van de belangrijkste dingen voor mensen die net beginnen, is de aarde beschermen tegen de zon, want er zit leven in de aarde: organismen, wormen, bacteriën en schimmels, die allemaal gevoelig zijn voor licht en de warmte van de zon. Het makkelijkste is om mulch te maken van wat er ook maar voorhanden is in het gebied waar je woont,’ zegt Britz.

    Zanderige grond houdt geen water vast en door de klimaatverandering en het veranderde patroon van regenval, moeten stadstuinders zorgen dat de grond meer water kan vasthouden, zegt ze.

    ‘Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen’

    Britz heeft net gember geoogst die acht maanden heeft gegroeid. Ze pakt een handvol van de donkerbruine, vochtige aarde waar de gember in heeft gestaan – het resultaat van haar inspanningen om de aarde te verrijken, van zanderig naar meer leemachtig. Ze voedt de aarde ook met wormenmest. ‘Een wormenfarm hoeft niet duur te zijn. We hebben een oude badkuip vol wormen, en zo komen er weer voedingsstoffen in de aarde.’

    Voor beide projecten wordt regenwater opgevangen in bakken, lege vaten en emmers die ze op de hoeken van het huis zetten, waar het water uit de goten loopt. Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen, zeggen ze.

    Robert Wolfe, die ook in het Oppieyaart-team zit, giet het regenwater vervolgens in lege frisdrankflessen, die hij opslaat om de tuinen in de droge maanden van water te kunnen voorzien. ‘We hadden bijna een hele kamer vol tweeliterflessen,’ zegt Britz.

    BaNkuna’s huis heeft geen dakgoten, maar als het hard regent verzamelt hij zo’n duizend liter water per nacht door domweg emmers bij de hoeken van zijn huis te zetten.

    Vers en organisch

    Het is van groot belang dat zo veel mogelijk mensen een tuintje bij hun huis aanleggen, aldus Munyaradzi Chitakira, een expert op het gebied van klimaatbestendige middelen van bestaan in rurale en stedelijke omgevingen, en verbonden aan Unisa (Universiteit van Suid-Afrika). ‘De voedselprijzen blijven maar stijgen en er is steeds meer werkloosheid. Het is heel belangrijk dat mensen nadenken over manieren om hun gezin van voedsel te voorzien. Vers en organisch voedsel is van groot belang, ook omdat je er zelf controle over kunt uitoefenen.’

    annie spratt GaLzDCnA5EI unsplash
    – Eten verbouwen op de stoep of in de achtertuin is voor velen een manier om zelfvoorzienend te worden. © Unsplash

    ‘Als je geen land hebt, gebruik dan emmers en blikken of iets anders waarin je iets kunt verbouwen, zodat je niet alles hoeft te kopen,’ zegt Chitakira. Hij voegt eraan toe dat gemeentebesturen zouden moeten zorgen voor stukjes grond en voor bewakers, zodat er buurttuinen kunnen worden aangelegd.

    Lokale buurttuintjes zijn van cruciaal belang om te komen tot kortere distributieketens

    Veel kleine moestuintjes vormen een integraal deel van klimaatbestendige stedelijke landbouw. Ze vormen een buffer tegen klimaatschokken omdat ze voedselzekerheid bieden aan gezinnen die lijden onder de gevolgen van de klimaatverandering. De gewassen zelf zorgen voor een vermindering van broeikasgassen, een effect dat nog eens wordt versterkt doordat er minder groente van commerciële boeren in vrachtwagens door het land vervoerd hoeft te worden.

    Ook Juanee Cilliers, een specialist stedelijke landbouw, denkt dat lokale buurttuintjes van cruciaal belang zijn om te komen tot kortere distributieketens en duurzamere vormen van landbouw.

    Uit onderzoek is al gebleken dat bestaande moestuintjes een waardevolle rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van bepaalde gemeenschappen. ‘Het potentieel van deze innovatieve markten is nog niet onderzocht, maar ze zouden een katalysator kunnen blijken voor stedelijke gemeenschappen in Zuid-Afrika, en ze zouden kansen kunnen bieden op het gebied van voedselzekerheid, werkgelegenheid, empowerment en ondernemingszin,’ aldus Cilliers.

    Gezamenlijke inspanning

    BaNkuna heeft onderzocht hoe de stijgende werkloosheidscijfers hebben geleid tot hongersnood, zelfs in dorpen in de buurt van Tzaneen in Limpopo – een vruchtbare streek met veel regen – waar de inwoners van oudsher hun eigen gewassen verbouwen en zelfredzaam zijn. ‘Ik kwam tot de ontdekking dat zelfs daar dorpskeukens moeten worden geïnstalleerd, omdat er honger heerst. Als je maismeel met zout moet eten, is dat niet fijn. Sterker nog, het is erg pijnlijk,’ zegt hij.

    Hoewel een groot deel van de bevolking kampt met extreme honger, collectief geschokt is door de ongekende corruptie die welig tiert binnen de overheid, en de gevolgen ondervindt van de klimaatverandering en de noodlottige modderstromen, zegt BaNkuna dat ze nooit de hoop mogen opgeven dat ze het land weer gezond kunnen maken door gezamenlijke inspanning – om te beginnen moet er een einde worden gemaakt aan het achterhouden van voedsel.

    ‘We moeten zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid’

    ‘Het is nergens voor nodig om voedsel achter te houden. Het is een eerste levensbehoefte, net als zuurstof. Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s en de Ngobeni’s zullen weer gaan praten met de Mahmoods. Zo zullen we de kloof overbruggen die is geslagen door ruimtelijke segregatie,’ zegt hij.

    Momenteel interviewt BaNkuna andere stoeptuinders voor een boek. Onlangs heeft hij een vrouw ontmoet die honderd meter stoep heeft bebouwd. De oogst zal genoeg zijn voor honderd gezinnen.

    ‘We moeten echt zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid. Ja, natuurlijk kun je zeep kopen in de supermarkt. Dat is normaal. Maar er is geen enkele reden om een ui of een zoete aardappel te kopen,’ besluit hij.

  • Hoe deze correspondent in Ethiopië in staatsvijand veranderde

    Hoe deze correspondent in Ethiopië in staatsvijand veranderde

    Tom Gardner, correspondent in Ethiopië voor The Economist, werd tegen wil en dank oorlogscorrespondent. Tot hij na een schimmige, tegen hem gerichte onlinehaatcampagne het land moest verlaten.

    Afgelopen juli reisde ik naar Amhara in de hoop soldaten te interviewen die gewond waren geraakt in Ethiopiës strijd tegen de rebellen van Tigray. Ik werd vergezeld door een jonge Ethiopische journalist, die tevens fungeerde als tolk. Voor een ziekenhuis werden we aangehouden door een groep federale politieagenten, die ons vervolgens in een jeep met een open dak gooiden. Terwijl wij op onze hurken in het voertuig zaten dat zich een weg baande naar een politiebureau, werden we omringd door vier of vijf agenten. Aan beide kanten van de straat stonden omstanders te joelen. De man die de auto achter ons bestuurde, staarde naar me en maakte een gebaar dat hij mijn keel zou doorsnijden. De politie begon ons te slaan, en de mond van mijn Ethiopische collega liep vol bloed van de klappen. Ik werd minstens twee keer met een geweerkolf op mijn hoofd geslagen. Ik smeekte de agenten met gebaren om te stoppen; ze lachten. Dat was een keerpunt voor mij. Het toch al autoritaire regime werd in deze burgeroorlog alleen nog maar bruter. Iedereen kon de vijand worden. Ook ik.

    Ik had niet verwacht dat ik oorlogscorrespondent zou worden. Net als veel mensen associeerde ik Ethiopië aanvankelijk met nieuws over hongersnood. Ik kreeg een genuanceerder beeld toen ik een master Afrikaanse politiek deed. In de paar jaar voordat ik in 2016 voor The Economist correspondent in Ethiopië werd, leek het land zich in een vreedzame, historische transformatie te bevinden. Ik raakte betoverd door het diepe historische besef van het land – de nationale mythe is zo’n drieduizend jaar oud –, door de schoonheid en door de energie van de hoofdstad. De staat bleef rigide en autoritair; de protesten ertegen werden steeds heviger. Maar van veraf leek Ethiopië nog steeds een land vol ambitie en mogelijkheden.

    In het begin schreef ik over verstedelijking en infrastructuur – spoorwegen, nieuwe huisvestingsprojecten, industrieparken en megadammen die dankzij Chinese investeringen en een Chinees model van door de staat geleide groei een enorme impuls hadden gekregen. De opkomst van Abiy Ahmed als premier in 2018 werd door velen gevierd en leidde zelfs tot ‘abiymania’. In popliedjes met titels als He Awakens Us (‘Hij maakt ons wakker’) werd zijn opkomst bezongen, mensen droegen T-shirts met zijn beeltenis en in een razend populair boek werd hij met Mozes vergeleken. Abiy bood ook een sprankje hoop op politieke openheid en persvrijheid; in 2019 kreeg hij de Nobelprijs voor de Vrede, voor het vredesakkoord met buurland Eritrea. Toen ik aan boord stapte van de eerste commerciële vlucht tussen de twee landen in twintig jaar en getuige was van de hereniging van geëmotioneerde families, voelde ik me tevens getuige van een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis.

    Tegenstromen

    Toch waren er ook tegenstromen. De kortstondige eenheid die Abiy bracht verhulde een complexe en pijnlijke realiteit. De tientallen jaren van dictatuur en het slepende grensconflict met Eritrea hadden de rivaliteit verdoezeld tussen de drie machtigste etnische groepen van het land: de Oromo, de Amhara en de kleinste van de drie, de Tigreeërs, die slechts 6 procent van de bevolking uitmaken maar tot voor kort veel macht hadden. De breuklijnen werden groter.

    Het Eritrese regime en Abiy hadden een gemeenschappelijke tegenstander in het Tigrayan People’s Liberation Front (TPLF, het Bevrijdingsfront van Tigray), dat in 1975 was begonnen als een bende guerrillero’s. In 1991 bracht het de militaire dictatuur van Ethiopië ten val en het domineerde vervolgens het regime dat het land gedurende meer dan een kwarteeuw zou besturen. Abiy verdreef het TPLF na publieke protesten tegen het heerszuchtige bewind van de partij en gaf het herhaaldelijk de schuld van de problemen in het land. Nadat Abiy vrede had gesloten met Eritrea, vreesden de leiders van het TPLF dat de legers van Eritrea en Ethiopië hun krachten zouden bundelen om Tigray, hun thuisland in het noorden, te belagen.

