Onderwerpen: Economie

  • Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Fabrieken in heel Azië hebben moeite om jonge werknemers aan te trekken. Het geglobaliseerde productiemodel dat de verkoop van goedkope goederen over de hele wereld mogelijk maakte, is daardoor niet meer in stand te houden.

    De werkplek heeft ramen van de vloer tot het plafond, een café waar matcha wordt geserveerd en er zijn gratis yoga- en danslessen. Werknemers komen bij elkaar tijdens maandelijkse teambuildingsessies en om bier te drinken, te karten of te bowlen. Dit is niet Google. Dit is een kledingfabriek in Vietnam. 

    Azië, de werkplaats van de wereld en de bron van veel van de spullen die Amerikanen kopen, loopt tegen een groot probleem aan: de meeste jonge mensen willen niet in een fabriek werken. Daarom probeert deze kledingfabriek de werkvloer aantrekkelijker te maken. Ondertussen gaan er alarmbellen rinkelen bij westerse bedrijven die erop vertrouwen dat de goedkope arbeidskrachten uit deze regio betaalbare consumptiegoederen produceren. 

    ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken’

    De nadagen van de ultragoedkope Aziatische fabrieksarbeid zijn begonnen. Het is de nieuwste uitdaging voor het geglobaliseerde productiemodel, dat de afgelopen drie decennia een breed scala aan goedkoop gefabriceerde goederen voor consumenten over de hele wereld mogelijk maakte. Amerikanen die gewend zijn aan goedkope mode en flatscreens zullen binnenkort wellicht te maken krijgen met hogere prijzen.

    ‘Nergens ter wereld kun je wat dat betreft nog krijgen wat je wil,’ zegt Paul Norriss, de Britse medeoprichter van de Vietnamese kledingfabriek UnAvailable in Ho Chi Minhstad. ‘Mensen zullen hun consumentengedrag moeten aanpassen, en dat geldt ook voor merken.’

    Trainingsprogramma

    Werknemers van in de twintig, traditioneel gezien de arbeidskrachten in de kledingindustrie, stoppen vaak voortijdig met het trainingsprogramma van zijn bedrijf, zegt Norriss. En degenen die blijven, werken er vaak maar een paar jaar. Norriss hoopt dat het aantrekkelijker maken van de werkplek het verschil zal gaan maken. ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken,’ zegt hij.

    Als gevolg van de crisis hebben Aziatische fabrieken de lonen moeten verhogen en soms dure strategieën moeten toepassen om hun werknemers te behouden: van het verbeteren van het aanbod in kantines tot het realiseren van crèches voor de kinderen van werknemers. 

    Ook Nike gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten

    Speelgoedfabrikant Hasbro zei eerder dit jaar al dat het tekort aan arbeidskrachten in Vietnam en China de kosten heeft opgedreven. Barbiefabrikant Mattel, die een grote productiebasis heeft in Azië, worstelt ook met stijgende loonkosten. Beide bedrijven hebben de prijzen van hun producten verhoogd. Ook Nike, dat de meeste van zijn schoenen in Azië maakt, gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten. 

    ‘Amerikaanse consumenten die altijd gewend zijn geweest aan min of meer vaste prijzen voor bepaalde producten zullen zich moeten instellen op een nieuwe situatie,’ zegt de Londense econoom Manoj Pradhan, coauteur van The Great Demographic Reversal.

    Generatieprobleem

    Vanaf de jaren negentig werden China en andere Aziatische productiecentra onderdeel van de wereldeconomie, waardoor landen met arme boeren veranderden in grootmachten op productiegebied. Duurzame goederen zoals koelkasten en sofa’s werden goedkoper. Maar nu stuiten deze productielanden op een generatieprobleem. Jongere werknemers, die beter opgeleid zijn dan hun ouders en ervaring hebben met Instagram, TikTok en andere sociale media, vinden dat hun werk zich niet binnen fabrieksmuren zou moeten afspelen.

    Demografische verschuivingen spelen daarbij een rol. Jonge mensen in Azië krijgen minder en op latere leeftijd kinderen dan hun ouders, wat betekent dat ze, wanneer ze in de twintig zijn, minder onder druk staan om een vast inkomen te verdienen. Dankzij een bloeiende dienstensector kunnen ze kiezen voor minder slopend werk, als medewerker in een winkelcentrum of als receptionist in een hotel.

    In China is het probleem acuut. De jeugdwerkloosheid in de steden bedroeg daar in juni 21 procent, ook al hebben fabrieken een tekort aan arbeidskrachten. Multinationals hebben hun productie verplaatst van China naar landen als Maleisië, Indonesië, Vietnam en India, maar ook daar zeggen fabriekseigenaren moeite te hebben om jongeren aan te trekken.

    ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte’

    Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties zijn de fabriekslonen in Vietnam sinds 2011 meer dan verdubbeld, tot 320 dollar per maand – een drie keer zo hoge stijging als in de VS. In China stegen de fabriekssalarissen van 2012 tot 2021 (de laatste periode waarover gegevens van de VN beschikbaar zijn) met 122 procent. 

    Nguyen Anh Tuan, een 25-jarige Vietnamees, stopte eerder dit jaar als monteur in een fabriek voor auto-onderdelen in een voorstad van Hanoi, om te gaan werken als motorrijder voor Grab, het lokale equivalent van Uber. Hij vervoert passagiers voor een lager uurloon dan hij in de fabriek verdiende, maar zegt dat de verandering de moeite waard is, want nu is hij zijn eigen baas. ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte,’ zegt Tuan over de drie jaar die hij in de fabriek werkte. Hij zou alleen nog verleid kunnen worden tot fabriekswerk als ze zijn vroegere maandsalaris van 400 dollar zouden verdubbelen, zegt hij.

    In het verleden konden fabrikanten hun productie simpelweg naar minder dure bestemmingen verplaatsen, maar tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. Veel landen in Afrika en Zuid-Azië met grote hoeveelheden arbeidskrachten zijn politiek instabiel of hebben geen goede infrastructuur of voldoende geschoolde arbeidskrachten. Kledingmerken kregen het zwaar te verduren toen ze hun activiteiten uitbreidden naar Myanmar en Ethiopië, en daar werden geconfronteerd met onlusten en burgeroorlog. Bangladesh is een betrouwbare basis voor de productie van kleding, maar een restrictief handelsbeleid en te grote drukte in de havens verhinderen een verdere ontwikkeling.

    Liever boer

    India heeft een enorme bevolking en bedrijven die op zoek zijn naar alternatieven voor China gaan vaak die kant op. Maar ook in India beginnen fabrieksmanagers te klagen hoe moeilijk het is om jonge werknemers vast te houden. Veel jongeren worden liever boer, gesteund door socialewelzijnsprogramma’s, of verkiezen tijdelijke baantjes in de stad boven het leven in een industrieel centrum met fabrieksslaapzalen. Gediplomeerde ingenieurs verlaten fabrieken voor IT-banen.

    Aziatische fabriekseigenaren proberen de banen aantrekkelijker te maken door onder meer het subsidiëren van crèches en het financieren van technische trainingsprogramma’s. Sommigen verplaatsen hun fabrieken naar landelijke gebieden waar mensen eerder bereid zijn om met hun handen te werken. Dat brengt ze echter wel verder weg van havens en leveranciers, en dwingt ze om zich aan te passen aan het leven op het platteland, waar werknemers vaak tijdens de oogsttijd afwezig zijn. 

    Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen

    Christina Chen, de Taiwanese eigenaar van een meubelbedrijf dat zijn producten verkoopt aan Amerikaanse winkelketens, besloot vier jaar geleden om haar fabriek weg te halen uit het zuiden van China, in de hoop dat het elders makkelijker zou zijn om personeel te werven. Eerst overwoog ze de industriegebieden rond Ho Chi Minhstad, maar ze hoorde vreselijke verhalen over een hoog personeelsverloop en torenhoge lonen.

    In plaats daarvan vestigde ze zich op het platteland van Noord-Vietnam. Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen, zegt ze, waardoor het werk mondeling moet worden uitgelegd, of met visuele demonstraties. Maar het personeel is wel stabieler, zegt ze.

    Ze is blij met de jongere werknemers die wel kunnen lezen. Ze betrekt hen bij de besluitvorming, nodigt ze uit om haar Amerikaanse inkopers te ontmoeten die langskomen en laat hen foto’s zien van hun tafels en stoelen in Amerikaanse winkels. Haar bedrijf, Acacia Woodcraft Vietnam, is gedeeltelijk geautomatiseerd, zegt ze, maar voor veel taken is nog steeds menselijk vakmanschap nodig. 

    Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31

    Het arbeidslandschap zag er twintig jaar geleden heel anders uit, toen je om werknemers te vinden alleen maar de fabriekspoorten hoefde te openen en de arbeiders op de fiets binnenstroomden. In 2001 meldde Nike dat ruim 80 procent van zijn fabrieksarbeiders in Azië werkte en dat de gemiddelde arbeider 22 jaar oud was, alleenstaand en opgegroeid op het platteland. Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31, mede doordat de Aziatische landen snel vergrijzen.

    Extra trainingen

    Maxport Limited Vietnam, een toeleverancier van Nike die in 1995 werd opgericht, heeft de strijd om werknemers zien toenemen. Bij de fabrieken van dit bedrijf schijnt nu zonlicht door de ramen en Maxport heeft duizenden planten en bomen geplant. Het bedrijf geeft jonge werknemers extra trainingen, zodat ze kunnen doorgroeien tot supervisor. Toch heeft het moeite om jonge mensen aan te trekken. Het is gestopt met een trainingsprogramma voor jongeren die net van de middelbare school komen, deels omdat maar weinigen van hen daarna een baan accepteerden, zegt senior complianceofficer Do Thi Thuy Huong. Ongeveer 90 procent van de werknemers van Maxport is dertig jaar of ouder.

    Lovesac, een meubelfabrikant in Connecticut, zegt dat zijn personeelsbestand in China aan het vergrijzen is en dat het moeilijker is geworden om jongere werknemers te vinden om vacatures in te vullen. Directeur Shawn Nelson zegt dat jongeren uit landen als China en Vietnam, die tegenwoordig smartphones hebben en in contact staan met de rest van de wereld, minder interesse hebben in fabriekswerk. ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen,’ zegt hij. ‘Dan werken ze liever in een winkel.’ 

    ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen’

    Het bedrijf is van plan om een aantal activiteiten naar de VS te verplaatsen. Later dit jaar wil het beginnen met de productie van stoelen in een geautomatiseerde fabriek in North Carolina.

    Aziatische fabrieken die automatiseren hebben veel moeite om werknemers te vinden die de geavanceerde machines kunnen bedienen. Managers zeggen dat er niet genoeg jongeren zijn die geïnteresseerd zijn in werktuigbouwkunde, en dat degenen die dat wel zijn voor andere beroepen kiezen.

    Abhyuday Jindal, directeur van Jindal Stainless, een Indiase fabrikant van roestvrij staal, zegt dat werknemers uit generatie Z zich aangetrokken voelen tot de IT-sector en dat de meesten van hen ‘op zoek gaan naar een kantoorbaan, ook als ze worden aangenomen voor een technische functie’.

    Fabrieken ‘moeten ofwel meer betalen voor de vaardigheden die ze zoeken, ofwel concessies doen aan de capaciteiten die ze nodig hebben,’ zegt Richard Jackson, directeur van het in Thailand gevestigde wervingsbureau JacksonGrant.

    Uniform

    In Maleisië, een hub voor halfgeleiders en elektronica, laten fabrieken het dragen van een uniform achterwege – daar hebben jonge werknemers een hekel aan – en laten ze hun faciliteiten opnieuw ontwerpen. ‘We proberen onze fabrieken wat sexyer te maken, tussenwanden te openen, meer glas te gebruiken, meer licht binnen te laten, leuke muziek te draaien en een Apple-achtige omgeving te creëren,’ zegt Syed Hussain Syed Husman, voorzitter van de Maleisische werkgeversfederatie, die de fabrikanten vertegenwoordigt.

    Jonge mensen uit ontwikkelingslanden die anders fabriekswerk zouden doen, gaan nu aan de slag in de zorg voor het groeiende aantal ouderen in ontwikkelde landen; ze vullen de gaten op in de vergrijzende beroepsbevolking van die landen. Susi Susanti, een 29-jarige Indonesische, zegt dat ze na haar middelbare school een baan in een fabriek probeerde. Maar de druk die haar managers haar oplegden om sneller te werken, eerst in een elektronicafabriek en daarna in een baan waarbij ze schoenen maakte, beviel haar allerminst. Ze zei tegen haar moeder dat ze iets anders wilde gaan doen.

    Tijdens een zes maanden durende cursus leerde ze de basis van het Mandarijn, en vervolgens ging ze aan de slag als verzorgster van een ouder echtpaar in Taiwan. Haar loon is drie keer zo hoog als wat ze in haar thuisland in de fabrieken verdiende, zegt Susanti, en het is minder vermoeiend. ‘Als het goed gaat met de persoon voor wie ik zorg, kan ik me ontspannen.’ 

    Lees ook:

  • Amerikaanse overheid stevent af op ‘shutdown’

    Amerikaanse overheid stevent af op ‘shutdown’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Nagorno-Karabach zal vanaf 2024 niet meer bestaan

    » Zweden wil leger inzetten in strijd tegen bendes

    Salarissen van ambtenaren kunnen mogelijk niet worden uitbetaald 

    De Amerikaanse overheid heeft haar werknemers gewaarschuwd voor de gevolgen van een mogelijke ‘shutdown’. Als het Congres uiterlijk 30 september niet een nieuwe begroting goedkeurt, kunnen de salarissen van sommige ambtenaren niet worden uitbetaald. De Republikeinen weigeren vooralsnog in te stemmen met het begrotingsakkoord dat er ligt, waardoor de regering-Biden gedwongen wordt om Washington voor te bereiden op een uitgavenstop, zo schrijft The Washington Post

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Zo’n shutdown kan gevolgen hebben voor veel overheidsdiensten. Sommige ambtenaren zullen naar huis worden gestuurd zonder duidelijke terugkeerdatum en andere overheidswerknemers zullen moeten blijven werken zonder loon uitbetaald te krijgen. Bij deze laatste groep gaat het om ambtenaren met een essentiële functie als het gaat om nationale veiligheid.

    De vorige grote shutdown was in 2018 onder president Donald Trump en duurde 34 dagen. Deze uitgavenstop, die slechts enkele federale agentschappen trof, had invloed op meer dan 800.000 werknemers, waarvan ongeveer 38 procent met verlof werd gestuurd volgens cijfers van het Congressional Budget Office. Elke nieuwe mogelijke sluiting dreigt opnieuw enorme problemen te veroorzaken voor deze groep werknemers, die haar loon dreigt te verliezen in een tijd dat de prijzen van huur, boodschappen en andere goederen stijgen.

    De Democraten hebben een kortetermijnoplossing voorgesteld die de shutdown ten minste zou uitstellen tot november, maar de rechtervleugel van de Republikeinen weigert deze deal te accepteren zolang er niet wordt voldaan aan hun eisen. Zo wil deze factie onder leiding van de Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Kevin McCarthy extra geld voor grensbewaking en drastische bezuinigingen op het gebied van andere overheidsuitgaven zoals sociale zekerheid.

    Lees ook:

  • Ondanks sancties blijft Europa olie van Rusland kopen – en financiert zo de oorlog

    Ondanks sancties blijft Europa olie van Rusland kopen – en financiert zo de oorlog

    Hoewel de EU nieuwe sancties heeft ingesteld tegen de handel in Russische fossiele brandstoffen, blijven Europese tankers olie uit Rusland verschepen – en dus de Russische schatkist vullen. Het land verdient nog steeds ongeveer 640 miljoen euro per dag aan olie, kolen en gas.

