Onderwerpen: Economie

  • Wat als geld een houdbaarheidsdatum had?

    Wat als geld een houdbaarheidsdatum had?

    De inmiddels in de vergetelheid geraakte Duitse econoom Silvio Gesell stelde dat zowel de samenleving als de economie beter af zouden zijn als geld een vergankelijk goed was, beperkt houdbaar zoals groente. Om economische en sociale misstanden te corrigeren zou de aard van geld moeten veranderen, zei hij.

    Een paar weken terug bedacht mijn negenjarige zoontje Theo een fiduciaire munt om de handel vanuit zijn fort in de woonkamer te vergemakkelijken. Als ware kapitalist in de dop had hij een souvenirshop geopend in zijn fort, waar hij een voorraadje boekenleggers te koop aanbood die hij in razend tempo had geproduceerd met vouwpapier en een grote hoeveelheid plakband. Er stonden teksten op als ‘Love’, ‘Ik ben de baas’ en ‘Geld, poen, pegels, cash’.

    Theo’s zesjarige broertje Julian had wel belangstelling voor de boekenleggers, die Theo voor 1 dollar per stuk aan hem wilde verkopen. ‘Ho even,’ riep ik vanuit de andere kamer. ‘Je mag ze niet verkopen voor echt geld.’ (Staatsinmenging, ik weet het.) Theo legde zich hier schoorvoetend bij neer. Na wat gepeins stelde hij een nieuw systeem voor, waarbij zijn broertje eigen geld kon drukken, met een stift en papier.

    De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica

    Zodra Julian drie keer ‘Ik kan schrijven’ op een stukje papier had gezet, zou het veranderen in een wettig betaalmiddel. Eén schrijffoutje en het biljet zou ongeldig zijn. ‘Het moet wel een bepaalde waarde hebben,’ lichtte Theo toe. ‘Anders kun je gewoon miljoenen dollars drukken.’ Julian sputterde even wat, maar wisselde al snel zijn nieuwe vermogen in voor een boekenlegger. Theo stopte het geld in zijn portemonnee.

    De geschiedenis van geld staat bol van dit soort fantasierijke mandaten en grillige logica, zoals Jacob Goldstein schrijft in zijn meeslepende boek: Money: The True Story of a Made-Up Thing (Geld: het ware verhaal van een verzinsel). Toen er nog geen geld was, vertrouwde men op ruilhandel – een onhandig systeem omdat het een ‘dubbele samenloop van behoeften’ vereist. Als ik graan heb en jij hebt vlees, dan moet jij op hetzelfde moment behoefte hebben aan mijn graan als ik aan jouw vlees. Bijzonder inefficiënt.

    Ruilen

    In veel culturen werden rituele manieren ontwikkeld om waardevolle voorwerpen te ruilen – als er een huwelijk werd gesloten, bijvoorbeeld, of wanneer er boete werd gedaan voor een moord, of wanneer er offers werden gebracht. Bij dergelijke overeenkomsten werd er van alles en nog wat geruild, variërend van kaurischelpen tot vee, van potvistanden tot varkens met lange slagtanden. Deze goederen vervulden twee wezenlijke functies van geld:

    1.Ze dienden als rekeneenheid (ze boden een gestandaardiseerde methode om waarde te bepalen).

    2.Ze dienden als waarde-depot (dingen die je op een bepaald moment kunt vergaren om later te gebruiken).

    Door de inherente tekortkomingen van het ruilhandelsysteem konden deze goederen niet de derde functie van geld vervullen, te weten:

    3.Dienen als ruilmiddel (een neutraal middel dat gemakkelijk kan worden ingewisseld voor goederen.)

    Pas ergens rond 600 voor Christus kwam er geld dat alle drie deze functies vervulde, toen er in Lydia, een koninkrijk in het hedendaagse Turkije, iets in omloop werd gebracht dat geschiedkundigen de allereerste munten ooit noemen: klompjes versmolten goud en zilver met de opdruk van een leeuw. Het idee verspreidde zich naar Griekenland, waar men op openbare plekken, agora’s geheten, goederen begon te verhandelen voor munten.

    Al snel zorgde geld voor alternatieven voor de traditionele arbeidssystemen. Mensen hoefden nu niet langer een jaar te werken op de akkers van een rijke landeigenaar in ruil voor eten, onderdak en kleding, er kon worden betaald voor een kortere periode van arbeid. Dat gaf mensen de vrijheid om te stoppen met een rotbaan, maar het bracht ook de onzekerheid met zich mee dat je werk moest zien te vinden op het moment dat je dat nodig had.

    Bang

    Aristoteles was dan ook niet overtuigd. Hij was bang dat de Grieken iets belangrijks zouden verliezen in hun jacht op munten. Van het ene op het andere moment werd de waarde van een mens niet langer alleen bepaald door diens werk en ideeën, maar ook door diens sluwheid. In 995 werd in Sichuan, in China, papiergeld geïntroduceerd toen een koopman uit Chengdu mensen schitterend versierde bonnetjes overhandigde in ruil voor hun ijzeren munten. Dankzij papiergeld waren mensen verlost van de fysieke last van hun rijkdom, wat het makkelijker maakte om over grotere afstanden handel te drijven.

    Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was

    Gaandeweg kreeg geld een meer symbolische waarde. Het vroege papiergeld fungeerde als schuldbekentenis en kon altijd worden ingewisseld voor munten van verschillende waarden. Maar eind dertiende eeuw bedacht Koeblai Khan, de Mongoolse keizer, papiergeld dat door niets werd gedekt. Het was geld omdat de keizer zei dat het geld was. De mensen gingen hierin mee. In de tussenliggende eeuwen heeft geld ons gedwongen mee te gaan in nog veel fantasievollere concepten, zoals het idee van de aandelenmarkt, gecentraliseerd bankieren en onlangs nog de cryptovaluta.

    Momenteel is er zo’n 2,34 biljoen aan fysiek Amerikaans geld in omloop, waarvan ongeveer de helft in het buitenland. Dat is slechts 10 procent van het bruto binnenlands product (de totale monetaire waarde van alle geproduceerde goederen en diensten). Het totaal van alle Amerikaanse bankdeposito’s bedraagt ongeveer 17 biljoen dollar. Ondertussen bedraagt de totale rijkdom van dit land, inclusief alle niet-monetaire activa, zo’n 149 biljoen, meer dan 63 keer het totaal aan beschikbare contanten.

    De kloof tussen deze getallen doet denken aan de zwarte gaten in het heelal – we hebben er geen empirische verklaring voor, maar zonder deze fenomenen zou ons hele begrip van het heelal, of de economie, op losse schroeven komen te staan. Voor de meeste mensen in de westerse wereld is geld niets anders dan een reeks getallen in de computer van de bank.

    Iets absurds

    Geld is iets abstracts, iets absurds. Het is een geloofssysteem, een taal, een sociaal contract. Geld is vertrouwen. Maar de regels zijn niet in steen gebeiteld. ‘Met geld gaat het eigenlijk altijd hetzelfde’, schrijft Goldstein. ‘De vorm die geld op een bepaald moment heeft aangenomen wordt gezien als de natuurlijke gedaante van geld, en al het andere lijkt onverantwoorde waanzin.’ Meer dan een eeuw geleden stelde ondernemer en autodidactisch econoom Silvio Gesell, een vegetarische voorstander van de vrije liefde, een man met een wilde blik in zijn ogen, een radicale hervorming voor van het monetaire systeem zoals wij dat kennen.

    Hij wilde geld maken dat in de loop der tijd zou vergaan. Ons huidige geld, zo stelde hij, is een ontoereikend ruilmiddel. De rijkdom van een man met zijn zakken vol geld is niet gelijkwaardig aan de rijkdom van een man met een zak vol goederen, zelfs niet als de markt heeft bepaald dat de goederen het geld waard zijn.

    ‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten is de basis van ons economisch bestel’

    ‘Alleen geld dat gedateerd is, zoals een krant, geld dat wegrot als aardappels, verroest als ijzer, vervluchtigt als ether, kan de toets doorstaan om te dienen als ruilmiddel voor aardappelen, kranten, ijzer en ether’, schreef Gesell in zijn belangrijkste werk, Die natürliche Wirtschaftsordnung durch Freiland und Freigeld (Het natuurlijke economisch bestel door vrij land en vrij geld) uit 1915. Gesell werd geboren in 1862, in wat nu België is, als zevende van negen kinderen.

    Hij ging voortijdig van school omdat zijn ouders die niet langer konden betalen, kreeg een baantje bij de post en vertrok op zijn twintigste naar Spanje om daar bij een bedrijf te gaan werken. Vier jaar later emigreerde hij naar Argentinië, waar hij een bedrijf begon dat medische apparatuur importeerde en waar hij een fabriek opzette waar kartonnen dozen werden gemaakt.

    GettyImages 3264233
    © Getty Images

    Kaalplukken

    ‘De koopman, de arbeider en de beurshandelaar hebben allemaal hetzelfde doel, namelijk het uitbuiten van de toestand van de markt, ofwel de mensen in het algemeen’, schreef Gesell. ‘Het enige verschil tussen woekerhandel en gewone handel is misschien dat de beroepswoekeraar specifieke personen uitbuit.’

    Gesell meende dat de meest gewaardeerde impuls in onze hedendaagse economie de neiging is om bij elke transactie zo min mogelijk te geven en zo veel mogelijk te krijgen. Op die manier worden we in materieel, moreel en sociaal opzicht armer. ‘Het uitbuiten van de behoeften van onze naasten, het over en weer kaalplukken met de sluwheid van de verkoper, is de basis van ons economisch bestel’, concludeerde hij somber.

    Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt

    Om deze economische en sociale misstanden te corrigeren, zouden we de aard van geld moeten veranderen, zo opperde Gesell, zodat het een betere afspiegeling vormt van de goederen waartegen het wordt geruild. ‘Als we willen dat geld een beter ruilmiddel wordt, moeten we zorgen dat het slechtere handelswaar wordt’, schreef hij. Met dat doel voor ogen ontwikkelde hij geld met een beperkte houdbaarheidsdatum, het zogeheten Freigeld, ofwel vrij geld. (Vrij omdat het bevrijd zou zijn van spaarders en rente.)

    De theorie werkt als volgt: Een Freigeld-biljet van 100 euro heeft 52 vakjes op de achterkant, met een datum, waar de eigenaar elke week een zegeltje van 10 cent moet plakken om te zorgen dat het biljet honderd euro waard blijft. Als je het biljet een jaar bewaart, moet je tweeënvijftig zegels op de achterkant plakken – ter waarde van 5,20 euro – om te zorgen dat het zijn waarde behoudt. Op die manier gaat het biljet jaarlijks 5,2 procent in waarde achteruit, en dat bedrag komt ten laste van de eigenaar(s). (De waarde van de zegels, en hoe vaak ze moeten worden geplakt, kan indien nodig worden bijgesteld.) Dit systeem werkt tegengesteld aan ons huidige systeem, waarin geld dat wordt bewaard juist in waarde stijgt doordat er rente bovenop komt.

    In Gesells systeem zou het individu betalen voor de zegels, terwijl de opbrengsten ten goede komen aan de gemeenschap, waardoor de overheid minder belasting zou hoeven innen om de mensen te ondersteunen die niet in staat zijn om te werken. Het geld zou op een bank kunnen worden gezet, waarmee het zijn waarde zou behouden omdat de bank verantwoordelijk zou worden voor de zegels. Om niet de kosten voor de zegels te hoeven dragen, zou de bank gestimuleerd worden het geld uit te lenen, waarbij de kosten bij een ander worden neergelegd. In Gesells visie zouden banken zo vrijelijk uitlenen dat hun rentetarieven uiteindelijk bij nul zouden uitkomen en ze alleen een kleine risicopremie zouden vragen, plus administratiekosten.

    Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen

    Het gebruik van deze zegelvaluta zou de volledige productieve kracht van de economie ontketenen. Kapitaal zou voor iedereen toegankelijk zijn. Een valutakantoor zou de prijsstabiliteit garanderen door bij te houden hoeveel geld er in omloop is. Als de prijzen zouden stijgen, zou het valutakantoor geld vernietigen. Als de prijzen zouden dalen, zou het valutakantoor geld bijdrukken. In deze economie zou het geld circuleren met de snelheid van een balspel. Er zouden geen woekeraars meer zijn die ‘slapend’ rijk worden. In plaats daarvan zou iemands succes direct gekoppeld zijn aan de ideeën die hij of zij heeft, en aan de kwaliteit van zijn of haar werk. Gesell zag voor zich hoe dit zou leiden tot een darwiniaanse vorm van natuurlijke selectie binnen de economie: ‘Vrije concurrentie zou in het voordeel zijn van mensen die efficiënt zijn, en zij zouden zich dan ook in groteren getale voortplanten.’

    Nieuwe orde

    Deze nieuwe ‘natuurlijke economische orde’ zou gepaard gaan met een hervorming van het grondbezit – Freiland, ofwel vrij land – waardoor land niet langer privébezit zou zijn. Landeigenaren zouden worden gecompenseerd door de overheid, in de vorm van obligaties met en looptijd van twintig jaar. Daarna zouden ze rente betalen aan de overheid en dat geld zou, zo stelde Gesell zich voor, worden gebruikt voor overheidsuitgaven en jaarlijkse uitkeringen aan moeders, om de financiële onafhankelijkheid van vrouwen te bevorderen, wat hun de vrijheid zou geven een relatie te beëindigen als ze dat wilden.

    Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig

    Gesells ideeën zouden de geest van het private, competitieve ondernemerschap behoeden voor wat hij beschouwde als de systeemfouten van het kapitalisme. Je zou Gesell een antimarxistische socialist kunnen noemen. Hij maakte zich sterk voor sociale rechtvaardigheid, maar hij was het ook eens met Adam Smith dat eigenbelang de natuurlijke basis is van iedere economie. Terwijl Marx pleitte voor de politieke suprematie van de armen door middel van organisatie, stelde Gesell dat we enkel economische obstakels hoeven weg te nemen om onze ware productiecapaciteit te realiseren.

    Om te zorgen dat iedereen een groter en eerlijker stuk van de koek zou kunnen krijgen, waren systeemveranderingen nodig, zo benadrukte hij, in plaats van een revolutie met herverdeling als doel. ‘We zullen onze erfgenamen geen eeuwig wassende bron van inkomsten nalaten’, schreef hij, ‘maar is het niet voldoende om economische omstandigheden na te laten waarin de volledige opbrengst van hun arbeid is gegarandeerd?’

    GettyImages 1207431130 1
    © Getty Images

    Steun

    Hoewel velen Gesell afdeden als een anarchistische ketter, kregen zijn ideeën steun van belangrijke economen uit zijn tijd. In zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money (De algemene theorie van werkgelegenheid, rente en geld), wijdde John Maynard Keynes vijf pagina’s aan Gesell en noemde hem een ‘merkwaardige en ten onrechte genegeerde profeet’. Hij stelde dat het idee achter het zegeltjesbiljet solide was. ‘Naar mijn idee zal de toekomst meer baat hebben bij de geest van Gesell dan bij die van Marx’, schreef Keynes.

    In 1900 ging Gesell met pensioen en trok zich terug op een boerderijtje in Zwitserland, waar hij pamfletten, boeken en een tijdschrift over monetaire hervorming schreef. In 1911 verhuisde hij naar Eden, een vegetarische commune net buiten Berlijn met een enkelvoudige belastingheffing, waar Gesell vraagtekens plaatste bij monogamie en pleitte voor de vrije liefde. Toen in 1919 in München de Beierse Sovjetrepubliek werd opgericht door pacifistische dichters en scenarioschrijvers, kreeg Gesell de positie aangeboden van minister van Financiën.

    Gesell stelde plannen op voor landhervormingen, een basisinkomen en Freigeld. De republiek hield het maar een week vol voordat ze werd omvergeworpen door de Communistische Partij en vervolgens door het Duitse leger, dat Gesell gevangenzette op beschuldiging van verraad.

    ‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage’

    Hij verdedigde zich vol vuur. ‘Ik val het kapitaal niet aan met geweld, noch met stakingen en het lamleggen van bedrijven en fabrieken, noch met sabotage,’ hield hij de rechtbank voor. ‘Nee, ik val het aan met het enige wapen dat eigen is aan het proletariaat: arbeid. Door de massa’s op te roepen tot ongeremde, niet-aflatende arbeid, leg ik de afgod van de rente aan banden.’ Gesell werd vrijgesproken en ging weer schrijven.

    In 1930 overleed hij aan een longontsteking, in Eden, op zevenenzestigjarige leeftijd. In datzelfde jaar probeerde de eigenaar van een slapende kolenmijn niet ver van de Beierse plaats Schwanenkirchen vergeefs een lening bij de bank te krijgen om de oude mijn weer op te starten. Gedwarsboomd door vertegenwoordigers van de traditionele financiële wereld zocht hij zijn heil bij de Wära Exchange Association, een groep die in het leven was geroepen om Gesells ideeën handen en voeten te geven. De groep stemde ermee in de mijneigenaar 50.000 Wära te geven, een in waarde dalende munteenheid, wat overeenkwam met 50.000 Reichsmark.

    Vervolgens riep de mijneigenaar de werkloze mijnwerkers bij elkaar en vroeg of ze weer aan het werk wilden gaan, niet tegen een wettig betaalmiddel, maar voor deze nieuwe munteenheid. Onbekend geld was beter dan geen geld, vonden de mijnwerkers. De mijneigenaar kocht eten, kleren en huishoudelijke artikelen bij winkels die ook de Wära-valuta gebruikten. De mijnwerkers, die weer kolen delfden, gebruikten hun inkomen om die goederen te kopen van de mijneigenaar. Al snel wilden ook andere winkels de munteenheid hanteren om mee te liften op de plotselinge toestroom van geld. Omdat de munt elke maand 1 procent in waarde daalde, wilde iedereen zijn Wära’s snel uitgeven en dus circuleerden ze al snel in de hele economie.

    Binnen afzienbare tijd werd de Reichsmark verdrongen door de Wära, tot verontrusting van de grotere banken en de overheid. Uiteindelijk maakte de Reichsbank een einde aan het experiment door de munteenheid te verbieden.

    Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen

    Twee jaar later werden Gesells ideeën opnieuw in de praktijk gebracht in de Oostenrijkse stad Wörgl. In 1932 wilde de burgemeester, een socialistische spoorwegingenieur, niets liever dan zijn inwoners weer aan het werk krijgen. Hij was een aanhanger van Gesells ideeën en bedacht een plan om de Oostenrijkse schilling te vervangen door Arbeidscertificaten, waarvan de waarde maandelijks met 1 procent zou afnemen. De burgemeester huurde stadsbewoners in om de wegen te verbeteren, straatverlichting aan te brengen en een betonnen brug te bouwen, en hij betaalde uit in Arbeidscertificaten. Die certificaten circuleerden al snel onder kooplieden, huurders en landeigenaren, en vonden hun weg naar spaarrekeningen.

    Mensen betaalden zo snel mogelijk hun belastingen om zegels uit te sparen. In een jaar gingen de Arbeidscertificaten 463 keer van hand tot hand, waardoor ten minste 15 miljoen schilling aan goederen en diensten werd gecreëerd. Ter vergelijking: de gewone schilling ging maar 21 keer van hand tot hand.

    Het experiment kwam bekend te staan als het Wonder van Wörgl. De Weense kranten namen er kennis van. De Franse regering toonde interesse. Tweehonderd burgemeesters uit Oostenrijk ontwikkelden soortgelijke programma’s voor hun eigen gemeenschap. Ook nu weer leidde het tot onrust bij de financiële autoriteiten, die betoogden dat deze lokale zegelbiljetten een ondermijning betekenden van de macht van de nationale bank om valuta in omloop te brengen. In de herfst van 1933 verbood het Oostenrijkse Hooggerechtshof de circulatie van de certificaten. Ook in Amerika en Canada vonden geselliaanse experimenten plaats, in de hand gewerkt door de depressie van de jaren 1930.

    In Hawarden, in Iowa, werd een beperkte hoeveelheid zegelbiljetten in omloop gebracht om te betalen voor werk voor de gemeenschap. Datzelfde jaar werd er een vergelijkbaar programma uitgevoerd in Anaheim, in Californië. In 1933 wilde Oregon voor 80 miljoen aan zegelbiljetten drukken, maar daar stak het Amerikaanse ministerie van Financiën een stokje voor. De regering van premier William ‘Bible Bill’ Aberhart in Alberta, Canada, bracht in 1936 depreciërende ‘welvaartscertificaten’ uit (die al snel werden omgedoopt in velocity dollars, ofwel geld met een hoge omloopsnelheid).

    Experimenten

    In dat decennium waren er in de Verenigde Staten zevenendertig steden, acht county’s en enkele bedrijfschappen die bijna honderd verschillende soorten zegelbiljetten probeerden te introduceren. Deze experimenten waren allemaal lokaal, bescheiden van opzet en van korte duur. In 1933 probeerde de econoom Irving Fisher, die zichzelf ‘een nederige leerling van Silvio Gesell’ noemde, president Franklin Delano Roosevelt over te halen om een nationaal zegelbiljet in te voeren. Hij wist een senator uit Alabama zover te krijgen dat hij een wetsvoorstel indiende waarmee tot een miljard aan depreciërende valuta zou worden uitgegeven.

    Het wetsvoorstel is nooit in stemming gebracht. Roosevelt, die voorbereidingen trof om van de gouden standaard af te stappen, was bang dat nog meer economische innovaties een destabiliserend effect zouden hebben. Gesells idee van geld dat minder waard wordt ‘druist in tegen alles wat we ooit hebben geleerd over de wenselijke eigenschappen van geld’, zegt David Andolfatto. Andolfatto is voormalig senior vicevoorzitter van de Federal Reserve Bank van St. Louis en hij staat aan het hoofd van de economiefaculteit van de Universiteit van Miami. ‘Waarom zou je in ’s hemelsnaam willen dat geld die eigenschap heeft?’

    Maar tijdens de economische baisse die volgde op de coronaepidemie, zag Andolfatto dat geld dat minder waard wordt in tijden van crisis een bepaalde waarde zou kunnen hebben. De cheques die de Amerikaanse overheid verstrekte aan Amerikaanse huishoudens hadden niet meteen het gewenste effect – het stimuleren van de economie – omdat veel mensen het geld opspaarden in plaats van het uit te geven. Dat is de paradox van spaarzaamheid, legde Andolfatto uit. Wat goed is voor het individu is slecht voor de groep.

    Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt

    In een artikel dat Andolfatto in 2020 schreef voor de Fed, heeft hij het over hot money credits (ontvlambare tegoeden). Als de economie stagneert, schrijft hij, krijg je te maken met een ‘coördinatiefout’: bepaalde mensen stoppen met uitgeven en anderen stoppen met verdienen. Geld achterhouden in angstige tijden zorgt voor een selffulfilling prophecy die de economie nog meer verstikt. Zou Gesells idee van geld dat zijn waarde verliest, de oplossing kunnen zijn?

    Het probleem, zo zegt Andolfatto, is dat het verstrekken van pandemiecheques die beperkt houdbaar zijn, nadelig kan uitpakken voor mensen met een klein spaarpotje. Mensen met geld op de bank zouden die cheques net zo gebruiken als gewoon geld. Maar mensen zonder spaargeld zouden zich door de vervaldatum wellicht gedwongen zien het geld uit te geven, zonder dat het iets bijdraagt aan de stabiliteit van hun financiële situatie.

    Halve theorie

    Keynes was van mening dat Gesells depreciërende geld niet meer dan ‘een halve theorie’ was – er werd voorbijgegaan aan het feit dat mensen een voorkeur hebben voor liquide activa, waarvan geld slechts een voorbeeld is. ‘Geld als ruilmiddel moet ook een opslag van waarde zijn,’ aldus Willem Buiter, voormalig hoofdeconoom bij Citigroup. In een geselliaanse economie, vervolgt hij, zouden de welgestelden hun rijkdom domweg opslaan in een andere vorm – goudstaven, wellicht, of boten – om die vervolgens weer om te zetten in geld als ze zaken willen doen.

    Buiter gelooft niet dat geselliaans geld echt iets kan uitrichten tegen sociale ongelijkheid, maar hij heeft wel gezien dat er momenten zijn waarop het gunstig heeft uitgepakt voor een centrale bank om de rente te laten dalen tot onder nul, zoals wanneer de inflatie en de marktrente laag zijn en nog verder zouden moeten dalen om volledige werkgelegenheid en gebruik van bronnen overeind te houden.

    In een cashloze economie zouden positieve en negatieve rente makkelijk kunnen worden toegepast op digitaal geld, zoals Buiter en anderen hebben bepleit. Maar het is moeilijk voor te stellen hoe een overheid vandaag de dag een geselliaanse belasting op harde valuta zou kunnen doorvoeren in de praktijk. ‘Je zou in staat moeten zijn de straat op te gaan en geld in beslag te nemen waarop men heeft verzuimd zegeltjes te plakken,’ aldus Buiter. ‘Dat zou een nogal brute aanpak zijn.’

    GettyImages 1213143010
    © Getty Images

    Zekerheden

    Vandaag de dag is geld voor de meesten van ons een vorm van geruststelling. We leven in een cultuur waarin het streven naar zekerheden vooropstaat. Je moet sparen, krijgen we te horen – voor als je ziek mocht worden, om te zorgen dat je kinderen kunnen studeren, voor je pensioen. Maar zijn er wel garanties, in de vorm van geld of anderszins, dat ons niets zal overkomen in het leven?

    In haar nieuwe boek The Age of Insecurity, (Het tijdperk van onzekerheid) schrijft activist Astra Taylor: ‘Tegenwoordig hebben veel van de manieren waarop we onszelf en onze samenlevingen proberen veilig te stellen – geld, bezit, politie, het leger – een paradoxaal effect, waardoor uitgerekend de veiligheid die we nastreven wordt ondermijnd. Het fungeert als katalysator voor schade aan de economie, het klimaat en het leven van mensen, waaronder dat van onszelf.’

    ‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder’

    De negatieve gevolgen van de ongeremde accumulatie van rijkdom zijn voor iedereen duidelijk. Schendingen van mensenrechten, corruptie en de verwoesting van de aarde worden allemaal gerechtvaardigd vanuit dit streven. Er zijn vele reïncarnaties van geld denkbaar die andere waarden dienen. Laten betalen voor CO2-emissies is een manier om de milieuschade te compenseren die wordt teweeggebracht door economische groei.

    Een universeel basisinkomen en gratis voortgezet onderwijs zouden kunnen helpen om financieel en sociaal kapitaal op een gelijkwaardige basis te herverdelen. Gesell was van mening dat het kapitalisme het communisme had verslagen, maar hij zag wel de tekortkomingen van ons huidige economische stelsel. ‘Het is de keuze tussen vooruitgang of ondergang’, schreef hij. ‘We moeten ons een weg banen door het moeras van het kapitalisme naar de vaste grond eronder.’ Is zijn idee van een expirerende munteenheid absurder dan de status quo die we hebben meegekregen?

    Misschien bestaat zijn belangrijkste bijdrage eruit dat hij ons in herinnering brengt dat de regels van geld opnieuw kunnen worden uitgevonden, zoals altijd het geval is geweest. Geld is een bedenksel van onze collectieve verbeelding, voortspruitend uit onze zelfgenoegzaamheid, dat zeker, maar ook uit onze nieuwsgierigheid, onze waarden en onze hoogste ambities. Gesell pleitte ervoor om met een geëngageerde, onderzoekende en nieuwsgierige blik te kijken naar onze economische instituties, zodat we ze opnieuw kunnen vormgeven op een manier waar de samenlevingen die we willen vormen, bij gebaat zijn.

    ‘Het economisch bestel waarbij de mens floreert’, schreef hij, ‘is de meest natuurlijke economische orde.’ In die zin is ons bestel misschien nog altijd een werk in uitvoering.

  • Financiële criminaliteit richtte in 2023 voor 3,5 biljoen dollar aan schade aan

    Financiële criminaliteit richtte in 2023 voor 3,5 biljoen dollar aan schade aan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Alabama voert eerste Amerikaanse executie met stikstof uit

    » Franse boeren verhevigen hun protesten in afwachting van nieuwe maatregelen

    Belastingontduiking is groot probleem

    Uit een rapport van consultancybureau EY blijkt dat in 2023 de schade van de financiële criminaliteit voor de wereldeconomie 3,5 biljoen dollar bedraagt. Dat is meer dan het bbp van het Verenigd Koninkrijk, schrijft El País.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Een van de in het oog springende financiële misdaden van de afgelopen jaren is het FTX-schandaal, waarbij de 31-jarige oprichter Sam Bankman-Fried samen met een hedgefonds een plan opzette om zijn klanten 14 miljard dollar afhandig te maken. Hij werd in november vorig jaar schuldig bevonden door een jury en kan voor tientallen jaren de gevangenis in gaan.

    Maar buiten de spotlights vinden misschien wel de grootste financiële malversaties plaats. Zo kosten cyberaanvallen de wereld, volgens het Center for Strategic and International Studies, zo’n 945 miljard dollar per jaar en geven financiële instellingen jaarlijks 214 miljard dollar uit om zich te beschermen tegen cyberaanvallen. Om nog maar te zwijgen over belastingontwijking.