    Toen ik eind oktober 2020 Tigray bezocht, lag de mobiele communicatie urenlang lang plat vanwege de oplopende spanningen, een voorbode van een veel langere stroomstoring in de regio. Enkele dagen later brak de oorlog uit, nadat Tigrese troepen een kazerne van het federale leger hadden aangevallen. De oorlogskoorts greep snel om zich heen in Addis Abeba, met bloedinzamelingen en betogingen ter ondersteuning van de regeringstroepen. Tigrese militieleden richtten een bloedbad aan onder Amhara in een grensstad in Tigray; bij vergeldingsaanvallen werden Tigrese burgers gedood of uit hun huis verjaagd. Er doken video’s op van stapels lijken; lichamen werden door huilende familieleden door de straten gedragen. Het regime van Abiy greep deze beelden aan om het conflict met terugwerkende kracht te rechtvaardigen. De propagandastrijd was begonnen.

    ‘Samen met andere journalisten werd ik ervan beschuldigd de kant van het TPLF te kiezen’

    Opeens deed ik verslag van een oorlog. Voor sommige aanhangers van Abiys regering diende ik een geheim doel: op sociale media bestempelden leden van de Ethiopische diaspora mij als een agent van de CIA (later zou ik ook een agent van MI6 worden genoemd). Samen met andere journalisten werd ik ervan beschuldigd de kant van het TPLF te kiezen. Aanvankelijk lachte ik dergelijke samenzweerderige beschuldigingen weg. Er waren op dat moment weinig tekenen dat de regering dergelijke praatjes serieus zou nemen. Maar onafhankelijke Ethiopische journalisten stonden al onder druk. Na het uitbreken van de oorlog werden er regelmatig journalisten gearresteerd die het hadden gewaagd de officiële regeringslijn tegen te spreken. Sommigen van hen werden fysiek mishandeld.

    Een groot Brits complot

    Al snel namen de aanvallen van het regime toe, tegen mij en andere buitenlandse journalisten, tegen medewerkers van mensenrechtenorganisaties, de Verenigde Naties en andere internationale instellingen. In december 2020 publiceerde een plaatselijk tijdschrift een coverstory waarin ik, samen met een absurd lange lijst van buitenlandse en plaatselijke journalisten, ervan werd beschuldigd deel uit te maken van een groot Brits complot om de regering van Abiy omver te werpen.

    Dat een gevestigde journalist dergelijke leugens kon verspreiden in een blad dat door velen als respectabel werd beschouwd, wees op een verontrustende verschuiving. Regeringsambtenaren leken zich achter het verhaal te scharen. Een van hen raadde het zelfs aan een ander lid van de buitenlandse pers aan.

    Regeringsgezinde activisten en trollen deden online soortgelijke aanvallen op mij en anderen. Op Facebook begon een bericht te circuleren: een verzameling politiefoto’s van buitenlandse en Ethiopische journalisten en academici – waaronder die van mij – moest suggereren dat we misdadigers waren en het TPLF steunden. Het bericht dook telkens op wanneer in de westerse pers een verhaal verscheen waarin het regime van Abiy in een negatief daglicht werd gesteld. En dat gebeurde vaak, want regeringstroepen blokkeerden de regio; mensenrechtengroeperingen beschuldigden de troepen van etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid, waaronder massamoord, uithongering en verkrachting. Ik deed verslag van deze gruweldaden, net als andere journalisten, en twitterde erover. Er verscheen een Facebookpost met beelden van twaalf buitenlandse correspondenten, waaronder ik: ‘Volg deze mensen op Twitter en stel hun leugens aan de kaak’, aldus het bericht waarin wij ‘sympathisanten van het TPLF’ werden genoemd.

    ‘Twitter en Facebook hadden tijdens de oorlog allebei een andere functie’

    Twitter en Facebook hadden tijdens de oorlog allebei een andere functie. Twitter was een forum voor internationale, Engelstalige discussies, waar leden van de diaspora en mensen in Ethiopië een propagandaoorlog voerden die, althans ten dele, was bedoeld voor een buitenlands publiek. Op Facebook verspreidden Ethiopiërs in toenemende mate haatzaaiende taal en desinformatie in lokale talen, die soms aanzette tot geweld in de echte wereld.

    Propagandaoorlog

    Ook Abiy zelf gooide olie op het vuur van de propagandaoorlog. In april 2021 drong hij er bij Ethiopiërs op aan niet te zwichten voor de ‘campagnes’ van westerse media. In augustus riep hij op tot een massale socialemediacampagne om ‘leugens’ in de westerse media te bestrijden. Diezelfde maand beschuldigden staatsmedia mij, samen met journalisten van de BBC, CNN en The New York Times ervan voor het TPLF te werken. De staat moedigde nu openlijk vijandigheid aan tegen westerse media en tegen mensenrechtengroeperingen en internationale instellingen die toezicht hielden op de oorlogsmisdaden van het regime.

    Tigreeërs en andere Ethiopiërs hadden het meest te lijden. Rond augustus 2021 hadden buitenlandse media en Amnesty International de systematische verkrachting en seksuele uitbuiting van Tigrese vrouwen door Eritrese en Ethiopische soldaten gedocumenteerd. Door Tigrese troepen bleken eveneens massale verkrachtingen te hebben plaatsgevonden tegen vrouwen in de regio’s Amhara en Afar. Op sociale media voerden regeringsfunctionarissen en hun aanhangers een wrede campagne om de Tigrese beschuldigingen in twijfel te trekken. Zij beweerden dat de getuigenissen van slachtoffers vals of overdreven waren, dat verkrachtingen alleen in Tigray voorkwamen en dat veel van die aanrandingen in werkelijkheid waren gepleegd door Tigrese criminelen die uit de gevangenis waren vrijgelaten. Ook werden Tigrese vluchtelingen in Soedan afgeschilderd als aanstichters van een bloedbad, zodat Tigrese beweringen over oorlogsmisdaden in een kwaad daglicht werden gesteld. Verdedigers van het regime bagatelliseerden gruwelijke daden en bestempelden enkele gedocumenteerde incidenten zelfs als leugens, waaronder een video waarop te zien is dat veiligheidstroepen een man levend verbranden. Ethiopië leek tweet na tweet, Facebookpost na Facebookpost verder te worden verscheurd.

    ‘Op sociale media verschenen voortdurend berichten met mijn gezicht erin’

    Verzet tegen buitenlandse belangen van welke aard dan ook stapelden zich op. Een campagne met de hashtag #NoMore werd eind 2021 trending op Twitter en Facebook, waarbij #NoMore sloeg op een einde aan westerse inmenging, kolonialisme en leugens. Op sociale media verschenen voortdurend berichten met mijn gezicht erin. Voelde ik me voorheen veilig in Addis Abeba, nu begon ik me zorgen te maken dat ik in het openbaar zou worden herkend en mishandeld, of dat ik op een dag thuis zou komen en ontdekken dat mijn huisbaas de sloten had veranderd.

    Deels was ik paranoïde. In die tijd werden duizenden Ethiopiërs, meestal etnische Tigreeërs, opgepakt en in interneringskampen gegooid. Toen mijn Ethiopische collega en ik in Amhara in elkaar werden geslagen, kreeg mijn collega het zwaarder te verduren. Buitenlanders waren relatief veilig. Maar ik merkte dat die onlinezwartmakerij mijn echte leven begon binnen te sijpelen. Medio 2021 hingen in delen van Addis Abeba reclameborden met de oproep aan ‘blanke duivels’ om het land te verlaten. Ze waren afkomstig van een hel-en-verdoemenisprediker die reclame maakte voor zijn YouTubekanaal. Maar het was veelzeggend dat de regering ze liet hangen.

    GettyImages 1364509277 1
    Het wrak van een grote tank in de stad Haik in de Ethiopische regio Wollo. Haik is een van de steden die langdurig zijn bezet door het Tigrayan People’s Liberation Front sinds de invasie in de regio Amhara, die in juli 2021 begon. – © J. Countess / Getty

    Status als buitenstaander

    Ik werd me steeds meer bewust van mijn status als buitenstaander: gewantrouwd, onwelkom. Ik was met vrienden op reis in de oostelijke stad Harar toen de eigenaar van een bar me op een avond zei dat ik, omdat ik Brits was, wel journalist moest zijn – en dat ik, als ik een Britse journalist was, wel door het TPLF zou worden betaald. Geschrokken verdween ik in de nacht. Toen het regime eind vorig jaar de noodtoestand afkondigde, begon de politie overal in de hoofdstad huiszoekingen te doen en arrestaties te verrichten. Wekenlang heb ik onrustig geslapen, in afwachting van die luide klop op de deur.

    In maart dit jaar kwam de regering een wapenstilstand overeen met het TPLF. De situatie was rustiger geworden en de betrekkingen tussen het regime van Abiy en het Westen waren aan het verbeteren. Ik bleef me verdiepen in het mechanisme achter de oorlog. Ik was geïnteresseerd in hoe onderzoek dat in Ethiopië werd uitgevoerd door een westerse geleerde de regering in staat leek te stellen oorlogsmisdaden te vergoelijken, waaronder het gebruik van honger als wapen tegen Tigray. Een beleefde e-mail die ik op 1 mei naar een westerse denktank stuurde, leidde tot een nieuwe onlinehaatcampagne die twee weken duurde, dit keer tegen mij persoonlijk. Mijn e-mail aan de denktank werd openbaar gemaakt op Twitter, waar regeringsgezinde figuren opnieuw de beschuldiging verspreidde dat ik in naam van het TPLF opereerde. Maar er was ook iets veranderd: er gingen nu ook stemmen op om mijn accreditatie als journalist in te trekken.

    ‘De volgende dag belde een immigratiebeambte me om te zeggen dat ik 48 uur had om het land te verlaten’

    Sommige berichten op sociale media waren afkomstig van de Ethiopische diaspora, andere van westerse verdedigers van Abiy. Staatsmedia publiceerden opnieuw beweringen over mijn ‘verachtelijke gedrag’, samen met de suggestie dat ik ‘naar huis zou worden geroepen om ontslagen te worden’. Op 13 mei ontboden de media-autoriteiten van de regering me op hun kantoor en overhandigden me een brief: mijn persaccreditatie was ingetrokken. De volgende dag belde een immigratiebeambte me om te zeggen dat ik 48 uur had om het land te verlaten. Van het ene op het andere moment was mijn leven in Ethiopië voorbij.

    Arrestaties

    Sinds mijn vertrek in mei zijn in korte tijd nog veel meer Ethiopische journalisten en activisten gearresteerd. Een van de gearresteerden is de auteur van het verhaal in het tijdschrift waarin ik en andere journalisten aan het begin van de oorlog werden aangevallen. Zelfs hij had zich niet trouw genoeg getoond aan de regeringslijn. (Volgens zijn familie is hij tijdens zijn hechtenis geslagen.) Hij is een van de tientallen andere schrijvers, commentatoren en fotografen die sinds 2020 gevangen zijn gezet. Vorig jaar werden twee journalisten vermoord. Verscheidene andere buitenlandse journalisten zijn verbannen of hebben een werkverbod gekregen. De Ethiopische commissaris voor de mensenrechten noemde de situatie een ‘nieuw dieptepunt’ voor het land.

