In de Amerikaanse stad Seattle is de woningmarkt zo oververhit dat veel oude huizen moeten plaatsmaken voor nieuwe. De oude woningen verhuizen per schip naar een betaalbare bestemming buiten de stad.
Een groepje buurtbewoners heeft zich in een buitenwijk van Seattle langs de waterkant opgesteld om een 35-jarige woning uit hun straat te zien vertrekken. In dit geval vereist de verhuizing hydraulische liften, een hijskraan en een aak. ‘Ik heb nog op dat huis gepast,’ zegt een vrouw hoofdschuddend, terwijl 750 vierkante meter grijs hout en glas traag van de fundering loskomt. Toen werklui het huis eerst kwamen losmaken ontdekten ze dat het veel steviger aan de fundering was bevestigd dan gebruikelijk, met verankeringen om de 30 centimeter. ‘De oorspronkelijke eigenaar, een bouwkundig ingenieur, had ervoor gezorgd dat het huis muurvast stond,’ zegt Dan Wozniak, de hoofdaannemer die is ingehuurd om een nieuwer, groter en duurder huis op deze plek neer te zetten. ‘Hij zou nog raar opkijken,’ grinnikt Wozniak.
Een woning die in zijn geheel is opgelicht is een vreemd gezicht. Dit huis balanceert, zo nu en dan wankel, op balken die als een Jenga-toren op een enorme trailer zijn gestapeld. De doorgaans verborgen onderzijde is nu voor iedereen zichtbaar en nergens aan verbonden: je ziet een plaatstalen buis die nergens heen gaat en een loshangende plastic waterleiding met de isolatie er nog omheen.
Peter Teutsch, een van de buren die het spektakel komt bekijken, denkt terug aan de jaren tachtig, toen zijn huis werd gebouwd. In die tijd, zegt hij, stond deze wijk van Kirkland, gelegen aan Lake Washington, recht tegenover Seattle, bekend om zijn bungalows, meestal kleine, ongeïsoleerde zomerhuizen op ruime percelen. ‘Waar de wijk nu om bekendstaat?’ reageert Teutsch lachend op mijn vraag. ‘Oude huizen die het veld moeten ruimen voor nieuwe huizen.’
Florerende economie
Dat geldt tegenwoordig voor heel Seattle en omstreken. Met een florerende economie, drijvend op techgigant Amazon, schieten de huizenprijzen sneller omhoog dan waar ook in de VS. Aannemers verdringen zich om aan de groeiende vraag te voldoen – en om hun graantje mee te pikken. Met als resultaat dezelfde ontwikkeling die zich in andere steden langs de westkust aftekent: een schrikbarende toename van dakloosheid, autochtone inwoners die noodgedwongen moeten verhuizen of uren kwijt zijn aan forenzen, en de teloorgang van een gemengde gemeenschap. Via de hashtag #NoticeofProposedLandUseAction uiten bewoners in Seattle hun frustraties over de openbare kennisgevingen die weer een nieuwe sloop aankondigen.
Tawny Davis ziet in alle sloopvergunningsaanvragen juist een gouden kans. Als regionale verkoopmedewerker voor Nickel Bros spoort ze huizen op die op de nominatie staan voor sloop maar die nog in goede staat verkeren. Terwijl de sloopvergunning nog in behandeling is, probeert zij de aannemer over te halen om haar een nieuwe bestemming voor het huis te laten vinden. (Nickel Bros bestaat al sinds de jaren vijftig en was oorspronkelijk gericht op verhuizingen van bedrijfspanden; pas sinds kort is het verhuizen van woonhuizen een aantrekkelijke markt gebleken.) Vervolgens zoekt Davis naar kopers die willen betalen om het huis te verplaatsen – meestal naar goedkopere grond. ‘Ik noem het landontginning,’ zegt ze. ‘Ik verhuis talloze huizen uit Seattle; er zijn maar weinig huizen die hier blijven.’
Dit werk biedt een wonderlijke inkijk in de huizenmarkt van Seattle. Volgens Davis willen de meeste mensen een groter huis, maar ze maken een uitzondering voor de iconische houten Craftsman-bungalows. Is het huis per aak te verplaatsen – dat wil zeggen: bevindt het zich op een locatie in de nabijheid van water, zonder viaducten of bovengrondse hoogspanningslijnen – dan zijn de mogelijkheden legio. Kan het huis de stad niet verlaten, dan vist Davis achter het net. (Behalve als een vrijstaand huisje klein genoeg is om voor luxe tuinhuis door te gaan.)
Sommige mensen denken dat er iets mankeert aan de huizen die Davis te koop aanbiedt, maar de nieuwe realiteit is dat huizen op percelen met een bouwvergunning ‘ongeacht de staat waarin ze verkeren worden neergehaald’, aldus Davis. In Seattle gaan huizen regelmatig tegen de vlakte om plaats te maken voor twee huizen, of een appartementencomplex dat letterlijk het hele perceel bestrijkt.
Steden verkeren altijd in een borgesiaans veranderingsproces: mensen trekken erheen of trekken weg, oude gebouwen maken plaats voor nieuwe. Seattle zal dichter moeten worden bebouwd, wil de stad niet alleen maar duurder en exclusiever worden. Hoe dan ook vormen de vertrekkende huizen voor sommige achterblijvers een pijnlijke herinnering aan alle mensen die, net als hun huizen, uit de stad zijn verjaagd, op zoek naar een betaalbare woonplaats elders. Vorig jaar, toen een lokale blog in West-Seattle meldde dat Nickel Bros van plan was zes huizen uit de wijk te verhuizen, luidde een van de commentaren: ‘Onroerend goed is hier zo onbetaalbaar geworden dat zelfs de huizen verkassen!’
De kosten voor de nieuwe eigenaar? Eén dollar voor het huis en 249.999 dollar voor de verhuizing
Onder het oog van de steeds grotere groep toeschouwers wordt het wiebelende huis naar de wachtende aak verplaatst. Werklui in felgekleurde overalls leiden het hele proces in goede banen en zorgen ervoor dat het huis stabiel en waterpas blijft. Een passerende speedboot mindert vaart om het spektakel te bekijken. Een drone die de verhuizing filmt moet uit de lucht worden gehaald omdat hij wordt aangevallen door een visarend. In de middag zal het huis over Lake Washington en Lake Union worden gesleept, de sluizen naar Puget Sound passeren en vervolgens op een grotere aak worden geplaatst voor de laatste tocht naar een fjord in British Columbia, driehonderd kilometer noordwaarts.
Uit het financiële plaatje blijkt maar weer dat het bij onroerend goed allemaal draait om locatie: met de torenhoge grondprijzen hebben de nieuwe eigenaren 3,3 miljoen dollar betaald voor een huis dat, als Davis niet tijdig lucht had gekregen van de sloopvergunning, tegen de vlakte was gegaan. Wozniak schat dat de kopers nog eens zo’n zelfde bedrag zullen neertellen voor de bouw van een nieuw huis, inclusief garage, van om en nabij 3500 vierkante meter. Ondertussen vertrekt het grijze huis naar British Columbia, een gebied dat gebied dat bekendstaat om zijn zomerhuizen, waar een bouwploeg het op een gloednieuwe fundering zal plaatsen. De kosten voor de nieuwe eigenaar? Eén dollar voor het huis en 249.999 dollar voor de verhuizing.
De dieplader met het grijze huis staat inmiddels goed en wel op de aak, en in de verte verschijnt de sleepboot die ze zal wegslepen. De buurtbewoners, met lege koffiebekers in de hand, druppelen langzaam weg. Peter Teutsch leidt me rond door de buurt. ‘Alles verandert,’ zegt hij terwijl hij huizen aanwijst. ‘Die twee woningen zijn nieuw. Dat huis wordt over een half jaar neergehaald.’ Hij wijst naar een licht geschilderd huis met een groen dak aan de overkant van een kleine inham. Hij herinnert zich nog dat het huis hier rond 1980 op een aak arriveerde, vlak voordat het grijze huis werd gebouwd. Destijds, vermoedt hij, stond het huis met het groene dak elders op de nominatie voor sloop en vond het hier, ver van huis, een betaalbare verblijfplaats.
In 2014 opgericht magazine dat wordt geleverd aan abonnees van onder meer de LA Times en de San Francisco Chronicle. Brengt verhalen over het westen van de VS, Latijns-Amerika en Azië.
Met miljarden aan Chinees kapitaal denkt Ethiopië de concurrentie aan te kunnen met goedkope kledingproducenten in Azië. Tenzij er een burgeroorlog komt.
Opgetogen staat Raghav Pattar, vicedirecteur van Indochine International, in het zonnige kantoor van de splinternieuwe fabriek van dit kledingbedrijf. Het is november, nauwelijks een half jaar sinds Hawassa Industrial Park werd geopend en er zijn al veertienhonderd lokale arbeiders aan het werk. Pattar streeft ernaar om in 2019 twintigduizend Ethiopiërs in dienst te hebben. ‘Twee jaar geleden was de grond waar deze fabriek op staat nog landbouwgrond,’ vertelt hij. ‘Welk land kan in twee jaar tijd zo snel veranderen? Ethiopië!’
Pattar is een enthousiaste immigrant uit India, die ook in Bangladesh en Egypte in de kledingindustrie heeft gewerkt. Vanuit het raam van zijn kantoor heeft hij zicht op de fabrieksvloer, waar tientallen vrouwen zomen naaien, logo’s stempelen en ondergoed aan het persen zijn voor Warner’s, een merk dat voornamelijk bij Walmart wordt verkocht. ‘De overheid werkt enorm mee,’ zegt hij. ‘Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week hebben ze hier mensen aan het werk gezet om dit complex mogelijk te maken. En er is geen corruptie. Helemaal niet!’
Hawassa Industrial Park werd heel snel gebouwd, dankzij een Chinees staatsbouwbedrijf dat in hoog tempo 56 identieke rood-grijze metalen grote loodsen neerzette, waar volgens de Ethiopian Investment Commission in negen maanden tijd al voor 250 miljoen dollar textiel is geproduceerd. Maar Pattar is zo enthousiast omdat hij Belay Hailemichael op bezoek heeft, de vriendelijk pratende manager die de leiding heeft over het centrale helpcentrum. Belay helpt bedrijven aan import- en exportvergunningen en visa voor hoger personeel en stroomlijnt de aanvoer van nieuwe arbeidskrachten. Dat zijn vooral vrouwen, die een lange stoffige busreis uit hun dorpje achter de rug hebben en urenlang hebben gewacht om te solliciteren naar een baan met een basissalaris van 25 dollar per maand. Het helpcentrum test hun handvaardigheid en verdeelt ze in drie categorieën: de getalenteerden, die achter de naaimachine komen te zitten en de minder getalenteerde ‘tweetjes’ en ‘drietjes’, die dozen moeten inpakken en de vloer moeten aanvegen.
We staan aan het begin van een nieuw tijdperk in de kledingindustrie. Dit door droogte geteisterde, nergens aan zee grenzende land met honderd miljoen inwoners in de Hoorn van Afrika komt onder in de distributieketen te staan die zogenaamde fast fashion en sportsokken van ‘vijf voor een tientje’ produceert. Gelokt door belastingvoordelen, beloofde investeringen in de infrastructuur en zeer goedkope arbeidskrachten zijn landen waar de westerse wereld eerst hun productie naartoe verhuisden, met name China en Sri Lanka, nu de tussenpersonen geworden die de productie hier opvoeren voor Guess, Levi’s, H&M en andere merken. Deze ondernemingen waarderen Ethiopië omdat de regering hun zo veel goedkope arbeidskrachten en belastingvoordelen levert als ze maar willen. De opening van het Hawassa Industrial Park is slechts het recentste onderdeel van een uitgebreid gecentraliseerd programma: sinds 2014 heeft Ethiopië vier reusachtige door de staat gerunde industrieterreinen geopend, en er staan er tot 2020 nog acht in de planning.
De ondernemingen die zich hier vestigen zijn de eerste vijf jaar gevrijwaard van inkomensbelasting en hoeven ook geen belasting te betalen op de import van kapitaalgoederen en bouwmateriaal. Ethiopië kan zo gul zijn omdat het land heel veel geld uit China ontvangt: volgens het China Africa Research Initiative aan de John Hopkins University School of Advanced Studies 10,7 miljard dollar aan leningen tussen 2010 en 2015. Nu wordt veel van dat geld besteed aan lucratieve contracten met Chinese bedrijven die met behulp van Ethiopische arbeidskrachten dammen, wegen en mobiele netwerken aanleggen. Met deze infrastructuur zal het land volgens de Ethiopische regering bij de mondiale middenklasse gaan behoren. ‘Het plan is dat er eind 2025 in totaal 2 miljoen banen gecreëerd zijn in de verwerkende industrie,’ aldus Belachew Mekuria van de Ethiopian Investment Commission. ‘We zijn nu een agrarisch land, maar dat gaat veranderen.’
Burgeroorlog
Tenzij er eerst een burgeroorlog komt. Tijdens de Olympische zomerspelen in Rio de Janeiro van 2016 vroeg marathonloper Feyisa Lilesa aandacht voor de crisis waar zijn land in verzeild dreigde te raken. Toen hij als tweede over de eindstreep kwam, hief hij zijn armen in een ‘X’ – een antiregeringssymbool. Feyisa behoort tot de grootste etnische groep in het land, de Oromo. Sinds 2015 organiseren de Oromo massademonstraties om hun ongenoegen te uiten over onder andere de landroof van boeren ten behoeve van door de autocratische regering geplande fabrieken. De Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) heeft de macht in het parlement en beweert alle meer dan zeventig etnische groepen van Ethiopië te vertegenwoordigen, maar in de praktijk hebben vooral Tigray het voor het zeggen, die slecht zes procent uitmaken van de bevolking. De afgelopen jaren zijn tijdens onlusten honderden Oromo omgekomen, fabrieken afgebrand en veel dissidenten in de gevangenis beland.
Half februari verraste de Ethiopische regering het land door honderden gevangen vrij te laten – een verzoenend gebaar naar de Oromo en misschien ook naar de investeerders van wie de transitie in Ethiopië afhankelijk is. Bovendien trad premier Haile Mariam Desalegne af.
Het Hawassa Park heeft tot weinig protesten geleid. De vijfhonderd kleinschalige boeren die het veld moesten ruimen voor het industrieterrein, dat vlak buiten het stadje Hawassa ligt, zijn Sidama, een etnische groep die weinig politieke invloed heeft. Maar hun beschuldigingen van landroof zijn een herhaling van de aanklachten van de Oromo. Urese Dinsa (69), een boer en voormalig voorzitter van de kieswijk waar het terrein nu gesitueerd is, zegt dat hij erin werd geluisd met de belofte van 37.000 dollar en banen voor zijn kinderen in ruil voor het achterlaten van het stukje grond van 1 hectare waarop hij zeventien jaar had verbouwd. Hij merkt op dat in het begin veel van hun stukje grond verdreven vrouwen werk in de fabriek konden bemachtigen, maar dat nu nog niet eens tien procent daar nog werkt. Ze zijn niet gewend aan de strak geregelde werkdagen. ‘Ze krijgen maar een half uur om te lunchen,’ vertelt Urese. ‘Ze hebben pijn in hun rug. Ze zijn doodmoe. Van dat werk wordt iedereen ziek.’
Veel van de managers op het industrieterrein – vooral Sri Lankanen die zijn ingevlogen om de efficiënte werkmethoden over te brengen die in de naaiateliers in hun land zijn ontwikkeld – zouden die kritiek zien als een illustratie van een van hun belangrijkste klachten: de geschiedenis van Ethiopië heeft zijn burgers niet geschikt gemaakt voor de ontberingen van de industrie. ‘Ethiopië is nooit gekoloniseerd geweest,’ legt David Müller uit, die uit Sri Lanka was overgekomen om personeelsmanager te worden van Hela Indochine, een Chinees-Sri Lankaans kledingbedrijf in een van de loodsen op het industrieterrein. ‘Daar zijn ze trots op en dat brengt een zekere opstandigheid met zich mee.’
Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopische Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren
Efficiency is een probleem en Müller is strikt. Al zijn werknemers krijgen eerst een vijfdaags introductieprogramma waarin de nadruk wordt gelegd op persoonlijke hygiëne, persoonlijke verzorging en discipline. ‘Het is een lastig proces,’ vertelt Müller, ‘en soms pikken ze het niet op.’
Een Ethiopische vrouw met een afgeronde opleiding, die anoniem wil blijven omdat ze represailles vreest, beschrijft hoe ze in een depressie geraakte nadat ze zes weken lang leiding had gegeven aan veertig vrouwen die aan een productielijn werkten waar broeken werden gemaakt. ‘Steeds als de vrouwen een doel niet haalden, begonnen de bazen te schreeuwen,’ vertelt ze. Als gevolg hiervan gingen de vrouwen langzamer werken, verstopten ze zich op het toilet of gingen buiten een luchtje scheppen in plaats van dat ze harder gingen werken. Ze heeft vaak gezien dat een naaister op haar rug werd geslagen. Als ze op hun enige vrije dag moesten werken of moesten overwerken, kregen ze niet het beloofde extra loon. (Pattar zegt niets te weten van problemen met de betaling of van mishandelingen.) ‘Ik zei tegen mijn chefs: “Die vrouwen zijn niet opgeleid of geschoold. Je kan niet verwachten dat ze honderdtwintig broeken per uur afleveren. Als je ze opjaagt, zullen ze alleen maar slechte producten afleveren.”’ Ze nam ontslag en werkt nu als receptioniste in een hotel waar ze 63 dollar per maand verdient, iets meer dan in de fabriek.
Bijna net zo lastig als het leidinggeven aan niet-opgeleide arbeidskrachten die in een hoog tempo goederen moeten produceren is het om die goederen de fabriek uit te krijgen. Hawassa Industrial Park ligt 270 kilometer van de hoofdstad Addis Abeba en 1000 kilometer van de dichtstbijzijnde haven in Djibouti. Het ligt dus eigenlijk enorm afgelegen. Alemayehu Geda, een econoom verbonden aan de universiteit van Addis Abeba, denkt dat, hoewel de bedrijven het industrieterrein dichterbij de haven gebouwd hadden willen hebben, ‘de regerende partij de indruk wil wekken dat ze iedereen tevreden proberen te stellen’.
Het transport naar de kust zou binnenkort al sneller kunnen. De China Civil Engineering Construction Corp. heeft een 3,4 miljard dollar kostende, 750 kilometer lange spoorweg aangelegd van de hoofdstad naar Djibouti. Die is sinds januari al in gebruik voor passagiers, maar het vrachtvervoer kan pas van start gaan als de politieke onrusten voorbij zijn. Voorlopig moeten Hawassa’s fabrikanten hun goederen per vrachtwagen naar de haven vervoeren. Dat is een ramp. De route loopt dwars door het woongebied van de Oromo. Demonstrerende boeren blokkeren urenlang het verkeer. Uitgebrande bussen en vrachtwagens liggen verspreid over het droge landschap en botsingen tussen grote vrachtwagens en kamelen komen regelmatig voor. Bovendien zijn er drie douaneposten met steeds heel veel papierwerk. Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren. Het gevolg is dat chauffeurs twee of drie dagen vast komen te zitten bij een douanepost en in hun vrachtwagen moeten slapen.
Ook levert het problemen op als je Ethiopische spullen wilt kopen. Een Sri Lankaans bedrijf dat overhemden produceert, de Hirdaramani Group, importeert iedere maand vijf scheepscontainers met kartonnen dozen uit hun eigen land. ‘Als je ze in Ethiopië koopt,’ legt manager Gayan Nanayakkara uit, ‘zitten er nietjes in en dan komen ze bij de douane niet langs de metaaldetector.’
Dat zou in theorie een kans zijn voor kleine, lokale ondernemingen. In 2014 begon de Wereldbank een project van 270 miljoen dollar om ‘de Ethiopische competitiegeest’ aan te wakkeren, deels door ‘de banden tussen de industriële zone en de lokale economie te versterken’. Maar daarvoor moeten culturele verschillen worden overbrugd. Al langer dan drie jaar is de Wereldbank zeven binnenlandse bedrijven – producenten van dozen, knopen en afgewerkt leer – aan het klaarstomen voor hun entree in de mondiale distributieketen. Susan Kayonde, een ontwikkelingsspecialist bij de Wereldbank, schreef in een e-mail dat ‘de impact van onze steun (bijvoorbeeld hogere verkoopcijfers, toegenomen werkgelegenheid) pas over drie tot zes maanden gemeten kan worden’. De nieuwe bedrijven zijn net begonnen met het aanschaffen van machines en het opleiden van werknemers.
Het verschil tussen het initiatief van de Wereldbank en de leningen van de Chinese regering is dat bij die leningen geen filantropische richtlijnen zitten, die op zijn minst de illusie wekken dat Ethiopië zijn eigen groei controleert. Stefan Dercon, een ontwikkelingseconoom aan de Universiteit van Oxford die onlangs een jaar lang onderzoek heeft gedaan bij Ethiopische fabrieken, vreest dat het land ‘tegen de wind in vaart en kan omslaan. Ik vind echt dat ze zouden moeten minderen met de leningen en de ontwikkeling van de infrastructuur.’ Hij is echter wel voorstander van meer industrie in Ethiopië. ‘Als meer buitenlandse bedrijven zich daar vestigen en gaan concurreren bij de werving van personeel, zullen uiteindelijk de lonen omhooggaan,’ aldus Dercon. Tot dan is een baan in de fabriek beter dan het alternatief: ‘Die vrouwen zullen anders de hele dag niets anders doen dan van koeienvlaaien brandstofplaggen maken.’
‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’
Alemayehu is sceptisch. Volgens hem zullen de industrieterreinen in Ethiopië het niet redden. Ik heb een artikel gelezen over een Chinees schoenenbedrijf, Huajian,’ vertelt hij. ‘Hun logistieke kosten zijn verachtvoudigd in Ethiopië. ‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’ Alemayehu heeft de bewering van zijn regering dat de economie jaarlijks elf procent zou groeien tegen het licht gehouden, en schat dat de werkelijke groei ongeveer zes procent zal zijn. Hij hekelt de regering voor haar pogingen om buitenlandse investeerders te lokken door haar munteenheid te devalueren. Vorig jaar oktober bijvoorbeeld verlaagde het land de waarde van de birr met vijftien procent. ‘Ik heb honderd exportfirma’s geïnterviewd,’ zegt hij, ‘en niemand noemde de wisselkoers een probleem. Iedereen noemde de logistiek en de bureaucratie als de grote problemen in Ethiopië. Door de birr te devalueren worden alleen de armen getroffen. De voedselprijzen zijn al gestegen.’
Desalniettemin zijn sommige jonge arbeiders razend enthousiast. ‘We hebben het nu beter in de stad,’ vertelt een arbeidster die broekzomen naait voor Indochine. (Ze vroeg om niet haar naam te vermelden.) Ze is met zeven broertjes en zusjes opgegroeid op een boerderij met 1 hectare grond op tachtig kilometer van de stad en deelt nu een kamer met een andere arbeidster in een betonnen flat met een golfplaten dak in een buitenwijk van Hawassa. ‘Ver weg van de stad kunnen we ons niet schoon en netjes houden. En we doen hier ervaring op,’ zegt ze.
Ze hoopt dat ze ooit een zelfstandige kleermaakster kan worden. Haar maandsalaris bedraagt 23,70 dollar, plus 7,30 dollar voor maaltijden en als ze elke dag aanwezig is geweest, een aanwezigheidsbonus van 7,30 dollar. Haar deel van de huur is 9 dollar per maand, dus dan houdt ze 29,30 dollar over als ze haar bonus heeft gekregen. Ze geeft per dag ongeveer 50 cent uit aan eten en houdt maar net genoeg geld over om wasmiddel en vervoer naar de kerk te kunnen betalen. ‘Wasmiddel is duur,’ zegt ze.
Onlangs heeft ze een dag moeten missen op haar werk omdat ze kou had gevat. Toen kreeg ze haar bonus niet en ze is bang dat ze nu schulden moet maken. Haar kamer wordt verlicht door één enkel bungelend peertje. Ze slaapt op het kale beton en ook de muren zijn bijna helemaal kaal, op een doek na waarop staat: ‘Of ik nu een makkelijk of een moeilijk leven heb, ik ben God dankbaar.’
Businessweek schrijft zinnig en intelligent over het zakenleven wereldwijd.* Aarzelt niet om een mening te geven of standpunt in te nemen.* Sinds 2009 onderdeel van Bloomberg News, met 15.000 medewerkers.
Net als in Barcelona en Amsterdam kunnen ze op sommige plekken in Azië de toestroom van bezoekers niet meer aan. ‘De tijd dat belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht konden worden, is voorbij.’
Toen Willem Niemeijer, directeur en oprichter van het in Bangkok gevestigde reisbureau YAANA Ventures, voor het eerst naar Angkor Wat in Siem Reap ging, had hij de plek, die op de UNESCO-lijst staat, voor zichzelf. Cambodja stond in 1992 onder interimgezag van de VN en het land bereidde zich voor op verkiezingen na tientallen jaren van burgeroorlog. Reizigers waren er dun gezaaid. Dat jaar trokken de ruïnes minder dan negentigduizend bezoekers. In 2017 kwamen er net iets meer dan twee miljoen, waardoor Angkor Wat met gemak de grootste toeristenattractie van Cambodja genoemd mag worden. ‘Toen waren het alleen ik en de VN,’ zei Niemeijer. ‘Nu kan een bezoek een onaangename ervaring zijn.’
Zo onaangenaam dat APSARA, de instantie die toezicht houdt op Angkor Wat, heeft besloten om het aantal bezoekers te beperken dat op de tempel Phnom Bakheng de beroemde zonsondergang achter de ruïnes mag meemaken.
In Thailand heeft het bestuur van de nationale parken en wildparken opdracht gegeven om Maya Bay op Phi Phi Island – beroemd geworden door de film The Beach uit 2000 met Leonardo DiCaprio – vanaf juni voor vier maanden te sluiten voor alle bezoekers.
Het eerder deze maand genomen besluit van president Rodrigo Duterte van de Filipijnen om het vakantie-eiland Boracay voor een half jaar te sluiten vanwege de verslechtering van het milieu onderstreept een trend, al vinden velen de beslissing te drastisch. De tijd waarin belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht kunnen worden is voorbij, zeggen reisorganisatoren. Quota en sluitingen zullen toenemen omdat regionale besturen moeite hebben de aanwas van toeristen onder controle te houden.
‘De belangrijkste bestemmingen worden platgelopen,’ zei Niemeijer, die in de tijd dat hij Angkor Wat voor het eerst bezocht een bedrijf opzette om gefortuneerde reizigers weg te leiden van de drukke hotspots. ‘We zullen te maken krijgen met per dag en uur vastgestelde bezoekersaantallen en beperkte toegang tot de populaire plekken. Hopelijk leidt dat tot meer belangstelling voor de minder gewilde bestemmingen.’
De Filipijnse autoriteiten op Borocay klagen dat sommige hotels illegaal gebruikmaken van lokale riolen en andere voorzieningen. Buitenlandse bezoekers zullen vanaf het einde van deze maand geweerd worden van het kleine eiland. Andere vakantieoorden die verdacht worden van soortgelijke overtredingen zullen onder de microscoop worden gelegd.
Maar mensen die hun brood verdienen in de sector, werpen tegen dat de moeilijkheden veroorzaakt worden door slechte planning en niet door het massatoerisme, dat de regionale economie 120 miljard dollar heeft opgeleverd.
De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten
Thailand verwacht dit jaar, volgens voorspellingen van de regering, 38 miljoen bezoekers. Maar Frankrijk – een land met eenzelfde oppervlak en bevolking – had in 2016, volgens gegevens van de Wereldbank, bijna 83 miljoen bezoekers zonder dat dit een even grote druk op het milieu tot gevolg had.
Het verschil ligt in de infrastructuur en overheidsbeleid, zoals belastingvoordelen voor bedrijven om minder bekende bestemmingen te ontwikkelen en steun om de druk op populaire plaatsen te verminderen, zei Matt Gebbie, de directeur Asia Pacific voor het toerisme-adviesbureau Horwath HTL Indonesia. ‘Het gaat om planning, planning, planning,’ aldus Gebbie. ‘Je ontwikkelt pas een duurzame toeristenindustrie als de privésector en de publieke sector met elkaar praten.’
Maar bestemmingen in Zuidoost-Azië hebben te maken met unieke omstandigheden. Een explosie van goedkope vliegreizen en de toename van Chinese welgestelden die op vakantie willen, leggen weer nieuwe druk op lokale ecosystemen. In Bali kwamen vorig jaar 5,6 miljoen toeristen op bezoek; dit jaar wordt het aantal geschat op zeven miljoen, een stijging die vooral wordt veroorzaakt door de komst van Chinezen (vorig jaar goed voor 1,3 miljoen bezoekers).
De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten, zei Utung Pratama, een activist van Walhi, het Indonesische Forum voor het Milieu. ‘Het gaat hard achteruit op Bali,’ zei hij. ‘De schuldigen zijn de projectontwikkelaars die geen oog hebben voor de invloed van het toerisme op het milieu.’
Er zijn echter tekenen dat lokale toezichthouders de controle aanscherpen. Vorig jaar werd een generaal pardon afgekondigd voor illegale hotels in Phuket, Thailand. Zij mochten een vergunning aanvragen zonder dat ze een boete hoefden te betalen. Daardoor is het officiële aantal onderkomens dat belasting betaalt verdubbeld tot zeventienhonderd.
Vorig jaar steeg het aantal bezoekers aan Phuket met elf procent tot meer dan 8,4 miljoen, doordat het aantal Chinezen met een vijfde toenam. Zo’n veertig Chinese steden hebben directe vluchten naar Phuket, terwijl dat vijf jaar geleden nog maar een handjevol was.
Flaneren over het strand van Borocay, het kleine eiland in de Filipijnse provincie Aklan.
Die aantallen zullen alleen maar toenemen, zei Jens Thraenhart, directeur van het Mekong Tourism Coordinating Office. Toekomstige reizigers in China staan te trappelen om erop uit te gaan nadat ze dat jarenlang was verboden. Vorig jaar reisden Chinezen 127 miljoen keer naar overzeese bestemmingen, volgens gegevens van de China National Tourism Association. ‘Er is een enorme vraag en een grote hoeveelheid reizigers,’ zei Thraenhart.
Milieu- en erfgoedgroepen en toezichthouders maken zich misschien zorgen, maar op vele bestemmingen is dit juist goed nieuws. Na jaren van oorlog en gebrek zijn de inwoners van Laos en Cambodja blij dat de toeristendollars rollen, zei Christian Do Boer, algemeen manager van het Jaya House, een ecohotel in Siem Reap dat zich erop beroemd geen plastic te gebruiken. ‘Bijna elke toerist is een goede toerist,’ zei Do Boer. ‘We hebben het geld nodig.’
De meest gelezen Engelstalige krant in Zuidoost-Azië. In die regio geniet het dagblad een invloedrijke status. Schurkt tegen de Singaporese overheid aan maar staat garant voor goede analyses.
In 2009 telde Elkhart, een stadje in Indiana waar vooral campers worden gemaakt, nog twintig procent werklozen. Nu is vrijwel iedereen aan het werk.
De zelfbenoemde camperhoofdstad van de wereld geeft een kijkje in hoe de Amerikaanse economie eruit zal zien als die op stoom is.
Jongeren gaan hier na de middelbare school niet studeren maar werken in de fabriek omdat die een geweldig salaris en uitstekende arbeidsvoorwaarden biedt. Reclameborden waarop personeel wordt gevraagd schieten als bermonkruid uit de grond. En arbeiders zijn zó goed bij kas dat autodealers vertellen dat nieuwe pick-ups bijna niet aan te slepen zijn.
Maar dat brengt ook spanningen met zich mee. Werkgevers kunnen werknemers niet aan zich binden en de huizenprijzen schieten omhoog. Het tekort aan personeel noodzaakte een filiaal van Kentucky Fried Chicken om 150 dollar tekenbonus aan te bieden. Een filiaal van McDonald’s kon afgelopen herfst niet open met de lunch omdat de managers niet genoeg personeel konden vinden voor acht dollar per uur om de rijen wachtenden aan de deur te helpen.
Wat ons te wachten staat
Nergens in de VS heeft zich zo’n ommekeer op de arbeidsmarkt voorgedaan als in deze stedelijke regio met 110.000 arbeiders, een mix van blanke fabrieksarbeiders, Mexicaanse immigranten en Amish. ‘Het is net 1955,’ zegt Michael Hicks, econoom aan de Ball State University. ‘Ook als je minimaal geletterd bent, vind je hier zo een baan.’
De economische omstandigheden in Elkhart zijn uniek: de voorspoed heeft te maken met Elkharts centrale rol in de wederopleving van de campermarkt, waar automatisering noch buitenlandse concurrentie een bedreiging vormt. Maar nu de VS de periode van tien jaren werkloosheid achter zich heeft gelaten, breekt in de regio een toekomst aan van tekorten op de arbeidsmarkt en vechten om personeel.
Het werkloosheidscijfer in de regio Elkhart daalde van twintig procent in 2009, het slechtst in de VS, naar net iets boven de twee procent in januari, de helft van het nationale gemiddelde. Het plaatselijke werkloosheidscijfer is nog dichter bij nul: zo’n 9500 openstaande vacatures. Dagelijks forenzen 25.000 arbeiders naar Elkhart, dat zelf 50.000 inwoners telt. Een economisch ontwikkelingsbureau van de county is in heel Appalachia en zelfs tot in Porto Rico op zoek naar kandidaten voor de vacatures.
De toename in banen is in Elkhart het grootst van alle 403 stedelijke gebieden die door Moody’s Analytics zijn onderzocht. Terwijl het nationale werkloosheidscijfer naar de vier procent aan het zakken is, zit de Elkhart-regio al vierendertig achtereenvolgende maanden op dat niveau of lager. De rest van de VS zal waarschijnlijk nooit die duizelingwekkende ontwikkeling kunnen evenaren, maar de regio laat wel zien wat ons te wachten staat.
In het derde kwartaal van 2017 was het gemiddelde weekloon met 6,3 procent gestegen ten opzichte van een jaar eerder, meldt het Labor Department, terwijl nationaal sprake was van een daling van 0,6 procent. In de camperindustrie van Elkhart, waar twaalf procent van de lokale arbeiders werkt, steeg het gemiddelde jaarsalaris met zeventien procent naar 68.000 dollar. En het stijgt nog steeds.
LCI, een bedrijf dat camperonderdelen maakt, heeft vier “dream managers” in dienst, adviseurs die arbeiders helpen bij het plannen van hun vakantie of bij het aanpakken van gezinsproblemen
Sommige arbeidsvoorwaarden klinken meer naar Silicon Valley dan naar de Rust Belt. LCI, een bedrijf dat camperonderdelen maakt, heeft vier ‘dream managers’ in dienst, adviseurs die arbeiders helpen bij het plannen van hun vakantie of bij het aanpakken van gezinsproblemen. ‘We willen dat de mensen een hoger doel in hun leven hebben,’ vertelt een manager, John Ferguson, een vroegere dominee.
Een ander bedrijf, dat planken maakt, adverteert met een gratis gezondheidscentrum om nieuwe krachten te lokken.
De jacht op de arbeider heeft elders de inflatie opgestuwd. De prijzen van woningen in het middensegment zijn in de afgelopen twee jaar jaarlijks met 6,5 procent gestegen, aldus Gary Decker, de vroegere voorzitter van de makelaarsvereniging van Elkhart County, meer dan twee keer zo snel als in eerdere herstelperiodes.
Jayco Factory 44 ziet eruit als een reusachtige timmermanswerkplaats, compleet met het geratel van nietpistolen en het gezoem van elektrische zagen. Het bedrijf, dat Entegra-kampeerauto’s produceert van 475.000 dollar per stuk, is onderdeel van Thor Industries Inc.
Thor koopt het stalen chassis en arbeiders bij Jayco bouwen de camper verder af. Werknemers duwen met de hand vijftien meter lange campers over een railsysteem. De voertuigen worden verplaatst van werkeenheid naar werkeenheid, waar specialisten de verscheidene onderdelen met de hand monteren: kastjes, bedrading, wanden en daken. Om vijf uur ’s morgens komen Amish aan en om een uur ’s middags keren ze weer terug naar hun boerderij. Thor, de grootste werkgever van de regio, is al via allerlei onconventionele manieren op zoek naar personeel. Het bedrijf zoekt gegadigden in Youngstown, Ohio en andere steden in het Midwesten met hoge werkloosheid. Het neemt ook gedetineerden uit de countygevangenis in dienst in het kader van scholingsverlofprogramma’s.
Met het oog op de toekomst nodigt het bedrijf brugklassers uit om zijn vestigingen te bezoeken, en stuurt het mooi afgewerkte campers op tournee langs basisscholen in de streek.
De lonen in de camperindustrie zijn op een niveau waar andere sectoren niet tegenop kunnen: acht van de tien grootste werkgevers in Elkhart maken campers of camperonderdelen. Het personeel wordt betaald op basis van geproduceerde eenheden. Bij een volle werkweek betekent dat 90.000 dollar per jaar voor assembleurs in camperfabrieken en 100.000 dollar voor voormannen.
Het werk is zwaar. In de personeelsadvertentie voor een baan als assembleur bij LCI staat dat het werk betekent dat je de hele dag moet lopen, bukken, knielen, voorover buigen, kruipen, hurken en klimmen, plus dat je voorwerpen van meer dan vijfentwintig kilo moet tillen.
Oudere arbeiders zoeken wat minder eisende banen bij camperbedrijven die onderdelen maken en waar het basisloon vijftien tot twintig dollar per uur is.
Lamont Blackwell, de manager van het plaatselijke filiaal van McDonald’s, vertelt dat hij vroeger voor meer geld bij LCI werkte. ‘Ik heb overwogen om terug te gaan, maar ik kan het niet meer aan,’ zegt hij. ‘Ik ben veertig en mijn lichaam laat het afweten.’
Werknemers wisselen in deze arbeidsmarkt vaak van baan. Volgens lokale fabrikanten is het verloop in de camperindustrie grofweg honderd procent. Nieuwe werknemers worden bonussen van vijfhonderd tot duizend dollar geboden als ze negentig dagen blijven.
De stedelijke regio Elkhart functioneert als een olie-economie – een Koeweit te midden van de maisvelden – aldus Enrico Moretti, econoom aan de Universiteit van Californië in Berkeley. De lonen in de camperindustrie zijn op een niveau waar maar weinig concurrenten tegenop kunnen, en daarom is er weinig verscheidenheid.
Toen president Barack Obama met een stimuleringsplan van 800 miljard dollar kwam, reisde hij twee keer af naar Elkhart ter illustratie van hoe dramatisch de recessie was. “Bij ons was de situatie het slechtst van het hele land”
Als er slechte tijden komen, zijn ze ook echt slecht. In 2009 liep de verkoop van campers met de helft terug en dat gold ook voor het aantal banen. De campershow van Elkhart werd voor het eerst in meer dan vijftig jaar afgezegd.
De Britse krant The Independent noemde Elkhart ‘de stad zonder banen’. In het district Elkhart stonden op de scholen duizend kinderen minder ingeschreven, ongeveer zeven procent, omdat gezinnen de stad uit gingen op zoek naar werk, vooral de mensen uit Mexico, die in 1990 nog twee procent van de bevolking van Elkhart City uitmaakten en in 2010 al vierentwintig procent.
Velen die in Elkhart bleven raakten hun huis kwijt. Meer dan een derde van de verkochte huizen in 2010 waren executieverkopen, vertelt Decker, de vastgoedmakelaar. Toen president Barack Obama met een stimuleringsplan van 800 miljard dollar kwam, reisde hij twee keer af naar Elkhart ter illustratie van hoe dramatisch de recessie was. ‘Bij ons was de situatie het slechtst van het hele land,’ zegt Jason Lippert, directeur bij LCI Industries.
Langzaam krabbelde Elkharts economie weer op. Het stimuleringsplan sloeg aan, hoewel ook een aantal projecten mislukten. Drie bedrijven vestigden zich er, kregen van de overheid meer dan 50 miljoen dollar steun en produceerden slechts twee elektrische voertuigen voordat ze over de kop gingen.
Vanaf 2012 begon de camperindustrie – en bij uitbreiding Elkhart – sterk te groeien, voornamelijk vanwege de verbeterende economie in de VS. De productie van campers en stacaravans verdrievoudigde ten opzicht van 2009 tot 500.000, aldus de Recreational Vehicle Industry Association.
Herinneringen
Shelley Moore, een stadsplanoloog, zegt dat de stad in een race tegen de klok is gewikkeld om een diversere en duurzamere economie op te bouwen. Dat streven wordt gefrustreerd door het succes van de camperindustrie.
Een baan is nu zo makkelijk te krijgen dat niemand in de regio doorleert, wat een risico betekent bij een volgende crisis. Elkhart staat qua aantal inwoners met een afgeronde vervolgopleiding op de 335ste plaats van de 380 stedelijke gebieden, meldt het Brookings Institution.
De inschrijvingen bij de vestiging van het Ivy Tech Community College in Elkhart zijn sinds de recessie met de helft afgenomen. ‘We moeten opboksen tegen een florerende economie,’ zegt Kyle Hannon, directeur van de plaatselijke campus. ‘Het is een beetje maf.’
Maar zelfs in goede tijden bepalen herinneringen aan de laatste recessie – en angsten voor de volgende – zakelijke en persoonlijke beslissingen in Elkhart. Inwoners leggen spaarpotjes aan, onzeker of ze de economische opbloei wel kunnen vertrouwen. Dat is logisch, zegt Hicks, econoom aan de Ball State University. Bij de volgende recessie worden ze volgens hem hard getroffen.
Weinig camperfabrikanten willen investeren in automatisering, vanwege de pieken en dalen in de bedrijfstak in het verleden. Zonder grote investeringen ‘zijn we heel flexibel’, legt Robert Martin uit, de algemeen directeur van Thor. ‘We kunnen inkrimpen als er slechte tijden aanbreken.’
Er is bijna geen woning meer te huur in en om Elkhart, maar weinig bouwers zullen het wagen om huizen of appartementen neer te zetten die leeg komen te staan in een economie die zo sterk fluctueert.
Matt Stump, assembleur bij Jayco, vertelt dat hij in januari naar Elkhart is teruggekeerd nadat hij vijftien jaar met zijn gezin in Peoria, Illinois, had gewoond, waar hij bij Caterpillar werkte. Hij kon in Elkhart geen huurhuis voor zijn gezin vinden, dus hij zit nu alleen in een B&B en in de weekenden rijdt hij naar huis, een rit van 4,5 uur.
De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid nodig: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zó patriottisch zijn, dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.
Daar waar Polen net als veel andere Oost-Europese landen weigert Syrische vluchtelingen op te nemen, zijn Aziatische arbeidsmigranten er van harte welkom.
Na de golf economische vluchtelingen uit Oekraïne komt er nu een nieuwe aan – uit het Verre Oosten. Poolse werkgevers hebben steeds meer moeite om aan Oekraïense werknemers te komen – die al even veeleisend zijn geworden als de Polen – en beginnen in exotischer oorden personeel aan te werven.
Volgens gegevens van het ministerie van Gezin, Arbeid en Sociaal Beleid heeft Polen alleen al in 2017 bijna 30.000 werkvergunningen afgegeven aan mensen uit Nepal, India, Bangladesh, Oezbekistan, Pakistan, de Filippijnen en China. Het afgelopen jaar raakte het echt in de mode om mensen uit het Verre Oosten te rekruteren, iets wat Poolse werkgevers tot dusverre nooit hebben gedaan.
Het aantal buitenlandse werknemers in Polen stijgt gestaag: in 2016 zijn 140.000 werkvergunningen afgegeven, een jaar later is dat aantal bijna verdubbeld. Natuurlijk bestaat de meerderheid van hen uit Oekraïners en, in iets mindere mate, Witrussen. Maar na hen worden de meeste werknemers naar Polen gehaald uit… Nepal, gevolgd door India, Moldavië, Bangladesh en Oezbekistan. ‘Qua openheid van de grenzen kunnen we stellen dat we onze verplichtingen ten opzichte van de Europese Commissie meer dan vervuld hebben,’ grapt Andrzej Kubisiak, directeur [van de dienst analyse en communicatie] bij Work Service [het grootste wervingsbureau in Polen]. ‘Maar even serieus, het menselijk potentieel aan onze oostgrens raakt uitgeput. En daarom beginnen de werkgevers en de wervingsbureaus nu andere bronnen te zoeken.’
Een heel ander arbeidsethos
Waarom is Azië plotseling in de mode? Bartosz Cebula, vicedirecteur van een bureau dat gespecialiseerd is in rekrutering van Aziaten, legt uit dat zijn cliënten ‘teleurgesteld zijn in het Oekraïense personeel. Ten eerste stijgen de aanwervingskosten van onze buren almaar. Oekraïners eisen vaak hetzelfde salaris als Polen, en soms meer. Ten tweede zijn Oekraïners, volgens mijn cliënten, vaak minder gemotiveerd. Indiërs en Nepalezen hebben een heel ander arbeidsethos.’
Uit de statistieken van het ministerie blijkt dat het voornamelijk om handarbeiders gaat. In 2017 waren er op een totaal van 250.000 buitenlandse werknemers slechts 30.000 gekwalificeerde krachten, 3000 informatici en 20… artsen. Het gaat hoofdzakelijk over lichamelijke arbeid – in de bouw en de verwerkende industrie. De administratieve rompslomp en de eenmalige kosten die verbonden zijn aan de aanwerving van mensen die van het andere eind van de wereld komen, vormen geen beletsel voor werkgevers die op de salarissen willen besparen.
Maar Bartosz Cebula is van mening dat ‘het bij ons nog steeds gemakkelijker is dan in Duitsland, waar de aanwerving van buitenlands personeel beperkt blijft tot een lijst met beroepen waarvan officieel erkend wordt dat er een tekort aan geschoold personeel bestaat, bijvoorbeeld wiskundigen, artsen of informatici. En daar wordt buitengewoon streng de hand aan gehouden. Daarom besluiten de Aziaten naar ons te komen. Voor hen is werken in de Europese Unie een droom, ze kunnen meer dan tien keer zo veel verdienen als in hun land van herkomst.’
Het ministerie van Arbeid wil uiterlijk voor de zomervakantie de aanwervingsvoorwaarden voor buitenlandse werkkrachten liberaliseren. Evenals in Duitsland moet er een lijst van beroepen komen, maar degenen die aan de criteria voldoen kunnen dezelfde voorrechten genieten als onderdanen uit zes Oost-Europese landen (Oekraïne, Wit-Rusland, Rusland, Armenië, Georgië en Moldavië); ‘de zes’. Werkgeversorganisaties willen zelfs een tiental landen toevoegen aan de lijst met landen waarvoor gunstiger voorwaarden gelden!
Als dit scenario zich voltrekt staat ons misschien een ware toestroom van goedkope arbeidskrachten uit heel Azië te wachten. In de Poolse wetgeving wordt bepaald dat buitenlandse werkkrachten een minimumsalaris moeten ontvangen en woonruimte moeten krijgen, maar hoe die woonruimte eruit moet zien wordt niet nader gepreciseerd. Het is dus mogelijk dat het net zo zal gaan als nu met de Oekraïners die soms met z’n tienen een appartement delen.
In dat opzicht staat het Poolse recht aan de kant van de werkgevers. Afgezien van de ‘bevoorrechten’ uit ‘de zes’, worden de overige werknemers aangeworven voor een minimumperiode van één jaar. Maar bij voorkeur twee jaar. In die periode mogen ze alleen maar werken voor de onderneming die ze heeft aangemeld bij de arbeidsadministratie en ze mogen dus niet, zoals de Oekraïners, van werk veranderen als iets hun niet aanstaat. De werkgever die een Nepalees laat komen voor de duur van een bouwproject heeft dus de garantie dat hij gedurende het project voor een minimumsalaris voor hem zal werken. Sterker nog, hij gaat niet naar huis tijdens de feestdagen en neemt geen vakantiedagen op. Er is geen directe vlucht tussen Warschau en Kathmandu en vluchten duren met overstappen algauw meer dan twintig uur en kunnen wel vijftienhonderd euro kosten. Een Oekraïner daarentegen die in Lublin [Oost-Polen] werkt, kan voor tien euro met de bus naar zijn geboortestad Lviv.
In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd
Het is dus helemaal niet verbazingwekkend dat werkgevers hele ploegen Aziatische bouwvakkers laten komen. ‘Deze bouwvakkers hebben nog een voordeel,’ aldus Andrzej Kubisiak. ‘Ze hebben vaak ervaring met grote bouwprojecten omdat ze gewerkt hebben in de Arabische Emiraten of in Qatar. Ook in Azië zelf zijn er enorme bouwprojecten. Helaas kunnen Oekraïense bouwvakkers niet prat gaan op zo’n cv.’
In de bouwsector worden ook Noord-Koreanen aangeworven. In 2016 hebben de autoriteiten vierhonderd werkvergunningen afgegeven en in 2017 circa honderd. Vorig jaar hebben ze in Silezië (Zuid-Polen) gewerkt, terwijl ze twee jaar eerder in Ermland-Mazurië (Noord-Polen) werkzaam waren. Ze worden dus in heel Polen ingezet. Er zou dan ook niets vreemds aan geweest zijn als inmiddels algemeen bekend zou zijn dat het regime-Kim al jarenlang werknemers aan andere landen verkoopt. Vrijwel hun gehele salaris wordt ingehouden en vloeit in de Noord-Koreaanse schatkist. Tegelijkertijd zijn ze gewaarschuwd dat als ze vluchten, hun op het Koreaans schiereiland achtergebleven familieleden de consequenties ervan zullen ondervinden.
Oekraïners en Witrussen spreken al vrij snel Pools. Vaak hebben ze al een basis als ze in Polen aankomen. Hoe communiceren hun superieuren met de Aziaten? Met een Indiër kun je Engels praten, maar het wordt al lastiger met Chinezen, Nepalezen of Filippijnen. De werkgever moet er dus voor zorgen dat iedere ploeg ten minste één persoon bevat die een gemeenschappelijke taal spreekt.
Komt er in Polen een nieuwe boom van buitenlandse werknemers? ‘Naast een stijging van het aantal Aziatische arbeiders moet rekening worden gehouden met een toenemende immigratie uit de landen van de voormalige Sovjet-Unie,’ aldus Grzegorz Sielewicz, hoofdeconoom van Coface Midden-Europa. ‘Hoewel de Russische economie geleidelijk aantrekt, wordt de Poolse arbeidsmarkt een aantrekkelijk alternatief voor mensen uit traditionele emigratielanden als Moldavië, Georgië, Oezbekistan, Tadzjikistan of Kazachstan, die vroeger voor Rusland kozen.’
Wprost (‘Recht op het doel af’) staat in Polen vooral bekend om zijn scoops. In 2014 baarde het blad veel opzien met de publicatie van in het geheim opgenomen gesprekken tussen belangrijke politici.
Voorlopig is het economische succes van China en India voor andere landen het beste argument om beleid gebaseerd op niet-westerse ideeën te ontwikkelen. Verschillende perspectieven leiden meestal tot innovatie. Het wachten is op toetsbare modellen en theorieën.
In 1998, toen de Chinese economie net aan zijn opmars was begonnen, stak Kishore Mahbubani de lont in het intellectuele kruitvat met zijn boek Can Asians Think? Twee decennia later, nu Azië het hart van de wereldeconomie vormt en China de Amerikaanse hegemonie in de Aziatisch-Pacifische regio en zelfs de hele wereld naar de kroon steekt, vindt Mahbubani’s vraag opnieuw weerklank, en misschien nog wel meer dan eerst.
Het zal duidelijk zijn dat Mahbubani zich niet afvroeg of het de Aziaten ontbrak aan de cognitieve vaardigheden van andere wereldbewoners. Hij vroeg zich af of Azië – met zulke uiteenlopende landen als Japan en Singapore in de gelederen – over eigen intellectuele denkkaders beschikt, naast het dominante westerse paradigma. Beschikten Aziatische volken over specifieke waarden die konden verklaren waarom Azië zo razendsnel moderniseerde?
Nieuwe impuls
Sommige politieke beschouwers antwoordden op Mahbubani’s vraag dat Aziatische kernwaarden, zoals hard werken, pragmatisme en het gezin als hoeksteen, niet specifiek Aziatisch zijn. Anderen beweerden dat Aziatische waarden niet alleen uniek zijn, maar ook superieur aan die van het Westen. Ook Mahbubani vond dat Azië over eigen waarden en intellectuele tradities beschikt, die volgens hem minstens zo veel aandacht en waardering verdienen als de westerse, al was het maar vanwege het wisselvallige succes van die laatste. Op het moment waarop hij zijn boek publiceerde, had de Aziatische financiële crisis van 1997 nog maar net verschillende economieën in de regio de nek omgedraaid, volgens veel Aziaten als gevolg van overheersende westerse economische ideeën.
Nu, twintig jaar na Mahbubani’s boek, krijgt de discussie over de intellectuele eigenheid van Azië opnieuw een impuls, deels door het zelfverzekerde politieke leiderschap van de Chinese president Xi Jinping en de Indiase premier Narendra Modi. Dat leidt tot de volgende drievoudige vraag: wat kunnen we leren van het debat over Aziatische waarden, wat schort eraan en hoe kan het op productieve wijze worden gestimuleerd?
Toen Mahbubani’s boek verscheen, vormde het een schril contrast met Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama, dat vijf jaar daarvoor nóg enthousiaster was ontvangen. Fukuyama beweerde dat de liberale democratie en het vrijemarktkapitalisme na de val van het communisme als overwinnaars uit de strijd tevoorschijn waren gekomen. Geen ander politiek stelsel, aldus Fukuyama, kon zich met het democratisch kapitalisme meten als het ging om politieke vrijheid en economische welvaart.
Een tijdlang bleek Fukuyama’s profetie juist. Voormalige communistische landen, zoals die in Midden- en Oost-Europa, werden democratischer en omarmden de markt. Dat zelfs Deng Xiaoping ervoor pleitte China te ‘hervormen en open te stellen’ leek de weg vrij te maken voor een toekomstige open houding van China ten opzichte van de democratie. Of er nu een ‘einde’ aan de geschiedenis was gekomen of niet, de democratische, kapitalistische wereld was the place to be.
De Aziatische financiële crisis leek dat idee aanvankelijk te bevestigen, want maakte een einde aan enkele economische succesverhalen in de regio en bracht de Aziatische aanpak schijnbaar in diskrediet. Maar doordat landen als Maleisië, dat de door het IMF voorgestelde economische remedie afwees, zich veel sneller herstelden dan landen die de IMF-adviezen opvolgden, ontstond in heel Azië twijfel over de westerse wijsheid. Westerse ideeën waren misschien toch niet zo belangrijk geweest voor de overwinning van het democratisch kapitalisme.
Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met problemen, belichaamd in president Donald Trump
Tien jaar na de verschijning van Mahbubani’s boek leken de kansen nog verder te keren. De VS en Europa stortten zich in een zo ernstige zelf veroorzaakte crisis dat de rest van de wereldeconomie erin leek te worden meegesleurd, tot grote ergernis van Aziatische landen, die juist pijnlijke hervormingen hadden doorgevoerd om dat soort toestanden te voorkomen.
Het zag ernaar uit dat halfbakken ideeën de crisis van 2008 hadden veroorzaakt. Om Friedrich von Hayek te citeren, toen hij in 1974 sprak bij de instelling van de Nobelprijs voor de economie, werden de ‘volmaakte’ economische modellen waarmee westerse regeringen en economen de toekomst voorspelden, ontmaskerd als ‘valse schijn’. Von Hayek schilderde het westerse economische denken af als een keizer die weliswaar nog niet al zijn nieuwe kleren aanhad, maar toch al in vergevorderde ontklede staat verkeerde.
De gevolgen van deze schertsvertoning waren ernstig: behalve het ongedaan maken van tien jaar economische groei ook stagnatie, westerse overheden die zaten opgezadeld met enorme schulden en centrale banken die hun balans opkalefaterden met zoiets experimenteels als kwantitatieve versoepeling, een vorm van directe geldschepping. Tegelijkertijd namen de economische ongelijkheid, de kwetsbaarheid van de democratie en de politieke polarisatie toe, wat de Aziatische twijfel aan westerse ideeën alleen maar vergrootte, en ook die aan de westerse dominantie in de wereldeconomie.
Sterker nog, het toenemende besef dat de panacee van de vrijemarktpolitiek, neergelegd in de zogeheten Washington-consensus, had gefaald, en ook de vooraanstaande politici die erin hadden geloofd, heeft bijgedragen aan de opkomst van schijndemocratieën en autocratieën in Hongarije, Polen, Turkije en andere landen. Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met dergelijke problemen, belichaamd in president Donald Trump, die het protectionisme heeft omhelsd en het systeem van ‘checks and balances’, de basis van de Amerikaanse democratie, met zo veel woorden op losse schroeven heeft gezet.
Confucius (links) en Mencius.
Geen wonder dat de twijfel van Azië aan westerse ideeën er alleen maar groter op is geworden. In China wil de overheid dat scholen en universiteiten meer aandacht besteden aan het Chinese gedachtegoed (een hervorming die naadloos aansluit op de wens van de overheid om haar intellectuele en politieke legitimiteit te versterken). Ook andere Aziatische landen, zoals Zuid-Korea en India, proberen hun eigen intellectuele tradities op te poetsen, niet zozeer om ze rechtstreeks te laten concurreren met westerse ideeën, maar zodat ze op z’n minst kunnen dienen als gelijkwaardige tradities om de wereld te duiden.
Eerlijk gezegd stonden Fukuyama en vergelijkbare beschouwers van de democratie niet kritiekloos te juichen over het Westen, zoals sommige experts ons hebben willen doen geloven. Integendeel, want Fukuyama gaf toe dat het dominante westerse liberaal-democratische stelsel feilbaar was en zelfs niet bruikbaar in elk land. In ‘Orde en verval’, het tweede deel van zijn boek De oorsprong van onze politiek uit 2014, ging hij zelfs een stap verder toen hij erkende dat de recente ervaringen van China laten zien dat ‘autoritaire overheden soms beter dan democratische in staat zijn om definitief met het verleden te breken’.
Robert Skidelsky van de Universiteit van Warwick wijst erop dat de intellectuele schraalheid van de economische leer een zwakte van het westerse economische denken is. Uit de Grote Depressie van de jaren dertig kwam de keynesiaanse economie voort. De stagflatie van de jaren zeventig leidde tot het monetarisme van Milton Friedman, dat een revolutie in het overheidsbeleid teweegbracht. Maar tien jaar na de Grote Recessie bestaat er geen eensgezindheid over een nieuwe doorbraak in het westerse economische denken.
‘De rest’
Terwijl het Westen met problemen blijft worstelen, gaat het Azië voor de wind. De economieën van China, India en Zuidoost-Azië zijn bij elkaar goed voor een groei van 63 procent van het wereldwijde bbp en meer dan de helft van de nieuwe consumptie in de afgelopen vijftien jaar. De landen die Fareed Zakaria ooit ‘de rest’ noemde, staan op het punt het Westen in te halen als het gaat om productie, consumptie en spaartegoeden.
Dat doet vermoeden dat de recente groei van Azië niet zomaar kan worden afgedaan als een kwestie van een paar ontwikkelingslanden die de ontwikkelde landen hebben bijgehaald. In plaats daarvan lijken de Aziatische economieën, zoals Hamid Dabashi van Columbia-universiteit beweert, na eeuwenlange imperialistische overheersing eindelijk te draaien op eigen ideeën. In zijn boek Can Non-Europeans Think? uit 2015, een titel die zelfverzekerd naar die van Mahbubani verwijst, stelt Dabashi dat het probleem niet zozeer was dat ‘de rest’ niet over eigen theoretische kaders beschikte, maar dat die werden gebagatelliseerd en genegeerd.
Dabashi wijst op het boek Oriëntalisten (1978) van wijlen Edward Said, ook van Columbia-universiteit, dat een overzicht biedt van neerbuigende westerse voorstellingen van ‘het Oosten’ als een regio met minder geavanceerde, minder rationele en uiteindelijk inferieure samenlevingen. Hun manier van denken en hun prestaties werden vaak als minderwaardig beschouwd: misschien waren ze ter plaatse toepasbaar, maar niet universeel, in tegenstelling blijkbaar tot eurocentrische kaders. Daardoor kostte het niet-westerse intellectuelen moeite om op voet van gelijkheid met hun westerse evenknieën te discussiëren.
Maar hoe geïntimideerd niet-westerse denkers zich misschien ook hebben gevoeld, daar komt een einde aan nu de gebreken van westerse ideeën en modellen aan het licht treden. Dat Trump en de zijnen de feiten, de rede en de wetenschap onder vuur nemen verzwakt de positie van het Westen nog verder. De vraag is of niet-westerse denkers deze kans om de invloed van hun eigen intellectuele kaders uit te breiden zullen grijpen.
Een belangrijke uitdaging voor Aziatische denkers is dat ze hardnekkige westerse vooroordelen moeten overwinnen. Engelstalige uitgevers hebben nog steeds de neiging om vanuit eurocentrisch perspectief bij te dragen aan de duiding van de wereldpolitiek. Er zijn bijvoorbeeld allerlei waardevolle wetenschappelijke publicaties over China, vooral van Chinese wetenschappers die in het Westen wonen en werken (onder wie Yasheng Huang en Minxin Pei). Die lijken echter vooral bedoeld om de Chinafobie aan te wakkeren of het risico van een crisis of een totale ineenstorting te benadrukken. Het werk van niet-westerse denkers blijft in Europese landen meestal onvertaald, hoewel de kennis en de waardering van kenners voor het werk van bijvoorbeeld Confucius, Mencius en Han Feizi [Chinese geleerden] niet-ingewijden ongetwijfeld zullen helpen hun politieke en zakelijke gesprekspartners in China beter te begrijpen.
Het verschil tussen India en het Westen is alleen werkelijk te begrijpen als iemand de praktijk van _purva paksha_ (zoiets als “wederzijdse betrokkenheid”) begrijpt en erkent dat daar “harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei” voor nodig is
Doordat zulken boeken maar weinig in het Westen worden uitgegeven, stellen vooral in het Engels schrijvende Indiërs het westerse denken ter discussie. Zo laat historicus Pankaj Mishra in zijn Op de ruïnes van het imperialisme (2012) zien hoe vroeg-twintigste-eeuwse Aziatische intellectuelen als Gandhi, Kang Youwei en Mohammed Abdoe zich genoodzaakt zagen hun eigen tradities – respectievelijk het hindoeïsme, het confucianisme en de islam – opnieuw vanuit westers perspectief te bezien.
Om hun ideeën verder te verbreiden moeten niet-westerse denkers met doorwrochte, overtuigende betogen laten zien dat die origineel, waardevol en universeel zijn. Ze zouden dat kunnen doen op Mishra’s manier, namelijk door zich te bedienen van eurocentrische middelen. Ze zouden die aanpak ook links kunnen laten liggen en helemaal buiten Europese modellen om kunnen denken. Of ze zouden de twee kunnen integreren in een consistent, universeel analytisch denkraam.
Welke aanpak niet-westerse denkers ook kiezen, denkwijzen, opvattingen en concepten die hun waarde in eigen land allang hebben bewezen, zullen moeten worden aangepast om ze universeel geldig te maken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
De Indiase auteur Rajiv Malhotra laat met zijn boek Being Different: An Indian Challenge to Western Universalism zien hoe ingewikkeld dat is. Niemand zal betwisten dat India verschilt van het Westen. Malhotra beweert echter dat iemand dat verschil alleen werkelijk kan begrijpen als hij de praktijk van purva paksha (zoiets als ‘wederzijdse betrokkenheid’) begrijpt en erkent dat daar ‘harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei’ voor nodig is. En dat kan alleen als hij ook het begrip ‘dharma’ uit Indiase religies begrijpt en aanvaardt.
Een Chinese lezer zal dat niet zo heel veel moeite kosten, want dharma vertoont enige gelijkenis met het begrip ‘tao’ uit de traditionele Chinese filosofie. Maar een seculiere westerse wetenschapper zal zulke lastig te definiëren begrippen niet zomaar snappen. En zelfs al doet hij dat wel, dan zal hij misschien niet bereid zijn om dharma of tao te accepteren als grondslag voor een bruikbaar intellectueel kader, want geen van beide kan wetenschappelijk worden getoetst of empirisch worden geverifieerd.
Een andere grote uitdaging voor niet-westerse denkers is dat ze hun ideeën – en vooral de intellectuele bouwstenen van het Chinese economische wonder – zodanig moeten verpakken dat die zich kunnen meten met de Washington-consensus. Ook al hebben miljoenen Chinezen een westerse opvoeding of opleiding genoten, er bestaat geen samenhangende of overtuigende Chinese analyse van de oorzaken van China’s economische succes. Doordat een dergelijke ‘Beijing-consensus’ ontbreekt, kunnen westerse waarnemers China’s ervaringen afdoen als idiosyncratisch, waarmee ze verhinderen dat de lering die eruit valt te trekken brede ingang vindt.
Han Feizi.
Gegeven die combinatie van conceptuele belemmeringen en weerstand tegen onbekende denkkaders zal het niet eenvoudig zijn het Westen ervan te overtuigen dat ‘de rest’ iets te bieden heeft. Voorlopig is het concrete bewijs dat het Aziatische beleid succes heeft waarschijnlijk het beste argument om niet-westerse opvattingen over te nemen. Zo zou de invoering, in India, van een unieke digitale identiteitscode (‘Aadhaar’ genaamd) meer kunnen betekenen voor de totstandkoming van een inclusieve economie dan welke academische publicatie ook.
Toch zullen niet-westerse denkers hun ideeën op de lange termijn moeten vertalen in toetsbare modellen en theorieën. Vanwege de complexiteit en de onderlinge verbondenheid van bestaande stelsels zal dat waarschijnlijk niet de verdienste van één individu zal zijn, een nieuwe John Maynard Keynes of Milton Friedman, maar eerder een collectieve onderneming op basis van gedeelde kennis. De Chinese traditie om voor elke dynastie een ‘encyclopedie’ te maken, schept in dat verband een nuttig precedent.
In het bedrijfsleven leidt grotere diversiteit tot groter succes. De verschillende perspectieven die verschillende partijen inbrengen, en zelfs het ongemak dat uit die verschillen kan voortkomen, leiden meestal tot innovatie. Nu de wereld de problemen probeert aan te pakken die voortkomen uit de westerse visie op groei en ontwikkeling, zoals economische ongelijkheid en maatschappelijke onvrede, is juist dat soort uit diversiteit geboren doorbraken nodig. Het Westen heeft zijn zegje gedaan. Nu is de rest aan de beurt.
Auteur: Andrew Sheng
Vertaler: Nico Groen
Andrew Sheng is momenteel professor aan de Tsinghua-universiteit in Beijing. Zijn laatste boek verscheen onder de titel From Asian to Global Financial Crisis in 2009 bij de Cambridge University Press.
Deze non-profitorganisatie, opgericht in 1994, produceert commentaren en journalistiek door bekende economen, politici, academici en andere maatschappelijk betrokken schrijvers voor een wereldwijd publiek. PS levert content aan 459 media in 155 landen.
Hoe Azië het Westen pijlsnel inhaalt
Het Westen stond de afgelopen tweehonderd jaar aan kop in de wereldgeschiedenis, maar die tijd is voorbij. Volgens Kishore
Mahbubani, een van de bekendste denkers van Azië, zijn onder andere China en India hard bezig om het Westen over te nemen, op zowel
economisch als intellectueel vlak.
De Balie nodigde Mahbubani uit in de serie De Balie Invites om uit te vinden wat de oorzaak is van deze verandering. Hoe moet het Westen reageren?
Het is begrijpelijk dat president Trump de Amerikaanse staal- en aluminiumindustrie wil beschermen tegen China, schrijft zakensite Bloomberg. Maar door de importtarieven te verhogen kiest hij voor een ‘Game of Thrones-oplossing’ waarmee hij zijn partners van zich vervreemdt.
Gary Cohn had een van de zwaarste klussen in Washington: een impulsieve president die stond te popelen om een handelsoorlog te ontketenen daarvan proberen te weerhouden. Nu Cohn is opgestapt als directeur van Trumps Nationale Economische Raad, is de weg voor de president vrij om hoge tarieven te heffen op de import van staal en aluminium uit de hele wereld. Ook heeft Trump meer speelruimte gekregen om China te straffen voor vermeende diefstal van intellectuele eigendom. De Verenigde Staten zijn van plan Chinese investeringen in te dammen en uiteenlopende Chinese goederen hoge invoerbelastingen op te leggen, vertelden goed ingevoerde waarnemers op 6 maart aan Bloomberg News.
Trump en de nationalisten naar wie hij luistert, zoals minister van Economische Zaken Wilbur Ross en handelsadviseur Peter Navarro, hebben een punt. De Amerikaanse staal- en aluminiumindustrie is zwaar getroffen door oneerlijke Chinese concurrentie. China heeft onder internationale druk een begin gemaakt met de sluiting van enkele staalfabrieken. Toch is de productiecapaciteit nog altijd twee keer zo groot als in 2006, het jaar waarin de Chinese staatsraad aan- kondigde structurele overproductie te willen stimuleren. De aluminium- productie volgt hetzelfde patroon.
Veel critici doen Trumps belofte om de importtarieven te verhogen af als een truc om stemmen te winnen of als spierballenvertoon. Dat is het misschien ook wel, maar het is meer dan dat
Trump en zijn adviseurs hebben ook gelijk wanneer ze zeggen dat economische macht uitoefenen een kwestie is van nationale veiligheid en dat China dat spelletje beter beheerst dan de VS. Het is China’s vaste gewoonte om buitenlandse bedrijven te dwingen hun intellectuele eigendom af te staan – de kroonjuwelen van elk bedrijf. Het is de prijs die ze betalen om zaken te mogen doen in het land. Met het project ‘Made in China 2025’ maakt China middelen vrij voor een scala aan geavanceerde technologieën, zodat het land minder afhankelijk wordt van potentiële vijanden als de VS en Japan. In de door het Pentagon opgestelde nationale defensiestrategie voor 2018 beschuldigen de VS China en Rusland ervan ‘de internationale orde van binnenuit te ondermijnen’.
Trump verdient daarvoor alle lof, want veel critici doen zijn belofte om de importtarieven te verhogen af als een truc om stemmen te winnen of als spierballenvertoon. Dat is het misschien ook wel, maar het is meer dan dat. Niemand minder dan Michael Froman, de voormalige handelsadviseur van president Obama en bepaald geen vriend van Trump, zei op 5 februari: ‘Het is in het nationale belang om een sterke eigen staal- en aluminiumindustrie te hebben.’
Nu is het tragische dat Trump niet China maar de VS tot mondiale steen des aanstoots heeft gemaakt. De nationale veiligheid als rechtvaardiging opvoeren om de invoertarieven te verhogen geeft andere landen het excuus om hetzelfde te doen, waardoor een gat ontstaat in het web van handelsovereenkomsten dat de VS de afgelopen decennia zo zorgvuldig hebben gesponnen. En de tarieven aan alle landen opleggen, waarmee Trump heeft gedreigd, slaat een bres in het gezamenlijke front van Amerikaanse handelspartners dat nodig is om China een toontje lager te laten zingen. ‘Het zal worden beschouwd als laatste en belangrijkste signaal dat de VS onder Trump niet langer een betrouwbare economische partner zijn,’ zegt Roland Rajah van het Lowy Institute, een in Sydney gevestigde denktank.
Een Amerikaanse staalarbeider snijdt een nieuw-gegoten plaat staal af in een fabriek in Indiana. – Scott Olson / Getty Images
Critici zijn er als de kippen bij om erop te wijzen dat China de op tien na grootste staalleverancier van de VS is en de op drie na grootste aluminium-leverancier. Trumps tarieven vormen een gevaar voor ongeveer ‘nul procent’ van de Chinese economie, schreef Tom Orlik van Bloomberg Economics op 1 maart. Canada, de grootste exporteur van beide metalen naar Amerika, zal er veel meer last van krijgen.
Ineens laait de discussie op over een mogelijke handelsoorlog tussen de VS en enkele van hun trouwste bondgenoten. De voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, nam de stoere taal van Trump over tijdens een toespraak in Duitsland op 2 maart: ‘We gaan de tarieven voor bourbon, Harley-Davidson-motoren en Levi’s-spijkerbroeken verhogen. Wij kunnen ook stom doen. We zullen wel zo stom moeten zijn.’ De kop van de Londense krant City A.M. maakte een toespeling op het beroemde nummer ‘American Pie’ van Don McLean: ‘Hit the Chevy with a Levy, Tax Your Whiskey & Rye’.
Trump twitterde uiteraard terug dat als Europa zou terugslaan, de VS op hun beurt de invoertarieven op Europese auto’s zouden verhogen. Op 5 februari zond hij een tweet de wereld in dat hij mogelijk een uitzondering zou maken voor Canada en Mexico als ze bereid waren een ‘nieuwe en eerlijke’ Noord-Amerikaanse vrijhandelsovereenkomst te ondertekenen. Dat ondergroef uiteraard zijn eerdere argument dat de tarieven noodzakelijk waren uit oogpunt van nationale veiligheid.
Game of Thrones
Dat westerse leiders elkaar te dom af proberen te zijn speelt China in de kaart en verklaart misschien waarom Chinese leiders zich relatief stil hebben gehouden. Liu He, een hoge gezant van president Xi Jinping, hield zich gedeisd toen hij Washington bezocht en opriep tot samenwerking. Zoals Napoleon zou hebben gezegd: loop nooit een tegenstander voor de voeten die een verkeerd besluit neemt.
De reden waarom Trump zijn bondgenoten op handelsgebied blijft aanvallen, is dat hij handel ondanks de inspanningen van adviseurs als Cohn beziet vanuit een Game of Thrones-perspectief: als een oorlog waarin een van beide partijen móét verliezen. Volgens de trumponomics is export goed en import slecht. Een handelstekort wordt vooral gezien als een bewijs dat de andere partij te kwader trouw is.
Bij welke docent economie Trump op Wharton ook in de collegebanken heeft gezeten, die zal de huidige situatie met afgrijzen aanschouwen. Twee partijen hebben voordeel bij een internationale transactie, anders zouden ze geen zaken met elkaar doen. Sterker nog: het is heel normaal dat landen een overschot hebben bij sommige partners en een tekort bij andere, precies zoals het hoofd van het huishouden een ‘handelstekort’ bij zijn of haar supermarkt, huisarts of tandarts heeft en een ‘handelsoverschot’ bij zijn of haar werkgever.
Hoewel een handelstekort met een land natuurlijk niet op problemen wijst, is het voor de VS niet gezond om overal ter wereld een hardnekkig tekort te hebben. Betere handelsovereenkomsten kunnen die tekorten terugdringen, doordat ze barrières voor de export van Amerikaanse goederen en diensten wegnemen. Daar heeft Trump gelijk in.
Maar de Amerikaanse handelstekorten laten ook zien dat het land er niet in slaagt genoeg geld over te houden om in fabrieken, woningbouw, wegen et cetera te investeren. Het handelstekort is het statistische broertje van een gebrek aan middelen: de VS moeten lenen om hun consumptie te financieren, in plaats van dat het land import betaalt met export. Op dat vlak gaat het de verkeerde kant op. De belastingverlagingswet die meer banen moet opleveren, eind 2017 triomfantelijk door Trump ondertekend, zal er alleen maar voor zorgen dat het nationale begrotingstekort toeneemt. Dat zorgt er volgens economen weer voor dat het gebrek aan middelen groter wordt, evenals het handelstekort. Als een eeneiige tweeling komen het begrotings- en het handelstekort uit ‘dezelfde zygote’, aldus de titel van een onderzoeksrapport van de bank JPMorgan Chase & Co op 2 maart.
Door zich onder verwijzing naar het zelden gebruikte ‘lid 232’ van de Handelsexpansiewet van 1962 op de nationale veiligheid te beroepen, scheppen de VS een precedent voor het omzeilen van de regels van de Wereldhandelsorganisatie. De WHO is traag en lang niet altijd effectief, maar wanneer landen haar beginnen te negeren en elkaar om de oren slaan met hoge tarieven en quota, kan de wereldhandel met een schok tot stilstand komen. Dat zou iedereen parten spelen.
‘De nationale veiligheid moet als argument voor speciale gelegenheden achter de hand worden gehouden, zoals het hoort,’ zegt Nicole Lamb-Hale, voormalig staatssecretaris van Economische Zaken in de regering-Obama. ‘Andere landen zullen zeggen: “Amerika doet het, dus wij mogen het ook”,’ aldus Lamb-Hale, tegenwoordig directeur bij Kroll Inc., een onderzoeks- en beveiligingsbedrijf.
Het idee dat de VS hun metaalproductie zouden moeten opvoeren om schepen, tanks en vliegtuigen te vervangen die in de strijd zijn verwoest, is Tweede Wereldoorlogdenken, aldus Jeff Bialos, partner bij advocatenkantoor Eversheds Sutherland in Washington en voormalig staatssecretaris van Defensie in de regering-Clinton. ‘Vandaag de dag gaat het om kwalitatief overwicht,’ zegt hij. Als het schieten begint, ‘vechten we met wat we hebben’.
‘Doen hetzelfde als China’
Dat Trump met een handelsoorlog dreigt, maakt het lastiger om gecoördineerd op te treden tegen de nationalistische Chinese handels- en investeringsagenda. Duitsland is sinds 2016 een stuk scherper op zijn beleid op het gebied van buitenlandse investeringen. In dat jaar verijdelden de VS de verkoop van Aixtron, een Duitse fabrikant van apparatuur voor de productie van halfgeleiders, aan een Chinees investeringsbedrijf door de aankoop van de Amerikaanse tak te dwarsbomen. In september stelde Commissievoorzitter Juncker een systeem voor de hele EU voor om directe investeringen vanuit het buitenland te screenen. Vorig jaar gaf Australië opdracht tot het opstellen van een landelijk register van kwetsbare overheidsbezittingen. Het register dient om bestuurders te informeren die moeten besluiten over transacties waarbij de nationale veiligheid in het geding kan zijn. De Australiërs waren zich namelijk rot geschrokken toen een Chinese investeerder rechtstreeks met de overheid van de Northern Territory onderhandelde over de lease – 99 jaar lang! – van Darwin, een haven pal onder de neus van de Amerikaanse marine.
Maar op dit moment lopen de VS het gevaar hun morele gelijk inzake handel en investeringen kwijt te raken. Daniel Rosenthal, adviseur bij Kroll op het gebied van buitenlandse investeringen in de VS, zegt dat de VS China al jaren de les lezen omdat het de nationale veiligheid als excuus gebruikt. Rosenthal: ‘We ondergraven ons eigen standpunt, want intussen doen we precies hetzelfde.’
In navolging van Berlijn, Dublin en Barcelona proberen ook de Portugese steden Lissabon en Porto technologiebedrijven aan te trekken. De lage loonkosten zijn allang niet meer hun enige troef.
Wie zei er dat Portugal nooit technologiereuzen als Google en Amazon aan zou kunnen trekken, ondanks zijn zon en stranden? Google is van plan om een centrum voor technische ondersteuning in Oeiras [in Groot-Lissabon] te openen en daar 535 banen te creëren. Het beeld van ons land in het buitenland beperkt zich dus niet tot het toerisme en de goals van Cristiano Ronaldo.
Dankzij het gunstige economische tij, de geografische ligging, de relatieve veiligheid, de goede infrastructuur en het Portugese talent, ondersteund door een overheidsbeleid dat inzet op digitale technologie, biedt Portugal opeens een uiterst moderne aanblik. En gezien de snelheid waarmee momenteel grote investeringen worden gedaan, lijkt de innovatiestrategie van de overheid zijn vruchten af te werpen.
Google, dat twintig jaar geleden door twee studenten uit Stanford werd opgericht, is niet het eerste internetzwaargewicht dat zich in Portugal vestigt. Maar het bedrijf is zo groot dat er waarschijnlijk andere hightechmultinationals zullen volgen, Amazon bijvoorbeeld. Dit Amerikaanse bedrijf onderhandelt al een jaar over de opening van een servicecentrum in Porto, met 250 hooggekwalificeerde banen. Het moet veel meer dan een eenvoudig logistiek centrum worden, een echte technologische hub van waaruit de marktleider van de onlineverkoop zijn expansie naar Afrika wil uitrollen. De miljardair en zakenman Jeff Bezos, die behalve van Amazon ook eigenaar is van The Washington Post en zich opmaakt om ook in de gezondheidszorg actief te worden, wil in de havenwijk Boavista een kantoor bouwen. Hij haakt daarmee aan bij de opvallende creatieve activiteit in Noord-Portugal.
Google heeft zijn oog op Lagoas Park in Oeiras laten vallen omdat het bedrijf binnen de regio Lissabon alleen daar genoeg kantooroppervlak en groen vindt en de huren er redelijk zijn. In juni zullen zich 535 werknemers installeren in zevenduizend vierkante meter moderne bureauruimte. De leden van de Portugese regering die zich met het dossier hebben bemoeid, weten sinds het Web Summit in november [een groot jaarlijks congres van de internetsector in de Portugese hoofdstad] dat Lissabon het won van andere steden als het Poolse Krakau, dat een felle strijd leverde om de investering naar zich toe te trekken.
De Amerikaanse internetreus wil op termijn tweeduizend banen creëren, waaronder zo’n vijfhonderd hooggekwalificeerde banen, voor ingenieurs en voor informatici, die applicaties moeten gaan ontwikkelen. Daarnaast zijn er administratief en financieel medewerkers nodig en mensen voor werving en selectie, marketing en klantenservice, naast natuurlijk technisch personeel voor Googles primaire dienstverlening.
‘We hebben geen enkele steun of subsidie toegezegd’, vertelt minister van Economie Manuel Caldeira Cabral, die bij de gesprekken betrokken was. ‘We hebben dit soort servicecentra sowieso weinig prikkels te bieden. Europese subsidies zijn vooral bestemd voor industrie en toerisme. En van belastingvoordelen is ook geen sprake geweest.’
Tweeduizend informatici
Google heeft, net als andere technologiereuzen, de warme belangstelling van de Eurocommissaris voor Mededinging Margrethe Vestager. Het bedrijf kwam niet weg met de belastingvoordelen die het genoot in Ierland, waar het zijn Europese hoofdkwartier heeft gevestigd.
De komst van de nieuwe hightechcentra roept de vraag op of Portugal eigenlijk wel het gekwalificeerde personeel bezit om aan de plotseling gestegen vraag te voldoen.
‘Er is momenteel in de informatie-technologiesector een tekort aan tweeduizend informatici,’ geeft de voorzitter van de Portugese ingenieurs-vereniging Carlos Mineiro Aires toe. Het probleem is de laatste jaren zelfs verergerd. Op het hoogtepunt van de crisis, tussen 2011 en 2014, verlieten 40.000 à 50.000 informatici Portugal. ‘Landen als Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken en Noorwegen organiseerden in Portugal professionele bijeenkomsten en kaapten onze beste mensen weg, door ze goede salarissen en arbeidsomstandigheden te bieden. Ze kiezen de beste uit, en deze jonge hoogopgeleiden verlaten Portugal zonder enige compensatie voor de studie van 40.000 à 50.000 euro die ze hebben genoten’, zegt Mineiro Aires grimmig.
Volgens recent onderzoek van het wervingsbureau Michael Page zijn de salarissen voor informatici in Portugal het afgelopen jaar met vijftien procent gestegen. Maar Mineiro Aires noemt ze ‘nog steeds erg laag’. ‘Gemiddeld verdienen die hoogopgeleiden netto minder dan duizend euro per maand. Met zulke lage salarissen wordt het lastig om ze in Portugal te houden.’ Maar als de vraag naar informatici door de komst van de grote internet-bedrijven gaat groeien, zullen de salarissen snel stijgen.
Alexandre Vaz van de ‘Digital Delivery Hub’ die Mercedes-Benz vorig jaar in Portugal opende en dat al snel een onafhankelijk bedrijf werd, Mercedes-Benz.io Portugal, zegt geen enkele moeite te hebben om gekwalificeerd personeel te vinden. ‘Vóór het eind van dit jaar willen we honderd werknemers hebben. We hebben al veel cv’s ontvangen, waaronder ook van kandidaten uit het buitenland. Veel jongeren ontdekken Portugal en willen er graag gaan wonen; sowieso is de markt voor programmeurs steeds internationaler.’
Nu Lissabon en Portugal in trek zijn, krijgen directies van digitale multinationale bedrijven meer aandacht voor wat er in ons land gebeurt. Vaak gebeurt dat tijdens het Web Summit, dat afgelopen november voor de tweede keer plaatsvond in het Parque das Nações in Lissabon. Vaak zijn ze voor het eerst in Portugal. Ze zien het levendige ecosysteem van start-ups en andere initiatieven dat in Lissabon floreert, waarderen de creatieve sfeer, kijken rond en pakken hun rekenmachientjes erbij. Niet alleen de goedkope Portugese arbeidskrachten zijn voor hen aantrekkelijk; ze zoeken een investering die op wereldwijde schaal concurrerend is. Het land voldoet aan dat criterium en heeft bovendien hoogopgeleid personeel, wat een extra pluspunt is.
‘Deze buitenlandse bedrijven willen die talenten graag aan zich binden,’ vertelt directeur Rui Coelho van Invest Lisboa, een organisatie opgezet om investeerders naar de regio toe te halen. ‘In de technologiesector vindt een wereldwijd gevecht om talent plaats, omdat de sector leeft van innovatie en zowel de producten als de diensten steeds complexer worden. Het is dus belangrijk voor zulke bedrijven om zich ergens te vestigen waar de allerbesten graag willen komen werken’.
‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren’
De werkomstandigheden zijn in Lissabon uitstekend en de stad kan op dat vlak prima concurreren met Barcelona, Berlijn of Dublin. ‘In Barcelona is de politieke situatie niet stabiel’, gaat Coelho verder, ‘en wat Berlijn betreft, kan ik je garanderen dat je een Duitse informaticus eerder naar Lissabon krijgt dan daarnaartoe. In Dublin is er, ondanks de taal en het gunstige belastingklimaat, een sterk verloop van personeel, omdat de concurrentie tussen al die hightechbedrijven moordend is. En de huren zijn erg hoog.’
De opening van de innovatiehub in Beato [waar voor het einde van dit jaar 35.000 vierkante meter voorzien is] stelt ook andere buitenlandse bedrijven in staat om zich hier te installeren. Alleen al in 2017 begeleidde Invest Lisboa 526 bedrijven, investeerders en ondernemers daarbij.
Voor voormalig staatssecretaris van Innovatie Carlos Oliveira, tegenwoordig directeur van InvestBraga [een economisch stimuleringsbureau voor de stad Braga] profiteert het land momenteel van het ‘multiplier effect’ dat de toeloop van buitenlandse investeerders met zich meebrengt. ‘Er gebeurt veel in Portugal, en we hebben op dit moment precies wat investeerders zoeken: gekwalificeerd personeel, in veel grotere aantallen dan onze concurrenten.’ Zowel voor de callcenters, waar mensen uit krimpende sectoren komen werken, als voor onderzoek en ontwikkeling en voor technische afdelingen. ‘Die mensen zoeken interessant werk dat betaalt.’ Carlos Oliveira valt hem bij: ‘Wanneer een investeerder personeel wil aantrekken, is het belastingklimaat niet het belangrijkste criterium.’
Is deze vijver aan talent onuitputtelijk? ‘Het wordt hoog tijd om over die vraag te gaan nadenken,’ vindt Oliveira. ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren en meer plaatsen bij de technische vakken aan de universiteit creëren. Dat zal binnen vijf jaar zijn effect hebben op de arbeidsmarkt.’ Dat geeft de andere internetgiganten nog even tijd om zich te bezinnen.
Auteur: Clara Teixeira en Paulo M. Santos
Vertaler: Valentijn van Dijk
In 1993 onderging het zwart-wit weekblad_ O Jornal_ op tabloidformaat een metamorfose: het veranderde in een fullcolourmagazine, een soort Portugese Newsweek. Inmiddels is de titel uitgegroeid tot het tweede actualiteitenmagazine van het land, na Expresso.
Vladimir Poetin wil niet terug naar het politieke model van de Sovjet-Unie, maar wel naar de economische ambities waartoe de perestrojka de aanzet gaf. Dat gaat niet zonder militaire macht.
De lasershow met kruisraketten op het reusachtige scherm tijdens de presidentiële redevoering op 1 maart jl. heeft misschien niet alle sceptici van het land overtuigd, maar wel de buitenlandse functionarissen: Rusland heeft de stoutste verwachtingen van de patriotten overtroffen én de angstigste visioenen van zijn vijanden. Russische wetenschappers hebben kruisraketten ontworpen die niet ‘klem zullen komen te zitten in de Eiffeltoren’, maar veel verder en veel sneller zullen vliegen, volgens een volstrekt onvoorspelbare koers.
Laten we de afgelopen weken nog eens de revue laten passeren. Een nog altijd onmetelijk land – ondanks het verlies van enkele gebieden – dat in het discours van het Westen meermaals op de schroothoop is gegooid, heeft blijk gegeven van een buitengewone wil om weer het evenbeeld te worden van de indertijd geduchte Sovjet-Unie. Vladimir Poetin maakte deze vergelijking niet voor niets.
Wat we moeten begrijpen is dat Poetin niet wil terugkeren naar de Sovjet-Unie, maar naar de taak die de Sovjet-Unie zich gesteld had
De Sovjet-Unie moest op een gegeven moment het welvaartspeil verhogen en de mate van vrijheid in het land vergroten. Dat lukte haar bijna in de jaren zestig. Maar in de geschiedenis worden problemen zelden afdoende opgelost. En eind jaren tachtig stortte de Sovjet-Unie alsnog in.
De vraag die Poetin stelde, heel wat jaren geleden al, over de aard van de onzichtbare catastrofe die zich parallel aan de geopolitieke catastrofe [de ineenstorting van de Sovjet-Unie] afspeelde, is nog altijd niet definitief beantwoord. Oud-premier Jegor Gajdar had op een dag gedecreteerd dat de Sovjeteconomie niet te hervormen was. Maar communistisch China heeft vervolgens aangetoond dat deze stelling niet klopt. Natuurlijk, we hebben nationale conflicten gehad, maar het waren niet alleen de mechanismen van de ‘unie’ die blokkeerden. Dat gebeurde ook met de mechanismen van de ‘socialistische Sovjetmachine’, terwijl die diepgaand hervormd had kunnen worden en nog altijd had kunnen functioneren in het grootste deel van de uiteengevallen Sovjet-Unie, namelijk de Russische Federatie.
Een van de beroemdste ruimtevaarders van de Sovjet-Unie, Boris Tsjertok, heeft geschreven dat de technocratische elite van de Sovjet-Unie, de beste ter wereld, indertijd had gewezen op ‘het onvermogen van de intelligentsia, met name de Russische, om zich op het politieke vlak te organiseren’.
Toen Rusland een tiental jaren geleden weer ‘opkrabbelde’ – waar sommigen over lasterden – herinnerde men zich plotseling weer dat ‘de versnelling en de perestrojka’ [het programma voor de hervorming van de Sovjet-Unie van Michail Gorbatsjov in de jaren 1985-1991] niet gericht waren op achteruitgang. Ze waren erop gericht een grote, egalitaire en machtige natie te transformeren tot een even grote, militair iets minder machtige (op gelijke voet met de VS) en nog steeds egalitaire natie, maar op een iets andere, liberalere en welvarendere leest geschoeid. En dat is de uitdaging waar we nu voor staan. Wat we moeten begrijpen is dat Poetin niet wil terugkeren naar de Sovjet-Unie, maar naar de taak die de Sovjet-Unie zich gesteld had. En die niet is gerealiseerd. Want een van de voorwaarden – de handhaving van een sterke militaire capaciteit – was verwaarloosd. Zoals een van onze lezers die thuis is in de natuurkunde, ons schreef: ‘Een nieuwe thermonucleaire kruisraket, daar hadden we ons al veel eerder mee moeten uitrusten. Dan waren ons al die sancties bespaard gebleven.’
Nu zijn we dus weer een militaire grootmacht. Maar hoe zit het met de andere gebieden? In zijn redevoering wordt de snelle groei van het bbp als doelstelling aangekondigd. ‘Een bbp dat met 1,5 wordt vermenigvuldigd voor het midden van het volgende decennium, dat wil zeggen voor de jaren 2024-2025, dat wil zeggen een gemiddelde stijging van het bbp met 6 procent’, zo is uitgerekend door Aleksej Koedrin, directeur van het Centrum voor Strategisch Onderzoek. Volgens hem heeft de president ‘de lat een stuk hoger gelegd dan de ramingen van de deskundigen, zelfs als ervan uit wordt gegaan dat er structurele hervormingen worden doorgevoerd’. Iedere deskundige heeft natuurlijk zijn eigen visie. In zijn redevoering heeft de president ook een beroep gedaan op de onafhankelijke, centrale bank om zich bezig te houden met de economische groei, wat in de ‘structurele hervormingen’ niet is opgenomen. Dialoog is dus noodzakelijk.
Nieuwe kans
Er is iets zeldzaams gebeurt in de geschiedenis: door onze fouten hebben we een nieuwe kans om te realiseren wat ooit is mislukt. Een van de belangrijkste lessen die we geleerd hebben is dat we leven in een wereld waar de concurrentie meedogenloos is. Die is niet verdwenen met de Koude Oorlog, of met het einde van de communistische ideologie, die zal nooit verdwijnen. Je kunt het je concurrenten niet naar de zin maken. Je kunt ze alleen overwinnen. Door te concurreren natuurlijk en, alleen in geval van agressie, met geweld. Hoe kunnen we in deze context een innovatieve, onbeperkte groei van de productiemiddelen bevorderen zonder een buitensporige druk uit te oefenen op de bevolking? We weten het niet. Maar er zijn veel elementen van dit mechanisme aangedragen in deze redevoering. De Russische samenleving staat voor de uitdaging ze aan te grijpen en te ontwikkelen en ‘zich op het politieke vlak te organiseren’.
In 1995 opgericht door oud-medewerkers van dagblad Kommersant.Gezaghebbend in economische kringen, kritisch waarnemer van de Russische samenleving.
Nieuwe spelregels
Onder de kop ‘Daarentegen bouwen wij raketten’ wijdt het Russische magazine Profil zijn openingsartikel aan de toespraak van Vladimir Poetin, die ‘verbazing en schrik, en tezelfdertijd hoop heeft gewekt’. In een artikel met als kop ‘Destabilisering van de instabiliteit’ stelt het blad dat het militaire aspect van diens boodschap urbi et orbi erg lijkt op ‘een totale herziening van de spelregels op het gebied van een evenwicht van militaire en politieke machten’.
Aalsmeer is het epicentrum van de wereldwijde bloemenhandel. In een gigantisch gebouw worden dagelijks 27 miljoen bloemen verhandeld. El País kreeg een rondleiding door een labyrint van rozengeur en maneschijn.
Het is elf uur ’s ochtends als een koelwagen achteruitrijdt en zich vasthaakt aan laad- en losdock nummer 17. De chauffeurs stappen uit, openen de containers en er komen 48.250 rozen tevoorschijn. De rozen komen uit Soria [Spanje], waar ze twee dagen eerder zijn geplukt, waarna ze via Frankrijk en België in twintig uur tijd naar Aalsmeer zijn vervoerd. Hier, in dit gigantische gebouw van 1,3 miljoen vierkante meter met 443 identieke laad- en losdocks waar dagelijks 27 miljoen bloemen de ruimte binnengaan en weer verlaten, wordt de lading gelost. Binnen vindt de transactie tussen verkopers en kopers plaats. Op de grootste bloemenveiling ter wereld gaan de bloemen van de teler naar de groothandel, worden vraag en aanbod samengebracht en de prijs bepaald. De bloemen en planten worden verwerkt volgens een uitgekiend logistiek proces in het gebouw. Dit proces begint met de komst van een vrachtwagen met volle stapelwagens die door loodsmedewerkers worden uitgeladen.
De rozen uit Soria komen in bossen van tien. In elke rechthoekige emmer is plaats voor tachtig rozen, in elke stapelwagen passen er 1500. De rozen worden naar een koelcel gebracht met een temperatuur van vier graden boven nul, waar een laatste inspectie plaatsvindt. De beste rozen, van het type A1, met stelen van bijna een meter lang en dikke, openspringende knoppen, worden verfraaid met een kartonnen verpakking, waardoor de biedprijs wellicht hoger uitvalt.
‘Deze komen uit Ecuador, en die daar, dat zijn Afrikaanse rozen.’ Henk Lammers zit al 35 jaar in het vak en herkent de bloemen van de concurrent van veraf. Jaren geleden werkte hij als veilingkoper; daarna, in de jaren tachtig, opende hij in Madrid een groothandel en nu is hij in Nederland verantwoordelijk voor de transacties van Aleia Roses, een Spaans bedrijf dat in 2016 in de bloemenhandel is gestapt. Aleia Roses heeft in Soria een enorme kas waar de Red Naomi wordt geteeld, een van de meest gewilde rozen. Elke dag worden er honderdduizend rozen geoogst die bijna allemaal naar veilinghuis Aalsmeer worden getransporteerd, waar het bedrijf een eigen kantoor en koelcel heeft.
Lammers is onze gids in dit gebouw. We volgen zijn kindjes in deze enorme machinerie in Aalsmeer. Vele kilometers leggen we af in een labyrint van gangen en ijskoude ruimtes, waar het altijd ruikt naar een tuin in de vroege ochtend.
Jaaromzet 4,7 miljard
Royal Flora Holland, de coöperatie die eigenaar is van de Aalsmeerse bloemenveiling, draait een jaaromzet van 4,7 miljard euro (dat is twee keer de omzet van de Spaanse boekenbranche). De geschiedenis van het veilinghuis gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw en is onderwerp van het proefschrift ‘The Making of Dutch Flower Culture’ (later bewerkt tot het boek Holland Flowering) waar de Amerikaanse antropoloog Andrew Gebhardt in 2014 op promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Van de zes veilinghuizen (nu zijn dat er nog vier) die eigendom zijn van Flora Holland werken tienduizend personen per dag via Aalsmeer,’ schrijft Gebhardt in zijn onderzoek. ‘Dit is de grootste van allemaal. Het veilinghuis bedient de lokale, de regionale en de wereldmarkt. Zowel in Nederland als daarbuiten is Aalsmeer het gezicht van de bloemenindustrie, en in Aalsmeer vond de allereerste veiling van tuinbouw- producten plaats.’
Gebhardt vertelt dat de plaatselijke passie voor bloemen is geboren in de zeventiende eeuw, de Nederlandse Gouden Eeuw. Toen richtten de Nederlanders de blik naar buiten, hielden ze zich bezig met wetenschappelijk onderzoek en deden allerhande uitvindingen, koloniseerden ze gebieden én vochten ze tegen de Spanjaarden. De nouveaux riches importeerden exotische goederen en raakten geïnteresseerd in nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, zoals tuindecoratie. Er ontstond zelfs een run op tulpen uit Turkije, de zogeheten tulpenmanie, die aan de wieg stond van een van de eerste financiële zeepbellen. De prijzen van tulpenbollen schoten omhoog en er werd druk geïnvesteerd en gespeculeerd. Je kunt het vergelijken met de bitcoineuforie van nu. Maar in 1637 spatte de bloembollenzeepbel uit elkaar en zagen veel middenklassers hun spaargeld verdampen.
Het was de opkomst van het protestantisme, van het kapitalisme en de markteconomie. Twee eeuwen later, toen de Aalsmeerse bloementelers hun eerste kassen bouwden (de eerste kas voor rozenteelt dateert uit 1896), besloten ze zich te verenigen in een coöperatie. Door hun oogst dagelijks op een veiling te verkopen konden ze tegenwicht bieden aan de machtspositie van de koper. Het veilinghuis Aalsmeer is in 1911 opgericht. Gebhardt: ‘Zonder veiling en zonder coöperatie zou de markt gedomineerd worden door de kopers.’ De in een coöperatie verenigde telers konden rekenen op een minimumprijs voor hun product, ze deelden het belang om een goed product te verkopen voor een redelijke prijs én ze waren immuun voor financiële zeepbellen: de snijbloem is een beperkt houdbaar product. Naarmate er minder oorlog werd gevoerd in Europa, de koopkracht steeg en de consumptiemaatschappij en globalisering zich consolideerden, groeide dit lokale initiatief.
Momenteel is Nederland de op vier na grootste bloemenproducent ter wereld (na de Verenigde Staten, China, Japan en India), maar omgerekend per hoofd van de bevolking is de sector kolossaal.
De bloemenindustrie bedraagt maar liefst 5 procent van het bbp. Nederland heeft 43 procent van de wereldwijde bloemenexport in handen en is daarmee met gemak marktleider. De omzetcijfers van 2016 van Flora Holland, de coöperatie die bijna alle veilingen in Nederland heeft opgeslokt, waren verpletterend. In dat jaar verkochten de vier veilingen samen 3,3 miljard rozen, 2 miljard tulpen, 1,2 miljard chrysanten en 1 miljard Afrikaanse margrieten. Een fors deel van die bloemen werd verhandeld via Aalsmeer. Nogal wat bloemen komen uit Kenia, Ecuador, Ethiopië en Colombia, na Nederland de grote exportlanden. Van daaruit vertrekken ze naar grootverbruikers als Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, waar snijbloemen een alledaags product zijn dat je in de supermarkt kunt kopen, legt Lammers uit, terwijl we nog steeds in de koelcel staan, die nu is volgeladen met zo’n zeventigduizend bloemen.
Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om “te kijken en te voelen”: “Emoties sturen deze handel aan”
Snijbloemen blijven een week of drie goed. Daarom moet de veilinglogistiek snel en nauwkeurig verlopen en mag het koelen niet onderbroken worden. Onmiddellijk na het lossen verschijnt er een elektrisch wagentje, zo eentje waar gemakzuchtige golfers in rijden, dat zich vasthaakt aan de 31 stapelwagens met de rozen uit Soria, en zo vormen ze, vastgekoppeld aan elkaar, een tientallen meters lange bloementrein die langzaam het gebouw in rijdt. Tijdens de rit kruist het treintje andere bloementreinen die allemaal een frisse, zoete geur verspreiden. Daarnaast zijn er fietsen waarmee je gemakkelijk de afstanden in de veiling kunt overbruggen.
De rozen uit Soria worden naar een nieuwe koelcel gebracht, het voorportaal van de veiling – een ruimte die zo groot is dat je er een potje zou kunnen voetballen als er geen stellages met bloemen zouden staan en als de automatische deuren niet zomaar zouden openspringen om de zigzaggend door elkaar heen rijdende stapelwagens door te laten. In deze koelruimte staan alleen maar rozen, de rest van de snijbloemen gaan naar soortgelijke ruimtes. Hier blijven de rozen staan tot morgenochtend zes uur, wanneer de veiling begint. Om vijf uur ’s ochtends, een uur voor aanvang van de veiling, loopt een man langs de rijen rozen uit verschillende continenten. Hij staat stil, pakt een bos, betast de rozenblaadjes, zet de rozen terug in hun emmer en loopt door. Aan het eind van de rij slaat hij de hoek om en begint opnieuw. Een andere man zegt in zijn mobiele telefoon in het Frans ‘30 centimeter’, daarbij doelend op de stengel (hoe langer de stengel, hoe duurder de roos, want dan blijft de roos langer goed). Het zijn de kopers. Voordat de veiling begint inspecteren ze de bloemen. Een aantal jaren geleden, toen iedereen fysiek aanwezig was bij de veilingen, was het in deze ruimte net een mierenhoop. Nu wordt het merendeel van de bloemen via internet verhandeld. Maar veilingmeester Erik Wassenaar komt bijna altijd kijken. Hij draagt een jack en een spijkerbroek. Vandaag moet hij 1200 stapelwagens (vier miljoen rozen, vlak voor Valentijnsdag loopt dat aantal met 50 procent op) verkopen. Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om ‘te kijken en te voelen’: ‘Emoties sturen deze handel aan.’
Red Naomi, Mystic Blue
Even voor zessen loopt Wassenaar naar de koffieruimte, waar hij een paar geintjes maakt met zijn collega’s. Daarna loopt hij in zijn eentje zijn onpersoonlijke kantoor binnen en verruilt zijn nette schoenen voor een paar sneakers met platte zool. Zo kan hij het pedaal waarmee hij de veilingcontroles ijkt goed voelen. Op zijn tafel staan een toetsenbord met vreemde tekens en twee beeldschermen. Op het ene scherm staat een grote cirkel met een schaalverdeling van 1 tot 100, een voor elke eurocent. Dit is de veilingklok. Verkopen via de veilingklok is een Nederlandse uitvinding. De veilingmeester noemt een startprijs, laten we zeggen één euro. Daarna, als een digitale secondewijzer, telt de klok razendsnel cent voor cent af. In plaats van de prijs op te drijven, drukken de kopers aan de andere kant van het web op een knop als ze de juiste prijs te pakken hebben. Een angstaanjagend spel: je moet wachten tot de prijs zover is gezakt dat je zo min mogelijk hoeft af te rekenen, maar wacht je te lang, dan is een andere koper je voor. Dit vak vereist zelfbeheersing en stalen zenuwen.
‘Laten we het zo stellen: het is niet handig om de avond ervoor een paar biertjes gedronken te hebben,’ glimlacht onze gids. Dan klinkt er ineens een Japanse gong. De veilingmeester zet zijn koptelefoon op zijn hoofd en zegt: ‘Ladies and gentlemen! Pure Roses…’ Wat volgt gaat in het Nederlands, in korte zinnen: ‘minimale afname…, steel 50 centimeter…’ Onderwijl tikt Wassenaar op zijn toetsenbord en draait het bolletje rond en volgt de ene na de andere transactie. Tot zijn kantoortje dringen vaag de stemmen van de andere veilingmeesters door die in identieke veilingzalen zitten. Zo nu en dan neemt hij een slok koffie en prijst hij een partij aan op een speciale toon: ‘Red Naomi, Mystic Blue,’ zegt hij geheimzinnig in de microfoon. Na achttien minuten is Aleia Roses uit Soria aan de beurt. Hij pauzeert even om de spanning op te voeren, en daar gaan de partijen. In 3 minuten en 16 seconden worden er 41.320 eenheden verkocht, dat is 210 rozen per seconde. Die van de hoogste kwaliteit gaan voor 81,3 cent de deur uit, 15 procent duurder dan de vorige keer.
Intussen treedt er buiten zijn kantoor een machinerie in werking. In de koelcel worden de geveilde bloemenkarren op een rail getrokken en als onbemande spookhuiswagentjes door de ruimte geleid, richting de distributiehal. Dit is het kloppende hart van de markt: een hoge ruimte waar geen einde aan komt en waar zenuwslopende muzak klinkt, terwijl een wirwar van behendig bestuurde elektrische wagentjes de stapelwagens naar een volgende plek rijden, waar de bloemenpartij op een nieuwe stapelwagen wordt geladen en door andere elektrische wagentjes naar buiten worden gereden. In vijf uur tijd worden er vijftigduizend transacties gesloten; dat zijn 166 bewegingen per minuut. Aan boord van een van de elektrische wagentjes leidt de baas van het distributiecentrum, David Otten, ons de drukke werkvloer op waar men vlak langs elkaar rijdt en je getrakteerd wordt op een concert van gepiep, gezoem en gekletter. Otten zegt dat er 270 elektrische wagentjes rijden en dat het bij 284 link wordt. Elke bestuurder draagt een koptelefoon met een voice-systeem dat de instructies in zijn oor lispelt. Het is een vrouwenstem tegen wie de bestuurders terugpraten. ‘Vaak,’ zegt hun baas, ‘fantaseren ze dat ze met een bloedmooie vrouw spreken.’ Een bijenkorfbrein dat een leger elektrische wagentjes aanstuurt. Otten wijst naar een poster met daarop de slogan ‘Samen vullen wij de wereld met bloemen’. Hij wil dat de werknemers trots zijn op wat ze doen. ‘Wij zorgen ervoor dat honderdduizenden cadeaus hun bestemming bereiken; wij vullen de wereld met emoties.’ Aangestuurd door kunstmatige intelligentie wordt er een regenboog vol dromen, beloftes, dood en teleurstellingen, liefkozingen, geboortes, relaties, leugens, hoop en prestaties de wereld in gestuurd.
Het complete spectrum wordt bestreken, van rozen voor één euro tot die van de chique bloemist.
Evenals in andere branches hebben digitalisering en globalisering bepaalde taken overbodig gemaakt; het personeel is in vijf jaar tijd met driehonderd man (zo’n 10 procent) gekrompen. Ook kalft de positie van Nederland als zenuwcentrum af: in 2005 was het land goed voor 50 procent van de wereldwijde export, dat is 7 procent meer dan tegenwoordig. Maar het totale volume is toegenomen: er worden meer bloemen gekocht dan tien jaar geleden. En Aalsmeer is cruciaal. ‘De prijs in Aalsmeer is bepalend voor de rest van de wereld,’ legt Lambert van Horen uit, bloementeeltanalist bij de Rabobank. ‘Iedereen kijkt naar Aalsmeer, want het is de grootste veiling ter wereld. Net zoals een graankoper de markt in Chicago in de gaten houdt. Aalsmeer helpt de teler bij het nemen van zijn beslissingen: hier wordt bepaald welke kleuren en bloemen het goed gaan doen. Maar één ding is zeker: in de toekomst is deze fysieke ruimte overbodig.’ Van Horen legt uit dat veel bloemen niet meer naar Aalsmeer zullen komen. Een scherpe foto met de specificaties die de kopers online kunnen bekijken volstaat. Nog maar een van de veertien veilingen in Aalsmeer wordt fysiek bezocht. De volledig in bedrijf zijnde veiling houdt het midden tussen een saaie collegezaal en de controlekamer van een ruimtevaartagentschap. De kopers, zonder uitzondering mannen, zitten zwijgend op een tribune achter hun beeldscherm. Het is een steriel proces geworden. Vroeger konden ze de bloemen zien, ruiken en voelen.
De koningin
Ruud Haak (53) koopt al drie decennia lang bloemen, de laatste twintig jaar heeft hij zich toegelegd op de roos, ook wel de koningin van de bloemen-industrie genoemd (omzet in Nederland: 1,2 miljard euro). Je zou hem de rozenbroker van distributeur Hilverda De Boer kunnen noemen. Hij werkt vanuit de vestiging van het meer dan honderd jaar oude bedrijf aan de overkant van de weg. Elke ochtend van zes tot tien neemt Haak plaats in een donkere zaal vol beeldschermen en ergonomische stoelen, samen met een dozijn andere kopers, als ruimteverkeersleiders opgesteld in een halve cirkel. Hij heeft die ochtend voor aanvang van de veiling een kijkje genomen in de koelcel. Het aanbod viel tegen. Dan is het zaak de prijs niet te ver te laten zakken: snel reageren, anders blijf je met lege handen achter. Hij weet nog dat hij op Valentijnsdag zijn duurste rozen ooit heeft gekocht, ze liepen tegen de vier euro. ‘Voor dit soort soort werk bestaat geen opleiding – je hebt het of je hebt het niet,’ zegt Haak terwijl zijn vingers razendsnel over het toetsenbord vliegen om op de prijs te bieden die op het scherm wordt afgeteld.
Na afloop toont hij de distributie-|afdeling waar alle bestellingen van die ochtend worden afgehandeld. In een doos ligt een bos rozen uit Soria, klaar voor transport naar bloemist Le Jardin des Fleurs in Rennes (Frankrijk). Een aantal andere emmers gaat naar de winkel van Ernst van Woerkom, vlak in de buurt. Al zijn bloemen komen uit Aalsmeer. Terwijl hij de doorns van de stelen afhaalt en de rozen op een houten tafel zet vertelt hij wat bloemen doen: ‘Bloemen maken emoties los. Ze kunnen je in een andere stemming brengen, ze spreken zonder iets te zeggen, ze kunnen een intens verdrietige gebeurtenis een beetje opfleuren.’ Stukje bij beetje vertelt deze bloemendecorateur, niet bloemist’ wat bloemen voor hem betekenen, een band die teruggaat tot zijn kindertijd, en over het door hem gemaakte bloemstuk dat elk jaar in Amsterdam aan Sinterklaas wordt aangeboden en, niet te vergeten, over de bloemendecoratie voor de koninklijke bruiloft van Letizia en Felipe in de Kathedraal van Madrid. Op de toonbank vouwt hij het bewijs open: knipsels uit het tijdschrift Hola. En daarnaast iets wat de aandacht trekt: twee rozen in de knop met zorg in een vaas geschikt. Te koop voor achtenhalve euro.
Warschau vertrouwt op de economische ontwikkeling, maar zonder democratische garanties. Een politiek die weerklank vindt onder de bevolking.
In de tijd van de liberalen [die van 2007 tot 2015 de regering vormden] zou Polen een tweede Ierland worden. Dat paste in de ideologie in het land, die een combinatie was van economisch liberalisme, de klassieke instituties van de liberale democratie en een uiterst conservatieve katholieke traditie. Anders dan de voorgaande regering ziet de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid (PiS) het echter niet als haar enige doel om de maatschappij te voorzien van ‘warm water uit de kraan’. De partij wil van Polen een macht van betekenis maken en kiest daarom voor het Chinese model: een sterke economie die nationale trots wekt maar waarin burgerlijke vrijheden slechts schijn zijn.
De partij heeft het er zelfs over om een uniek Poolse versie van de democratie te creëren, die niet per se liberaal is. In de praktijk betekent dit dat ze de scheiding der machten afschaft, de rol van de inlichtingendiensten versterkt en controle wil hebben over het internet, onder andere door, net als in China, bepaalde sites te blokkeren. De partij centraliseert de staat, beknot de bevoegdheden van plaatselijke overheden en eist een overheersende rol op in maatschappelijke organisaties.
Ook heeft de regering zeggenschap over de rechtbanken en komt er, net als in China, een systeem van ‘volkscontrole’, waarin zogenaamd gerechtelijke organen al vóór de zitting een oordeel op schrift geven.
Brood in plaats van vrijheden
Het Hooggerechtshof moet binnenkort een kamer accepteren die als volkstribunaal zal functioneren en vraagtekens kan plaatsen bij uitspraken van professionele rechters, die toch definitief zouden moeten zijn. Sinds ze de macht over het Constitutioneel Hof kreeg, heeft de PiS daarvan een instrument gemaakt voor wetgeving die haar goeddunkt. Afgelopen november hebben PiS-afgevaardigden het Hof gebruikt om de wetgeving over abortus [toch al een van de minst liberale in Europa] opnieuw te bezien.
Het Chinese model biedt brood in plaats van vrijheden en is daarmee een succes geworden, dat economische macht combineert met individuele tevredenheid en nationale trots. Volgens een enquête uit juli 2017 in vier voormalige volksdemocratieën (Hongarije, Polen, de Tsjechische Republiek en Slowakije) hechten de Polen bijna twee keer zoveel belang aan materiële zaken als aan de democratie. Zo’n 22 procent van de ondervraagden beoordeelt een regering in de eerste plaats vanuit het gezichtspunt van ‘levensstandaard, de prijzen van producten en toegankelijkheid van diensten’, terwijl 12 procent ‘de vrijheid, de democratie en de mogelijkheid om zijn eigen mening te uiten’ op de eerste plaats zet. In de staten van ons ‘blok’ [de Visegradlanden] is de steun voor de democratie en de vrijheid gemiddeld 15 procent.
Blijkbaar heeft de PiS met haar keuze voor het Chinese model de publieke opinie haarfijn aangevoeld. Natuurlijk, wij zijn (nog) geen economische macht, maar de regering onderstreept voortdurend dat alles prima gaat. Wij worden liever de schandvlek van Europa dan een politieke macht, en zijn daarmee het voorbeeld van de eeuwige ‘homo sovieticus’ [de stereotype inwoner van de communistische landen van Oost-Europa die passief is en niet in staat om individueel initiatief te nemen], maar we zijn er niet minder trots om.
Zo voedt de PiS ook de verering van de ‘vergeten strijders’ [guerrillabewegingen die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog tegen het communistische regime vochten], terwijl de staatstelevisie alleen maar macht en succes uitstraalt. Nu al volgt de jongere generatie nieuwe onderwijsprogramma’s ter bevordering van goed ‘burgerlijk en patriottisch gedrag’. De Europese Unie beklaagt zich over ons, maar wat hebben wij aan de Europese Unie? Wij kunnen een andere bondgenoot kiezen, en veel tekenen wijzen erop dat die bondgenoot China zal zijn. Wij bezetten een sleutelpositie in het Chinese project van de nieuwe zijderoutes, waarlangs Chinese producten naar de Europese markt zullen stromen. Daarom gaan de Chinezen een nieuw vliegveld voor ons aanleggen dat voldoet aan de eisen van het Europa van de eenentwintigste eeuw en zullen wij hun pakketjes over heel Europa gaan rondbrengen, volgens een contract dat afgelopen najaar tussen de beide nationale postbedrijven is gesloten.
Polen heeft voor 400 miljoen euro aan staatsobligaties afgegeven in yuans, die we zullen terugbetalen in euro’s
Bovendien steken we ons bij China in de schulden. Polen heeft voor 400 miljoen euro aan staatsobligaties afgegeven in yuans, die we zullen terugbetalen in euro’s. Tenslotte heeft een staatssecretaris afgelopen september nog verklaard dat wij zouden kunnen afzien van Europese subsidies als de EU ons zou helpen om de helft van de oorlogsherstelbetalingen van Duitsland te krijgen. De Europese fondsen maken deel uit van de EU, dus de suggestie dat wij daarvan kunnen afzien komt neer op zeggen dat de PiS-regering een ‘Polexit’ voor mogelijk houdt.
Het versterken van de samenwerking met China kan betekenen dat dat land voor ons de EU zal vervangen. Niet een Europese maar een mondiale partner, die 15 procent van de economieën van Zuid-Amerika controleert en de helft van al het land in Siberië. Voor China kan Polen de poort zijn naar de overheersing van Europa. In hun dialoog met Beijing beschrijven de Poolse autoriteiten hun land zelf als ‘de poort tot Europa’.
De geschiedenis is geneigd zich te herhalen en Big Brother kan opnieuw zorgen voor een eenpartijsysteem in Polen. Zoals het er nu uitziet werkt de westerse democratie niet.
‘De Verkiezingsgazet’ is opgericht na de val van de Muur en uitgegroeid tot een grote krant. Doelstelling: nieuws brengen op informatieve en seculiere wijze.
Chinese consumenten zijn eraan gewend dat muziek op internet gratis is. Internetgigant Tencent probeert ze langzaam van die gedachte af te brengen.
Afgelopen augustus verzamelden op een bloedhete avond duizenden jonge Chinezen zich in het stadion van Nanjing om de vierde verjaardag van de Chinese boyband TFBoys te vieren. Wie niet aanwezig kon zijn, kon deze memorabele gebeurtenis rechtstreeks online volgen, wat 118 miljoen mensen dan ook deden. De hele uitzending lang verschenen er sms-berichten op het scherm, terwijl 7 miljoen fans volgens goed Chinees gebruik 340 miljoen yuan (45 miljoen euro) aan de artiesten schonken via betrokken sites en apps. Deze laatste hadden allemaal met elkaar gemeen dat ze in het leven zijn geroepen door Tencent, of het nu gaat om QZone, QQVideo, QQMusic, We Sing (Quanmin KGe), Kuwo Music, KuGou Music of KuGou Live.
Toch moet worden benadrukt dat deze sites en apps, op de laatste na, niet speciaal voor live-uitzendingen zijn bedoeld. Maar een gebruikster van het sociale netwerk QZone hoefde bijvoorbeeld niet op KuGou Live over te schakelen om haar idolen TFBoys te zien. Tencent, de Chinese wetenschaps- en technologiemastodont, heeft al een revolutie ontketend in de manier waarop mensen communiceren, betalen en videospelletjes doen, en is nu klaar om de manieren van muziekconsumptie voorgoed te veranderen.
Het Chinese bedrijf, in 1998 opgericht in Shenzhen, is momenteel in staat om vrijwel de gehele markt te domineren. In juli 2016 fuseerde zijn muziekstreamingdienst QQMusic met de China Music Corporation (CMC, die op zijn beurt KuGou en Kuwo bezat, twee zeer populaire concurrenten van QQMusic) om een nieuwe afdeling te vormen, Tencent Music Entertainment (TME, dat inmiddels al deze diensten verzorgt). Volgens een rapport van DCCI, het centrum dat Chinese internetdata verzamelt, delen Kuwo en KuGou inmiddels 75 procent van de markt met QQMusic.
Toch betekent deze dominante positie niet per se dat de sector veel winst oplevert. Het afgelopen decennium zijn de Chinezen gewend geraakt om gratis toegang tot muziek te krijgen. ‘Wij hebben elke maand meer dan zeshonderd miljoen actieve gebruikers, maar het aantal betalende abonnees onder hen blijft gering, 3 procent oftewel achttien miljoen mensen,’ zegt Andy Ng, vicevoorzitter van TME. Hij voegt eraan toe dat op een meer volwassen markt het percentage rond de 20 of 30 procent zou moeten schommelen.
Toch blijft Andy Ng optimistisch: ‘Wij zien een enorm groeipotentieel met talrijke ontwikkelingsmogelijkheden.’ De cijfers zijn in elk geval veelbelovend. Volgens statistieken zijn de Chinese inkomsten uit het downloaden van muziek in 2016 met 20,3 procent toegenomen, en die van streaming alleen al met 30,6 procent. De giganten van de sector onderzoeken momenteel nieuwe manieren om Chinese gebruikers wat geld te laten betalen om meer te krijgen dan waartoe ze tot voor kort gratis toegang hadden.
‘Jonge Chinezen geven graag een paar dollar uit om de artiesten te steunen van wie ze fan zijn’
Om de overgang van een gratis dienst naar een betalende dienst geleidelijk te laten verlopen, hanteert Tencent nogal bescheiden tarieven. Zo biedt QQMusic drie verschillende maandabonnementen aan voor respectievelijk 8, 12 en 15 yuan (1, 1,5 en 1,9 euro). (Ter vergelijking: Premium van Spotify kost 9,99 euro.) Maar de Chinese gebruikers kijken niet op van zulke aanlokkelijke aanbiedingen, omdat ze al lange tijd profiteren van de prijzenoorlog die de netmaatschappijen onafgebroken met elkaar voeren, daarbij flink geholpen door investeerders. Zoals WeChat, het Chinese equivalent van Twitter, dat ook eigendom is van Tencent, niet zomaar een eenvoudige berichtenapp is maar nauw verweven met de hele diensteneconomie van China, is TME bezig rond de muziekstreaming een ecosysteem met toegevoegde waarde te bouwen voor het betaald beluisteren en downloaden van muziek. De basisstrategie bestaat uit het inspelen op de behoeften van de premiumgebruikers door het aanbieden van gratis toegangskaartjes voor concerten, een professionele geluidskwaliteit en tegoeden voor videospelletjes, een sector die wereldwijd wordt gedomineerd door het moederbedrijf. QQMusic heeft eveneens een pilot gelanceerd onder de noemer ‘digitale albums’; wanneer het platform een album online zet dat uitgebreid is gepromoot, wordt het eerst in een betaalzone geplaatst voordat het na twee of drie maanden in de algemene catalogus wordt opgenomen.
Deze manier van functioneren begint zijn vruchten af te werpen. Toen de originele opname van Fast & Furious 8 uitkwam bij QQMusic, verkocht de site binnen een week meer dan een miljoen digitale kopieën. Andy Ng: ‘Jonge Chinezen geven graag een paar dollar uit om de artiesten te steunen van wie ze fan zijn.’ Volgens DCCI is meer dan 90 procent van de gebruikers van QQMusic jonger dan 28 jaar. Ten slotte moet nog worden opgemerkt dat Tencent niet alleen actief is op muziekgebied: het bedrijf houdt zich ook bezig met live videostreaming, sinds 2016 een ware rage onder Chinese internetgebruikers. Het bedrijf Iresearch Consulting schatte de markt hiervoor onlangs op ongeveer 20,8 miljard yuan (2,65 miljard euro). Ook speelt Tencent in op de karaokeverslaving van de Chinezen. De app WeSing, waarmee je kunt meezingen met je smartphone en de opnames kunt delen met vrienden of onbekenden, heeft inmiddels een stevige plek op de markt veroverd met 460 miljoen gebruikers.
Tegenstanders van de Brexit voorspelden ‘koopspijt’ als Groot-Brittannië in een recessie zou belanden. Maar die bleef uit, schrijft Larry Elliott. En de meeste mensen gingen gewoon door met hun leven.
We hebben het allemaal wel eens meegemaakt: het moment waarop je thuiskomt en beseft dat je die nieuwe trui helemaal niet wilde hebben en hem eigenlijk ook niet kon betalen. Dat heet koopspijt, en het was een idee dat de tegenstanders van een Brexit troost gaf toen ze probeerden bij te komen van de schok na het referendum over de Britse lidmaatschap van de Europese Unie in juni 2016.
Wat de Brexit betreft betekende koopspijt dat mensen die vóór het vertrek uit de EU hadden gestemd daar snel spijt van zouden krijgen omdat de economie onmiddellijk in een diepe recessie zou geraken, zoals het ministerie van Financiën in de aanloop naar het referendum had voorspeld. Project Angst was eigenlijk Project Realiteit, werd gezegd, en het zou niet lang duren eer de voorstanders van Brexit zouden aandringen op een kans om zich alsnog te bedenken.
Er waren ongetwijfeld mensen die, ondanks de onmiskenbare zwakke plekken in het Europese project, oprecht dachten dat er nooit iets goeds zou kunnen voortkomen uit een Brexit, en dat vooral de armen en kwetsbaren die vóór een vertrek hadden gestemd, het meest zouden lijden onder de onvermijdelijk geachte funeste gevolgen. Maar die koopspijt-theorie had een snobistische en hatelijke ondertoon, namelijk dat het plebs te stom was om te beseffen waar het vóór stemde.
Geen armageddon
Toch was de kans altijd klein dat er om die redenen een tweede referendum gehouden zou worden, en dat is ook niet gebeurd. We zijn nu anderhalf jaar verder en er zijn weinig tekenen te bespeuren van koopspijt. Dat komt gedeeltelijk doordat mensen om complexe redenen voor blijven of vertrekken stemden. Het referendum heeft nooit alleen om de economie gedraaid, en achteraf gezien was het een strategische blunder van de voorstanders van het lidmaatschap van de EU om het alleen te hebben over de consequenties van de uitslag voor het bruto binnenlands product en de huizenprijzen.
Een andere reden waarom er geen koopspijt is ontstaan, is dat het land – of liever gezegd: dat deel van het land (verreweg het grootste) dat niet geobsedeerd is door de Brexit – gewoon is doorgegaan met wat het altijd deed. Er zijn Brexit-fanatici, er zijn anti-Brexit-fanatici, en daartussenin zijn er miljoenen mensen die in juni 2016 om een beslissing werd gevraagd, die beslissing hebben genomen, en nu verwachten dat de democratie weer zijn loop heeft. Ze denken niet meer aan de Brexit, net zoals ze tussen twee verkiezingen in ook niet aan de politiek denken.
De koopspijt-strategie vereiste dat het Verenigd Koninkrijk in een recessie zou storten, maar daar is het land niet eens bij in de buurt gekomen. De economie was slap – vooral in vergelijking met die van andere grote, ontwikkelde landen – maar om koopspijt te genereren zou die sterk hebben moeten krimpen en hadden de werkloosheidscijfers omhoog moeten schieten. Met een equivalent van 2009 – toen de economie met meer dan 4 procent kromp – zou dat wellicht gebeurd zijn. Maar in plaats daarvan groeit de economie maar iets minder hard dan op de lange termijn was voorspeld en is de werkloosheid sinds 42 jaar niet meer zo laag geweest. Het uitblijven van een economisch armageddon heeft alleen het gebrek aan vertrouwen in deskundige voorspellers vergroot.
De eerste helft van 2017 was na het referendum de meest hachelijke periode voor de economie. De inflatie steeg snel vanwege de devaluatie van het pond na de keus voor een Brexit, maar zelfs toen was de groei gemiddeld nog 0,3 procent per kwartaal. Sindsdien gaat het weer iets beter, en nu de factoren die inflatie in de hand werken minder actief zijn, blijft dat in 2018 waarschijnlijk zo doorgaan. De verwachtingen voor de mondiale economie zijn naar boven bijgesteld, en dat is een steun voor Britse exporteurs van productiegoederen en diensten. Het enthousiasme op de beurzen kan voor een deel doorgeprikt worden, maar we kunnen er zeker van zijn dat 2018 niet weer een 2009 zal worden. Het tij van de mondiale economie is rondom het tijdstip van het Brexit-referendum gekeerd, en die opleving zal nog wel even standhouden.
Er zijn een paar redenen voor die veranderde stemming. Langdurige stimulering in de vorm van een ongekend lage rente en de vergroting van de geldvoorraad, die bekendstaat als ‘kwantitatieve verruiming’, is een van de factoren. Een andere is de verbeterde financiële positie van de banken.
Een derde factor is het natuurlijke ritme van de conjunctuur, hetgeen betekent dat zelfs behoedzame bedrijven moeten gaan investeren omdat hun bestaande apparatuur het begeeft of verouderd is. Om al die redenen ontstond er weer een vechtersmentaliteit. Bedrijven die overeind waren gebleven tijdens de Grote Recessie zagen dat de dingen eerder beter dan slechter gingen. Ze waren het zat om te zeuren.
Dat betekent niet dat de wereld als door een wonder veranderd is en dat alle problemen die ons de afgelopen tien jaar achtervolgden plotseling zijn verdwenen. Verre van dat. Die grote structurele problemen – het aangaan van te grote schulden om de consumptie te bevorderen, de tien jaar waarin de productiviteit niet is gegroeid, de toegenomen inkomensongelijkheid – zijn niet verdwenen en worden alleen maar verhuld door een krachtige, conjuncturele opleving. Een periode van solide groei schept een gunstiger klimaat waarin enkele van die zwakke punten kunnen worden verbeterd. Het staat nog te bezien of die kans wordt benut.
Dat geldt vooral voor Groot-Brittannië, waar de bedroevende productiviteit hét grote probleem van de afgelopen tien jaar is geweest. Als de groei in productie per hoofd van de bevolking sinds 2008 was doorgegaan in de richting van vóór de recessie, dan zou de levensstandaard inmiddels met 20 procent zijn gestegen. Zelfs volgens de meest pessimistische voorspellingen voor de invloed van de Brexit op de lange termijn wordt niet verwacht dat die even kostbaar zal zijn.
De verdedigers hebben er zo lang op gehamerd hoe vreselijk de Brexit zal uitpakken, dat ze vergeten zijn oplossingen te bedenken
Dat brengt ons bij het laatste probleem van de koopspijt-theorie: de verdedigers hebben er zo lang op gehamerd hoe vreselijk de Brexit zal uitpakken, dat ze vergeten zijn oplossingen te bedenken om iets te doen aan de redenen waaróm mensen tegen het EU-lidmaatschap stemden: lage lonen, onzekerheid over hun baan, het gevoel dat er niet naar hen werd geluisterd. Voorstanders van het EU-lidmaatschap grepen zich vast aan elke flard negatief nieuws over de economie – hoe onbeduidend ook – in de hoop dat het tot een ommezwaai zou leiden. Maar ze waren niet in staat om met een plan te komen dat de structurele, economische problemen van Groot-Brittannië zou oplossen, problemen die er al voor 23 juni 2016 waren en die zullen blijven bestaan, of het resultaat van het referendum nu wel of niet alsnog zou worden verworpen.
Het voortdurend blijven benadrukken van de negatieve gevolgen van de Brexit, zonder met oplossingen te komen voor het chronische tekort op de betalingsbalans van Groot-Brittannië, de noord-zuidkloof en het vertrouwen op de door schulden in stand gehouden groei, heeft de indruk gewekt dat sommige ‘blijvers’ een stevige recessie zouden verwelkomen omdat die de kiezers tot bezinning zou brengen.
Maar die blijvers winnen er niets bij als ze het slechte economische nieuws overdrijven. Misschien zou het beter zijn als ze erop wijzen dat de eurozone in 2017 de verwachtingen van de mondiale economie nog overtrof, en dat Mario Draghi als president van de Europese Centrale Bank de aangeboren gebreken van de euro geweldig wist weg te moffelen. De economie van het Verenigd Koninkrijk zal het in 2018 beter doen dan werd verwacht. Dat zulks deels het resultaat is van een sterkere eurozone, is een van die tegenstrijdigheden van het leven.
Auteur: Larry Elliott
Vertaler: Tineke Funhoff
Larry Elliott is economieredacteur van The Guardian.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Onder president Macron investeert Frankrijk fors in zijn nieuwe hightechindustrie. En dat begint te werken, constateert een verbaasde Amerikaanse journalist.
Om de reuzen van Silicon Valley het hoofd te bieden grijpt Frankrijk terug op een geheim wapen: de staat.
Van de financiering van durfinvesteerders tot de hervorming van een berucht complexe arbeidswetgeving, op alle gebieden wil Frankrijk de hardnekkigste sarcastische verhalen over het Franse ondernemingsklimaat logenstraffen (evenals de onterechte clichés van met wijn overgoten lunches en zomervakanties die een paar maanden duren) en de Franse hightechindustrie zo goed mogelijk in het zadel helpen.
En dat begint te werken. Sinds begin dit jaar hebben Franse durfinvesteerders meer geld binnengehaald (twee miljard euro, en het eind is nog niet in zicht) dan hun Britse of Duitse tegenhangers. Ook bedrijven als Facebook en Cisco hebben geïnvesteerd in Franse onderzoeksteams die zijn gespecialiseerd in complexe terreinen als kunstmatige intelligentie. En de 39-jarige president Emmanuel Macron is geprezen omdat hij – in het Engels nog wel! – de lof heeft gezongen van start-ups en die als oplossing heeft genoemd voor de economische stagnatie en de jeugdwerkloosheid, die in de dubbele cijfers loopt.
‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling. Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind’
‘Dit is de eerste keer in onze geschiedenis dat een president zich voor start-ups interesseert,’ zegt Nicolas Brusson, medeoprichter van BlaBlacar, een Parijse autodeelonderneming die met vestigingen in twintig landen en een beurswaarde van 1,4 miljard euro tot een van de belangrijkste en meest internationaal georiënteerde Franse start-ups kan worden gerekend.
‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling,’ voegt hij eraan toe. ‘Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind.’ Maar in de ogen van sommigen staat een dergelijke staatsinterventie gelijk aan ketterij. Volgens veel digitale apostelen mag geen enkele staat op hun vakgebied de concurrentie met de privésector aangaan. En heeft Frankrijk dan niets geleerd van zijn kostbare fouten uit het verleden? Zo heeft het land publieke middelen ingezet om de Amerikaanse vloedgolf van hightechbedrijven te keren. Quaero, een mislukt plan om een Europese concurrent van Google te creëren, is daar een goed voorbeeld van.
Deze zelfgenoegzame houding ten opzichte van de onzichtbare hand van de markt is een vergissing. Ze gaat ervan uit dat alle centra van technologische activiteit, van Parijs tot Praag, moeten stroken met de principes die van Silicon Valley de digitale hoofdstad van de wereld hebben gemaakt.
Maar Frankrijk heeft nauwelijks pensioenfondsen of andere goudgerande investeerders die bereid zijn grote cheques uit te schrijven ter ondersteuning van start-ups. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het land publiek geld gebruikt om het gat te dichten dat het privékapitaal doet ontstaan. In Frankrijk kunnen alleen wetgevers – niet ondernemers met hoody’s – de arbeidswetgeving hervormen die er al decennialang voor zorgt dat een Franse programmeur 50 procent duurder is dan een Britse.
In de Verenigde Staten is het in de wereld van de nieuwe technologie gebruikelijk de spot te drijven met de interventionistische strategie die de Franse staat hanteert om de nationale hightechsector op te bouwen. Maar diezelfde mensen die dat doen erkennen met tegenzin dat Beijing de ontwikkeling van lokale start-ups subsidieert, waarvan sommige inmiddels tot wereldleiders op digitaal gebied zijn uitgegroeid, en het functioneren van buitenlandse hightechondernemingen streng aan banden legt. Ze zijn soms ook geneigd de rol te vergeten die de Amerikaanse overheid heeft gespeeld bij de geboorte van de technologische sector aldaar, met name bij het creëren van het internet.
‘Ik dacht dat er een hele generatie nodig was om de Franse mentaliteit te veranderen,’ zegt Romain Lavault, partner in het Parijse investeringsfonds Partech Ventures. ‘Maar mensen staan opeens heel anders tegenover technologie.’
Deze heropleving van de digitale activiteit in Frankrijk heeft in de eerste plaats met geld te maken: de staat stopt er enorme bedragen in. Sinds 2013 is de grootste investeerder, zowel in start-ups als de plaatselijke durfinvesteerders, niemand anders dan Bpifrance. Deze investeringsbank, die eigendom is van de Franse staat, heeft er de afgelopen jaren meer dan vier miljard euro in gestoken om de nationale hightechsector nieuw leven in te blazen. Volgens financieel analysebureau CB Insights komt dat neer op ongeveer 20 procent van de Franse markt voor durfinvesteringen.
Paul-François Fournier, directeur innovatie van Bpifrance, legt uit dat het er niet alleen om ging Franse oplossingen voor Franse problemen te vinden. Buiten investeringen in binnenlandse start-ups en fondsen, licht hij toe, heeft de staatsbank ook Europese en Amerikaanse durfinvesteerders gefinancierd, met name om gespecialiseerde kennis op te doen over de mondiale hightechsector en buitenlandse fondsen ertoe over te halen in Frankrijk te investeren. Op dit moment zijn de Franse durfinvesteerders die door Bpifrance worden gefinancierd goed voor gemiddeld 160 miljoen euro, een verdubbeling ten opzichte van 2013, zodat deze lokale bedrijven op wereldschaal concurrerend kunnen zijn.
Nog een lange weg
Toch is er nog een lange weg te gaan voordat Parijs zich Silicon Valley aan de Seine kan noemen. Macron probeert het de Franse hightechkringen, die weer wat kleur op de wangen hebben, naar de zin te maken. Maar tegelijkertijd heeft hij het voortouw genomen in een Europese campagne om digitale bedrijven meer belasting te laten betalen in de hele EU – een offensief dat voornamelijk de reuzen van de Amerikaanse Westkust op het oog heeft (bekend onder de verzamelnaam Gafa: Google, Amazon, Facebook en Apple), maar ook ingrijpende gevolgen zal hebben voor kleine start-ups.
De grote rol van de overheid in de technologiesector zou algauw tot marktbeïnvloeding kunnen leiden, wat geen goed idee is gezien de snelheid waarmee de digitale wereld zich ontwikkelt. Typerend voorbeeld: in 2013 verbood Frankrijk de verkoop van Dailymotion, een Franse start-up op het gebied van videostreaming, aan Yahoo, om twee jaar later de Franse mediareus Vivendi wél toestemming te geven het bedrijf te kopen, tegen een lagere prijs.
Al deze staatssteun die recentelijk aan de technologiesector is verleend zal tevergeefs blijken als de Franse start-ups en durfinvesteerders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen: wereldwijd concurrerende bedrijven creëren.
De ‘eenhoorns’, digitale bedrijven die meer dan een miljard dollar waard zijn, blijven schaars in het Franse ecosysteem van nieuwe technologie. En de rentabiliteit van Franse fondsen die in start-ups investeren lag de afgelopen drie jaar gemiddeld op 6,3 procent, oftewel de helft van hun Britse tegenhangers in dezelfde periode.
Maar juist op dit terrein zal het Franse initiatief om nieuwe technologie te bevorderen zich moeten bewijzen. Publieke programma’s en financieringen kennen hun grenzen als het op wereldwijde concurrentie aankomt. Op een gegeven moment zal ook de privésector zijn rol moeten spelen.
Mark Scott
Politico
Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000
Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.
CONTEXT: ‘Toekomst van Europa ligt in Frankrijk’
Veel economische cijfers in Frankrijk, zoals op het gebied van werkloosheid of groei, zijn ‘rampzalig’, schrijft The Wall Street Journal. ‘Maar belangrijker is’, vervolgt het Amerikaanse dagblad, ‘dat Frankrijk jong is.’ 18,5 procent van de bevolking is vijftien of jonger, veel meer dan de 13 procent van Duitsland. ‘Zo bezien ligt de toekomst van Europa in Frankrijk, niet in Duitsland’, aldus de krant. Volgens WSJ is dit demografische gegeven bepalend voor het beleid dat door president Macron in werking wordt gezet, met name op het gebied van arbeidshervorming en onderwijs: ‘Hij verandert een land voor ouderen in een land voor jongeren.’
De slagingskansen van deze transformatie zullen zich niet beperken tot werkloosheids- en groeicijfers, want men zal ook oog moeten hebben voor ‘de vlucht van jong talent, verbetering van de schoolresultaten en het aantal mensen dat beroepsonderwijs volgt’.
Nu Trump de protectionistische kaart trekt, profileert China zich als voorvechter van de open economie. Maar wil het land echt een voorbeeld worden, dan zal het eerst moeten hervormen, schrijft men in Hongkong.
Op 17 januari heeft Xi Jinping tijdens het Economische Wereldforum in Davos de economische globalisering vurig verdedigd. Natuurlijk was het enigszins ironisch om een communistische leider tijdens een kapitalistisch forum de vrijhandel te horen bezingen. Toch is deze man ook de leider van de tweede economie en de eerste handelsmacht van de wereld, en als zodanig is het niet meer dan logisch dat hij wil opkomen voor de economische globalisering en de voordelen van de vrijhandel prijst. Volgens voorspellingen van het IMF zal China in 2016 1,2 procentpunt hebben bijgedragen aan de mondiale economische groei, waar de VS blijft steken op 0,3 procentpunt en Europa op 0,2. De Chinese bijdrage stijgt ruimschoots uit boven die van de gezamenlijke ontwikkelde landen. De woorden van Xi Jinping klinken als muziek in de oren van de elite van de mondiale financiële wereld, als tegenwicht tegen een verontrustend isolationistische Donald Trump die zijn problemen op anderen afwentelt.
Tijdens zijn twee toespraken heeft Xi Jinping de naam van de Amerikaanse president niet één keer genoemd
Tijdens zijn twee toespraken heeft Xi Jinping de naam van de Amerikaanse president niet één keer genoemd. Maar toen hij verklaarde dat ‘protectionisme een doodlopende weg is’, dat ‘we ons aan onze beloften moeten houden en de regels moeten respecteren; we kunnen niet maar van alles accepteren of verwerpen naar het ons goeddunkt’, of toen hij naar aanleiding van het akkoord van Parijs zei dat ‘we daar niet te luchtig over mogen doen’, richtte hij zich duidelijk tot Donald Trump. ‘In China zal de deur altijd wijd open staan voor de hele wereld en nooit dichtgaan,’ vervolgde de Chinese leider.
Diezelfde dag publiceerde zijn regering decreten ten gunste van meer openheid. Ook buitenlandse ondernemingen kunnen voortaan een notering krijgen op de beurs voor A-aandelen (uitgedrukt in yuans), op de beurs voor kleine en middelgrote ondernemingen, op de GEM-beurs (Growth Enterprise Market) in Hongkong en op de New OTC-beurs, die zich vooral op opkomende mkb-bedrijven richt; om kapitaal op te halen kunnen ze ook obligaties uitgeven en leningen afsluiten bij niet-financiële instellingen. Ook zijn de regels voor de hoogte van buitenlandse investeringen in banken en bedrijven versoepeld en zijn de sectoren waar die zijn toegestaan uitgebreid met accountancy, boekhouding en architectuur, evenals met ratingbureaus. Daarmee wordt de kapitaalvlucht afgeremd en wordt aan de rest van de wereld getoond dat China zich echt wil openstellen.
Daar moet wel bij worden gezegd dat Xi Jinping zijn veelvuldig gebruikte ‘globalisering’ steevast vergezeld liet gaan van het adjectief ‘economische’. Want voor universalisme is China nooit warmgelopen. Wat de internationale politiek betreft, houdt het land strikt vast aan de soevereiniteit en waardigheid van individuele staten en aan het principe dat nooit mag worden ingegrepen in binnenlandse aangelegenheden.
Donald Trump wil zich ontdoen van het juk van de huidige wereldorde, maar ook Xi Jinping wil die niet ongemoeid laten. In Davos zei hij het te betreuren dat het mondiale governancesysteem nog altijd geen weerspiegeling is van de ingrijpende ontwikkelingen die het internationale economische krachtenveld de laatste decennia heeft doorgemaakt, en dus niet representatief genoeg is. De noodzaak om dit systeem te hervormen neemt met de dag toe, vervolgde hij: de internationale gemeenschap streeft ernaar dat landen met opkomende markten ook een stem krijgen en zich beter vertegenwoordigd zien.
De Chinese president heeft bovendien willen tonen dat China zijn verantwoordelijkheid als grootmacht neemt door aan te kondigen dat zijn land 200 miljoen yuan [ca. 27 miljoen euro] extra zal bijdragen aan de hulp aan Syrische vluchtelingen en zal deelnemen aan VN-programma’s op dit terrein.
Donald Trump predikt ‘America first’: koop Amerikaanse waar, neem Amerikanen in dienst. Xi Jinping spreekt van een ‘menselijke lotsgemeenschap’ en van ‘een wereld waarin het beter zal gaan naargelang het China beter gaat’ – ideeën waaruit een diametraal tegenovergesteld wereldbeeld spreekt. In de VS is een nieuwe, onvoorspelbare en huiveringwekkende president aangetreden; Europa dreigt uiteen te vallen door het opkomende populisme, dat het gevolg is van de enorme toestroom van vluchtelingen en de economische neergang. De oplossing die Xi Jinping aan de hele wereld voorstelt is een uitstekende gelegenheid om de Chinese ‘soft power’ te etaleren; toch zullen de Chinese leiders moeten begrijpen dat ze daarvoor niet alleen op hun economische en militaire macht kunnen steunen. Om het Chinese model en de Chinese oplossing aantrekkelijk te maken voor de planeet en vooral voor de wereldbevolking, zal het land eerst zijn eigen instituties moeten vernieuwen en zich toleranter en welwillender moeten opstellen tegenover de mensheid.
Ondanks een duidelijke affiniteit met de Chinese machthebbers, blijft Ming Paotrouw aan de gewoonte om in de commentaren af en toe zeer kritisch te zijn over Peking. Onderdeel van de grootste Chineestalige persgroep buiten China.
CONTEXT – Mexico: Woedend gegrom
De frontale aanvallen van Donald Trump op Mexico hebben al geleid tot het afzeggen van het bezoek van president Enrique Peña Nieto aan Washington, dat voor 31 januari op de agenda stond. Ze hebben ook snel geleid tot massale oproepen op de sociale media in Mexico om Amerikaanse producten te boycotten. Met hashtags als #AdiósStarbucks en #AdiósCocaCola, zo schrijft de krant Milenio, roepen de gebruikers van de sociale media op om ‘lokaal te consumeren’ en hebben het daarbij voorzien op de pareltjes van de Amerikaanse consumptiemaatschappij, die een sterke positie hebben op de Mexicaanse markt, ‘maar die voor het merendeel franchiseondernemingen in Mexicaanse handen zijn’, aldus de krant.
De regering van Peña Nieto probeert – nog schuchter, zo merken de media op – van deze stemming te profiteren om de Mexicaanse economie te ondersteunen. Begin februari, zo schrijft de krant Excélsior, kondigde de regering een ‘modernisering’ aan van de vermelding Hecho en Mexico (‘Geproduceerd in Mexico’) om nationale producten onder de aandacht te brengen. Zij bekrachtigde tevens het oprichten van een orgaan dat de uitvoer van Mexicaanse producten moet bevorderen, met name door het verlagen van de douanetarieven.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.