Het energieverbruik van dataopslag draagt steeds meer bij aan opwarming van de aarde. Dataopslag in de cloud heeft inmiddels een grotere ecologische voetafdruk dan de wereldwijde luchtvaartindustrie en met een gezamenlijk verbruik van 200 terawattuur per jaar verslinden datacenters meer energie dan sommige natiestaten. De elektriciteit die wordt gebruikt is momenteel verantwoordelijk voor 0,3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot, maar met het gebruik van laptops, smartphones en tablets erbij opgeteld, komt het totaal neer op 2 procent. Dat betreft niet alleen koeling. Om klanten te kunnen garanderen dat data en clouddiensten altijd en overal direct beschikbaar zijn, zijn datacenters namelijk ‘hyperredundant’ ontworpen: als een systeem uitvalt, staat het andere klaar om storing in gebruikerservaringen te voorkomen, schrijft MIT Press Reader.
De grootste en meest geavanceerde ‘hyperscale’ datacenters, zoals die van Google, Facebook en Amazon, proberen hun sites CO2-neutraal te maken via CO2-compensatie en investeringen in hernieuwbare energie, maar kleinere datacenters missen middelen en kapitaal voor vergelijkbare duurzaamheidsinitiatieven.
Plastic is schadelijk voor de gezondheid, het milieu en de mensenrechten – en fungeert als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering. Een geschiedenis van het vermaledijde materiaal.
Dit lijkt me niet echt een goed moment om over plastic te beginnen, denk ik als mijn vader na afloop van het samenzijn na een begrafenis over de vuilnisbak gebogen staat. Hij wenkt me, met een discreet maar dwingend gebaar. Hij heeft een doorzichtige plastic beker uit het vuilnis gehaald, met een geribbelde, rechte wand. ‘Polystyreen,’ grinnikt hij. Hij draait de beker om en kijkt naar de identificatiecode (een 6 in het midden van het recyclinglogo). ‘Maar niet mijn soort.’
Mijn vader heeft in de jaren 1960 een veerkrachtige variëteit van polystyreen ontwikkeld voor Union Carbide, een van de belangrijkste plasticfabrikanten van de twintigste eeuw, inmiddels overgenomen door Dow Chemical Company. En nu staan we in de hal van de parochie en heb ik het gevoel dat hij dit glas elk moment stuk kan knijpen. Alsof hij mijn gedachten kan lezen, verstevigt hij zijn greep. Een beker van dit soort polystyreen versplintert tot een merkwaardige ster van scherven, geschakeerd rond de ronde bodem van de beker – en dat is precies wat hij me wil laten zien.
Geen butadieen, denk ik. ‘Geen butadieen,’ zegt hij. In de productielijnen waarover hij de scepter voerde, werd butadieen toegevoegd om de kunsthars iets rubberachtigs te geven. Butadieen is een van de ruwweg tienduizend bestanddelen die plastics zoals wij ze vandaag de dag kennen, mogelijk hebben gemaakt. Mijn vader gaat op zoek naar een plasticbak, al weet hij ook wel dat deze beker weinig kans maakt op een volgend leven. Dat geldt vooral voor polystyreen, dat in talloze variëteiten op de markt is. Zoals antropoloog Tridibesh Dey opmerkt zijn plastics een chemisch complex allegaartje, meer ontworpen met het oog op gebruik dan op hérgebruik.
Een tweede kans
Mijn vader dacht ooit dat plastics tot in het oneindige hergebruikt zouden kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat hij dacht dat plastic, net als de makers, een tweede kans verdiende. Toen Union Carbide in de jaren zeventig ging inkrimpen, nam mijn vader ontslag en bleef thuis bij de kinderen, totdat hij had bedacht hoe een leven zonder plastic eruit zou kunnen zien. Het antwoord bleek te schuilen in de ambtenarij: mijn vader stond een tijdlang aan het hoofd van het recyclingprogramma in mijn geboortestad. Maar hij heeft nooit zijn dromen kunnen verwezenlijken in de recycling. Van alle plastic die er tijdens zijn leven zijn geproduceerd, is nog geen tien procent op effectieve wijze hergebruikt.
De vraag naar plastic is net zo kunstmatig als plastic zelf
Deze teleurstellende uitkomst wordt – net als zoveel andere aspecten van onze relatie met plastic – vaak geweten aan individuele tekortkomingen. De pijlen worden zelden gericht op de plasticproducenten, of op de geopolitiek waardoor plastic over de hele wereld is verspreid. Maar wie zich verdiept in de geschiedenis van plastics, stuit op een ander verhaal: de vraag naar plastics is net zo kunstmatig als plastic zelf. Dat onze samenleving is vergeven van wegwerpplastic is niet veroorzaakt door de logica van de vraag, maar door de logica van de geschiedenis en geïntegreerde industriële systemen.
De industrie werkt al tientallen jaren aan de illusie dat het alle problemen onder controle heeft, maar ondertussen worden zowel de productie als de promotie steeds meer aangezwengeld. De afgelopen twintig jaar zijn er meer plastics geproduceerd dan in de hele tweede helft van de twintigste eeuw. Recycling is een gebrekkig systeem – en toch wordt het gepresenteerd als wondermiddel. Maar een slimme truc aan het einde van de keten is geen oplossing voor de massale hoeveelheid plastic die wordt geproduceerd, voor de complexe toxiciteit en de erfenis van vervuiling en schade die de industrie al langere tijd aan de menselijke gezondheid en de mensenrechten toebrengt.
Dat geldt natuurlijk allemaal al veel langer, maar nu is het moment daar om het gesprek over plastic ook echt aan te gaan. Naar verwachting zal plastic een zwaar stempel drukken op de eenentwintigste eeuw, als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering.
Materie
Toen mijn vaders voormalige werkgever eind jaren 1920 plastic ging maken, was er niet echt sprake van een gretige afzetmarkt. Maar in zekere zin kon het bedrijf niet anders dan plastic vervaardigen. De nieuw ontwikkelde antivries, Prestone, werd gemaakt van aardgas en leverde een restproduct op, ethyleendichloride, een stof waarvoor geen praktische toepassing was en die dus op het terrein werd opgeslagen. Al snel had men er onvoorstelbare, ‘gênante’ hoeveelheden van opgeslagen, zoals het later werd verwoord in een nieuwsbrief van Carbide. De beste optie was, besloot het bedrijf, om er vinylchloride van te maken, waarvan al in de jaren 1970 werd vastgesteld dat het kankerverwekkend was, maar dat destijds werd gebruikt als bouwsteen voor een schadelijk soort plastics dat nog niet eerder op de markt was gebracht: vinyl.
Dit is geen op zichzelf staan geval, maar eerder een voorbeeld van hoe de productontwikkeling bij chemische stoffen en plastics maar al te vaak verloopt. Voor Carbide en andere petrochemische fabrieken in de twintigste eeuw, vereiste elk nieuw product een reeks opeenvolgende reacties, en elke stap leverde weer een nieuw bijproduct op. Door die bijproducten te ontwikkelen waaieren de productielijnen uit en ontstond er uiteindelijk een bijna fractale structuur van onderling verwante producten. Alles wat het systeem binnenkomt moet ergens blijven, legt Ken Geiser, een beleidsexpert op het gebied van chemische industrie, uit in zijn boek Materials Matter. Materie is materie, het wordt gecreëerd noch vernietigd. En dus moet het worden omgezet: er wordt brandstof van gemaakt, het wordt afgedankt en veroorzaakt vervuiling, of het wordt te gelde gemaakt. Na vele herhalingen van dit proces komt Carbide uit bij Vinylite, dat uiteindelijk bruikbaar wordt gemaakt door de versmelting van twee typen vinyl: polyvinylchloride (pvc) en polyvinylacetaat.
Volgens een intern marketingrapport heeft Carbide jarenlang geprobeerd nieuwe klanten te ‘synthetiseren’ en nieuwe toepassingen te bedenken voor Vinylite, terwijl een kredietafdeling de financiële last verlichtte door het product te adopteren. Uiteindelijk stuurde het bedrijf zelfs technische teams het land in om fabrikanten te leren hoe ze kunsthars moesten gebruiken – allemaal met matig succes. Celluloid, voorheen Bakeliet, en later ook polystyreen, kende vergelijkbare problemen.
Door de Tweede Wereldoorlog kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen
Maar toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Door de oorlogscontracten kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen. Zo hielp de Amerikaanse marine DuPont en Union Carbide om een licentie te krijgen van Britain’s Imperial Chemical Industries, zodat een begin kon worden gemaakt met de vervaardiging van polyethyleen voor de isolatie van draden en kabels (waarmee radar mogelijk werd). Het zogeheten Manhattan Project was de aanzet voor DuPont om het nieuwe gefluorideerde plastic in massaproductie te nemen, en dat zou uiteindelijk Teflon worden. Wat voorheen werd gewogen in grammen werd nu gewogen in tonnen. In de oorlog werden ook de al bestaande kunstharsen volwassen: aan het einde van de oorlog werd tweeëndertig keer zoveel polystyreen geproduceerd als bij het uitbreken van de oorlog.