    Vrienden in Addis Abeba stuurden me een video die een paar dagen nadat ik het land was uitgezet werd gepost. Een Ethiopische commentator, Seyoum Teshome, was mijn vertrek aan het vieren in een talkshow op YouTube. Als een opgehitste Tucker Carlson schreef hij in zijn tweets het woord ‘journalisten’ tussen aanhalingstekens. Nu expliciteerde hij zijn beschuldiging dat ik en anderen voor het TPLF werkten. ‘Tom Gardner is het land uitgezet, toch? En waarom?’ zei hij, in het Amhaars. ‘Ik heb dertig of veertig keer bewezen dat hij een crimineel is. Voordat hij het land werd uitgezet, zei ik al tegen jullie: houd hem in de gaten, nietwaar?’ Hij zei ‘duizend keer’ te hebben bewezen dat ik deel uitmaakte van het TPLF.

    Moderne digitale oorlogsvoering, bedoeld om verwarring te zaaien, wordt nu overal gevoerd

    Deze tirade op televisie, inmiddels meer dan honderdduizend keer bekeken op YouTube, was de kroon op de lange digitale campagne tegen mij. Moderne digitale oorlogsvoering, bedoeld om verwarring te zaaien, wordt nu overal gevoerd, van Oekraïne en Syrië tot China en verder. Deze ervaring herinnert me er op pijnlijke wijze aan dat China niet alleen model heeft gestaan voor de door de staat gestuurde economische ontwikkeling van Ethiopië. De regering heeft duidelijk meer verontrustende lessen geleerd van China en andere autoritaire staten. Ze heeft geleerd hoe ze een moderne, digitale autocratie kan worden.

  • Afrika biedt Europa een alternatief voor Russisch gas – maar tegen welke prijs?

    Afrika biedt Europa een alternatief voor Russisch gas – maar tegen welke prijs?

    De oorlog met Rusland heeft ervoor gezorgd dat de EU haar vizier richt op Afrika voor olie en gas. Het continent heeft die brandstoffen evengoed nodig.

    Naar aanleiding van de Russische invasie in Oekraïne is de EU al een tijdje wanhopig op zoek naar vervangers voor steenkool, olie en gas. In het document REPowerEU stelt de Europese Commissie zich ten doel ‘Europa vóór 2030 onafhankelijk te maken van Russische fossiele brandstoffen’. Daartoe wil de EU in de eerste plaats samenwerken met ‘internationale partners om alternatieve energiebronnen te vinden’, zoals het gas dat in sommige Afrikaanse landen onder de grond is opgeslagen.

    De Afrikaanse regeringen verwelkomen deze verandering in het Europese beleid met open armen. Vóór de oorlog was Algerije al de op twee na grootste leverancier van aardgas aan Europa via pijpleidingen naar Spanje en Italië. Een ander belangrijk aandeel wordt over zee vervoerd als vloeibaar aardgas (lng), vanuit de Golf van Guinee (Nigeria, Angola en Equatoriaal-Guinea).

    In de afgelopen maanden hebben verschillende Europese ambtenaren Algiers, Dakar, Abuja, Brazzaville en Luanda bezocht om de mogelijkheden voor grotere gasinvoer te onderzoeken. De Europese Commissie heeft een tripartiete overeenkomst ondertekend om de aankomst van Israëlisch gas via Egypte te verzekeren. Bovendien worden de investeringen van Europese ondernemingen in lng-projecten nieuw leven ingeblazen. Enkele voorbeelden: BP in Senegal en Mauritanië; ENI in Algerije, Egypte, Nigeria, Angola en de Republiek Congo; Equinor en Shell in Mozambique en Tanzania.

    Afrikaanse ontwikkeling

    Aardgas wordt echter niet alleen geëxporteerd, maar ook steeds meer binnen Afrikaanse landen gebruikt. Het wordt veelal gezien als een belangrijke stap richting de energietransitie, en een garantie voor ontwikkeling. Gasflessen kunnen heviger vervuilende energiebronnen als brandhout of houtskool vervangen, die nu nog op grote schaal in Afrikaanse huishoudens worden gebruikt, en die slecht zijn voor de gezondheid.

    De belangrijkste toepassing van gas – vooral in een werelddeel waar maar weinig mensen toegang hebben tot stroom – is het opwekken van elektriciteit. Hiervan wordt al gebruikgemaakt in landen als Ghana, dat weliswaar het grootste deel van zijn olie naar internationale markten exporteert, maar gas gebruikt om in elektrische energie te voorzien. Bovendien kunnen zowel de nationale als de regionale markten via pijpleidingen van aardgas worden voorzien.

    Momenteel doorkruist de West-Afrikaanse gaspijpleiding het grondgebied van Nigeria, Benin, Togo en Ghana en een andere pijpleiding verbindt Zuid-Afrika met Mozambique. Dat systeem wordt nog verder uitgebreid via verschillende projecten, zoals de Afrikaanse Renaissance-pijpleiding – een van de twee tussen Mozambique en Zuid-Afrika – en een initiatief dat de levering van gas vanuit Tanzania aan Oeganda mogelijk maakt. In Nigeria werkt men ten slotte aan de Trans-Sahara-gaspijpleiding, die reikt tot aan Algerije, en aan een leiding tussen Nigeria en Marokko. Belangrijk aan deze laatste twee pijpleidingen is dat ze kunnen worden aangesloten op de Europese gasnetwerken.

    Export leidt hoe dan ook tot de uitputting van een niet-hernieuwbare hulpbron

    Maar is dat wel mogelijk, om tegelijkertijd naar buiten toe uit te breiden en intern te optimaliseren? Zijn die twee doelen verenigbaar? Kunnen gasleveringen aan Europa worden verhoogd terwijl tegelijkertijd de Afrikaanse huishoudens en productiesector van energie worden voorzien? Hoe kunnen projecten op de buitenlandse markt worden gecombineerd met de energietransitie waar zoveel mensen in Afrika en Europa terecht om vragen?

    Sommigen zijn van mening dat al deze doelstellingen samenvallen. Hun voornaamste argument is het geloof dat groeiende Europese belangstelling zal leiden tot de investeringen die nodig zijn om de energiebronnen te exploiteren. Verder wordt beweerd dat de uitvoer van gas naar Europa Afrikaanse landen aanvullende middelen zal verschaffen om in de eigen ontwikkeling te investeren. Maar er zijn factoren die stemmen tot een minder optimistische houding.

    Risico’s van aardgas

    De energiebehoeften van Afrika zijn veel groter dan die van Europa. Hoezeer de productie en beschikbaarheid van gas op een gegeven moment ook mogen toenemen, export leidt hoe dan ook tot de uitputting van een niet-hernieuwbare hulpbron. Zo kan een soort hypotheek ontstaan, die de middellange- en langetermijnstrategie voor de ontwikkeling van Afrikaanse energie en industrie in de weg staat.

    De infrastructuur die de elektriciteitsvoorziening en de levering van gasflessen aan huishoudens op het continent mogelijk maakt, is niet geschikt voor de export van gas. Waar sprake is van gasexport, ontstaan vaak zogenaamde enclave-economieën. Er zijn talrijke verhalen over mislukte ontwikkelingsprocessen die geworteld waren in de winning en verkoop van natuurlijke hulpbronnen.

    De aanleg van meer gasinfrastructuur zou ontwikkeling dus flink kunnen tegenwerken

    Ook vanuit andere hoek klinken tegenargumenten, namelijk van Afrikaanse milieugroeperingen: gas is een fossiele brandstof, die bijdraagt aan klimaatverandering. Investeren in gas betekent dus dat er minder geld wordt besteed aan de bevordering van hernieuwbare energiebronnen. De Europese belangstelling zou bovendien van korte duur kunnen blijken, aangezien de EU ernaar streeft haar afhankelijkheid van fossiele brandstoffen vóór 2030 drastisch te verminderen. De aanleg van meer gasinfrastructuur zou ontwikkeling dus flink kunnen tegenwerken.

    Net als andere onderaardse grondstoffen leidt de aanwezigheid van gas nogal eens tot perverse, politieke situaties in landen waar het sociaal contract tussen heerser en burger op losse schroeven staat. Zo worden de opbrengsten van gasverkoop vaak ingezet om de macht en de rijkdom van machthebbers uit te breiden, en niet om openbare diensten en economische ontwikkeling te financieren.

    Het spreekt voor zich dat de stabiliteit van het sociaal contract en van staatsinstellingen in verschillende Afrikaanse landen sterk uiteenloopt. Maar externe partijen maken geen onderscheid tussen meer of minder democratische regeringen. Paradoxaal genoeg kan Europa’s streven om op het gebied van energie autonoom te worden en niet langer afhankelijk te zijn van een autocraat als Vladimir Poetin, uiteindelijk een steun zijn voor andere autocraten.

    Toekomstige dilemma’s

    Op een moment als dit, waarop iedereen onder hoogspanning staat, zullen Afrikaanse en Europese leiders weinig interesse hebben in deze redenen, die ertegen pleiten om Europa van meer Afrikaans gas te voorzien. Gelukkig neemt dit alles niet de aandacht weg van de tweede en derde strategie van het REPowerEU-plan, waarmee enige vooruitgang kan worden geboekt, namelijk energiebesparing en versnelde overgang op hernieuwbare energiebronnen.

    Ook Afrika kan een belangrijke rol spelen bij de productie van deze schone energiebronnen, zowel voor binnenlands gebruik als voor export. Maar ook dit toekomstbeeld levert dilemma’s op. We kunnen nog niet voorzien wat voor evenwicht Afrikaanse leiders vinden tussen de belangen van internationale investeerders en de behoeften van hun eigen burgers.

    Lees ook:

  • Gokken met graan: hoe westerse speculanten verdienen aan honger in Afrika

    Gokken met graan: hoe westerse speculanten verdienen aan honger in Afrika

    Amerikaanse en Europese handelaren proberen hoge winsten te behalen met tarwespeculatie. De wereldwijde voedselprijzen zijn dan ook nog nooit zo hoog geweest. Met als gevolg dat miljoenen mensen verhongeren.

    Egypte importeert het grootste deel van zijn tarwe. De explosie van de broodprijs in 2011 zorgde voor protesten die uiteindelijk de regering omver zouden werpen. In april van dit jaar kocht de Egyptische staat 350.000 ton tarwe voor 450 dollar per ton, 427 euro. In februari was dat nog 252 dollar voor tarwe van dezelfde kwaliteit.

