Tag: Azië

  • China laat grootste en meest geavanceerde vliegdekschip te water

    China laat grootste en meest geavanceerde vliegdekschip te water

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » TikTok-account brengt openbare toiletten in New York in kaart

    » Sri Lankanen richten protestdorp op waar religies vreedzaam samenleven

    Fujian lanceert vliegtuigen met elektromagnetische katapulten

    China liet afgelopen vrijdag zijn grootste en meest geavanceerde vliegdekschip te water op een scheepswerf in Shanghai, meldt Nikkei Asian Review. De 80.000 ton zware Fujian, genoemd naar de zuidelijke kustprovincie tegenover Taiwan, is de eerste van drie Chinese vliegdekschepen die volledig in eigen land zijn ontworpen en gebouwd.

    De Fujian kan vliegtuigen lanceren met elektromagnetische katapulten, een technologie die ook gebruikt wordt in de Verenigde Staten. ‘Hoewel het nog jaren zal duren voor de Fuijan echt operationeel wordt, is de tewaterlating baanbrekend en een symbool van de groeiende macht van het land,’ aldus analisten van het Center for Strategic en International Studies, een denktank in Washington. Het oorlogsschip weerspiegelt de ambitie van president Xi Jinping om de militaire macht volledig gemoderniseerd te hebben tegen 2035.

    De tewaterlating van het vliegdekschip vindt plaats op een moment dat de aandacht van de VS en haar bondgenoten steeds meer gericht raken op Azië, en dan met name Taiwan en de Zuid-Chinese Zee, waar de territoriale aanspraken van Beijing botsen met die van de Zuidoost-Aziatische staten.

    Lees ook:

  • Deze jonge Myanmarezen verruilen de stad voor de jungle om hun vrijheid te bevechten

    Deze jonge Myanmarezen verruilen de stad voor de jungle om hun vrijheid te bevechten

    Meer dan een jaar nadat het leger van Myanmar de volledige macht greep – waarbij meer dan zeventienhonderd burgers om het leven kwamen – woedt er een oorlog in het land. Tienduizenden jonge stadsbewoners hebben de wapens opgepakt. The New York Times ging langs bij een rebellenkamp in de jungle.

    Op een heuveltop in de jungle, zo’n anderhalve kilometer van de frontlinie in het oosten van Myanmar, laat een voormalig manager van een banketzaal zijn wijsvinger langs de trekker van een automatisch geweer glijden. Een tandarts vertelt hij hoe larven uit de ontstoken kogelwond van een jonge strijder heeft gehaald. Een marketingmanager vertelt over de aangepaste commerciële drones die ze gebruikt om de vijand te bestoken.

    Meer dan een jaar nadat het leger van Myanmar de volledige macht in handen kreeg door een coup te plegen – waarbij de gekozen leiders van het land gevangen werden gezet, meer dan zeventienhonderd burgers om het leven kwamen en er minstens dertienduizend werden opgepakt – woedt er een oorlog in het land, waarbij enkele onverwachte partijen het strijdtoneel hebben betreden. Aan de ene kant is er een militaire junta die, afgezien van een korte tussenpauze van semidemocratisch bestuur, al een halve eeuw met grof geweld regeert. Aan de andere kant zijn er tienduizenden jonge stadsbewoners die de wapens hebben opgepakt, die colleges, videogames en glitternagellak hebben verruild voor een leven (en mogelijke dood) in de jungle.

    Onlangs hebben verslaggevers van The New York Times een bezoek gebracht aan een kamp in het regenwoud van oostelijk Myanmar, waar zo’n drieduizend leden van een onlangs gevormde militie verblijven in geïmproviseerde hutten van bamboe of teerdoek. Ze leveren vrijwel elke dag strijd. Terwijl ze in aantal maar een fractie vormen van een van de grootste staande legers van Zuidoost-Azië, zijn deze Generatie-Z-krijgers erin geslaagd dit leger, dat al lange tijd een schrikbewind voert, te ontregelen. En het conflict blijft maar escaleren, ook nu de woede van de wereld zich richt op andere verwerpelijke daden, zoals de Russische invasie in de Oekraïne. 

    ‘Ik vecht omdat ik niet accepteer dat de militairen de macht hebben gegrepen‘

    Momenteel is het leger van Myanmar, ook wel de Tatmadaw genoemd, allesbehalve in staat zijn greep op het land te verstevigen. De Tatmadaw ziet zich gedwongen om op tientallen fronten strijd te leveren, niet alleen in de grensgebieden in de buurt van India, China en Thailand, maar ook in de dorpen en steden in het binnenland. Vrijwel dagelijks vinden er schermutselingen plaats, waarbij ook slachtoffers vallen. ‘Ik vecht omdat ik niet accepteer dat de militairen de macht hebben gegrepen, en ik accepteer niet dat ze ons de democratie willen afnemen,’ zegt een vroedvrouw in een stad in het zuiden van Myanmar. Net als zovele anderen wil ze niet met haar naam in de krant om haar familieleden thuis niet in gevaar te brengen.

    Sneeuwwitje, zoals haar nom de guerre luidt, is vorig jaar mei naar een gebied getrokken dat wordt gecontroleerd door een bewapende etnische groepering die al tientallen jaren strijdt voor autonomie. Sindsdien heeft ze van de etnische rebellen en deserteurs uit het leger geleerd hoe je een geweer moet laden, hoe je zelf een handgranaat in elkaar kunt zetten en hoe je op het slagveld triage toepast. ‘Onze generatie heeft idealen,’ zegt ze. ‘We geloven in vrijheid.’ Haar driejarige zoontje blijft in de stad. Hij weet niet waar zijn moeder naartoe is, zegt ze. Sneeuwwitje aait een puppy die door het kamp scharrelt en bij verschillende strijders op schoot terechtkomt. ‘Iets om van te houden,’ zegt ze.

    ‘Wij zijn al die tijd gehersenspoeld, maar sommigen van ons zijn nu ontwaakt’

    In reactie op aanvallen van burgermilities, die samen optrekken met etnische rebellengroepen, is de Tatmadaw een tegenoffensief begonnen. De Tatmadaw voert luchtaanvallen uit, brandt dorpen plat en terroriseert mensen die zich verzetten tegen zijn greep naar de macht. ‘De Tatmadaw doet niets anders dan moorden,’ zegt Ko Thant, die vertelt dat hij kapitein was voordat hij vorig jaar deserteerde uit de 77e Lichte Infanterie Divisie. Sindsdien heeft hij honderden burgers getraind in gevechtstechnieken. ‘Wij zijn al die tijd gehersenspoeld, maar sommigen van ons zijn nu ontwaakt.’

    Verzet

    Het verzet tegen de militaire coup van februari 2021 begon met miljoenen mensen die de straat op gingen, overal in Myanmar, in grote en kleinere steden. Door het hele land werd geweldloos gedemonstreerd voor een terugkeer van de gekozen leiders – op slippers, hoge hakken of, in het geval van de boeddhistische monniken, op blote voeten. Binnen enkele weken verviel de Tatmadaw tot het oude scenario. Sluipschutters van het leger schakelden de demonstranten uit met een gericht schot door het hoofd.

    Sommige jonge mensen, die volwassen waren geworden in het decennium van hervormingen in Myanmar, zagen weinig heil in de boodschap van geweldloos verzet van de doorgewinterde pleitbezorgers van de democratie. Ze wilden terugvechten. ‘Als de vijand je wil vermoorden, bereik je niets met geweldloze protesten,’ zegt Naw Htee, een maatschappelijk werkster die militiesergeant is geworden. ‘We moeten onszelf verdedigen.’ Ze wijst naar stukken van mortiergranaten en naar artilleriescherven, het oorlogspuin dat is neergedaald over het junglekamp waar ze woonde. Een jonge man zit ineengedoken naast haar, op zijn schouder een kartelige wond van een vuurgevecht een maand eerder.

    Er zijn inmiddels honderden burgermilities in Myanmar, losjes georganiseerd in het volksbevrijdingsleger, de People’s Defence Force. Elke militie zweert trouw aan een schaduwregering vanuit de bevolking, de Nationale Eenheidsregering, die na de staatsgreep is opgericht. Sommige bataljons worden geleid door afgezette wetgevers. De Nationale Eenheidsregering zegt meer dan dertig miljoen dollar te hebben ingezameld voor de oorlogsinspanningen, merendeels donaties van burgers. Die geldstroom heeft geleid tot een merkwaardige ongelijkheid. Terwijl veteranen van gewapende etnische groeperingen strijden met oude geweren die bij elkaar worden gehouden met duct tape, lopen er bij de People’s Defense Force mensen te pronken met nieuwe wapens, met een peperduur vizier, hoewel er over het algemeen nog steeds een tekort aan wapens is.

    Voor stadskinderen met fijne handjes is het niet niks om te overleven in een door malaria geteisterde en van slangen vergeven jungle, laat staan om niet ten prooi te vallen aan Tatmadaw-sluipschutters, mortiergranaten en luchtaanvallen. ‘De People’s Defence Force in de jungle, dat zijn mensen die hun leven hebben gegeven voor het land, en ik heb uitzonderlijk veel respect voor hen,’ zegt U Yee Mon, een voormalig dichter die nu minister van Defensie is in de Nationale Eenheidsregering.

    Niet één land heeft de Nationale Eenheidsregering erkend

    Sommige van de jonge strijders waren op de vlucht voor een arrestatiebevel omdat ze hadden deelgenomen aan de protesten na de coup. Vluchten was min of meer hun enige optie. In een mensenrechtenrapport van 15 maart beschuldigden de Verenigde Naties de militaire junta ervan in de nadagen van de putsch oorlogsmisdaden te hebben gepleegd tegen de eigen bevolking.

    Maar afgezien van wat financiële sancties en woorden van afkeuring, heeft de internationale gemeenschap weinig gedaan om de junta van Myanmar te straffen. Niet één land heeft de Nationale Eenheidsregering erkend, al bestaat deze regering voor een groot deel uit gekozen politici. Zonder al te veel hoop op hulp van buitenaf heeft de schaduwregering aansluiting gezocht bij de etnische groeperingen die gebieden in handen hebben in de grensstreken van Myanmar. Samen hebben ze een zogeheten ondergrondse spoorlijn gevormd om jonge mensen in veiligheid te brengen – en om ze de eerste beginselen van oorlogsvoering bij te brengen.

    Geen kogelvrij vest

    Op een ochtend rukt een groep verzetsstrijders, geen van allen ouder dan 26, op naar de loopgraven aan de frontlinies in het oosten van Myanmar. Ze ontwijken de geïmproviseerde landmijnen die ze hebben geplaatst om hun terrein te verdedigen, aangezien de legerposten zo dichtbij zijn. Hun ademhaling is gejaagd. Een van de strijders struikelt over een tak en zijn slipper ketst met een knal tegen zijn voet. Een aantal militieleden draagt een kogelvrij vest, maar zonder de harde, ballistische platen die eventueel hun leven zouden kunnen redden. 

    ‘Ik kan niet zo goed tegen bloed,’ zegt Ko Kyaw, een negentienjarige student, die een kogel in zijn hand houdt. ‘Ik word er duizelig van.’ Een paar uur laten bestoken een paar Tatmadaw-aanvalshelikopters de loopgraven van de rebellen, al zijn de schuttersputjes verlaten omdat de rebellen lucht hadden gekregen van de ophanden zijnde aanval. Vrijwel elke nacht nemen Tatmadaw-sluipschutters alles onder vuur wat ze maar in het oog krijgen: de gloed van een mobieltje van iemand die misschien even op Facebook keek, of de opgloeiende askegel van een joint.

    Diezelfde dag worden, in het noorden, een docent en een medicijnenstudent gedood die zich bij het verzet hadden aangesloten. De een krijgt een kogel van een sluipschutter in het hoofd, de ander wordt geveld door een mortiergranaat. Volgens de Nationale Eenheidsregering zou de People’s Defence Force, die samen optrekt met de meer ervaren strijders van de etnische milities, tussen juni 2021 en februari 2022 zo’n negenduizend Tatmadaw-soldaten hebben gedood. (Volgens de schaduwregering zijn er zo’n 300 militiestrijders gesneuveld in de strijd.) Een woordvoerder van het Myanmarese leger zegt dat het feitelijke dodental lager ligt, en dat de aantallen van de schaduwregering niet kunnen worden bevestigd. Maar militaire bronnen hebben toegegeven dat de Tatmadaw zich zorgen maakt over het toegenomen aantal slachtoffers.

    Gedeserteerd

    De gewonde verzetsstrijders worden behandeld in een kliniek in de jungle, met operatietafels van bamboe en een medische post die is opgetrokken uit gevlochten bamboe. Ko Mon Gyi, een militielid, ligt op een houten platform, zijn been in het verband vanwege een schotwond die hij een maand eerder heeft opgelopen in de strijd. Die dag zijn er nog acht strijders gewond geraakt.

    Aung San Suu Kyi is een omstreden figuur. Als dochter van een van de helden van de onafhankelijkheidsstrijd van Myanmar blijft ze in het binnenland ongekend populair. Internationaal gezien heeft haar reputatie een behoorlijke deuk opgelopen nadat ze in zee is gegaan met dezelfde generaals die haar eerder hadden afgezet.

    De coup maakte een einde aan een korte periode van quasidemocratie. In 2011 voerde de Tatmadaw enkele hervormingen door en organiseerde verkiezingen. In 2016 kwam Aung San Suu Kyi aan de macht als Adviseur van Staat, waarmee ze de facto het staatshoofd werd. Voorafgaand aan de coup had er een omstreden verkiezing plaatsgevonden. De partij van Aung San Suu Kyi won 83 procent van de beschikbare zetels. De aan het leger gelieerde partij leed een verpletterende nederlaag, maar weigerde zich neer te leggen bij de verkiezingsuitslag.

    Zes jaar

    Aung San Suu Kyi kreeg een lange gevangenisstraf. De afgezette leider is tot nog toe veroordeeld tot zes jaar, maar er lopen nog talloze aanklachten tegen haar. De Verenigde Naties, buitenlandse regeringen en de advocaten van Aung San Suu Kyi hebben die aanklachten afgedaan als politiek gemotiveerde aantijgingen.

    Het regime treedt hard op tegen afwijkende meningen. Een rechtenorganisatie die onderzoek doet in Myanmarese gevangenissen liet in maart weten dat de militaire junta die na de coup de macht heeft gegrepen momenteel tienduizend politieke gevangenen vasthoudt, en voegt eraan toe dat velen van hen zijn gemarteld en onder mensonterende omstandigheden vastzitten. ‘Zodra ik ben opgeknapt, ga ik weer vechten,’ zegt hij. ‘Dat is mijn taak.’

