De oppositie claimt fraude en eist nieuwe verkiezingen
De kiescommissie van Nigeria heeft Bola Tinubu van regeringspartij All Progressives Congress (APC) aangewezen als de nieuwe president van Nigeria, schrijft Africa News. De zeventigjarige Tinubu kreeg 8,8 miljoen stemmen, oftewel 37 procent van het electoraat, ruim meer dan de oppositiekandidaten Atiku Abubakar en Peter Obi, die 29 en 25 procent van de stemmen kregen. Nigeria is het land met de meeste inwoners van Afrika.
Oppositiepartijen zeggen echter dat de verkiezingen oneerlijk zijn verlopen. Er zou zijn gesjoemeld met stemmen en in sommige stemlokalen zou niet transparant zijn geteld. Hoewel het niet vaststaat dat er is gefraudeerd, hebben onder meer onafhankelijke waarnemers van de EU gezegd dat het kiessysteem in Nigeria, waarin soms moeilijk leesbare foto’s van met de hand getelde stembiljetten naar de kiescommissie worden gestuurd, geen transparante verkiezingen garandeert. Naast nieuwe verkiezingen wil de oppositie dat het hoofd van de kiescommissie aftreedt.
Om een nieuwe stembusgang te krijgen, moet men de verkiezingen ongeldig laten verklaren bij het Hooggerechtshof. De kandidaten hebben daar de komende drie weken voor. Volgens Tinubu, die gouverneur van de staat Lagos was, is het belangrijk dat iedereen samenwerkt om Nigeria verder op te bouwen.
Verschillende Afrikaanse landen kampen momenteel met een cholera-uitbraak. Afrika kent een ‘exponentiële toename van het aantal choleragevallen’, waarschuwde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op 9 februari. ‘Het adjectief “exponentieel” is beangstigend, aangezien tien Afrikaanse landen te kampen hebben met epidemieën van uiteenlopende omvang’, schrijft Le Monde. Alleen al in januari ligt het aantal cholerabesmettingen in Afrika op ‘al meer dan 30 procent van het totale aantal geregistreerde gevallen voor heel 2022’, aldus de WHO.
Terwijl in het westen momenteel alleen Nigeria en Kameroen zijn getroffen, hebben Centraal- en Oost-Afrika meer te lijden: de Democratische Republiek Congo (DRC), Burundi, Kenia, Ethiopië, Somalië, Mozambique, Zambia – en vooral Malawi.
Een overgrote meerderheid van de farmaceutische industrie beschouwt het choleravaccin als onrendabel
Dat Zuid-Afrikaanse land met twintig miljoen inwoners is alleen al goed voor bijna de helft van de besmettingen op het continent, met 49.207 gemelde gevallen en 1564 doden sinds maart 2022. Begin december omschreef de regering van Malawi de epidemie als een noodsituatie.
Volgens Marion Pechayre, missiehoofd in Malawi voor Artsen zonder Grenzen, is de ergste cholera-epidemie in de geschiedenis van het land ontstaan door een gebrek aan toegang tot schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen. Malawi is het armste land ter wereld waar geen oorlog is.
Ook is het tekort aan choleravaccins een groot probleem, zei Pechayre tegen Le Monde. Een overgrote meerderheid van de farmaceutische industrie beschouwt dit vaccin als onrendabel.
Het Afrikaanse land kampt al jaren met een energiecrisis
De Zuid-Afrikaanse president Cyril Ramaphosa heeft de noodtoestand in zijn land uitgeroepen vanwege de aanhoudende problemen met het nationale elektriciteitsnet, schrijft News24. Volgens Ramaphosa worden de economie en de maatschappij van het land bedreigd door de energieproblemen. Zuid-Afrika heeft dit jaar nog geen etmaal gehad zonder stroomuitval.
Het land kampt al jaren met stroomuitval door een tekort aan elektriciteit en verouderende elektriciteitscentrales. De noodtoestand geeft de regering meer bevoegdheden om de crisis aan te pakken en prioriteit te geven aan reparaties en verbeteringen aan de elektriciteitsinfrastructuur. Daarnaast gaat men bedrijven aanmoedigen om hun energieverbruik anders in te plannen.
In zijn toespraak tot de natie erkende president Ramaphosa dat het dagelijkse leven van Zuid-Afrikanen zwaar geraakt wordt door de gebrekkige elektriciteitsvoorziening en benadrukte hij dat alle sectoren in het land moeten samenwerken om het probleem aan te pakken. Hij riep daarnaast alle burgers op om energie te besparen en zei dat men meer gebruik moet maken van zonnepanelen en generatoren.
Hoe de zoveelste diplomatieke crisis tussen Marokko en Algerije Abdeslam Ouaddou, voormalig aanvoerder van het Marokkaanse voetbalelftal, tot slachtoffer maakte van een grimmige lastercampagne.
Het is een kerel wiens bescheidenheid en eenvoud door iedereen, zijn vijanden in-begrepen, worden geprezen. Een uitstekende voetballer die zijn berichten, brieven en e-mails altijd beëindigt met hoffelijke ‘sportieve groeten’. Abdeslam Ouaddou, voormalig aanvoerder van het Marokkaanse voetbalelftal, houdt zich totaal niet bezig met de politiek in zijn land. Hij heeft geen ideologische voorkeur en wanneer hij het over de koning heeft, bezigt hij het eer-biedige en gebruikelijke predicaat ‘Zijne Majesteit’.
Nooit heeft hij onderwerpen aangeroerd als ernstige mensenrechtenschendingen door het Marokkaanse regime, de onderdrukking van de Sahrawi (het volk van de Westelijke Sahara), de wandaden tegen de mijnwerkers van Jerada, de activisten van Sidi Ifni, de leden van de protestbeweging Hirak in het noordelijke Rifgebied, die werden gemarteld en in de cel gegooid, de zware gevangenisstraffen voor journalisten, youtubers of doodgewone internetters, enkel omdat zij zogeheten gevoelige onderwerpen durfden aan te snijden.
‘We hebben niemand die ons vertegenwoordigt in het parlement’
‘Ik ben sportman, ik heb geen verstand van dat soort dingen,’ zegt hij, en daarmee is voor hem de kous af. Hij benadrukt dat hij zich als MRE (Marocain résidant à l’étranger, Marokkaan die in het buitenland woont) niet al te bewust is van wat er in zijn land gebeurt. ‘We hebben niemand die ons vertegenwoordigt in het parlement.’
Als het om liefdadigheidsactiviteiten gaat, is het een ander verhaal. Toen Marokko in 2020 hard werd getroffen door corona, schonk Ouaddou 1 miljoen dirham (bijna 100.000 euro) aan een bijzonder fonds voor de beheersing van de pandemie. Hij is ook bepaald niet te beroerd om computers en tablets te schenken aan schoolkinderen in zijn douar (dorp) of andere gebieden in Marokko, om benefietwedstrijden ter plaatse te organiseren of om een gezin in financiële nood te helpen.
Alles gegeven
Abdeslam was twee jaar oud toen zijn vader, die zich in 1970 in Frankrijk vestigde, hem in 1980 in het kader van de gezinshereniging liet overkomen. Zijn integratie in Frankrijk verliep naar verluidt voorspoedig. In een lokaal pupillenteam, werd hij opgemerkt door AS Nancy-Lorraine, dat hem inlijfde. Later speelde hij in Frankrijk onder meer voor Stade Rennais en Valenciennes FC. Ook in het buitenland bouwde hij een mooi cv op: hij kwam uit voor het Londense Fulham, voor Olympiakos Piraeus en voor andere grote clubs.
Zijn carrière in Marokko begon in 1998 bij het Olympisch team dat deelnam aan de Spelen van Sydney, in de zomer van 2000. Daarna maakte hij zijn debuut voor het Marokkaanse elftal. ‘Tien jaar international, tachtig keer geselecteerd, een jaar lang aanvoerder: ik heb alles gegeven voor mijn team, voor mijn land,’ meldt hij telefonisch vanuit Nancy, zijn woonplaats in Frankrijk.
Tijdens het toernooi om de Afrika Cup in 2004, in het Taïeb Mhiri-stadion in Sfax, Tunesië, scoorde de jonge Ouaddou in de 75ste minuut een doelpunt tegen Benin. Dat was een moment van groot geluk en trots. Een paar dagen later won zijn team in hetzelfde stadion afgetekend met 3-1 van Algerije. Marokko bereikte de finale, maar moest daarin buigen voor Tunesië: 1-2.
De eer was echter gered. Iedereen in Marokko besefte dat het nationale team een uitstekende prestatie had geleverd. Koning Mohammed VI nodigde staf en spelers uit in het koninklijk paleis in Agadir.
In het vliegtuig naar Marokko viel het Ouaddou op dat de meeste van zijn teamgenoten een brief aan het schrijven waren
Eén gebeurtenis uit die periode staat hem nog levendig bij. In het vliegtuig naar Marokko viel het Ouaddou op dat de meeste van zijn teamgenoten, ‘minstens 80 procent van de aanwezigen’, een brief aan het schrijven waren. Hij vroeg wat er aan de hand was en kreeg te horen dat de ontmoeting met de vorst een ideale gelegenheid was om een ‘verzoek’ in te dienen. Hij begreep er niets van. Desgevraagd legde een van zijn medespelers uit dat dit het moment was om het staatshoofd een gunst te vragen: onroerend goed, een licentie voor een taxi- of busbedrijf, een vergunning voor het een of ander, een voordeeltje.