    In die tussenliggende twee maanden viel Rusland Oekraïne binnen. Beide landen behoren tot ’s werelds belangrijkste graanproducenten. Sancties en oorlog betekenen minder graan. Maar andere landen zijn in het gat gesprongen en verbouwen nu meer graan. Dus er moeten andere factoren in het spel zijn die de prijs van graan en andere basisvoedingsmiddelen opdrijven.

    Onderzoek door de Europese non-profitorganisatie voor onderzoeksjournalistiek Lighthouse Reports, waar The Continent aan deelnam, wijst uit dat een van de belangrijkste oorzaken van de hoge voedselprijzen ongebreidelde speculatie is. Enkele investeerders hebben handig gebruik gemaakt van de mazen in de Europese en Amerikaanse wetgeving.

    Meer voedsel maar hogere prijzen

    Volgens de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, zijn de voedselprijzen gemiddeld een derde hoger dan vorig jaar. Ze liggen zelfs op het hoogste niveau sinds de organisatie in 1990 de gegevens begon bij te houden. Het Wereldvoedselprogramma verwacht dat hun voedselkosten dit jaar met 50 procent zullen stijgen. Alleen al in West-Afrika nemen die kosten dit jaar toe met 136 miljoen dollar.

    GettyImages 1395731677

    Een officier van het Oekraïense leger inspecteert een graanopslagplaats die door Russische troepen werd beschoten nabij de
    frontlinies van Cherson in Novovorontsovka, Oekraïne. – © John Moore/Getty Images

    Dit is de derde voedselprijzencrisis in vijftien jaar. Een stijging van de voedselprijzen met 1 procentpunt zorgt er volgens de Wereldbank voor dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft met zo’n 10 miljoen toeneemt. Opmerkelijk genoeg is de wereldvoedselproductie in diezelfde vijftien jaar juist toegenomen. Wereldwijd is er momenteel ongeveer een derde meer graan voorradig dan nodig is om iedereen te voeden. En dat ondanks politieke instabiliteit en klimaatverandering.

    Een aanwijzing voor wat er aan de hand is, komt van de Parijse markt voor maaltarwe, de grootste graanmarkt in Europa. In 2018 was ongeveer een kwart van de voedselcontracten op deze markt gericht op speculatie. Dat aantal is inmiddels verdrievoudigd tot driekwart.

    Een gezonde mate van speculatie stelt landbouwers en graankopers in staat om hun risico’s af te dekken

    Deze markten maken het mogelijk om de toekomstige voedselvoorraad nu al te verkopen. Gewoonlijk verwacht een boer aan het eind van het seizoen een bepaalde hoeveelheid tarwe te oogsten. Een molenaar gaat ermee akkoord om zijn graan tegen een bepaalde prijs te kopen. De boer krijgt geld en kan zo betalen voor kunstmest en alle andere zaken die hij nodig heeft voor het verbouwen van het graan. Uiteindelijk wordt de tarwe geleverd. Maar aan deze gang van zaken is een risico verbonden. Gewassen kunnen mislukken. Oorlogen kunnen uitbreken. Een recordoogst kan tot een prijsval leiden.
    Om dat risico te beheersen kan de molenaar zijn contract voor de hoeveelheid graan verkopen op de termijnmarkt, de markt voor zogenoemde futures. En daar kunnen speculanten opduiken: een investeerder die meteorologische patronen of vraagcycli bestudeert en die erop gokt dat de prijs zal stijgen tegen de tijd van de oogst, koopt dan het contract van de molenaar. Een gezonde mate van speculatie stelt landbouwers en graankopers in staat om hun risico’s af te dekken en hun inkomens minder wisselvallig te maken dan het weer.

    Als een zogenaamde hefboom tegen inflatie hebben institutionele beleggers sinds de millenniumwisseling steeds meer geïnvesteerd in de futuresmarkten voor grondstoffen
    Maar speculatie kan ook te ver gaan. Als er ‘buitensporig’ veel wordt gespeculeerd, kan de stijgende vraag van speculanten die proberen te profiteren van een voorspelde prijsstijging de prijzen van futures dermate doen stijgen dat deze niet meer worden bepaald door vraag en aanbod van het voedsel zelf. En omdat de prijzen van futures worden gebruikt als maatstaf voor de werkelijke tarweprijzen, heeft dit invloed op de prijs van levensmiddelen.

    Vraag en aanbod zijn dan niet langer de belangrijkste arbiters voor de prijs

    Dergelijke speculatie betekent dat een ander soort logica wordt losgelaten op de kosten van levensmiddelen. Als een zogenaamde hefboom tegen inflatie hebben institutionele beleggers zoals pensioenfondsen sinds de millenniumwisseling steeds meer geïnvesteerd in de futuresmarkten voor grondstoffen. Volgens deskundigen betekent dit dat de prijs van futures wordt gedicteerd door hun investeringsbeslissingen, die niets te maken hebben met fundamentele marktontwikkelingen.

    Normaal gesproken wordt voedsel gekocht in de verwachting dat het daarna met winst kan worden doorverkocht. Hoe meer voedsel er is, hoe goedkoper het wordt en des te minder winst er wordt gemaakt. Dat betekent dat voedselprijzen geleidelijk van jaar tot jaar veranderen doordat droogte en overstromingen wereldwijd worden afgewisseld met recordoogsten. Maar door te veel speculatie van beleggers die voedsel als handelswaar beschouwen, verandert dat. Vraag en aanbod zijn dan niet langer doorslaggevend voor de prijs. In de afgelopen vijftien jaar heeft dit ertoe geleid dat de voedselprijzen schommelden, terwijl het mondiale aanbod ondertussen stabiel bleef.

    ‘Gokken op honger’

    In gesprek met het consortium van nieuwsredacties zei Olivier De Schutter, de speciale VN-rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten en medevoorzitter van het internationale panel van deskundigen inzake duurzame voedselsystemen, dat bepaalde fondsen ‘gokken op honger, waardoor de honger verergert’. Tussen januari en april werd ten minste 1,3 miljard dollar gestort in twee van die fondsen onder beheer van Teucrium en Invesco; 589 miljoen dollar daarvan kwam in de eerste week van maart binnen. Ter vergelijking: vorig jaar brachten ze 200 miljoen dollar op. De vraag naar aandelen in Teucrium explodeerde en The New York Times meldde dat er geen aandelen meer beschikbaar waren voor mensen die wilden meeprofiteren.

    Afgelopen oktober schreef de tarwefondsmanager van Teucrium op de website van het bedrijf: ‘Terwijl voedselinflatie de wereldeconomie negatief dreigt te beïnvloeden, kunnen goed geïnformeerde beleggers mogelijk profiteren van een trend van stijgende prijzen.’ In een rapport over voedselprijzen dat deze week werd gepubliceerd wijst het panel voor voedselsystemen van De Schutter erop dat de hoge prijzen worden opgedreven door ‘roofzuchtige financiers die weddenschappen afsluiten op voedsel’ en ‘gokken met voedselprijzen’.

    In reactie op de vragen van het consortium zei Teucrium slechts: ‘Investeringsstromen op het gebied van grondstoffen stimuleren de productie, de efficiëntie en de investeringen, wat uiteindelijk resulteert in een betrouwbaarder aanbod van basis(voedsel)producten en verminderde prijsschommelingen op termijn.’

    In Congo verkeren 21 miljoen mensen in een voedselcrisis en nog eens 7 miljoen in een noodsituatie

    Invesco wees extreem weer aan als aanjager van prijsschommelingen en zei: ‘Fundamentele economische factoren zoals marktvraag en aanbodvoorwaarden, bieden de meest consistente verklaring voor de recente prijsontwikkelingen van grondstoffen.’

    Deze week verscheen het zesde Global Report on Food Crises, een samenwerkingsverband van organisaties zoals het Wereldvoedselprogramma. Uit dit rapport blijkt dat van de 90 miljoen mensen in de Democratische Republiek Congo er bijna 21 miljoen zijn die kunnen worden geclassificeerd als ‘verkerend in een voedselcrisis’. Dat houdt in dat mensen maaltijden overslaan en al hun spaargeld moeten aanspreken om te kunnen eten. Nog eens 7 miljoen mensen verkeren in een noodsituatie, wat betekent dat mensen sterven van de honger. De verwachting is dat de stijgende voedselprijzen de honger dit jaar nog zullen verergeren, vooral in Noord-Nigeria, Burkina Faso, Niger, Kenia, Zuid-Soedan en Somalië.

    In de tussentijd profiteert een kleine minderheid en lijden nog veel meer mensen honger
    Het effect van voedselspeculatie op de stijging van de voedselprijzen is niet volledig duidelijk, want de voornamelijk westerse markten die gokken met de mogelijkheid van mensen om hun gezin te voeden, zijn niet verplicht hun gegevens in detail te overleggen.

    Toen zich in 2007 een soortgelijke crisis rond de voedselprijzen voordeed, kwamen regelgevers in Europa en de Verenigde Staten in actie. Maar de industrie reageerde door intensief te lobbyen en rechtszaken aan te spannen. De regelgeving die aanvankelijk al zwak was, werd in 2020 nog verder afgezwakt. Het gevolg daarvan is dat voedsel duurder wordt en er weinig mogelijkheden zijn om dat tegen te gaan. In de tussentijd profiteert een kleine minderheid en lijden nog veel meer mensen honger.

    Lees ook:

  • ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    Wat voor ‘anders’ of ‘de ander’ doorging is eeuwenlang bepaald door de koloniale Europese samenleving. Volgens Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy, grondlegger van de xenologie, is elke vorm van anders-zijn een construct. In zijn leer gaat het altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Eeuwenlang werden geschiedenis en filosofie bepaald door de koloniale Europese samenleving. Die definieerde wat voor anders doorging, en creëerde zo perspectief, hiërarchie en uitbuiting. Met zijn eigen ervaringen in de vroegere Duitse kolonie Kameroen als vertrekpunt ontvouwde Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy een theorie die hem tot een pionier in de postkoloniale kritiek maakte. De xenologie die hij ontwikkelde maakt het anders-zijn los van het subject en heeft in plaats daarvan oog voor systemen die, gedreven door belangen, het concept ‘anders’ gebruiken om macht te kunnen uitoefenen. Een gesprek over een theorie die niet alleen inzichten wil bieden, maar ook gerechtigheid tot doel heeft.

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn

    Professor Duala-M’bedy, men ziet u als de grondlegger van de xenologie. Wat is de kern van haar kennisleer?