    ‘Het zijn robots die niet zelfstandig kunnen denken’

    De kliniek wordt geleid door een arts die bijna tien jaar bij de Tatmadaw heeft gezeten. Als legerarts heeft dokter Drid, zoals hij zichzelf noemt, Tatmadaw-soldaten behandeld die gewond waren geraakt in de strijd tegen de etnische rebellen die nu onderdak bieden aan zijn bataljon van de People’s Defence Force. ‘Ik geloof in mensenrechten en democratie,’ zegt dokter Drid. ‘Dat is waar de Tatmadaw voor zou moeten vechten, wat ze zou moeten beschermen.’ De stem van de voormalig legerarts breekt even en zijn handen trillen als hij vertelt over de dag, nu een jaar geleden, dat hij huis en haard verliet en deserteerde. Hij vertelde zijn familie niet waar hij naartoe ging uit angst dat de Tatmadaw wraak op hen zou nemen; sommige familieleden van gedeserteerde soldaten zijn gevangengezet en gemarteld. Zijn kind weet misschien niet beter dan dat hij in de strijd is omgekomen, zegt hij. ‘Het zijn lafaards,’ zegt hij over de gewapende troepen waar hij zich op zijn vijftiende bij had aangesloten. ‘Het zijn robots die niet zelfstandig kunnen denken.’

    Quasidemocratie en de Tatmadaw

    Een militaire staatsgreep. Na een militaire staatsgreep op 1 februari 2021 werd Myanmar gegrepen door onrust. Vreedzame demonstraties voor democratie maakten plaats voor opstanden tegen de Tatmadaw, het lokale leger, dat de burgerlijke leider van het land, Daw Aung San Suu Kyi, verdreef.

    Aung San Suu Ky is een omstreden figuur. Als dochter van een van de helden van de onafhankelijkheidsstrijd van Myanmar blijft ze in het binnenland ongekend populair. Internationaal gezien heeft haar reputatie een behoorlijke deuk opgelopen nadat ze in zee is gegaan met dezelfde generaals die haar eerder hadden afgezet.

    De coup maakte een einde aan een korte periode van quasidemocratie. In 2011 voerde de Tatmadaw enkele hervormingen door en organiseerde verkiezingen. In 2016 kwam Aung San Suu Kyi aan de macht als Adviseur van Staat, waarmee ze de facto het staatshoofd werd.

    Voorafgaand aan de coup had er een omstreden verkiezing plaatsgevonden. De partij van Aung San Suu Kyi won 83 procent van de beschikbare zetels. De aan het leger gelieerde partij leed een verpletterende nederlaag, maar weigerde zich neer te leggen bij de verkiezingsuitslag.

    Aung San Suu Kyi kreeg een lange gevangenisstraf. De afgezette leider is tot nog toe veroordeeld tot zes jaar, maar er lopen nog talloze aanklachten tegen haar. De Verenigde Naties, buitenlandse regeringen en de advocaten van Aung San Suu Kyi hebben die aanklachten afgedaan als politiek gemotiveerde aantijgingen.

    Het regime treedt hard op tegen afwijkende meningen. Een rechtenorganisatie die onderzoek doet in Myanmarese gevangenissen liet in maart weten dat de militaire junta die na de coup de macht heeft gegrepen momenteel tienduizend politieke gevangenen vasthoudt, en voegt eraan toe dat velen van hen zijn gemarteld en onder mensonterende omstandigheden vastzitten

    Ondenkbaar verleden

    Voor Myanmars jongere generatie betekende de coup een terugkeer naar een vrijwel ondenkbaar verleden, zonder Facebook en buitenlandse investeringen. Onder een eerdere legerleiding was Myanmar een van de meest geïsoleerde landen ter wereld. Sinds de putsch heeft de nieuwe junta, onder leiding van senior generaal Min Aung Hlaing, alle social media verbannen, de economie te gronde gericht en een heel land weer naar de rand van de afgrond gevoerd. ‘De generaals hebben ons onze toekomst afgenomen,’ zegt Ko Arkar, die tot aan de coup werkzaam was als kok in een hotel in Yangon, de grootste stad van Myanmar.

    Voorheen was hij de hele dag bezig met het trekken van heldere runderbouillon en het bereiden van de perfecte medium-rare steak. Nu patrouilleert hij aan de frontlinie, samen met een netwerkengineer, iemand die in een kledingfabriek werkte en iemand die op de Southeast Asian Games een medaille heeft gewonnen met zeilen. Ook andere generaties jonge Myanmarezen hebben geprobeerd vanuit de jungle het militaire regime omver te werpen. Dat was in 1962, na de eerste coup van het leger, en vervolgens in 1988, nadat de Tatmadaw de massale demonstraties had neergeslagen – in een Myanmarese versie van het bloedige neerslaan van het Tiananmenprotest. Een kleine 35 jaar geleden vluchtten studenten en intellectuelen naar dezelfde bossen als waar zich nu de People’s Defence Force schuilhoudt.

    Ook zij zochten aansluiting bij de etnische rebellen die al tientallen jaren strijden voor zelfbestuur. Na enkele jaren viel die door studenten geleide gewapende beweging uiteen. De etnische groeperingen die hun onderdak boden kwamen tot de ontdekking dat de studenten en hun kompanen het idee van etnische gelijkheid niet zo hoog in het vaandel hadden staan als zij hadden gehoopt. De militairen bleven aan de macht.

    Dit keer is het verzet beter georganiseerd en beter gefinancierd. Het heeft de energie weten te kanaliseren van jonge mensen verspreid over het hele land, die zowel in stedelijke als landelijke omgevingen strijd leveren. En het verzet onderhoudt nu warmere banden met gewapende etnische groeperingen, zoals de groepen die de Karen-minderheid vertegenwoordigen, die verwikkeld is in een van de langstlopende burgerconflicten ooit. ‘We weten hoe slecht de Tatmadaw is omdat de soldaten onze mensen vermoorden en onze vrouwen verkrachten,’ zegt Saw Bu Paw, een bataljonscommandant van de Karen National Liberation Army, een van de tientallen etnische rebellengroepen. ‘De coup heeft iedereen in het land duidelijk gemaakt hoe slecht ze zijn.’

    Onderzoekers van de Verenigde Naties hebben gezegd dat de manier waarop het leger omgaat met enkele van de etnische minderheden in Myanmar, het stempel draagt van genocide. Onlangs hebben de Verenigde Staten de Tatmadaw-campagne tegen de Rohingya-moslimminderheid ook bestempeld tot genocide. Hoewel er geen harde gegevens zijn, lijkt op basis van alle verhalen het aantal Tatmadaw-deserteurs een stijgende lijn te vertonen. Zelfs vóór de coup waren de soldaten overbelast en onderbetaald. ‘Wie wil er nu nog soldaat worden?’ zegt dokter Wai, een andere Tatmadaw-arts die is gedeserteerd en zich heeft aangesloten bij de People’s Defence Force in de jungle. ‘Het is een beschamende baan.’

    ‘Doden is een zonde, maar niet in een rechtvaardige oorlog’

    Elke oorlog is smerig, en ook de rebellen worden beschuldigd van wreedheden. In de steden hebben leden van de People’s Defence Force een reeks moordpartijen en bombardementen uitgevoerd die de vraag opriep of er misschien persoonlijke rekeningen worden vereffend onder het mom van de strijd voor democratie. Maar ondertussen blijft het verzet groeien, en trekt het de meest onwaarschijnlijke leden aan.

    John Henry Newman, die door het leven gaat onder zijn doopnaam, studeerde tot vorig jaar aan het rooms-katholieke seminarie in Yangon. Zijn vingers, die in het verleden veelvuldig een bidsnoer beroerden, hebben inmiddels keer op keer de trekker van een geweer overgehaald. Tijdens gevechten vorig jaar in december in Myanmar was de vijand zo dichtbij, zegt hij – hij heeft geschoten, maar hij weet niet of zijn kogels iemand hebben geraakt. ‘Doden is een zonde,’ zegt hij, ‘maar niet in een rechtvaardige oorlog.’

  • Wereldbeeld: Gastekort leidt tot politieke crisis

    Wereldbeeld: Gastekort leidt tot politieke crisis

    Sri Lanka zit in een zware economische crisis die ook politieke gevolgen heeft. Als gevolg van massale protesten vanwege de steeds nijpender tekorten aan voedsel, brandstof en medicijnen, is de regering afgetreden.

    Het Sri Lankaanse staatsbedrijf Litro Gas kan geen vloeibaar petroleumgas meer importeren en is begonnen met de distributie van een miljoen gasflessen in verschillende gebieden van het Zuid-Aziatische land. Het tekort aan brandstof de laatste tijd heeft geleid tot lange rijen bij benzinestations. Sri Lanka kampt met een gebrek aan deviezen en heeft Beijing om een forse lening gevraagd.

    Het land, dat in de greep is van een zware economische crisis, schudt op zijn grondvesten door massale protesten vanwege de steeds nijpender tekorten aan voedsel, brandstof en medicijnen. Als gevolg daarvan hebben alle zesentwintig ministers op 3 april zondag hun ontslag ingediend, nadat duizenden mensen de noodtoestand en de avondklok in het hele land hadden getrotseerd om te demonstreren.

    Lees ook:

    ANP 445896261 kopie 4
    © Ishara S. Kodikara / AFP via Getty Images

  • Jonge Pakistanen willen ‘ketenen van het patriarchaat verbreken’

    Jonge Pakistanen willen ‘ketenen van het patriarchaat verbreken’

    Jonge, hoogopgeleide Pakistaanse vrouwen schudden met een nieuwe feministische beweging de sociale orde op in het islamitische, door mannen gedomineerde Pakistan.

    In de afgelopen vijf jaar is in heel Pakistan een nieuwe, assertieve feministische beweging ontstaan. Een jongere generatie vrouwen gaat de confrontatie aan met het diepgewortelde patriarchaat. De beweging eist radicale hervormingen om de rechten van andere gemarginaliseerde gemeenschappen en genderminderheden te beschermen.

    Wat begon als een jaarlijkse mars op Internationale Vrouwendag (8 maart), werd een doorlopende campagne voor sociale, politieke, economische en justitiële hervormingen. In deze nieuwe opleving van de Pakistaanse vrouwenrechtenbeweging klinken de stemmen van vrouwen steeds luider; door middel van demonstraties in grote steden zoals Karachi, Lahore en Islamabad probeert ze aandacht te trekken voor de vrouwenzaak. Naast het ophangen van posters en plakkaten zet de beweging breed in op digitale platforms, waarmee ze op grote schaal actievoert; maar ze richt zich ook op podiumkunsten, poëzie en liederen om te pleiten voor een ruimer begrip van vrouwelijkheid.

    De Pakistaanse Aurat-mars, of vrouwenmars, werd in 2018 voor het eerst georganiseerd in de handelsstad Karachi; de deelnemers wilden hiermee aandacht vragen voor de problemen waarmee Pakistaanse vrouwen worden geconfronteerd. De mars kwam tot stand nadat feministische collectieven en vrouwenrechtenorganisaties, waaronder het Women Democratic Front en het Women’s Action Forum, een niet-hiërarchische stuurgroep hadden opgericht die niet gelieerd is aan sociale of politieke organisaties. De stuurgroep opereert onder de noemer Hum Aurtein [Wij vrouwen].

    De beweging combineert online- en offline-actie en mobiliseert vrouwen van verschillende achtergronden via campagnes op sociale media. De fondsen worden grotendeels via crowdfunding gegenereerd. De afdelingen in de verschillende steden publiceren elk jaar een verklaring van eisen op sociale media, die de voortgang van dat jaar thematisch weergeeft.

    Opnieuw verbeeld

    Aanvankelijk waren de eisen van de beweging: een einde aan het dagelijkse geweld tegen vrouwen, non-binaire personen en religieuze minderheden; economische rechtvaardigheid door het invoeren van arbeidswetten en het erkennen van huishoudelijk werk als onbetaalde arbeid; reproductieve rechten voor vrouwen, non-binaire personen en alle seksuele identiteiten; en milieurecht, inclusief betere toegang tot water en land en een einde aan uitbuiting door bedrijven.

    De beweging stelt dit jaar als eis dat het Pakistaanse rechtssysteem radicaal en structureel wordt omgevormd. Zo wil ze de ‘oppervlakkige’, cijfermatige genderquota opheffen om huisvesting, gezondheidszorg en economische en psychosociale steun voor slachtoffers van geweld te kunnen garanderen, evenals meer financiering voor welzijnsinstellingen die zich richten op overlevenden van geweld.

    Het thema van het manifest van de Aurat-mars 2022 is Asal Insaaf, oftewel ‘Het rechtssysteem opnieuw verbeeld’. In plaats van kortetermijnoplossingen zoals de doodstraf en chemische castratie [als straffen voor seksueel geweld] roept het manifest op tot hervormingen van het systeem die patriarchaal geweld moeten voorkomen. ‘Het afgelopen jaar werden we, net als de jaren daarvoor, blootgesteld aan allerlei vormen van geweld: dat van de pandemie, geweld dat werd veroorzaakt door het beleid en de nalatigheid van de overheid, en geweld thuis en op straat,’ aldus het manifest van de organisatie van de Aurat-mars in Lahore.

    De jongere generatie streeft naar een alternatieve, feministische toekomst

    Het manifest benadrukt dat er een ‘cultuur van zorg’ moet worden gecreëerd die verder reikt dan zorg voor het individu. Een cultuur waarin gemeenschappen elkaar steunen in plaats van de slachtoffers de schuld te geven. Toen zij het manifest opstelden, raadpleegden de organisatoren de gemeenschappen om wie het ging: gezinnen die te maken hadden met verdwijningen, mensen die als huishoudelijke hulp werken, overlevenden van seksueel geweld en religieuze minderheden.

    De jongere generatie streeft naar een alternatieve, feministische toekomst. ‘Dit gedachte-experiment is nodig omdat we na vijf jaar tot de conclusie zijn gekomen dat vrouwen, transpersonen, genderfluïde en non-binaire personen er geen vertrouwen in hebben dat het bestaande rechtssysteem kan zorgen voor emancipatie,’ staat er.

    In het Global Gender Gap Report 2021 van het World Economic Forum staat Pakistan op plaats 153 van de 156 landen. Het houdt alleen het door oorlog verscheurde Irak, Jemen en Afghanistan achter zich. Volgens de mensenrechtencommissie van het land en het Pakistan Journal of Medical Sciences heeft 90 procent van de vrouwen te maken gehad met een vorm van huiselijk geweld door hun echtgenoot of familie, terwijl 47 procent van de getrouwde vrouwen te maken heeft gehad met seksueel misbruik, veelal verkrachting. Volgens de Thomson Reuters Foundation is Pakistan het op vijf na gevaarlijkste land ter wereld voor vrouwen. Pakistaanse vrouwen zijn 22 procent minder geletterd dan mannen, maken slechts 22 procent van de beroepsbevolking uit en ontvangen slechts 18 procent van ’s lands arbeidsinkomsten. Slechts 5 procent van de hogere leidinggevende functies in de economie wordt door vrouwen bekleed.

    Volgens Afiya Shehrbano Zia, een feministische wetenschapper die schreef over vrouwelijke seksualiteit en lichaamspolitiek in Pakistan, zijn de twee belangrijkste bijdragen van de Aurat-mars aan de vrouwenbewegingen in Pakistan het opstaan van jonge leiders en het doorbreken van de stilte rondom seksualiteit. ‘Deze bijdragen kwamen op een moedige, creatieve en vrijwillige manier tot stand, in plaats van politiek gemotiveerd of projectmatig,’ zegt ze.

    ‘De mars vertegenwoordigt alle ideologieën van het feminisme’

    Andere academici trokken een soortgelijke conclusie. Volgens hen beschouwen Pakistaanse feministen de Aurat-mars als een middel om de aandacht te vestigen op vrouwenkwesties. De mars brengt het onderwerp van vrouwenonderdrukking in het publieke domein en laat stemmen klinken uit verschillende sectoren van de samenleving: stad en platteland, arbeiders, huisvrouwen, jongeren en ouderen, kunstenaars, denkers, enzovoort. ‘De mars vertegenwoordigt alle ideologieën van het feminisme: liberalen die persoonlijke vrijheden, welzijn en wettelijke voorzieningen eisen, radicale feministen die de ketenen van het patriarchaat willen verbreken, en socialistische feministen die bevrijding van het kapitalisme en het patriarchaat nastreven,’ schrijven de wetenschappers Syeda Mujeeba Batool en Aisha Anees Malik.

    Naarmate de Aurat-mars aan populariteit en invloed won, groeide ook het verzet tegen de beweging, die als westers, anti-islamitisch en antinationaal wordt bestempeld. De organisatoren en deelnemers hebben aanhoudend te maken met een verdraaiing van feiten, beschuldigingen van godslastering en bedreigingen van de kant van het establishment en orthodoxe elementen in de samenleving.

    Sommige tegenstanders beweren dat de demonstranten elitair zijn. Ze zouden de initiatieven uit lokale gemeenschappen afwijzen en westerse waarden propageren. Anderen zien de actievoerders als een door het buitenland gefinancierde bedreiging voor de culturele waarden van Pakistan. De eerste twee Aurat-marsen leidden tot harde kritiek, en online werden de deelnemers aan de schandpaal genageld omdat de slogans op hun affiches niet overeenkwamen met de Pakistaanse culturele en godsdienstige waarden. Sommige tegendemonstranten bij de Haya-mars in maart 2020 [de Bescheidenheidsmars, georganiseerd door islamitische vrouwenorganisaties] gooiden stenen naar deelnemers van de Aurat-mars. Sommige organisatoren werden bedreigd met geweld, verkrachting en de dood.

    Een aantal slogans werd op grote schaal overgenomen en vormt nu het mikpunt van kritiek. De opvallendste zijn: Mera jism meri marzi [Mijn lichaam, mijn keuze], Khana khud garm karo [Warm zelf je eten op], Mein awaara, mein baddchalan [Ik treuzel, ik ben niet ijverig], ‘gescheiden en gelukkig’ en ‘alles wat jij kunt doen, doe ik al bloedend’.

    Dag van de Hidjab

    De Pakistaanse minister van Religieuze Zaken en Minderheden, Noorul Haq Qadri, schreef in februari een brief aan premier Imran Khan, waarin hij hem vroeg de Aurat-mars in het hele land te verbieden. Hij stelde voor om 8 maart uit te roepen tot Internationale Dag van de Hidjab. Eerder had de religieuze groepering Jamiat Ulema-e-Islam-Fazl openlijk gedreigd de mars met wapenstokken tegen te houden. De hooggerechtshoven in Islamabad en Lahore verwierpen vorig jaar petities om de mars te verbieden en zeiden dat het recht om vreedzaam bijeen te komen in de grondwet gewaarborgd is.

    Velen zeggen dat het patriarchale verzet bewijst dat de inspanningen van Pakistaanse vrouwen om hun zeggenschap terug te krijgen de opgeblazen, vrouwonvriendelijke mannelijke ego’s doen leeglopen. Journalist Durdana Najam schrijft dat wat Pakistan zag tijdens de Aurat-mars van 2019, anders was dan andere vrouwenmarsen: de mars was gedurfd en radicaal, en vooral de slogans brachten velen in verwarring. ‘Voor Pakistan was het onverteerbaar en schokkend om te zien hoe de vrouwen grenzen doorbraken en de schotten tussen hen en hun mannelijke tegenhangers neerhaalden.’

    Hoewel de Pakistaanse samenleving over het algemeen de Aurat-mars de hemel in prees, zegt Afiya Shehrbano Zia dat de mars ook kritisch werd bekeken, ook door andere feministische wetenschappers. Volgens haar kreeg de eerste Aurat-mars in 2018 kritiek omdat die niets te maken wilde hebben met de overheid, vanwege de ambivalente houding ten opzichte van religie en omdat ze zich richtte op sociale media in plaats van op serieuze politieke participatie. Wetenschappers Rubina Saigol en Nida Usman Chaudhary benadrukten deze kritiek in hun studie uit 2020, waarin zij wezen op spanningen tussen het uiten van zorgen en het stellen van politieke doelen, generatieverschillen en bediscussiëren van seksuele geaardheid.

    Lees ook:

  • De VS erkennen genocide op Rohingya

    De VS erkennen genocide op Rohingya

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zelensky is bereid te praten over Donbas en de Krim om einde te maken aan de oorlog

    » Nicaragua: acht jaar gevangenis voor oppositiepolitica

    Onderdrukking in Myanmar bestempeld als volkerenmoord

    De Verenigde Staten erkennen de jarenlange onderdrukking van de Rohingya, een moslimminderheid in Myanmar, als genocide. ’Aanvallen tegen de Rohingya waren wijdverbreid en systematisch’ in 2016 en 2017, zei Antony Blinken afgelopen maandag bij het Holocaust Memorial, meldt The Washington Post.

    ’Er zit een duidelijke bedoeling achter deze gruweldaden, de bedoeling om de Rohingya geheel of gedeeltelijk te vernietigen door middel van moord, verkrachting en marteling’, voegde de staatssecretaris eraan toe. De verklaring, een logische evolutie van verschillende standpunten die de Verenigde Staten sinds 2018 hebben ingenomen, komt ’doordat de regering-Biden aandacht wil blijven besteden aan Azië, met name rondom China, zelfs als de oorlog in Oekraïne een prioriteit blijft’, merkt de krant op.

    ’De Amerikaanse regering vestigt eindelijk de aandacht op wat er al jaren gaande is in Myanmar, en terecht. Het gedrag van het leger daar, helaas met goedkeuring van de burgerregering die in februari vorig jaar door de soldaten omver werd geworpen, jegens de Rohingya, is in feite een misdaad die iedereen treft en met recht genocide genoemd mag worden’, reageert de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

    Lees ook:

  • Filipijnen voeren eindelijk wet in tegen seksueel misbruik van minderjarigen

    Filipijnen voeren eindelijk wet in tegen seksueel misbruik van minderjarigen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Twee journalisten van Fox News gedood in Oekraïne

    » Francis Kéré ontvangt als eerste Afrikaanse architect de Pritzker Prize

    Filipijnse wet tegen misbruik

    De Filipijnse president Rodrigo Duterte heeft eindelijk een wet getekend die de leeftijd voor seksueel zelfbeschikkingsrecht in het land verhoogt van twaalf naar zestien jaar. Daarmee moeten minderjarigen worden beschermd tegen seksueel misbruik en hoopt het land af te komen van de reputatie een magneet voor pedofielen en cybersekscriminelen te zijn, schrijft South China Morning Post.

    Iedereen die geslachtsgemeenschap heeft met een Filipijn onder de zestien jaar is nu schuldig aan ‘wettelijke verkrachting’, tenzij er sprake is van verliefdheid en het leeftijdsverschil minder is dan drie jaar. Als een van de partijen jonger is dan dertien, is er ongeacht de omstandigheden sprake van verkrachting.

    Lees ook:

  • Red Hong Yi open eerste bankfiliaal in Kuala Lumpur

    Red Hong Yi open eerste bankfiliaal in Kuala Lumpur

    De Maleisische kunstenaar Red Hong Yi raakte geïnspireerd door centrale banken die overal ter wereld geld bijdrukken. Ze maakte haar eigen bankbiljetten met behulp van geëtste koperplaten en opende een heuse bank: Memebank.

    Met een vriendelijk gezicht kijkt Red Hong Yi in de camera alsof ze een persoonlijke bekentenis voor Instagram gaat opnemen. ‘Ik heb besloten niet langer kunstenaar te zijn’, zegt ze ernstig. Maar dan klaart haar gezicht op. Een lach ontbloot haar tanden – boven en onder voorzien van een beugeltje – en ze vervolgt uitbundig: ‘Want ik ben geïnspireerd door centrale banken. En hoe ze gewoon geld kunnen drukken als het op is. Op een dag was mijn geld op en toen dacht ik: Waarom druk ik niet mijn eigen geld? En dat ben ik gaan doen.’ En zo ontstond Memebank, een parodie op het geldsysteem van centrale banken overal in de wereld, met de 36-jarige Maleisische kunstenaar Hong Yi, beter bekend als ‘Red’, als oprichter en directeur. 

    George Washington op het Amerikaanse 1-dollarbiljet verandert bij Red in een stripfiguurtje van een Wall Street-bankier met diamanten in beide handen

    Inspiratie voor de door haar ontworpen bankbiljetten komt van de Amerikaanse dollar, de Maleisische ringgit, de Japanse yen, het Britse pond en de Singaporese dollar. George Washington op het Amerikaanse 1-dollarbiljet verandert bij Red in een stripfiguurtje van een Wall Street-bankier met diamanten in beide handen. Op het aan de ringgit ontleende biljet staat de tekst ‘2 seconds after buying crypto’ en heeft koning Tuanku Abdul Rahman plaatsgemaakt voor drie orang-oetans, waarvan er een vraagt: ‘Where Lambo?’ Oftewel: waar is de Lamborghini, want met crypto word je toch schathemeltjerijk? Op het aan de yen ontleende papiergeld staat Satoshi Nakamoto, die ontkent dat hij de bedenker is van de bitcoin en daarom een zonnebril op heeft.

    Red opende eind januari het eerste filiaal van haar Memebank in Kuala Lumpur. Het gebouw van een voormalige drukkerij werd omgetoverd in een heuse bank, voorzien van geldautomaten bij de entree en overal tapijt in de knalrode bedrijfskleur. Aan het plafond hingen duizenden biljetten van het Memebank-geld, ‘speciale’ klanten werden ontvangen in een vipruimte en ondertussen waren medewerkers van het team bezig met het drukken van nieuw geld. Geheel in de geest van het project vond de financiering plaats volgens de laatste ontwikkelingen in de financiële kunstwereld: Red Hong Yi vergaarde de benodigde financiën door zes koperen printplaten waarmee ze haar geld drukt te verkopen als NFT, als non-fungible token, een ‘niet-inwisselbaar bewijs’.

    Het is allemaal meer dan simpelweg een parodie, vindt Red. Ze hoopt mensen bewust te maken van de economische systematiek die schuilgaat achter het geld waarvan ze dagelijks afhankelijk zijn, en hoopt dat ze zich vragen gaan stellen over de afkomst en de betekenis ervan. Over inflatie bijvoorbeeld, die ontstaat door maar geld bij te blijven drukken. 

    Het systeem met bankbiljetten en centrale banken zoals het nu is, hoeft niet altijd zo te blijven

    Daarom komt ook de modernisering van het financiële systeem met vindingen zoals cryptocurrency’s aan de orde. Daarover zegt Joe, voormalig bankier en nu adviseur van Memebank: ‘De opkomst van alternatieve investeringen zoals crypto is de afgelopen jaren een uitdaging geworden voor het bestaande monetaire systeem. Grote groepen mensen zien de efficiëntere en transparantere technologie erachter en beschouwen die als een afdekking tegen inflatie.’ Waarmee Memebank maar wil zeggen: het systeem met bankbiljetten en centrale banken zoals het nu is, hoeft niet altijd zo te blijven.

  • Hoe Beijing buitenlandse influencers beïnvloedt

    Hoe Beijing buitenlandse influencers beïnvloedt

    Volgens gegevens uit een groot internationaal onderzoek krijgen buitenlandse influencers in China betaald om positieve berichten over het land te verspreiden, waarbij gevoelige onderwerpen worden vermeden. Zelf zeggen de youtubers uit eigen beweging te handelen.

    De YouTube-filmpjes van Lee en Oli Barrett over hun uitstapjes in China trekken miljoenen kijkers. Vader en zoon Barrett logeren in hotels op exotische locaties, bezichtigen afgelegen dorpjes, proeven plaatselijke lekkernijen op drukke inheemse markten of laten daar op traditionele wijze hun oorsmeer verwijderen. Dit zijn exponenten van een nieuwe generatie socialemediasterren die een opgeruimd beeld schetsen van het leven als buitenlander in China – en ondertussen ook weerwoord bieden aan de kritiek op het autoritaire beleid, de behandeling van etnische minderheden en de aanpak van corona in het land.

    Het zijn filmpjes die er ongedwongen en zelfgemaakt uitzien. Maar wat er vaak achter zit, is een heel apparaat van ambtelijke coördinatoren, staatsmedia en andere steun vanuit de overheid, allemaal in het kader van het groeiende streven van Beijing om pro-Chinese boodschappen de wereld in te helpen. Staatsmedia en lokale overheden organiseren en financieren de reizen van pro-Chinese influencers, zo blijkt uit documenten van de overheid en uitlatingen van de influencers zelf. De overheid biedt aan om voor de filmpjes te betalen en krikt de kijkcijfers op door ze met miljoenen volgers te delen op YouTube, Twitter en Facebook. Met de steun van officiële staatsmedia kunnen de makers bovendien filmen in regio’s van China waar de autoriteiten buitenlandse journalisten het werk juist onmogelijk maken. 

    ‘De mensen zijn heel aardig en doen gewoon hun werk, leiden hun leven’ 

    De meeste van deze youyubers wonen al jaren in China en zeggen dat ze tegenwicht willen bieden aan de steeds negatievere westerse beeldvorming over het land. En de Communistische Partij dicteert hun niet waar ze filmpjes over moeten maken, zeggen ze, dat bepalen ze zelf. Maar ook al zien deze influencers zichzelf niet als onderdeel van een propagandacampagne, ze worden door Beijing wel zo gebruikt. Chinese diplomaten en andere officiële vertegenwoordigers vertonen deze filmpjes op nieuwsconferenties en promoten ze op sociale media. Zes van de populairste van deze influencers hebben op YouTube bij elkaar al meer dan 130 miljoen views en meer dan 1,1 miljoen abonnees verzameld.

    Het YouTube-kanaal van Lee en Oli Barret.

    Welwillende buitenlandse stemmen zijn een onderdeel van Beijings steeds ambitieuzere pogingen om het debat over China wereldwijd te beïnvloeden. De Communistische Partij schakelt diplomaten en staatsmedia in om haar eigen verhaal te brengen en kritiek te smoren, vaak geholpen door een heel legertje aan schimmige accounts die het bereik van deze berichten op sociale media vergroten. Podia als Twitter en YouTube, door China in eigen land geblokkeerd om de verspreiding van ongewenste informatie tegen te gaan, worden door Beijing zo in feite als megafoon gebruikt om Chinese propaganda de wereld in te sturen. 

    ‘China is de nieuwe supermisbruiker van de mondiale sociale media,’ zegt Eric Liu, een voormalig Chinese internetmoderator. ‘Het doel is daarbij niet om een debat te winnen, maar om chaos en achterdocht te zaaien, tot er van echte waarheid geen sprake meer is.’

    Een date met China

    Raz Gal-Or begon met het maken van grappige filmpjes toen hij in Beijing studeerde. Inmiddels kijken miljoenen abonnees met de jonge Israëliër mee wanneer hij zowel gewone Chinezen als landgenoten interviewt over hun leven in China. Afgelopen voorjaar bracht hij een bezoek aan de katoenvelden in Xinjiang om beschuldigingen over dwangarbeid in die regio te ontkrachten. ‘Het gaat er hier heel alledaags aan toe,’ zegt hij in zijn reisverslag, nadat hij met een paar van de arbeiders een grote vleesspies heeft gegeten. ‘De mensen zijn heel aardig en doen gewoon hun werk, leiden hun leven.’ Hij rept met geen woord over de interne overheidsdocumenten, getuigenverklaringen en verslagen van journalisten waaruit blijkt dat in Xinjiang honderdduizenden moslims door de autoriteiten in heropvoedingskampen zijn opgesloten.

    Het YouTube-kanaal van Raz Gal-Or.

    En hij zegt ook niets over de zakelijke banden van hem en zijn familie met de Chinese staat. Want de bestuursvoorzitter van Gal-Ors videobedrijf YChina is zijn vader Amir, een investeerder wiens beleggingsfonds volgens zijn eigen website gegarandeerd wordt door de China Development Bank, een staatsbank. En volgens de website van het door Amir Gal-Or opgerichte Innonation behoren twee Chinese staatsmedia tot de klanten van Ychina. Het hoofdkantoor van YChina bevindt zich in het gebouw van Innonation in Beijing. In e-mails aan ons laat Raz Gal-Or weten dat YChina geen ‘zakelijke contracten’ met staatsmedia heeft en dat de informatie op de website van Innonation ‘onjuist’ is. Hij zegt dat hij in Xinjiang niet door overheidsinstanties is betaald of rondgeleid. De reisverslagen die hij daar maakte gaan volgens hem over ‘het leven, het welzijn en de dromen van gewone mensen’. En ‘wie daar iets politieks in ziet, heeft ongetwijfeld zijn eigen agenda’, voegt hij eraan toe.

    ‘Ze betalen de reis, de accommodatie, het eten. Maar ze dicteren absoluut niet wat wij moeten zeggen’ 

    Andere influencers geven wel toe dat ze financiële steun van de staat hebben gekregen, al zijn ze daarmee naar hun mening nog geen spreekbuis van Beijing. De in China woonachtige Canadees Kirk Apesland noemt zijn YouTube-kanaal Gweilo 60. (Gweilo is een Kantonees woord voor buitenlander.) Hij weerspreekt daar berichten over de repressie in Xinjiang en voert zijn eigen positieve ervaringen aan als tegenvoorbeeld voor de bewering dat de Chinezen worden onderdrukt. Nadat wij contact met Apesland hadden gezocht, plaatste hij een filmpje getiteld ‘New York Times vs Gweilo 60’. Daarin erkent hij dat hij gratis hotelovernachtingen en geld van gemeentelijke en provinciale overheden accepteert. Hij vergelijkt het met het werk van een promotor. ‘Krijg ik geld voor wat ik doe? Natuurlijk,’ zegt hij. ‘Dit is werk. Ik bereik honderdduizenden mensen met deze video.’ Ook Lee Barrett erkende zoiets in een van zijn video’s. ‘Ze betalen de reis, de accommodatie, het eten,’ zegt hij. ‘Maar ze dicteren absoluut niet wat wij moeten zeggen.’ Oli Barrett heeft niet op onze vragen gereageerd.

    Volgens een document waarnaar verwezen wordt in een nieuw rapport van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI) heeft de Chinese internetwaakhond circa 30.000 dollar betaald aan een mediabedrijf in het kader van een campagne getiteld ‘Een date met China’, waarin met behulp van ‘buitenlandse internetsterren’ het succes van Beijings armoedebestrijding wordt geprezen. ASPI, dat gefinancierd wordt door onder meer de Australische en Amerikaanse overheid en diverse bedrijven, waaronder leveranciers van militair materieel, heeft al verschillende rapporten over China’s repressieve beleid in Xinjiang gepubliceerd.

    Iets complimenteus

    Wanneer de YouTubers op kosten van de staat reizen, bepalen hun reisleiders wat ze te zien en te doen krijgen. Lee Barrett en een andere influencer, Matt Galat, voerden onlangs een gelivestreamd gesprek met twee YouTubers uit Mexico over hun stedentrip naar Xi’an voor de staatsomroep China Radio International. De organisatoren van de reis hadden Galat gevraagd iets complimenteus te zeggen over een plek die hij nog niet gezien had, zo vertelde hij in dat gesprek. Dat had hij geweigerd. En tijdens een ander onderdeel van de reis was hij teleurgesteld dat het bezoek aan een heilige berg uit het programma was geschrapt. ‘Ze moesten ruimte maken voor meer propagandabezoekjes,’ zei hij. Galat heeft de stream van het gesprek later weer van zijn kanaal verwijderd. Hij wil niet zeggen waarom.

    Het is onduidelijk hoeveel inkomsten dit de makers oplevert. Maar naast geld hebben de Chinese overheidsinstanties ook iets te bieden dat voor een sociale mediaster minstens zo belangrijk is: bezoekersverkeer. De advertentie-inkomsten op YouTube hangen af van het aantal kijkers. En hoe meer kijkers, hoe meer kans de influencers maken op sponsorcontracten van grote merken, zoals een aantal van deze pro-Chinese YouTubers die al in de wacht hebben gesleept.

    ‘Dictatoriale landen kunnen hun inzichten in het algoritme bundelen en aanwenden om al hun kanalen te promoten’

    Gal-Or zette zijn video over de katoenvelden in Xinjiang op 8 april op YouTube, kort nadat Nike, H&M en andere merken in China onder vuur kwamen te liggen omdat ze hun zorg hadden uitgesproken over berichten omtrent Chinese dwangarbeid. Luttele dagen later werd zijn filmpje met Italiaanse ondertitels op Facebook gezet door de Chinese ambassade in Italië, die op Facebook bijna 180.000 volgers heeft. In de weken daarna werden dit filmpje en andere clips van Gal-Or in Xinjiang door minstens vijfendertig accounts van Chinese ambassades en officiële nieuwsdiensten op Facebook en Twitter gedeeld, zo blijkt uit door ASPI verzamelde gegevens die door ons zijn geverifieerd. In totaal hebben al die accounts bij elkaar zo’n vierhonderd miljoen volgers. En de algoritmes van YouTube en Google geven meer gewicht aan video’s die op sociale media breed worden gedeeld.

    ‘Dictatoriale landen kunnen hun inzichten in het algoritme bundelen en aanwenden om al hun kanalen te promoten,’ zegt Guillaume Chaslot, een oud-medewerker van Google die daar heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van het aanbevelingsalgoritme van YouTube. Volgens Darren Linvill, die aan Clemson University onderzoek doet naar desinformatie in de sociale media, werd de video van Gal-Or op Twitter gedeeld door heel veel accounts met een verdacht kaal profiel. Dat is volgens hem kenmerkend voor een gecoördineerde actie om de verspreiding te bevorderen. Van de 534 accounts die het filmpje van april tot eind juni retweetten, had twee vijfde hooguit tien volgers, zag Linvill. Een op de negen had er nul. En voor negen accounts was dit de allereerste tweet. Op deze manier wordt de digitale voetafdruk van Gal-Or en andere makers vergroot.

    Joshua Lam en Libby Lange, studenten aan de universiteit van Yale, hebben een analyse uitgevoerd op een steekproef van bijna 290.000 tweets uit de eerste helft van 2021 waarin Xinjiang werd genoemd. Zo zagen ze dat zes van de tien meest gedeelde YouTube-video’s in de tweets afkomstig waren van de pro-Chinese influencers. YouTube laat ons weten dat het geen aanwijzingen heeft dat deze makers ‘betrokken waren bij gecoördineerde beïnvloedingsoperaties’. YouTube is onderdeel van Google en haalt geregeld kanalen uit de lucht als die op repetitieve of gecoördineerde wijze een bepaalde boodschap uitdragen. Maar daarnaast eist YouTube dat de kanalen voor hun kijkers duidelijk maken welke sponsorcontracten of andere commerciële banden ze met bedrijven hebben. Gevraagd hoe het dan zit met gratis reisjes en betalingen door Chinese staatsmedia laat YouTube weten dat het deze makers op hun verplichtingen zal wijzen.

    Transparantie

    YouTube probeert de transparantie ook te bevorderen door kanalen van door overheden gefinancierde nieuwsorganisaties als zodanig aan te merken. Maar, zo laat YouTube weten, dat geldt niet voor privékanalen van de werknemers van zo’n organisatie. Zo kunnen sommige YouTubers verhullen dat ze voor Chinese staatsmedia werken. Li Jingjing neemt haar abonnees bijvoorbeeld mee naar de koraalriffen in de Zuid-Chinese Zee en bespreekt de westerse pogingen om China daar een halt toe te roepen. Maar op haar kanaal staat niet vermeld dat ze voor de staatsomroep China Global Television Network (CGTN) werkt.

    Net zoals op The China Traveler, het YouTube-kanaal van Stuart Wiggin, nergens te lezen staat dat hij een medewerker is van de Chinese krant People’s Daily. Toch werd hij door een andere Chinese staatskrant, China Daily, als zodanig benoemd in hun reportage over de ‘Date met China’-campagne. In zijn filmpjes uit Xinjiang is Wiggin lyrisch over de regionale keuken en interviewt hij bewoners over de mate waarin hun leven erop vooruit is gegaan. Onderwerpen zoals de heropvoedingskampen komen niet ter sprake. Li en Wiggin hebben geen van beiden op onze vragen gereageerd.

    Het YouTube-kanaal van Stuart Wiggin

    Galat was een van de populairste pro-Chinese YouTubers, maar heeft het land dit jaar verlaten om op zijn kanaal over andere landen te kunnen berichten. Momenteel doet hij verslag van zijn reizen in de Verenigde Staten. Hij zegt desgevraagd geen spijt te hebben van zijn Chinese filmpjes. Al voor de coronapandemie had de uit Detroit afkomstige Galat vanuit zijn Chinese woonplaats Ningbo een aardige schare kijkers opgebouwd met zijn opgewekte reisverslagen. Toen de piek van de pandemie in China voorbij was, begon hij van allerlei lokale overheden en staatsmedia uitnodigingen voor reisjes te krijgen. Het land probeerde in die tijd de westerse kritiek op de Chinese reactie op de pandemie te pareren. Galat zegt zich ook aan die kritiek te hebben geërgerd.

    ‘Mensen ervaren graag dramatische en agressieve gevoelens over dingen, en veel van die content trok meer kijkers dan mijn gewone reisverslagen’

    Zijn YouTube-filmpjes begonnen politieker te worden. Hij vroeg zich hardop af of het virus misschien uit de Verenigde Staten kwam. Hij trad op als gespreksleider in een discussie over de westerse campagne tegen de Chinese techgigant Huawei. ‘Mensen ervaren graag dramatische en agressieve gevoelens over dingen, en veel van die content trok meer kijkers dan mijn gewone reisverslagen,’ zegt hij. Hij kreeg steeds meer volgers, dit jaar zat hij al ruim over de honderdduizend. Hij erkent dat de hulp van de Chinese staatsmedia heeft bijgedragen aan die groei. En toen zijn reizen voor die media langer werden, kreeg hij er ook voor betaald, zegt hij. Hij wil niet zeggen hoeveel.

    De afgelopen zomer heeft hij een reis gemaakt naar Xinjiang die georganiseerd was door de staatsomroep CGTN. ‘Even voor de mensen die China met nazi-Duitsland willen vergelijken,’ zegt hij in een videoverslag van een bezoek aan een museum over de cultuur van de Oeigoerse minderheid. ‘Dacht je dat er in Duitsland voor de oorlog ook musea over de Joodse cultuur waren?’

    De kijkcijfers voor zijn filmpjes zijn gedaald sinds ze niet meer over China gaan. Dat vindt hij niet erg, zegt hij. Zijn kanaal zal in de toekomst waarschijnlijk niet meer zo politiek zijn. ‘Ik voel me er niet echt goed bij,’ zegt hij, ‘om een spreekbuis voor grote thema’s te worden.’

    Lees ook:

  • Jonge Japanners redden openbare badhuizen. ‘Deze cultuur mag niet uitsterven’

    Jonge Japanners redden openbare badhuizen. ‘Deze cultuur mag niet uitsterven’

    Sinds de pandemie gaan oudere Japanners, de belangrijkste klanten van de sento, alleen nog maar de deur uit voor essentiële activiteiten. Daardoor dreigt een belangrijk aspect van de Japanse cultuur teloor te gaan. Een groep jongeren doet er alles aan om dit te voorkomen.

    Aira Masayuki (23) heeft vorig jaar een sento gerenoveerd in de wijk Shinagawa, in het hart van Tokio. Van kinds af aan was de badkamer zijn lievelingsvertrek, dus het was niet onlogisch dat hij zich als journalist ontpopte tot deskundige op het gebied van het Japanse openbare bad. Veel badhuisbeheerders die hij voor zijn werk interviewde, vertelden over hun zorgen: dat hun kinderen vanwege de economische problemen in de sector gedwongen zullen zijn een andere inkomstenbron te vinden. Masayuki ging toevallig werken voor het bedrijf Nikoniko Onsen, dat sento’s in Tokio renoveert. Toen zijn baas hem vroeg of hij misschien zin had om zich over het etablissement in Shinagawa te ontfermen, hoefde hij daar niet lang over na te denken.

    In zijn Tokyo Yokujo (‘Badkamers van Tokio’) heb je het gevoel weer in het Showa-tijdperk (1926-1989) te zijn beland, toen de sento een prominente plaats innam in het dagelijks leven van de Japanners. ‘In de ontvangstruimte zitten luidruchtige schoolmeisjes manga’s te bekijken en drinken oude mannen bier nadat ze met de krant in de hand van een bad hebben genoten’, schrijft Asahi Shimbun. De toegangsprijzen voor de sento worden door de overheid vastgesteld, voegt de krant eraan toe. ‘Beheerders moeten daarom het aantal klanten vergroten of specifieke diensten gaan aanbieden om financieel het hoofd boven water te kunnen houden.’

    Dankzij de initiatieven is de omzet van de sento na de renovatie met 300 tot 400 procent gegroeid

    Zodoende heeft Masayuki in zijn vestiging onder meer individuele sauna’s aangebracht. Daar kan de klant ongestoord ontspannen in een luxueuze omgeving. Muziekje erbij, geurolie bij de hand, zonder de aanwezigheid van anderen. Ook is voorzien in een plek waar geroosterde zoete aardappelen worden verkocht, een delicatesse in Japan, zeker ’s winters. Dankzij deze initiatieven is de omzet van de sento na de renovatie met 300 tot 400 procent gegroeid. ‘Ik ben zo blij dat ik voor een sento werk,’ zegt Masayuki. ‘Ik hoop dat deze vernieuwingen de sector kunnen helpen om te overleven.’

    Kinmachi-Yu, een andere sento, die al in 1943 werd geopend in het district Katsushika, in het oosten van Tokio, kon sluiting ternauwernood vermijden. De voormalige eigenaar van het bedrijf overwoog het, maar zijn dertigjarige zoon, Shintaro Yamada, die voorheen in de mediasector werkte, besloot in 2019 het stokje van zijn vader over te nemen, om te voorkomen dat de plek waaraan hij zo veel goede herinneringen bewaarde zou verdwijnen.

    Zo renoveerde Yamada het onderkomen van de sento, dat in beklagenswaardige staat verkeerde, waarna het aantal gezinnen onder de clientèle toenam. Het viel hem op dat veel mensen de regels niet kenden die in de sento dienen te worden gerespecteerd. Zo behoren bezoekers zich te wassen voor het baden en is het niet de bedoeling dat ze hun handdoek in het water achterlaten. Eind november belegde hij zelfs een seminar om de sento-cultuur aan gezinnen uit te leggen. ‘Deze kinderen kunnen hier later met hun eigen kinderen terugkomen. Ik zal deze activiteiten uiteraard voortzetten, zodat ook de sento-cultuur kan blijven bestaan,’ aldus Yamada.

    Sento-manager

    De existentiële crisis van de sento heeft ook de traditionele spelers in de sector tot actie bewogen. De Tokyo Sento Association, een organisatie die badhuiseigenaren samenbrengt, is dit jaar begonnen met een opleiding voor jongeren die sento-manager willen worden. Achttien mensen hebben al deelgenomen aan de eerste sessies, waarin ze hebben geleerd om onder realistische omstandigheden te werken. ‘De bedoeling is om jongeren op praktische wijze te laten kennismaken met ons vak, zodat deze cultuur niet zal uitsterven,’ zegt een lid van de vereniging.

  • Indiase miljardair wordt rijkste persoon van Azië met steenkoolimperium

    Indiase miljardair wordt rijkste persoon van Azië met steenkoolimperium

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Olaf Scholz brengt bezoek aan Moskou om Poetin te ‘waarschuwen’

    » Ex-president Bolivia wordt niet onderzocht voor misdaden tegen de menselijkheid

    Gautam Adani heeft vermogen van 88,5 miljard dollar

    Gautam Adani, de Indiase miljardair die een klein handelsbedrijf veranderde in een conglomeraat van havens, (steenkool)mijnen en groene energie, is de rijkste persoon van Azië. Zijn vermogen is met 88,5 miljard dollar, circa 77,5 miljard euro, groter dan de 87,9 miljard dollar van zijn landgenoot Mukesh Ambani. Met een toename van bijna 12 miljard dollar maakte Adani dit jaar ’s werelds grootste vermogenssprong, schrijft Al Jazeera.

    Lees ook:

  • Waarom China rijkere boeren nodig heeft

    Waarom China rijkere boeren nodig heeft

    China moet de gapende kloof tussen platteland en stad dichten, wil het land werkelijk welvarend worden en niet in een middle-income trap vallen, schrijft correspondent Goh Sui Noi.

    Sinds maart zijn de huizen van duizenden boeren in de Chinese provincie Shandong kort na kennisgeving door de overheid gesloopt. De reden: de bewoners krijgen nieuwe, moderne woningen.

    Klinkt mooi, maar wie weigerde de sloopovereenkomst te ondertekenen, werd ingerekend. De sloop voltrok zich bovendien nog vóór de verhuizing, de nieuwe woningen waren nog niet af, en mensen moesten in afwachting van de oplevering zelf maar tijdelijke woonruimte zien te vinden. Sommige ontheemden, die nergens terecht konden, bouwden provisorische onderkomens aan de rand van hun erf.

    De Shandong-affaire is een extreem voorbeeld van de wijze waarop China zijn moderniseringspolitiek van het platteland aanpakt. Onderdeel daarvan is de bouw van nieuwe, grotere gemeenschappen voor boeren, zodat publieke goederen efficiënter kunnen worden geleverd en er tegelijkertijd meer land vrijkomt voor landbouw en ander gebruik. Maar dit beleid kent ook nadelige effecten.

    GettyImages 494598816 1
    De Chinese overheid probeert het platteland radicaal te hervormen door huizen van boeren te slopen en er modernere woningen voor in de plaats neer te zetten. – © Zhang Peng / LightRocket / Getty

    Schulden

    Omdat de vergoeding voor de sloop van hun huis meestal laag is en de nieuwe woningen duur zijn, steken boeren zich vaak diep in de schulden om kleine appartementen te betrekken, waar ze hun landbouwgereedschap niet kwijt kunnen. Sommigen komen zo ver van hun boerderij te wonen dat ze het boeren helemaal eraan moeten geven en gedwongen zijn elders een baan te zoeken. Ouderen worden volledig afhankelijk van hun pensioentje of van het geld dat hun kinderen die in de steden werken overmaken.

    De ellende van de boeren in Shandong is kenmerkend voor de problemen op het platteland, die de Chinese overheid al tientallen jaren met weinig succes probeert op te lossen. In de afgelopen zeventien jaar zijn de sannong wenti – de drie plattelandskwesties: landbouwproductie, plattelandsontwikkeling en het boereninkomen – onderwerp geweest van het zogeheten Centraal Document nr. 1. Daarmee is het belang wel aangegeven. Dat plattelandsproblemen al zeventien jaar op rij de topprioriteit van de overheid zijn, toont aan hoe hardnekkig ze zijn en, zo stellen sommigen, hoezeer het regeringsbeleid tekortschiet.

    De afgelopen veertig jaar heeft China honderden miljoenen mensen uit de klauwen van de armoede bevrijd, ook boeren. De kloof tussen platteland en stad blijft echter groot. Dit jaar zal de Chinese overheid waarschijnlijk de overwinning uitroepen in haar strijd tegen absolute armoede. Daarnaast zal ze verkondigen dat het doel om een redelijk welvarende samenleving op te bouwen is verwezenlijkt.

    Waarnemers vinden echter nog steeds dat China de gapende kloof tussen platteland en stad doeltreffender moet dichten, wil de droom van een verjongd land uitkomen, en wil China niet in de middle-income trap vallen, dat wil zeggen een middeninkomensland blijven in plaats van werkelijk welvarend te worden.

    China’s transformatieproces van een geplande naar een markteconomie begon in 1978 op het platteland, toen nooddruftige boeren in een dorp heimelijk hun gezamenlijke landbouwgrond in kaveltjes verdeelden om hun eigen voedsel te kunnen verbouwen. Daarmee was het systeem van ‘huishoudelijke verantwoordelijkheid’ geboren, een hervorming van het platteland die boeren in staat stelde hun eigen lapje grond te bewerken en de producten die ze overhielden op particuliere markten te verkopen, nadat ze aan de overheidsquota hadden voldaan.

    De eerste groep Chinezen die ‘rijk’ werden waren boeren in de jaren tachtig. Dankzij de eerste hervormingen nam de armoede op het platteland duidelijk af, al bleven de inkomens er nog steeds lager dan in de steden.

    In de jaren negentig kwam er een kentering, toen versnelde economische hervormingen vooral gericht waren op industriële ontwikkeling en ondernemerschap. Stedelijke centra aan de kust vergaarden op die manier rijkdom. Er waren ook wel hervormingen op het platteland, maar die hielden geen gelijke tred met die in de steden. De ontwikkelingskloof leidde tot een grotere welvaartskloof. In 1990 bedroeg het jaarlijks beschikbaar inkomen per hoofd van de stedelijke bevolking iets meer dan het dubbele van het plattelandsinkomen: 1.510 tegen 686 yuan. In 2000 was die factor gestegen tot 2,78 en in 2010 was het stedelijk inkomen 3,23 keer zo hoog als het plattelandsinkomen.

    De kloof verkleinde in 2018 tot 2,68, met een stedelijk inkomen van 39.251 yuan tegen een plattelandsinkomen van 14.617 yuan. Maar dit was inclusief het overgemaakte geld door arbeidsmigranten in de steden, dat 90 procent van het totale beschikbare inkomen op het platteland vertegenwoordigde. Geschat wordt dat het inkomen op het platteland sinds 2014 is gedaald, de overmakingen van arbeidsmigranten niet meegerekend.

    Collectief bezit

    Er zijn tal van redenen te bedenken voor deze kloof: problemen rond landbezit, het hukou-systeem van persoonsregistratie dat de bewegingsvrijheid van plattelanders beperkt en het gebrek aan toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en andere sociale voorzieningen, ten opzichte van stadsbewoners.

    De vroege Chinese plattelandshervormingen leidden tot het systeem van huishoudelijke verantwoordelijkheid, waarbij vrijwel al het te bebouwen land aan individuele huishoudens werd toegewezen. Al dat land blijft echter collectief bezit: boeren hebben alleen gebruiksrechten. Naarmate de industrialisatie en verstedelijking versnelden en de druk op land toenam, begonnen lokale overheden boeren hun land af te nemen, omdat ze dat wilden herbestemmen voor woningbouw en bedrijven. Deze overheden maakten vervolgens winst uit de verkoop van landgebruiksrechten. Boeren kregen geringe of zelfs helemaal geen financiële compensatie, ontwikkelaars kregen gepeperde rekeningen toegestuurd.

    In 2015 waren zo’n 120 miljoen boeren hun land kwijtgeraakt

    In 2015 waren zo’n 120 miljoen boeren hun land kwijtgeraakt. Velen trokken noodgedwongen naar de steden om werk te zoeken, al waren er ook veel boeren die hun land niet verloren maar toch voor een leven in de stad kozen.

    Ondertussen konden de boeren met hun kleine lapjes grond hun opbrengst en dus hun inkomen moeilijk verhogen. Aan de andere kant lag er veel grond braak: de vroegere gebruikers waren naar de stad getrokken, waar ze laagbetaalde fabrieksarbeiders werden of in de informele sector terechtkwamen. Dit leverde doorgaans nog altijd meer op dan op het platteland blijven ploeteren.

    Dankzij veranderingen in de landwetten door de jaren heen konden boeren de grond van hun buren huren om hun boerderij uit te breiden. Ondertussen werd het platteland geconfronteerd met een leegloop van jongeren, waardoor vooral ouderen en jonge kinderen achterbleven.

    President Xi Jinping presenteerde in 2017 een plan om plattelandsgebieden nieuw leven in te blazen. Bedoeling was om de komst van grote, efficiëntere, moderne boerenbedrijven te stimuleren. In gebieden waar dergelijke hervormingen zijn doorgevoerd, krijgen boeren aandelen voor hun kavels. Lokale collectieven verhandelen deze grond namens hen.

    Boeren met grotere bedrijven hebben echter niet altijd genoeg aan een contract voor een dertigjarig gebruiksrecht op landbouwgrond. Voor perzikboeren zijn bomen bijvoorbeeld een investering die vijftig jaar loopt.

    Het valt nog te bezien hoe gunstig de hervormingen zullen uitpakken. Afgezien van de problemen met land heeft het hukou-systeem van persoonsregistratie Chinese boeren ook economisch belemmerd. Dit systeem, dat uiteindelijk verblijfsvergunningen regelt, verdeelt de Chinese bevolking in plattelands- en stadsbewoners; deskundigen zijn van mening dat het de plattelandsbevolking discrimineert.

    Het stelsel werd in 1958 ingevoerd om plattelandsbewoners te beletten naar de stad te verhuizen. Dankzij een versoepeling in de jaren tachtig konden boeren in stedelijke centra gaan werken, omdat de vraag naar arbeidskrachten daar toenam.

    Zonder permanente verblijfsvergunning kunnen dergelijke arbeidsmigranten echter nauwelijks aanspraak maken op de sociale uitkeringen waar andere stedelingen wel recht op hebben. Daardoor is het voor hen moeilijk en duur om toegang te krijgen tot huisvesting, gezondheidszorg en onderwijs voor hun kinderen. Velen laten hun kinderen daarom achter bij grootouders in de dorpen.

    Alle veranderingen door de jaren heen ten spijt, staan arbeidsmigranten nog altijd bloot aan sociale discriminatie.

    In 2016 werd een nieuw beleid doorgevoerd om rond dit jaar honderd miljoen arbeidsmigranten een verblijfsvergunning in de stad te verlenen. Doel is de stadsbevolking een impuls te geven en de middenklasse te laten groeien, aangezien China de transitie wil maken van een exportgerichte naar een consumptiegerichte economie. Eerder dit jaar zijn er nog meer hukou-hervormingen beloofd.

    Middelbaar onderwijs

    Tot nu toe zijn vooral in kleine steden beperkingen opgeheven, in de hoop dat arbeidsmigranten daarnaartoe trekken. Maar veel arbeiders verhuizen liever naar of blijven graag wonen in de grote steden, waar banen zijn, en waar het niveau van voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs hoger is.

    Onderwijs is een andere reden waarom plattelandsbewoners het nog altijd slechter hebben dan hun landgenoten in de stad. Volgens de Amerikaanse ontwikkelingseconoom Scott Rozelle van de Stanford-universiteit, die de armoede en ongelijkheid in China onderzoekt, is slecht middelbaar onderwijs een probleem op het platteland: amper de helft van de kinderen gaat naar de middelbare school, tegen 90 procent in grote steden. Nog geen 5 procent van de studenten aan elite-universiteiten komt van het platteland. Ook het leren zelf moet je leren, en die vaardigheid bezitten veel plattelandsjongeren niet, zegt Rozelle. ‘Ze zullen niet kunnen profiteren van de economische kansen die nieuwe technologie in China inmiddels biedt.’

    Met name op arbeidsmigranten heeft dit een verwoestend effect, aangezien het aantal beter betaalde banen in de industriële sector afneemt naarmate fabrieken automatiseren of zich in het buitenland vestigen. Zelfs laagbetaalde banen in de dienstensector zijn niet voor hen weggelegd. En wie als professionele boer in een groot landbouwbedrijf wil werken of een eigen bedrijf wil beginnen, heeft eerst toegang tot beter onderwijs nodig om de benodigde vaardigheden op te doen.

    De overheid moet de kwaliteit en beschikbaarheid van plattelandsscholen verbeteren en de kinderen die daar wonen aanmoedigen om meer dan de verplichte negen jaar onderwijs te volgen, aldus analisten.

    Het volgende vijfjarenplan omvat waarschijnlijk nog meer hervormingen die tot doel hebben het inkomen en de koopkracht van huishoudens op het platteland en van arbeidsmigranten te verhogen.

    Volgens een rapport van de bank HSBC over het nieuwe vijfjarenplan wordt de landhervorming versneld om plattelandshuishoudens een groter deel van de winst uit herwaardering van land te gunnen. Dit als onderdeel van het streven om consumptieve bestedingen onder de 551 miljoen Chinezen op het platteland te verhogen.

    De verwachting is ook dat de hervorming van het hukou-systeem wordt versneld, om de 290 miljoen arbeidsmigranten toegang te geven tot stedelijke sociale voorzieningen. Dit zal waarschijnlijk leiden tot een vermindering van hun spaargeld uit voorzorg, het ‘appeltje voor de dorst’ dat het dubbele bedraagt van dat van gemiddelde stedelijke huishoudens, en hen aanmoedigen om meer uit te geven.

    Het is nog maar de vraag of deze hervormingen, die ook toegang tot beter onderwijs betreffen, ingrijpend genoeg zullen zijn om de welvaartskloof tussen platteland en stad te verkleinen. Net als de boeren die ze wil helpen, moet de overheid eerst zaaien, in de wetenschap dat er bij beleidsplanning, net als in de landbouw, vaak een kloof zit tussen wens en resultaat.

  • Het gevaar van generieke geneesmiddelen

    Het gevaar van generieke geneesmiddelen

    Katherine Eban doet al tien jaar onderzoek naar de producenten van generieke geneesmiddelen en ontdekte een duister geheim: de kwaliteitscriteria voor hun geneesmiddelen variëren al naar gelang het land dat ze afneemt.

    In de zestien jaar dat de Canadese chirurg Brian Westerberg geregeld als vrijwilliger uitvloog naar het Oegandese Mulago National Referral Hospital in Kampala, hadden ze daar altijd aan alles gebrek. Meestal waren er te veel patiënten voor de vijftienhonderd bedden die het ziekenhuis telde. Eén keer werd het water afgesloten omdat de rekening niet was betaald. En patiënten konden vaak niet de medicatie krijgen die ze nodig hadden, zodat Westerberg in het begin soms medicijnen meenam uit Canada. Maar sinds de eerste jaren van deze eeuw zijn er dankzij de inspanningen van de Oegandese regering en internationale hulporganisaties steeds meer goedkope generieke geneesmiddelen uit India en China beschikbaar gekomen, zodat dit probleem in ieder geval leek opgelost.

    Tot Westerberg op 7 februari 2013 een dertienjarige jongen op consult kreeg met koorts en een ontstoken oor waar vocht uit kwam. Hij dacht dat het bacteriële meningitis was, al kon hij daar niet van vergewissen omdat de CT-scanner stuk was. Hij gaf de jongen een injectie met ceftriaxon, een antibioticum dat hem afdoende leek. Maar vier dagen later was de ontsteking alleen maar erger geworden. Terwijl Westerberg zich opmaakte voor een operatie, kreeg de jongen een attaque. De CT-scanner deed het inmiddels weer, dus Westerberg liet een scan uitvoeren en zag abcessen in de schedel van de jongen, waarschijnlijk veroorzaakt door de infectie.

    Een neurochirurg die de beelden bekeek, zei dat een operatie niet nodig was en dat de abcessen en de zwelling met een goede antibioticakuur vanzelf zouden afnemen. Dat begreep Westerberg niet goed: hij had de jongen al ceftriaxon gegeven en dat had niet geholpen. Hij begreep er nog minder van toen zijn collega opperde een duurdere versie van hetzelfde geneesmiddel te gebruiken. Wat maakt het nou uit welk merk je gebruikt?

    RoW-markten

    De meeste mensen gaan ervan uit dat het geen verschil maakt: dat merkmedicijnen en hun generieke varianten overal ter wereld identiek zijn, zolang ze geproduceerd zijn door een gerenommeerd farmaceutisch bedrijf dat onder toezicht staat van bevoegde instanties. Die logica is de drijvende kracht achter de wereldwijde revolutie van generieke geneesmiddelen, waarbij farmaceutische bedrijven in landen als India en China goedkope maar hoogwaardige geneesmiddelen maken die wereldwijd worden verkocht. Die fabrikanten zijn bejubeld als helden van de gezondheidszorg, omdat zij ervoor zorgen dat arme mensen net zo gemakkelijk aan medicijnen kunnen komen als rijken.

    Maar ik doe al tien jaar onderzoek naar de producenten van generieke geneesmiddelen die zowel in Afrika als in Amerika veel worden gebruikt, en maar al te vaak blijken die een duister geheim te verbergen: de kwaliteitscriteria voor hun geneesmiddelen variëren al naar gelang het land dat ze afneemt. En dat is niet alleen voor de gebruikers van de kwalitatief mindere geneesmiddelen een gevaar, maar voor iedereen.

    Hun beste geneesmiddelen verschepen ze naar markten met een strenge gezondheidsinspectie, zoals de VS en de EU. Hun slechtste geneesmiddelen, die ingrediënten van lagere kwaliteit bevatten en minder streng worden getest, gaan naar de landen met het zwakste toezicht.

    Niet dat de Amerikaanse geneesmiddelenmarkt immuun is voor kwaliteitsproblemen. Het afgelopen jaar zijn tientallen versies van de generieke bloeddrukmedicijnen valsartan, losartan en irbesartan teruggeroepen. Sommige van deze in China geproduceerde pillen bevatten een mogelijk kankerverwekkende stof die vroeger gebruikt werd in de productie van raketbrandstof. Wie hier vooral onder te lijden heeft, zijn de patiënten in de zogenaamde RoW-markten (‘rest of world’, de in deze branche gebruikelijke afkorting voor de rest van de wereld). In grote delen van Afrika, Zuidoost-Azië en andere regio’s met opkomende markten maken sommige fabrikanten een kille afweging: ze verkopen hun slechtste geneesmiddelen daar waar de pakkans het kleinst is.

    Medisch centrum in Bweyale, Uganda. Sommige fabrikanten maken de afweging hun slechtste medicijnen daar te verkopen waar hun pakkans het kleinst is; de zogenaamde rest of world-markten. – BSIP / Universal Images Group via Getty Images
    Medisch centrum in Bweyale, Uganda. Sommige fabrikanten maken de afweging hun slechtste medicijnen daar te verkopen waar hun pakkans het kleinst is; de zogenaamde rest of world-markten. – BSIP / Universal Images Group via Getty Images

    Vroeger kreeg Afrika zijn geneesmiddelen vooral uit ontwikkelde landen, via donaties of kleinschalige aankopen. Toen de farmaceutische vertegenwoordigers uit India met hun generieke geneesmiddelen aanklopten, was men daar aanvankelijk dus blij mee. Maar Afrika werd al snel een gebied waar je ‘eender wat naartoe stuurt,’ zegt Kwabena Ofori-Kwakye van de faculteit Farmaceutische Wetenschappen aan de Ghanese Kwame Nkrumah University of Science and Technology in Kumasi. Alle soorten geneesmiddelen leveren kwaliteitsproblemen op, en de schade aan de volksgezondheid is ‘astronomisch’, zegt hij.

    Verschillende Afrikaanse artsen die ik heb gesproken, zeggen dat ze hun behandeling erop aanpassen en soms driedubbele doses voorschrijven. Gordon Donnir, voormalig hoofd van de psychiatrische afdeling van het academisch ziekenhuis Komfo Anokye in Kumasi, heeft nu een eigen praktijk voor Ghanezen uit de middenklasse en zegt dat bijna alle door zijn patiënten gebruikte geneesmiddelen onder de maat zijn, zodat hij de dosering verhoogt. Patiënten die het antipsychosemiddel haloperidol slikken (een generieke vorm van Haldol), krijgen dat van Europese artsen in doses van 2,5 mg voorgeschreven. Donnir schrijft zijn patiënten doses van 10 mg voor, omdat hij weet dat 2,5 mg ‘niks doet’. Hij gaf een vijftienjarige jongen ooit diazepam (de generieke vorm van valium) in een tienmaal zo hoge dosering als gebruikelijk: een hoeveelheid waarvan je normaal onder zeil gaat. Hij ‘zat erbij te lachen,’ zegt Donnir.

    Veel ziekenhuizen houden ook een voorraad achter de hand van wat ze de ‘chique’ geneesmiddelen noemen (merkmedicijnen en generieke middelen van hogere kwaliteit) voor de behandeling van patiënten die na een kuur met de goedkopere middelen nog niet zijn hersteld. Bij de jongen in Kampala stapten Westerbergs collega’s over op de duurdere variant van ceftriaxon en gaven ze hem ook nog andere medicatie. Het mocht niet baten: in de tweede week van zijn behandeling werd de jongen hersendood verklaard. Westerbergs Oegandese collega’s keken er niet van op. Zij gaven patiënten wel vaker medicatie die op papier levensreddend moest zijn, om ze vervolgens toch te zien overlijden. En er waren niet genoeg ‘chique’ medicijnen voor iedereen, zodat ze daarvoor in feite elke dag triage moesten plegen. Het is ook haast niet bij te houden welke generieke geneesmiddelen precies onbetrouwbaar zijn, zegt een arts in west-Oeganda: ‘Vandaag is het een narcosemiddel, morgen ceftriaxon, overmorgen amoxicilline.’

    Veel ziekenhuizen houden ook een voorraad achter de hand van wat ze de “chique” geneesmiddelen noemen

    Westerberg vloog terug naar Canada en sloeg de handen ineen met Jason Nickerson, een beademingsverpleegkundige die in Ghana vergelijkbare ervaringen met slechte geneesmiddelen had gehad. Ze besloten de chemische samenstelling te onderzoeken van het generieke ceftriaxon dat een rol had gespeeld in het overlijden van de jongen in Oeganda. Een van Westerbergs collega’s nam een ampul voor hem mee uit de apotheek van het ziekenhuis in Kampala. Het geneesmiddel was gemaakt door een producent in Noord-China die het ook in Amerika en op andere ontwikkelde markten verkocht. Bij onderzoek in Nickersons lab bleek de hoeveelheid werkzame stof in het middel nog niet de helft te bedragen van wat er op het etiket stond. Bij zo’n lage concentratie haalt het praktisch niets uit, zei Nickerson. Ze hebben hun bevindingen gepubliceerd in het Morbidity and Mortality Weekly Report van het Amerikaanse centrum voor ziektepreventie en -bestrijding. Het was niet met zekerheid vast te stellen of de jongen als gevolg van het laagwaardige ceftriaxon was overleden, maar hun verslag bevatte wel sterke aanwijzingen in die richting.

    Sommige fabrikanten beweren dat al hun geneesmiddelen van hoge kwaliteit zijn en dat er alleen kleine verschillen optreden doordat de regelgeving van markt tot markt verschilt. Maar volgens Patrick H. Lukulay, oud-vicevoorzitter van het programma voor mondiale volksgezondheid van de USP (het Amerikaanse Geneesmiddelenbureau), een van de belangrijkste toezichthouders in de wereld, is dat ‘klinkklare nonsens’. Voor elk medicijn, zegt hij, ‘bestaat er maar één meetlat, en dat is de standaard die is gevestigd door de oorspronkelijke producent’, de fabrikant die het merkmedicijn heeft ontwikkeld.

    Dit probleem moet niet alleen de mensen in opkomende markten zorgen baren. Slechte medicijnen bevatten vaak niet genoeg van de werkzame stof om patiënten te genezen, maar zijn vaak wel werkzaam genoeg om de zwakste bacteriën te doden, terwijl de sterkste het overleven. Die planten zich voort en kunnen een nieuwe generatie ziekteverwekkers voortbrengen die zelfs bestand zijn tegen hoogwaardige geneesmiddelen, waar wel genoeg van de werkzame stof in zit. Na een uitbraak van resistente malaria in het grensgebied van Thailand en Cambodja in 2011 rees bij het regiohoofd van de USP in Indonesië, Christopher Raymond, al het sterke vermoeden dat die resistentie te wijten was aan slechte medicijnen. Patiënten behandelen met geneesmiddelen die te weinig werkzame stof bevatten is, in zijn woorden, alsof je ‘een brand probeert te blussen met benzine’.


    Dit baart de USP zoveel zorgen dat het in 2017 het Quality Institute heeft opgezet, dat onderzoek financiert naar het verband tussen de kwaliteit van medicijnen en de ontwikkeling van resistentie. Muhammad Zaman, hoogleraar biomedische technologie aan Boston University, deed in 2018 onderzoek naar het veelgebruikte antibioticum rifampicine. Bij een verkeerde productiemethode kan de stof rifampicine chinon ontstaan. Toen Zaman bacteriën daaraan blootstelde, ontwikkelden die mutaties waardoor ze beter tegen rifampicine en vergelijkbare medicijnen bestand zijn. Zaman concludeerde dat slechte medicijnen een ‘heel eigen risicofactor’ vormen in de mondiale ontwikkeling van geneesmiddelenresistentie.

    Door hun lage kosten zijn generieke geneesmiddelen onmisbaar voor de mondiale gezondheidszorg. Maar als die medicijnen van lage kwaliteit zijn, doen ze meer kwaad dan goed. Politici, toezichthouders en hulpverleners hebben zich jarenlang vooral op de beschikbaarheid van deze geneesmiddelen gericht. In de toekomst zullen ze evenveel nadruk moeten leggen op de kwaliteit, middels een streng programma van onaangekondigde inspecties, voortdurende tests van geneesmiddelen die al op de markt zijn en wettelijke sancties tegen producenten van ondeugdelijke medicijnen. Een goed model daarvoor is de luchtvaart, waar dankzij internationale verdragen en wetgeving wereldwijde geldende veiligheidseisen zijn vastgesteld. Zonder een vergelijkbaar controlesysteem om de veiligheid en werkzaamheid van medicijnen te garanderen, zal de combinatie van slechte medicijnen en toenemende resistentie rampzalige gevolgen krijgen waar geen land aan voorbij kan gaan. Want in de woorden van Elizabeth Pisani, een epidemioloog die onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van geneesmiddelen in Indonesië: ‘Ziekteverwekkers kennen nu eenmaal geen grenzen.’

    Auteur: Katherine Eban
    Vertaler: Frank Lekens

    Openingsbeeld: Changzhou Qianhong Biochemical Pharmaceutical Co. in Changzhou, Oost-China. Farmaceutische bedrijven in landen als India en China worden erom bejubeld goedkope maar hoogwaardige geneesmiddelen te maken die wereldwijd worden verkocht. Maar de realiteit is vaak anders. – XU CONGJUN / Barcroft Media via Getty Images

    Time
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 6.000.000

    Weekblad met indrukwekkende oplage. Met vlijmscherp gekozen beelden, unieke reportages. Jaarlijkse lijst van invloedrijke mensen draagt bij aan hun legende.

  • Afrikaanse speler is gewild van Nepal tot Kirgizië

    Afrikaanse speler is gewild van Nepal tot Kirgizië

    De handel in jonge Afrikaanse voetballers is big business, zeker nu Aziatische landen steeds meer investeren in hun voetbalcompetities. Malafide makelaars beloven de jonge talenten gouden bergen.

    Toeristen in het Himalayagebergte in Nepal, op de steppen van Kazachstan en in de jungles van Zuidoost-Azië zullen verbaasd opkijken van alle jonge Afrikanen die er in de lokale, regionale en nationale voetbalcompetities spelen. In Aziatische competities speelt een buitenproportioneel groot aantal (voornamelijk West)-Afrikaanse voetballers. Duizenden jonge mannen verlaten Afrika om hun droom van een gloedvolle, internationale voetbalcarrière na te jagen. Nu de Europese markt zo goed als verzadigd is met aspirant-spelers, wijken de Afrikaanse jongeren uit naar Azië, in de hoop een positie bij een voetbalclub te bemachtigen.

    Dat voetbal welhaast een religie is in Afrika is algemeen bekend, en veel jonge Afrikanen willen hun voetbalhelden van de Europese competities naar de kroon steken. Het pad naar een internationale voetbalcarrière, voor veel arme jongeren een van de weinige manieren om op de sociale ladder op te klimmen, wordt als een uitweg voor de armoede gezien. Zelfs de gelukkigen die een contract hebben bij lokale Afrikaanse teams, kunnen als voetballer veelal niet in hun onderhoud voorzien. Slechts een handvol professionele clubs kan het zich veroorloven zijn spelers te betalen, maar meestal zijn de spelers voor hun levensonderhoud afhankelijk van familie en giften van fans. Bovendien verdienen Afrikaanse voetballers een schijntje in vergelijking met hun buitenlandse collega’s; driekwart van de Afrikaanse sporters verdient minder dan 1000 dollar per maand. ‘Zodra een jonge voetballer talent aan de dag legt, wordt hij door een buitenlandse club benaderd met de belofte dat zijn bedje, en dat van zijn familie, zal zijn gespreid. De voetballers gaan liever het avontuur aan dan dat ze bij een lokale club blijven hangen,’ zegt Kazimir Makeh, coach van een eerstedivisieclub in Kameroen.

    Op straat rondzwerven

    Hoewel een plek in de selectie van een Europese club voor de meeste jonge spelers de ultieme droom is, verleggen steeds meer Afrikaanse voetballers hun blik naar clubs in Azië, die minder onbereikbaar zijn en worden gezien als een opstap naar Europees succes. Veel Aziatische voetbalclubs op hun beurt zijn op zoek naar Afrikaanse spelers, vanwege hun speelstijl en hun fysieke kunnen. Buitenlandse spelers zijn dure investeringen voor voetbalclubs, dus maken Aziatische clubs handig gebruik van de wanverhouding tussen de enorme belangstelling vanuit Afrika en het beperkte aantal beschikbare plaatsen. ‘Veel clubs profiteren van het feit dat ze deze Afrikaanse spelers voor een belachelijk laag bedrag kunnen strikken,’ zegt Gabriel Ken Gadaffi, voorzitter van de Nigerian Community Association (NCA) in Laos. De scheve situatie heeft gezorgd voor de opkomst van malafide voetbalmakelaars en andere tussenpersonen die munt slaan uit de dromen van de jonge Afrikanen.

    Emmanuel Koska uit Kameroen verliet tweededivisieclub Menoua en verkocht het stuk land van zijn vader om de reis naar Thailand te kunnen betalen, waar hij volgens zijn makelaar meteen als contractspeler aan de slag kon. Na zijn aankomst in Thailand ging de spelersmakelaar er met zijn geld vandoor en het beoogde voetbalteam wilde hem niet hebben. ‘Tegenover de veertig spelers die met een officieel contract voor een Thaise club uitkomen, staan vijftig anderen die zonder contract, en dus zonder inkomen, op straat rondzwerven,’ vertelt een Kameroense spelersmakelaar over de situatie in Thailand. In 2010 werden twee Kameroense voetballers gearresteerd, omdat ze aanboden Amerikaanse dollars te vervalsen. Ze waren gestrand in Myanmar, nadat ze er niet in waren geslaagd een contract af te dwingen bij een Birmese club. Andere jonge voetballers proberen in Myanmar het hoofd boven water te houden met lesgeven of werk in de bediening. Maar zelfs wie wel een contract heeft, verdient vaak een schamel maandsalaris van niet meer dan 200 dollar – in een land waar je voor een paar voetbalschoenen al snel 100 dollar neertelt. Bovendien arriveren veel Afrikaanse voetballers met onrealistische verwachtingen, denkend dat het lage niveau van Aziatische clubs betekent dat die geen hoge eisen stellen en iedereen verwelkomen.

    gettyimages 970799266

    De hausse aan voetbalmakelaars wakkert het naïeve beeld bij jonge voetballers verder aan, zodat niet alleen spelers maar ook clubs worden gedupeerd, als na de transfer blijkt dat een speler nauwelijks een bal kan trappen. ‘Afrikaanse voetballers die hierheen komen omdat ze denken dat het allemaal van een leien dakje zal gaan, zullen bedrogen uitkomen. Op het eerste gezicht lijkt de Birmese voetbalwereld misschien weinig om het lijf te hebben, maar als ze gaan meespelen, zullen ze zien dat ze geduchte concurrentie hebben,’ vertelt Jonathan Yamoah, de Ghanese manager van Nay Pyi Taw FC. Yamoah heeft als profvoetballer de hele wereld afgereisd en op drie continenten gespeeld en streek in 2009 in Myanmar neer, toen daar de nationale voetbalcompetitie werd opgericht. Voordat hij manager werd, speelde hij voor Zeyar Shwe Myay FC. Toch blijven de voetballers uit West-Afrika toestromen, aangetrokken door de beloofde contracten en de hogere lonen. De salarissen in Azië lopen sterk uiteen: buitenlandse spelers kunnen in Bangladesh 2000 dollar per maand verdienen, tegen 9000 dollar in Thailand; topspelers in Indonesië krijgen een jaarsalaris van 80.000 dollar; het jaarinkomen van sterspelers in Vietnam ligt op 200.000 à 300.000 dollar. Met deze bedragen, die vele malen hoger zijn dan die in Afrika, verlokken scouts jonge voetballers tot de oversteek. Hoewel sommigen succes oogsten, wordt het merendeel uitgebuit, of raakt gestrand in een vreemd land, kaalgeplukt door spelersmakelaars die er met hun geld vandoor zijn gegaan. Het probleem is dat iedereen zich voor voetbalmakelaar kan uitgeven; sinds de wereldvoetbalbond FIFA zijn regels in 2015 heeft gewijzigd, is het zelfs alleen maar makkelijker geworden. Met ingang van 2015 hebben voetbalmakelaars geen licentie meer nodig. Waar makelaars voorheen een examen moesten afleggen, hoeven ze nu alleen nog maar te verklaren dat ze van onbesproken gedrag zijn. Vóór de wijzigingen van 2015 werd slechts 30 procent van de transfers afgesloten door erkende makelaars en de overige 70 procent door tussenpersonen zonder licentie. Het nieuwe systeem van de FIFA was bedoeld om illegale wervingspraktijken aan te pakken en de transfers transparanter te maken, maar de wijzigingen hebben de situatie juist verergerd. ‘Ik ken weinig bedrijfstakken waar tussenpersonen zelf een verklaring van goed gedrag mogen afleggen en waar een bemiddelaar niet wordt nagetrokken of getoetst, of aan beroepsnormen hoeft te voldoen,’ stelt Jake Marsh, hoofd sportintegriteit & anticorruptie bij het in Qatar gevestigde International Centre for Sport Security (ICSS).

    In februari 2015 werden de tekortkomingen van het FIFA-systeem pijnlijk duidelijk gemaakt door een geruchtmakende zaak, waarbij de internationale spelersvakbond FIFPro onderzoek deed naar de illegale transfer van 23 Afrikaanse spelers van amper veertien jaar oud naar een ongeregistreerde voetbalacademie van de Laotiaanse club Champasak. De verhandelde jongens moesten bij aankomst in het kleine Aziatische land een zesjarig contract ondertekenen. Hoewel hun een maandloon van 200 dollar en huisvesting was beloofd, werden ze niet uitbetaald en zaten ze opgesloten in het stadion van de club, waar ze met z’n allen in één ruimte op de vloer moesten slapen. De jongeren waren uitgenodigd door de Liberiaanse ex-profvoetballer Alex Karmo, die volhoudt dat de academie naar eer en geweten heeft gehandeld en dat de spelers keurig hun loon hebben ontvangen. De Liberiaanse journalist en sportpromotor Wleh Bedell denkt daar het zijne van: ‘Deze “academie” heeft geen coach, geen sportarts. Karmo was de coach, de manager – alles. Het was volslagen absurd.’ Een jonge speler vertelde dat er geen medische hulp werd geboden, ook al liep een aantal van hen malaria en tyfus op. Hij noemde het ‘regelrechte slavernij’. FIFPro uitte het vermoeden dat de zaak niet op zichzelf stond, maar slechts het topje van de ijsberg was. De Cambodjaanse voetbalcompetitie raakte in een soortgelijk schandaal verwikkeld toen de Nigeriaan Wilson Mene in 2012 tijdens een wedstrijd in elkaar zakte en aan een hartaanval overleed. Daarbij rees het vermoeden dat zijn dood te wijten was aan de barre leefomstandigheden en de ondermaatse medische zorg die zijn Cambodjaanse club bood. Na de dood van Mene werd wereldwijd geijverd voor strengere regelgeving, hoewel veel jonge Afrikanen in Cambodja en heel Azië nog altijd gebukt gaan onder slechte werkomstandigheden.

    Lage kosten voor levensonderhoud, een aangenaam klimaat en de kans om ongeveer 2000 dollar per maand te verdienen lokken Afrikaanse voetballers naar Bangladesh

    Naast alle spelers die met valse beloften naar Azië worden gelokt, bestaat er een grote groep Afrikaanse voetballers die op een toeristenvisum naar Azië afreizen, in de hoop het te gaan maken. Cambodja kreeg tussen 2007 en 2010 te maken met een enorme toestroom aan Afrikaanse spelers, nadat het land entreeprijzen had ingesteld voor voetbalwedstrijden en het maandsalaris van spelers van 20 à 30 dollar per maand was gestegen naar 70 à 100 dollar. Er wordt nu door meer dan honderd Afrikanen en voetballers uit de rest van de wereld gevochten om de dertig beschikbare plaatsen voor buitenlandse spelers. In Myanmar arriveren elk jaar vlak voor het transferseizoen tientallen Afrikanen op een toeristenvisum, dromend van een contract. In de meeste gevallen blijven ze langer dan het toeristenvisum toestaat, tevergeefs wachtend op hun grote doorbraak, om vervolgens platzak in de illegaliteit – en soms in de criminaliteit – te belanden. Degenen zonder verblijfsvergunning die wel een contract binnenslepen, zijn overgeleverd aan hun werkgevers, die hen onder slechte omstandigheden en tegen schandalig lage lonen laten werken. En uit angst voor deportatie zullen spelers zonder verblijfsvergunning ook niet zo snel naar de politie stappen om misbruik aan te geven. Zelfs Louis-Paul Mfede, die bij het WK van 1990 en 1994 in het nationale elftal van Kameroen speelde en nadien zijn carrière in Indonesië voortzette, werd glashard vastgezet toen zijn visum verliep.

    Olewale Sunday verliet Nigeria in de veronderstelling dat hij gecontracteerd was door een professionele Russische voetbalclub, maar belandde voor een fractie van het beloofde salaris bij een amateurclub in Tadzjikistan. Zijn verhaal staat niet op zich: Centraal-Azië is onderhand het afvoerputje voor opgelichte Afrikanen. ‘In de regio zijn nieuwe “voetbalslavenroutes” ontstaan,’ aldus David McArdle, die over voetbal in Azië schrijft. Sunday had nog geluk: hij wist in Kirgizië een positie bij een tweededivisieclub te bemachtigen. Ook Daniel Togoe, uit Ghana, kwam met hoge verwachtingen in Rusland aan en eindigde, in eerste instantie gedesillusioneerd, in Kirgizië. Togoe is nu een van de vier West-Afrikaanse spelers in het Kirgizische nationale voetbalteam. Volgens de FIFA-regels mag een voetballer voor een ander land uitkomen wanneer hij daar vijf jaar woont en het staatsburgerschap heeft gekregen. Ondanks het gemis van vrienden en familie, vermaken Togoe en zijn Afrikaanse ploeggenoten zich inmiddels prima in Kirgizië: de West-Afrikaanse elftalspelers worden er op handen gedragen.

    ‘Bij de Asian Confederation Challenge Cup van 2013 scoorde David Tetteh (uit Ghana) alle doelpunten voor het nationale elftal. Ik heb geen idee hoe hij over Kirgizië heeft gehoord’, schreef de Kirgizische journalist Bektour Iskender, ‘maar dankzij hem en de andere Afrikaanse spelers is ons elftal op de kaart komen te staan.’ Bengalese voetbalpromotors betonen zich al even enthousiast; de groeiende populariteit van het voetbal in Bangladesh is in hun ogen mede te danken aan de Afrikanen, die de competitie naar een hoger niveau hebben getild. De Bengalese Premier League werd pas in 2007 opgericht en sindsdien voeren Afrikaanse spelers de topscorerslijsten aan. Het allereerste doelpunt en de allereerste hattrick van die eerste competitie werd gescoord door de Nigeriaanse spits Elijah Obagbemiro Jr. In 2013 telde de voetbalcompetitie vijftig buitenlandse spelers, het merendeel West-Afrikanen, zoals de Ghanese Awuda Ibrahim, die een van de topspelers is geworden. Lage kosten voor levensonderhoud, een aangenaam klimaat en de kans om ongeveer 2000 dollar per maand te verdienen lokken Afrikaanse voetballers naar Bangladesh. ‘Het voetbal zit hier in de lift, daarom komen Afrikaanse spelers eropaf,’ zegt Abdul Samad Yussif uit Ghana. ‘Als ik tussendoor thuiskom, vraagt iedereen me het hemd van het lijf. Mijn vrienden willen ook deze kant op komen.’

    Op het dak van de wereld

    In de diverse Indiase voetbalcompetities spelen ongeveer vierhonderd Afrikanen, bijna iedere Thaise eredivisieclub telt minstens één Afrikaanse speler en sommige kunnen zelfs bogen op vijf. Al met al speelden in 2015 meer dan dertig Afrikaanse voetballers bij clubs op het hoogste niveau en daarnaast speelde nog een veelvoud in de lagere divisies. Afrikaanse spelers zijn ook populair in Maleisië. Ze figureren prominent in de media en doorbreken daarmee negatieve stereotypen, die dankzij de groeiende immigratie de kop opsteken – alleen al in 2013 immigreerden zo’n 79.000 Afrikanen naar Maleisië. Afrikaanse voetballers vinden zelfs hun weg naar het hooggelegen Nepal, waar ondertussen meer dan vijftig Afrikanen op verschillende niveaus spelen. Gelegen op het dak van de wereld, ingeklemd tussen China en India, is Nepal misschien wel de laatste plek waar je Afrikaanse spelers zou verwachten – zelfs de spelers zelf zijn verbaasd dat ze hier zijn beland. ‘Ik had nog nooit van Nepal gehoord,’ vertelt Adewumi Joshua Femi, uit Nigeria, ‘laat staan van Nepalees voetbal.’ Andere Afrikanen vertellen soortgelijke verhalen. De Ivoriaan Zikahi Leonce Dodoz, die bij JC Abidjan in de eerste divisie speelde, strandde in Nepal nadat hij was opgelicht door een voetbalmakelaar die hem een contract bij een club uit een grote Aziatische competitie had beloofd. Uiteindelijk wist hij zelf een plek af te dwingen bij Three Star Club. ‘Voor lokale begrippen krijgen Afrikaanse voetballers een goed salaris,’ zegt hij. ‘Het is een hele uitdaging voor ons, omdat wij Afrikanen beter betaald krijgen dan de Nepalezen,’ vult de Nigeriaanse verdediger Peter Segan hem aan, ‘dus we moeten onszelf iedere dag bewijzen.’ Voor Dodoz heeft de hele onderneming, na de eerste schok, gelukkig goed uitgepakt; hij woont inmiddels samen met zijn Nepalese vriendin en is bezig de taal te leren. Ook de andere Afrikaanse voetballers zijn te spreken over het land en loven de Nepalese gastvrijheid. Niet alle oversteken eindigen dus in een drama, hoewel alle Afrikaanse voetballers heel wat te verduren krijgen op hun riskante avontuur in Azië.

    Auteur: Jeremy Luedi
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Asia by Africa
    Canada | asiabyafrica.com

    Het blog Asia by Africa, in 2017 opgericht door freelancejournalist Jeremy Luedi, onderzoekt ‘de verbazingwekkende interactie tussen de twee grootste regio’s van de wereld’. Het platform publiceert artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen.

  • Kopie

    Kopie

    Van alle artikelen uit de wereldpers die wij in deze editie de moeite waard vonden om te laten vertalen, te duiden en opnieuw af te drukken, raakt dat van Byung-Chul Han het meest de kern van 360. Hij beschrijft hoe anders Aziaten denken over de uniciteit van het origineel, dat volgens hen niet per se interessanter is dan een kopie.

    Alleen wie er nadrukkelijk van uitgaat (lees, de westerling) dat een origineel onherhaalbaar, onschendbaar en uniek is, spreekt van een vervalsing. Terwijl Chinezen een vervalsing nog wel eens verkiezen boven wat wij ‘echt’ noemen en bijvoorbeeld kopieën naar buitenlandse musea sturen in de vaste overtuiging dat die net zo waardevol zijn als het origineel. Of waardevoller.

    Die zienswijze doet niet onder voor wat op andere continenten geldt, waar een replica van een kunstwerk nul en generlei waarde heeft. Een valse Rolex is vaak niet te onderscheiden van een exemplaar van het in 1905 geregistreerde oorspronkelijke merk – maar wel een stuk goedkoper.

    Voor het eerst in de architectuurgeschiedenis gebeurde het dat de kopie eerder klaar was dan het origineel

    In het geval van de Iraaks-Britse architecte Zaha Hadid maakten de copycats in China het nog bonter. Voor het eerst in de architectuurgeschiedenis gebeurde het dat de kopie van haar Wangjing SOHO-complex eerder klaar was dan het origineel, waarvan de bouw in Beijng toen pas begonnen was. Een Chinese bouwonderneming had de twee reusachtige asymmetrische torens van Hadid in recordtempo gekloond en zette een kopie neer in Chongqing. Filosofisch opwindend, zei de in 2016 overleden Hadid destijds tegen het Duitse weekblad Der Spiegel. Een rechtszaak zou ze hebben verloren omdat het niet om een exacte kopie ging en de tegenpartij zich daar succesvol achter zou hebben kunnen verschuilen in de knip- en plakcultuur die het web en de globalisering ook met zich mee hebben gebracht. Zij hield er ‘een ongemakkelijk gevoel’ aan over.

    In China zit niemand ermee. Daar bestaat geen minachting voor wat in het Westen zou worden afgedaan als fantasieloze namaak. Integendeel, een kundige vervalsing kan juist een bewijs van vakmanschap zijn. Kopiëren betekent in het Oosten minimaal hetzelfde niveau behalen, of hoger. Die verbetering mag dan technologisch superieur zijn en de discussie interessant, maar laten we wel wezen, zonder origineel ook geen kopie.

    U heeft het bewijs in handen.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Diane Airbus door Eleanor Macnair. – © Eleanor Macnair

  • Zuidoost-Azië zet een rem op het toerisme

    Zuidoost-Azië zet een rem op het toerisme

    Net als in Barcelona en Amsterdam kunnen ze op sommige plekken in Azië de toestroom van bezoekers niet meer aan. ‘De tijd dat belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht konden worden, is voorbij.’

    Toen Willem Niemeijer, directeur en oprichter van het in Bangkok gevestigde reisbureau YAANA Ventures, voor het eerst naar Angkor Wat in Siem Reap ging, had hij de plek, die op de UNESCO-lijst staat, voor zichzelf. Cambodja stond in 1992 onder interimgezag van de VN en het land bereidde zich voor op verkiezingen na tientallen jaren van burgeroorlog. Reizigers waren er dun gezaaid. Dat jaar trokken de ruïnes minder dan negentigduizend bezoekers. In 2017 kwamen er net iets meer dan twee miljoen, waardoor Angkor Wat met gemak de grootste toeristenattractie van Cambodja genoemd mag worden. ‘Toen waren het alleen ik en de VN,’ zei Niemeijer. ‘Nu kan een bezoek een onaangename ervaring zijn.’

    Zo onaangenaam dat APSARA, de instantie die toezicht houdt op Angkor Wat, heeft besloten om het aantal bezoekers te beperken dat op de tempel Phnom Bakheng de beroemde zonsondergang achter de ruïnes mag meemaken.

    In Thailand heeft het bestuur van de nationale parken en wildparken opdracht gegeven om Maya Bay op Phi Phi Island – beroemd geworden door de film The Beach uit 2000 met Leonardo DiCaprio – vanaf juni voor vier maanden te sluiten voor alle bezoekers.

    Het eerder deze maand genomen besluit van president Rodrigo Duterte van de Filipijnen om het vakantie-eiland Boracay voor een half jaar te sluiten vanwege de verslechtering van het milieu onderstreept een trend, al vinden velen de beslissing te drastisch. De tijd waarin belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht kunnen worden is voorbij, zeggen reisorganisatoren. Quota en sluitingen zullen toenemen omdat regionale besturen moeite hebben de aanwas van toeristen onder controle te houden.


    ‘De belangrijkste bestemmingen worden platgelopen,’ zei Niemeijer, die in de tijd dat hij Angkor Wat voor het eerst bezocht een bedrijf opzette om gefortuneerde reizigers weg te leiden van de drukke hotspots. ‘We zullen te maken krijgen met per dag en uur vastgestelde bezoekersaantallen en beperkte toegang tot de populaire plekken. Hopelijk leidt dat tot meer belangstelling voor de minder gewilde bestemmingen.’

    De Filipijnse autoriteiten op Borocay klagen dat sommige hotels illegaal gebruikmaken van lokale riolen en andere voorzieningen. Buitenlandse bezoekers zullen vanaf het einde van deze maand geweerd worden van het kleine eiland. Andere vakantieoorden die verdacht worden van soortgelijke overtredingen zullen onder de microscoop worden gelegd.

    Maar mensen die hun brood verdienen in de sector, werpen tegen dat de moeilijkheden veroorzaakt worden door slechte planning en niet door het massatoerisme, dat de regionale economie 120 miljard dollar heeft opgeleverd.

    De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten

    Thailand verwacht dit jaar, volgens voorspellingen van de regering, 38 miljoen bezoekers. Maar Frankrijk – een land met eenzelfde oppervlak en bevolking – had in 2016, volgens gegevens van de Wereldbank, bijna 83 miljoen bezoekers zonder dat dit een even grote druk op het milieu tot gevolg had.

    Het verschil ligt in de infrastructuur en overheidsbeleid, zoals belastingvoordelen voor bedrijven om minder bekende bestemmingen te ontwikkelen en steun om de druk op populaire plaatsen te verminderen, zei Matt Gebbie, de directeur Asia Pacific voor het toerisme-adviesbureau Horwath HTL Indonesia. ‘Het gaat om planning, planning, planning,’ aldus Gebbie. ‘Je ontwikkelt pas een duurzame toeristenindustrie als de privésector en de publieke sector met elkaar praten.’

    Maar bestemmingen in Zuidoost-Azië hebben te maken met unieke omstandigheden. Een explosie van goedkope vliegreizen en de toename van Chinese welgestelden die op vakantie willen, leggen weer nieuwe druk op lokale ecosystemen. In Bali kwamen vorig jaar 5,6 miljoen toeristen op bezoek; dit jaar wordt het aantal geschat op zeven miljoen, een stijging die vooral wordt veroorzaakt door de komst van Chinezen (vorig jaar goed voor 1,3 miljoen bezoekers).

    De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten, zei Utung Pratama, een activist van Walhi, het Indonesische Forum voor het Milieu. ‘Het gaat hard achteruit op Bali,’ zei hij. ‘De schuldigen zijn de projectontwikkelaars die geen oog hebben voor de invloed van het toerisme op het milieu.’

    Er zijn echter tekenen dat lokale toezichthouders de controle aanscherpen. Vorig jaar werd een generaal pardon afgekondigd voor illegale hotels in Phuket, Thailand. Zij mochten een vergunning aanvragen zonder dat ze een boete hoefden te betalen. Daardoor is het officiële aantal onderkomens dat belasting betaalt verdubbeld tot zeventienhonderd.

    Vorig jaar steeg het aantal bezoekers aan Phuket met elf procent tot meer dan 8,4 miljoen, doordat het aantal Chinezen met een vijfde toenam. Zo’n veertig Chinese steden hebben directe vluchten naar Phuket, terwijl dat vijf jaar geleden nog maar een handjevol was.

    Flaneren over het strand van Borocay, het kleine eiland in de Filipijnse provincie Aklan.
    Flaneren over het strand van Borocay, het kleine eiland in de Filipijnse provincie Aklan.

    Die aantallen zullen alleen maar toenemen, zei Jens Thraenhart, directeur van het Mekong Tourism Coordinating Office. Toekomstige reizigers in China staan te trappelen om erop uit te gaan nadat ze dat jarenlang was verboden. Vorig jaar reisden Chinezen 127 miljoen keer naar overzeese bestemmingen, volgens gegevens van de China National Tourism Association. ‘Er is een enorme vraag en een grote hoeveelheid reizigers,’ zei Thraenhart.

    Milieu- en erfgoedgroepen en toezichthouders maken zich misschien zorgen, maar op vele bestemmingen is dit juist goed nieuws. Na jaren van oorlog en gebrek zijn de inwoners van Laos en Cambodja blij dat de toeristendollars rollen, zei Christian Do Boer, algemeen manager van het Jaya House, een ecohotel in Siem Reap dat zich erop beroemd geen plastic te gebruiken. ‘Bijna elke toerist is een goede toerist,’ zei Do Boer. ‘We hebben het geld nodig.’

    Auteur: Jeffrey Hutton
    Vertaler: Tineke Hunhoff

    Openingsbeeld: Toeristen op de tempels van Angkor Wat in Cambodja, het grootste religieuze monument ter wereld.

    The Straits Times
    Singapore | dagblad | oplage 365.800

    De meest gelezen Engelstalige krant in Zuidoost-Azië. In die regio geniet het dagblad een invloedrijke status. Schurkt tegen de Singaporese overheid aan maar staat garant voor goede analyses.