Deed hij mee aan deze bedelactie? ‘Nee!’ klinkt het stellig. ‘Ik had geen douceurtjes nodig. Ik verdiende goed bij mijn club (Stade Rennais) en van de Marokkaanse voetbalbond kon ik een bonus tegemoet zien voor mijn deelname aan de Afrika Cup. Ik vond toen, net als nu, dat er mensen waren die het harder nodig hadden dan ik.’
Bovendien, benadrukt hij, was hij bereid om onbetaald voor Marokko te spelen. ‘De ontmoeting met Zijne Majesteit, die zei erg trots te zijn op de wijze waarop wij het land hadden vertegenwoordigd, was al een grote eer voor mij.’
Belangeloze houding
Deze in Marokko zeldzame belangeloze houding, zijn toewijding aan zijn team en zijn bescheidenheid konden hem in 2021 echter niet behoeden voor een agressieve campagne in de Marokkaanse pers en op sociale media. Hem werd verweten de kandidatuur van [de Algerijn] Kheireddine Zetchi voor hoofd van de Confédération Africaine de Football (CAF, de Afrikaanse voet-balbond) te hebben gesteund, in plaats van die van [zijn landgenoot] Fouzi Lekjaa. Hij werd gesommeerd zijn voorkeur voor de voorzitter van de Algerijnse voetbalbond boven de machtige baas van de Marokkaanse voetbalbond toe te lichten, maar weigerde tekst en uitleg te geven.
En dat om één simpele reden: van Marokkaanse supporters wilde hij kritiek voor deze keuze naar eigen zeggen wel accepteren, maar de wekenlange belastering door een georganiseerde bende die ertoe opriep zijn Marokkaanse paspoort in te trekken en hem zijn Marokkaanse nationaliteit te ontnemen – dat ging hem veel te ver.
Aan deze golven van haat heeft Ouaddou onprettige ‘herinneringen’ over-gehouden. Zo worden er online allerlei berichten gepost en opmerkingen geplaatst, vaak met kwaadaardige beelden en kwetsende woorden: ‘verrader’, ‘buitenlandse agent’, ‘klootzak’ en andere fraaie teksten – als hij al niet wordt vergeleken met een ‘aap’.
‘Ik kon niet bevroeden dat onverdraagzaamheid en boosaardig racisme zo ingebakken, zo virulent zijn in mijn land’
‘Ik verkeer nog steeds in shock. Het is alsof mijn wereld is ingestort,’ klinkt het verbluft. ‘Ik kon niet bevroeden dat onverdraagzaamheid en boosaardig racisme zo ingebakken, zo virulent zijn in mijn land.’ En dan hij heeft nog niet eens gelezen wat er in het Arabisch over hem is geschreven.
Net als zijn ouders is Ouaddou Berbertalig. Het Darija, een mix van Arabisch, Berbers, Frans en Spaans die de lingua franca is van veel Marokkanen, verstaat hij wel maar beheerst hij niet tot in de puntjes. Het Arabisch schrift kan hij al helemaal moeilijk ontcijferen.
Adressenlijst
Om de lawine aan haat tot stilstand te brengen zocht Ouaddou in zijn adressenlijst de namen op van enkele Marokkaanse sportjournalisten, maar geen van hen reageerde. ‘Ze lieten me allemaal barsten. Niemand wilde me vragen stellen of was geïnteresseerd in mijn reactie of mijn kant van de zaak. Het was alsof ik van de ene op de andere dag niet meer voor hen bestond,’ verzucht hij.
De honderden trollen op internet hebben maar één doel: hem vernederen
Op sociale media probeert hij het gesprek aan te gaan met zijn criticasters, ook als ze hem hebben geschoffeerd. Tevergeefs: door het grote aantal tegenstanders ziet hij zich gedwongen de strijd te staken. De honderden trollen, de accounts van Moorish – een racistische en extreemrechtse clandestiene organisatie die zou zijn voort-gekomen uit de Marokkaanse geheime diensten – hebben maar één doel: hem vernederen.
Maar vanwaar dan al dit tumult – vooral als je bedenkt dat de voormalige Algerijnse international Lakhdar Belloumi zichzelf zonder problemen kon uitroepen tot ‘ambassadeur van Marokko’ voor het WK van 2026?
Antwoord: omdat Ouaddou in de zoveelste politieke en diplomatieke crisis tussen Marokko en Algerije beland raakte, over een eeuwigdurend conflict: dat van de Westelijke Sahara. Met deze keer als pikant extraatje het Marokkaanse besluit om de diplomatieke betrekkingen met Israël te normaliseren. Een soeverein besluit van het koninkrijk, dat door het buurland als een bedreiging wordt gezien, wegens – in de woorden van de Algerijnse regering – de ‘installatie’ van Israël voor haar deur.
Nog zo’n onderwerp dat, net als de mensenrechten, zijn pet te boven gaat, maar waarvan hij het belang wel degelijk inziet, gezien het enorme aantal bots onder zijn lasteraars. Het feit dat hij in de pers hevige kritiek te verduren kreeg van voormalige Marokkaanse internationals, bevestigt zijn bange vermoeden dat deze vloedgolf van smaad is georkestreerd.
Deze oud-spelers, met wie hij ooit goed meende te kunnen opschieten, geeft hij lik op stuk. Noureddine Naybet? ‘Welk opleidingsniveau heeft deze meneer en wat doet hij tegenwoordig precies?’ Youssef Chippo? ‘Welke meerwaarde heeft hij gehad voor het Marokkaanse voetbal?’ Mustapha El Haddaoui? ‘Die is al vijftien jaar coach van het nationale beachvoetbalteam en voorzitter van de Marokkaanse Unie van Professionele Voetballers [UMFP]. Op welke resultaten mag hij zich laten voorstaan?’
Wat Mohammed Sahil en anderen betreft: die zegt hij niet te kennen, maar hij neemt aan dat ze verplicht zijn hem aan te vallen om de ontvangen voordeeltjes te rechtvaardigen – dezelfde voordeeltjes die hij weigerde op te strijken na de wedstrijd tegen Tunesië in 2004.
Ontslag
Direct na zijn aankomst in Oujda kreeg Ouaddou te maken met spelers die staakten omdat ze hun loon niet uit-betaald kregen. Pijnlijker nog is dat hij beweert te zijn ‘geïntimideerd’ door de bestuurder van de regio Oriental, Mouaad Jamai, die hem naar verluidt tijdens een door de club georganiseerde lunch verweet dat hij de spelers steunde en ‘de club gijzelde’.
‘De club gijzelen omdat spelers uit hun woning worden gezet vanwege een huurachterstand die ze buiten hun schuld niet meer konden ophoesten?’ vraagt hij ironisch. ‘Sommigen hadden niet eens genoeg te eten,’ zegt Ouaddou, die erop wijst dat ook hij en zijn staf niet werden betaald. Dit wordt bevestigd door de uitgebreide correspondentie tussen zijn Parijse advocaat, Alexis Rutman, en de directie van MCO.
Zijn weigering om de plaatselijke bestuurder en de voorzitter van Mouloudia ter wille te zijn en te aanvaarden dat zijn contract van vier naar één jaar werd teruggebracht, leidde uiteindelijk tot zijn ontslag. Hij verliet de stad met een bittere smaak in zijn mond en nog een laatste leuke ‘herinnering’: een door de chauffeur van de spelersbus uitgelokt handgemeen, waardoor hij vijfentwintig dagen niet kon werken.
‘Waarom steun je de Algerijnen?’ ‘Ben je tegen de Marokkaanse Sahara?’
Steunde Ouaddou daarom Zetchi in plaats van Lekjaa? De oud-international ontkent het ten stelligste. Bovendien, zo rechtvaardigt hij zichzelf, had hij ruim voor zijn aanstelling bij Mouloudia d’Oujda de Marokkaanse bond gevraagd of hij ergens stage mocht lopen om zo een trainersdiploma te kunnen behalen. Diverse keren schreef hij de bond aan, maar zonder resultaat.
Daarop wendde hij zich tot de Algerijnse voetbalbond (FAF), via Djamel Belmadi, de coach van het Algerijnse nationale team. En zie, de deuren van de deze bond zwaaiden wél voor hem open. Dat viel niet goed bij een aantal bobo’s van het Marokkaanse voetbal.
De beschuldigingen op sociale media konden natuurlijk niet uitblijven: ‘Waarom steun je de Algerijnen?’ ‘Ben je tegen de Marokkaanse Sahara?’