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn, en daarmee een principiële kritiek op antropologie en etnologie. Ten grondslag aan de klassieke etnologie ligt het evolutionistische denken dat een hiërarchische indeling van de mensheid rechtvaardigt. Het schortte echter aan een wetenschappelijk gefundeerd vertoog tegen een dergelijke denkwijze. Met mijn theorie van de xenologie is dat veranderd.

    Welke gedachte ligt aan deze theorie ten grondslag?

    In de xenologie worden het anders-zijn en ook de wijze van omgaan met het anders-zijn vervangen door het concept van het ‘xenische systeem’.

    Uw vertrekpunt is dus niet het anders-zijn maar het extern ontwikkelde systeem.

    Precies, want achter het fenomeen ‘anders’ schuilt geen subject maar een construct, een systeem. Het ‘xenische systeem’ is dus een filter waardoor elke samenleving een andere samenleving omzet in taal en symbolen. En zoals bij ieder systeem gaat het hierbij om ideologie.

    WIE IS DUALA-M’BEDY?

    Léopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy (Duala, 1936) is een Kameroens politicoloog, socioloog, etnoloog en xenoloog. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke discipline van de xenologie. Duala-M’bedy komt uit het geslacht Duala-Bell, het koningshuis van Kameroen. Op veertienjarige leeftijd ging hij in Parijs naar een middelbare school; daarna studeerde hij er aan de Sorbonne. In 1962 promoveerde hij aan de Universiteit van Wenen en in 1972 habiliteerde hij (een soort tweede promotie waarmee het doceerrecht wordt verworven) als Alexander von Humboldt-bursaal bij de geschiedfilosoof Eric Voegelin. Zijn belangrijkste boek Xenologie: Die Wissenschaft vom Fremden und die Verdrängung der Humanität in der Anthropologie verscheen in 1977.

    Met als consequentie?

    Het discours over anders-zijn is altijd ook een discours over macht. Met behulp van de xenologische methode analyseren we zulke systemen om te achterhalen wie het anders-zijn creëert, en met welk doel. Want ten principale bestaat anders-zijn niet. Elke vorm van anders-zijn is een construct. Xenologie is niet alleen de wetenschap van het andersoortige en van de extern ontwikkelde systemen, ze ziet zichzelf ook als de wetenschap van die mensen die in de perceptie van de Europeanen geen geschiedenis hebben.

    Wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens

    Hegel bijvoorbeeld schreef dat Afrika geen geschiedenis had; Afrika had geen aanspraak op geschiedenis. Maar wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens. De mensen uit het zogeheten Zuiden werd daarmee het mens-zijn ontzegd, in een dergelijke logica bestonden zij eenvoudigweg niet. Dat is het lot van allen die ‘ontdekt’ werden, dus van alle mensen die ‘ontdekt’ werden door mensen die het wetenschappelijke discours domineerden. Ik heb daarom gezocht naar een wetenschappelijke categorie die recht doet aan het fenomeen ‘anders’. Het door mij ontwikkelde xenische narratief benoemt elke manifestatie van het anders-zijn en legt de machtsberekening bloot. Overigens doe ik met deze kennisleer niet alleen recht aan de Afrikaanse mens, het gaat in de xenologie altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Heeft u in de ontwikkeling van de xenologie eigen ervaringen verwerkt?

    De xenologie kent een sterke biografische impuls, mijn levensverhaal volgt het voetspoor van de veroveraars van Afrika. Het begint bij de invloed van mijn ouders. Wij waren een godsdienstig gezin, gingen regelmatig naar de kerk. Mijn vader heeft me bijgebracht wat rechtvaardigheid betekent, mijn uitgesproken gevoel voor gerechtigheid heb ik van hem. Mijn moeder gaf me rechtlijnigheid en scherpzinnigheid mee. Beiden wilden dat ik priester werd, mijn zus woont als abdis in Zuid-Frankrijk. De eerste kerkmensen die bij ons in Duala arriveerden, waren Duitse protestanten. Mijn vader sprak vloeiend Duits en ook vloeiend Engels. In ons gezin werd Frans gesproken, de taal van de kolonisator.

    WAT IS XENOLOGIE?

    Qua kennistheorie bouwt de xenologie voort op de basisveronderstelling dat ‘de ander’ als zodanig niet bestaat, maar dat de aanduiding van mensen als ‘anders’ altijd wordt ingegeven door belangen met als oogmerk het creëren van machtsverschil. Het racistische discours over de ‘ander’ dat sinds de ontdekking van Amerika de relatie tussen Europa en de niet-Europese wereld heeft bepaald, komt volgens Duala-M’bedy voort uit het idee dat niet-Europese culturen een ‘voorstadium van de hoogontwikkelde Europese samenleving’ zijn. Die gedachte diende ter rechtvaardiging van onderwerping, ontrechting en uitbuiting van de niet-Europese koloniale wereld tot ver in de twintigste eeuw.

    Ten tijde van de Franse kolonisatie zat u in Kameroen op school. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Ik ervoer het als een groot onrecht. Met mijn broer Moise, die later diplomaat werd, nam ik een boot naar Europa. We arriveerden in de haven van Marseille, waar twee van onze oudere broers ons afhaalden. We woonden in Parijs bij een oom. Daar dompelde ik me als veertienjarige onder in een ander leven. Natuurlijk waren er ook heimwee, tranen, nostalgie en verlangen naar mijn ouders en naar Kameroen. De romantische kant in mijn denken vindt hier zijn oorsprong.

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière.

    Ja, en die stond in het teken van de idee van gerechtigheid. Ik kwam naar Europa, ging me er bezighouden met etnologie en kreeg daar te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis behoorde. Etnologen doceerden mij een ‘surrogaatverhaal’.

    Hoe bedoelt u dat?

    De etnologie bood ons mensen die zogenaamd geen geschiedenis hebben een schadeloosstelling aan: ‘We doceren jullie geschiedenis. Alsjeblieft, hier is een cadeautje van ons: dit is jullie geschiedenis.’ Dat choqueerde me, het raakte mij ook persoonlijk, want aan de positieve ervaringen van het gezin waarin ik was opgegroeid werd volledig voorbijgegaan. In deze schok ligt de grondslag voor mijn wetenschappelijke werk.

    U promoveerde in Wenen bij de etnoloog Walter Hirschberg, die van meet af aan een vurig nationaal-socialist was en ook na 1945 als overtuigd racistisch evolutionist naar buiten trad. Ook was hij voorstander van het rekolonisatieproject. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Geen van de docenten sprak over het onrecht dat aan Afrikanen ieder historisch vermogen werd ontzegd. Er was geen enkele gevoeligheid voor onrecht. Walter Hirschberg begeleidde in Wenen jonge promovendi in de etnologie. Hij werd dus ook geacht mij en mijn kritische dissertatie te begeleiden, maar ik kreeg geen steun van hem, integendeel. Ik moest heel lang op zoek naar een promotor, naar een spirituele mentor. Ik volgde colleges van de etnoloog Claude Lévi-Strauss in Parijs over het structuralisme, maar hij maakte geen indruk op mij. Pas toen stuitte ik op Eric Voegelin, voor mij een geweldige gebeurtenis.

    Wat was er zo bijzonder aan uw ontmoeting met Voegelin?

    Eindelijk iemand die verstandige taal uitsloeg! (lacht) Zijn colleges gaven me een goed gevoel. Hij deed niet neerbuigend, hij kleineerde ons niet. Hij was inclusief en fair. Nooit eerder had ik een academicus ontmoet die eerlijk was in de omgang. Hij behandelde zijn studenten haast als collega’s. We zogen elk woord op dat hij doceerde.

    Kunt u die integere benadering concreet maken?

    Hij deed absoluut geen misplaatste of neerbuigende uitlatingen. Hij maakte korte metten met het concept ‘ras’ vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs daarvoor. Als bursaal van de Alexander von Humboldt Foundation werkte ik als onderzoeker samen met hem aan de Universiteit van München. Cruciaal was voor mij het moment dat hij voor het eerst mijn ouders ontmoette. Mijn vader en mijn docent spraken Duits met elkaar, en mijn vader zei: ‘Mijn zoon heeft me veel over u verteld.’ Voegelin antwoordde: ‘Uw zoon heeft een voortreffelijke studie geschreven.’

    Hoe heeft Voegelin uw zelfbesef als wetenschapper gevormd?

    Voor mij is hij de grootste denker van de twintigste eeuw. Voegelin schreef een cultuurgeschiedenis van het begrip ‘ras’; hij plaatste er negatieve connotaties bij, hij zag het als een nieuwe classificatie ter vervanging van het oude klassensysteem van de aristocratie. Voegelin hechtte ook sterk aan het maken van onderscheid tussen realiteit en ideologie.

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit. Zijn in 1956 verschenen boek Order and History is een klassieker. Voegelin zag de geschiedenis als Casus Philosophicus. Hij benaderde de geschiedenis als geschiedfilosoof en zag haar niet als een verzonnen verhaal. Rechts georiënteerde studenten uit de Bondsrepubliek probeerden hem in diskrediet te brengen. Maar ik was zijn denken toegedaan. Ik pretendeerde te voltooien wat Voegelin had laten liggen. En ik heb die pretentie heel serieus genomen.

    Hoe ervoer u de sfeer op de Duitse universiteiten in de jaren zeventig en tachtig?

    De universiteiten en onderzoeksinstellingen in Duitsland waren uitermate homogeen qua etniciteit, geslacht en sociale herkomst. Dat zijn ze nog altijd. Wie op enigerlei wijze als anders wordt gezien, maakt minder kans op een hoogleraarschap, op wetenschappelijke onderscheidingen, op toegang tot onderzoeksgelden en invloedrijke posities. De bevoegdheid om te duiden wat vanuit wetenschappelijk oogpunt valide is en wie gekwalificeerd is een bijdrage te leveren aan kennisgeneratie, ligt nog altijd vast verankerd in koloniaal bepaalde structuren. Dat moet ter discussie worden gesteld. Het onvermogen de waarheid te onderkennen was en is mijn thema; voor mij is de functie van theorie dat zij de waarheid aangeeft. Wetenschap dient in dienst te staan van de waarheid. Zij moet observeren, analyseren, vragen naar het waarom, heroverwegen. Maar dat gaat niet wanneer een groot deel van de mensheid met zijn ervaringen, perspectieven en mogelijkheden van dit proces is uitgesloten. Een wetenschap die spreekt vanuit de positie van een kleine homogene groep is falsifieerbaarheid noch universeel.

    De xenologie is een enorme theoretische prestatie, ze heeft een groot deel van het Europese begrip van de ‘ander’ op losse schroeven gezet. Heeft deze aanval op de antropologische en etnologische status quo een tegenreactie uitgelokt?