    Ondanks een EU-embargo exporteren Europese schepen nog steeds miljoenen tonnen fossiele brandstoffen vanuit Rusland. Zo financieren ze een aanzienlijk deel van de oorlog die Vladimir Poetin in Oekraïne begon. De sancties gelden sinds begin december en zijn bedoeld om Rusland minder te laten verdienen aan de oliehandel met Europa. Ook moeten ze Europese rederijen ontmoedigen om Russische olie naar andere landen te vervoeren.

    Uit nieuw onderzoek van Investigate Europe en Reporters United, in samenwerking met Der Tagesspiegel, blijkt dat het embargo grotendeels zonder effect blijft. Rusland blijft profiteren van de export van fossiele brandstoffen – en Europese bedrijven helpen daarbij. Dit blijkt uit scheepsgegevens die het team van journalisten vijf maanden lang heeft verzameld.

    Uit het onderzoek blijkt dat het gesanctioneerde Russische staatsbedrijf Sovcomflot nog altijd handelspartner van Europa is

    Nadat de sancties begin december werden ingevoerd, hebben Europese vrachtschepen en tankers met een capaciteit van bijna 16 miljoen ton draagvermogen olie, kolen en gas uit Rusland geëxporteerd. De schepen vervoerden ongeveer 40 procent van de fossiele brandstoffen die sindsdien de Russische havens zijn uitgevaren.

    Van alle Europese scheepvaartsmaatschappijen doen Griekse rederijen de meeste zaken met Rusland. Maar ook schepen uit Italië, Noorwegen en Duitsland blijven vanuit Russische havens exporteren. Uit het onderzoek blijkt dat ook het Russische staatsbedrijf Sovcomflot, dat door de EU is gesanctioneerd, nog altijd handelspartner van Europa is.

    Oorlogskas

    Vorig jaar hebben de EU-lidstaten de handel in fossiele brandstoffen vanuit Rusland grotendeels aan banden gelegd. Sinds augustus geldt er een verbod op het vervoer van Russische kolen naar Europa, en sinds begin december mogen bedrijven ook geen Russische ruwe olie meer naar de EU verschepen. Naar andere landen mogen Europese rederijen en handelaren alleen ruwe olie uit Rusland vervoeren als deze landen niet meer betalen dan een maximumprijs, die vooraf door de EU-staten is vastgesteld.

    Ondanks deze embargo’s blijven veel Europese bedrijven goed verdienen aan de handel met Rusland. Of de rederijen en handelaren daarbij gemaakte afspraken overtreden, kan niet worden aangetoond aan de hand van openbare gegevens. Duidelijk is in ieder geval dat ze met hun handel de Russische oorlogskas spekken.

    Volgens openbaar toegankelijke gegevens vervoerden zij geen ruwe olie, maar zogenaamde olieproducten

    Voor het onderzoek analyseerden Investigate Europe en Reporters United de databanken van het Centre for Research on Energy and Clean Air (CREA) en Equasis, leverancier van scheepvaartgegevens.

    Volgens de onderzochte data verlieten tussen 5 december 2022 en 5 januari 2023 in totaal 689 schepen beladen met olie, kolen of gas de Russische havens. Hiervan kwamen 250 schepen uit Europa. De meeste waren gedekt door Europese verzekeraars.

    In de eerste maand na de invoering van de nieuwe sancties hebben binnen de EU vooral Griekse rederijen olie, kolen en gas uit Rusland geëxporteerd. Hun schepen legden in totaal 161 keer aan in Russische havens, met een capaciteit van 12 miljoen ton. Ook Duitse rederijen bleven handel drijven met Rusland: er zijn meer dan twintig gevallen bekend van tankers, met een totale capaciteit van bijna 1 miljoen ton, die vanuit Russische havens fossiele brandstoffen vervoerden.

    De hoeveelheid Russische brandstof die door EU-lidstaten wordt verscheept, is nauwelijks afgenomen

    Onderstaande tabel toont de totale hoeveelheid gas, olie en steenkool die volgens de onderzoeksgegevens tussen 24 februari en eind december vorig jaar vanuit Russische havens naar andere landen is verscheept. De zendingen zijn geordend naar het land waar de betreffende rederij is geregistreerd.
    1. Griekenland                                               135,8 miljoen ton
    2. China                                                          53,8
    3. Verenigde Arabische Emiraten                 35,5
    4. Rusland                                                      18,9
    5. Singapore                                                  17,4
    6. Turkije                                                       17,4
    7. Duitsland                                                   14,2
    8. Japan                                                          12,5
    9. Groot-Brittannië                                        11,3
    10. Monaco                                                     9,9

    Voor zover bekend hebben de Duitse rederijen met hun leveringen niet het embargo geschonden. Volgens openbaar toegankelijke gegevens vervoerden zij geen ruwe olie, maar zogenaamde olieproducten – en de EU zou de handel in bepaalde olieproducten pas begin februari verbieden.

    Onderstaande gegevens hebben betrekking op de export vanuit Russische havens. Het kan daarbij gaan om olie, gas en steenkool, maar ook afgeleide of verwerkte producten. De onderzochte periode loopt vanaf het begin van het embargo (5 december) tot en met 5 januari.

    De in Bremen gevestigde rederij German Tanker Shipping is verantwoordelijk voor vijftien van de twintig transporten. Tegenover Investigate Europe verklaarde een woordvoerder van het bedrijf dat de rederij ‘alle geldende sancties’ naleeft.

    Maar Svitlana Romanko, directeur van de Oekraïense hulporganisatie Razom We Stand, maakt zich zorgen. ‘Ik ben geschokt dat Europese scheepvaartmaatschappijen Russische olie en gas blijven exporteren,’ zegt ze. ‘Ik eis dat de EU-functionarissen die hiervoor verantwoordelijk zijn onmiddellijk uitzoeken of sancties niet zijn nageleefd en of bedrijven hier illegaal hebben samengewerkt met de Russische staat.’

    Het kan zijn dat deze transacties toch legaal waren vanwege een maas in de sancties

    Volgens de data-analyse van Investigate Europe en Reporters United hebben schepen met een totale capaciteit van acht miljoen ton tussen 5 december 2022 en 5 januari 2023 olie, kolen en gas vanuit Russische havens naar Europa geëxporteerd. Sinds begin december vorig jaar geldt een EU-embargo op de invoer van Russische ruwe olie. Maar de analyse wijst uit dat ook na het begin van de sancties in ten minste dertig gevallen ruwe olie vanuit Rusland naar Europa is verscheept. In achttien van die gevallen gebeurde dat met Europese schepen.

    Het kan zijn dat deze transacties toch legaal waren vanwege een maas in de sancties: schepen mogen nog steeds ruwe olie vanuit Russische havens exporteren als die olie oorspronkelijk uit een ander land komt.

    Export via andere landen

    Vanuit Kazachstan worden grote hoeveelheden ruwe olie verscheept naar de Russische havens in Novorossiysk en Oest-Loega. Drieëntwintig van de dertig ladingen ruwe olie die vorige maand de EU bereikten, zijn afkomstig uit Kazachstan. De scheepsterminal in Novorossiysk is onderdeel van het Caspian Pipeline Consortium (CPC), dat via pijpleidingen olie vanuit het westen van Kazachstan naar de haven aan de Zwarte Zee vervoert. De Russische staat heeft 24 procent van dat consortium in handen.

    Naar verluidt blijft de Russische regering naar manieren zoeken om ondanks de sancties toch fossiele brandstoffen naar de EU te kunnen exporteren. De Russische rederij Sovcomflot zou al begonnen zijn een deel van haar vloot over te dragen aan een onderneming die geregistreerd is in de Verenigde Arabische Emiraten. De EU heeft Sovcomflot gesanctioneerd, maar de rederij kan dankzij deze truc handel blijven drijven.

    Vooraanstaande managers van Sovcomflot staan in openbare registers vermeld als bestuurders van de onderneming Sun Ship Management. Die onderneming heeft de afgelopen maand al 39 transporten uitgevoerd, met een capaciteit van 3,2 miljoen ton. Zeven van die verschepingen hadden een haven in de EU als bestemming.

    Rusland verdient nog steeds ongeveer 640 miljoen euro per dag aan export

    Ondanks de EU-sancties blijft Rusland dus enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen exporteren. De totale exportcapaciteit is vorig jaar nauwelijks afgenomen, maar tankers uit Russische havens gaan de laatste tijd vaker naar China, India en Turkije in plaats van naar Europa. Waar hun ladingen uiteindelijk terechtkomen, is moeilijk te traceren.

    De EU heeft naast het exportverbod ook een prijsplafond ingevoerd. In januari publiceerde het Centre for Research on Energy and Clean Air een onderzoek waaruit blijkt dat de wereldmarktprijzen van olie en gas weer aanzienlijk zijn gedaald als gevolg van die maatregel. Maar Rusland verdient nog steeds ongeveer 640 miljoen euro per dag aan export.

    Het probleem is volgens deskundigen dat China, India en Turkije, de nieuwe handelspartners van Rusland, zich niet aan dat prijsplafond houden. Bovendien ligt het plafond van 56 euro hoger dan de gemiddelde prijs van Russische ruwe olie. De Oekraïense president Volodymyr Zelensky noemt de regeling dan ook ‘zwak’. Samen met Polen en de Baltische staten heeft hij voor een aanzienlijk lager plafond gepleit.

  • De EU moet zoeken naar nieuwe partners in Azië nu de Chinese economie stagneert

    De EU moet zoeken naar nieuwe partners in Azië nu de Chinese economie stagneert

    China is niet meer de groeimotor van de wereld, maar als de EU openstaat voor nieuwe handelspartners hoeft dat geen grote impact te hebben op de Europese economie, aldus Alicia García Herrero, hoofdeconoom bij investeringsbank Natixis. ‘Het is zaak zo snel mogelijk toenadering te zoeken tot opkomend Azië.’

    Al meer dan drie decennia levert China de grootste bijdrage aan de wereldwijde groei van de economie. Tijdens de crisis van 2008, terwijl de economieën van de Verenigde Staten en Europa instortten, was de Chinese economie bijvoorbeeld voor een derde verantwoordelijk voor de wereldwijde groei. De piek van de Chinese groei is al enige tijd voorbij en de economie vertraagt zelfs al dertien jaar. In 2015 werd China meegesleurd in een periode van deflatie, gevolgd door een instorting van de beurs, de handelsoorlog met de VS, de pandemie en het zerocovidbeleid dat enorm negatieve gevolgen had voor de economische groei van China, waardoor deze alleen maar meer werd geremd. 

    Tegen deze achtergrond begon 2023 door de opheffing van de coronamaatregelen veelbelovend. De hoge inflatie in de rest van de wereld, veroorzaakt door de oplopende energie- en voedselprijzen, zette de centrale banken wereldwijd aan tot actie. Deze leidde vervolgens tot de hoogste rentestijging in decennia. De verwachting was dat de hoge rente de Amerikaanse en Europese economieën op de knieën zou dwingen, waardoor de Chinese economie net als in 2008 sneller kon groeien dan in het Westen. Deze gunstige vooruitzichten zorgden voor sterke kapitaalinjecties in november en december vorig jaar, maar die duurden slechts tot maart dit jaar. Toen werd duidelijk dat de consumentenmarkt niet herstelde en dat het aantal investeringen ook niet toenam, zoals verwacht. 

    Uit enquêtes blijkt dat het vertrouwen van Chinese consumenten en ondernemers in de economie erg laag blijft, wat misschien verrassend lijkt na de pandemie. Maar omdat het besteedbare inkomen niet stijgt en de werkloosheid onder jongeren zelfs harder stijgt dan in Spanje, met 21,6 procent in juni, is dat niet zo gek. Ook op de investeringsmarkt is weinig herstel te zien, met de vastgoedsector als belangrijkste oorzaak. Daarbovenop ging ook de export nog eens hard achteruit en en was er zelfs sprake van een daling, met dubbele cijfers in juni. Dat is een zorgwekkende ontwikkeling aangezien de buitenlandse vraag een belangrijke bijdrage vormde gedurende de coronapandemie en zelfs nog tot begin 2023. De oorzaak van de dalende Chinese exportcijfers kan worden gezocht in de verzwakte economieën van de VS en Europa, maar de afname kan ook andere minder cyclische en meer geopolitieke oorzaken hebben, zoals risicomijdende gedrag van westerse landen en grote multinationals, die hun productie verplaatsen naar andere landen dan China. 

    Toenadering

    De zware last van de staatsschuld, vooral bij lokale overheden, en de nog altijd penibele situatie van vastgoedondernemers heeft de Centrale Bank van de Volksrepubliek China ertoe aangezet de liquiditeit in omloop te verhogen en de rentetarieven te verlagen, waardoor de yuan tot voor kort erg zwak was. Het herstel van de beurs heeft te maken met de steunmaatregelen die de Chinese autoriteiten de afgelopen weken hebben aangekondigd. Het gaat echter niet om een ouderwetse financiële injectie, maar om een oproep aan de private sector om herstel mogelijk te maken door te investeren en banen te creëren. Helaas laat de reactie van zowel Chinese als buitenlandse bedrijven op zich wachten. 

    Tot nu toe wijst alles er echter op dat de Chinese economie erg op zichzelf staat

    Een belangrijke vraag is of de rest van de wereld, die lange tijd heeft geprofiteerd van de enorme bijdrage van China aan de wereldwijde groei, veel last zal hebben van deze structurele afremming. Omdat China in 2008 profiteerde van de ingestorte economie in de VS en de EU, was de verwachting dat dit andersom ook zou gebeuren. Tot nu toe wijst alles er echter op dat de Chinese economie erg op zichzelf staat. Zelfs nog meer dan in 2008. Eén oorzaak daarvan is het feit dat China al bijna tien jaar geïmporteerde producten aan het vervangen is voor binnenlandse productie, van industriële goederen tot eindproducten zoals auto’s. Maar dit geldt ook voor de chemische en andere sectoren. De Chinese import ligt met andere woorden al lange tijd erg laag en landen met een hoge exportindustrie, zoals Duitsland, Zuid-Korea en Japan, zijn gewend geraakt aan de verminderde vraag.  

    Vanwege de handelsnabijheid zou men verwachten dat Zuidoost-Azië het meest te lijden heeft onder de Chinese stilstand, maar dat lijkt niet het geval te zijn. In 2022 bereikten de opkomende economieën in die landen zelfs een recordgroei, terwijl er in China, waar nog altijd een zerocovidbeleid heerste, sprake was van maar 3 procent groei. De groeikloof tussen opkomend Azië, aangevoerd door India en de landen van de ASEAN (Association of Southeast Asian Nations: Thailand, Indonesië, Maleisië, Singapore en de Filipijnen), en China zal in 2023 kleiner worden, maar niet helemaal verdwijnen. Dat is goed nieuws voor de rest van de wereld, want deze landen zullen een steeds grotere rol van betekenis gaan krijgen en daarbij nog onafhankelijker worden van China. Een realiteit die Europa, dat nog steeds met India onderhandelt over een handels- en investeringsovereenkomst, niet over het hoofd mag zien. 

    Vooruitkijken

    Het Verenigd Koninkrijk maakt al deel uit van een belangrijke en uitgebreide handelsovereenkomst met Azië, namelijk de Comprehensive and Progressive Agreement for Trans-Pacific Partnership (CPTPP). Dit pact zou de EU een gevoel van urgentie moeten geven als het gaat om haar handelsplannen met wat de belangrijkste groeiregio van de wereld gaat worden nu de Chinese economie blijft vertragen, onder druk van vergrijzing en een afnemend rendement op investeringen. De EU zou het tempo van de onderhandelingen met India moeten opvoeren en de ASEAN als één geheel moeten beschouwen. Het zou niet langer bilaterale onderhandelingen moeten voeren, zoals momenteel gebeurt met Indonesië en Thailand. Het is zaak zo snel mogelijk toenadering te zoeken tot opkomend Azië. 

    Het slechte nieuws is dat we er uiteindelijk aan moeten wennen dat China niet langer de grootste bijdrage levert aan de wereldwijde groei. Het goede nieuws is dat de wereld gewend is geraakt aan de structurele afremming van de Chinese economie en dat er een reservewiel is dat de wereldwijde groei draaiende houdt. Dat reservewiel bestaat uit de rest van Azië, aangevoerd door India en de landen van de ASEAN.

    Lees ook:

  • In Iran kost dieselsmokkel mensenlevens. ‘We hebben geen keus’

    In Iran kost dieselsmokkel mensenlevens. ‘We hebben geen keus’

    Vorig jaar vlogen 170 voertuigen met gesmokkelde diesel in brand rond de Iraanse stad Iranshahr, waarbij 168 mensen omkwamen. Ondanks de gevaren zien veel inwoners geen andere uitweg: ‘Hoe moeten we anders in ons levensonderhoud voorzien?’

    In de achtergestelde regio Sistan en Beloetsjistan, in het zuidoosten van Iran, houden inwoners het hoofd boven water met handel in diesel. Voor weinig geld leggen ze hun leven in de waagschaal door een uiterst brandbaar product honderden kilometers lang over slechte wegen te vervoeren.

    In het huis van Mohammad Hossein, in het dorp Karimabad, draagt iedereen zwarte rouwkleding. De reden: de 26-jarige Mohammad verbrandde levend in zijn pick-up. Dat gebeurde toen hij onderweg was als dieselsmokkelaar, het beroep waarmee hij in het levensonderhoud van een achtkoppig gezin voorzag.

    Twee keer per week reed hij midden in de nacht naar het dorp Pir Konar, 480 kilometer verderop. Eerst moest hij uren wachten voordat hij de tank achter zijn auto kon vullen met 2600 liter diesel. Daarna reed hij naar de Pakistaanse grens. Daar deed hij twee dagen over. Hij verkocht zijn lading aan een Pakistaanse dealer en keerde terug naar Karimabad.

    Een andere broer smokkelde eveneens tien jaar lang diesel, tot een auto-ongeluk hem arbeidsongeschikt maakte

    Karimabad ligt in de provincie Sistan en Beloetsjistan, een regio bevolkt door de Beloetsjen, een minderheid die voornamelijk bestaat uit soennieten – dus geen sjiieten, die de dominante religie vormen in Iran, waardoor de soennieten slachtoffer zijn van discriminatie.

    Mohammad Hossein was het enige gezonde lid van de familie. Zijn vader loopt al jaren met een kruk. Zijn oudere broer, die lang hetzelfde werk deed, werd zo bang dat hij ermee moest stoppen. Een andere broer smokkelde eveneens tien jaar lang diesel, tot een auto-ongeluk hem arbeidsongeschikt maakte. Hij herinnert zich nog goed wat er gebeurde op de dag dat het lot van zijn broer werd bezegeld:  ‘Om acht uur ’s ochtends kregen we te horen dat Mohammads auto was gekanteld. Hij vloog in brand nadat hij de vangrail had geraakt. Mohammad zat klem en verbrandde dus ook.’

    In brand 

    In 2022 vlogen 170 voertuigen met gesmokkelde diesel in brand rond de stad Iranshahr en kwamen er 168 mensen om – 147 van hen hadden kinderen.

    ‘We wisten dat het gevaarlijk was, maar we hadden geen keus,’ zegt de vader van Mohammad Hossein. ‘Hoe moesten we anders in ons levensonderhoud voorzien?’

    Begin deze eeuw werden de stad Iranshahr en de omliggende dorpen door rampspoed getroffen: zeven jaar achter elkaar viel er geen druppel regen. Door de ongeorganiseerde aanleg van dammen en een landbouw die niet op de veranderde omstandigheden wist in te spelen werd vruchtbare grond verpest.

    De in de jaren negentig gestichte industriestad Iranshahr biedt tegenwoordig een spookachtige aanblik. Het is er leeg en stil. De kalksteen- en marmermijn is al jaren gesloten. Het geboortecijfer is hier echter hoger dan het landelijk gemiddelde.

    Krediet

    Mohammad Hossein, die al vanaf zijn vijftiende als assistent-chauffeur werkte, kocht twee jaar geleden een pick-up op krediet. Hij zat altijd in de schulden; door diesel te vervoeren, kon hij die maandelijks aflossen én de familie-uitgaven voor zijn rekening nemen.

    Vorig jaar ontploften wekelijks gemiddeld vier pick-uptrucks op de wegen van Iranshahr. Een voertuig dat in brand vliegt betekent het verlies van bestaansmiddelen voor zeker tien mensen.

    Het Khatam-ziekenhuis in Iranshahr, een stad waar zo’n 200.000 mensen wonen, telt landelijk het hoogste aantal operaties en amputaties die aan brandwonden zijn gerelateerd.

    Vorig jaar ontploften wekelijks gemiddeld vier pick-uptrucks op de wegen van Iranshahr

    Alle transporteurs die op de wegen hier in de buurt zijn verbrand, komen in dit ziekenhuis terecht. Met tien bedden en drie operatiekamers is dit het enige brandwondencentrum binnen een straal van 400 kilometer.

    Een arts die er wekelijks twee of drie jonge dieselsmokkelaars met brandwonden behandelt en opereert, betreurt dat ze ‘voor niets sterven’.

    Op de ringweg van Iranshahr heeft zich een kilometerslange rij van pick-ups, bestelwagens en auto’s gevormd. De chauffeurs staan twee rijen dik om een deel van hun vracht te verkopen voor dertig keer zoveel als de normale prijs – meestal twee- à driehonderd liter die ze hebben ingekocht tegen het overheidstarief.

    Hier bevindt zich een depot van gesmokkelde diesel, en de meeste vervoerders van Iranshahr zijn er klant. Hetzij om diesel aan het depot te verkopen, hetzij om er diesel in te kopen, die over de grens wordt gesmokkeld. Kleine overdekte, schemerige, stinkende binnenplaatsen, zwarte, vettige vloeren. Met een zuigpomp en een elektromotor worden tientallen vaten van elk 220 liter gevuld.

    Pinapparaat

    Eslam, de eigenaar, heeft een pinapparaat, contanten en een kluis.

    De prijs voor het kopen en verkopen van diesel verandert meerdere keren per dag. Noch de dieseltransporteurs, noch de verkopers weten wie die prijs bepaalt. Ze weten alleen dat het openen en sluiten van de Pakistaanse grens en zelfs het stijgen en dalen van het peil van de grensrivier er invloed op hebben.

    We moeten door de woestijn en over de bergen om de politie te vermijden

    In dit entrepot in Iranshahr heeft een tankwagen zijn inhoud nog maar net gelost of er arriveert een nieuwe pick-up. De chauffeur, een magere jongeman met een donker gezicht, die een eindje bij zijn auto vandaan staat om een sigaret te roken, maakt zich op om naar Pirkour te rijden. Het zal twee dagen duren voor hij bij de grens is. ‘De weg is zo slecht dat je het leven gaat vervloeken. We moeten door de woestijn en over de bergen om de politie te vermijden.’

    De pick-ups met diesel vormen een konvooi. De chauffeurs kiezen een jonge collega uit als verkenner. Een kwartier voordat de stoet vertrekt gaat hij er op een motorfiets vandoor, en hij keert terug om de chauffeurs te vertellen of er onderweg politie valt te verwachten.

    Leraar worden

    Mohammad Hossein betaalde de studie van zijn negentienjarige neef Chahab. Als hij dit jaar niet naar de universiteit gaat, zal ook hij moeten werken als dieseltransporteur, net als de rest van de jongens in het dorp.

    ‘In ons dorp ben ik de enige die naar de universiteit kan,’ zegt Chahab. ‘De andere jongeren hebben niet eens de middelbare school gedaan. Studeren interesseert ze niet. We hebben hier niet eens een park of een voetbalveld.’

    Een lokale bewoner zegt dat zelfs de clandestiene verkoop van diesel voor veel van deze jongeren te hoog is gegrepen: ‘Ze hebben minimaal 500.000 toman [9 euro] nodig om tanks en twee of drie meter slang te kunnen kopen. Met zo’n bedrag kun je een gezin van zeven een week lang van brood voorzien. En veel gezinnen in het dorp eten alleen brood.’

    Chahab wil alleen maar ‘een goede baan’ en ‘een eenvoudig leven’. ‘Mijn droom is om leraar te worden, maar hier, in dit dorp, is het waarmaken van je dromen een droom.’  

  • Veerboot Aquidaban – de levensader van de rivier de Paraguay – is in gevaar

    Veerboot Aquidaban – de levensader van de rivier de Paraguay – is in gevaar

    Als veerboot annex drijvende kruidenierswinkel en dorpscafé in een van de meest afgelegen delen van Zuid-Amerika is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen. Nu dreigt de dienst te worden opgeheven.

    Bijna een compleet dorp wurmt zich in een rij over de houten loopplank naar het voordek van de Aquidaban. De Tomáraho hebben enkele dagen terug stroomafwaarts de boot genomen om te stemmen bij de nationale verkiezingen van Paraguay. Daarna hebben ze vier nachten buiten geslapen, in afwachting van de Aquidaban, die hen vandaag weer naar huis brengt.

    Meer dan tweehonderd Tomáraho drommen samen, gehurkt op omgekeerde emmers, opeengepakt in hangmatten of languit op de grond. Niemand weet precies hoeveel reddingsvesten er aan boord zijn, maar bijna iedereen is er zeker van dat er meer passagiers dan zwemvesten zijn.

    ‘De Aquidaban is er al sinds mijn kindertijd,’ zegt Griselda Vera Velázquez (33). Ze is handwerker in het dorp van de Tomáraho, waar geen weg naartoe loopt. Voor haar dochter met het syndroom van Down neemt ze regelmatig de boot naar medische specialisten ruim zeshonderd kilometer verderop. ‘We leven geïsoleerd,’ zegt ze. ‘Er is geen andere manier van reizen.’

    Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden

    Vlakbij drinken vier veedrijvers het ene biertje na het andere en gooien de lege blikjes in de rivier. Ze hebben een maandenlange dienst op het platteland voor de boeg. Een moeder van zes kinderen is na haar scheiding op vakantie. Ze balanceert op de reling van het dek en neemt met luide stem een video op voor haar Facebookvrienden. Op het bovendek wiegt een jong stel uit de omgeving hun dochter van zeventien dagen oud; ze maken een lange reis van het ziekenhuis naar huis.

    Al 44 jaar is het 40 meter lange witte, houten schip de enige reguliere veerdienst die diep binnendringt in de Pantanal, een draslandgebied dat groter is dan Griekenland. Van dinsdag tot zondag vaart het schip 800 kilometer de rivier de Paraguay op en neer, waarbij van alles en nog wat wordt afgeleverd, van crossmotoren tot pasgeborenen. Het benedendek is een drijvende supermarkt, met tien verkopers die de banken waarop ze slapen ombouwen tot kraampjes met groente en fruit, vlees en zoetigheden. Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden.

    Essentieel vervoermiddel

    Behalve een essentieel vervoermiddel, waarmee de mensen uit de omgeving vrijelijk door het gebied reizen, is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen, die al heel lang het handelsmerk van Paraguay is. Dit nergens aan zee grenzende Zuid-Amerikaanse land met zeven miljoen inwoners oefent al generaties lang een grote aantrekkingskracht uit op een gestage stroom van fanatiekelingen, idealisten, utopisten en verschoppelingen van elders. Decennialang was de Aquidaban een van de weinige plekken waar al deze groepen samenkwamen.

    Aan boord zitten mormoonse missionarissen en mennonitische boeren naast lokale leiders en Japanse koks. Moeders geven peuters borstvoeding in een hangmat, boeren binden hun kippen vast aan de reling, jagers verkopen capibara’s zonder kop.

    Maar nu komt er misschien een einde aan het reizen met de boot. In het afgelegen noorden van het land heeft Paraguay nieuwe wegen aangelegd, als onderdeel van een transcontinentale corridor van Brazilië naar Chili, die de Atlantische met de Stille Oceaan verbindt. Deze en andere wegen hebben invloed op de omzet van de Aquidaban. Volgens de familie die eigenaar is van de boot, gaan de zaken steeds slechter.

    ‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren’

    ‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren,’ zegt Alan Desvars (35), mede-eigenaar van het schip. Hij staat op het voordek in een Duits thrashmetalshirt. ‘Dit is misschien wel het laatste jaar.’

    Op de Aquidaban is het vies en luidruchtig. Het eten is van dubieuze kwaliteit en de bemanning chagrijnig. Overal zitten bloeddorstige muggen. Op de vierde dag is de lucht bedompt door de geuren van bederfelijke waren, vee en boerenknechten die terugkeren na maanden in de bush. Maar voor de Desvars, een familie van scheepsbouwers, is de Aquidaban hun grote trots.

    Houten kano’s

    De familie begon bijna een eeuw geleden met de verkoop van houten kano’s langs de rivier, totdat de jongere generatie besefte dat de afgelegen riviergemeenschappen meer nodig hadden dan alleen kano’s. Aan alles was gebrek. Dus bouwden ze met het hout van de roze bloeiende lapacho een schip in de vorm van een lange schoen, dat wordt aangedreven door een oude Mercedes-vrachtwagenmotor. Ze noemden het de Aquidaban, naar een nabijgelegen zijrivier. Het was een schot in de roos. Na de tewaterlating in 1979 moest de bemanning in de havens soms mensen dwingen van boord te gaan om te voorkomen dat het schip zou zinken.

    Sindsdien bevaart de Aquidaban gedurende 51 weken per jaar de rivier met zo’n 10 bemanningsleden en 10 verkopers. Sommigen doen dat al meer dan 25 jaar. ‘Het voelt als familie,’ zegt Desvars. ‘Met sommigen kun je goed opschieten, en er zijn er die je de nek zou willen omdraaien.’ Een rondleiding is na een paar minuten al klaar. De enorme opslagruimte is gevuld met kratten melk, olietanks en televisies. Voorwerpen met afwijkende maten en vormen – bromfietsen, een spiegelkast, een geit – staan op het dek. De verkopers binnen bieden bananen, ingevroren kippen en deodorant aan.

    De vier toiletten lozen rechtstreeks in de rivier; de douches ernaast pompen rivierwater naar binnen. Op het bovendek bieden acht hutten met stapelbedden privacy aan degenen die het kunnen betalen. Voor de volledige riviertocht is het tarief 17,50 euro; een hut kost 12,90 euro extra. De meeste passagiers slapen in hangmatten, op banken of op de grond.

    Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé

    Of ze gaan naar de eetzaal. De kok, Humberto Panza, maakt doorgaans twee gerechten: rijst met taaie stukjes rundvlees of pasta met taaie stukjes rundvlees. De overvloedige verse producten die beneden verkrijgbaar zijn, staan niet op zijn menu. ‘Ik bereid alleen vlees,’ zegt hij. De kantine is waarschijnlijk tevens de hipste bar van de Pantanal.

    Als de Aquidaban op vrijdagavond bij een dorp aankomt, staat er een menigte jonge mensen te dringen. Vanuit de kantine stromen ze de gang op. Ze drinken goedkope blikjes Braziliaans bier en roken sigaretten onder de ‘Verboden te roken’-borden. Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé, vertellen ze.

    De Tomáraho worden gevolgd. Nathan en Zach Seastrand zijn op weg naar hun dorp voor het filmen van wat ze de ‘regendans’ van de Tomáraho noemen. ‘Dat lijkt wel iets uit Indiana Jones,’ zegt Nathan Seastrand, terwijl hij en zijn broer elk een kom met Panza’s stoofvlees naar binnen werken. De gebroeders Seastrand komen uit Utah en zijn jaren geleden als mormoonse missionarissen naar Latijns-Amerika afgereisd. Destijds waren ze gladgeschoren en droegen ze stropdassen en naambordjes met de tekst ‘ouderling Seastrand’.