Maar, zo bezweert hij, hij wil echt een einde te maken aan deze zaak. Dat hij Zetchi steunde en niet Lekjaa, is niet uit ressentiment of wraak, maar puur uit sportieve overwegingen. Voor hem heeft de Algerijn een project in gedachten, een visie voor het Afrikaanse voetbal die hij volledig onderschrijft. Algerije won in 2019 de Afrika Cup met een nationaal team dat voor 70 procent bestond uit spelers uit de Algerijnse competitie; de Marokkaanse kampioen telde voor 98 procent spelers die in het buitenland actief waren. Van een jeugdopleiding die de kans op toekomstig succes van het Marokkaanse voetbal kon vergroten, was geen sprake.
Verduistering
Daarnaast wijst Ouaddou erop dat Fouzi Lekjaa de secondant was van de Malagassiër Ahmad Ahmad, de voorzitter van de CAF die werd geschorst wegens ‘het aanvaarden en uitdelen van geschenken en andere voordelen’, ‘machtsmisbruik’ en ‘verduistering’. Die veroordeling maakte zijn herverkiezing onmogelijk.
‘Lekjaa heeft veel gedaan voor infrastructuur en stadions in Marokko, maar vergeten wordt dat hij voor Ahmad werkte, die een tekort van 10 miljoen euro in de schatkist van de CAF achterliet. Als we daarbij optellen dat er in Marokko duizend profspelers zijn uit de eerste en tweede divisie die geen sociale zekerheid hebben, dan geeft dat te denken,’ zo stelt een sportjournalist die anoniem wenst te blijven uit angst voor represailles.
En zoals Abdeslam Ouaddou hardop zegt, wekt dit enkel wrevel bij de Marokkaanse voetbalbond.
En verder, zegt hij, terwijl hij zich excuseert omdat hij zijn vliegtuig moet halen: ‘Als Zijne Majesteit of de hoge autoriteiten van mijn land van mening zijn dat ik een verrader ben en dat ik het niet verdien om Marokkaan te zijn, dan ben ik bereid mijn paspoort bij het dichtstbijzijnde consulaat in te leveren’.
Volgens wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan wacht Libië op het moment dat zijn burgers als feniksen uit de as verrijzen. Inmiddels plaatsen vrouwelijke auteurs in het tijdperk na oud-dictator Moammar Gaddafi de verhalen van het land in een nieuwe context.
Hawwa – de Arabische naam voor Eva – is een tienermeisje in het landelijke Benghazi, in de jaren zestig. Ze weet meerdere zwangerschappen te overleven nadat ze is uitgehuwelijkt aan Adam, een vrachtwagenchauffeur, en ze strijdt voor haar vrijheid en haar reproductieve rechten. Dit verhaal is terug te vinden in The Horses’ Hair, de veelgeprezen roman van de Libische wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan. In feite is dit het verhaal van de erfzonde, maar dan met zwarte humor verteld door een ongeboren kind dat de lezer de tragische levensloop van de ouders toont.
Het boek doet denken aan feministische hervertellingen zoals Circe, de roman uit 2018 waarin de Amerikaanse schrijver Madeline Miller enkele Griekse mythen hervertelt vanuit het perspectief van een tovenares, die normaal gesproken wordt afgeschilderd als de slechterik. Op vergelijkbare wijze kijkt Shatwan in haar oeuvre door een vrouwelijke bril naar de Libische geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. ‘Bin Shatwans beschrijvingen van vrouwelijke auteurs die in Libië kunnen rekenen op censuur vanuit de maatschappij zelf, laten zien dat schrijven voor een vrouw een revolutionaire daad is’, schreef journaliste Orna Herr in het mondiale literaire tijdschrift Index on Censorship.
Shatwan maakt deel uit van een groeiende groep Libische schrijvers die meer ruimte creëren voor een gendergerelateerde kijk binnen de literatuur. Dit markeert een belangrijk omslagpunt in het nog altijd kleine literaire wereldje in Libië. Door complexe vrouwelijke personages neer te zetten dragen steeds meer Libische schrijvers voorzichtig hun ideeën uit over gendergelijkheid.
Gedomineerd door mannelijke schrijvers
Van oudsher wordt de Libische literatuur gedomineerd door mannelijke schrijvers, die hun eigen archetypen gebruiken om belangrijke historische momenten te beschrijven en de realiteit van het moment te doorgronden. Bekende voorbeelden zijn de dichter Khaled Mattwa uit Benghazi, die bekendheid verwierf door met een unieke flair te verhalen over legenden en keerpunten in de geschiedenis, of Alessandro Spina, die dieper in de Libische geschiedenis dook met een reeks romans, waaronder The Confines of the Shadow.
Maar de laatste jaren zijn er steeds meer vrouwelijke auteurs op het toneel verschenen: Libische vrouwen of Italiaanse vrouwen die in Tripoli zijn geboren. Zij nemen de geschiedenis van het land onder de loep, grofweg vanaf 1900, maar dan vanuit vrouwelijke personages. Denk aan Alma Abate, die in Ultima estate in suol d’amore de opkomst van de in 2011 gedode despoot Moammar Gaddafi bekijkt door de ogen van Sara. Of denk aan Maryem Salama, die in From Door to Door schrijft over gemengde huwelijken in de beginjaren van de twintigste eeuw, met als vertelstem de jonge verpleegkundige Fatima. Door op die manier naar de geschiedenis te kijken, proberen ze te breken met het beeld van de vrouw als lijdzaam object.
Safa Elnaili, verbonden aan de Arabische faculteit van de Universiteit van Ala-bama, signaleerde deze trend toen ze onderzoek deed naar de korte verhalen die waren gepubliceerd op Almostakbal, een populaire Libische website. Wat haar trof was de centrale rol van vrouwen in deze narratieven, iets wat nieuw was binnen de Libische literaire canon. ‘De geschilpunten in deze verhalen worden belicht vanuit de positie van het vrouwelijke personage in relatie tot familieleden, de maatschappij en de sociopolitieke context,’ zegt ze.
In de begintijd van Gaddafi’s bewind, in de jaren zeventig, riep de regering een uitgeverij in het leven. Alle auteurs moesten zich in hun geschriften positief uitlaten over de autoriteiten, en wie dat weigerde werd gevangengezet of gedwongen het land te verlaten, of kreeg een verbod om ooit nog te schrijven.
Afvlakking
In 2013, twee jaar na het begin van de revolutie die zou leiden tot de val van Gaddafi, schreef Maryem Salama, een schrijver en dichter uit Tripoli, een gedicht waarin ze het beeld gebruikte van vuurwerk dat wordt aangestoken. Omdat er geen uitgeeftraject beschikbaar was, publiceerde ze het op haar Facebookpagina. Een paar uur later reageerde iemand: ‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis.’
‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis’
Het beeld is Salama altijd bijgebleven en sindsdien gebruikt ze de allegorie van een feniks om naar haar land te verwijzen. ‘Libië zit nog midden in zijn ontstaansgeschiedenis. Het moment is nog niet daar dat de grote vogel uit de as herrijst,’ zegt ze tijdens een videogesprek. ‘Het land wacht op het moment dat de Libische burgers de verantwoordelijkheid nemen om uit te groeien tot een groots volk van een groots land. Ze moeten lezen, ze moeten kennis opdoen en ze moeten handelen.’
Dat proces is met name van cruciaal belang in een land waar Gaddafi de Libische geschiedenis heeft herschreven om zijn eigen doelen te dienen. Naast het feit dat hij de uitgeefwereld inlijfde, maakte hij korte metten met alles wat zijn visie van Libië als homogene Arabische maatschappij kon ondermijnen. Het Tamazight, de taal en het schrift van de Berbers (een etnische groep in Libië en andere Noord-Afrikaanse landen), werd ver-boden en mocht niet meer worden onderwezen. Wie opkwam voor de cultuur en de rechten van de Berbers werd vervolgd, gevangengezet of zelfs vermoord. Dat betekende een afvlakking van de culturele diversiteit.
‘Gaddafi’s historisch revisionisme heeft een zwart gat geslagen in het histogram… voor Libiërs,’ zegt uitgever Ghassan Fergiani, een man van in de zeventig die in Tripoli woont. ‘Negentig procent van de Libiërs is geboren rond of na de periode dat Gaddafi aan de macht kwam. Zijn versie van de geschiedenis van Libië is dat alles pas begon toen hij aan het bewind kwam.’
In de jaren vijftig, het decennium waarin Libië zijn onafhankelijkheid verwierf, opende Fergiani’s vader, Mohammed Bashir Fergiani, drie goedlopende boekwinkels in Tripoli. Daarnaast zette hij ook de uitgeverij Dar Al Fergiani op. Nadat Gaddafi in 1969 aan de macht was gekomen, werd het bedrijf op last van de autoriteiten gesloten en emigreerde het gezin naar Engeland. In Londen stelde Fergiani’s vader zijn leven in dienst van een zoektocht naar oude edities en zeldzame uitgaven uit Libië en de Arabisch-sprekende wereld – boeken die hij vervolgens herdrukte met zijn nieuwe bedrijf, Darf Publishing.
Boegbeeld
Een van de auteurs die zijn zoon momenteel uitgeeft is Salama. De zesenvijftigjarige, wier boeken zich richten op de positie van vrouwen in de Libische samenleving, is door recensenten wereldwijd bejubeld als het boegbeeld van een nieuwe generatie Libische schrijvers.