    De redacteur van de uitgeverij waar ik mijn boek publiceerde zei destijds: ‘Hier maakt u vijanden mee.’ En zo is het ook gegaan. Er was veel onwetendheid en weinig discussie met mij, maar er was in de jaren tachtig en negentig ook sprake van een enorme boost in aanverwante disciplines. Interculturele germanistiek en filosofie kwamen tot ontwikkeling. In Bayreuth kwam een cultuurwetenschappelijke xenologie van de grond, die echter mijn eigen theorie van de xenologie links laat liggen. In Bochum werd de fenomenologie van het andere ontwikkeld, en daar was ik al evenmin bij betrokken. Aan de universiteit, en dat geldt vooral in Duitsland, moet je vechten om gezien te worden. Collegialiteit komt maar zelden voor. Het ontbrak zichtbaar aan steun, de omgangsvormen waren vaak kwetsend en vulgair.

    KONING RUDOLF

    Van 1884 tot 1918 was het West-Afrikaanse Kameroen een Duitse kolonie. Van 1908 tot 1914 regeerde koning Rudolf Duala Manga Bell. Hij had zijn opleiding genoten in Duitsland en stond in hoog aanzien bij het Duitse koloniale bestuur in Duala. Na de gewelddadige verdrijving en brute onteigening van de Duala door het koloniale bestuur, stelde de jonge koning zich aan het hoofd van een verzetsbeweging en protesteerde hij tegen het buitensporige geweld door de Duitse koloniale machthebbers. Met petities probeerde hij de Duitse regering ertoe te bewegen de met de Duala gesloten verdragen na te komen. Daarmee wekte hij het ongenoegen van de voorstanders van koloniale onteigening. Beschuldigd van hoogverraad werd hij in 1914 op 41-jarige leeftijd ter dood veroordeeld en opgehangen. Bij zijn procesgang werden zelfs de minimale wettelijke normen niet in acht genomen. Drie dagen lang hing zijn lijk aan de galg – ter afschrikking.

    Toen u begin jaren zeventig uw theorie over de xenologie presenteerde, was rassenscheiding nog een belangrijk issue in de VS. Ook de antikoloniale strijd was nog maar net achter de rug en Zuid-Afrika kende een systeem van apartheid.

    Het intellectuele dispuut over het kolonialisme begon doorgaans pas nadat de militante confrontatie was beëindigd. Wetenschappers als Frantz Fanon, Aimé Cesaire, Léopold Senghor en Cheikh Anta Diop waren de eersten die het kolonialisme benaderden als een politiek en ideologisch systeem. De xenologie past in de reeks revolutionaire geschriften van toen. Wereldwijd kreeg de wetenschappelijke eis van rechtvaardigheid de wind mee. Ik las toen alles wat ik maar te pakken kon krijgen, ik luisterde aandachtig naar alles wat fluitend langs mijn oren vloog.

    Vanaf de jaren negentig ontstond er een veelheid aan postkoloniale theorieën. Als baanbrekend boek geldt Edward Saids in 1978 verschenen studie over het oriëntalisme, terwijl u uw xenologie al een jaar eerder presenteerde. Staan de huidige postkoloniale theorieën in de traditie van uw werk?

    Ja, want net als bij de huidige uitingen van de postkoloniale theorie gaat het bij het xenologische werk om het analyseren van extern ontwikkelde systemen – en zodoende ook om het analyseren van asymmetrische relaties. De belangrijkste vragen zijn: welke machtsverhoudingen liggen aan die systemen ten grondslag en in hoeverre begunstigen ze uitbuitingsstructuren? Welke hiërarchieën zijn immanent, en welke vormen van culturele representatie en politieke controle maken dat die telkens weer in stand kunnen blijven? In mijn boek Xenologie is deze fundamentele kritiek op die Europese perceptie- en duidingspatronen met betrekking tot de niet-Europese mens al te vinden; sinds Saids werk wordt zij ook opgepakt en bediscussieerd in postkoloniale theorieën. Veel antiracistische debatten en bewegingen van nu beroepen zich op dat brede spectrum van kritische confrontatie met historische en hedendaagse machtsverhoudingen.

    Als wetenschapper en academisch docent heeft u het denken van diverse generaties studenten gescherpt en gevormd. Wat vond u in uw onderwijs belangrijk?

    Ik probeerde zo fundamenteel mogelijk te denken. Het ging me om het vermogen tot kritisch denken en om inzicht. Om een taal die veraf ligt van de hiërarchisering door de etnografie, een etnografie die spreekt van ‘stammen’, ‘natuurmensen’, ‘opperhoofden’ en ‘primitieven’. Zo’n taal bestaat nog niet. De ideologische vervorming door taal en wetenschappelijke categorieën moest ik tegemoet treden met theoretische precisie en taalgevoeligheid. Het ging om het blootleggen van machts- en gezagsverhoudingen, om vragen naar het waarom van privileges en om reflectie op waarderingssystemen. Ik heb heel veel gedoceerd en veel voortreffelijke scripties en afstudeeropdrachten begeleid. Met veel oud-studenten heb ik tot op de dag van vandaag contact.

    colonial troops german govt station ebolowa kamerun ie cameroon w africa
    Duitse koloniale troepen in Ebolowa, Kameroen, 1916 
    © Library of Congress.

    Welke bijdrage kan de theorie van de xenologie leveren aan het huidige wetenschappelijke discours?

    Het xenologische denken draagt bij aan het onderzoek van machtsverhoudingen en uitbuiting. Naast haar belangstelling voor wetenschappelijke inzichten heeft de xenologie ook een normatieve kant: ze wil gerechtigheid. Ze wil elk mens centraal stellen. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Xenologie heeft ook een normatieve kant. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Welke betekenis heeft de xenologie voor het actuele politieke debat over bijvoorbeeld genderrechtvaardigheid, uitsluiting en racistisch geweld, waaruit bewegingen zoals Black Lives Matter zijn voortgekomen?

    Black Lives Matter heeft het racisme en de creatie van het andere op de politieke agenda gezet. Hoewel er in dit specifieke geval vanuit Europa graag werd gewezen naar de VS, vonden er ook hier straatprotesten plaats, waarbij een relatie werd gelegd met het koloniale verleden. En eindelijk wordt er nu geruzied over de omgang met museumschatten die in de koloniale tijd werden buit-gemaakt. Denk aan het debat over het teruggeven van roofkunst uit de voormalige koloniën. Nieuw aan deze discussies is enerzijds de aanwezigheid van sterke, goedopgeleide jongeren die hun recht opeisen en anderzijds het bestaan van wetenschappelijke categorieën om dit debat te voeren, zodat er dus begrippen zijn waarmee onrecht ook theoretisch kan worden benoemd.

    Ook in Duitsland wordt er voor het eerst breed gediscussieerd over koloniale herstelbetalingen.

    Om een voorbeeld te geven: de genocide die tussen 1904 en 1908 door Duitse koloniale troepen op de Nama en Herero werd gepleegd, bepaalt tot op de dag van vandaag de bestaansbasis van deze volkeren in Namibië. Destijds werd bijna 80 procent van het Hererovolk uitgeroeid. Door erkenning van deze genocide erkent Duitsland voor het eerst zijn rol in de misdaden uit de koloniale tijd. Maar helaas laat Duitsland het afweten als het weigert de toegezegde gelden uit te betalen aan de nakomelingen – en als deze gelden geen ‘herstelbetalingen’ mogen heten maar ‘ontwikkelingshulp’. De oplossing voor de vele disputen van tegenwoordig moet ook niet alleen van de wetenschappelijke theorievorming komen. Er is op heel veel vlakken nog heel veel te doen, maar ik heb groot vertrouwen in de kritische, mondiaal denkende jongeren. 

  • Erdogan heeft grote expansieplannen in Afrika

    Erdogan heeft grote expansieplannen in Afrika

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Kunstenaars halen werk weg uit Russisch museum

    » Italië: Nogmaals 14 miljard euro steun om stijgende energieprijzen hoofd te bieden

    Turkije versterkt zijn positie in Afrika

    In de Somalische hoofdstad Mogadishu staat het Recep Tayyip Erdogan-ziekenhuis, vernoemd naar de Turkse president. Dat is opmerkelijk, want gezien het geweld trekt Mogadishu weinig buitenlanders aan. Behalve Turken dus. Een Turks bedrijf renoveerde de haven en exploiteert die nu. Een ander Turks bedrijf runt een hotel en de internationale luchthaven. Met Turks ontwikkelingsgeld hebben Turkse bedrijven het parlementsgebouw en verkeersaders in de stad hersteld. Turkse officieren hebben meer dan 5000 Somalische soldaten en politiecommando’s opgeleid en uitgerust. Het zijn allemaal voorbeelden van de expansieplannen van Erdogan, meldt The Economist

    Turkse bedrijven hebben naar schatting voor 78 miljard dollar aan projecten in Afrika voltooid

    In 2009 had Turkije slechts enkele diplomatieke missies in Afrika. Nu zijn het er 43. Turkish Airlines vloog in 2004 op vier Afrikaanse steden, nu zijn dat er ruim 40. De handel met het continent steeg tot 29 miljard dollar vorig jaar, waarvan 11 miljard dollar met Afrika bezuiden de Sahara: een bijna achtvoudige toename sinds 2003. Hetzelfde geldt voor de bouwsector, waar Turkse bedrijven knabbelen aan de dominante positie van Chinese bedrijven. Turkse bedrijven hebben naar schatting voor 78 miljard dollar aan projecten in Afrika voltooid, waaronder luchthavens, stadions en moskeeën. Vorig jaar verwierf een Turks bedrijf een contract van 1,9 miljard dollar van Tanzania voor de aanleg van een spoorlijn.

    Twee decennia geleden keek Turkije amper naar dat continent en droomde het van toetreding tot de Europese Unie. Naarmate de betrekkingen met het Westen bekoelden, is Turkije zich steeds meer gaan richten op Afrika. 

    Lees ook:

  • Tabakslobby richt zich op Afrika. ‘We koersen af op een dodelijke pandemie van rokers’

    Tabakslobby richt zich op Afrika. ‘We koersen af op een dodelijke pandemie van rokers’

    Wereldwijd slinkt het aantal rokers, maar in Afrika neemt het juist toe. De tabaksindustrie ziet groeikansen en deinst er niet voor terug om politici om te kopen.

    Mahooana Khati, de belangrijkste politicus op economisch gebied in Lesotho, zit in de tuin van een hotel en maakt zich zorgen over zijn herverkiezing. Nerveus schuift hij heen en weer op een witte plastic stoel.  De hele ochtend heeft de parlementariër in het gebouw ernaast met andere parlementariërs gedebatteerd over een wet die hij eigenlijk niet wilde. De accijns op tabak moet ingevoerd worden. Eindelijk – Lesotho is een van de laatste landen in Afrika waar sigaretten verkocht worden zonder tabaksaccijns, waardoor ze ongekend goedkoop zijn.