    Tomáraho

    Nu zijn het bebaarde, langharige socialmedia-influencers zonder shirt; twee bierdrinkende, Spaanssprekende gringo’s die zich in de jungle wagen en honderdduizenden volgers hebben. ‘Veel mensen hebben talent,’ zegt Nathan Seastrand. ‘Maar ze zijn niet stoer, roekeloos of dwaas genoeg.’

    Als zendelingen doopten ze meer dan dertig mensen voor de mormoonse kerk. Maar toen vonden ze op internet een analyse waarin inconsistenties in de leer van de mormonen werden beschreven. ‘Dat was een mokerslag,’ zegt Nathan Seastrand. Ze verlieten de kerk en begonnen berichten te posten. Zoals foto’s waarop ze met ontbloot bovenlijf anaconda’s vasthouden. Nu filmen ze een documentaire over oorspronkelijke gemeenschappen die ze aan het Sundance Film Festival willen aanbieden. De Tomáraho zijn een van de laatste gemeenschappen die ze nog willen bezoeken.

    Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden

    Volgens Nestor Rodríguez, het hoofd van de Tomáraho, die bier drinkt op het dek, is het in de afgelopen twee jaar de vierde groep buitenlanders die door de Aquidaban naar het dorp wordt gebracht. ‘Hun project biedt steun aan de gemeenschap,’ zegt hij. De Seastrand-broers hebben te horen gekregen dat ze moeten betalen om binnen te komen.

    Bij volle maan vaart de Aquidaban naar het dorp. Twintig minuten lang schreeuwen de Tomáraho naar elkaar terwijl ze in het donker naar hun bezittingen zoeken. De Amerikaanse broers houden zich afzijdig. ‘We weten niet waar we terechtkomen,’ zegt Nathan.

    Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden. Al tientallen jaren maken missionarissen gebruik van de boot om de gemeenschappen langs de rivier te bereiken.

    Mormoonse geloof

    De noordelijkste halte, Bahía Negra, is de thuisbasis van misschien wel de meest afgelegen kerk van het mormoonse geloof. Als de Aquidaban er op een ochtend aanmeert, hebben de dorpsbewoners zich al verzameld aan de rand van de rivier, in afwachting van hun wekelijkse drijvende kruidenierswinkel. Onder hen zijn twee jonge mannen met stropdassen, de huidige mormoonse missionarissen, die hier naar eigen zeggen door goddelijke interventie heen zijn uitgezonden.

    ‘Een van de apostelen bekijkt ons, bestudeert onze papieren, leest wat informatie over ons en pakt er een landkaart bij,’ zegt A.J. Carlson (18) uit Fort Worth, Texas. ‘Dan krijgen ze een openbaring.’

    Iets verderop vlecht een groep vrouwen manden in een achtertuin. ‘Voor de kerk er was, hadden we alleen sjamanen,’ zegt Elizabeth Vera (64) over de mormonen. ‘Toen kwamen de Amerikanen.’ Ze wijst naar Carlson. ‘Hij is een boodschapper van Jezus Christus.’

    Emilia Santos reist met de Aquidaban van haar dorp naar een andere kerk. Ze werkt als kok voor de Unification Church in Puerto Leda, een buitenpost in de jungle. Deze religieuze beweging werd opgericht door dominee Sun Myung Moon, een Koreaan die beweerde de nieuwe christelijke messias te zijn, en die miljoenen volgelingen kreeg. Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen.

    Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen

    Deze nederzetting bestaat voornamelijk uit Japanse missionarissen, en Santos heeft er geleerd hoe ze curry’s en sushi moet klaarmaken. Ze heeft weer een dienst van twee weken voor de boeg, zegt ze. ‘En ik reis altijd met de Aquidaban.’ De missionarissen verbouwen tayer en onderhouden twintig visvijvers. Ze hebben ook een paar van hun buren bekeerd.

    Jamby Balbuena, een arbeider die helpt in de viskwekerijen, zit bier te drinken in de kantine van de Aquidaban. Hij is onderweg naar zijn werk in de nederzetting, waar alcohol verboden is. Twee jaar geleden heeft hij zich bekeerd, zegt hij. ‘Ik hou van hun religie, God volgen – dat allemaal.’

    Derlis Martínez ziet er nerveus uit. De 25-jarige politieagent in camouflagepak en gevechtslaarzen vervoert op de overvolle boot zijn eerste gevangene.

    Gekleed in een shirtje en met handboeien om oogt de 37-jarige Agustín Coronel ontspannen. ‘Hij is mijn lijfwacht,’ zegt hij glimlachend. De twee zijn samen op reis vanuit Bahía Negra, waar Coronel werd gearresteerd nadat hij zijn vrouw had geslagen. ‘Ik ben schuldig,’ zegt hij ongevraagd. Martínez moet hem naar een rechtszitting stroomafwaarts brengen. De reis duurt bijna twee dagen. ‘Voor slapen is geen tijd,’ zegt Martínez. ‘Ik moet hem bewaken.’

    Geboeide handen

    Coronel zegt dat hij ook wakker blijft, om zijn reispartner gezelschap te houden. De twee mannen kletsen met elkaar. Over Coronels misstap en zijn berouw, over hobby’s, over het leven. Nippend aan hetzelfde zilveren rietje delen ze een van een runderhoorn vervaardigde beker tereré, een koude mate die populair is in Paraguay. Ze eten zij aan zij in de kantine – Martínez betaalt Coronels maaltijd van zijn eigen geld.

    Om twee uur ’s nachts, nadat ze twintig uur samen hebben doorgebracht, zit Martínez beneden op een bank. Hij staart naar Coronel, die op de vloer ligt met zijn geboeide handen boven zijn hoofd. Ze hebben een band, zegt de gevangene. Martínez aarzelt. ‘Het is mijn werk,’ antwoordt hij.

    Tegen de ochtend zijn ze terug in de kantine en geven toe dat ze voor de machinekamer naast elkaar zijn ingedommeld. Hoe gaat het nu met ze? ‘Geweldig,’ antwoordt Coronel. Tijdens de lange uren in de krappe behuizing van de Aquidaban ‘hebben we vriendschap gesloten’, geeft Martinez toe. 

    Lees ook:

  • Hoe Europese landen het geboortecijfer proberen op te krikken

    Hoe Europese landen het geboortecijfer proberen op te krikken

    Bijna overal in Europa proberen regeringen de geboortecijfers op te krikken. In het ene land gaat dit met meer succes gepaard dan in het andere. Eén ding staat in ieder geval als een paal boven water: geld alleen helpt niet.

    Het plan van minister Lisa Paus [de Duitse minister van Gezin, Senioren, Vrouwen en Jongeren] om de ouderschapsuitkering af te schaffen voor stellen met hogere inkomens is onderwerp van verhitte debatten. Ook de toekomst van de gescheiden belastingaanslag voor echtgenoten is binnen de Duitse coalitie een twistpunt. Maar is gezinsbeleid alleen in Duitsland controversieel? Hoe is de situatie in andere Europese landen? Hoe ontwikkelen de cijfers zich daar en welke tegemoetkomingen krijgen ouders en kinderen?

    Polen

    Spanje en Italië kijken misschien jaloers naar het geboortecijfer van Polen, maar vergeleken met zijn EU-buren komt Polen achteraan met 1,33 kind per gezin (in 2021). Zelfs het Familie 500+-programma heeft daar geen verandering in kunnen brengen. Sinds de partij PiS in 2016 aan de macht is, ontvangt elk gezin 500 złoty per kind per maand, ongeacht het inkomen, tot de achttiende verjaardag van het kind. Omgerekend is dat ongeveer 112 euro.

    De PiS-regering verwaarloost de gezondheidszorg, schaft seksuele voorlichting op scholen af, beperkt de toegang tot voorbehoedsmiddelen en staat abortussen alleen toe na verkrachting, incest of als het leven van de moeder gevaar loopt. Toch is het 500+-programma als belangrijke sociale beleidsmaatregel onomstreden. In de verkiezingscampagne overboden de PiS en zijn grootste tegenstander, de PO van Donald Tusk, elkaar met beloftes. De PiS heeft vanaf 2024 een kinderbijslag van 800 złoty beloofd. Hoe dat gefinancierd moet worden is onduidelijk.

    Dat het geboortecijfer nog steeds niet stijgt, komt volgens activisten voor vrouwenrechten mede door het verbod op abortus. Jonge vrouwen zijn bang om zwanger te worden. Er sterven regelmatig zwangere vrouwen in Poolse ziekenhuizen. In alle gevallen stierf de foetus in de baarmoeder. Als er niet snel wordt ingegrepen, leidt dat tot een fatale sepsis [een heftige reactie op een bacterie]. 

    Door een gebrek aan kinderopvangplaatsen is het vooral voor vrouwen ook moeilijk om weer aan het werk te gaan. Pas na de derde verjaardag van het kind is er recht op gratis kinderopvang. Het maakt de wetgever niet uit of de vader of de moeder ouderschapsverlof opneemt; degene die voor het kind zorgt, krijgt kinderopvangtoeslag. Om het geboortecijfer te verhogen, dragen verschillende steden bij aan de kosten van in-vitrofertilisatie (ivf). Onder de PO-regering gold dat voor het hele land, maar de PiS heeft deze maatregel stopgezet.

    Oostenrijk

    Wat betreft sociale uitkeringen voor ouders is Oostenrijk vrij royaal in vergelijking met de rest van Europa. Er is een inkomensafhankelijke ouderschapsuitkering van 80 procent van het inkomen, tot een maximum van 2100 euro per maand – als alternatief zijn er verschillende soorten forfaitaire regelingen, bijvoorbeeld voor mensen die voor de geboorte geen betaald werk hadden. Er is een gezinstijdbonus en een leeftijdsgebonden kinderbijslag. De regeringspartij ÖVP heeft zich onlangs zelfs uitgesproken voor uitbreiding van de kinderopvang vanwege het enorme tekort aan geschoolde arbeidskrachten en het hoge percentage deeltijdwerkers onder vrouwen.

    Op papier ziet het er allemaal goed uit, maar in de praktijk ontbreekt het belangrijkste: keuzevrijheid. Het blijft bij mooie woorden, en vooral in deelstaten waar de FPÖ in de regering zit, wordt symboolpolitiek bedreven. In Salzburg hebben de rechtspopulisten een ‘kuddepremie’ in het regeerakkoord laten opnemen, en ook in Neder-Oostenrijk wil de FPÖ ‘staatskinderbijslag’ voor ouders die hun kinderen thuis opvangen. De ‘kuddepremie’ bestaat in Opper-Oostenrijk al jaren. Tegelijkertijd bestaat er in alle conservatief geregeerde deelstaten een enorm tekort aan plekken op kinderdagverblijven. Gedurende bijna twee maanden per jaar, veel langer dan welke vakantie ook, is meer dan een tiende van de kinderdagverblijven gesloten. Salzburg heeft voor slechts 24 procent van de kinderen onder de drie jaar plek bij de kinderopvang.

    Ondertussen daalt het geboortecijfer (in 2021 was het 1,48). Het antwoord van de FPÖ, met ongeveer 30 procent de sterkste partij in de peilingen: ‘Oostenrijk is geen immigratieland. Daarom voeren we een geboortegericht gezinsbeleid.’ Dat gaat de partij doen door ‘prioriteit te geven aan het huwelijk tussen man en vrouw als een bijzondere vorm van bescherming van het welzijn van het kind’. ‘De opvang van kinderen binnen de zekerheid van het gezin heeft bij ons de voorkeur boven vervangende maatregelen van de overheid.’

    Groot-Brittannië

    De Britten worden van oudsher voornamelijk geregeerd door conservatieve Tories en die hebben als uitgangspunt dat de staat zo min mogelijk moet ingrijpen, lees: regelen of helpen. Voor ouders is er daarom weinig financiële steun. Wat er wel is, voor wie, wanneer en hoeveel, is bovendien behoorlijk ingewikkeld.

    De situatie van de moeder is altijd doorslaggevend (ongeacht of ze een natuurlijke moeder of een adoptiemoeder is). Als de moeder vóór de zwangerschap in vaste dienst was en in ieder geval het minimumloon verdiende, hebben de ouders recht op maximaal 39 weken door de staat betaald ouderschapsverlof, waarbij het aan de ouders is hoe ze deze 39 weken onderling verdelen. De eerste zes weken wordt 90 procent van het salaris van de moeder uitbetaald, zonder bovengrens. Deze periode van zes weken kan ook beginnen tijdens de zwangerschap, bijvoorbeeld als de moeder niet kan werken. Voor de resterende 33 weken is er slechts een maximum van ongeveer 172 pond (200 euro) per week. Als de moeder vóór de zwangerschap geen vast dienstverband had, kan de vader maximaal twee weken betaald ouderschapsverlof aanvragen, maar ook hij ontvangt dan slechts 172 pond per week. Als het huishouden als geheel weinig verdient, zijn er nog andere sociale uitkeringen mogelijk, zoals huursubsidie of een bijdrage in de kosten voor kinderopvang.

    De combinatie van relatief weinig financiële tegemoetkoming van de staat en de algemeen stijgende kosten van levensonderhoud heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de manier waarop Britse gezinnen leven en werken. Het Office for National Statistics merkt op dat het sinds 2020 ‘gebruikelijk is dat beide ouders voltijds werken’, in tegenstelling tot vroeger, toen in het typische Britse gezin een tweede werkende ouder hoogstens een deeltijdbaan had. Gezinsbeleid is een terugkerend thema in het Verenigd Koninkrijk – maar geen centraal thema, althans niet voor de huidige Tory-regering. Premier Rishi Sunak heeft vijf doelen gesteld voor de verkiezingen van volgend jaar, en die gaan over vluchtelingen en de slechte economische situatie. Gezinnen komen er niet in voor.

    Spanje

    Rechtse partijen in Spanje willen meer prioriteit voor de verhoging van het relatief lage geboortecijfer (1,19 in 2021). Het gezinsbeleid van de linkse regering van premier Pedro Sánchez was daarentegen vooral gericht op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Tweeënhalf jaar geleden veranderde de regering de regels voor ouderschapsverlof en ouderschapsuitkering. Sindsdien hebben vaders in Spanje recht op dezelfde hoeveelheid ouderschapsverlof als moeders, namelijk zestien weken. En dat niet alleen: de eerste zes weken ouderschapsverlof direct na de geboorte zijn verplicht voor vaders. Daarna is het aan hen of ze het verdere ouderschapsverlof in één keer opnemen of in losse weken tot de eerste verjaardag van het kind. 

    Tijdens de ambtstermijn van Sánchez werd het ouderschapsverlof voor vaders steeds een beetje verlengd: van vier weken in 2018 naar acht, toen twaalf en uiteindelijk zestien weken. Vaders kunnen hun weken niet overdragen aan moeders. Hiermee voorkomt de Spaanse regering wat in Duitsland nog steeds gebruikelijk is: dat moeders aanzienlijk meer ouderschapsverlof opnemen dan vaders.

    Toen de laatste stap van dit beleid werd doorgevoerd, noemden veel feministen dat historisch. Werkgevers weten nu dat iedereen, man of vrouw, na de geboorte van een kind een tijdje thuis zal blijven. Er is echter ook kritiek: velen vinden de zestien weken ouderschapsverlof per partner te kort. Vooral omdat openbare kinderdagverblijven niet voor alle kinderen plek hebben. Als er dan evenmin genoeg geld is voor een oppas, zijn het uiteindelijk meestal de vrouwen die thuisblijven.

    Tijdens de bij elkaar opgeteld acht maanden ouderschapsverlof krijgen vaders en moeders in Spanje volledige looncompensatie. In Spanje bestaat in het algemeen echter geen kinderbijslag, die is er alleen voor kinderen met een handicap. Alleenstaande ouders of ouders met drie of meer kinderen ontvangen een eenmalige uitkering van 1000 euro na de geboorte.

    Italië

    Terwijl extreemrechts in Spanje er nog van droomt om de macht te grijpen, is dat in Italië al gelukt. Het is duidelijk dat het dramatisch lage geboortecijfer (1,25 in 2021) deze regering zorgen baart. Het aantal pasgeborenen daalde in 2022 voor het eerst onder de drempel van vierhonderdduizend. De bevolking van Italië daalt al jaren gestaag – tot 58,85 miljoen mensen bij de laatste telling – en zou kunnen krimpen naar 37 miljoen in 2060. De partij Fratelli d’Italia van premier Giorgia Meloni liet weten dat er geen ‘etnische vervanging’ zal plaatsvinden, dus geen ‘bevolkingsuitruil’ van Italianen tegen immigranten. Dit fascistische taalgebruik leidde tot een storm van verontwaardiging bij gematigde partijen.

    Tot nu toe heeft Meloni echter nog geen strategie om de bevolkingsafname tegen te gaan en daarmee de economie te voorzien van meer werknemers en het sociale stelsel van meer belastingbetalers. De nadruk op conservatieve gezinswaarden is duidelijk niet genoeg om het tij te keren. Er wordt gesproken over meer kinderopvang en hiervoor is zelfs 4,6 miljard euro beschikbaar, voornamelijk uit EU-fondsen. Maar de staat slaagt er niet in om landelijk meer kinderdagverblijven te bouwen. Zelfs een belastingvrije toelage van 950 euro per kind en de aanzienlijk verhoogde kinderbijslag onder de vorige regering van Mario Draghi blijken niet bevorderend te werken. 

    Al met al bevindt Italië zich wat betreft financiële steun voor kinderen in het laagste derde deel van de groep geïndustrialiseerde landen van de OESO. Er is geen sprake van gelijke voorwaarden voor vaders en moeders: moeders kunnen vijf maanden ouderschapsverlof nemen tegen 80 procent van hun salaris, vaders slechts tien dagen, tegen 100 procent van hun salaris.

    Frankrijk

    Frankrijk wordt in Duitsland vaak genoemd als rolmodel, en als je een van de belangrijkste doelen van gezinsbeleid – een groot aantal kinderen – als maatstaf neemt, is dat ook wel terecht. In Frankrijk worden aanzienlijk meer kinderen geboren, het land loopt al lang voorop in de EU en de staat werkt hier dan ook al sinds de Tweede Wereldoorlog aan. Hoewel het geboortecijfer de laatste tijd is gedaald, ligt het met ongeveer 1,8 kinderen nog steeds ver boven het Duitse cijfer, dat rond de 1,5 schommelt. Vrouwen blijven niet alleen minder vaak kinderloos, ze hebben ook vaker grote gezinnen met drie of meer kinderen.

    Daar zijn verschillende redenen voor. In 2020 bleek uit een vergelijkende studie van het Europees Centrum voor Economisch Onderzoek dat financiële factoren vooropstaan. Dankzij betere kinderopvang is het al tientallen jaren gemakkelijker om gezin en werk te combineren. Veel Franse vrouwen beginnen snel na de bevalling weer te werken. Tussen twee bevallingen verlaten ze de arbeidsmarkt meestal niet. De kleintjes worden ondergebracht bij een kinderoppas of in een kinderdagverblijf, waar echter een tekort aan plaatsen is. 

    Op driejarige leeftijd gaan ze naar de école maternelle, de kleuterschool. Ook in Frankrijk neemt het aantal kinderen af naarmate de ouders beter opgeleid zijn, maar lang niet zo veel als in Duitsland. Meer vrouwen werken fulltime. Dit alles bevordert de gelijkheid, maar vrouwen dragen nog steeds veruit de grootste lasten en ervaren dan ook veel stress.

    De sociale uitkeringen voor gezinnen liggen ver boven het EU-gemiddelde. Naast een geboortepremie is er kinderbijslag vanaf het tweede kind en een extra vaste uitkering voor drie of meer kinderen. Moeders hebben recht op minstens zestien weken betaald zwangerschapsverlof, dat vanaf het derde kind wordt verlengd. Ze kunnen tot drie jaar ouderschapsverlof aanvragen bij hun werkgever, maar krijgen ondertussen relatief weinig steun. Belastingtechnisch profiteren Franse stellen van een splitsingssysteem voor gezinnen dat in feite nauwelijks verschilt van het Duitse systeem; in plaats van kindertoeslagen zijn er echter extra splitsingsfactoren voor kinderen. De toeslag voor het derde kind is twee keer zo hoog als voor het tweede.

    Lees ook:

  • Biden zet relatie met China op scherp met nieuwe sancties

    Biden zet relatie met China op scherp met nieuwe sancties

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Tientallen doden door bosbranden op Hawaï

    » Verkiezingen in Ecuador gaan door ondanks moord op kandidaat

    Investeringen in China worden in bepaalde sectoren verboden

    De Amerikaanse president Joe Biden heeft woensdag de relatie met China opnieuw op scherp gezet door een decreet te tekenen waarmee Amerikaanse investeringen in China in verschillende technologiesectoren verboden worden. Dat schrijft The New York Times. Volgens Biden zijn die sectoren een gevaar voor de nationale veiligheid van de VS.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Amerikaanse bedrijven zouden niet meer in sectoren mogen investeren die zich bezighouden met kunstmatige intelligentie en computerchips. Volgens China kunnen de VS tegenmaatregelen verwachten en wordt met het pakket sancties de wereldvrede bedreigd. Bij de presentatie van het decreet haalde Biden ook verbaal uit naar China, door het land een ‘tikkende tijdbom’ te noemen.

    Volgens Biden zit China in zowel economische als demografische problemen en kan dat betekenen dat andere landen moeilijkheden krijgen met het Aziatische land. ‘Als slechte mensen problemen hebben, doen ze slechte dingen,’ zo verklaarde Biden.

    Lees ook:

  • Rijke Chinezen verhuizen massaal naar het buitenland en nemen hun geld mee

    Rijke Chinezen verhuizen massaal naar het buitenland en nemen hun geld mee

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Voorzitter Stanford stapt op na rapport over gebreken in zijn onderzoek

    » Hongkong: eerste persoon veroordeeld onder nieuwe ‘Volksliedwet’

    Australië is de belangrijkste bestemming voor rijke Chinezen

    Australië was de eerste helft van dit jaar de belangrijkste overzeese bestemming voor Chinese vastgoedbeleggers, meer dan populaire plekken als Canada, het Verenigd Koninkrijk en de VS, zo blijkt uit de jaarlijkse ranglijst van vastgoedbedrijf Juwai IQI. Met vier plekken in de top 10 blijkt verder Zuidoost-Azië een hotspot voor vermogende Chinezen, meldt Sydney Morning Herald.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het streven van president Xi Jinping naar ‘gemeenschappelijke welvaart’ en de strenge coronamaatregelen hebben ertoe geleid dat rijke Chinezen massaal naar plekken als Australië en Singapore trekken. Ze parkeren hun geld in het buitenland, uit angst voor maatregelen in eigen land. Naar verwachting loopt de Chinese kapitaalvlucht dit jaar op tot 135 miljard euro. 

    De komende jaren wordt een aanhoudende stroom van Chinese vastgoedinvesteringen in het buitenland verwacht. Ruim 700.000 Chinezen zullen tussen 2023 en 2025 naar de VS, Canada en Australië migreren.

    Lees ook:

  • VS: Federal Reserve verhoogt de rente tot hoogste niveau in 22 jaar tijd

    VS: Federal Reserve verhoogt de rente tot hoogste niveau in 22 jaar tijd

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Soldaten plegen coup in Niger en houden president vast

    » Ecuador: 31 doden bij geweldsuitbarsting in gevangenis

    Inflatiedoel van 2 procent is nog niet bereikt

    In een poging de inflatie te beteugelen kondigde de Amerikaanse centrale bank woensdag aan dat de rente op staatsobligaties met een kwart punt wordt verhoogd, tot tussen de 5,25 procent en 5,50 procent. ‘Met deze beslissing is de rente gestegen van bijna nul begin vorig jaar naar het hoogste niveau sinds maart 2001’, aldus The Wall Street Journal.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Voorzitter van de Federal Reserve Jerome Powell sloot een verdere verhoging voor het einde van het jaar niet uit en merkte op dat de doelstelling om de inflatie terug te brengen naar 2 procent nog steeds ‘verre van bereikt’ is. Hij benadrukte echter dat de trend positief is: de inflatie daalt en de Amerikaanse economie houdt dapper stand. De economen van de centrale bank sluiten nu een recessie dit jaar uit en zetten in plaats daarvan in op een ‘zachte landing’.

    Lees ook:

  • Dubais greenwashpraktijken

    Dubais greenwashpraktijken

    In november is Dubai gastheer van de VN-conferentie over klimaatverandering. Het Arabische land streeft naar een groen imago, maar blijft waarschijnlijk nog lang afhankelijk van fossiele brandstoffen.

    ‘Het spijt me heel erg, want dit is niet normaal voor de maand mei,’ zegt Joumana met verontwaardigde blik tegen een groepje journalisten. Joumana werkt voor de afdeling Toerisme- en Handelsmarketing van het ministerie van Economische Zaken van Dubai. Haar taak is om Dubai op het wereldtoneel een beter en groener imago te bezorgen in de aanloop naar de 28ste con­ferentie over klimaatverandering (COP28), die in november zal plaats­vinden.

    Alsof dat niet lastig genoeg is, zegt ze, regent het nu ook nog. Althans, het regent zachtjes en heel kort, zoals altijd in Dubai. Er slaan een paar druppels tegen de voorruit. Na drie minuten is het weer voorbij.

    Op deze maandagochtend is het uitzonderlijk warm in Dubai, vertelt Joumana. Vorige week was het weer nog heerlijk, tussen de 25 en 30 graden. Van de herfst tot de lente trekt de aangename temperatuur honderdduizenden toeristen. Maar nu nadert de thermometer de 40 graden, wat op zich niet vreemd is in de Arabische woestijn.

    Het zonnepark typeert de historische ontwikkeling van Dubai: in januari 2012 besloot de emir tot de bouw van een zonnepark in de woestijn

    We rijden naar het Mohammed bin Rashid Al Maktoum Solar Park, 50 kilometer van Dubai vandaan. Het park is vernoemd naar de doorgaans nogal nors ogende sjeik Maktoum. Deze absolutistische ‘heerser van Dubai’ is tevens vicepresident, premier en minister van Defensie van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Van de zeven emiraten is behalve Dubai alleen Abu Dhabi, de hoofdstad van de VAE, in het Westen algemeen bekend.

    Het zonnepark typeert de historische ontwikkeling van Dubai: in januari 2012 besloot de emir tot de bouw van een zonnepark in de woestijn. Krap twee jaar later waren de eerste dertien megawatt aangesloten op het elektriciteitsnet; inmiddels is de zesde uitbreidingsfase in gang gezet. Het zonnepark beslaat nu een gebied van 127 vierkante kilometer en produceert 15 procent van de elektriciteit in Dubai. Aangezien de bevolking in de zomermaanden, van mei tot de herfst, eigenlijk alleen kan leven met constant draaiende airconditioning, is het elektriciteitsverbruik enorm.

    Waterstof

    Om ervoor te zorgen dat ook na zonsondergang elektriciteit kan worden opgewekt, hebben de ingenieurs centrales voor thermische zonne-energie en waterstofbatterijen gebouwd. Een thermische zonne-energiecentrale werkt als volgt: honderden spiegels sturen het zonlicht naar een toren waarin zout onder invloed van de hitte vloeibaar wordt. De hitte blijft daar lange tijd opgeslagen. Het vloeibare zout dient om water te verwarmen, en ’s nachts wordt in stoomturbines elektriciteit opgewekt. Waterstofbatterijen werken op een vergelijkbare manier. Met zonne-energie wordt water via elektrolyse gesplitst. De waterstof die daarbij vrijkomt, wordt opgeslagen in een enorme tank en na zonsondergang verbrand in de dieselmotor van een schip, waardoor elektriciteit ontstaat.

    Volgens een technicus zou een brandstofcel zinniger zijn, maar voorlopig is gekozen voor een verbrandingsmotor. Duitse technologie maakt het mogelijk om pure waterstof te verbranden zonder toevoeging van fossiel aardgas, zodat waterdamp de enige uitstoot is.

    Alle windturbines die op de testbasis zijn opgezet, zijn inmiddels ontmanteld en verkocht

    De exploitant van de centrale is de machtige DEWA (Dubai Electricity and Water Authority). Een vertegenwoordiger van DEWA wijst erop dat de pompcentrale in de bergen van Hatta, ten oosten van Dubai, binnenkort in gebruik wordt genomen. Tachtig procent van de centrale is al gereed. Hier wordt met groene energie het water naar het bovenste bassin gepompt. Via een turbine van 250 megawatt stroomt het water naargelang de behoefte weer naar beneden. Het enige waar DEWA-technici echt geen toekomst in zien, is windenergie: dat is domweg geen realistisch plan. Alle windturbines die op de testbasis zijn opgezet, zijn inmiddels ontmanteld en verkocht.

    Naar verwachting kondigt sjeik Maktoum binnenkort een groot nieuw project aan: de waterstofstrategie van Dubai. Het gerucht gaat dat Dubai tegen het midden van deze eeuw een van de grootste producenten van deze klimaatneutrale energiebron wil worden. Dat heeft ook gevolgen voor Europa. Het lijdt immers geen twijfel dat sommige economische sectoren in de toekomst niet meer zonder energie-import kunnen.

    Te weinig CO2

    Het is nog niet duidelijk hoe de waterstof vanuit het Midden-Oosten naar Europa en de rest van de wereld zal worden vervoerd. Waterstof kan in gasvorm namelijk niet in grote hoeveelheden worden verplaatst en moet eerst worden gekoeld tot bijna het absolute nulpunt om vloeibaar te blijven: min 252 °C. Hoogstwaarschijnlijk zal de waterstof worden omgezet in (zeer giftig) ammoniak, methanol of e-brandstoffen. Maar voor die laatste optie is veel CO2 nodig, waarvan de oliestaat VAE vreemd genoeg veel te weinig heeft.

    Fossiele brandstoffen

    Oostenrijkse bedrijven zijn betrokken bij een project van de Italiaanse gasnetbeheerder SNAM, dat tegen 2030 waterstof uit Tunesië en Algerije via pijpleidingen naar Oostenrijk en Beieren wil brengen. Maar om Arabische waterstof te kunnen vervoeren, is in de havens van de exportlanden een geheel nieuwe infrastructuur nodig, bijvoorbeeld om het in ammoniak verpakte waterstof weer ‘vrij te maken’. Het feit dat dergelijke fundamentele vraagstukken in 2023 nog niet zijn opgelost, verkleint de kans op een snelle energietransformatie. Zo’n infrastructuur kan immers niet van de ene op de andere dag worden gerealiseerd.

    Om Arabische waterstof te kunnen vervoeren, is een geheel nieuwe infrastructuur nodig

    Dubais beweegredenen om de energieproductie te vergroenen zijn niet altruïstisch; dat het land zich richt op alternatieve energiebronnen is vooral uit noodzaak. Het emiraat heeft altijd geld verdiend met fossiele brandstoffen. Maar terwijl bijna alle buurstaten aan de Perzische Golf, en vooral de naburige stad Abu Dhabi, grote olie- en gasvoorraden hebben, bestaat slechts zo’n 5 procent van de economische output van Dubai uit olie en gas. Dat verklaart ook waarom Dubai een supermacht is op het gebied van vastgoed, gespecialiseerd in hoogbouw en gigantische hotelcomplexen. Het is een paradijs voor miljonairs van over de hele wereld die lage belastingen en een nieuwe thuisbasis zoeken. Er wonen tegenwoordig ongeveer 3,5 miljoen mensen in Dubai, waarvan maar liefst 85 procent buitenlanders; voornamelijk Indiërs, Pakistanen en Arabieren uit buurlanden. Het land is door en door  internationaal. Daarnaast heeft het zo’n honderdduizend hotelkamers, vooral te vinden aan de kust, waar de hotelresorts zo groot zijn dat het lijkt alsof het geld er uit de lucht kwam vallen.

    Het is weinig verrassend dat Dubai architectonische records najaagt: in 2010 werd de Burj Khalifa gebouwd, dat met een duizelingwekkende hoogte van 828 meter de hoogste wolkenkrabber ter wereld is. In Dubai vind je tevens het grootste winkelcentrum ter wereld, het grootste reuzenrad, het hotel met de meeste verdiepingen, het grootste waterpark, de snelste politieauto’s en ga zo maar door.

    Maar op het gebied van voedselproductie loopt Dubai achter. De Emiraten behoren tot de groep landen met de kleinste voedselautonomie en de grootste voedselimport. De heerser van Dubai was daar kennelijk ontevreden over: in 2021 lanceerde hij de Food Tech Valley, een tamelijk uniek project dat zich richt op het onderzoeken en produceren van voedsel. En dat in een gebied waar conventionele landbouwtechnieken nagenoeg onmogelijk zijn door gebrek aan grond en water en de hitte in de zomermaanden.

    Vlak naast de enorme luchthaven van Dubai staat een groot, rechthoekig blok waarop boven de ingang ‘Bustanica’ staat. Weer zo’n recordbouwproject: het is de grootste verticale ‘boerderij’ ter wereld. Aron Moore begroet de bezoekers vriendelijk en legt uit wat er gebeurt in de hal van dertigduizend vierkante meter. De Australische Moore komt uit de industriële landbouwsector. Voordat hij naar Dubai vertrok, verdiende hij zijn geld in Australië en Zuidoost-Azië. Zijn bedrijf is gespecialiseerd in allerlei soorten sla en kruiden. Nu wordt er onderzoek gedaan naar aardbeien. Volgens Aron is dat de ultieme test voor een verticale boerderij, want niets bederft sneller dan verse, zoete aardbeien.

    ‘Data meets delicious’

    De fabriek staat vlak naast de voedselfaciliteit van luchtvaartmaatschappij Emirates, die een veilige bron van verse groenten wil. De luchtvaartmaatschappij, vervolgt Aron, is slechts een van de vele klanten; de groenten van Bustanica worden ook verkocht in lokale supermarkten en het zijn niet eens de duurste producten in de schappen.

    Aron legt uit dat elk gewas onder specifieke omstandigheden gedijt, die tot voor kort nog nooit zo precies konden worden nagebootst. Duizenden sensoren houden toezicht op het groeiproces van de planten, en technici kunnen alle factoren reguleren: temperatuur, golflengte van het licht, duur van de dag-en-nachtcyclus, de toevoer van water en voedingsstoffen, luchtvochtigheid en zelfs de CO2-concentratie, die hier ongeveer twee keer zo hoog is als in de natuur. De toepasselijke slogan luidt: ‘Data meets delicious’. Momenteel kan er ongeveer 1,3 ton sla per dag worden geoogst en tegen het einde van het jaar moet dat zelfs drie ton per dag zijn. Dan moet het ook mogelijk zijn om aardbeien aan te bieden.

    De planten hebben zelfs geen aarde nodig; een oplossing met voedingsstoffen is toereikend

    Tegen verwachting in smaken de bladgroenten knapperig en vers en ze kunnen zo uit de rekken geproefd worden, want er zijn bij deze manier van telen geen pesticiden nodig. De planten hebben zelfs geen aarde nodig; een oplossing met voedingsstoffen is toereikend. Werknemers en bezoekers moeten beschermende kleding dragen, zoals haarnetjes en chirurgische maskers. Omdat de meststof de stekjes direct via het water bereikt, worden er geen broeikasgassen uitgestoten. Er is maar een kleine hoeveelheid water nodig, dat volledig wordt gerecycled, onder andere uit vocht in de lucht. Het doel is om zo jaarlijks 250 miljoen liter water te besparen. De fabriek heeft ongeveer 40 miljoen dollar gekost, vertelt Aron. Bij het volledige proces – van de kweek tot het handmatige verpakken – zijn ongeveer zeventig werknemers betrokken. Dit systeem kan natuurlijk geen voedselzekerheid bieden, want, zoals we weten, barsten salades niet van de calorieën.

    Veel verse sla

    Naar alle waarschijnlijkheid gaan we dus veel verse sla zien op de 28ste conferentie over klimaatverandering (COP28), die dit jaar plaatsvindt op het enorme Expo-terrein in het centrum van Dubai. De stad beroemt zich er overigens op dat ongeveer 80 procent van dat terrein, dat gebouwd werd voor de wereldtentoonstelling van 2020, nog steeds in gebruik is.

    Toch moeten we ervan uitgaan dat deze COP niet zonder grote meningsverschillen zal verlopen. Het hoofd van de nationale oliemaatschappij ADNOC, Sultan Ahmed al-Jaber, heeft ook het COP-voorzitterschap op zich genomen. Bij de Petersberg Klimaatdialoog in Berlijn in mei maakte hij al duidelijk dat de traditionele energiebronnen voorlopig nog deel uit zullen maken van onze energievoorziening. Klaarblijkelijk gaat het hem niet zozeer om het uitbannen van fossiele brandstoffen als wel om het beperken van de uitstoot van broeikasgassen – bijvoorbeeld door CO2 te filteren en in de grond te injecteren. Die opvatting brengt het risico met zich mee dat industrieën hun ‘brandstofswitch’ onmiddellijk weer zullen afblazen, terwijl bijvoorbeeld voor personenauto’s het filteren van CO2 nooit een realistische optie zal zijn; technisch gezien niet, en economisch al helemaal niet.

    Zes maanden voor de eigenlijke start van de conferentie hebben veel klimaatactivisten, na de eerste officiële berichten over Al-Jaber als kandidaat-voorzitter van de COP, de hoop op spannende nieuwe compromissen dan ook al opgegeven. Hoewel de voorzitter een neutrale bemiddelaar zou moeten zijn op het gebied van versnelde klimaatbescherming, is de verwachting nu al dat fossiele energie tijdens de 28ste VN-klimaatconferentie nauwelijks aan bod zal komen. 

  • Waarom deze Duitse journalist gruwelt van een cashloze wereld

    Waarom deze Duitse journalist gruwelt van een cashloze wereld

    Journalist Tobias Haberl van Süddeutsche Zeitung is pertinent tegen het afschaffen van contant geld. Een wereld zonder bankbiljetten en munten? Hij moet er niet aan denken – ook om politieke redenen. ‘Wie contant betaalt, laat geen sporen na en is minder berekenbaar, minder stuurbaar.’

    Het was maar een kort berichtje afgelopen januari, maar omdat kleine nieuwsfeitjes vaak grote rampen blijken te zijn, sloeg me de schrik om het hart: elektronicawinkel Gravis, met veertig vestigingen in Duitsland, neemt geen contant geld meer aan. Je mag me cynisch of harteloos vinden, maar toen ik het hoorde, kon ik opeens aan niets anders meer denken; niet aan de oorlog, de elektriciteitsprijs, de klimaatverandering, het met de week afnemende aantal parkeerplaatsen bij mij in de buurt. Ineens had ik weer dat gevoel dat me al jaren achtervolgt: de angst dat er binnenkort wellicht geen bankbiljetten en munten meer zijn, en als ze er wel zijn, dan heb je er niets aan, zoals toen ik onlangs in een café mijn cappuccino niet kon betalen omdat ik wel een biljet van 100 euro, maar geen creditcard, laat staan een smartwatch bij me had.

    De laatste tijd is die angst groter en op een of andere manier reëler geworden. Soms betrap ik mezelf erop dat ik me afvraag waarheen ik zou kunnen emigreren als cash al tijdens mijn leven verdwijnt. Nu de hele wereld uit zijn voegen raakt, kun je mijn paniek absurd of belachelijk vinden, maar aan de andere kant: is het in de loop van de geschiedenis niet altijd zo gegaan dat we ons concentreerden op de zogenaamde urgente problemen, terwijl andere, soms veel ernstiger kwesties uitgroeiden tot een catastrofe die door gebrek aan verantwoordelijkheid of uit naïviteit werd genegeerd? Onze afhankelijkheid van Russisch gas bijvoorbeeld?

    Oké, het zal nog wel even duren, maar het gaat gebeuren, en de signalen zijn steeds duidelijker: dit najaar wil de Europese Centrale Bank een besluit nemen over het invoeren van de ‘digitale euro’, een elektronische versie van onze gemeenschappelijke munt. Al maanden wordt fel gediscussieerd over het verlagen van het plafond voor betalingen in contanten, soms zeggen ze 10.000 euro, dan weer 7000 euro. Tijdens de pandemie, toen bankbiljetten en munten (ten onrechte) als virusdragers werden bestempeld, bloeide niet alleen de onlinehandel op, maar zag je ineens ook overal pinapparaten verschijnen waar ze daarvóór niet waren, zelfs in het café op de hoek en in dönerzaken. Onlangs heb ik voor het eerst een onderbroek gekocht bij een zelfbedieningskassa. Ik hoefde hem maar in een bak te deponeren, model en prijs werden automatisch gescand, en dan: betalen met een kaart. O ja, mijn supermarkt doet daar nu ook aan mee. En laatst las ik een stukje waarin een auteur heel grappig en een beetje deprimerend beschreef hoe ze in Londen van haar pondbiljetten probeerde af te komen. Forget it. ‘Sorry, love, no cash’, kreeg ze vaak te horen. Inmiddels hebben zelfs straatmuzikanten een pinapparaat.

    Het zou niet de eerste keer zijn dat we een stuk vrijheid opgeven voor het gemak en de zogenaamde veiligheid

    De laatste zes jaar is het aandeel contante betalingen in de eurozone gedaald van 79 naar 59 procent. Zelfs Duitsers betalen steeds vaker digitaal, ook al houden ze traditioneel veel meer van cash dan bijvoorbeeld Scandinaviërs, die op de boerenmarkt zelfs appels met hun mobieltje betalen. Ook al zegt meer dan twee derde dat ze bankbiljetten en munten absoluut niet kwijt willen, ze gebruiken ze steeds minder. In Berlijn ligt het aandeel contante betalingen al onder de 26 procent. Het is net als met die gezellige boekhandel om de hoek: je bent blij dat hij er is, maar je bestelt je boeken toch veel te vaak bij Amazon. Weliswaar zijn eurobiljetten nog steeds het ‘enige onbeperkte wettige betaalmiddel’, maar als steeds minder mensen contant betalen, als het voor handelaren niet meer loont contant geld aan te nemen omdat de kosten in verhouding tot de omzet te hoog zijn, dan hoeft het niet eens formeel afgeschaft te worden, het sterft vanzelf uit, het mendelt uit, je raakt het per ongeluk kwijt. Het zou niet de eerste keer zijn dat we een stuk vrijheid opgeven voor het gemak en de zogenaamde veiligheid. In het digitale tijdperk lijkt het altijd te gaan om het afschaffen van prima werkende, analoge dingen, die ons daarna weer in digitale vorm in de maag worden gesplitst. Maar dan natuurlijk wel tegen provisie en ten koste van datadiefstal en controle.

    Het is ingewikkeld geworden om überhaupt nog aan contant geld te komen; ik dwaal zelf in elk geval regelmatig door voetgangerszones op zoek naar een geldautomaat. Je rekent er al niet meer op dat die gratis zal zijn. Maar overal waar vroeger bankfilialen waren, zijn nu barber- en coffeeshops met een bordje bij de kassa: ‘Wij accepteren geen contant geld’. In feite gaat het met contant geld als met broodjes leverworst of dieselauto’s: het wordt niet alleen onpraktisch gevonden, maar ook achterhaald, een anachronistisch euvel, een symbool van de fossiele en patriarchale samenleving waar we zo snel mogelijk vanaf moeten komen. Digitaal betalen daarentegen geldt als transparant, duurzaam, toekomstgericht. Dat de CO₂-voetafdruk van één enkele bitcointransactie ongeveer gelijk staat aan een vlucht van New York naar Sydney? Wat kan het schelen. ‘Over twintig jaar denken we waarschijnlijk niet eens meer na over hoe we betalen,’ zegt Mastercard-directeur Michael Miebach. ‘Misschien gebeurt het met een knipoog, of met een glimlachje. Aan dat soort dingen werken we al.’

    Eerlijk gezegd kan ik soms zelf niet geloven dat we in 2023 nog altijd betalen met een stukje papier met een getal erop. Het doet me denken aan de maaltijdbonnen uit bedrijfskantines, het ontroert me op een of andere manier. Ook kan ik sommige argumenten tegen contant geld best begrijpen: wisselgeld wordt overbodig, witwassen ingewikkelder, overvallen lonen niet meer. Bedrijven besparen personeel en geld, omdat contant geld geadministreerd, geteld en naar de bank gebracht moet worden. De productie van munten en biljetten valt weg; het fabriceren van één 1 eurocentmuntje kost tenslotte maar liefst 1,65 cent. En ja, ook ik word ongemakkelijk als vóór me aan de kassa een oudere heer minutenlang muntjes in zijn handpalm heen en weer schuift, er ook nog een laat vallen, zich bukt, niet meer overeind kan komen, enzovoort.

    De Bundesbank heeft onlangs laten onderzoeken hoe lang de verschillende betalingsprocessen duren. Volgens dat onderzoek gaat betalen met smartphone of smartwatch het snelst (14 seconden), gevolgd door contactloos betalen zonder pincode (15,2 seconden), contant betalen (18,7 seconden), contactloos betalen met kaart en pincode (23,3 seconden) en tot slot de kaartbetaling waarbij de kaart wordt ingestoken (25,7 seconden). We zouden dus een paar seconden kunnen besparen, maar waarvoor? Let wel, ik heb niets tegen kaarten op zich, alleen tegen de beperking van mijn keuzemogelijkheden. Is het dat ik geen verstand van financiën heb, sentimenteel ben of sceptisch sta tegenover technologie? Waarschijnlijk niet. Ook vooraanstaand econoom Peter Bofinger zegt: ‘Een digitale euro is als alcoholvrije wijn. Wat wijn voor de meeste mensen waardevol maakt, is de alcohol, bij contant geld het feit dat het fysiek is.’

    Erotische band

    Ik heb een lichamelijke, bijna erotische band met contant geld. Ik zal het nooit in een portemonnee stoppen, ik heb het in mijn broekzak, wil het voelen, het horen rinkelen. Het gaat me ook niet om de waarde, maar om de aura, de materialiteit ervan. In Der Ring des Nibelungen van Wagner bezingen de Rijndochters het goud dat op de bodem van de rivier ligt ook niet omdat het waardevol is, maar omdat het zo mooi glanst. Dat is zo ongeveer hoe ik me voel. Een bundeltje bankbiljetten met een elastiekje erom? Love it. Ik weet nog dat ik als jongetje op Wereldspaardag met mijn spaarpot (een blauwe motorhelm) aandachtig luisterde hoe de muntjes door de mechanische telmachine ratelden. Ik hou trouwens van versleten munten en verkreukelde, gescheurde en weer slordig aan elkaar geplakte biljetten. Als ik er een in mijn vingers krijg, denk ik niet aan ziektekiemen of bacteriën, maar aan hoe het met de mensen zou gaan die het voor mij in handen hebben gehad en wat ze ermee hebben betaald: iets om mee op te scheppen of iets om te overleven? Iets overbodigs of iets noodzakelijks? Het klinkt misschien gek, maar even voel ik dan hoe alles met alles samenhangt, ik voel geschiedenis en noodlot, tragedie en geluk. Vroeger vond ik het mooi als iemand op het werk met een A5-envelopje van bureau naar bureau liep om geld in te zamelen voor de verjaardag van een collega. Sinds er alleen nog maar Paypal-gegevens worden rondgestuurd, geef ik niets meer.

