Tag: economie

  • Chinese banken hoeven minder reserve aan te houden om economie te stimuleren

    Chinese banken hoeven minder reserve aan te houden om economie te stimuleren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bibliotheek in Maine verzet zich tegen Amerikaanse cancel culture

    » Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand bij meisjes in India

    Chinese economie lijdt nog steeds onder pandemie

    De Chinese centrale bank kondigde vrijdag een langverwachte verlaging aan van de hoeveelheid liquide middelen die banken in reserve moeten houden, om ‘de vertragende economie te ondersteunen tegen de achtergrond van toenemende tegenwind’, schrijft South China Morning Post.

    De Chinese centrale bank zegt dat de maatregel bedoeld is om sectoren te helpen die getroffen zijn door de pandemie. De op een na grootste economie ter wereld staat voor steeds grotere uitdagingen nu een uitbraak van omikron meer dan zeventig steden in het hele land teistert, en lockdowns in commerciële en financiële hubs de economische activiteiten verstoren. Op 25 april zal dankzij de maatregel 530 miljard yuan (83,2 miljard dollar) aan langetermijnliquiditeit in het interbancaire systeem worden vrijgemaakt.

    Lees ook:

  • Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Waarom kost dezelfde appel in de ene winkel meer dan in de andere? Die vraag stelt de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price. Want de echte prijs van een product – inclusief externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij – ligt vrijwel altijd hoger dan de winkelprijs.

    Eind 2020 zette de charmante Amsterdamse supermarkt De Aanzet een bord op straat met de tekst: ‘Welkom in de eerste supermarkt ter wereld met echte prijzen’. Binnen bleken steeds twee prijzen vermeld te staan bij aardappelen, paprika’s, bananen, broccoli, brood en allerlei andere levensmiddelen. De ‘normale’ prijs voor tomaten was 3,75 euro per kilo, maar de ‘echte’ prijs bedroeg 3,97 euro. Het verschil van 22 cent stond voor de verborgen kosten van de teelt en het vervoer van de tomaten – dus de kosten van de CO2-uitstoot, onderbetaling van arbeiders en water- en grondverbruik.

    Die echte prijzen waren berekend door de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price, al in 2012 opgericht door Michel Scholte en Adrian de Groot Ruiz. Deze twee vrienden, de een kampioen in universitaire debatwedstrijden en de ander een voormalig universitair docent finance, werken samen met allerlei bedrijven – een chocoladeproducent, een bakkerijketen, banken en modemerken – om van uiteenlopende artikelen de werkelijke prijs te kunnen berekenen. De samenwerking met De Aanzet was hun meest publieke project tot nu toe. De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze. Ze kunnen de normale en de werkelijke prijzen nu met elkaar vergelijken: als het verschil tussen die twee bij de ene appel 5 cent en bij de andere 50 cent is, is die eerste appel dus afkomstig van een producent die milieubewuster en meer sociaal verantwoord bezig is. De klant kan er dan voor kiezen om voor zijn product de echte prijs te betalen, waarna De Aanzet dat extra geld doorsluist naar projecten die de kwalijke gevolgen van die stille kosten proberen tegen te gaan.

    Scholte en de Groot Ruiz leerden elkaar zo’n vijftien jaar geleden kennen bij een universitaire debatclub. Scholte studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit en werkte als schoonmaker in de businesslounge op Schiphol. De Groot Ruiz studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vonden elkaar in hun belangstelling voor gedragseconomie, statistiek en de onderliggende structurele oorzaken van armoede en milieuvervuiling. Als tiener had De Groot Ruiz, die ook liefhebbert in de natuurkunde, met twee vrienden eens een techniek bedacht om energie te winnen uit de golfslag op zee. Toen kreeg hij te horen dat investeerders daar geen interesse in hadden omdat de ‘businesscase’ voor de ontwikkeling ervan zo onzeker is. Dat vond hij volstrekt irrationeel. De ware kosten van fossiele brandstoffen – het instorten van ecosystemen, stijgende zeespiegel, extreem weer – zijn uitzonderlijk hoog maar blijven buiten de boeken, zodat die brandstoffen in vergelijking met alternatieven onrealistisch goedkoop lijken.

    ‘Externaliteiten’

    In hun studietijd sloten de twee zich al aan bij de Nederlandse denktank Worldconnectors. Daar praatten ze met gelijkgestemden over wat economen wel ‘externaliteiten’ noemen: de externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij, die niet worden meegenomen in prijsberekeningen. Mettertijd kwamen ze zo op het idee voor hun ‘echte prijzen’. Politici blijken vaak niet bereid bedrijven regelgeving op te leggen die streng genoeg is om de maatschappelijke en milieukosten fundamenteel te verlagen. Maar het is wel mogelijk de omvang van die kosten te schatten en die informatie direct in de prijzen te verwerken. Dus lanceerden Scholte en De Groot Ruiz in 2012 True Price, om bij te dragen aan de totstandkoming van duurzamere productieketens. De hoop is dat als bedrijven en consumenten zich minder illusies maken over de werkelijke kosten, dat zal leiden tot aanpassing van hun uitgavenpatroon en hun verkoop- en productiemethoden.

    Lage prijs is illusie

    Maarten Rijninks, de eigenaar van De Aanzet, hoorde voor het eerst over ‘echte prijzen’ op een lezing die Scholte in 2018 gaf. Hij beschouwt het nu als een manier om iets te doen aan een kwalijke situatie die zo wijdverbreid is dat we haar niet eens meer als vreemd ervaren. ‘Als je nu in een gewone supermarkt iets koopt, is dat altijd goedkoper dan hetzelfde product in mijn winkel, dat biologisch geteeld en duurder is,’ zegt Rijninks. Maar die lage prijs is een illusie: die is alleen mogelijk als je de ware kosten van de productie negeert. ‘Als je de echte prijzen berekent, zijn ook mijn producten goedkoper,’ zegt Rijninks. Sinds hij dit systeem hanteert, is de omzet van zijn winkel met een procent of vijf gestegen. Veel klanten zeggen het te waarderen. ‘Het probleem is dat klanten niet de middelen hebben om hun maatschappelijke en milieutechnische impact te verminderen,’ zegt hij. ‘Het is niet dat ze het niet willen.’

    Rijninks zegt tegen zijn klanten dat het systeem nog een experiment in uitvoering is. Een onontkoombaar probleem is misschien dat de gegevens van True Price niet perfect zijn. De analisten van de organisatie gaan soms uit van regionale gemiddelden, die de precieze productieomstandigheden van een specifiek artikel niet altijd goed weerspiegelen. En de herstelprojecten die De Aanzet heeft uitgekozen zijn niet altijd even doelgericht, zodat een klant die de echte prijs betaalt voor een banaan misschien meebetaalt aan een irrigatieproject van een spinazieboer. De komende jaren hoopt Rijninks met buitenlandse leveranciers gerichtere projecten op te zetten en ook meer producten in het systeem op te nemen dan alleen brood en verse groente en fruit. In de loop van dit jaar wordt het systeem ook nog op een andere manier uitgebreid: een vereniging van biologische winkels wil in al haar vestigingen in Nederland een pilot met echte prijzen gaan uitvoeren.

    De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze

    In De Aanzet kunnen de klanten de echte prijzen zien, maar bij andere bedrijven worden die voor interne analyse gebruikt. Tony’s Chocolonely vroeg Scholte en zijn mensen in 2013 om de ware kosten te berekenen van cacao uit Ghana en Ivoorkust. Ze hebben toen gekeken naar acht vormen van externe milieukosten en zes soorten maatschappelijke kosten, waaronder lucht-, bodem- en waterverontreiniging, klimaatverandering, onderbetaling en kinderarbeid. In West-Afrika, waar de meeste cacao in de wereld vandaan komt, zijn de arbeidsomstandigheden berucht: volgens een onderzoek van de universiteit van Chicago uit 2020 zijn in de cacaoproductie in Ghana en Ivoorkust anderhalf miljoen kinderen werkzaam. De grote merken beloven wel dat ze het probleem zullen oplossen, maar kinderarbeid blijft in deze sector een probleem.

    Tony’s Chocolonely

    True Price probeerde de kosten van al deze externe effecten te berekenen en kwam voor 2013 uit op een gemiddelde echte prijs voor cacao van 14,17 euro per kilo. Het grootste deel van die prijs, namelijk 12,07 euro, gaat op aan die externe kosten. Tony’s Chocolonely deed al erg zijn best om cacao van eerlijke producenten te krijgen, zodat zijn gemiddelde echte kosten een stuk lager waren: 7,93 euro, waarvan 5,99 euro de maatschappelijke kosten waren. Toen Tony’s het in 2017 opnieuw liet doorrekenen, was de echte prijs gedaald tot 4,52 euro, waarvan 2,93 voor externe kosten. En al zijn deze kosten slechts een beredeneerde gok – dus niet echt ‘echt’ – Tony’s Chocolonely kon ze goed gebruiken om doelstellingen te formuleren en de geboekte vooruitgang te meten.

    Tony’s spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens

    Tony’s betaalt hoger dan gemiddelde prijzen voor cacaobonen, stimuleert efficiëntere en duurzamere landbouwtechnieken, heeft een initiatief opgezet om de grondstoffen in de productieketen te kunnen volgen en een systeem opgetuigd om toe te zien op het voorkomen van kinderarbeid. Het bedrijf spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens. True Price stelde vast dat de boerencoöperaties die producten aan Tony’s Chocolonely leveren meer winst maken, veiliger zijn en zich minder vaak aan kinderarbeid schuldig maken dan de gemiddelde leverancier in de sector. Als het bedrijf op deze voet doorgaat, kunnen de verborgen kosten van de chocola van Tony’s in de komende jaren het nulpunt bereiken.

    Om een concreet cijfer te plakken op de kosten van kinderarbeid of bodemerosie moet je eerst een hele serie aannames doen. Ten eerste moet True Price natuurlijk beslissen welke kosten er moeten worden berekend. Daarbij gaan ze uit van kosten die verband houden met schendingen van mensenrechten zoals vastgelegd door de VN, in internationale verdragen of andere breed gedragen kaders. In deze op mensenrechten gebaseerde benadering is True Price compromisloos: zo verwerpen ze principieel de gedachte dat het scheppen van banen, aandeelhouderswaarde of het gemak van de consument het ‘waard’ kan zijn om mensenrechten te schenden – waaronder ook het recht op een gezonde natuurlijke leefomgeving. Bedrijven die grondstoffen betrekken uit gebieden waar sprake is van kinderarbeid kunnen hun echte prijzen voor True Price alleen verlagen door te zorgen dat er minder kinderen betrokken zijn bij hun productieproces. Ze kunnen die kinderarbeid niet wegstrepen tegen andere gunstige effecten en zeggen dat het nettoresultaat positief uitvalt.

    Andere onderzoekers voeren vergelijkbare berekeningen uit. Zo heeft een team in Italië berekend dat de verborgen kosten van een kilo rundvlees, inclusief de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens, zo’n 19 euro per kilo bedragen. Dat wil zeggen dat de verborgen kosten van de rundvleesconsumptie alleen al in Italië zo’n 36,6 miljard euro per jaar bedragen. En onderzoekers van de Britse Sustainable Food Trust hebben diezelfde kosten voor hun land berekend: zo’n 116 miljard per jaar. Volgens een rapport uit 2021 van The Rockefeller Foundation op basis van onderzoek door True Price en wetenschappers van de universiteiten Oxford, Harvard, Cornell en Tufts bedragen de ware kosten van het hele voedselsysteem van de VS, als de verborgen kosten voor maatschappij en milieu eenmaal worden meegerekend, minstens 3,2 biljoen dollar per jaar – bijna driemaal zoveel als de ‘normale’ uitgaven aan voedsel van het land, die 1,2 biljoen bedragen.

    Hervormingen

    Driemaal de huidige prijs voor voedsel betalen is geen houdbare strategie voor consumenten, bedrijven of overheden. Maar er zijn andere manieren om met behulp van echte prijzen tot hervormingen te komen. De afgelopen tien jaar heeft de federale Amerikaanse overheid gemiddeld 16 miljard dollar per jaar aan landbouwsubsidies uitgegeven, met name voor de productie van soja, maïs, rijst en graan. Als het terugdringen van de echte kosten een voorwaarde wordt voor die subsidies, zou dat een prikkel voor producenten zijn om aan een paar van de meest funeste landbouwpraktijken een eind te maken. Net als bij supermarkt De Aanzet zou transparantie over de echte prijs dan tot verandering kunnen aanzetten.

    Alleen al praten over prijzen kan zijn nut hebben. Een product heeft geen ‘echte’ prijs in de objectieve zin waarin een element een atomaire massa-eenheid heeft. Maar de vragen die echte prijzen opwerpen zijn ook weer niet hopeloos subjectief. De meeste mensen zijn voorstander van een verbod op artikelen die geproduceerd worden in gevaarlijke omstandigheden door slaven en jonge kinderen.

    Eerlijke prijzen zijn ook rechtvaardige prijzen

    De analyses van True Price en andere deskundigen sporen ons aan om die redenering ook toe te passen op andere zaken: lonen die een bestaansminimum garanderen, bescherming tegen intimidatie, veilige arbeidsomstandigheden, duurzame productietechnieken enzovoort. In dat opzicht zijn eerlijke prijzen ook rechtvaardige prijzen: ze weerspiegelen ons morele besef dat we de mensenrechten en de natuur geen geweld mogen aandoen om goedkope artikelen te kunnen produceren. Mettertijd zal beter onderzoek ons nog meer inzicht geven in de kosten van het herstel van een ecosysteem waarin het grondwater door meststoffen is vergiftigd, of van het aanbieden van onderwijs aan boerenfamilies op het Ghanese platteland. Wat we nu al weten, is dat het weglaten van die kosten uit de prijsberekening betekent dat consumenten, overheden en bedrijven onjuiste informatie over de wereld krijgen voorgeschoteld. Dat is een vorm van liegen – over de natuur, over de economie en over elkaar.

  • Hoe telewerken het platteland een impuls geeft – maar niet overal

    Hoe telewerken het platteland een impuls geeft – maar niet overal

    Wereldwijd is het aantal mensen dat van de grote steden naar het platteland trekt door de nieuwe mogelijkheden om op afstand te werken enorm toegenomen. Maar opvallend genoeg pakt die ontwikkeling in de VS heel anders uit dan in Europa.

    Weg van de metropolen, weg van de stedelijke stress en weg van de hoge kosten van levensonderhoud. Verhuizen naar een gemoedelijke kleine stad of naar een rustige uithoek op het platteland: wereldwijd zijn er honderdduizenden die tijdens de pandemie hebben kunnen ervaren hoe prettig werken op afstand kan zijn, en die bereid zijn om die situatie voort te zetten.

    Sinds de pandemie werk en plaats loskoppelde, schrijft BBC, is het nu mogelijk om in gebieden te gaan wonen waar in het verleden geen banen waren voor bepaalde professionals. Voor sommige secundaire steden en kleinere gemeenschappen biedt dit een kans om de braindrain te stoppen, de vergrijzing van de bevolking tegen te gaan en de stadskas te spekken.

    ‘Maar voor andere gemeenten heeft deze nieuwe trend de huizenmarkten verstoord, de prijzen voor de arbeidersklasse verhoogd en grote stadsproblemen naar kleine steden gebracht die er totaal onvoorbereid op waren,’ aldus BBC.

    Onbetaalbare steden

    Dat laatste scenario doet zich vooral voor in de Amerikaanse regio die Intermountain West wordt genoemd en waar zich drie staten bevinden die tussen 2020 en 2021 de hoogste groeipercentages zagen: Idaho, Utah en Montana. Oxford Economics noemde onlangs de stad Boise in Idaho de meest onbetaalbare stad voor Amerikaanse huiseigenaren, vanwege een instroom van nieuwe externe werknemers uit dure kuststeden zoals Seattle en San Francisco. De gemiddelde huizenprijs in deze stad met 235.000 inwoners is nu 534.950 dollar (477.000 euro). Dat is tien keer hoger dan het gemiddelde inkomen.

    Een soortgelijk onderzoek van de Amerikaanse Florida Atlantic University, laat zien dat drie steden in het naburige Utah – Ogden, Provo en Salt Lake City – nu tot de top tien van meest overgewaardeerde huizenmarkten van Amerika behoren. Danya Rumore, onderzoeker aan de Universiteit van Utah, woont in Salt Lake City. ‘Vroeger noemden we het Small Lake City’, zegt ze, ‘maar het begint echt veel meer op een grote stad te lijken, en de dynamiek van de gemeenschap begint aanzienlijk te veranderen.’

    In de ogen van nieuwkomers hebben deze steden veel voordelen. Ze liggen dicht bij enorme natuurparken en ze bieden allerlei mogelijkheden voor recreatie. De kwaliteit van leven is er over het algemeen zeer goed. Maar de telewerkende nieuwkomers verdienen aanzienlijk meer dan de oorspronkelijke bewoners en in veel buurten is dan ook sprake van sterke gentrificatie, met alle gevolgen van dien, zegt Danya Rumore.

    Nieuwkomers drukken op de gemeenschap doordat ze de prijzen opdrijven

    Ook andere grotestadsproblemen zoals dakloosheid en luchtvervuiling dienen zich aan, volgens Rumore, terwijl de oververhitte huizenmarkt – een probleem dat wordt verergerd door kortetermijnverhuur – het voor bedrijven in de dienstverlenende sector moeilijk maakt om personeel te behouden, aangezien werknemers de oplopende huren niet kunnen betalen.

    Volgens Rumore kan deze ontwikkeling op twee manieren uitpakken. In het meer idealistische scenario sluiten de nieuwkomers zich aan bij de gemeenschap, en profiteert uiteindelijk iedereen van hun rijkdom en middelen. In het scenario waar ze zich zorgen over maakt en dat haar waarschijnlijker lijkt, drukken de nieuwkomers op de gemeenschap doordat ze de prijzen opdrijven en doordat hun koopkracht mensen die verbonden zijn aan lokale bedrijven opzij duwt.

    Hoop voor plattelandsgebieden

    Ook in Europa ontstaan op sommige plekken dergelijke negatieve effecten van telewerkende nieuwkomers, maar over het algemeen prevaleren de voordelen, meent BBC. ‘Deze trend van migratie uit de grote steden is mogelijk problematisch in de VS, maar aan de andere kant van de Atlantische Oceaan ziet het er heel anders uit. Met een gemiddelde leeftijd van tweeënveertig jaar is Europa het oudste continent ter wereld. Decennialang hebben lage geboortecijfers en massale migratie naar stedelijke centra zoals Londen, Parijs en Madrid ervoor gezorgd dat kleine steden en secundaire steden krimpen. Voor velen van hen biedt de pandemie een sprankje hoop.’

    Zo heeft een land als Ierland deze kans als geen ander met beide handen aangegrepen. Sinds maart 2021 is er een nieuw beleid voor plattelandsontwikkeling, dat volgens de minister van Plattelandsontwikkeling, Heather Humphreys, ‘het meest ambitieuze en transformationele beleid voor het platteland van Ierland in decennia is’.

    Het plan van de Ierse regering omvat 2,7 miljard euro om supersnel breedband in het hele land uit te rollen. Het idee is om uitstervende pubs om te vormen tot hubs voor werkenden, waardoor leeglopende, zieltogende dorpen een nieuw leven krijgen. Het initiatief biedt ook miljoenen euro’s financiële steun aan regionale overheden om leegstaande panden te veranderen in een netwerk van meer dan vierhonderd telewerkfaciliteiten. Daarnaast komen er belastingvoordelen voor particulieren en bedrijven die thuiswerken ondersteunen.

    Japan

    Japan heeft voor een vergelijkbare aanpak gekozen. Mensen die willen telewerken buiten de regio Tokyo, waar 30 procent van de bevolking van het land geconcentreerd is, kunnen zo‘n 1 miljoen yen (7730 euro) krijgen als ondersteuning. Het revitalisatieplan voor het platteland omvat ook tot 3 miljoen yen (23.200 euro) voor degenen die een digitaal bedrijf op het platteland opzetten.

    Blijven telewerkers op de plek waar ze naartoe zijn verhuisd als de pandemie achter de rug is? Dat is in Japan en elders nog de vraag, onderstreept BBC. Marcus Andersson, hoofd van adviesbureau Future Place Leadership in Stockholm, vindt dat telewerkers geen geïsoleerde werknemers moeten blijven en bepleit duurzame revitalisering van kleine steden en plattelandsgebieden.

    ‘Wat deze plaatsen moeten doen, is ontmoetingsruimten en netwerken creëren waar mensen kunnen communiceren, van elkaar kunnen leren en samen kunnen groeien’, betoogt hij. ‘Ze moeten dus eigenlijk een beetje worden wat de grote steden waren voor mensen, voor bedrijven en voor innovatie.’

    Lees ook:

  • Duitsland investeert 200 miljard euro in ‘transformatie’ van de economie

    Duitsland investeert 200 miljard euro in ‘transformatie’ van de economie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Oekraïense coronapatiënten mijden schuilkelders

    » Ex-premier van Bulgarije gearresteerd voor corruptie met EU-gelden

    Grote investeringen moeten economie vergroenen

    Duitsland trekt 200 miljard euro uit ‘om de transformatie van de economie, de samenleving en de staat’ tussen nu en 2026 te financieren, aldus de minister van financiën Christian Lindner, vorige week. De miljarden zijn onder meer bedoeld voor het tegengaan van klimaatverandering, voor investeringen in waterstoftechnologie en uitbreiding van het oplaadnetwerk voor elektrische voertuigen, bericht Reuters.

    De investeringen zijn bekendgemaakt op een moment dat Duitsland zijn inspanningen intensiveert om minder afhankelijk te worden van Russisch gas door de infrastructuur voor de invoer van vloeibaar aardgas (LNG) op te voeren en mogelijk meer gebruik te maken van kolengestookte elektriciteitscentrales.

    Lees ook:

  • De strijd van een Britse voedseljournalist tegen onjuiste inflatiecijfers

    De strijd van een Britse voedseljournalist tegen onjuiste inflatiecijfers

    Jack Monroe, bekend van recepten en voedingsblogs voor mensen met een klein budget, heeft de strijd aangebonden tegen inflatie. Althans, tegen de onjuiste berichtgeving daarover. Want arme huishoudens worden veel harder getroffen dan algemeen wordt aangenomen, aldus de journalist.

    Het is de afgelopen dertig jaar nog niet eerder voorgekomen en het einde lijkt nog niet in zicht: afgelopen december bedroeg de inflatie in het Verenigd Koninkrijk 5,4 procent. De prijsstijgingen treffen veel essentiële sectoren in het hele land: onder meer energie, vastgoed en voeding. ‘De grens van 5 procent, die door de Bank of England pas voor april werd verwacht, werd zes maanden ervoor al overschreden’, schrijft The New Statesman, ‘en ook in de VS bedraagt de consumentenprijsinflatie al meer dan 7 procent, het hoogste niveau in meer dan veertig jaar’.

    Deze hoge percentages zijn schrikwekkend, maar ze geven volgens voedseljournalist Jack Monroe geen volledig beeld van het effect van de stijgende prijzen. De drieëndertigjarige journalist, die in Groot-Brittannië bekend werd met haar recepten voor de kleine portemonnee, werd begin januari wakker in haar woonplaats Southend, luisterend naar Radio Four. Het programma Today meldde dat de inflatie vorig jaar met 5,4 proecnt was gestegen. Voor Monroe klopte er iets niet. ‘Dat cijfer van 5,4 procent begon me echt te irriteren omdat het niet representatief is voor mijn ervaring en voor de ervaringen van miljoenen andere mensen’, zei Monroe tegen The Sunday Times, die met haar sprak nadat ze er een tweet over had gepost die vervolgens leidde tot duizenden views en tot nog veel meer.

    344 procent

    Volgens haar berekeningen tast de inflatie de portemonnee van kansarme gezinnen veel sterker aan dan van meer gefortuneerden, zeker aan de kassa van de supermarkt. ‘Door de kosten voor haar recepten te vergelijken en met bewaarde kassabonnen ter ondersteuning, had Jack Monroe een overzicht van de laagste prijzen en van producten met een goede prijs-kwaliteitverhouding van alle grote supermarkten sinds 2012’, aldus het Londense weekblad. ‘Een jaar geleden kostte 500 gram pasta in haar plaatselijke supermarkt 29 pence, vergeleken met 70 pence vandaag; een stijging van 141 procent. De laagste prijs voor boontjes steeg met 45 procent, de prijs voor rijst steeg 344 procent. In haar stad Southend (ten oosten van Londen) kostte de inhoud van een winkelmandje in 2012 10 pond (12 euro). Tien jaar later moest voor diezelfde inhoud 17,11 pond (20,54 euro) worden neergeteld. ‘En dat terwijl de lonen en uitkeringen niet voldoende zijn gestegen om dit te compenseren’, aldus de blogger.

    Jack Monroe was destijds werkloos en woonde alleen met haar tweejarige zoon. ‘Ze moest het voor elkaar boksen om met een kleine beurs te koken’, schrijft The Sunday Times, en zo kreeg het idee van ‘bezuinigingsrecepten’ vorm, evenals haar strijd tegen voedselonzekerheid waarmee veel mensen in Groot-Brittannië moeten leven.

    ‘De reden dat de rijken zo rijk zijn, is dat ze er in feite in slagen om minder uit te geven’

    ‘Jack Monroe heeft geen ongelijk’, erkent The Financial Times. Volgens de krant maken de uitgaven van de rijkste huishoudens een onevenredig groot deel uit van de totale uitgaven in het VK. ‘Daarom berust het inflatiecijfer sterk op hun koopgedrag.’ Tegelijkertijd, aldus de krant, ‘is het logisch dat de armste huishoudens, die een groter deel van hun inkomen besteden aan noodzakelijke zaken als voedsel of energie, het moeilijker hebben om de stijging van de voedselprijzen te kunnen behappen.’ De voor april geplande stijging van de gasprijzen zal die neerwaartse spiraal alleen nog maar aanwakkeren, verwacht de krant.

    Monroe verwoorde het in The Observer zelf als volgt: ‘Een verzameling van zevenhonderd vooraf gespecificeerde goederen, waaronder lamsbout, slaapkamermeubels, een televisie en champagne, lijkt een bot en duister komisch instrument om de impact van gestegen supermarktprijzen in kaart te brengen, in een land waar twee en een half miljoen burgers in wanhopige omstandigheden zich in het afgelopen jaar gedwongen zagen om zich tot voedselbanken te wenden.’

    De laarstheorie

    Met haar tweets en de artikelen die in de pers aan haar analyse werden gewijd, trok Monroe de aandacht van het Office for National Statistics (ONS), de instantie die verantwoordelijk is voor de publicatie van de inflatiecijfers. ‘Ze werd uitgenodigd voor een gesprek’, aldus The Financial Times, ‘en vervolgens heeft de ONS besloten om zijn methode voor het berekenen van de prijsontwikkeling van verschillende voedingsmiddelen te herzien, door te kijken naar veel meer factoren.’ Tegelijkertijd besloot Monroe een eigen index te lanceren, genaamd Vimes Boots Index, met als doel om ‘de verraderlijke prijsstijging van de meest elementaire basisbehoeften in de supermarkt’, zo goed mogelijk vast te leggen, schreef ze in The Observer.

    De naam Vimes Boots Index, die ze aan haar index gaf, is rechtstreeks geïnspireerd op de geschriften van de Brit Terry Pratchett, een van haar favoriete auteurs. In zijn boek Men at Arms, lanceert de hoofdpersoon, Sam Vimes, een analyse van sociaal-economische ongelijkheid aan de hand van het voorbeeld van laarzen. Die analyse gaat ervan uit ‘dat de rijken het zich kunnen veroorloven om dure, duurzame laarzen te kopen, en daardoor op de lange termijn geld besparen in vergelijking met goedkope laarzen die snel verslijten’ en die daarom dus regelmatig moeten worden vervangen. ‘De reden dat de rijken zo rijk zijn, volgens Vimes, is dat ze er in feite in slagen om minder uit te geven.’

    Die theorie is tot op zekere hoogte van toepassing op kant-en-klaarmaaltijden die in verschillende Britse supermarkten worden aangeboden. De prijzen daarvoor, onbetaalbaar voor de armste huishoudens, ‘zijn min of meer stabiel gebleven’, aldus Jack Monroe. ‘Als zo’n maaltijd van 10 pond in hetzelfde tempo was gestegen als de goedkoopste rijst, zou die nu 44 pond kosten’, rekende ze voor in The Sunday Times. ‘En ik denk dat we dan in dit land een revolutie zouden zien, of iets wat daarbij dicht in de buurt zou komen.’

    Lees ook:

  • Voor het eerst sinds 2008 kampt Zuid-Korea met een handelstekort

    Voor het eerst sinds 2008 kampt Zuid-Korea met een handelstekort

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Damien Hirst heeft diamanten schedel van 50 miljoen nog

    » Burgermeester van Ottowa vraagt Trudeau om hulp bij truckersprotest

    Import steeg door stijgende brandstofprijzen

    Als gevolg van stijgende prijzen van energie en grondstoffen, werd Zuid-Korea voor het eerst sinds de wereldwijde financiële crisis van 2008 getroffen door een handelstekort gedurende twee opeenvolgende maanden, schrijft The Korea Herald.

    Volgens het ministerie van Handel, Industrie en Energie nam de export van Azië’s vierde economie in februari op jaarbasis toe met 15,2 procent tot 55,3 miljard dollar, ruim 49 miljard euro, terwijl de invoer met 35,5 procent steeg tot 60,2 miljard dollar, hetgeen een handelstekort van 4,8 miljard dollar betekent. De invoerpiek ontstond door stijgende prijzen van fossiele brandstoffen. Korea importeerde voor 15,9 miljard dollar aan ruwe olie, gas en kolen, aanmerkelijk meer dan de 9 miljard een maand eerder.

    Lees ook:

  • Duitsland: Armin Laschet is bereid om plaats te maken | Herstel economie Italië

    Duitsland: Armin Laschet is bereid om plaats te maken | Herstel economie Italië

    Merkels kroonprins hint op aftreden

    Armin Laschet, die onder druk staat sinds de zware nederlaag van de Duitse conservatieven bij de laatste parlementsverkiezingen, is donderdag begonnen met zijn terugtrekking uit de CDU, terwijl de sociaaldemocraten, de Groenen en de liberalen besprekingen zijn begonnen om een coalitie van drie partijen te vormen.

    ‘Als Armin Laschet aankondigt dat hij iets te zeggen heeft, denkt iedereen aan zijn aftreden’, stelt Süddeutsche Zeitung ironisch vast. Op donderdag belegde de opvolger van Angela Merkel een onaangekondigde persconferentie. Het woord aftreden viel uiteindelijk niet, maar Laschet legde de basis voor zijn vertrek uit de CDU, binnen een jaar nadat hij aan de leiding is gekomen.

    ‘De leider van de conservatieven ging niet zo ver dat hij zijn ontslag aankondigde, na twee weken van kritiek over zijn verkiezingsdebacle, maar hij kondigde wel aan dat hij volgende week aan de partijleiding zou voorstellen om een congres te houden’, meldt El País.

    ‘Laschet is er nooit in geslaagd zijn stempel op de partij te drukken, noch zijn middelmatige populariteit te verbeteren’

    Het doel van dit congres, dat in december zou kunnen plaatsvinden, is ‘de reorganisatie van de CDU, van het voorzitterschap tot het federale uitvoerend comité’, om een einde te maken aan het ‘onophoudelijke debat’ over de leiding van de partij, aldus Laschet.

    Financial Times herinnert eraan dat de CDU-leider, die in januari jl. werd gekozen, ‘er nooit in is geslaagd zijn stempel op de partij te drukken, noch zijn middelmatige populariteit te verbeteren’. Hij heeft ook te lijden gehad onder de broederstrijd met Markus Söder, leider van de CSU – de Beierse zusterpartij van de CDU – die hoopte de conservatieve kandidaat te worden voor de parlementsverkiezingen, aldus de zakenkrant.

    Na het slechtste resultaat uit haar geschiedenis is de CDU duidelijk niet in een sterke positie om een regeringscoalitie te vormen. Maar zijn leider zei donderdag dat hij ‘nog steeds hoopt’ op een alliantie van drie partijen met de liberalen van de FDP en de Groenen, hoewel hij dan niet noodzakelijkerwijs kanselier zou worden – een verder bewijs dat hij klaar is om een stap terug te doen, aldus Deutsche Welle.

    ‘Het gaat niet zozeer om al dan niet Armin Laschet’, zei hij. ‘De vraag is waar dit land naartoe moet. En als sommige mensen tot andere oplossingen willen komen, is dat mogelijk’, voegde hij eraan toe. Met andere woorden, zo vatte Deutsche Welle samen, Laschet ‘zou bereid zijn zich terug te trekken, indien zijn positie de onderhandelingen in de weg zit’.

    Lees ook:


    Verenigd Koninkrijk krijgt nieuwe bankbiljetten

    Consumenten hebben nog tot 30 september 2022 om ongeveer 24 miljard pond, circa 27,7 miljard euro, aan papieren bankbiljetten van 20 en 50 Britse pond uit te geven, aangezien de Bank of England ze uit de omloop haalt. Ze worden vervangen door biljetten van polymeer, die veiliger zijn en langer meegaan, bericht Bloomberg.

    Lees ook:


    Herstel economie Italië

    Het bbp van Italië zal dit jaar met behulp van overheidsinterventies stijgen met 6 procent en in 2022 met 4,7 procent. Het begrotingstekort valt aanzienlijk lager uit dan verwacht, zo blijkt uit een rapport van Economische Zaken, dat is aangeboden aan premier Mario Draghi, bericht persbureau ANSA. Overheidsmaatregelen stimuleren de groei met een extra 0,5 procentpunt; zonder zou het bbp al met 4,2 procent stijgen.

    Daarmee herstelt de Italiaanse economie zich na een val van 8,9 procent in 2020 als gevolg van de pandemie. De verhouding tussen begrotingstekort en bbp komt door het herstel op 9,4 procent, een daling ten opzichte van de 11,8 procent waar in april nog van uit werd gegaan.

    Lees ook:

  • In Argentinië komt de crisis niet terug. Hij is nooit weggeweest

    In Argentinië komt de crisis niet terug. Hij is nooit weggeweest

    Of er een vloek op de Argentijnse economie rust, vraagt deze journalist zich af. Het land is al vijf keer van munt veranderd, lijdt onder torenhoge inflatie en is als gevolg van de mondiale crises de grootste debiteur van het Internationaal Monetair Fonds.

    In het rampjaar 2020 stortte de Argentijnse economie in. Uit officiële cijfers blijkt dat er sprake is van een krimp van 10 procent. Samen met die in Peru is dat de grootste van het hele Latijns-Amerikaanse continent – als we de Venezolaanse catastrofe buiten beschouwing laten.

    Toen de Argentijnse economie in 2002 in een vrije val terechtkwam, was de krimp maar een fractie groter, namelijk 10,9 procent. De inflatie is gigantisch (deze bedroeg de afgelopen twaalf maanden 38,5 procent en blijft toenemen), de peso wordt steeds minder waard en de reserves van de Centrale Bank bedragen nog geen 3 miljard dollar. Vier op de tien Argentijnen leeft in armoede. Op macro-economisch niveau is de situatie zeer alarmerend. 

    GettyImages 1228035184
    Vrijwilligers delen maaltijden uit in Buenos Aires. Door inflatie zijn de prijzen voor voedsel flink gestegen. – © Carol Smiljan / NurPhoto / Getty

    Maar Argentinië is gewend aan de cyclus van vallen en opstaan en aan een relatieve economische achteruitgang. Sinds 1921, nu precies een eeuw geleden, toen het een van de rijkste landen ter wereld was en het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking gelijk was aan dat van Frankrijk en Duitsland, kent het land een gemiddelde inflatie van 105 procent per jaar en moest het noodgedwongen vijf keer van munt veranderen: tot 1969 had je in Argentinië de peso moneda nacional, daarna kwam de peso ley (tot 1983), vervolgens kreeg je de peso argentino (tot 1985), die werd vervangen door de austral (tot 1991) en nu is de peso de Argentijnse munt. Sinds 1980 is Argentinië, als enige land ter wereld, tot vijf keer toe gestopt met het aflossen van zijn buitenlandse schuld. Er is geen land dat zo’n hoge schuld heeft bij het IMF, er moet 44 miljard dollar worden terugbetaald. 

    Uitstel van betaling

    Toen de peronist Alberto Fernández in december 2019 president werd stond het land er slecht voor. Weer kon Argentinië zijn schulden niet aflossen en het zat al drie jaar in een recessie. En toen, een paar weken later, was daar de pandemie. Minister van Economische Zaken Martín Guzmán moest op twee fronten tegelijk strijd leveren. Tijdens lange videovergaderingen met particuliere schuldeisers moest hij opnieuw onderhandelen over de af te lossen schulden. Hij sleepte er uitstel van betaling uit en wist de rente aanzienlijk te laten dalen. Dat gaf een beetje lucht. Nu probeert hij het IMF zover te krijgen dat ze ermee akkoord gaan om de terugbetaling van het geleende geld over een langere periode uit te smeren. 

    Op het andere front was het voor Guzmán nog ingewikkelder: hoe moest de overheid subsidie verlenen aan bedrijven en inwoners die vanwege corona hun activiteiten moesten stilleggen? Argentinië had immers geen toegang tot de kredietmarkten. De minister had geen andere keuze dan de geldpers te laten draaien.

    In 2020 heeft de Argentijnse Centrale Bank meer dan 1,2 biljoen peso bij laten drukken

    In 2020 heeft de Argentijnse Centrale Bank meer dan 1,2 biljoen peso bij laten drukken (het geld werd door drukkerijen in Brazilië en Spanje gedrukt omdat de Argentijnse geldpersen al 24 uur per dag draaiden), met het risico dat de inflatie toeneemt. En dat lijkt nu het geval te zijn. Afgelopen januari zijn de prijzen met 4 procent gestegen.  

    Desondanks blijft het land doordraaien. Een goed voorbeeld van die continuïteit, ondanks alle tegenslagen die Argentinië in het verleden en momenteel moet trotseren, is Galfione y Cia, een garenfabriek die door Hugo Galfione in 1947 is opgericht, toen Juan Domingo Perón president van Argentinië was. Hugo’s kleinzoon, Luciano Galfione, is nu directeur van het bedrijf. De familie Galfione heeft onvoorstelbaar moeilijke tijden het hoofd weten te bieden, zoals na 2001 de hyperinflatie en de periode van de ruilhandel. Luciano Galfione betaalt maandelijks honderdvijftig salarissen uit, staat aan het hoofd van drie fabrieken en overleeft dankzij de binnenlandse markt. 

    Een verklaring voor de moeizame duurzame groei en de enorme inflatiedruk moet gezocht worden in de binnenlandse markt: de Argentijnse economie staat tamelijk los van de internationale handel. Je hoeft alleen maar naar Chili te kijken – een land met 19 miljoen inwoners, Argentinië telt 44 miljoen – om een idee hiervan te krijgen.

    Chili exporteert voor ongeveer 70 miljard dollar en importeert voor ongeveer 59 miljard dollar. Argentinië daarentegen exporteert voor iets meer dan 60 miljard, vooral graan en vlees, en importeert voor ongeveer hetzelfde bedrag. Galfione grapt: ‘Moet je eens zien hoe rijk het land zou zijn als het zich niks van de Argentijnen aan zou trekken.’

    In 1984, toen Argentinië een van de meest akelige dictaturen de rug kon toekeren, kwam econoom en Nobelprijswinnaar Paul Samuelson met een soortgelijke gedachte, zonder grappig te willen zijn: ‘Argentinië is het klassieke voorbeeld van een economie waar de relatieve stagnatie niet het gevolg is van het klimaat, de rassenongelijkheid, de malthusiaanse armoede of de technologische achterstand. Het lijkt wel of de samenleving en niet de economie ziek is.’ 

    Vorige regering

    De peronistische regering van Alberto Fernández houdt de vorige regering van de liberaal Mauricio Macri (2015-2019) verantwoordelijk voor de huidige crisis. Het klopt dat de peso 40 procent van zijn waarde verloor en dat de gigantische lening van het IMF grotendeels is weggevlogen in wanhopige pogingen het begrotingstekort te dichten en in speculaties (een groot deel van de 44 miljard dollar die Argentinië kreeg is naar het buitenland gegaan of verdwenen in kluizen).

    Toen tijdens de voorverkiezingen in augustus 2019 duidelijk werd dat de peronisten een comeback zouden maken kelderden de beurzen en devalueerde de peso met nog eens 38 procent. Om te voorkomen dat de boel zou instorten werd deviezencontrole van kracht. Maar Macri had op zijn beurt ernstige problemen geërfd van zijn voorgangster Cristina Fernández de Kirchner, de huidige vicepresident. 

    ‘De ene crisis stapelt zich op de andere,’ zegt Diego Sánchez-Ancochea, docent Politieke Economie aan de universiteit van Oxford. ‘Argentinië komt maar niet uit de crisis: in de jaren tachtig werd de staatsschuld groter, in de jaren negentig probeerde men via privatiseringen de problemen op te lossen, en met de crisis van 2001 en 2002 via wisselkoersen. Er worden maatregelen getroffen maar de structurele problemen worden nooit opgelost. De crisis komt niet terug, nee, de crisis is nooit weggeweest.’ 

    De crisis van de peso is chronisch. Decennia van hoge inflatie en waardevermindering van de peso plus het corralitotrauma van 2001-2002 (de bevriezing van bankrekeningen, waardoor de Argentijnen bijna een jaar lang niet bij hun geld konden; toen de maatregel werd opgeheven bleken hun dollartegoeden getransformeerd te zijn in gedevalueerde peso’s) hebben ervoor gezorgd dat Argentinië een land is met twee munten. Zo worden de prijzen op de vastgoedmarkt uitgedrukt in dollars. 

    Men beschouwt de jaren tachtig vaak als het ‘verloren decennium’

    ‘De dollar is niet zomaar een variabele, maar een thermometer die aangeeft hoe het is gesteld met de economie en de politiek, en ook een instrument om geld te sparen,’ stelt Mariana Luzzi, die samen met Ariel Wilkis het boek El dólar, historia de una moneda argentina (‘De dollar, geschiedenis van een Argentijnse munt’) schreef. Argentinië zal nooit de hoeveelheid dollars kunnen genereren die het land nodig heeft, waardoor deviezencontrole  (particulieren mogen niet meer dan tweehonderd dollar per maand kopen) noodzakelijk is. Omdat er geen toerisme meer is, is het tekort aan dollarbiljetten nog nijpender geworden. De situatie is zo ernstig dat het verboden is om luxe auto’s en kostbare drank te importeren. 

    GettyImages 1227924848
    Bezorgers wachten op bestellingen in de hoofdstedelijke uitgaanswijk Abasto. – © Carol Smiljan / NurPhoto / Getty

    Spagaat

    Het lukt Argentinië maar niet om uit de spagaat te komen waar het sinds jaar en dag in gevangen zit. Enerzijds heb je de landbouwsector, de grote dollarmachine, met een uitstekende concurrentiepositie op de internationale markt en voorstander van vrijhandel. Anderzijds is er de industrie, die sinds het eerste bewind van Juan Perón (1946-1955) wordt gereguleerd door een bijna autarkisch protectionisme, dat is samen te vatten in wat de peronisten keer op keer herhalen: ‘Wij zorgen voor onszelf.’  

    Douglas Southgate, verbonden aan de Ohio State University en Latijns-Amerikadeskundige, poneert de volgende verklaring: ‘In Argentinië rust een uitzonderlijke vloek op de grondstoffen, die zijn oorsprong heeft in de agrarischesector. De landbouw, die een zeer gunstige internationale concurrentiepositie heeft, heeft relatief weinig werknemers nodig en de beste landbouwgrond is in handen van relatief weinig mensen. Hierdoor is deze sector een geliefd fiscaal doelwit voor politici die gekozen worden door mensen die in andere economische sectoren werken. De belasting van de Argentijnse landbouw heeft een chronisch slecht presterende nationale economie tot gevolg met frequente, ernstige crises.’ 

    In werkelijkheid is de landbouwsector direct of indirect goed voor meer dan twee miljoen arbeidsplaatsen. Dat is 14 procent van de werkende bevolking, terwijl de sector maar tien procent bijdraagt aan het bbp. De ware kracht van de landbouwsector – en de oorzaak van de conflicten die de sector heeft met het peronisme vanwege de belastingen en bronheffingen – zit hem in zijn sterke concurrentiepositie: van elke tien dollar die het land verdient aan zijn export, komt zeven dollar voor rekening van de landbouwsector. Zonder de landbouwexportindustrie zouden er nauwelijks deviezen het land binnenkomen. 

    Ondernemer Galfione heeft zijn eigen kijk op de zaak: ‘Mijn opa Hugo, de oprichter van ons bedrijf, had landbouwgrond in Santa Fe, Recreo, de duurste grond met de hoogste opbrengst, de sojagraanschuur van Argentinië. De man verkoopt in 1947 zijn landbouwgrond in Santa Fe en vertrekt naar Buenos Aires om een kousenfabriek op te zetten omdat volgens hem de industrie de toekomst is. Als ik hem nu zou spreken dan schoot ik hem overhoop. Maar alle gekheid op een stokje, hij had niet eens ongelijk, want elk ontwikkeld land heeft een krachtige industrie nodig.’ 

    Het probleem is dat Argentinië nooit een sterke industrie heeft gehad. 
    De overheid koos voor het model van importsubstitutie en begon halverwege de twintigste eeuw zelf allerlei soorten goederen te produceren zodat ze niet geïmporteerd hoefden te worden. Dit was het model dat destijds voor het hele continent werd aanbevolen door de Comisión Económica para América Latina y el Caribe (CEPAL) van de 
    Verenigde Naties om de economie te ontwikkelen en om de handelsbalans en de betalingsbalans in evenwicht te houden. De Argentijnse industriesector werd door de overheid beschermd en ontwikkelde zich zo verder totdat de dictatuur van 1976 brak met dit politieke beleid. ‘De militairen maakten een einde aan deze aanpak,’ aldus Luciano Galfione. 

    Het is goedkoper om een container naar China te verschepen dan een vrachtwagen uit Catamarca naar Buenos Aires te laten komen

    Toen in 1976 de wereld gebukt ging onder een oliecrisis steeg het bbp in Argentinië naar 51 miljard dollar, dat van Zuid-Korea naar 30 miljard dollar. Vandaag de dag is de Argentijnse economie goed voor iets meer dan 80 miljard dollar, die van Zuid-Korea (dat sinds een halve eeuw zijn industrialisering heeft opgevoerd dankzij werkomstandigheden die grenzen aan slavernij en het manipuleren van wisselkoersen) bedraagt nu 1,4 biljoen dollar en is een exportkanon. 

    Wat is er in Argentinië gebeurd? Ondernemer Galfione legt het uit. In 2016 probeerde hij een project op te zetten waarbij hij met behulp van nanotechnologie kristalgaren met een speciale structuur kon maken dat bestand was tegen hitte, insecten en bacteriën. Hij had subsidie nodig die de overheid in de periode van Macri hem niet verleende. ‘Mijn machines kunnen zich meten met alle andere op de wereld en ik produceer op wereldniveau. Maar de kosten nekken me. China of India verkopen hun producten onder de kostprijs van de grondstoffen. Ik ben goedkoper dan Italië of Spanje, maar zij laten hun producten nu in het Oosten maken.’

    Er zijn ook nog andere problemen zoals de energie- en transportkosten: ‘De logistieke kosten rijzen de pan uit. Het is goedkoper om een container naar China te verschepen dan een vrachtwagen uit Catamarca naar Buenos Aires te laten komen.’ Het resultaat is een wijdvertakte industrie die over het algemeen maar moeilijk kan concurreren met het buitenland. 

    Aangezien er geen concurrentie is met het buitenland omdat er nauwelijks wordt geïmporteerd – de invoerrechten zijn hoog – behoren de producten tot de middenmoot. De hoogwaardige technologie in bepaalde sectoren (genetische manipulatie, kernenergie, farmaceutische industrie) volstaat niet om dit patroon te doorbreken en dan is er ook nog een niet-aflatende braindrain naar het buitenland. 

    Fundamenteel probleem

    ‘Er is een fundamenteel probleem: een gebrek aan consistentie in de macro-economische politiek,’ constateert Néstor Castañeda, verbonden aan het University College in Londen en lid van het Institute of the Americas. ‘De productiestructuur is niet in balans en heeft externe financiering nodig. Alles hangt af van buitenlandse deviezen. Telkens als de wereldhandel krimpt of de buitenlandse investeringen afnemen, is er een gebrek aan reserves. Dit is niet op te lossen.

    Aan de ene kant komt Argentinië zijn financiële verplichtingen niet na, waardoor de toegang tot de grote markten wordt ingeperkt; aan de andere kant is er een gebrek aan coördinatie tussen het valutabeleid, het fiscale beleid en het monetaire beleid. Tien jaar lang is er groei, dan stort de boel in en is het weer terug bij af.’  

    In 2027 zal het welvaartsniveau van 2011 worden bereikt

    Men beschouwt de jaren tachtig vaak als het ‘verloren decennium’ van de Argentijnse economie. Er kwam een einde aan de dictatuur en met Raúl Alfonsín kwam de democratie maar ook de hyperinflatie. In 1989 stegen de prijzen met meer dan 3000 procent. In de garenfabriek maakte de vader van Luciano Galfione de balans op in kilo’s in plaats van in peso’s, want het was onmogelijk om de prijs van een product vast te stellen. Maar als je de macro-economische ontwikkelingen bekijkt, zijn er tientallen jaren verprutst, ook al werd er in de jaren negentig gemakkelijk geld verdiend toen onder president Carlos Menem de peso net zoveel waard was als de dollar. En ook al lukte het tijdens de gouden jaren van Néstor Kirchner (2003-2007) sterk te groeien met weinig inflatie dankzij de brute, door de vrije val van 2001-2002 opgelegde, bezuinigingen en dankzij de stijging van de sojaprijzen.  

    Econoom Martín Rapetti schat dat het bbp in Argentinië vandaag de dag nagenoeg gelijk is aan dat van 1974. Maar helaas is de ongelijkheid tussen rijk en arm veel groter. Bijna een halve eeuw vermorst. In een interview met dagblad Clarínschetst Rapetti een somber scenario: als je ervan uitgaat dat de Argentijnse economie in 2021 met 6 procent stijgt en jaarlijks gestaag doorgroeit met 4,5 procent, iets wat niet erg waarschijnlijk is, dan zal pas in 2027 het welvaartsniveau van 2011 worden bereikt.

  • Ananasrecepten als protest | Rusland straft Twitter door het te vertragen

    Ananasrecepten als protest | Rusland straft Twitter door het te vertragen

    Rusland ‘straft’ Twitter door het platform te vertragen

    Op woensdag 10 maart kondigde Moskou aan de uploadsnelheid van Twitter in het land te zullen verstoren. Deze maatregel heeft tot doel het sociale netwerk te straffen, omdat het verboden inhoud niet heeft verwijderd.

    Vorige week, zo meldt de Moscow Times, dreigde de Russische mediawaakhond het sociale netwerk met ‘zware boetes voor het niet verwijderen van drieduizend publicaties met informatie over zelfmoord, kinderpornografie en drugs sinds 2017’.  De mediawaakhond zet de dreigementen nu kracht bij door deze nogal bijzondere stap te zetten, volgens experts ‘een nieuwe methode om buitenlandse sociale media te onderdrukken’.

    Het artikel citeert Mikhail Klimarev, directeur van de Internet Protection Society, een organisatie die de vrijheid op internet verdedigt: ‘Vanuit overheidsperspectief is het logisch om druk uit te oefenen op Twitter. Er zijn relatief weinig gebruikers in Rusland, maar ze zijn hyperpolitiek.’ Desalniettemin voorspelt Klimarev dat het Kremlin daar niet zal stoppen en dat ‘Facebook en Google zullen volgen’.

    Lees ook:

    Ook The Guardian plaatst het initiatief in de huidige politieke context. ‘Vladimir Poetin was woedend over de rol die sociale netwerken speelden bij het verkrijgen van steun voor de tegenstander Aleksej Navalny’, aldus de Britse krant. ‘De Russische president heeft bij verschillende gelegenheden geklaagd over de Amerikaanse technologieplatforms.’

    ‘Het is moeilijk om deze verklaring serieus te nemen’

    Maar volgens Leonid Kovachich, lid van een Russische denktank, geïnterviewd door de Moscow Times, zou het Kremlin niet over de nodige middelen beschikken om deze strijd aan te gaan.

    ‘Rusland heeft niet de technologische middelen om sociale mediaplatforms effectief te blokkeren. Zelfs in China, waar de hele internetinfrastructuur is ontworpen om informatie buiten te houden, zijn ze er nog niet zo goed in. Daarom is het moeilijk om deze verklaring serieus te nemen.’


    Joe Biden behaalt zijn eerste grote wetgevende overwinning

    Het stimuleringspakket van 1,9 biljoen dollar, dat woensdag (10 maart) eindelijk door het Amerikaanse Congres is aangenomen, is ‘de meest vooruitstrevende wetgeving in de Amerikaanse geschiedenis’, aldus het Witte Huis. De meerderheid van de pers juicht een ‘historische’ overwinning voor Joe Biden toe, ondanks de unanieme oppositie van de Republikeinen. 

    ‘Deze wet zal de grootste impact hebben op de sociale en economische rechtvaardigheid sinds decennia, en werd aangenomen aan het begin van het presidentschap’ van Joe Biden, aldus politiek strateeg Bob Shrum in de Los Angeles Times. Hij noemt Biden een fundamenteel ‘transformatieve’ president.

    De Corriere della Sera trekt een parallel tussen Biden en een andere Amerikaanse president, die niet erg charismatisch was maar wel een indrukwekkend staat van dienst heeft op het gebied van sociaal beleid: Lyndon B. Johnson. De architect van de Great Society, merkt het Milanese dagblad op, ‘heeft in vijf jaar tijd meer hervormingen doorgevoerd dan al zijn opvolgers in de halve eeuw die volgde’.

    Voor The Guardian heeft Joe Biden ‘het tot zijn missie gemaakt om het vertrouwen in de staat te herstellen’ – dat werd sinds de jaren zestig, met name door Ronald Reagan, ernstig ondermijnd – met een stimuleringsplan voor ‘de grootste uitbreiding van de welvaartsstaat in decennia’.

    ‘Progressieve stoomwals’

    De belangrijkste maatregelen van het plan – een nieuwe cheque van $1400 voor de meeste Amerikanen, de uitbreiding van werkloosheidsuitkeringen van de tientallen miljarden dollars die zijn toegewezen aan de covid-19-vaccinatie en scholen – zijn bekend. Maar het Britse dagblad wijst erop dat de wet ook voorziet in ‘de grootste investering in de geschiedenis voor indianen’ (31 miljard dollar) en ‘de grootste voorziening voor zwarte boeren sinds een halve eeuw’ (5 miljard dollar). De krant noemt het plan de ‘erfenis van Roosevelt’ waardig.

    Zorgen

    Maar het conservatieve Wall Street Journal maakt zich zorgen. ‘Dit is slechts het begin van de progressieve stoomwals’, aldus de krant, die de wet ‘zelfs tijdens de Obama-jaren ondenkbaar’ noemt. Het zakenblad maakt zich zorgen omdat de Democratische Partij ‘verenigd is rond het meest linkse programma sinds decennia’, terwijl de Republikeinen ‘verdeeld zijn en intellectueel overhoop liggen’.

    Misschien willen Republikeinen ‘de economie doen instorten, denkend dat het hen zou kunnen helpen om de tussentijdse verkiezingen in 2022 te winnen’, zegt commentator Dean Obeidallah op de MSNBC-site. Of misschien willen ze ‘alleen beleid ondersteunen dat gunstig is voor hun rijkste donateurs?’

    ‘Eén ding is zeker: toen miljoenen Amerikanen hun hulp nodig hadden, zeiden ze “nee”. Ik hoop dat de kiezers in 2022 op dezelfde manier op hen zullen reageren.’


    Verbod op de import van ananas

    Taiwanese internetgebruikers delen massaal ananasgerechten en -recepten sinds China op 26 februari een verbod aankondigde op de import van ananas vanaf het zelfregerende eiland. Als reden werd opgegeven dat ze ongedierte bevatten.

    De Taiwanese regering bekritiseerde dit plotselinge besluit van Beijing als een ‘economische intimidatie’, vergelijkbaar met het verbod op Australische wijn vorig jaar.

    De Taiwanese Landbouwraad beweert dat vanaf oktober 2020 tot nu alle ananas die vanuit Taiwan naar China wordt geëxporteerd, de veiligheidscontroles heeft doorstaan.

    Taiwan exporteert ongeveer 10 procent (45.621 ton) van zijn productie van verse ananas, waarvan 95 procent naar China. Het verbod zou de ananasboeren ernstig schaden, vooral degenen die de hoogwaardige gouden diamantvariant plantten om te voorzien in de Chinese vastelandmarkt.

    #FreedomPineapple-campagne

    Als reactie op het verbod heeft de Taiwanese regering toegezegd 1 miljard Taiwanese dollar (ongeveer 30 miljoen euro) te investeren in subsidies.

    President Tsai Ing-wen drong er bij het publiek op aan lokale ananas te consumeren om boeren te ondersteunen, en het ministerie van Buitenlandse Zaken riep op tot een #FreedomPineapple-campagne op sociale media om Taiwanese ananas te promoten.

    Ananasrecepten

    Velen steunen de oproep door foto’s van ananasgerechten en de bijbehorende recepten te plaatsen. Een selectie:

    Barbecue-ananas met varkensvlees. Marineer buikspek in sojasaus, rijstwijn, suiker, gembersap. Rooster het op de barbecue met ananas, prei en rode paprika. Kook de saus die is gebruikt om het varkensvlees te marineren tot het dikker wordt.

    Meng de ingekookte saus met Griekse yoghurt, honing en een beetje mosterd. Varkensvlees geserveerd met ananas is fantastisch, helemaal met Taiwanees bier erbij!

    Ananastaart met gebrande suiker en rum. 1. Meng rum met suiker en boter en kook tot de suiker gesmolten is. 2. Leg de ananas en granaatappelpitjes in de taartvorm en giet de rum met suiker erop. Meng dan bloem, melk, ei, suiker, plantaardige olie en bakpoeder tot een crème. Smeer het mengsel in de vorm en bak 40 minuten onder de 170 graden Celsius. 3. Haal de taart eruit en giet nog wat rum met suiker eroverheen. Zoals mijn leraar zegt: ‘Een werkelijk heerlijk dessert veroorzaakt revolutie.’

    Gebakken rijst met ananas en garnalen. Snijd de garnalen horizontaal (dit maakt het gemakkelijker om de darmen eruit te halen en de garnalen krullen op natuurlijke wijze als ze gaar zijn) en bak de garnalen, kip, asperges en in blokjes gesneden rode paprika in de pan. Roerbak de rijst met eieren, doe dan alle andere gebakken ingrediënten en in blokjes gesneden verse ananas in de pan en roer alles door elkaar. Doe de gebakken rijst in een ananaskom en voeg wat cashewnoten toe. Het beste ananasgerecht wat er is.

  • Biden moet afrekenen met ‘America First’ in Latijns-Amerika

    Biden moet afrekenen met ‘America First’ in Latijns-Amerika

    Nu de regering van Joe Biden de erfenis van Donald Trump in Latijns-Amerika begint te ontmantelen, lijken landen in die regio voorzichtig optimistisch over de kans op constructievere banden met hun grote noorderbuur.

    Bidens snelle overschakeling op een humaner immigratiebeleid geeft een krachtig signaal af. De president belooft zijn beleid te baseren op nationale (in plaats van persoonlijke) belangen en waarden, met hernieuwde aandacht voor democratie, mensenrechten en corruptiebestrijding. Ook geeft hij grote prioriteit aan de strijd tegen klimaatverandering. 

    Nadruk moet liggen op handel, ontwikkelingshulp en zakelijke investeringen

    Maar de bittere realiteit waar Latijns-Amerika mee kampt, kan deze nieuwe regering nog danig dwarsbomen in haar doelen en ambities voor deze regio, die gebukt gaat onder geweld en grote ongelijkheid. Al sinds 2013 zit Latijns-Amerika in een neerwaartse spiraal die alle maatschappelijke en economische vooruitgang teniet heeft gedaan die in het decennium daarvoor was geboekt.

    Linkse zowel als rechtse regeringen laten het afweten: de middenklasse krimpt en extreme armoede en werkloosheid rijzen de pan uit, met sociale onrust en protesten tot gevolg. De politiek raakt steeds meer gepolariseerd en wordt conflictueuzer, en de tevredenheid over de democratie is in decennia niet zo laag geweest. De hele regio is inmiddels een vruchtbare voedingsbodem voor autoritair leiderschap.

    De coronapandemie legt de maatschappelijke problemen genadeloos bloot: de zwakte van de instituties, de diepgewortelde corruptie in politiek  en bedrijfsleven, en het systematische falen van gezondheidszorg, onderwijs en andere vormen van openbare dienstverlening. Volgens het IMF zal het bbp per hoofd van de bevolking in de economieën van Latijns-Amerika op zijn vroegst in 2025 weer op het niveau zijn van voor de pandemie.

    Veel economen voorspellen een verloren decennium dat vergelijkbaar met of nog erger zal zijn dan de schuldencrises van de jaren tachtig. En het is vooral zorgwekkend dat de regio nog nooit zo verdeeld is geweest en verstoken van eendrachtig leiderschap. Elk land kiest een andere koers en het gebrek aan onderlinge samenwerking is opvallend.

    AM ANP 52258006
    Kiezers wachten om hun stem uit te brengen in Caracas, Venezuela. Op de achtergrond een muurschildering van de overleden presidentHugo Chavez. – © AP Photo / Ariana Cubillos

    Biden zal zich in zijn beleid ten aanzien van Latijns-Amerika beperkt weten door de vele binnenlandse problemen die hij heeft geërfd en die veel aandacht, geld en politiek kapitaal gaan kosten. Europa en Azië zullen in zijn buitenlandbeleid meer prioriteit krijgen dan Latijns-Amerika. Hij aarzelde gelukkig niet om meteen duidelijk te maken dat het nieuwe Latijns-Amerika-beleid van de VS sterk zal verschillen van dat onder zijn voorganger. Het stopzetten van de bouw van de muur langs de grens met Mexico, veranderingen in de regelgeving rond asielaanvragen, de hereniging van gezinnen die op wrede wijze uit elkaar zijn gehaald en andere voorgestelde hervormingen van het immigratiebeleid zullen in de hele regio met gejuich zijn ontvangen. En de eerste tekenen van een nieuwe houding tegenover Venezuela en Cuba zijn eveneens bemoedigend.

    In het geval van Venezuela wordt pragmatische diplomatie verwacht, waarin de VS weer samen met de EU tot serieuze onderhandelingen probeert te komen. En ook met Cuba zal de VS waarschijnlijk meer betrekkingen aangaan, ongeveer zoals tijdens de dooi onder Obama in 2015. Een stoere opstelling in de vorm van dreigementen en harde sancties is tot nu toe contraproductief geweest, en vooral ook schadelijk voor gewone burgers.

    Bereidwillige partners

    Wel zal de regering-Biden het moeilijk krijgen met het vinden van bereidwillige partners voor de verdediging van de democratie in Latijns-Amerika. Sommige Latijns-Amerikaanse regeringen vonden het wel prettig dat Trump ze hun gang liet gaan op het gebied van democratie en mensenrechten. De afgelopen vier jaar bestond ‘samenwerking’ met de VS vooral uit tegemoetkoming aan de eisen van dat land, met name op het gebied van immigratie.

    Deze regeringen zullen zich nu op hun nationale soevereiniteit en de onwenselijkheid van inmenging in binnenlandse aangelegenheden beroepen als de regering van Biden openlijk stevige standpunten inneemt over bijvoorbeeld de militaire corruptie in Mexico, de ontbossing in Brazilië of het vermoorden van activisten in Colombia.

    Het moreel gezag van de Verenigde Staten als hoeder van de democratie heeft in de afgelopen vier jaar steeds meer deuken opgelopen, met als hoogtepunt de bestorming van het Capitool op 6 januari. Biden zal er nog een hele kluif aan krijgen om te laten zien dat Trump een uitzondering was en de VS een betrouwbare en geloofwaardige partner is als het gaat om mensenrechten en democratie. Hij zal ten aanzien van alle regeringen in de regio een consistente lijn moeten volgen, ongeacht of ze links of rechts zijn, en ook al tonen ze zich bereid de Verenigde Staten op andere punten tegemoet te komen. Een goede behandeling van immigranten en serieuze aandacht voor ongelijkheid en racisme binnen de Verenigde Staten zouden het aanzien van zijn regering op dit vlak versterken.

    Daarnaast moet Trump vooral niet worden nagevolgd in zijn pogingen om China te demoniseren en de groeiende Chinese invloed in Latijns-Amerika te beschrijven in bewoordingen die doen denken aan de Koude Oorlog. In plaats daarvan moet Biden zijn belofte nakomen om te zorgen dat zijn eigen land in deze regio effectiever kan concurreren. De nadruk moet liggen op een toename van de handel, ontwikkelingshulp en zakelijke investeringen in Latijns-Amerika.

    Biden zal er een kluif aan krijgen om te laten zien dat Trump een uitzondering was

    Bidens aandacht zal daarbij vooral uitgaan naar de zogenaamde Noordelijke Driehoek: Guatemala, Honduras en El Salvador, de voornaamste herkomstlanden van illegale immigranten in de VS. Als vicepresident stond hij al aan de wieg van de Alliance for Prosperity, een samenwerkingsverband met landen in de regio, en als president heeft hij nu een pakket van 4 miljard dollar voorgesteld om op het gebied van economie, veiligheid en bestuur de achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken. Een lovenswaardig idee, maar de welig tierende corruptie in veel van deze landen maakt de uitvoering van zo’n ambitieus plan erg moeilijk. 

    Gezien de uitdagingen waar de VS zich in zijn Latijns-Amerika-beleid voor gesteld ziet, zou Biden er verstandig aan doen te kiezen voor een klein aantal bescheiden en realistische doelstellingen. De nijpende binnenlandse problemen hebben voor zijn regering de hoogste prioriteit. Maar om duidelijk te maken dat zijn land niet langer een koers vaart van ‘America First’, is met name samenwerking in de bestrijding van de pandemie van cruciaal belang.

    Herstel economie

    De Verenigde Staten hebben zich weer aangesloten bij de Wereldgezondheidsorganisatie en bij Covax, een wereldwijd initiatief voor de levering van coronavaccins. Wat de regering-Biden nu ook zou moeten overwegen, is een serieus initiatief om de Latijns-Amerikaanse landen te helpen een eind te maken aan de pandemie en een begin te maken met het herstel van de economie en de sociale rechtvaardigheid.

    Een cruciale eerste stap zou bestaan uit financiële en logistieke hulp bij de inkoop van vaccins en de brede verspreiding daarvan onder de bevolking, en dan met name de kwetsbaarste groepen. Er is niets wat het vertrouwen in en de samenwerking met de Verenigde Staten zo zou opvijzelen als hulp op dit gebied. 

  • Een kommetje van een half miljoen | Roken in Milaan verboden

    Een kommetje van een half miljoen | Roken in Milaan verboden

    Groeiende Koreaanse online voedselmarkt

    Door de coronapandemie is de onlinemarkt voor voedselbezorging in Zuid-Korea vorig jaar met bijna 80 procent gegroeid ten opzichte van 2019, zo blijkt uit cijfers van Statistics Korea, die Korea Herald publiceerde. De Koreaanse onlinemarkt voor voedselbestellingen bedroeg in 2020 17,4 biljoen won, € 12,88 miljard, een stijging van 78,6 procent ten opzichte van het jaar daarvoor.


    Singapore klimt uit het dal

    DBS, de grootste bank van Singapore, deed onderzoek naar geanonimiseerde klantaccounts en uit dinsdag gepubliceerde resultaten blijkt dat de stadstaat langzaam uit de door corona veroorzaakte recessie komt, schrijft South China Morning Post. Vorig jaar daalde de Singaporese economie met 5,4 procent, de ergste recessie sinds het eiland onafhankelijk werd in 1965. 

    Uit het onderzoek van DBS blijkt dat in de tweede helft van vorig jaar sprake was van inkomensverbetering en van een opleving van consumptieve bestedingen, vergeleken met april en mei 2020, toen in Singapore een lockdown gold.

    In mei noteerde ongeveer een kwart van de 1,2 miljoen DBS-klanten op hun salarisrekening een loonsverlaging van meer dan 10 procent, maar in december gold dat nog slechts voor een vijfde. Volgens Irivin Seah, econoom bij DBS, bereikte de arbeidsmarkt in oktober vorig jaar een dieptepunt met een werkloosheidspercentage van 4,8 procent. In december verbeterde dat tot 4,4 procent. In diezelfde periode verbeterde de verhouding tussen vacatures en werklozen voor het eerst sinds het vierde kwartaal van 2018.


    Kommetje van een half miljoen

    Een blauw en wit kommetje van porselein dat voor slechts $35 werd gekocht op een rommelmarkt in het Amerikaanse Connecticut, gaat een fortuin opleveren. Het wordt over twee weken geveild door Sotheby’s New York. Geschatte opbrengst: tussen de $300.000 en $500.000.

    Het kommetje uit de Chinese Mingdynastie heeft een doorsnede van slechts 16 centimeter, stamt uit het vijftiende-eeuwse Yongle-tijdperk en is uiterst zeldzaam, aldus ArtNews. Er zijn wereldwijd slechts zes vergelijkbare stukken bekend en die bevinden zich allemaal in de collecties van musea als het Victoria & Albert Museum, het British Museum, het National Palace Museum in Taipei en het National Museum of Iran. 

    Regina Krahl, specialist in keramiek uit het Verre Oosten, noemt de kom in de veilingcatalogus ‘in alle opzichten een typisch Yongle-product, gemaakt voor het hof, met een opvallende, onovertroffen combinatie van schitterend materiaal en schilderkunst met een licht exotisch ontwerp, kenmerkend voor keizerlijk porselein uit deze periode’.


    AstraZeneca stapt uit Moderna

    Met een aandelenpakket van 7,7 procent was het Brits-Zweedse farmaceutische bedrijf AstraZeneca de op een na grootste investeerder in het Amerikaanse biotechbedrijf Moderna. Maar volgens de Britse krant The Times heeft AstraZeneca dat belang nu verkocht voor meer dan een miljard dollar. Volgens de krant zetten de twee bedrijven hun samenwerking op andere gebieden gewoon voort. 

    Aangenomen wordt dat AstraZeneca met de verkoop zijn financiële positie wil versterken vanwege zijn beoogde grootste acquisitie ooit

    De waarde van Moderna-aandelen is in korte tijd fors gestegen vanwege de doorbraak in de ontwikkeling van het vaccin tegen corona. In tegenstelling tot het coronavaccin dat AstraZeneca in samenwerking met de Universiteit van Oxford produceert, verkoopt Moderna zijn vaccin tijdens de pandemie met winstoogmerk en het bedrijf verwacht in 2021 een omzet van $18,4 miljard te behalen door de verkoop van het vaccin. 

    Aangenomen wordt dat AstraZeneca met de verkoop zijn financiële positie wil versterken vanwege zijn beoogde grootste acquisitie ooit: de overname van Alexion, gespecialiseerd in zeldzame ziekten, voor $39 miljard. 


    Britten kopen Grieks vastgoed

    Volgens een recente studie van het Britse Astons, dat adviseert over investeringen in combinatie met verblijfsvergunningen, is Griekenland het meest populaire land voor Britten met een vermogen van meer dan £1 miljoen, €1,16 miljoen, meldt Ekathimerini. Van deze vermogende investeerders zegt 79 procent niet te zijn getroffen door brexit. Voor 68 procent is verbetering van de levenskwaliteit de primaire motivatie om te investeren in buitenlands onroerend goed.

    Een Griekse verblijfsvergunning garandeert visumvrij reizen naar alle Schengenlanden

    De populariteit van Griekenland berust volgens Astons op verschillende factoren. Investeren in Griekse vastgoed is betaalbaarder en veelbelovender dan in het VK. Bovendien kan met een relatief lage minimuminvestering van zo’n €250.000 binnen twee maanden al een verblijfsvergunning voor Griekenland worden geregeld. Bijkomend post-brexitvoordeel voor Britten: een Griekse verblijfsvergunning garandeert visumvrij reizen naar alle Schengenlanden. 

    Spanje en Antigua en Barbuda staan met 11 procent van de stemmen tweede op de wensenlijst van investeerders, gevolgd door Ierland met 8 procent en Italië, Portugal, Malta en Zwitserland met 6 procent.


    Rookverbod in Milaan

    Roken in parken en op veel andere openbare plekken in Milaan is voortaan verboden, schrijft de Romeinse nieuwssite ANSA. Op grond van nieuwe normen voor de luchtkwaliteit die in november werden goedgekeurd, is het ook verboden te roken bij onder meer bushaltes, in stadions, andere sportfaciliteiten en op begraafplaatsen. Roken is op deze plekken overigens nog wel toegestaan als rokers zich op minstens 10 meter afstand bevinden van anderen. Op 1 januari 2025 zal het verbod worden uitgebreid naar alle openbare ruimtes. 

    Van de geïndustrialiseerde steden in Noord-Italië heeft Milaan het meest te lijden van slechte luchtkwaliteit. Daarom worden er ook regelmatig autovrije zondagen afgekondigd.


    Peru staat eenmalig euthanasie toe

    Het Hooggerechtshof van Peru verleent de 43-jarige Ana Estrada toestemming om haar leven te beëindigen en heeft medische autoriteiten opgedragen daartoe een protocol op te stellen, meldt MercoPress. Het Hof zegt dat degene die Estrada helpt te sterven, niet de wettelijke gevangenisstraf van drie jaar zal krijgen. Overigens geldt het besluit alleen in deze zaak.

    Estrada, psychologe en activiste voor een waardige dood, lijdt al meer dan dertig jaar aan een ongeneeslijke ziekte waardoor bijna al haar spieren zijn verlamd. Ze kon haar beroep uitoefenen tot vier jaar geleden, sindsdien dwong de ziekte haar het grootste deel van de dag in bed te blijven.

  • Hoe filantropie de superrijken ten goede komt

    Hoe filantropie de superrijken ten goede komt

    Er zijn meer filantropen dan ooit tevoren. Elk jaar geven ze tientallen miljarden aan goede doelen. Hoe komt het dan dat de ongelijkheid blijft toenemen?

    Filantropie, zo wordt algemeen aangenomen, houdt in dat geld van de rijken terechtkomt bij de armen. Dat is niet het geval. In de Verenigde Staten, volgens de statistieken het meest filantropische land, gaat amper een vijfde van het geld dat door grote gevers wordt gedoneerd naar de armen. Veel gaat naar kunst, sportteams en andere culturele bezigheden, en de helft komt ten goede aan onderwijs en gezondheidszorg. Op het eerste gezicht lijkt dat te passen in het populaire plaatje van ‘goede doelen’. Tot je een beetje begint te graven.

    In 2019 gingen de grootste donaties binnen het onderwijs naar de elite-universiteiten en -scholen waar de rijken zelf op hadden gezeten. In het VK gingen tussen 2007 en 2017 meer dan twee derde van alle miljonairdonaties – 4,79 miljard Britse pond (5,3 miljard euro)  – naar het hoger onderwijs, waarvan de helft naar slechts twee universiteiten: Oxford en Cambridge. Wanneer de rijken en de middenklasse aan scholen doneren, doen ze dat liever aan de scholen die door hun eigen kinderen worden bezocht dan aan die van minder bedeelden. Britse miljonairs gaven in het genoemde decennium 1,04 miljard pond uit aan kunst tegenover 222 miljoen pond aan armoedebestrijding.

    De algemene aanname dat filantropie automatisch leidt tot een herverdeling van geld is onjuist. Veel elitefilantropie betreft elitedoelen. De wereld wordt er niet beter van; de status quo wordt versterkt. Filantropie is heel vaak in het voordeel van de rijken – en er is niemand die filantropen daarvoor verantwoordelijk stelt.

    Uiting van macht

    De rol van particuliere filantropie is de afgelopen twee decennia dramatisch toegenomen. Bijna driekwart van de 260.000 filantropische stichtingen die wereldwijd in deze periode zijn opgericht, heeft samen meer dan 1,5 biljoen dollar (1,3 biljoen euro) in handen. De grootste gevers zitten in de VS, het VK komt op de tweede plaats. De omvang van de schenkingen is enorm. De Gates Foundation alleen al gaf in 2018 5 miljard pond weg – een bedrag dat in verreweg de meeste landen hoger is dan het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking.

    Filantropie is altijd een uiting van macht. Donaties hangen meestal af van de persoonlijke grillen van superrijke individuen. Soms vallen deze samen met de prioriteiten van de samenleving, maar soms ook zijn ze ermee in tegenspraak, of werken ze ondermijnend. Er rijzen ​​steeds meer vragen over de impact die deze megadonaties op samenlevingen hebben.

    De relatie tussen filantropie en democratie levert automatisch spanningen op. Ondanks de grote voordelen die moderne filantropie met zich mee kan brengen, kan de omvang van de donaties de uitgaven op gebieden als onderwijs en gezondheidszorg zodanig vertekenen dat de prioriteiten van democratisch gekozen regeringen en lokale autoriteiten worden gedwarsboomd.

    Een deel van deze invloed is indirect. De filantropie van Bill en Melinda Gates heeft de mensheid enorme voordelen opgeleverd. Toen de stichting haar eerste grote subsidie ​​voor malariaonderzoek deed, verdubbelde ze daarmee bijna het bedrag dat wereldwijd aan de ziekte werd uitgegeven. Hetzelfde geldt voor polio. Mede dankzij Gates (en anderen) zijn ongeveer 2,5 miljard kinderen ingeënt tegen deze ziekte en zijn er wereldwijd 99,9% minder gevallen van polio. Polio is zo goed als uitgeroeid. Filantropie heeft de mislukkingen van zowel de farmaceutische industrie als van regeringen over de hele wereld goedgemaakt. De Gates Foundation heeft er sinds haar oprichting in 2000 meer dan $45 miljard aan geschonken, en miljoenen levens gered.

    Niet langer de staat bepaalt wat goed is voor de mensen, de rijken beslissen dat

    Toch kan deze gang van zaken ook problematisch zijn. Zo kan Bill Gates zich focussen op het aanpakken van een probleem dat door de lokale bevolking niet als een prioriteit wordt gezien, bijvoorbeeld de aanpak van polio in een gebied waar de ziekte geen grote rol speelt. Iets dergelijks deed zich voor bij de donaties aan opleidingen in de VS, waar hij zich richtte op de grootte van de klas, waardoor minder geld werd uitgegeven aan de prioriteiten die lokale gemeenschappen zelf stelden.

    Andere filantropen grijpen bewuster in. Individuen als Charles Koch aan de rechterkant en George Soros op links slaagden erin het publieke beleid te veranderen. Alleen al in de VS wordt meer dan 10 miljard dollar per jaar besteed aan ideologische overtuiging.

    Het resultaat is wat de overleden Duitse miljardair, scheepsmagnaat en filantroop Peter Kramer ‘een verkeerde machtsoverdracht’ noemde, namelijk die van democratisch gekozen politici naar miljardairs, zodat ‘niet langer de staat bepaalt wat goed is voor de mensen, maar de rijken dat beslissen’. Het Global Policy Forum, een onafhankelijke beleidswaakhond die toezicht houdt op de algemene vergadering van de Verenigde Naties, heeft regeringen en internationale organisaties gewaarschuwd dat ze, voordat ze geld van rijke donoren aannemen, ‘de groeiende invloed van grote filantropische stichtingen, en vooral de Bill & Melinda Gates Foundation, moeten overwegen (…) en de bedoelde en onbedoelde risico’s en bijwerkingen van hun activiteiten analyseren’. Gekozen politici, zo waarschuwde de VN-waakhond in 2015, zouden vooral bezorgd moeten zijn over ‘de onvoorspelbare en ontoereikende financiering van publieke goederen, het gebrek aan controle- en verantwoordingsmechanismen en de heersende praktijk om bedrijfslogica toe te passen op de levering van publieke goederen’.

    Antidemocratisch

    Sommige soorten filantropie zijn misschien niet alleen ondemocratisch, maar zelfs antidemocratisch. Charles Koch en zijn overleden broer, David, zijn ongetwijfeld het meest prominente praktijkvoorbeeld van rechtse filantropie. Maar er zijn tal van anderen, vooral in de VS, die zich bezighouden met zaken die velen controversieel en zelfs weerzinwekkend vinden. Zo gebruikte Art Pope het fortuin dat hij met zijn discountwinkelketen vergaarde om aan te dringen op een aanscherping van de wet ter voorkoming van fraude bij verkiezingen, ook al is zulke fraude in de VS zo goed als verwaarloosbaar. Popes wens dat kiezers zich bij de verkiezingen legitimeren, zorgt er in de praktijk voor dat de 10 procent van de kiezers die geen identiteitsbewijs met foto hebben, buiten het kiesrecht vallen omdat ze te arm zijn om een ​​auto te bezitten en het onwaarschijnlijk is dat ze speciaal om te stemmen een rijbewijs of ander ID aanschaffen. Zulke kiezers – waarvan velen zwart zijn – zullen statistisch gezien waarschijnlijk niet stemmen op de aartsconservatieven die Art Pope aanhangt.

    Manipuleren dergelijke filantropische activiteiten het democratische proces meer dan de campagnes van miljardair-financier George Soros om een verantwoordelijke overheid en sociale hervormingen over de hele wereld te promoten? Of de steun van hedgefonds-miljardair Tom Steyer aan een beweging die jongeren aanmoedigt om zich uit te spreken over klimaatverandering? Of de aanvallen van internetmiljardair Craig Newmark op nepnieuws? Ieder van deze rijke individuen grijpt de eigen ervaring aan als motivatie. Aan de hand van welke maatstaf zouden we de ene ingreep legitiemer kunnen noemen dan andere?

    David Callahan, redacteur van de Inside Philanthropy-website, zegt het zo: ‘Als donateurs meningen hebben die we verafschuwen, hebben we de neiging ze te zien als valse beïnvloeders van het beleid. Maar als we hun doelen aanhangen, zien we ze vaak als heldhaftigen die bereid zijn zich te verzetten tegen machtsbelangen of achterlijke publieke meerderheden… Dit soort à la carte-reacties hebben weinig zin. De vraag zou eigenlijk moeten zijn of we denken dat het over het algemeen in orde is dat filantropen de macht hebben om hun eigen visie op een betere samenleving zo breed uit te dragen.’

    Het idee dat het geld van een filantroop zijn eigen geld is waarmee hij kan doen wat hij wil, zit diepgeworteld

    Het idee dat het geld van een filantroop zijn eigen geld is waarmee hij kan doen wat hij wil, zit diepgeworteld. Sommige filosofen beweren dat elk individu de volledige eigendomsrechten over zijn vermogen heeft – en dat de enige verantwoordelijkheid van een rijk persoon is om dat vermogen verstandig te gebruiken. John Rawls, een van de meest invloedrijke filosofen van de vorige eeuw, zag gerechtigheid als een kwestie van eerlijkheid. Hij voerde aan dat burgers hun morele verantwoordelijkheid nakomen wanneer ze een eerlijk deel van de belasting betalen waarmee regeringen voor de armen en kwetsbaren zorgen. Los daarvan zijn welgestelden vrij om over hun inkomen te beschikken.

    Zeggenschap

    Maar wat de rijken weggeven, is niet helemaal hun eigen geld. Door belastingvermindering worden de doelen die door rijke individuen worden gekozen mede gefinancierd met het geld van de belastingbetalende burger.

    De meeste westerse regeringen bieden genereuze fiscale prikkels om liefdadigheidsacties aan te moedigen. In Engeland en Wales betaalde in 2019 een persoon die tot 50.000 pond per jaar verdiende 20 procent daarvan aan inkomstenbelasting. Voor degenen die meer verdienden, werd alles tussen 50.000 en 150.000 pond belast tegen 40 procent, en alles boven 150.000 pond tegen 45 procent. Maar giften aan geregistreerde liefdadigheidsinstellingen zijn belastingvrij. Een gift van 100 pond zou de gewone belastingbetaler dus slechts 80 pond kosten, terwijl 20 pond door de overheid wordt betaald. De belastingbetaler met het hoogste tarief hoeft slechts 55 pond te betalen, terwijl de staat de overige 45 pond betaalt. [Ook in Nederlands zijn veel giften aan goede doelen fiscaal aftrekbaar.] Superrijke filantropen bevinden zich daardoor in een positie waarin een groot percentage van hun gift door de belastingbetaler wordt gefinancierd. Dat maakt de bewering dat het geld dat de rijken aan goede doelen weggeven helemaal van henzelf is, een stuk dubieuzer. En als belastingbetalers een deel van de gift bijdragen, waarom zouden ze dan geen zeggenschap hebben over de liefdadigheidsinstelling waar die naartoe gaat?

    In Groot-Brittannië werden de totale kosten voor de staat van de verschillende belastingvoordelen voor donoren in 2012 geschat op 3,64 miljard pond. Belastingvrijstellingen voor liefdadigheidsinstellingen bestaan ​​in het VK sinds de invoering van inkomstenbelasting in 1799, maar liefdadigheidsinstellingen zijn al sinds het elizabethaanse tijdperk grotendeels vrijgesteld van bepaalde belastingen. In feite is de Britse belastingvermindering nog steeds grotendeels beperkt tot de categorieën van liefdadigheid die zijn uiteengezet in de Charitable Uses Act van 1601: vermindering van armoede, bevordering van het onderwijs, bevordering van religie en ‘andere doeleinden die gunstig zijn voor de gemeenschap’. In de VS zijn er zelfs nog minder beperkingen om een van belasting vrijgestelde liefdadigheidsinstelling te worden, behalve de voorwaarde dat de instantie in kwestie zich niet met partijpolitiek inlaat.

    Beide landen stimuleren op die manier het doneren aan ​​liefdadigheidsinstellingen. De filantroop ontloopt niet alleen de belasting op de schenking, maar houdt bovendien controle over de besteding van het geld, binnen de beperkingen van de liefdadigheidswet. Het effect hiervan is vaak dat de rijken zeggenschap krijgen over zaken waar anders de staat over zou beslissen.

    Prioriteiten

    Maar de prioriteiten van de plutocratie, waarin de rijken de baas zijn, en de democratie, waarin het volk de baas is, zijn nogal verschillend. De persoonlijke keuzes van de rijken wijken flink af van de bestedingskeuzes van democratisch gekozen regeringen. Uit een groot onderzoek uit 2013 bleek dat de rijkste 1 procent van de Amerikanen aanzienlijk rechtser is dan het volk in het algemeen op het gebied van belastingen, economische regulering en vooral welzijnsprogramma’s voor armeren. Veel van de rijkste 0,1 procent – individuen met een vermogen van meer dan 40 miljoen dollar – willen bezuinigen op sociale zekerheid en gezondheidszorg. Ze zijn minder vaak voorstander van een minimumloon dan de rest van de bevolking. Ze zijn voorstander van verminderde overheidsregulering van grote bedrijven, farmaceutische bedrijven, Wall Street en de City of London.

    ‘Er is een gegronde reden om bezorgd te zijn over de impact op de democratie als deze individuen invloed uitoefenen via hun filantropie’, schreef Benjamin Page, leider van het onderzoek. De onevenredige invloed van de megarijken zou kunnen verklaren, zo concludeerde zijn team, waarom overheidsbeleid soms lijkt af te wijken van wat de meerderheid van de burgers wil dat de regering doet. De keuzes van filantropen versterken de sociale ongelijkheid eerder dan dat ze deze verkleinen.

    En daarom is er veel voor te zeggen om het geld dat door filantropen wordt geschonken als belastingen te innen en te besteden volgens de prioriteiten van een democratisch gekozen regering. En dat roept de vraag op of deze belastingvermindering überhaupt een goed idee is.

    De argumenten voor belastinghervorming – om deze subsidies volledig af te schaffen of ervoor te zorgen dat de rijken niet meer invloed hebben dan de basisbelastingbetalers – komen zowel van rechts als van links. Belastingvermindering verstoort marktwerking, betoogt een vooraanstaande libertair, Daniel Mitchell, van het Cato Institute, een denktank die wordt gefinancierd door de conservatieve filantroop Charles Koch. Aan de andere kant van het politieke spectrum betoogt Fran Quigley, een mensenrechtenadvocaat aan de Indiana University, dat er een einde moet komen aan de belastingaftrek voor liefdadigheidsinstellingen zodat miljarden dollars kunnen worden vrijgemaakt voor hogere overheidsuitgaven aan ‘voedselbonnen, werkloosheidsuitkeringen en hulp bij huisvesting’. Maar ze moeten ook eindigen omdat ze de moreel twijfelachtige illusie versterken dat liefdadigheid ‘een effectieve en adequate reactie is op honger, dakloosheid en ziekte’.

    Donaties aan universiteitsvoetbalteams, operagezelschappen en opvangcentra voor zeldzame vogels komen in aanmerking voor dezelfde belastingaftrek als donaties aan een daklozenopvang

    Pogingen van politici om belastingvermindering in te dammen – laat staan ​​af te schaffen – stuitten echter al op publieke weerstand sinds William Gladstones poging in 1863. Hetzelfde gebeurde toen de Britse regering in 2012 het probleem wilde aanpakken: het voorstel van kanselier George Osborne om het bedrag van de belastingvermindering die de rijken op hun giften kunnen claimen te beperken, veroorzaakte massale verontwaardiging van filantropen, media en liefdadigheidsinstellingen. Hetzelfde gold voor hervormingspogingen door president Barack Obama.

    Een alternatieve oplossing zou zijn om beperkingen op te leggen aan de soort uitgaven waarvoor vrijstellingen kunnen worden geclaimd. Bij de laatste verkiezingen kwam de Labour-partij onder leiding van Jeremy Corbyn met het idee om de liefdadigheidsstatus van betaalde scholen te schrappen. Anderen gaan verder. ‘Donaties aan universiteitsvoetbalteams, operagezelschappen en opvangcentra voor zeldzame vogels komen in aanmerking voor dezelfde belastingaftrek als donaties aan een daklozenopvang’, snijdt Quigley aan. Een van de meest genuanceerde hedendaagse verdedigers van filantropie, Rob Reich, directeur van het Center on Philanthropy and Civil Society aan de Stanford University, die filantropie beschreef als ‘een vorm van macht die grotendeels onverklaarbaar, ondoorzichtig en donorgericht is, waarbij deze laatste voor altijd beschermd is en rijkelijk fiscaal bevoordeeld’, ziet de oplossing in de beperking van belastingvermindering tot een hiërarchie van goedgekeurde doelen.

    Belastingen, belastingen, belastingen

    Maar wie bepaalt die hiërarchie? Hoe kan het schenken aan goede doelen systematisch beter worden afgestemd op aanvaarde opvattingen over het algemeen welzijn? Het kan natuurlijk aan de staat worden overgelaten. Maar zoals Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van Canterbury, me zei: ‘Dat geeft de staat een gevaarlijk grote mate van beschikking. De rol voor de staat als controleur van de moraal vind ik zeer zorgwekkend (…) en de gebeurtenissen van de afgelopen eeuw maken duidelijk dat een hyperactivistische staat met veel morele overtuigingen voor niemand goed is.’

    Anderen zien de oplossing in simpelweg het verhogen van de belastingen voor de megarijken. Toen historicus Rutger Bregman in 2019 in Davos werd gevraagd hoe de wereld kan voorkomen dat er een sociale terugslag ontstaat door de toenemende ongelijkheid, antwoordde hij: ‘Het antwoord is heel simpel. Stop gewoon met praten over filantropie. En begin over belastingen te praten (…) Belastingen, belastingen, belastingen. De rest is naar mijn mening onzin.’

    Het idee van hogere belastingen voor de rijken wint overal ter wereld aan aanhang. Tijdens de presidentsverkiezingen van de Democratische Partij hebben verschillende kandidaten voorstellen gedaan om belastingen te heffen op de activa of het inkomen van de superrijken. Het groeiende economische populisme in Europa en in de VS zal die druk nog eens vergroten, en dat geldt eveneens voor de noodzaak om de overheidsinkomsten te verhogen zodat de kosten van de coronacrisis kunnen worden gedekt.

    De groei van de filantropie de afgelopen decennia heeft de groei van de sociale en economische ongelijkheid niet kunnen beteugelen

    Een aantal prominente filantropen, waaronder Warren Buffett en Bill Gates, hebben zich publiekelijk achter het idee geschaard. ‘Ik heb meer belasting betaald dan wie dan ook ooit, en met plezier. Ik zou meer moeten betalen,’ zei Gates. Volgens Buffett is ‘de samenleving verantwoordelijk voor een zeer aanzienlijk percentage van wat ik heb verdiend’, zodat hij de plicht heeft die samenleving iets terug te geven. Een andere rijke ondernemer, Martin Rothenberg, oprichter van Syracuse Language Systems, legt uit hoe publieke investeringen leiden tot private fortuinen. ‘Mijn rijkdom is niet alleen een product van mijn eigen harde werk. Het was ook het resultaat van een sterke economie en veel overheidsinvesteringen, zowel in anderen als in mij,’ zei hij. De staat had hem een ​​goede opleiding geschonken. Er stonden gratis bibliotheken en musea tot zijn beschikking. De regering had hem een beurs voor afgestudeerden verstrekt. En tijdens het lesgeven aan de universiteit, werd hij ondersteund door tal van onderzoeksbeurzen. Dit alles vormde de basis waarop hij het bedrijf bouwde dat hem rijk maakte.

    Dit alles ondermijnt het argument dat de rijken het recht hebben hun rijkdom te behouden omdat het allemaal het resultaat is van hun eigen harde werk. Sommigen erkennen inderdaad openlijk het bestaan ​​van dit sociale contract. In 2019 droeg Julian Richer, oprichter van de hifi-keten Richer Sounds, in een partnerschapstrust 60 procent van het eigendom van zijn bedrijf van 9 miljoen pond over aan zijn werknemers. Op de vraag waarom hij deze beslissing nam, antwoordde hij dat het personeel gedurende vier decennia blijk had gegeven van loyaliteit. Hij deed nu ‘het goede’ omdat ‘ik er ’s nachts beter door slaap’.

    Monopolies

    De groei van de filantropie de afgelopen decennia heeft de groei van de sociale en economische ongelijkheid niet kunnen beteugelen. ‘We mogen verwachten dat de ongelijkheid enigszins zal afnemen naarmate de filantropie toeneemt (…) Dat is niet het geval’, schrijft Kevin Laskowski, een medewerker van het National Committee for Responsive Philanthropy. Inderdaad, zoals Albert Ruesga, president en CEO van de Greater New Orleans Foundation, opmerkte, ‘hebben de collectieve acties van meer dan 90.000 stichtingen (…) na decennia van werk (…) de meest elementaire omstandigheden van de armen in de VS niet veranderd.’

    Hoe komt dat? Het antwoord ligt in de zienswijze van de mannen die de moderne filantropie door de enorme schaal van hun giften aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw veranderden. Ondanks al hun vrijgevigheid was het opmerkelijk – zelfs in hun eigen tijd – dat staalmagnaat Andrew Carnegie en de grote industriële filantropen van die tijd de hele kwestie van economische rechtvaardigheid vermeden. Net als nu was een enorm percentage van de rijkdom destijds in handen van een klein aantal mensen dat vrijwel volledig gevrijwaard was van belastingen en andere reguleringen. Carnegie en zijn collega’s, zeggen hun critici, negeerden de grote ethische vraag, die ging om ‘de verdeling in plaats van de herverdeling van rijkdom’. Carnegie, destijds de rijkste man ter wereld, kreeg in zijn tijd kritiek op zijn ongekende vrijgevigheid omdat zijn fortuin was gebouwd op tactieken als het laaghouden van de lonen van zijn staalarbeiders. Carnegies grootste hedendaagse criticus, William Jewett Tucker, concludeerde dat er ‘geen grotere vergissing bestaat (…) dan te proberen gerechtigheid te vervangen door liefdadigheid’.

    Carnegie bouwde een netwerk van bijna drieduizend bibliotheken en andere instellingen om de armen te helpen hun ambities te verheffen, maar sociale rechtvaardigheid ontbrak volledig op zijn agenda. Hij en zijn mede-‘roofbaronfilantropen’ werden geconfronteerd met vragen over de herkomst van het geld dat ze zo royaal uitdeelden, dat namelijk was vergaard door middel van meedogenloze nieuwe manieren van zaken doen. Net als veel van de huidige tech-titanen werden ze rijk dankzij de jacht op monopolies. Het oordeel van Teddy Roosevelt over John D. Rockefeller was dat ‘geen enkele liefdadigheid, hoe groot het bedrag ook is, op enigerlei wijze het wangedrag tijdens het verwerven ervan kan compenseren’.

    Het witwassen van reputaties

    Dit is een inzicht dat in onze tijd opnieuw aan kracht heeft gewonnen – zoals werd aangetoond door de uitsluiting van de familie Sackler als vooraanstaande internationale kunstfilantropen in 2019 en de boycot van BP’s sponsoring door culturele leiders, waaronder de Royal Shakespeare Company. Roosevelts oordeel over het witwassen van reputatie door middel van filantropie vindt steeds meer weerklank.

    Filantropie kan ook op rechtmatige wijze geschieden. Maar alleen als filantropen zich daar bewust voor inspannen. En tot op vandaag helt de gangbare houding de andere kant op. Reinhold Niebuhr betoogt in zijn boek Moral Man and Immoral Society uit 1932 al hoe dit komt: ‘Filantropie combineert oprecht medelijden met het vertoon van macht [wat] verklaart dat de machtigen eerder geneigd zijn genereus te zijn dan om voor sociale gelijkheid te zorgen.’

    Hoe kunnen filantropen deze houding doorbreken? Door te luisteren naar de veelheid van stemmen die onderdeel zijn van de overheid en de vrije markt. Filantropie kan zelfs als een een voorbeeld fungeren, suggereerde de Amerikaanse filantropiehistoricus Benjamin Soskis onmiddellijk na de verkiezing van Donald Trump. ‘De fundamentele liberale waarden, tolerantie en respect voor anderen, fatsoen, naastenliefde en gematigdheid, zijn in ons openbare leven afgezwakt’, aldus Soskis. ‘Binnen de filantropie moeten die waarden worden bewaard, verdedigd en gekoesterd.’

    Een waar gevoel van altruïsme

    Filantropie kan alleen een waar gevoel van altruïsme teweegbrengen als onder ogen wordt gezien dat het de taken van overheid of het bedrijfsleven niet kan overnemen. Het verschijnsel behoort immers niet tot het politieke of commerciële domein, maar tot de burgermaatschappij en de wereld van sociale instellingen die bemiddelen tussen individuen, de markt en de staat. Ja, filantropie kan gekozen regeringen verzwakken, vooral in de derde wereld, door nationale systemen te omzeilen of te ondermijnen. En het kan doelen begunstigen die alleen de belangen van de rijken behartigen. Maar wanneer filantropen gemeenschapsorganisaties, ouder-lerarenverenigingen, coöperaties, geloofsgroepen, milieuactivisten of mensenrechtenactivisten steunen – of rechtstreeks schenken aan liefdadigheidsinstellingen die ongelijkheid aanpakken en zich inzetten voor achtergestelde groepen – kunnen ze de burgers helpen zich te weren tegen al te autoritaire regeringen. Onder die omstandigheden kan filantropie de democratie versterken in plaats van verzwakken.

    Om dit te doen, moeten filantropen scherper zijn in hun analyses en tactieken. Op dit moment richten de meeste filantropen, als ze zich al zorgen maken over achterstand, zich eerder op het verlichten van de symptomen dan op het aanpakken van de oorzaken. Ze financieren projecten om honger tegen te gaan, banen te creëren, huizen te bouwen en diensten te verbeteren. Maar al dat goede werk kan weer worden weggevaagd door bezuinigingen op overheidsuitgaven, roofkredieten en de uitbuiting van arbeidskrachten.

    Maar heel weinig bezorgde filantropen komen op het idee om onderzoek of belangenbehartiging te financieren waarbij het gaat om de oorzaak dat veel scholen arm zijn en veel banen zo slecht betaald

    En er is een dieper probleem. Als het gaat om het aanpakken van ongelijkheid, kan een goedbedoelende filantroop onderwijsbeurzen financieren voor kinderen uit kansarme milieus, of opleidingsprogramma’s om laagbetaalde werknemers klaar te stomen voor betere banen. Dat stelt een paar mensen in staat om uit hun slechte omstandigheden te komen, terwijl talloze anderen aangewezen blijven op onderpresterende scholen en laagbetaald onzeker werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Maar heel weinig bezorgde filantropen komen op het idee om onderzoek of belangenbehartiging te financieren waarbij het gaat om de oorzaak dat veel scholen arm zijn, en veel banen zo slecht betaald. Zo’n benadering, zegt David Callahan van Inside Philanthropy, is als ‘jonge boompjes verzorgen terwijl het bos wordt gekapt’.

    Conservatieve filantropen hebben de afgelopen twee decennia op een heel ander niveau geopereerd. Hun agenda was om het publieke debat te veranderen zodat het meer aansloot bij hun neoliberale wereldbeeld, dat zich verzet tegen de regulering van de financiën, verbeteringen van het minimumloon, controles op vervuilende industrieën en de totstandbrenging van universele gezondheidszorg. Ze financieren academici die klimaatverandering ontkennen, steunen denktanks voor de vrije markt, sluiten allianties met conservatieve religieuze groeperingen, creëren populistische tv- en radiostations en zetten ‘bedrijfsinstituten’ op binnen universiteiten, waardoor zij, en niet de universiteiten, de academici kunnen selecteren.

    Onderzoek door Callahan laat zien dat progressief ingestelde filantropen zich veel minder dan hun conservatieve tegenhangers hebben ingezet om ideeën te cultiveren en belangrijke openbare beleidsdebatten te beïnvloeden.

    Slechts een paar vooraanstaande filantropische stichtingen – zoals Ford, Kellogg en George Soros’ Open Society Foundations – geven subsidies aan groepen die armen en kansarmen mondiger maken. De meeste filantropen vinden deze bewegingen te politiek. De nieuwe generatie grote gevers komt overwegend uit de ondernemerswereld en is niet geneigd om groepen te steunen die zich verzetten tegen de werking van het kapitalisme. Ze zijn terughoudend in het steunen van initiatieven die meer macht willen geven aan de achtergestelde groepen die ze beweren zo graag te willen helpen. Ze hebben niet de neiging om initiatieven te financieren die het belasting- en fiscaal beleid, dat ten gunste van de rijken is, willen aanpakken of het regelgevend toezicht op de financiële sector versterken, dan wel de bedrijfscultuur veranderen om het delen van de opbrengst te bevorderen. Ze denken zelden aan investeringen in de media of in juridische en academische netwerken van belangrijke opinievormers, die onder andere de invloed van conservatieve filantropie willen herzien.

    Inspanning

    Rechtse filantropen zien al meer dan twintig jaar de noodzaak om zich te mengen in maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Het wordt tijd dat mainstream filantropen zich bewust worden van deze realiteit. Filantropie is niet per definitie in botsing met democratie, maar het kost de nodige inspanning om ze met elkaar te verenigen.

    Dit is een bewerkt fragment uit Filantropie – van Aristoteles tot Zuckerberg door Paul Vallely, gepubliceerd door Bloomsbury op 17 september en beschikbaar op guardianbookshop.com

  • Een nieuwe kijk op de Libanese landbouw

    Een nieuwe kijk op de Libanese landbouw

    Libanon heeft veel geïnvesteerd in de landbouw om de bevolking in voedsel te voorzien. Het aantal inwoners is flink toegenomen door de zo’n 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen die het heeft opgevangen. Vooral plaatselijke injecties in kassen en de teelt van groenten en aardappelen hebben gezorgd voor meer inkomsten en werkgelegenheid.

    Op een moment dat de corrupte en incompetente politieke elite de financiële en bancaire sector van Libanon heeft doen instorten, waardoor het land failliet is en een groot deel van de bevolking verstoken is van voedsel en de meest basale voorzieningen, heeft onderzoek naar een duurzaam economisch model de hoogste prioriteit. En een nieuwe kijk op de Libanese landbouw is daarbij van wezenlijk belang.

    Al bijna een decennium lang heeft Libanon de grootste moeite om de voedselzekerheid van zijn bevolking te waarborgen, het gevolg van twee opeenvolgende crises, die overigens verschillende implicaties hebben gehad. Om te beginnen is de vraag naar voedingsmiddelen sterk toegenomen door de crisis in Syrië, die in 2011 begon en inmiddels voor een toestroom van anderhalf miljoen vluchtelingen heeft gezorgd. Maar deze extra druk op de voedselvoorziening heeft ook een positief gevolg gehad: om aan de toenemende vraag naar voedsel te voldoen, hebben de Libanezen steeds meer in de landbouw geïnvesteerd, met name in kassen en de teelt van groenten en aardappelen. Deze plaatselijke investeringen hebben voor nieuwe inkomsten gezorgd en de Syrische vluchtelingen aan werk geholpen. Ondanks een gebrek aan planning en politieke visie (een constante sinds het eind van de burgeroorlog) heeft de Libanese landbouwsector een antwoord weten te vinden op de problemen op het gebied van voedselzekerheid, voor een zekere mate van sociale stabiliteit gezorgd en het platteland veerkracht gegeven.

    Mogelijke instorting

    De voedselveiligheid van de Libanezen en de Syrische vluchtelingen wordt onmiskenbaar bedreigd door de financiële crisis en de val van het Libanese pond, vorig jaar. Tussen oktober 2019 en oktober 2020 is de consumentenprijsindex met 140 procent gestegen, terwijl de prijzen van voedingsmiddelen met een factor vier zijn vermenigvuldigd. Toch heeft een onderzoek dat we afgelopen september deden bij een grote supermarktketen ons geleerd dat ondanks deze prijsstijging de consumptie van versproducten zoals aardappels, tomaten en komkommers stabiel is gebleven ten opzichte van 2018 en 2019, in tegenstelling tot de consumptie van verwerkte producten. Maar daar blijkt alleen uit in hoeverre de stedelijke middenklasse de crisis financieel het hoofd weet te bieden, in een land waar volgens een schatting van de Wereldbank respectievelijk 45 procent en 22 procent van de huishoudens arm en extreem arm is. Bijna een kwart van die extreem arme Libanese huishoudens slaat een maaltijd per dag over.

    In Libanon wordt veel gebruikgemaakt van vluchtelingen als goedkope arbeidskrachten. Door de leiding van de vluchtelingenkampen worden ze gekoppeld aan lokale boeren. De omstandigheden zijn zwaar, de arbeiders verdienen maximaal 8 dollar per dag en maken dagen van 15 uur
    Syrische vluchtelingen rooien aardappelen op een Libanese boerderij. In Libanon wordt veel gebruikgemaakt van vluchtelingen als goedkope arbeidskrachten. Door de leiding van de vluchtelingenkampen worden ze gekoppeld aan lokale boeren. De omstandigheden zijn zwaar, de arbeiders verdienen maximaal 8 dollar per dag en maken dagen van 15 uur. 
    © Eva Parey / Sopa Images / LightRocket / Getty

    Een ineenstorting van de lokale voedselproductie ligt op de loer. Want door de financiële crisis zijn niet alleen de voedselprijzen gestegen, maar wordt ook de Libanese voedselproductiecapaciteit bedreigd. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de leveranciers van landbouwgrondstoffen de nadruk gelegd op een productiemodel dat sterk afhankelijk is van geïmporteerde zaden en planten, kunstmest, pesticiden en irrigatiesystemen. Het model werd gesteund door de centrale bank en de bancaire sector van Libanon, die deze grondstoffenleveranciers kredieten verschaften die zij op hun beurt weer omzetten in leningen aan agrariërs. Dit systeem is nu in ingestort, met als gevolg dat de landbouwproductiecapaciteit in Libanon gevaar loopt.

    Zo zijn de productiekosten van groenten volgens onze berekeningen in 
    2020 met 40 procent toegenomen ten opzichte van 2019. Tegelijkertijd hebben de leveranciers van grondstoffen en andere landbouwproductiemiddelen een gemiddelde verkoopdaling van 40 procent gesignaleerd, wat erop duidt dat hun klanten op kosten besparen, bijvoorbeeld door af te zien van voorgenomen investeringen, hun landbouwgrond in te krimpen of over te stappen op minder kostbare gewassen als tarwe. Globaal heeft de landbouwsector de eerste klappen van de financiële crisis gedeeltelijk kunnen opvangen door de verhoogde productiekosten te compenseren met prijsverhogingen.

    Desondanks is er een groot risico dat de productie in de loop van 2021 zal instorten: wanneer de wisselkoers van het Libanese pond op het huidige niveau blijft, zullen de exploitatiekosten volgens onze berekeningen met 175 procent toenemen en die van nieuwe investeringen in de groenteproductie met 350 procent. Bovendien zouden de hoge grondstoffenprijzen de grote, op export gerichte landbouwbedrijven bevoordelen, terwijl het land vooral behoefte heeft aan kleine duurzame bedrijven, in de vorm van coöperaties, die voor de plaatselijke markten produceren.

    Coherente hervorming

    Tot dusver zijn het vooral niet-statelijke actoren, zoals de civil society en Hezbollah (de laatste via een oproep tot een ‘agrarische en industriële jihad’) die op deze situatie hebben gereageerd, al heeft het Libanese ministerie van Landbouw er afgelopen september enige aandacht aan besteed in zijn strategieplan voor de komende vijf jaar. Dit strategieplan richt zich op vijf pijlers, waarvan voedselzekerheid er voor de eerste keer één is. De andere pijlers zijn technische verbeteringen ter verhoging van de agrarische en agro-industriële productiviteit, versterking van de concurrentiepositie van de agro-alimentaire ketens, betere aanwending van natuurlijke hulpbronnen en vergroting van de sectorcapaciteit.

    De Libanese regering neigt ernaar strategieën te ontwikkelen die op donateurs zijn gericht, donateurs die kieskeurig te werk gaan bij het kiezen van hun financieringsdoelen. Terwijl de Libanese landbouw meer behoefte heeft aan een coherente en nationale wetgevende en institutionele hervormingsstrategie, met een omvang die vergelijkbaar is met die van de regering van Foead Shebab in de jaren zestig.

    Een van de belangrijkste aspecten van deze hervorming zou het uitvaardigen zijn van een wet die bedrijven op het gebied van landbouw en veeteelt een officiële status geeft, evenals het werk in die sectoren. Ongeveer 90 procent van de Libanezen – en bijna alle Syriërs – die in de landbouw werkzaam zijn, doet dat op informele basis. Agrarische arbeid is niet aan regels gebonden, en dientengevolge bestaat er geen enkele wettelijke omschrijving van agrarische beroepen of bedrijfsuitoefening, wat vooral impliceert dat werknemers in de sector geen enkele sociale bescherming genieten. De wet zou dus moeten voorzien in regels en aanvaardbare arbeidsvoorwaarden voor Libanese en buitenlandse werknemers in de agrarische sector, waaronder een zorg- en pensioenverzekering.

    De meeste landbouwgrond in Libanon is in handen van rijkste 10 procent

    Een tweede maatregel zou moeten voorzien in heldere en rechtvaardige regelingen op het gebied van het grondbezit en -gebruik. Tweederde van de landbouwgrond is momenteel in handen van de rijkste 10 procent grootgrondbezitters, die sterke politieke banden hebben. Maar de landbouwsector zelf bestaat enerzijds uit een handjevol grote bedrijven en aan de andere kant uit tienduizenden gefragmenteerde boerderijtjes met weinig kapitaal, vooral ook omdat het erfrecht verbrokkeling in de hand werkt. Dit productiepatroon heeft niet alleen bepaalde gevolgen voor schaalgrootte en productiviteit, maar ook voor het milieu, omdat het leidt tot overmatig gebruik van producten die de bodem en het water vervuilen. Een derde maatregel zou het wettelijk makkelijker moeten maken om coöperaties te vormen en voor regels moeten zorgen die de autonomie en de groei daarvan bevorderen.

    Meer in algemene zin zouden er ook structurele hervormingen moeten worden doorgevoerd die de concurrentiedynamiek in de sector versterken en een einde maken aan de kartels. Ook zouden er heldere regels moeten komen voor de verkoop van landbouwproducten wanneer die eenmaal zijn geoogst, zoals transparante prijsinformatie, prijzen die zijn gebaseerd op de kwaliteit van de producten en fytosanitaire keuring. Door dit soort hervormingen zouden de agrariërs voor hun afzet minder afhankelijk worden van commerciële partijen. Want die laatste zijn in grote mate verantwoordelijk voor wat er na de oogst met de producten gebeurt, zoals sortering, koeling, transport et cetera, en bepalen als gevolg daarvan voor een groot deel de toegevoegde waarde van de producten, zodat producenten vaak genoodzaakt zijn die in de oogsttijd, wanneer er een overmatig aanbod is, tegen een lage prijs te verkopen.

    Tot dusver heeft zowel de politiek als een deel van de civil society vooral op de huidige crisis gereageerd door de landbouw en de herwaardering van de aarde de hemel in te prijzen, vooral tijdens de lockdown. Kortom, door de burgers zelf verantwoordelijk te stellen voor hun voedselveiligheid. Dit ideaal van zelfvoorziening is niet alleen onrealistisch maar ook funest, omdat het de staat ontheft van zijn verantwoordelijkheid. Terwijl stijgende grondstoffenprijzen de kloof vergroten tussen kleine bedrijfjes en de grote, op export gerichte ondernemingen, loopt Libanon het risico dat er een nieuwe belangrijke bevolkingsgroep in de armoede wordt gestort en dat er een sector verloren gaat die heeft bewezen werkgelegenheid te scheppen en bij te dragen tot vrede onder de bevolking.

  • Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Kiezen voor een betere wereld. Het kan

    Hoe moet het verder met deze wereld? Ontwerper Bruce Mau ziet het zo: er zijn twee keuzes die zich opdringen. Of gebruikmaken van alle mogelijkheden die dit tijdperk ons biedt en een sprong in de ongewisse toekomst maken. Of ons blijven wentelen in veilige, vertrouwde patronen.

    2018 was de vijftigste verjaardag van wat ik als de laatste grote revolutie beschouw: de chaos van 1968, het jaar toen in de Vietnamoorlog het tij begon te keren, overal studentenprotesten uitbraken en de Praagse lente hardhandig de kop werd ingedrukt. Tegenwoordig wordt Noord-Amerika geconfronteerd met niet één, maar twee revoluties: een revolutie van kansen en een revolutie van afwijzing. Het voelt misschien niet als een revolutionaire tijd, maar wie goed om zich heen kijkt, ziet dat economische, sociale en politieke krachten ons momenteel in twee richtingen trekken. De ene richting zal ons verder vooruit stuwen, de andere zal ons terugduwen. Ons lot hangt af van welke revolutie wij omarmen.

    De revolutie van kansen wordt gedreven door onderwijs, wetenschap, innovatie en design. Ons dagelijks leven kan altijd slimmer, sneller, gemakkelijker, lichter, groener, rechtvaardiger, opener, toegankelijker en mooier. Van de energiebronnen die we gebruiken tot de producten die we kopen, van het voedsel dat we eten tot de manier waarop we omgaan met onze omgeving en met elkaar, alles wordt zo ontworpen dat het steeds beter aan onze behoeften voldoet.

    Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit

    Praktisch elke meetbare trend van belang is in de afgelopen tweehonderd jaar ten goede gekeerd. Grote problemen zijn opgelost, van de bestrijding van besmettelijke ziektes tot gratis openbaar onderwijs. We zijn op de maan geland. We hebben continu mensen aan het werk in een internationaal ruimtestation, we laten een wagentje over Mars karren en lanceren kneitergrote raketten die op eigen kracht kunnen landen. Vele naties bundelen hun krachten in de strijd tegen polio, malaria, aids, ebola, armoede, honger en klimaatverandering. We hebben een wereldwijde infrastructuur voor de productie en het vervoer van goederen, voor vliegverkeer en telecommunicatie. Meer dan vier miljard mensen hebben inmiddels toegang tot internet, en daarmee tot enorme hoeveelheden informatie en nieuwe kansen, en de landbouwproductie is ten opzichte van 1961 meer dan verdrievoudigd.

    Toch zijn veel commentatoren er op de een of andere manier van overtuigd dat we achterop raken. ‘In Amerika neemt het vertrouwen af,’ kopte The Atlantic in januari 2018 bij een artikel over het dalende vertrouwen in de overheid, de media en het bedrijfsleven. In een Ipsos-enquête zei meer dan de helft van de Canadese ondervraagden in 2017 dat de jongeren van nu slechter af zijn dan de generatie van hun ouders. We zijn ervan overtuigd dat we slecht presteren, dat onze instellingen falen, dat we niet in staat zijn de belangen van de wereldgemeenschap boven onze persoonlijke of nationalistische belangen te stellen, niet van onze fouten leren en niet bereid zijn ons gedrag te veranderen in het algemeen belang.

    In 1820 leefde naar schatting 94 procent van alle wereldburgers in extreme armoede. Het verschil tussen rijk en arm was gigantisch. Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit. We kunnen allebei onderwijs genieten, met het vliegtuig reizen en op vakantie gaan, we hebben mobiele telefoons, computers en internet, we drinken koffie van Starbucks en maken gebruik van Google. Dat al die mogelijkheden wereldwijd openliggen voor miljarden mensen is hét kenmerk van onze tijd.

    Nooit is er in de geschiedenis zoveel rijkdom gecreëerd als in de afgelopen vijftig jaar. Miljarden mensen zijn toegetreden tot de mondiale middenklasse. Die groep telt volgens één studie nu 3,8 miljard mensen en is daarmee voor het eerst in de geschiedenis groter dan de groep mensen die in armoede leeft. Door nieuwe vormen van betalingsverkeer en economische uitwisseling hebben ook de allerarmsten tegenwoordig toegang tot de rijkdom van de markt. De Keniaanse mobiele betaaldienst M-Pesa schijnt twee procent van de Keniaanse huishoudens uit de armoede te hebben getild, louter door deze mensen voor het eerst toegang te bieden tot een bankrekening. Dat is de revolutie van kansen: zorgen dat iedereen die kansen kan benutten.

    © Josh Barwick
    © Josh Barwick

    De revolutie van afwijzing staat voor wanhopig vasthouden aan verouderde technologieën, industrieën en energiesystemen, ongeacht de gevolgen voor mens, milieu en economie. G20-landen geven nog steeds 444 miljard dollar subsidie aan fossiele brandstoffen. (In 2016 gaf Canada 3,3 miljard dollar aan de fossiele-brandstofindustrie.) Ondanks de dalende vraag naar steenkool hamert president Trump erop dat de Amerikaanse steenkoolindustrie moet worden gered, en zijn regering heeft tientallen milieuvoorschriften geschrapt, waaronder veiligheidsvoorschriften voor het boren in zee.

    De revolutie van afwijzing leidt ook tot een steeds grotere concentratie van rijkdom in de handen van een steeds kleinere groep, zodat één procent van de mensheid nu meer dan veertig procent van alle rijkdom ter wereld bezit. De inkomensongelijkheid is in Noord-Amerika, Rusland, China en India sinds 1980 heel snel toegenomen en in Europa matig, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2018. In regio’s waar de ongelijkheid niet is gestegen, was die al extreem hoog: ongeveer zestig procent van alle rijkdom in het Midden-Oosten blijft in handen van de rijkste tien procent van de bevolking. Zelfs in Canada, een land met een levensstandaard die voor velen een ideaal is, is het bezit van de rijkste 87 families gelijk aan dat van alle bewoners van de provincies Newfoundland en Labrador, Prince Edward Island en New Brunswick samen. Het gevaar dreigt dat de rijkste burgers een leven gaan leiden dat volledig is afgescheiden van het onze en zo hun binding met de maatschappij verliezen. De toekomst ligt niet in ommuurde villawijken en vip-lounges, maar in platforms die de voordelen van onze tijd binnen ieders bereik brengen.

    Gezondheid

    Onze levensduur is ontegenzeggelijk de beslissende graadmeter voor de mate waarin we beschikken over goede gezondheidsvoorlichting, goede zorg en een gezonde leefomgeving. De levensduur neemt wereldwijd al tweehonderd jaar toe. Op sommige plaatsen gaat dat sneller dan op andere en in tijden van crisis of conflict kan de levensduur ook weleens afnemen. Maar de algemene trend is onmiskenbaar. De technologische en wetenschappelijke vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor medisch ingrijpen vergroot, resulterend in nieuwe vormen van gezondheidszorg, een lagere kindersterfte en een langere levensduur. Op het vlak van medische innovatie worden er voortdurend nieuwe technologieën voor ingrijpen in het menselijk lichaam bedacht en gerealiseerd.

    Armen, benen, handen, gewrichten, tanden, ogen, hart, nieren, huid, oren, alvleesklier, botten, kraakbeen, lever en longen: allemaal kunnen we die nu vervangen of herstellen. Hugh Herr, die aan het Massachusetts Institute of Technology prothesen ontwikkelt en bij het bergbeklimmen zelf zijn onderbenen heeft verloren, grapt weleens dat hij medelijden heeft met mensen die hun ledematen niet kunnen upgraden. Zijn eigen kunstbenen worden steeds beter – hij heeft nu al speciale benen om te hardlopen en om te klimmen – terwijl de rest van zijn lichaam gewoon veroudert, net als dat van andere mensen. Hij voorziet een toekomst waarin prothesen niet alleen worden gebruikt om ontbrekende ledematen te vervangen, maar om het menselijk lichaam te verbeteren, een toekomst waarin kunstmatige alternatieven te verkiezen zijn boven onze eigen botten en organen.

    Als wij mensen de handen ineen slaan, kunnen we ziekten compleet van de aardbodem vagen. De pokken was de eerste ziekte die officieel uitgeroeid werd verklaard. Het uitroeien van malaria zal niet lukken, maar de verspreiding ervan kan tegen die tijd wel sterk worden teruggedrongen. Sinds er in 1988 een begin werd gemaakt met het uitroeien van polio, is het aantal ziektegevallen al met minstens 99 procent gedaald.

    Ondertussen worden in de revolutie van afwijzing pseudowetenschap en complotdenken verkozen boven wetenschappelijke feiten. Sinds 2009 is in twaalf staten van de VS een stijging te zien van het aantal mensen dat vaccinaties weigert met een beroep op hun ‘wereldbeschouwing’. Ook in Europa grijpt de weerstand tegen vaccinatie eveneens om zich heen. Ongefundeerde geruchten over neveneffecten worden breed uitgemeten en nieuw leven ingeblazen op internet, vooral via sociale media. In dit geval geeft de nieuwe technologie een stem aan groepen die angst willen zaaien en zo de fundamenten van kennis en waarheid ondermijnen.


    De revolutie van kansen belooft politieke vrijheid en een ingrijpende machtsverschuiving naar echte democratie in maatschappelijke processen en marktmechanismen. Dat betekent vrij verkeer van mensen, vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.

    Al sinds halverwege de jaren zeventig stijgt het aantal democratische regeringen ter wereld. In 2016 waren volgens het Pew Research Center bijna zes op de tien regeringen democratisch. Dat is een enorme prestatie, als je bedenkt dat er tweehonderd jaar geleden nog maar één officiële democratie bestond (de Verenigde Staten), waarin je toen alleen nog stemrecht had als je man, blank en grondbezitter was. De afgelopen zeventig jaar heeft een enorme afname van politiek geweld laten zien. In Canada is de maatschappelijke betrokkenheid gegroeid: meer Canadezen zijn lid van groepen en organisaties binnen hun gemeenschap, en volgens cijfers uit 2013 over politieke en culturele organisaties is meer dan de helft van de leden daarin actief via internet. Het internet en alle platforms die daarop mogelijk zijn, maken de weg vrij voor een ongekende participatiegraad in onze democratie.

    Soms voelt dat misschien niet zo, en met reden. Wereldwijd zit de vrijheid al tien jaar in het slop: Turkije, Polen, Venezuela en Hongarije glijden af naar een vorm van autocratie. Crowdfunding, sociale media en videoplatforms zijn gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van verbinding te zoeken. In Myanmar heeft het leger gebruikgemaakt van Facebook om mensen tot geweld tegen de Rohingya aan te zetten op een manier die doet denken aan het gebruik van de radio tijdens de genocide in Rwanda. En extreemrechtse partijen in Europa zetten sociale media in om de angst voor migranten aan te wakkeren en aan te dringen op sluiting van de landsgrenzen.

    Ook de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. Freedom House constateerde dat van juni 2016 tot mei 2017 dertig van de vijfenzestig regeringen die deze onafhankelijke Amerikaanse mensenrechtenorganisatie volgt, geprobeerd hebben het online debat de kop in te drukken. In Turkije zijn meer dan 180 mediakanalen en uitgeverijen opgedoekt. Staatshoofden als Donald Trump en de Filipijnse Rodrigo Duterte worden steeds feller in hun aanvallen op de media. De laatste heeft persvrijheid zelfs ‘een privilege’ genoemd en gezegd dat journalisten die zijn vermoord waarschijnlijk ‘wel iets gedaan’ zullen hebben om dat te verdienen. In die trends ontwaar ik de revolutie van afwijzing, waarbij leiders angst zaaien om in naam van nationalisme en nationale veiligheid burgerrechten te ontmantelen.

    Of we het nou willen of niet, we zijn allemaal afhankelijk van elkaar

    Waarom is dat van belang? Omdat we, of we het nou willen of niet, allemaal van elkaar afhankelijk zijn. Op de lange termijn is het succes van de burgers van één land volledig afhankelijk van het succes van alle andere landen. Ideeën, goederen en mensen gaan tegenwoordig met grote snelheid de hele wereld rond. Onze grootste problemen op het gebied van economie, gezondheidszorg, politiek en milieu lopen over landsgrenzen heen. Net als mensen: of je nu denkt aan vluchtelingen die willen ontkomen aan vervolging (of aan de gevolgen van de klimaatverandering) of aan immigranten op zoek naar werk. In 2036 kan één op de twee Canadezen een immigrant of een kind van een immigrant zijn. We moeten daar niet voor terugdeinzen en geen hindernissen opwerpen, maar blij zijn met een wereld waarin culturen, rassen en talen zich vermengen en nieuwe vormen van rijkdom en schoonheid opleveren.

    Klimaatverandering

    De tweesprong waar we voor staan wordt het scherpst geïllustreerd in de klimaatverandering. Volgens het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel hebben we nog maar elf jaar om te voorkomen dat de mensheid te kampen krijgt met verwoestende overstromingen, droogtes en vluchtelingencrises. Als de temperatuur met twee graden stijgt, zal 99 procent van alle tropische koraalriffen sterven, zal een vijfde van de insecten meer dan de helft van hun leefgebied verliezen en zullen miljoenen mensen uit tropische gebieden geëvacueerd moeten worden om te ontkomen aan droogtes en overstromingen. Beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 graad of minder – een doel dat het rapport schetst – zou vereisen dat de CO2-uitstoot in 2050 wereldwijd is teruggedrongen tot nul.

    Bij zulke sombere voorspellingen is het gemakkelijk om pessimistisch te worden. Maar hoewel we vaak slecht op problemen anticiperen, hebben we ook bewezen dat we kunnen doorpakken als er een crisis voor de deur staat. Er is goed nieuws: overal ter wereld komen mensen en overheden in actie. Een non-profitorganisatie in Michigan is bezig sequoia’s te klonen om met de aanplant daarvan de oude oerbossen te herstellen. Op een strand in Mumbai hebben meer dan duizend vrijwilligers onder leiding van een jonge advocaat 3,5 miljoen kilo afval opgeruimd. China heeft plannen voor een enorme markt in emissierechten en India heeft inmiddels wereldwijd de grootste markt voor het veilen van duurzame energieprojecten.

    De twee revoluties die ik heb geschetst, lijken misschien een simplistisch model voor een complexe, steeds veranderende wereld. Maar ze helpen ons te zien hoe we verder moeten. We hebben uiteindelijk allemaal het recht om onze revolutie zelf te kiezen, en zo zal elk land en elke regio zijn eigen keuze maken. Maar als we niet samen kiezen, als we niet samen de revolutie van kansen zien zullen we vanzelf vervallen in de revolutie van afwijzing. En dan lopen we onze kansen mis.

    Auteur: Bruce Mau
    Vertaler: Frank Lekens

    The Walrus
    Canada | verschijnt 10 x per jaar | oplage 60.000

    The Walrus publiceert longreads over Canadese en internationale actualiteiten evenals fictie en poëzie van Canadese auteurs.

  • ‘Het komt aan op compassie’

    ‘Het komt aan op compassie’

    Op social media heeft hij meer volgers dan Madonna en Oprah Winfrey, maar u hebt waarschijnlijk nog nooit van hem gehoord. Opiniemaker Kai-Fu Lee, ex-chef van Google in China, is hét gezicht van de Chinese techsector. Zijn naam is synoniem met een opkomende economie die staat te popelen om de rest van de wereld te veroveren.

    In zijn beginjaren hielp Kai-Fu Lee bedrijven als Microsoft en Apple hun innovatiestrategie uit te stippelen. Maar pas toen onder zijn aanvoering een poging om Google naar de Chinese markt te brengen mislukte, veranderde alles. Hij verliet 
Google in 2009 om ter bevordering van de Chinese techsector zijn eigen durfkapitaalfonds Sinnovation op te zetten. Lee, in eigen land machtig en invloedrijk, heeft zo’n 50 miljoen volgers die op de microblogsite Weibo aan zijn lippen hangen. Het China dat hij promoot bruist van innovatie. Maar het Westen staat nog weifelend tegenover dit mysterieuze, 
economisch reusachtige land, dat druk doende is 
zijn rol in de wereld te bepalen.

    Volgens Lee hoeven we ons over China echter geen zorgen te maken. Hij wil zijn invloed juist aanwenden om te waarschuwen voor een naderende ‘AI-ramp’. Hij schat dat kunstmatige intelligentie wereldwijd zo’n 40 tot 50 procent van de banen overbodig zal maken, maar dat we dat gedeeltelijk kunnen afwenden als we genoeg creativiteit en compassie inzetten. Volgens Lee is het menens. Regeringen wereldwijd zijn gewaarschuwd, maar zouden met goed beleid maatschappelijke onrust kunnen voorkomen.
    We spraken met Kai-Fu Lee over het raadselachtige China, over waarom Google het moeilijk zal krijgen in dit grootste techland ter wereld en over waarom overheden AI serieus moeten nemen.

    52 Insights: Om er maar geen doekjes omheen 
te winden: komt het betoog in uw boek AI Superpowers er niet op neer dat de Chinese techsector Silicon Valley voorbij zal streven omdat de Chinezen beter zijn in kopiëren en stelen?
    Kai-Fu Lee: Nee, helemaal niet, ik denk dat u dat 
verkeerd hebt begrepen. Daar klopt niets van.

    Kunt u me dan uitleggen waar uw betoog wél op neerkomt?
    ‘Volgens mij is wat China doet wel degelijk te danken aan kopiëren, maar geëvolueerd tot iets wat net zo goed is als Silicon Valley. Het zijn twee systemen die zich totaal anders hebben ontwikkeld. Het is alsof je aan iemand vraagt wat belangrijker voor hem is, lucht of water, of wat het meeste waard is, diamant of goud. Zowel Silicon Valley als het Chinese systeem heeft intrinsieke waarde, want beide zorgen voor enorme welvaart en beide zullen over een eeuw nog van groot belang zijn. Maar ik ga geen voorspellingen doen welke van de twee de ander gaat overschaduwen.

    Het is geen wapenwedloop, ze functioneren 
in parallelle universums. Het Chinese model draait om het opwerpen van een hoge drempel om kopieergedrag en een prijzenoorlog te voorkomen. Het gaat om aandacht voor detail, operational excellence, werken voor een gigantische markt, directe feedback uit de markt en net zo vaak herhalen tot het innovatief wordt. Zo doe je dat. Ik denk wel dat het met kopiëren is begonnen.’

    Ik wil de manier van denken van Chinese ondernemers proberen te doorgronden. U zegt dat die draait om herhalen en details. In het Westen hebben we meer waardering voor ideeën en het belang van innovatie. Is er een groot verschil?

    ‘Ik denk dat waarde in China het einddoel is. Hoe je daar komt, doet er minder toe. Of jij het idee bedacht hebt, is onbelangrijk. Dus je neemt een eigen idee, 
of dat van iemand anders, of van wie ook. Vaak hééft een beginnend bedrijf niet eens een idee; zodra je van start gaat en feedback krijgt van je gebruikers, verwerf je inzicht en krijg je uiteindelijk een wereldschokkend product.

    ‘De vijf beste Chinese apps zijn niet ontstaan doordat er bij iemand een lichtje opging: “Laat ik er daar 
eens een van gaan bouwen.” Na een jaar of vijf zes aanpassen zijn ze ongelooflijk krachtig en doen ze niet onder voor Amerikaanse apps. Het is lastig ze te beschrijven zonder ze te laten zien, maar ik heb een top drie in gedachten die u versteld zou doen staan, zoals toen u YouTube, Google Maps of Snapchat voor het eerst zag.’

    Robotdemonstratie in Hangzhou, China. – ©  Getty  Images
    Robotdemonstratie in Hangzhou, China. – © Getty Images

    Stelt het succes tegen elke prijs en het veel 
hogere arbeidsethos waarover u schrijft, Chinese techbedrijven in staat een hoge vlucht te nemen en het andere sectoren, zoals Silicon Valley, moeilijk te maken?

    ‘Omdat ze niet voor dezelfde markt werken, 
beconcurreren ze elkaar niet. Maar ik heb onlangs nog gezegd dat wanneer er internetgebruikers op Mars zouden zijn en Chinese én Amerikaanse 
bedrijven daar voet aan de grond zouden zetten, ik mijn geld op de Chinezen zou inzetten. In de echte wereld behoren Europa en de VS volledig tot het Amerikaanse “ecosysteem”. Hun mobieltjes zitten vol Amerikaanse apps, daar kun je niet zomaar een Chinese tussen zetten. Dat is niet alleen een kwestie van taal, maar ook van researchpatronen en betaalmethoden. Het heeft te maken met liefde voor een merk, geloof in je bedrijf, dat soort dingen.’

    Sommige mensen denken daar heel anders over. Ze denken dat er een wapenwedloop gaande is, 
dat je alleen maar hoeft te kijken naar de grotere defensie-uitgaven van Amerikanen en naar China, dat zich op de borst slaat en beweert dat het in 2030 leider wil zijn op het gebied van AI. Er heerst ook iets van scepsis en ongerustheid als het gaat om China. Dat komt misschien doordat we niet zo veel van dat land weten, omdat het nog altijd 
achter zo’n zwaar gordijn schuilgaat.

    ‘Elk land heeft zijn ambities. Donald Trump werd 
tot president gekozen met zijn slogan “Make America great again”, Obama zei “Yes we can” en China zegt dat het tot de beste op AI-gebied wil behoren. Hopelijk wil de Chinese overheid dat het Chinese volk beter wordt van de vooruitgang op dat gebied. En Amerika zou van hetzelfde moeten dromen voor zijn burgers. Het gaat hier niet om een strijd om grondstoffen, 
olie of land. Elk land ontwikkelt zijn talenten. Verder is het ook niet alsof ze allebei hun waar aan Zuid-Amerika proberen te slijten en erover bakkeleien welk product Brazilië bijvoorbeeld zal kiezen. Het zijn echt twee naast elkaar bestaande ruimten, 
twee landen die het uitstekend doen op basis van verschillende methodologieën.’

    Maar sommige mensen associëren China met 
een autoritaire overheid, met schendingen van mensenrechten. Staat dat volgens u ware innovatie en originaliteit niet in de weg?

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van overheidsbeleid en mensen hebben uiteraard recht op hun mening. Het belangrijkste is volgens mij dat er innovatieve producten uit China komen. Dat is een realiteit die niet valt te ontkennen. Als ik u WeChat zou laten zien, zou u zeggen: “Wauw, dat is nog eens inno-vatief!” Heiligt het doel niet de middelen? Er is geen idee gestolen, alles is in China ontwikkeld. Daar was veel geld en ondernemingszin voor nodig. Het is gewoon een andere manier om een resultaat te bereiken.’

    ‘AI zal wereldwijd zo’n 40 tot 50 procent van de banen overbodig maken’

    *U schrijft dat de Chinese overheid via een durfinvesteringsconstructie steeds meer geld 
in de techsector pompt; in acht jaar is dit bedrag gestegen van 7 miljard tot 27 miljard dollar. Wat verwacht de Chinese overheid van de techsector, aangezien ze er zo veel geld in investeert? *

    ‘Het Chinese durfkapitaalsysteem heeft zich min of meer op eigen kracht ontwikkeld, bijna zonder overheidssteun, dankzij kapitaal uit Amerika en Europa, die beseften dat China in de lift zat. Over het geheel genomen is 27 miljard dollar over vijftien jaar ook niet zo veel. Het helpt, je stookt het vuurtje ermee 
op, maar het is niet de ware katalysator. En het geld kwam laat; tegen de tijd dat de overheid ging meedoen, wás er al durfkapitaal. Maar ik geef toe dat de overheid bijdraagt aan het Chinese ondernemers-klimaat. Nieuwe technologieën worden niet met wetten aan banden gelegd, waardoor ze tot bloei kunnen komen. Betalen met je mobieltje is een 
goed voorbeeld.’

    ‘Nieuwe technologieën worden niet met wetten aan banden gelegd, waardoor ze tot bloei kunnen komen’

    *Denkt u dat Chinese bedrijven tot de Amerikaanse en Europese markt willen doordringen? *

    ‘Amazon, Google en Facebook hebben zo’n sterke marktpositie dat het voor Chinese bedrijven heel moeilijk zal zijn om te concurreren. Maar China zou in opkomende economieën mogelijk in het voordeel kunnen zijn. Chinese bedrijven dringen tot Zuidoost-Azië, Afrika en het Midden-Oosten door via samenwerkingen en investeringen.’

    Zou u iets zou willen zeggen over de terugkeer 
van Google op de Chinese markt na zo’n lange afwezigheid? Onlangs haalde hun zoekmachine Dragonfly alle kranten omdat de technologie het mogelijk maakt zoekopdrachten van gebruikers te koppelen aan hun telefoonnummer, waardoor ze op de radar van de overheid blijven. Wat vindt 
u daarvan?

    ‘Ik ben negen jaar geleden bij Google weggegaan. 
Het is voor Google heel moeilijk om naar China te komen. Om dezelfde redenen kunt u zich voorstellen dat Chinese bedrijven weinig succes zullen hebben in het Verenigd Koninkrijk. Het wordt een harde strijd voor Google. Ik stond dertien jaar geleden aan het hoofd van dat bedrijf en toen waren de parallelle universums lang niet wat ze nu zijn. Wat toen nog kon, is tegenwoordig heel moeilijk.’

    In een opinieartikel in The New York Times schrijft u dat AI allerlei banen overbodig zal maken: bankemployees, medewerkers van klantenservices, telemarketeers. Hoe serieus moeten overheden die dreiging nemen?

    ‘Het begint waarschijnlijk pas echt over een paar 
jaar, omdat de technologie dan verder is. We horen bijvoorbeeld van bedrijven dat ze erover denken de operationele staf de komende drie jaar te halveren. Dat zijn voortekenen. Maar veel bedrijven moeten eerst nog aanpassings- en technische problemen oplossen. Ik denk dat het een jaar of vijftien duurt voordat grote aantallen banen overbodig zullen 
worden. Overheden moeten gaan beseffen wat er aan de hand is. Als ook maar 1 procent van de bevolking het slachtoffer wordt, is het te laat om over de 
kwestie na te gaan denken. Dat moeten we voor zijn.’

    Kai-Fu Lee, hét gezicht van de Chinese techsector. – © Getty
    Kai-Fu Lee, hét gezicht van de Chinese techsector. – © Getty

    U schrijft: ‘Ik vrees dat er voor werknemers steeds minder vaste voet onder de grond overblijft, als dieren die zich moeten terugtrekken voor een overstroming, springend van de ene rots naar de andere.’ Dat is een beangstigend beeld.
    ‘Ja, op basis van onderzoek voorspel ik dat dat zal gebeuren.’

    U zegt dat China zich niet druk maakt over die kwestie.
    ‘Amerikanen en Europeanen denken het meest 
over deze kwestie na. Dat doen maar heel weinig Chinezen. Ze vertrouwen op de Chinese overheid, 
die zich meestal met dit soort zaken bezighoudt. De belangrijkste reden waarom Chinezen zich niet druk maken, is omdat de Chinese overheid de transitie van landbouw naar maakindustrie effectief heeft aangepakt door die van bovenaf op te leggen. Dat is een verschil met de westerse aanpak. Ik zeg niet of dat goed of slecht is. Maar omdat de overheid het eerder goed heeft gedaan, geloven mensen dat ze zich ook wel weer over een volgende grote verandering zal ontfermen.

    ‘Chinezen zijn veel meer gericht op geld verdienen. De “goudkoorts” is begonnen toen Deng Xiaoping een aantal jaren geleden zei: “Laat sommige mensen eerst maar eens rijk worden.” We bevinden ons nu in het vierde decennium van die zucht naar rijkdom. 
Er zijn nog steeds veel mensen uit families die al 
tien of twintig generaties lang rijk of arm zijn, en de verwachting is nog altijd groot dat het volgende kind de familie zal opstoten naar de middenklasse of naar een zeker welvaartspeil. Die verwachting zet het Chinese volk aan tot hard werken en tot die genoemde manier van ondernemen. Het zorgt er ook voor dat mensen materiële welvaart hoger aanslaan. 
Die cultuur verdwijnt over een jaar of vijftig vanzelf, wanneer de middenklasse zal zijn gegroeid.’

    Zonder twijfel is China voor het Westen een interessant land. Wij kijken ernaar met een mengeling van nieuwsgierigheid, angst en fascinatie. Wat zijn de grote uitdagingen voor China? Het land telt bijna 1,4 miljard inwoners, 
de middenklasse rijst de pan uit en wordt steeds veeleisender, terwijl sommigen waarschuwen voor een uiteindelijke economische terugval.

    ‘Het onderwijs is verbeterd, maar er bestaat nog steeds een grote kloof tussen onze universiteiten en de beste in de VS en het Verenigd Koninkrijk. Vooral de VS weet fantastische jonge mensen aan zich te binden die er willen studeren, er geweldig onderzoek doen en er vervolgens blijven hangen. China heeft dat voordeel niet. De VS trekt mensen van heinde 
en verre, China heeft bijna alleen Chinezen. En hoe groot het land ook is, het is maar een fractie van de wereld. Dus om een wereldspeler te zijn en ervoor 
te zorgen dat Chinezen willen blijven, moet China mensen uit andere landen trekken.’

    Wat zal er gebeuren wanneer technologie zo 
diep in onze samenleving doordringt dat alle fabrieksbanen sneuvelen?
    ‘Als we daarop willen anticiperen, komt het aan 
op twee dingen: creativiteit en compassie. Bij crea-
tiviteit draait het om onderwijsbeleid voor slimme, talentvolle mensen: die moet je al vroeg laten specialiseren en hun passie laten volgen, zodat ze optimaal presteren in hun creatieve domein. Maar dat is 
maar voor een klein percentage weggelegd, waardoor het banenprobleem niet wordt opgelost. Dan blijft compassie als enige oplossing over. Daarmee bedoel ik compassie in brede zin: in staat zijn een band 
met iemand aan te gaan. Daarbij denk ik aan banen als au pair, leraar, verpleegkundige, sociaal werker en psychiater, waarbij veel menselijke interactie komt kijken.

    ‘Overheden moeten er alles aan doen om het aantal banen in die sector te vergroten. Zelfs al kunnen machines ze nabootsen – denk aan een robot-
verpleegkundige – dan willen mensen ze niet echt. Ik denk dat AI aan dat soort banen kan bijdragen als analytische machine die mensen in staat stelt te doen waar ze het beste in zijn: andere mensen 
aandacht geven. Daarom is die sector waarschijnlijk de enige die groot genoeg is om de verschuiving op de arbeidsmarkt op te vangen. In de komende 15 
tot 25 jaar zijn sociaal ondernemerschap, maatschappelijk verantwoord investeren en vrijwilligerswerk noodzakelijk.

    ‘Als we over tachtig jaar terugkijken, als routine-matige banen zijn overgenomen door machines, kunnen we doen waar we goed in zijn, waar we van houden, dan kunnen we bijvoorbeeld nadenken over de zin van het leven. Maar eerst moeten we door de komende 25 jaar heen, waarin ons een uitdagende transitie staat te wachten.’

    Openingsbeeld: © Getty

    52 insights
    Verenigd Koninkrijk | 52-insights.com

    Opgericht in 2015 vanuit de behoefte om mensen te informeren over fundamentele veranderingen in de wereld door middel van diepgaande discussies. Het format bestaat uit een interview per week met een schrijver, designer, onderzoeker, leider of anderszins innoverende persoon die onze visie op de wereld kan veranderen.