Maar polystyreen heeft enkele basisingrediënten gemeen met een ander materiaal dat van cruciaal belang bleek voor de moderne, gemechaniseerde oorlogsvoering: styreen-butadieenrubber, ook wel SBR genoemd. Rubber werd gebruikt voor rupsbanden. Vrachtwagenbanden. De zolen van de soldatenkistjes.
Rubber
Het gigantische, Duitse IG Farben had al het zogeheten Buna S-rubber gesynthetiseerd, een versie van SBR op kolenbasis, toen de verstoring van de handel in natuurlijk rubber Amerika dwong om een inhaalslag te maken. Er werd razendsnel een onderzoeks- en ontwikkelingstraject in gang gezet en dat leverde het Amerikaanse alternatief op: GR-S, ofwel Government Rubber-Styrene. Volgens historicus Peter J. T. Morris deed dit traject niet onder voor de wedloop om een atoombom te maken. Om te kunnen beantwoorden aan de vraag naar rubber aan het front werd er styreen geproduceerd op een schaal die ‘haast onvoorstelbaar’ was, zoals valt te lezen in een Dow-reclame uit de jaren 1940 – al helemaal gezien de moeite die het tot dan toe had gekost om styreen te produceren.
Maar er waren ook risico’s verbonden aan styreen. Het kan kanker veroorzaken, net als vinylchloride. Dat gold ook voor het andere belangrijke bestanddeel van synthetisch rubber: butadieen, ook een monomeer die later kankerverwekkend bleek te zijn, en een chemische stof die symbool staat voor de versmelting van twee ooit afzonderlijke domeinen – petroleum en chemicaliën– tot de petrochemische industrie.
Amerika had de keuze tussen twee verschillende manieren om butadieen te maken. Het kon gemaakt worden uit graanalcohol (ethanol) of uit petroleum. De olie-industrie bond de strijd aan met de boeren om overheidscontracten binnen te slepen voor de nieuwe rubbermachine. Het graan hield stand tijdens de oorlog, maar toen de oorlog eenmaal ten einde was, dwarsboomde de door de overheid gesteunde petroleumindustrie elke mogelijkheid om een door koolhydraten gedreven chemicaliën-en-plasticsindustrie op te zetten. De graanoogsten werden te grillig geacht, te zeer aan de seizoenen gebonden, te gevoelig voor overstromingen en droogte, en dus vatbaar voor prijsfluctuaties.
Rond 1950 had de overheid de rubberfabrieken uit de oorlog verkocht aan particuliere investeerders. Styreen, zo meldde Dow, had ‘eervol ontslag’ gekregen om ‘een wereld van vrede’ te kunnen dienen. Verschillende bedrijven, waaronder Union Carbide, konden nu styreen en butadieen produceren in hoeveelheden die veel groter waren dan wat de rubberindustrie in vredestijd aankon. De oplossing voor een overdaad aan styreen: polystyreen, waarvan een deel later gemodificeerd zou worden tot hoogwaardig polystyreen. Het polystyreen van mijn vader.
De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen
‘De naoorlogse domesticatie van plastic verliep grillig, met horten en stoten’, schrijft cultuurhistoricus Jeffrey Meikle in zijn boek American Plastic. Om de vraag op te stuwen, investeerde de bedrijfstak op grote schaal in advertentiecampagnes en groeide zelfs uit tot een van de grootste klanten van reclamebureaus. Aanvankelijk richtte de advertenties zich op vrouwen, om hen te doordringen van de voordelen van plastic en om hun te leren hoe ze de verschillende namen moesten uitspreken – zelfs de Society of the Plastics Industry (SPI) ontkende niet dat het tongbrekers waren. (‘Polly en Vin Wie?’ staat te lezen in een pamflet dat de SPI in 1953 uitgaf, in samenwerking met het vrouwenblad McCall’s. ‘Nou, het is geen Polly maar Poly: Poly-styreen en Vin-yl.’) Toen de bedrijfstak geen nieuwe markten meer wist te bereiken, zoals voorheen lukte met bijvoorbeeld de Tupperware-party’s, waagde men zich op andere terreinen, door de concurrentie aan te gaan met leer, katoen, glas en metaal. Toch waren de verkoopcijfers halverwege de jaren 1950 nog van dien aard dat men niet langer probeerde het plastic de huizen binnen te krijgen, maar eerder het erdoorheen te jagen, zoals plasticexpert Max Liboiron uitlegt. De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen – of, zoals Lloyd Stouffer, redacteur bij Modern Packaging Magazine, het formuleert, ‘in de vuilnisbak’ – en polystyreen was een van de kunststoffen die daarvoor in aanmerking kwam.
Het duurde niet lang of Scott plaatste een reeks advertenties in Life, met daarin het eerste ‘wegwerpglas,’ zoals het bedrijf het noemde – mooi genoeg om gasten voor te zetten. Het bedrijf beloofde dat het ‘absoluut, zonder enige twijfel, honderd procent verantwoord’ was om dit glas, gemaakt van ‘puur polystyreen en glad als porselein’, weg te gooien. Rond 1960, aan het begin van het decennium waarin mijn vader plastics maakte, kocht het leger ook weer polystyreen, dit keer voor de vervaardiging van het zeer brandbare napalm-B, maar de verpakkings- en de wegwerpartikelenindustrie zouden de grootste afzetmarkten vormen voor plastics. De productiecijfers stegen ‘tot ongekende hoogten’, schreef een analist van wie de woorden in 1971 werden vastgelegd in de notulen van het Amerikaanse Congres. In de supermarkt werden papieren verpakkingen stuk voor stuk verdrongen door plastic: de eierdoos, de broodzak, het vleesbakje en uiteindelijk, zij het schoorvoetend, de boodschappentas, schrijft wetenschapsjournalist Susan Freinkel in haar boek Plastic:A Toxic Love Story.
‘Consumenten,’ legt Meikle uit, ‘konden alleen kiezen tussen de artikelen die in de schappen lagen.’ En tegen het einde van de twintigste eeuw lagen de schappen vol plastic.
Alternatieven
In mijn werkkamer staan kasten vol polystyreen bekers in alle mogelijke vormen, maten en kwaliteiten. Allemaal cadeautjes van mijn vader, die de merkwaardige gewoonte heeft ze voor me mee te nemen. Hij kan het niet aan om ze weg te gooien, en hij heeft zo zijn twijfels over recyclen.
Het kan lastig zijn om je een voorstelling te maken van het web waarin de alledaagse plastic bekertjes zijn verbonden met de nauw verweven mondiale crises van gifstoffen, milieu-onrecht en klimaatverandering, en het kan zelfs nog lastiger zijn om te bepalen waar moet worden ingegrepen. Want ja, door sommige plastics worden goederen en voertuigen lichter en daarmee efficiënter. En plastic componenten helpen bij het ontwikkelen van technologieën die hernieuwbare energie weten op te slaan en te distribueren. Maar daarentegen zit tegenwoordig meer dan veertig procent van het plastic in doosjes, bekertjes, verpakkingsmaterialen en andere toepassingen voor kortdurend gebruik. Ondanks aansporingen om waar mogelijk wegwerpartikelen te weigeren en je eigen tasje of bakje mee te nemen, hebben de meeste mensen in de meeste gevallen weinig te zeggen over de hoeveelheid plastic verpakkingen in hun leven. Op sommige plekken is het haast onvermijdelijk om een aanzienlijke hoeveelheid wegwerpplastic (zoals zakjes) te gebruiken, zeker op het platteland en op afgelegen plekken, waar nauwelijks alternatieven voorhanden zijn, of in ieder geval geen betaalbare alternatieven.
Bovendien is het alomtegenwoordige plastic niet altijd even goed zichtbaar. Google maar eens can lining and drain cleaner (blikje en gootsteenontstopper) en kijk zelf hoe de gootsteenontstopper de metalen laag van het blikje afbijt, tot er een plastic koker overblijft. Of nog beter: leg je kartonnen koffiebekertje volgende keer in een bak water. Het paper zal loslaten, waarna je het dunne laagje polyethyleen aan de binnenkant ziet.
De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes
Begin jaren 1970 waren er al vijftien staten die probeerden te bedenken hoe ze de snelle opmars van plastic bakjes een halt konden toeroepen. De bedrijfstak schakelde over van reclame op zelfverdediging. Lobbygroepen probeerden de twee cent belastingheffing op flesjes te verijdelen, en in de jaren erna verzette men zich in het nabijgelegen Suffolk County tegen maatregelen om het aantal polystyreen bekertjes en andere wegwerpplastics terug te dringen. De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes. En zodra uit peilingen bleek dat het draagvlak afkalfde, of wanneer er regelgeving dreigde, gooiden de industrie en haar handelspartners er extra advertentiegelden tegenaan.
Niet eerder in de geschiedenis heeft plastic zo onder vuur gelegen. Vorig jaar maart hebben twee Democratische congresleden wetsvoorstellen ingediend om de plasticvervuiling tegen te gaan. Ten minste twee derde van de lidstaten van de Verenigde Naties (waaronder, sinds kort, de Verenigde Staten) zijn voorstander van onderhandelingen om te komen tot een bindende overeenkomst om de wereldwijde gevolgen van plastics aan te pakken. En de National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine heeft Amerikaanse producenten opgeroepen om de hoeveelheid plastics terug te dringen die in winkels terechtkomt, en vervolgens in het milieu. Zelfs mijn vader was betrokken bij een poging om in de hele stad een verbod af te kondigen op wegwerppolystyreen.
Al deze inspanningen trekken de ongelimiteerde productie van plastics in twijfel, maar er is ook nog een andere reden om nu stil te staan bij de plasticsproductie – de hoge CO2-uitstoot van de bedrijfstak is een aanjager van de klimaatverandering.
De plasticindustrie heeft zich flexibel getoond – aanvankelijk werden er producten gemaakt van ruwe grondstoffen zoals guttapercha en houtpulp, en later van restproducten uit andere industrietakken, zoals katoenvezels, landbouwafval en de overgebleven gassen uit gascentrales of kolenovens van staalfabrieken. Tegenwoordig worden plastics gemaakt in een nauw verweven netwerk van raffinaderijen, frackinginstallaties en petrochemische fabrieken – complexen die opnieuw zijn uitgerust of zijn verplaatst om beter in staat te zijn nieuwe of andere olie- en gasvoorraden aan te boren. Tegenwoordig wordt 98 tot 90 procent van het plastic – dus vrijwel alle plastic – gemaakt uit fossiele brandstoffen.
Verfrackingen
Historisch gezien zou je de markt voor fossiele brandstoffen een verstoorde markt kunnen noemen, gezien het grote aantal verschillende vormen van overheidssteun: hulp bij technologieoverdracht, belastingvoordelen, subsidies, zachte financieringen, prijsafspraken en, zoals hierboven beschreven, oorlogscontracten – dit alles samen bepaalt de prijs van plastic, en dus de productie. De plasticindustrie zelf heeft nooit de werkelijke kosten van de productie voor haar rekening hoeven nemen, dus de prijs van alles wat er is verbruikt, opgeslagen, gedumpt, in zee gestort, begraven, geïnjecteerd, verkwist, verbrand, door de schoorsteen gejaagd of uit leidingen weggelekt.
Maar de aard van de petrochemische industrie brengt haar eigen wetmatigheden met zich mee. Plastic moest wel op grote schaal worden geproduceerd om de enorme investeringen terug te verdienen die noodzakelijk waren geweest om dergelijke grote en gecompliceerde fabrieken op te zetten en in bedrijf te nemen. Deze fabrieken behoren tot de grootste, duurste en meest energieverbruikende bedrijven in de producerende en verwerkende industrie. Zo diende zich weer het aloude probleem aan: meer plastic vereiste meer toepassingen en meer afzetmarkten.
Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld
De Amerikaanse ‘fracking boom’, ook wel de schaliegasrevolutie genoemd, is de aanjager van de meest recente expansie van plastic. Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld, wat resulteert in een ‘oververzadiging’, aldus Kathy Hipple, senior research fellow aan het Ohio River Valley Institute. Door dit overaanbod van grondstof is een nieuwe ronde investeringen in plasticfabrieken in gang gezet waardoor, zo legt Hipple uit, de markt is overvoerd met plastic verpakkingsmateriaal – er is meer aanbod dan vraag. Door deze plastic, nu voornamelijk polyethylenen en polypropylenen die zijn vervaardigd uit aardgascondensaten, is polystyreen gedegradeerd tot een kleine speler op de verpakkings- en wegwerpartikelenmarkt – met een marktaandeel van zo’n twee procent. De producten die de plasticindustrie nu op de markt brengt, noem ik soms grappend ‘verfrackingen’ in plaats van verpakkingen.
Maar in economische zin is er opnieuw sprake van een verandering in de wereld van plastic. Nu de energie- en transportsector steeds meer afstand neemt van fossiele brandstoffen, zien veel olie- en gasproducenten in plastic nog een van de weinige kansen om te groeien, om te blijven bestaan. Sommige nieuwe ‘megafabrieken’, zoals de Zhoushan Green Petrochemical Base in China, gebruiken ruwe olie, in plaats van geraffineerde bijproducten, voor de productie van chemicaliën en plastic.
De plasticindustrie zal in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening nemen
En dat is (deels) de reden dat een groter deel van de mondiale CO2-uitstoot op het conto zal komen van plastic. Als de Amerikaanse plasticproductie blijft groeien zoals de industrie nu voorspelt, dan zal de klimaatbijdrage van plastics in 2030 die van de kolencentrales voorbij zijn gestreefd, concludeert Jim Vallette, de hoofdauteur van een nieuw Beyond Plastics-dossier. Of, anders gezien: de huidige groeicijfers betekenen dat de de plasticindustrie in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening zal nemen – en misschien nog wel meer. Hoeveel meer is afhankelijk van de grondstof en het soort plastic, maar gemiddeld genomen levert elke ton plastic zo’n 1,89 ton op aan koolstofdioxide-equivalent (een maat voor broeikasgassen).
Emissies ontstaan door de winning en het gebruik van fossiele brandstoffen. Maar er zijn ook zorgen dat er zelfs nog meer uitstoot zou kunnen plaatsvinden aan het andere uiteinde van de levenscyclus, als verschillende staten het groene licht zouden geven voor voorstellen uit de industrie om nog sterker in te zetten op CO2-intensieve afvaltechnologieën, zoals verbrandingsovens, het winnen van brandstoffen uit afval, en moleculaire, chemische en zogeheten hoogwaardige vormen van recycling. Deze onbewezen technologieën maken gebruiken van extreem hoge temperaturen en andere methoden om afval om te zetten in grondstof om nog meer plastic te produceren. Dergelijke technologieën ‘verplaatsen de afvalstortplaatsen van de grond naar de lucht’, aldus Yobel Novian Putra, die werkt aan een Asia Pacific klimaat- en energiebeleid voor de Global Alliance for Incinerator Alternatives. En dat zal zowel gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit als voor het klimaat.
Maar de petrochemische industrie zelf gebruikt ook veel energie – en staat zelfs in de top twee van energieverbruikers in de verwerkende sector. Zelfs als de bedrijfstak zou overschakelen op energiebronnen met een laag koolstofgehalte (of zou overschakelen op problematische technologieën voor het afvangen en opslaan van CO2, de zogeheten CCS-technologieën), zouden plastics nog altijd een belangrijk aandeel leveren in de uitstoot van broeikasgassen, volgens analisten van het Center for International Environmental Law (CIEL).
Plastic is klimaatverandering, maar dan in vaste vorm
Toch is er in het klimaatbeleid nog altijd betrekkelijk weinig aandacht voor de productie van plastics. En de proliferatie van plastics kan van ondergeschikt belang lijken nu de klimaatrampen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen. Plastic en klimaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en de structureel verweven problemen werken ook op elkaar in: de plasticindustrie stuwt de uitstoot van broeikasgassen op en door het extreme weer komt er nog meer plastic in het milieu terecht. Er wordt onderzoek gedaan naar die wisselwerking – men kijkt bijvoorbeeld hoe temperatuurstress van invloed is op de manier waarop diersoorten reageren als ze worden blootgesteld aan gifstoffen. Hoe dan ook hebben ze dezelfde wortels. ‘Plastic is koolstof’, fossiele brandstof in een andere vorm, zegt Carroll Muffett, die aan het hoofd staat van CIEL. Of, zoals Deirdre McKay het stelt: plastic ís klimaatverandering, maar dan in vaste vorm.
Wetenschappers zijn nog altijd aan het onderzoeken op welke niveaus er allemaal sprake is van schade – hoe er broeikasgassen vrijkomen uit plastic dat in de zon ligt te bakken, hoe plankton microplastics binnenkrijgt, waarmee het vermogen van plankton kan worden aangetast om zuurstof te leveren en CO2op te nemen en dat vervolgens mee te nemen naar de zeebodem. ‘Het onderzoek naar deze [klimaat]effecten staat nog in de kinderschoenen,’ valt te lezen in een rapport van CIEL en enkele andere groepen, ‘maar er zijn aanwijzingen dat plasticvervuiling de grootste natuurlijke CO2-opslag op aarde verstoort, wat een bron van zorg is en wat onze onmiddellijke aandacht vereist.’
Zodoende denk ik terug aan die begrafenis, denk ik weer aan het glas in zijn hand, de golven van verdriet. Terwijl overal natuurbranden ontstaan, terwijl de rook van het ene continent naar het andere drijft, terwijl het zeewater stijgt en kustlijnen zich terugtrekken, terwijl we kampen met droogte en overstromingen, kankers en uitstervende diersoorten, dodelijke hittegolven en dodelijke pandemieën, lijkt dit misschien niet hét moment om te beginnen over plastics – over het feit dat we worden overspoeld door in de oorlog tot wasdom gekomen wegwerpartikelen die ons zijn opgedrongen en die inmiddels niet meer uit ons bestaan zijn weg te denken, die overal en altijd aanwezig zijn. Maar dit is precies het moment om dat nou juist wél te doen. En de wereld heeft geen seconde meer te verliezen.
Klimaatwetenschappers in de hele wereld waarschuwden vorige week in het laatste IPCC-rapport over de gevaren van de klimaatcrisis. Een daarvan is extreme hitte, die gemiddeld al meer Amerikaanse levens kost dan orkanen en tornado’s samen. In tegenstelling tot de zichtbare vernietiging van branden en overstromingen, lijken de schadelijke effecten van hitte kleiner, maar ze zijn dodelijker. ‘Mensen beschouwen hitte niet als een gevaar’, zegt Kristie Ebi, professor aan de Universiteit van Washington. Maar zelfs in de koele Amerikaanse noordwestkust waar zij woont werden de bewoners vorig jaar verrast door ongekende temperaturen.
Beleidsmakers en milieuactivisten zoeken naar manieren om het bewustzijn van het publiek voor de risico’s te verhogen. Een Amerikaanse organisatie die zich richt op beleidsoplossingen voor de klimaatcrisis, pleit ervoor om hittegolven namen te geven en te categoriseren met nummers. De groep adviseerde Californië, dat nu als eerste een naam- en rangschikkingsysteem gaat invoeren, bericht The Guardian. Athene en Sevilla komen later dit jaar met soortgelijke programma’s.
De stad Los Angeles heeft een rechtszaak gestart tegen het agrochemische bedrijf Monsanto. Het gemeentebestuur eist ‘compensatie’ voor de kosten die zijn veroorzaakt door tientallen jaren van waterverontreiniging door chemicaliën, schrijft Los Angeles Times. Deze producten, bekend als PCB’s, werden vervaardigd door Bayer, het moederbedrijf van Monsanto, en werden gebruikt in verf, inkt, papier en smeermiddelen.
Los Angeles vraagt ook om de oprichting van een ‘speciaal fonds voor toekomstige kosten’: de stad heeft tot nu toe ‘miljoenen en miljoenen dollars uitgegeven, en zal miljoenen en miljoenen dollars blijven uitgeven om dit probleem op te lossen’, aldus de aanklacht.
Kunstenaar Pavlo Makov verkoopt zijn kunst voor Oekraïense wapens
De drieënzestigjarige conceptuele kunstenaar Pavlo Makov, die Oekraïne vertegenwoordigt op de Biënnale van Venetië dit jaar, is geboren in Sint-Petersburg en is etnisch Russisch, maar bracht het grootste deel van zijn leven door in Oekraïne. Daar studeerde hij beeldende kunst en grafiek op de Krim. ‘Ik ben een burger van Oekraïne; voor mij is burgerschap veel belangrijker dan mijn etnische identiteit’, zegt hij tegen ArtNet News.
Makov is niet alleen bezig met het maken van zijn werk, maar zegt dat hij en andere kunstenaars zich de afgelopen jaren hebben ingespannen om de Oekraïense defensie te ondersteunen. Zo kon een vriend van de kunstenaar, die soldaat is in de Donbas-regio, die sinds 2014 door Russische separatisten wordt opgeëist, geld van de verkoop van een van Makovs kunstwerken gebruiken om wapens te kopen. ‘Het was niet genoeg voor alles wat hij nodig had’, aldus Makov. ‘Hij kon er een nieuw machinegeweer en een kogelvrij vest van kopen. Maar goed, iedereen doet wat hij kan.’
Onlinesuccesmeubels
De Argentijn Andrés Reisinger (1990) is een nieuw soort ontwerper, één die met één been in de digitale wereld staat en met het andere in een analoge realiteit. Zijn virtuele meubelcollectie The Shipping verkocht hij voor 400.000 euro als NFT (non-fungible token), een primeur. Hij wordt dan ook ‘een van de meest gewilde kunstenaars van de 21e eeuw genoemd’. Zelf noemt hij zijn digitale ontwerpen ‘prototypes uit nieuwe digitale werelden als de metaverse’.
De afgelopen jaren maakte Reisinger furore op Instagram met zijn ‘computer renderings’. Zijn onlinesuccesmeubels, die tienduizenden likes vergaarden, werden opgemerkt door de immer alerte industrieel ontwerper Marcel Wanders, die er een meteen een aanwinst inzag voor zijn designlabel Moooi. Of Reisinger niet een fysiek exemplaar van de stoel kon maken? Dat kon. Zijn digitale werk is onder andere te bekijken op reisinger.studio
Russische beroemdheden en journalisten verwerpen invasie
Russische beroemdheden en journalisten spraken zich onmiddellijk uit na de invasie van Oekraïne. ‘Wij zullen nog vele jaren te maken hebben met de gevolgen van vandaag’, schreef socialiteen voormalig presidentskandidaat Ksenia Sobtsjak. Journalisten van onder meer RBC, Novaja Gazeta, en Echoo Moskvi, maar ook van staatsmedia TASS en RT, onderschreven een antioorlogpetitie van Elena Tsjernenko van zakenkrant Kommersant, bericht The Moscow Times.
Dmitri Moeratov, hoofdredacteur van Novaja Gazeta en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede 2021, hekelde de waarschuwingen van Poetin tegen inmenging van buitenaf en herhaalde de oproep van de Oekraïense president Zelensky aan de Russen om op te staan tegen de oorlog. ‘De opperbevelhebber speelt met de “nucleaire knop” als een sleutelhanger. Is de volgende stap een nucleair salvo? Ik kan Poetins woorden over mogelijke vergelding op geen enkele andere manier interpreteren’, aldus Moeratov.
Docenten in Italië belagen meisjes vanwege hun kleding
Een docent klassieke talen, die van een school was weggestuurd omdat hij de coronamaatregelen niet respecteerde en vervolgens tijdelijk werd aangesteld op het Orazio Lyceum in Rome, heeft grote verontwaardiging veroorzaakt met een Facebookbericht, meldt Corriere Della Serra. Daarin schreef hij: ‘Laten we bidden voor degenen die hun dochters verkleed als hoer naar school laten gaan’.
‘Loop je soms op Via Salaria?’
De opmerking volgde een week nadat een leraar op een andere school in Rome met een soortgelijke opmerking woede had veroorzaakt. ‘Loop je soms op Via Salaria?’ had hij gevraagd aan een leerling die een naveltruitje droeg, verwijzend naar een straat in de hoofdstad die bekend staat als tippelzone. Na zijn opmerking verschenen meisjes uit protest massaal in minirokjes en hotpants op school. Collega’s van de docent op het Orzaio Lyceum laten weten ‘afstand te nemen’ van zijn bericht, dat ‘de waardigheid’ van de leerlingen schaadt. De verwachting is dat de docent zal worden ontslagen.
‘Oliemaatschappijen doen aan greenwashing’
Grote oliemaatschappijen die beweren in transitie te zijn naar schone energie doen aan greenwashing, zo blijkt uit de meest uitgebreide studie tot nu toe. Voor het onderzoek, dat is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS One, werden gegevens geanalyseerd van ExxonMobil, Chevron, Shell en BP, die sinds 1965 samen verantwoordelijk zijn voor meer dan 10 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. De onderzoekers concluderen dat beweringen van de bedrijven niet in overeenstemming zijn met hun handelingen, bericht The Guardian.
‘Totdat er zeer concrete vooruitgang is, hebben we alle reden om zeer sceptisch te zijn over beweringen dat ze een groene weg hebben ingeslagen’
‘Als ze afstand zouden nemen van fossiele brandstoffen, zouden we bijvoorbeeld een daling van de exploratieactiviteit, de productie van fossiele brandstoffen en de verkoop en winst van fossiele brandstoffen verwachten. Maar we vinden juist bewijs van het tegenovergestelde’, aldus onderzoeker Gregory Trencher van de Japanse Kyoto-universiteit. ‘Totdat er zeer concrete vooruitgang is, hebben we alle reden om zeer sceptisch te zijn over beweringen dat ze een groene weg hebben ingeslagen.’
Uit het onderzoek blijkt dat er in jaarverslagen de afgelopen jaren een sterke stijging is van termen als ‘klimaat’, ‘koolstofarm’ en ‘transitie’, met name bij Shell en BP. Het gebruik van het begrip ‘klimaatverandering’ door BP steeg bijvoorbeeld van 22 naar 326. Maar veel verder dan het gebruik van wat termen komt het niet, aldus de onderzoekers, die schrijven dat de bedrijven een transitie beloven naar schone energie maar meer beloftes doen dan dat ze concrete acties ondernemen. ‘Financiële analyse toont een bedrijfsmodel dat aanhoudend afhankelijk is van fossiele brandstoffen; daarnaast zijn er wat onbeduidende en ondoorzichtige uitgaven aan schone energie’, luidt de conclusie.
Poolijs smelt sneller door roetvervuiling
Volgens onderzoekers zorgt vervuiling door roet in het populairste en meest toegankelijke deel van Antarctica elk jaar voor een afname van de sneeuwlaag met zo’n 2,5 centimeter, waardoor het poolijs sneller smelt, aldus NPR Washington. De hoeveelheid zwarte koolstof heeft alles te maken met het stijgende aantal bezoekers (wetenschappers en toeristen) van de Zuidpool. Dat is volgens de International Association of Antarctica Tour Operators toegenomen van krap 10.000 per jaar aan het begin van de jaren negentig tot bijna 75.000 in 2019.
Het roet op Antarctica komt voornamelijk van uitlaatgassen van cruiseschepen, voertuigen, vliegtuigen en generatoren
‘Dat leidt tot de vraag in hoeverre onze aanwezigheid nodig is,’ aldus Alia Khan, een glacioloog aan de Western Washington University en een van de auteurs van een nieuwe studie, die werd gepubliceerd in Nature Communications. Ze wijst erop dat bezoekers een grote zwartekoolstofvoetafdruk achterlaten op Antarctica, veroorzaakt door verbrand plantaardig materiaal en fossiele brandstoffen. Het roet op Antarctica komt voornamelijk van uitlaatgassen van cruiseschepen, voertuigen, vliegtuigen en generatoren; een deel van de vervuiling wordt vanuit andere delen van de wereld meegevoerd door de wind. De donkere deeltjes bedekken de witte sneeuw en absorberen de warmte van de zon.
‘Dit zijn de spiegels van onze planeet,’ zegt Sonia Nagorski, een wetenschapper aan de Universiteit van Alaska die niet betrokken was bij het nieuwe onderzoek. Als die spiegels worden bedekt met een laagje van donkere deeltjes, reflecteren ze minder. Dat betekent dat er meer warmte op aarde wordt vastgehouden, waardoor het smelten versnelt, wat weer bijdraagt aan de opwarming van de aarde.
Ook in het Noordpoolgebied is roet een groot probleem dat arctische gemeenschappen treft. Vooral olie- en gasoperaties in Alaska, Canada en het arctische deel van Rusland en Europa zorgen voor grote roetvervuiling. Daarnaast nemen door het smeltende zee-ijs de beroepsvaart en daarmee de vervuiling toe. Roet van door klimaatverandering veroorzaakte bosbranden dat zich ‘s zomers verspreid over het Noordpoolgebied, verergert het probleem.
Grote oliemaatschappijen die beweren in transitie te zijn naar schone energie doen aan greenwashing, zo blijkt uit de meest uitgebreide studie tot nu toe. Voor het onderzoek, dat is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS One, werden gegevens geanalyseerd van ExxonMobil, Chevron, Shell en BP, die sinds 1965 samen verantwoordelijk zijn voor meer dan 10 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. De onderzoekers concluderen dat beweringen van de bedrijven niet in overeenstemming zijn met hun handelingen, bericht The Guardian.
‘Als ze afstand zouden nemen van fossiele brandstoffen, zouden we bijvoorbeeld een daling van de exploratieactiviteit, de productie van fossiele brandstoffen en de verkoop en winst van fossiele brandstoffen verwachten. Maar we vinden juist bewijs van het tegenovergestelde’, aldus onderzoeker Gregory Trencher van de Japanse Kyoto-universiteit. ‘Totdat er zeer concrete vooruitgang is, hebben we alle reden om zeer sceptisch te zijn over beweringen dat ze een groene weg hebben ingeslagen.’
Uit het onderzoek blijkt dat er in jaarverslagen de afgelopen jaren een sterke stijging is van termen als ‘klimaat’, ‘koolstofarm’ en ‘transitie’, met name bij Shell en BP. Het gebruik van het begrip ‘klimaatverandering’ door BP steeg bijvoorbeeld van 22 naar 326. Maar veel verder dan het gebruik van wat termen komt het niet, aldus de onderzoekers, die schrijven dat de bedrijven een transitie beloven naar schone energie maar meer beloftes doen dan dat ze concrete acties ondernemen. ‘Financiële analyse toont een bedrijfsmodel dat aanhoudend afhankelijk is van fossiele brandstoffen; daarnaast zijn er wat onbeduidende en ondoorzichtige uitgaven aan schone energie’, luidt de conclusie.
Volgens onderzoekers zorgt vervuiling door roet in het meest populaire en toegankelijke deel van Antarctica elk jaar voor zo’n tweeënhalve centimeter afname van de sneeuwlaag, waardoor het poolijs sneller smelt, bericht NPR. Die hoeveelheid zwarte koolstof heeft alles te maken met het stijgende aantal bezoekers – wetenschappers en toeristen – van de zuidpool. Dat nam volgens de International Association of Antarctica Tour Operators toe van minder dan 10.000 per jaar aan het begin van de jaren negentig tot bijna 75.000 in 2019. ‘Deze cijfers leiden tot de vraag in hoeverre onze aanwezigheid nodig is’, aldus Alia Khan, een glacioloog aan de Western Washington University en een van de auteurs van een nieuwe studie, die werd gepubliceerd in Nature Communications.
De donkere deeltjes bedekken witte sneeuw en absorberen de warmte van de zon
Khan wijst erop dat bezoekers een grote zwarte koolstofvoetafdruk achterlaten op Antarctica, veroorzaakt door verbrand plantaardig materiaal en fossiele brandstoffen. Roet op Antarctica komt voornamelijk van uitlaatgassen van cruiseschepen, voertuigen, vliegtuigen en generatoren; een deel van de vervuiling wordt meegevoerd door de wind vanuit andere delen van de wereld. De donkere deeltjes bedekken witte sneeuw en absorberen de warmte van de zon. ‘Dit zijn de spiegels van onze planeet’, legt Sonia Nagorski uit, een wetenschapper aan de University of Alaska Southeast die niet betrokken was bij het nieuwe onderzoek. Als die spiegels worden bedekt met een laagje van donkere deeltjes, reflecteren ze minder. Dat betekent dat er meer warmte op aarde wordt vastgehouden, waardoor het smelten versnelt, wat weer bijdraagt aan de opwarming van de aarde.
Ook in het Noordpoolgebied is roet een groot probleem dat arctische gemeenschappen treft. Vooral olie- en gasoperaties in Alaska, Canada en het arctische deel van Rusland en Europa zorgen voor grote roetvervuiling. Daarnaast neemt door het smeltende zee-ijs de beroepsvaart en daarmee de vervuiling toe. Roet van door klimaatverandering veroorzaakte bosbranden dat zich ’s zomers verspreid over het noordpoolgebied, verergert het probleem.
Sinds enige tijd lijkt zich bij wintersportliefhebbers in Oostenrijk een gevoel te ontwikkelen dat ze nog niet eerder kenden: Skischam, oftewel de schaamte om te skiën, ingegeven door klimaatverandering. Het fenomeen raakt steeds meer wijdverbreid.
Het is een onderwerp waar Oostenrijkers alleen in versluierde bewoordingen over praten, een beetje zoals over aambeien bij de dokter, schrijft het Oostenrijkse conservatieve dagbladDie Presse. ‘Je kent het wel, dat je sommige woorden niet wilt uitspreken. Dan zeg je tegen de receptioniste dat je graag “ergens naar wilt laten kijken” zodat je het woord aambeien niet hoeft te fluisteren, omdat iedereen in de wachtkamer je zou kunnen horen’, schrijft Erich Kocina in een column voor de krant. ‘Vooral als het over de intieme zones gaat, worden kinderachtige formuleringen gebruikt, misschien met wat gegiechel erbij.’
Waar Kocina op doelt is het gegeven dat op wintersport gaan in Oostenrijk en elders, synoniem is geworden met ‘schaamte’. In het Duits wordt dat fenomeen aangeduid met het neologisme Skischam. Vergelijkbaar met het uit het Zweeds afkomstige Flygskam, het schuldgevoel dat je voelt als je op een groot vervuilend vliegtuig stapt om op vakantie te gaan, heeft ook Skischam alles te maken met klimaatverandering. Het neologisme is samengesteld uit het woord ‘Ski’ en ‘Scham’, ‘een term die zelf is afgeleid van de Germaanse wortel ‘Skamo’, wat ‘schaamte’ of ‘schande’ betekent, aldus Kocina.
Après-ski is door corona nogal beladen geworden
‘Interessant genoeg’, voegt hij er aan toe, ‘is daaruit in Duitstalige landen ook de versluierende term voor de geslachtsdelen uit voortgekomen. Wat gemeengoed is geworden in uitdrukkingen als ‘bedek je schaamte’ en in samenstellingen zoals schaamhaar en dergelijke.’
Maar goed, terug naar Skischam. Kocina doelt daarmee op het soort schaamte dat skiërs voelen als ze denken ‘aan het klimaat, aan de sneeuwkanonnen en hun ecologische voetafdruk, aan de witte stroken van kunstmatige sneeuw in een landschap dat voor de rest voornamelijk groenbruin is’.
Misschien, oppert hij, betreft Skischam ook nog wel de après-ski, die door corona nogal beladen is geworden? Niet per se een hele rare gedachte.
Ischgl
Het zijn zeker niet alleen milieuargumenten die worden ingebracht tegen wintersport. In Oostenrijk, een land dat erg gehecht is aan allerhande activiteiten gedurende de winter, heeft het imago rond skiën een forse knauw gekregen sinds het fiasco van Ischgl in 2020. Het Oostenrijkse resort was destijds een van de eerste grote besmettingshaarden van covid-19 in Europa.
Sindsdien zijn er veel collectieve en individuele klachten ingediend tegen de autoriteiten van het land en is de reputatie van de steden in het hooggebergte aanzienlijk verslechterd.
Mensen zeggen ‘We zijn in een chalet’ of ‘We zijn in de bergen’
Daarom, zo betoogt Kocina in zijn column voor Die Presse, gebruiken Oostenrijkse vakantiegangers inmiddels wat vage of versluierende termen om te zeggen dat ze van wintersport houden of dat ze op wintersport zijn. Waaraan dat te merken is? Volgens Kocina blijkt het uit formuleringen in e-mails of via WhatsApp. Mensen zeggen ‘We zijn in een chalet’ of ‘We zijn in de bergen’, of ze sturen ‘Kusjes en liefs vanaf de berg’, volgens Kocina.
De mogelijkheden tot versluierd formuleren zijn overvloedig. Misschien wordt er zelfs nog een beetje verlegen bij gegiecheld, denkt hij. ‘Natuurlijk weet je meteen wat er wordt bedoeld’, is zijn conclusie. ‘Het is allemaal een beetje omslachtig.’
Het dodental als gevolg van de overstromingen in Petrópolis is opgelopen tot ten minste vierennegentig. De gouverneur van de deelstaat Rio de Janeiro, Cláudio Castro, stelde woensdag op een persconferentie vast dat de regen die dinsdag in Petrópolis, een toeristische stad op zo‘n 65 kilometer van Rio de Janeiro, is gevallen ‘de ergste sinds 1932’ was. Het water veranderde de straten van het centrum in modderstromen, spoelde huizen omver en sleepte tientallen auto’s mee.
Het is de ‘laatste tragische episode in een regenseizoen dat sinds december in de regio’s Bahia en São Paulo voor dodelijke overstromingen heeft gezorgd, de oogst heeft vertraagd en de activiteiten van de mijnbouwbedrijven in Brazilië tijdelijk heeft lamgelegd’, schrijft El País. Door de opwarming van de aarde neemt volgens wetenschappers het risico op hevige regenbuien toe. Deze regens, die vaak in verband worden gebracht met de ongecontroleerde verstedelijking in Brazilië, leiden tot overstromingen en dodelijke aardverschuivingen.
In het licht van de klimaatverandering pleiten internationale instanties voor simpele remedies zoals bomen planten en oerwouden beschermen. Alleen ligt dat in werkelijkheid iets ingewikkelder.
Bomen planten is goed. Dat idee is zo diepgeworteld en voelt zo simpel en intuïtief aan, dat het heel gemakkelijk te verkopen is. De klimaatcrisis en de urgente noodzaak om oplossingen daarvoor te vinden, hebben deze boodschap versterkt met een heel eenvoudige logica: bossen nemen CO2 op. Toch moet je simpele antwoorden op ingewikkelde problemen doorgaans wantrouwen, ook als die antwoorden rechtstreeks uit wetenschappelijk onderzoek lijken voort te komen.
In 2019 wilde men aan de hand van een in Science gepubliceerd artikel demonstreren dat bomen planten enorm veel potentieel had tegen klimaatverandering. De auteurs concludeerden in feite dat dit de doeltreffendste maatregel was die je kon nemen. Het artikel deed echter veel stof opwaaien want andere deskundigen wezen op zeer grote fouten in de berekeningen en de conclusies. Het gerenommeerde tijdschrift moest correcties publiceren, maar het artikel werd niet ingetrokken en wordt nog steeds vaak aangehaald om bepaalde beleidsmaatregelen te verdedigen. Het is bijvoorbeeld de eerste referentie die de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) aanhaalt in een rapport uit juli 2021 over milieuprestaties in Afrika.
Savanne
‘In het Science-onderzoek wordt ervan uitgegaan dat gebieden waar geen bomen staan, per definitie gedegradeerd zijn. In Europa en bepaalde delen van Noord-Amerika kan dat zeker het geval zijn. Door ons klimaat en onze bodems hadden er bomen kunnen groeien in gebieden die door menselijke activiteiten zijn ontbost. Maar het is zinloos die logica los te laten op de hele wereld,’ legt Víctor Resco de Dios uit aan de rubriek ‘Teknautas’ van de krant El Confidencial. Hij is hoogleraar Bosbranden en Klimaatverandering aan de universiteit van Lleida (Spanje). Internationale agentschappen ‘zijn van plan bos te gaan aanplanten in delen van Afrika die nu savanne en grasland zijn, en dat al miljoenen jaren zijn,’ vertelt hij. ‘Hoewel je het op het eerste gezicht niet zou denken, is de biodiversiteit van deze Afrikaanse ecosystemen heel groot. En in het kader van klimaatverandering is het belangrijkst dat zich daar in de bodem zeer hoge concentraties koolstof bevinden die zich daar miljoenen jaren lang hebben opgehoopt.’ Wat gebeurt er als je daar bos gaat aanplanten? ‘Iedere verstoring van de bodem, bijvoorbeeld het klaarmaken van de grond voor een aanplant, zou een toename van de CO2-uitstoot tot gevolg hebben omdat de koolstof die daar is opgeslagen, dan vrijkomt,’ legt de deskundige uit.
Afgezien van het feit dat sommige activiteiten contraproductief kunnen zijn, is het in het algemeen dan wel goed om bomen te planten om klimaatverandering tegen te gaan? Dertig procent van de CO2-uitstoot wordt geabsorbeerd door terrestrische ecosystemen, grotendeels dankzij grote bosmassa’s zoals het Amazonegebied. Denken dat meer bomen meer koolstof opnemen, is dus een logische conclusie. Maar uit sommige gegevens blijkt dat die aanname niet altijd opgaat. Hoewel er in de tropen sprake is van enorme ontbossing, is het bosareaal op de wereld de afgelopen dertig jaar toegenomen met 2,3 miljoen vierkante kilometer. Dat is de omvang van Algerije, het op negen na grootste land ter wereld. De leegloop van het platteland in de ontwikkelde landen is een van de belangrijkste oorzaken van die toename. Toch neemt paradoxaal genoeg het vermogen van terrestrische ecosystemen om uitstoot op te nemen, af.
‘Meer bos staat niet gelijk aan meer CO2-opslag’
‘Dat gegeven vertelt ons dat meer bos niet gelijkstaat aan meer CO2-opslag,’ zegt Resco de Dios. Voordat nieuw bos een koolstofopslagfunctie kan vervullen om te helpen tegen klimaatverandering, is tijd nodig. En bovendien: ‘Als je bos niet onderhoudt — wat vaak het geval is — kan het afbranden,’ en dat heeft precies het tegenovergestelde effect omdat het CO2-uitstoot veroorzaakt. Wat betreft geplande herbebossing zoals in het geval van de Afrikaanse savanne: ‘Elke boomaanplant vergroot op zich de CO2-uitstoot omdat de grond wordt bewerkt en daardoor de in de bodem aanwezige CO2 vrijkomt. Bovendien brengt het andere beperkingen met zich mee die in het huidige scenario ook voor problemen kunnen zorgen omdat bomen water verbruiken. Ook is bij herbebossing naderhand bosbeheer nodig.’ De expert van de universiteit van Lleida legt uit dat normaal gesproken altijd meer bomen worden geplant dan nodig is omdat niet alle zaailingen goed aanslaan. Dat betekent dus dat het bos later ‘gedund’ moet worden om bepaalde boompjes te verwijderen zodat het nieuwe bos minder dicht wordt. Maar in de praktijk wordt nauwelijks 5 procent van de nieuwe aanplant achteraf gecontroleerd met als resultaat dat ‘je te maken krijgt met gestreste bossen die kwetsbaar zijn voor bosbrand. Ook in Spanje kennen we daar voorbeelden van.’
‘Het algemene uitgangspunt dat het aanplanten van bomen klimaatverandering oplost, klopt niet en is zelfs gevaarlijk. Het geeft grote bedrijven een vrijbrief om de hoeveelheid uitstoot te produceren die ze maar willen en te claimen dat ze die compenseren met herbebossing,’ licht hij toe. Je kunt dat niet zo gemakkelijk tegen elkaar wegstrepen omdat ‘het probleem van klimaatverandering is ontstaan als gevolg van het feit dat we de gigantische concentraties CO2 in de geologische lagen van de aarde waren opgeslagen, verbruiken in de vorm van olie en andere brandstoffen. Hoeveel bomen we ook planten, dat kunnen we nooit meer terugdraaien.’
Het enige wat echt kan bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering is stoppen met uitstoten
Het enige wat echt kan bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering is stoppen met uitstoten. Maar de politiek en bedrijven staan vaak andere soorten maatregelen voor die beter vallen bij het grote publiek. Herstelmaatregelen kunnen helpen, maar alleen als die lokaal worden uitgevoerd. Ook is herbebossing maar één van de hersteltechnieken, aldus de onderzoeker. De heraanplant van bos waarmee het [in Spanje] is gelukt de ecosystemen in de Sierra Espuña (Murcia) en in de streek van Poblet (Tarragona) te herstellen, zijn een succesverhaal. ‘In sommige gevallen is het raadzaam bepaalde typen ecosystemen of habitats die door menselijk toedoen zijn aangetast, terug te brengen naar hun natuurlijke staat. Maar claimen dat dit tegen klimaatverandering gaat helpen, is iets heel anders,’ aldus Resco de Dios.
‘Tot nu toe werd op sommige fora beweerd dat massaal herbebossen een afdoende oplossing was voor klimaatverandering, maar wetenschappers tonen aan dat dit niet het geval is,’ benadrukt ecoloog Fernando Prieto, eigenaar van de blog Observatorio de la Sostenibilidad (Observatorium van de duurzaamheid). ‘Nieuw bos aanplanten als zodanig heeft vaak geen zin als je geen rekening houdt met het waarom, waar, wanneer, met welke soorten, welk beheer en welke vervolgactiviteiten bij deze maatregel komen kijken,’ zegt hij. Zonder deze overwegingen kun je het tegenovergestelde effect krijgen. ‘In Spanje zijn bijvoorbeeld grote arealen herbebost met erg weinig verschillende boomsoorten met als resultaat dat die bossen gemakkelijk in brand vliegen. Als we koolstof opvangen maar die op deze manier gewoon weer vrijkomt, versnellen we die processen juist nog meer,’ voegt hij eraan toe.
Bovendien heeft herbebossing vaak een negatief effect op de biodiversiteit, vooral wanneer grote stukken land ononderbroken worden beplant met maar één boomsoort. ‘Bestaande bossen in stand houden heeft veel meer zin dan die eerst te kappen voor hout of mijnbouw en daar vervolgens nieuwe bos aan te planten, met name omdat veel tijd nodig is voordat dat echt een bos is geworden met een volwaardige flora en fauna,’ aldus Prieto.
De mens elimineren
In dit kader waarschuwt Resco de Dios ook tegen wat volgens hem een andere misvatting is: het idee dat het behoud van vermeend ongerepte gebieden klimaatverandering tegengaat, iets dat op internationale fora ook erg populair is. De ‘Protecting Our Planet Challenge’ die afgelopen september door de Algemene Vergadering van de VN is gelanceerd, heeft bijvoorbeeld tot doel 30 procent van onze planeet te beschermen. Dat klinkt goed, maar het houdt het opkopen van land in om de menselijke aanwezigheid daar te elimineren, inclusief de inheemse bevolking. ‘Onderdeel van dit narratief is dat de mens de natuur zou vernietigen. In bepaalde gevallen klopt dat, maar je kunt dit niet generaliseren. Het is belangrijk in te zien dat maagdelijke ecosystemen een fabeltje zijn van de collectieve verbeelding,’ verzekert de deskundige van de Universiteit van Lleida. In Europa zou maar minder dan 1 procent van het bosareaal kwalificeren voor een dergelijke status en ook op de rest van de wereld is het veel schaarser dan je denkt. ‘Vroeger dachten we dat regenwouden volledig natuurlijk waren, maar uit onderzoek blijkt dat de invloed van de inheemse bevolking veel groter is dan eerder werd gedacht. Met andere woorden: de biodiversiteit die wij kennen is het resultaat van de interactie tussen mens en milieu, een co-evolutie die al duizenden jaren aan de gang is,’ zegt hij.
Toch is onder druk van natuurbeschermingsorganisaties bij sommige volken al een ravage aangericht. Toen grote nationale parken zoals de Serengeti werden gecreëerd, zijn bijvoorbeeld de Masai die in Kenia en Tanzania leven, van hun land verdreven. Daarom moet net als bij de kwestie van herbebossing, elk geval afzonderlijk en per gebied worden bekeken, aldus Fernando Prieto: ‘Generieke oplossingen werken niet en brengen ook veel grotere risico’s met zich mee dan niets doen. Dat andere streken in de wereld beter behouden zijn gebleven dan Europa en dat je kunt proberen die oerbossen in stand te houden, is zeker belangrijk,’ zegt Prieto, ‘maar je moet goed bekijken wat het doel ervan precies is.’
‘Sommigen noemen dit een nieuwe vorm van kolonialisme en zelfs milieuracisme’
Over veel beleid op het gebied van bosbouw bestaat volgens hem nog steeds geen wetenschappelijke consensus en volgens veel deskundigen hebben zulke beleidsmaatregelen geen solide basis. Zo heeft het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES, een panel dat vergelijkbaar is met het panel dat de klimaatverandering analyseert maar dan toegespitst op biodiversiteit) in zijn recentste rapport veel maatregelen opgenomen die gericht zijn op behoud, maar ‘wordt met bijna met geen woord gerept over de kwestie van beschermde gebieden, noch wordt genuanceerd dat deze gebieden moeten worden beheerd,’ merkt de deskundige op.
In zijn visie betekent het elimineren van de mens in de meeste gevallen het weghalen van mensen die fundamenteel zijn voor het behoud van ecosystemen. ‘Sommigen noemen dit een nieuwe vorm van kolonialisme en zelfs milieuracisme. Wat wij doen vanuit Europa en de VS is de invloed die andere volkeren hebben gehad, minimaliseren. Wij denken dat een handjevol inheemse volken nooit iets hebben kunnen veranderen,’ zegt hij. En de uitkomst daarvan is niet per se positief, zoals blijkt uit voorbeelden meer in de buurt: ‘In Spanje zijn ecosystemen gelijksoortiger geworden door de oprichting van Nationale Parken,’ vertelt hij. Kleine verstoringen door activiteiten zoals begrazing die een bijdrage leverden aan een toename van de biodiversiteit, zijn verdwenen. Zowel klimaatverandering als de biodiversiteitscrisis waarmee de planeet te kampen heeft, zijn volgens de onderzoeker van de universiteit van Lleida ‘ernstige problemen die we moeten aanpakken met een pakket aan maatregelen. Je kunt daar niet zo maar een aanpak uitpikken die goed binnen je straatje past vanwege je ideologie, je zakelijke belangen of omdat het resoneert met je intuïtie. Het gaat erom wetenschappelijke consensus te vinden,’ stelt hij.
Het mondiale klimaatbeleid van Duitsland zal in de toekomst worden vertegenwoordigd door een deskundige op het gebied van milieuvraagstukken. Vanaf maart zal het huidige hoofd van Greenpeace International, Jennifer Morgan, onderhandelen als speciale klimaatgezant van Duitsland, bericht Die Tageszeitung. De krant spreekt van een ‘personeelscoup’ van minister van Buitenlandse Zaken Annalena Baerbock.
Morgan, een vijfenvijftigjarig Amerikaans staatsburger woonachtig in Duitsland, is een internationale milieu- en klimaatdeskundige met goede connecties en tientallen jaren ervaring. ‘Morgan heeft de afgelopen jaren de grote milieu- en klimaatconferenties bijgewoond, waarbij ze zowel buiten de poorten heeft gedemonstreerd als achter de schermen compromissen heeft gezocht’, schrijft Die Tageszeitung. Sinds april 2016 is zij uitvoerend directeur van Greenpeace International.
Volgens Baerbock zou Morgan eerst gezant en daarna staatssecretaris bij Buitenlandse Zaken moeten worden. Voor deze baan moet de Amerikaanse echter Duits staatsburger worden. Die procedure loopt nog, aldus het Duitse dagblad.
Amsterdam bespaart 6000 ton papier en 700 vuilnisrondes per jaar met een opt-insysteem voor folders. De resultaten zijn zo indrukwekkend dat andere steden en landen het voorbeeld willen volgen.
Skye Neville is dol op stripboeken, maar de elfjarige fronst haar voorhoofd als ze in haar dorp in Wales haar favoriet voor de Zoom-camera houdt. ‘Kijk!’ zegt ze dringend. ‘Dit tijdschrift kreeg ik dubbel verpakt in plastic en bij dit andere kreeg ik gratis plastic speelgoed zoals deze lelijke, rode kikker. Het is onvergeeflijk om in deze tijd plastic rotzooi cadeau te doen.’
Vorige winter besloot ze er iets aan te doen: ze schreef een brief aan de uit-gever van Horrible Histories [een reeks stripboeken voor kinderen over geschiedenis]. ‘Ik legde hem verschillende opties voor, zoals bijvoorbeeld een verpakking gemaakt van aardappelzetmeel.’ Toen de uitgever haar probeerde af te wimpelen met het antwoord dat kinderen dol zijn op gratis plastic speeltjes, begon ze een onlinepetitie, die meer dan 65.000 handtekeningen opleverde. Als gevolg daarvan verdween het blad uit de schappen van Waitrose, een van de grootste supermarktketens in het Verenigd Koninkrijk. Zelfs het parlement van Wales ging in op haar verzoek en overweegt nu een verbod op plastic verpakkingen en cadeautjes. ‘Ik kon natuurlijk gewoon mijn abonnement op het tijdschrift opzeggen,’ zegt Neville, ‘maar ik hou van lezen. Ik wil alleen niet al dat ongewenste plastic ontvangen.’
80% van de kinderen is tegen plastic cadeautjes
De kwestie ligt haar na aan het hart. Nevilles vader is de plaatselijke postbode in Fairbourne. Hun huis ligt op maar honderd meter van de kust waar ze bijna dagelijks al het plastic afval opruimt, en Fairbourne is een van de eerste Britse dorpen dat overspoeld zal worden door het stijgende zeewater. Wetenschappers schatten dat de huizen daar over twintig jaar waarschijnlijk onder water komen te staan, dus bewoners denken als eersten aan de gevaren van klimaatverandering.
Toen de Britse media Nevilles petitie oppikten en een peiling hielden onder hun lezers, bleek 80 procent van de kinderen tegen plastic cadeautjes te zijn en slechts 20 procent voor. De vraag waar het om gaat is: mogen consumenten beslissen over wat er in hun brievenbus valt? Diverse landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, zijn momenteel wetsontwerpen aan het voorbereiden om plastic tijdschriftverpakkingen te verminderen of te verbieden. Bovendien hanteren veel Europese landen, evenals Canada en Australië, een ‘opt-outsysteem’: een sticker op de brievenbus waarschuwt postbodes dat ze geen bulkpost mogen bezorgen.
Nee-Nee-sticker
Het is een goed begin, maar minder dan 27 procent van de Duitsers maakt gebruik van zo’n Nee-Nee-sticker, hoewel 83 procent desgevraagd zegt geen junkpost te willen ontvangen. ‘Het deugt niet dat mensen moeite moeten doen om iets wat ze sowieso niet willen níét te ontvangen,’ zegt Sebastian Sielmann, initiatiefnemer van ‘Laatste Advertentie’, een Duitse petitie tegen junkpost. Om dat aan te pakken, begon Amsterdam in 2018 met een ‘opt-insysteem’, en veel andere Nederlandse steden volgden dit voorbeeld. In plaats van een Nee-Nee-sticker op de deur te moeten plakken, keerde Nederland het systeem om. Om wel junkpost te ontvangen, moet je een Ja-Ja-sticker op de deur plakken.
Slechts 23 procent van de Nederlandse huishoudens heeft een Ja-Ja-sticker op de deur
Slechts 23 procent van de Nederlandse huishoudens heeft zo’n sticker. Iedereen die niet zo’n sticker heeft en toch ongewenste post ontvangt, kan de gemeente bellen, waarna de afzender een boete van 500 euro krijgt. Het resultaat is dat Amsterdam 6000 ton papier en 700 vuilnisrondes per jaar bespaart. Deze hoeveelheden tonen aan hoeveel er bespaard zou kunnen worden in een groot land zoals de VS, waar consumenten jaarlijks meer dan 100 miljard junkpoststukken ontvangen, wat de dood van 2,6 miljoen bomen betekent.
De resultaten van Amsterdam zijn zo indrukwekkend dat andere steden en landen het voorbeeld willen volgen. Frankrijk heeft al wetgeving opgesteld en in Duitsland heeft de nieuwgekozen regering gunstig gereageerd op Sielmanns petitie om het Nederlandse Ja-Ja-model te introduceren. De non-profitorganisatie Deutsche Umwelthilfe (DUH) berekende dat er alleen al in Duitsland jaarlijks 535.000 ton CO2 , 42 miljard liter water, 4,3 miljard kilowattuur aan energie en 1,6 miljoen ton hout worden verspild aan de productie en verscheping van een onvoorstelbare 28 miljard reclamefolders.
Over het algemeen accepteert 80 procent van de mensen in de meeste situaties de standaardconditie. Daarom betaalt Google jaarlijks zo’n 15 miljard dollar om de vooraf ingestelde standaardzoekmachine op Apple-computers te zijn. Dat is de reden waarom in Oostenrijk, waar iedereen een orgaandonor is tenzij hij of zij aangeeft dat niet te willen, 99 procent van de mensen toestemming geeft om te doneren. Zelfs Audi besefte dat het bedrijf duurdere auto’s kon verkopen door het standaardmodel uit te rusten met extraatjes waar kopers niet vooraf voor hebben gekozen, in plaats van ze te laten kiezen voor extraatjes bij een goedkoper model. Bovendien vereist het Nee-Nee-systeem voor junkpost consequenties voor overtredingen.
Vuilnisbak
Marketingbureaus en postdiensten, die veel verdienen aan bulkpost, zijn vaak tegen het Ja-Ja-systeem. In Nederland zijn advertentiebureaus zelfs naar de rechter gestapt om het Ja-Ja-plan tegen te houden, maar de Partij voor de Dieren, die het initiatief nam voor het plan, hield vol en won bij de rechter.
Het National Bundesverband Druck und Medien startte een campagne getiteld ‘De waarden van advertentiepost’ waarin werd geclaimd dat 94 procent van de ontvangers hun junkpost ook werkelijk lezen. Maar managementexpert Stefan Gäth, hoogleraar aan de Universiteit van Giessen, spreekt dit tegen en schat dat 85 tot 90 procent van de junkpost ongelezen in de vuilnisbak belandt. Volgens DUH-directeur Barbara Metz zouden we makkelijk meer dan een half miljoen ton CO2 kunnen besparen door ongewenste folders tegen te houden.
Binnenkort komt er een nieuw digitaal systeem waarbij mensen online of telefonisch kunnen aangevenof ze wel of niet folders en huis-aan-huisbladen willen ontvangen.
De Australische regering gaat 1 miljard Australische dollar, omgerekend 630 miljoen euro, uittrekken om het Groot Barrièrerif te beschermen. Het extra geld werd vrijdag aangekondigd door de Australische premier Scott Morrison.
‘Het besluit komt in een verkiezingsjaar, waarin de federale regering probeert tienduizenden banen in het toerisme te beschermen en haar groene geloofwaardigheid te versterken’, schrijft The Sydney Morning Herald. Door klimaatverandering heeft de ‘internationaal belangrijke bestemming’ te lijden gehad onder ‘langdurige ernstige verbleking’.
IJsberg A68 had zich in juni 2017 afgescheiden van een gigantische ijsplaat genaamd Larsen C op de punt van het schiereiland. In de drie maanden van 2020-2021 waarin de ijsberg nabij het eiland Zuid-Georgia volledig is gesmolten, heeft hij in totaal 152 miljard ton zoet water in zee geloosd.
In de praktijk ‘is dit honderdvijftig maal de hoeveelheid water die dagelijks door alle burgers van het VK samen wordt gebruikt’, merkt BBC op. Het fenomeen dreigt een kwetsbaar ecosysteem aanzienlijk te veranderen, zo blijkt uit een studie die donderdag is gepubliceerd in het tijdschrift Remote Sensing of Environment. De onderzoekers zijn van mening dat deze hoeveelheid water, die is vrijgekomen in een zee waar zeehonden, vogels en walvissen zich voeden, ‘de eigenschappen van het water en het plankton’ kan hebben beïnvloed.
De gemeente van het Britse Manchester ligt onder vuur vanwege nieuwe hightechreclameschermen. De schermen blokkeren trottoirs en gebruiken per stuk net zoveel elektriciteit als drie huishoudens. Volgens gegevens die naar buiten kwamen via de Britse Wet Openbaarheid Bestuur, verbruikt elk van de 86 digitale reclameborden 11.501 kWh elektriciteit per jaar. Dat zijn nogal pijnlijke cijfers voor een gemeente die in 2019 de klimaatnoodtoestand uitriep, schrijft The Guardian. Maar de reclamezuilen brengen nu eenmaal geld in het laatje. Reclamebureau JCDecaux betaalt de lokale overheid 2.4 miljoen pond, bijna 2,9 miljoen euro, per jaar aan huur, plus nog eens 2,8 procent van de inkomsten uit elke advertentie.
‘Het plaatsen van reclameborden op de weg zou niet voldoen aan verkeersveiligheidscriteria’
Met een hoogte van drie meter en breedte van één meter worden de schermen vervloekt omdat ze veel stoepruimte innemen in een stad die ooit beloofde voorrang te geven aan voetgangers. Gevraagd waarom de borden geen ruimte konden innemen van auto’s in plaats van voetgangers, zei een gemeentewoordvoerder: ‘Het plaatsen van reclameborden op de weg zou niet voldoen aan verkeersveiligheidscriteria.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.