Onderwerpen: Economie

  • Israël annuleert oliedeal met Verenigde Arabische Emiraten

    Israël annuleert oliedeal met Verenigde Arabische Emiraten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS en VK leggen nieuwe sancties op aan Nicaragua

    » Haven Los Angeles wil af van niet-opgehaalde zeecontainers

    Onder druk van de milieubeweging blaast Israël oliedeal af

    Een overeenkomst om vanuit de Verenigde Arabische Emiraten olie naar Europa te transporteren via Israël, is afgeblazen door energieminister Karine Elharrar van Israël. Milieugroeperingen protesteerden tegen de overeenkomst, een van de belangrijkste resultaten van de toenadering tussen Israël en de VAE vorig jaar, schrijft Al Jazeera.

    ‘Ik roep op de EAPC-overeenkomst te annuleren. Zij komt de Israëlische energiemarkt niet ten goede en brengt te veel risico’s mee voor de Golf van Eilat en voor bewoners’, aldus Elharrar. Aangezien het een deal betrof tussen private partijen, gaat Elharrar ervan uit ‘dat de opzegging geen gevolgen zal hebben voor de aangehaalde banden tussen beide landen’.

    Lees ook:

  • Zuid-Afrikaanse kinderen verkopen wifiwachtwoorden voor lunchgeld

    Zuid-Afrikaanse kinderen verkopen wifiwachtwoorden voor lunchgeld

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Pandora Papers: Chileense president ontsnapt aan impeachment

    » Amerikaans dorp lokt thuiswerkers met gratis oppas

    Wifiwachtwoorden van scholen worden doorverkocht aan buurtbewoners

    Schoolkinderen in Zuid-Afrika verkopen het wifiwachtwoord van hun school om hun lunch te kunnen betalen. Miljoenen verarmde kinderen in Zuid-Afrika hebben thuis geen internet en krijgen daarom gratis toegang tot internet op school. Tegen een vergoeding geven leerlingen het wifiwachtwoord van de school prijs aan mensen in de buurt van de school die geen internetaansluiting of mobiele-data-abonnement hebben, schrijft Rest of world. ‘De gangbare koers is 10 tot 20 rand, ongeveer 60 cent tot 1 euro 20’, aldus scholier Thabo, die in Duduza Township woont, op zo’n 90 kilometer van Johannesburg. ‘Op een goede dag verdien ik 50 rand’.

    Zuid-Afrika is volgens de Wereldbank ook het meest inkomensongelijke land ter wereld

    Veel Zuid-Afrikanen hebben behoefte aan goedkope internettoegang, zeker nu steeds meer activiteiten, van overheidszaken tot entertainment, online plaatsvinden. Het land heeft weliswaar de meest ontwikkelde telecommunicatie-infrastructuur van het continent en ook een van de meest geavanceerde economieën van Afrika, maar is volgens de Wereldbank ook het meest inkomensongelijke land ter wereld.

    Lees ook:

  • Interneteconomie Zuidoost-Azië groeit spectaculair door pandemie

    Interneteconomie Zuidoost-Azië groeit spectaculair door pandemie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Polen gaat muur bouwen aan grens met Belarus

    » Stockholm brengt het aantal elektronische steps sterk terug

    In 2025 zal de waarde van de interneteconomie verdubbeld zijn

    Volgens onderzoek van Google, Temasek en Bain & Co zal de interneteconomie van Zuidoost-Azië in 2025 verdubbelen tot 315 miljard euro, in plaats van de eerder voorspelde 260 miljard euro. E-commerce, reizen, media, transport en voedsel stimuleren de digitale groei. Sinds het begin van de pandemie kwamen er in de regio 60 miljoen nieuwe digitale consumenten bij, schrijft The Bangkok Post.

  • Topman ByteDance – het moederbedrijf van TikTok – vertrekt

    Topman ByteDance – het moederbedrijf van TikTok – vertrekt

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » China: Xi Jinping consolideert zijn macht met historische resolutie

    » Paus hekelt wapenfabrikanten

    Zhang Yiming treed terug als voorzitter

    De Chinese miljardair Zhang Yiming, oprichter van ByteDance, dat eigenaar is van TikTok, is teruggetreden als voorzitter van het bedrijf. De stap volgt enkele maanden na zijn ontslag als CEO van Bytedance, dat zich probeert te herpositioneren in een klimaat dat wordt gekenmerkt door hard optreden van de Chinese overheid tegen de internetindustrie, schrijft Al Jazeera.

    Zhang werd door de nieuwe CEO Liang Rubo vervangen in het vijfkoppige bestuur, waarin ook vertegenwoordigers van investeerders Susquehanna International Group en Sequoia Capital China zitting hebben. De achtendertigjarige oprichter zal nog wel betrokken blijven bij het formuleren van de langetermijnstrategie voor het Chinese technologiebedrijf.

    ANP 83226103 1 1
    Voormalig ByteDance-voorzitter Zhang Yiming met Apple-CEO Tim Cook in 2018. – © ByteDance / Imagine China

    Lees ook:

  • Dubai verkoopt aandelen in belangrijkste nutsbedrijf

    Dubai verkoopt aandelen in belangrijkste nutsbedrijf

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Adverteerders roepen op tot boycot van Facebook

    » Zeven hackers gearresteerd die betrokken waren bij grote ransomeware-aanvallen

    De eerste in een reeks staatsverkopen

    Dubai is van plan om aandelen in zijn belangrijkste nutsbedrijf DEWA, Dubai Electricity and Water Authority, te verkopen, waardoor het bedrijf wordt gewaardeerd op ruim 25 miljard dollar, circa 21,56 miljard euro. Na deze stap volgen waarschijnlijk nog meer staatsverkopen, aangezien de regering maatregelen wil nemen om de lokale beurs een impuls te geven, schrijft Al Jazeera.

    Lees ook:

  • Europese Unie loopt achter op het gebied van microchips

    Europese Unie loopt achter op het gebied van microchips

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » President eilandstaat Palau hekelt gebrek aan klimaatactie

    » David Beckham wordt cultureel ambassadeur van Qatar

    Europese investeringen in microchips blijven internationaal achter

    De EU wil de achterstand op Amerika en Azië op het gebied van microchips inhalen en heeft als doel om in 2030 20 procent van de wereldmarkt te veroveren. Maar dat verlangen botst met de eigen concurrentieregels en trage besluitvorming. Die bemoeilijken het opzetten van financieringsregelingen die kunnen wedijveren met de VS, Taiwan, Zuid-Korea en China. Sommige microchipbedrijven zijn dan ook sceptisch over de Europese ambities, schrijft Politico EU.

    De VS, Japan, Zuid-Korea, China en Taiwan concurreren onderling al om chipfabrikanten zoals TSMC, Intel en Samsung te verleiden zich in de desbetreffende landen te vestigen. De VS heeft bijna een pakket van 52 miljard dollar rond, en Zuid-Korea presenteerde in mei een strategie die via belastingvoordelen tot 450 miljard dollar aan particuliere financiering kan leiden. EU-landen hebben tot nu toe 3 tot 5 miljard euro opgehaald en circa 8 miljard zou via afzonderlijke investeringen kunnen komen, door met name Frankrijk, Duitsland en Italië.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/hoe-dreigend-is-%e2%80%a8made-in-china-2025/
  • Spanje ziet gasprijs verder stijgen door conflict Algerije-Marokko

    Spanje ziet gasprijs verder stijgen door conflict Algerije-Marokko

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » China wil nog geen expats

    » VS tegen ontbossing Amazone

    Sluiting gaspijpleiding Maghreb-Europa heeft grote gevolgen voor Spanje

    De ruzie tussen Algerije en Marokko heeft gevolgen voor Spanje. Tegen de achtergrond van de spanningen met Rabat heeft Algiers besloten het contract voor de exploitatie van de gaspijpleiding Maghreb-Europa (GME) na 31 oktober niet te verlengen. Madrid is op zijn beurt verstoken van een essentiële aardgasvoorziening, schrijft Courrier International.

    Lees ook:

    Via de GME gaat jaarlijks tot 11 miljard kubieke meter gas van Algerije, via Marokko, naar de gemeente Zahara de los Atunes, in de provincie Cádiz, in het zuiden van Spanje, om te worden verdeeld over het Iberisch Schiereiland (ook Portugal wordt getroffen door de sluiting van de pijpleiding).

    Spanje heeft nu al te lijden onder de sterke stijging van de energieprijzen

    ‘Spanje loopt voorlopig geen gevaar op tekorten, maar het zal wel te maken krijgen met een stijging van de gasprijs, die zal worden doorberekend in de elektriciteitsprijs’, aldus de liberaal-conservatieve website El Confidencial, terwijl het Zuid-Europese land nu al te lijden heeft onder de sterke stijging van de energieprijzen.

    De ontbrekende energie zal worden onder andere worden verkregen ‘door meer brandstof over zee aan te voeren’, aldus El País. Die operatie blijkt echter ingewikkeld te zijn. Niet alleen de prijs van aardgas is gestegen, ook de vrachtkosten zijn hoger. ‘Er is een tekort aan LNG-tankers [die vloeibaar aardgas vervoeren] in deze periode van economisch herstel’, zegt El Confidencial. Het gevolg is dat ‘de vervoerskosten zeer hoog zijn’.

  • Het verhaal van Mousseline: hoe de kostbaarste stof ter wereld plotseling verdween

    Het verhaal van Mousseline: hoe de kostbaarste stof ter wereld plotseling verdween

    Tweehonderd jaar geleden was Dhaka-mousseline uit de Bengalen de duurste stof ter wereld, met een schare liefhebbers, onder wie de Franse koningin Marie Antoinette en de Engelse auteur Jane Austen. Totdat ingewikkelde productietechniek in zeer korte tijd verdween.

    De keuze van editor at large Katrien Gottlieb

    ‘Mijn favoriete stuk van het jaar was “Mousseline, zo licht en zacht als de wind” uit het novembernummer. Dit BBC-artikel van Zaria Gorvett geeft lucht in deze gure dagen en spoort de verbeelding aan om terug te gaan in de tijd en het vernuft van de mens aan het werk te zien.’

    Een kleine tweehonderd jaar geleden was Dhaka-mousseline de kostbaarste stof ter wereld. Vervolgens verdween het van de aardbodem. Hoe kon dat gebeuren? En is het weer tot leven te wekken?