Salama legt uit dat Gaddafi een gevoel van onzekerheid bij de Libiërs in de hand werkte door valse informatie te verstrekken. Vóór Gaddafi hadden schrijvers de mogelijkheid om zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, te groeien, en nieuwe manieren te zoeken om met Libische tradities om te gaan en tot een nieuwe, hedendaagse cultuur te komen. ‘Die natuurlijke mogelijkheid werd ingeperkt door de vuist van Big Brother,’ zegt ze ernstig. ‘We zijn opgegroeid in een stalen kooi, wisten niet meer dan wat hij wilde dat we wisten, hadden niet meer manoeuvreerruimte dan zijn instructies. De Libische vrouwen hebben daar het meest onder geleden.’
Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt
We spreken elkaar in een videogesprek. Salama geeft me een virtuele rond-leiding en laat me de boeken zien in de kast naast haar. Haar gezicht begint te stralen als ze haar eigen boeken in het Arabisch en het Engels uit de kast haalt. ‘Niet om op te scheppen,’ zegt ze grappend, ‘maar om je te laten zien hoe die boeken eruitzien.’ De schrijver werkt aan een boekvertaling en presenteert ondertussen een ochtend-programma op een plaatselijke radiozender; daarnaast is ze ook nog bezig met de voorbereidingen voor een nieuw radioprogramma over literatuur.
Wat vrouwen betreft zond Gaddafi tegenstrijdige boodschappen de wereld in. De flamboyante leider stond erom bekend dat hij zich omringde met vrouwelijke lijfwachten, ook wel de ‘Amazonegarde’ genoemd – een ver-wijzing naar de mythologische verblijfplaats van de Amazones in Libië. Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt.
Gaddafi riep een militaire training in het leven voor meisjes op de middelbare school, maar volgens Salama, die in haar jeugd ook deze training moest volgen, was deze niet bedoeld om gelijkheid te bevorderen. Sterker nog, zegt ze, het was een voorwendsel om vrouwen een gedegen opleiding te onthouden, aangezien de militaire training ten koste ging van andere leerstof.
Verschillende problemen
In het dagelijks leven kregen vrouwen in Libië met verschillende problemen te maken als gevolg van Gaddafi’s beleid, zegt schrijver Mahbuba Khalifa. Ze spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tunis, in het buurland Tunesië, waar ze met haar gezin woont na jaren om veiligheidsredenen in het buitenland te hebben vertoefd. ‘De vrouwen in mijn land moeten twee keer zo hard werken om een balans te vinden tussen enerzijds hun hoop en hun ambities – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun familie – en anderzijds de realiteit, die een schaduw over hun leven werpt.’
Khalifa is een vrouw van in de zestig met een zachte stem. Ze draagt een montuurloze bril en haar blonde haar is keurig gekamd. Naast haar op een bruine bank zit haar dochter – en tevens redactrice – Rima, met een alerte, vastberaden blik in haar ogen, het donkere haar in een staart. Rima, een van Khalifa’s vier kinderen en zelf ook schrijver, vult op zakelijke toon de antwoorden van haar moeder aan, of plaatst die binnen een bepaalde context. ‘Zij is degene die me heeft aangemoedigd mijn teksten te delen met de rest van de wereld,’ zegt Khalifa met een trotse blik op haar dochter, die instemmend knikt. ‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven,’ zegt Rima.
‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven’
Het ontsluiten van het Libische erfgoed is wat Khalifa al haar hele leven drijft. ‘Het gaat ver terug, vormt een doorgaande lijn en biedt motivatie,’ zegt ze. Ze schrijft een historische roman over haar geboorteplaats Derna, een havenstad in het oosten van Libië, in wat vroeger een van de rijkste regio’s was. Ze ging er weg op haar achttiende, maar nog altijd voelt ze zich sterk met de stad verbonden. De roman gaat over het lijden van de inwoners van Derna als gevolg van de strijd tussen de ge-allieerden en de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog. Er werd onder meer gestreden in de Libische woestijn. Ze kwam erachter dat inwoners van de kuststeden hun toevlucht hadden gezocht in grotten in de bergen, die dekking boden voor de luchtaanvallen van de geallieerden – een gegeven dat een rol speelt in haar boek.
Khalifa haalt ook herinneringen op uit haar eigen leven. ‘Sommige waren geïnspireerd op het feit dat ik voortdurend verhuisde van de ene plek naar de andere, in Libië of daarbuiten. Dat alles heeft mijn verbeelding verrijkt.’
‘Het voortdurende reizen was voor ons noodzakelijk,’ vertelt Rima. ‘Mijn vader [de Libische politicus en jurist Goma Attaiga] was een tegenstander van het Gaddafi-regime, en omwille van onze veiligheid moesten we het land ontvluchten. Mama heeft zelf jarenlang onder pseudoniem geschreven voor oppositiebladen.’
Khalifa’s eerste roman, We Were and They Were, kwam in 2021 uit in het Arabisch en werd dankzij mond-tot-mondreclame een groot succes bij het Libische lezerspubliek. Het was autobiografisch, zegt ze. ‘Ik wilde het verhaal vertellen van een Libische vrouw die een bepaalde periode uit de geschiedenis van ons land had meegemaakt en die op persoonlijk vlak was geraakt door een aantal belangrijke gebeurtenissen.’
Getuige
De losjes op haar eigen ervaringen gebaseerde roman brengt haar leven in kaart, van haar studiejaren tot aan de val van Gaddafi in augustus 2011. ‘Het begin van mijn studie viel samen met de ingrijpende veranderingen die in Libië plaatsvonden als gevolg van de coup tegen de monarchie. Mijn generatie was getuige van veranderingen die heel verwarrend waren voor de Libische bevolking, die destijds een vreedzaam bestaan leidde.’
Ze herinnert zich de tijd dat er net olie was ontdekt en er goede hoop was op een welvarende toekomst. ‘Van het ene op het andere moment sloeg dat om in een leven van zorgen, en van angst voor de nieuwe bewindhebbers,’ zegt ze. ‘Er werden mensen opgepakt en vrijheden afgenomen, en we zagen enorme veranderingen op sociaal en economisch gebied.’ Khalifa zwijgt even en denkt terug aan het moment dat haar man werd opgepakt. ‘Dat heeft mijn leven voorgoed een andere wending gegeven.’
Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten
Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten. ‘In Libië is er een grote nalatenschap van historische fictie, wat logisch is, gezien de belangrijke rol van het land in de geschiedenis van het Middellandse Zeegebied, en gezien de diverse volken die Libië door de eeuwen heen hebben bewoond of gekolonialiseerd,’ zegt de in Tripoli wonende schrijver Kawther Eljehmi.
De achtendertigjarige spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tripoli. Ze behoort tot een generatie van schrijvers die dankzij internet zijn komen bovendrijven. Eljehmi begon 2016 te bloggen; drie jaar later zette ze al haar artikelen en verhalen op de populaire Facebookpagina Fasila, speciaal bestemd voor Libische auteurs. Via internet nam de aandacht voor haar verhalen toe en kreeg ze een vaste volgersschare – nog voordat twee jaar geleden haar eerste roman uitkwam, Aidoun.
Italiaanse Libiërs
De instabiele situatie van het land is de ernstigste kwestie die bij het schrijven komt kijken. ‘Bij mijn eerste roman liep het allemaal nog best soepel. Ik schreef terwijl ik zwanger was van deze kleine,’ zegt ze, terwijl haar vierjarige zoontje Moness zijn neus tegen de webcam drukt. ‘Maar het was veel lastiger om mijn tweede roman te voltooien.’ Dat was tijdens de burgeroorlog van 2019. Eljehmi woonde in een buurt waar veel werd gevochten. Door de bominslagen was het ‘vrijwel onmogelijk’ een schrijfritme te vinden.
Toch wist ze het boek af te krijgen. The Colonel gaat over een fictief personage dat doet denken aan Gaddafi. Eljehmi is alweer bezig aan een nieuwe roman, die handelt over kinderen van Libische vrouwen die met een buitenlander zijn getrouwd. Deze kinderen hebben geen recht op gratis onderwijs en gezondheidszorg, omdat ze niet als Libiërs worden gezien.
Italiaanse schrijvers houden zich ook bezig met historische afrekeningen. Zij nemen de Italiaanse kolonisatie van Libië onder de loep. Libië, voorheen Ottomaans bezit, werd van 1911 tot 1943 bezet door Italië. Op 24 december 1951 riep Libië de onafhankelijkheid uit. In 1970 beval Gaddafi de uitzetting van de Italiaanse bevolking.
Mythologie en de vrouwelijke blik vormen het perspectief
Ook bij de Italianen vormen mythologie en de vrouwelijke blik het perspectief van waaruit de auteurs naar het verleden kijken. Een goed voorbeeld hiervan is Le amazzoni van Manuela Piemonte, dat vorig jaar uitkwam. Dit boek kijkt door de ogen van twee kleine meisjes naar het door Italië bezette Libië in de jaren veertig.
Piemonte (43) werkte in de uitgeefwereld en was scenarioschrijver, toen ze zich aan haar eerste roman waagde. Ze houdt van research en verzamelde een enorme hoeveelheid archiefmateriaal over het onderwerp van haar boek. Via een videoverbinding toont ze me, wat aarzelend maar toch met enige trots, een collectie fascistische memorabilia die ze in dienst van de literatuur heeft verzameld: oude boeken, fascistische speldjes en ansichtkaarten. ‘Ik wilde zeker weten dat mijn beschrijvingen tot in de kleinste details zouden kloppen.’
De hoofdpersonages in Le amazzoni zijn de dochters van Italiaanse kolonisten op het Libische platteland, op het moment dat Benito Mussolini het land de oorlog verklaart. In een periode dat ze Libië moeten verlaten houden ze zich vast aan een indringend beeld dat ze zich herinneren: dat van een Berber-vrouw die te paard door de woestijn stuift. Ze willen net zo worden als die vrouw. ‘Toen ik onderzoek deed naar de periode van de Italiaanse kolonisatie, kwamen de Amazones me voor als een toonbeeld van kracht,’ zegt Piemonte. ‘Pas later kwam ik erachter dat Libië de plek is waar de vrouwelijke krijgers in de Griekse mythen vandaan kwamen.’
Ná de oorlog
Er is nog een periode waar Italiaanse schrijvers zich mee bezighouden, en dat is de tijd ná de oorlog. De inmiddels overleden Alma Abate, die in Tripoli werd geboren, beschrijft in de roman Ultima estate in suol d’amore, die vorig jaar verscheen, een multicultureel Tripoli waar Italianen, Engelsen, Fransen, Amerikanen, joden, christenen en moslims in harmonie samenleven.
Diezelfde periode wordt ook onder de loep genomen in de gefictionaliseerde autobiografie Il casa di Shara Band Ong: Tripoli, van de zestigjarige Mariza D’Anna, die eerder boeken schreef over de geschiedenis van haar familie in Libië. ‘Ik wilde een ervaring delen die veel in Libië geboren Amerikaanse kinderen zullen herkennen: verjaagd worden van de plek die je als je thuis beschouwt,’ zegt ze aan de telefoon vanuit Trapani, op Sicilië, haar thuis sinds ze door Gaddafi werd verbannen. Het boek verscheen vorig jaar.
Zoals D’Anna over Libië spreekt, lijkt het land het midden te houden tussen een verre droom en een plek uit historische verslagen. ‘Ik heb niet heel veel literaire uitwisselingen gehad met Libische schrijvers toen ik aan deze roman werkte, want ik wilde juist mijn eigen herinneringen vastleggen,’ zegt D’Anna, die het land niet meer in mocht – als een in Libië geboren Italiaanse stond ze jarenlang op Gaddafi’s zwarte lijst. ‘Ik ben me ervan bewust dat sommige Libiërs, die waarschijnlijk een volstrekt andere ervaring hebben gehad, het verwarrend kunnen vinden dat ik deze pré-Gaddafi-jaren beschrijf als een gelukkige periode.’ Maar, besluit ze, ‘dat is wel hoe ik het me herinner’.
In de regio zijn milities actief die burgerdoelen aanvallen
In de Congolese provincie Ituri zijn de lichamen van tientallen personen gevonden in massagraven. De ontdekking werd gedaan door militairen van de Verenigde Naties, zo meldt Africa News. In de regio is het al langer onrustig door gewapende milities die aanvallen plegen op burgerdoelen.
Eerder deze weken kwamen er meldingen binnen over moordpartijen bij kerken en in dorpen. VN-militairen trokken daarop de regio binnen en ontdekten de massagraven in twee dorpen. Ook werden de lichamen van zeker zes kinderen ontdekt.
Het is al langer onrustig in Congo, waar gewapende milities ondanks beloften van de regering actief zijn. Burgers houden grote demonstraties in de Congolese steden tegen deze groeperingen, maar met name in de landelijke regio’s blijven zij actief. Op de plek waar de massagraven werden gevonden is een alliantie aan milities actief die in de afgelopen twee maanden bijna tweehonderd slachtoffers zou hebben gemaakt.
In Senegal zijn drie dagen van nationale rouw afgekondigd nadat zeker veertig mensen om het leven kwamen bij een zwaar busongeluk tussen twee bussen. Bij de stad Kaffrine botsten de twee bossen vol op elkaar. Nog eens tientallen mensen raakten gewond, schrijft Africa News.
Volgens lokale media ontstond het ongeluk nadat een regionale bus een klapband kreeg en daardoor op de andere weghelft belandde. Vervolgens ontstond er een zware botsing met een andere bus, die op hoge snelheid vanaf de andere kant kwam aanrijden. Hoewel zware verkeersongelukken vaker voorkomen in Senegal, is het lang geleden dat er zo veel doden en gewonden vielen bij een ongeluk in het Afrikaanse land.
De Senegalese president Macky Sall heeft zijn medeleven betuigd aan de families en nabestaanden van de slachtoffers en gezegd dat hij op ministerieel niveau gaat kijken naar maatregelen om de verkeersveiligheid, het openbaar vervoer en de infrastructuur in het land te verbeteren.
Bij een reeks zelfmoordaanslagen in Somalië zijn woensdag zeker vijfendertig mensen om het leven gekomen. De terroristische organisatie Al-Shabaab heeft de aanslag opgeëist, schrijft Africa News. De aanslagen vonden plaats in de stad Mahas in de provincie Hiran, waar eind vorig jaar een groot offensief tegen de terreurbeweging werd opgezet.
Naast autoriteiten en de twee zelfmoordterroristen kwamen met name vrouwen en kinderen om het leven. De aanslag werd gepleegd door twee auto’s tot ontploffing te brengen. In oktober vorig jaar werd Hirano ook al opgeschrikt door een zelfmoordaanslag waarbij zeker dertig doden vielen.
Al-Shabaab is een Al-Qaida gelieerde beweging die met name actief is in de plattelandsregio’s van Somalië. Al ruim vijftien jaar vecht de groepering een bloedige strijd uit met de Somalische regering, die gesteund wordt door een internationale alliantie. De beweging probeert meestal met aanslagen terreur te zaaien onder de bevolking van het Afrikaanse land.
In 2016 deed de Riffijnse opstand het Marokkaanse gezag wankelen. Nasser Zefzafi, een gevangengenomen en gemartelde activist, is uitgegroeid tot het symbool van dit maatschappelijke en politieke protest.
Wie binnenkomt bij de familie Zefzafi betreedt een andere wereld, een wereld die in het teken staat van een voorbije tijd. De meubels staan nog bijna net zoals toen Nasser Zefzafi er woonde, benadrukt zijn vader, Ahmed Zefzafi, terwijl hij ons verschillende plekken in het huis laat zien. Zwarte vlaggen wapperen al op hun dak sinds 29 mei 2017, de dag waarop Nasser werd gearresteerd omdat hij aan het hoofd stond van Hirak, de grootste protestbeweging die er deze eeuw in het Rifgebied is geweest. ‘Deze deur is door de nationale politie ingetrapt,’ zegt Ahmed, wijzend naar de hoofdingang van het huis, ‘en toen zijn ze met 54 man binnengestormd.’ Het zijn de laatste herinneringen die hij nog heeft aan zijn zoon, die sindsdien wereldwijd als de bekendste Berber uit het Rifgebied geldt.
Nasser Zefzafi heeft zich tijdens de Riffijnse opstand, die duurde van 2016 tot 2017, ontpopt als een van de felste activisten. Aanleiding was de dood van een visverkoper, Mouhcine Fikri, die werd vermalen door een vuilniswagen waaruit hij zijn door de autoriteiten in beslag genomen koopwaar probeerde terug te pakken.
MAROKKO
NASSER ZEFZAFI
Nasser Zefzafi is veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens het eisen van meer sociale gerechtigheid. Als boegbeeld van de Riffijnse Hirak, een volksbeweging die in 2016 in de gemarginaliseerde regio in het noorden van Marokko is ontstaan, is hij in mei 2019 gearresteerd wegens het verstoren van een preek in een moskee, waarbij hij de imam ervan beschuldigde zich als spreekbuis van de autoriteiten te lenen. Al vóór zijn veroordeling is hij tijdens zijn gevangenschap gemarteld en ook op andere manieren slecht behandeld door de politie. Hij zit al sinds zijn arrestatie in isolatie en krijgt niet de medische zorg die hij nodig heeft.
WAT EIST AMNESTY?
Dat er een eind komt aan de slechte behandeling en dat Zefzafi onvoorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
Het oproer dat ontstond was niet alleen een teken van solidariteit met de ongelukkige visverkoper. De dood van Mouhcine Fikri was het uitvloeisel van een beleid dat het Rifgebied en zijn inwoners al jarenlang doelbewust marginaliseerde. Nasser was nog geen activist op het moment dat dit incident zich voordeed. Zoals veel gewone Riffijnen van die tijd was hij werkloos en waren zijn vooruitzichten slecht omdat de streek steeds verder in het slop raakte, in tegenstelling tot andere regio’s in Marokko die zich allengs moderniseerden. ‘Pas op die dag begon hij de straat op te gaan om deel te nemen aan de vreedzame marsen door Al Hoceima waarbij bloemen en kaarsen werden neergezet,’ vertelt Ahmed.