    ‘Financiële misdaden kosten ook levens’

    Volgens Mark Bou, hoofd communicatie bij Tax Justice Network, verliest Europa 181 miljard dollar aan belastingen omdat miljonairs en grote bedrijven via belastingparadijzen hun winst wegsluizen. Dit komt overeen met bijna 12 procent van de uitgaven voor volksgezondheid in Europese landen. Daron Acemoğlu, economieprofessor aan het MIT en herhaaldelijk genomineerd voor Nobelprijs, waarschuwt: ‘Belastingparadijzen zijn vooral handig voor mensen die hun rijkdom hebben vergaard door omkoping, diefstal en manipulatie; het is een groot probleem. (…) Het is duidelijker dan ooit voor overheden – met de Russische invasie in Oekraïne en de opkomst van terrorisme – dat deze financiële misdaden ook levens kosten.’

    Maar weinige overheden lijken deze waarschuwing ter harte te nemen, aldus El País. Het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Luxemburg, Ierland en Zwitserland staan toe dat er via hun financiële infrastructuur op grote schaal belasting kan worden ontweken en ontdoken. Volgens het Tax Justice Network is heel Europa jaarlijks verantwoordelijk voor het verlies van 236 miljard dollar aan belastingen elders ter wereld.

  • Duitse economie is gekrompen in 2023

    Duitse economie is gekrompen in 2023

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » In China is spiritualiteit big business

    » Donald Tusk maakt morning-afterpil weer zonder recept beschikbaar in Polen

    Europa’s groeimotor is kapot

    De economie van Duitsland, de grootste van Europa en de op drie na grootste ter wereld, is vorig jaar gekrompen. Daarmee lopen de Duitse groeicijfers al zes jaar op rij achter op die van de Verenigde Staten. ‘Duitsland zit op een dood spoor en er is geen snelle uitweg’, schrijft The Wall Street Journal over de economische situatie bij onze oosterburen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In 2023 kromp de Duitse economie met 0,3 procent, waardoor die op dit moment slechts 0,7 procent groter is dan in 2019, het jaar voorafgaand aan de coronapandemie, aldus Destatis, het Duitse instituut voor statistiek. Andere grote economieën in de eurozone zijn vorig jaar gegroeid, waaronder Frankrijk, Italië en Spanje, volgens schattingen van de Europese Unie. Ook de Nederlandse economie is gekrompen in 2023.

    Volgens de Amerikaanse zakenkrant is de Duitse krimp te wijten aan een tragere groei in China, hogere energieprijzen en rentetarieven, en toenemende spanningen rond de wereldhandel. Aangezien er geen tekenen zijn dat deze factoren zullen verbeteren, zien de vooruitzichten voor Duitsland er niet goed uit.

  • In China is spiritualiteit big business

    In China is spiritualiteit big business

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duitse economie is gekrompen in 2023

    » Donald Tusk maakt morning-afterpil weer zonder recept beschikbaar in Polen

    Professionele hulpverlening is duur in China

    Steeds meer jonge Chinezen die op zoek zijn naar een balans tussen de eisen van een snelle, competitieve samenleving en hun eigen geestelijke gezondheid, wenden zich tot alternatieve methoden en spiritualiteit die meer geworteld zijn in persoonlijke overtuigingen dan in de wetenschap. Deze spirituele praktijken staan bekend als shenxinling, wat ‘lichaam, geest en ziel’ betekent.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De sector breidt zich snel uit. Volgens adviesbureau Frost & Sullivan zal de Chinese markt voor diensten op het gebied van geestelijke gezondheid, waaronder ook spirituele praktijken vallen, in 2025 een omvang hebben van 10,41 miljard yuan (1,35 miljard euro), zo schrijft Sixth Tone.

    De opkomst van deze industrie is duidelijk te zien op sociale mediaplatforms, die niet alleen dienen als forums voor het delen van ervaringen, maar ook als webshops voor spirituele diensten en producten. De groei van de industrie is volgens marktonderzoekers onder andere gekoppeld aan het grote aantal mensen in China dat lijdt aan depressie. Daarnaast is professionele hulpverlening in China vaak duur, waardoor het financieel onbereikbaar is voor jonge Chinezen.

  • Grootste krimpflatieschandaal aller tijden: ‘Er zit nog maar een snufje vulling tussen de Oreo’

    Grootste krimpflatieschandaal aller tijden: ‘Er zit nog maar een snufje vulling tussen de Oreo’

    Liefhebbers van het best verkopende koekje ter wereld slaan alarm: de originele Oreo’s bevatten beduidend minder vulling dan vroeger. Consumenten klagen steeds vaker dat er met hun favoriete producten wordt gesjoemeld.

    Al jarenlang sluit Shane Ransonet zijn dag steevast af met een paar Oreo’s gedoopt in melk. Shane Ransonet, een vertegenwoordiger in mineraalwater in New Iberia, Louisiana, keek raar op toen hij een paar maanden geleden een doos Oreo’s opentrok en gewoontegetrouw zijn vork in de crèmevulling van een koekje prikte om het in een glas melk te dopen. Het koekje brak in tweeën. Ransonet (47) liet het aan zijn vrouw Christine zien. Bij alle Oreo’s in de doos zat er maar een flinterdun laagje vulling tussen de twee koekjes, zegt hij. Veel minder dan de flinke dot crème die hij gewend was. Productiefoutje, dachten ze. Tot ze dit najaar de Double Stuf Oreo’s eens uitprobeerden, die Shane vroeger nooit lustte omdat daar te veel crème in zat. Hij zag het meteen: ‘Ja hoor, dat is de normale Oreo,’ zei hij tegen zijn vrouw.

    Ransonet is slechts een van de vele Oreo-liefhebbers die zich de laatste jaren opwinden over wat weleens het grootste krimpflatieschandaal tot nu toe kan zijn: dat de originele Oreo’s beduidend minder vulling bevatten dan vroeger, en dat in Double Stuf Oreo’s niet de dubbele hoeveelheid zit, maar precies de normale hoeveelheid van de gewone Oreo’s van vroeger. Volgens sommigen komt de vulling niet eens meer tot de rand. Anderen klagen dat de Oreo’s totaal niet meer lijken op de van crème uitpuilende koekjes die op de verpakking zijn afgebeeld.

    De Oreo, een product van snoepgigant Mondelez, heeft een trouwe schare liefhebbers en is een eeuw na zijn ontstaan het best verkopende koekje ter wereld. Maar uit wantrouwen over vermeende subtiele wijzigingen in de samenstelling maken sommigen zich nu boos over wat zij zien als een koekjescomplot en proberen ze uit te vinden hoe het precies zit. Ze zetten filmpjes online waarin ze de twee helften van elkaar trekken om te demonstreren hoe weinig vulling er te zien is. Sommigen zeggen over te stappen op de concurrent, Hydrox.

    Verbetering

    Beverly Cooper (60) uit Lincoln in Nebraska zegt dat zij en haar man de laatste tijd al veel hebben meegemaakt op het gebied van veranderingen in favoriete producten, van ontbijtgranen tot ijs. Maar toen ze vorige maand ook nog merkten dat er in hun Double Stuf Oreo’s minder vulling zat dan normaal, was dat wel het toppunt. ‘Het is een teken des tijds,’ zegt Cooper. ‘Zo gaat dat tegenwoordig.’ Op r/shrinkflation, een Reddit-forum over krimpflatie met ruim honderdduizend leden, wordt door Oreo-liefhebbers druk gediscussieerd over het slinken van de crèmelaag in hun favoriete koekje en wanneer dat is begonnen. ‘Er zit nog maar een snufje vulling tussen.’ ‘Doos gekocht. STUK VOOR STUK zo weinig vulling. Ik heb zelfs mijn moeder gebeld om mijn beklag te doen want ik moest het even kwijt.’ (‘Gelijk heb je, man, gooi het eruit,’ was een van de reacties.)

    Fabrikant Mondelez heeft naar eigen zeggen de afgelopen jaren verschillende strategieën ingezet om de kostenstijging van ingrediënten als cacao en suiker te ondervangen, zoals het verhogen van de prijs en het verlagen van kortingen en van het aantal koekjes per doos. Maar volgens het bedrijf zijn er geen grote veranderingen doorgevoerd in de koekjes zelf, al zijn suggesties voor verbetering altijd welkom. ‘We zouden onszelf in de vingers snijden als we aan de kwaliteit gingen tornen,’ zegt topman Dirk Van de Put. Volgens hem werkt Mondelez continu aan de verbetering van de koekjes, en is de hoeveelheid crèmevulling nooit veranderd. Hij zegt dat ze de productkwaliteit nauwlettend controleren en geen significante hoeveelheid klachten over de vulling hebben gekregen, en dat het ook niet te merken is aan hun jaaromzet van 4 miljard dollar (met een jaarlijkse verkoop van zo’n 40 miljard koekjes in honderd landen).

    In de 111 jaar dat de Oreo nu bestaat, heeft het koekje diverse veranderingen ondergaan. In de jaren negentig werd door Nabisco (inmiddels een dochter van Mondelez) het varkensvet vervangen door plantaardige olie, zodat het koekje koosjer werd. En begin deze eeuw haalde Nabisco (destijds eigendom van Kraft Foods) de transvetten eruit, wat een verandering vergde in de receptuur van de crèmevulling. Volgens Lynn Dornblaser, hoofd Innovatie en Kennis bij het marktonderzoeksbureau Mintel, zijn bij een onderzoek naar gewone en Double Stuf Oreo’s sinds 2004 geen veranderingen aangetroffen in de informatie over ingrediënten en voedingswaarden die op de verpakking staat vermeld. Ze denkt dat de klachten van consumenten een gevolg kunnen zijn van productieproblemen in sommige fabrieken en wijst erop dat in een product met zo’n specifieke signatuur als Oreo’s de kleinste afwijking door liefhebbers al snel wordt opgemerkt.

    Bij een steekproef in Chicago afgelopen november bleken de koekjes in een pak gewone Oreo’s wisselende hoeveelheden crèmevulling te bevatten. Sommige Double Stuf-koekjes waren net zo dik als de dikste gewone Oreo, maar de vulling kwam dan wel bijna tot de rand. Er is al eerder geprobeerd om het raadsel van de vulling van Oreo’s op te lossen. In 2013 heeft een wiskundeleraar op een middelbare school in New York samen met zijn klas geprobeerd te meten hoeveel vulling er tussen de koekjes zat bij gewone, Double Stuf en Mega Stuf Oreo’s. Volgens de metingen van zijn leerlingen maakten de Double Stuf Oreo’s hun belofte van een dubbele hoeveelheid vulling niet waar, want ze bevatten maar 1,86 zoveel crème als een gewone Oreo.

    Sluipenderwijs

    Volgens analisten en marketingexperts is het vaak een kwestie van perceptie en is het wantrouwen jegens grote bedrijven gegroeid omdat consumenten tegenwoordig bijna overal merken dat ze meer betalen voor minder. In veel gevallen zijn die prijsstijgingen sluipenderwijs doorgevoerd, en dat wekt argwaan, zeggen analisten. Volgens Nicholas Fereday, senior analist Consumer Foods bij de Rabobank, worden consumenten vooral fel als ze, al dan niet terecht, vermoeden dat er aan een iconisch merk is gemorreld. ‘Dan wordt een grens overschreden,’ zegt hij. Mondelez heeft consumenten al eerder in de gordijnen gejaagd met kleine productwijzigingen. Liefhebbers van Toblerone stonden in 2016 op hun achterste benen toen het bedrijf in Groot-Brittannië de afstand tussen de karakteristieke driehoekjes vergrootte om de chocoladereep lichter te maken. De fabrikant weet het aan de prijsstijging van ingrediënten, maar draaide de verandering twee jaar later toch terug. Enkele jaren geleden kwamen er Oreo’s in duoverpakking op de markt: minder koekjes per verpakking en dus een lagere prijs, maar een hogere marge.

    David DiLena (44), een natuurkundige in Maine die aan de recycling van helium werkt, schrok toen hij dit najaar zag hoe weinig vulling er in zijn Double Stuf Oreo’s zat. Maar in het filmpje dat hij ervan op Facebook zette, liet hij ruimte voor discussie: hij drukte de twee helften van het koekje tegen elkaar tot de vulling zich over de hele breedte had verspreid in een laagje dat niet dikker was dan de koekjes zelf. ‘Stelling: een Double Stuf Oreo is een normale Oreo,’ schreef hij erbij. ‘Oordeel zelf.’

    In juni kocht Brandon Grunther, de maker van een podcast over professioneel worstelen, op Long Island in New Jersey een doos Double Stuf Oreo’s en dacht dat hij gek geworden was. Bij de eerste hap merkte hij al dat er minder vulling in zat en dat de koekjes ook kleiner waren dan in zijn herinnering. Hij beschreef zijn ervaring op Twitter, dat nu X wordt genoemd, en tagde Oreo in zijn bericht. Hij zegt dat Mondelez hem daarop een waardebon voor een doos Oreo’s stuurde, maar dat hij die nog niet heeft ingewisseld: hij wacht op de komst van een speciale editie Oreo’s met een bijzondere smaak. ‘Ik vond dat wel sympathiek,’ zegt Grunther (34). ‘Maar ik was nog steeds teleurgesteld over de hoeveelheid vulling.’

  • Vermogenskloof tussen mannen en vrouwen is een rem op emancipatie

    Vermogenskloof tussen mannen en vrouwen is een rem op emancipatie

    Gelijke lonen en gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, dat is er nu allemaal, maar de vermogensongelijkheid ten nadele van vrouwen is de afgelopen decennia gestaag gegroeid. En dat heeft ingrijpende gevolgen voor vrouwen in hun dagelijks leven.

    De winnaar van de Nobelprijs voor Economie van dit jaar, Claudia Goldin, is eigenlijk een rasoptimist. Volgens sommigen moet ze ook wel. Uit haar onderzoek naar de langetermijntrends in de economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen komt immers steeds weer naar voren dat de vooruitgang voor vrouwen op dat vlak bepaald niet in een rechte lijn verloopt. Haar inmiddels beroemde U-vormige curve laat zien dat in de loop van de negentiende eeuw vrouwen uit veel beroepen werden verdrongen, waarna latere generaties dat verloren terrein in de twintigste eeuw moesten heroveren. Als dit al eens eerder is gebeurd, kan het dan niet opnieuw gebeuren? Want zoals een uitspraak luidt die vaak wordt toegeschreven aan de Franse filosoof Simone de Beauvoir: ‘Vergeet niet dat één politieke, economische of religieuze crisis genoeg is om de rechten van vrouwen weer op losse schroeven te zetten.’

    Toch denkt Goldin dat de rijke landen nu aan het begin staan van wat zij ‘het laatste hoofdstuk’ noemt van ‘de grote gendergelijkheid’. Dat kan volgens haar bereikt worden met een reeks veranderingen, zowel op de werkvloer (door een eind te maken aan ‘greedy jobs’, banen die ook je avonden en weekenden opslokken) als in de thuissfeer (door een betere verdeling van huishoudelijk werk en zorgtaken). Nu vrouwen vrij zijn om dezelfde carrièrekeuzes te maken als mannen, zouden zulke verbeteringen de loonkloof volledig kunnen dichten.

    Maar al is het hoog tijd voor deze veranderingen, uit ons eigen onderzoek blijkt dat dit niet genoeg zal zijn om de economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te verminderen. Zelfs als vrouwen uiteindelijk evenveel betaald krijgen voor hetzelfde werk, zullen ze nog steeds economisch achterblijven bij de mannen. Want zowel in de VS als wereldwijd schuilt de economische ongelijkheid tegenwoordig niet zozeer in het loon als in het vermogen.

    Structureel meer kapitaal

    Met vermogen doelen we in de sociale wetenschap op het geheel van wat anderen ook wel kapitaal, activa, bezittingen of erfdeel noemen. Het totale reservoir aan waarde waarover een persoon beschikt. En zoals de Franse econoom Thomas Piketty met zijn team heeft aangetoond, is vermogensongelijkheid een wezenskenmerk van het hedendaags kapitalisme. Volgens hun World Inequality Report uit 2022 heeft de 10 procent rijkste huishoudens meer dan driekwart van het mondiale vermogen in bezit, en de armste 50 procent maar twee procent. De bevoorrechte klassen hebben dus een monopolie op rijkdom en proberen dat voor de generaties na hen te behouden, terwijl de meeste anderen er structureel van verstoken blijven.

    De vermogenskloof ten nadele van vrouwen is de afgelopen decennia gestaag is gegroeid

    Het werk van Piketty is inmiddels gemeengoed, maar daarnaast is uit baanbrekend statistisch onderzoek nu gebleken dat de vermogensongelijkheid ook aan sekse is gerelateerd. Een Duitse analyse van cijfers over de periode 2002-2012 wees bijvoorbeeld op een fikse vermogenskloof, niet alleen tussen alleenstaande mannen en vrouwen, maar ook binnen relaties. En de economen Nicolas Frémeaux en Marion Leturcq hebben aangetoond dat deze vermogenskloof ten nadele van vrouwen de afgelopen decennia gestaag is gegroeid, van 9 procent in 1998 naar 16 procent in 2015. Ze constateerden ook dat mannen structureel meer kapitaal bezitten dan vrouwen, of het nu gaat om vastgoed, grond of financiële en materiële middelen. Wat opviel, was dat de kloof tussen man en vrouw relatief klein was in de arbeidersklasse (aangezien geen van beide partners daar veel vermogen opbouwen) en veel groter bij de hogere inkomens.

    Deze vermogenskloof blijft verborgen en onderbelicht doordat hij zo moeilijk vast te stellen is. In de meeste landen worden alleen cijfers over het vermogen verzameld van huishoudens (op basis van enquêtes of belastinggegevens), niet van individuele burgers. En doordat men ervan uitgaat dat binnen huishoudens alle bezit gelijkelijk is verdeeld, verbloemt deze standaardaanpak de realiteit van de machtsdynamiek bij vermogensbezit. Vandaar dat in heel Piketty’s achthonderd bladzijden tellende magnum opus Kapitaal in de 21ste eeuw het onderscheid tussen man en vrouw niet eens een variabele is.

    Stilzwijgend

    Hoe kun je het individuele vermogen van een man en een vrouw vaststellen wanneer ze als stel samen iets hebben gekocht en als in de meeste onderzoeken alle mensen onder één dak als één economische eenheid worden geteld? Als sociologen die zich hier al twintig jaar mee bezighouden, hebben wij daar iets op gevonden: we kijken naar de gevallen waarin stellen uit elkaar gaan en waarop familiebezit wordt overgedragen aan erfgenamen. Dat zijn de momenten waarop de dynamiek aan het licht komt en duidelijk wordt wie er wérkelijk de macht over het familievermogen heeft en daar de vruchten van plukt.

    De vermogensongelijkheid tussen man en vrouw staat natuurlijk niet los van wat er op de arbeidsmarkt gebeurt. Uit de verschillen in carrières en inkomen waar Goldin onderzoek naar doet, blijkt dat mannen makkelijker geld opzij kunnen leggen. Maar het vermogen van mensen is tegenwoordig minder afhankelijk van wat ze zelf vergaren en meer van wat hun is toegevallen, meestal door beërving.

    Dan zien we dat de vermogenskloof al begint binnen het gezin, waar het verschil stilzwijgend wordt bestendigd in de rollen die mannen en vrouwen vervullen als echtelieden, vaders en moeders, dochters en zonen, broers en zussen. Maar de kloof wordt verder vergroot doordat juridische functionarissen in de advocatuur, de magistratuur en het notariaat ertoe neigen de ongelijke verdeling van vermogen tussen kinderen of voormalig echtgenoten klakkeloos te accepteren. En vrouwen zijn natuurlijk zo gesocialiseerd dat ze dit ook slikken, vaak in naam van het bewaren van de lieve vrede of voor het behoud en de overdracht van de maatschappelijke status van de familie.

    Als een stel uit elkaar gaat, houdt de man vaak ‘structureel eigendom’ en worden vrouwen uitgekocht met geld

    Zo gaat de bestendiging van seksehiërarchieën dus hand in hand met de reproductie van sociale klasse. Neem de scheiding tussen Amazon-oprichter Jeff Bezos en de romanschrijver MacKenzie Scott in 2019. Hun nettovermogen bedroeg ruim honderddertig miljard dollar, inclusief 16 procent van de aandelen van Amazon. In de staat Washington, waar ze woonden, hebben beide echtelieden bij een scheiding wettelijk recht op de helft van alle bezittingen die tijdens het huwelijk zijn verworven, zodat sommige aandeelhouders vreesden voor de toekomst van het bedrijf als Scott haar helft van de aandelen zou opeisen. Maar een paar maanden nadat de scheiding was aangekondigd liet Scott weten: ‘Ik schenk hem graag al mijn belangen in The Washington Post en Blue Origin en 75 procent van onze aandelen in Amazon, plus het stemrecht over mijn aandelen, zodat hij zijn werk met de teams van deze geweldige bedrijven kan voortzetten.’ 

    In de twee decennia dat we hier onderzoek naar doen, hebben we dit vrij vaak gezien. Als een stel uit elkaar gaat, houdt de man vaak ‘structureel eigendom’ aan in de vorm van grond, vastgoed en bedrijven en worden vrouwen uitgekocht met geld (als dat al gebeurt). En als vrouwen wel productieve kapitaalgoederen in bezit houden, zijn dat meestal de minder winstgevende.

    De ongelijkheid komt ook naar voren op het moment dat er geërfd wordt

    De ongelijkheid komt ook naar voren – en wordt weer verder bestendigd – op het moment dat er geërfd wordt. Neem een gezin uit de middenklasse in Zuidwest-Frankrijk. Toen Marcelle Pilon in 1992 geen leiding meer wilde geven aan haar bakkerij, moest ze voor haar familiebedrijf een opvolger aanwijzen. Ze was al vijftien jaar weduwe en besloot het bedrijf plus het grote huis dat erbij hoorde aan haar 43-jarige zoon Pierre te geven, die samen met haar in de bakkerij werkte. Maar Pierre had drie zussen en strikt genomen schrijft de Franse wet voor dat erfenissen gelijkelijk moeten worden verdeeld. Om daaraan tegemoet te komen, wees Marcelle haar dochters ook wat vastgoed toe. Omdat die bezittingen veel minder waard waren dan de bakkerij en het huis, werd bovendien overeengekomen dat Pierre zijn zussen tien jaar lang elke dag gratis brood en patisserie zou leveren. De moeder zag er nauwlettend op toe dat elke baguette en croissant iedere dag keurig werd bezorgd. 

    Maar dat betekende niet alleen dat de dochters in de buurt van de bakkerij moesten wonen om hun gratis brood te kunnen ontvangen: andere, niet opgegeven giften bleven bovendien buiten beschouwing. Zo had Pierre van zijn ouders eerder al eens een banketbakkersbedrijf ter waarde van bijna een ton gekregen, dat later weer opging in het familiebedrijf. Maar niemand had dit bij de instanties gemeld. De rechtvaardiging voor deze voortrekkerij was dat de ouders de studie van hun dochters hadden betaald terwijl Pierre voor het familiebedrijf was gaan werken. Maar toen een van ons de zussen vroeg of ze dit eerlijk vonden, hadden zij een andere lezing. Ze hadden vooral kunnen studeren dankzij een studiebeurs, zeiden ze, en hadden nu en dan gratis in de winkel van hun ouders gewerkt, terwijl Pierre daar van meet af aan loon en een winstpercentage van de banketverkoop had ontvangen. Ze hadden gegronde grieven tegen de regeling, maar wilden er geen werk van maken. Het voortbestaan van het familiebedrijf en de lieve vrede was belangrijk dan een rechtvaardige verdeling onder alle kinderen.

    Mysterie

    Dit alles is van belang omdat we niet langer in een tijd leven waarin mensen voor hun levensonderhoud voornamelijk afhankelijk zijn van lonen en uitkeringen. We leven nu in wat de sociologen Lisa Adkins, Melinda Cooper en Martijn Konings hebben betiteld als de vermogenseconomie (asset economy). Meer dan op enig ander moment in de voorbije eeuw is het bezit van vermogen niet alleen cruciaal voor de toegang tot hoger onderwijs, woningen en gezondheidszorg, die allemaal steeds duurder worden, maar ook voor het verwerven van krediet, werk en inkomen. In een onzekere tijd die gekenmerkt wordt door onbestendig werk en de afbouw van sociale vangnetten is de mogelijkheid tot het opbouwen van vermogen een zaak van existentieel belang geworden.

    De vermogensvoorsprong van mannen geeft hun meer macht om levenskeuzes te maken

    Het doel van feministisch empowerment is dat vrouwen leren op te treden als autonome economische partij. Maar nu inkomen steeds meer aan belang inboet ten opzichte van vermogen, lopen vrouwen gevaar wederom onevenredig achter het net te vissen. Dit moet niet alleen een thema zijn voor wetenschappelijk onderzoek en debat, het heeft ingrijpende gevolgen voor vrouwen in hun dagelijks leven. Alleenstaande moeders van de arbeidersklasse zullen hierdoor onverminderd geconfronteerd worden met moeilijke keuzes en ontberingen voor henzelf en hun kinderen, en het bedrijfsleven zal een mannendomein blijven.

    Zelfs de liefde kan weer im grotere mate vatbaar worden voor economische overwegingen. Zoals de Britse econoom Peter Kenway schrijft, krijgen we binnenkort misschien ‘een Jane Austen-achtige huwelijksmarkt waarop millennials zonder erfenis op zoek gaan naar een millennial die wel de erfenis van een huis in het vooruitzicht heeft.’ De vermogenskloof grijpt zelfs dieper in op het huwelijksleven, want de vermogensvoorsprong van mannen geeft hun meer macht om levenskeuzes te maken (zoals waar ze gaan wonen) die van invloed kunnen zijn op de carrière van hun partner of echtgenoot. En erger nog is dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld er door financiële afhankelijkheid soms van worden weerhouden bij hun partner weg te gaan.

    Al deze vormen van ongelijkheid komen aan het licht en worden ook verder aangewakkerd na een relatiebreuk – wat steeds meer voorkomt – of wanneer de vrouw weduwe wordt, wat vrouwen vaker overkomt dan mannen, vanwege hun iets hogere levensverwachting en het feit dat ze door de band genomen iets jonger zijn dan hun man. En aangezien stellen de verdeling van hun bezittingen steeds meer formaliseren (in huwelijkse voorwaarden of een partnerovereenkomst) genieten weduwen steeds minder bescherming. De vermogensongelijkheid tussen man en vrouw dreigt dus te leiden tot een toekomst van vrouwen die op hun oude dag afhankelijk zijn van een pensioen dat over het algemeen lager is dan dat van mannen, terwijl ze weinig of geen eigen vermogen hebben.

    Goldin schetste in haar werk de ontwikkelingen in een tijd waarin de werkgelegenheids- en loonkloof tussen mannen en vrouwen geleidelijk werd gedicht, zeker in de meer prestigieuze beroepen, dankzij overheidsbeleid en nieuwe technologieën die leidden tot verbeteringen op de arbeidsmarkt en betere reproductieve rechten voor vrouwen. Maar zoals ze zelf ook zegt, zijn we er nog lang niet en kan elke stap vooruit maar al te gemakkelijk ongedaan worden gemaakt, zoals onlangs bleek uit de nieuwe beperkingen (die in veel gevallen neerkomen op een regelrecht verbod) op abortus in de VS. Beleidsmakers en wetenschappers moeten nodig werk maken van de vermogenskloof, voordat onze samenleving weer afglijdt naar de mate van ongelijkheid die de negentiende eeuw kenmerkte. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de arbeidsmarkt en de financiële wereld, maar ook naar de dynamiek binnen huishoudens en gezinnen.

    Het gaat nu vooral om het persoonlijk vermogen, en weer trekken de vrouwen aan het kortste eind

    Er is grote behoefte aan nieuw historisch, sociologisch en economisch onderzoek om de volle reikwijdte en gevolgen van deze vermogenskloof in kaart te brengen. Zoals Goldin met een indrukwekkende hoeveelheid gegevens uit achttiende- en negentiende-eeuwse archieven aantoonde dat vrouwen die louter als ‘echtgenoot’ stonden geregistreerd in werkelijkheid als ‘arbeiders’ konden gelden, zo moeten wij nu het mysterie van het vermogen van huishoudens ontraadselen. Welk aandeel daarvan is nu werkelijk in handen van vrouwen? Als we dit probleem willen aanpakken, hebben we eerst een heel leger Goldins nodig om het te documenteren en beschrijven.

    Juist nu vrouwen in veel landen eindelijk beter opgeleid zijn dan mannen en evenveel recht hebben op dezelfde banen voor hetzelfde geld als hun mannelijke collega’s, is het zwaartepunt van de economische ongelijkheid verschoven. Het gaat nu vooral om het persoonlijk vermogen, en weer trekken de vrouwen aan het kortste eind. Een andere Franse filosoof, Albert Camus (en eveneens Nobelprijswinnaar), schreef de beroemde woorden: ‘We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’ We moeten ons Sisyphus vooral als een vrouw voorstellen.

  • In Argentinië kunnen bedrijven werknemers betalen met melk of vlees in plaats van geld

    In Argentinië kunnen bedrijven werknemers betalen met melk of vlees in plaats van geld

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Franse vrouwen dragen steeds minder vaak hoge hakken

    » China deelt gevangenisstraffen uit voor het fotograferen van militaire apparatuur

    Betalen met rundvlees

    Na zijn aantreden als president van Argentinië nam de ultrarechtse Javier Milei direct een reeks maatregelen, zoals de mogelijkheid om contracten af te sluiten in alle mogelijke valuta. Vlak voor kerst schreef zijn minister van Buitenlandse Zaken Diana Mondino op X: ‘We bekrachtigen en bevestigen dat het in Argentinië mogelijk zal zijn om contracten af te sluiten in bitcoin of in andere crypto en/of ruilmiddelen zoals kilo’s rundvlees of liters melk.’ Dat geldt ook voor het betalen van salarissen, schrijft El Ciudadano.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Mondino verwees naar artikel 766 van het Burgerlijke en Handelswetboek, dat onlangs per decreet is aangepast door Milei: ‘De schuldenaar moet het overeenkomstige bedrag in de afgesproken valuta leveren, ongeacht of die in de Republiek als wettig betaalmiddel geldt of niet.’ Op X reageerde iemand met de opmerking ‘Ik ga mijn huur betalen met hagedissenharen.’ Argentinië ging al eens eerder over tot ruilhandel: tijdens de economische crisis van 2001 werden goederen en diensten uitgewisseld zonder geld.

    Lees ook:

  • Sancties als wapen: is het middel erger dan de kwaal?

    Sancties als wapen: is het middel erger dan de kwaal?

    Financiële sancties zijn een krachtig oorlogswapen, maar kunnen blijvende schade aanrichten. Sinds de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne zijn we volgens economen Julia Friedlander en Josh Lipsky in het niemandsland tussen handel en oorlog een keerpunt gepasseerd.

    In Christopher Nolans film Oppenheimer, over de vader van de atoombom, horen we de natuurkundige Niels Bohr waarschuwen: ‘We moeten de politici aan het verstand brengen dat dit niet zomaar een nieuw wapen is, maar een nieuwe wereld.’ Veel economen die de film zien, zal die gedachte misschien akelig bekend voorkomen. Politici hebben in hun buitenlandbeleid de afgelopen jaren zwaar geleund op economische maatregelen; het sanctiewapen. De omvang varieert van embargo’s tot exportbeperkingen en de bevriezing van buitenlandse tegoeden: allemaal instrumenten waarmee men een concurrerend of vijandig land wil treffen zonder direct in een militair conflict verzeild te raken. 

    Sancties zijn natuurlijk geen atoombom. Maar er gaapt een gevaarlijke kloof tussen de verwachtingen van de mensen die de sancties uitvaardigen en degenen die er uitvoering aan moeten geven; economen en de particuliere sector. Want inmiddels zijn we in dit vage niemandsland tussen handel en oorlog een keerpunt gepasseerd. 

    Het sanctiemiddel is niet van vandaag of gisteren, landen zijn in de loop van de geschiedenis nooit vies geweest van het instellen van embargo’s, creatieve invoerrechten of andere heffingen. Maar de moderne economische oorlogsvoering die op de integratie van financiële markten berust, is minder oud – die dateert om precies te zijn van 22 jaar terug, van de aanslagen van elf september. Na die ongekende terroristische aanslag op eigen grondgebied gaf Amerika zijn federale instanties verregaande bevoegdheden om met behulp van zijn wereldwijde financiële macht de geldstromen van Al-Qaida en bondgenoten af te knijpen. Daarnaast zette Washington die instrumenten ook in als internationaal machtsmiddel om zijn burgers tegen terreur te beschermen – niet in plaats van, maar bovenop de gewapende strijd tegen Al-Qaida.

    Op één lijn

    Tien jaar later kregen sancties stilaan een andere rol in het buitenlandbeleid. Zo moest Iran met multilaterale – en van de kant van de VS ook steeds meer unilaterale – economische strafmaatregelen naar de onderhandelingstafel worden gedreven. Hier werden sancties gebruikt als drukmiddel, waarbij ook de dreiging van militair ingrijpen altijd boven de gesprekken bleef hangen en de onderhandelingen sterk beïnvloedde. En vorige maand werd bij het uitbreken van de oorlog tussen Israël en Hamas weer eens duidelijk dat deze combinatie van economische sancties met militaire afschrikking de primaire reactie van het Westen is.

    Maar de aard van de sancties is in de afgelopen jaren zodanig geëvolueerd dat we met Niels Bohr nu werkelijk van ‘een nieuwe wereld’ kunnen spreken. Na de Russische inval in Oekraïne heeft de G7 de meest verregaande sancties afgekondigd die ooit tegen een grote economie zijn ingesteld. Niet alleen vanwege de omvang van het sanctiepakket en het aantal banken dat uit SWIFT is gegooid, maar ook door de verregaande exportbeperkingen op allerlei artikelen, van handtassen tot airbags, en het bevriezen van zo’n 300 miljard dollar aan Russische tegoeden. En was er in eerdere gevallen nog sprake van onenigheid tussen de VS en de Europese bondgenoten over hoe streng en hoe verreikend de sancties moesten zijn, nu zitten ze op één lijn. Daarbij heeft het Westen, ook anders dan vroeger, duidelijk gemaakt dat het géén militaire confrontatie met Rusland wil.

    In de beginfase van de oorlog, toen men er nog van overtuigd was dat Oekraïne binnen enkele weken zou vallen, werd met de sancties geprobeerd de Russen hard genoeg te raken om hun invasie werkelijk lam te leggen. En al klinkt dat nu misschien naïef, volgens ons had deze gewaagde en ambitieuze tactiek kunnen slagen. Met alle financiële en economische onzekerheden die zo’n schok voor de wereldeconomie met zich meebrengt, was het denkbaar dat dit tot zo’n diepe financiële crisis zou leiden dat Rusland eraan onderdoor zou gaan.

    Maar we kijken er ook niet van op dat dit niet is gebeurd. Vraag een econoom van het Amerikaanse ministerie van Financiën of van het IMF waarom Rusland niet onder dat spervuur van economische sancties is bezweken, en deze zal antwoorden dat het land in zijn geschiedenis al vaker financiële crises heeft doorstaan en dat we lering moeten trekken uit het nu al decennia durende sanctiebeleid tegen het Iraanse regime – een regime dat de komende maanden opnieuw op de proef zal worden gesteld. Economen zullen er bovendien op wijzen dat bij elke maatregel al snel dempende substitutie-effecten optreden, en dat de wereldeconomie steeds meer multipolair van karakter is.

    Handel en ontwikkelingshulp zijn als instrument krachtiger dan welke strafmaatregel dan ook

    Maar dat wil nog niet zeggen dat de sancties gefaald hebben. Ze hebben de Russen gedwongen nieuwe en minder betrouwbare markten op te zoeken en hun mogelijkheden voor krediet beperkt, wat de Russische oorlogsvoering bemoeilijkt. En de langetermijngroei van het Russische bbp zal nu beduidend lager uitvallen dan voor de invasie was beraamd, mede door de sancties en de daarmee gepaard gaande uittocht van hoogopgeleide jonge Russen.

    Het succes van de sancties tegen Rusland is dus niet eenduidig. Maar heeft Washington genoeg zicht op de mogelijke gevolgen voor het buitenlandbeleid in de toekomst? Sommige economen maken zich zorgen over wat er met hun hulp is ontketend. Begin vorig jaar waarschuwden wij al dat het sanctiepakket van de G7 tegen Rusland de lakmoesproef zou worden voor het middel van economische oorlogsvoering, en dat de VS en zijn bondgenoten bepaalde instrumenten weleens konden uitputten als die niet genoeg opleverden. En dat ze ook vooral niet moesten denken dat ze nu een blauwdruk hadden voor toekomstige conflicten. Met de inzet van bijna het volledige economische wapenarsenaal tegen Rusland bleek het Westen een aanvaardbaar risico te hebben genomen. Ook de economische terugslag bleek behapbaar voor een handelsblok dat anderen kon overbieden op alternatieven voor de Russische energie, en dat sinds het begin van Poetins agressie tegen Oekraïne in 2014 niet veel handelsbelangen meer in Rusland had.

    Maar de afweging tussen nationaal veiligheidsbeleid en de wereldwijde macro-economische realiteit zou weleens anders kunnen uitvallen wanneer de tegenstander meer financiële slagkracht heeft. Uit onderzoek van de denktanks Atlantic Council en de Rhodium Group blijkt bijvoorbeeld dat bij een Chinese escalatie in de Straat van Taiwan de toepassing van zo’n verregaand sanctiepakket de westerse economieën triljoenen dollars kan kosten en zo de wereldwijde economische invloed van het Westen kan uithollen. In het mondiale Zuiden wordt de snelle uitbreiding van het arsenaal aan economische strafmaatregelen al twee jaar met argusogen gevolgd. En in gesprekken met centrale banken van landen die niet in de G7 zitten, horen we een sterke behoefte om hun land minder afhankelijk te maken van de dollar. De recente uitbreiding van de BRICS is daar het laatste openlijke voorbeeld van.

    In lijn hiermee hebben wij onlangs in een rapport aangetoond dat je met sancties riskeert dat landen hun dollarreserves afbouwen. En tijdens de top van het IMF en de Wereldbank in Marrakech legde de Indiase minister van Financiën aan de Atlantic Council uit waarom veel landen, waaronder het hare, bang zijn voor al te grote afhankelijkheid van de dollar. Deze landen zijn nog lang niet in staat zich volledig los te maken van de dollar, zei ze, maar ze zoeken wel naar alternatieven, en dat is een teken aan de wand. Landen die van het financieel systeem van Europa en de VS afhankelijk zijn, hebben het recht om te weten hoe het Westen over de inzet van sancties denkt en verdienen een stem in de uitvoering ervan. Niet om ‘aardig’ te zijn, maar om de stabiliteit van ons eigen financiële systeem te behouden en de risico’s te beperken.

    Dus hoe kan men aan hun zorgen tegemoetkomen? Ons voorstel is om een nieuw raamwerk op te stellen voor het gebruik van economische machtsmiddelen. Net zoals de VS ooit de Atomic Energy Commission in het leven riep om toezicht te houden op de ontwikkeling van kernwapens, zouden de VS en Europa samen richtlijnen moeten opstellen over welke sancties en andere economische maatregelen geoorloofd zijn en wanneer. Mogen de dollar- of eurotegoeden van een oorlogvoerende natie bevroren worden? Wanneer wordt het punt bereikt dat op die tegoeden beslag mag worden gelegd? Als de VS een verbod instellen op de export van bepaalde microchips naar China, wat zijn dan de consequenties als een bevriend land een vergelijkbaar product aan China levert? Zolang op die vragen geen duidelijk antwoord bestaat, moeten andere landen maar raden naar wat het Westen zal doen – en zullen ze op zoek gaan naar economische alternatieven.

    Gereedschapskist

    De tweede stap is dat we het mondiale Zuiden (en onszelf) herinneren aan de positieve kracht van economische maatregelen. Handel en ontwikkelingshulp zijn als instrument net zo krachtig, zo niet sterker dan welke strafmaatregel dan ook. Toch is men zeker in de VS veel te veel bezig met manieren om economieën te straffen en denkt men te weinig na over manieren om andere landen voor zich te winnen. Wel zijn er enkele stapjes in de goede richting in de vorm van recente nieuwe overlegorganen, zoals de Handels- en Technologieraad EU-VS en het Indo-Pacific Economic Framework for Prosperity, en de kapitaalinjectie voor de Wereldbank.

    Toen wetenschappers zich in 1944 opmaakten voor de allereerste kernproef in New Mexico, kwamen in Bretton Woods 44 landen bijeen om de IMF en de Wereldbank op te richten – de oorspronkelijke gereedschapskist voor internationale economische maatregelen. Ze werden niet opgericht om sancties of andere strafmaatregelen op te leggen, maar om enorme leningen te verstrekken voor de wederopbouw na de oorlog en het voorkomen van nieuwe conflicten. En het financiële en handelsnetwerk dat rond deze instellingen ontstond, hielp de VS en Europa in hun ontwikkeling en genereerde bovendien groei in tal van andere economieën.

    Maar nu er zulke zware sanctiepakketten en andere strafmaatregelen worden ingezet – zonder serieuze pogingen om op grond van de veranderende wereldeconomie tot hervormingen te komen of om de slinkende middelen van deze instellingen aan te vullen – zullen het IMF en de Wereldbank in de komende jaren aan belang inboeten. Rivaliserende geldverstrekkers zullen aan invloed winnen. De instrumenten voor economische oorlogsvoering zijn krachtig en kunnen blijvende schade aanrichten. We moeten ervan doordrongen zijn dat het experiment met Rusland een keerpunt was, na twee decennia van gestaag escalerend economisch machtsvertoon. Nu is het moment gekomen om eens goed en strategisch na te denken over de volgende stappen in de evolutie van internationale economische maatregelen.

    Lees ook:

  • Superrijken handelen steeds egoïstischer. Wat betekent dat voor de samenleving?

    Superrijken handelen steeds egoïstischer. Wat betekent dat voor de samenleving?

    Vandaag de dag verzetten de allerrijksten zich tegen belastingverhogingen en financieringen voor hulpprogramma’s, wat historisch gezien uitzonderlijk is. Volgens econoom Guido Alfani snijdt de elite zichzelf hiermee in de vingers.

    Gedurende een groot deel van de westerse geschiedenis zijn de rijkste mensen door hun gemeenschap met scheve ogen bekeken en hebben ze geprobeerd in een gunstiger daglicht te komen door hun samenleving financieel te hulp te schieten in tijden van crisis, zoals tijdens epidemieën, hongersnoden en oorlogen. Deze symbiotische relatie bestaat niet meer. De hedendaagse rijken, die hun vermogen over het algemeen veilig door de Grote Recessie van 2008 en de recentere coronapandemie hebben geloodst, verzetten zich tegen pogingen om hun rijkdom af te romen voor de financiering van allerlei hulpprogramma’s.

    Dit is historisch gezien uitzonderlijk. Het financieel bijspringen tijdens grote crises is lange tijd de belangrijkste sociale functie van de rijken binnen de westerse cultuur geweest. Wanneer in het verleden het idee bestond dat de rijksten ongevoelig waren voor de benarde toestand waarin de massa verkeerde, en al helemaal wanneer ze een slaatje uit die toestand leken te slaan (of daar alleen maar van verdacht werden), zorgde dat voor maatschappelijke onrust, die ontaardde in rellen, opstanden en geweldpleging jegens rijken. Aangezien geschiedenis de onaangename hebbelijkheid heeft zich te herhalen, zouden we er goed aan doen de huidige ontwikkelingen, inclusief het onvermogen van wetgevers om de belasting voor rijken te verhogen, vanuit een langetermijnperspectief te bezien.

    Zondaars

    Laten we beginnen met de overweging dat westerse samenlevingen altijd moeite hebben gehad met de aanwezigheid van zeer rijke, of zelfs supperrijke individuen. Middeleeuwse theologen beschouwden rijke mensen als zondaars en vonden dat het vergaren van grote sommen geld ontmoedigd moest worden. Op zijn minst werd van de rijken verwacht dat ze het niet al te breed lieten hangen en dat ze omwille van hun zielenheil met gulle hand aan goede doelen schonken.

    Maar toen nieuwe ontwikkelingen op het gebied van handel en geldwezen mensen in staat stelden vermogens van nooit eerder vertoonde omvang op te bouwen, kon de aanwezigheid van extreem rijke individuen binnen de gemeenschap niet langer als een anomalie worden afgedaan. Vanaf de vijftiende eeuw werd, om te beginnen in de economisch meest ontwikkelde gebieden van Europa zoals Midden- en Noord-Italië, aan rijke mensen een specifieke sociale rol toebedeeld, namelijk die van particuliere geldbron waarop de gemeenschap in tijden van nood een beroep kon doen.

    Niemand bracht dit beter onder woorden dan de Toscaanse humanist Poggio Bracciolini. In zijn in 1428 voltooide traktaat ‘De avaricia’ (‘Over hebzucht’) betoogde hij dat ‘steden die er traditiegetrouw openbare graanschuren op nahouden bij wijze van voedselreserve ook in ruime mate dienen te beschikken over inhalige lieden, teneinde een soort particuliere geldschuur te vormen die eenieder van dienst kan zijn’.

    Er is historisch bewijs te over dat overal in de westerse wereld de rijken zich eeuwenlang op de meest uiteenlopende manieren van hun taak als geldschuur hebben gekweten, bijvoorbeeld door akkoord te gaan met het betalen van extra belasting in tijden van crisis of het verstrekken van leningen aan regeringen. In de vroegmoderne tijd ging het daarbij vaak om wettelijk afgedwongen leningen aan overheden, al moeten we ervoor waken deze als louter arbitrair machtsmiddel te beschouwen omdat ze niet waren voorbehouden aan absolute monarchieën maar ook, met name in oorlogstijd, werden afgedwongen door republikeinse regeringen zoals de Venetiaanse. Sterker nog, de rijke kooplieden die de belangrijkste ‘slachtoffers’ van gedwongen leningen waren, waren ook de bestuurders van patricische republieken die begrepen dat ze met particuliere middelen bijdroegen aan het algemeen nut. Zo legde de Republiek Venetië niet alleen na de verschrikkelijke plaag van 1630 gedwongen leningen op aan haar rijkste inwoners, maar werd er ook een beroep op hen gedaan om in de periode 1645-1669 een uitputtende oorlog met het Ottomaanse Rijk te financieren – al leverden vrijwillige leningen van haar patricische onderdanen de republiek een veel groter bedrag op.

    Dit verschilt al met al weinig van het patriottisme waarmee veel rijken tijdens de wereldoorlogen inschreven op noodleningen, zoals de Liberty Bonds die de Verenigde Staten in de jaren 1917-1918 uitgaven om de geallieerde oorlogsinspanningen te financieren. Deze leningen bleken een slechte investering, aangezien de reële rente vanwege hyperinflatie geneigd was negatief uit te vallen. Maar in de twintigste eeuw was de grens tussen vrije keuze en verplichting even vaag als in de zeventiende, aangezien regeringen elke kans aangrepen om de sociale druk op rijken die niet over de brug kwamen op te voeren. Soms gingen ze nog verder: in 1917 dreigde de Britse minister van Financiën expliciet met het confisqueren van bedrijfsmiddelen als er niet een bepaald minimumbedrag zou worden opgehaald voor een nieuwe ‘vrijwillige’ oorlogslening.

    De rijksten nemen niet langer de sociale rol op zich die ze eeuwenlang hebben vervuld

    Echt nieuw aan de manier waarop de rijken in de twintigste eeuw hun bijdrage aan de oorlogsinspanning moesten opvoeren was de uitbreiding van het progressieve belastingstelsel, waarbij de schijf voor de hoogste inkomens aanzienlijk werd opgehoogd (het historische maximum in de Verenigde Staten werd bereikt in de jaren 1944 en 1945, met een percentage van 94 procent voor inkomens boven de 200.000 dollar). Ook de onroerendezaak- en erfbelasting gingen drastisch omhoog. Historisch gezien vormen oorlogen natuurlijk de beste motivatie om burgers om een hogere bijdrage te vragen, of het nu in de vorm van bloed is of van geld. Maar in de twintigste eeuw werd van de rijken ook tijdens economische crises in vredestijd, met name de Grote Depressie van de jaren dertig, verwacht dat ze aanzienlijk meer bijdroegen aan de rijksbegroting dan de rest van de bevolking. Een expliciet voorbeeld is het belastingpakket dat in de Verenigde Staten werd ingevoerd als onderdeel van Franklin Roosevelts New Deal.

    De afgelopen vijftien jaar hebben we de Grote Recessie meegemaakt, die in sommige landen eveneens tot een staatsschuldencrisis leidde, gevolgd door de ergste pandemie sinds een eeuw, een aanhoudende oorlog in Oekraïne en de dreiging van een grootschalig conflict in het Midden-Oosten. Historisch gezien zou je verwachten dat er in deze periode opnieuw bij de rijken op aan was gedrongen dat ze hun traditionele rol zouden vervullen, en in veel westerse landen hebben politici dan ook voorstellen in die richting gedaan.

    Maar tot dusver hebben de discussies nog niet tot concrete actie geleid en recente belastinghervormingen lijken weinig te hebben geholpen om de rijken meer te laten bijdragen. Uit recente gegevens over de belastinghervormingen door Europese landen in het kielzog van de coronapandemie blijkt dat de hoogste schijven van de inkomstenbelasting of, voor zover die bestaat, de vermogensbelasting maar zelden zijn verhoogd, of hooguit in bescheiden mate. In de Verenigde Staten zijn voorstellen van de regering-Biden om de belasting voor de allerrijksten te verhogen, zoals een minimaal inkomstenbelastingtarief voor miljardairs, herhaaldelijk gesneuveld door gebrek aan voldoende politieke steun.

    Dit is verontrustend. Het betekent dat de rijksten dus niet langer de sociale rol op zich nemen die ze eeuwenlang hebben vervuld. Bovendien wordt hierdoor hun positie in de maatschappij enigszins onduidelijk.

    Ook moeten we ons afvragen of de uitzonderlijke veerkracht die de rijken bij recente crises aan de dag hebben gelegd de maatschappij als geheel niet minder veerkrachtig heeft gemaakt; want als de rijken hun vermogen tegen crises beschermen, betekent dat ook dat ze het tegen extra belastingen beschermen, waardoor overheden over onvoldoende middelen beschikken om de nood van de armere lagen van de bevolking, economisch of anderszins, te lenigen. Tot op zekere hoogte hebben regeringen dit gecompenseerd door de staatsschuld te verhogen, wat de vraag oproept wie die zal aflossen. Als je bedenkt dat veel westerse belastingsystemen hun rijken niet in dezelfde mate belasten als voorheen, is het waarschijnlijk dat de mate waarin de rijken zullen opdraaien voor de rekening van de covid-19-crisis extreem veel lager zal zijn dan die gedurende eerdere crises.

    Geschonden

    Hoe is zoiets mogelijk als de meerderheid van de inwoners van westerse landen (inclusief een deel van de rijken, zoals blijkt uit de In Tax We Trust-campagne) het erover eens is dat het doodnormaal is en volledig in lijn met de geschiedenis om in deze uitzonderlijke tijden een grotere bijdrage van de allerrijksten te vragen? Een andere culturele constante in de geschiedenis van het Westen is de wijdverbreide verdenking dat als de rijkste componenten van de samenleving rechtstreeks bij de politiek worden betrokken, ze buitensporig veel invloed kunnen uitoefenen op het politieke debat. Hier was men zich bijvoorbeeld goed bewust van in de middeleeuwen, toen in Europa veel republikeinse stadsbesturen probeerden te voorkomen dat de rijkste families toegang kregen tot de hoogste openbare ambten. En ook in de moderne tijd duikt die verdenking weer regelmatig op: denk aan de discussie over de toenemende concentratie van economische en financiële macht in de Verenigde Staten gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw, die bij beide politieke partijen leidde tot de vrees dat enkele superrijke individuen een doorslaggevende stem in de nationale politiek zouden kunnen krijgen.

    Maar vandaag de dag wordt de politieke betrokkenheid van de allerrijksten in veel westerse landen voor lief genomen. In sommige gevallen zijn superrijken zelfs president of premier geworden: een vroeg voorbeeld was Silvio Berlusconi, die in 1994 voor het eerst tot premier van Italië werd verkozen. Misschien zijn de recente pogingen om de rijken meer te laten bijdragen tijdens crises wel zo uitzonderlijk onsuccesvol geweest doordat de rijken zo uitzonderlijk goed in staat zijn om het beleid te beïnvloeden. Bovendien, zo zullen de superrijken als eersten bevestigen, betalen ze in absolute zin al meer belasting dan wie dan ook, een argument dat regelrecht uit de mond van een zeventiende-eeuwse Venetiaanse patriciër had kunnen komen, ware het niet dat de patriciër zich niet genoodzaakt zou hebben gevoeld een rechtvaardiging voor zijn bevoorrechte fiscale behandeling te verschaffen.

    Als de rijken actief hebben geprobeerd een hogere fiscale bijdrage te ontlopen, dan hebben ze zichzelf (en iedereen) daarmee misschien wel in de vingers gesneden. In veel westerse landen is het electorale succes van partijen die duidelijk tegen de gevestigde orde en de rijken zijn gekant vermoedelijk het gevolg van een wijdverbreide afkeer van een economische (en politieke) elite die als egocentrisch en opportunistisch wordt beschouwd. Dat de rijken een eeuwenoud sociaal contract hebben geschonden door de deuren van hun geldschuren dicht te houden, zal daarbij naar alle waarschijnlijkheid een rol spelen.

    Guido Alfani is hoogleraar economische geschiedenis aan de Bocconi-universiteit in Milaan.

  • ‘Een uitgebreide BRICS zal weinig voor elkaar boksen’

    ‘Een uitgebreide BRICS zal weinig voor elkaar boksen’

    Nu de BRICS-groep (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) nieuwe leden accepteert, is het de vraag wat de gevolgen hiervan zullen zijn. Econoom Jim O’Neill betuigt dat de invloed van BRICS zal afhangen van de effectiviteit, niet van de samenstelling of omvang.

    Toen ik in 2001 de afkorting BRIC bedacht, wilde ik daarmee alleen duidelijk maken dat de internationale politiek meer rekening moest gaan houden met de grootste economieën in opkomst. Brazilië, Rusland, India en China stonden niet alleen bovenaan dat lijstje, maar vertegenwoordigden samen bovendien bijna de helft van de wereldbevolking. Het was niet meer dan logisch dat ze een navenante stem zouden krijgen in de internationale politiek.

    In de afgelopen twintig jaar is mijn oorspronkelijke artikel door sommigen onterecht opgevat als een investeringsadvies, en door anderen als een steunbetuiging aan het politieke blok van de BRICS (sinds 2010 uitgebreid met de S van Zuid-Afrika). Maar dat is nooit mijn bedoeling geweest. Integendeel, al vanaf het moment dat de ministers van Buitenlandse Zaken van Brazilië en Rusland in 2009 met het idee kwamen de BRIC als groep te formaliseren, had ik mijn bedenkingen bij het doel van die organisatie, die mij niet meer lijkt dan een symbolische geste.

    Nu de toetreding is aangekondigd van zes nieuwe BRICS-landen (Argentinië, Egypte, Ethiopië, Iran, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten) heb ik diezelfde twijfels. Deze uitbreiding lijkt immers niet echt op objectieve, laat staan economische gronden te berusten. Waarom werd Indonesië bijvoorbeeld niet gevraagd? Waarom Argentinië wel en Mexico niet, waarom Ethiopië wel en Nigeria niet?

    Missie

    De symbolische macht van de BRICS zal duidelijk groeien. De groep appelleert aan de in het mondiale zuiden breed gedeelde gedachte dat internationale bestuursinstellingen te westers zijn. BRICS weet zich af en toe op te werpen als de stem van landen in opkomst en in ontwikkeling – een categorie waar de VS en andere geavanceerde economieën natuurlijk niet in vallen. Die missie is in zoverre geslaagd te noemen dat iedereen nu weer beseft dat de organisatie van internationale instellingen geen goede afspiegeling biedt van de mondiale economische verschuivingen in de afgelopen dertig jaar.

    Uitgedrukt in koopkrachtpariteit zijn BRICS-landen inderdaad iets groter dan de G7. Maar omdat de wisselkoersen van hun valuta veel lager liggen, blijven ze gemeten in dollars als geheel toch beduidend kleiner dan de meer geavanceerde economieën. 

    Het klopt ook dat China stevig bovenaan staat als de op een na grootste economie ter wereld. China’s nominale bbp is ruim drie keer zo groot als dat van Japan of Duitsland, en bedraagt al bijna driekwart dat van de VS. Ondertussen maakt India een snelle groei door en wil dat land in 2030 de op twee na grootste economie zijn. Maar geen van de andere Brics-landen presteert bij lange na zo goed als deze twee. Het aandeel van Brazilië en Rusland in het mondiale bbp is nog ongeveer net zo groot als in 2001 en Zuid-Afrika heeft niet eens de grootste economie van Afrika (waar het voorbijgestreefd is door Nigeria).

    Voor sommige G7-landen geldt natuurlijk hetzelfde. Italië en Japan vertonen al jaren bijna geen groei meer en ook het Verenigd Koninkrijk heeft het moeilijk. Zoals China de BRICS domineert omdat het tweemaal zo groot is als de andere leden samen, zo zijn de VS nu ook groter dan de hele rest van de G7 bij elkaar. Amerika en China domineren hun respectievelijke clubs nog meer dan in het verleden. Daarom lijkt het erop dat de G7 noch de BRICS (met of zonder uitbreiding) een oplossing kan zijn voor de uitdagingen waar de wereld voor staat. Geen van beiden kunnen veel bereiken zonder directe en gelijkwaardige medewerking van de ander.

    Nieuw leven

    Wat de wereld echt nodig heeft, is dat de G20 nieuw leven wordt ingeblazen. Al deze hoofdrolspelers zijn daar al lid van, plus nog een paar andere, en het is nog steeds het beste forum voor de aanpak van mondiale kwesties zoals economische groei, internationale handel, klimaatverandering, de preventie van pandemieën enzovoort. Het zal niet makkelijk zijn, maar het is nog steeds mogelijk om de eensgezindheid van de jaren 2008-2010 te doen herleven, toen de G20 de internationale reactie op de wereldwijde financiële crisis coördineerde. Op enig moment zullen de VS en China hun meningsverschillen moeten bijleggen en de G20 weer een kans geven haar centrale rol te spelen.

    Daarnaast zou de BRICS in de marge effectiever kunnen zijn als haar belangrijkste leden er serieus werk van zouden maken om gezamenlijke doelen na te streven. Maar China en India zijn het zelden ergens over eens, en gezien hun huidige verstandhouding zal geen van beiden staan te juichen als het andere land meer invloed krijgt in belangrijke internationale instellingen (tenzij de eigen invloed evenredig groeit). Toch zouden ze hun grensgeschillen kunnen oplossen en nauwer gaan samenwerken. Dat zou niet alleen goed zijn voor beide landen, maar voor de wereldhandel, de wereldwijde economische groei en de slagkracht van de BRICS. China en India zouden op heel veel vlakken kunnen samenwerken en daarin navolging krijgen van andere BRICS-landen en tal van andere landen in het mondiale Zuiden.

    Een grote belemmering daarvoor is de dominantie van de Amerikaanse dollar. Het is niet bepaald gezond dat de wereld zo afhankelijk is van de dollar en daarmee ook van het monetaire beleid van de Amerikaanse centrale bank. De invoering van de euro had de dollar minder dominant kunnen maken, als de lidstaten van de eurozone hun financiële instrumenten van voldoende slagkracht en liquiditeit hadden voorzien om de euro aantrekkelijk te maken voor de rest van de wereld. Datzelfde geldt voor BRICS: als die landen, en dan met name China en India, grote financiële hervormingen zouden doorvoeren met dat oogmerk, zouden hun valuta ongetwijfeld breder gebruikt worden. Maar als het blijft bij klagen over de dollar en vrijblijvend getheoretiseer over een gezamenlijke BRICS-munt, zullen ze weinig voor elkaar boksen.

    Jim O’neill werkte van 1997 tot 2013 voor Goldman Sachs en heeft in 2001 de BRICS-term bedacht.

  • Invloedrijke cryptomiljardair en oprichter van Binance treedt af

    Invloedrijke cryptomiljardair en oprichter van Binance treedt af

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël keurt akkoord met Hamas over vrijlating gijzelaars goed

    » Noord-Korea lanceert militaire spionagesatelliet, mogelijk met Russische hulp

    Zhao heeft een schikking getroffen omtrent een witwaszaak

    Changpeng Zhao, het hoofd van cryptoplatform Binance, is dinsdag afgetreden en heeft schuldig gepleit aan witwassen als onderdeel van een schikking van 4,3 miljard dollar. Dat meldt The Wall Street Journal. Het zou gaan om een van de grootste boetes voor een bedrijf in de Amerikaanse geschiedenis en een nieuwe klap voor de cryptoindustrie, na de recente veroordeling van FTX-oprichter Sam Bankman-Fried.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Volgens enkele experts is het akkoord echter een goede uitkomst was voor Zhao, omdat zijn eigen vermogen intact blijft en hij zijn aandeel in Binance, de cryptobeurs die hij in 2017 oprichtte, kan behouden. Mogelijk moet hij echter wel anderhalf jaar de gevangenis in. Binance overtrad de Amerikaanse antiwitwas- en sanctiewetten en verzuimde om meer dan honderdduizend verdachte transacties te melden met organisaties als Hamas, Al-Qaida en Islamitische Staat.

    De beurs rapporteerde daarnaast nooit transacties met websites die zich bezighielden met de verkoop van kinderpornomateriaal en was een van de grootste ontvangers van ransomwareopbrengsten, zeiden aanklagers. ‘Binance maakte het criminelen gemakkelijk om gestolen geld en illegale opbrengsten te verplaatsen via hun beurs,’ zei de Amerikaanse minister van Justitie Merrick Garland dinsdag.

    Lees ook:

  • De eeuwenoude vraag: hoe betaalt een land een oorlog?

    De eeuwenoude vraag: hoe betaalt een land een oorlog?

    Vanwege de oorlog in Oekraïne verhogen meerdere regeringen hun defensie-uitgaven. Maar waar moet al dat geld vandaan komen? ‘Er zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.’

    Volgend jaar april zullen de Denen voor het eerst in drie eeuwen moeten werken op de Grote Gebedsdag, aangezien de regering deze vrije dag heeft afgeschaft, deels om de extra defensie-uitgaven te bekostigen. Het besluit van afgelopen maart stuitte op grote weerstand onder de bevolking: volgens een peiling was 70 procent van de Denen tegen. Economen daarentegen hebben Kopenhagen geprezen omdat het met een oplossing komt voor zijn hogere defensiekosten, in tegenstelling tot veel andere regeringen. ‘Niemand wil meer belasting betalen. Maar tegelijkertijd wil iedereen een betere defensie en goede gezondheidszorg,’ zegt John Llewellyn, voormalig hoofd economische voorspellingen van de OESO. ‘Op een gegeven moment wordt de kwestie de politieke arena in geduwd omdat niemand weet waar het geld vandaan moet komen.’

    Japan, bezorgd over een steeds assertiever China en het risico van oorlog in de Indo-Pacific-regio, heeft nog niet gespecificeerd hoe het tegen 2027 zijn defensiebegroting met twee derde verhoogd denkt te kunnen hebben. Het VK wil, onder invloed van de Russische inval in Oekraïne, zijn militaire uitgaven uiteindelijk laten oplopen tot 2,5 procent van het bnp, maar alleen als ‘de fiscale en economische omstandigheden dat toelaten’. Duitsland, geschrokken van de Russische agressie, wil zijn defensie-uitgaven eveneens verhogen, maar niet ten koste van een officiële vrije dag. Frankrijk heeft nog niet toegelicht waar het geld vandaan moet komen voor de geplande verhoging van zijn militaire begroting met 40 procent de komende vijf jaar. Hetzelfde geldt voor Polen, dat zijn uitgaven bijna wil verdubbelen tot 4 procent van het bnp.

    Zenuw

    De vraag hoe oorlogen gefinancierd moeten worden is even oud als het fenomeen oorlog zelf. De Romeinse staatsman Cicero noemde ‘geld de zenuw van de oorlog’. In 1694 werd de Bank of England opgericht om William III te helpen zijn oorlog met Frankrijk te financieren. Vandaag de dag lijken zelfs in een steeds chaotischer wereld de uitgaven beperkter als gevolg van de stijgende rentepercentages en de hoge staatsschulden.

    Europa zit midden in het grootste gewapende conflict sinds 1945. De geopolitieke spanningen tussen China en Taiwan lopen op. Iran zal wellicht weldra in staat zijn een kernwapen te produceren. Bovendien kunnen ook wereldwijde problemen als klimaatverandering en migratie overheden ertoe dwingen veel geld uit te geven.

    Het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm (SIPRI) heeft berekend dat de defensie-uitgaven vorig jaar wereldwijd zijn gestegen tot een recordbedrag van 2,24 triljoen dollar. Die trend zal zich dit jaar voortzetten, ook al zijn overheden meer geld kwijt aan leningen vanwege de stijgende rente.

    Economen als Lawrence Summers, voormalig minister van Financiën van de VS, en Olivier Blanchard, voormalig hoofdeconoom bij het IMF, hebben erop gewezen dat hogere defensie-uitgaven de rentepercentages zelfs nog verder kunnen opjagen.

    ‘Eén scenario is dat landen die in 2022 al meer aan defensie hebben uitgegeven dat zullen blijven doen, terwijl landen die dat voor 2023 hebben aangekondigd daar nu werkelijk mee beginnen,’ zegt Diego Lopes Da Silva, hoofdonderzoeker bij de afdeling militaire uitgaven en wapenproductie van SIPRI.

    In de vijf landen met de hoogste defensie-uitgaven ter wereld gaat het om duizelingwekkende bedragen. In de VS hebben politici een incidentele verhoging van het schuldenplafond mogelijk gemaakt om de defensie-uitgaven in 2024 met 3 procent te kunnen verhogen tot 886 miljard dollar. De defensiebegroting van China, die SIPRI op 292 miljard dollar schat, zal dit jaar voor het negenentwintigste achtereenvolgende jaar worden verhoogd. Rusland, dat vorig jaar naar schatting 86 miljard dollar aan defensie uitgaf, heeft inmiddels verklaard dat er geen ‘financieringsbeperkingen’ zullen gelden voor zijn oorlog tegen Oekraïne, ook al blijft het precieze bedrag geheim. India wil zijn defensiebegroting het komende jaar met 13 procent verhogen tot 73 miljard dollar, terwijl Saoedi-Arabië, uit vrees voor een nucleair Iran, nu 7,5 procent van zijn bnp aan defensie besteedt, na Oekraïne het hoogste percentage.

    Oorlogen gaan dikwijls gepaard met hogere inflatie en beperking van rentepercentages

    Binnen de NAVO hebben maar 7 van de 31 lidstaten vorig jaar de beoogde norm van 2 procent van het bnp gehaald. Zouden ze dat allemaal doen, dan zouden de totale defensie-uitgaven met meer dan 150 miljard dollar per jaar stijgen, volgens onderzoek van Financial Times.

    Hoewel oorlog tot de ‘duurste en minst productieve menselijke activiteiten’ behoort, zegt James Grant, financieel historicus en hoofdredacteur van Grant’s Interest Rate Observer in New York, ‘kan de boel ook in vredestijd flink uit de hand (…) lopen. Als dat gebeurt, nemen de uitgaven en het bijdrukken van geld vaak hand over hand toe.’

    Over het algemeen worden ‘korte, hete oorlogen’ die een plotselinge verhoging van uitgaven vereisen gefinancierd met extra leningen, terwijl ‘korte, koude oorlogen’, die langdurige defensie-uitgaven vereisen, via belastingen worden betaald.

    De napoleontische oorlogen en de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden grotendeels gefinancierd met geleend geld. Maar tijdens de lange decennia van de Koude Oorlog financierde het Westen zijn defensie-uitgaven met belastingverhogingen. In de kwarteeuw die voorafging aan de val van de Berlijnse muur stegen de belastinginkomsten van de OESO-landen gemiddeld van 25 procent van het bnp naar meer dan 32 procent, terwijl de staatsschuld over het algemeen daalde.

    Inflatie

    ‘Voor korte oorlogen kunnen regeringen de kosten dekken met leningen,’ zegt James Macdonald, auteur van A Free Nation Deep in Debt, dat over de geschiedenis van openbare financiën en oorlogen handelt. ‘Maar als het gaat om een langdurige oorlog, moet je andere methodes gebruiken naarmate die langer duurt, zoals belastingheffing.’

    Oorlogen gaan ook dikwijls gepaard met hogere inflatie en beperking van rentepercentages. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stegen de Amerikaanse groothandelsprijzen gemiddeld met 8,2 procent, terwijl de rente op langjarige leningen werd beperkt tot 2,5 procent, een gat dat Washington hielp de waarde van Amerikaanse staatsobligaties door inflatie te laten wegsmelten.

    ‘Alle oorlogen worden over het algemeen geassocieerd met enige inflatie. Politici houden er niet van belastingen te verhogen [om oorlogen te financieren], en inflatie is verborgen belasting,’ zegt Richard Sylla, coauteur van A History of Interest Rates.

    Economen verwachten dat aanhoudend hoge defensie-uitgaven, die in de OESO-landen na de val van de Berlijnse muur met een derde waren gedaald, een mengeling van hogere belastingen en bezuinigingen elders vereisen. ‘Om de politiek kun je niet heen,’ zegt Llewellyn. ‘Samenlevingen worden met een aantal ingewikkelde problemen geconfronteerd en er zullen moeilijke keuzes moeten worden gemaakt.’

  • General Motors en Stellantis komen tot akkoord over verbetering salaris

    General Motors en Stellantis komen tot akkoord over verbetering salaris

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Hooggerechtshof van Venezuela mengt zich in voorverkiezingen oppositie

    » Twee parlementsleden in VK ontslagen vanwege steun aan Palestina

    Werknemers van ‘De Grote Drie’ uit Detroit staakten wekenlang

    Stellantis, General Motors en onderhandelaars van de lokale vakbonden zijn maandag tot een voorlopig akkoord gekomen over het verhogen van de salarissen, zo maakten de vakbond en het autofabrikanten maandag bekend. Een staking bij Amerika’s grootste autofabrikanten was enkele dagen eerder uitgebreid. Volgens Bloomberg moet er nog gestemd worden over het akkoord door de vakbonden, maar lijkt een verdere staking hiermee van de baan.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De volledige details van de overeenkomst zijn niet bekend, maar het zou gaan om een onmiddellijke salarisverhoging van 11 procent, extra loonsverhogingen van in totaal nog eens 14 procent in de jaren erop en loonindexering. Tijdelijke werknemers zouden na een paar maanden vaste, voltijdse werknemers worden. Er zouden ook betere pensioenuitkeringen komen voor oudere werknemers die een traditioneel pensioenplan hebben.

    De vakbond ging op 15 september, bijna zeven weken geleden, in staking tegen de drie autofabrikanten, waardoor dit de langste Amerikaanse autostaking in 25 jaar is. De staking vond plaats in de traditionele auto-industriestad Detroit, waar de drie automerken bekend staan als ‘De Grote Drie’. Ook president Joe Biden kwam langs om de stakers een hart onder de riem te steken.

    Lees ook:

  • Chauffeurs, privékoks en grote sommen geld voor Russische oligarchen

    Chauffeurs, privékoks en grote sommen geld voor Russische oligarchen

    Het sanctieprogramma dat het Verenigd Koninkrijk Russische oligarchen heeft opgelegd vanwege de oorlog in Oekraïne, blijkt allesbehalve waterdicht te zijn. Sommige oligarchen ontvingen ontheffingen, waardoor ze ondanks een bevroren rekening grote bedragen geld konden besteden.

    Uit documenten blijkt dat de Britse regering Russische oligarchen heeft toegestaan honderdduizenden dollars te besteden aan extraatjes als privékoks, chauffeurs en huishoudsters, ook al waren hun bankrekeningen met veel vertoon bevroren.

    De ontheffingen zijn een voorbeeld van wat er hapert aan het nieuwe financiële sanctiesysteem van het Verenigd Koninkrijk, dat na Brexit in elkaar is gesleuteld. In sommige gevallen konden oligarchen toelagen van meer dan een miljoen dollar opstrijken voor hun levensonderhoud. In andere moesten functionarissen na juridische strijd hun strafrechtelijk onderzoek staken en sancties opheffen.

    ‘We zullen de druk op Poetin blijven opvoeren en zorgen dat er geen geld naar de Russische oorlogsmachine gaat,’ zei de Britse minister van Buitenlandse Zaken vorig jaar toen ze in de eerste weken van de oorlog in Oekraïne sancties tegen Rusland aankondigde.

    Privékoks

    In de maanden die volgden was Groot-Brittannië stiekem toeschietelijker. De Russische banktycoon Mikhail Fridman kreeg in het eerste jaar van de oorlog een ontheffing van de sancties om negentien personeelsleden te kunnen betalen, onder wie chauffeurs, privékoks, huishoudsters en klusjesmannen, zo blijkt uit documenten die The New York Times heeft ingezien. Het ging om een bedrag van bijna driehonderdduizend pond in ongeveer tien maanden. Ook ontving Fridman zo’n zevenduizend pond per maand voor de basisbehoeften van zijn gezin.

    Overheidsfunctionarissen gunden zijn voormalige zakenpartner Petr Aven een maandelijkse toelage van zestigduizend pond. Het grootste deel daarvan ging naar een beveiligingsbedrijf dat eigendom is van de financieel manager van Aven, tegen wie een onderzoek loopt omdat hij Aven mogelijkerwijs heeft geholpen om sancties te ontduiken. Onduidelijk is wat voor controles de overheid heeft uitgevoerd voordat de transacties werden goedgekeurd.

    Fridman ontving zo’n zevenduizend pond per maand voor de basisbehoeften van zijn gezin

    Fridman en Aven worden door de Britse overheid omschreven als ‘Kremlingezinde oligarchen’ die nauwe banden onderhouden met de Russische president Vladimir Poetin, een beschuldiging die beiden ontkennen en aanvechten voor de rechter. ‘Wij zijn politiek neutrale zakenlieden. Meer niet,’ verklaarde Aven telefonisch vanuit de Hamptons in de staat New York.

    De voormalige zakenpartners behoren tot een kleine groep Russen aan wie na het begin van de oorlog publiekelijk sancties werden opgelegd die vervolgens heimelijk weer werden afgezwakt. Het Britse ministerie van Financiën verleende vorig jaar 82 ontheffingen en er lopen nog veel meer aanvragen, aldus overheidsfunctionarissen met wie The New York Times heeft gesproken.

    Ontheffingen

    Opsporingsambtenaren die zich bezighouden met mogelijke criminele inbreuk op de financiële zwarte lijst raken soms gefrustreerd door deze beslissingen en door een ontheffingssysteem dat in hun ogen de sancties ondermijnt. Zo stonden ambtenaren van Financiën Aven toe meer dan een miljoen pond uit te geven terwijl zijn banden met de Britse economie technisch gesproken verbroken waren. Tegelijkertijd deden opsporingsambtenaren onderzoek naar hem vanwege mogelijke ontduiking van de sancties en vielen ze vorig jaar zijn landhuis binnen. 

    Sommigen die details over de ontheffingen verschaften deden dat op voorwaarde van anonimiteit omdat het vertrouwelijke zaken betreft. Een woordvoerder van het Britse ministerie van Financiën weigerde commentaar op specifieke gevallen te geven maar zei dat er ontheffingen worden verleend om in ‘basisbehoeften’ te kunnen voorzien en dat die ‘streng gecontroleerd’ worden. Een woordvoerder van de National Crime Agency, de Britse criminele opsporingsdienst, noemde het ongepast om commentaar te leveren omdat het onderzoek naar Aven en Fridman nog loopt.

    Overal op de wereld worden ontheffingen van het sanctiesysteem verleend

    Overal op de wereld worden ontheffingen van het sanctiesysteem verleend, ook in de Verenigde Staten. Maar waar Washington voornamelijk ontheffingen verleent om humanitaire redenen of om eerste levensbehoeften en juridische kosten te betalen, zijn de Britse criteria ruimer. Een van de overwegingen, aldus advocaten en voormalige ambtenaren van het Britse ministerie van Financiën, is of een ontheffing ervoor zorgt dat er geld in de economie blijft stromen. Volgens een recent overheidsrapport worden er in het VK ontheffingen verleend ter bescherming van individuele en nationale zakelijke belangen.

    De Russische sancties waren de eerste belangrijke test voor een nieuw Brits sanctiesysteem dat in 2021 was opgezet na het vertrek uit de Europese Unie. Meer dan een jaar later blijkt de regering zich maar moeilijk aan haar ambitieuze beloften te kunnen houden.

    Waar politici te veel beloofden, hebben financieel onderzoekers soms te hard ingegrepen. De Britse criminele opsporingsdienst viel vorig jaar met zo’n vijftig man het landhuis van Fridman binnen en kondigde een onderzoek aan naar fraude, meineed en witwassen. 

    Lastercampagne

    Vorige week werd de Britse regering na een juridisch gevecht gedwongen de Russische zakenman Oleg Tinkov van de zwarte sanctielijst te halen. Tinkov betoogde dat hij daar ten onrechte op stond. Hij steekt zijn kritiek op Poetin niet onder stoelen of banken en heeft afstand gedaan van zijn Russische staatsburgerschap.

    Fridmans advocaten verklaarden op 27 juli voor een van de hoogste Britse rechters dat het huiszoekingsbevel onwettig was. Er stond een onjuiste datum op en het berustte op foutieve informatie die afkomstig was van een lastercampagne, betoogden ze. Ook diverse andere Russische tycoons zullen de komende weken naar de rechter stappen om te betogen dat ze net als Tinkov alleen maar een onterecht doelwit zijn vanwege hun Russische nationaliteit. De Britse regering moet nog een zes maanden geleden aangevraagde ontheffing goedkeuren die Fridman in staat zal stellen de advocaten te betalen die hem in deze zaken bijstaan. Ook zal Fridman naar verwachting in een latere zaak betogen dat hij het recht heeft om zijn huishoudelijke staf aan te houden waarvoor de regering hem gedurende de eerste tien maanden van de oorlog een ontheffing had verleend. Net als in het geval van Aden viel de opsporingsdienst Fridmans landhuis binnen op verdenking van witwassen. Daarna wees de regering Fridmans verzoek om zijn personeel te mogen aanhouden af.

    Groot-Brittannië is decennia lang een veilige haven geweest voor Russische rijken

    De ontheffingscijfers laten zien hoe moeilijk het voor de Britse regering is om samen met de Verenigde Staten en Europa de tegoeden van Kremlingezinde oligarchen te bevriezen. Groot-Brittannië is decennia lang een veilige haven geweest voor Russische rijken. Organisatie Transparency International schat dat Russen die van financiële vergrijpen worden beschuldigd of banden hebben met het Kremlin goed zijn voor meer dan anderhalf miljard pond aan Britse bezittingen.

    Sancties tegen deze Russen zouden een boodschap aan Moskou zijn, maar ze zijn ook schadelijk voor de Britse economie. Advocatenkantoren, accountants, makelaars, kunsthandelaars en vele anderen hebben flink geprofiteerd van het Russische geld dat naar een hoofdstad vloeide die grappenderwijs al Londongrad wordt genoemd. Dus terwijl Groot-Brittannië het einde van het Londongradtijdperk vrijwel heeft aangekondigd, zoeken oligarchen naar manieren om zaken in het land te kunnen blijven doen. ‘Hieruit blijkt waarom dit land er zo slecht in staagt om smerig Russisch geld te weren,’ zegt William F. Browder, een voormalige grote investeerder in Rusland die een jarenlange mensenrechtencampagne tegen Poetin heeft gevoerd. ‘Overal waar je kijkt lijken er mazen in de wet en de regering verleent oligarchen alle steun om haar eigen sancties te omzeilen.’

    Deze gespannen situatie is niet uniek voor Groot-Brittannië. Ook België heeft bijvoorbeeld gelobbyd om zijn diamantindustrie in staat te stellen aan Russen te blijven verkopen zonder de EU-sancties te schenden.

    Media

    Het Londense dagblad The Telegraph berichtte als eerste gedetailleerd over de ontheffing van Aven en over zijn maandelijkse toelage. Documenten die The New York Times in handen heeft gekregen openbaren nieuwe details in deze zaak, zoals dat meer dan twee derde van Avens maandtoelage, zo’n 45.000 pond, naar een beveiligingsbedrijf ging dat eigendom is van zijn financieel manager Stephen Gater. Ook naar Gater zelf is een onderzoek ingesteld door de Britse criminele opsporingsdienst, die hem ervan verdenkt dat hij Aven heeft geholpen bij het ontduiken van sancties. Geen van beiden is aangeklaagd. De dienst heeft afgelopen lente bankrekeningen bevroren die met Gater in verband konden worden gebracht. Volgens gerechtelijke documenten meende HSBC, waar de rekeningen liepen, dat Aven er de volledige controle over had en dat er niets mis mee was.

    The New York Times heeft als eerste krant uitvoerig bericht over hoe Fridman dankzij de ontheffingen kwistig met geld kon strooien, en ook over het Britse ontheffingsbeleid in het algemeen. De Britse regering is niet ingegaan op ons verzoek om informatie te verschaffen over wie ontheffingen heeft gekregen en voor hoeveel geld en waarom. Labour-parlementariër Stephen Kinnock heeft via het parlement wat gegevens verzameld en die gedeeld met deze krant. Hieruit blijkt dat de Britse regering in het jaar vóór de oorlog in Oekraïne elf aanvragen voor ontheffing van Russische sancties ontving, waarvan er negen zijn ingewilligd. Sinds de oorlog is het aantal aanvragen gestegen tot iets meer dan duizend. Eind vorig jaar waren 82 daarvan ingewilligd en velen wachten dus nog op een beslissing. Hoeveel aanvragen er zijn afgewezen is onduidelijk, dus het goedkeuringspercentage valt niet te berekenen.

    Verenigde Staten

    Vergelijkbare cijfers in de Verenigde Staten waren niet onmiddellijk voorhanden, maar net als in Groot-Brittannië zijn de ontheffingsaanvragen daar vorig jaar de pan uitgerezen, aldus een woordvoerder van Financiën. Volgens hem heeft Washington duizenden aanvragen ontvangen waarvan zo’n zeventien procent is ingewilligd.

    ‘Amerikaanse ontheffingen zijn erg specifiek. Anders dan in het VK verschaffen ze mensen nooit toegang tot grote sommen geld voor algemene behoeften,’ zegt David Slim, die als internationaal advocaat zowel Amerikaanse als Britse sanctiegevallen heeft behandeld. Maar in Groot-Brittannië wonen veel meer Russen die op de zwarte lijst staan dan in de Verenigde Staten, en zij vertegenwoordigen een groter deel van de economie. ‘Het VK heeft er belang bij om inschikkelijker te zijn tegenover mensen die vele miljarden in het land hebben geïnvesteerd,’ zegt Slim.

    Sommige van die mensen, zoals Fridman, zijn boos dat Groot-Brittannië hun miljoenen zo gretig heeft geaccepteerd om hun vervolgens de rug toe te keren. Hij en Aven hebben een van Ruslands grootste privébanken opgericht, Alfa Bank. Het tweetal heeft ongetwijfeld geprofiteerd van de relatie van die bank met de Russische staat. Maar de in Oekraïne geboren Fridman heeft sinds zijn verhuizing naar Groot-Brittannië in 2015 nooit meer in Rusland gewoond.

    ‘Sommigen zijn boos dat Groot-Brittannië hun miljoenen zo gretig heeft geaccepteerd om hun vervolgens de rug toe te keren’

    De Verenigde Staten hebben, anders dan Groot-Brittannië en de Europese Unie, beide mannen geen sancties opgelegd maar alleen Alfa Bank aan lichte restricties onderworpen.

    Vóór 2016 volgde Groot-Brittannië voornamelijk het sanctiebeleid van de Europese Unie. Na Brexit richtte de regering er een speciaal bureau voor op, met een team van zo’n 45 mensen. Door de Russische invasie is de politieke relevantie ervan in een stroomversnelling geraakt en is het team gegroeid tot zo’n honderd mensen.

    Ontheffingen kunnen belastingbetalers geld besparen, want zodra een overheid beslag legt op een bezitting is ze verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. In het geval van jachten en landhuizen kunnen de kosten daarvan dramatisch oplopen, en een ontheffing kan ervoor zorgen dat het doelwit van de sancties voor verplichtingen betaalt die anders aan de staat zouden toevallen.

    Maar dat verklaart nog niet dat er ontheffing wordt verleend voor het aanhouden van chauffeurs en koks.

  • De Amerikaanse belastingdienst eist 28,9 miljard dollar van Microsoft

    De Amerikaanse belastingdienst eist 28,9 miljard dollar van Microsoft

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israël: waarschuwing voor luchtaanval uit Libanon bleek vals alarm

    » Monster van asteroïde Bennu bevat water en koolstof

    Microsoft zou winsten onterecht in het buitenland registreren

    Microsoft heeft een eis voor 28,9 miljard dollar aan achterstallige belastingen ontvangen van de Amerikaanse belastingdienst (IRS). De Amerikaanse belastingdienst is van mening dat de techreus tussen 2004 en 2013 te weinig belasting heeft betaald, zo bericht Financial Times.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘We zijn het er niet mee eens’, zei Microsoft in een beursdocument dat woensdag werd gepubliceerd, ‘en we zullen de conclusies van de belastingdienst krachtig betwisten.’ Het bedrijf, opgericht door Bill Gates, zei dat het in eerste instantie in beroep zou gaan bij de IRS, en dat het op een later tijdstip zelfs juridische stappen zou kunnen ondernemen, mocht dat nodig zijn.

    Volgens Microsoft heeft het geschil betrekking op de verdeling van zijn winsten tussen landen en rechtsgebieden. ‘Microsoft onthulde meer dan tien jaar geleden dat het zijn software produceerde en distribueerde in regionale centra in Singapore, Dublin en Puerto Rico. Op die manier kon het zijn winsten zo spreiden dat de belastingaanslag werd verlaagd’, schrijft de Britse zakenkrant. De IRS betwist deze bewering.

    Lees ook: