Onderwerpen: Klimaat

  • Wereldnieuws: Probleem van bosbranden wordt alleen maar groter & Meer

    Wereldnieuws: Probleem van bosbranden wordt alleen maar groter & Meer

    Intensere bosbranden in Californië dan ooit

    De afgelopen twee jaar werd Californië getroffen door meer grootschalige bosbranden die met grotere intensiteit brandden dan ooit eerder werd geregistreerd. Ze trekken met steeds grotere snelheid en hogere frequentie door de staat, vernietigen gemeenschappen en hun rookpluimen zijn honderden kilometers verderop nog waarneembaar. Volgens Cal Fire, de brandweer van de staat, deden negen van de twintig grootste branden ooit in Californië zich sinds 2020 voor. Vier ervan woeden nog, bericht The New York Times.

    In drie maanden tijd werd meer dan 610 miljoen dollar uitgegeven om de brand onder controle te krijgen

    Eind augustus vochten hulpdiensten in een afgelegen bosgebied in Noord-Californië tegen de ‘Dixie Fire’, met een oppervlak van bijna 400.000 hectare (4000 vierkante kilometer) de op een na grootste brand in de geschiedenis van Californië. Binnen enkele weken groeide de bestrijding uit tot een operatie van nooit eerder vertoonde omvang: duizenden mensen gebruikten honderden bulldozers, vliegtuigen en ander materieel, miljoenen liters water en vlamvertragers. In drie maanden tijd werd meer dan 610 miljoen dollar uitgegeven om de brand onder controle te krijgen. Volgens het hoofd van Cal Fire is het verreweg de duurste blusoperatie in de geschiedenis van Californië.

    De Dixie Fire laat zien dat naarmate bosbranden groter worden, ook de omvang van de bestrijding toeneemt. Terwijl overheidsbegrotingen onder druk komen te staan en extreme droogte en andere effecten van klimaatverandering het landschap veranderen, wordt het bestrijden van megabranden steeds duurder. ‘Vijftien jaar geleden zou een brand van 40.000 hectare de grootste in mijn carrière zijn geweest’, zei Kristen Allison, een brandweervrouw met 25 jaar ervaring, verbijsterd. ‘Nu hebben we branden van 400.000 hectare: zo groot als Rhode Island, en we zijn op weg naar de omvang van Delaware.’ Die Amerikaanse staat heeft een oppervlakte van ruim 5000 vierkante kilometer. 

    Op 10 oktober hadden de branden al meer dan 1,13 miljoen hectare in Californië verwoest. Het einde van het bosbrandseizoen wordt pas over enkele weken verwacht. 


    ‘Geef een ander perspectief op de Holocaust’

    Een topbestuurder van het Carroll Independent School District in Southlake (Texas) heeft leraren laten weten dat als ze de Holocaust behandelen, ze leerlingen ook toegang moeten bieden tot een ‘tegengesteld’ perspectief, zo blijkt uit een geheime audio-opname die NBC News openbaarde.

    Gina Peddy, als directeur verantwoordelijk voor het curriculum van het schooldistrict, deed haar uitspraken tijdens een trainingssessie over boeken die leraren in de klas behandelen. Die training vond plaats nadat het schoolbestuur van Carroll in reactie op de klacht van een ouder had besloten een lerares te berispen, omdat die een antiracismeboek in haar klas had. Een medewerker van Carroll nam de gesprekken tijdens de training heimelijk op.

    ‘Hoe bied je het tegendeel van de Holocaust?’ vraagt een hoorbaar geshockeerde lerares

    ‘Probeer gewoon de concepten van House Bill 3979 toe te passen’, zegt Peddy in de opname, verwijzend naar een nieuwe wet in Texas die leraren verplicht meerdere perspectieven te presenteren bij het bespreken van ‘veelbesproken en controversiële’ kwesties. Om een voorbeeld te geven zegt ze: ‘Zorg ervoor dat als je een boek over de Holocaust hebt, je er dan ook een hebt met een tegendeel, dat andere perspectieven biedt.’ ‘Hoe bied je het tegendeel van de Holocaust?’ vraagt een hoorbaar geshockeerde lerares. Een andere lerares vraagt of ze nu boeken moeten gaan tegenspreken die de Holocaust behandelen vanuit het perspectief van slachtoffers. 

    In antwoord op vragen over de opmerkingen van Peddy zei een Carroll-woordvoerder dat het district probeert leraren te helpen om te voldoen aan de nieuwe staatswet in Texas die in december van kracht wordt.


    Ophef in Zuid-Italië

    De onthulling van een bronzen beeld van een vrouw in transparante jurk heeft in Italië geleid tot ophef. Het beeld werd eind september onthuld in het Zuid-Italiaanse Sapri, in de aanwezigheid van onder meer voormalig premier Giuseppe Conte, schrijft Info Cilento. Het werk van beeldhouwer Emanuele Stifano is bedoeld als eerbetoon aan het negentiende-eeuwse gedicht ‘La spigolatrice di Sapri’ (De arenraapster van Sapri) van Luigi Mercantini. Het is gebaseerd op de mislukte expeditie tegen het koninkrijk Napels door Carlo Pisacane, een van de eerste Italiaanse socialistische denkers. 

    Laura Boldrini van de centrum-linkse partij PD sprak van een ‘belediging voor vrouwen en de geschiedenis’. Wolfgang Achtner, een journalist die in Italië werkt voor grote angelsaksische media, schreef op de site van La Voce di New York: ‘Stifano heeft een landarbeidster van ruim tweehonderd jaar geleden afgebeeld in een provocerende houding met de nadruk op haar achterste, als una velina televisiva’. Oftewel zo’n schaars gekleed televisiemeisje waar de zenders van Berlusconi patent op hebben. 


    Demonstreren in Squid Game-pakken

    Het stadsbestuur van Seoel heeft een klacht ingediend tegen leden van de Koreaanse Confederation of Trade Unions (KCTU), het belangrijkste vakbondsorgaan van Zuid-Korea, meldt South China Morning Post. Ze trotseerden coronabeperkingen om in het centrum van Seoul te demonstreren voor meer banen en betere werkomstandigheden, terwijl ze outfits droegen van de hitserie Squid Game. Die negendelige thriller, waarin arme deelnemers dodelijke spelletjes spelen in een poging om 45,6 miljard won [circa 32 miljoen euro] te winnen, is gemaakt in Zuid-Korea en werd een wereldwijde sensatie voor Netflix.

    Getooid in Squid Game-pakken begeleidden de vakbondsleden zichzelf met trommels en andere instrumenten. Sommigen droegen vlaggen en borden met de tekst ‘Weg met ongelijkheid’ en ‘Veilige werkgelegenheid voor jongeren, kwaliteitswerk voor jongeren’. ‘Ongeveer tachtig leden van de jeugdvakbond hadden zich verkleed als een parodie op Squid Game, dat een bittere satire is op het harde gezicht van onze samenleving’, aldus de KCTU in een verklaring.


    Illegale migratie vanuit Algerije neemt toe

    De Algerijnse kustwacht heeft in een week tijd 701 illegale migranten gered die op weg waren naar Spanje en Italië, meldt het Algerijnse ministerie van Defensie geciteerd door Middle East Monitor. Volgens het ministerie heeft de kustwacht ‘meerdere migratiepogingen’ gedwarsboomd en ‘701 mensen gered die op weg waren aan boord van traditionele boten’. De arrestaties vonden plaats tussen 13 en 19 oktober.

    Illegale immigratie vanuit Algerije naar Europa is de afgelopen maanden sterk toegenomen, doordat Arabische economieën te lijden hebben onder de pandemie. Het Spaanse ministerie van Binnenlandse Zaken bevestigde de toename onlangs met de mededeling dat er van begin januari tot eind september van dit jaar zo’n 11.200 illegale migranten vanuit Algerije in Spanje waren aangekomen. Talloze boten zouden in de Middellandse Zee zijn gezonken. Volgens lokale Algerijnse media zijn de kosten voor illegale migratie gestegen tot 4000 euro per persoon.

  • Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.

    Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen. 

    Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.

    Gekanteld

    Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd. 

    De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.

    Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn

    Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten. 

    Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.

    Tien keer zo hoog

    Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.

    Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.

    Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten

    Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.

    De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.

    Snelheid van handelen

    Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit. 

    Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.

    In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren. 

    Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.

  • Een wodkaatje van CO2 – en andere manieren om koolstof te benutten

    Een wodkaatje van CO2 – en andere manieren om koolstof te benutten

    CO2 is de belangrijkste boosdoener voor de opwarming van de aarde, maar zou het helpen als producten konden worden gemaakt van CO2 zelf? Die vraag is niet zo gek; CO2 werd al gebruikt om dranken te carboniseren, tomaten te bemesten en cosmetica te maken. Inmiddels produceert een groeiende carbontechindustrie van alles, uiteenlopend van sokken en beton tot wodka.

    Voor de site Reasons to be cheerful maakte Michaela Haas een rondje langs geavanceerde bedrijven in de snelgroeiende carbontechindustrie die koolstofdioxide opvangen voordat het in de atmosfeer ontsnapt. Die afgevangen CO2 gebruiken ze vervolgens om er van alles en nog wat mee te maken.

    Voedsel 

    Landbouw is wereldwijd verantwoordelijk voor 24 procent van de broeikasgassen, dus andere manieren van voedselproductie zouden een grote stap kunnen betekenen. En dat is precies wat de Fin Pasi Vainikka probeert met zijn food-tech startup Solar Foods, gevestigd in de buurt van Helsinki: voedselproductie loskoppelen van agricultuur.

    Hier op aarde zou het eiwitpoeder kunnen helpen in de strijd tegen klimaatverandering

    ‘Wij maken eten van lucht!’ zegt hij. ‘We hebben geen landbouwgrond nodig, hoeven geen bossen te kappen en hebben zelfs nauwelijks water nodig.’ Solar Foods produceert eiwitpoeder van microben, die zijn bedrijf uit de bodem en mariene ecosystemen in de Finse wildernis haalt. In een fermentatieapparaat zoals ook in brouwerijen wordt gebruikt, voegt het bedrijf vervolgens water, waterstof, vitamines en CO2 uit de atmosfeer toe om de microben te laten groeien tot Solein, een geelachtig eiwit dat kan worden gedroogd en hetzij in een shake, hetzij als meel, hetzij in pilvorm kan worden ingenomen.

    Samen met de European Space Agency ontwikkelt Solar dit voedselconcept voor een missie naar Mars. Hier op aarde zou het eiwitpoeder kunnen helpen in de strijd tegen klimaatverandering. 

    Tapijt

    Op het eerste gezicht ziet tapijt van het bedrijf Interface eruit als elke andere vloerbedekking die je op luchthavens en in kantoorgebouwen tegenkomt: grijze, vezelige vierkanten. Maar dit grijze tapijt is feitelijk een koolstofopslag. De ‘Climate Takeback’-technologie, ontwikkeld door het bedrijf dat in Atlanta is gevestigd, resulteert in koolstofnegatieve vloeren. De onderkant van het tapijt is gemaakt van latex dat bestaat uit CO2 afkomstig van de rook uit schoorstenen, gecombineerd met gerecycled vinyl en bioafval. Het oppervlak bestaat uit gerecycled nylon. Volgens Interface haalt het bekleden van een vergaderruimte met dit product het equivalent van zo’n 5,5 kilo koolstof uit de atmosfeer. ‘Stop met koolstof als de vijand te zien’, zegt het bedrijf, ‘en gebruik het als een hulpbron of bouwsteen om betere producten te ontwikkelen.’

    Beton

    Volgens Marcius Extavour, CEO van non-profit Carbon XPrize, is cement verantwoordelijk voor zeven procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Zijn Canadese bedrijf CarbonCure in Halifax, Nova Scotia, gebruikt gerecycleerde, vloeibare CO2 die wordt opgevangen uit fabrieksuitlaatgassen, en injecteert deze in vers beton. ‘Eenmaal geïnjecteerd, ondergaat de CO2 een chemische reactie waardoor het wordt omgezet in een mineraal dat permanent wordt ingebed’, aldus de ingenieurs van CarbonCure.

    Het proces vermindert niet alleen de uitstoot met vijf tot acht procent in vergelijking met conventionele betonmengsels maar het maakt het beton ook sterker. CarbonCure zegt meer dan 120.000 ton CO2 te hebben afgevangen en heeft onlangs de Carbon XPrize gewonnen. Dat is een wereldwijde wedstrijd die deelnemers uitdaagt baanbrekende technologieën te ontwikkelen om koolstofdioxide om te zetten in bruikbare producten. Het bedrijf deelt de prijs met CarbonBuilt, een bedrijf uit Los Angeles dat technologie inzet die is ontwikkeld door het Institute for Carbon Management aan de UCLA, om de CO2-uitstoot in beton met bijna 50 procent te verminderen. ‘De wereldwijde voorraad aan gebouwen zal naar verwachting in 2060 verdubbelen’, aldus Extavour, ‘dus het is van vitaal belang dat oplossingen zoals die van CarbonCure snel kunnen opschalen.’

    Matrassen, sokken en panty’s

    Fossiele brandstoffen zitten in de vorm van kunststoffen in vrijwel elk gefabriceerd product. Maar afgevangen koolstofdioxide kan in plaats daarvan als bouwsteen voor veel van deze producten worden gebruikt. In samenwerking met de Tech University Aachen (RTWH) heeft het Duitse bedrijf Covestro met succes CO2 en andere gasmengsels die vrijkomen bij de productie van staal, omgezet in polyolen, een organisch composiet dat gewoonlijk wordt gewonnen uit niet-hernieuwbare bronnen. Covestro gebruikt deze polyolen om een op koolstof gebaseerd materiaal te maken, cardyon genaamd, voor de productie van schuim voor isolatie, matrassen, interieurs van voertuigen, deurpanelen en bekleding van autostoelen.

    ‘Het is niet alleen een klimaatveranderend gas, maar ook een hulpbron’

    Het materiaal is gebruikt voor ’s werelds eerste ondervloer van koolstofdioxide in een onlangs geopende hockeyfaciliteit in het Duitse Krefeld. Niet ver daarvandaan, in Leverkusen, pronkt Covestro-chemicus Liv Adler met oranje sokken die gemaakt zijn van op CO2 gebaseerde draad. ‘Het is niet alleen een klimaatveranderend gas, maar ook een hulpbron’, zegt ze. Adler is coördinator van Carbon4Pur, een EU-initiatief om industriële afvalgassen om te zetten in waardevolle hulpbronnen. Haar sokken zijn nog niet klaar voor massaproductie, maar een grote fabrikant van panty’s maakt al prototypes van de vezel, in de hoop de elasticiteit te verbeteren en deze uiteindelijk in de productie te integreren.

    Diamanten

    ‘Diamonds are not the planet’s best friend’, schrijft Michaela Haas. Mijnbouw vereist een enorme hoeveelheid hulpbronnen, energie en vervuiling. Maar een diamant is in wezen een gewone kristallijne koolstof. Dit jaar zijn twee bedrijven begonnen met de productie van diamanten gemaakt van koolstof die is afgevangen: Aether in de VS en Sky Diamond in het VK. ‘Alles wat nodig is om een Sky-diamant te maken, komt uit de lucht’, zegt Dale Vince, die tevens eigenaar is van ’s werelds groenste voetbalclub.

    ‘Het enige dat we terug in de wereld brengen, is lucht die schoner is dan hoe we haar eruit haalden’

    ‘De koolstof wordt uit de atmosfeer gehaald, wind en zon leveren al onze energie en het water dat we gebruiken is opgevangen regen. Het enige dat we terug in de wereld brengen, is lucht die schoner is dan hoe we haar eruit haalden.’ 

    De diamanten zijn fysiek en chemisch ‘identiek aan gedolven diamanten, behalve dan dat ze niet van diep uit de aarde komen’, aldus Aether. Wat normaal gesproken miljoenen of zelfs miljarden jaren duurt, wordt in een paar weken bereikt door extreem hoge temperaturen en druk van hernieuwbare energiebronnen op CO2 los te laten. Ryan Shearman, CEO van Aether, verkoopt zijn sieraden als ‘bling without a sting’ en beweert dat een diamant van één karaat ongeveer 20 ton CO2 uit de atmosfeer haalt, wat meer zou compenseren dan wat de gemiddelde Amerikaan in een jaar produceert, hoewel zijn bewering moeilijk valt te verifiëren. ‘Dit past perfect bij onze boodschap dat groen leven niet betekent dat je dingen moet opgeven’, zegt Dale Vince. ‘Of het nu gaat om hamburgers, auto’s, voetbal of zelfs diamanten, belangrijk is dat we ze op een andere manier produceren.’

    Wodka

    Air Company, een jonge New Yorkse startup, biedt de kans om emissievrij aan de drank te gaan. Hun wodka bestaat uit slechts twee ingrediënten: CO2 en water. En zon, aldus de website.

    Meestal wordt alcohol gedistilleerd na het vergisten van fruit of graan. Bij de productie van een fles wodka gemaakt van tarwe wordt ongeveer zes kilo aan klimaatgassen uitgestoten die worden gegenereerd bij het telen, oogsten en transporteren van de granen. De wodka van Air Company absorbeert daarentegen evenveel CO2 als acht bomen, zegt medeoprichter Gregory Constantine. Vanwege het bedrijfsgeheim weigert hij het recept te geven, maar het productieproces gebruikt in wezen zonne-energie om CO2 om te zetten in pure ethanol, vergelijkbaar met de manier waarop planten fotosynthese gebruiken om CO2 in voedsel om te zetten.

    ‘Onze wodka is zelfs zuiverder dan conventionele wodka omdat het geen verontreiniging of bijproducten van granen bevat’

    ‘Onze wodka is zelfs zuiverder dan conventionele wodka omdat het geen verontreiniging of bijproducten van granen bevat’, aldus medeoprichter Stafford Sheehan. Hij studeerde scheikunde aan Yale en daar slaagde hij er voor het eerst in om CO2 om te zetten in alcohol. Het patent van Air Company heeft prijzen gewonnen van NASA en de Verenigde Naties.

    Marktpotentieel

    Je zal heel veel van deze CO2-negatieve wodka moeten drinken om je CO2-uitstoot van vliegreizen te compenseren. Om een retourvlucht van Los Angeles naar New York te compenseren, in totaal zo’n 8000 kilometer, zijn dat meer dan vierduizend flessen. Anders gezegd: de meeste van deze producten verbruiken niet genoeg CO2 om de klimaatcrisis wezenlijk aan te pakken. Maar het is een begin en nieuwe technologie begint altijd klein. 

    De nonprofitdenktank Carbon180 schat het jaarlijkse marktpotentieel voor carbontech op meer dan 1 biljoen dollar in de VS en bijna 6 biljoen dollar wereldwijd. Net als Klaus Lackner en andere pioniers op het gebied van koolstofafvang, denkt Carbon180 dat brandstofproductie met 85 procent uiteindelijk het grootste segment van de carbontechmarkt zal uitmaken, gevolgd door bouwmaterialen en kunststoffen. ‘Carbontech biedt marktwaarde voor CO2 die anders de klimaatverandering zou verergeren’, aldus Carbon180.

  • Google Maps gaat reisadvies geven op basis van CO2-uitstoot

    Google Maps gaat reisadvies geven op basis van CO2-uitstoot

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Regering-Biden vraagt hoogste rechters om abortuswet in Texas te blokkeren

    » Rusland verbreekt de banden met de NAVO

    Google vergroent zoekresultaten in Maps en Flights

    Door rekening te houden met factoren zoals verkeersdichtheid, weghellingen en dergelijke biedt Google Maps automobilisten voortaan de keuze uit routes met de laagste CO2-uitstoot, bericht techblog Grist. Als de reistijd in grote lijnen hetzelfde is, kiest Google Maps standaard voor de route met de laagste CO2-uitstoot. De nieuwe service is onderdeel van een milieuvriendelijker beleid.

    Volgens Google-CEO Sundar Pichai zorgt het initiatief jaarlijks voor een besparing van 1 miljoen ton koolstofdioxide

    Volgens Google-CEO Sundar Pichai zorgt het initiatief jaarlijks voor een besparing van 1 miljoen ton koolstofdioxide, het equivalent van 200.000 minder auto’s op de weg. De nieuwe optie werd vorige week gelanceerd in de VS en zal volgend jaar in Europa beschikbaar zijn.

    Andere groene initiatieven die door het technologiebedrijf werden aangekondigd, zijn onder meer het aanbieden van emissie-informatie bij zoekresultaten voor luchtvaarttarieven op Google Flights. Het programma biedt koolstofarme vluchtopties aan en wereldwijd kunnen gebruikers voortaan per stoel de CO2-uitstoot voor elke vlucht zien. In zoekopdrachten naar hotels wordt vanaf nu informatie over inspanningen voor duurzaamheid vermeld.

    Lees ook:

  • Ivoorsnavelspecht en 22 andere diersoorten uitgestorven

    Ivoorsnavelspecht en 22 andere diersoorten uitgestorven

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Georgië: Tienduizenden mensen op straat voor ex-president Saakashvili

    » Zuid-Italië telt net zo veel langdurige werklozen als heel Duitsland

    Ivoorsnavelspecht en 22 andere diersoorten uitgestorven

    De US Fish and Wildlife Service maakte eind september bekend dat drieëntwintig soorten vogels en vissen zijn uitgestorven door vernietiging van hun habitat en door verwoestingen als gevolg van door de mens veroorzaakte klimaatverandering. Misschien wel de meest bekende van de nieuw uitgestorven soorten is de grote ivoorsnavelspecht, een opvallende vogel die inheems was in het zuidoosten van de Verenigde Staten, maar die sinds 1944 niet meer officieel is waargenomen, schrijft Deutsche Welle.

    Wetenschappers waarschuwen dat we op de rand staan van een catastrofale uitstervingsgolf

    Van de drieëntwintig soorten werd gedacht dat ze een kans hadden om te overleven door ze op de lijst van bedreigde diersoorten te zetten, maar vervuiling, houtkap, stroperij en invasieve soorten werden hen fataal.

    De groep van drieëntwintig wordt nu bij zo’n negenhonderd andere soorten gevoegd waarvan vaststaat dat ze in de hele wereld zijn uitgestorven. Wetenschappers waarschuwen dat we op de rand staan van een catastrofale uitstervingsgolf als de opwarming van de aarde niet wordt beperkt tot anderhalve graad.

    Lees ook:

  • Poetin leest Europa de les in gascrisis

    Poetin leest Europa de les in gascrisis

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Tunesische minister weigert hoofddoek te dragen tijdens beëdiging

    » Steeds meer steden bedreigd door extreme hitte

    Poetin leest Europa de les in gascrisis

    De Russische president, die elke verantwoordelijkheid voor de recordstijging van de gasprijzen heeft afgewezen, zei woensdag op een energieforum in Moskou dat hij bereid was de Russische gaslevering op te voeren, waarbij hij zijn geopolitieke rivalen de les las, schrijft de Belgische krant Le Soir. Hij zei dat de Europese landen, die meer dan een derde van hun gasbehoeften uit Rusland betrekken, een ‘fout’ hadden gemaakt door ‘te vertrouwen op de onzichtbare hand van de markt’ en op directe aankopen in plaats van langetermijncontracten met Moskou te sluiten.

    Poetin heeft aangekondigd dat Rusland tegen 2060 CO2-neutraal moet zijn

    Vladimir Poetin is van mening dat gas een belangrijke overgangsbrandstof is in het streven naar een CO2-neutrale economie. Rusland moet tegen 2060 CO2-neutraal moet zijn, heeft hij aangekondigd, met name dankzij aardgas, dat een kleinere voetafdruk heeft dan steenkool of olie. ‘Een ommekeer’, aldus Le Soir, ‘want tot nu toe was Moskou ambivalent over de oorzaken van de opwarming van de aarde en onduidelijk over nationale oplossingen voor de wereldwijde inspanningen voor een groenere economie.’

    Lees ook:

  • Steeds meer steden bedreigd door extreme hitte

    Steeds meer steden bedreigd door extreme hitte

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Poetin leest Europa de les in gascrisis

    » Tunesische minister weigert hoofddoek te dragen tijdens beëdiging

    Steeds meer steden bedreigd door extreme hitte

    Steden worden steeds meer bedreigd door extreme hitte. De toenemende hoge temperaturen in stedelijke gebieden, veroorzaakt door verdichting en opwarming van de aarde, vermindert vooral kansen op een beter leven voor arme bevolkingsgroepen, aldus een onderzoek dat vorige week is gepubliceerd in Proceedings of the National Academy of Sciences.

    In 13.115 onderzochte stedelijke gebieden steeg de blootstelling aan extreme hitte van 40 miljard – het aantal getroffenen vermenigvuldigd met het aantal dagen – in 1983, tot 119 miljard in 2016. In het onderzoek zijn de hitterecords van dit jaar in het noordoosten van de VS en het zuiden van Canada niet meegenomen.

    Lees ook:

  • ‘Kweeknuggets zijn een grote stap voorwaarts voor dier en milieu’

    ‘Kweeknuggets zijn een grote stap voorwaarts voor dier en milieu’

    Cellulaire landbouw, oftewel kweekvlees, lijkt het medicijn voor alle kwalen van de bio-industrie, zoals dierenleed en milieuschade, zonder dat de consument zijn dagelijkse stukje vlees ervoor hoeft op te geven. Het is daarom tijd dat de overheid flink gaat investeren, betogen deze wetenschappers in The Guardian.

    Amerikanen gaan dit jaar een slordige twee miljard kipnuggets eten. Deze frituursnack is een manier om geld te slaan uit wat je overhoudt na het wegsnijden van de borst, poten en vleugels van de pakweg negen miljard bio-industriekippen die in de VS elk jaar worden geslacht. Zoals bij zoveel alledaagse artikelen is ook de productie van kipnuggets in handen van een klein groepje gigantische bedrijven die verantwoordelijk zijn voor een waslijst aan maatschappelijke en ecologische misstanden. En zoals zoveel van de consumptiegoederen die uit dit systeem voortkomen, zijn de nuggets van bedenkelijke kwaliteit, goedkoop, verleidelijk en gemakkelijk weg te kauwen.

    Nuggets bevatten niet eens veel vlees, maar bestaan voor het grootste deel uit vet en allerlei restmateriaal – zoals huid, bot en zenuw- en bindweefsel – dat met allerlei toevoegingen eetbaar wordt gemaakt. De politieke economen Raj Patel en Jason Moore noemen het een gehomogeniseerde hapklare manifestatie van de wijze waarop het kapitalisme zo veel mogelijk waarde aan menselijk en niet-menselijk leven en arbeid onttrekt.

    Cellulaire landbouw

    Maar als kipnuggets symbool staan voor het moderne kapitalisme, dan zijn ze ook rijp voor vernieuwing. Een van de veelbelovendste nieuwe kandidaten om de kipnugget te vervangen is misschien wel een radicaal ander soort vlees: eetbaar weefsel uit de reageerbuis, opgekweekt uit stamcellen in de zogenaamde cellulaire landbouw. Het verkooppraatje voor deze nieuwe technologie volgt het klassieke stramien van Silicon Valley: hiermee kun je een verouderde technologie (in dit geval dieren) overbodig maken en geld verdienen door goed te doen.

    In de intensieve veehouderij, waar de nuggets en ook bijna al het andere door Amerikanen consumeerde vlees worden geproduceerd, blijven de prijzen kunstmatig laag als gevolg van de enorme schaalvoordelen van massaproductie en het afwentelen van de kosten daarvan op mens, dier en milieu. Het leidt tot ontbossing, de uitstoot van honderden miljoenen broeikasgassen per jaar, afschuwelijke arbeidsomstandigheden in slachthuizen en weerzinwekkende staaltjes van dierenmishandeling op veehouderijen, terwijl de sector zich bovendien bezondigt aan prijsafspraken, lobbyt voor minder regelgeving op het gebied van arbeid en milieu en zich sterk maakt voor ongrondwettelijke wetgeving die klokkenluiders moet ontmoedigen.

    Het probleem is dat mensen dol zijn op vlees, dat de mondiale productie en consumptie daarvan nog steeds gestaag toenemen en dat een collectieve bekering tot het vegetarisme niet in het verschiet lijkt te liggen. Dat maakt de intensieve veehouderij zo’n lastig probleem: onmiskenbaar schadelijk, maar politiek en maatschappelijk ook zo diep in ons bestaan verankerd dat je als hervormer niet goed weet waar je moet beginnen. En dan lijkt de cellulaire landbouw een uitweg te bieden: een sociaal-technische ‘hack’ die veel van de in het huidige systeem aangerichte schade kan voorkomen zonder dat de consument er zijn lapje vlees voor hoeft op te geven.

    Het in Australië gevestigde Vow wil buiten de gebaande paden treden met kweekvlees van zebra’s, jaks en kangoeroes

    Die cellulaire landbouw was altijd al voer voor gedachte-experimenten van filosofen en sciencefictionschrijvers, maar begint nu in rap tempo werkelijkheid te worden. In december 2020 hield het in San Francisco gevestigde bedrijf Eat Just in de Singaporese club 1880 het eerste commercieel verkrijgbare kweekvlees ten doop. De gekozen vorm, een kipnugget, was deels symboliek, deels noodzaak: de technologie is nog niet zover dat je er een kipfilet, kippenvlerk of kippenpoot mee kunt maken. Maar in principe kun je straks wel het hele dierenrijk repliceren. Het allereerste prototype van cellulaire landbouw dat aan de wereld werd gepresenteerd, was de hamburger die wetenschappers van de Universiteit Maastricht in 2013 maakten. Het bedrijf dat uit hun project is voortgekomen, Mosa Meat, is nu hard op weg om runderkweekvlees op de markt te brengen. De Israëlische start-up Aleph Farms maakt met 3D-printtechnologie een lendenbiefstuk. Het Singaporese Shiok Meats kweekt garnalen zonder garnalen. Finless Foods uit Berkeley is bezig aan de met uitsterven bedreigde blauwvintonijn. En het in Australië gevestigde Vow wil buiten de gebaande paden treden met kweekvlees van zebra’s, jaks en kangoeroes.

    Lees ook:

    Deze ontwikkeling wordt vooral gedragen door een snelgroeiend aantal start-ups in de grote technologische hubs van de wereld. Die worden gesteund door een wereldwijd netwerk van extreem vermogende beleggers en durfkapitalisten die de afgelopen tien jaar al meer dan zeven miljard dollar in alternatieve eiwitten hebben gestoken, waaronder zo’n 900 miljoen dollar in kweekvlees. Richard Branson, Bill Gates en een hele reeks andere miljardairs hebben zich met hun geld en enthousiasme achter deze technologie geschaard. De Maastrichtse hamburger was mede gefinancierd door Sergey Brin, een van de oprichters van Google. Maar ook grote bedrijven laten zich niet onbetuigd: de farmagigant Merck investeert in Mosa Meats en vleesgigant Tyson Foods financiert het Californische Upside Foods.

    Dat particulier kapitaal overuren draait om met synthetische biologie een omwenteling teweeg te brengen in de traditionele landbouw, is voor zowel voorstanders als critici waarschijnlijk reden genoeg om hun mening hierover al klaar te hebben. Techno-optimisten zien een toekomst voor zich van alom verkrijgbaar ‘schoon vlees’ dat ecologisch en ethisch net zo superieur is aan gewoon vlees als zonne-energie aan steenkool. Tegenstanders zien een toekomst van door het bedrijfsleven gedomineerd laboratoriumvlees dat naadloos past in het manke kapitalistische voedselsysteem dat we hebben.

    Mogelijkheden en gevaren

    In beide zienswijzen zit een kern van waarheid, maar ze gaan er allebei ten onrechte van uit dat de uitkomst al vaststaat. Er was niets onvermijdelijks aan de krachten die het voedselsysteem de afgelopen eeuw in de richting hebben gedreven van steeds verdergaande mechanisering, de uitbuiting van arbeiders en de verwoesting van het milieu: dat was een gevolg van collectieve en individuele politieke keuzes. Wij hoeven dus ook niet de gevangene te worden van monopolisten die een grauwe klodder reageerbuisvlees op ons bord kwakken. Wat wij nodig hebben, is een analyse van de kansen die de cellulaire landbouw biedt: wat deze nieuwe levensmiddelentechnologie, met het juiste beleid en de juiste investeringen, mogelijk kan maken voor consumenten, werknemers, dieren en het milieu.

    Om te begrijpen wat de mogelijkheden en de gevaren van de cellulaire landbouw zijn, hebben we inzicht nodig in het systeem dat hierdoor zou veranderen. Ons huidige landbouwbeleid en de huidige praktijken in de veehouderij richten grote schade aan, en het zal een enorme collectieve inspanning vergen om daar iets aan te doen. Maar de geschiedenis wijst uit dat zulke systemen wel degelijk radicaal kunnen veranderen, zelfs binnen één generatie.

    Voor consumenten kenmerkt het huidige systeem zich vooral door enorme overvloed en lage prijzen. Amerikanen geven nog geen 10 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan voedsel, minder dan bijna overal ter wereld, en ze eten maar liefst 122 kilo vlees per jaar, waarvan 55 kilo kip. (Ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk ligt dat op circa 80 kilo per persoon, waarvan 32 kilo kip. Lager, maar nog steeds ecologisch onhoudbaar.) [In Nederland at men in 2018 gemiddeld 77 kilo vlees per jaar] Die lage prijs eist een hoge tol. Miljarden genetisch identieke kippen slijten een miserabel leven in enorme megastallen die volledig zijn ingericht op maximale efficiëntie en minimale kosten. Drie grote vleesverwerkende bedrijven, Tyson, Perdue en Koch, hebben het grootste deel van de Amerikaanse markt voor kippenvlees in handen. De sector functioneert praktisch als een monopsonie, een kopersmonopolie waarin het aantal afnemers zo gering is dat zij de prijzen en productievoorwaarden dicteren; soms is er sprake van een zodanige verticale integratie dat de industrie bijna de hele waardeketen bepaalt.

    Er is sprake van arbeiders die aan de slachtlijn een luier moesten dragen omdat ze geen toiletpauze kregen

    Dit geeft de industrie een enorme economische macht over boeren, arbeiders en consumenten. Boeren die een contract aangaan met de grote vleesverwerkers, moeten zo hard met elkaar concurreren dat ze blij mogen zijn als ze geen verlies lijden. In de abattoirs verrichten de arbeiders loodzwaar maar laagbetaald en gevaarlijk werk aan razendsnelle slachtlijnen, waar ze honderdveertig kippen per minuut moeten slachten. In een Oxfam-rapport uit 2015 is sprake van arbeiders die aan de slachtlijn een luier moesten dragen omdat ze geen toiletpauze kregen en arbeiders die invalide zijn geworden van de eindeloos herhaalde bewegingen. Verder hebben de kipgiganten Tyson en Pilgrim’s Pride onlangs voor honderden miljoenen aan schikkingen getroffen in rechtszaken over prijsafspraken die tegen hen waren aangespannen door supermarkten, restaurants en individuele consumenten. De concerns zijn zo groot en zo rijk dat ze ook veel politiek gewicht in de schaal leggen. Een sterk staaltje daarvan deed zich voor in april 2020, toen Donald Trump op aandringen van de sector een oude defensiewet aangreep om af te dwingen dat de slachthuizen tijdens de pandemie open bleven, ook al kregen duizenden arbeiders corona.

    Ondertussen heeft het op elkaar proppen van dieren in megastallen en het kappen van bos om land vrij te maken voor de verbouw van voedergewassen de kans op uitbraken van zoönotische ziekten zoals varkensgriep, vogelgriep of covid-19 alleen maar vergroot. En het systeem eist nog meer dodelijke slachtoffers door ziekten die niet eens besmettelijk zijn: de veranderingen in ons eetpatroon hebben in de afgelopen zestig jaar sterk bijgedragen aan de buitengewone groei van het aantal Amerikanen met obesitas, diabetes en hartkwalen.

    Het hele stelsel is primair gericht op het gewin van grondbezitters en grote boerenbedrijven, op kosten van de belastingbetaler

    Er zijn twee factoren die tot deze onverkwikkelijke situatie hebben geleid. De eerste is het door winstbejag ingegeven streven naar steeds grotere efficiëntie in de landbouw dat al minstens twee eeuwen aan de gang is. De tweede is de wildgroei aan stimuleringsprogramma’s voor de landbouw die met name in de VS hebben geleid tot een schier onuitputtelijke voorraad aan landbouwsubsidies, gekoppeld aan een groot gebrek aan regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden en milieu. Het hele stelsel is primair gericht op het gewin van grondbezitters en grote boerenbedrijven, op kosten van de belastingbetaler.

    Dat is nergens zo duidelijk zichtbaar als in de vleessector. Het slachten van dieren werd eind negentiende eeuw al geïndustrialiseerd door de slachthuizen in Chicago, waar veertigduizend zwarte arbeiders en immigranten voor doorgaans lage lonen elk jaar miljoenen runderen en varkens slachtten. Vleesverwerking op zo’n grote schaal vereiste een gestandaardiseerde input (voor het graan en de dieren die daarmee werden gevoerd) ter stroomlijning van het industriële proces. Dat werd gestimuleerd door de Amerikaanse overheid, die in het begin van de twintigste eeuw met behulp van onderzoeksprogramma’s, belastingvoordelen en de promotie van nieuwe technologie op de uitbreiding van de intensieve landbouw aanstuurde – om zo, in de woorden van de historica Deborah Fitzgerald, van elke boerderij een fabriek te maken.

    Verkipping

    Dat resulteerde in de opkomst van de bio-industrie na de Tweede Wereldoorlog. Kip had tot die tijd nooit een belangrijke rol gespeeld in het Amerikaanse eetpatroon, maar kippen bleken bijzonder geschikt voor industrialisatie, omdat ze zich snel voortplanten en je door slim te fokken hun grootte en eierproductie makkelijk kunt beïnvloeden. Met een reclamebombardement wisten de vleesbedrijven een nieuwe markt voor kippenvlees te creëren, en al snel werd het model van de fabrieksboerderij ook overgenomen in de varkenshouderij en leidde het tot de ontwikkeling van steeds grotere rundveehouderijen. Dr. Ellen Silbergeld, een deskundige op het gebied van gezondheid en milieu, noemt dit de ‘verkipping’ van de landbouw.

    Er is geen gebrek aan intelligente progressieve kritiek op dit systeem, alleen behelzen de voorgestelde alternatieven meestal het opknippen van de grote voedselconcerns en de inkrimping of diversificatie van Amerikaanse boerenbedrijven. Maar beter mededingingsbeleid alleen is niet genoeg om iets te doen tegen de schade die de intensieve veehouderij aanricht op het vlak van dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden en milieu. Als je de grote concerns opknipt, leidt dat misschien alleen maar tot meer, zij het dan iets kleinere en minder productieve fabrieksboerderijen.

    Biologische groente en scharrelvlees vers van de boerderij is niet wat iedereen wil, laat staan dat iedereen het kan betalen

    En wat betreft de kleine boerderijen die nu al op meer holistische wijze landbouw bedrijven: de gedachte is wel dat die duurzamer zijn, meer werkgelegenheid in stand houden en lokale winkels voorzien van diervriendelijk rundvlees en sappige biologische tomaten van oude rassen. Maar een heel landbouwsysteem van kleine boeren opzetten dat economisch rendabel is en het grootste deel van de bevolking van voedsel voorziet, kan nog weleens een hele opgave worden. Biologische groente en scharrelvlees vers van de boerderij is niet wat iedereen wil, laat staan dat iedereen het kan betalen of überhaupt kan krijgen. Wat mensen wel kunnen krijgen, zijn nuggets. En voorstanders van kleinschalige landbouw kunnen vaak niet goed uitleggen hoe je hun ideeën ook in de praktijk kunt brengen op grotere schaal en voor een prijs die laag genoeg is om de economische status quo te doorbreken, binnen een tijdsbestek waarin dat nog een uitweg biedt uit onze ecologische crisis.

    Intussen zijn de mensen met verstand van de milieueffecten van ons voedselsysteem het er in grote lijnen over eens dat we veel minder vlees moeten eten. Sommigen zien de oplossing in een overstap naar een vegetarisch of veganistisch dieet. En ook in voorstellen die vlees niet in de ban doen, zoals het modeldieet van de EAT-Lancet-commissie, wordt wel aangedrongen op drastische vermindering van de vleesconsumptie, zeker op het noordelijk halfrond, en op afschaffing van de bio-industrie als voornaamste productiemethode. Maar het lijkt erop dat alleen een direct wettelijk verbod op bio-industrievlees tot de benodigde vermindering zou kunnen leiden, en dat is politiek geen haalbare kaart.

    Kiploze nuggets

    En daar komt de cellulaire landbouw om de hoek kijken. Misschien ligt de oplossing voor de verkipping van ons voedselsysteem niet in scharrelkip, maar in de massaproductie van kiploze nuggets.

    Winston Churchill verkondigde al in 1931 dat de mens dankzij de technologie ooit zou kunnen ‘ontkomen aan de absurde noodzaak dat je een hele kip moet kweken om een vlerk of borst te kunnen eten, door deze delen uiteindelijk afzonderlijk te kweken in een daarvoor geschikt medium’. Tot in de jaren negentig kon je die woorden nog aanhalen als een voorbeeld van de futiliteit van de futurologie. Maar door snelle ontwikkelingen in de biotechnologie en de medische wetenschap begint cellulaire landbouw nu werkelijkheid te worden. In de jaren zestig werd de stamcel in kaart gebracht, de bouwsteen van de meeste organismen. In de jaren zeventig werd het mogelijk om spierweefsel in de reageerbuis te kweken, en in 2005 verscheen het eerste gerenommeerde wetenschappelijke artikel over de reageerbuisproductie van vlees.

    Voor zo’n geavanceerde biotechniek is cellulaire landbouw eigenlijk een vrij simpel proces. Het begint met stamcellen, die meestal met een biopsie uit een levend dier worden gehaald. Die cellen gaan in een bioreactor, een aseptisch stalen vat met instelbare temperatuur en luchtdruk, samen met een voedzaam groeimedium, in wezen een soepje van suikers en eiwitten. In die omstandigheden beginnen de cellen zich te vermenigvuldigen en weefsel te vormen. Uit de bioreactor komt een eetbare maar nog weinig appetijtelijke substantie, ‘natte massa’, die vervolgens verder bewerkt moet worden om er nuggets en gehakt en dergelijke van te maken. Het nabootsen van complexere stukken vlees, een filet mignon bijvoorbeeld, vergt nog meer techniek: dan moeten ook spier- en vetcellen worden gekweekt op kleine ‘steigertjes’ van ander materiaal, zoals collageen. Het is een soort bouwkunde, maar dan op microscopisch niveau.

    Met kweekvlees verklein je de kans op ziektes die overspringen van mens op dier

    De potentiële voordelen van deze technologie zijn legio. Uit de meeste analyses van deze procedés blijkt dat ze tot veel minder land- en waterverbruik en minder CO2-uitstoot leiden dan de productie van rundvlees en zuivelproducten. Als de bedrijven dan ook nog gebruikmaken van schone energie (een hele opgave, maar niet onmogelijk) kan dit procedé milieuvriendelijker worden dan de productie van varkens- en kippenvlees. Zo maak je een eind aan het martelen en doden van miljarden dieren per jaar en verklein je de kans op ziektes die overspringen van mens op dier. Reageerbuisvis kan zelfs nog grotere ecologische voordelen opleveren, als je daarmee de druk op bedreigde ecosystemen verlicht en de grootschalige vervuiling terugdringt die de visserij nu veroorzaakt.

    Als er geen slachthuizen meer nodig zijn, komt daarmee ook een eind aan hun inherent slechte arbeidsomstandigheden. De productie van kweekvlees vraagt vooral hoogtechnologische arbeid: onderhoud, controle en afstelling van de bioreactoren, zonder de kwetsbare aseptische omgeving te verstoren die de celgroei vereist. Heel anders dan het razende tempo waarin dieren moeten worden geslacht in abattoirs, met in de VS als bijkomend resultaat ook gemiddeld twee afgehakte handen, vingers, voeten of ledematen per week. Fabrieken voor kweekvlees zouden veel beter betaald werk opleveren dan slachthuizen en ook een veel veiligere en gezondere werkomgeving bieden (zij het waarschijnlijk niet aan dezelfde arbeidskrachten).

    Tegelijkertijd wordt er hard gewerkt aan de ontwikkeling van plantaardige alternatieven voor dierlijke producten. Aangezien die gemaakt kunnen worden met bestaande technologie en gewassen die al op grote schaal worden verbouwd, kunnen de productiemethoden daarvan snel en tegen lage kosten worden opgeschaald. Daarom zullen deze producten op korte termijn waarschijnlijk eerder de strijd aangaan met de conventionele veehouderij. De mondiale markt voor vleesvervangers en zuivel zal de komende vijf jaar naar verwachting groeien tot meer dan 75 miljard dollar, inclusief vegetarische nepkipnuggets van een hele trits bedrijven zoals Beyond, de makers van de Beyond Burger. Maar uiteindelijk bieden die toch niet meer dan knappe imitaties en moeten ze maar hopen dat de consument daar uiteindelijk de voorkeur aan geeft boven vlees.

    Met cellulaire landbouw produceer je echt vlees en kun je proberen de vleesindustrie, goed voor een mondiale omzet van 1 biljoen dollar, op haar eigen terrein te verslaan. Je haalt dan ‘de ethische angel uit de discussie’ over vlees (in de woorden van het Good Food Institute, een internationale organisatie die het gebruik van alternatieve eiwitten propageert) en kunt louter op basis van marktmechanismen proberen het consumentengedrag te beïnvloeden. Dat vergroot de kans dat kweekvlees de traditionele veehouderij werkelijk op zijn kop kan zetten. Wat nu nog luchtfietserij lijkt, kan dan echte kilometers gaan maken.

    Velen zouden liever zien dat iedereen gewoon veganist of vegetariër werd

    Deze visie op cellulaire landbouw lijkt als twee druppels water op het soort grootspraak dat Silicon Valley maar al te graag uitvent. Voor een groeiend aantal critici riekt de hele onderneming naar ‘solutionisme’, het blinde geloof in technologie als panacee voor alle netelige maatschappelijke en politieke problemen. Sommige kritische deskundigen zien in cellulaire landbouw gewoon de zoveelste oefening in ‘ecomodern techno-optimisme’. Volgens hen blijft men blind voor het feit dat ‘daadwerkelijke modernisering concrete en soms heel heftige gevolgen heeft gehad voor de mensen en samenlevingen die gemoderniseerd werden’, in de woorden van Erik Jönsson, geograaf aan de universiteit van Uppsala. Velen zouden liever zien dat iedereen gewoon veganist of vegetariër werd.

    De zorg is reëel dat voedselconcerns en Silicon Valley zulke nieuwe technologieën kunnen gebruiken om hun greep op de voedselvoorziening te verstevigen en hun kwalijke agrikapitalisme met een schijn van milieubewustheid ‘groen te wassen’. De huidige kweektechnieken voor vlees en de daarvoor gebruikte stamcellijnen zijn waardevol intellectueel eigendom, afgeschermd door een hele batterij advocaten en geheimhoudingsclausules. Critici vrezen dat deze nieuwe sector precies hetzelfde gebrek aan transparantie en controleerbaarheid zal vertonen als de industrie die ervoor plaats moet maken. Zij zien in de cellulaire landbouw de slechtste kanten van het huidige voedselsysteem ten top gedreven: de massaproductie van nuggets met een bedenkelijke voedingswaarde die worden verkocht in uniforme fastfoodzaken.

    Een daling van de vraag naar veevoer zou meer ruimte scheppen voor een progressiever voedselbeleid

    Er zijn drie dingen die je hiertegen in kunt brengen. Ten eerste dat de potentiële voordelen van cellulaire landbouw ruimschoots opwegen tegen al deze nadelen. Stel dat met behulp van deze technologie de productie en consumptie van conventioneel vlees drastisch kan worden verminderd: ook al gebeurt dat dan met behulp van het grote geld en het neoliberale agrikapitalisme, dan is dat ethisch en ecologisch nog steeds te verkiezen boven de huidige stand van zaken. Gevestigde vleesbedrijven als Tyson en Cargill zijn per slot van rekening ook geen filantropische ondernemingen die de wereld voeden uit de goedheid van hun hart. Anders gezegd: wie wil suggereren dat een wereld van kweekvlees en van bio-industrie ook maar in de verte met elkaar vergelijkbaar zijn, heeft zijn perspectief op het voedselsysteem verloren.

    Ten tweede kan de cellulaire landbouw, als die op grote schaal wordt ingevoerd, bijdragen aan de hervorming van het landgebruik: een daling van de vraag naar veevoer zou meer ruimte scheppen voor een progressiever voedselbeleid. Als een door de overheid gefinancierde bank zelfs maar een klein deel zou opkopen van de 320 miljoen hectare die in de VS momenteel wordt gebruikt voor de productie van veevoer, zou die vervolgens miljoenen hectares tegen gunstige voorwaarden kunnen doorverkopen voor spannende nieuwe doelen: het opzetten van ecologische en regeneratieve boerderijen, met het oog op gezondere plattelandsgemeenschappen en beter landschapsbeheer; financiële steun voor boerderijen die worden beheerd door een collectief van buurtbewoners of arbeiders; landuitgifte aan mensen uit bevolkingsgroepen die in het verleden structureel werden onteigend of uitgesloten van landbezit; de teruggave van land aan inheemse naties; initiatieven voor de bescherming en verwildering van natuurgebieden. Veel van deze ideeën worden ook omarmd door critici van de nieuwe technologie, die vaak suggereren dat kweekvlees onverenigbaar is met het holistische ecologische ideaal van klein, langzaam en lokaal. Maar al deze ideeën kunnen met commercieel levensvatbare cellulaire landbouw juist makkelijker worden verwezenlijkt.

    Tot slot is het niet inherent aan de technologie van cellulaire landbouw dat die gepaard gaat met durfkapitalisme en een militante opstelling over intellectueel eigendom. Als je wil dat de cellulaire landbouw zijn hooggestemde potentieel waarmaakt, moet je niet alleen somberen over de kwaadaardige invloed van het kapitaal, maar zoeken naar praktische manieren om aan dat kapitalisme paal en perk te stellen. Wat hier nodig is, is de politieke wil en visie om deze technologie uit de greep van het bedrijfsleven te bevrijden en in te zetten voor het radicale doel om het leven van mens en dier overal ter wereld beter te maken.

    Schaalvergroting

    Maar wil de cellulaire landbouw het in de toekomst ook echt beter doen dan het systeem dat het moet vervangen, dan hebben de critici wel gelijk als ze zeggen dat deze nieuwe technologie moet groeien op een manier die de werkelijke kosten van de productie niet afwentelt op arbeiders, consumenten en milieu. Of de productie wel op veilige en betaalbare wijze kan worden opgeschaald, is momenteel nog zeer de vraag, en aan sommige praktijken in de cellulaire landbouw moet beslist een einde komen. Veel bedrijven, waaronder Eat Just met zijn in Singapore gelanceerde nuggets, leunen nog op een techniek waarbij voor het groeimedium van de stamcellen gebruik wordt gemaakt van foetaal kalfsserum, tijdens de slacht gewonnen uit ongeboren kalveren.

    Maar schaalvergroting is misschien evenzeer een maatschappelijke en politieke als een zuiver technische aangelegenheid. Er vindt aan de universiteiten wel onderzoek naar cellulaire landbouw plaats met publiek geld en steun van ngo’s zoals GFI en New Harvest, maar het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technieken worden toch merendeels met particulier geld betaald. Er is veel kapitaal nodig voor onderzoek en ontwikkeling en het vinden van commerciële toepassingen. Maar het feit dat de particuliere sector potentie ziet in een technologie die overheden grotendeels genegeerd hebben, is een politiek probleem. Er is behoefte aan publieke instellingen die de cellulaire landbouw zowel stimuleren als in toom houden door middel van overheidsinvesteringen, regelgeving en vergunningen. Bedrijven die zwemmen in durfkapitaal zullen heus wel manieren vinden om de productie van kweekvlees flink op te schalen en goedkoper te maken. Maar het is bijna onvermijdelijk dat ze dat vooral zullen doen om waarde te creëren voor hun investeerders, niet voor het maatschappelijk welzijn.

    Het opschalen en betaalbaar maken van de productie van kweekvlees stuit nu nog op flinke problemen. Volgens een onafhankelijke analyse uitgevoerd voor Open Philanthropy wordt de ‘natte massa’ pas rendabel als de kostprijs 25 dollar per kilo bedraagt. Momenteel kost de productie van dat ruwe product nog 37 dollar per kilo. En dat resulteert in een paradox: het kweekvlees dat men nu kan maken, zou vooral geschikt zijn als vervanging van het meest gestandaardiseerde, breed verkrijgbare, in de fabriek geproduceerde vlees dat er bestaat: de kipnugget. Maar de nuggets van Eat Just kostten 17 dollar per portie: met zo’n prijs kan het op de consumentenmarkt nooit wat worden, en dan was die prijs uit marketingoverwegingen wellicht nog sterk verlaagd. Kipnuggets kosten veel en veel minder dan 25 dollar per kilo – dat is eerder de prijs die je zou betalen voor scharrelrundvlees.

    Investeringen van de overheid in cellulaire landbouw zouden heel goed kunnen passen in de Green New Deal

    De beste oplossing voor deze problemen zou weleens dezelfde strategie kunnen zijn die de Amerikaanse overheid een eeuw geleden hanteerde om de landbouw te industrialiseren: flink investeren in onderzoek en ontwikkeling via openbare universiteiten, nationale laboratoria en royale subsidies. Met al het enthousiasme voor de Green New Deal en de klimaatambities van Bidens regering is er nu ongewoon veel ruimte voor overheidsinvesteringen in duurzame technologie. Substantiële en structurele investeringen van de overheid in cellulaire landbouw zouden heel goed kunnen passen in het beleidspakket dat hier uiteindelijk uit rolt. En in algemenere zin zouden regeringen er goed aan doen om te luisteren naar economen zoals Mariana Mazzucato, die redeneren dat gerichte publieke investeringen in innovatie van cruciaal belang zijn voor het algemeen welzijn. We zien nu al initiatieven voor dit soort proactieve investeringen en regelgeving in staten als Singapore en Israël.

    Dit kan voor het bedrijfsleven de drempel verlagen om er ook in te stappen en kan bijdragen aan de ontwikkeling van regelgeving, zoals een moratorium op het gebruik van kalfsserum en de invoering van sectorbrede veiligheidsnormen. Met regelgeving moet je ook afdwingen dat de kweekvleesindustrie onder vakbondstoezicht komt te staan en dat bij de werving van personeel waar mogelijk voorrang wordt gegeven aan afgevloeide maar gekwalificeerde werknemers uit de conventionele vleesindustrie. Het intellectueel eigendom van de technologie kan in publieke handen blijven.

    De kritiek op cellulaire landbouw is veelal dystopisch: een toekomstvisioen van voedselgiganten die een weerloze bevolking nepvlees door de strot duwen en aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Ironisch genoeg is dat een accurate beschrijving van het voedselsysteem dat we nu hebben. Een wereld waarin de nugget uit de bio-industrie wordt vervangen door een nugget uit de bioreactor zou een grote stap voorwaarts zijn voor dier en milieu. En gepaard aan een vooruitstrevend industrie- en landbouwbeleid kan het ook een grote stap voorwaarts zijn op het gebied van arbeid, publieke investeringen, landgebruik en duurzame landbouw. Nee, dit is geen magische remedie tegen alles wat er mis is met onze voedselproductie; zo’n panacee bestaat niet. Maar het is een begin. Kipnuggets staan misschien voor alles wat er mis is met ons huidige voedselsysteem, maar kweeknuggets zouden best eens kunnen bijdragen aan een duurzamere toekomst.

  • Turkije ratificeert akkoord van Parijs | Pastoor in ongenade na seks- en drugsfeest

    Turkije ratificeert akkoord van Parijs | Pastoor in ongenade na seks- en drugsfeest

    Turkije ratificeert het klimaatakkoord van Parijs

    Het heeft zes jaar geduurd, maar Ankara heeft eindelijk het klimaatakkoord van Parijs geratificeerd. Met één beperking, schrijft Climate Change News: ondanks zijn status als ontwikkeld land heeft Turkije eenzijdig besloten de overeenkomst uit te voeren als ontwikkelingsland, waardoor het in theorie toegang zou krijgen tot financiële steun.

    Climate Change News meldt ook dat de regering tegelijkertijd de doelstelling om de CO2-uitstoot te beperken tot nul in 2053 heeft goedgekeurd. Nu moeten alleen Iran, Irak, Eritrea, Libië en Jemen het verdrag nog ratificeren.

    Lees ook:


    Meer ziekenhuisopnames tijdens Spelen

    Tijdens de Olympische Spelen van Tokio werden in totaal vijfentwintig mensen in het ziekenhuis opgenomen vanwege covid-19, in plaats van de aanvankelijk gemelde vijf, aldus de organisatoren vorige week, bericht AsiaOne. ‘De eerste vijf die we rapporteerden, betrof uitsluitend het aantal overzeese gasten dat in het ziekenhuis werd opgenomen’, verklaarde Toshiro Muto, directeur van de Spelen.

    Tijdens de Spelen zag Tokio het aantal gevallen stijgen tot 25.000 dagelijkse besmettingen

    Het evenement werd grotendeels zonder toeschouwers gehouden. Tijdens de Spelen zag gaststad Tokio het aantal gevallen stijgen tot een recordhoogte van 25.000 dagelijkse besmettingen, maar binnen de hermetisch gesloten bubbel van ruim 50.000 Olympische bezoekers en deelnemers bleef het aantal besmettingen laag met 863 bevestigde positieve gevallen.

    Lees ook:


    Italiaanse pastoor in ongenade na seks- en drugsfeesten

    De veertigjarige Italiaanse geestelijke Don Francesco Spagnesi, die halverwege september zijn post als pastoor van de Annunciatie-parochie in Prato in handboeien moest verlaten omdat hij ervan wordt beschuldigd cocaïne en de ‘verkrachtingsdrug’ GBL (de grondstof voor GHB) te hebben ingevoerd en verhandeld, wordt inmiddels verdacht van nog meer kwalijke zaken. Hij zou niet alleen zeker 200.000 euro hebben verduisterd door een greep te doen in de offergaven van zijn gelovigen en in de kas van de Curie, dit alles om zijn drugshandel te financieren, maar het Openbaar Ministerie van Prato onderzoekt nu ook of de priester het toebrengen van zwaar fysiek leed dan wel verwijtbaar onzorgvuldig handelen ten laste kan worden gelegd, bericht Corriere della Sera.

    Don Francesco is namelijk hiv-positief en hij zou seks- en drugsfeesten hebben georganiseerd waaraan hij zelf ook deelnam, zonder dat de andere feestvierders van zijn besmetting op de hoogte waren. Zijn ‘verloofde’ Alessio Regina, die eveneens is gearresteerd voor drugshandel, heeft dit het OM laten weten.

    De van cocaïne en GLB vergeven feesten van Don Francesco en Alessio werden bezocht door artsen, managers, ondernemers en bankiers die online werden geronseld, ook al beweert het tweetal dat het slechts om ‘intimi’ ging. De feesten vonden frequent plaats en telden soms meer dan tweehonderd deelnemers.

    Don Francesco zou, ondanks dat hij hiv-positief is, aan onbeschermde seks hebben gedaan

    Op de vraag aan Don Francesco of hij, ondanks dat hij hiv-positief is, aan onbeschermde seks had gedaan, zou hij ja hebben gezegd tegen het OM. Het is nog niet bekend of Spagnesi daadwerkelijk iemand heeft besmet, maar het lijkt erop dat enkele van de deelnemers aan de feesten positief hebben getest op hiv. Onderzocht wordt nu of die besmettingen te traceren zijn naar Spagnesi.

    Federico Fabbo, de advocaat van de in ongenade gevallen pastoor, ziet vooralsnog alleen maar ‘hypothesen’ over de handel en wandel van zijn cliënt en wijst erop dat de hiv-status van Don Francesco een bekend feit was.

    Lees ook:

  • ‘Mogelijk bod’ op Chinese vastgoedreus Evergrande  | Cv-ketel is grote vervuiler in VK

    ‘Mogelijk bod’ op Chinese vastgoedreus Evergrande | Cv-ketel is grote vervuiler in VK

    Gasketel is grote vervuiler in VK

    Volgens een analyse van de Britse ngo Possible produceren de miljoenen particuliere gasketels in het Verenigd Koninkrijk twee keer zoveel CO2 als alle gasgestookte elektriciteitscentrales van het land samen. Dat onderstreept de dringende behoefte aan krachtig overheidsbeleid om snel koolstofarme verwarming door bijvoorbeeld warmtepompen te introduceren, aldus de onderzoekers. Warmtepompen werken op elektriciteit en zijn efficiënter, maar kosten veel meer om te installeren dan gasboilers. Het VK loopt achter op de meeste Europese landen als het gaat om warmtepompen, aldus The Guardian.

    Het energieverbruik thuis zorgt voor ongeveer 15 procent van alle broeikasgassen in het VK

    Voor de analyse werden overheidsgegevens gebruikt om CO2-emissies en luchtvervuiling te schatten die worden geproduceerd door particuliere gasboilers en door elektriciteitscentrales. Zo bleek dat particuliere gasketels in een stad als Leeds dezelfde hoeveelheid CO2 uitstoten als een gascentrale. Het energieverbruik thuis zorgt voor ongeveer 15 procent van alle broeikasgassen in het VK.

    Uit de gegevens blijkt ook dat gasketels thuis acht keer zoveel stikstofdioxide produceren als elektriciteitscentrales. NO2 is een luchtverontreinigende stof die in het VK jaarlijks tienduizenden vroegtijdige sterfgevallen veroorzaakt.

    Lees ook:


    Evergrande schorst handel op beurs van Hongkong op

    De Chinese vastgoedgigant Evergrande, die op de rand van het faillissement staat, heeft volgens South China Morning Post maandag de handel in zijn aandelen op de beurs van Hongkong opgeschort ‘in afwachting van een mogelijke verkoop van een meerderheidsbelang in de vastgoedbeheertak’. Evergrande is de vastgoedontwikkelaar met de ‘hoogste schulden ter wereld’ – maar liefst 300 miljard dollar –, aldus de krant.

    Een mogelijk faillissement van Evergrande zou een groot effect hebben op de Chinese vastgoedsector en banken

    De financiële gemeenschap heeft al enkele weken geen vertrouwen meer in de capaciteiten van het bedrijf om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, en de Chinese regering lijkt niet bereid de groep uit de brand te helpen. Een mogelijk faillissement van Evergrande, dat het op één na grootste vastgoedbedrijf is van China, zou een groot effect hebben op de Chinese vastgoedsector en banken.

    De vastgoedtak van Evergrande verklaarde tegenover SCMP dat ze in afwachting is van een ‘mogelijk algemeen bod’ op haar aandelen.

    Lees ook:


    7000 stappen per dag voor een langer leven

    Om kansen op een lang leven te vergroten moeten we minstens 7000 stappen per dag zetten of meer dan 2,5 uur per week sporten beoefenen als tennis, fietsen, zwemmen, joggen of badminton, zo blijkt uit twee grootschalige nieuwe onderzoeken. De twee onderzoeken, die samen meer dan 10.000 mannen en vrouwen decennialang volgden, tonen aan dat de juiste soort en hoeveelheid lichaamsbeweging het risico op vroegtijdig overlijden met maar liefst 70 procent vermindert. Activiteit boven een bepaald plafond voegt waarschijnlijk geen jaren aan onze levensduur toe en kan in extreme gevallen zelfs schadelijk zijn, schrijft The New York Times.

    Eerder onderzoek suggereerde al dat actieve mensen langer leven dan degenen die zelden bewegen. Maar wetenschappers stelden niet eerder vast in hoeverre beweging al dan niet kan worden geassocieerd met een langere levensduur.

    De sterfterisico’s bleven dalen naarmate het aantal stappen steeg

    Mannen en vrouwen die ten minste 7000 dagelijkse stappen zetten toen ze aan het onderzoek deelnamen, hadden ongeveer 50 procent minder kans om te overlijden dan degenen die minder dan 7000 stappen zetten. De sterfterisico’s bleven dalen naarmate het aantal stappen steeg, tot wel 70 procent minder kans op vroegtijdig overlijden bij degenen die meer dan 9000 stappen zetten. Bij 10.000 stappen vlakken de voordelen af. ‘Er was een punt van afnemende meeropbrengst,’ zegt Amanda Paluch, universitair docent kinesiologie aan de Universiteit van Massachusetts Amherst, die een van de twee studies leidde. Mensen die meer dan 10.000 stappen per dag zetten, leefden zelden langer dan degenen die minstens 7000 stappen deden.

  • Bitcoin zorgt voor berg elektronisch afval | Japan gaat radioactief water in zee lozen

    Bitcoin zorgt voor berg elektronisch afval | Japan gaat radioactief water in zee lozen

    Afval van één bitcointransactie ‘als het weggooien van twee iPhones’

    Een enkele bitcointransactie genereert dezelfde hoeveelheid elektronisch afval als wanneer je twee iPhone twaalf mini’s in de prullenbak mikt, zo blijkt uit een analyse van economen van De Nederlandsche Bank en MIT. De ecologische voetafdruk van bitcoin is inmiddels goed bestudeerd, maar er is minder bekend over het grootschalige verbruik van de benodigde hardware, aldus The Guardian.

    De gespecialiseerde computerchips moeten voortdurend worden vervangen door nieuwe, krachtiger versies

    Voor het minen van cryptomunten worden gespecialiseerde computerchips gebruikt, ASIC’s genaamd, maar omdat alleen de nieuwste chips energiezuinig genoeg zijn om winstgevend te kunnen blijven minen, moeten ASIC’s voortdurend worden vervangen door nieuwe, krachtiger versies. Als gevolg hiervan wordt geschat dat het hele bitcoinnetwerk momenteel 30,7 metrische kiloton apparatuur per jaar verbruikt. Dat is vergelijkbaar met de hoeveelheid klein afval aan IT- en telecommunicatieapparatuur die door een land als Nederland wordt geproduceerd, volgens onderzoekers Alex de Vries en Christian Still.

    Lees ook:


    Zuid-Korea uit kritiek op Japan om lozing radioactief water

    Tijdens een bijeenkomst van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) vorige week week, heeft Zuid-Korea kritiek geleverd op het besluit van Japan om behandeld radioactief water dat afkomstig is uit de verwoeste kerncentrale van Fukushima, in zee te lozen. Een vertegenwoordiger van de Zuid-Koreaanse regering zei op de Algemene Conferentie van de IAEA in Wenen dat Japan het besluit tot de waterlozing eenzijdig heeft genomen zonder te overleggen met zijn naaste buur Zuid-Korea, meldt The Japan Times.

    China was al eerder kritisch over het Japanse plan om het water te lozen

    Seoel roept Tokio op om het plan te heroverwegen en verlangt grotere Zuid-Koreaanse betrokkenheid bij de beoordeling van de geplande waterafvoer door een team van IAEA. Buurland China was al eerder kritisch over het Japanse plan om het water te lozen, maar noemde de kwestie niet in een maandag uitgegeven verklaring.

    In april maakte de Japanse regering plannen bekend om het gezuiverde water, dat radioactief tritium bevat, mogelijk vanaf 2023 in zee te lozen.

    Lees ook:


    Australië heft reisverbod op in november

    ‘Australië zal zijn grenzen na achttien maanden weer openstellen’, bericht The Sydney Morning Herald. De Australische premier Scott Morrison heeft vrijdag aangekondigd dat Australische burgers die volledig zijn ingeënt tegen covid-19 vanaf november weer internationaal mogen reizen. ‘De grenzen van het land werden op 20 maart vorig jaar radicaal gesloten’, schrijft de krant.

    Lees ook:

  • ‘Klimaatneutrale’ kaas en vuilniszakken: greenwashing of stap in de goede richting?

    ‘Klimaatneutrale’ kaas en vuilniszakken: greenwashing of stap in de goede richting?

    CO2-neutrale kaarsen, kaasproducten, vuilniszakken: wat op het eerste gezicht milieuvriendelijk lijkt, is vaak pure greenwashing waarmee bedrijven als Hochland, Aldi Süd en Nestlé zich er gemakkelijk van afmaken. Zelf verklaren de bedrijven dat ze op weg zijn naar ‘net zero’.

    Als we zuivelbedrijf Hochland mogen geloven is vrijwel geen kaas zo duurzaam als zijn eigen Grünlander-plakken met milde nootachtige smaak. Met maar liefst vier ecolabels (Marke Eigenbau) prezen de Allgäuers tot voor kort hun product aan: aan de beloftes van ‘natuurlijke ingrediënten’, ‘meer dierenwelzijn’ en ‘een optimaal recyclebare verpakking’ werd als nieuwste snufje van duurzaam marketen het keurmerk ‘100% klimaatneutraal geproduceerd’ toegevoegd. Deze kaas riep klimaatverandering een halt toe.  

    Met die belofte worden niet alleen de plakken kaas met milde nootachtige smaak verkocht. Van vis en kaarsen tot fruit en vuilniszakken – in alle branches prijzen fabrikanten hun waar als ‘klimaatneutraal’ aan. Emissievrij lijkt het nieuwe bio. Maar hoeveel daarvan is werkelijk milieubescherming – en hoeveel greenwashing?

    Hochland kreeg in elk geval problemen met zijn kwalificatie ‘100% klimaatneutraal geproduceerd’. De Wettbewerbszentrale, het zelfregulerende orgaan van het Duitse bedrijfsleven, beoordeelde deze aanprijzing onlangs als ‘misleidend’. Het mededingingscentrum gaf een waarschuwing aan in totaal twaalf bedrijven die op soortgelijke wijze de term ‘klimaatneutraal’ hanteerden. Onder hen ook Aldi Süd. Deze discountreus pocht ermee Duitslands ‘eerste klimaatneutrale levensmiddelendetaillist’ te zijn.

    CO2-certificaten

    Het keurmerk klimaatneutraal suggereert dat dit resultaat ‘uitsluitend bereikt wordt door zelf emissie te vermijden’, zegt Tudor Vlah van het mededingingscentrum. Vaak is dat helemaal niet het geval. Bedrijven kopen doorgaans via aanbieders als ClimatePartner CO2-certificaten die hun uitstoot moeten compenseren. Het eigen productieproces kan zo grotendeels intact blijven. Bovendien komen deze certificaten vaak van projecten in ontwikkelingslanden, waarvan de effectiviteit omstreden is. 

    Zuivelbedrijf Hochland staat erom bekend dat het alles graag een beetje aandikt: hun reclame met ‘uitloopkoeien’ kreeg al eerder een waarschuwing. Alleen uit de kleine lettertjes viel op te maken dat de dieren niet vrij in de wei konden lopen, maar alleen in de stal. Met zijn ‘klimaatneutrale productie’ doet Hochland nu exact hetzelfde: op basis van de laatste cijfers stoten de beide grote vestigingen van het bedrijf elk jaar ruim 20.000 ton CO2-equivalenten uit. Die hoeveelheid is ongeveer vergelijkbaar met de uitstoot van het op een neer vliegen van alle regeringsambtenaren tussen Berlijn en Bonn. 

    De afgelopen jaren heeft Hochland op eigen kracht precies 11 procent besparing per ton eindproduct gerealiseerd – en grotendeels door om te schakelen op stroom uit hernieuwbare energiebronnen, zoals het bedrijf bevestigt. De resterende kloof naar zogeheten klimaatneutraliteit werd gedekt door certificaten.

     ‘Bij termen als “klimaatneutraal produceren” gaan bij mij alle alarmbellen af’

    Matthias Finkbeiner, directeur van het Institut für Technische Umweltschutz van de TU Berlijn, is uiterst kritisch over deze aflaathandel. Certificaten kunnen vaak zo goedkoop verkregen worden dat ze elke prikkel om de eigen productie energie-efficiënt te maken tenietdoen, zegt de expert in levenscyclusanalyse. ‘Bij termen als “klimaatneutraal produceren” gaan bij mij alle alarmbellen af.’ Dat soort formuleringen verdoezelt vaak dat de eigen bijdrage aan uitstootvermindering ‘uitermate gering is’.

    Dat geldt vooral voor branches die voor hun emissies niet hoeven te betalen. Terwijl energieconcerns voor elke ton CO2 inmiddels nog altijd ruim 50 euro moeten ophoesten, is compensatie voor bijvoorbeeld de levensmiddelensector vrijwillig – zij kunnen zich tegen een koopje ‘klimaatneutraal’ maken. Zo betaalde Hochland hooguit 3,70 euro per ton.

    Als klimaatkoopman voor het zuivelbedrijf fungeerde Plant for the Planet, een organisatie die door activist Felix Finkbeiner (23) werd opgericht. Hij hielp Hochland niet alleen aan gunstige compensatieprojecten, maar initieerde ook acties met een hoogst dubieus nut voor het klimaat – bijvoorbeeld het aanplanten van bomen in Mexico om de klimaatopwarming af te remmen. Daarvoor oogstte hij veel lof van de Friday for Future-beweging, maar uiteindelijk kwamen er zoveel berichten over de gebrekkige controleerbaarheid van Finkbeiners succesverhalen, dat Hochland de samenwerking met zijn organisatie opschortten. 

    Finkbeiner zelf verzekert dat voor elke euro een boom wordt geplant en dat aan verbetering van de transparantie hard wordt gewerkt.

    Hypothese

    In de markt voor verhandelbare CO2-compensatie gaan miljarden om – het is een speelplaats voor tal van valideerders, certificeerders, adviseurs en handelaren die concerns inpalmen met de belofte dat ze hen de verantwoordelijkheid voor het klimaat uit handen nemen. In werkelijkheid verschuiven ze het probleem vaak alleen maar, naar projecten in armere landen. Zelfs in de verplichtende emissiehandel worden zulke vreemde plannen goedgekeurd dat het verantwoordelijke VN-klimaatsecretariaat steeds weer certificeerders moet buitensluiten. Onder hen inmiddels ook TÜV Süd.

    Hochland heeft gevolg gegeven aan de waarschuwing van het mededingingscentrum en is met zijn reclame gestopt. Aldi Süd daarentegen voelt zich ten onrechte aan de schandpaal genageld. De slogan van ‘eerste klimaatneutrale levensmiddelendetaillist’ willen ze zich kennelijk niet door de mededingingshoeders laten ontnemen. 

    ‘Onze missie: nauwelijks emissie,’ rijmt Aldi op zijn homepage

    ‘Bewust hebben we onszelf niet “emissievrij” genoemd, maar alleen “klimaatneutraal in de zin van evenwicht in de CO2-balans”,’ zegt het bedrijf spitsvondig. Daarvoor is een heleboel werk verzet, ze hebben het energiemanagement efficiënter gemaakt en in nieuwe technologieën geïnvesteerd. Maar evenals Hochland claimt de discounter dat hij de grootste besparing gerealiseerd heeft door ‘omschakeling op 100% groene stroom’.  

    Aldi Süd lijkt met ruim 100.000 ton CO2-uitstoot bepaald een kleintje vergeleken met concerns als Bosch of Nestlé die boven de 100 miljoen uitkomen. Hoe hen dat lukt? De discounter berekent alleen de eigen CO2-voetafdruk en niet die van de totale keten aan toegevoegde waarde. 

    ‘Onze missie: nauwelijks emissie,’ rijmt Aldi op zijn homepage. Het bedrijf presenteert er vier compensatieprojecten. In India bijvoorbeeld krijgt de discounter op zijn balans ruim 30.000 ton per jaar gecrediteerd vanwege zijn financiële steun aan een zonne-energiecentrale. Deze vervangt volgens Aldi ‘de stroom uit fossiele energiedragers door zonnestroom’.

    ‘Dat klinkt mooi, maar is niet meer dan een hypothese,’ zegt expert Matthias Finkbeiner. In India is sprake van een groeiende primaire energiebehoefte; daarom ligt het niet voor de hand dat bestaande kolencentrales vervangen worden.

    Houtskooloventjes

    Ook het project in Ghana waar kleine efficiënte houtskooloventjes het kappen van brandhout in de bossen en de luchtverontreiniging moeten minimaliseren, lijkt geen eenduidig effect op te leveren. Toch crediteren 24 bedrijven hun emissiebalans met dit project. De controleurs van het Chinese filiaal van TÜV Rheinland moesten de besparingsprestaties van deze oventjes al volgens een beoordelingsverslag uit 2014 met circa 40 procent terugschroeven. Maar dankzij uitbreiding van het aantal ovens zijn de emissiedoelen volgens de promotors van het project toch behaald.

    Al even omstreden is een door de discountketen gefinancierd bosbeschermingsproject in Brazilië. Met dit plan in de nabijheid van de stad Portel in het oostelijke Amazonegebied kan Aldi 66.000 ton CO2-equivalenten compenseren, het merendeel van zijn emissies. Exploitant van dit project is Michael Greene, een Amerikaanse ingenieur, die ruim tien jaar geleden zijn baan bij Honda opgaf om het Braziliaanse regenwoud te redden. Na alles wat Greene aan de telefoon en per mail heeft laten weten, lijkt ‘het beste er maar van hopen’ een wezenlijke parameter van het project. 

    De Amerikaan heeft kennelijk een groep bosbezitters gevonden die hun 150.000 hectare waarop ze voorheen hout kapten, tot privaat beschermingsgebied verklaarden. Bedrijven als Aldi betalen als het ware een schadeloosstelling aan de bosbezitters om af te zien van kaalslag in het beschermde gebied; in ruil daarvoor krijgen de concerns emissierechten. Jaarlijks zou het project 364.000 ton aan CO2-equivalenten opleveren; naast Aldi rekenen nog ruim honderd bedrijven zich hiermee groen.

    Nestlé stoot met ruim 100 miljoen ton broeikasgassen meer dan tweemaal zoveel uit dan thuisbasis Zwitserland

    Maar of het werkt, weet zelfs Greene niet precies. ‘Het is hier wildwest,’ zegt hij aan de telefoon. De eigendomsrechten zijn vaak onduidelijk en of de hier traditioneel levende rivierbewoners, die Greene ook aan zijn project wil verplichten, hun land niet toch verzilveren, houden zij voor zich: ook de rivierbewoners kunnen volgens Greene ‘doen met hun land wat ze willen’. Bovendien wil de Braziliaanse president Jair Bolsonaro legalisering van illegale houtkap door kolonisten zelfs achteraf mogelijk maken. 

    Nestlé wil nu het goede voorbeeld geven. Het grootste levensmiddelenbedrijf ter wereld heeft aangekondigd in 2050 klimaatneutraal te willen werken en heeft daartoe onlangs zijn net zero roadmap uitgebracht. Er moet nogal wat gebeuren: met ruim 100 miljoen ton broeikasgassen stoot het bedrijf meer dan tweemaal zoveel uit dan zijn thuisbasis Zwitserland.

    Nestlé gelooft in groene groei en wil dit doel vooral bereiken via toepassing van klimaatvriendelijke technologie. Maar zelfs dan blijft er een miserabele rest over van toch altijd nog een paar miljoen ton broeikasgassen. Die moet eveneens gecompenseerd worden met gigantische boomplantacties in met name ontwikkelingslanden.

    Michel Pimbert, hoogleraar agrarische ecologie aan de universiteit van Coventry, vertrouwt het plan niet. Zulke compensatieprojecten kunnen volgens hem ‘tot een nieuwe golf van grootschalig landjepik op het zuidelijk halfrond leiden en gewelddadige conflicten met verdreven lokale gemeenschappen vooroorzaken’.

    In plaats van hen met onze compensatieprojecten op te zadelen zou het volgens Pimbert eerlijker zijn om nu eindelijk eens de consumptie in de westerse wereld te verminderen. 

  • De toekomst van de landbouw op een steeds warmere planeet

    De toekomst van de landbouw op een steeds warmere planeet

    Om de voedselvoorziening op peil te houden houden moet de landbouw zich aanpassen aan een opwarmende aarde. Want door klimaatverandering is de landbouwproductiviteit sinds 1971 met een vijfde verminderd.

    Tom Eisenhauer weet nog dat hij meer dan tien jaar geleden door Manitoba reed, een provincie in Centraal Canada. Rond zijn auto strekten zich akkers vol koudweergewassen uit, zoals tarwe, erwten en koolzaad. Velden met voedzame gewassen als mais en soja, die winstgevender zijn, waren schaars en lagen op grote afstand van elkaar. 

    Nu ziet het er heel anders uit. Meer dan 5300 vierkante kilometer is ingezaaid met soja en zo’n 1500 met mais. Eisenhauers bedrijf Bonnefield Financial hoopt te profiteren van de manieren waarop klimaatverandering de Canadese landbouw beïnvloedt. Het bedrijf koopt landbouwgrond op en verpacht die aan boeren, in Manitoba en elders in het land. Het bedrijf gokt erop dat een warmer klimaat de waarde van zijn aangekochte grond geleidelijk zal doen stijgen, omdat boeren in staat worden gesteld waardevoller gewassen te verbouwen dan ze van oudsher gewend zijn. Het is lang niet het enige bedrijf dat daarop inzet. De klimaatverandering kan land dat ooit onvruchtbaar en onproductief was vanwege de kou in een ware hoorn des overvloeds veranderen. Ze kan ook grote schade aanrichten in regio’s die miljoenen mensen voeden.

    Sinds 1700 is het areaal aan akker- en weidegrond vervijfvoudigd

    De hoeveelheid grond die wordt gebruikt om voedsel te produceren neemt al eeuwenlang toe. Sinds 1700 is het areaal aan akker- en weidegrond vervijfvoudigd. De meeste groei dateert van halverwege de twintigste eeuw. Vanaf de jaren zestig hebben het grootschalige gebruik van kunstmest en de ontwikkeling van productievere graan- en rijstsoorten er in combinatie met een grotere beschikbaarheid van irrigatiemiddelen, pesticiden en machinerie voor gezorgd dat boeren een veel beter rendement konden halen uit de akkers die ze al bewerkten. De afgelopen decennia hebben technologieën als genome editing en betere dataverwerking de oogsten nog verder opgestuwd.

    De wereldwijde temperatuurstijging die aan het eind van de twintigste eeuw is begonnen, heeft de productiviteitstoename vertraagd maar niet tot stilstand gebracht. Volgens een recente studie van Cornell University in de staat New York heeft de door menselijk handelen veroorzaakte klimaatverandering de landbouwproductiviteit sinds 1971 met een vijfde verminderd.

    Tegenwind

    De ‘tegenwind’ die door klimaatverandering wordt veroorzaakt zal alleen maar sterker worden, zegt Ariel Ortiz-Bobea, een van de auteurs van de studie. Hun onderzoek wees uit dat elke fractie van een graad extra schadelijker is voor de voedselproductie dan de vorige. Dat is vooral slecht nieuws voor voedselproducenten op plekken waar het al warm is, zoals de tropen. Een andere studie voorspelt dat met elke graad die de temperatuur wereldwijd stijgt, de maisoogst zal dalen met 7,4 procent, de tarweoogst met 6 procent en de rijstoogst met 3,2 procent. Deze drie gewassen leveren twee derde van alle calorieën die de mensheid consumeert.

    De komende decennia zullen er meer monden zijn om te voeden. Het Institute for Health Metrics and Evaluation, een Amerikaanse onderzoeksgroep, schat dat de wereldbevolking zal stijgen van 7,8 miljard nu naar 9,7 miljard in 2064 (om vervolgens weer te dalen). De groeiende middenklasse in veel ontwikkelingslanden eist een gevarieerder en ruimer voedselaanbod.

    Daarom zijn de manieren waarop landbouwarealen onder invloed van de opwarming van de aarde zullen veranderen zo belangrijk. Doordat de tropen zich uitbreiden, zullen de regenpatronen in de subtropen veranderen. Met name door de snelle opwarming van de polen komt er met dezelfde snelheid landbouwgrond in hogebreedtegraadregio’s beschikbaar. De noordelijkste delen van Amerika en China warmen minstens twee keer zo snel op als het wereldwijde gemiddelde. Zoals de ervaring van Eishenhauer in Manitoba uitwijst, verplaatsen gewassen zich als reactie al steeds verder poolwaarts.

    Lees ook:

    Een studie van Colorado State University die in 2020 in het blad Nature werd gepubliceerd constateerde aanzienlijke veranderingen in de verdeling van verschillende van regen afhankelijke gewassen in de periode 1972-2012, toen boeren andere beslissingen begonnen te nemen over welke gewassen ze waar plantten. De maisproductie bijvoorbeeld breidde zich uit van het zuidoosten van Amerika naar het noordelijke middenwesten. Tarwe is dankzij nieuwe irrigatiemethodes in zo’n sterke mate naar het noorden opgerukt dat het de opwarming de loef afsteekt: de warmste plekken waar het momenteel wordt verbouwd zijn koeler dan de warmste plekken waar het in 1975 groeide. 65 procent van alle eiwitten die aan vee worden toegediend is afkomstig van sojabonen. Deze wonderbonen zijn zowel in noordelijke als zuidelijke richting opgerukt, nu nieuwe rassen en andere vindingen het verbouwen ervan ook in tropische regio’s mogelijk maken. De gebieden in China waar rijst wordt verbouwd hebben zich sinds 1949 steeds verder naar het noorden uitgebreid. Ook wijndruiven en andere vruchten zijn naar het noorden gemigreerd.

    De stoutmoedigste investeerders zien kansen in landen waar momenteel totaal geen landbouw plaatsvindt

    Volgens Eisenhauer tellen investeerders steeds grotere bedragen neer voor Canadese landbouwgrond om zich in te dekken tegen de klimaatrisico’s die ze elders lopen. Martin Davies van Westchester, een groot landbouwinvesteringsbedrijf, zegt dat hij in veel andere delen van de wereld overeenkomstige trends ziet.

    De stoutmoedigste investeerders zien kansen in landen waar momenteel totaal geen landbouw plaatsvindt. Momenteel kent wereldwijd maar een derde van alle boreale regio’s, een bioom van hoofdzakelijk coniferenbossen dat uitgestrekte gebieden ten zuiden van de poolcirkel beslaat, temperaturen die hoog genoeg zijn om de meest winterharde graangewassen te verbouwen, zoals haver en gerst. Dit zou zich tot 2099 kunnen uitbreiden tot drie kwart, volgens een in 2018 in het blad Scientific Reports gepubliceerde studie (zie kaart). Het aandeel van boreaal land waar landbouw mogelijk is, zou zich in Zweden kunnen uitbreiden van 8 tot 41 procent. In Finland zou het kunnen toenemen van 51 tot 83 procent.

    Pogingen om deze gebieden te bebouwen zullen mensen alarmeren die de boreale bossen willen behouden. En door het kappen van zulke bossen en het omploegen van de grond die eronder ligt zal kooldioxide vrijkomen. Maar de klimatologische gevolgen zijn niet zo eenvoudig als ze lijken te zijn. De noordelijke bossen absorberen meer zonnewarmte dan open landbouwgrond, omdat de door sneeuw bedekte landbouwgrond licht terugkaatst naar de ruimte (in bossen ligt de sneeuw onder de bomen en schijnt de zon er niet zo recht op). Maar dat het kappen van boreale bossen de klimaatverandering misschien niet zal verhevigen zegt niets over de mate waarin het de biodiversiteit, het ecosysteem of het leven van met name inheemse bosbewoners kan beïnvloeden.

    Klimaatverandering als zegen

    Sommige regeringen popelen om de klimaatverandering te gelde te maken. Rusland ziet hogere temperaturen al lange tijd als een zegen. President Vladimir Poetin pochte eens dat die Russen in staat zou stellen minder geld aan bontjassen te besteden en meer graan te verbouwen. In 2020 schetste een ‘nationaal actieplan’ voor klimaatverandering op welke manieren het land ‘de voordelen ervan kon benutten’, zoals door het uitbreiden van de landbouw. Sinds 2015 is Rusland de grootste tarweproducent ter wereld, voornamelijk vanwege de hogere temperaturen.

    De Russische regering is al begonnen met het verpachten van duizenden vierkante kilometers grond in het verre oosten van het land aan Chinese, Zuid-Koreaanse en Japanse investeerders. Een groot deel van het ooit onvruchtbare land wordt nu gebruikt voor het verbouwen van sojabonen. Het grootste deel daarvan wordt geïmporteerd door China, dat daardoor minder afhankelijk wordt van import uit Amerika. Sergej Levin, de Russische onderminister van Landbouw, heeft voorspeld dat de waarde van de sojaexport uit het verre oosten van Rusland in 2024 zeshonderd miljard dollar zal belopen. Dat zou dan bijna vijf keer zoveel zijn als in 2017. Ook het bestuur van Newfoundland en Labrador, een provincie op het noordoostelijke puntje van Canada, probeert de uitbreiding van landbouw te bevorderen naar land dat nu nog door bossen wordt bedekt.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/activisten-leggen-voedselsysteem-bloot

    Behalve door middel van hogere temperaturen is er nog een manier waarop de veranderingen die de mensheid in de atmosfeer veroorzaakt zulke projecten een zetje kunnen geven. Kooldioxide is niet alleen maar een broeikasgas; het is ook de grondstof voor de fotosynthese die planten in staat stelt te groeien en zich te voeden. Voor de meeste planten betekent meer kooldioxide meer groei. De toename van kooldioxide gedurende de afgelopen eeuw heeft tot een duidelijk meetbare ‘wereldwijde vergroening’ geleid dankzij de planten die het meest van meer kooldioxide profiteren. Maar dat is niet onverdeeld goed. Grotere oogsten hoeven geen voedzamer oogsten te zijn.

    Bovendien zal de klimaatverandering de regenpatronen veranderen. Daarvan hoeven plannen voor meer landbouw in noordelijke klimaten niet per se te profiteren. Veel gebieden die mild genoeg worden voor landbouw zullen uiteindelijk met watergebrek te kampen krijgen, althans zonder intensieve irrigatie. Andere zullen te veel water krijgen. Gewassen zijn niet de enige organismen waarvan het bereik zich uitbreidt naarmate de temperatuur stijgt: epidemieën en ziektekiemen, die vaak door koude winters worden gedood, verspreiden zich ook. Ook de bodem is van belang. De beste grond tref je meestal aan op lagere breedtegraden, niet in het uiterste noorden.

    Nieuwe landbouwgrond

    Sommige nieuwe landbouwgrond staat op het punt gerealiseerd te worden. Maar de ontginning van afgelegen regio’s van Siberië, om maar een voorbeeld te noemen, waar een groot deel van de bestaande infrastructuur al wegzakt en uiteenvalt vanwege de smeltende permafrost, zal traag en kostbaar zijn. Ook zullen afgelegen boerenbedrijven veel meer werknemers moeten aantrekken en huisvesten. Ze zullen in toenemende mate aangewezen zijn op buitenlandse migranten, een idee dat stemmers in veel rijke landen niet bepaald zal aanspreken.

    Al met al zal de noordwaartse uitbreiding van landbouwgrond de schade die klimaatverandering voor de landbouw impliceert maar tot op zekere hoogte beperken. De maatschappijen die er het meest van zullen profiteren zijn ook nu al het rijkst. Arme contreien, die veel meer afhankelijk zijn van inkomsten van de export van landbouwproducten, zullen eronder lijden.

    Er zal een veel groter scala van aanpassingen nodig zijn om voedsel even overvloedig, gevarieerd en betaalbaar te houden als vandaag de dag. Daartoe zullen pogingen behoren om gewassen bestand te maken tegen hogere temperaturen, bijvoorbeeld door slimmere veredelingswijzen, innovaties op irrigatiegebied en bescherming tegen barre weersomstandigheden. Ook zullen zowel rijke als arme landen het verminderen van de voedselverspilling tot prioriteit moeten verheffen (volgens schattingen van de VN Landbouw- en Voedselorganisatie wordt meer dan een derde van al het voedsel weggegooid). Het alternatief zal een wereld zijn die meer honger heeft en ongelijker is dan op dit moment, en misschien wel ooit in het verleden.

    Lees ook:

  • Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling

    Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling

    De wereldvoedselproductie is voldoende voor 12 miljard mensen, 3 miljard meer dan er nu op de wereld zijn. Desondanks lijdt bijna 10 procent honger. Hoe kunnen we onze voedselvoorziening in de toekomst veiligstellen?

    De keuze van redacteur Diederik Samwel

    ‘Erg bijzonder vond ik het door Silvia Liebrich geschreven stuk “Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling” van Süddeutsche Zeitung. Naast alle deprimerende journalistiek die misstanden bloot legt – onmisbaar uiteraard! – voor de afwisseling een artikel met een positieve, oplossingsgerichte strekking.’

    Rundvlees uit Zuid-Amerika, appels uit Nieuw-Zeeland, rijst uit Azië. Als je boodschappen doet in een supermarkt neem je als vanzelfsprekend artikelen uit de hele wereld mee naar huis. En heb je de indruk dat voedsel altijd en overal beschikbaar is. Dat dat niet zo hoeft te zijn, merkt de consument maar zelden. Zo’n moment was er bijvoorbeeld wel aan het begin van de pandemie, toen bloem en gist opeens niet meer op hun gebruikelijke plek in het schap lagen. Maar eigenlijk is graan op geen enkel moment echt schaars geweest, de noodsituatie was, in ieder geval in Duitsland, alleen het gevolg van irrationele hamsterwoede. Wat je in de rijke westerse landen makkelijk kunt verdringen, kan in armere landen, waar de voedselketen in de regel een stuk kwetsbaarder is, catastrofale gevolgen hebben.

    Levensmiddelen zijn hernieuwbare grondstoffen, waarvan de productie en eerlijke verdeling de komende decennia een grote uitdaging wordt. Het goede nieuws: de huidige wereldvoedselproductie is voldoende voor 12 miljard mensen, dus 3 miljard meer dan er nu op de wereld zijn. Het slechte nieuws is dat desondanks bijna 10 procent honger lijdt.

    Hoe kunnen we een groeiende wereldbevolking te eten geven zonder ecosystemen, watervoorraden en het klimaat geweld aan te doen? En wat betekent dat voor de voedselvoorziening in de toekomst? Een overzicht van de mogelijkheden.

    Verspilling is funest

    Veel voedsel is al bedorven voordat het bij de consument aankomt. ‘Al met al komt zo’n 40 procent van het voedsel dat op de wereld wordt geproduceerd nooit op een bord terecht,’ aldus een recent bericht van het WWF. Dat betekent dat wereldwijd elk jaar 2,5 miljard ton voedsel verloren gaat. 1,2 miljard ton daarvan verdwijnt al in de landbouw, de rest bij het transport, de verwerking, in de handel en thuis. Die verspilling is ook slecht voor het klimaat: ruim 10 procent van de globale uitstoot van broeikasgassen komt op het conto van de voedselverspilling. 

    De politiek ziet het probleem wel, maar daarmee is het nog niet verdwenen. De hele voedselketen moet op zijn verantwoordelijkheden worden aangesproken, eist het WWF. ‘Alleen met elkaar, van de akker tot op het bord, kunnen we het doel bereiken om vóór 2030 wereldwijd de hoeveelheid voedsel die verloren gaat, te halveren.’ Deze taak is onderdeel van de 17 duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties, de zogeheten Sustainable Development Goals (SDG’s). Maar de weg daarnaartoe is lang. Daarvoor moeten ook de consumenten hun gedrag wezenlijk veranderen, want nog steeds belandt 40 procent van het voedsel bij mensen thuis in de vuilnisbak. 

    Lees ook:

    Milieubeschermers eisen dan ook een informatieoffensief om de bevolking, bijvoorbeeld via het onderwijs, te informeren en hun bij te brengen wat de gevolgen van onze voedingsgewoonten zijn. Daarnaast is het nodig door middel van systematische registratie, via publiekrechtelijke organisaties bijvoorbeeld, vast te leggen waar in de voedselketen voedsel bederft en hoe dat kan worden voorkomen. Een groot probleem in arme landen is ook dat veel voedsel al bederft terwijl het onderweg is van de akker naar de afnemer, bijvoorbeeld omdat het niet permanent wordt gekoeld.

    Op wereldniveau krimpt het landbouwareaal. Hiervoor zijn veel oorzaken aan te wijzen. Voor steden en dorpen is ruimte nodig, verder brengt de klimaatcrisis in veel regio’s de oogsten in gevaar en is water in sommige gebieden zo schaars dat er haast niets meer groeit. Daar komt bij dat er steeds meer gewassen worden verbouwd die niet als voedsel dienen, maar tot brandstof, bouwmateriaal of grondstof voor bijvoorbeeld aardolievrije kunststoffen worden verwerkt. Alleen al in Duitsland is volgens een opgave van het Duitse ministerie van Economische Zaken het areaal voor industrie- en energiegewassen in de afgelopen 20 jaar meer dan verdrievoudigd tot 2,67 miljoen hectare, een trend die over de hele wereld zichtbaar is. Ter vergelijking: het totale landbouwareaal in de Bondsrepubliek is nog geen 17 miljoen hectare. Experts gaan ervan uit dat de concurrentiestrijd tussen voedselgewassen en gewassen voor ander gebruik heviger zal worden. Dat vereist regelgeving. Weliswaar vragen internationale organisaties als de Verenigde Naties nadrukkelijk om voorrang te geven aan de voedselproductie, maar hoe dat moet worden gerealiseerd, is nog volkomen onduidelijk.

    Eén vleeseter veroorzaakt net zo veel broeikasgassen als twee veganisten

    Kunstvlees uit het laboratorium gold tot voor kort als duur speelgoed voor dappere startups. Maar intussen zijn sommige projecten al zo ver dat de eerste porties voor betaalbare bedragen worden opgediend. Zo serveert een restaurant in Singapore sinds kort voor omgerekend 14 euro een soort ravioli met gekweekt kippenvlees. Ter vergelijking: in 2013 kostte het produceren van een in-vitroburger nog een kwart miljoen euro. Niet zonder reden wordt in die branche voor miljarden geïnvesteerd. Geen enkel ander voedingsmiddel belast het ecosysteem en het klimaat zozeer als vlees. Dus zijn er alternatieven nodig. Kweekvlees is één mogelijkheid, maar ook insecten kunnen in de toekomst een belangrijke leverancier van eiwitten worden.

    Lees ook:

    Vaststaat dat de vleesproductie op de wereld beslissend zal zijn voor hoeveel mensen er kunnen worden gevoed. Volgens het Duitse ministerie van Milieu veroorzaakt één vleeseter net zo veel broeikasgassen als twee veganisten. Hoe enorm de invloed van de veeteelt is, blijkt uit het onderzoek van Joseph Poore en Thomas Nemecek, dat in 2018 in Science werd gepubliceerd. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat vlees- en melkproducten slechts 18 procent uitmaken van de hoeveelheid calorieën die een mens tot zich neemt. Maar daarvoor wordt wel 83 procent van het beschikbare landbouwareaal gebruikt. Anders gezegd: als iedereen veganist was, zou het landbouwareaal met 75 procent omlaag kunnen.

    Verscheidenheid

    Meer opbrengst op hetzelfde areaal is de grote droom van de agro-industrie. Met de ‘groene revolutie’ na de Tweede Wereldoorlog is dat gelukt. Door nieuwe teeltmethoden en massaal gebruik van kunstmest en pesticiden schoten de opbrengsten omhoog. Een toename die later ook door het gebruik van gentechniek niet kon worden geëvenaard. Sinds het invoeren daarvan woedt er een bittere strijd, onder meer over de vraag of de groeiende wereldbevolking meer gediend is met ecologische landbouw of met gentechniek. Het combineren daarvan kost vooral de aanhangers van biologische landbouw moeite. Maar er zijn uitzonderingen, zoals de Zwitserse agronoom en ecopionier Urs Niggli. ‘Geen enkele afzonderlijke plant, geen enkel individueel zaadje kan ervoor zorgen dat we de wereld in de toekomst duurzamer kunnen voeden,’ citeerde tijdschrift Geo hem recentelijk.

    Meer verscheidenheid op de akker, in het onderzoek en in het denken. Dat is wat ook andere landbouwdeskundigen willen. Rijst, tarwe en maïs zijn voor de voedselvoorziening van de mens onontbeerlijk. Samen voorzien ze in bijna de helft van de menselijke behoefte aan calorieën. De grote agroconcerns concentreren zich daarom al decennialang op het verder ontwikkelen van deze drie granen. Andere, vooral regionaal belangrijke gewassen als maniok, gierst en bakbananen krijgen nauwelijks aandacht. Howard-Yana Shapiro, een Amerikaanse onderzoeker, vindt dat verkeerd. Voor zijn werkgever Mars Inc., van de chocobars, heeft hij een paar jaar geleden het DNA van de cacaoplant ontsleuteld. Maar daar had hij een voorwaarde aan verbonden: geen patent en geen gebruiksvergoeding. Het resultaat van zijn werk moest gratis ter beschikking komen van onderzoekers op de hele wereld.

    Vervolgens ging hij aan de slag om het erfelijke materiaal van honderd Afrikaanse voedingsgewassen te ontsleutelen om de teelt ervan te kunnen verbeteren. Het is het alternatief voor het businessmodel van de agro-industrie, die haar onderzoeksresultaten achter slot en grendel houdt. Maar zulke prille aanzetten tot opensource-onderzoek kunnen een revolutie teweegbrengen in de teelt van landbouwgewassen en tevens de toekomstige voedselvoorziening veiligstellen. 

    Lees ook:

  • Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Bijna iedereen is het erover eens: ons voedselsysteem moet op de schop. Maar hoe zorgen we ervoor dat we én gezonder eten, én beter omgaan met de planeet, én betere arbeidsomstandigheden creëren in de voedselindustrie? Deze activisten doen een poging.

    Een altaar is een heilige plek, maar je kunt er overal een inrichten, met wat je maar wil of toevallig voorhanden is. Zo kwam vorig jaar op 5 december een groepje mensen bijeen op een plein in het centrum van Springdale in Arkansas om daar op de betonnen treden van een trap een wake te houden met chrysanten en kaarsen van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe, en handgeschreven witte kaarten met de namen van werknemers in pluimveeslachterijen die waren overleden aan corona. Onder elke naam stond ‘¡Presente!’ (Aanwezig!), wat zowel op de doden als de levenden kan slaan: in Latijns-Amerika wordt ermee gewezen op de aanwezigheid van de doden, met name slachtoffers van onderdrukking. Er lagen witte veiligheidshelmen bij, en aan de leuning hingen blauwe schorten: onderdelen van het bedrijfstenue dat deze werknemers droegen toen de coronapandemie al volop woedde en zij nog steeds schouder aan schouder 175 kippen of kalkoenen per minuut stonden te slachten – in deze stad die leeft van de pluimveeslachterijen en door Arkansas dan ook is uitgeroepen tot pluimveehoofdstad van de wereld.

    De arbeidersorganisatie Venceremos (Wij Zullen Zegevieren), die deze wake organiseerde, had maandenlang geijverd voor beschermingsmiddelen en gespreide diensten om het risico op coronabesmetting te verkleinen. (Volgens de Centers for Disease Control and Prevention waren eind mei in het hele land al meer dan 16.000 werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet geraakt.) ‘Je zat in de orkaan en probeerde te overleven,’ zegt de voorzitter van Venceremos, de van oorsprong Mexicaanse Magaly Licolli (38). ‘En ineens begin je de doden te tellen.’ De mensen die ze daar herdachten, waren gestorven doordat ze werkzaam waren in de ‘vitale beroepen’, zoals de overheid dat nu noemt. Vitaal en dus waardevol, zou je denken, maar in plaats van waardering en een hogere beloning, bracht die kwalificering slechts dwang met zich mee.

    Toch heeft de term ‘vitale beroepen’, met die ondertoon van heroïek, sommige Amerikanen voor het eerst de ogen geopend voor de lang genegeerde levens van de boeren, de werknemers in slachterijen en de vakkenvullers zonder wie wij geen eten op tafel zouden krijgen. ‘Corona heeft een breder publiek erop attent gemaakt dat we een voedselsysteem hébben,’ zegt Navina Khanna (40), de directeur van de HEAL Food Alliance, die in Oakland woont. (HEAL staat voor Health, Environment, Agriculture and Labor.)

    Dat komt mede doordat het bedrijfsleven in de begindagen van de coronacrisis inspeelde op de angst voor lege schappen en waarschuwde dat een lockdown de voedselvoorziening in gevaar zou brengen. (In de brute optelsom van de kapitalistische productie zijn arbeiders minder waard dan de kippen die ze slachten.) Tyson Foods in Springdale, de grootste vleesverwerker van de VS (met in 2020 een omzet van 43,2 miljard dollar, 800 miljoen meer dan in het coronavrije jaar ervoor) plaatste in april een paginagrote advertentie in de grote kranten. ‘Het is onze verantwoordelijkheid om het land van voedsel te voorzien,’ schreef bestuursvoorzitter John Tyson daarin. ‘Dat is van even vitaal belang als medische zorg.’

    Gericht op winst

    Op zichzelf was dat voor zo’n industriegigant een radicale omslag. Sociale hervormers wijzen al jaren op de gevaren van een voedselsysteem dat louter gericht is op winst. Als je voedsel alleen maar ziet als handelswaar en niet als basisbehoefte, accepteer je in feite dat er altijd mensen zullen zijn die er geen geld voor hebben en dus honger moeten lijden. Volgens Feeding America, een landelijk netwerk van voedselbanken dat opereert vanuit Chicago, waren er het afgelopen jaar zo’n vijftig miljoen burgers, ofwel één op de zes Amerikanen, die gebrek aan voedsel hadden. Kijk maar naar de met 60 procent gestegen afname van producten bij voedselbanken in het hele land, waar soms kilometerslange rijen staan, en de scherpe stijging in het aantal winkeldiefstallen van zulke basisbenodigdheden als brood.

    Maar ook vóór de pandemie waren er al 35 miljoen mensen die niet genoeg eten konden kopen, en toen waren er maar weinig bedrijven die vonden dat ze het volk moesten voeden. En het was ook niet vanwege lege supermarkten dat mensen in 2020 bij de voedselbank aanklopten. Toen de president in april gelastte dat de vleesverwerkende industrie moest blijven draaien, zogenaamd om ‘de Amerikaanse burger van voldoende eiwit te blijven voorzien’, bleek de productie zo hoog dat de grote bedrijven voor honderdduizenden tonnen (en miljarden dollars) aan vlees naar het buitenland konden exporteren.

    Het is geen toeval dat naarmate Amerikaanse consumenten steeds verder vervreemd zijn geraakt van de herkomst van hun voedsel en de grotendeels onzichtbare arbeid die nodig is voor de productie ervan, datzelfde voedsel ook is uitgegroeid tot een soort nationale obsessie, zoals die tot uiting komt in alle kookprogramma’s op tv, de verafgoding van topkoks en #foodporn op Instagram. Het is makkelijk om dit af te doen als het hedonisme van een beschaving in zijn nadagen, waarvan de decadentie des te meer opvalt doordat de lockdowns een kloof hebben geschapen tussen mensen die zich niet kunnen afzonderen omdat ze tomaten moeten plukken of vakken vullen, en zij die zich de luxe kunnen veroorloven om thuis te blijven en al hun boodschappen te laten bezorgen.

    De obsessie met eten is een teken van een verlangen om weer in contact te komen met onze oorsprong

    Maar die obsessie met eten is ook een teken van angst en van een verlangen – al is het nog zo confuus – om weer in contact te komen met onze oorsprong. Dat biedt kansen aan voorvechters van verandering in de wereld van de voedselproductie, zoals Licolli en Khanna: zij kunnen zich richten tot een publiek dat nu ook (zij het aan de late kant) oog begint te krijgen voor de grote problemen van onze tijd: de kloof tussen arm en rijk, raciale ongelijkheid en de afbraak van het milieu. Problemen die ons al vóór corona parten speelden en waar we zonder systeemverandering ook nog wel mee zullen kampen als de pandemie alweer verleden tijd is.

    De gebreken van ons moderne voedselsysteem dateren al van de eerste suikerplantages op het Portugese eiland Madeira in de vijftiende eeuw, en de eerste mondiale ondernemingen die voortkwamen uit de zeventiende-eeuwse specerijenhandel. Europeanen konden zich toen verrijken dankzij de inzet van goedkope en vaak gedwongen arbeid uit andere landen: een bedrijfsmodel dat voor velen te winstgevend was om te weerstaan, ondanks de humanitaire tol die het eiste.

    Aan het eind van de achttiende eeuw hekelden Britse tegenstanders van de slavernij het leed dat in elk kopje thee en elk lepeltje suiker school, geproduceerd als die waren door Afrikaanse slaven in wat toen West-Indië heette. De boekhandelaar William Fox publiceerde in 1791 het pamflet ‘Een Pleidooi aan het Volk van Groot-Brittannië, over waarom het van Fatsoen getuigt om geen Suiker en Rum uit West-Indië te nuttigen’, waarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan meer dan honderdduizend exemplaren in omloop waren: het was het meestverkochte pamflet van zijn tijd. ‘Met elk pond suiker consumeren wij in feite ook één ons mensenvlees,’ schreef Fox.

    Fair Trade

    De Engelse quaker Sophia Sturge ging in Birmingham van deur tot deur om mensen over te halen suiker uit West-Indië te boycotten, en sommige winkeliers gingen er prat op geen uit slavernij voortkomende producten te verkopen. Dat groeide uit tot een heuse beweging onder de noemer ‘Free Produce’, ‘slaafvrije producten’, die ook in Amerika voet aan de grond kreeg. Veel quakers hadden daar suikerriet al in de ban gedaan ten faveure van ahornsiroop en wilden geen katoen dat afkomstig was van de plantages in de Zuidelijke staten. (Het hedendaagse equivalent van Free Produce is het in de jaren tachtig ingevoerde Fair Trade-keurmerk, gestoeld op de gedachte dat het ethisch is om zo veel voor een product te betalen dat kleine boeren en producenten er iets aan kunnen verdienen – al blijft er discussie over de vraag wie daarop moet toezien en wie er werkelijk beter van wordt.)

    Tegenwoordig zijn alle onderdelen van de voedselvoorzieningsketen mikpunt van activisme: hoe voedsel wordt geproduceerd (milieuvervuilende landbouwpraktijken, onveilige arbeidsomstandigheden, de uitbuiting van illegalen en dwangarbeid van gedetineerden, dierenmishandeling), wie het kan produceren en hoe het wordt verkocht (raciale ongelijkheid bij het krijgen van leningen en investeringen, het schaalvoordeel van grote bedrijven, de verdringing van minderheidsculturen of de verspreiding van valse stereotypen daarover) en bij wie het belandt (armoede en honger, buurten waar geen vers en gezond voedsel te krijgen is, moralistische praatjes over de besteding van voedselbonnen).

    Sommige van die problemen worden wel opgepakt door topkoks, die in onze obsessieve eetcultuur enig respect afdwingen, maar hun pleidooi is vaak eerder juichend dan kritisch van aard (zoals in hun aansporing om vooral te eten wat het seizoen te bieden heeft en wat vers van de boer komt) en resulteert doorgaans niet in aanbevelingen voor nieuw beleid. Al zou dit onder invloed van de pandemie kunnen veranderen: de uit Spanje afkomstige José Andrés, die restaurants bezit in Las Vegas, Miami en Washington en die in het verleden voedselhulp heeft georganiseerd voor miljoenen slachtoffers van orkanen en ziekte, haalde onlangs uit naar de Amerikaanse overheid omdat het zou ontbreken aan de ‘politieke wil’ om een eind te maken aan de honger.

    ‘En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Maar ook buiten de schijnwerpers wordt veel belangrijk werk verricht met buurtactivisme, zoals de moestuinen die Karen Washington (66) aanlegt in de Bronx. Ze begon in 1988 met één braakliggend, met vuilnis bezaaid perceel tegenover haar huis. Ze had geen grootse plannen, ze was al blij dat ze dat onooglijke lapje grond wist om te toveren tot de oase die ze de Garden of Happiness noemde, en dat ze haar buren op verse groente kon trakteren. Maar al snel sloeg ze de handen ineen met andere stadstuiniers om zich te verweren tegen de pogingen van de gemeente om hun tuintjes weg te halen en gebouwen neer te zetten op deze voorheen verwaarloosde stukjes grond, die inmiddels groeiden en bloeiden. (Natuurbeschermingsorganisaties schoten uiteindelijk te hulp door een aantal van die percelen op te kopen.) Ze heeft mettertijd al veel tuinen helpen opzetten en beleidsvoorstellen voor ambtenaren geschreven, maar de kern van haar werk is nog steeds wat ze in en voor haar eigen buurt doet. Tijdens de pandemie ging ze de huizen af om te kijken of ouderen wel genoeg te eten hadden, en een groot deel van de oogst uit haar moestuin gaat naar voedselbanken en gaarkeukens. ‘Als we koken, maken we altijd wat extra,’ zegt ze.

    Maar ze weet ook dat dit alleen maar een lapmiddel is. ‘We zijn al zo lang afhankelijk van de bedeling,’ zegt ze. ‘Er wordt voedsel uitgedeeld en we gaan in de rij staan. En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Voedselactivisme bestrijkt zo veel terreinen dat het een versnipperd geheel is, een bonte lappendeken van uiteenlopende achterbannen, van geïmmigreerde bessenplukkers in de staat Washington die in de zomer stikken in de rook van de bosbranden, tot zwarte stadsboeren in Atlanta die kampen met de erfenis van racistische grondonteigening en New Yorkse ondernemers met kraampjes voor taco’s of halal hapjes die aan het begin van de pandemie hun omzet met 80 procent zagen dalen, maar niet voor overheidssteun in aanmerking kwamen omdat ze in de marges van de officiële economie werken, met veel contante betalingen en een minimum aan papierwerk. Na jarenlang soms wel veertien uur per dag te hebben gewerkt, zaten veel van deze ondernemers ineens aan de grond en waren ze aangewezen op de voedselbank. Carina Kaufman-Gutierrez (30), adjunct-directeur van het Street Vendor Project van het Urban Justice Center in Manhattan, dat met een team van zes medewerkers opkomt voor de belangen van zo’n twintigduizend straatverkopers, vindt het beschamend ‘dat de mensen die nu in de rij staan om eten te krijgen, de mensen zijn die al hun leven lang anderen van voedsel voorzien’.

    ‘We hadden al die tijd ook kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld’

    Maar al sinds de jaren tachtig bestookt de voedselbeweging het grote publiek niet zozeer met oproepen om in opstand te komen, als wel met het vagelijk jubelende mantra om gezonder te eten door inkopen te doen op de boerenmarkt en biologisch en onbewerkt voedsel te kopen dat niet in massa geproduceerd is. En dat is ook wel goed voor het milieu en voor kleinere bedrijven, maar het lijkt soms alsof dat alleen maar mooi meegenomen is en het per saldo vooral gaat om het individueel welzijn. Alsof je mensen alleen zover kunt krijgen dat ze in het belang van arbeiders of de planeet ‘met hun vork stemmen’ door een beroep te doen op hun eigenbelang. De neiging om het gedrag van individuele consumenten te beïnvloeden in de hoop zo tot geleidelijke verandering te komen, staat in feite op gespannen voet met de noodzaak van directe politieke actie. ‘Dat geloof dat je de boel via de individuele keuzes van mensen kunt veranderen, is een manier om de markt zelf niet ter discussie te stellen,’ zegt de agro-ecoloog Eric Holt-Giménez (67), voormalig directeur van de in Oakland gevestigde denktank Food First. ‘We hebben de neiging vooral te kijken naar de romantische kant, de kleine boer die biologische groenten verbouwt, terwijl we al die tijd ook hadden kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld.’

    De moeilijkste opgave voor elke activist is misschien wel hoe je mensen tot inzicht kunt brengen. De uit Nigeria afkomstige schrijver en kok Tunde Wey (37) uit New Orleans heeft daar zijn missie van gemaakt. Hij verbindt zich niet aan een restaurant, maar vergast de wereld op bijzondere pop-ups: bijvoorbeeld een kraampje waar witte klanten dertig dollar betalen voor een gerecht dat zwarte klanten maar twaalf dollar kost, als een afspiegeling van het gemiddelde inkomensverschil tussen zwarte en witte inwoners van New Orleans. Of een diner in een kerk waar het menu in het teken staat van de gentrificatie en je voor een halve kip 50.000 dollar betaalt – wederom als je wit bent, want zwarte gasten eten er gratis. Het is niet alleen maar provocatie en ook geen surrealistische grap, het zijn eerder gedachte-experimenten over de reële gevolgen van ongelijkheid. Zijn projecten ‘blijven achter bij de omvang van het probleem, dat kan niet anders’, zegt Wey. Hij wantrouwt mensen die zijn werk klakkeloos omarmen, want hij weet ‘hoe moeilijk het is om te veranderen’. Het echte werk ‘moet vanbinnen gebeuren’, zegt hij. ‘Ook bij mijzelf.’

    Land- en tuinbouw-cao

    ‘Het vraagt meer van je om voor anderen te zorgen,’ zegt de directeur van Community to Community Development in de westelijke staat Washington, Rosalinda Guillén (69). Als dochter van een geïmmigreerde landarbeider werkte ze als kind in de jaren zestig zelf ook in de aardbeienpluk. Dertig jaar later probeerde ze een vakbond op te zetten onder de werknemers van Chateau Ste. Michelle, de grootste wijnmaker in de staat. Ze organiseerde demonstraties, liet van zich horen op aandeelhoudersvergaderingen (speciaal met dat doel hadden de activisten aandelen in het bedrijf gekocht), en wat misschien nog wel het belangrijkste was: ze trok de aandacht van de buitenwereld. De countryzanger Willie Nelson zegde uit solidariteit een voorgenomen concert bij het wijnhuis af, dokwerkers in Europa weigerden de wijn uit te laden en stewardessen wilden die niet meer aan passagiers serveren. Guillén heeft jarenlang bij het bedrijf actie moeten voeren, ze werd bedreigd door beveiligers, haar banden werden lek gestoken en er werd suiker in haar tank gegooid. Maar uiteindelijk kregen de arbeiders hun cao, de eerste voor land- en tuinbouwwerknemers in de staat Washington.

    Raj Patel, een 48-jarige docent op het gebied van voedselsystemen aan de Universiteit van Texas in Austin, wijst erop dat internationale activisten de afgelopen decennia een bredere kijk hebben omarmd op wat ze voedselsoevereiniteit noemen. Dat begrip is gemunt door La Via Campesina, een internationale organisatie van boeren en landarbeiders die ontstaan is tijdens een conferentie in België in 1993. Voedselsoevereiniteit omvat meer dan alleen een betrouwbare voedselvoorziening voor iedereen en gaat ook over het erkennen van het belang van de culturele context, rentmeesterschap en het grondrecht op zelfbeschikking. ‘Eet je een biologische banaan omdat je vindt dat je lichaam een tempel is, of omdat landarbeiders degenen zijn die het meest onder pesticiden te lijden hebben?’ vraagt Patel.

    (Er is ook een akelige historische link tussen de beweging voor biologisch eten en blank etnisch nationalisme: beide putten uit een vergelijkbaar jargon van zuiverheid en wazige en geïdealiseerde denkbeelden over een bloedband met de aarde die niet mag worden bezoedeld met industriële bestrijdingsmiddelen of ‘Fremdstoffe’ – zoals de naziwetenschapper Werner Kollath het noemde, die in de Tweede Wereldoorlog niet alleen voorstander was van de slogan Lasst unsere Nahrung so natürlich wie möglich (‘laat onze voeding zo natuurlijk mogelijk zijn’), maar ook van gedwongen sterilisatie en eugenetica. Een van de extreemrechtse opstandelingen die begin januari na de rellen bij het Capitool in Washington werden opgepakt, schijnt in de gevangenis biologisch voedsel te hebben geëist omdat hij vreesde anders ziek te worden.)

    Armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen

    Tijdens de Amerikaanse Gilded Age, de economische bloeitijd na de Burgeroorlog, leidde de snelle industrialisatie en de ophoping van rijkdom in de handen van een kleine groep tot de opkomst van een nieuwe arbeidersklasse in de VS. Die arbeiders waren veelal verse immigranten die onder aan de pikorde stonden en daarom geen kans maakten op goedbetaald werk. Zij zagen zich dus genoodzaakt de allerlaagste baantjes te accepteren, hoe vies en gevaarlijk de werkomstandigheden ook waren. Toen Upton Sinclair in zijn baanbrekende roman The Jungle (1906) het werk in slachthuizen en vleesverwerkingsfabrieken beschreef, was dat een sensatie – zij het om de verkeerde redenen, zo besefte hij al snel: de lezers gruwden eerder van de gedachte dat ze besmet vlees op hun bord konden krijgen dan van het harde arbeidersbestaan. ‘Ik mikte op het hart van het publiek, en raakte het bij toeval in de maag,’ schreef hij daar later over.

    Maar misschien dat de groeiende onzekerheid op de banenmarkt in alle sectoren, voor zowel arbeiders als kantoorpersoneel, en de miljoenen mensen die ten gevolge van corona nu zonder werk zitten, dit debat toch weer leven kunnen inblazen. ‘De gedachte dat men zich een uitweg uit de problemen kan kopen zit diep verankerd in het individualistische, kapitalistische denken,’ zegt Khanna, ‘in tegenstelling tot het besef dat we allemaal genaaid worden.’

    Critici van links tot rechts beschuldigen de voedselbeweging wel van elitarisme. Het vergt een zekere mate van betrekkelijke maatschappelijke voorsprong en welvaart om te kunnen eten op een manier die doorgaans als gezond wordt beschouwd. Etiketten zoals ‘biologisch’ dreigen daardoor alleen maar symbolen van status en deugdzaamheid te worden, terwijl mensen die op voedselbonnen zijn aangewezen geregeld wordt verweten dat ze met overheidsgeld ‘verkeerd’ voedsel kopen. De in voedsel gespecialiseerde schrijver en universitair docent S. Margot Finn uit Michigan stelde in 2019 in een artikel dat onder invloed van overwegend rijke en witte activisten de prioriteiten van de voedselbeweging te veel zijn doorgeslagen naar buurtmoestuinen, stadsboeren, groenteabonnementen en de beschikbaarheid van vers voedsel, in plaats van zich bijvoorbeeld te beijveren voor betaalbare gezondheidszorg voor iedereen of een hoger minimumloon. Het getuigt volgens haar van ‘een schrale morele verbeelding van wat de moeite waard is als het om eten gaat’. (Je kunt natuurlijk ook voor al deze zaken tegelijk strijden.)

    De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet

    Maar voor de welgestelden mag gezond eten dan misschien vooral een kwestie van levensstijl zijn, armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen. En de beschikbaarheid van gezond voedsel speelt vandaag de dag nog steeds een grote rol in het activisme van mensen van kleur. In 1969 begon de Black Panther Party met de verstrekking van een gratis ontbijt aan schoolkinderen, eerst in Oakland en daarna in het hele land: minstens twee keer per week kregen ze worst, spek of eieren met toast of maispap, melk, jus of warme chocolademelk en vers fruit. De Black Panthers beschouwden voedselonzekerheid als een vorm van onderdrukking en waren van mening dat gebrek aan goede voeding geen incidenteel probleem was, maar onderdeel van een systeem waarmee men zwarte mensen onder de duim hield. Het gratis ontbijt werd nooit als een oplossing voor de rassenongelijkheid beschouwd: het was een van de overlevingsprogramma’s van de Panthers (‘survival pending revolution’ was hun leus: overleven tot de revolutie). Zo wilden ze de zwarte burgers op de been houden tot ze in de positie verkeerden ‘om zich aan de laars van hun onderdrukker te ontworstelen’, zoals Huey P. Newton, een van de oprichters van de Panthers, in 1972 schreef.

    De federale overheid had in 1966 ook al een kleine pilot opgezet van haar eigen gratis ontbijtprogramma, maar dat werd pas landelijk uitgerold in 1975, toen de Panthers door de FBI praktisch waren ontmanteld en hun maatschappelijke hulpprogramma’s waren verdwenen. De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet. In veel steden waar de scholen dichtgingen, bleven de schoolkantines open en werden daar maaltijden bereid en uitgedeeld voor ’s ochtends, ’s middags en soms ook ’s avonds, niet alleen voor kinderen maar ook voor andere mensen in nood. De toenmalige minister van landbouw Sonny Perdue versoepelde de federale wetgeving die sommige scholen in staat stelt gratis maaltijden te verstrekken zonder naar een inkomensbewijs te vragen. ‘Kinderen kunnen zich niet op de les concentreren als ze honger hebben,’ zei Perdue, waarmee hij een gedachte verwoordde die meer dan een halve eeuw geleden ook al in de partijkrant van de Black Panthers had gestaan: ‘Hoe kunnen onze kinderen iets leren als hun maag meestentijds leeg is?’ Vanuit diezelfde gedachte hebben veel vrijwilligersorganisaties tijdens de Black Lives Matter-betogingen van vorig jaar maaltijden verstrekt aan demonstranten. Dat was behalve voedselhulp ook een statement: wij staan achter jullie.

    Gezond voedsel

    Je mensen te eten geven als die niet altijd zeker zijn van voldoende voedsel, kan ook een daad van verzet zijn – de erkenning dat het ook een vorm van geweld is om mensen zulke basisbenodigdheden te onthouden. Dara Cooper (43) woont in Atlanta en is directeur van de National Black Food and Justice Alliance (NBFJA). Toen ze in de jaren tachtig opgroeide in de South Side van Chicago, zag ze dat haar moeder keihard werkte en toch maar met moeite genoeg eten op tafel kreeg. De groente in hun supermarkt zag er altijd oud, verlept en gehavend uit, heel anders dan de fleurige groente- en fruitafdelingen vol verse waren in de winkels van de rijkere en wittere buurten van de stad.

    Buurten waar niet of nauwelijks winkels met vers en gezond voedsel voorhanden waren, werden vroeger wel een voedselwoestijn genoemd: bijna alsof het een willekeurig en natuurlijk verschijnsel was, in plaats van het gevolg van bewust beleid. Buurten die als ‘risicovolle’ investering werden beschouwd, zoals bijna alle buurten waar vooral minderheden woonden, moesten het immers vaak zonder essentiële diensten stellen en kwamen niet in aanmerking voor leningen van de in de jaren dertig opgerichte hypotheekverstrekker van de overheid, de Home Owners’ Loan Corporation. Door de Fair Housing Act van 1968 is deze discriminatie nu weliswaar officieel verboden, maar de ongelijkheid blijft hardnekkig. Activisten spreken tegenwoordig van voedselapartheid, een term die opgeld deed toen de lokale bewonersorganisatie Community Coalition of South Los Angeles campagne voerde om de wildgroei van fastfoodzaken in wijken met lage inkomens af te remmen.

    Dara Cooper hielp in 2011 een afgedankte stadsbus om te bouwen tot een rijdende groentewinkel, Fresh Moves, waarmee verse groenten worden verkocht in wijken met te weinig goede winkels. Zo willen ze tegelijkertijd aandacht vragen voor het probleem en meteen ook demonstreren hoe je het kunt oplossen. Het probleem is niet alleen de afwezigheid van winkels met een goed assortiment, maar ook wie er in zo’n winkel de leiding heeft. Als grootwinkelbedrijven een filiaal in een zwarte wijk openen, zie je bij het management vaak nog vooroordelen die tot wrijving met klanten leiden, en weinig bereidheid om personeel uit de buurt te werven. Net als de moestuinen van Karen Washington in de Bronx was Fresh Moves bedoeld als een zaak van en voor de buurt, en het liep meteen storm. ‘We stonden naast een ijscowagen, en bij ons stond een langere rij,’ zegt Cooper.

    Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin

    Sommige zwarte activisten vinden het vooral aantrekkelijk om hun eigen groente te verbouwen – zowel om in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, als om zich af te zetten tegen een verleden waarin zwarte mensen op het platteland geen eigen grond mochten hebben, maar tot slavernij werden gedwongen. Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin. Soul Fire Farm, een non-profitorganisatie buiten New York, organiseert workshops waarin praktijklessen in traditionele Afrikaanse landbouwmethoden gecombineerd worden met een kritische beschouwing van het voedselsysteem door de bril van ras en klasse. En wat betreft de groenteabonnementen van gemeenschapslandbouw, waarbij je als consument aandelen koopt in de jaaroogst van een boerderij en je dividend krijgt uitbetaald in de vorm van een aantal dozen verse groente per jaar: wie dat wegzet als een speeltje van linkse witte mensen, gaat voorbij aan het baanbrekende werk van Booker T. Whatley, een landbouwdocent aan de Tuskegee University in Alabama, die de lezers van zijn Handbook on How to Make $100,000 Farming 25 Acres in 1987 al adviseerde om zich van vaste inkomsten te verzekeren door een club op te zetten waarbij de leden vooruitbetalen voor een jaar lang groente.

    Jamila Norman (41), een milieukundig ingenieur die zich op de stadslandbouw heeft toegelegd wegens het gebrek aan winkels met gezond voedsel in haar eigen wijk in Atlanta, vindt het belangrijk om de grond waarop ze gewassen verbouwt in eigendom te hebben en rendabel te maken, ‘om een landbouwbedrijf neer te zetten als een levensvatbaar bedrijfsmodel voor mensen van kleur, zodat ze zien dat die weg voor hen vrij ligt’. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw is het totale aantal boerderijen de afgelopen eeuw met 68 procent gedaald van bijna 6,5 miljoen in 1920 tot iets meer dan 2 miljoen in 2017. Maar het aantal boerderijen van zwarte boeren is gedaald van ongeveer 925.000 naar 35.000, een veel scherpere daling van wel 96 procent. Dat komt neer op de onteigening van miljoenen hectares, deels door discriminatie bij het verstrekken van leningen door zowel banken als de overheid. (In 1998 erkende het ministerie in een rapport dat er sprake was van ‘langdurige vooroordelen tegen en discriminatie van boeren uit etnische minderheden’.) Met de Patchwork City Farms, door Norman oorspronkelijk begonnen op een stuk grond dat ze pachtte van een openbare school, maar inmiddels gevestigd op een eigen perceel niet ver van haar huis, wil ze het ‘verhaal’ van de zwarte boer ‘heroveren’. Het doel is een toekomst waarin, zo zegt ze, ‘ik helemaal niet bijzonder meer ben omdat iedereen dan aan landbouw doet’.

    Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’

    De pandemie heeft veel voedselactivisten genoodzaakt om van belangenbehartiging over te stappen op noodhulp (de ‘overlevingsprogramma’s’ van Huey P. Newton) teneinde te kunnen voorzien in de eerste behoeften van mensen: voedsel voor wie honger lijdt, financiële steun voor kleine bedrijven op de rand van het faillissement, en bescherming van de levens van werknemers in ‘vitale’ beroepen. Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’. Maar ‘ons normaal is dodelijk’, zegt Guillén. En ook Holt-Giménez ziet het somber in: ‘Miljardairs, grote bedrijven en grote ketens komen beter uit de pandemie,’ zegt hij. ‘Het levert kansen op – en kijk wie die kansen benutten.’ Tegen het probleem van het schaalvoordeel valt praktisch niet op te boksen, zoals Wey ook laat zien. Norman wil haar kinderen van rond de twintig niet als knecht op haar boerderij inzetten. ‘Ik moet dit werk zelf kunnen doen,’ zegt ze, ‘dit rendabel houden zonder mensen uit te buiten.’ Maar grote landbouwbedrijven kunnen makkelijk lagere prijzen vragen door arbeidskrachten te behandelen als wegwerpartikelen en ze ‘in tijden van crisis zelfs op te offeren’, zegt Guillén. ‘De gedachte blijft toch: hoe dicht kun je de wettelijke grens van slavernij naderen?’

    Maar de huidige crisis zal niet meteen verdwenen zijn met het virus, die zoönotische infectie die van dier op mens is overgesprongen en dus duidelijk een nevenproduct is van onze inbreuken op de habitat van dieren en het existentiële gevaar van onze niet-aflatende belasting van het milieu. Met het stijgende tempo waarin de klimaatverandering om zich heen grijpt, en de schijnbare onuitroeibaarheid van raciale onrechtvaardigheid en de eeuwenoude verdeling van rijkdom en macht, zowel in Amerika als op mondiaal niveau (om nog maar te zwijgen over de bunkermentaliteit van diegenen die al zo lang aan de knoppen zitten dat ze het delen van macht meteen ervaren als de totale ondergang), is voedsel zowel een symbool als de letterlijke belichaming geworden van alle problemen om ons heen. Activisme kan de vorm aannemen van een betoging, van een boycot, van een campagne om een miljoen deuren af te gaan, of zelfs van een handvol zaad: een stukje toekomst dat je in de aarde steekt. Het kan bestaan uit een koor van stemmen en een groeiend bewustzijn dat wat wij eten niet alleen een afspiegeling is van onze (vaak laaghartige) keuzes als samenleving, maar die keuzes ook vormt; en dat het in onze macht ligt om iets aan die keuzes, en aan de manier waarop we leven, te veranderen.