    Geld dat alleen nog uit datarecords bestaat, verliest zijn karakter. Het vertelt geen verhalen meer. Terwijl contant geld mensen met elkaar in contact brengt en ontmoetingen bewerkstelligt omdat het ‘overhandigd’ wordt. Als ik een bedelaar 50 cent geef, is het bijna altijd op het moment dat het muntje rinkelend in zijn beker valt, dat hij even opkijkt en onze blikken elkaar ontmoeten. Bent u weleens in een minibus door een Afrikaanse stad gereden? De munten worden van de achterste rij naar voren aan de chauffeur doorgegeven; even zijn alle inzittenden met elkaar verbonden, ze draaien zich om of tikken de man voor hen op de schouder, een choreografie van de solidariteit. Nu kun je natuurlijk zeggen dat je helemaal geen zin hebt om vreemde mensen aan te raken of in een gesprek betrokken te worden, maar dat is nou juist het probleem: dat we, nu alles steeds digitaler wordt, ons door spontane ontmoetingen eerder lastiggevallen dan verrijkt voelen. En contant geld heeft nog meer voordelen: er is geen elektriciteit voor nodig, het beschermt ons tegen phishing, behoedt ons voor negatieve rente en werkt disciplinerend, omdat het nu eenmaal makkelijker is een plastic kaartje op een pinapparaat te houden dan een briefje van 200 euro op tafel te knallen. Contant geld is nu eenmaal geen fictieve grootheid, maar heerlijk reëel.

    Ik hou ervan dingen aan te raken en ernaar te kijken. Het maakt me nerveus dat zoveel dingen zich tegenwoordig aan hun aanschouwelijkheid onttrekken door zich te verstoppen op geheugenchips of in een cloud. Als alles onzichtbaar wordt, voel ik me hulpeloos, alsof belangrijke informatie me opzettelijk wordt onthouden. Ik besef dat er zonder contant geld geen koffers vol geld meer de kantoren van de EU kunnen worden binnengesmokkeld, maar ik heb zo’n idee dat via digitale kanalen veel doortraptere fraude mogelijk is. Zo zijn cryptocurrencies een geweldige manier om de herkomst van vermogen te verhullen. Volgens het Crypto Crime Report – ja, zoiets bestaat intussen – werd in 2022 minstens 23,8 miljard dollar witgewassen – een toename van 68 procent vergeleken met een jaar daarvoor. Na een cyberaanval wordt het losgeld allang niet meer in een plastic tas bij een benzinestation aan de snelweg betaald, maar in Bitcoin. Helaas worden niet alleen het recherchewerk, maar ook de criminelen steeds moderner, geraffineerder en digitaler.

    Elke opwelling, elk verlangen, elk geheim, smerig of niet, kan door dataverzamelaars worden geregistreerd

    En als techbedrijven, die hun miljarden toch al met onze persoonlijke data verdienen, de ene na de andere digitale betaaldienst ontwikkelen, ga ik er niet vanuit dat ze dat uit naastenliefde doen. Nieuwe mogelijkheden gaan altijd gepaard met nieuwe beperkingen. Bijna altijd hebben praktische oplossingen voor alledaagse problemen een prijs. Voor banken, techbedrijven en creditcardaanbieders is contant geld een nachtmerrie: hoe minder ervan is, hoe meer ze verdienen. Mocht het op een dag daadwerkelijk worden afgeschaft, dan zijn we definitief aan hen overgeleverd als volmaakt voorspelbare, transparante mensen. Al onze gewoontes, voorliefdes en wensen waar we geld voor uitgeven, zijn dan niet alleen toegankelijk voor de bedrijven die dat afhandelen, maar via big-data-applicaties ook voor alle aanbieders van goederen en diensten, voor de overheid en de geheime diensten. Elke opwelling, elk verlangen, elk geheim, smerig of niet, kan door dataverzamelaars worden geregistreerd, gevolgd en tegen ons worden gebruikt wanneer onze betalingsgegevens aan andere informatie worden gekoppeld, wat hoogstwaarschijnlijk ook zal gebeuren. Daarom gebruikt China al jaren de ‘digitale yuan’, daarom introduceert Rusland nu de ‘digitale roebel’.

    Zonder contant geld verliezen we ons laatste restje vrijheid, wordt onze zogenaamd vrije samenleving een stuk gecontroleerder en ondemocratischer. Het is dan niet langer mogelijk op straat een munt van twee euro te vinden en onopgemerkt door de overheid, laten we zeggen, een appel te kopen. Het klinkt misschien banaal, maar het is van cruciaal belang dat u niet van deze aankoop kunt worden weerhouden, dat u de toegang daartoe niet kan worden ontzegd en u niet om een update of wachtwoord kunt worden gevraagd. Wie contant betaalt, laat geen sporen na en is minder berekenbaar, minder stuurbaar. Natuurlijk bevalt dat sommige mensen niet. En juist daarom is het belangrijk. Wie contant betaalt, is een vrijer mens.

    Lees ook:

  • Trump Organization is het meest gehate bedrijf van de VS

    Trump Organization is het meest gehate bedrijf van de VS

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ontwikkelingsbanken geven miljarden klimaatsteun aan bioindustrie

    » Onderzoek: In 2050 heeft 1 op de 10 mensen wereldwijd diabetes

    De meest gehate bedrijven van de VS

    De Trump Organization is het meest gehate bedrijf van de VS volgens de 2023 Axios Harris Poll, schrijft het Amerikaanse nieuwsnetwerk CNBC. Ook drie sociale­mediabedrijven – Twitter, Meta en TikTok – prijken in de top 7 van deze lijst, die reputaties van bedrijven meet. Ruim 16.000 Amerikanen wijzen daarvoor honderd van de ‘zichtbaarste’ bedrijven aan, waaraan ze vervolgens scores toekennen. De top 7 bestaat uit de Trump Organization, FTX, Fox Corporation, Twitter, Meta, Spirit Airlines en TikTok.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Meta en Twitter scoren slecht op ‘cultuur’ en ‘ethiek’: beide kregen onlangs zware kritiek na het ontslag van duizenden werknemers per e-mail. Voor Twitter, dat nog slechts een derde waard is van de 44 miljard dollar die Elon Musk ervoor betaalde, was dat slechts één drama in een lange reeks. TikTok presteert ondermaats op ‘burgerschap’ en ‘karakter’. De Trump Organization scoorde vooral slecht op ‘karakter’, ‘vertrouwen’ en ‘ethiek’.

    Lees ook:

  • Bolivia sluit miljardendeal met Rusland en China om lithium

    Bolivia sluit miljardendeal met Rusland en China om lithium

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onrust in Frankrijk houdt aan, huis burgemeester aangevallen

    » Limiet voor Twittergebruikers na ‘noodmaatregel’ Elon Musk

    Bolivia heeft een van de grootste lithiumreserves ter wereld

    Bolivia heeft een overeenkomst ter waarde van 1,4 miljard dollar gesloten met Rusland en China voor de winning van lithium, zo schrijft El País. De bedrijven waarmee de overeenkomst is gesloten zijn het Russische staatsbedrijf Rosatom en de Chinese Citic Guoan Group.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het Zuid-Amerikaanse land heeft een van de grootste lithiumreserves ter wereld, maar wint in vergelijking met buurlanden Chili en Argentinië, die ook grote lithiumreserves hebben, maar weinig van het mineraal door een gebrek aan investeringen en technologie. Momenteel haalt Bolivia jaarlijks 600 ton lithium uit de grond; in 2025 moet dit, dankzij investeringen van China en Rusland, 75.000 ton lithium zijn.

    Eerder dit jaar sloot Bolivia al een overeenkomst met de Chinese batterijfabrikant CATL. Bolivia en China onderhouden van oudsher warme banden, onder meer op economisch gebied. Ook met Rusland heeft Bolivia goede betrekkingen. Bij VN-stemmingen rond de oorlog in Oekraïne houdt het land zich steevast afzijdig.

    Lees ook:

  • Hoe overleef je als niet-gebonden land een spagaat tussen supermachten

    Hoe overleef je als niet-gebonden land een spagaat tussen supermachten

    Verreweg de meeste landen ter wereld nemen een pragmatisch neutraal standpunt in en willen vooral uit politieke en economische overwegingen geen partij kiezen tussen de VS, China en Rusland. Een analyse van de zogeheten niet-gebonden landen.

    Veel landen die gevangen zitten tussen Amerika, China en Rusland willen in geen geval partij kiezen. Nu de naoorlogse, door de VS geleide wereldorde uiteenvalt en economieën almaar verder losgekoppeld raken, proberen ze deals te sluiten die scheidslijnen overstijgen. Een transactiegerichte aanpak die de geopolitiek een nieuw aanzien geeft.

    Wil je de niet-gebonden machten goed in kaart brengen, bekijk je ze dan eens door een Russische lens. Onze zusterorganisatie EIU [Economist Intelligence Unit, een organisatie die ontstaan is uit The Economist en analyses uitvoert voor het bedrijfsleven] heeft landen geanalyseerd op basis van hun economische en militaire banden met Moskou, hun diplomatieke standpunten zoals die blijken uit hun stemgedrag in de VN en hun steun aan en uitvoering van sancties. Er zijn 52 landen, goed voor 15 procent van de wereldbevolking, die het optreden van Rusland hekelen: het Westen en zijn bondgenoten. Slechts 12 landen staan achter Rusland. Dit betekent dat de overige 127 staten niet duidelijk voor een van beide kampen kiest.

    Wat niet-gebonden landen gemeen hebben is een nietsontziend pragmatisme 

    Om een idee te krijgen van wat niet-gebondenheid precies inhoudt, heeft The Economist ook gekeken naar de 25 grootste economieën (t25) die de kat uit de boom hebben gekeken bij de Oekraïense oorlog, of die neutraal willen blijven in de Chinees-Amerikaanse confrontatie, of beide. Deze ‘transactiegerichte’ groep is in termen van welvaart en politieke organisatie buitengewoon gevarieerd van samenstelling: zowel het reusachtige India als dwergstaat Qatar behoren ertoe. Wat ze gemeen hebben is een nietsontziend pragmatisme. 

    Ze vertegenwoordigen nu 45 procent van de wereldbevolking. Hun aandeel in het mondiale bbp is gestegen van 11 procent in 1992 naar 18 procent in 2023, en is daarmee hoger dan dat van de EU. Hun strategie van neutraliteit brengt ernstige risico’s met zich mee, maar biedt ook grote kansen. Hun succes of falen zal de wereldorde tientallen jaren beïnvloeden. En zowel de VS als China zullen proberen deze landen voor zich te winnen.

    Kloof

    In de twintigste eeuw had niet-gebondenheid verschillende betekenissen voor verschillende landen op verschillende momenten. Tijdens conferenties in Bandung in Indonesië (1955) en Belgrado in Joegoslavië (1961) presenteerden leiders een ‘derde wereld’, naast het Westen en het Sovjetblok. Vanaf het einde van de jaren zestig richtten deze landen hun pijlen steeds meer op economische ongelijkheid tussen het ‘mondiale zuiden’ (een minder beladen term voor ‘derde wereld’) en het industriële noorden. De niet-gebonden beweging was een formele instelling waarvan bijna elke Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse staat lid werd. Toen de Koude Oorlog ten einde kwam werd ze, in de woorden van een Indiase academicus, ‘een zieltogende organisatie, die een waardige begrafenis behoefde’.

    De niet-gebonden landen van nu zijn niet te herkennen aan lidmaatschap van een instelling, maar aan gedrag. Middelgrote machten zijn het, die zich laten leiden door pragmatisme en opportunisme. In een recent boek betoogt de voormalige Chileense diplomaat Jorge Heine dat landen in de twintigste eeuw vaak per toeval in een van de invloedssferen van de supermachten terechtkwamen. Tegenwoordig is het meer zo dat ze mogelijkheden ‘actief’ evalueren om bepaalde doelen te bereiken, zo stelt hij. Sommigen noemen dit ‘minilateralisme’ (in tegenstelling tot multilateralisme) – het aansturen van discrete allianties of groeperingen, in plaats van je lot in handen van één blok te leggen.

    ‘Europa moet zich bevrijden van de mentaliteit dat de problemen van Europa de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld niet de problemen van Europa zijn’

    Niet-gebonden landen vinden westerse leiders meestal hypocriet. In het eerste jaar van de oorlog werd ongeveer 170 miljard dollar aan hulp toegezegd aan Oekraïne – ongeveer 90 procent van wat de ontwikkelingscommissie van de OESO, een groep van 31 westerse donoren, in 2021 aan mondiale hulp uitgaf. Voor het Westen is deze vrijgevigheid een uiting van solidariteit met een mededemocratie; voor anderen toont ze aan dat rijke landen vooral geld ophoesten als dit hun belangen dient. ‘Europa moet zich bevrijden van de mentaliteit dat de problemen van Europa de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld niet de problemen van Europa zijn,’ zo stelde Subrahmanyam Jaishankar, de Indiase minister van Buitenlandse Zaken, vorig jaar.

    Deze stellingname komt in grote lijnen overeen met de publieke opinie. Uit een rapport van Cambridge University van vorig jaar bleek dat in liberale democratieën 75 procent een negatief beeld heeft van China en 87 procent ongunstig over Rusland oordeelt. Onder de 6 miljard mensen die elders wonen is het beeld nagenoeg omgekeerd. Er is dus een kloof tussen hoe het Westen de wereld ziet en hoe de rest van de wereld die ziet. In een opiniepeiling, eerder dit jaar gepubliceerd door de Europese Raad voor Buitenlandse betrekkingen (een denktank), stelde 48 procent van de Indiërs en 51 procent van de Turken dat multipolariteit of niet-westerse dominantie de toekomstige wereldorde zal bepalen. Slechts 37 procent van de Amerikanen, 31 procent van de EU-bevolking en 29 procent van de Britten waren het hiermee eens. Het Westen denkt dat het naar een vervolgaflevering van de Koude Oorlog kijkt, de rest van de wereld ziet een geheel nieuwe film.

    Gemeenschappelijk doel

    Wie zitten er dan allemaal in die t25? Het is, zoals gezegd, een diverse groep die bestaat uit landen met bevolkingen die tot de grootste ter wereld behoren, waarvan er twee – India en Indonesië – de grootste democratieën ter wereld zijn. Je hebt ook Vietnam, Saoedi-Arabië en Egypte, alle bestuurd door autocraten van uiteenlopende snit. Er zijn grote verschillen wat welvaartsniveau betreft. In Saoedi-Arabië is het bbp per persoon ruim 24.000 euro, ongeveer evenveel als dat van een aantal Europese landen, terwijl het in Pakistan op zo’n 1440 euro blijft steken.

    Naarmate de globalisering zich uitbreidde, zijn de t25 een handel in vele richtingen gaan drijven. Zo’n 43 procent geschiedt met het westerse blok, 19 procent met het Chinees-Russische blok en 30 procent met landen uit geen van beide kampen. Misschien is het gezien de ligging van Mexico niet verrassend dat 77 procent van de totale handel van dat land met het Westen is, en dat ook Israël en Algerije voor meer dan 60 procent handel daarmee drijven. Geen ander t25-land kent zo’n intensief handelsverkeer met China als Chili (meer dan een derde), maar tegelijkertijd betreft 40 procent van dat handelsverkeer het Westen. Meer dan de helft van de Argentijnse handel, en bijna de helft van die van India, wordt met andere niet-gebonden landen gedreven.

    De wapeninvoer toont ook een complex netwerk van loyaliteiten. India dekt zich slim in. Tussen 2018 en 2022 was Rusland de belangrijkste leverancier, die India voor 45 procent van zijn wapens voorzag, maar het land ontving van Europa nog eens 29 procent en waarschijnlijk zal het zich nog zelfredzamer maken met Amerikaanse hulp. Met het rivaliserende China, dat levert aan India’s aartsvijand Pakistan, kan geen sprake zijn van handel. Israël, Marokko, Saoedi-Arabië en Zuid-Afrika verlaten zich voor het overgrote deel op de Verenigde Staten als het om wapenimport gaat.

    Geopolitieke allianties zijn sinds 2018 almaar belangrijker geworden bij het bepalen van directe buitenlandse investeringen

    Er is geen bestuursorgaan dat niet-gebonden landen en hun belangen vertegenwoordigt. En dat zal er waarschijnlijk ook niet komen. In plaats daarvan zijn er uiteenlopende organisaties, zoals de G20, die platforms bieden die grote niet-gebonden landen in meer of mindere mate van nut zijn. De BRICS-groep – Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika – is een forum voor middelgrote machten die expansie nastreven: er is een discussie gaande over of Iran en Saoedi-Arabië mogen toetreden. Tijdens klimaatgesprekken in VN-verband is een brede groep van meer dan honderddertig landen, waaronder China, rond de tafel gaan zitten.

    Ondanks hun verschillen hebben de niet-gebonden landen een gemeenschappelijk doel: gunstige overeenkomsten sluiten in een veranderlijke omgeving. Twintig jaar lang konden velen relaties opbouwen met zowel het Westen en China als Rusland. Dat is verleden tijd. Het Westen legt Rusland sancties op en beperkt China’s toegang tot technologie.

    Voor veel landen betekent dit nu een ernstige bedreiging. Door de sancties tegen Rusland stegen de energie- en voedselprijzen wereldwijd, met ernstige gevolgen voor de niet-westerse wereld. Onlangs heeft Janet Yellen, de Amerikaanse minister van Financiën, Amerikaanse bedrijven aangespoord om hun toeleveringsketens naar bevriende staten over te hevelen. Ook investeringen verplaatsen zich. En ondertussen bloeit er iets moois op tussen Beijing en Moskou. Recent onderzoek van het IMF heeft uitgewezen dat geopolitieke allianties, zoals die blijken uit stemgedrag in de VN, sinds 2018 almaar belangrijker zijn geworden bij het bepalen van directe buitenlandse investeringen. De scenario’s van het IMF ten aanzien van gefragmenteerde handel voorspellen dat de impact in opkomende markten meer dan twee keer zo slecht kan zijn als in ontwikkelde markten.

    Geen ‘automatische allianties’

    Maar velen in de niet-gebonden wereld gokken er ook op dat ze voordeel kunnen putten uit deze economische en politieke fragmentatie door hun relaties met diverse grootmachten af te palen en zelf andere landen te beïnvloeden. Om deze transactiestrategie te begrijpen, is het goed te kijken naar de aanpak van enkele grote landen die tussen twee vuren zitten. Neem Brazilië. Dat verzet zich tegen wat Mauro Vieira, minister van Buitenlandse Zaken, ‘automatische allianties’ noemt. Luiz Inácio Lula da Silva, die in januari aan zijn tweede leven als president van Brazilië begon, ziet ambtsgenoot Biden als een bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering; op hun bijeenkomst in Washington DC in februari werden gezamenlijke milieu-instellingen, die door de vorige president Bolsonaro waren opgedoekt, in ere hersteld. De VS zien Brazilië als een ‘grote niet-NAVO-bondgenoot’, en die status geeft recht op robuustere samenwerking met de Amerikaanse strijdkrachten.

    Maar ook Brazilië laveert tussen de supermachten. Net als andere landen in de regio heeft het afwijzend gereageerd op westerse voorstellen om oud materieel van Russische makelij aan Oekraïne te leveren in ruil voor nieuwe wapens. Het bezoek van Lula aan Beijing in april onderstreept het economische belang van China. De handel tussen Brazilië en China bedroeg in 2022 een kleine 140 miljard euro, wat 37 keer zo veel is als twintig jaar geleden. Dit is onder meer te danken aan de wijze waarop Brazilië gebruik heeft gemaakt van de tarievenoorlog tussen China en de VS. Ten koste van Washington voerde het de export van landbouwproducten naar China op.

    De angst van India voor China heeft in een aantal opzichten gezorgd voor toenadering tot het Westen

    Brazilië gaat ook zelf op avontuur. Lula bezoekt binnenkort Afrika om de invloed van Brazilië daar nieuw leven in te blazen. Tijdens zijn eerste periode als president steeg de handel met Afrika van een kleine 5,5 miljard euro in 2003 naar ruim 23 miljard euro in 2012, en Zuid-Afrika mocht toetreden tot het brics-blok. Lula’s voorganger begaf zich niet naar Afrika. Hijzelf vindt duidelijk wel dat het de moeite loont.

    De angst van India voor China heeft in een aantal opzichten gezorgd voor toenadering tot het Westen. In maart bracht de premier van Japan – dat net als India, de VS en Australië tot het ‘quadrilaterale’ Indo-Pacifische veiligheidsforum Quad behoort – een historisch bezoek aan Delhi. In het financiële jaar 2021-22 overtrof de handel van India met de VS die met China. Toch koopt India nog steeds wapens en goedkope olie van Rusland en is het onwaarschijnlijk dat het zijn jarenlange banden met dit land zal verbreken, tenzij het regime van Poetin kernwapens gaat inzetten.

    Praktisch, niet partijdig

    Net als Brazilië profileert India zich in het buitenland: alleen China zit dieper in de import en export met Afrika bezuiden de Sahara. Het gemiddelde jaarlijkse totaal aan directe buitenlandse investeringen van India bedroeg van 2004 tot 2008 0,7 miljard euro (minder dan de helft van die van Zweden), maar een decennium later 28 miljard (meer dan die van Duitsland en Japan samen). Vorige maand nodigde India vertegenwoordigers van 31 Afrikaanse landen uit voor war games. En India heeft beloofd zijn voorzitterschap van de G20 dit jaar te gebruiken om de ‘stem van het mondiale zuiden’ te laten horen.

    Turkije wil zijn invloed in het mondiale zuiden eveneens vergroten. Het heeft veiligheidsovereenkomsten met dertig Afrikaanse staten gesloten. De militaire export naar Afrika vervijfvoudigde tussen 2020 en 2021. Adviseurs van de Turkse president Erdogan zeggen dat het ‘nieuwe Turkije’ zijn eigen partners kan uitkiezen. Dat kan verklaren waarom Turkije zich neutraal opstelt ten aanzien van de oorlog in Oekraïne. Ankara heeft zijn banden met Moskou recent aangehaald. De Turkse export naar Rusland kwam in 2022 uit op bijna 7 miljard euro, een stijging van 45 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

    Saoedi-Arabië verkleint zijn afhankelijkheid van zijn historische bondgenoot, de VS, door tegen China aan te schurken, dat nu de grootste handelspartner van het koninkrijk is. Kijk naar de besluiten, deze maand, en in oktober, door de OPEC, waarin Saoedi-Arabië het hoogste woord voert, om de olieproductie terug te dringen. Vorige maand ondertekende Saoedi-Arabië een overeenkomst met Iran, waarbij China had bemiddeld, en sloot het zich aan bij de Shanghai Co-operation Organization, een Euraziatische praatclub. China zegt zo snel mogelijk een vrijhandelsovereenkomst met de Golf te willen sluiten.

    De betrekkingen van de Golfstaten met Afrika bleven ooit beperkt tot energie, landbouw en de politiek van de Hoorn van Afrika. Nu willen Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten contracten voor de winning van delfstoffen in de wacht slepen; DP World, een havenexploitant uit Dubai, is bezig uit te groeien tot een cruciaal bedrijf op het Afrikaanse continent, en Qatar manifesteert zich op uiteenlopende manieren op het diplomatieke toneel. Vorige maand was het betrokken bij onderhandelingen over de vrijlating van Paul Rusesabagina, een gedetineerde Rwandese dissident (en inspirator voor de film ‘Hotel Rwanda’).

    Zelden klonken westerse beloften om de veiligheid te garanderen in sommige delen van Afrika zo hol

    Afrikaanse landen hebben zich lange tijd naar beide grootmachten gericht. Het Westen is door de bank genomen hun belangrijkste voorziener in ‘zachte‘ behoeften geweest: onderwijs, gezondheid en, mocht een regering dat willen, mensenrechten. China biedt ‘hardware’: bruggen, wegen, havens, en de leningen om die te bouwen. Voor infrastructuurprojecten ten zuiden van de Sahara bedroegen de leningen van het belangrijkste Amerikaanse ontwikkelingsbureau tussen 2007 en 2020 minder dan een tiende van de leningen die de twee grote ontwikkelingsbanken van China verstrekten (1,7 miljard tegen ruim 20 miljard euro).

    Zelden klonken westerse beloften om de veiligheid te garanderen in sommige delen van Afrika zo hol. ‘De Amerikaanse troepen en agenten moeten ergens slapen. Maar de veiligheidsrelatie komt onze economische ontwikkeling helemaal niet ten goede,’ legt een voormalig adviseur van een Afrikaanse president uit. ‘Daarvoor hebben we China nodig.’ In augustus verlieten, na negen jaar, de laatste Franse troepen Mali; de Wagner-groep, bestaande uit Russische huurlingen, houdt de regerende junta nu overeind.

    De niet-gebonden landen kiezen liever geen partij. Maar de grootmachten VS en China willen ze graag in hun invloedssfeer trekken. Beijing ziet zijn leiderschap over het mondiale zuiden als een manier om beter weerwerk te kunnen bieden aan de VS. Het positioneert zich als rolmodel binnen een brede familie van ontwikkelingslanden. Het zet zich af tegen het Westen, dat volgens Beijing meer waarde hecht aan exclusiever gezelschap, zoals dat van de G7. ‘China laat zich zien waar en wanneer het Westen dat niet doet,’ zegt Yemi Osinbajo, de vertrekkende vicepresident van Nigeria.

    Oosterse vrienden, westerse vrienden

    China is de belangrijkste handelspartner van ongeveer 120 landen en voor velen de geldschieter in eerste en laatste instantie. Tussen 2007 en 2020 stopte het meer geld in infrastructuur ten zuiden van de Sahara dan de volgende acht grootste geldschieters tezamen. Dit is van cruciaal belang voor het oplossen van staatsschuldcrises. Uit een analyse van 73 ontwikkelingslanden door het IMF blijkt dat China in 2006 slechts 2 procent van de externe schulden van deze groep bezat, waar de ‘club van Parijs’ – een groep grotendeels westerse crediteuren – 28 procent voor zijn rekening nam. In 2020 bedroegen deze percentages respectievelijk 18 en 10.

    Westerlingen mogen hier terecht hun wenkbrauwen bij fronsen. China’s ‘win-win’-retoriek verdonkeremaant de meedogenloze houding van Beijing. In het boek Banking on Beijing (2022), van onder anderen Bradley Parks van AidData (een onderzoeksinstelling), valt te lezen hoe China zijn economische instrumenten gebruikt voor politieke doeleinden. Geldstromen worden vaak naar de thuisdistricten van zittende leiders omgebogen, en ook is China meer dan westerse landen bereid geld te lenen aan corrupte en autocratische landen. AidData ontdekte ook dat als een land 10 procent vaker met Beijing meestemt bij de VN, het ook meer Chinese projecten in dat land tegemoet mag zien. Chinese leningen gaan vergezeld van ongewoon strikte clausules betreffende vertrouwelijkheid en onderpand. Chinese ontwikkelingsprojecten zouden echter wel tot een verhoging van het bbp per persoon leiden, merkt Parks op.

    De VS bedrijft nu diplomatie op plekken die het eerder heeft verwaarloosd

    De VS en bondgenoten proberen de Chinese inspanningen te ondervangen door hun boodschap aan de niet-gebonden wereld te verfijnen. Washington erkent dat de internationale orde die het leidt alleen legitiem is als andere landen er vrijwillig mee instemmen. ‘Landen willen niet gedwongen worden te kiezen, en dat willen wij ook niet,’ aldus Jake Sullivan, nationale veiligheidsadviseur van president Biden, eerder dit jaar in The Washington Post. De VS bedrijft nu diplomatie op plekken die het eerder heeft verwaarloosd. Kamala Harris, de Amerikaanse vicepresident, Janet Yellen en Antony Blinken, minister van Buitenlandse Zaken – allemaal hebben ze Afrika in 2023 bezocht. Biden volgt binnenkort.

    De VS hebben ook de veiligheidssamenwerking met invloedrijke niet-gebonden landen versterkt. In november ontmoette minister van Defensie Lloyd Austin zijn Indonesische collega voor de vierde keer; in januari kwamen Amerikaanse en Indiase functionarissen overeen de samenwerking op het gebied van geavanceerde defensietechnologieën verder uit te bouwen. In totaal onderhoudt de VS 88 ‘defensiepartnerschappen’ (uitgezonderd formele allianties zoals die met de NAVO), al is een aantal vrij beperkt van aard. 

    Hoewel de VS en de EU de afgelopen jaren de Belt and Road Initiative, ofwel de door China geïnstigeerde Nieuwe Zijderoute, probeerden te pareren met concurrerende plannen, blijft de indruk bestaan dat je nog altijd beter bij Beijing kunt aankloppen voor geld om je infrastructuur te verbeteren en daarmee je economie te transformeren. Nadat Kamala Harris een soundtrack met Afrikaanse artiesten had uitgebracht om haar recente bezoek aan het continent luister bij te zetten, merkte een hoge Afrikaanse functionaris droogjes op dat de Chinezen met leningen en ingenieurs komen aanzetten en de Amerikanen met playlists.

    Een politieke paradox

    Alom wordt ervan uitgegaan dat de regering-Biden een buitenlands beleid op twee niveaus voert: op de eerste plaats komen de betrekkingen met de belangrijkste democratische bondgenoten in Europa en Azië (met de hoop dat India daarvan ooit deel zal uitmaken) – en daarna met rammelende mondiale instituties. Aan de bemiddelende rol van die instituties heeft een brede groep landen, waaronder de meeste niet-gebonden landen, behoefte, of het nu gaat om ontwikkeling, schuldverlichting, veiligheid of financiën.

    Dat brengt drie uitdagingen met zich mee. In de eerste plaats moet de westerse eenheid standhouden. Dat is niet vanzelfsprekend. Tijdens zijn recente bezoek aan China zei de Franse president Emmanuel Macron dat de Europese staten het Amerikaanse beleid ten aanzien van Taiwan niet zomaar moeten volgen, noch een boodschap hoeven te hebben aan het Amerikaanse ‘ritme’.

    Het risico van deze bundeling van krachten is dat het mondiale zuiden verder vervreemd raakt van de internationale orde

    De tweede uitdaging is de mogelijkheid dat China de mondiale instellingen ondermijnt door bijvoorbeeld te kiezen voor bilaterale schuldenverlichting in plaats van zich volledig in te zetten voor gecoördineerde inspanningen op dat gebied. De halsstarrige houding van Chinese crediteuren bij het IMF vermindert de flexibiliteit die het kan bieden aan landen die met schulden worstelen.

    De laatste uitdaging betreft het wantrouwen jegens het Westen vanwege al zijn verbroken beloften. Neem de klimaatfinanciering. In 2009 zeiden rijke landen dat ze in 2020 ruim 90 miljard euro per jaar naar arme landen zouden sluizen; het jaarlijkse totaal is nooit hoger geweest dan 77 miljard.

    Op grond van hun gedeelde liberale waarden en geschiedenis schaarden westerse landen zich achter Oekraïne na de Russische invasie. Zij hebben ook hernieuwde vastberadenheid aan de dag gelegd jegens een autoritair China. Het risico van deze bundeling van krachten is evenwel dat het mondiale zuiden verder vervreemd raakt van de internationale orde. Het zou tragisch zijn als de VS, door het Westen te verenigen, het contact met de rest van de wereld verliest.

    Lees ook: