Pakyi en Tamandua zijn de laatste twee bekende, geïsoleerd levende leden van het inheemse Piripkura-volk. De mannen vormen de kern van een groter vraagstuk waar Brazilië al jaren mee worstelt: wie heeft recht op het woud?
Kilometers lang is er alleen maar regenwoud. Dan stuiten de twee rijksagenten op een geïmproviseerde schuilplaats. Het vuur smeult nog na. Ze zien twee paar voetafdrukken, twee machetes en twee plekken voor hangmatten. ‘Hier was hij gewoon,’ zegt Jair Candor, een van de agenten. Het is juni en hij hurkt neer onder het bladerdak terwijl zijn collega foto’s maakt. Al vijfendertig jaar lang zoekt Candor naar een man die niet gevonden wil worden. Nu heeft hij hem op een haar na gemist.
Die man, Tamandua Piripkura, is al zijn hele leven op de vlucht. Niet voor autoriteiten of vijanden – hoewel veel mensen hem graag dood zouden zien –, maar voor de moderne tijd. Tamandua is een van de laatste drie bekende overlevenden van het Piripkura-volk, een aftakking van een grotere inheemse groep die hier ooit verspreid over een groot deel van het woud leefde. Zijn hele leven, vermoedelijk zo’n vijftig jaar, leefde hij geïsoleerd, diep in het Amazonewoud.
Hij deelde het isolement lange tijd met zijn oom Pakyi. Naakt en blootsvoets trokken ze door het woud met niet veel meer dan hun kapmessen en een zaklamp. De derde overlevende, een vrouw die Rita heet, verliet het gebied rond 1985 en trouwde met iemand van een andere stam.
Pakyi, die ouder en zwakker is, woont sinds kort vlak bij een Braziliaanse overheidsbasis, opgericht om de twee mannen in het woud te beschermen. Maar Tamandua is ervandoor gegaan – terwijl hij waarschijnlijk de enige hoop voor het voortbestaan van de Piripkura is.
De mannen vormen de kern van een groter vraagstuk waar Brazilië al jaren mee worstelt en dat gevolgen heeft voor de toekomst van het Amazonegebied en de inheemse bevolking die er al zo lang woont: wie heeft recht op het woud? De veeboeren en houthakkers die van de overheid rechten op het land hebben gekregen, of twee inheemse mannen wier voorouders hier al waren voordat Brazilië een regering had?
Milieuagenda
Toen Candor in 1989 Pakyi en Tamandua voor het eerst aantrof – in een boom, op zoek naar honing – koos Brazilië in feite de kant van de houthakkers. De volgende twee decennia deed de regering niets en konden houtkapbedrijven hun gang gaan in het woud.
In 2007 vond Candor de twee mannen terug. De linkse regering – beïnvloed door veranderende opvattingen over het behoud van de Amazone – huldigde toen andere standpunten. Bijna duizend vierkante kilometer bos, twee keer zo groot als Los Angeles, wees Brazilië aan als beschermd gebied, alleen voor Pakyi en Tamandua.
Die beschermingsmaatregel wekte woede op bij de mensen die dachten dat het land van hen was. Tientallen jaren eerder had de regering het grootste deel van het gebied voor een schijntje aan exploitanten verkocht. Het was destijds een poging om Brazilianen aan te moedigen het bos te ontginnen en de economie te laten groeien. De mensen die deze landrechten geërfd of gekocht hadden, vechten nu de beschermingsmaatregelen aan. Ze willen het land weer kunnen ontginnen en er vee weiden.
Die strijd wordt geleid door de Penço’s, een familie die de grootste kalksteenmijnen in de staat runt en bijna de helft bezit van het voor de Piripkura beschermde gebied. Pakyi en Tamandua hebben niet zoveel land nodig, beweren de Penço’s, en dat de regering hun rechten schendt, vinden ze een verhulde poging om de houtkap te stoppen.
‘Deze twee Indianen zijn slachtoffers. Ze worden misbruikt als middel om een milieuagenda door te drukken,’ zegt Francisco Penço, woordvoerder van de familie, tijdens een recent bezoek aan het woud in gezelschap van zijn advocaat. Hun nette schoenen zitten onder de modder.
Door toenemende druk in de afgelopen decennia zien regeringen zich gedwongen om inheems land te beschermen
Eeuwenlang werden inheemse volken gezien als obstakels voor de vooruitgang en overal ter wereld werden ze afgeslacht. Maar door toenemende druk in de afgelopen decennia zien regeringen zich gedwongen om inheems land te beschermen. In Brazilië zijn dergelijke reservaten een pijler geworden onder de pogingen om het Amazonegebied te behouden. Veertien procent van het land – ruwweg de grootte van Frankrijk en Spanje samen – is inmiddels inheems grondgebied.
Toch worden deze gebieden voortdurend bedreigd door indringers en sinds 2019 zijn er bijna achthonderd inheemse mensen vermoord. Na jaren van genocide en ontbossing zijn er van de meeste stammen nog maar enkele tientallen leden over. Maar volgens deskundigen is geen enkele bekende stam in Brazilië kleiner dan de Piripkura, en hun bescherming loopt nu gevaar.
Na vijftien jaar uitstel wil de regering begin volgend jaar het onderzoek afronden naar de vraag of de Piripkura aanspraak kunnen maken op een permanent reservaat of überhaupt op bescherming. De Penço’s en andere tegenstanders stellen dat het beschermde gebied aanzienlijk kleiner moet worden of helemaal moet verdwijnen. Pakyi woont nu al dicht bij de overheidsbasis, is hun argument. Voor voorstanders van de beschermingsmaatregelen is het daarom van cruciaal belang om te bewijzen dat Tamandua nog leeft.
Dus daarom rijdt Candor, drieënzestig en met een grijze baard, in zijn met modder besmeurde overheidstruck vijf uur door het regenwoud over een onverharde weg die de Penço’s hebben aangelegd om hout te winnen. Het is juni, en Candor is op weg naar de basis om Tamandua te zoeken. Hij heeft hem nu twee jaar niet meer gezien.
Hij is nog maar net gearriveerd op de basis, of er verschijnt een figuur bij de hordeur: een man van een meter tachtig, bedekt met de rode kleurstof van een vrucht uit het Amazonegebied. Het is Pakyi. Hij komt binnen en kijkt argwanend naar de nieuwkomers: twee overheidsagenten en twee journalisten. Maar al snel toont hij een brede glimlach, schudt hun handen en trekt aan hun baarden. Hij is kleren gaan dragen toen hij zag dat anderen dat ook deden. Zijn vuile shirt heeft hij achterstevoren en is bedrukt met een tekst: ‘Niemand van ons is beter dan wij allemaal samen.’
Met plezier vertelt hij over de jachtpartijen van vroeger, maar vragen over zijn familie en zijn neef negeert hij of weigert hij te beantwoorden. De volgende dag gaat hij op een boomstam zitten en begint te praten. Tamandua is in het bos, zegt hij via een tolk, en hij wil niet gevonden worden.
Vuur
Een van de laatste keren dat Tamandua werd gezien, was in 2017. Pakyi en hij kwamen naar de overheidsbasis met een eenvoudig verzoek: steek onze fakkel aan. Candor had hen voor het laatst vuur gegeven in 1998. Hij denkt dat ze sindsdien het vuur brandend hielden door met de fakkel het kampvuur aan te steken en omgekeerd. Als het regende, wikkelden ze de sintels in bananenbladeren.
Pakyi en Tamandua maken hangmatten van schors, jagen met vallen op miereneters en bouwen schuilplaatsen met de brede palmbladeren van de babaçuboom. Toch maken ze geen vuren meer, gebruiken ze geen pijlen meer en verbouwen ze geen cassave meer.
Minder dan een eeuw geleden leefden de Piripkura in een dorp met meer dan honderd mensen – het kunnen er meer zijn, denken antropologen – met dezelfde hulpmiddelen als hun buren: vuur, wapens, aardewerk, gewassen.
Hoe de Piripkura van een compleet dorp tot slechts drie mensen zijn vervallen is onduidelijk. Antropologen hebben de geschiedenis grotendeels samengesteld op basis van verhalen van de derde overlevende, Rita, die waarschijnlijk de zus is van Pakyi. Rita zegt dat haar familie haar heeft verteld dat alles veranderde toen de witten arriveerden.
In de jaren veertig deelde de regering goedkoop land uit in het Amazonegebied. ‘Meer rubber voor de overwinning!’ vermeldde een poster van de Braziliaanse regering uit 1943, waarop mannen werden opgeroepen om rubbertapper te worden om de geallieerden bij hun oorlogsinspanningen te helpen.
Kolonisten slachtten de inheemse bevolking af. De Braziliaanse regering heeft erkend dat tijdens de militaire dictatuur van het land tussen 1964 en 1985 tenminste 8300 inheemse mensen zijn vermoord.
Bij één bloedbad werd een dorp in Piripkura gedecimeerd, vertelden familieleden aan Rita, die in de zestig is. Mannen hakten lichamen in stukken, verminkten genitaliën en lieten slachtoffers gespietst achter op boomstammen, vertelde Rita aan overheidsfunctionarissen. Toen Rita en Pakyi nog kinderen waren, telde hun groep nog maar tien tot vijftien leden. Als een van de weinige vrouwen was Rita zeer begeerd. Ze kreeg twee kinderen van een man van een andere stam en toen hij stierf aan een infectie, vroegen Pakyi en haar vader haar ten huwelijk. ‘Ben je gek?’ zei ze in een interview. ‘Trouwen met mijn vader?’
‘Het enige wat hij vroeg was of we hem niet wilden doden’
Toen kwam het moment waarop de familie uit elkaar viel: Pakyi vermoordde de twee kinderen van Rita. Eerst vermoordde hij haar oudste zoon, die vier of vijf geweest moet zijn, omdat hij huilde, volgens Rita en een overheidsrapport uit 2012. Pakyi scalpeerde de jongen en begroef zijn lichaam, aldus het rapport. Later droeg hij Rita’s dochtertje het bos in en liet haar daar achter. Pakyi heeft er nooit over gesproken, zegt Candor, en de regering heeft de moorden nooit verder onderzocht.
Rita vluchtte en rende urenlang naar een veeboerderij met de naam Change Farm waarvan ze wist dat er witte mannen woonden. De boerderij is eigendom van de Penço’s. ‘Het verbaast me dat mensen zeggen dat veeboeren de Indianen willen doden,’ zegt Penço. ‘We hebben Rita beschermd toen ze moest ontsnappen.’
Bij Change Farm kwam er een einde aan het isolement van Rita. Van 1983 tot 1985 werkte ze op de ranch, waar ze kleren begon te dragen en Portugees leerde. Volgens het rapport van een antropoloog werd ze er ook mishandeld en geslagen met een bezem. In 1985 liep ze weg en kwam uiteindelijk terecht bij specialisten van de overheid die op zoek waren naar haar stam. Ze liet hun zien waar haar familie had gewoond, maar toen ze er aankwamen waren de huizen verlaten.
In 1989 sloot ze zich aan bij een nieuwe expeditie, dit keer met Candor. Op de tweede dag, na een bezoek aan het graf van de zoon van Rita, waadden ze borstdiep door een moeras naar een eiland.
Daar zagen ze Pakyi en Tamandua, die op zoek waren naar honing. Pakyi vluchtte weg. Tamandua bleef steken in de boom. ‘Hij begon te beven,’ zegt Candor. ‘En het enige wat hij vroeg was of we hem niet wilden doden.’
Uiteindelijk namen Pakyi en Tamandua Rita en Candor mee naar hun schuilplaats. De groep bracht twee weken samen door en Candor stelde Pakyi en Tamandua steeds weer dezelfde vraag: waar zijn de anderen? ‘Ze zeiden dat ze dood waren. Maar op een ander moment zeiden ze dat ze ergens daarbuiten waren,’ zegt Candor. ‘Maar ze zeiden nooit waar of waarom of wat er gebeurd was.’
Officieel had Candor een nieuw volk ontdekt – een ontdekking die normaal gesproken zou leiden tot bescherming door de overheid. Maar eind jaren negentig liet de regering de zaak grotendeels rusten.
In 2007 vroeg een andere inheemse stam aan de regering wat er met de Piripkura was gebeurd en Candor werd opnieuw op onderzoek gestuurd. Toen hij met Rita aankwam, was de plek veranderd.
‘Overal waren houthakkers,’ zegt Candor. ‘Overal hoorde je het gejank van kettingzaken en zag je omgevallen bomen.’ Na drie maanden zoeken stonden Candor en Rita op het punt het op te geven. Toen hoorden ze het tweetal in de verte praten. Pakyi en Tamandua waren inmiddels tien jaar ouder, maar nog steeds in leven en alleen in het bos.
Spelregels
Jarenlang haalde de familie Penço hout uit het gebied, waarvan een groot deel bestemd was voor vloeren in de Verenigde Staten. De beschermingsmaatregelen die in 2008 werden uitgevaardigd, maakten abrupt een einde aan die handel. De patriarch van de familie, Celso Penço, had tientallen jaren eerder goedkope stukken regenwoud gekocht van de overheid. Toen hij in 2016 stierf, liet hij bijna tweeduizend vierkante kilometer van het Amazonegebied na aan zeven erfgenamen – een gebied dat zeker half zo groot is als Long Island. Twee derde daarvan lag binnen het voor de Piripkura beschermde gebied.
De Penço’s beweren dat de grensmarkeringen van het gebied willekeurig en verouderd zijn, en gebaseerd op sporen van schuilplaatsen die tientallen jaren geleden zijn gevonden. In plaats daarvan zouden Pakyi en Tamandua hooguit zo’n vierhonderd vierkante kilometer moeten krijgen, zeggen ze, oftewel een zesde van het huidige beschermde gebied. ‘En niet omdat we geloven dat deze twee Indianen zoveel ruimte nodig hebben,’ aldus Rodrigo Quintana, een van de advocaten van de Penço’s.
Volgens Candor daarentegen hebben de Piripkura een sterkere claim op het land dan de Penço’s. ‘Als zij recht hebben op dit alles,’ zegt hij over de Penço’s, ‘waarom hebben de jongens die hier geboren en getogen zijn en die hier hun familieleden hebben zien sterven, dat dan niet?’
Francisco Penço, de zoon van Celso Penço, zegt dat de regering de ‘spelregels’ heeft veranderd nadat het land verdeeld was. Als de regering het land wil hebben voor de Piripkura, zal ze de landeigenaren moeten betalen. Volgens zijn berekeningen heeft zijn familie dan 45 tot 70 miljoen dollar tegoed. Penço betwijfelt het of de mannen echt geïsoleerd leven en wijst erop dat moderne medicijnen hen verschillende keren in leven hebben gehouden. In één geval, in 2018, droegen Candor en een collega Tamandua uit het bos omdat hij niet kon lopen. In het ziekenhuis ontdekten artsen een bloedprop in zijn hersenen.
Pakyi en Tamandua zagen decennia lang vrijwel alleen elkaar en geloven volgens antropologen dat moderne technologie afkomstig is van een godheid boven de wolken, en wordt opgehaald door witten in vliegtuigen. Maar nu zaten ze zelf op een commerciële vlucht naar São Paulo, de grootste stad van Latijns-Amerika, voor een hersenoperatie. Op het vliegveld hadden ze bijna in het openbaar geplast. In het vliegtuig greep Pakyi naar de borsten van een vrouw.
Ze bleven anderhalve maand in São Paulo en sliepen in hangmatten die het ziekenhuis voor hen had opgehangen. ‘Ze vroegen de hele tijd of ze weg mochten,’ zegt Cleiton Gabriel da Silva, de federale agent die hen begeleidde. ‘De stad was traumatiserend.’ Vooral voor Tamandua was de ervaring erg zwaar. ‘Snijden in zijn hoofd, hem steeds opnieuw injecteren en verdoven,’ aldus Da Silva. ‘Hij begreep niet dat dit allemaal nodig was om zijn leven te redden.’
Candor denkt niet dat Pakyi, met zijn leeftijd en temperament, nazaten zal krijgen. Maar voor Tamandua geldt dat misschien wel
Kort na hun terugkeer koos Pakyi ervoor in de buurt van de overheidsbasis te verblijven. Hij kookt vogeltjes die de agenten voor hem vangen en probeert te voetballen, waarbij hij vooral zijn handen gebruikt. Hij en Rita hebben nog steeds een moeizame relatie, maar hij slaapt elke nacht met een opgezette uil die ze hem heeft gegeven. Tamandua is nog steeds spoorloos.
Dat is de reden waarom Candor in juni samen met de twee journalisten terugging naar de basis. Daar vond hij de schuilplaats en de twee paar voetafdrukken op slechts dertig minuten lopen het bos in. Voor hem het bewijs dat Tamandua nog in leven is – een vondst die cruciaal kan blijken voor de bescherming. De oprichting van een Piripkura-reservaat zou dit deel van het bos kunnen redden, maar misschien niet de Piripkura zelf.
Enkele jaren geleden bracht Candor Pakyi en Tamandua naar het dorp van een andere inheemse groep die een vergelijkbare taal spreekt. Candor hoopte dat het bezoek hen zou inspireren. Antropologen zouden eventuele nakomelingen van de twee mannen als een nieuwe Piripkura-generatie beschouwen. Candor denkt niet dat Pakyi, met zijn leeftijd en temperament, nazaten zal krijgen. Maar voor Tamandua geldt dat misschien wel.
‘Als er een vonk overspringt tussen hem en een van de meisjes daar? Zeker,’ zegt Candor. Alleen bleken de vrouwen in het dorp meer geïnteresseerd in hun smartphone. ‘Ze zijn in de ban van de nieuwe technologie,’ zegt Candor, ‘en hebben geen interesse in het leven hier, zwervend door het bos.’
Wat Rita betreft is een groot deel van het regenwoud waar haar familie ooit leefde met de grond gelijk gemaakt, net als het heilige gebied waar haar volk, inclusief zijzelf, ooit is bevallen.
Of er nog een Piripkura geboren wordt, zegt ze, hangt af van één persoon: Tamandua.
‘We moeten hem vinden,’ zegt ze.