    Een nieuwe rage leidde aan het eind van de achttiende eeuw in Europa tot een grensoverschrijdend schandaal. Het kwam erop neer dat een complete sociale klasse ervan werd beticht zich naakt in het openbaar te vertonen.

    Aanstichter was het Dhaka-mousseline, een kostbare stof, geïmporteerd uit de gelijknamige stad in Bengalen, het tegenwoordige Bangladesh. Let wel, dat was heel ander mousseline dan we tegenwoordig kennen. Het kwam tot stand in een omslachtig proces van zestien stappen en betrof een zeldzame katoensoort die alleen langs de oevers van de heilige Meghna-rivier te vinden was. Het weefsel stond te boek als een van de grootste kostbaarheden van zijn tijd. Duizenden jaren lang genoot het wereldwijd bescherming en mocht het standbeelden van godinnen in het oude Griekenland, tal van keizers uit verre landen en generaties Aziatische Mogol-vorsten omhullen.

    Er waren veel verschillende soorten, maar de beste droegen suggestieve, door dichters aan keizerlijke hoven bedachte namen, zoals baft-hawa: ‘geweven lucht’. Dit hoogwaardige mousseline was naar verluidt zo licht en zacht als de wind, en volgens een reiziger zo extreem soepel dat je een rol van 300 voet (ruim 90 meter) door een ring kon trekken. Een ander schreef dat een stuk van 60 voet (18 meter) in een snuifdoos paste. Ook was Dhaka-mousseline nogal doorzichtig.

    Hoewel deze eersteklas stoffen van oudsher dienden om sari’s en jama’s – een soort tunieken voor mannen – te maken, herschiepen ze de kledingstijl van de Britse aristocratie ingrijpend. Gedaan was het met de gebeeldhouwde jurken uit de Georgian era (1714-1837), de tailles van anderhalve meter die nauwelijks door een deuropening konden. Ze ruimden het veld voor tere, losse ‘hemdjurkjes’. Niet alleen waren die door hun gaasachtige structuur behoorlijk pikant, ze zagen er ook uit als wat vóór die tijd werd beschouwd als ondergoed.

    ‘U hoeft zich alleen uit te kleden om volgens de laatste mode gekleed te gaan’

    In een populaire satirische prent van Isaac Cruikshank is een groepje vrouwen te zien in lange, felgekleurde mousseline jurken, waar hun billen, tepels en schaamhaar nadrukkelijk doorheen schemeren. ‘Parijse dames in hun winterjurk voor 1800’, luidt het bijschrift.

    In een al even misogyn getint satirisch stukje in een Engels damesblad helpt een kleermaker een vrouwelijke klant om zich volgens de laatste mode te kleden. ‘Zo gepiept, dame,’ verzekert hij haar, en maant haar vervolgens zich te ontdoen van haar petticoat, haar korset en haar mouwen. ‘Ziet u, het is heel eenvoudig,’ licht hij toe. ‘U hoeft zich alleen uit te kleden om volgens de laatste mode gekleed te gaan.’

    Toch was en bleef Dhaka-mousseline zeer gewild, althans bij degenen die het zich konden veroorloven. Het was de duurste stof van die tijd, met een schare devote liefhebbers, onder wie de Franse koningin Marie Antoinette, de Franse keizerin Joséphine Bonaparte en de Engelse schrijfster Jane Austen. Maar zo snel als dit wonderbaarlijke weefsel het Europa van de Verlichting veroverde, zo snel verdween het ook weer.

    Aan het begin van de twintigste eeuw was het mousseline van Dhaka nergens ter wereld meer verkrijgbaar. De enige overgebleven monsters waren veilig weggestopt in peperdure privécollecties en in musea. De ingewikkelde productietechniek raakte in de vergetelheid en het enige type katoen dat kon worden gebruikt, Gossypium arboreum var. neglecta – plaatselijk phuti karpas genoemd – stierf in zeer korte tijd uit. Hoe kon dit gebeuren? En kon het worden teruggedraaid?

    Phuti karpas

    De oorsprong van Dhaka-mousseline schuilt in een gewas dat groeide op de oevers van de Meghna, een van de drie rivieren die de grootste delta ter wereld vormen, de immense Ganges-delta. Elk voorjaar ontsproten de esdoornachtige bladeren van de phuti karpas aan de grauwe, slibrijke grond, om tot wilde wasdom te komen. Eenmaal volgroeid produceerden ze twee keer per jaar een enkele bloem, geel als een narcis, die plaatsmaakte voor een sneeuwbloem van katoenvezels.

    Dit waren geen gewone vezels. Anders dan de lange, slanke draden van zijn Midden-Amerikaanse neef Gossypium hirsutum, die tegenwoordig 90 procent van het mondiale katoen uitmaakt, bracht phuti karpas draden voort die stomp waren en gemakkelijk rafelden. Dit klinkt misschien als een gemankeerd plantje, maar het hangt ervan af wat je ermee wilt.

    De korte vezels van de uitgestorven struik waren nutteloos voor de productie van goedkope katoenen stoffen met industriële machines. Ze waren weerbarstig om mee te werken en konden gemakkelijk breken als je ze mechanisch tot garen probeerde te draaien. In plaats daarvan temde de lokale bevolking de dwarse draden met een reeks ingenieuze technieken die in de loop van vele duizenden jaren waren ontwikkeld.

    Het volledige proces omvatte zestien stadia, die zo specialistisch waren dat elk ervan werd uitgevoerd door een ander dorp rond Dhaka, dat destijds deel uitmaakte van Bengalen. Sommige van die dorpen lagen in wat nu Bangladesh is, andere in de tegenwoordige Indiase staat West-Bengalen. Het was een ware gemeenschapsinspanning, waaraan jong en oud en mannen en vrouwen meededen.

    ‘De handel is opgebouwd en vernietigd door de Britse Oost-Indische Compagnie’

    Eerst werden de bolletjes katoen schoongemaakt met de kleine, graatachtige tanden op het kaakbot van de wallago attu, een kannibalistische meerval die de meren en rivieren in de regio onveilig maakte. Vervolgens kwam het spinnen. De korte katoenvezels vereisten een hoge vochtigheidsgraad om ze te kunnen uitrekken, dus dat werd gedaan op boten, door vakbekwame groepen jonge vrouwen, in de vroege ochtend en late namiddag, de vochtigste uren van de dag. Ouderen spinden het garen meestal niet, omdat ze de draden eenvoudigweg niet konden zien.

    ‘Je kreeg piep- en piepkleine naadjes tussen de katoenvezels, waar ze met elkaar verbonden waren,’ zegt Sonia Ashmore, een designhistorica die in 2012 een boek over mousseline schreef. ‘Dat maakte het oppervlak een beetje ruw, wat heel plezierig aanvoelde.’

    En dan kwam nog het weven. Dit onderdeel van het productieproces kon maanden in beslag nemen, aangezien klassieke jamdani-ontwerpen – meestal abstracte bloemmotieven – direct in het weefsel werden verwerkt, met dezelfde techniek waarmee de beroemde koninklijke wandtapijten in het middeleeuwse Europa werden gemaakt. Het resultaat was een buitengewoon gedetailleerd kunstwerk, gevormd door duizenden zilverachtige, zijdeachtige strengen.

    Een Aziatisch wonder

    Westerse afnemers in de regio konden moeilijk geloven dat het mousseline van Dhaka door mensenhanden was gemaakt – er gingen geruchten dat zeemeerminnen er de hand in hadden gehad, en anders feeën of zelfs geesten. Sommigen zeiden dat het wonder onder water geschiedde. ‘Die lichtheid en zachtheid: het mousseline van vandaag de dag kan daar niet aan tippen,’ zegt Ruby Ghaznavi, vicepresident van de Bangladesh National Craft Council.

    Hetzelfde weefproces vindt nog steeds plaats in de regio, maar het mousseline is van mindere kwaliteit en bestaat uit gewone katoenen draden, in plaats van uit phuti karpas. In 2013 werd de traditionele kunst van het jamdani-weven door de Unesco beschermd als immaterieel cultureel erfgoed.

    Het uitzonderlijkste aan de oude techniek zat ’m echter in de enorme draaddichtheid. Hoe meer draden, hoe zachter en slijtvaster het materiaal. Hoe meer draden je in het begin hebt, hoe meer hiervan overblijven om de stof bij elkaar te houden als een deel begint te rafelen.

    Saiful Islam, die een fotobureau runt en een project leidt om de stof nieuw leven in te blazen, zegt dat de meeste tegenwoordig gemaakte versies veertig tot tachtig draden tellen, wat betekent dat ze ongeveer dat aantal kruislings horizontaal en verticaal geweven draden per vierkante inch stof bevatten. Dhaka-mousseline daarentegen telde achthonderd tot twaalfhonderd draden, en dat is veel meer dan welk huidig katoenen weefsel ook.

    Hoewel het mousseline uit Dhaka meer dan een eeuw geleden is verdwenen, bestaan er nog steeds intacte sari’s, tunieken, sjaals en jurken van in musea. Af en toe duikt er een op bij prestigieuze veilinghuizen zoals Christie’s en Bonhams, en zo’n kledingstuk brengt dan duizenden Britse ponden op.

    ‘De handel is opgebouwd en vernietigd door de Britse Oost-Indische Compagnie,’ stelt Ashmore.

    Lang voordat aristocratische Europese vrouwen zich met Dhaka-mousseline drapeerden, werd de stof al wereldwijd verkocht. Het was populair bij de oude Grieken en Romeinen, en mousseline uit ‘India’ wordt genoemd in het boek De Periplus van de Erythreïsche Zee, dat zo’n tweeduizend jaar geleden werd geschreven door een anonieme Egyptische koopman.

    Doorzichtig

    De Romeinse auteur Petronius was misschien wel de eerste die zich stoorde aan de doorzichtigheid van de stof: ‘Of uw gemalin zich nu kleedt met een gewaad dat gemaakt is van de wind of zich naakt in het openbaar vertoont onder haar wolken van mousseline, wat is het verschil?’ De eeuwen daarop werd de stof geprezen door de beroemde veertiende-eeuwse Noord-Afrikaanse ontdekkingsreiziger Ibn Battuta, door de vijftiende-eeuwse Chinese reiziger Ma Huan en door vele anderen.

    Maar de stof beleefde waarschijnlijk zijn hoogtijdagen gedurende het Mogol-tijdperk. Dit Zuid-Aziatische rijk werd in 1526 gesticht door een stamhoofd uit een streek die nu in Oezbekistan ligt. In de achttiende eeuw besloeg het het hele Indiase subcontinent. In deze periode werd mousseline op grote schaal verhandeld door kooplieden uit Perzië, Irak, Turkije en het Midden-Oosten.

    Het weefsel stond in hoog aanzien bij Mogol-keizers en hun gaden, die zelden met iets anders aan werden vereeuwigd. Ze namen zelfs de beste wevers rechtstreeks onder hun hoede en verboden hun de allerbeste stoffen aan anderen te verkopen. Het verhaal wil evenwel dat keizer Aurangzeb ook al problemen had met die doorzichtigheid. Hij gaf zijn dochter de wind van voren omdat ze zich naakt in het openbaar zou hebben vertoond; nochtans had ze zichzelf in zeven lagen omwikkeld. 

    Dhaka-mousseline was voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk te bewonderen tijdens de zogeheten Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations in 1851. Dit spectaculaire evenement was het geesteskind van prins Albert, de echtgenoot van koningin Victoria. Het was bedoeld om de wonderen van het Britse Rijk aan den volke te tonen. Ongeveer honderdduizend objecten uit de verste uithoeken van de wereld waren bijeengebracht in het Crystal Palace, een glinsterende glazen hal van 564 meter lang en 39 meter hoog.

    ‘De Britten namen de productie in een wurggreep en gingen de hele handel beheersen’

    Volgens Islam bracht een yard (ruim 90 centimeter) Dhaka-mousseline destijds zo’n 50 tot 400 Britse pond op, wat overeenkomt met 7000 tot 56.000 Britse pond vandaag de dag. Zelfs de beste zijde was soms wel 26 keer goedkoper.

    Maar terwijl de victoriaanse Londenaren met de stof dweepten, werden de producenten ervan naar de financiële bliksem geholpen. Zoals te lezen valt in het boek Goods from the East, 1600-1800 van Maxine Berg en Felicia Gottmann, begon de Britse Oost-Indische Compagnie zich aan het eind van de achttiende eeuw te bemoeien met het delicate productieproces van Dhaka-mousseline. De gevolgen waren noodlottig.

    De traditionele afnemers in de regio moesten wijken voor een Britse clientèle. ‘De Britten namen de productie in een wurggreep en gingen de hele handel beheersen,’ zegt Ashmore. Ze pakten de industrie hard aan: wevers moesten grotere volumes van de stof produceren tegen lagere prijzen.

    ‘Je had zo veel bijzondere ambachtelijke kennis nodig om phuti karpas in textiel te veranderen,’ zegt Islam. ‘Het is een heel moeizaam, kostbaar proces, en uiteindelijk krijg je maar ongeveer 8 gram fijne mousseline voor 1 kilo katoen.’

    De wevers hadden moeite om aan deze eisen te voldoen en werkten zich in de schulden, aldus Ashmore. Ze kregen vooraf betaald voor de stof. Het kon tot een jaar duren voordat deze af was. Maar als er niet aan de eisen was voldaan, moesten ze alles terugbetalen. ‘Ze konden deze aflossingen onmogelijk opbrengen,’ zegt ze.

    Concurrentie betekende de genadeslag. Koloniale ondernemingen zoals de Britse Oost-Indische Compagnie waren al jaren bezig met het nauwgezet documenteren van de industrieën waarop ze terugvielen, en mousseline was geen uitzondering. Elke stap van het productieproces werd tot in de kleinste details vastgelegd.

    Naarmate de Europese hang naar verfijnde stoffen toenam, rezen ook de prikkels om goedkopere versies dichter bij huis te maken. In het graafschap Lancashire, in het noordwesten van Engeland, paarde textielbaron Samuel Oldknow de voorkennis van het Britse Rijk aan de modernste technologie – het spinnewiel – om de Londenaren van enorme hoeveelheden te voorzien. In 1784 had hij duizenden wevers in dienst.

    Hoewel het Britse mousseline niet kon tippen aan het origineel – het was gemaakt van gewoon katoen en telde aanzienlijk minder draden – betekenden tientallen jaren maltraitering én een plotselinge afname van de behoefte aan geïmporteerd textiel het definitieve einde van het Dhakaanse mousseline.

    Toen oorlog, armoede en aardbevingen de regio troffen, schakelden sommige wevers over op de productie van kwaliteitsarmere stoffen; anderen gingen fulltime boeren. Uiteindelijk stortte de hele industrie in.

    ‘Het is belangrijk te beseffen dat het eigenlijk een familieberoep was. Vaak worden de wevers geroemd, maar op de achtergrond had je de vrouwen, die het spinnen voor hun rekening namen,’ zegt Hameeda Hossain, een mensenrechtenactiviste die een boek schreef over de mousseline-industrie in Bengalen. ‘Er waren dus veel mensen bij de industrie betrokken.’

    In de loop van generaties ging de kennis van het ambacht verloren. Nu er niemand meer was om zijn zijdeachtige draden te spinnen, zonk de phuti karpas weg in de anonimiteit van de wildernis. De plant was altijd al moeilijk te telen geweest, niemand had hem kunnen weglokken van de oevers van de Meghna. De legende was niet meer.

    In ere herstelt

    Islam werd geboren in Bangladesh en verhuisde zo’n twintig jaar geleden naar Londen. Hij maakte in 2013 voor het eerst kennis met Dhaka-mousseline, toen het bedrijf waarvoor hij werkt, fotobureau Drik, werd benaderd om een Britse tentoonstelling over het materiaal geschikt te maken voor een Bengaals publiek. Het bureau vond dat het de expositie ontbrak aan bijzonderheden, en ging zelf op onderzoek uit.

    Het jaar daarop ontmoetten Islam en zijn collega’s mensen uit de lokale ambachtelijke industrie, verkenden ze de regio waar het weefsel was geproduceerd en zochten ze naar tastbare voorbeelden van Dhaka-mousseline in musea in Europa. ‘Het Victoria and Albert Museum in Londen heeft een prachtige collectie met honderden stukken,’ zegt hij. ‘En als je naar de English Heritage Trust gaat, die hebben tweeduizend stukken. Maar Bangladesh had niets.’

    Het team stelde uiteindelijk een aantal tentoonstellingen over het onderwerp samen, gaf opdracht tot een film en publiceerde een door Islam geschreven boek. Op zeker moment kwam de gedachte op dat het misschien, heel misschien, mogelijk was de legendarische stof weer in ere te herstellen. Daartoe zag het samenwerkingsverband Bengal Muslin het levenslicht.

    De eerste taak was om een geschikte plant te vinden. Tegenwoordig zijn er geen collecties meer met phuti karpas-zaden, maar men stuitte in de beroemde koninklijke botanische Kew Gardens wel op een mooi boekje van gedroogde, geconserveerde bladeren, uit de negentiende eeuw. Het bleek mogelijk hieraan dna te onttrekken.

    Gewapend met de genetische geheimen van hun uitverkoren gewas gingen de teamleden terug naar Bangladesh. Ze bestudeerden historische kaarten van de Meghna en vergeleken deze met moderne satellietbeelden, om te zien hoe de loop van de rivier de afgelopen tweehonderd jaar was veranderd, teneinde de beste potentiële plekken voor phuti karpas-planten te vinden. Daarna huurden ze een boot en speurden de rivier af in zijn immense breedte – op sommige plaatsen wel 12 kilometer – op zoek naar wilde planten die gelijkenis vertoonden met wat ze op oude tekeningen hadden gezien. Alle veelbelovende exemplaren werden ‘gesequencet’ en met het origineel vergeleken. Uiteindelijk vonden ze een overeenkomst van 70 procent in een verwilderde struik die mogelijk phuti karpas-voorouders had.

    ‘Toen ik ze vertelde dat ik sari’s met driehonderd draden wilde maken, zeiden ze dat dit gestoord was’

    Ze besloten de struik eerst te telen op een eilandje in het midden van de Meghna, 30 kilometer ten noorden van Dhaka. ‘Een ideale plek, met een bodem gevormd door ophoping van riviersedimenten en dus zeer vruchtbaar,’ aldus Islam. Daar plantten ze in 2015 enkele testzaden. Al snel verschenen er, voor het eerst in ruim een eeuw, keurige rijen phuti karpas-planten tussen stroken droge aarde.

    Datzelfde jaar oogstte het team zijn eerste katoen. Hoewel er nog niet genoeg van de herrezen planten waren vergaard om volledig authentieke Dhaka-mousseline te maken, werkten de teamleden samen met Indiase spinners om gewoon katoen en phuti karpas-katoen te combineren tot een hybride draad. Vervolgens was het de beurt aan het weven – wat lastiger bleek dan verwacht.

    Aangezien er in Bangladesh nog steeds wevers zijn die jamdani-mousseline maken (ook al zijn dat grovere versies met een lagere draaddichtheid), hoopte Islam dat het gewoon een kwestie was van hun vaardigheden verbeteren en hun te leren hoe ze een product van hogere kwaliteit konden produceren.

    ‘Het bleek dat geen van hen hieraan wilde meewerken,’ zegt Islam. ‘Toen ik ze vertelde dat ik sari’s met driehonderd draden wilde maken, zeiden ze allemaal dat dit gestoord was. Ze vonden het allemaal heel mooie verhalen over erfgoed en zo, maar bedankten toch voor de eer.’ Van de 25 mensen die Islam benaderde, ging er uiteindelijk één akkoord.

    De meeste wevers in de streek zijn arm en werken in eenvoudige hutten. Al Amin, tegenwoordig de weefmeester, stemde ermee in om temperatuurregelaars en luchtbevochtigers in zijn atelier te laten plaatsen, teneinde de specifieke voorwaarden te creëren voor het maken van deze lastige stof. Ondertussen was een aantal van de ongeveer vijftig benodigde gereedschappen niet langer voorhanden, dus maakte het team die zelf. Zoals de shana, een stuk bamboe waaruit duizenden tandjes worden gesneden die nodig zijn om de draad tijdens de bewerking op zijn plaats te houden.

    Zes slopende maanden, nog veel meer aanpassingen en heel wat afgebroken draden later had Amin een sari van driehonderd draden gemaakt. Dat kwam nog niet in de buurt van de originele Dhaka-mousseline-standaard, maar was wel aanzienlijk meer dan enige wever gedurende generaties voor elkaar had gekregen. ‘Hij had het geduld en de volharding die nodig waren om met ons samen te werken,’ zegt Islam. ‘Wij deden 40 procent van het werk, hij deed de rest.’

    Anno 2021 heeft het team inmiddels meerdere sari’s gemaakt van hybride mousseline, die wereldwijd zijn tentoongesteld. Sommige zijn voor duizenden ponden verkocht, en Islam meent dat de respons bewijst dat de stof toekomst heeft. ‘In deze tijd van massaproductie is het altijd interessant om iets bijzonders te hebben. Het “merk” is nog steeds krachtig,’ zegt hij.

    Het team waakt tegenwoordig over een permanente teelt, hoewel het oude terrein moest worden verlaten vanwege overstromingsproblemen. Nu kweken de initiatiefnemers de in oude luister herrezen phuti karpas-planten op een nabijgelegen rivieroever, wat het extra voordeel heeft dat ze zonder boot bereikbaar zijn. Islam hoopt dat zijn team op een dag in staat zal zijn een pure Dhaka-mousseline sari te produceren, dus een met nog meer draden.

    Laat de Bengaalse regering, die het project steunt, dat nu inmiddels ook doen. ‘Een kwestie van nationaal prestige,’ zegt Islam, die zelf ook graag het imago van het land wil verbeteren. ‘Het is belangrijk dat we niet langer bekendstaan als een arme kledingproducent, maar veeleer als de bakermat van het beste textiel dat ooit heeft bestaan,’ zegt hij.

    Wie weet draagt binnenkort een nieuwe generatie deze oude stof – en levert de ietwat gewaagde doorzichtigheid weer stof tot discussie.

  • China’s macht is tanende – en juist dat is gevaarlijk

    China’s macht is tanende – en juist dat is gevaarlijk

    De Chinese president Xi Jinping heeft een meedogenloze centralisering van de macht doorgevoerd ten koste van economische bloei. En zoals de auteurs van Danger Zone: The Coming Conflict with China betogen, worden landen die invloed verliezen des te oorlogszuchtiger.

    Keuze uit het archief

    Op 23 oktober wordt in het 20ste Congres van de Communistische Partij vrijwel zeker Xi Jinping herkozen voor een derde termijn als partijleider. Het ziet er dus naar uit dat er niet veel zal veranderen in het land, en het is volgens veel deskundigen maar zeer de vraag hoe voordelig dat voor China zelf is. En voor de rest van de wereld. Auteurs Hal Brands en Michael Beckley leggen uit dat de slechte economische positie die het land volgens hen heeft, ook voor de rest van de wereld grote nadelen kan hebben.

    Waarom voeren grote mogendheden grote oorlogen? Het conventionele antwoord gaat over uitdagers in opkomst en hegemonen in verval. Een opkomende mogendheid, die tornt aan de regels van de gevestigde orde, haalt een gevestigde mogendheid in, het land dat die regels heeft gemaakt. Spanningen nemen hand over hand toe, krachtmetingen volgen. Het resultaat is een spiraal van angst en vijandigheid die bijna onvermijdelijk op een conflict uitloopt. ‘De groeiende macht van Athene, en de schrik die dit veroorzaakte in Sparta, maakte een oorlog onvermijdelijk’, schreef de oude historicus Thucydides, een gemeenplaats die nu tot vervelens toe voor de rivaliteit tussen de VS en China wordt gebruikt.

    Het idee van de Valstrik van Thucydides, bedacht door politicoloog Graham Allison van Harvard, houdt in dat het gevaar van een oorlog razendsnel zal toenemen wanneer een opkomend China een wegzakkend Amerika inhaalt. Zelfs de Chinese president Xi Jinping haalt dit idee van stal om te betogen dat Washington ruimte moet maken voor Beijing. Terwijl de spanningen tussen de Verenigde Staten en China oplopen, is het geloof dat de wezenlijke oorzaak een dreigende ‘machtsovergang’ is – de vervanging van de ene hegemoon door de andere – inmiddels gemeengoed geworden. 

    Het enige probleem met deze welbekende formule is dat hij niet klopt.

    De Valstrik van Thucydides legt niet echt uit wat de Peloponnesische Oorlog heeft veroorzaakt. Hij gaat voorbij aan de dynamiek die revisionistische mogendheden – of het nu gaat om Duitsland in 1914 of Japan in 1941 – er vaak toe heeft gebracht zich in enkele van de meest verwoestende conflicten uit de geschiedenis te storten. En hij verklaart niet waarom een oorlog een zeer reële mogelijkheid is in de huidige relatie tussen de VS en China, aangezien hij een fundamenteel verkeerde inschatting maakt van de plek waarop China zich momenteel op zijn ontwikkelingscurve bevindt: het punt waarop zijn relatieve macht op een hoogtepunt is en weldra zal beginnen te tanen.

    Periodes van snelle groei overbelasten de ambities van een land

    Er is inderdaad een dodelijke valstrik waar de Verenigde Staten en China in kunnen lopen. Maar die is niet het resultaat van een machtsovergang, zoals het cliché van Thucydides wil. Deze kan het best worden omschreven als een ‘valstrik van een mogendheid op zijn hoogtepunt’. En als we de geschiedenis mogen geloven, is de reden dat hij kan dichtklappen het op handen zijnde verval van China, en niet van de VS.

    Er bestaat een complete literatuur, bekend als de ‘machtsovergangstheorie’, die ervan uitgaat dat een oorlog tussen grote mogendheden vrijwel altijd plaatsvindt op het kruispunt van de opkomst van de ene hegemoon en het verval van de andere. Deze theorie onderschrijft de Valstrik van Thucydides en er zit inderdaad een kern van waarheid in. De opkomst van nieuwe mogendheden werkt steevast destabiliserend. In de aanloop naar de Peloponnesische Oorlog in de vijfde eeuw v.Chr. zou Athene niet zo’n bedreiging voor Sparta hebben geleken als het niet een onmetelijk rijk had opgebouwd en geen superzeemacht was geworden. Washington en Beijing zouden niet in zo’n rivaliteit verwikkeld zijn als China nog arm en zwak was. Opkomende mogendheden breiden hun invloed uit op manieren die bedreigend zijn voor heersende mogendheden.

    Maar de logica die tot oorlog leidt, met name de logica die revisionistische mogendheden ertoe brengt het bestaande systeem op te schudden en wild om zich heen te slaan, is complexer. Een land waarvan de relatieve rijkdom en macht toenemen, zal ongetwijfeld assertiever en ambitieuzer worden. Het zal zijn invloed en prestige wereldwijd willen vergroten. Maar ook al neemt zijn positie gestaag in kracht toe, het zal een dodelijke confrontatie met de heersende hegemoon moeten uitstellen totdat het nog sterker is geworden. Zo’n land moet zich aan de stelregel houden die de voormalige Chinese leider Deng Xiaoping formuleerde voor een opkomend China na de Koude Oorlog: het moet verbergen waartoe het in staat is en rustig zijn tijd afwachten.

    Ander scenario

    Laten we ons nu eens een ander scenario voorstellen. Een ontevreden staat heeft zijn macht en zijn geopolitieke horizon uitgebreid. Maar dan heeft het land zijn hoogtepunt bereikt, misschien doordat de economie vertraagt, misschien doordat zijn eigen assertiviteit een coalitie van vastbesloten rivalen uitlokt, of misschien doordat dit tegelijkertijd gebeurt. De toekomst begint er behoorlijk onheilspellend uit te zien; een gevoel van onbegrensde mogelijkheden maakt plaats voor een gevoel van dreigend gevaar. Onder zulke omstandigheden kan een revisionistische mogendheid op een onverschrokken, zelfs agressieve manier proberen te pakken wat er te pakken valt, voordat het te laat is. De gevaarlijkste baan die een mogendheid in de mondiale politiek kan beschrijven is een langdurige stijging, gevolgd door het vooruitzicht van een scherpe val.

    Zoals we laten zien in ons binnenkort te verschijnen boek Danger Zone: The Coming Conflict with China, voltrekt dit scenario zich vaker dan misschien wordt gedacht. Zo heeft historicus Donald Kagan aangetoond dat Athene zich in de jaren voorafgaand aan de Peloponnesische Oorlog oorlogszuchtiger gedroeg omdat het ongunstige verschuivingen in het machtsevenwicht op zee vreesde, met andere woorden: omdat het bezig was invloed te verliezen ten opzichte van Sparta. In recentere gevallen zien we hetzelfde gebeuren.

    Gedurende de afgelopen honderdvijftig jaar zijn mogendheden op hun hoogtepunt – grote mogendheden die spectaculair veel sneller zijn gegroeid dan het wereldgemiddelde en daarna een ernstige, langdurige vertraging hebben opgelopen – in de regel niet kalmpjes weggekwijnd. Ze werden eerder overmoedig en agressief. Ze onderdrukten afwijkende meningen in eigen land en probeerden aan economische stootkracht te winnen door exclusieve invloedssferen in het buitenland te creëren. Ze stopten geld in hun leger en gebruikten geweld om hun invloed uit te breiden. Dit gedrag veroorzaakt over het algemeen spanningen tussen grote mogendheden. In sommige gevallen leidde het tot rampzalige oorlogen.

    Grote verwachtingen

    Verbazingwekkend is dit niet. Periodes van snelle groei overbelasten de ambities van een land, wekken grote verwachtingen bij de bevolking en maken de rivalen nerveus. Gedurende een langdurige economische bloeiperiode neemt de winst van bedrijven toe en gaan burgers op grote voet leven. Het land wordt een grotere speler op het wereldtoneel. Dan slaat stagnatie toe. Vertragende groei maakt het moeilijker voor leiders om het publiek tevreden te houden. Tekortschietende economische prestaties verzwakken het land ten opzichte van zijn rivalen. Uit vrees voor sociale beroering drukken leiders afwijkende meningen de kop in. Ze voeren wanhopige manoeuvres uit om zich geopolitieke vijanden van het lijf te houden. Expansie lijkt een oplossing, een manier om economische hulpmiddelen en markten te veroveren, om van nationalisme een kruk voor een kreupel regime te maken en buitenlandse bedreigingen af te slaan.

    Veel landen hebben dit pad gevolgd. Toen in de Verenigde Staten de langdurige economische bloei na de Burgeroorlog ten einde liep, onderdrukte Washington met veel geweld stakingen en onrust in eigen land, bouwde een krachtige zeevloot op en breidde in de jaren negentig van de negentiende eeuw op een oorlogszuchtige manier zijn rijk uit. Nadat het snel opkomende keizerlijke Rusland aan het begin van de twintigste eeuw ineen was gestort, onderdrukte de tsaristische regering eveneens binnenlandse onlusten, versterkte haar leger, probeerde koloniale inkomsten te verwerven in Oost-Azië en stuurde een bezettingsmacht van zo’n 170.000 manschappen naar Mantsjoerije. Met spectaculaire gevolgen: Japan liet het niet over zijn kant gaan en versloeg Rusland in de eerste oorlog tussen grote mogendheden in de twintigste eeuw.

    Een eeuw later werd Rusland onder soortgelijke omstandigheden agressief. Toen hij na de financiële crisis van 2008 met een ernstige economische vertraging werd geconfronteerd, viel de Russische president Vladimir Poetin twee buurlanden binnen, probeerde een nieuw Euraziatisch economisch blok te creëren, maakte aanspraak op het grondstofrijke Noordpoolgebied en liet Rusland verder op een dictatuur afkoersen. Zelfs het democratische Frankrijk probeerde wanhopig groter te worden toen zijn naoorlogse economische expansie aan het eind van de jaren zeventig tot stilstand kwam. Het probeerde zijn vroegere invloedssfeer in Afrika weer op te bouwen, stuurde veertienduizend manschappen naar de voormalige koloniën en pleegde in de twee decennia die volgden een tiental militaire interventies.

    Xi heeft zichzelf tot ‘voorzitter van alles’ benoemd

    Al deze gevallen waren gecompliceerd, maar het patroon is duidelijk. Als een snelle opkomst landen in staat stelt zich overmoedig te gedragen, vormt de angst voor verval een sterk motief om nog naarstiger en onbezonnener naar expansie te streven. Hetzelfde gebeurt vaak wanneer snel opkomende mogendheden hun eigen expansie dwarsbomen door het uitlokken van een vijandige coalitie. Enkele van de gruwelijkste oorlogen uit de geschiedenis zijn dan ook uitgebroken toen revisionistische mogendheden concludeerden dat hun pad naar glorie op het punt stond geblokkeerd te worden.

    De rivaliteit tussen Duitsland en Groot-Brittannië aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw wordt vaak vergeleken met de huidige competitie tussen de VS en China: in beide gevallen bedreigde een autocratische uitdager een liberale hegemoon. Maar een meer ontnuchterende parallel is deze: er brak een oorlog uit toen een in het nauw gedreven Duitsland begreep dat het zijn rivalen niet de baas kon zonder te vechten.

    Na de eenwording in 1871 beleefde Duitsland decennialang een grote bloei. De fabrieken spuugden ijzer en staal uit en maakten een eind aan de Britse economische koppositie. Berlijn bouwde het beste leger van Europa en slagschepen die de Britse suprematie op zee bedreigden. In de eerste jaren van de twintigste eeuw was Duitsland een Europese zwaargewicht die een enorme invloedssfeer, een Mitteleuropa, op het continent nastreefde. Ook voerde het onder de toenmalige Kaiser Wilhelm II een ‘wereldbeleid’ dat gericht was op het verwerven van koloniën en mondiale macht.

    Maar in het voorstadium van de oorlog hadden de Kaiser en zijn gevolg er weinig vertrouwen in. Het onbezonnen gedrag van Duitsland zorgde ervoor dat het door vijandige mogendheden werd omringd. Londen, Parijs en Sint-Petersburg vormden een ‘Triple Entente’ om de Duitse expansie een halt toe te roepen. Duitsland verloor in economisch opzicht terrein aan het snel groeiende Rusland; Londen en Parijs legden het land economisch aan banden door zijn toegang tot olie en ijzererts te blokkeren. De belangrijkste bondgenoot van Berlijn, Oostenrijk-Hongarije, werd verscheurd door etnische spanningen. Thuis verkeerde het Duitse autocratische politieke systeem in grote problemen.

    Het onheilspellendst was dat het militaire evenwicht verschoof. Frankrijk breidde zijn leger uit; Rusland versterkte zijn strijdkrachten met 470.000 manschappen en bekortte de benodigde tijd om zich te mobiliseren voor een oorlog. Groot-Brittannië kondigde aan dat het twee slagschepen zou bouwen voor elk slagschip dat door Berlijn werd gebouwd. Duitsland was voorlopig nog de grootste militaire macht van Europa. Maar tegen 1916 en 1917 zou het hopeloos overtroefd worden. Het resultaat was een nu-of-nooitmentaliteit: Duitsland moet ‘de vijand verslaan nu we nog kans op een overwinning maken’, verklaarde chef-staf Helmuth von Moltke, ook al betekende dat ‘het uitlokken van een oorlog in de nabije toekomst’.

    De totale Chinese staatsschuld is tussen 2008 en 2018 verachtvoudigd

    Dat laatste gebeurde toen Servische nationalisten in juni 1914 de Oostenrijkse kroonprins vermoordden. De regering van de Kaiser drong er bij Oostenrijk-Hongarije op aan Servië te vermorzelen, ook al betekende dat een oorlog tussen Rusland en Frankrijk. Daarna viel Duitsland het neutrale België binnen, een essentieel onderdeel van zijn Schieffenplan voor een oorlog op twee fronten, ondanks de kans dat Engeland zou ingrijpen. ‘Deze oorlog zal op een wereldoorlog uitlopen waarin Engeland zal interveniëren,’ erkende Moltke. De opkomst had Duitsland de kracht gegeven om te gokken op een grote rol op het wereldtoneel; het op handen zijnde verval leidde tot de beslissingen die de wereld in een oorlog stortten.

    Het keizerlijke Japan volgde een soortgelijk traject. Gedurende een halve eeuw na de Meiji-restauratie in 1868 was het land gestaag in opkomst. Door het opbouwen van een moderne economie en een nietsontziend leger had Tokio twee grote oorlogen weten te winnen en koloniale privileges verworven in China en op Taiwan en het Koreaanse Schiereiland. Toch was Japan geen hyperoorlogszuchtig roofdier: gedurende de jaren twintig van de vorige eeuw werkte het samen met de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en andere landen aan een coöperatief veiligheidsnetwerk in Azië-Pacific.

    Maar in dat decennium ging er van alles mis. De jaarlijkse groei daalde van 6,1 procent in de periode 1904-1919 naar 1,8 procent in de jaren twintig; daarna verloor Japan zijn overzeese markten als gevolg van de Grote Depressie. De werkloosheid rees de pan uit en failliete boeren verkochten hun dochters. In China werd de Japanse invloed onderwijl op de proef gesteld door de Sovjet-Unie en een opkomende nationalistische beweging onder de toenmalige Chinese leider Tsjang Kai-Sjek. Het antwoord van Tokio was fascisme in eigen land en agressie tegenover het buitenland.

    Vanaf het eind van de jaren twintig pleegde het leger een coup in slowmotion en wendde de nationale tegoeden aan voor een ‘totale oorlog’. Japan bouwde een reusachtig leger op en creëerde met veel geweld een onmetelijke invloedssfeer door in 1931 Mantsjoerije te bezetten en in 1937 China binnen te vallen; ook waren er plannen om overal in Azië-Pacific grondstofrijke koloniën en strategische eilanden te veroveren. Het doel was de stichting van een autarkisch rijk, maar het liep uit op een strategische strop om de nek van Tokio.

    De Japanse invasie in China leidde tot een afstraffingsoorlog met de Sovjet-Unie. De Japanse plannen in Zuidoost-Azië alarmeerden Groot-Brittannië. Door het Japanse streven naar regionale overheersing werden ook de Verenigde Staten een vijand, het land waaruit Tokio bijna al zijn olie importeerde en dat over een onmetelijk veel grotere economie beschikte. Tokio had een overweldigende coalitie van vijanden tegen zich in het harnas gejaagd. En toen zette het land alles op het spel in plaats van vernedering en verval te accepteren.

    Wat de zaak opnieuw in een stroomversnelling bracht, was een drastisch keren van de kansen. In 1941 waren de Verenigde Staten bezig met de opbouw van een onverslaanbaar militair apparaat. In juli vaardigde de toenmalige Amerikaanse president Franklin Roosevelt een olie-embargo uit dat de Japanse expansie een abrupt halt dreigde toe te roepen. Maar Japan had voorlopig nog de militaire overhand in de Stille Oceaan, dankzij zijn vroege herbewapening. Het greep dat voordeel aan voor een bliksemaanval, waarbij Nederlands-Indië, de Filipijnen en andere bezittingen van Singapore tot Wake-eiland werden buitgemaakt en de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour werd gebombardeerd, en tekende daarmee zijn eigen doodvonnis.

    De Japanse kansen op een overwinning waren somber, erkende de toenmalige Japanse generaal Hideki Tojo, maar er was geen andere mogelijkheid ‘dan met de ogen dicht te springen’. Het revisionistische Japan werd op zijn gewelddadigst toen het zag dat zijn tijd opraakte.

    Dat is de echte valstrik waarover de Verenigde Staten zich momenteel zorgen moeten maken in het geval van China, de valstrik waarbij een opkomende supermacht zijn hoogtepunt bereikt en dan de pijnlijke gevolgen van een neergang weigert te dragen.

    De opkomst van China is geen hersenschim: decennialange groei heeft Beijing de economische spierkracht verschaft om te streven naar mondiale macht. Grote investeringen in essentiële technologie en communicatie-infrastructuur hebben het land een sterke positie bezorgd in de strijd om geo-economische invloed; China gebruikt een multicontinentaal Belt and Road Initiative, een Nieuwe Zijderoute, om andere staten in zijn kielzog te trekken. Het alarmerendst, zo tonen rapporten van denktanks en het Amerikaanse ministerie van Defensie, is dat China nu een reële kans maakt om een oorlog tegen de Verenigde Staten in het westelijk deel van de Stille Ocean te winnen.

    Het wekt dan ook geen verbazing dat China ook de ambities van een supermacht heeft ontwikkeld: Xi heeft min of meer aangekondigd dat Beijing zijn soevereiniteit wil laten gelden over Taiwan, de Zuid-Chinese Zee en andere omstreden gebieden, om zo de meest vooraanstaande grootmacht van Azië te worden en met de Verenigde Staten te wedijveren om het wereldleiderschap. Maar al zijn de geopolitieke kansen voor China reëel, de toekomst van het land begint er behoorlijk grimmig uit te zien, doordat het land in hoog tempo de voordelen verliest die de snelle groei mogelijk hebben gemaakt.

    Van rond 1970 tot 2000 was China vrijwel zelfvoorzienend qua voedsel, water en energiebronnen. Het genoot het grootste demografische dividend uit de geschiedenis, met tien volwassenen in de werkzame leeftijd voor elke inwoner van 65 en ouder. (De meeste grote economieën tellen gemiddeld vijf volwassenen in de werkzame leeftijd voor elke bejaarde.) China had een veilige geopolitieke omgeving en gemakkelijke toegang tot buitenlandse markten en technologie, mede dankzij een vriendschappelijke relatie met de Verenigde Staten. De Chinese regering maakte handig gebruik van deze voordelen om een proces van economische hervormingen en openstelling door te voeren en tevens het verstikkende totalitarisme van de Chinese leider Mao Zedong om te smeden tot een slimmere – zij het nog altijd uiterst repressieve – vorm van autoritarisme onder zijn opvolgers. Van de jaren zeventig tot begin jaren tien van deze eeuw had China precies de juiste mengeling van eigenschappen, omgeving, mensen en beleid die nodig was om te gedijen.

    Maar sinds 2010 zijn de aanjagers van de Chinese opkomst ofwel tot stilstand gekomen ofwel volledig omgedraaid. Zo begint China door zijn hulpbronnen heen te raken: water is schaars geworden en het land importeert meer energie en voedsel dan enige andere natie, nadat het zijn eigen natuurlijke hulpbronnen heeft verwoest. Economische groei wordt daarom kostbaarder: volgens gegevens van de DBS Bank kost het momenteel driemaal zoveel input om één groeieenheid te produceren als aan het begin van deze eeuw.

    Ook stevent China af op een demografische afgrond: in de periode 2020-2050 zal het land tweehonderd miljoen volwassenen in de werkzame leeftijd verliezen – een ontstellend aantal, evenveel als de hele bevolking van Nigeria – en er tweehonderd miljoen bejaarden bij krijgen. De fiscale en economische gevolgen zullen rampzalig zijn: alleen al om te voorkomen dat miljoenen senioren zullen sterven door verarming en verwaarlozing zullen de sociale en medische kosten van China moeten verdriedubbelen, van 10 procent van het bnp nu tot 30 procent in 2050.

    Ideologische kern

    Daar komt nog eens bij dat China afstapt van het beleid dat snelle groei bevorderde. Onder Xi is Beijing weer afgegleden naar het totalitarisme. Xi heeft zichzelf tot ‘voorzitter van alles’ benoemd, korte metten gemaakt met iedere schijn van collectief bestuur en steun aan het ‘gedachtegoed van Xi Jinping’ tot de ideologische kern van een steeds rigider wordend regime verheven. Ook heeft hij een meedogenloze centralisering van de macht doorgevoerd ten koste van economische bloei.

    Zombieachtige staatsbedrijven schieten als paddestoelen uit de grond, terwijl particuliere bedrijven snakken naar kapitaal. Objectieve economische analyse wordt vervangen door overheidspropaganda. Innovatie wordt steeds moeilijker, in een klimaat waarin men zich op het belachelijke af aan de ideologie moet conformeren. Ondertussen heeft Xi’s genadeloze anticorruptiecampagne het ondernemerschap ontmoedigd en heeft een stortvloed van politiek gemotiveerde regelgeving vooraanstaande Chinese techbedrijven meer dan een miljard dollar aan beurswaarde gekost. Xi heeft het proces van economische liberalisering dat China’s ontwikkeling aanjoeg niet alleen maar tot stilstand gebracht: hij heeft het volledig in zijn achteruit gezet.

    De economische schade van deze tendensen begint zich op te hopen en komt boven op de vertraging die toch al gepaard zou zijn gegaan met het volwassen worden van een snelgroeiende economie. De Chinese economie kachelt al ruim een decennium achteruit: het officiële groeitempo van het land is gezakt van 14 procent in 2007 naar 6 procent in 2019, en volgens nauwgezette studies ligt het werkelijke groeitempo momenteel eerder op 2 procent. Erger is nog dat het grootste deel van die groei afkomstig is van stimulerende overheidsuitgaven. Volgens gegevens van onderzoeksgroep The Conference Board is de totale factor productiviteit tussen 2008 en 2019 jaarlijks met gemiddeld 1,3 procent gedaald, wat betekent dat China elk jaar meer uitgeeft om minder te produceren. Dit heeft op zijn beurt tot een enorme schuld geleid: de totale Chinese staatsschuld is tussen 2008 en 2018 verachtvoudigd en bedroeg voor de coronacrisis meer dan 300 procent van het bnp. Ieder land dat schulden heeft opgestapeld of productiviteit heeft verloren in een tempo dat het huidige Chinese tempo benadert, is vervolgens met ten minste één ‘verloren decennium’ geconfronteerd geweest of met een economische groei van vrijwel nul.

    Bovendien gebeurt dit alles op een moment dat China’s externe omgeving steeds vijandiger wordt. De combinatie van covid-19, een voortdurende schending van de mensenrechten en een agressief beleid hebben ervoor gezorgd dat de reputatie van China het diepste punt heeft bereikt sinds het bloedbad op het Tiananmenplein in 1989. Landen die zich zorgen maken over de Chinese concurrentie hebben sinds 2008 duizenden nieuwe handelsbarrières opgeworpen tegen Chinese goederen. Meer dan tien landen hebben zich teruggetrokken uit Xi’s Nieuwe Zijderoute, terwijl de VS een wereldwijde campagne voeren tegen belangrijke Chinese techbedrijven, met name Huawei, en rijke democratieën op tal van continenten barrières opwerpen tegen de digitale invloed van Beijing. De wereld maakt het China minder gemakkelijk om te groeien en Xi’s regime ziet zich in toenemende mate geconfronteerd met het soort strategische omsingeling dat Duitse en Japanse leiders ooit tot wanhoop dreef.

    Een goed voorbeeld hiervan is het beleid van de VS. De afgelopen vijf jaar hebben twee Amerikaanse presidenten een ‘concurrentiebeleid’ tegen China gevoerd, wat neerkomt op een nieuwe inperking van de Chinese expansie. De Amerikaanse defensiestrategie richt zich nu geheel en al op het onderdrukken van de Chinese agressie in de westelijke Stille Oceaan; Washington probeert met een scala van technologische en handelssancties de invloed en de kansen op een economische koppositie van Beijing in te perken. ‘Als het grote Amerika je eenmaal als zijn “vijand” ziet, heb je een groot probleem,’ waarschuwde een hoge officier van het Volksbevrijdingsleger. Inderdaad zijn de Verenigde Staten ook begonnen meer wereldwijd verzet tegen China te organiseren, een campagne die vruchten begint af te werpen naarmate meer landen op de dreiging van Beijing reageren.

    In maritiem Azië neemt het verzet tegen de Chinese macht toe. Taiwan voert zijn defensie-uitgaven op en maakt plannen om zich tot een ‘strategisch stekelvarken’ te ontwikkelen in de westelijke Stille Oceaan. Japan getroost zich zijn grootste militaire investeringen sinds de Koude Oorlog en heeft toegezegd de VS te zullen steunen als China Taiwan aanvalt. De landen rond de Zuid-Chinese Zee, met name Vietnam en Indonesië, versterken hun lucht-, zee- en landmacht om het Chinese expansiestreven tegen te gaan.

    Ook andere landen bieden weerstand aan de assertiviteit van Beijing. Australië breidt zijn bases in het noorden uit voor Amerikaanse schepen en gevechtsvliegtuigen, en bouwt conventionele langeafstandsraketten en kernonderzeeërs. India concentreert een grote legermacht aan zijn grens met China en stuurt oorlogsschepen door de Zuid-Chinese Zee. De Europese Unie heeft Beijing als ‘systemische rivaal’ bestempeld en de drie grootste mogendheden van Europa – Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk – hebben smaldelen naar de Zuid-Chinese Zee en de Indische Oceaan gestuurd. Er wordt een veelheid aan multilaterale anti-China-initiatieven ontplooid, zoals de Quadrilateral Security Dialogue en het AUKUS-bondgenootschap van Washington, Londen en Canberra. De ‘multilaterale clubstrategie’ van de VS, zo erkende de oorlogszuchtige en goed geïnformeerde Chinese geleerde Yan Xuetong afgelopen juli, ‘isoleert China en schaadt de ontwikkeling van het land’.

    De samenwerking tegen China vertoont ongetwijfeld nog lacunes. Maar de algehele trend is duidelijk: een scala van actoren bundelt langzamerhand de krachten om de macht van Beijing in te perken. China is, met andere woorden, geen land dat eeuwig in opkomst zal zijn. Het is een sterke, ongelooflijk ambitieuze en in grote problemen verkerende mogendheid waarvan de kansen spoedig zullen keren.

    ‘Digitaal autoritarisme’

    In sommige opzichten is dit alles welkom nieuws voor Washington: een China waarvan de economie vertraagt en dat wereldwijd op steeds meer verzet stuit, zal uitzonderlijk veel moeite hebben om de VS als wereldleider van de troon te stoten, zolang die Verenigde Staten tenminste verenigd blijven en hun kansen niet verspelen. Maar aan de andere kant is het nieuws verontrustender. De geschiedenis waarschuwt dat een China dat over zijn hoogtepunt heen raakt het komende decennium onverschrokkener en zelfs onbesuisder te werk zal gaan om lang begeerde strategische prijzen binnen te slepen voordat zijn kans verkeken is.

    Wat zou dat kunnen betekenen? Afgaande op wat China momenteel doet, krijgen we een aardig idee.

    Nu al verdubbelt Beijing zijn pogingen om een eenentwintigste-eeuwse economische invloedssfeer te creëren, door een dominante rol te spelen op het gebied van belangrijke technologieën zoals kunstmatige intelligentie, quantumcomputing en 5G-telecommunicatie en de daaruit voortvloeiende voorsprong te benutten om staten aan zijn wil te onderwerpen. Ook zal het proberen een ‘digitaal autoritarisme’ te vervolmaken dat in eigen land een onzekere Chinese Communistische Partij in het zadel kan houden en dat de diplomatieke positie van Beijing kan versterken door dat model naar autocratische bondgenoten wereldwijd te exporteren.

    Militair gesproken kan de Communistische Partij nietsontziender te werk gaan bij het veiligstellen van lange, kwetsbare aanvoerlijnen en het beschermen van infrastructurele projecten in Centraal- en Zuidwest-Azië, Afrika en andere regio’s, een rol die sommige haviken in het Volksbevrijdingsleger nu al dolgraag op zich willen nemen. Ook kan China zich assertiever gaan opstellen tegenover Japan, de Filipijnen en andere landen die zijn aanspraken op de Zuid- en Oost-Chinese Zee dwarsbomen.

    Het meest verontrustend is dat China het komende decennium in de verleiding kan komen de kwestie-Taiwan naar zijn hand te zetten, voordat Washington en Taipei hun strijdkrachten voldoende hebben versterkt. Het Volksbevrijdingsleger voert zijn militaire oefeningen in de Straat van Taiwan nu al op. Xi heeft herhaaldelijk verklaard dat Beijing niet eeuwig kan wachten tot zijn ‘afvallige provincie’ in de schoot van de familie terugkeert. Als het militaire evenwicht tegen het eind van de jaren twintig tijdelijk nog verder ten gunste van China verschuift en het Pentagon gedwongen zal zijn verouderde schepen en vliegtuigen terug te trekken, krijgt China misschien een uitgelezen kans om Taiwan te veroveren en Washington een vernederende nederlaag toe te brengen.

    Voor de duidelijkheid: China zal vermoedelijk geen doldrieste veldtocht in heel Azië ondernemen zoals Japan dat deed in de jaren dertig en de vroege jaren veertig van de vorige eeuw. Wel zal het grotere risico’s nemen en grotere spanningen accepteren in zijn expansiedrift. Welkom in het geopolitieke tijdperk van een China op zijn hoogtepunt: een land dat nu al in staat is de gevestigde orde op een gewelddadige manier uit te dagen en waarschijnlijk sneller en harder tekeer zal gaan als het er niet langer op vertrouwt dat het de tijd aan zijn kant heeft.

    De Verenigde Staten zullen dan niet één maar twee taken hebben bij hun benadering van China in het huidige decennium. Ze zullen zich moeten blijven mobiliseren voor een langdurige concurrentie en zullen tegelijkertijd snel te werk moeten gaan om agressie van Beijing op de korte termijn af te wenden. Met andere woorden, veiligheidsriemen vast. De Verenigde Staten hebben zichzelf opgepord om een opkomend China het hoofd te bieden. Nu staan ze op het punt te ontdekken dat een China in verval nog gevaarlijker kan zijn.

  • Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het is hoog tijd om in actie te komen’

    Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het is hoog tijd om in actie te komen’

    De Franse stereconoom Thomas Piketty roept naar aanleiding van de Pandora Papers op tot een openbaar financieel kadaster. Door het vrije verkeer van kapitaal zijn grote vermogens ongrijpbaar voor de fiscus, en dat moet volgens hem zo snel mogelijk veranderen.

    Na de LuxLeaks in 2014, de Panama Papers in 2016 en de Paradise Papers in 2017 tonen de onthullingen in de Pandora Papers, afkomstig van een nieuw lek van twaalf miljoen documenten over financiële offshoreconstructies, in welke mate de allerrijksten belasting blijven ontduiken. In tegenstelling tot wat soms wel wordt beweerd zijn er geen betrouwbare aanwijzingen dat de situatie de afgelopen tien jaar is verbeterd.

    Vóór de zomer had de site ProPublica al onthuld dat miljardairs in de Verenigde Staten praktisch geen belasting betalen in verhouding tot hun vermogen en tot wat de rest van de bevolking betaalt. Volgens Challenges is het vermogen van de vijfhonderd rijkste Fransen toegenomen van 210 miljard euro in 2010 tot ruim 730 miljard in 2020, en alles wijst erop dat de belasting die over deze enorme vermogens wordt betaald (in feite uiterst simpel te achterhalen informatie die de overheid echter nog altijd weigert te publiceren) buitengewoon gering is. Moeten we lijdzaam wachten op de volgende uitgelekte documenten, of wordt het tijd dat media en burgers met een actieplatform komen en regeringen onder druk zetten om deze kwestie op een systemische manier op te lossen?

    Ieder voor zich

    Het wezenlijke probleem is dat vermogens aan het begin van de eenentwintigste eeuw [in Frankrijk] nog altijd alleen worden belast op basis van onroerend goed, waarbij methodes en kadasters worden gebruikt die dateren uit het begin van de negentiende eeuw. Als we onszelf geen middelen verschaffen om deze stand van zaken te veranderen, zullen de schandalen zich blijven voordoen, met als risico een langzaam uiteenvallen van ons sociale en fiscale pact en een onontkoombare groei van het ieder-voor-zich.

    Belangrijk hierbij is dat het registreren en belasten van bezit historisch gezien altijd nauw met elkaar verbonden is geweest. Allereerst omdat het registreren van bezit de bezitter voordeel oplevert, namelijk bescherming door het rechtssysteem, en ten tweede omdat alleen een minimale belasting de registratie echt verplicht en systematisch kan maken. Daar komt bij dat bezit ook een indicator is voor de hoeveelheid belasting die mensen kunnen betalen, wat verklaart waarom inkomsten uit vermogen altijd een belangrijke rol hebben gespeeld in de moderne fiscale systemen, boven op de inkomstenbelasting (die soms flink kan worden gedrukt, vooral bij mensen met een zeer groot vermogen, zoals ProPublica heeft aangetoond).

    Door een gecentraliseerd kadaster in het leven te roepen voor alle onroerend goed, zowel met een woon- als bedrijfsbestemming (landbouwgrond, winkels, fabrieken et cetera), heeft de Franse Revolutie in één klap ook een belastingsysteem ingevoerd dat is gebaseerd op transacties (de nog altijd bestaande overdrachtsbelasting) en vooral op bezit (via de taxe foncière, de onroerendgoedbelasting).

    Het resultaat is een uitermate onrechtvaardig systeem dat grote ongelijkheid schept

    Zowel in Frankrijk als de Verenigde Staten en vrijwel alle andere rijke landen blijft de onroerendgoedbelasting, of de Angelsaksische variant daarvan, de property tax, de belangrijkste heffing op bezit (in Frankrijk rond de 2 procent van het bnp, oftewel zo’n 40 miljard euro per jaar). Het ontbreken van een dergelijk registratie- en belastingsysteem voor onroerend goed met een woon- of beroepsbestemming verklaart daarentegen de buitensporig grote omvang van de informele sector in veel zuidelijke landen en de daaruit voortvloeiende problemen bij het heffen van inkomstenbelasting.

    Het probleem is dat dit systeem van vermogensregistratie en -belasting de afgelopen twee eeuwen vrijwel ongewijzigd is gebleven, terwijl financiële activa tegenwoordig het grootste vermogensbestanddeel vormen. Het resultaat is een uitermate onrechtvaardig systeem dat grote ongelijkheid schept. Als u een woning of een bedrijfsruimte bezit met een waarde van 300.000 euro, en u hebt een schuld van 290.000 euro, dan betaalt u evenveel onroerendgoedbelasting als iemand die een pand met dezelfde waarde heeft geërfd en ook nog eens 3 miljoen euro aan financiële tegoeden bezit.

    Politieke keuze

    Geen enkel principe, geen enkel economisch argument kan een belastingsysteem rechtvaardigen dat zo genadeloos regressief is (de facto is de effectieve rente die mensen met weinig onroerend goed betalen structureel hoger dan die van mensen met veel onroerend goed), nog afgezien van het feit dat ervan wordt uitgegaan dat het onmogelijk zou zijn financieel bezit te registreren. Het gaat hier echter niet om een technische onmogelijkheid, maar om een politieke keuze: er is voor gekozen de registratie van effecten te privatiseren (via privaatrechtelijke dienstverleners als Clearstream of Eurostream) en vervolgens het vrije verkeer van kapitaal te introduceren dat gegarandeerd wordt door de staten, zonder enige voorafgaande fiscale coördinatie.

    De Pandora Papers herinneren ons er ook aan dat de allerrijksten erin slagen belasting over hun onroerend goed te ontduiken door het in belastingparadijzen als effecten te registreren, zoals in het geval van het echtpaar Blair en hun huis van 7 miljoen euro in Londen (waarmee 400.000 euro aan overdrachtsbelasting werd ontdoken) of dat van de villa’s aan de Côte d’Azur die via brievenbusfirma’s in het bezit zijn van de Tsjechische premier Babis (die ook wordt verdacht van verduistering van Europese gelden).

    Wat moet er gebeuren? De prioriteit moet de oprichting zijn van een openbaar financieel kadaster en het heffen van een minimale belasting op alle bezit, al was het maar om er objectieve informatie over te verkrijgen. Elk land kan daar onmiddellijk toe overgaan door van alle bedrijven die tegoeden op zijn grondgebied beheren of exploiteren te eisen dat ze de identiteit van de eigenaars onthullen, en die eigenaars vervolgens op volstrekt transparante wijze een belastingheffing op te leggen die overeenkomt met die voor gewone belastingbetalers, niet meer en niet minder. Als we iedere ambitie op het gebied van fiscale soevereiniteit en sociale rechtvaardigheid laten varen, moedigen we het separatisme van de allerrijksten en onze eigen in-onszelf-gekeerdheid alleen maar aan. Het is hoog tijd om in actie te komen.

    Thomas Piketty

    De Franse econoom en historicus Thomas Piketty verwierf in 2014 een rocksterstatus met de Engelse vertaling van Le capital au XXIe siècle door Harvard University Press. Hij is de wegbereider van Rethinking Economics, een herbezinning over de verdeling van kapitaal, concentratie van welvaart en economische groei; de grote vraagstukken van deze tijd.

  • Novembernummer | Uitgewerkt

    Novembernummer | Uitgewerkt

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het hoog tijd om in actie te komen’

    » De macht aan de werknemer

    » Wederopstanding van de nachttrein onderweg

    » Amerika exporteert behalve culturele, ook politieke thema’s

    Machtsverschuivingen

    Redactioneel

    Toen Marek Goebel (33) onlangs tijdens een sollicitatie in een ziekenhuis de vraag kreeg waarom hij daar wilde werken, dacht hij: Die snappen het niet. Zij zouden mij moeten uitleggen waarom ik bij hen in dienst zou willen. Vervolgens kreeg hij ook nog een laag salarisaanbod, en hield hij het voor gezien.

    Hoewel momenteel een van de zwaarste naoorlogse economische crises – die meer dan 1 miljoen mensen hun baan heeft gekost – op haar einde loopt, worden banen massaal opgezegd, met als gevolg een groot tekort aan personeel, schrijft Die Zeit (p. 14). Hebben werknemers, zoals The Atlantic suggereert (p. 18), geprofiteerd van de gunstige regelingen tijdens de crisis en ingezien dat ze te weinig verdienen? Zouden we na een tijdperk waarin gebrek aan carrière je eigen schuld was, personeel voortdurend beschikbaar moest zijn en jongeren zich al op hun twintigste uitgeblust voelden, nu daadwerkelijk naar een baan kunnen gaan shoppen, zonder concurrentiestrijd met collega’s, eeuwig toezicht van de werkgever en mét ruimte tot salarisonderhandeling? Zijn de rollen eindelijk omgedraaid? Het maandblad schetst een nabije toekomst waarin robots productieve taken overnemen, zonder dat het ons banen kost.

    In die nabije toekomst reizen we als het aan de Duitse Groenen ligt in Europa nog uitsluitend per trein (p. 20); de EuroNight Sprinter moet ervoor zorgen dat we in 2030 in willekeurig welke Europese stad ’s avonds de slaaptrein kunnen pakken om ergens anders te ontwaken. Is je bestemming Oxford, dan kan je een bezoek brengen aan de vierhonderd jaar oude botanische tuin, die inmiddels zal zijn begroeid met vijgen- en olijfbomen (p. 24).

    En de macht van China zal volgens een andere verrassende voorspelling inmiddels zijn afgenomen – met nog onvoorziene geopolitieke gevolgen (p. 28). Als een van de oorzaken noemt The Economist de Great Firewall, die niet alleen helpt de rest van de wereld buiten te houden, maar ook verhindert dat Chinese ideeën doordringen in het buitenland, waar die uit Amerika vaak klakkeloos worden overgenomen (p. 26).

    De mysterieuze geniale Russische miljardair Pavel Doerov wilde de ongebreidelde macht van sociale media tegengaan met de oprichting van Telegram, dat geen gebruikersgegevens aan derden ter beschikking stelt – en dus een walhalla vormt voor criminelen en extremistische organisaties (p. 36). Maar dat die de reguliere kanalen even goed weten te benutten, blijkt uit een interview met taliban-influencer Mullah Muhamad Rasol, die op Facebook en Twitter ongestoord propaganda verspreidt (p. 32). ‘We richten de wapens van onze vijand graag op de vijand zelf,’ verkondigt hij met een grijns.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    INT 21201 1 LR 2
  • Filipijnen vrezen hoge olieprijs

    Filipijnen vrezen hoge olieprijs

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Klimaatcrisis treft Afrika

    » Wenen stript op OnlyFans

    ‘Wij zijn geen olieproducerend land’

    De huidige brandstofprijzen bedreigen het economische herstel van de Filipijnen na de pandemie. ‘Stijgende prijzen voor ruwe olie en de koers van de peso ten opzichte van de Amerikaanse dollar, kunnen van invloed zijn op de gewenste groei van het bruto binnenlands product voor de rest van het jaar’, aldus Vic Dimagiba, voorzitter van de Filipijnse consumentenorganisatie Laban Konsyumer en voormalig onderminister van Handel, geciteerd door Rappler in Manila. ‘Wij zijn geen olieproducerend land. De prijzen van ruwe olie en van alternatieven zoals steenkool zijn gestegen. De meeste van onze energiecentrales gebruiken kolen, dus de kosten lopen op.’ Olieprijzen zijn wereldwijd de afgelopen weken enorm gestegen door een aanbodtekort en herstel van de vraag. Goldman Sachs voorspelt tot het einde van het jaar olieprijzen tot 90 dollar per vat.

    Volgens minister van Financiën Carlos Dominguez komt de inflatiedoelstelling van de Filippijnen van 2 procent tot 4 procent in gevaar als de olieprijzen stijgen tot boven de 90 dollar. De gemiddelde inflatie van januari tot en met september bedroeg al 4,5 procent.

  • Hoe gaat het nu verder met Bolsonaro?

    Hoe gaat het nu verder met Bolsonaro?

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Taiwan spreekt vertrouwen uit in VS

    » Rechtszaak tegen Quantas

    De politieke gevolgen voor de Braziliaanse president

    Na zes maanden werk en soms stormachtige hoorzittingen heeft de parlementaire onderzoekscommissie (ICC) van de Braziliaanse Senaat over de rol van regering tijdens de pandemie een rapport van twaalfhonderd pagina’s afgeleverd. Dit werd dinsdag 26 oktober goedgekeurd door zeven van de elf senatoren die lid waren van de commissie, waarna ze een minuut stilte in acht namen als eerbetoon aan de 606.000 slachtoffers van covid-19 die in Brazilië zijn geregistreerd.

    Het document beveelt de aanklacht van ‘coronascepticus’ aan tegen president Jair Bolsonaro en beschuldigt hem van negen misdaden, waaronder ‘misdaad tegen de menselijkheid’, ‘aanzetten tot misdaad’ en ‘charlatanisme’.  Bolsonaro zou de verspreiding van covid-19 hebben aangemoedigd om ‘een vermeende collectieve immuniteit’ te bereiken, legt El País Brasil uit. ‘Het plan was om koste wat kost de economie weer op te starten, door het virus zich te laten verspreiden’, aldus de krant.

    Vanaf nu ligt ‘het lot van het rapport in handen van de procureur-generaal van de republiek’

    Het ICC roept ook op tot de aanklacht van tachtig andere mensen, waaronder de drie oudste zonen van de extreemrechtse leider, ook politici, evenals ministers en voormalige ministers, hoge ambtenaren, artsen en bedrijfsleiders en het ziekenhuis.

    Vanaf nu ligt ‘het lot van het rapport in handen van de procureur-generaal van de republiek’, een bondgenoot van het Braziliaanse staatshoofd, die de misdaden waarvan Jair Bolsonaro wordt beschuldigd zal moeten analyseren, en ‘die van de voorzitter van de Kamer van Afgevaardigden’, die zal moeten bepalen of de leider ‘het misdrijf heeft begaan waarvan hij wordt beschuldigd’, in welk geval de president kan worden onderworpen aan een verwijderingsprocedure.

    Desalniettemin zal het hoofd van het lagerhuis ‘minder dan een jaar voor de presidentsverkiezingen nauwelijks gevolg geven aan een afzettingsproces’. 

    Politiek effect

    ‘Het verzoek om aanklacht’ van de ultrarechtse president zal boven alles hebben ‘een politiek effect’ hebben, meent Folha de São Paulo, volgens wie ‘de verklaringen en de feiten die door het ICC’ sterke punten zullen vormen in het politieke debat, ook nog in het verkiezingsjaar.

    ‘Het is mogelijk dat de grote straf voor het gezondheidsbeleid dat Jair Bolsonaro de afgelopen maanden heeft gevoerd, volgend jaar uit de peilingen komt, wanneer de president zich herkiesbaar probeert te stellen.’

    Zelf werd de president woensdagochtend geïnterviewd door de proregeringszender Jovem Pan News. Hij beschreef hij het ICC als een ‘maskerade’ en spreekt hij van ‘een ravage’; ‘niet tegen mij, maar tegen het beeld van Brazilië’. 

    ‘Dit beïnvloedt wie wel en niet wil investeren in Brazilië, wie hier wel en niet heen komen, het stelt ons allemaal in slecht daglicht, het beïnvloedt de aandelenmarkt, de prijs van de dollar (…) en zorgt voor inflatie.’

  • Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.

    Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen. 

    Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.

    Gekanteld

    Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd. 

    De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.

    Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn

    Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten. 

    Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.

    Tien keer zo hoog

    Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.

    Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.

    Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten

    Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.

    De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.

    Snelheid van handelen

    Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit. 

    Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.

    In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren. 

    Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.

  • Illegale migratie vanuit Algerije neemt toe

    Illegale migratie vanuit Algerije neemt toe

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » ‘Geef een ander perspectief op de Holocaust’

    » Wat zij zeggen over… de staatsgreep in Soedan

    Meer migratie naar Europa vanwege coronaschade aan Arabische economieën

    De Algerijnse kustwacht heeft in een week tijd 701 illegale migranten gered die op weg waren naar Spanje en Italië, meldt het Algerijnse ministerie van Defensie geciteerd door Middle East Monitor. Volgens het ministerie heeft de kustwacht ‘meerdere migratiepogingen’ gedwarsboomd en ‘701 mensen gered die op weg waren aan boord van traditionele boten’. De arrestaties vonden plaats tussen 13 en 19 oktober.

    Illegale immigratie vanuit Algerije naar Europa is de afgelopen maanden sterk toegenomen, doordat Arabische economieën te lijden hebben onder de pandemie. Het Spaanse ministerie van Binnenlandse Zaken bevestigde de toename onlangs met de mededeling dat er van begin januari tot eind september van dit jaar zo’n 11.200 illegale migranten vanuit Algerije in Spanje waren aangekomen. Talloze boten zouden in de Middellandse Zee zijn gezonken. Volgens lokale Algerijnse media zijn de kosten voor illegale migratie gestegen tot 4000 euro per persoon.