Opkomen voor waardigheid
Ondanks zijn bescheiden afkomst groeide Nasser al snel uit tot een van de boegbeelden van de verzets-beweging Hirak: hij hield toespraken, organiseerde wekelijkse bijeenkomsten en riep zijn mensen vooral op om met vreedzame betogingen voor hun waardigheid op te komen. ‘Ik zou Nasser geen leider of haantje de voorste willen noemen, maar hij wist Hirak meer aanzien te geven,’ zegt Ahmed. ‘Als Nasser er niet was geweest was er op de avond dat Mouhcine om het leven kwam niets gebeurd.’
Maar Nasser heeft zijn moed duur moeten betalen. ‘Op 26 mei kwamen ze hem halen en trapten ze onze deur in, maar hij was niet thuis, hij was ondergedoken,’ vertelt Ahmed. ‘Op 29 mei om zes uur ’s ochtends is Nasser in handen van de nationale brigade van de gerechtelijke politie (BNPJ) gevallen. Ze hebben hem meegenomen in een helikopter en hem gemarteld totdat hij in de gevangenis van Casablanca arriveerde.’
Hoge tol
Nasser Zefzafi werd gearresteerd wegens ‘schending van de binnenlandse staatsveiligheid’, aldus een communiqué dat de procureur-generaal van het gerechtshof van Al Hoceima na zijn gevangenneming deed uitgaan. Ook zou hij gevangen zijn gezet op verdenking van ‘inbreuk op de vrijheid van godsdienst’ wegens het verstoren van een preek tijdens het vrijdaggebed in een plaatselijke moskee waarin de betogingen van Hirak werden bekritiseerd. In juni 2018 veroordeelde een Marokkaanse rechtbank Nasser tot twintig jaar gevangenisstraf wegens verstoring van de openbare orde en bedreiging van de nationale eenheid.
‘Al sinds 1956 doen ze voortdurend alsof wij het regime omver willen werpen’
‘Al sinds 1956 doen ze voortdurend alsof wij het regime omver willen werpen,’ zegt Ahmed. Hij verwijst naar de periode die volgde toen Marokko officieel onafhankelijk werd van Frankrijk, wat binnenslands gepaard ging met een reeks aanvaringen met de Riffijnen die zichzelf altijd als een ondergeschoven kindje hebben beschouwd.
Nasser zit nu al meer dan vier jaar in de gevangenis en hij moet nog vijftien jaar uitzitten. Ondanks de afstand die alles ingewikkeld maakt belt hij zijn ouders bijna elke dag, waarbij hij zijn best doet zo gelukkig mogelijk over te komen. Maar Ahmed vertelt dat de toestand van zijn zoon met de dag achteruitgaat. ‘Bij aankomst in de gevangenis was hij kerngezond, maar nu lijdt hij aan drie chronische ziektes. En van de week hebben ze microben in zijn maag aangetroffen. Ook heeft hij ademhalingsproblemen.’
Nasser heeft een hoge tol moeten betalen voor zijn protest, maar hetzelfde geldt voor zijn ouders. Desondanks verzekert Ahmed dat als hij de tijd kon terugdraaien hij niet zou proberen Nasser te weerhouden van wat hij heeft gedaan. ‘Ik zou het precies zo laten als nu,’ zegt hij.
Hij is trots op wat zijn zoon heeft volbracht en hoezeer het hem ook verdriet dat Nasser nu in de gevangenis zit, toch vindt hij dat hij heeft gedaan wat hij moest doen om de al zo lang vergeten rechten van de Riffijnse Berberbevolking te verdedigen. ‘Wij willen maar één ding: leven onder een regime dat de rechten van de mens respecteert, leven als vrije mensen, profiteren van het geluk dat onze aarde ons brengt. Maar er is niemand tot wie wij ons kunnen richten,’ legt Ahmed uit. Hij verzekert dat de beweging die door zijn zoon werd geleid alleen maar eiste dat de Riffijnen op een waardige manier werden behandeld, met respect en aandacht.
Woordvoerder der Riffijnen
Tot de verzoeken die aan de regering werden gericht behoorden heel concrete en simpele dingen, zoals de bouw van een ziekenhuis, meer scholen en meer initiatieven om de plaatselijke economie te ontwikkelen. Nasser Zefzafi wordt nog altijd als de woordvoerder van talloze Riffijnen beschouwd. Natuurlijk zit hij achter de tralies, maar voor veel Riffijnen is het een beetje alsof ze samen met hem in de cel zitten.
ZIMBABWE
CECILLIA CHIMBIRI, JOANAH MAMOMBE EN NETSAI MAROVA
Op 13 mei 2020, na hun deelname aan een betoging tegen de regering, werden Joanah, Netsai en Cecillia volstrekt willekeurig gearresteerd. Twee dagen later werden ze met tal van verwondingen teruggevonden. Ze werden in het ziekenhuis opgenomen en beschuldigd van overtreding van de wet door deelname aan een betoging, ‘samenscholing met de bedoeling openbaar geweld uit te lokken’ en ‘verstoring van de op enbare orde’. Het proces tegen Joanah, Netsai en Cecillia is begonnen in
januari 2022 en nog niet afgerond.
WAT EIST AMNESTY?
Onmiddellijke en onvoorwaardelijke intrekking van de aanklachten tegen hen.
‘In de moslimwereld worden deze zwarte vlaggen op twee verschillende manieren opgevat,’ legt Ahmed uit terwijl hij de twee grote vaandels toont die aan het dak van zijn huis zijn bevestigd. ‘Voor sommigen betekent het dat we sjiieten zijn en voor anderen dat we IS-aanhangers zijn. Maar wat zijn we echt? Geen van beiden. We zijn alleen maar in rouw, en zolang mijn zoon niet uit de gevangenis komt, zullen we deze vlaggen laten wapperen om hem te gedenken.’
Verdrukking leidt tot stormloop in winkelcentrum in Kampala
Bij een nieuwjaarsviering in het centrum van de Oegandese hoofdstad Kampala zijn zeker negen mensen om het leven gekomen, schrijft het Oegandese medium Monitor. Allen zouden door verdrukking zijn gestorven toen mensen rond middernacht door een winkelcentrum wilden lopen om het nachtelijke vuurwerk te aanschouwen.
Er zou een gedrang zijn ontstaan bij het winkelcentrum, wat zorgde voor paniek. De plaatselijke politie spreekt van een stormloop, waarbij vijf mensen om het leven kwamen. De meerderheid van de slachtoffers is minderjarig. Vier anderen overleden later in het ziekenhuis aan hun verwondingen.
De politie heeft een onderzoek ingesteld naar de organisatie van het evenement. Zij zouden medeschuldig zijn aan de ramp omdat er onvoldoende veiligheidsmaatregelen waren getroffen. Het was voor het eerst in twee jaar dat de vuurwerkshow in Kampala doorging: de afgelopen jaren werd het evenement afgelast vanwege de coronapandemie. Volgens de autoriteiten was het mede daarom extra druk.
Sinds de onafhankelijkheid van Soedan is het onrustig in het land
In de staat Jonglei in het noordenoosten van Zuid-Soedan is het de afgelopen dagen tot gewelddadige botsingen gekomen tussen verschillende etnische groeperingen. Volgens persbureau AP zijn daar zeker 57 mensen bij om het leven gekomen. Hoewel nog veel onduidelijk is over hoe het geweld is opgelaaid, lijken met namen de Nuer en de Murle, twee rivaliserende groeperingen, betrokken te zijn bij de gewelddadigheden.
Zuid-Soedan is nu bijna twaalf jaar onafhankelijk van buurland Soedan, maar in het land komt het regelmatig tot botsingen tussen etnische rivalen. Twee jaar geleden kwamen er honderden mensen om het leven toen bij botsingen tussen de Murle en de Nuer. Lokale autoriteiten willen dat de federale regering ingrijpt, maar ook binnen de regering bestaan conflicten tussen vertegenwoordigers van diverse groeperingen.
De Verenigde Naties, die een vredesmissie in Zuid-Soedan hebben, zeggen bezorgd te zijn vanwege de nieuwe uitbraak van geweld in het gebied. Ook de Afrikaanse Unie heeft opgeroepen het geweld te stoppen. In Zuid-Soedan is sprake van extreme armoede in veel delen van het land en veel inwoners van het Afrikaanse honger leiden honger. Organisaties vrezen dat meer politieke instabiliteit zorgt voor een toename aan de behoefte aan humanitaire hulp.
Kerkelijke leiders kunnen gearresteerd worden als ze dat toch doen
De Ghanese politie heeft vlak voor het nieuwe jaar een officiële waarschuwing uitgedeeld aan religieuze leiders om geen negatieve voorspellingen over 2023 te doen. Pastoors en priesters die dat toch doen, kunnen gearresteerd worden, meldt de BBC op basis van lokale media. Volgens critici is de waarschuwing van de Ghanese politie ongrondwettelijk.
In Ghana is het traditie om aan het eind van het jaar in kerken te luisteren naar de nieuwjaarspreken van de religieuze leiders, die voorspellen hoe het nieuwe jaar eruit zal zien. Deze voorspellingen kunnen zeer negatief zijn. Zo werden de miljoenen Ghanese christenen die vorig jaar naar deze diensten gingen gewaarschuwd voor enorm onheil en natuurlijke rampen.
Dergelijke negatieve voorspellingen zorgen volgens de Ghanese politie voor angst onder de bevolking en kunnen zelfs tot de dood van mensen leiden. Dinsdag 27 december is daarnaast uitgeroepen tot ‘Dag van de Naleving van de Profetiecommunicatie’ om Ghanezen eraan te herinneren ‘het geloof te belijden binnen de grenzen van de wet om te zorgen voor een veilige omgeving, vrij van angst door voorspellingen van naderend letsel, gevaar of dood’, schrijft lokale website My Joy Online.
De witte gemeenschap Orania, die in 1991 door nazaten van apartheidsarchitect Hendrik Verwoerd werd gesticht, trekt steeds meer Afrikaners aan.
In de desolate Karoo-halfwoestijn ligt de laatste Zuid-Afrikaanse ‘slegs vir blankes’-enclave: een bloeiende gemeenschap. De diepe onenigheid die in de rest van het land heerst – over ras en welvaart, stijgende criminaliteit en afkalvende voorzieningen – is een zegen voor Orania, de Afrikaner gemeenschap die in 1991 door nazaten van apartheidsarchitect Hendrik Verwoerd werd gesticht.
De toestroom van nieuwe inwoners die de chaos ontvluchten logenstraft de voorspellingen dat dit omstreden sociale experiment tot falen is gedoemd. ‘Er werd altijd een beetje lacherig over ons gedaan,’ zegt Joost Strydom, de woordvoerder van Orania, dat zijn inwoneraantal sinds 2018 met 55 procent zag stijgen, tot 2500.
Wekelijks stroomt een ‘duizelingwekkend’ aantal verblijfsaanvragen binnen
Om aan de vraag te kunnen voldoen wordt er druk gebouwd – door witte bouwvakkers. ‘Selfwerksaamheid’ vormt de hoeksteen van het project. Wekelijks stroomt een ‘duizelingwekkend’ aantal verblijfsaanvragen binnen van mensen die willen ontsnappen aan de groeiende criminaliteit en sociale onrust die veel steden teisteren. Met 67 moorden per dag is het aantal moorden in Zuid-Afrika de eerste drie maanden van 2022 met maar liefst 22 procent gestegen.
‘Er wonen geen zwarte mensen in Orania,’ zegt Strydom, ‘maar dat geldt ook voor talloze onveranderde, chique voorsteden elders in Zuid-Afrika, waar de enige gekleurde gezichten toebehoren aan arbeidskrachten en huishoudelijk personeel.’ In Orania daarentegen wordt al het vuile werk door Afrikaners zelf opgeknapt. ‘Het enige verschil is dat wij er openlijk voor uitkomen waar onze gemeenschap voor staat,’ vervolgt hij. Je kunt alleen in het dorp komen wonen als je christelijke waarden en de Afrikanercultuur en -ideologie onderschrijft.
De enclave heeft haar eigen munt, vlag en feestdagen. 16 juni, een nationale feestdag om de slachtoffers van de opstand in Soweto te eren, een belangrijke datum in de antiapartheidsstrijd, wordt in Orania om een heel andere reden herdacht: de strijd van de Afrikaners tegen het machtige Britse rijk tijdens de Boerenoorlog. De leiders van Orania beweren stellig dat het dorp geen heilstaat is voor racisten, maar een plek om een bepaald soort leven te leiden met mede-Afrikaners, de afstammelingen van zeventiende-eeuwse Nederlandse en Franse immigranten.
Spookdorp
Orania werd in 1991 opgericht door ideologen, geleid door Anna en Carel Boshoff, de dochter en schoonzoon van Verwoerd, die premier was van 1958 tot 1966, het jaar waarin hij werd vermoord. Ze streken neer in een spookdorp van verlaten prefabhuizen voor arbeiders die in de jaren zestig een irrigatiesysteem waren komen aanleggen. Het project heeft meerdere hobbels overwonnen, waaronder een poging om de dorpsgrenzen te verleggen zodat het binnen een democratisch gekozen gemeente zou komen te vallen. De advocaten van Orania bepleitten met succes dat de progressieve grondwet van Zuid-Afrika de rechten van minderheden waarborgt.
‘Het was levensveranderend om niet als tweederangsburger in mijn eigen christelijke cultuur te hoeven leven’
Terwijl de heersende ANC in een onderlinge strijd was verwikkeld, kon de nederzetting, die 33 vierkante kilometer beslaat, zich ongestoord ontwikkelen. Het oorspronkelijke plan van de stichters om volledig zelfstandig te worden begint aardig vorm te krijgen. Er is een rioolstelsel aangelegd, berekend op een bevolking van tienduizend inwoners, en een zonne-energiepark dat zal profiteren van de strakblauwe woestijnluchten moet het dorp onafhankelijk maken van het falende nationale elektriciteitsnetwerk. In 2020 zaten 59 miljoen Zuid-Afrikanen door stroomonderbrekingen zeven week lang in de duisternis. Er is een technische school die toekomstige arbeidskrachten opleidt en er zijn twee privéscholen waar Afrikaner geschiedenis en praktische vaardigheden hoog in het vaandel staan.
Tony Correia, een nieuwe inwoner, vertelt dat hij zich vorig jaar bij zijn broer in Orania heeft gevoegd na de dagenlange onlusten en plunderingen in de provincie KwaZoeloe-Natal, waarbij zo’n 340 dodelijke slachtoffers vielen. ‘We zaten er middenin.’ Toen de 33-jarige accountant ontdekte wat de jonge gemeenschap te bieden had qua veiligheid en werk, besloot hij definitief te verkassen. ‘Het was levensveranderend om niet als tweederangsburger in mijn eigen christelijke cultuur te hoeven leven.’
Bustes van Verwoerd
Het dorp is ook een verzamelplaats voor alle bustes van Verwoerd en andere Afrikaner leiders die elders in het land uit scholen en gemeentehuizen zijn verwijderd. Het Verwoerd-museum barst haast uit zijn voegen. ‘We krijgen dagelijks aanbiedingen: foto’s, schilderijen, standbeelden,’ vertelt Strydom. ‘We hebben nauwelijks plek om alles onder te brengen.’
Asanda Ngoasheng, activist voor rassengelijkheid, respecteert het besluit van de inwoners om in ‘een of ander nostalgisch apartheidsutopia’ te wonen. ‘Ze hebben een gevangenis voor zichzelf gecreëerd. Waarom zouden we ze dwingen deel uit te maken van een Zuid-Afrika dat ze duidelijk niet erkennen?’
De Amerikaanse president Biden wil Afrika lid van de G20 maken
Sinds ruime tijd proberen de VS bezig diplomatieke en economische banden met Afrika aan te halen, meldt persbureau Reuters. Een van de maatregelen die de Amerikaanse president Joe Biden aankondigde is dat hij Afrika wil toelaten tot de G20. De toenaderingspogingen van de VS worden gezien als een manier om de macht van China in onder meer Afrika terug te dringen.
Momenteel vindt er in Washington een driedaagse top plaats waar afgevaardigden uit 49 Afrikaanse landen aanwezig zijn. Volgens Biden zetten de VS zich vol in voor de toekomst van Afrika. Zo werd er een hernieuwd handelsverdrag met de Afrikaanse landen gesloten en sprak Biden over samenwerkingsplannen op het gebied van infrastructuur en energiewinning.
Het is voor het eerst sinds 2014 dat de VS een dergelijke top organiseren. Naast de handelsovereenkomst heeft Biden 55 miljard dollar aan steun toegezegd voor Afrika, die onder andere ingezet moet worden voor de verduurzaming van Afrikaanse economieën. China heeft momenteel vier keer meer handel met het continent dan de VS en heeft, door het opkopen van staatsschulden, ook op politiek gebied een grote vinger in de pap.
Door het selectieve antimigratiebeleid en de vijandigheid tegenover buitenlanders in Europa en Noord-Amerika, wijken steeds meer Afrikaanse migranten uit naar nieuwe bestemmingen als China, Turkije, het Midden-Oosten en, in sommige gevallen, Zuid-Amerika. De Rwandese journalist Eleneus Akanga zet zijn eigen ervaringen in groter perspectief.
Ik was 24 toen ik in 2007 van Rwanda naar het Verenigd Koninkrijk vluchtte. Als succesvol verslaggever was ik net hoofdredacteur geworden van de onderzoeksjournalistieke publicatie The Insight, die in Rwanda steeds meer waardering oogstte. Ik had een wekelijkse column over actuele sociale kwesties in The New Times, ‘The Municipal Watchdog’, en ik schreef voor Reuters, Al-Jazeera, Xhinua en Associated Press. Dit was mijn leven, en ik genoot er met volle teugen van.
Ondertussen begon zo’n 6500 km verderop in Groot-Brittannië, onder andere in Glasgow, de stad die inmiddels mijn nieuwe thuis was, een langdurige haatcampagne tegen mensen zoals ik. Het land had al tien jaar een Labour-regering en hoewel de partij het economische tij van het land had gekeerd, trad langzaam maar zeker een sociale malaise in. Door machtshonger gedreven oppositiepolitici (van met name de Conservatieve Partij en UKIP) wakkerden samen met de populaire media de woede van de bevolking aan over twee kwesties: immigratie en welzijn. Het immigratiedebat verhardde en kreeg steeds vaker een racistische ondertoon. De BBC zond ‘The Poles are Coming!’ uit, een aflevering van de documentaireserie White, waarin filmmaker Timothy Samuels het groeiende anti-immigratiesentiment onderzoekt.
‘Je hoeft tegenwoordig niet ver te reizen om een stukje Polen of Oost-Europa in je stad aan te treffen,’ zegt hij, om er meteen aan toe te voegen: ‘Maar voor sommige mensen in Peterborough is het allemaal te veel.’
In de documentaire zit een scène van een overvolle dokterswachtkamer en dito school, gevolgd door een shot waarin een zichtbaar geïrriteerde Brit van middelbare leeftijd zegt: ‘Peterborough wordt volledig overspoeld.’ In het volgende beeld stelt een gemeenteraadslid dat de maat vol is.
De zorgen over iedereen die je hebt achtergelaten blijven knagen
Ik weet nog dat ik de documentaire op mijn eenkamerflatje in Glasgow zag en dat de angst me om het hart sloeg. Je denkt dat je het hoofdstuk kunt afsluiten wanneer jou asiel wordt verleend. Hoewel dit enigszins klopt, is het toch verre van de waarheid. De eenzaamheid, de zorgen over iedereen die je hebt achtergelaten die maar blijven knagen. Niets is ooit zeker. Het hangt ook af van wat je allemaal hebt meegemaakt. Ik ken mensen, onder wie ikzelf, die jaren nadat ze asiel hebben gekregen, nog altijd over hun schouder kijken – want je weet maar nooit. De vraag die zich aan me opdrong was: als de Oost-Europeanen, met hun witte huid en hun blauwe ogen, al zo worden behandeld, wat kunnen wij Afrikanen dan verwachten?
Per slot van rekening woonde ik al in een flatgebouw met bewoners uit alle hoeken van de wereld, onder anderen drugsverslaafden en ex-verslaafden. Maar het leven gaat door. Ondanks wat burenoverlast kon ik het goed vinden met mijn verslaafde buren, en in de zes maanden dat ik er woonde werd ik nooit beledigd of ook maar enigszins lastiggevallen.
Niet aankloppen
Wat ons asielzoekers voortdurend voor de voeten wordt geworpen, is de vraag waarom we niet aankloppen bij het eerste het beste veilige land waar we binnenkomen. ‘Frankrijk is een prima land, daar hadden ze toch heel goed kunnen blijven,’ hoor ik Britten regelmatig zeggen over de vluchtelingen die het Kanaal oversteken in rubberbootjes. Er zijn natuurlijk talloze redenen waarom sommige mensen geen asiel aanvragen in de landen waar ze doorheen reizen. Ze willen zich vestigen in landen waar ze iemand kennen, waar vrienden of familieleden wonen, of omdat ze de taal spreken.
Ik ben door Oeganda en Kenia en via Nederland gereisd voordat ik op Heathrow landde. Tijdens mijn gesprekken met de Britse immigratiedienst vroegen ze waarom ik geen asiel had aangevraagd in Oeganda of Kenia. Mijn antwoord luidde: Rwanda heeft goede relaties met de omliggende landen, met Oeganda delen ze zelfs een grens. Hoe dichter je bij het land blijft dat je bent ontvlucht en hoe beter diens betrekkingen met je gastland, des te groter de kans dat het slecht voor je uitpakt. Bovendien zijn vluchtelingen niet wettelijk verplicht asiel aan te vragen in de veilige landen waar ze doorheen reizen. Door dat niet te doen, diskwalificeren ze zich niet voor een vluchtelingenstatus.
De meeste Afrikaanse migranten blijven op het eigen continent
Veel van dit soort ideeën komen voort uit een gebrekkig begrip van de veelvormigheid van de Afrikaanse migratie. Als je debatten over de migratie van Afrikanen naar het noordelijk halfrond volgt, krijg je de indruk dat het Westen de bulk moet opvangen. Maar uit onderzoek blijkt dat dit helemaal niet het geval is. De meeste Afrikaanse migranten blijven op het eigen continent. Ongeveer 21 miljoen gedocumenteerde Afrikanen wonen in een ander Afrikaans land, waarbij Nigeria, Zuid-Afrika en Egypte favoriete bestemmingen zijn. Door het specifiek op Afrikanen gerichte antimigratiebeleid, dat zich onder andere vertaalt in zeer strenge visumeisen, en een algeheel klimaat van vijandigheid jegens buitenlanders in Europa en Noord-Amerika, wijken steeds meer Afrikaanse migranten uit naar nieuwe bestemmingen als China, Turkije, het Midden-Oosten en, in sommige gevallen, Zuid-Amerika.
Eigen ervaring
Uit eigen ervaring als voormalig asielzoeker weet ik dat migranten niet noodzakelijkerwijs op de vlucht zijn voor oorlog of armoede. Degenen die me in de ochtend van 22 juli 2007 op Heathrow zagen landen, dachten misschien dat ik de zoveelste Afrikaanse immigrant was die armoede en ziekte probeerde te ontvluchten. Maar dat was bij mij, en bij het merendeel van de Afrikanen die naar Europa trekken, helemaal niet het geval. Ik behoorde tot de gelukkigen die aan de strenge visumeisen kunnen voldoen, die zich peperdure vliegtickets kunnen veroorloven, die de gok kunnen wagen om naar landen te gaan waarbij we, of we nu asiel zoeken of niet, niet zeker weten hoe het uitpakt. Voor Afrikanen bij wie het water echt aan de lippen staat, is dit een veel te grote hobbel, vooral wanneer het buurland of een van de omringende landen je voor minder geld dan de kosten van een Brits visum verwelkomen en onderdak geven. Afrikanen zullen pas naar het noordelijk halfrond migreren als ze de ambitie en de middelen hebben om dit te realiseren.
In de aanloop naar het brexitreferendum – dat sterk werd beïnvloed door wat de voorstanders van uittreding stug de ‘ongebreidelde immigratie’ bleven noemen – waren er meer Oost-Europeanen in het Verenigd Koninkrijk dan Afrikaanse en Aziatische migranten bij elkaar. Toch werd de hele campagne gedomineerd door discussies over illegale immigratie – waarbij opzettelijk een beeld werd geschetst van een land dat wordt overspoeld door buitenlanders, van wie velen al onderworpen worden aan ultrastrenge visumeisen. Zelfs de beruchte Breaking Point-poster van Nigel Farage, waarvoor – terecht – aangifte werd gedaan wegens haatzaaierij, liet bewust een rij vluchtelingen met donkere huidskleur zien, als om te benadrukken dat mi-gratie van zwarte mensen veel erger is dan migratie van witte mensen.
‘Als de situatie in hun land zo slecht is dat ze moeten vluchten, waarom laten ze dan vrouw en kinderen achter?’
Een paar weken geleden had ik een discussie met een van mijn buren – een zoon van Ieren die in de jaren vijftig naar Birmingham waren geëmigreerd. Hij heeft Ierland maar twee keer in zijn leven bezocht en hoewel hij zichzelf als Ier beschouwt, heeft hij niet het gevoel dat anderen hem zo zien. Hij heeft een Birminghams accent en woont inmiddels al meer dan dertig jaar in Zuidoost-Engeland. Ik geloof niet dat hij een racist is, hoewel een aantal van zijn standpunten over ‘die eeuwig klagende buitenlanders’ makkelijk als racistisch kunnen worden opgevat. ‘Waarom steken alleen jonge mannen het kanaal over?’ wilde hij weten. ‘Als de situatie in hun land zo slecht is dat ze moeten vluchten, waarom laten ze dan vrouw en kinderen achter? Zou jij je vrouw en kinderen achterlaten om vermoord te worden, of verkracht? Ik niet.’ Toen ik hem vroeg wat híj zou doen als hij bijna al zijn bezittingen had verkocht en met dat geld maar één persoon van een gezin van vier kon laten vertrekken, antwoordde hij: ‘Ik weet het niet. Maar ik zou er iets op verzinnen.’ Toen ik hem het vuur na aan de schenen legde, zei hij nog eens: ‘Ik weet het niet.’
Dit geeft mooi weer hoe dwaas die enge migratieretoriek van rechtse politici en de populaire media is. Een zoon van Ierse ouders die Ierland verlieten voor een beter leven in Birmingham en die tijdens The Troubles hoogstwaarschijnlijk als IRA-sympathisanten werden beschouwd en gediscrimineerd, zet anderen die precies hetzelfde doen als zijn ouders jaren geleden hebben gedaan weg als onwelkome vreemdelingen.
‘We kunnen niet iedereen binnenlaten,’ zegt hij. Maar dat doen we dus ook helemaal niet.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.