    In zijn land bestaat een eenvoudige regel, zegt Kathi, voorzitter van de economiecommissie in het parlement. ‘Wie de sigaretten duur maakt, wordt niet herkozen.’ Op dit moment kost een pakje omgerekend 1 euro 50. Via criminele kanalen worden ze op straat zelfs vaak voor de helft van de prijs aangeboden.  Maar ten slotte hadden de wetgevers van Lesotho geen andere keuze. Het land heeft tijdens de pandemie het IMF om financiële steun verzocht. Het viel de experts van het IMF op dat Lesotho vrijwel geen gebruik maakt van de accijns op tabak als instrument om de overheidskas te vullen, waarna een snelle invoering als voorwaarde voor steun werd gesteld.

    Vijf ontmoetingen met lobbyisten

    In een eerste wetsontwerp van de regering was een accijns van 30 procent voorzien. Ten slotte bedroeg hij slechts 6 procent. Waarom? Kathi geeft toe dat er in de laatste maanden vijf ontmoetingen zijn geweest tussen de economiecommissie en vertegenwoordigers van de tabakslobby. Hij wil niet op details ingaan. Maar overleg met vertegenwoordigers van gezondheidsorganisaties zijn er niet geweest, hoewel die er sterk op aangedrongen hebben. Blijkbaar hebben grote tabaksconcerns er zelfs in kleine Afrikaanse landen als Lesotho met zijn 2 miljoen inwoners veel voor over om te groeien.

    Het aantal rokers in Afrika nam de laatste 20 jaar van 64 miljoen tot 73 miljoen toe

    Afrika geldt voor sigarettenfabrikanten als een belangrijke markt voor de toekomst. De bevolking van het continent groeit jaarlijks met 2,4 procent, ze zal zich naar verwachting in 2050 hebben verdubbeld. Terwijl de afzetmarkt in geïndustrialiseerde landen krimpt, lokken in Afrika aanzienlijke groeicijfers. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is het aantal rokers in de laatste twintig jaar wereldwijd gedaald tot nu nog ongeveer 1,3 miljard. In Afrika nam het ondertussen toe van 64 miljoen tot 73 miljoen. Weliswaar wordt op het continent nog altijd minder gerookt dan in andere werelddelen, maar er is sprake van een opwaartse trend – en veel tabaksfabrikanten zien hierin een kans.

    Activiste vindt geen gehoor

    In een vervallen gebouw in Lesotho’s hoofdstad Maseru heeft Mphonyane Mofokeng haar kantoor. Toen haar vader, een kettingroker, aan kanker overleed, richtte ze een ngo op die de bevolking onder andere wil waarschuwen voor de risico’s van het gebruik van tabak. De zestigjarige wil daarmee vooral bij jongeren bereiken wat haar bij haar vader niet is gelukt: dat ze de gevaren van het roken gaan inzien.

    Maar de laatste dagen begint ze te betwijfelen dat dit een haalbaar doel is. Tevergeefs verzocht ze de economiecommissie om een gesprek. Ze hoopte op hogere prijzen, grotere hindernissen voor de toegang tot sigaretten. Ze wilde vertellen over de jongen die op achtjarige leeftijd in het ziekenhuis belandde – met longkanker. Zijn ouders hadden in huis gerookt. Ze wilde vertellen over de ontelbare herdersjongens voor wie het roken op de velden nog altijd dagelijkse praktijk is. Tevergeefs.

    ‘Wij koersen af op een dodelijke pandemie als de tabak niet duurder wordt’

    Op een bepaald moment nodigde ze zichzelf maar uit en ging naar een vergadering van de commissie. Die werd geschorst. ‘Wij koersen af op een dodelijke pandemie van rokers als de tabak niet duurder wordt,’ aldus de activiste. Bovendien zou men de bestaande wetten, zoals de rookverboden in openbare gebouwen of verkoopverboden in de buurt van scholen, ook eens moeten gaan handhaven. Dat gebeurt nauwelijks.

    Een insider die de andere kant koos

    Toen ze er ten slotte achter kwam dat de politici maar een vijfde van de oorspronkelijk geplande accijns op tabak wilden invoeren, dacht ze meteen aan corruptie. ‘Altijd als er zoiets gebeurt, zit daar iets achter,’ zegt ze. Er zou in Lesotho een bepaalde manier bestaan waarop de tabakslobby dat aanpakt. Daarbij wordt ook wel eens een stuk land gekocht voor een politicus. Bewijzen heeft ze niet. Maar het zijn geen nieuwe beschuldigingen tegen de tabaksindustrie in Afrika. In 2015 zond de BBC een programma uit over Paul Hopkins. De Brit had in Kenia dertien jaar gewerkt voor het tabaksconcern British American Tobacco (BAT) – en werd daarna klokkenluider. ‘BAT koopt mensen om, en ik organiseerde dat,’ zei hij in een interview. ‘Als ze daarvoor de regels moeten overtreden, dan overtreden ze de regels.’

    Hopkins liet documenten zien die volgens de BBC bewijzen dat het concern via hem illegale betalingen deed aan volksvertegenwoordigers van een antitabakscampagne van de WHO. In Burundi zou een hoge ambtenaar zijn omgekocht van wie men blijkbaar hoopte dat hij een antirookwet zou afzwakken. De zender maakte bovendien een stiekem gemaakte geluidsopname openbaar waarop te horen zou zijn hoe een BAT-advocaat smeergeldbetalingen goedkeurt. BAT sprak de beschuldigingen tegen en het afgelopen jaar oordeelde het Britse Openbaar Ministerie na langdurig onderzoek dat er niet genoeg bewijs was voor een aanklacht. 

    De gezondheidseffecten van het toegenomen tabaksgebruik in Lesotho zijn te zien in het ziekenhuis van Mafeteng, een provinciestadje 80 kilometer ten zuiden van Maseru. Hier heeft de vrouwelijke arts Waheeba Madani weer eens te maken met patiënten met longproblemen. Ze heeft zojuist de 71-jarige Moshao Setlaba behandeld, die bijna vijftig jaar lang dagelijks rookte. Niet veel, zoals hij zegt; vijf tot tien sigaretten. Ook toen de mijnwerker tweemaal tbc kreeg, hield hij niet op. In de mijnen hoort tabak er gewoon bij. Een poosje geleden was hij toch maar gestopt met roken. ‘Ik hoest de hele nacht en heb pijn in de borst,’ klaagt de vermagerde gepensioneerde.

    80 procent van dokter Madani’s mannelijke patiënten zijn actieve of voormalige rokers. Onder de vrouwen zijn het er, zoals in de meeste landen, duidelijk minder. Alles bij elkaar schat de regering van Lesotho het aantal rokers nu op wel 47,9 procent van de volwassenen. Ter vergelijking: in Duitsland rookt 23,8 procent, in Zwitserland 27 procent. ‘We hebben steeds meer patiënten met zware luchtwegaandoeningen,’ zegt Madani. De mensen beginnen als kind al te roken en vaak verergert dat andere aandoeningen, zoals tuberculose en hiv, of de gevolgen van ondervoeding.’

    Nama Woman Smoking Kalahari Desert Namibia Luca Galuzzi 2004 kopie.JPG
    © Luca Galuzzi / Wikimedia

    Precieze diagnose is niet mogelijk

    Vroeger zouden de artsen in Lesotho luchtwegaandoeningen bij mijnwerkers als Setlaba automatisch geweten hebben aan de zware omstandigheden onder de grond. ‘Intussen is het duidelijk dat roken bij de meeste patiënten de belangrijkste factor is,’ zegt Madani. Dat is een van de grootste gezondheidsrisico’s voor de bevolking – veel meer dan de hart- en vaatziekten die in geïndustrialiseerde landen de belangrijkste doodsoorzaak zijn.

    In het ziekenhuis van Mafeteng ontbreken de middelen en de apparaten voor een nauwkeurige diagnose. De arts zal Setlaba daarom naar de hoofdstad Maseru sturen. Maar ook daar zijn de mogelijkheden beperkt. Uiteindelijk moet de patiënt zijn hoop vestigen op een afspraak in een overheidsziekenhuis in het buurland Zuid-Afrika, waar af en toe patiënten uit Lesotho opgenomen worden. Voordat een precieze diagnose is gesteld, zullen er dus weken voorbijgaan. Op z’n minst.

    Zuidelijk Afrika ontwikkelt zich maar langzaam tot een relevante afzetmarkt voor tabak. Maar zijn geschiedenis als regio van tabaksteelt gaat eeuwen terug. Ook op dit terrein is de reputatie van de branche op z’n zachtst gezegd dubieus. Een paar maanden geleden maakte de BBC documenten openbaar die aannemelijk maken dat er door medewerkers van British American Tobacco smeergeld is betaald aan de Zimbabwaanse regeringspartij ZANU-PF. Het gaat om betalingen van 300.000 dollar, bedoeld om de sluiting van concurrerende sigarettenfabrieken te bewerkstelligen. Bovendien heeft het Britse bedrijf andere fabrikanten laten bespioneren.

    Ingecalculeerde schandalen

    Johann van Loggerenberg is niet verbaasd over deze praktijken. Hij deed lang onderzoek voor de Zuid-Afrikaanse belastingdienst naar smokkelaars en tabaksconcerns die belasting ontduiken. ‘Dat zal geen consequenties hebben, dat kan ik u verzekeren,’ zegt de 52-jarige Loggerenberg als we hem in Johannesburg spreken. ‘Zulke schandalen en de negatieve pr zijn in het businessmodel van deze bedrijven ingecalculeerd. Gewoon even een slechte werkdag, en dan weer door.’

    In geïndustrialiseerde landen worden topmanagers volgens Van Loggerenberg al evenmin persoonlijk ter verantwoording geroepen. In het ergste geval krijgt het bedrijf een boete – ‘en dan weer over tot de orde van de dag’. Als dit in geïndustrialiseerde landen al normaal is, dan kun je je wel voorstellen hoe het er in ontwikkelingslanden aan toegaat. ‘Ze zijn te machtig, te groot, hebben te goede relaties.’

    Dit onderzoek werd gefinancierd door het European Journalism Centre, via het ‘Global Health Journalism Grant Program for Germany’.

  • Wereldnieuws: Culturele kaalslag in Rusland & Meer

    Wereldnieuws: Culturele kaalslag in Rusland & Meer

    Vuurwapens belangrijkste doodsoorzaak voor Amerikaanse jongeren

    Niet auto-ongelukken maar vuurwapens waren de belangrijkste doodsoorzaak voor Amerikaanse kinderen en tieners in 2020, zo blijkt uit nieuw onderzoek, aldus BBC. Gegevens van de Centers for Disease Control and Prevention wijzen uit dat in 2020 meer dan 4300 jonge Amerikanen zijn overleden aan vuurwapen-gerelateerde verwondingen. In dat aantal zijn ook zelfmoorden verdisconteerd, maar moorden vormen de meerderheid van deze sterfgevallen. 

    Volgens het onderzoek, dat onlangs werd gepubliceerd in het New England Journal Medicine, maakt de stijging van het aantal sterfgevallen door vuurwapens onder Amerikanen tussen één en negentien jaar, deel uit van de algehele stijging met 33,4 procent van het aantal vuurwapen-gerelateerde sterfgevallen in het land, maar worden jonge Amerikanen onevenredig zwaar getroffen.

    Het totale aantal doden onder kinderen en tieners door alle oorzaken van vuurwapengebruik – zelfmoord, doodslag, onopzettelijk en toedracht onbekend – steeg met 29,5 procent. Dat is ruim twee keer zoveel als onder de rest van de bevolking. Inmiddels zijn ruim 390 vuurwapens in de VS in omloop.

    maxim potkin J5yXIQnmYhM unsplash
    © Unsplash

    Reserveren voor Venetië wordt verplicht

    Reizigers naar Venetië zullen hun bezoek aan het historische centrum vanaf deze zomer moeten gaan reserveren, aldus burgemeester Luigi Brugnaro, meldt The Local. Tegen het einde van de zomer wordt het verplicht om te reserveren en vanaf volgend jaar moeten bezoekers entreegeld betalen. Brugnaro deed zijn uitspraken nadat op paaszondag zo’n 140.000 mensen Venetië binnenstroomden en op paasmaandag nog eens bijna 100.000. ‘Vandaag hebben velen de kans gehad om in te zien dat een boekingssysteem de meest geschikte manier is om het massatoerisme te beheersen,’ zei hij. Brugnaro wil beginnen met een ‘experimentele’ fase waarin dagjesmensen worden aangemoedigd om hun bezoek via een website te boeken. Dagjesmensen zullen tussen de drie en tien euro entree moeten gaan betalen, afhankelijk van het seizoen.

    damiano baschiera hFXZ5cNfkOk unsplash
    © Unsplash

    De grote witten

    De Chinese economie was jarenlang afhankelijk van zo’n 300 miljoen rondtrekkende arbeiders, die allerlei soorten tijdelijk en vaak gevaarlijk werk deden. Het was deze ‘zwervende bevolking’ die telefoonnetten aanlegde, in restaurants werkte of wolkenkrabbers bouwde. Door de economische neergang en toegenomen regelgeving zijn veel van die sectoren gekrompen, meldt NPR. Daarom zijn uitzendbureaus gaan omschakelen. Ze werven nu op grote schaal werknemers voor een nieuwe niche: coronacontroleur. Het is de enige sector in China waarin het aantal tijdelijke banen nog steeds groeit. 

    Net zoals de vorige generatie migrerende werknemers van stad naar stad trok om aan de vraag naar seizoenarbeiders te voldoen, reizen nu tienduizenden Chinezen door het land om afdelingen in door de overheid opgezette isolatiecentra te bemannen en om grootschalige testcampagnes uit te voeren. Ze worden dabai, of ‘grote witten’ genoemd vanwege hun witte beschermende kleding.


    Turken in Afrika

    In de Somalische hoofdstad Mogadishu staat het Recep Tayyip Erdogan-ziekenhuis, vernoemd naar de Turkse president. Dat is opmerkelijk, want gezien het geweld trekt Mogadishu weinig buitenlanders aan. Behalve Turken dus. Een Turks bedrijf renoveerde de haven en exploiteert die nu. Een ander Turks bedrijf runt een hotel en de internationale luchthaven. Met Turks ontwikkelingsgeld hebben Turkse bedrijven het parlementsgebouw en verkeersaders in de stad hersteld. Turkse officieren hebben meer dan 5000 Somalische soldaten en politiecommando’s opgeleid en uitgerust. Het zijn allemaal voorbeelden van de expansieplannen van Erdogan, meldt The Economist.

    Turkse bedrijven hebben naar schatting voor 78 miljard dollar aan projecten in Afrika voltooid

    In 2009 had Turkije slechts enkele diplomatieke missies in Afrika. Nu zijn het er 43. Turkish Airlines vloog in 2004 op vier Afrikaanse steden, nu zijn dat er ruim 40. De handel met het continent steeg tot 29 miljard dollar vorig jaar, waarvan 11 miljard dollar met Afrika bezuiden de Sahara: een bijna achtvoudige toename sinds 2003. Hetzelfde geldt voor de bouwsector, waar Turkse bedrijven knabbelen aan de dominante positie van Chinese bedrijven. Turkse bedrijven hebben naar schatting voor 78 miljard dollar aan projecten in Afrika voltooid, waaronder luchthavens, stadions en moskeeën. Vorig jaar verwierf een Turks bedrijf een contract van 1,9 miljard dollar van Tanzania voor de aanleg van een spoorlijn.

    Twee decennia geleden keek Turkije amper naar dat continent en droomde het van toetreding tot de Europese Unie. Naarmate de betrekkingen met het Westen bekoelden, is Turkije zich steeds meer gaan richten op Afrika. 


    Culturele kaalslag in Rusland

    Vorig jaar opende GES-2, een enorm kunstcentrum dat de Italiaanse architect Renzo Piano ontwierp in een voormalige elektriciteitscentrale dicht bij het Kremlin als de Moskouse variant van Tate Modern. Het centrum, met een oppervlak van 54.400 vierkante meter, heeft momenteel een probleem: er is geen kunst, aldus The Guardian. ‘We kunnen niet doen alsof het leven normaal is,’ zegt Evgeny Antufiev, een Russische kunstenaar die zijn werk uit GES-2 weghaalde kort nadat Rusland Oekraïne was binnengevallen op 24 februari. ‘We moeten een einde maken aan de illusie dat de dingen weer worden zoals ze waren voor de oorlog. Cocktails drinken bij kunstopeningen terwijl mensen worden vermoord, voelt crimineel.’ 

    Samen met oligarch Leonid Mikhelson, die de miljoenen dollars voor het centrum financierde, bezocht Vladimir Poetin vorig jaar de openingstentoonstelling van de IJslandse kunstenaar Ragnar Kjartansson. Kjartansson en andere Russische en buitenlandse kunstenaars distantieerden zich van GES-2 toen duidelijk werd dat het museum zich niet zou uitspreken tegen de Russische invasie.

    ‘Kunstenaars zullen in hun werk ofwel protesteren tegen de oorlog, ofwel hun mond houden’

    Ook het nationale paviljoen van Rusland op de Biënnale van Venetië, die 23 april opende, zal leeg blijven. Daags nadat Rusland Oekraïne was binnengevallen, verklaarden twee Russische kunstenaars dat zij hun land niet zouden vertegenwoordigen in het paviljoen, en ook de in Litouwen geboren tentoonstellingsmaker Raimundas Malašauskas stapte op. 

    De Russische kunstverzamelaar en columnist Marat Gelman vreest dat naarmate de oorlog zich voortsleept, alleen nog Russische kunstenaars in Europa welkom zullen zijn die openlijk tegen de oorlog protesteren. ‘Kunstenaars zullen in hun werk ofwel protesteren tegen de oorlog, ofwel hun mond houden. Ik geloof niet dat er ruimte zal zijn voor een compromis.’ Vladimir Poetin zei eind vorige maand van mening te zijn dat Rusland ook verwikkeld is in een culturele strijd met het Westen. Hij vergeleek de behandeling van de Russische cultuur in het buitenland met het verbranden van ‘ongewenste literatuur’ door nazi-Duitsland.

    vladimir fedotov aEIhwPn0DZY unsplash
    GES, Moskou © Unsplash

  • Tientallen doden door overstromingen in Zuid-Afrika

    Tientallen doden door overstromingen in Zuid-Afrika

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ontbossing bereikt recordhoogte in de Braziliaanse Amazone

    » Aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers is nog nooit zo hoog geweest

    Ongekende regenval blijft komende dagen aanhouden

    In Zuid-Afrika zijn ongeveer zestig mensen omgekomen als gevolg van de overstromingen in de oostelijke provincie KwaZulu-Natal. De verwoestende overstromingen leiden tot grote problemen in kuststad Durban, meldt Independent Online. De overstromingen hebben schade toegebracht aan de infrastructuur, huizen ontworteld, wegen vernield en voertuigen tot zinken gebracht. Volgens berichten zijn in Durban tot nu toe vijfenveertig mensen overleden door de zware regenval. De regenval die in delen van de stad is geregistreerd is ongekend, tussen de 180 en 310 millimeter. De autoriteiten dringen nu ouders aan om leerlingen niet naar school te sturen omdat de regen blijft aanhouden.

    De oppositiepartij DA heeft de regering opgeroepen de provincie KwaZulu-Natal tot rampgebied uit te roepen, omdat de gemeenten over beperkte middelen beschikken en de rampenbestrijdingsdienst de uitdaging niet aankan.

    Lees ook:

  • Democratische Republiek Congo wordt grootste land in Oost-Afrikaans handelsblok

    Democratische Republiek Congo wordt grootste land in Oost-Afrikaans handelsblok

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: 4,4 miljoen mensen namen ontslag of veranderden van baan in februari

    » VK gaat claims over gebruik chemische wapens in Marioepol onderzoeken

    Congo treedt toe tot handelsblok EAC

    De handel in Oost-Afrika krijgt een nieuwe impuls nu de Democratische Republiek Congo (DRC) eind maart als zevende lid is toegetreden tot het Oost-Afrikaanse handelsblok EAC. Burundi, Kenia, Rwanda, Zuid-Soedan, Tanzania en Oeganda zijn de andere leden van EAC. Congo is het grootste en dichtst bevolkte land dat nu deel uitmaakt van EAC. Het land brengt een markt van 90 miljoen mensen met zich mee en door de toetreding stijgt het bbp van de regio van 193 miljard dollar naar 240 miljard dollar, schrijft Quartz Africa.

    Hoewel de DRC aan vijf EAC-landen grenst, is de handel tussen de DRC en de buurlanden opvallend laag, aldus EABC, de Oost-Afrikaanse Raad voor de Handel. De afgelopen zeven jaar bedroeg het aandeel van EAC-export naar de DRC gemiddeld slechts 13,5 procent. De belangrijkste importeurs van de DRC zijn momenteel China, Zuid-Afrika en Zambia. De verwachting is dat de handel in de regio nu zal toenemen.

    Lees ook: